As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Aḥadīthi'l Qudsiyyah — Betekenis en toelichting

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

AHADITHI’L QUDSIYYAH BETEKENIS EN TOELICHTING

(UIT SAHîH BUKHÂRî, SAHîH MUSLIM, SUNAN IBN MĀJAH, SUNAN ABU DĀWUD, JAMI`TIRMITHî, SUNAN NASÂ`Î EN MUWATTA)

Voor de leesbaarheid van deze tekst wordt gekozen voor het gebruik van mannelijke voornaamwoorden (hij, hem, zijn) als generieke verwijzing naar een persoon, ongeacht het geslacht. Waar hij gebruikt wordt, geldt dit tevens voor zij/haar. Deze conventie heeft geen invloed op de betekenis of interpretatie van de inhoud.

De honorificaties (groetenisformules) worden vaak gebruikt na het noemen van anbiyā en ṣaḥābah als uiting van respect en du`ā’ voor hen.Hier is een lijst van de honorificaties in het Arabisch met de Nederlandse vertaling:صلى الله عليه وسلم : "Sallallahu alaihi wa sallam" (Allahs zegeningen en vrede zij met hem): vaak gebruikt na het noemen van de naam van an-Nabī Muhammed

رضي الله عنه : "Radiallahu anhu" (Moge Allāh tevreden zijn met hem): voor mannelijke ṣaḥābah

رضي الله عنها : "Radiallahu anha" (Moge Allāh tevreden zijn met haar): voor vrouwelijke ṣaḥābah

رضي الله عنهما : "Radiallahu anhuma" (Moge Allāh tevreden zijn met beiden): voor twee ṣaḥābah

رضي الله عنهم : "Radiallahu anhum" (Moge Allāh tevreden zijn met hen): voor een groep ṣaḥābah

عليه السلام : "`Alayhissalam" (Vrede zij met hem): vaak gebruikt voor anbiyā en boodschapper

عليها السلام: “`Alayhassalam” (Vrede zij met haar): gebruikt voor dochters van Rasûlullāh en vrouwelijke personen die in de Qur’ān worden genoemd.

( رَحِمَهُ اللهُ) raḥimahu Allāh: moge Allāhu hem genadig zijn (man)

رَحِمَهَا اللهُ (raḥimahā Allāh): moge Allāhu haar genadig zijn (vrouw)

رَحِمَهُمَا اللهُ (raḥimahumā Allāh): moge Allāhu twee personen genadig zijnرَحِمَهُم اللهُ (raḥimahum Allāh): moge Allāhu hun genadig zijn

Voorwoord van de uitgever

Oneindige lof zij aan de Rab der Werelden, en صلى الله عليه وسلم over onze meester van het universum, an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Wij zijn verheugd dat een dergelijke bron via onze uitgeverij aan u beschikbaar wordt gesteld. Zoals u weet, heeft Madve Uitgeverij zich ten doel gesteld om kwalitatieve en blijvende boeken aan zijn lezers aan te bieden.

In dit kader zal ook de verzameling Aḥadîthi’l-Qudsiyyah die u nu in handen heeft, in de bibliotheek van zowel geïnteresseerde lezers als geleerden een bijzondere plaats innemen, zo Allāh het wil.

Zoals bekend zijn de Aḥadîthi’l-Qudsiyyah de tweede bron van de Islāmitische wetgeving. De betekenis ervan komt van Allāhu (تعالى) terwijl de bewoordingen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn. Daarom behoren zij, na de Qur’ān , tot de meest gezaghebbende teksten; de andere aḥadîth (Aḥadîth an-Nabawī) worden na de Aḥadîthi’l-Qudsiyyah genoemd.

Tot op heden zijn er wel verzamelingen verschenen met bijvoorbeeld 40 of 75 Aḥadîthi’l-Qudsiyyah, maar zover wij weten is er nog nooit een complete verzameling geweest die alle Aḥadîthi’l-Qudsiyyah uit as-Ṣiḥāḥ as- Sittah (de zes betrouwbare aḥadîth-boeken) en de Muwaṭṭaʾ van Imām Mālik bijeenbrengt. Met de publicatie van dit boek over Aḥadîthi’l-Qudsiyyah willen wij, zo Allāh het wil, aan deze nood voorzien en een belangrijke bijdrage leveren aan ons culturele leven.

Tevens moeten we vermelden dat in dit werk sommige aḥadîth door verschillen in overlevering meerdere keren zijn opgenomen. Deze herhaling is tweeledig van reden. Ten eerste hebben wij de originele indeling van het boek volledig gehandhaafd, omdat onze publicatieen vertaalvisie dit vereiste. Anders zou u als lezer kunnen zeggen: "Als jullie zo veel weten, schrijf het dan zelf en zeg niet dat jullie dit boek vertaald hebben." Madve Uitgeverij streeft al jaren naar een dergelijke transparantie. Ten tweede was het in een gebied waar zelfs Bukhārī, Muslim en andere bronnen verschillende overleveringen vermelden zonder te selecteren, een kwestie van respect en bescheidenheid om niet zelf te oordelen welke variant beter is. Want wat op het eerste gezicht kleine verschillen lijken, kunnen binnen een bepaalde juridische opinie (ijtihād) of school (madhhab) als bewijs dienen.

Het zelf uitzoeken en wegstrepen van overleveringen zou onverstandig en respectloos zijn, moge Allāh ons ervoor behoeden.

Er zijn nog andere belangrijke punten die we niet willen bespreken, omdat we u willen uitnodigen om het boek zelf te bestuderen en te beoordelen.

Wat wij willen benadrukken is het volgende. Naar onze mening is het essentieel voor het begrip van dit boek dat dit werk door een commissie van "Daru’l-Kutub al-‘Umiyyah" (Het Huis van de Wetenschappelijke Boeken: een bekende Libanese islamitische uitgeverij gevestigd in Beirut) is samengesteld, bevat 399 genummerde aḥadîth. Het is uitgegeven in twee delen. Onze uitgeverij publiceert de vertaling van de gerespecteerde imām Ahmed Varol, zonder enige selectie of toevoeging, in de originele vorm. De bronnen zijn wel door hem gecontroleerd en waar nodig zijn verschillen in voetnoten vermeld om met de ‘Concordance’ om de originele teksten te waarborgen. Zo zijn de ḥadîth-bronnen in de voetnoten aangepast aan zowel het originele werk als aan het wereldwijd gebruikte ‘Concordance systeem: al-Muʿjam al-Mufahras li-Alfāẓ al-Ḥadīth an-Nabawī: "Geïndexeerd woordenboek van de woorden van de profetische ḥadīth."

……………..

Alleen Allāh kent de harten het beste. Wij hopen dat dit werk zeer nuttig zal zijn. De leiding en de inspanning is van Allāh.

Voorwoord

Alle lof is voor Allāh, de Rab der werelden. Een goed einde is voor degenen die Allāh werkelijk vrezen. Zegeningen en vrede zij met onze sayyid en onze Nabī Muhammed (صلى الله عليه وسلم), de laatste der anbiyā, zijn zuivere familie, zijn met voortreffelijke eigenschappen gezegende ṣaḥābah, en allen die zich met goedheid an-Nabī volgen tot aan de Yawmu’l Qiyamah.

Dit boek bevat de 'Aḥadîthi’l-Qudsiyyah ' die voorkomen in de hieronder genoemde ḥadîth-verzamelingen:

De Sahīh van Muhammad ibn Ismail Bukhārī, de leider der muhaddithīn (overleveraars van ḥadîth),

De Sahīh van Abû'l-Husayn Muslim ibn al-Hajjaj al-Qushayrī al-Naysaburī,

De Jami' van Abû Isa at-Tirmidhī,

De Sunan van Imam Abû Dawud al-Sijistanie,

De Sunan van Imam Abû Abdurrahman Ahmad ibn Shu'ayb al-Nasa`ī,

De Sunan van Imam Ibn Mājah al-Qazwinī,

De Muwaṭṭaʾ van Imām Mālik.

Verzameling en ordening van de Aḥadîthi’l-Qudsiyyah

De commissie die dit boek samenstelde, heeft bij het verzamelen van de Aḥadîthi’l-Qudsiyyah uit de genoemde bronnen de ḥadîth die identiek in de verschillende overleveringen voorkomen slechts één keer vermeld. Echter, wanneer een andere overlevering, toevoeging, weglating, tekstuele wijziging of verandering in de naam van de overleverende metgezel bevatte, is die andere overlevering geheel vermeld of is met een aanwijzing op die wijziging volstaan.

Werkwijze bij de verklaring van de aḥadîth

Het overleg (istisharah) die wij hebben gehouden en de istikharah (salāh waarin een mu’min Allāh vraagt om leiding bij het maken van een keuze) die wij hebben verricht, hebben we besloten de commentaren op de aḥadîth uit Ṣaḥīḥ Bukhārī over te nemen uit de uitleg van Allama al-Qastallan. Deze wordt door zowel tijdgenoten als latere geleerden als gezaghebbend beschouwd. Voor de aḥadîth uit Ṣaḥīḥ Muslim hebben we gekozen voor de uitleg van Imam an-Nawawī, de imām der imāms, een voorbeeld voor geleerden. Zijn uitleg wordt door de geleerden beschouwd als een gezaghebbende bron en een solide onderbouwing die tegenstanders overtuigt.

Bij de uitleg van sommige aḥadîth was het noodzakelijk naar tafsier-boeken, grammatica, enzovoorts te verwijzen. Bij de citaten uit al-Qastallani hebben we soms de tekst letterlijk weergegeven en soms samengevat. Bij samenvattingen werden soms specifieke delen of de afzonderlijke verklaringen bij herhaalde ḥadîth in Ṣaḥīḥ Bukhārī gecombineerd.

Bij de meeste verklaringen van an-Nawawī hebben we de tekst onverkort overgenomen, omdat zijn uitleg helder en beknopt is.

Werkwijze bij de indeling van de aḥadîth

Na het schrijven van de verklaringen wilden we de aḥadîth in een duidelijke indeling plaatsen. We zagen echter dat de verzamelde aḥadîth verspreid waren, waardoor het moeilijk zou zijn om ze terug te vinden. Met Allahs leiding besloten we de aḥadîth te groeperen naar hun onderlinge samenhang. Bij elke groep plaatsten we als titel het eerste deel van de eerste ḥadîth, zodat de lezer het gezochte ḥadîth binnen een gerichte groep kan vinden.

Het boek bevat, inclusief herhalingen, ongeveer vierhonderd aḥadîth. Herhalingen zijn opgenomen wanneer er een tekstuele wijziging was of wanneer de overleverende metgezel verschilde.

We zijn begonnen met een inleiding over de betekenis van Aḥadîthi’l-Qudsiyyah . Daarna hebben we enkele gegevens gegeven over het verschil tussen de Qur’ān en de Aḥadîthi’l-Qudsiyyah , gevolgd door het verschil tussen de Aḥadîthi’l-Qudsiyyah en de gewone (Nabawiyyah) aḥadîth. Vervolgens hebben we kort informatie gegeven over de auteurs van de ḥadîth-bronnen (muhaddithûn) waarin we de ḥadîth hebben verzameld.

Wij vragen Allāh ons op het rechte pad te leiden dat deze grote geleerden hebben gevolgd. Zij zijn de sterren van het pad der leiding en de lampen van de wereld. Zij zijn dienaren van de sunnah van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ), hebben hun leven aan die dienst gewijd en hun tijd besteed aan het in stand houden van de sunnah van Muhammed, (صلى الله عليه وسلم ), het verdedigen tegen aanvallen en het beschermen tegen bedrog en zwakke overleveringen.

Moge Allāh tevreden zijn met hen, hen zegeningen geven waar zij tevreden mee zullen zijn, en de moslims in staat stellen te profiteren van de kennis die zij hebben nagelaten. Amin.

Wij vragen Allāhu (تعالى) ons te helpen, ons te leiden tot het rechte pad en ons werk uitsluitend te wijden aan Zijn welbehagen. Hij is gul en een bron van goedheid. Hij hoort onze smeekgebeden het beste en Hij is onze genoegdoening, de beste Beschermer.

Hadîthi’l-Qudsiyyah

De betekenis van Aḥadîthi’l-Qudsiyyah

Het verschil tussen de Qur’ān en Aḥadîthi’l-Qudsiyyah

Enkele punten over de verschillen tussen Aḥadîthi’l-Qudsiyyah, aḥadîthi’n Nabawiyyah, de Qur’ān al-Karîm en de boeken van de vroegere anbiyā

Bij onze toelichtingen over deze onderwerpen hebben we gebruikgemaakt van het boek el-İthafatu's-Sunniye fi'l-Aḥadîthi'l-Qudsiyyay van al-Munawî en het boek Qawâidu't-Tahthies min Funûni Mustalâhi'l-Hadîth van Jamâlu'ddîn al-Qasîmî al-Dimashqî.

Deze twee geleerden behandelen het onderwerp in hun boeken tot in de fijnste details. Bij het onderzoek van de commissie was het niet mogelijk om andere bronnen te bestuderen dan deze twee boeken. Gezien de hoge wetenschappelijke status van de auteurs werd geacht dat de informatie in deze twee boeken voldoende moet zijn.

Natuurlijk zouden we, indien we gebruik hadden kunnen maken van andere bronnen, aanvullingen kunnen toevoegen aan de informatie in deze twee boeken. Daarover zullen we aan het einde van dit boek enkele toelichtingen geven, zo Allāh wil.

Onze auteurs beginnen dit onderwerp met de uitleg van de auteur van el-İthafatu's-Sunniye fî'l Aḥadîthi'l-Qudsiyyah. In het slothoofdstuk met de titel “Uitleg van de betekenis van Aḥadîthi’l-Qudsiyyah ” zegt hij: “Het woord Quds betekent letterlijk ‘reinheid’. De uitdrukking el-Ardu'l-Mukaddasah (het Heilige Land) betekent ook ‘de reine/zuivere grond’. Baytu'l-Maqdis is bekend. De uitdrukking Taqaddas Allāh betekent ‘Allāh is vrij van elke gelijkenis die Hem niet waardig is’. Eén van de namen van Allāh (تعالى) is ook al-Quddûs (Allāh is absoluut heilig en perfect zuiver, zonder enige tekortkoming). Dit wordt ook zo uitgelegd in al-Misbah.

De reden dat sommige al-aḥadîthi’l-Qudsiyyah genoemd worden, is dat de betekenis van deze aḥadîth uitsluitend aan Allāh (تعالى) wordt toegeschreven. Volgens wat er staat in at-Tarifât , is ‘aḥadîthi’l-Qudsiyyah’: “Een ḥadîth waarvan de betekenis door Allāhu (تعالى) aan an-Nabī, (صلى الله عليه وسلم ), is geopenbaard door inspiratie of in een droom. Rasûlullāh, (صلى الله عليه وسلم ), drukt die betekenis uit in zijn eigen bewoordingen.”

De Qur’ān al-Karîm heeft een hogere status, omdat ook de bewoording ervan door openbaring is, dat wil zeggen dat het rechtstreeks van Allāh (تعالى) is neergezonden.

Mawlâna `Alî al-Qarî (رَحِمَهُ اللهُ) zegt ook: “Aḥadîthi’l-Qudsiyyah is dat wat an-Nabī , (صلى الله عليه وسلم ), soms via de engel Jibr’îl عليه السلام , soms door openbaring, soms door inspiratie of in een droom van Allāh (تعالى) ontvangt en dan in zijn eigen woorden aan de mensen overbrengt.”

Dit is een verschil met de Qur’ān, want die werd neergezonden via de betrouwbare geest Jibr’îl عليه السلام en de woorden daarvan zijn bewaard in de Lawh al-Mahfûdh. De overdracht aan de mensen geschiedde op een manier van tawâtur (overlevering door grote aantallen die alle twijfel uitsluit) en dat gebeurt in elk tijdperk.

Wetenschappers hebben diverse kenmerken van Aḥadîthi’l-Qudsiyyah genoemd, waarvan de bekendste zijn:

De salāh verricht met Aḥadîthi’l-Qudsiyyah wordt niet geldig geacht.

Het is niet verboden dat iemand die onrein is (in staat van janâbah), menstruatie of na de kraamtijd een schrift of papier met Aḥadîthi’l-Qudsiyyah aanraakt of het leest.

Aḥadîthi’l-Qudsiyyah bezit niet de miraculeuze taalen stijlvolheid (i‘jâz) die in de Qur’ān aanwezig is.

Iemand die Aḥadîthi’l-Qudsiyyah ontkent wegens twijfel aan de echtheid ervan, kan niet beschuldigd worden van ongeloof (kufr).

Het verschil tussen Qur’ān al-Karîm en ḥadîthi’l-Qudsiyyah

Al-Mawlâ al-Kirmânî schrijft aan het begin van zijn boek Kitabu’s-Savm:“De woorden van de Qur’ān hebben de eigenschap van i‘jâz (onvergelijkbaarheid), dat wil zeggen dat zelfs als alle mensen zich zouden verenigen, zij geen tekst kunnen voortbrengen die op de woorden van de Qur’ān lijkt of dezelfde hoge eigenschappen bezit. Het werd geopenbaard via Jibr’îl عليه السلام. Daarnaast bestaat er kennis die niet deze i‘jâz eigenschap bezit, maar waarvan de betekenis rechtstreeks door openbaring is overgeleverd. Dit wordt aangeduid als een goddelijke overlevering of ḥadîthi’l-Qudsiyyah.”

Hij vervolgt: “Eigenlijk bezitten alle aḥadîth deze eigenschap, want hoe zou het anders kunnen, aangezien an-Nabī, (صلى الله عليه وسلم ), nooit iets zegt uit zijn eigen verlangen zegt. Het verschil is dat Aḥadîthi’l-Qudsiyyah aan Allāh wordt toegeschreven en, in tegenstelling tot andere aḥadîth, rechtstreeks van Allāh (تعالى) wordt overgeleverd.”

Het verschil tussen de Qur’ān en Aḥadîthi’l-Qudsiyyah kan ook worden gezien aan het feit dat Aḥadîthi’l-Qudsiyyah geen uitspraken doet over dat Allāh totaal vrij is van alles wat niet bij Zijn volmaaktheid past (tanzih) en Zijn eigenschappen van majesteit/verhevenheid (Jalāl) en schoonheid/goedheid (Jamāl).

At-Tayyibî schrijft: De woorden van de Qur’ān zijn de woorden die Jibrīl (عليه السلام) aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft overgebracht. Hadithi’l-Qudsiyyah is een ḥadîth waarvan Allāh (تعالى) de betekenis via inspiratie of in een droom aan an-Nabī heeft geopenbaard. an-Nabī, (صلى الله عليه وسلم ), heeft deze betekenis in zijn eigen woorden aan zijn gemeenschap overgebracht. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) schreef zijn andere aḥādīth niet aan Allāh toe en vermeldde ze niet als rechtstreeks van Hem overgeleverd. Dit wordt ook zo vermeld in het boek el-Fawā`id dat geschreven is door de kleinzoon van at-Taftazânî.

Andere Verschillen tussen de Qur’ān en Aḥadîthi’l-Qudsiyyah

Sheikh Muhammed Ali al-Farûkî schrijft in zijn boek Kashshâfu’l-Istılâhât wa’l-Funûn bij het benoemen van de soorten ḥadîth: “Een ḥadīth is ofwel nabawiyyah (profetisch) ofwel ilahiyyah (goddelijk). Het tweede type wordt ook wel ḥadîthi’l-Qudsiyyah genoemd. Hadithi’l-Qudsiyyah is een ḥadîth die an-Nabī , (صلى الله عليه وسلم ), van zijn Rab heeft overgeleverd maar dit is niet het geval met ḥadîthi’n nabawiyyah.”

Deze betekenis blijkt ook uit de uitleg die Ibn Hajar geeft in zijn boek Fathu’l-Mubîn bij de uitleg van de 24ste ḥadîth. Al-Halabi zegt in het eerste deel van zijn boek Hashiyatu’t-Talwîh bij de uitleg van de betekenis van de Qur’ān: “Al aḥadîthu ilahiyyah zijn aḥadîth die Allāhu (تعالى) op de nacht van de Mi`rāj aan an-Nabī , (صلى الله عليه وسلم ), heeft geopenbaard. Deze worden ‘geheimen van de openbaring’ genoemd.”

Een belangrijk punt: Ibn Hajar schrijft: “Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen al wahyu’l matluw (de Qur’ān) en de openbaring die an-Nabī , (صلى الله عليه وسلم ), via zijn Rab doorvertelt. De tweede categorie omvat de Aḥadîthi’l-Qudsiyyah. Er zijn er meer dan honderd van, en sommigen hebben zelfs een groot deel ervan verzameld.”

Ibn Hajar vervolgt zijn uitleg als volgt: “Weet dat de woorden die aan Allāh worden toegeschreven verschillend zijn. De belangrijkste en meest verheven is de Qur’ān. Deze bezit het kenmerk van i‘jâz (onvergelijkbaarheid), is eeuwenlang ongewijzigd en onaangetast bewaard gebleven, en het is verboden voor iemand die onrein is (janâbah) om het aan te raken of te lezen. Het kan niet zomaar worden overgeleverd qua betekenis. Het wordt tijdens de salāh voorgedragen, het wordt Qur’ān genoemd, en volgens een overlevering van Ahmad ibn Hanbal is het niet toegestaan om het te verkopen (hoewel wij het als makruh beschouwen). Daarnaast worden de delen van de Qur’ān āyāt (verzen) en suwar (hoofdstukken) genoemd.”

Andere boeken en Aḥadîthi’l-Qudsiyyah bezitten deze eigenschappen niet. Een onreine persoon mag deze aanraken en lezen, het is toegestaan om de betekenis ervan over te leveren, het mag niet in de salāh worden voorgedragen in plaats van de Qur’ān (dat zou de salāh ongeldig maken), het wordt niet Qur’ān genoemd. Voor het reciteren ervan is geen specifieke beloning per letter beloofd.

Het mag zonder bezwaar worden verkocht, en de afzonderlijke delen ervan worden niet aangeduid als āyāt of suwar. Op al deze punten is er overeenstemming onder de geleerden.

De tweede categorie van woorden die aan Allāh worden toegeschreven zijn de ongewijzigde en niet-vervalste boeken die vóór an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) aan eerdere anbiyā zijn gegeven.

De derde categorie zijn de Aḥadîthi’l-Qudsiyyah. Dit zijn aḥadîth die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) overbrengt door ze aan zijn Rab toe te schrijven. Deze worden ook tot de woorden van Allāhu (تعالى) gerekend. Volgens een sterke opvatting worden deze aḥadîth rechtstreeks aan Allāh toegeschreven. Want degene die ze als eerste heeft uitgesproken, is Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Deze woorden kunnen ook aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) worden toegeschreven, omdat het Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) is die ze van Allāhu (تعالى) aan ons heeft overgeleverd. Bij de Qur’ān is zoiets echter niet het geval. De Qur’ān wordt zowel qua betekenis als qua bewoording uitsluitend aan Allāhu (تعالى) toegeschreven."Bovenkant formulier

Onderkant formulier

Wanneer er een vers uit de Qur’ān wordt geciteerd, zegt men: “Allāhu (تعالى) zegt…” Maar bij Aḥadîthi’l-Qudsiyyah zegt men: “an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft overgeleverd van zijn Rab dat Hij zei…” Volgens de ayah:مَا ضَلَّ صَاحِبُكُمۡ وَمَا غَوَىٰ ٢

Jullie metgezel (de Profeet) dwaalt niet en hij is niet misleid.

وَمَا يَنطِقُ عَنِ ٱلۡهَوَىٰٓ ٣

Noch spreekt hij uit eigen verlangen. (Najm 53:3–4) en de ḥadîth waarin an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zegt: “Mij is de Qur’ān en iets gelijkwaardigs gegeven,” is er discussie over de vraag of de rest van de sunnah ook volledig op openbaring gebaseerd is.

Men mag niet aannemen dat de sunnah uitsluitend in een bepaalde vorm van openbaring is overgeleverd.

Openbaring kan zich op diverse manieren manifesteren, zoals dromen tijdens slaap, inspiratie in het hart, spreken via de engel enzovoorts.

Bij het overleveren van Aḥadîthi’l-Qudsiyyah gebruiken de overleveraars twee uitdrukkingen:

“an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei, overgeleverd van zijn Rab…” – dit is de uitdrukking die vooral de vroege overleveraars (salaf) gebruikten.

“Volgens de overlevering van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei Allāhu (تعالى) …”

Beide uitdrukkingen betekenen eigenlijk hetzelfde.

Amîr Hamîduddîn schrijft in zijn boek Fawâ`id:

De Qur’ān bezit het kenmerk van i‘jâz, Aḥadîthi’l-Qudsiyyah niet.

De salāh kan slechts geldig zijn met de Qur’ān, niet met Aḥadîthi’l-Qudsiyyah.

Wie de Qur’ān ontkent, verzaakt het geloof (m.a.w. wordt ongelovig (kāfir), maar dat geldt niet voor degene die Aḥadîthi’l-Qudsiyyah ontkent.

Bij de openbaring van de Qur’ān aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) is de engel Jibr’îl عليه السلام bemiddelaar tussen Allāh en an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), dat is niet zo bij Aḥadîthi’l-Qudsiyyah.

De woorden van de Qur’ān zijn van Allāh zelf, terwijl de woorden van Aḥadîthi’l-Qudsiyyah de woorden van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn (die ze van Allāh heeft ontvangen).

Alleen de reine mensen mogen de Qur’ān aanraken, terwijl ook onreine mensen de Aḥadîthi’l-Qudsiyyah mogen aanraken.

Amîr Hamîduddîn vervolgt: “Met deze verschillen wordt ook het onderscheid duidelijk tussen Aḥadîthi’l-Qudsiyyah en die Qur’ān-verzen waarvan de recitatie is afgeschaft (oftewel verzen die ook in hun vorm van recitatie als afgeschaft worden beschouwd: tilâwat’in nash).

Uit al-`Itqān fī ‘Ulūm al-Qur’ān (geschreven door de beroemde Islāmitische geleerde Jalāl ad-Dīn as-Suyūṭī) blijkt dat die afgeschaafde verzen ook Qur’ān en āyāt worden genoemd.”

De bovenstaande toelichtingen zijn overgenomen uit het laatste hoofdstuk van het boek al-Îthâfatu’s-Sunniyyah.

Toelichtingen overgenomen uit het boek "Qawâʿidu’t-Taḥdîs" van Jamâladdîn el-Qâsimî ad-Dimashqî: Uitleg over de ḥadîthi’l-Qudsiyyah De grote geleerde ash-Shihâb Ibn Hajar el-Haythamî zegt in het boek dat hij heeft geschreven als commentaar op de veertig Aḥadîth van Imâm Nawawî, bij de uitleg van de vierentwintigste ḥadîth – overgeleverd door Abû Zar al-Ghifârî (رضي الله عنه) het volgende:

“Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) zei, overgeleverd van zijn Rab: ‘O Mijn dienaren, Ik heb onrecht voor Mijzelf verboden, en Ik heb het ook onder jullie verboden. Pleeg daarom geen onrecht tegenover elkaar...”

Bij de uitleg van deze ḥadîth zegt hij:“Er is een belangrijk en voor iedereen relevant verschil tussen de geopenbaarde woorden die ‘Wahy Matluw’ (oftewel de Qur’ân) worden genoemd, en de goddelijke overleveringen die bekendstaan als al-ḥadîthi’l-Qudsiyyah. Het verschil zit hem in de aard van de openbaring die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) van zijn Rab overlevert. Er zijn meer dan honderdal ḥadîthi’l-Qudsiyyah, en sommigen hebben deze in afzonderlijke verzamelingen bijeengebracht. Ook de ḥadîth van Abû Dhar (رضي الله عنه) behoort hiertoe.”

Weet dat de woorden die aan Allāhu (تعالى) worden toegeschreven, in drie categorieën kunnen worden onderverdeeld:(De daaropvolgende uitleg is identiek aan wat eerder door Ibn Hajar is uiteengezet over de verschillende vormen van woorden die aan Allāh worden toegeschreven.)

In het werk Kulliyyât van Abû’l-Baqâ wordt het verschil tussen de Qur’ân en al-ḥadîthi’l-Qudsiyyah als volgt uitgelegd:“De Qur’ân is zowel qua formulering als qua betekenis afkomstig van Allāh, en is geopenbaard via duidelijke openbaring. De ḥadîthi’l-Qudsiyyah daarentegen is een overlevering waarvan de betekenis door Allāh aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) werd overgebracht via inspiratie of een droom, en waarvan de bewoording afkomstig is van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم zelf.”

Sommigen hebben hierover gezegd: “De bewoording van de Qur’ân bezit het kenmerk van iʿjâz en is via de engel Jibrîl (Gabriël) overgebracht. De al-ḥadîthi’l-Qudsiyyah daarentegen heeft niet het kenmerk van iʿjâz en is zonder tussenkomst van een bemiddelaar (direct) overgebracht. Daarom wordt al-ḥadîthi’l-Qudsiyyah ook wel aangeduid als al-Hadîth Ilâhîiyyah of al-Hadîth Rabâniyyah.”

Ook at-Tayyibî schrijft: “De Qur’ân is de openbaring die Jibrîl aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) heeft overgebracht. De ḥadîthi’l-Qudsiyyah is de overlevering waarvan de betekenis door Allāhu (تعالى) via inspiratie of droom aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) werd meegedeeld, en die hij vervolgens in zijn eigen bewoording aan de gemeenschap heeft overgebracht. De overige aḥadîth zijn niet aan Allāh toegeschreven, noch heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) gezegd dat hij deze van Allāh heeft overgeleverd.” Tot zover de overlevering van Ibn Hajar el-Haythamî.

Vervolgens citeert Jamâladdîn el-Qâsımî een soefistische uitleg uit het boek al-İbrîz van Ahmad ibn al-Mubârak, waarin vragen en antwoorden staan die aan zijn meester `Abdulazîz ad-Dabbâgh zijn voorgelegd. Wie geïnteresseerd is, kan zich tot dat werk wenden.

Imâm Mâlik (رَحِمَهُ اللهُ)

Zijn volledige naam is Abû ʿAbdillâh Mâlik ibn Anas al-Aṣbaḥî. Hij staat bekend als de Imâm van Dâr al-Hijrah, dat wil zeggen: de vooraanstaande geleerde van Madīnah. Hij werd geboren in het jaar 95 na de Hidjra en overleed in 179 H. op 84-jarige leeftijd in Madīnah.

Imâm Mâlik wordt beschouwd als een van de grootste imāms in de Islāmitische geschiedenis, vooral op het gebied van fiqh en ḥadîth. Zijn gezag en kennis werden erkend in de hele Islāmitische wereld. Het feit dat Imâm ash-Shâfiʿî ( رَحِمَهُ اللهُ) tot zijn leerlingen behoorde, volstaat als bewijs van zijn hoge status.

Hij vergaarde kennis bij vooraanstaande geleerden zoals:

Ibn Shihâb az-Zuhrî,

Yaḥyâ ibn Saʿîd al-Anṣârî,

Nāfiʿ, de vrijgelatene van ʿAbdullâh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما)en vele anderen.

Van zijn kennis profiteerden talloze geleerden, onder wie:

Imâm ash-Shâfiʿî,

Muḥammad ibn Ibrâhîm ibn Dînâr,

ʿAbd al-Raḥmân al-Maḥzûmî,

ʿAbd al-ʿAzîz ibn Abî Ḥâzim.

Daarnaast studeerden ook de volgende grote hadith geleerden (muhaddithûn) bij hem:

Imâm al-Bukhârî,

Imâm Muslim,

Abû Dâwûd,

at-Tirmidhî,

Aḥmad ibn Ḥanbal,

Yaḥyâ ibn Maʿîn,

Yaḥyâ ibn Yaḥyâ al-Andalusî,

ʿAbdullâh ibn Wahb,

en Asbaʿ ibn al-Faraj, naast vele anderen.

In de Jâmiʿ van at-Tirmidhî wordt de volgende overlevering van Abû Hurayrah (رضي الله عنه) vermeld:

Rasûlullāh(صلى الله عليه وسلم ) zei: “Mogelijk zullen mensen reizen maken op zoek naar kennis, maar ze zullen niemand vinden die meer kennis bezit dan de geleerde van Madīnah.”At-Tirmidhî kwalificeerde deze ḥadîth als ḥasan, en ʿAbd ar-Razzâq en Sufyân ibn ʿUyaynah verklaarden dat met de ‘geleerde van Madīnah’ Imâm Mâlik werd bedoeld.

Imâm Mâlik zei zelf: “Van degenen van wie ik kennis heb genoteerd, is er nauwelijks iemand die niet later bij mij kwam om een fatwa te vragen.”

Zijn respect voor kennis was uitzonderlijk.

Wanneer hij een ḥadîth wilde overleveren: verrichtte hij eerst wudûʾ, nam plaats met ernst en waardigheid en geurde zich als uiting van eerbied.

Hij had een indrukwekkende verschijning. Een dichter beschreef hem als volgt:

“Met zijn waardige houding beantwoordt hij vragen, terwijl de vragers in eerbied voor hem buigen.Zijn waardigheid en ingetogenheid weerspiegelen de majesteit van een koning.Hoewel hij geen wereldlijke macht bezit, gehoorzamen mensen hem alsof hij een heerser is.”

De grote muhaddith Yaḥyâ ibn Saʿîd al-Qaṭṭân zei: “Onder de ḥadîth-geleerden is er niemand betrouwbaarder in zijn woorden dan Mâlik.”

En Imâm ash-Shâfiʿî noemde hem: “De ster onder de geleerden.”

Er is overgeleverd dat Mansûr (de tweede Abbasidische kalief (754–775) ) verhinderde Imâm Mâlik dat hij een overlevering doorgaf over een man die zijn vrouw onder dwang (bijvoorbeeld onder druk van zijn echtgenote of een ander) verstootte, alsook een spion stuurde om hierover navraag te doen. Tijdens een openbare bijeenkomst verklaarde Imâm Mâlik: “De verstoting van een vrouw onder dwang is niet rechtsgeldig.”Daarop liet Mansûr hem geselen. Toch hield Imâm Mâlik niet op met het overleveren van ḥadîth.

Toen Hârûn ar-Rashîd ( khaliefah uit de Abbasidische dynastie, geboren rond 766 in Ray en overleden op 24 maart 809 in Toes. Hij regeerde van 786 tot 809) op bedevaart (Haj) ging, hoorde hij over de Muwaṭṭaʾ' van Imâm Mâlik.

Hij gaf hem drieduizend dinar en zei: “Het zou goed zijn als je met ons meeging, zodat ik, zoals ʿUthmân (رضي الله عنه) de mensen rondom de Qur’ān verzamelde, het volk rondom de Muwaṭṭaʾ' kan verenigen.”Maar Imâm Mâlik antwoordde: “Het is niet nodig dat de mensen zich verzamelen rond de Muwaṭṭaʾ', want de ṣaḥābah van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) verspreidden zich na zijn dood over verschillende landen. Ook het volk van Egypte bezit kennis. Rasûlullāh(صلى الله عليه وسلم ) heeft gezegd: ‘Verschil van mening binnen mijn gemeenschap is een bron van barmhartigheid.’

Vervolgens zei hij: “Ik zie geen reden om met u mee te reizen, want an-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) zei: ‘Als zij het wisten, zouden zij begrijpen dat Madīnah beter voor hen is.’ Deze dinars geef ik terug zoals ik ze heb ontvangen. Ik zou de stad van Rasûlullāh nooit inruilen voor de wereld.”

Imâm ash-Shâfiʿî vertelt: “Bij de woning van Mâlik zag ik rijpaarden uit Khurāsān en muildieren uit Egypte staan, zulke prachtige dieren had ik nog nooit gezien. Toen ik tegen hem zei: ‘Wat zijn dit voor prachtige dieren!’, antwoordde hij: ‘Ze zijn allemaal voor jou, als geschenk.’Ik zei: ‘Bewaar er één voor jezelf als rijdier.’ Hij antwoordde: ‘Ik schaam mij voor Allāh om in de stad van Rasûlullāh op een dier te rijden.’

Zijn levensverhaal en zijn verheven eigenschappen zijn ontelbaar.Moge Allāh Zijn genade over hem uitstorten.

Imâm Bukhârî ( رَحِمَهُ اللهُ)

Zijn volledige naam is Abû ʿAbdillâh Muhammed ibn Ismâʿîl ibn al-Mughîrah ibn Bardizbah al-Juʿfî Bukhârî. Hij wordt ook al-Kâfî genoemd. De reden hiervoor is dat zijn overgrootvader al-Mughîrah, oorspronkelijk een magiër was, maar later de Islām aannam via Yamân Bukhârî al-Juʿfî, het stamhoofd van een stam uit Jemen.

Hij werd geboren op een vrijdagavond, de dertiende van de maand Shawwâl in het jaar 194 H, en overleed op de avond van ʿĪd al-Fitr in het jaar 256 H, op 62-jarige leeftijd. Hij liet geen mannelijke nakomelingen na.

Voor zijn zoektocht naar kennis reisde hij naar alle steden waar ḥadīth-vertellers zich bevonden. Hij verzamelde overleveringen van vooraanstaande ḥadīth-geleerden zoals:

Makkî ibn Ibrâhîm al-Balkhî,

ʿAbdullâh ibn ʿUthmân al-Marwazî,

ʿUbaydullâh ibn Mûsâ al-ʿAbbâsî,

Abû Nuʿaym al-Fadl ibn Dakkîn,

ʿAlî ibn al-Madînî,

Ahmad ibn Hanbal,

en Yahyâ ibn Maʿîn.

Van hemzelf namen eveneens vele mensen kennis over. Firabrî zei: “Negentigduizend mensen hebben het boek as-Sahîh van Imām Bukhârî beluisterd. Behalve ikzelf is niemand van hen als overleveraar overgebleven.”

Hij begon al op tienjarige leeftijd met het zoeken naar kennis en op elfjarige leeftijd begon hij vragen van geleerden te beantwoorden.

Imâm Bukhârî (رضي الله عنه) zei: “Mijn werk as-Sahîh stelde ik samen door te kiezen uit zeshonderdduizend aḥadîth. Ik schreef geen enkele ḥadîth op zonder eerst twee rakʿa’s salāh te hebben verricht.”

Toen hij in Bagdâd arriveerde, wilden de ḥadīth-geleerden hem beproeven. Ze verwisselden de teksten (matn) en ketens (isnâd) van ongeveer honderd aḥadîth en verdeelden die onder tien personen. Elke persoon vroeg hem tien verwisselde aḥadîth. Op alle vragen antwoordde Imâm Bukhârî: “Ik weet het niet.”

De ware geleerden begrepen aan zijn antwoord dat hij de echte versies kende. De anderen begrepen dit niet.

Toen iedereen zijn vraag had gesteld, keerde Imâm Bukhârî terug naar de eerste vraagsteller en zei: “Jij vroeg mij over die en die ḥadîth, dit is de correcte versie.”Zo corrigeerde hij alle honderd aḥadîth met hun juiste ketens en teksten.

Iedereen was onder de indruk van zijn geheugen en erkende zijn superioriteit.

Moge Allāh Zijn genade over hem uitstorten.

Imâm Muslim ( رَحِمَهُ اللهُ)

Zijn volledige naam is Abū’l-Ḥusayn Muslim ibn al-Ḥajjāj ibn Muslim al-Qushayrī an-Naysābūrī.Hij werd geboren in het jaar 204 H en overleed in het jaar 261 H op 57-jarige leeftijd.

Voor het vergaren van kennis reisde hij door vele landen. Hij nam overleveringen van onder andere:

Yahyā ibn Yahyā,

Qutaybah ibn Saʿīd,

Isḥāq ibn Rāhawayh,

Aḥmad ibn Ḥanbal,

al-Qaʿnabī,

en Ḥarmalah ibn Yaḥyā.

Hij bezocht Baghdâd meerdere keren en gaf daar ḥadīth-lessen. Veel mensen leerden van hem.Hij behoorde tot de meest vooraanstaande geleerden van zijn tijd op het gebied van authentieke aḥadīth.Hij zei: "Mijn Musnad stelde ik samen uit 300.000 mondeling ontvangen overleveringen."

al-Khaṭīb al-Baghdādī zei over hem: "De methode van Muslim is gebaseerd op die van Bukhârî. Hij keek naar diens kennis en volgde zijn lijn."

Moge Allāh hen beiden genadig zijn.

Imâm Abū Dāwūd ( رَحِمَهُ اللهُ)

Zijn volledige naam is Sulaimān ibn al-Ashʿath ibn Isḥāq al-Asadī as-Sijistānī.Hij reisde veel op zoek naar kennis, bezocht talloze steden en verzamelde kennis van verschillende geleerden. Hij schreef veel boeken. Hij noteerde aḥadīth van geleerden uit onder andere Irak, Syrië, Egypte en de regio Khurāsān.

Hij werd geboren in het jaar 202 H en overleed op de vijftiende nacht van Shawwāl, 275 H, in Basra.

Hij nam overleveringen van de leermeesters van onder andere:

Bukhârî,

Muslim,

Aḥmad ibn Ḥanbal,

ʿUthmān ibn Shaybah,

en Qutaybah ibn Saʿīd.

Van hem namen onder anderen zijn zoon ʿAbdullāh, Abū ʿAbd ar-Raḥmān an-Nasāʾī, Abū ʿAlī al-Luʾluʾī, en vele anderen kennis over.

Hij presenteerde zijn werk "as-Sunan" aan Aḥmad ibn Ḥanbal, die het waardeerde en prees.

Abū Dāwūd zei: "Ik schreef 500.000 aḥadīth van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم ). Daaruit selecteerde ik 4.000 voor dit boek. Ik nam alleen die ahadith in mijn boek op die sahīḥ zijn, of waarvan de sahīḥ-status sterk mogelijk is. Een moslim heeft genoeg aan vier van deze overleveringen om zijn geloof goed te leven." Deze vier aḥadīth zijn:

“De daden worden beoordeeld op basis van intenties.”

“Het achterwege laten van wat je niet aangaat, is een teken van goed Islāmitisch gedrag.”

“Geen van jullie is een ware mu’min totdat hij voor zijn broeder wenst wat hij voor zichzelf wenst.”

“Het toegestane is duidelijk en het verboden is duidelijk, en tussen beide liggen twijfelachtige zaken die veel mensen niet kennen. Wie zich onthoudt van het twijfelachtige, beschermt zijn geloof en eer…”

Hij eindigt met de overlevering over het hart als het centrale stuk van het lichaam, waarvan het welzijn of verderf het hele lichaam beïnvloedt.

Abū Dāwūd (رضي الله عنه) blonk uit in kennis, toewijding aan de godsdienst (dīn) en het vermijden van slechte daden.

al-Khaṭṭābī zei: “Er is geen werk geschreven in de godsdienst wetenschappen dat gelijk is aan de Sunan van Abū Dāwūd. Zijn boek is geaccepteerd door alle madhāhib.”

Abū Dāwūd zei: “In mijn boek heb ik geen ḥadīth opgenomen waarover alle geleerden het eens waren dat deze verworpen moest worden.”

Ibn al-Aʿrabi zei: “Als iemand niets anders uit de kennis verkrijgt dan de Qur’ān en dit boek (d.w.z. de Sunan van Abū Dāwūd), dan is dat voor hem voldoende. Hij heeft niets anders nodig.”

Voor Abū Dāwūd schreven de ḥadīth-geleerden boeken die Musnad of Jāmiʿ werden genoemd. Deze boeken bevatten overleveringen over onder andere:

de Sunnah,

juridische voorschriften (fiqh),

verhalen,

vermaningen,

berichten over vroegere anbiyā,

en ethiek en gedragsregels.

Toen Abū Dāwūd zijn Sunan schreef, bracht hij al deze onderwerpen samen op een wijze die nog niet eerder zo systematisch en overzichtelijk was gedaan.

Ibrāhīm al-Ḥarbī zei: “Zoals het ijzer voor Dāwūd(صلى الله عليه وسلم ) zacht werd gemaakt, zo werd de ḥadīth voor Abū Dāwūd verzacht toen hij zijn Sunan schreef.”

Moge Allāh zijn rang verheffen. Āmīn.

Imām at-Tirmidhī ( رَحِمَهُ اللهُ)

Zijn volledige naam is Abū ʿĪsā Muḥammad ibn ʿĪsā ibn Sawrah at-Tirmidhī.Hij werd geboren in het jaar 200 H en overleed op de nacht van maandag, de 13e van de maand Rajab, 279 H, in Tirmidh.

Hij ontmoette vooraanstaande ḥadīth-huffad (geleerden die de aḥadīth uit het hoofd reciteerden), waaronder:

Qutaybah ibn Saʿīd,

Muḥammad ibn Bashshār,

ʿAlī ibn al-Jaʿd, en anderen.

Velen hebben ḥadīth van hem overgeleverd. Hij schreef meerdere werken over de ḥadīth-wetenschap.Zijn beroemdste boek is as-Sunan (ook wel bekend als Ṣaḥīḥ at-Tirmidhī), dat tot de waardevolste, meest bruikbare en minst herhalende boeken in zijn vakgebied behoort.

At-Tirmidhī zei: “Ik heb dit boek voorgelegd aan de geleerden van al-Ḥijāz, ʿIrāq en Khurāsān. Ze keurden het goed en prezen het. Wie dit boek in huis heeft, is als iemand die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in zijn huis hoort spreken. Moge Allāh tevreden over Imām at-Tirmidhī zijn. Āmīn.

Imām Ibn Mājah al-Qazwīnī ( رَحِمَهُ اللهُ)

Zijn naam is Abū ʿAbdullāh Muḥammad ibn Yazīd ibn Mājah.Hij is de auteur van het beroemde boek Sunan Ibn Mājah.

Dit werk laat zien hoe groots zijn inspanning was, hoe diepgaand zijn kennis, en hoe zorgvuldig hij was in het volgen van de Sunnah, zowel in hoofdzaken als in detailkwesties.

Zijn Sunan bestaat uit 33 boeken (kutub), 500 hoofdstukken (abwāb) en ongeveer 4.000 aḥadīth.Behalve enkele uitzonderingen zijn de meeste aḥadīth ḥasan (goed van kwaliteit).

Naast zijn Sunan schreef hij ook een Tafsīr (Qur’ān commentaar) en een geschiedenisboek dat de gebeurtenissen van de tijd van de ṣaḥābah tot aan zijn eigen periode beschrijft.

Vele bekende geleerden hebben overleveringen van hem overgenomen, onder wie:

Ibn Sibawayh,

Muḥammad ibn ʿĪsā aṣ-Ṣaffār,

Isḥāq ibn Muḥammad,

en ʿAlī ibn Ibrāhīm.

Imām Ibn Mājah( رَحِمَهُ اللهُ) overleed op 22 Ramaḍān, 273 H, op 64-jarige leeftijd.

Imam Abû Abdurrahman an-Nasa’ī ( رَحِمَهُ اللهُ)

Zijn volledige naam is Abû Abdurrahman Ahmad ibn Shu’ayb ibn Ali ibn Bahr an-Nasa’ī.Hij werd geboren in het jaar 215 en overleed in het jaar 303 in Makkah.Hij was een van de ḥāfiẓ al-ḥadīth (hadith uit het hoofd kennende) en vooraanstaande imāms op het gebied van de ḥadîthwetenschap.

Hij heeft kennis opgedaan bij bekende ḥadîthgeleerden zoals:

Kutaybah ibn Sa’id,

Ali ibn Hashram,

Ishaq ibn Ibrahim,

Muhammad ibn Bashshar,

Abû Dawud as-Sijistani,en nog vele andere geleerden.

Hij schreef veel boeken over ḥadîth.Hij behoorde tot de Shafi'i wetschool en stond bekend om zijn godsvrucht (taqwa); hij vermeed zonden in hoge mate.

Ali ibn Umar al-Hafid zei over hem: “Abû Abdurrahman an-Nasa’ī stak op het gebied van de ḥadîth uit boven alle bekende geleerden van zijn tijd.”

Er was een bijeenkomst van geleerden in Tarsus, onder wie Ahmad ibn Hanbal,en zij kwamen unaniem tot de beslissing om Imam an-Nasa`ī als uitblinker te verkiezen.

Sommige machthebbers vroegen hem of alle aḥadîth in zijn boek sahīh (authentiek) waren.Hij antwoordde: “Er zijn sahīh aḥadîth in, er zijn ḥasan aḥadîth (goede, maar iets zwakkere), en ook aḥadîth die daartussenin zitten.”

Zij zeiden toen: “Schrijf alleen de sahīh aḥadîth voor ons op.”Daarop selecteerde hij alle aḥadîth zonder gebreken in de overleveringsketen en stelde uit de overgebleven sahīh aḥadîth zijn bekende werk samen: "al-Mujtaba min as-Sunan" (ook bekend als Sunan an-Nasa’ī).

Moge Allāh tevreden met hem zijn.

De schrijver van het boek Taysir al-Wusul, waaruit deze biografieën van ḥadîth imāms zijn overgenomen, zegt hierover: “Wat hierboven is geschreven, is slechts een klein deel van hun levensverhalen. Dit alleen al volstaat om de verhevenheid van hun rang en de omvang van hun status binnen de ḥadīthwetenschap aan te tonen.”

Moge Allāh met hen allen tevreden zijn. Amin.

Al Aḥadîthi’l-Qudsiyyah:1 – Over de deugd van het gedenken van Allāh en de deugd van de kalimah at-tawḥīd

Een overlevering uit Ṣaḥīḥ Bukhārī over de deugd van dhikr:

1. Van Qutaybah ibn Saʿīd, van Jarīr, van al-Aʿmash, van Abū Ṣāliḥ, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voorwaar, Allāh heeft engelen die over de wegen rondtrekken op zoek zijn naar mensen die Allāh gedenken (dhikr). Wanneer zij een groep vinden die Allāh gedenkt, roepen zij elkaar: ‘Komt, hier is wat jullie zoeken!’Dan omringen zij hen met hun vleugels tot aan de hemel van deze wereld.Hun Rab vraagt de engelen, hoewel Hij hun toestand beter kent dan zijzelf: ‘Wat zeggen Mijn dienaren?’De engelen zeggen: ‘Zij verheerlijken U (tasbīḥ), zij zeggen Allāh is de grootste (takbīr), zij prijzen U (taḥmīd) en zij roemen U (tamjīd).’- ‘Hebben zij Mij gezien?’- ‘Nee, bij Allāh, zij hebben U niet gezien.’- ‘Hoe zou het zijn als zij Mij zouden zien?’- ‘Als zij U zouden zien, zouden zij U nog meer aanbidden, U nog meer roemen, U nog meer prijzen en U nog meer verheerlijken.’-‘Wat vragen zij van Mij?’- ‘Zij vragen U om Jannah (Paradijs)).’- ‘Hebben zij de Jannah gezien?’- ‘Nee, bij Allāh. O onze Rab, zij hebben haar niet gezien.’- ‘Hoe zou het zijn als zij haar zouden zien?’- ‘Als zij haar zouden zien, dan zou hun verlangen en streven ernaar nog groter zijn.’- ‘Waartegen zoeken zij bescherming?’- ‘Tegen de Jahannam (Hellevuur)).’- ‘En hebben zij haar gezien?’- ‘Nee, bij Allāh. O onze Rab zij hebben haar niet gezien.’- ‘Hoe zou het zijn als zij haar gezien hadden?’- ‘Dan zouden zij er nog meer voor vrezen en er nog meer voor op hun hoede zijn.’- ‘Ik neem jullie tot getuigen dat Ik hen allen vergeven heb.’- ‘Onder hen is iemand die er eigenlijk niet bij hoort; hij kwam alleen maar om een bepaalde reden.’- ‘Zij zijn een gezelschap; wie zich bij hen voegt, wordt niet uitgesloten.”

De overlevering uit Ṣaḥīḥ Muslim over de deugd van dhikr(Uit de aantekening in de marge van al-Qasṭallānī, hoofdstuk: De deugd van dhikr-bijeenkomsten)2.

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Voorwaar, Allāh heeft op aarde engelen die rondgaan op zoek naar dhikr-bijeenkomsten.Wanneer zij een bijeenkomst aantreffen waarin Allāh wordt herdacht, gaan zij bij hen zitten en omsluiten hen met hun vleugels, waarbij zij elkaar overlappen, totdat zij de ruimte tussen hen en de hemel van de wereld vullen.Wanneer de bijeenkomst ten einde komt, keren zij terug naar de hemel. Allāhu (تعالى), Die beter dan zij weet wat er heeft plaatsgevonden, vraagt hun vervolgens: ‘Vanwaar komen jullie?’De engelen antwoorden: ‘Wij komen van Uw dienaren op aarde die U verheerlijken (tasbīḥ), U groot verklaren (takbīr), de eenheid van U erkennen (tahlīl), U prijzen (taḥmīd) en U smeekbeden richten.’- ‘Wat vragen zij van Mij?’- ‘Zij vragen U om de Jannah.’- ‘Hebben zij de Jannah gezien?’- ‘Nee, o onze Rab.’- ‘Hoe zou het zijn als zij haar zouden zien?’- ‘Zij zoeken hun toevlucht tot U.’- ‘Waartegen zoeken zij hun toevlucht bij Mij?’- ‘Tegen Uw Jahannam, o onze Rab.’- ‘En hebben zij Mijn Jahannam gezien?’- ‘Nee.’- ‘En hoe zou het zijn als zij het zouden zien?’- ‘Zij vragen U om vergeving.’- ‘Ik heb hen vergeven. Ik heb hun gegeven wat zij vroegen en heb hen beschermd tegen datgene waarvoor zij hun toevlucht tot Mij zochten.’- ‘O onze Rab, onder hen is een bepaalde persoon die zondig is. Hij liep daar slechts langs en ging toevallig bij hen zitten.’- ‘Ook hem heb Ik vergeven. Zij zijn een gezelschap, en wie zich bij hen aansluit, wordt niet uitgesloten.”

De overlevering uit de Ṣaḥīḥ van Tirmidhī over de deugd van dhikr(Hoofdstuk: “Over de engelen van Allāh die op aarde ronddwalen”, dl. 2, blz. 280)

3.

Van Abū Hurayrah en Abū Saʿīd al-Khuḍrī (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Naast de engelen die de daden van de mensen registreren, heeft Allāhu (تعالى) ook andere engelen die over de aarde ronddwalen. Wanneer zij een gezelschap aantreffen die Allāhu (تعالى) gedenkt, roepen zij elkaar toe: ‘Kom hierheen, hier is wat jullie zoeken!’ Zij verzamelen zich dan en omsluiten die mensen met hun aanwezigheid, tot aan de hemel van de wereld.Dan zegt Allāhu (تعالى) tegen hen: ‘In wat voor toestand hebben jullie Mijn dienaren achtergelaten?’De engelen zeggen: ‘Wij hebben hen achtergelaten terwijl zij U prijzen (taḥmīd), U verheerlijken (tamjīd) en U gedenken (dhikr).’- ‘Hebben zij Mij gezien?’- ‘Nee.’- ‘En hoe zou het zijn als zij Mij hadden gezien?’- ‘Als zij U hadden gezien, zouden zij U nog meer prijzen, nog meer verheerlijken en nog meer gedenken.’- ‘Wat vragen zij van Mij?’- ‘Zij vragen om Uw Jannah.’- ‘Hebben zij die gezien?’- ‘Nee.’- ‘En hoe zou het zijn als zij haar hadden gezien?’- ‘Als zij haar hadden gezien, zouden hun verlangen en hun drang ernaar toenemen.’- ‘Waarvoor zoeken zij bescherming bij Mij?’- ‘Tegen Uw Jahannam.’- ‘Hebben zij die gezien?’- ‘Nee.’- ‘En hoe zou het zijn als zij haar hadden gezien?’- ‘Als zij haar hadden gezien, zouden zij er nog meer voor wegvluchten, er nog meer angst voor voelen en er nog zorgvuldiger afstand van houden.’- ‘Ik laat jullie getuigen dat Ik hen heb vergeven.’- ‘Onder hen is iemand, een bepaalde zondaar, die eigenlijk niet met hen (dhikr) wilde verrichten, maar er toevallig was vanwege een bepaalde behoefte.’- ‘Ook hem heb Ik vergeven. Zij zijn een gezelschap, en wie zich bij hen aansluit, wordt niet uitgesloten.’ (At-Tirmidhī zei over deze ḥadīth: ḥasan en ṣaḥīḥ.)

Wanneer zij een gezelschap aantreffen die Allāhu (تعالى) gedenkt, roepen zij elkaar toe: ‘Kom hierheen, hier is wat jullie zoeken!’ Zij verzamelen zich dan en omsluiten die mensen met hun aanwezigheid, tot aan de hemel van de wereld.Dan zegt Allāhu (تعالى) tegen hen: ‘In wat voor toestand hebben jullie Mijn dienaren achtergelaten?’De engelen zeggen: ‘Wij hebben hen achtergelaten terwijl zij U prijzen (taḥmīd), U verheerlijken (tamjīd) en U gedenken (dhikr).’- ‘Hebben zij Mij gezien?’- ‘Nee.’- ‘En hoe zou het zijn als zij Mij hadden gezien?’- ‘Als zij U hadden gezien, zouden zij U nog meer prijzen, nog meer verheerlijken en nog meer gedenken.’- ‘Wat vragen zij van Mij?’- ‘Zij vragen om Uw Jannah.’- ‘Hebben zij die gezien?’- ‘Nee.’- ‘En hoe zou het zijn als zij haar hadden gezien?’- ‘Als zij haar hadden gezien, zouden hun verlangen en hun drang ernaar toenemen.’- ‘Waarvoor zoeken zij bescherming bij Mij?’- ‘Tegen Uw Jahannam.’- ‘Hebben zij die gezien?’- ‘Nee.’- ‘En hoe zou het zijn als zij haar hadden gezien?’- ‘Als zij haar hadden gezien, zouden zij er nog meer voor wegvluchten, er nog meer angst voor voelen en er nog zorgvuldiger afstand van houden.’- ‘Ik laat jullie getuigen dat Ik hen heb vergeven.’- ‘Onder hen is iemand, een bepaalde zondaar, die eigenlijk niet met hen (dhikr) wilde verrichten, maar er toevallig was vanwege een bepaalde behoefte.’- ‘Ook hem heb Ik vergeven. Zij zijn een gezelschap, en wie zich bij hen aansluit, wordt niet uitgesloten.’ (At-Tirmidhī zei over deze ḥadīth: ḥasan en ṣaḥīḥ.)

Uitleg (sharh) van de aḥadīth 1,2 en 3 over de deugd van dhikrIn de versie van deze ḥadīth die overgeleverd is in Ṣaḥīḥ Muslim wordt vermeld: “afgezien van de engelen die de daden van de mensen registreren.” Daarmee wordt bedoeld: de engelen die de dhikr-bijeenkomsten afgaan, zijn andere dan de ‘katabah’-engelen die aangesteld zijn om goede en slechte daden van een persoon te registreren. Ook zijn zij niet dezelfde als de ‘ḥafazah -engelen die belast zijn met het beschermen van mensen tegen verschillende gevaren. De enige taak van deze specifieke engelen is het rondgaan om dhikr-bijeenkomsten op te sporen en eraan deel te nemen.

De wijsheid achter het feit dat Allāh, hoewel Hij beter dan wie dan ook op de hoogte is van de toestand van Zijn dienaren, aan de engelen vraagt naar hun toestand, is dat Hij op deze manier de deugd en verhevenheid van de kinderen van Ādam onder de aandacht van de engelen wil brengen. Want zoals vermeld in de Qurʾān, zeiden de engelen tegen Allāh toen Hij aankondigde dat Hij een plaatsvervanger (khalīfah) op aarde zou scheppen:وَإِذۡ قَالَ رَبُّكَ لِلۡمَلَٰٓئِكَةِ إِنِّي جَاعِلٞ فِي ٱلۡأَرۡضِ خَلِيفَةٗۖ قَالُوٓاْ أَتَجۡعَلُ فِيهَا مَن يُفۡسِدُ فِيهَا وَيَسۡفِكُ ٱلدِّمَآءَ وَنَحۡنُ نُسَبِّحُ بِحَمۡدِكَ وَنُقَدِّسُ لَكَۖ قَالَ إِنِّيٓ أَعۡلَمُ مَا لَا تَعۡلَمُونَ ٣٠

En (gedenk) toen jullie Rab tegen de Engelen zei: “Ik zal op de aarde een gevolmachtigde aanstellen” Zij zeiden: “Zult U daar iemand plaatsen die misdaden pleegt en bloed laat vloeien terwijl wij U verheerlijken, U prijzen en danken en U heiligen?” Hij (Allāh) zei: “Voorwaar, Ik weet wat jullie niet weten.” (Baqarah, 2:30)

Door de toestand van de mensen in de dhikr-bijeenkomsten te vernemen, zullen de engelen getuigen dat ook de kinderen van Ādam Allāh prijzen en verheerlijken, zelfs al hebben zij Hem niet gezien.

De engelen verrichten hun taken terwijl zij geheel vrij zijn van elke vorm van begeerlijke, en egoistische verlangens.

De kinderen van Ādam daarentegen hebben wél neigingen en verlangens, en toch doen zij dezelfde daden als de engelen: Allāh verheerlijken, prijzen en gedenken. Dat de engelen dit waarnemen, is een reden voor hun erkenning van de bijzondere status van de mens.

Wat betreft de uitspraak in de ḥadīth: “Zij zijn een gezelschap; niemand van hen wordt uitgesloten”, betekent: zelfs wie zich enkel vanwege een bepaalde behoefte bij hen bevond en niet met de intentie van dhikr was gekomen, wordt ook door Allāh vergeven. Want het bijwonen van dhikr-bijeenkomsten wekt het leven in dode harten. Ook al was de persoon niet gekomen met de bedoeling om aan dhikr deel te nemen, de zegen en de spirituele uitwerking van die bijeenkomst kunnen ook zijn hart tot leven brengen. En de gunst van Allāh is groots.

Deze ḥadīth wijst duidelijk op de grote deugd van dhikren aanbiddingsbijeenkomsten, dat wil zeggen: het samenkomen in gemeenschap voor daden van aanbidding. Dit omvat alle vormen van aanbidding: het onderwijzen van kennis, het leren van de Qurʾān, dhikr, tahlīl (het zeggen van “lā ilāha illā Allāh”) en alles wat daarmee verband houdt. Dergelijke bijeenkomsten zijn bijeenkomsten van licht en leven. En Allāh weet het het best. (Uit de uitleg van al-Qastallānī)

2. De hadīth: “Zeg: Lā ilāha illā Allāh” en wanneer hij dat zegt, zegt Allāh: “Mijn dienaar heeft de waarheid gesproken.”

Deze ḥadīth is overgeleverd door Ibn Mājah in zijn Sunan, in het hoofdstuk “De Deugd van Lā ilāha illā Allāh” (deel 2, blz. 219).

4. Van Abū Isḥāq, van al-Agharr Abū Muslim, van Abū Muslim, van zowel Abū Hurayrah (رضي الله عنه) als Abū Saʿīd al-Khuḍrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer een dienaar zegt: ‘Lā ilāha illā Allahu wa-Allāhu akbar’, dan zegt Allāhu (تعالى) : ‘Mijn dienaar heeft de waarheid gesproken; er is geen godheid buiten Mij en Ik ben Allāh .’Wanneer hij zegt: ‘Lā ilāha illā Allahu waḥdah’, dan zegt Allāh: ‘Mijn dienaar heeft de waarheid gesproken; Ik ben de Enige, er is geen godheid buiten Mij.’Wanneer hij zegt: ‘Lā ilāha illā Allahu waḥdahu lā sharīka lah’, dan zegt Allāh: ‘Mijn dienaar heeft de waarheid gesproken; er is geen godheid buiten Mij en Ik heb geen deelgenoot.’Wanneer hij zegt: ‘Lā ilāha illā Allahu lahu ’l-mulku wa lahu ’l-ḥamdu’, dan zegt Allāh: ‘Mijn dienaar heeft de waarheid gesproken; er is geen godheid buiten Mij, het koninkrijk behoort Mij toe en alle lof komt Mij toe.’Wanneer hij zegt: ‘Lā ilāha illā Allahu wa lā ḥawla wa lā quwwata illā billāh’, dan zegt Allāh: ‘Mijn dienaar heeft de waarheid gesproken; er is geen kracht en geen macht behalve bij Mij.”

Abū Isḥāq zegt: “Daarna zei al-Aghar Abū Muslim nog een paar dingen die ik niet goed begreep. Dus vroeg ik aan Abū Jaʿfar: ‘Wat zei hij?’ Hij antwoordde: “Wie de mogelijkheid krijgt om deze woorden te zeggen op het moment van zijn dood, zal gevrijwaard blijven van de bestraffing van Jahannam.”

Uitleg van de 4e ḥadīth: Deugd van Lā ilāha illā Allāh

De algemene betekenis van deze ḥadīth is dat Allāhu (تعالى) tevreden is over de dienaar die de hier vermelde adhkār (m.v. van dhikr) uitspreekt, en bevestigt wat de dienaar zegt. De vrucht van deze goddelijke bevestiging is dat Allāh tevreden over hem is en hem daarvoor een grote beloning en verdienste schenkt.

Wat betreft de uitspraak: “Wie deze woorden de mogelijkheid krijgt te zeggen op het moment van zijn dood, zal gevrijwaard blijven van de bestraffing van Jahannam”, wordt het volgende mee bedoeld: Als de dienaar oprecht in de betekenis van deze uitspraken blijft geloven gedurende zijn leven, en als zijn geloof tot het einde standhoudt en deze woorden ook werkelijk op zijn sterfbed uitspreekt, dan zal Allāh hem beschermen tegen de bestraffing van de Jahannam. Want het uitspreken van deze adhkār was voor hem een gewoonte geworden tijdens zijn leven. De zinnen die in deze ḥadīth genoemd worden, behoren tot de adhkār die veelvuldig herhaald zouden moeten worden.

3 – De ḥadīth over de deugd van degenen die Allāh prijzen

Deze ḥadīth is overgeleverd door an-Nasāʾī in zijn Sunan, in het hoofdstuk “De deugd van degenen die Allāh prijzen”. Deel 2, p. 220.

5. Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Een dienaar onder de dienaren van Allāh zei: ‘O mijn Rab, ik prijs U met een lofprijzing die U toekomt, overeenkomstig de majesteit van Uw Aangezicht en de grootsheid van Uw Heerschappij.’ Daarop raakten twee engelen in twijfel en wisten niet wat zij als beloning voor deze uitspraak moesten opschrijven. Zij stegen daarop op naar de hemel en zeiden: ‘O onze Rab, Uw dienaar heeft een uitspraak gedaan, maar wij weten niet hoe wij die moeten noteren.’ Allāh عَزَّ وَجَلَّ (Verheven en Majestueus), Die beter weet wat Zijn dienaar heeft gezegd, vroeg: ‘Wat heeft Mijn dienaar gezegd?’ Zij antwoordden: ‘O onze Rab, hij zei: O mijn Rab, ik prijs U met een lofprijzing die U toekomt, overeenkomstig de majesteit van Uw Aangezicht en de grootsheid van Uw Heerschappij.’ Daarop zei Allāh عَزَّ وَجَلَّ: ‘Schrijf het op zoals Mijn dienaar het heeft gezegd. Wanneer hij Mij ontmoet, zal Ik hem zijn beloning geven.”

Uitleg van de 5e ḥadīth over de deugd van degenen die Allāh prijzen

De reden dat de twee engelen in twijfel raakten over wat zij moesten registreren, was omdat de lofprijzing die deze dienaar uitsprak voor hen zeer groot leek, en zij wisten niet hoeveel beloning zij daarvoor moesten opschrijven. De beloning voor deze lof is immers zo groots dat alleen Allāh die kent. Allāh heeft de engelen niet kenbaar gemaakt wat de specifieke beloning is.

4 – De ḥadīth over het veelvuldig reciteren van “Subḥānallāhi wa bi ḥamdihi, astaghfirullāha wa atūbu ilayh” door an-Nabī (صلى الله عليه وسلم)

Overgeleverd door Imām Muslim in Ṣaḥīḥ Muslim, “Het boek van de salāh”, hoofdstuk “Wat men zegt in de rukūʿ en sajdah”. Deel 3, p. 128. Ook aangehaald in de aantekening in de marge van al-Qasṭallānī.

6. Van Muḥammad ibn al-Muthannā, van ʿAbd al-Aʿlā, van Dāwūd, van ʿĀmir, van Masrūq, van ʿĀʾishah (رضي الله عنها), ze zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) reciteerde vaak: Subḥānallāhi wa bi ḥamdihi, astaghfirullāha wa atūbu ilayh. Hij zei: ‘Mijn Rab, عَزَّ وَجَلَّ, heeft mij laten weten dat ik in mijn ummah een teken zou zien. Toen ik dat teken zag, ben ik de woorden: ‘Subḥānallāhi wa bi ḥamdihi, astaghfirullāha wa atūbu ilayh’ veelvuldig gaan reciteren.’ Ik zag dat teken in de openbaring (Qu’aan): إِذَا جَآءَ نَصۡرُ ٱللَّهِ وَٱلۡفَتۡحُ ١ Als de hulp van Allāh en de overwinning zijn gekomen.

وَرَأَيۡتَ ٱلنَّاسَ يَدۡخُلُونَ فِي دِينِ ٱللَّهِ أَفۡوَاجٗا ٢ En jij (O Muhammed) ziet dat (van heinde en verre) de mensen in grote groepen tot de godsdienst van Allāh toetreden.

فَسَبِّحۡ بِحَمۡدِ رَبِّكَ وَٱسۡتَغۡفِرۡهُۚ إِنَّهُۥ كَانَ تَوَّابَۢا ٣ Prijs dan de Glorie van jouw Rab en vraag Hem om vergeving. Voorwaar, Hij is Berouwaanvaardend. (Sūrah an-Naṣr: 1-3)

In de overlevering van Muslim komt aanvullend voor: ”Allāhumma-ghfir lī (O Allāh vergeef mij) interpreteert de Qurʾān”.

5 – De ḥadīth over degene die sterft terwijl hij getuigt dat er geen godheid is behalve Allāh

Deze ḥadīth is overgeleverd door at-Tirmidhī in zijn Jāmiʿ, in het hoofdstuk “Over de toestand van degene die sterft terwijl hij getuigt dat er geen godheid is behalve Allāh”.

7. Van ʿAbdullāh ibn ʿAmr ibn al-ʿĀṣ (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Op de Yawm al-Qiyāmah zal Allāh van boven de schepselen één man uit mijn ummah redden. Hij zal negenennegentig registers aan zonden hebben, elk zover reikend als het oog kan zien. Allāh zal hem vragen: ‘Ontken je iets hiervan? Hebben Mijn daden-registrerende engelen je onrecht aangedaan?’ De man zal zeggen: ‘Nee, o mijn Rab.’ - ‘Heb je dan een excuus?’ - ‘Nee, o mijn Rab.’ - ‘Jawel, jij hebt wel een goede daad bij je, en vandaag zal jou geen onrecht worden aangedaan.’ Vervolgens zal een kaartje tevoorschijn worden gebracht waarop staat geschreven: Ash-hadu al lā ilāha illallāh wa ash-hadu anna Muḥammadan ʿabduhū wa rasūluh (Ik getuig dat er geen godheid is behalve Allāh en ik getuig dat Muḥammad Zijn dienaar en boodschapper is). - ‘Breng dit naar de weegschaal.’ - ‘O mijn Rab, wat kan dit kleine kaartje betekenen tegenover al die registers?’ - ‘Jou zal geen onrecht worden aangedaan.’ Dan worden de (99-zonden) registers op één schaal gelegd en de kaart (met de twee getuigenissen) op de andere, en de schaal met het kaartje zal zwaarder zijn. Want niets weegt zwaarder dan de Naam van Allāh.” (Abū ʿĪsā at-Tirmidhī zei: “Deze ḥadīth is ḥasan en gharīb.)

[Een gharīb ḥadīth is een overlevering waarbij in een deel van de keten slechts één overleveraar voorkomt. Als die overleveraars betrouwbaar zijn qua geheugen en betrouwbaarheid, dan maakt deze ene overleveraar de ḥadīth niet zwak.]

Deze ḥadīth is ook overgeleverd door Ibn Mājah in zijn Sunan, in het hoofdstuk “De hoop op de Barmhartigheid van Allāh op de Yawm al-Qiyāmah”.

8. De ḥadīth is ook overgeleverd door ʿAbdullāh ibn ʿAmr ibn al-ʿĀṣ (رضي الله عنهما).

De bewoordingen in zijn versie zijn gelijk aan die van at-Tirmidhī, In de overlevering van Ibn Mājah is de volgende toevoeging opgenomen:“Heb jij daar tegenover een goede daad?” De man werd bang en zei: ‘Nee.’ Allāh zei: ‘Integendeel, jij hebt enkele goede daden, en vandaag zal jou geen onrecht worden aangedaan.’ En de rest van de overlevering gaat verder zoals hiervoor is vermeld.

6 – De ḥadīth: “Ik getuig voor jullie dat Ik de zonden van Mijn dienaar die tussen de twee zijden van zijn bladzijde staan, heb vergeven.”

Deze ḥadîth is overgeleverd door Imām at-Tirmidhī in zijn Jāmiʿ, in de hoofdstukken over de begrafenis). Deel 1, p. 183.

9. Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: Welke bewakers(ḥafaẓah)-engelen dragen wat zij overdag of ’s nachts hebben opgeschreven naar Allāh, en als Allāhu (تعالى) aan het begin en einde van het blad met goede daden aantreft: ‘Ik neem jullie tot getuige dat Ik de zonden van Mijn dienaar die zich tussen het begin en het einde van dit blad bevinden, heb vergeven.”

7 – De ḥadīth over de deugdzaamheid van het gedenken van Allāh en het vrezen van Hem

Deze ḥadîth is overgeleverd door Abū ʿĪsā at-Tirmidhī in Jāmiʿu at-Tirmidhī, deel 2, p. 98.

10. Van Anas (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Allāh عَزَّ وَجَلَّ heeft gezegd: ‘Ik zal degene die Mij op een dag gedenkt, of op een plaats Mij vreest, uit de Jahannam bevrijden.” Abū ʿĪsā at-Tirmidhī zei dat deze ḥadîth ḥasan en gharīb is.

8 – De ḥadīth over het zuiveren van het hart voor de aanbidding van Allāh en het op Hem vertrouwen (tawakkul)

Deze ḥadîth is eveneens overgeleverd door at-Tirmidhī in zijn Jāmiʿ.11. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Allāh عَزَّ وَجَلَّ zei: ‘O zoon van Ādam! Zuiver je hart voor Mijn aanbidding, en Ik zal het vullen met rijkdom die je vrijwaart van behoeftigheid. En als je dat niet doet, zal Ik je handen bezighouden (met wereldse zorgen) en je armoede niet wegnemen.”

Abū ʿĪsā at-Tirmidhī (رحمه الله) heeft gezegd dat deze ḥadîth ḥasan en gharīb is.

9 – De ḥadīth over Allahs uitspraak: “Kijk naar deze dienaar van Mij: hij roept de adhān op en verricht de salāh en vreest Mij!”

Deze ḥadîth is overgeleverd door an-Nasā’ī in zijn Sunan, in het hoofdstuk adhān verricht door iemand die individueel bidt, deel 2, p. 20.

12. Van ʿUqbah ibn ʿĀmir (رضي الله عنه), hij zei: “Ik hoorde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zeggen: ‘Jouw Rab verwondert zich over de herder op de top van een berg die de adhān voor de salāh oproept, daarna de salāh verricht. Allāh عَزَّ وَجَلَّ zegt dan: “Kijk naar Mijn dienaar, hij roept de adhān op en verricht de salāh, hij vreest Mij! Ik heb deze dienaar vergeven en hem in Jannah geplaatst.”

Uitleg van de aḥadîth 6 t/m 12

In de overlevering van Muslim staat de uitspraak: “Allāhummaġfir lī”, wat door de geleerden wordt opgevat als de praktische toepassing (ta’wīl) van de woorden van de Qur’ān waarin Allāh zegt:فَسَبِّحۡ بِحَمۡدِ رَبِّكَ وَٱسۡتَغۡفِرۡهُۚ إِنَّهُۥ كَانَ تَوَّابَۢا ٣ Prijs dan de Glorie van jouw Rab en vraag Hem om vergeving. Voorwaar, Hij is Berouwaanvaardend. (sûrah an-Naṣr, 110:3)

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) paste dit gebod van Allāh toe door veelvuldig te zeggen: “Allāhummaġfir lī” (O Allāh, vergeef mij). Hij sprak deze smeekbede ook tijdens de rukūʿ (buiging) en sajdah (neerknieling), omdat deze houdingen binnen de salāh tot de meest deugdzame behoren.

an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) koos er dan ook voor om deze woorden juist in de rukūʿ en sajdah te uiten, om de opdracht van Allāh op de mooiste wijze na te leven. Bovendien komt in deze twee houdingen de nederigheid (khushūʿ) tegenover Allāh het duidelijkst tot uiting dan in andere houdingen (in de salāh).

De betekenis van “Subḥān-Allāh” is: het verheerlijken van Allāh en het verklaren en verheffen dat Hij vrij is van alle tekortkomingen die aan geschapen wezens worden toegeschreven.

De betekenis van “wa-bi-ḥamdihī” is: ‘O Allāh, ik prijs U. Het is slechts door Uw leiding, Uw gunst en de kracht die U mij hebt geschonken dat ik U kan verheerlijken, niet door mijn eigen macht of vermogen.’ Hierin ligt tevens de erkenning van de gunsten van Allāhu (تعالى) en het betonen van dankbaarheid daarvoor.

Hoewel alle zonden van Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم vergeven waren, vroeg hij toch om vergiffenis aan Allāh, dit was om zijn plicht van dienaarschap jegens Allāh te vervullen en zijn afhankelijkheid van Hem tot uiting te brengen.

10. De hadīth: “Ik heb al Mijn dienaren als ḥunafā’ (op het rechte pad) geschapen.”

Ṣaḥīḥ Muslim, Boek over de kenmerken waarmee de mensen van Jannah en de mensen van Jahannam in deze wereld te herkennen zijn, deel 10, p. 314 e.v.

13. Van Abū Ghassān al-Mismaʿī en Ibn al-Muthannā, beiden van Muʿādh ibn Hishām, van zijn vader, van Qatādah, van Muṭarrif ibn ʿAbdullāh ibn ash-Shikhkhīr, van ʿIyāḍ ibn Ḥimār al-Mujāshiʿī (رضي الله عنه), die overlevert dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op een dag tijdens een khuṭbah zei: “Weet dat mijn Rab mij vandaag heeft opgedragen jullie iets te leren van hetgeen Hij mij heeft onderwezen en waarvan jullie voordien geen kennis hadden.

Hij zei: ‘Elke vorm van bezit/rijkdom dat Ik een dienaar heb geschonken, is ḥalāl. Ik heb al Mijn dienaren geschapen als ḥunafā’ (oprechte monotheïsten die zich tot de Waarheid wenden). Vervolgens kwamen de shayāṭīn, die hen van hun godsdienst (dīn) deden afdwalen. Zij verboden hun wat Ik voor hen ḥalāl had gemaakt en zetten hen ertoe aan Mij deelgenoten toe te kennen (shirk) in zaken waarvoor Ik geen enkel bewijs heb neergezonden.’

Allāhu (تعالى) keek neer op de bewoners van de aarde en werd vertoornd op hen, zowel op de Arabieren als op de niet-Arabieren, met uitzondering van een klein aantal Lieden van het Boek.

Daarop zei Hij: “O Muḥammad, Ik heb jou gezonden om jou te beproeven en om door middel van jou anderen op de proef te stellen. En Ik heb jou een Boek (de Qur’ān) gegeven dat niet door water kan worden uitgewist, een Boek dat je zowel in je slaap als in wakende toestand kunt reciteren.”

En Allāh gebood mij: “Verbrand (in de betekenis van: breng hen onder controle en onderwerp hen) de Quraysh.” - “O mijn Rab, dan zullen ze mijn hoofd in stukken splijten, zoals een brood wordt doorgesneden.”- “Zoals zij jou uit jouw land hebben verdreven, zo zul jij hen verdrijven. Voer de strijd tegen hen; Wij zullen jou bijstaan. Besteed op de Weg van Allāh en Wij zullen jou voorzien. Stel een leger samen, en Wij zullen jou versterken met een hulpmacht die vijfmaal zo groot isStrijd, samen met degenen die jou gehoorzamen, tegen degenen die jou ongehoorzaam zijn.”

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei vervolgens: “De bewoners van de Jannah behoren tot drie groepen: - Degene die over enig goed werk beschikt, hoe klein of groot ook, die schenkt (uit liefdadigheid) en daarin door Allāh tot succes is gebracht; - Degene die barmhartig, zachtmoedig en welwillend is tegenover al zijn verwanten en tegenover elke moslim; - Degene die een gezin heeft, zich verre houdt van het verwerpelijke, bescheiden is en zich gematigd gedraagt.”En de mensen van de Jahannam behoren tot vijf groepen:- Degene die (geen eigen inzicht heeft) en zich slechts laat meeslepen door de woorden van degene die hij volgt; - Degene die geen (zorg en) genegenheid voelt voor zijn gezin of zijn bezit; - De zwakke en onverstandige persoon die zijn verstand niet gebruikt; - Vervolgens de verrader, die zijn hebzucht niet openlijk toont maar bij iedere gelegenheid verraad pleegt;- En dan degene die de nacht niet ingaat of de ochtend niet bereikt zonder jou in jouw gezin of jou bezit een streek te leveren.De overleveraar zei: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) noemde vervolgens ook de gierigaard, of de leugenaar, en de grove, onbeschaafde persoon die zich schaamteloos en obsceen uitdrukt (ash-shanṭīr al-faḥḥāsh)

In de versie van overleveraar Abū Ghassān wordt het gedeelte: “Besteed op de Weg van Allāh; Wij zullen jou voorzien” niet vermeld.

14. Van Muḥammad ibn al-Muthannā, van Muḥammad ibn Abī ʿAdiyy, van Saʿīd, van Qatādah, via dezelfde keten, ontbreekt het begin van de uitspraak: “Elke vorm van bezit/rijkdom dat Ik aan een dienaar geschonken heb, is ḥalāl.”

Imām Muslim heeft deze ḥadîth ook via een andere keten overgeleverd, namelijk van ʿAbdur-Raḥmān Bishr al-Ādwī, van Yahyā ibn Saʿīd, van Hishām, de metgezel van ad-Dustuwā’ī, van Qatādah, van Muṭarrif, van ʿIyāḍ ibn Ḥimār (رضي الله عنه), waarin an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tijdens een khuṭbah soortgelijke uitspraken deed.

15. Van Abū ʿAmmār Ḥusayn ibn Ḥurays al-Faḍl ibn Mūsā, van zijn vader al-Ḥusayn, van Muṭarrif, van Qatādah, van Muṭarrif ibn ʿAbdullāh ibn Shakhkhīr, van ʿIyāḍ ibn Ḥimār al-Mujāshiʿī (رضي الله عنه), de broer van de Banū Mujāshiʿ, die het volgende vertelde: Op een dag hield Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een khutbah en zei: “Mijn Rab heeft mij opgedragen dat…”

Daarna citeerde hij de ḥadîth die Hishām van Qatādah overleverde volledig, en voegde er het volgende aan toe: “Allāhu (تعالى) heeft mij geopenbaard dat jullie nederigheid moeten betrachten, zodat niemand zich boven een ander verheft en niemand een ander hoogmoedig behandelt”.

In diezelfde overlevering staat bovendien (dat een van de overleveraars vroeg): “En toen Hij zei: “Degene die (geen eigen inzicht heeft) en zich slechts laat meeslepen door de woorden van degene die hij volgt, degene die geen (zorg en) genegenheid voelt voor zijn gezin of zijn bezit, vroeg ik: ‘Kan zo iemand ook bestaan, o Abā ʿAbdullāh?’ Hij zei: “Ja, bij Allāh, ik heb zulke mensen gezien in de tijd van de jahiliyyah, een man die in ruil voor het bewaken van een wijk of het hoeden van vee, een slavin kreeg om met haar samen te zijn.”

Uitleg bij de aḥadîth 13 t/m 15

In de ḥadîth staat: “Elke vorm van bezit/rijkdom dat Ik een dienaar heb geschonken, is ḥalāl”: Hiermee wordt bedoeld dat het niet is toegestaan dat mensen uit eigen beweging bepaalde gunsten en zegeningen van Allāhu (تعالى) voor zichzelf verbieden. Zo hadden de Arabieren in de tijd van de jāhiliyyah, zonder enig bevel van Allāhu (تعالى), bepaalde zaken als verboden verklaard. Zij onthielden zich bijvoorbeeld van het gebruik van kamelen waarvan het oor was ingesneden, kamelen die vanwege een gelofte waren vrijgelaten, kamelen die mannelijke en vrouwelijke tweelingen hadden geworpen, of kamelen die tienmaal hadden gekalfd.

Allāhu (تعالى) maakt hiermee duidelijk dat dergelijke verboden in werkelijkheid geen geldige verboden zijn. Dat iemands bezit of rijkdom voor hem ḥalāl is, geldt echter onder de voorwaarde dat anderen daarop geen recht hebben.

Als Allāhu (تعالى) zegt: “En Ik heb al Mijn dienaren als ḥunafā’ (rechtgeleide, oprechte monotheïsten) geschapen,” betekent dit dat Hij hen onschuldig en puur heeft geschapen. Met andere woorden: de mens is van nature op het rechte pad en ontvankelijk voor de leiding.

Dat Allāhu (تعالى) Zijn dienaren toornig wordt, verwijst naar de periode vóór de komst van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), namelijk de tijd van de jahiliyyah waarin mensen afdwaalden en verkeerde overtuigingen hadden.

Met de uitdrukking “behalve op een klein aantal Lieden van het Boek” wordt bedoeld degenen onder hen die hun religie zonder vervalsing hebben behouden.

De zin: “Daarop zei Hij: “O Muḥammad, Ik heb jou gezonden om jou te beproeven en om door middel van jou anderen op de proef te stellen.” betekent dat Allāh Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezonden om de profetische taken uit te voeren: (Wij beproeven jou) met het uitvoeren van wat jou is opgedragen en met het overbrengen van de boodschappen wat jou is geopenbaard aan de mensen, met het strijden op weg van Allāh, met het tonen van geduld en standvastigheid op weg van Allāh, en met soortgelijke taken. Sommigen van hen brengen hun geloof (īmān) openlijk tot uiting en zijn oprecht in hun gehoorzaamheid aan Allāh, anderen daarentegen verzetten zich, treden je tegemoet met vijandigheid en ongeloof (kufr), en een deel van hen vertoont huichelarij (nifāq).

Allāhu (تعالى) houdt de mensen verantwoordelijk voor de daden die zij daadwerkelijk hebben verricht en niet op grond van Zijn voorkennis van die daden voordat zij plaatsvonden.Deze betekenis komt ook terug in de Qur’ān waar staat:

وَلَنَبۡلُوَنَّكُمۡ حَتَّىٰ نَعۡلَمَ ٱلۡمُجَٰهِدِينَ مِنكُمۡ وَٱلصَّٰبِرِينَ وَنَبۡلُوَاْ أَخۡبَارَكُمۡ ٣١Voorzeker, Wij zullen jullie beproeven totdat Wij toetsen wie van jullie de strijders en de geduldigen zijn. En Wij zullen jullie (daadwerkelijke) feiten onthullen. (Muhammad, 34: 31)

Dit betekent dat degenen die deze eigenschappen daadwerkelijk bezitten, herkend zullen worden en daarvoor beloond zullen worden.

De zin: “En Ik heb jou een Boek (Qur’aan) gegeven dat onuitwisbaar is met water,” verwijst naar het feit dat de openbaring in het hart van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verankerd is en niet kan worden verwijderd. Dit Boek is door de generaties heen onveranderd overgeleverd.

Geleerden verklaren dat de uitdrukking “dat je kunt reciteren in je slaap en wanneer je wakker bent” betekent dat de woorden en betekenissen van het Boek beschermd zijn, zowel in bewust als onbewuste toestand. Ook wordt uitgelegd dat hiermee bedoeld kan zijn dat het lezen gemakkelijk en zonder moeite gaat.

2 – Over hetgeen is overgeleverd betreffende het zuiveren van de juiste geloofsleer (aqīdah)

De ḥadīth: “De zoon van Ādam lastert de tijd”

Al-Bukhārī overlevert in het hoofdstuk over de tafsīr van sûrah al-Jāthiyah (deel 6, blz. 133) 16. Van al-Ḥumaydī, van Sufyān, van az-Zuhrī, van Saʿīd ibn al-Musayyab, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) zei: De zoon van Ādam vervloekt/lastert de tijd, en zo kwetst hij Mij. De tijd is van Mij. De zaken zijn in Mijn Hand. Ik laat de nacht en de dag elkaar opvolgen.” Deze ḥadîth is eveneens door Bukhārī overgeleverd in het hoofdstuk: ‘Vervloek de tijd niet’.

17. Ook deze ḥadîth is overgeleverd door Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) zei: De mensen vervloeken/lasteren de tijd. De tijd is van Mij; nacht en dag zijn in Mijn Hand.”

Bukhārī vermeldde deze ḥadîth ook woordelijk in het hoofdstuk van Kitāb at-Tafsīr, bij de verklaring van de āyah: “يُرِيدُونَ أَن يُبَدِّلُواْ كَلَٰمَ ٱللَّهِۚ …Zij willen Allāh’s woorden veranderen... (Fath 48:15)

18. Deze ḥadîth is eveneens overgeleverd door Muslim en Abū Dāwūd in Kitāb al-Adab, en door an-Nasā’ī in Kitāb at-Tafsīr. In één van de overleveringen van Muslim luidt de formulering:“De zoon van Ādam zegt: ‘O rampzalige tijd!’ en daarmee beledigt hij Mij. Maar de tijd is van Mij, Ik ben Degene Die de nacht en de dag achtereenvolgens doet komen.”De overige overleveringen van Muslim zijn gelijk aan de bovengenoemde versies van Bukhārī en zijn daarom wordt het niet opnieuw vermeld.

Uitleg van de aḥadīth 16 t/m 18

Wanneer in de ḥadīth wordt gezegd: “en zo kwetst hij Mij”, dan wordt daarmee bedoeld dat iemand woorden uitspreekt die ongepast zijn en die, wanneer zij tegen iemand zouden worden gericht, als kwetsend of beledigend zouden worden beschouwd. Allāhu (تعالى) is echter verheven boven en vrij van iedere vorm van schade, pijn of leed die door anderen veroorzaakt zou kunnen worden. De bedoeling van deze uitspraak is dat degene die de tijd/het tijdperk vervloekt, in werkelijkheid een uitspraak doet die Allāhu (تعالى) heeft verboden en daarmee zichzelf schaadt en zijn religie tekortdoet.

Wanneer in de ḥadîth wordt gezegd: “en zo kwetst hij Mij”, wordt bedoeld dat iemand woorden uitspreekt die niet passend zijn en die, als ze tegen een mens gezegd zouden worden, als beledigend of kwetsend zouden overkomen. In werkelijkheid is Allāhu (تعالى) verheven en vrij van elke vorm van pijn of leed die van anderen komt. Met de uitdrukking in de ḥadīth wordt bedoeld dat degene die het tijdperk (de tijd) vervloekt, Door zulke woorden brengt hij in werkelijkheid schade toe aan zijn eigen religie en berokkent hij zichzelf nadeel ten overstaan van Allāhu (تعالى).

Wanneer men zegt: “De zoon van Ādam vervloekt/lastert de tijd”, wordt bedoeld dat wanneer een mens door een beproeving getroffen wordt, hij de tijd als oorzaak ziet en iets zegt als: “Vervloekte tijd!”

De uitspraak: “De tijd is van Mij” betekent: “Ik ben Degene Die de tijd geschapen heeft en alles wat daarin gebeurt. De gebeurtenissen die jullie aan de tijd toeschrijven, zijn in werkelijkheid door Mij bepaald.” Daarom wordt in de ḥadîth gezegd: “De zaken zijn in Mijn Hand.” Alles wat in de tijd plaatsvindt, geschiedt slechts met Zijn Wil (en Zijn goedkeuring). De tijd op zich heeft geen enkele macht of invloed op de gebeurtenissen.

De uitspraak: “Ik laat de nacht en de dag elkaar opvolgen” betekent dat Hij alleen de Schepper is van alles wat in de dag en nacht gebeurt.

Er is ook een overlevering waarin gezegd wordt: “Vervloek de tijd niet. Allāhu (تعالى) zegt: De tijd is van Mij. De nachten en dagen zijn in Mijn Hand. Ik laat ze oud worden en vernieuwen. Ik laat koningen door andere koningen opvolgen.”

Wanneer de zoon van Ādam met iets slechts wordt getroffen en hij dit aan de tijd toeschrijft, dan – moge Allāhu (تعالى) ons daarvoor beschermen – richt zijn verwijt zich in werkelijkheid tot Allāhu (تعالى), aangezien Hij Degene is Die alles schept. De tijd is slechts een omhulsel/kader waarin gebeurtenissen zich afspelen.

De algemene betekenis van de ḥadîth is dus: “Ik ben Degene Die over de tijd beschikt”.

Maar om de formulering kort en krachtig te houden is gezegd: ‘De tijd is van Mij”.

Deze ḥadîth is bedoeld om het geloof (īmān) van de mensen te corrigeren en hen beleefdheid en respect bij het spreken bij te brengen. (In de periode van onwetendheid) geloofden mensen dat het verstrijken van dagen en nachten verantwoordelijk was voor hun ellende, en zij schreven alle gebeurtenissen toe aan de tijd. Hun poëzie zat vol met klaagliederen over de tijd: “O jij met je rampzalig gezicht, o verfoeide tijd!”

Maar Allāh (سُبْحَانَ ٱللّٰهِ وَتَعَالَىٰ) is Degene Die al deze gebeurtenissen alleen tot stand brengt. De tijd is slechts het omhulsel/kader waarin deze gebeurtenissen plaatsvinden. Daarom is het verboden om de tijd te vervloeken.

De hadîth: de zoon van Ādam heeft Mij ten onrechte van leugen betichtDeze overlevering is overgeleverd door Bukhārī in zijn Kitāb at-Tafsīr, bij de uitleg van sûrah al-Ikhlāṣ (deel 6, blz. 160).

19. Van Abû’l-Yamān, van Shuʿayb, van Abū’z-Zinād, van al-Aʿraj, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Allāh (تعالى) zei: ‘De zoon van Ādam heeft Mij van leugen beticht terwijl hij daar geen recht toe heeft, en hij heeft Mij belasterd terwijl hij daar geen recht toe heeft. Zijn beschuldiging dat Ik lieg, is zijn uitspraak: ‘Zoals Allāh mij voor het eerst heeft geschapen, zal Hij mij niet opnieuw tot leven brengen.’ Maar het opnieuw tot leven brengen is voor Mij niet moeilijker dan het voor de eerste keer scheppen. Zijn belastering van Mij is zijn uitspraak: ‘Allāh heeft Zich een zoon toegeëigend.’ Terwijl Ik de Ene ben, Onafhankelijk van alles (aṣ-Ṣamad) ben. Ik heb niet verwekt, noch ben Ik verwekt, en niets is aan Mij gelijk.”

20. In een andere versie bij al-Bukhārī staat: “Zijn beschuldiging dat Ik lieg, is zijn uitspraak dat Ik hem niet opnieuw kan doen herleven zoals Ik hem de eerste keer heb geschapen.

Zijn belastering van Mij is zijn uitspraak: ‘Allāh heeft Zich een zoon toegeëigend.’ Maar Ik ben Onafhankelijk van alles, Ik heb niet verwekt, noch ben Ik verwekt, en niets is aan Mij gelijk.”

Dezelfde overlevering is eveneens te vinden bij an-Nasā’ī in het hoofdstuk De arwāḥ/geesten van de mu’mins (deel 4, blz. 112), met de volgende bewoording:

21. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh (تعالى) zei: ‘De zoon van Ādam heeft Mij van leugen beticht, en dat past hem niet om Mij te ontkennen. En hij heeft Mij belasterd, en dat past hem niet om Mij te belasteren. Zijn beschuldiging dat Ik lieg is zijn uitspraak dat Ik hem niet opnieuw tot leven kan brengen zoals Ik hem de eerste keer heb geschapen. Maar het opnieuw tot leven brengen is voor Mij niet moeilijker dan het voor de eerste keer scheppen. Zijn belastering van Mij is zijn uitspraak: ‘Allāh heeft Zich een zoon toegeëigend.’ Terwijl Ik de Ene ben, Onafhankelijk van alles ben. Ik heb niet verwekt, noch ben Ik verwekt, en niets is aan Mij gelijk.”

Uitleg bij de aḥadîth 19 t/m 21

Wanneer er wordt gezegd: “De zoon van Ādam heeft Mij van leugen beticht,” dan worden daarmee degenen bedoeld die het opnieuw tot leven brengen ontkennen. Mogelijk wordt hiermee ook het gehele nageslacht van Ādam bedoeld (dus in algemene zin gesproken over de mensheid).

‘Geen recht toe’ betekent dat de mens geen enkel recht of grond heeft om Allāh te beschuldigen van leugen of tekortkoming.

Dat Allāh (تعالى) aangeeft dat het opnieuw tot leven wekken niet moeilijker is dan het voor Hem was om de mens de eerste keer uit het niets te scheppen, is een redenering die voor het menselijk verstand begrijpelijk is. In werkelijkheid zijn beide handelingen voor Allāh gelijk: wanneer Hij iets wil laten ontstaan, zegt Hij er slechts tegen: “Wees!”, en het is er.

Het toeschrijven van een zoon aan Allāh wordt als een grove lastering aangemerkt, omdat deze uitspraak een tekortkoming impliceert met betrekking tot Allāh (تعالى). Een kind ontstaat immers pas na gemeenschap, bevruchting en zwangerschap, processen die allemaal van toepassing zijn op geschapen wezens. Allāh (تعالى) is boven dergelijke zaken.

“Ik heb niet verwekt, noch ben Ik verwekt” betekent dat Allāh uit Zichzelf bestaat en eeuwig is (beginloos en eindloos). Hij bestond vóór alles wat bestaat. Wie verwekt of voortgebracht is, is per definitie ontstaan, en het is onmogelijk dat Allāh (تعالى) ontstaan is.

Shaykh ʿIzz ad-Dīn ibn ʿAbd as-Salām (رحمه الله) zei: De eigenschappen die aan Allāh worden ontzegd, kunnen in twee categorieën worden onderverdeeld:

Tekortkomingen in Zijn eigenschappen, zoals slaap, slaperigheid of dood.

Het toekennen van deelgenoten in Zijn volmaaktheid, oftewel shirk.

In de āyah: لَمۡ يَلِدۡ وَلَمۡ يُولَدۡ ٣ Hij verwekte niet, noch werd Hij verwekt. (Ikhlāṣ, 112:3), worden de eigenschappen van gebrek ontkend. Want wie verwekt of verwekt is, is samengesteld uit materie, onderhevig aan verandering en verandering past niet bij Allāh, Die perfect en onveranderlijk is. Wanneer men zou zeggen dat de zoon identiek is aan de vader, dan zou dit leiden tot het toekennen van deelgenoten in Allāh’s perfectie, en ook dat wordt door deze āyah verworpen.

Imām Abū ʿAbdillāh Bukhārī (رحمه الله) zei over de uitspraak van Allāh: “Allāh is aṣ-Ṣamad” dat de Arabieren dit woord gebruikten om hun leiders mee aan te duiden.

Abū Wā’il, de broer van Abū Salamah, zei: aṣ-Ṣamad betekent “de leider die de hoogste rang heeft bereikt.”ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) zei: aṣ-Ṣamad is Degene tot Wie alle schepselen zich wenden in hun behoeften. Hij is absoluut Onafhankelijk, en alles is volledig afhankelijk van Hem.Al-Ḥasan en Qatādah zeiden: aṣ-Ṣamad is Hij Die voortbestaat nadat alles vergaat. Al-Ḥasan zei ook: aṣ-Ṣamad betekent “Hij Die altijd leeft en nooit zal vergaan.”Ad-Daḥḥāk en as-Suddī verklaarden aṣ-Ṣamad als “Hij Die niets nodig heeft.”ʿAbdullāh ibn Yazīd zei: aṣ-Ṣamad betekent “schitterend licht.”Al deze betekenissen zijn correct en passend als attributen van Allāh (تعالى).

Al-Qasṭallānī schrijft in Futūḥ al-Ghayb, verwijzend naar Imām al-Ghazālī, dat de uitspraak قُلۡ هُوَ ٱللَّهُ أَحَدٌ ١ Zeg: “Hij is Allāh, de Enige. (Ikhlāṣ, 112:1), bewijst dat Allāh uniek is in Zijn heilige Wezen. Het kenmerk “aṣ-Ṣamad” betekent dat alle behoeften van Allāh worden ontkend, en dat alles buiten Hem volledig afhankelijk is van Hem.

In sûrah al-Ikhlāṣ heeft Allāh de ontoereikende eigenschappen die aan Hem worden toegeschreven verworpen:قُلۡ هُوَ ٱللَّهُ أَحَدٌ ١ Zeg: “Hij is Allāh, de Enige.

ٱللَّهُ ٱلصَّمَدُ ٢ Allāh is Zichzelfgenoeg, Eeuwig.

لَمۡ يَلِدۡ وَلَمۡ يُولَدۡ ٣ Hij verwekte niet, noch werd Hij verwekt.

وَلَمۡ يَكُن لَّهُۥ كُفُوًا أَحَدُۢ ٤ En niemand is Hem in enig opzicht gelijk.”

De meest duidelijke manier om Allāh (تعالى) te leren kennen is door de eigenschappen van de schepselen niet aan Hem toe te schrijven en Hem van dergelijke tekortkomingen vrij te verklaren.

De ḥadīth: ‘Onder Mijn dienaren zijn er die in Mij geloven en er zijn er die Mij ontkennen.’Deze overlevering is door al-Bukhārī opgenomen in de hoofdstukken over het regengebed (Bāb al-Istisqāʾ) onder het hoofdstuk betreffende het vers:وَتَجۡعَلُونَ رِزۡقَكُمۡ أَنَّكُمۡ تُكَذِّبُونَ ٨٢ En verzekeren jullie door de ontkenning ervan jullie levensonderhoud? (al-Wāqiʿah, 56:82).

22. Van Ismāʿīl, van Mālik, van Ṣāliḥ ibn Kaysān, van ʿUbaydullāh ibn ʿUtbah ibn Masʿūd, van Zayd ibn Khālid al-Juhaniy (رضي الله عنه), die zei: "Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) leidde ons in de salāh voor de salāh al-fajr te Ḥudaybiyyah nadat het die nacht had geregend. Nadat hij de salāh had beëindigd, keerde hij zich naar de mensen toe en zei: ‘Weten jullie wat jullie Rab heeft gezegd?’ De aanwezigen zeiden: ‘Allāh en Zijn Rasûl weten het het best.’ Toen zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): ‘Allāh heeft gezegd: "Onder Mijn dienaren zijn er die in Mij geloven (īmān), en er zijn er die Mij loochenen (kufr). Degene die zegt: ‘Wij zijn door de gunst en barmhartigheid van Allāh met regen gezegend,’ die gelooft in Mij en loochent de kracht van de sterren. Maar wie zegt: ‘We hebben regen ontvangen vanwege die-en-die ster,’ die loochent Mij en gelooft in de kracht van de sterren.” (Bukhārī , Kitāb at-Tawḥīd, Deel 9, p. 145 – met dezelfde isnād)

23.

Eveneens is van Zayd ibn Khālid al-Juhaniyy (رضي الله عنه) overgeleverd dat hij zei: "Toen Allāh Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) regen schonken (als gevolg van zijn smeekbede) zei hij: ‘Allāhu (تعالى) heeft gezegd: “Onder Mijn dienaren zijn er die in Mij geloven (īmān), en er zijn er die Mij loochenen (kufr).’ (Bukhārī)

24. Imām Mālik (رحمه الله) heeft in zijn al-Muwaṭṭaʾ, in het hoofdstuk over het regengebed, een ḥadîth overgeleverd van Zayd ibn Khālid al-Juhaniy (رضي الله عنه) met een soortgelijke bewoording als de eerste overlevering van Bukhārī .(al-Muwaṭṭaʾ Mālik, Istisqāʾ, Deel 1, p. 91 – marginale aantekening van al-Miṣbāḥ)

an-Nasāʾī heeft in zijn Sunan in het hoofdstuk "De afkeurenswaardigheid van het vragen om regen van de sterren" deze ḥadîth met twee ketens overgeleverd. 25. De eerste van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) en de tweede van Zayd ibn Khālid al-Juhaniyy (رضي الله عنه). De overlevering van Abū Hurayrah is beknopter en luidt: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Allāhu (تعالى) heeft gezegd: “Telkens wanneer Ik Mijn dienaren een gunst schenk, is er een groep onder hen die dat loochent. Zij zeggen: “Ster, ster!” (dat wil zeggen: ‘Wij kregen deze gunst door toedoen van een ster’).”

De overlevering van Zayd ibn Khālid al-Juhaniyy (رضي الله عنه) bij an-Nasāʾī luidt: 26. Van Zayd ibn Khālid al-Juhaniyy (رضي الله عنه) zei: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd regen geschonken (als gevolg van zijn smeekbede) en zei: ‘Hebben jullie niet gehoord wat jullie Rab vannacht heeft gezegd? Hij heeft gezegd: “Telkens wanneer Ik Mijn dienaren een gunst schenk, is er een groep onder hen die dat loochent.

Zij zeggen: ‘We hebben regen gekregen vanwege die-en-die ster.’ Maar degene die in Mij gelooft en Mij dankt voor de regen die Ik geef, is degene die werkelijk in Mij gelooft en de macht van de sterren loochent. En degene die zegt: ‘We kregen regen door die-en-die ster,’ is degene die Mij loochent en in de ster gelooft.”

Uitleg van de ahadîth 22 t/m 26:

Ḥudaybiyyah dankt haar naam aan de boom genaamd al-Ḥudbāʾ, waaronder de Bayʿah ar-Riḍwān plaatsvond. De overtuiging dat sterren regen kunnen brengen, was het geloof van de mushriks. Zij schreven de neerdaling van regen toe aan bepaalde sterren of hun posities. Allāh maakt in deze ḥadîth duidelijk dat wie deze overtuiging heeft, Hem daarmee loochent. Immers, de sterren zijn gebonden aan tijd en tijd is geschapen door Allāh. Zij bezitten geen enkele kracht, noch voor zichzelf, noch voor anderen.

Wie zegt: "We kregen regen door toedoen van die ster," begaat een daad van ongeloof (kufr). Imām ash-Shāfiʿī (رحمه الله) zei: “Als iemand gelooft dat de regen valt wanneer de sterren (zoals Surayyā: de Pleiaden) opkomen, dan is daar niets mis mee, zolang hij daarmee alleen de tijd of het seizoen bedoelt. Want mensen gebruiken zulke tijdsaanduidingen om perioden in het jaar te bepalen.”

Abū Hurayrah (رضي الله عنه) zei vaak: “Door de gunst van Allāh hebben wij regen gekregen,”en reciteerde vervolgens het vers:مَّا يَفۡتَحِ ٱللَّهُ لِلنَّاسِ مِن رَّحۡمَةٖ فَلَا مُمۡسِكَ لَهَاۖ وَمَا يُمۡسِكۡ فَلَا مُرۡسِلَ لَهُۥ مِنۢ بَعۡدِهِۦۚ وَهُوَ ٱلۡعَزِيزُ ٱلۡحَكِيمُ ٢Wat Allāh de mensheid aan Barmhartigheid schenkt, kan door niemand tegenhouden worden, en wat door Hem tegengehouden wordt kan buiten Hem door niemand los gelaten worden. Hij is de Almachtige, de Alwijze. (Fāṭir, 35:2)

Ibn al-ʿArabī zei: “Imām Mālik heeft deze ḥadîth opgenomen in de hoofdstukken over het regengebed om twee redenen: Ten eerste omdat de Arabieren regen verwachtten van sterren. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verbrak met deze ḥadîth die verbinding tussen hun harten en de sterren. Ten tweede: tijdens een hongersnood ten tijde van ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه) vroeg hij aan al-ʿAbbās (رضي الله عنه): ‘Hoeveel (tijd) is er nog voordat de Surayyā (de Pleiaden) opkomt?’ Hij antwoordde: ‘O leider van de mu’mins, men meent dat deze zevenmaal aan de horizon zal verschijnen.

Als ze dat gebeurd is, regent het.’ Zie hoe ʿUmar en al-ʿAbbās (رضي الله عنهما) het over de tijd hebben, niet over de invloed.”Vervolgens zegt hij: “Wie gelooft dat sterren onafhankelijk een kracht bezitten, of dat zij kracht hebben gekregen van Allāh waarmee zij regen laten neerdalen, begaat ongeloof (kufr). Want schepping en beschikking behoren alleen toe aan Allāh, zoals Hij zegt:

أَلَا لَهُ ٱلۡخَلۡقُ وَٱلۡأَمۡرُۗ تَبَارَكَ ٱللَّهُ رَبُّ ٱلۡعَٰلَمِينَ ٥٤… Zeker, aan Hem is de schepping en het bevel. Gezegend zij Allāh de Rab der Werelden. (Aʿrāf, 7:54)

Maar volgens de sunnah van Allāh is er niets aan de hand voor degene die rekent op regen tijdens de gebruikelijke tijden waarop regen valt. Want Allāh heeft uit verschillende wijsheden systemen vastgesteld met betrekking tot wolken, winden en regen. Deze systemen zijn binnen de schepselen geplaatst. Volgens het gevestigde gebruik komen de vereisten van deze systemen tot uiting.

De uitdrukking in de versie bij an-Nasāʾī: “Telkens wanneer Ik Mijn dienaren een gunst schenk, is er een groep onder hen die dat loochent”, heeft een algemene betekenis. Het omvat alle gunsten van Allāh, niet enkel regen. Toch wordt water speciaal vermeld omdat het de oorsprong is van alle levensvoorziening (rizq). Wie dat loochent, wordt geacht álle gunsten te loochenen.

Daarom is er in de later volgende uitdrukking een specificatie gemaakt met de woorden: "Ons is regen gegeven,..." Anders gezegd, in werkelijkheid is het bij elke gave hetzelfde; degenen die deze gaven ontkennen, zijn talrijker dan degenen die er dankbaar voor zijn. O Allāh, schenk ons het vermogen om dankbaar te zijn voor Uw gunsten. Āmīn.

De hadîth: Wie is onrechtvaardiger dan degene die probeert iets te scheppen zoals wat Ik heb geschapen?

Deze ḥadīth is overgeleverd door al-Bukhārī in Kitāb at-Tawḥīd, in het hoofdstuk over de āyah: “وَٱللَّهُ خَلَقَكُمۡ وَمَا تَعۡمَلُونَ ٩٦ Terwijl Allāh jullie en jullie handwerk heeft geschapen. (Saffat, 37:96)27. Van Muḥammad ibn al-ʿAlāʾ verhaalde van Ibn al-Fuḍayl, van ʿUmārah, van Abū Zurʿah, dat Abū Hurayrah (رضي الله عنه) heeft gezegd: “Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: Allāhu (تعالى) zegt: Wie is onrechtvaardiger dan degene die probeert iets te scheppen zoals wat Ik heb geschapen? Laat hen een mier scheppen, of een graankorrel scheppen”.

Uitleg bij de 27ste ḥadīth:

De situatie die in deze ḥadīth wordt genoemd, heeft geen algemene strekking, maar betreft specifiek het proberen te scheppen in de vorm (ṣūrah) zoals Allāh heeft geschapen, en niet in alle opzichten.

De uitleg van de uitspraak “Wie is onrechtvaardiger...” roept enige moeilijkheid op, aangezien een kāfir zeker onrechtvaardiger is dan iemand die slechts afbeeldingen maakt.Er is gezegd dat hiermee degene wordt bedoeld die een afgodsbeeld maakt met de intentie dat het wordt aanbeden en die daardoor in ongeloof (kufr) vervalt. Zijn bestraffing zou zwaarder zijn dan die van andere ongelovigen (kuffār, m.v. van kāfir), omdat hij zich dieper in het ongeloof heeft begeven.

al-Bukhārī vermeldde ook in Kitāb al-Libās, in het hoofdstuk over “Het vervorming van afbeeldingen” de volgende overlevering:28. Van Musʿab ibn Ismāʿīl, van ʿAbd al-Wāḥid, van ʿUmārah, van Abū Zurʿah, dat hij zei:“Ik was samen met Abū Hurayrah (رضي الله عنه) een huis in Madīnah binnengegaan. In het bovenste deel van het huis zagen we een schilder die beelden schilderde. Daarop zei Abū Hurayrah tegen hem: ‘Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd dat Allāhu (تعالى) zei: “Wie is onrechtvaardiger dan degene die probeert iets te scheppen zoals wat Ik heb geschapen? Laat hen een korrel of een stofdeeltje scheppen.”Daarna vroeg hij om een kom met water, waste zijn armen tot aan zijn oksels.Ik vroeg hem: ‘O Abū Hurayrah, is dit iets wat je hebt gehoord van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم)?’Hij antwoordde: ‘Het is de mooiste vorm van versiering.”

29. Muslim overleverde deze ḥadīth met dezelfde strekking in zijn Ṣaḥīḥ:“Ik ging met Abū Hurayrah naar het huis van Marwān. Hij zag daar enkele afbeeldingen en zei: ‘Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen dat Allāhu (تعالى) heeft gezegd: “Wie is onrechtvaardiger dan degene die probeert iets te scheppen zoals wat Ik heb geschapen? Laat hen een mier of een gerstkorrel scheppen”.

Uitleg bij de aḥadīth 28–29:

De uitleg in het werk van al-Qasṭallānī (deel 8, blz. 537) vermeldt dat met het “bovenste deel van het huis” het plafond wordt bedoeld.Het proberen iets te scheppen zoals Allāh heeft geschapen betreft slechts de uiterlijke vorm (ṣūrah); in werkelijkheid is het scheppen in essentie onmogelijk voor de mens.Wanneer gezegd wordt: “Laat hen een mier of een gerstkorrel scheppen,” is het doel om hun onmacht te tonen, ook al is een gerstkorrel geen levend wezen, het creëren ervan valt ook buiten hun macht. Een levend wezen scheppen is zelfs nog moeilijker.

Aanvullende aḥadīth over het maken van afbeeldingen:

Deze aḥadīth over afbeeldingen (ṣuwar) hebben zowel betrekking op het maken van afbeeldingen als op het gebruiken van voorwerpen waarop afbeeldingen staan. Hoewel onderstaande aḥadīth geen al-aḥadîthi’l-Qudsiyyah zijn, worden ze toch vermeld om het onderwerp vollediger te behandelen. Alle overleveringen zijn genomen uit Ṣaḥīḥ Bukhārī en Ṣaḥīḥ Muslim, en hebben daarom betrouwbare ketens. Alleen de metgezel wordt hieronder vermeld:

Hieronder volgen enkele relevante aḥadīth uit Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, Kitāb al-Libās (Het boek van de kleding), met betrekking tot afbeeldingen (ṣuwar):Van Ibn ʿAbbās en Abū Ṭalḥah (رضي الله عنهم), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Engelen betreden geen huis waarin een hond of afbeelding aanwezig is.”[Ṣaḥīḥ Bukhārī – Kitāb al-Libās]

De bestraffing van beeldmakersEr is overgeleverd dat Muslim al-Hamadānī heeft gezegd: Van Masrūq, hij zei: “Ik was met Yasār ibn Numayr in zijn huis, en we zagen daar beelden (of standbeelden). Daarop zei ik dat ik van ʿAbdullāh heb gehoord dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: ‘Zij die op de Yawmu’l Qiyamah het zwaarst gestraft worden, zijn degenen die afbeeldingen maken.’

Van Nāfiʿ, van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Zij die deze afbeeldingen maken zullen op de Yawmu’l Qiyamah gestraft worden. Er zal tegen hen gezegd worden: ‘Geef leven aan wat jullie hebben gemaakt!’

Het verwijderen van beeldenVan ʿImrān ibn Ḥaṭṭān, van ʿĀ’ishah (رضي الله عنها), ze zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verwijderde de afbeeldingen uit huizen waarin deze aanwezig waren.”

Van Abū Dhar is dat wanneer Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم afbeeldingen in een huis zag, verwijderde hij ze.

Abū Zurʿah zei: “Ik ging samen met Abū Hurayrah (رضي الله عنه) een huis binnen in Madīnah. Toen Abū Hurayrah (رضي الله عنه) zag dat een schilder op het plafond van zijn huis afbeeldingen had gemaakt, zei hij: ‘Ik hoorde Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zeggen: “Allāh zegt: Wie is onrechtvaardiger dan degene die probeert iets te scheppen zoals Ik geschapen heb? Laat hen dan maar iets maken, al is het maar een korrel of een mier”.

Afbeeldingen die op de grond liggen

Van Sufyān, van ʿAbdurraḥmān ibn al-Qāsim, van wie in zijn tijd in Madīnah niemand hoger in aanzien was, van van zijn vader al-Qāsim ibn Muḥammad ibn Abī Bakr, van ʿĀ’ishah (رضي الله عنها) dat zij zei: "Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم keerde terug van een reis, om mij te verbergen had ik een doek bij de deur met afbeeldingen van levende wezens opgehangen. Toen Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم dit zag, scheurde hij het kapot en zei:‘Degene die op de Yawmu’l Qiyamah de zwaarste bestraffing zal krijgen, is degene die probeert iets te maken zoals Allāh het heeft geschapen.’Daarna maakten we van de doek een of twee kussenovertrekken.”

Ook van ʿĀ’ishah (رضي الله عنها), zij zei: “Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم keerde terug van een reis, en ik had een oude doek met afbeeldingen van levende wezens opgehangen. Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم beval mij om het weg te halen, en ik haalde het weg. Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم en ik verrichtten samen de grote wassing (ghusl) uit hetzelfde vat.”

Het verbod op het zitten op afbeeldingenVan ʿĀ’ishah (رضي الله عنها), ze zei: “Ik kocht eens een kussen waarop afbeeldingen van levende wezens stonden. Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم bleef bij de deur staan en trad het huis niet binnen.ʿĀ’ishah (رضي الله عنها) zei: “Ik zoek vergiffenis bij Allāh voor wat ik heb gedaan. Ik heb het gekocht opdat je erop zou kunnen zitten of ertegen zou kunnen leunen.”Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ): “Degenen die deze afbeeldingen maken zullen op de Yawmu’l Qiyamah gestraft worden. Er zal tegen hen gezegd worden: ‘Breng leven in wat jullie hebben gemaakt’. “De engelen betreden geen huis waarin zich afbeeldingen bevinden.”

Ook Van Zayd ibn Khālid al-Juhanī, (رضي الله عنه) en een van de metgezellen van Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, Abū Ṭalḥah al-Anṣārī (رضي الله عنه), Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم heeft gezegd: “De engelen betreden geen huis waarin zich afbeeldingen bevinden.”

Busr zei: “Zayd (ibn Khālid) werd daarna ziek, en wij gingen op bezoek bij hem. En zie, er hing een doek met een afbeelding boven zijn deur.

Toen zei ik tegen ʿUbaydullāh ibn al-Aswad al-Hulānī, het stiefkind van Maymūnah (رضي الله عنها), de echtgenote van Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم: ‘Heeft Zayd ons niet onlangs een overlevering verteld over afbeeldingen?’Waarop ʿUbaydullāh antwoordde: ‘Heb je niet gehoord dat hij zei: behalve als het slechts een versiering op kleding betreft?’

Uit Ṣaḥīḥ al-Bukhārī – 3e hoofdstuk: De ongepastheid van het verrichten van salāh op voorwerpen met afbeeldingen.

Van Anas (رضي الله عنه), hij zei: “ʿĀ’ishah (رضي الله عنها) had een winterdoek waarmee ze een gedeelte van haar huis bedekte.Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei: “Haal dat doek bij mij weg, want de afbeeldingen daarop blijven mij tijdens de ṣalāh voor ogen komen.”

“De Engelen Betreden Geen Huis Waarin Zich Afbeeldingen Bevinden”

Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما), hij zei: “Jibrīl (عليه السلام) had een afspraak gemaakt met Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, maar kwam te laat. Dit bracht verdriet bij Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم.Hij ging naar buiten en kwam Jibrīl (عليه السلام) tegen, en vertelde hem over de bezorgdheid die zijn afwezigheid had veroorzaakt.Jibrīl (عليه السلام) zei daarop: ‘Wij betreden geen huis waarin zich een afbeelding of een hond bevindt.”

Van Qāsim ibn Muḥammad, van `Āʾishah (رضي الله عنها), de echtgenote van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): Zij had een kussen gekocht waarop afbeeldingen stonden. Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dit zag, bleef hij bij de deur staan en trad het huis niet binnen.ʿĀʾishah merkte dat hij zich ergens aan ergerde en vroeg hem: “O Rasûlullāh, ik vraag Allāh om vergiffenis en bied u mijn verontschuldiging aan. Wat heb ik verkeerd gedaan?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg: “Wat is dat voor een kussen?”ʿĀʾishah (رضي الله عنها) antwoordde: “Ik heb het gekocht opdat u erop kunt zitten of het als leunsteun kunt gebruiken.”Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Degenen die deze afbeeldingen maken zullen op de Yawm al-Qiyāmah worden gestraft. Er zal tegen hen worden gezegd: ‘Blaas er leven (rûh) in, als jullie waarlijk scheppers zijn!’”En hij voegde daaraan toe: “De engelen betreden geen huis waarin zich afbeeldingen bevinden.”

Uit Ṣaḥīḥ al-Bukhārī – Hoofdstuk: “Wie een afbeelding maakt, zal worden opgedragen er een rûh in te blazen, terwijl hij daartoe niet in staat is.”

Van Naḍr, de zoon van Anas ibn Mālik, zei: “Ik was bij ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), en de mensen stelden hem vragen.Hij vertelde niets over Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tenzij hij erom gevraagd werd en hij zei nooit zomaar: ‘Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei…’Toen zei een man tegen hem: ‘Ik ben iemand die afbeeldingen maakt.’Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) zei toen: ‘Kom dichterbij.’De man kwam dichterbij en Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) zei tegen hem: “Ik heb Muhammad (صلى الله عليه وسلم) het volgende horen zeggen: “Wie in deze wereld een afbeelding maakt, zal in het Hiernamaals opgedragen worden er een rûh in te blazen, maar hij zal daartoe niet in staat zijn.”

Aanvulling vanuit Ṣaḥīḥ Muslim op de eerder genoemde overlevering over het maken van afbeeldingen

In de overleveringen van deze laatste ḥadīth bij Muslim zijn aanvullingen te vinden ten opzichte van de tekst die bij al-Bukhārī is overgeleverd. Om de kwestie volledig te kunnen begrijpen, vermelden wij deze ook. Daar wordt na de keten van overleveraars het volgende gezegd:”

Een man kwam naar ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) en zei: “Ik ben iemand die afbeeldingen maakt. Geef mij hierover een islamitische juridische opinie (fatwā).”Ibn ʿAbbās zei tegen hem: “Kom dichterbij.”De man kwam dichterbij. Vervolgens vroeg Ibn ʿAbbās hem nóg dichterbij te komen. Toen hij dat deed, legde Ibn ʿAbbās zijn hand op het hoofd van de man en zei: “Zal ik je vertellen wat ik van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heb gehoord?Ik hoorde hem zeggen: “Iedereen die een afbeelding maakt zal bestraft worden in de Jahannam. Voor elke afbeelding die hij gemaakt heeft, zal een rûh worden geschapen, en die zal hem in de Jahannam kwellen.”Daarna zei Ibn ʿAbbās: “Als je per se iets moet afbeelden, maak dan een afbeelding van een boom of iets dat geen rûh heeft.”

Muslim vermeldt daarnaast, in overleveringen die inhoudelijk grotendeels overeenkomen met de eerder geciteerde ḥadīth van Bukharī, enkele toevoegingen, met name in de overlevering van Zayd ibn Khālid al-Juhaniyy (رضي الله عنه), van Abū Ṭalḥah al-Anṣārī (رضي الله عنه), waarin staat: “De engelen betreden geen huis waarin zich een hond of een afbeelding bevindt.”Zayd vervolgt: “Toen ik dit hoorde, ging ik naar ʿĀʾishah (رضي الله عنها) en vroeg haar:‘Deze man zegt dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd dat de engelen geen huis betreden waarin zich een hond of een afbeelding bevindt. Heb jij zoiets van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gehoord?’ʿĀʾishah antwoordde: “Ik zal je geen uitspraak, maar een handeling van hem vertellen die ik heb gezien: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was op expeditie vertrokken, en ik had een kleed gekocht dat ik boven de deur had gehangen.

Toen hij terugkwam en het zag, merkte ik dat hij ontevreden was.Hij trok het kleed neer en scheurde het in stukken, en zei: ‘Allāh heeft ons niet opgedragen om stenen en aarde (d.w.z. muren en deuren) met zulke dingen te bedekken!’Daarna heb ik van dat kleed twee kussenhoezen gemaakt en gevuld met palmvezels.Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft mij daar toen niets op aangemerkt.”

Fikhî bepalingen met betrekking tot de hierboven vermelde aḥadîth:

1.De engelen die niet binnentreden in een huis waarin zich een hond of afbeeldingen bevinden, zijn de (genade) rahmah-engelen en de engelen die vergeving vragen voor de dienaar. De hafazah-engelen (beschermengelen) en de kirāman-katibīn-engelen (die de daden registreren) verlaten de dienaar echter nooit, zoals ook verklaard is door al-Khaṭṭābī. Met het woord huis wordt hier iedere verblijfplaats bedoeld waarin een mens verblijft. Dat kan een gewoon huis zijn, maar ook een tent of een andere soort onderkomen.

Al-Khaṭṭābī en anderen hebben honden die volgens de sharīʿah zijn toegestaan, zoals jachthonden, landbouwhonden en herdershonden, uitgezonderd van deze bepaling.

2.De afbeeldingen die verboden zijn, zijn die welke worden verheven, geëerd en belangrijk geacht, en die lijken op levende wezens. Sommigen hebben echter gezegd dat deze bepaling algemeen van toepassing is op alle afbeeldingen. De reden voor het verbod is dat het vervaardigen van dergelijke afbeeldingen een poging is om het scheppingswerk van Allāh te imiteren, en daarom wordt dit als een grote zonde beschouwd. In sommige gevallen wordt er zelfs aan deze afbeeldingen afgoderij gepleegd.

In de ḥadîth wordt gezegd: “Wie is onrechtvaardiger dan degene die probeert te scheppen zoals Ik geschapen heb?” Hiermee wordt een beperking aangebracht: namelijk dat degenen die levende wezens afbeelden worden bedoeld. Wie probeert iets te creëren dat lijkt op wat Allāh heeft geschapen, zonder Zijn schepping te erkennen, verschilt in wezen niet van het huis van Firʿawn. Maar wie een afbeelding maakt zonder een dergelijke intentie, is slechts zondig (fāsiq), maar niet ongelovig (kāfir).

Imām an-Nawawī (رحمه الله) zegt: "Het afbeelden van levende wezens is streng verboden en behoort tot de grote zonden. Want hierover is een zware bestraffing overgeleverd. Het maakt geen verschil of de afbeelding wordt geplaatst op plaatsen van geringe waarde, zoals de vloer, of op andere plaatsen, de bepaling blijft dezelfde. Het afbeelden van levenloze objecten is daarentegen niet harām."

De geleerden hebben gezegd dat al deze verboden niet gelden voor kinderspeelgoed. Kinderspeelgoed is niet absoluut harām. al-Qasṭallānī zegt vervolgens: "Uit het voorgaande blijkt dat het afbeelden afkeurenswaardig (makrūh) is wanneer het wordt geplaatst op het plafond, op kussens of op leunplaatsen. Als het echter wordt geplaatst op matrassen, tapijten, vloerkleden of andere zaken die op de grond liggen, dan is het toegestaan (ḥalāl). Eveneens is het toegestaan om een afbeelding te maken van een wezen zonder hoofd of met het hoofd verwijderd, omdat een afbeelding met een rechtopstaand hoofd lijkt op een afgodsbeeld."

Wat betreft de uitspraak: “Er wordt van hem geëist dat hij er een rûh in blaast", dit bevel wijst op eeuwige bestraffing in de Jahannam voor degene die een afbeelding maakt met de intentie dat er afgoderij mee wordt gepleegd. Anderen, die dit niet met een dergelijke intentie doen en het niet als toegestaan beschouwen, begaan slechts een zonde. Bij hen betekent deze ḥadīth uitsluitend dat er een straf aan verbonden is. Allāh weet het het best.

Het maken van een afbeelding door gebruik te maken van zonlicht, zoals bij een foto, valt niet onder de verboden afbeeldingen, omdat zo'n afbeelding in wezen een schaduw van de gefotografeerde persoon is. Allāh weet het het best.

Over het maken van afbeeldingen (ṣuwar) en de daaraan verbonden oordelen

In de hoop dat Allāh ons tot het juiste leidt, zeggen wij: “Zoals er overleveringen zijn die afbeeldingen in het algemeen als ḥarām verklaren, zijn er ook overleveringen waarin uitzonderingen worden genoemd, zoals afbeeldingen op kledingstukken of op zaken die onder de voeten liggen, waarvan het toegestaan is dat afbeeldingen voorkomen. Daarnaast zijn er overleveringen die erop wijzen dat het verbod op afbeeldingen voortkomt uit vrees dat het kijken naar zulke afbeeldingen kan leiden tot een vorm van nederige aanbidding.

Ook bestaan er overleveringen waaruit blijkt dat het tonen van een afbeelding toegestaan is als dit uitsluitend bedoeld is om de afgebeelde persoon te identificeren. Dit blijkt uit het feit dat Jibrīl ( عليه السلام) een afbeelding van ʿĀ’ishah (رضي الله عنها) aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in zijn droom toonde. Zijn doel hierbij was duidelijk: om de identiteit te tonen van de vrouw die Allāh had uitgekozen als echtgenote voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).

Om deze verschillende overleveringen met elkaar te verzoenen, wordt gesteld dat het strengste verbod op afbeeldingen geldt voor hen die zich bij het maken ervan ten doel stellen om de schepping van Allāh te imiteren. De uitspraak in de ḥadīth: “Wie is onrechtvaardiger dan degene die probeert te scheppen zoals Ik schep?” verwijst hiernaar. Ook de uitspraak “de schilders die proberen Allahs schepping na te bootsen” bevestigt deze betekenis. Deze daad is op zichzelf ḥarām, want zij is ofwel een daad van shirk, of zeer dicht daartegen aan.

Er zijn echter ook gevallen waarbij het maken van een afbeelding een op zich lovenswaardig doel dient, zoals het afbeelden van vrome mensen, opdat hun voorbeeld gevolgd kan worden. Toch zijn ook deze afbeeldingen ḥarām verklaard, uit vrees dat men in het tonen van eerbied zou overdrijven, wat uiteindelijk kan leiden tot aanbidding. Zo is ook de shirk van de afgodendienaren ooit begonnen. Vooral het plaatsen van dergelijke afbeeldingen op gebedsplaatsen, zoals moskeeën, is uiterst gevaarlijk. Men moet niet denken dat aanbidding onwaarschijnlijk is, de onwetendheid onder mensen neemt toe, en shayṭān opent via deze wegen een deur naar verderf. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft immers gezegd:“Jullie zullen de wegen volgen van degenen vóór jullie, voet voor voet, el voor el. Zelfs als zij in het hol van een hagedis zouden kruipen, zouden jullie hen daarin volgen.”

De reden dat het verboden is, is omdat het gaat om het afbeelden van een levend wezen, op een wijze die het bestaan ervan mogelijk zou maken. Als het hoofd van de afbeelding verwijderd is, de buik is opengesneden of als de afbeelding voldoende is vervormd, dan vervalt het verbod. Hetzelfde geldt voor afbeeldingen die in kleding zijn verwerkt.

Als deze op een plek komen die onder de voeten valt, is er geen bezwaar. Maar wanneer de afbeelding op een eervolle plaats is aangebracht, bestaat er wel bezwaar. Als die eerbied zelfs de graad van aanbidding bereikt, dan is het met zekerheid ḥarām.

Pasfoto’s, afbeeldingen van verdachte personen omwille van herkenning, of van vijandelijke spionnen met het oog op bescherming, en ook afbeeldingen van schadelijke of nuttige dieren voor educatieve doeleinden, vallen niet onder de categorie ḥarām. Hier is sprake van een noodzaak, namelijk dat het afgebeelde herkend moet kunnen worden, wat een legitiem doel is. Soms is de noodzaak zelfs zo groot, dat het maken van zo’n afbeelding verplicht (wājib) wordt. Want de afbeelding dient dan als een middel tot kennis. En het oordeel hangt af van de noodzakelijkheid van die kennis: het kan op zijn plaats wājib of mustaḥab zijn.

Ook het maken van afbeeldingen van vaders of grootvaders, opdat zij herkend kunnen worden door hun zonen en kleinkinderen, is toegestaan. Maar dit is alleen mubāḥ op voorwaarde dat die vaders geen verering van hun afbeelding door hun kinderen verlangen. Als het enkel bedoeld is om hen te herkennen, is het toegestaan.

Uit de overlevering waarin Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen ʿĀ’ishah (رضي الله عنها) zei:“Haal de doek bij ons vandaan, want de afbeeldingen erop blijven zich tijdens de salāh telkens voor mij vertonen”, blijkt dat dergelijke afbeeldingen verboden zijn wanneer zij tot een bezwaar of afleiding leiden, zoals in dit geval, het verstoren van de concentratie tijdens de salāh.

Ook zijn er afbeeldingen, zoals die van naakte lichamen, die bij het bekijken ervan, met name onder jongeren, tot seksuele opwinding kunnen leiden. Daarom zijn dergelijke afbeeldingen eveneens ḥarām.

Films en Beeldenmateriaal

Wat betreft het vertonen van films: als het doel is om de getoonde zaken bekend te maken, jongeren op te voeden in kennis en zedelijkheid, een oorlogssituatie te tonen of iemand te leren hoe hij zich uit een moeilijke situatie kan redden, dan valt dit onder het zoeken naar kennis, wat op zichzelf prijzenswaardig en gewenst is.

Maar films die erotische scènes bevatten, seksuele verlangens aanwakkeren, of immorele zaken in beeld brengen, zoals naaktheid, zijn ḥarām. Ook posters met naakte afbeeldingen die op openbare plaatsen worden opgehangen vallen hieronder. Zulke zaken veroorzaken immers moreel verval en maatschappelijke schade.

Evenzo zijn films die mensen leren hoe zij zonden kunnen begaan verboden, zoals films die moord, diefstal, verraad, overspel of vrouwenverslaving aanleren. Zulke voorstellingen verleiden onwetenden tot het kwaad, onderwijzen hen in het begaan ervan, en tonen zelfs manieren om strafrechtelijke gevolgen te ontlopen. Zulke beelden leiden tot maatschappelijke corruptie en ontsporing. Het vermijden ervan is dus zonder twijfel beter.

Afbeeldingen in Speelgoed

Onze geleerden hebben daarentegen toegestaan dat kinderen met poppen en speelgoed met afbeeldingen spelen. Want bij deze zaken is geen van de verboden redenen aanwezig die afbeeldingen in andere contexten ḥarām maken.Deze toelichting vormt de samenvatting van uitvoerig onderzoek naar dit onderwerp. De meest juiste kennis behoort aan Allāh. Hij is Degene Die tot ons naar de rechte weg leidt. Hij is voldoende voor ons en wat een voortreffelijke Beschermer is Hij.

De ḥadīth over: “Jouw ummah zegt steeds: “Wat is dit toch? Wat is dit toch?” en zelfs: “Maar wat wordt er gezegd over Allāh?”

Imām Muslim رحمه الله heeft deze ḥadīth overgeleverd in Ṣaḥīḥ Muslim, in het hoofdstuk over "Waswās in het geloof (īmān)" (Bāb al-Waswasa fī al-Īmān), via de keten:

30. VanʿAbdullāh ibn ʿĀmir ibn Zurārah al-Ḥaḍramī, van Muḥammad ibn Fuḍayl, van al-Mukhtār ibn Fulful, van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh عز وجل zei: “Jouw ummah blijft maar zeggen: ‘Wat is dit? toch Wat is dit toch?’ Totdat ze zeggen: ‘Allāh heeft de schepping geschapen, maar wie heeft dan Allāh geschapen?”

31. Dezelfde ḥadīth van Isḥāq ibn Ibrāhīm van Jarīr, en door Abū Bakr ibn Abī Shaybah van Ḥusayn ibn ʿAlī, van Zā’idah. Beiden vertellen van al-Mukhtār van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) dezelfde ḥadīth van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).

Echter: Isḥāq vermeldde niet het deel “Allāh عز وجل zei: “Jouw ummah…”Imām Muslim vermeldt deze ḥadīth ook op meerdere plaatsen zonder het zinsdeel “Allāh zei”. Een daarvan is overgeleverd met een isnād die teruggaat tot Abū Hurayrah (رضي الله عنه), als volgt:

32. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De mensen zullen niet ophouden met vragen te stellen totdat zij zeggen: “Allāh heeft de schepping geschapen, maar wie heeft Allāh geschapen?”Wie met een dergelijke gedachte wordt geconfronteerd, laat hem dan zeggen: “Ik geloof in Allāh.”

33. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: "De shayṭān komt tot een van jullie en vraagt: “Wie heeft dit en dat geschapen?” Totdat hij zegt: “En wie heeft jouw Rab geschapen?”Wanneer iemand hiermee wordt geconfronteerd, laat hem dan zijn toevlucht zoeken bij Allāh en ophouden (met het verder doordenken en) stellen van dergelijke vragen.”Imām Muslim vermeldt deze overleveringen op soortgelijke wijze en in geen daarvan komt de frase “Allāh zei” voor.

Uitleg van de aḥadīth 30–33 (over waswasah in het geloof (īmān)

In zijn commentaar op Ṣaḥīḥ Muslim vermeldt Imām an-Nawawī رحمه الله de volgende overlevering: Abū Hurayrah (رضي الله عنه) vertelde dat sommige mensen naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwamen en zeiden: “Soms ontstaan er in ons hart gedachten die we zelfs verafschuwen om hardop uit te spreken.”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg: “Ervaren jullie echt dat dit iets groots is?”Zij antwoordden: “Ja.”Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Dat is juist een duidelijke (teken van) geloof (īmān).”Er is ook gezegd dat de betekenis hiervan als volgt is: De shayṭān fluistert slechts in bij degenen van wier misleiding hij de hoop heeft opgegeven. Omdat hij hen niet in staat is rechtstreeks te doen afdwalen, neemt hij zijn toevlucht tot influisteringen (waswasah).

Wat de kāfir betreft: bij hem kan hij van elke kant binnenkomen. Bij hem beperkt hij zich niet tot louter influisteringen, maar speelt hij met hem zoals hij wil.

Volgens deze uitleg betekent de ḥadīth dus dat de oorzaak van deze influisteringen de zuiverheid van het geloof is, of dat zulke influisteringen een aanwijzing vormen voor de zuiverheid van het geloof. Deze uitleg is de uitleg die door al-Qāḍī werd verkozen.

De uitspraak: “Wie dergelijke influisteringen (waswasah) in zijn hart ervaart, laat hem zeggen: ‘Ik geloof in Allāh.” betekent: Laat hij zich afkeren van dergelijke onjuiste en ongegronde gedachten en zijn toevlucht zoeken bij Allāh, opdat Hij ze van hem verwijdert.

Imām al-Māzarī رحمه الله zei: “Op grond van de uiterlijke betekenis van de ḥadīth wordt de mens bevolen dergelijke ongegronde influisteringen te negeren en zich niet bezig te houden met het weerleggen ervan door argumenten of bewijzen aan te dragen.

Er kan hierover het volgende worden gezegd: er zijn twee soorten de duivelse influisteringen (waswasah):De eerste soort waswasah betreft gedachten die slechts tijdelijk opkomen en de mens niet blijvend bezighouden. Deze kunnen worden weggenomen door er geen aandacht aan te schenken. Volgens de betekenis van de ḥadīth kan dit hierop worden toegepast. De term waswasah kan ook op een dergelijke toestand worden gebruikt. Het gaat hier om iets ongegronds en van weinig betekenis. Omdat er geen basis voor is, kan het verdwijnen zonder dat daarvoor bewijzen hoeven te worden aangevoerd.

De andere soort waswasah zijn gedachten die de mens voortdurend bezighouden en twijfels veroorzaken. Deze kunnen alleen worden weggenomen door het vinden van tegenbewijs en het aantonen van de ongeldigof onjuistheid ervan. Allāh weet het het best.

De uitspraak “...laat hem dan zijn toevlucht zoeken bij Allāh en ophouden (met het verder doordenken en) stellen van dergelijke vragen.”, betekent: Als iemand met zulke waswasah te maken krijgt, laat hij dan toevlucht zoeken bij Allāh en Hem om hulp vragen om het kwaad daarvan te verdrijven. Laat hij ophouden zich hiermee bezig te houden. Hij moet weten dat deze gedachten afkomstig zijn van de waswasah van de shaytân. De shaytân probeert op deze manier hem te misleiden en zijn geloof te ondermijnen. Daarom moet deze persoon ophouden naar de waswasah van de shaytân te luisteren en door zijn gedachten met andere zaken bezig te houden, het contact ermee verbreken.

De ḥadīth over: "Wie zweert dat ik iemand niet zal vergeven...?

Deze ḥadīth is overgeleverd in de Ṣaḥīḥ van Muslim, onder het hoofdstuk genaamd "het menselijk (hart) niet wanhopig maken van Allāh’s Barmhartigheid 34. Van Suwayd ibn Saʿīd, van al-Muʿtamir ibn Sulaymān, van zijn vader, van Abū ʿImrān al-Jawnī, Jundub (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: "Er was iemand die zei: ‘Bij Allāh, Allāh zal die-en-die niet vergeven!’Allāh عز وجل zei: ‘Wie zweert bij Mij dat Ik iemand niet zal vergeven? Ik heb diegene vergeven en jouw daden vernietigd.” Of Hij zei iets in die trant.

Uitleg van de 34ste ḥadīth

In zijn uitleg van deze ḥadīth heeft an-Nawawī gezegd:"Deze ḥadīth bevat een bewijs voor de opvatting van Ahl as-Sunnah dat het mogelijk is dat Allāh de zonden van een dienaar vergeeft, zelfs als hij geen berouw (tawbah) heeft getoond."

De Mu`tazilah hebben deze ḥadīth beschouwd als bewijs voor hun opvatting dat grote zonden de goede daden van een persoon tenietdoen. Volgens Ahl as-Sunnah echter worden de goede daden van een dienaar alleen tenietgedaan door ongeloof (kufr).

De reden waarom de goede daden van de man die in de ḥadīth wordt genoemd verloren zijn gegaan, is dat deze goede daden zijn vervangen door zijn slechte daden. Dit wordt aangeduid als 'al-ihbātu’l maǧāzī' (het metaforisch tenietgaan van daden).

Het is ook mogelijk dat deze man een andere daad heeft verricht die tot zijn ongeloof (kufr) leidde. Ook is het mogelijk dat dit een situatie betreft die van toepassing was volgens de wetten van de volkeren vóór ons (sharī‘ah van voorgaande gemeenschappen).

Een vergelijkbare overlevering wordt ook met een uitgebreider verhaal vermeld in Sunan Abū Dāwūd (Boek: Verbod op buitensporigheid):

35. Van Muḥammad ibn aṣ-Ṣabāḥ ibn Sufyān, van ʿAlī ibn Thābit, van ʿIkrimah ibn ʿAmmār, van Damdam ibn Jawz, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: Er waren twee mannen onder de Banū Isrā’īl die als broeders met elkaar verbonden waren. Eén van hen beging voortdurend zonden, terwijl de ander zich inspande voor ‘ibādah (aanbidding).

Degene die toegewijd was aan ‘ibādah zag de ander steeds zondigen en zei tegen hem:"Laat de zonden achter je!"

Daarop antwoordde de ander: "Laat mij alleen met mijn Rab. Ben jij tot mij gezonden als toezichthouder?"

De vrome man zei toen: "Bij Allāh! Allāh zal jou nooit vergeven, of jou nooit in Zijn Jannah binnenlaten."

Daarop nam Allāh beiden hun arwāḥ. Ze werden samen voor Rab al-‘Ālamīn gebracht.

Allāh vroeg aan degene die zich op de ‘ibādah toelegde: "Kende jij Mij? Bezat jij macht over wat in Mijn Hand ligt?"

Vervolgens zei Hij tegen de zondaar: "Ga de Jannah binnen met Mijn raḥmah."

En over degene die volhield in zijn ‘ibādah beval Hij: "Werpt hem in de Jahannam."

Abū Hurayrah zei: "Bij Degene in Wiens Hand mijn rûh is, hij heeft een uitspraak gedaan die zowel zijn wereld als zijn Hiernamaals vernietigde."

Uitleg van de 35ste ḥadīth

“Laat mij alleen met mijn Rab.” Dat wil zeggen: laat mij met rust zodat mijn Rab met mij doet wat Hij wil. Ik geloof immers dat Allāh de Meest Vergevingsgezinde en Meest Barmhartige is. Hij kan alle zonden vergeven, en Zijn barmhartigheid omvat werkelijk alles.

Hierin zit een aanwijzing dat deze man een goede gedachte (ḥusn az-ẓan) over Allāh heeft en berouw heeft getoond, en dus hoopt dat Allāh al zijn zonden zal vergeven. Daarom zei hij: “Laat mij alleen met mijn Rab”, oftewel: “Ik heb een sterke overtuiging in Allāh en Zijn vergiffenis.”

De uitspraak: “Ben jij naar mij gestuurd als een toezichthouder?” betekent: “Ben jij door Allāh gestuurd als een waker over mij?” Allāh zei ook tegen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) : “Jij bent geen voogd over hen.”

De enige echte Waker over de dienaren is Allāh. De gedachte van die man vloeit voort uit de schoonheid van zijn geloof. En juist deze schoonheid van geloof maakt iemand geschikt voor de vergiffenis van Allāh.

Zoals ook Abū Hurayrah رحمه الله zei: De vrome man vernietigde zowel zijn wereld als zijn Hiernamaals door tegen zijn zondige metgezel te zeggen: “Allāh zal jou niet vergeven” of “Allāh zal jou niet in Jannah laten binnentreden.”

Vanwege deze ontkenning van Allahs vergeving, werden al zijn goede daden hier op aarde tenietgedaan, en was dus zijn aardse leven vernietigd. Allāh zegt immers: وَمَن يَرۡتَدِدۡ مِنكُمۡ عَن دِينِهِۦ فَيَمُتۡ وَهُوَ كَافِرٞ فَأُوْلَٰٓئِكَ حَبِطَتۡ أَعۡمَٰلُهُمۡ فِي ٱلدُّنۡيَا وَٱلۡأٓخِرَةِۖ وَأُوْلَٰٓئِكَ أَصۡحَٰبُ ٱلنَّارِۖ هُمۡ فِيهَا خَٰلِدُونَ ٢١٧

... En wie van jullie zich van de religie afkeert en als ongelovige sterft, daarvan zullen zijn daden in dit leven en in het Hiernamaals verloren gaan en zij zullen de bewoners van het Vuur zijn. Zij zullen daarin voor altijd verblijven. (Baqarah, 2:217))

Zo vernietigde hij ook zijn Hiernamaals leven; hij bleef zonder enige beloning vanwege zijn uitspraak.

Daarom verdiende hij het oordeel: “Gooi hem in de Jahannam!”Zoals an-Nawawī schreef: “Als deze man, al was het maar in zijn hart, iets heeft laten ontstaan dat leidt naar ongeloof, dan is het mogelijk dat er werd gezegd: “Gooi hem in de Jahannam om er eeuwig in te blijven.”En net zoals sommige zondige mu’mins gestraft worden in de Jahannam om gezuiverd te worden van hun zonden, is het mogelijk dat ook hij daarin werd geworpen ter boetedoening. Want wat hij deed, is bijna een grote zonde: het met zekerheid zeggen dat zijn zondige broeder door Allāh niet vergeven zal worden of Jannah niet zal binnentreden.Allāh zegt in de Qur’ān:أَهُمۡ يَقۡسِمُونَ رَحۡمَتَ رَبِّكَۚ Zijn zij het die de barmhartigheid van jouw Rab uitdelen? (Zukhruf, 43:32)

Vergiffenis en bestraffing behoren enkel tot Allāh’s Wil. Een schepsel mag dus niet met zekerheid oordelen over zichzelf of een ander wat betreft wie Allahs vergiffenis of straf verdient. Wie dit wel doet, velt een oordeel over Allāh’s Wil en Zijn daden.

Allāh heeft de zondaar die hoopte op Zijn vergeving de Jannah binnen laten gaan, terwijl Hij de vrome man die een eed over Allāh uitsprak naar de Jahannam heeft gezonden. O Allah, wij zoeken onze toevlucht bij U tegen fouten in woorden, geloof en daden, en tegen vergissingen die wij onbewust begaan.

Het onderwerp: Allahs vrijgevigheid in het meervoudig belonen van goede daden

De overlevering: "Wie een goede of slechte daad voorneemt…"

Deze ḥadīth is overgeleverd door al-Bukhārī in Kitāb ar-Riqāq, deel 8, blz. 108.36. Van ʿAbd al-Wāris, van Jaʿda Abū ʿUthmān, van Rajā’ al-ʿAṭāridī, van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās رضي الله عنهما, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft van zijn Rab overgeleverd: “Allāh heeft de goede en slechte daden opgeschreven en vervolgens duidelijk uitgelegd.Wie een goede daad voorneemt (niyah) maar die niet uitvoert, Allāh schrijft het bij Hem als één volledige goede daad.En wie een goede daad voorneemt en die vervolgens uitvoert, Allāh schrijft ervoor van tien tot zevenhonderdvoudige beloning, ja zelfs nog meer.Wie een slechte daad voorneemt maar die niet uitvoert, Allāh schrijft het bij Hem als één volledige goede daad.En wie een slechte daad voorneemt en die uitvoert, Allāh schrijft het als slechts één slechte daad.”

al-Bukhārī heeft deze ḥadīth ook overgeleverd in Kitāb at-Tawḥīd, deel 9, blz. 144, in het hoofdstuk over het vers:"Zij willen het Woord van Allāh veranderen."Daarin vermeldt hij via dezelfde overleveringsketen dat het is overgeleverd door Abū

37. Van Abu Hurayrah رضي الله عنه, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Allāh zegt: Wanneer Mijn dienaar een slechte daad wil begaan, schrijf die niet op totdat hij ze werkelijk begaat.Als hij het toch begaat, schrijf het dan op als één slechte daad.Maar als hij het omwille van Mij achterwege laat, schrijf het dan als één goede daad.Wanneer hij een goede daad wil verrichten, schrijf het als één goede daad.En als hij het daadwerkelijk verricht, schrijf het als tien tot zevenhonderdvoudige beloning of zelfs nog veel meer.”

(In sommige overleveringen is toegevoegd: “en zelfs nog veel en veel meer.”)

Muslim heeft deze ḥadīth in zijn Ṣaḥīḥ overgeleverd in het hoofdstuk:"Allāh (تعالى) vergeeft de gedachten en invallen van het hart."Zie deel 8, met de marginale aantekening van al-Qasṭallānī, blz. 486.

38. Van Abū Hurayrah رضي الله عنه Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh (تعالى) zei: Wanneer Mijn dienaar een slechte daad overweegt, schrijf het niet op.Als hij het verricht, schrijf het op als één slechte daad.En als hij een goede daad overweegt maar die niet verricht, schrijf het op als één goede daad. Als hij het verricht, schrijf het op als tien keer beloning.”

39.

Een tweede overlevering van Muslim, ook van Abū Hurayrah رضي الله عنه, luidt als volgt:Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh عز وجل zei: Wanneer Mijn dienaar een goede daad overweegt maar die niet verricht, Ik schrijf het voor hem als één goede daad.En als hij het verricht, dan schrijf Ik het voor hem op als tien tot zevenhonderdvoudige beloning.Als hij een slechte daad overweegt (niyah) maar die niet verricht, dan schrijf Ik niets tegen hem.Maar als hij het verricht, dan schrijf Ik het op als slechts één slechte daad.”

40. In een andere overlevering van Muslim wordt vermeld: van Abū Hurayrah رضي الله عنه , Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overgelevert van Allāh عز وجل:“Wanneer Mijn dienaar een goede daad wil verrichten maar het uiteindelijk niet uitvoert, dan schrijf Ik het op als één goede daad. Als hij het wel uitvoert, dan schrijf Ik het op als tien goede daden. Als hij een slechte daad wil verrichten maar het uiteindelijk niet uitvoert, dan vergeef Ik hem dat. Als hij het wel uitvoert, dan schrijf Ik het op als één zonde.”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De engelen zeiden: O onze Rab! Uw dienaar wil een zonde begaan! Allāh, Die beter op de hoogte is van Zijn dienaar dan zij, zei: “Let op hem! Als hij de zonde verricht, schrijf het dan op zoals het is. Maar als hij het nalaat, schrijf het dan als een goede daad, want hij heeft het uit vrees voor Mij nagelaten.”

41. Eveneens in Ṣaḥīḥ Muslim wordt overgeleverd dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als iemand onder jullie zijn Islām op een goede manier beoefent (dus een goede moslim wordt), dan wordt voor elke goede daad die hij verricht, totdat hij Allāh ontmoet, een beloning geschreven van tientot zevenhonderdvoudig. En voor elke slechte daad wordt slechts één zonde opgeschreven.”

42.

Muslim overlevert ook van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), in overlevering van zijn Rab, zei: “Allāh heeft de goede en slechte daden opgeschreven, en dit vervolgens uitgelegd. Wie een goede daad overweegt maar het niet uitvoert, Allāh schrijft het op als een volledige goede daad. En als hij het uitvoert, schrijft Allāh het op als tien tot zevenhonderdvoudig, ja zelfs meer. Wie een slechte daad overweegt maar het niet uitvoert, Allāh schrijft het op als een goede daad. En als hij het uitvoert, dan schrijft Allāh het slechts op als één zonde.”

In een andere overlevering voegt hij toe: “Of Allāh wist het uit. Allāhu (تعالى) laat niemand ten onder gaan behalve degene die het verdient om ten onder te gaan. “

At-Tirmidhī vermeldt in zijn Ṣaḥīḥ, deel 2, p. 180, onder het hoofdstuk over surah al-Anʿām: 43. Abū Hurayrah رضي الله عنه: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overleverde van Allāh: “Wanneer Mijn dienaar een goede daad overweegt, schrijf het dan als een goede daad. En als hij het uitvoert, schrijf dan tien beloningen. En als hij een slechte daad overweegt, schrijf het dan nog niet op. Als hij het uitvoert, schrijf dan één zonde. Als hij het niet uitvoert, schrijf het dan als een goede daad.”Daarna reciteerde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): مَن جَآءَ بِٱلۡحَسَنَةِ فَلَهُۥ عَشۡرُ أَمۡثَالِهَاۖ وَمَن جَآءَ بِٱلسَّيِّئَةِ فَلَا يُجۡزَىٰٓ إِلَّا مِثۡلَهَا وَهُمۡ لَا يُظۡلَمُونَ ١٦٠Iedereen die een goede daad verricht zal tien maal daarvan de prijs krijgen en iedereen die een slechte daad verricht zal slechts de vergelding van het gelijkwaardige krijgen en hen zal geen onrecht aangedaan worden.

(Anʿām: 6:160) Abū ʾĪsā at-Tirmidhī رحمه الله zei dat deze ḥadīth ḥasan ṣaḥīḥ is.

An-Nasāʾī heeft deze ḥadīth eveneens overgeleverd in zijn Kitāb al-Qunūt en Kitāb ar-Riqāq, zoals vermeld bij al-Qasṭallānī. Ibn Mājah overlevert in zijn Sunan van Abū Dhar رضي الله عنه een soortgelijke ḥadīth: 44. Volgens zijn versie zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Allāh (تعالى) zegt: “Wie een goede daad verricht, ontvangt daarvoor een tienvoudige beloning, of zelfs nog meer. Wie een slechte daad begaat, wordt slechts vergolden met iets dat daaraan gelijkwaardig is, of Ik schenk hem vergeving voor die daad.Wie zich tot Mij wendt met een handspan, tot hem nader Ik met een armlengte. Wie zich tot Mij wendt met een armlengte, tot hem nader Ik met een vademlengte. En wie zich tot Mij lopend begeeft, tot hem kom Ik snel.En wie tot Mij komt met zonden die de aarde zouden kunnen vullen, tot hem kom Ik met een even grote hoeveelheid vergiffenis.”

Uitleg van de 36–44 aḥadīth

Al-Māzirī zei: Volgens Qāḍī Abū Bakr Ibn aṭ-Ṭayyib geldt dat iemand die in zijn hart vastbesloten is tot een kwaad en deze vastberadenheid verder versterkt, begaat, wat betreft zijn overtuiging en vastberadenheid, een zonde.

De aangelegenheid die in de aḥadīth wordt vermeld, heeft echter betrekking op degenen die een slechte gedachte hebben zonder deze stevig in hun hart te verankeren. Gedachten en intenties die zich niet in het hart verankeren worden “ham” (een eerste gedachte of overweging) genoemd; ham en ʿazm (vastberadenheid) zijn twee verschillende zaken. Dit is het standpunt van Qāḍī Abū Bakr رحمه الله, hoewel de meerderheid van de juristen (fuqahā) en ḥadīthgeleerden (muhaddithûn) hebben hem daarin tegengesproken en zich gebaseerd op de letterlijke, uiterlijke betekenis van de ḥadīth.

Qāḍī ʿIyāḍ رحمه الله zei: " De meerderheid van de salaf en de meeste geleerden van kennis zijn van mening dat de mens ook verantwoordelijk wordt gehouden voor de zonden van het hart, op basis van de aḥādīth die daarop duiden, in tegenstelling tot de opvatting die Qāḍī Abū Bakr heeft uiteengezet.

Zij hebben echter gezegd dat het vastberaden besluiten tot een slechte daad als een zonde wordt opgeschreven, maar niet als een zonde in dezelfde mate als de daadwerkelijk bedoelde of beoogde slechte daad.

Dit is omdat iemand die deze gedachte koestert het kwaad nog niet daadwerkelijk heeft verricht. Dat hij zich ervan weerhoudt, komt niet voort uit vrees voor Allāhu (تعالى) of uit het zich tot Hem wenden, maar uit een andere reden.

Het hardnekkig koesteren van het voornemen tot het kwaad en de vastberadenheid om het te verrichten, vormen op zichzelf al een slechte daad. Daarom wordt dit als een zonde opgeschreven. Wanneer iemand het kwaad vervolgens daadwerkelijk begaat, wordt daarvoor een tweede zonde opgeschreven.

Als hij daarentegen afziet van het verrichten van het kwaad uit vrees voor Allāhu (تعالى), dan wordt dat, zoals in de ḥadīth is vermeld, voor hem als een goede daad opgeschreven.

In de overlevering staat immers: “Hij heeft het uit vrees voor Mij achterwege gelaten.” Dit wijst erop dat de dienaar het slechte heeft verlaten uit vrees voor Allāhu (تعالى), zich heeft verzet tegen zijn nafs die tot het kwade aanzet en weerstand heeft geboden aan zijn begeerten.

Gedachten die niet worden opgeschreven, zijn de voorbijgaande ingevingen die slechts door het hart trekken zonder dat iemand het voornemen vormt ernaar te handelen of het besluit neemt ze uit te voeren.

Over de vraag of iemand die een zonde nalaat uit vrees voor mensen daarvoor wordt beloond, bestaat onder sommige theologen (mutakallimûn) verschil van mening. Sommigen van hen stelden: “Hiervoor wordt geen beloning opgeschreven, omdat hij de zonde slechts uit schaamte voor de mensen heeft nagelaten.” Deze opvatting is echter zwak.

Er zijn namelijk duidelijke en ondubbelzinnige sharʿī teksten (nuṣûṣ m.v. naṣ) van die aantonen dat een mens ook ter verantwoording kan worden geroepen voor de kwade voornemens die hij in zijn hart koestert. Zo zegt Allāh in een āyah:

إِنَّ ٱلَّذِينَ يُحِبُّونَ أَن تَشِيعَ ٱلۡفَٰحِشَةُ فِي ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ لَهُمۡ عَذَابٌ أَلِيمٞ فِي ٱلدُّنۡيَا وَٱلۡأٓخِرَةِۚ وَٱللَّهُ يَعۡلَمُ وَأَنتُمۡ لَا تَعۡلَمُونَ ١٩

Waarlijk, degenen die er van houden dat de gruweldaad zich verspreidt onder de gelovigen, zullen in deze wereld en in het Hiernamaals een pijnlijke bestraffing hebben. En Allāh weet en jullie weten niet. (Nûr, 24:19)

En in een andere āyah:

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ ٱجۡتَنِبُواْ كَثِيرٗا مِّنَ ٱلظَّنِّ إِنَّ بَعۡضَ ٱلظَّنِّ إِثۡمٞۖO, jullie die geloven! Vermijdt achterdocht. Waarlijk, een deel van de kwade vermoedens zijn zonden. (Hujurāt, 49:12) Er zijn hierover veel āyāt.

Er zijn duidelijke sharʿī teksten (nuṣûṣ) die aantonen dat jaloezie (ḥasad), het minachten van muʾmins, het wensen van kwaad voor hen en soortgelijke innerlijke zonden verboden zijn.

Daarnaast bestaat er hierover consensus (ijmāʿ) binnen de ummah. En Allāhu (تعالى) weet het best wat correct is.

Wat betreft de verklaring van de uitspraak: “Allāhu (تعالى) laat niemand ten onder gaan behalve degene die het verdient om ten onder te gaan.”, zegt Qāḍī ʿIyāḍ رحمه الله: “Allahs genade/barmhartigheid (raḥmah) en vrijgevigheid/edelmoedigheid (karam) omvatten al Zijn dienaren. Voor degene die de zonde niet begaat, verandert Hij diens intentie in een beloning. Voor degene die het wel begaat, wordt slechts één zonde opgeschreven. En wie het goede voorneemt, krijgt daarvoor al een beloning, zelfs als hij die niet uitvoert. En als hij het wel uitvoert, dan wordt het met tien tot zevenhonderdvoud beloond.”

Als iemand dus van deze karam verstoken blijft, terwijl zijn zonden stuk per stuk worden opgetekend en zijn goede daden worden vermenigvuldigd, dan is hij werkelijk iemand die de vernietiging verdient. Hij is iemand die door zijn tekortkomingen het heeft gemist. Hij dacht niet eens aan het verrichten van goede daden, en hij weerhield zich nooit van slechte daden. Zijn zonden groeiden daardoor en overvleugelden zijn goede daden.

Imām Abū Jaʿfar aṭ-Ṭaḥāwī zei: “Deze overleveringen wijzen erop dat de engelen die de daden registreren (al-ḥafazah) niet alleen uiterlijke handelingen opschrijven, zoals sommigen beweren, maar ook de innerlijke handelingen van het hart.”

Over de uitspraak “tot zevenhonderdvoud of zelfs meer” bestaat onder de geleerden gangbare opvatting dat dit geen vast maximum (beloning) aanduidt. Abū ’l-Ḥasan al-Māwardī stelde daarentegen dat deze uitspraak gebaseerd is op een onjuistheid in de overleveringsketen.

Deze reeks aḥādīth toont de grootsheid van de gunst (ihsân) van Allāhu (تعالى) jegens de ummah van Muhammad (صلى الله عليه وسلم). Zij verduidelijken hoe eervol deze ummah is en hoezeer de last van deze ummah is verlicht in vergelijking met de voorgaande umam. Tevens wordt in deze overleveringen zichtbaar hoe de ṣaḥābah onderling wedijverden in het naleven van de fundamenten van de sharīʿah.

Abū Isḥāq az-Zujjāj zei: "Het slot van surah al-Baqarah (2:286), met daarin de smeekbede:رَبَّنَا لَا تُؤَاخِذۡنَآ إِن نَّسِينَآ أَوۡ أَخۡطَأۡنَاۚOnze Rab! Straf ons niet voor wat wij (onopzettelijk) vergeten of wat wij fout doen…,is een duʿāʾ die Allāh aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) en de mu’mins heeft geleerd. Allāh heeft deze duʿāʾ in Zijn Boek opgenomen zodat het ook door degenen na de ṣaḥābah gelezen en uit het hoofd geleerd kan worden. Het is een smeekbede die vaak herhaald dient te worden."

Daarmee wordt verwezen naar de overlevering: “Allāh heeft mijn ummah vergeven voor wat er in hun harten omgaat, zolang zij het niet uitspreken of uitvoeren.” (Uit de Uitleg van an-Nawawī)

Allāh zegt:مَن جَآءَ بِٱلۡحَسَنَةِ فَلَهُۥ عَشۡرُ أَمۡثَالِهَاۖ وَمَن جَآءَ بِٱلسَّيِّئَةِ فَلَا يُجۡزَىٰٓ إِلَّا مِثۡلَهَا وَهُمۡ لَا يُظۡلَمُونَ ١٦٠

Iedereen die een goede daad verricht zal tien maal daarvan de prijs krijgen en iedereen die een slechte daad verricht zal slechts de vergelding van het gelijkwaardige krijgen en hen zal geen onrecht aangedaan worden. (Anʿām 6:160)Hier wordt bedoeld dat die daad daadwerkelijk verricht moet zijn. De meervoudige beloning geldt alleen voor uitgevoerde goede daden. Voor een loutere intentie wordt één beloning gegeven.

Het is mogelijk dat Allāhu (تعالى) reeds een beloning opschrijft, zelfs zonder dat er sprake is van daadwerkelijke vastberadenheid, enkel vanwege de gedachte aan het verrichten van een goede daad. Ook voor de enkele wil (irādah) wordt soms al een beloning opgeschreven, omdat die wil de aanleiding kan zijn tot goed handelen. Het verlangen naar het goede is op zichzelf al een vorm van goedheid. Er is immers gezegd: “Het goede behoort tot de daden van het hart.”

Als iemand een goede daad nalaat, kan dat het gevolg zijn van een externe belemmering of van een interne oorzaak. De beloning hangt af van de reden voor dat nalaten. Wanneer er een externe belemmering is en iemand de intentie blijft behouden, dan is de beloning groot. Wanneer de oorzaak in de persoon zelf ligt, dan is de beloning kleiner. En wanneer iemand de intentie tot het goede volledig opgeeft, vervalt de beloning geheel. Dit geldt des te sterker wanneer hij zelfs het tegenovergestelde doet, zoals geld geven met de intentie van ṣadaqah, maar het geld vervolgens besteedt aan iets wat niet toegestaan is; in dat geval wordt hij geheel van de beloning beroofd.

De mate van beloning voor een verrichte goede daad verschilt naargelang de graad van oprechtheid (ikhlāṣ), de oprechtheid van de vastberadenheid, de innerlijke rust van het hart en de mate van nut die ermee wordt bereikt.

Wat betreft iemand die een zonde overweegt maar deze nalaat: Qāḍī al-Bāqillānī en anderen stelden: “Wanneer iemand in zijn hart een zonde voorneemt en deze vastberaden in zijn rûḥ verankert, dan heeft hij reeds gezondigd. De vergeving die in de ḥadīth wordt genoemd, geldt slechts voor degene die de zonde slechts heeft overwogen zonder zich daartoe daadwerkelijk te hebben vastgezet.”

Al-Māwardī zegt dat veel juristen (fuqahâ’), ḥadīthgeleerden (muhaddithûn) en theologen (mutakallamûn) het niet met deze mening eens zijn. Hij citeert hierin de verklaring van Imām ash-Shāfiʿī. Dit wordt ook ondersteund door de letterlijke betekenis van de overlevering van Abū Hurayrah رضي الله عنه in Ṣaḥīḥ Muslim, waarin staat: “Ik vergeef hem zolang hij de zonde niet daadwerkelijk uitvoert.”Hier verwijst 'daadwerkelijk' naar het verrichten van de zonde met een orgaan/ledemaat”.

Qāḍī ʿIyāḍ heeft vermeld dat de meerderheid van de salaf hetzelfde standpunt heeft als dat van al-Bāqillānī. Want zij waren het er unaniem over eens dat de dienaar ook verantwoordelijk zal worden gehouden voor de daden van het hart. Echter hebben zij gezegd: “Vanwege het vastberaden besluiten tot het kwaad wordt slechts één enkele slechte daad opgeschreven. Met andere woorden: de zonde van de slechte daad die men van plan was te verrichten, wordt niet opgeschreven. Net zoals iemand die een slechte daad beveelt, maar vervolgens niet de oorzaak is dat deze daad ook daadwerkelijk wordt uitgevoerd. Zo iemand begaat wel een zonde door het bevel tot kwaad, maar hij verdient niet de zonde van het daadwerkelijk verrichten van dat kwaad.”

Samenvattend blijkt dat de meeste geleerden van mening zijn dat iemand ter verantwoording wordt geroepen als hij vastbesloten is tot een zonde. Wel bestaan er verschillen van inzicht over de aard van deze verantwoording. Volgens sommigen wordt dit in het wereldse leven al bestraft door verdriet en leed. Volgens sommigen zullen zij op de Yawm al-Qiyāmah niet worden gestraft door bestraffing zelf, maar door ter verantwoording te worden geroepen (hisāb).

De geleerden die van mening zijn dat iemand niet verantwoordelijk wordt gehouden voor zijn gedachten, hebben echter een uitzondering gemaakt voor het denken aan kwaad binnen het Heilige Gebied van Makkah (al-Ḥaram al-Makkī), zelfs wanneer het nog geen vaste vastberadenheid (ʿazm) betreft.

Want Allāh zegt:وَمَن يُرِدۡ فِيهِ بِإِلۡحَادِۭ بِظُلۡمٖ نُّذِقۡهُ مِنۡ عَذَابٍ أَلِيمٖ ٢٥……En ieder die daar tot kwade daden nijgt, of zonden begaat daarvoor zullen Wij zorgen dat hij een pijnlijke bestraffing te proeven heeft.( Ḥajj 22:25)De Ḥaram (al-Makkī) dient zelfs in gedachten geëerbiedigd (taʿẓīm) te worden. Wie daar het kwade verlangt, overschrijdt daarmee de grenzen van eerbied (taʿẓīm) en handelt in strijd met wat verplicht (wâjib) is. Vandaar dat zondigen in de Ḥaram veel zwaarder weegt dan elders.

Wie zondige gedachten heeft over het overtreden van de regels van de Ḥaram is een opstandige (tegenover Allāh). Wie zulke gedachten heeft met als doel de voorschriften van Allāh te bagatelliseren, wordt zelfs een kāfir. De gedachte aan een zonde die vergeven wordt, is een gedachte die niet voortkomt uit het doel om het gebod te minachten.

"Of Allāh wist die zonde uit", dat wil zeggen: Hij wist het uit vanwege berouw (tawbah), vergiffenis vragen aan Allāh (istighfār) of door een goede daad die als boetedoening (kaffârah) daarvoor geldt. In een āyah staat immers:

إِنَّ ٱلۡحَسَنَٰتِ يُذۡهِبۡنَ ٱلسَّيِّـَٔاتِۚ ذَٰلِكَ ذِكۡرَىٰ لِلذَّٰكِرِينَ ١١٤Waarlijk, de goede daden verwijderen de slechte daden. Dat is een advies voor degenen die denken.

(Hūd 11:114)In een andere āyah staat:إِن تَجۡتَنِبُواْ كَبَآئِرَ مَا تُنۡهَوۡنَ عَنۡهُ نُكَفِّرۡ عَنكُمۡ سَيِّـَٔاتِكُمۡ وَنُدۡخِلۡكُم مُّدۡخَلٗا كَرِيمٗا ٣١Indien jullie grote zonden -die verboden zijnvermijden, zullen Wij jullie zonden vergeven en zullen Wij jullie naar een eervolle plaats (Jannah) leiden.(Nisāʾ 4:31)

Net zoals bij de gedachte aan kwaad, hebben sommigen ook de slechte daden die in het Ḥaram van Makkah worden begaan als een uitzondering beschouwd (namelijk de bestarffing is zwaarder vanwege de grootheid en heiligheid van die plaats.)

Het onderwerp: 'Goede gedachten (ḥusn aẓ-ẓan) hebben over Allāhu (تعالى)

Deze ḥadīth is overgeleverd door al-Bukhārī in het boek Kitāb at-Tawḥīd, onder het hoofdstuk: "Allāh waarschuwt jullie voor Zichzelf"en bij de uitleg van de āyah: تَعۡلَمُ مَا فِي نَفۡسِي وَلَآ أَعۡلَمُ مَا فِي نَفۡسِكَۚ…U weet wat in mijn binnenste is, terwijl ik niet weet wat in U is...( Mā'idah, 5:116)(Saḥīḥ al-Bukhārī, deel 9, blz. 120; uitleg van al-Qastalānī, deel 10, blz. 381)

45. Van ʿUmar ibn Ḥafṣ van zijn vader, van al-Aʿmash, van Abū Ṣāliḥ, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: "Allāhu (تعالى) zegt: “Ik ben zoals Mijn dienaar over Mij denkt. En wanneer hij Mij gedenkt, dan ben Ik met hem. Als hij Mij in zichzelf gedenkt, dan gedenk Ik hem in Mijzelf. En als hij Mij in een gezelschap gedenkt, dan gedenk Ik hem in een beter gezelschap. En als hij een handbreedte naar Mij toekomt, kom Ik een armlengte naar hem toe. En als hij een armlengte naar Mij komt, kom Ik een vadem (omhelzing) naar hem toe. “En wie zich lopend tot Mij begeeft, tot hem kom Ik rennend.”

al-Bukhārī heeft deze ḥadīth ook in verkorte vorm overgeleverd in Kitāb at-Tawḥīd.

Muslim heeft in zijn Ṣaḥīḥ drie verschillende ketens van overlevering van deze ḥadīth van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) opgenomen.

De eerste overlevering is bijna identiek aan die van al-Bukhārī, behalve dat bij Muslim staat:“Wanneer hij Mij gedenkt, dan ben Ik met hem. Als hij Mij in zichzelf gedenkt, dan gedenk Ik hem in Mijzelf. En als hij Mij in een gezelschap gedenkt, dan gedenk Ik hem in een gezelschap dat beter is dan het zijne.” (Er zijn kleine tekstuele verschillen, maar zonder betekenisverandering.)

In de tweede en derde overlevering ontbreken de woorden:“Als hij een armlengte naar Mij komt, kom Ik een vadem naar hem toe.”

De derde overlevering luidt als volgt: Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overleverde van Zijn Rab: "Wanneer Mijn dienaar een handbreedte naar Mij toekomt, kom Ik een armlengte naar hem toe. En als hij een armlengte naar Mij komt, kom Ik een vadem naar hem toe. En als hij een vadem naar Mij komt, dan kom Ik sneller dan dat naar hem toe."

48. Over hetzelfde onderwerp heeft at-Tirmidhī in zijn Jāmiʿ onder het hoofdstuk 'Goede gedachten hebben over Allāh' de volgende ḥadīth overgeleverd:Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) is overgeleverd dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Allāhu (تعالى) zegt: 'Ik ben zoals Mijn dienaar over Mij denkt. En wanneer hij tot Mij duʿāʾ verricht, dan ben Ik met hem.” At-Tirmidhī heeft gezegd dat deze ḥadīth ḥasan en ṣaḥīḥ is.

49. Op een andere plaats vermeldt at-Tirmidhī een overlevering van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), waarin Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Allāh, Die Zichzelf van alles en iedereen onafhankelijk heeft verklaard, zegt: 'Ik ben zoals Mijn dienaar over Mij denkt. En wanneer hij Mij gedenkt, dan ben Ik met hem. Als hij Mij in zichzelf gedenkt, dan gedenk Ik hem in Mijzelf. En als hij Mij in een gezelschap gedenkt, dan gedenk Ik hem in een beter gezelschap. Als hij een handbreedte naar Mij komt, dan kom Ik een armlengte naar hem toe. En als hij zich lopend tot Mij begeeft, tot hem kom Ik rennend.”At-Tirmidhī (رحمه الله) heeft ook van deze ḥadīth gezegd dat hij ḥasan en ṣaḥīḥ is.

Ibn Mājah heeft in zijn Sunan, deel 2, blz. 218, in het hoofdstuk 'De Deugdzaamheid van Dhikr' de volgende ḥadīth overgeleverd: 50. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Allāh عَزَّ وَجَلَّ zegt: 'Wanneer Mijn dienaar Mij gedenkt en zijn lippen voor Mij bewegen, dan ben Ik met hem.”

51. Eveneens heeft Ibn Mājah in deel 2, blz. 223, onder het hoofdstuk 'De Deugdzaamheid van Daden' de volgende ḥadīth overgeleverd: Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: "Allāh, Die Zichzelf van alles en iedereen onafhankelijk heeft verklaard, zegt: 'Ik ben zoals Mijn dienaar over Mij denkt. En wanneer hij Mij gedenkt, dan ben Ik met hem. Als hij Mij in zichzelf gedenkt, dan gedenk Ik hem in Mijzelf. En als hij Mij in een gezelschap gedenkt, dan gedenk Ik hem in een beter gezelschap. Als hij een handbreedte naar Mij komt, dan kom Ik een armlengte naar hem toe. En als hij naar Mij lopend toekomt, dan kom Ik rennend naar hem toe.'

Uitleg van de 45–51 aḥadīth"Ik ben zoals Mijn dienaar over Mij denkt," dat betekent: als Mijn dienaar gelooft dat Ik zijn daden zal accepteren, dat Ik hem beloning zal geven in ruil daarvoor, en dat Ik hem zal vergeven wanneer hij berouw toont, dan zal Ik hem behandelen overeenkomstig die verwachting. Maar als hij denkt dat Ik dat allemaal niet zal doen, dan behandel Ik hem overeenkomstig die gedachte. Hierin zit een aanwijzing dat de kant van hoop (rajā’) de voorkeur geniet boven die van vrees khawf ().

Sommige geleerden met diepgaande kennis hebben gesteld dat deze goede verwachting vooral betrekking heeft op het moment van het sterven. Wat betreft de periode vóór de dood bestaan er drie opvattingen, waarvan de meest juiste is dat men een evenwichtige middenweg dient te bewandelen tussen hoop (rajā’) en vrees (khawf).

Het past de dienaar om oprecht te geloven dat Allāhu (تعالى), overeenkomstig Zijn belofte, zijn daden zal aanvaarden en hem zal vergeven, mits hij zich inspant om Zijn geboden naar behoren na te leven. Allāhu (تعالى) verbreekt immers Zijn beloften niet.

Wie daarentegen gelooft of vermoedt dat Allāh hem niet zal vergeven, die heeft de hoop op de barmhartigheid van Allāh opgegeven, en dat is een van de grote zonden (kabā’ir). Degene die met zo’n overtuiging sterft,wordt aan dat geloof/aan zijn voorbeschikking (qadar) overgelaten. Daarentegen is de gedachte dat men vergeving zal verkrijgen terwijl men blijft volharden in opstandigheid en zonden niets anders dan pure onwetendheid en zelfbedrog.

De uitspraak: "Wanneer Mijn dienaar Mij gedenkt, ben Ik met hem, " verwijst naar een bijzondere nabijheid, namelijk: nabijheid met Mijn barmhartigheid (raḥmah), Mijn leiding naar succes in het goede (tawfīq) en Mijn leiding (hidayah),

وَهُوَ مَعَكُمۡ أَيۡنَ مَا كُنتُمۡۚ ٤ …En Hij is met jullie, waar jullie ook zijn…(Ḥadīd 57:4), Met deze ayah wordt bedoeld: “Mijn riwāyah (heerschappij/voorziening) en mijn ʿināyah (zorg en bescherming) ben Ik met hem”. Deze “met-jullie” duidt echter op iets anders dan een fysieke of persoonlijke nabijheid. De betekenis van het “met-jullie” in de āyah is namelijk nabijheid in kennis en alomvattende omvattendheid.

De uitspraak: " dan gedenk Ik hem in een beter gezelschap (dan de zijne)" duidt niet op een superioriteit van de engelen ten opzichte van de mensenkinderen (Banū Ādam), maar bedoelt met die betere gezelschap het verheven gezelschap (al-mala’ al-aʿlā). Tot dat gezelschap behoren anbiyāʾ) martelaren (shuhadāʾ) en die beter zijn dan degenen die enkel aanwezig zijn in gezelschap waar Allahs gedenken (dhikr) plaatsvindt. Het betreft dus niet enkel een gezelschap van engelen.

Daarnaast omvat de hier genoemde goedheid zowel degene die de gedenking verricht als de aanwezige groep samen. De zijde waar Rab (تعالى)) wordt vermeld, is zonder twijfel beter dan de andere zijde. Zo wordt voor de gehele groep een verhevenheid en superioriteit in goedheid gerealiseerd.

Hāfiẓ Ibn Ḥajar merkt op dat de term "betere gezelschap" in deze overlevering uitsluitend betrekking heeft op de gezelschap zelf en niet noodzakelijk op degene die er deel van uitmaakt. Al-Khaṭṭāb is van mening dat het onwaarschijnlijk is dat zowel degene die gedenkt als het gezelschap beide zijn bedoeld. En Allāh weet het het beste.

Met “En als hij zich lopend tot Mij begeeft, tot hem kom Ik rennend” wordt bedoeld dat een persoon zich met een kleine daad van gehoorzaamheid tot Allāh nadert. Allāh maakt vervolgens duidelijk dat Hij dit met een veelvoud aan beloning zal vergelden door te zeggen: “Dan kom Ik rennend naar hem toe.” Naarmate de dienaar zijn gehoorzaamheid vergroot, neemt de beloning van Allāh toe. Hoewel de dienaar zijn daden geleidelijk vermeerdert, vermeerdert Allāh de beloning daarvan snel en overvloedig. Hierin zit geen letterlijke betekenis: de termen ‘lopen’ en 'rennen' zijn metaforisch bedoeld. Anders gezegd: in werkelijkheid worden dergelijke termen in hun letterlijke betekenis niet toegepast op Allāhu (تعالى), omdat zulke zaken onmogelijk (muḥāl) zijn met betrekking tot Allāhu (تعالى).

Qāḍī ʿIyāḍ zei dat de betekenis van de uitspraak "Ik ben zoals Mijn dienaar over Mij denkt" is: Als hij hoopt dat Ik hem zal vergeven, dan vergeef Ik hem. Als hij berouw toont, accepteer Ik zijn berouw. Als hij tot Mij du`â’ verricht, verhoor Ik zijn du`â’. En als hij iets van Mij vraagt, geef Ik het hem.

(Daarom is het juiste begrip van deze overlevering): het betreft de hoop (rajâ’), het vragen om vergiffenis en het vertrouwen op de barmhartigheid van Allāh. En dat is de meest correcte opvatting.

5. Het onderwerp: “de genietingen die Allāh voor zijn rechtschapen dienaren heeft voorbereid”

De ḥadīth: “Ik heb voor Mijn rechtschapen dienaren genietingen voorbereid die geen enkel oog ooit heeft gezien...”

In Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, in het hoofdstuk “De Eigenschappen van de Bewoners van Jannah”, deel 4, p. 118, 52. Van al-Ḥumaydī van Sufyān, van Abū az-Zinād, van al-Aʿradj, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh heeft gezegd: ‘Ik heb voor Mijn rechtschapen dienaren zulke genietingen voorbereid die geen enkel oog heeft gezien, geen enkel oor heeft gehoord en die in geen menselijk hart zijn opgekomen.’ Als jullie willen, lees dan de āyah:فَلَا تَعۡلَمُ نَفۡسٞ مَّآ أُخۡفِيَ لَهُم مِّن قُرَّةِ أَعۡيُنٖ جَزَآءَۢ بِمَا كَانُواْ يَعۡمَلُونَ ١٧Niemand weet wat voor hen verborgen blijft voor plezier, als een beloning voor wat zij plachten te doen. (Sajdah, 32:17)

Een andere overlevering in het boek van de uitleg van de Qur’ān, Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, dl. 6, blz. 115: Met betrekking tot de aanleiding voor de openbaring van Sūrat as-Sajdah heeft hij de volgende ḥadīth overgeleverd: 53. Van ʿAlī ibn ʿAbdullāh, van Sufyān, van Abū az-Zinād, van al-Aʿradj, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh تبارك وتعالى zei: ‘Ik heb voor Mijn rechtschapen dienaren datgene voorbereid wat geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen.”Daarna zei Abū Hurayrah (رضي الله عنه): “Als jullie willen, reciteer dan: Niemand weet wat voor hen verborgen blijft voor plezier, als een beloning voor wat zij plachten te doen.(Sajdah, 32:17, zie hierboven.)

Een andere versie in Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, dl. 6, blz. 116:

54.

Van Ishāq ibn Naṣr, van Abū Usāmah, van al-Aʿmash, van Abū Ṣāliḥ, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh heeft gezegd: ‘Ik heb voor Mijn rechtschapen dienaren datgene voorbereid wat geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen, schatten en gunsten die voor jullie verborgen zijn gehouden en die jullie nog nooit eerder hebben gezien.”Vervolgens reciteerde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): Niemand weet wat voor hen verborgen blijft voor plezier, als een beloning voor wat zij plachten te doen.(Sajdah, 32:17, zie hierboven.)55. In een andere overlevering van al-Bukhārī staat de toevoeging: “Laat hen, Ik heb hen nog nooit van deze gunsten op de hoogte gesteld.”

Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, in Kitāb at-Tawḥīd, deel 9, p. 144, heeft een overlevering genoteerd die lijkt op de eerder genoemde eerste overlevering.

Imām Muslim vermeldt in zijn Ṣaḥīḥ (Boek: De Jannah, zijn genoegens en de eigenschappen van haar bewoners), volgens de marginale aantekening van al-Qasṭallānī, dl. 40, blz. 282: 56. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) zei dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh عَزَّ وَجَلَّ heeft gezegd: ‘Ik heb voor Mijn rechtschapen dienaren datgene voorbereid wat geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen.’En het bewijs daarvoor is het vers in het Boek van Allāh: Niemand weet wat voor hen verborgen blijft voor plezier, als een beloning voor wat zij plachten te doen.(Sajdah, 32:17, zie hierboven.)

57.

In een tweede overlevering (bij Muslim) is de volgende toevoeging vermeld na de woorden ‘geen mensenhart is opgekomen’: “...verborgen zegeningen die Allāh jullie niet heeft bekendgemaakt.”

58. In een derde overlevering (bij Muslim) wordt er, na de toevoeging “...verborgen zegeningen die Allāh jullie niet heeft bekendgemaakt”, ook vermeld dat: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vervolgens het vers reciteerde: Niemand weet wat voor hen verborgen blijft voor plezier, als een beloning voor wat zij plachten te doen.(Sajdah, 32:17, zie hierboven.)

59. In een vierde overlevering (bij Muslim) wordt vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de volgende verzen reciteerde:تَتَجَافَىٰ جُنُوبُهُمۡ عَنِ ٱلۡمَضَاجِعِ يَدۡعُونَ رَبَّهُمۡ خَوۡفٗا وَطَمَعٗا وَمِمَّا رَزَقۡنَٰهُمۡ يُنفِقُونَ ١٦Hun zijden verzaken hun bedden, Zij roepen hun Rab aan vol hoop en vrees, en geven uit (aan liefdadigheid) van hetgeen waarmee Wij hen hebben voorzien.

فَلَا تَعۡلَمُ نَفۡسٞ مَّآ أُخۡفِيَ لَهُم مِّن قُرَّةِ أَعۡيُنٖ جَزَآءَۢ بِمَا كَانُواْ يَعۡمَلُونَ ١٧Niemand weet wat voor hen verborgen blijft voor plezier, als een beloning voor wat zij plachten te doen. (Sajah: 32:16-17)

Imām at-Tirmidhī vermeldt in zijn Sunan (dl. 2, blz. 225), in het hoofdstuk over surah al-Wāqiʿah, de volgende overlevering: 60.

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh heeft gezegd: ‘Ik heb voor Mijn rechtschapen dienaren gunsten voorbereid die geen oog ooit heeft gezien, geen oor ooit heeft gehoord en die bij geen mens ooit in het hart zijn opgekomen.’ Lees desgewenst het vers: Sajdah, 32:17, zie hierboven: Hun zijden verzaken hun bedden, Zij roepen hun Rab aan vol hoop en vrees, en geven uit (aan liefdadigheid) van hetgeen waarmee Wij hen hebben voorzien.In Jannah is er een boom waaronder een ruiter honderd jaar kan rijden en toch de rand van zijn schaduw niet bereikt. Lees desgewenst het vers waarin gezegd wordt:

وَظِلٍّ مَّمْدُودٍ "En een uitgestrekte schaduw.” Wāqiʿah (56), āyah 30

Een plaats in Jannah ter grootte van een zweep is beter dan de wereld en wat deze bevat. Lees desgewenst het vers:فَمَن زُحۡزِحَ عَنِ ٱلنَّارِ وَأُدۡخِلَ ٱلۡجَنَّةَ فَقَدۡ فَازَۗEn al wie van het (angstaanjagende en allesverterende) vuur wordt weggehouden en (de" begeerlijke tuinen van) Jannah wordt toegewezen, zal (met absoluut succes) slagen. (Āl ʿImrān: 3:185)

Abū ʿĪsā at-Tirmidhī zei: “Deze ḥadīth is ḥasan en ṣaḥīḥ.”

Ibn Mājah vermeldt in zijn Sunan (dl. 2, blz. 305), in het hoofdstuk Ṣifat al-Jannah, de volgende overlevering: 61.

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh عَزَّ وَجَلَّ heeft gezegd: ‘Ik heb voor Mijn rechtschapen dienaren gunsten voorbereid die geen oog ooit heeft gezien, geen oor ooit heeft gehoord en die bij geen mens ooit in het hart zijn opgekomen.’”Abū Hurayrah zei: “Dit zijn zaken waarmee Allāh jullie niet bekend heeft gemaakt. Lees desgewenst het vers: Sajdah, 32:17, zie hierboven.: “Niemand weet wat voor hen verborgen blijft voor plezier, als een beloning voor wat zij plachten te doen.”

6. Het onderwerp: Dat Allāh van Zijn dienaren verlangt dat zij Hem smeken/du`ā’ verrichten en op Hem hopen

De ḥadīth: “Onze Rab daalt neer naar de hemel van de wereld…”Ṣaḥīḥ al-Bukhārī (Kitāb ad-Daʿwāt, hoofdstuk: Het smeekgebed midden in de nacht, dl. 8, blz. 71)

62. Van ʿAbd al-ʿAzīz ibn ʿAbdullāh, van Mālik, van Ibn Shihāb, van Abū ʿAbdillāh al-Aʿazz en Abū Salamah ibn ʿAbd ar-Raḥmān, die het beiden van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Onze Rab daalt elke nacht neer naar de hemel van de wereld, wanneer het laatste derde deel van de nacht is aangebroken. Dan zegt Hij:‘Wie verricht Mij du`ā’ zodat Ik hem verhoor? Wie vraagt Mij iets zodat Ik het hem geef? Wie vraagt Mij om vergeving zodat Ik hem vergeef?’”

63. Eveneens overgeleverd door Bukhārī in Kitāb aṣ-Ṣalāh (laatste gedeelte) en Kitāb at-Tawḥīd (dl. 9, blz. 143), onder het hoofdstuk dat begint met het vers:يُرِيدُونَ أَن يُبَدِّلُواْ كَلَٰمَ ٱللَّهِۚ …Zij willen Allāh’s woorden veranderen…(Fatḥ, 48:15)met een soortgelijke tekst.Imām Mālik heeft deze ḥadīth ook overgeleverd in al-Muwaṭṭaʾ, in dezelfde bewoording als al-Bukhārī.

64. Ṣaḥīḥ Muslim heeft deze ḥadīth in zijn Ṣaḥīḥ in verschillende overleveringen vermeld. De eerste overlevering is: Zoals de overlevering die bij Ṣaḥīḥ al-Bukhārī hierboven is vermeld. In deze versie wordt echter zowel het woord “yatanazzalu” (يتنزّل – “daalt geleidelijk neer”) als het woord “yanzilu” (ينزل – “daalt neer”) gebruikt. In één van de manuscripten van al-Bukhārī komt eveneens deze vorm voor.

De tweede ḥadīth:

65. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer het eerste derde deel van de nacht voorbij is, daalt Allāh neer naar de laagste hemel van de wereld en zegt: ‘Ik ben de Heerser over alles, Ik ben de Heerser over alles. Wie roept Mij aan, zodat Ik zijn smeekbede kan beantwoorden? Wie vraagt Mij, zodat Ik hem kan geven wat hij vraagt?

Wie vraagt Mij om vergeving, zodat Ik hem kan vergeven?”Hij blijft in deze toestand tot het aanbreken van de fajr-tijd (ochtendstond).

De derde ḥadīth:

66. Wanneer de helft van de nacht of twee derde van de nacht is verstreken, daalt Allāh (تعالى) neer naar de laagste hemel van de wereld en zegt: “Is er geen verzoeker die Mij iets wil vragen, zodat Ik hem kan geven tot het aanbreken van de fajr-tijd (ochtendstond)? Is er geen smekende wiens duʿāʾ zal worden verhoord? Is er niemand die om vergeving vraagt, zodat Ik hem kan vergeven?”

De vierde ḥadīth:

67. Allāh (تعالى) daalt neer naar de laagste hemel van de wereld en zegt: “Wie roept Mij aan, zodat Ik zijn duʿāʾ kan verhoren? Wie vraagt Mij, zodat Ik hem kan geven wat hij wil?” Vervolgens zegt Hij: “Wie leent aan iemand die noch arm noch onderdrukt is?”

De vijfde ḥadīth, er is hierin een toevoeging: 68. Vervolgens strekt Allāhu (تعالى), Wiens verhevenheid en majesteit buitengewoon groot zijn, Zijn Handen uit: ‘Wie leent aan iemand die noch arm noch onderdrukt is?”

De zesde ḥadīth:

69. “Allāh geeft uitstel totdat het eerste derde deel van de nacht is verstreken en daalt vervolgens neer naar de laagste hemel van de wereld en zegt: ‘Is er niemand die om vergeving vraagt? Is er niemand die tawbah verricht? Is er niemand die duʿāʾ doet?’ En Hij blijft zo tot het aanbreken van de fajr-tijd (ochtendstond).”

Sunan Abū Dāwūd heeft deze ḥadīth in deel 1, p. 364, in het hoofdstuk “Welke tijd van de nacht het meest verheven is” en in deel 4, p. 183, in het hoofdstuk “Ruʾyah (het zien van Allāh)” overgeleverd met dezelfde bewoordingen als in de overlevering van Ṣaḥīḥ al-Bukhārī.

Jāmiʿ at-Tirmidhī heeft deze ḥadīth in deel 1, p. 90, in het hoofdstuk “Allāh (عز وجل) daalt elke nacht neer naar de laagste hemel” als volgt overgeleverd: “Wanneer het eerste derde deel van de nacht is verstreken, daalt Allāh neer naar de laagste hemel van de wereld en zegt: ‘Ik ben de Heerser.Wie roept Mij aan, zodat Ik zijn duʿāʾ verhoor? Wie vraagt Mij, zodat Ik hem geef wat hij vraagt? Wie vraagt Mij om vergeving, zodat Ik hem vergeef?’ En Hij blijft in deze toestand tot het aanbreken van de dageraad” Abū ʿĪsā at-Tirmidhī heeft gezegd dat deze ḥadīth ḥasan ṣaḥīḥ is.

Uitleg van de ahādīth 52–71

Imām an-Nawawī heeft in zijn uitleg van deze ahādīth geschreven: “Deze hādīth behoren tot de ahādīth van de eigenschappen (ṣifāt)”. Over deze teksten bestaan twee bekende opvattingen, waarvan de uitleg reeds is vermeld in Kitāb al-Īmān. Samengevat kan men hier het volgende zeggen:

De eerste opvatting is die van de meerderheid van de salaf en van enkele theologen. Volgens deze opvatting is het juist dat de uiterlijke (ẓāhir) betekenis van de hier genoemde handelingen niet op Allāhu (تعالى) van toepassing is. Zelfs wanneer deze woorden met betrekking tot ons worden gebruikt, is niet hun letterlijke, uiterlijke (ẓāhir) betekenis bedoeld. Wij geloven dat Allāhu (تعالى) verheven is boven alle eigenschappen van de schepping, zoals verplaatsing, beweging en andere kenmerken van geschapen wezens. Tegelijkertijd onthouden wij ons ervan om uitspraken te doen over de ta’wīl (interpretatie) van dergelijke teksten.

De tweede opvatting is die van de meerderheid van de theologen en een groep van de salaf. Deze opvatting, die ook overgeleverd is van imâm Mālik en al-Awzāʿī, stelt dat de handelingen die met betrekking tot Allāh onmogelijk zijn, worden geïnterpreteerd naar gelang hun context. Binnen dit kader zijn de bovengenoemde ahādīth op twee manieren geïnterpreteerd (taʾwīl).

Eerste interpretatie: Mālik ibn Anas en anderen hebben het als volgt uitgelegd. Volgens hen betekent het “neerdalen van Allāh” dat Zijn genade, Zijn bevel of Zijn engelen neerdalen.

Tweede interpretatie: volgens deze uitleg is het “neerdalen” een metaforische (majāzī) uitdrukking. De betekenis daarvan is dat Allāh degenen die Hem aanroepen tegemoet treedt met het beantwoorden van hun duʿāʾ en met Zijn genade en gunst.

In de verschillende overleveringen van de ḥadīth wordt ook vermeld dat dit in het laatste derde deel van de nacht resteert, plaatsvindt. Qāḍī ʿIyāḍ vermeldt eveneens dat het mogelijk is dat zowel het neerdalen als de oproep “Wie roept Mij aan…” plaatsvindt wanneer het laatste derde deel van de nacht is aangebroken.

Imām an-Nawawī vervolgt zijn uitleg en schrijft: “Volgens mij is het ook mogelijk dat Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) op een bepaald moment een van de twee situaties heeft vermeld en dat hij die heeft doorgegeven (het eerste derde deel van de nacht), en op een ander moment de tweede situatie (de helft van de nacht of twee derde van de nach) heeft vermeld en die eveneens heeft doorgegeven aan de Ṣaḥābah. Abū Hurayrah (رضي الله عنه) heeft beide overleveringen uit het hoofd geleerd en doorgegeven.

Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) heeft eveneens de overlevering gehoord die betrekking heeft op het eerste derde deel van de nacht en die overgeleverd. In de laatste overlevering van Ṣaḥīḥ Muslim wordt vermeld dat Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) deze ḥadīth samen met Abū Hurayrah (رضي الله عنه) heeft overgeleverd. Dit is de meest voor de hand liggende verklaring.

In deze uitleg ligt een weerlegging van Qāḍī ʿIyāḍ, die de overlevering betreffende het eerste derde deel van de nacht als zwak beschouwde. Hoe kan hij die als zwak beschouwen, terwijl Ṣaḥīḥ Muslim deze met een authentieke keten (isnād) van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) en Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) heeft overgeleverd?

“En Hij blijft in deze toestand tot het aanbreken van de fajr-tijd (ochtendstond).” duidt erop dat de tijd van barmhartigheid en goddelijke gunst/weldaad voortduurt tot het aanbreken van de fajr-tijd (ochtendstond). Hierin ligt een aansporing om op elk moment binnen deze periode tot duʿāʾ en istighfār te verrichten. Tegelijk wordt ermee gewezen dat de ṣalāh, duʿāʾ en istighfār en andere vormen van ʿibādah die in het laatste deel van de nacht worden verricht, verdienstelijker zijn dan die in het eerdere of latere deel van de nacht.

Wat in de ḥadīth met “lening” wordt bedoeld, omvat in algemene zin elke vorm van ʿibādah en taʿah (gehoorzaamheid aan Allāh), zoals ṣadaqah (liefdadigheid), ṣalāh, ṣawm (vasten), dhikr en andere goede daden. Allāh (تعالى) noemt deze handelingen “lening” vanwege Zijn mooie omgang met Zijn dienaren en om hen aan te moedigen tot het goede.

Een lening is iets waarvan de lener weet dat hij het zal moeten teruggeven. Tussen de lener en de uitlener ontstaat daardoor een band van vertrouwdheid en genegenheid.

Wanneer er om een lening wordt gevraagd, voelt degene aan wie dit verzoek wordt voorgelegd zich vereerd dat hij als geschikt wordt gezien om te kunnen uitlenen, en daarom geeft hij de lening. Met de woorden “vervolgens strekt Allāh Zijn Handen uit” wordt verwezen naar de uitbreiding van Zijn barmhartigheid, de overvloed van Zijn goedheid en de vermeerdering van Zijn zegeningen.

De ḥadīth: “O zoon van Ādam, zolang jij Mij aanroept en op Mij hoopt, zal Ik jou vergeven”

Jāmiʿ at-Tirmidhī heeft in het hoofdstuk “De verdienste van tawbah en istighfār” de volgende ḥadīth overgeleverd:

72. Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), hij zei: “Ik hoorde Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: Allāh heeft gezegd: ‘O zoon van Ādam, zolang jij Mij aanroept en je hoop op Mij vestigt, zal Ik jouw zonden vergevenn ogacht met welke intentie jij dat hebt gedaan.O zoon van Ādam, al zouden jouw zonden zich opstapelen tot aan de hemel en jij daarna Mijn vergeving vraagt, dan zal Ik je vergeven en geen acht slaan op je zonden.” O zoon van Ādam, als jij tot Mij komt met zonden die de gehele aarde zouden vullen, maar Mij ontmoet zonder iets of iemand als deelgenoot aan Mij toe te kennen (zonder shirk), dan zal Ik jou tegemoetkomen met een even grote hoeveelheid vergeving.”

Uitleg van de 72ste ḥadīth

O zoon van Ādam, zolang jij tawbah blijft verrichten voor je zonden, Allāh om vergeving blijft vragen en een goede verwachting (ḥusn al-ẓan) van Allāh behoudt, zoals Hij Zijn dienaren heeft beloofd dat Hij de tawbah van degenen die berouw tonen accepteert, en jij blijft duʿāʾ doen, om vergeving smeken voor je zonden en hoop houdt op de aanvaarding van je duʿāʾ, zal Allāhu (تعالى) al jouw zonden vergeven.“Ongeacht in welke toestand jij de zonde hebt begaan, of het nu uit onachtzaamheid (ghaflah) of uit vergeetachtigheid is geweest. Ik geef geen aandacht aan iemand die Mij ter verantwoording roept en vraagt: ‘Waarom hebt U die persoon vergeven?’ Want Ik word niet ter verantwoording geroepen over wat Ik doe.Zoals Allāh (تعالى) zegt in de Qurʾān:لَا يُسۡـَٔلُ عَمَّا يَفۡعَلُ وَهُمۡ يُسۡـَٔلُونَ ٢٣Hij kan niet ondervraagd worden over wat Hij doet, terwijl zij ondervraagd zullen worden. (Anbiyāʾ 21:23)Allāh zegt ook dat Hij in Zijn Boek heeft vermeld: إِنَّ ٱلۡحَسَنَٰتِ يُذۡهِبۡنَ ٱلسَّيِّـَٔاتِۚ Waarlijk, de goede daden verwijderen de slechte daden. (Hūd 11:114)En wanneer jij zonden begaat en daarna niet tot Mij terugkeert om vergiffenis te vragen (istighfār), dan is juist het terugkeren tot Mij en het vragen om vergeving op zichzelf al de beste vorm van goede daad, en het wist de slechte daden uit.

Zoals Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Wanneer je een slechte daad verricht, volg die dan onmiddellijk op met een goede daad die haar uitwist.”“O zoon van Ādam, zelfs als jouw zonden, in omvang en aantal, zich zouden uitstrekken tussen de hemel en de aarde en tot aan de uiteinden van de hemel zouden reiken, en jij daarna om vergeving vraagt, spijt hebt van wat je hebt gedaan en tawbah verricht, dan zal Ik daar geen acht op slaan, en niemand kan Mij daarin tegenhouden; Ik zal jouw zonden vergeven. Want Ik doe wat Ik wil.

Dit heb Ik uit Mijn eigen gunst (faḍl) en barmhartigheid beloofd, en Ik verbreek Mijn belofte niet.O zoon van Ādam, als jij tot Mij komt met zonden en fouten die de aarde zouden vullen, maar standvastig blijft op het pad van de tawḥīd en Mij niets of niemand als deelgenoot toekent (geen shirk pleegt), dan zal Ik jou tegemoetkomen met een even grote vergeving, of met een hoeveelheid vergeving die al jouw fouten en zonden uitwist. Mijn vergeving zal op de weegschaal zwaarder wegen dan jouw zonden en ze volledig bedekken, zodat er geen enkele zonde overblijft die een bestraffing noodzakelijk maakt.In deze ḥadīth is er een grote hoop, een blijde tijding voor degenen die tawbah verrichten, en een aansporing om mensen aan te moedigen tot tawbah, een goede hoop en het vasthouden aan het geloof in de tawḥīd.Voor de mu’min is het in de regel het beste dat de kant van vrees (khawf) zwaarder weegt dan de kant van hoop (rajā’). Wanneer echter de ouderdom aanbreekt of ziekte zich aandient, is het beter dat de hoop (rajā’) (op de barmhartigheid en vergeving van Allāh) de overhand krijgt boven de vrees (khawf).

Overleveringen met betrekking tot de nacht van de vijftiende van de maand Shaʿbān

Ibn Mājah heeft in zijn Sunan, deel 1, blz. 217, in het hoofdstuk “Overleveringen met betrekking tot de nacht van de vijftiende van Shaʿbān”, de volgende ḥadīth overgeleverd: 73. VanʿAlī ibn Abī Tālib (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Wanneer de nacht van de vijftiende van Shaʿbān aanbreekt, verricht dan in die nacht de ṣalāh en vast gedurende de daaropvolgende dag. Want Allāh (تعالى) daalt op die dag vanaf zonsondergang neer naar de hemelse wereld en zegt, totdat de dageraad aanbreekt: ‘Is er iemand die om vergeving vraagt, zodat Ik hem kan vergeven? Is er iemand die om voorziening (rizq) vraagt, zodat Ik hem daarvan kan voorzien? Is er iemand die getroffen is door een beproeving, zodat Ik hem welzijn kan schenken? Is er zo iemand (die dit vraagt?), is er zo ieman (die dit vraagt?)”

In al-Zawāʾid is gesteld dat de keten (isnād) van deze ḥadīth zwak is, omdat een van de overleveraars, namelijk Abū Busrah ibn ʿAbdullāh ibn Muḥammad Abī Busrah, een zwakke overleveraar is. Aḥmad ibn Ḥanbal en Yaḥyā ibn Maʿīn hebben verklaard dat deze persoon ḥadīths placht te verzinnen.

Uitleg van de 73ste ḥadīth

Deze ḥadīth toont de verdienste van de nacht van de vijftiende van Shaʿbān, van het verrichten van de ṣalāh in die nacht en vast gedurende de daaropvolgende dag. Het is mustaḥab (aanbevolen) om te vasten op de dag die volgt op die nacht.Deze ḥadīth laat tevens zien hoe overvloedig de barmhartigheid, goedgunstigheid en weldaden van Allāhu (تعالى) zijn jegens Zijn dienaren die duʿāʾ verrichten, om vergeving (maghfirah) vragen en tawbah tonen.

Deze gezegende nacht behoort tot de tijden van goedheid. In deze nacht verspreiden de golven van barmhartigheid zich. Het meest gepaste voor de dienaar is om deze golven van barmhartigheid van Allāhu (تعالى) tegemoet te treden met duʿā’, istighfār (het vragen om vergeving) en tawbah van zijn zonden.O Allah, schenk ons succes schenken in datgene waarmee U tevreden bent. Āmīn.

7. De liefde van Allahu (تعالى) voor Zijn dienaar en de invloed daarvan op de liefde van de schepselen tegenover hem

De ḥadīth: “Wanneer Allāh een dienaar liefheeft, roept Hij Jibrīl…”al-Bukhārī heeft deze ḥadīth overgeleverd in Kitāb Badʾ al-Khalq, deel 4, blz. 111, in het hoofdstuk “De gedenking (dhikr) van de engelen”:

74. Van Muḥammad ibn Salām, van Makhlad van Ibn Jurayj, van Mūsā ibn ʿUqbah, van Nāfiʿ, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd, en via een andere overleveringsweg heeft ook Abū ʿĀṣim van Ibn Jurayj overgeleverd, terwijl de overige overleveraars dezelfde zijn: “Wanneer Allāh een dienaar liefheeft, roept Hij Jibrīl (عليه السلام) en zegt: ‘Voorwaar, Allāh houdt van die en die, houd jij daarom ook van hem.’ Daarop houdt Jibrīl van hem en roept vervolgens de bewoners van de hemel toe: ‘Allāh houdt van die en die, houd daarom ook van hem.’ Dan houden de bewoners van de hemel van hem, waarna voor hem aanvaarding, genegenheid en eerbied worden gelegd in de harten van de bewoners van de aarde.”

75. al-Bukhārī heeft deze ḥadīth ook overgeleverd in Kitāb al-Adab, deel 8, blz. 14, in het hoofdstuk “Allahs liefde”.De bewoording van de ḥadīth is hier hetzelfde als de eerder genoemde versie. Alleen is hier in plaats van de uitdrukking “fī al-arḍ” (op aarde) de uitdrukking “fī ahli al-arḍ” (onder de bewoners van de aarde) gebruikt.

76.Deze ḥadīth is door al-Bukhārī eveneens letterlijk vermeld in Kitāb al-Tawḥīd.De tekst van de ḥadīth “Wanneer Allāh een dienaar liefheeft” is zoals hierboven vermeld.

Imām Muslim heeft deze ḥadīth overgeleverd in Kitāb al-Bir wa as-Ṣilah, deel 10, blz. 63 (volgens de marginale aantekening van al-Qasṭallānī), in het hoofdstuk: “Wanneer Allāh een dienaar liefheeft, maakt Hij hem geliefd bij Zijn dienaren”.

77.

Van Zuhayr ibn Ḥarb, van Jarīr, van Suhayl ibn Abī Ṣāliḥ, van zijn vader, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Wanneer Allāh een dienaar liefheeft, roept Hij Jibrīl (عليه السلام) en zegt: ‘Voorwaar, Ik houd van die en die, houd jij daarom ook van hem.”Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei vervolgens: “Daarop houdt Jibrīl van hem en roept hij in de hemel: ‘Allāh houdt van die en die, houd daarom ook van hem.’ Dan houden de bewoners van de hemel van hem. Vervolgens wordt in de harten van degenen op aarde een gevoel van genegenheid voor hem geplaatst. En wanneer Allāh een dienaar verafschuwt, roept Hij Jibrīl (عليه السلام) en zegt: ‘Ik verafschuw die en die, verafschuw jij hem daarom ook.’ Daarop verafschuwt Jibrīl hem, waarna hij onder de bewoners van de hemel uitroept: ‘Allāh verafschuwt die en die, verafschuw hem daarom ook.’ Vervolgens verafschuwen de bewoners van de hemel hem ook. Daarna wordt onder de bewoners van de aarde een gevoel van vijandigheid tegenover hem geplaatst.”

Imām Mālik heeft deze ḥadīth overgeleverd in al-Muwaṭṭaʾ, op blz. 209 van het tweede deel van de marginale aantekening van Maṣābīḥ al-Sunnah, in het hoofdstuk: “Overleveringen betreffende degenen die elkaar liefhebben omwille van Allāh”.

78. Van Mālik, van Suhayl ibn Abī Ṣāliḥ, van zijn vader, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Wanneer Allāh een dienaar liefheeft, zegt Hij tegen Jibrīl (عليه السلام): ‘Ik heb die en die lief, houd jij daarom ook van hem.’ Daarop houdt Jibrīl van hem en roept onder de bewoners van de hemel: ‘Allāh houdt van die en die, houd daarom ook van hem.’ Vervolgens houden de bewoners van de hemel van hem.

Daarna wordt voor deze persoon onder de bewoners van de aarde een gevoel van genegenheid geplaatst.”

Daarna zei Imām Mālik: “Wat betreft degene voor wie afkeer bestaat: ik herinner mij de exacte bewoordingen niet meer, maar ik meen dat er een soortgelijke uitspraak is overgeleverd met betrekking tot degene die door Allāhu (تعالى) wordt verafschuwd.

79.Al-Tirmidhī (رحمه الله) heeft deze ḥadīth overgeleverd in deel 2, blz. 198, in het hoofdstuk over Sūrah Maryam: Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Wanneer Allāh een dienaar liefheeft, roept Hij Jibrīl en zegt: ‘Ik houd van die en die, houd jij daarom ook van hem.’ Vervolgens maakt Jibrīl (عليه السلام) dit bekend in de hemel, waarna onder de bewoners van de aarde liefde voor hem wordt neergelegd. Deze betekenis bevindt zich in de volgende āyah van Allahu (تعالى):إِنَّ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَعَمِلُواْ ٱلصَّٰلِحَٰتِ سَيَجۡعَلُ لَهُمُ ٱلرَّحۡمَٰنُ وُدّٗا ٩٦Waarlijk, degenen die geloven en goede daden verrichten, de Weldadige (ar-Raḥmān) zal hen liefde geven. (Maryam 19:96)En wanneer Allāh een dienaar verafschuwt, roept Hij Jibrīl en zegt: ‘Ik verafschuw die en die.’ Vervolgens maakt Jibrīl dit bekend in de hemel, waarna op aarde afkeer tegenover hem wordt neergelegd.” Abū ʿĪsā al-Tirmidhī heeft gezegd dat deze ḥadīth ḥasan ṣaḥīḥ is.

Uitleg van de ahādīth 74-79.

Al-Nawawī schrijft: “Onze geleerden zeggen: De liefde van Allāhu (تعالى) voor een dienaar betekent dat Hij voor hem het goede (khayr) en leiding (hidayah) wenst en Zijn gunsten (ni`mah) en barmhartigheid (raḥmah) voor hem vermeerdert. Zo wil Hij niet dat die persoon wordt bestraft, noch dat hij in ellende en rampspoed (shaqāwah) terechtkomt.

Wat betreft de liefde van Jibrīl en de engelen, deze kan op twee manieren worden opgevat:Ten eerste: dat zij voor hem om vergeving vragen, voor hem duʿāʾ verrichten en hem prijzen.

Ten tweede: dat zij een oprechte liefde ontwikkelen die onder de schepselen bekend is, namelijk een toestand waarin hun hart naar hem neigt en zij genegenheid voor hem voelen. De reden dat zij hem op deze wijze liefhebben, is zijn gehoorzaamheid aan Allāhu (تعالى) en het feit dat hij bij Allāh geliefd is.

De uitspraak: ‘”Onder de bewoners van de aarde een gevoel van genegenheid neergelegd” betekent dat in de harten van de mensen liefde en welbehagen jegens hem worden geplaatst. De harten neigen naar hem en zijn tevreden met hem.”Er is overgeleverd dat Suhayl ibn Ṣāliḥ zei: “Wij bevonden ons tijdens het haj-seizoen in ʿArafāt toen ʿUmar ibn ʿAbd al-ʿAzīz langs ons liep. De mensen stonden op en begonnen naar hem te kijken.Ik zei: ‘O vader, o vader, ik zie dat Allāhu (تعالى) ʿUmar ibn ʿAbd al-ʿAzīz liefheeft.’ Mijn vader vroeg: ‘Waarom?’ Ik antwoordde: ‘Vanwege de liefde die de mensen voor hem in hun harten hebben.’Daarop zei hij: ‘Moge mijn vader en moeder opgeofferd worden voor hem, ik heb Abū Hurayrah (رضي الله عنه) horen zeggen…’ waarna hij de hierboven genoemde ḥadīth overleverde.”

8. De straf voor vijandigheid tegenover Allahs geliefde dienaren en de meest verheven daden die iemand dichter bij Allāhu Ta`ala brengen

De ḥadīth: “Wie vijandigheid toont tegenover een vriend van Mij, dan verklaar Ik hem de oorlog.”

al-Bukhārī heeft deze ḥadīth overgeleverd in deel 8, blz. 105, in het hoofdstuk over nederigheid:80. Van Muḥammad ibn ʿUthmān ibn Karāmah, van Khālid ibn Makhlad, van Sulaymān ibn Bilāl, van Sharīk ibn ʿAbdullāh ibn Abī Namir, van ʿAṭā’, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Wie vijandigheid toont tegenover een van Mijn awliyā’ (geliefde dienaren), dan verklaar Ik hem de oorlog. Mijn dienaar kan Mij niet benaderen met een handeling dat Mij geliefder is dan de daden die Ik hem verplicht (fard) heb gesteld. En Mijn dienaar blijft Mij naderen met nawāfil -`amāl (vrijwillige daden) totdat Ik van hem houd. Wanneer Ik van hem houd, word Ik zijn gehoor waarmee hij hoort, zijn zicht waarmee hij ziet, zijn hand waarmee hij grijpt en zijn voet waarmee hij loopt.Als hij Mij iets vraagt, zal Ik hem geven; en als hij zijn toevlucht bij Mij zoekt, zal Ik hem beschermen. Voor het leven van Mijn mu’min dienaar aarzel Ik nergens zozeer over als bij het nemen van zijn rûh. En terwijl hij de dood niet wenst, wens Ik evenmin dat hij door (hoge) ouderdom in een slechte toestand terechtkomt”.

Uitleg van de 80ste ḥadīth

Een walī (Allahs geliefde dienaar) is iemand die de aanbidding van Allāh op juiste wijze vervult en die zijn daden van aanbidding consequent verricht, zonder tussendoor in ongehoorzaamheid te vervallen. Om als walī beschouwd te worden, is het noodzakelijk dat iemand zowel zijn dienaarschap vervult als zich onthoudt van zonden.

Zoals het noodzakelijk is dat de anbiyā onfeilbaar (maʿṣūm) zijn, zo geldt dat de awliyā’ beschermd (maḥfūẓ) zijn. Iemand die bezwaar maakt tegen de sharīʿah is in werkelijkheid bedwelmd door hoogmoed en bedriegt zichzelf.

Al-Qushayrī zegt: de bescherming (maḥfūẓ) van de walī betekent dat als hij een misstap of fout begaat, Allāhu (تعالى) hem niet in die toestand laat voortbestaan. Wanneer hij in een fout vervalt, inspireert Allāh hem tot tawbah, waarna hij berouw toont, en dit doet geen afbreuk aan zijn walāyah (zijn behoren tot de geliefde dienaren van Allāh).

Met betrekking tot de uitspraak van Allāhu (تعالى) “Ik verklaar hem de oorlog”, zegt al-Faqihānī: hierin zit een krachtige metaforische betekenis. Want wie een hekel heeft aan iemand die Allāh liefheeft, gaat daarmee in tegen Allāh; en wie tegen Allāh ingaat, komt tegenover Hem te staan. En Allāh richt, degene die tegenover Hem komt te staan, ten onder.

Dit toont ook aan dat vijandschap tegen de awliyā’ van Allāh ertoe leidt dat iemand zich in een toestand plaatst waarin hij Allahs vijandschap over zichzelf afroept. Tegelijkertijd laat het zien dat het liefhebben van de awliyā’ van Allāh een reden is om Allahs liefde te verkrijgen.

De uitspraak van Allāhu (تعالى) “Ik word zijn zicht, zijn gehoor, enz.” heeft een metaforische betekenis. Dit betekent dat Allāhu (تعالى) Zijn dienaar bij elk van zijn ledematen zal bijstaan, en dat die dienaar met al zijn ledematen de hulp van Allāh zal ontvangen.

Er is ook gezegd dat de betekenis als volgt is: die dienaar hoort dan alleen nog datgene wat verband houdt met Mijn herinnering (dhikr). Hij vindt zoetheid in Mijn woorden en in het lezen van Mijn Boek. Hij vindt innerlijke rust alleen in het smeken tot Mij (munājāt), en hij richt zijn blik slechts op de buitengewone tekenen van Mijn koninkrijk (malakūt). Hij strekt zijn hand slechts uit naar datgene waar Ik tevreden mee ben, en met zijn voeten gaat hij alleen naar plaatsen die in overeenstemming zijn met Mijn welbehagen (riḍā). Deze uitleg is door al-Faqihānī naar voren gebracht.

al-Ittiḥādiyyah hebben gezegd dat dit op de werkelijke (ḥaqīqī) manier zo is. Zij hebben als bewijs aangevoerd dat Jibrīl (عليه السلام) in de gedaante van Diḥyah al-Kalbī kwam, en hebben op basis daarvan gesteld dat de Waarheid (al-Ḥaq) het oog van de dienaar is.

Quṭb al-Dīn al-Qasṭallānī heeft een zeer welsprekende verhandeling geschreven om de beweringen van degenen die deze visie aanhangen te weerleggen. Moge Allāhu (تعالى) hem overvloedige beloning schenken.Abû ʿUthmān al-Jīrī, een van de imams van de mensen van het hart (ahl al-qulūb), heeft, zoals door al-Bayhaqī overgeleverd, deze kwestie als volgt uitgelegd: Allāhu (تعالى) bedoelt hiermee dat Hij de behoeften van Zijn dienaar sneller hoort dan zijn oor, sneller ziet dan zijn oog, sneller grijpt dan zijn hand en sneller bereikt en vervult dan zijn voeten hem naar die behoeften kunnen brengen.

Aan het einde van de ḥadīth, waar Allāhu (تعالى) zegt: “Voor het leven van Mijn mu’min dienaar ...”, zegt Junayd: “De benauwdheid van de mu’min verwijst naar de pijn en het lijden dat hij ervaart op het moment van zijn dood. Met deze uitspraak wordt niet bedoeld dat Allāhu (تعالى) de dood voor Zijn mu’min dienaar onaangenaam maakt, want de dood brengt de mens juist over naar de barmhartigheid en vergeving van Allāh.Anderen hebben gezegd dat het gaat om de pijn die ontstaat door het scheiden van de rûh van het lichaam. Allāhu (تعالى) wil niet dat Zijn mu’min dienaar lijden ervaart, en daarom wordt deze toestand beschreven als iets dat Hem niet behaagt.”

Er is ook gezegd dat de afkeer kan worden begrepen met betrekking tot een lang leven, omdat een lang leven iemand kan brengen in een toestand van zwakte, afhankelijkheid en omgang met incapabele en zwakke mensen.In deze ḥadīth ligt eveneens een aanwijzing voor de eer van de awliyā’ van Allāh en de hoge rang die zij bij Hem hebben. Want als Allāhu (تعالى) de dood niet als een vastgestelde beschikking voor Zijn dienaren had bepaald, dan zou Hij Zijn geliefde dienaren niet laten sterven.

De ‘aarzeling (taraddud) (van de dienaar) drukt deze betekenis eveneens uit. Het is zoals een dienaar die verdriet ervaart over iemand van wie hij veel houdt, wanneer hij een noodzakelijke handeling moet verrichten. Wanneer hij naar het verdriet kijkt, zou hij die handeling willen nalaten, maar vanwege het voordeel dat eruit voortkomt, is hij toch verplicht die te verrichten. Hij geeft dan de voorkeur aan de kant van het voordeel. De toestand van zijn hart tegenover zo’n handeling kan worden beschreven als “aarzeling”.

Allāhu (تعالى) heeft tot Zijn dienaren gesproken in een taal die zij kunnen begrijpen, zodat zij de zaken kunnen bevatten. Daarmee heeft Hij ook de hoge eer en de verheven rang van Zijn geliefde dienaren (awliyāʾ) bij Hem verduidelijkt.[Al-Ittiḥādiyyah: een mystieke stroming binnen sommige extreme vormen van sufisme die geassocieerd wordt met het idee van waḥdat al-wujūd (de “eenheid van het bestaan”)]

9.Overleveringen over dat het vrezen van Allāhu Ta`ala en het vermijden van Zijn toorn oorzaak zijn van vergeving van zonden

De ḥadīth over “de man die zijn familie vroeg hem te verbranden na zijn dood”

al-Bukhārī heeft deze ḥadīth overgeleverd in zijn Ṣaḥīḥ, Kitāb Badʾ al-Khalq, deel 4, blz. 169, in het hoofdstuk “Wat is gezegd over de zonen van Israël”:

81. Van Mūsā ibn Ismāʿīl, van Abū ʿAwānah, van ʿAbd al-Malik, van Ribʿī ibn Ḥirāsh: aanʿUqbah ibn ʿAmr aan Ḥudhayfah (رضي الله عنه) werd gevraagd: “Zou je ons niet vertellen wat je van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) hebt gehoord?”Hij zei: “Ik hoorde Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zeggen: ‘Wanneer de Dajjāl verschijnt, zal hij met zich water en vuur meebrengen. Wat de mensen als vuur zien, is in werkelijkheid koud (en zoet) water, en wat zij als koud water zien, is in werkelijkheid brandend vuur. Wie van jullie hem tegenkomt, laat hem nemen wat hij als vuur ziet, want dat is zoet en koud water.”Ḥudhayfah zei: “Ik heb ook Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) horen zeggen: ‘Onder degenen die vóór jullie leefden, was een man. Toen de Engel des Dood tot hem kwam om zijn rûh te nemen, werd hem gevraagd: “Heb jij ooit een goede daad verricht?” Hij zei: “Ik weet het niet.” Er werd tegen hem gezegd: “Kijk goed.” Hij zei: “Ik weet niets anders dan dat ik met mensen handel dreef. Bij het innen van schulden stond ik de rijke respijt toe, maar schold ik de arme zijn schuld kwijt.” Allāh liet hem daarop Jannah binnengaan.”Ḥudhayfah heeft ook van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) gehoord dat hij het volgende vertelde: “Een man stond op het punt te sterven en verloor alle hoop op het leven. Hij beval zijn familie: ‘Wanneer ik sterf, verzamel veel hout en steek daar een vuur in aan. Verbrand mij daarin totdat mijn vlees is opgebrand en mijn botten zichtbaar en verbrand zijn. Neem daarna mijn botten, vermaal ze tot poeder en wacht op een winderige dag. (Toen die dag aanbrak) werd zijn wil uitgevoerd: zijn as werd in de wind gestrooid.’Zijn familie deed wat hij had opgedragen.Allāhu (تعالى) bracht die uiteengevallen delen weer bijeen en vroeg: ‘Waarom heb je dit gedaan?’Hij antwoordde: ‘Vanwege mijn vrees voor U.’Daarop vergaf Allāh hem.”ʿUqbah ibn ʿAmr zei: “(Ik herinner mij ook) dat hij zei dat deze man een grafrover was.”

Uitleg van de 81ste ḥadīth

Het feit dat de Dajjāl water laat zien als vuur en als water, komt doordat hij een middel van fitnah (beproeving en misleiding) voor de mensen is. Allāhu (تعالى) zal uiteindelijk zijn onmacht blootleggen en hem vernederen.

Ik zeg: de ahādīth over de Dajjāl zijn authentiek. Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zocht vaak toevlucht bij Allāhu (تعالى) tegen de fitnah van de Dajjāl. Het is niet juist om dit te ontkennen; wij geloven hierin als onderdeel van het onzichtbare (ghayb) en laten de vraag hoe dit precies is en wanneer hij zal verschijnen over aan Allāhu (تعالى).

al-Bukhārī heeft in Kitāb Badʾ al-Khalq, deel 4, blz. 176, verschillende aḥadīth over dit onderwerp vermeld:

82. Van Abū al-Walīd, van Abū ʿAwānah, van ʿUqbah ibn ʿAbd al-Ghafir, van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Onder degenen die vóór jullie leefden was een man aan wie Allāh veel rijkdom had gegeven. Toen de dood hem naderde, vroeg hij aan zijn kinderen: ‘Wat voor een vader was ik voor jullie?’Zij zeiden: ‘Je was een goede vader.’Hij zei: “Integendeel, ik heb nooit enige goede daad verricht. Wanneer ik sterf, verbrand/cremeer mij dan, maal mijn verbrande resten fijn en verstrooi ze op een winderige dag.”Zijn kinderen deden wat hij had opgedragen.Allāhu (تعالى) bracht die uiteengevallen delen weer bijeen en vroeg: ‘Wat heeft jou ertoe gebracht dit te doen?’Hij antwoordde: ‘Uit vrees voor U.’Daarop behandelde Allāh hem met Zijn barmhartigheid.”

Nog een andere ḥadīth van al-Bukhārī:83. Van Musaḍdad, van Abū ʿAwānah, van ʿAbd al-Malik ibn ʿUmayr,van Ribʿī ibn Ḥirāsh, ʿUqbah (ibn ʿAmr al-Anṣārī) vroeg aan Ḥudhayfah (رضي الله عنه): “Zou je ons niet vertellen wat je van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) hebt gehoord?”Hij zei: “Ik hoorde Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Een man werd door de dood getroffen. Toen hij alle hoop op het leven had verloren, beval hij zijn familie: “Wanneer ik sterf, verzamel veel hout, steek een vuur aan en werp mij daarin, zodat mijn vlees verbrand wordt en mijn botten zichtbaar worden.

Vermaal vervolgens mijn botten en verstrooi mij op een hete of winderige dag in de zee.”Zijn familie deed wat hij had bevolen.Allāhu (تعالى) bracht die uiteengevallen delen weer bijeen en vroeg: ‘Waarom heb je dit gedaan?’Hij antwoordde: ‘Uit vrees voor U.’Daarop vergaf Allāh hem.”

Nog een ḥadīth van al-Bukhārī:

84. Van ʿAbdullāh ibn Muḥammad, van Hishām, van Maʿmar, van al-Zuhrī, van Ḥumayd ibn ʿAbd al-Raḥmān, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Er was een man die zichzelf onrecht had aangedaan. Toen zijn dood naderde, zei hij tegen zijn zonen: ‘Wanneer ik sterf, verbrand mij dan, vermaal wat van mij overblijft en verstrooi het in de wind. Bij Allāh, als mijn Rab mij bestraft, zal Hij mij zeker straffen op een wijze waarop Hij niemand anders heeft gestraft.’Toen hij gestorven was, werd gedaan wat hij had bevolen.Allāhu (تعالى) gaf vervolgens de aarde het bevel: ‘Breng de uiteengevallen delen weer bijeen die zich in jou bevinden.’De aarde bracht ze daarop bijeen.Toen de man opstond, vroeg Allāhu (تعالى) hem: ‘Wat heeft jou ertoe gebracht dit te doen?’De man antwoordde: ‘O mijn Rab, vrees voor U heeft mij daartoe gebracht.’Daarop vergaf Allāh hem.”

Een andere overleveraar dan Abū Hurayrah (رضي الله عنه) heeft hier in plaats van het woord “khashyatuka” het woord “makhāfatuka” gebruikt.

Nog een ḥadīth in al-Bukhārī, deel 9, blz. 145, in het hoofdstuk: يُرِيدُونَ أَن يُبَدِّلُواْ كَلَٰمَ ٱللَّهِۚ...Zij willen Allāh’s woorden veranderen...” (Fatḥ, 48:15)

85. Van Ismāʿīl, van Mālik, van Abū al-Zinād, van al-Aʿraj, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Een man die tijdens zijn leven nooit enige goede daad had verricht, zei toen hij op het punt stond te sterven dat hij verbrand moest worden en dat de helft van zijn as over het land en de andere helft over de zee moest worden verstrooid. Hij zei dat, als Allāh hem zou bestraffen, Hij hem zou bestraffen op een wijze waarop geen enkel schepsel ooit eerder was bestraft.Allāhu (تعالى) beval de zee om de verspreide delen van die man die daarin waren samen te brengen, en zij bracht ze bijeen. Vervolgens gaf Hij hetzelfde bevel aan het land, en ook dat bracht de delen samen.Vervolgens vroeg Hij aan de man: ‘Waarom heb je dit gedaan?’De man antwoordde: ‘U weet dat ik dit deed uit vrees voor U.’Daarop vergaf Allāh hem.”

al-Bukhārī heeft ook via een overleveringsketen die teruggaat naar Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) de volgende ḥadīth vermeld:

86. Van Abū ʿAbdullāh ibn Abī al-Aswad, van Muʿtamir, e van Abū Sulaymān al-Taymī, van Qatādah, van ʿUqbah ibn ʿAbd al-Ghāfir, van Abū Saʿīd (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Onder de vroegere gemeenschappen was er een man aan wie Allāh rijkdom en kinderen had gegeven.

Toen de dood tot hem kwam, vroeg hij aan zijn zonen: ‘Wat voor vader ben ik voor jullie geweest?’

Zij antwoordden: ‘U was een goede vader.’

Hij zei: ‘Integendeel, ik heb geen enkele daad verricht die bij Allāh als goed geldt. Als Allāh deze man grijpt, zal Hij hem bestraffen. Luister: wanneer ik sterf, verbrand mij dan. Wanneer ik tot houtskool ben geworden, maal mijn resten fijn en verstrooi ze op een dag met een hevige wind.’

Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei vervolgens: ‘Bij mijn Rab, hij liet zijn kinderen hierover een plechtige belofte afleggen.’

Zijn kinderen deden wat hij had opgedragen en verstrooiden zijn resten in de wind.

Daarop beval Allāhu (تعالى) hem: ‘Wees!’ en onmiddellijk stonden die verspreide delen weer op als een man.

Allāhu (تعالى) zei: ‘O Mijn dienaar, wat bracht jou ertoe dit te doen?’

De man antwoordde: ‘Uw vrees,’ of: ‘Uw toorn.’

Daarop behandelde Allāh hem uitsluitend met Zijn barmhartigheid.”

En in een andere overlevering zei hij: “Allāh behandelde hem met niets anders dan (barmhartigheid).”

Sulaymān al-Taymī zei: “Toen ik deze ḥadīth aan Abū ʿUthmān ʿAbd al-Raḥmān al-Nahdī vertelde, zei hij: ‘Ik heb deze ḥadīth ook van Salmān (رضي الله عنه) gehoord, behalve dat hij daaraan toevoegde: “zij verstrooiden zijn resten in de zee.”’”

Mūsā gebruikte in zijn overlevering van Muʿtamir de uitdrukking “lam yabtaʾir”, wat betekent: “hij verrichtte geen goede daden”. In de overlevering van Khalīfah van Muʿtamir komt dit woord voor als “lam yabtaʾiz”. Qatādah heeft dit uitgelegd met: “lam yaddakhir”, dat wil zeggen: “hij had vooraf geen beloning of goede daden voor zichzelf voorbereid.”

Muslim heeft deze ḥadīth eveneens in zijn Ṣaḥīḥ overgeleverd, volgens de uitleg van al-Qasṭallānī, deel 10, blz. 184, met zijn overleveringsketen.

De overlevering luidt als volgt:

87. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd:

“Een man overschreed de grenzen en deed zichzelf zwaar onrecht aan. Toen de dood hem naderde, gaf hij zijn zonen de volgende opdracht: ‘Wanneer ik sterf, verbrand mij dan, vermaal mijn resten en verstrooi ze in de zee. Want als Allāh mij grijpt, zal Hij mij bestraffen op een wijze waarop Hij niemand anders heeft bestraft.’

Zijn zonen deden wat hij had opgedragen.

Daarop gaf Allāh de aarde het bevel: ‘Geef terug wat je genomen hebt.’

En plotseling stond de man weer op.

Allāhu (تعالى) vroeg hem: ‘Wat bracht jou ertoe dit te doen?’

De man antwoordde: ‘Uw vrees, o mijn Rab!’

(De overleveraar twijfelde hier tussen de woorden “khashyah” en “makhāfah”; beide betekenen “vrees”.)

Daarop vergaf Allāh hem.

Al-Nasāʾī heeft deze ḥadīth ook opgenomen in zijn Sunan, deel 4, blz. 112-113, met twee verschillende overleveringen: één van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) en één van Ḥudhayfah ibn al-Yamān (رضي الله عنه).

88. De overlevering van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), hij hoorde Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Een dienaar overschreed de grenzen en deed zichzelf zwaar onrecht aan. Toen zijn dood naderde, zei hij tegen zijn familie: ‘Wanneer ik sterf, verbrand mij dan en verstrooi vervolgens mijn verbrande resten in de wind boven de zee. Bij Allāh, als Allāh mij onder handen neemt, zal Hij mij bestraffen op een wijze waarop Hij niemand van Zijn schepselen heeft bestraft.’

Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei vervolgens: ‘Zijn familie deed wat hij had opgedragen. Daarop gaf Allāh ieder schepsel dat een deel van hem bij zich had het bevel: “Geef terug wat je genomen hebt.” Meteen stond de man weer op.’

Allāhu (تعالى) vroeg hem: ‘Wat bracht jou ertoe dit te doen?’

Hij antwoordde: ‘Uw vrees.’

Daarop vergaf Allāh hem.”

De ḥadīth van al-Nasāʾī: Vann Ḥudhayfah ibn al-Yamān (رضي الله عنه) luidt als volgt:

89. Van Ḥudhayfah (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Onder degenen die vóór jullie leefden was een man die vanwege zijn daden in wanhoop was geraakt. Toen de dood hem naderde, zei hij tegen zijn familie: ‘Wanneer ik sterf, verbrand mij dan, vermaal wat van het vuur overblijft van mij en verstrooi het daarna in de zee. Want als Allāhu (تعالى) mij onder handen neemt, zal Hij mij niet vergeven.’

Allāhu (تعالى) gaf daarop de engelen bevel zijn rûh naar Zich te brengen.

Allāh vroeg hem: ‘Wat bracht jou ertoe dit te doen?’

De man antwoordde: ‘O mijn Rab, ik deed dit alleen uit vrees voor U.’

Daarop vergaf Allāh hem.”

Ibn Mājah heeft deze ḥadīth in zijn Sunan, deel 2, blz. 292-293, als volgt overgeleverd:

90. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Een man overschreed de grenzen en deed zichzelf zwaar onrecht aan. Toen zijn dood naderde, gaf hij zijn zonen de volgende opdracht: ‘Wanneer ik sterf, verbrand mij dan, maal mijn resten fijn en verstrooi ze vervolgens in de wind boven de zee. Bij Allāh, als Allāh mij onder handen neemt, zal Hij mij op een wijze bestraffen die Hij nooit iemand anders heeft opgelegd.’

Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: Zijn familie deed wat hij had opgedragen.

Daarop beval Allāhu (تعالى) de aarde: ‘Geef terug wat je hebt genomen.’

En plotseling stond de man weer op.

Allāhu (تعالى) vroeg hem: ‘Wat bracht jou ertoe dit te doen?’

Hij antwoordde: ‘Uw vrees.’

(De overleveraar twijfelde hier of het woord “khashyah” of “makhāfah” was gebruikt (beide betekenen vrees).

Daarop vergaf Allāh hem.”

Uitleg van de 90ste ḥadīth

In de ḥadīth, waar wordt gezegd dat de man “Integendeel, ik heb geen enkele daad verricht die bij Allāh als goed geldt”, wordt bedoeld: goede daden buiten de tawḥīd om. Juist vanwege die tawḥīd kon hij vergeving ontvangen. Als hij ook van tawḥīd verstoken was geweest, dan zou bestraffing onvermijdelijk zijn geweest en geen vergeving mogelijk zijn.

Imām Muslim heeft na deze ḥadīth ook de overlevering vermeld over een vrouw die een kat opsloot. Daarna heeft al-Zuhrī een opmerking toegevoegd waarin hij zegt: “Opdat een mens niet alles dient na te laten door te vertrouwen op de vergeving van Allāh, en tegelijkertijd niet in wanhoop dient te vervallen.

De tweede ḥadīth luidt als volgt: Van Az-Zuhrī, van Ḥumayd, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Een vrouw ging Jahannam binnen vanwege een kat die zij had opgesloten. Zij gaf het dier geen voedsel en liet het ook niet vrij zodat het om te eten van aardse (ongedierte). Az-Zuhrī zegt dat deze twee overleveringen bedoeld zijn om te voorkomen dat iemand onverschillig wordt en nalaat te handelen uit vrees voor wat de vrouw overkwam vanwege wat zij de kat had aangedaan, en tegelijk om hem hoopvol te houden in de vergeving van Allāhu (تعالى) door te denken aan hoe Allāh in de eerdere ḥadīth die man vergaf, zodat hij niet in wanhoop vervalt.

10. Overleveringen met betrekking tot de schepping van Ādam (عليه السلام). De ḥadīth: “Allāh schiep Ādam (عليه السلام)…”

al-Bukhārī heeft deze ḥadīth overgeleverd in Kitāb Badʾ al-Khalq, deel 4, blz. 131, in het hoofdstuk “De schepping van Ādam (عليه السلام)”:

91. Van ʿAbdullāh ibn Muḥammad heeft, van ʿAbd al-Razzāq, van Maʿmar, van Hammām, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Allāhu (تعالى) heeft Ādam (عليه السلام) geschapen met een lengte van zestig el (dhirāʿ) (rond 30 meter).Daarna zei Hij tegen hem: ‘Ga en geeft salām aan die engelen, en luister naar hoe zij jouw salām terugnemen. Dat zal jouw salām zijn en die van jouw nakomelingen.’Ādam (عليه السلام) ging en zei: ‘As-salāmu ʿalaykum.’Zij antwoordden: ‘As-salāmu ʿalayka wa raḥmatullāh’, en voegden ‘wa raḥmatullāh’ toe.Iedereen die Jannah zal binnengaan, zal de gedaante/lengte van Ādam (عليه السلام) hebben. Daarna zijn de schepselen geleidelijk aan kleiner geworden.”

Nog een ḥadīth van al-Bukhārī in Kitāb al-Istiʾdhān, deel 8, blz. 50, in het hoofdstuk “Het begin van de adhān”:

92. Van Yaḥyā ibn Jaʿfar, van ʿAbd al-Razzāq, van Maʿmar, van Hammām, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Allāhu (تعالى) heeft Ādam (عليه السلام) geschapen naar zijn eigen gedaante/vorm. Zijn lengte was zestig el (dhirāʿ).

Toen Hij hem had geschapen, zei Hij tegen hem: ‘Ga en geeft salām aan die groep engelen die daar zit, en luister hoe zij jou zullen salām terugnemen, want dat zal jouw salām zijn en die van jouw nageslacht.’

Ādam (عليه السلام) zei: ‘As-salāmu ʿalaykum.’

De engelen antwoordden: ‘As-salāmu ʿalayka wa raḥmatullāh’, en zij voegden ‘wa raḥmatullāh’ toe.

Iedereen die Jannah binnengaat, zal de gedaante/lengte van Ādam (عليه السلام) hebben. Daarna zijn de schepselen geleidelijk aan kleiner geworden.”

Imām Muslim heeft deze ḥadīth ook in zijn Ṣaḥīḥ overgeleverd, volgens de marginale aantekening van al-Qasṭallānī, deel 10, blz. 294, in het hoofdstuk “De beschrijving van Jannah”:

93. Van Muḥammad ibn Rāfiʿ, van ʿAbd al-Razzāq, van Maʿmar, van Hammām ibn Munabbih, en zij zeiden: dit zijn wat Abū Hurayrah (رضي الله عنه) van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft overgeleverd, en hij noemde enkele ahādīth, waaronder de volgende: “Allāhu (تعالى) heeft Ādam (عليه السلام) geschapen in Zijn vorm/gedaante. Zijn lengte was zestig el.

Toen Hij hem schiep, zei Hij tegen hem: ‘Ga en geeft salām aan die groep engelen die daar zit. Zij zijn een zittende groep engelen. Luister ook hoe zij jou zullen salām terugnemen, want dat zal jouw salām zijn en die van jouw nageslacht.’

Ādam (عليه السلام) zei: ‘As-salāmu ʿalaykum.’

De engelen antwoordden: ‘As-salāmu ʿalayka wa raḥmatullāh’, en voegden ‘wa raḥmatullāh’ toe.

Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Iedereen die Jannah binnengaat, zal in de vorm/gedaante van Ādam (عليه السلام) zijn, met een lengte van zestig el. Daarna zijn de schepselen steeds kleiner geworden tot op de dag van vandaag.”

Uitleg van de ahādīth 91-93

In de ḥadīth die ʿAbd al-Razzāq, van Maʿmar komt de uitdrukking “in zijn vorm/gestalte” (ʿalā ṣūratihi) voor. Hiermee wordt bedoeld dat Allāhu (تعالى) Ādam (عليه السلام) rechtstreeks heeft geschapen in de vorm waarin hij werd voortgebracht, zonder hem eerst te laten doorgaan door veranderingen en ontwikkelingsstadia in de baarmoeder zoals bij zijn nakomelingen. De nakomelingen van Ādam ondergaan deze stadia wel en bereiken pas daarna hun uiteindelijke vorm, terwijl Ādam (عليه السلام) in een volledige en volmaakte staat werd geschapen.

In een andere ḥadīth staat: “Allāhu (تعالى) schiep Ādam in de vorm van ar-Raḥmān.” Het toevoegen van “van ar-Raḥmān” wordt hier gebruikt om eer en verhevenheid aan te duiden. Allāhu (تعالى) heeft immers niets geschapen dat qua schoonheid en volmaaktheid hoger of volmaakter is dan de schepping (van de mens).

De salām van Ādam (عليه السلام) aan de engelen en hun wederantwoord vormt het begin van de sharʿī instelling van de salām. Het feit dat deze gebeurtenis specifiek in de ḥadīth wordt genoemd, komt doordat de salām een middel is dat de deur naar liefde opent, een oorzaak is voor onderlinge verbondenheid (ulfah) tussen de harten van broeders, en een element is dat bijdraagt aan de volmaking van de īmān. Zoals in een door Muslim overgeleverde ḥadīth van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Jullie zullen Jannah niet binnengaan totdat jullie geloven (īmān) en jullie zullen niet werkelijk geloven totdat jullie elkaar liefhebben. Zal ik jullie iets laten zen waardoor jullie elkaar zullen liefhebben? Verspreid de salām onder elkaar.”

Iedereen die Jannah binnengaat, zal in de vorm van Ādam (عليه السلام) zijn, zowel qua schoonheid als qua lengte. Degene die Jannah binnengaat in zijn vorm zal geen donkerte of enige lichamelijke gebreken hebben. Dat de mensen na Ādam (عليه السلام) voortdurend in omvang zijn afgenomen, betreft eveneens hun schoonheid en lengte.

Het gebruik van de woorden “tot nu toe” in de ḥadīth betekent dat deze afname tot een einde komt bij deze ummah. Wanneer zij Jannah binnengaan, zullen hun schoonheid en lengte gelijk zijn aan die van Ādam (عليه السلام).

In het werk Musīr al-Gharām fī Ziyārat al-Quds wal-Khalīl van Tāj al-Dīn al-Tadmurī wordt, met verwijzing naar het boek al-Maʿārif van Ibn Qutaybah, het volgende overgeleverd: “Ādam (عليه السلام) was zonder baard en zonder snor; de baard verscheen pas bij zijn nakomelingen na hem. Ādam (عليه السلام) was bovendien zeer lang, had heel krullend haar en was de mooiste van alle schepselen.”

In dit hoofdstuk heeft al-Bukhārī ook een andere overlevering opgenomen in Kitāb al-Istiʾdhān, en Muslim heeft deze eveneens vermeld in Kitāb Ṣifat al-Jannah. Ibn Ḥibbān heeft deze ḥadīth als ṣaḥīḥ verklaard. Dezelfde ḥadīth is ook overgeleverd door al-Bazzār, al-Tirmidhī en al-Nasāʾī via de keten van Saʿīd al-Maqburī, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) heeft Ādam (عليه السلام) uit aarde geschapen. Hij maakte hem eerst tot klei, daarna liet Hij die klei liggen totdat deze veranderde in donkere, bewerkbare aarde. Toen vormde Hij hem en liet hem daarna liggen totdat hij werd als gebakken klei.Iblīs liep langs hem en zei: ‘Jij bent geschapen voor een groot doel.’Daarna blies Allāhu (تعالى) de rûh in hem.Het eerste deel van zijn lichaam dat leven kreeg door de rûh was het gebied tussen zijn neus en zijn ogen. Daarop niesde hij en zei: ‘Al-ḥamdu lillāh.’Allāhu (تعالى) zei daarop: ‘Yarḥamuka Rabbuka’ (moge jouw Rab jou genadig zijn)...” en de ḥadīth gaat verder.

Abū Dāwūd heeft van Abū Mūsā (رضي الله عنه) een ḥadīth als marfūʿ (een ḥadīth die uiteindelijk teruggaat tot Rasulullah (صلى الله عليه وسلم), niet slechts tot een metgezel of tabiʿī) overgeleverd, en Ibn Ḥibbān heeft deze ook als ṣaḥīḥ verklaard.

In deze overlevering wordt gezegd: “Allāhu (تعالى) heeft Ādam (عليه السلام) geschapen uit een handvol aarde die Hij van alle delen van de wereld bijeen had genomen. De kinderen van Ādam zijn daarom verspreid over de gehele wereld ontstaan.” Volgens deze uitleg heeft Allāhu (تعالى), toen Hij Ādam wilde scheppen en hem van niet-bestaan naar het bestaan wilde brengen, hem door drie fasen laten gaan:- de fase van aarde, - de fase van vorming (waarin droge klei werd verhard en daaruit botten, vlees en bloed werden geschapen), - en de fase van het inblazen van de rûh.

Allāhu (تعالى) heeft de mens op vier manieren geschapen:

Zonder vader en zonder moeder: zoals de schepping van Ādam (عليه السلام).

Alleen uit een vader zonder moeder: zoals de schepping van Ḥawwāʾ (رضي الله عنها).

Alleen uit een moeder zonder vader: zoals de schepping van ʿĪsā (عليه السلام).

Uit een vader en een moeder via geslachtsgemeenschap: zoals de schepping van alle andere mensen.

Deze mensen ontstaan uit het lendengebied van de man en uit het gebied tussen de ribben van de moeder. Degenen die op deze laatste wijze worden geschapen, doorlopen eveneens zes fasen: - de nutfah (de bevruchtende vloeistof), - de ʿalaqah (embryo), - de muḍghah (een stukje vlees waarvan de vorming nog niet duidelijk zichtbaar is)- daarna het zichtbaar worden van botten, - het bekleden van de botten met vlees, - en uiteindelijk het inblazen van de rûh.

Allāhu (تعالى) heeft de mens boven de overige schepselen geëerd/verheven. De mens is de kern, de samenvatting en de vrucht van de schepping. Allāhu (تعالى) zegt in de Qurʾān: وَلَقَدۡ كَرَّمۡنَا بَنِيٓ ءَادَمَ ٧٠ Voorzeker, Wij hebben de kinderen van Adam geëerd…(Isrāʾ (17:70)

En in een andere āyah zegt Hij:وَسَخَّرَ لَكُم مَّا فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَمَا فِي ٱلۡأَرۡضِ جَمِيعٗا مِّنۡهُۚ إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَأٓيَٰتٖ لِّقَوۡمٖ يَتَفَكَّرُونَ ١٣En Hij heeft voor jullie alles wat zich van Hem in de hemelen en de aarde bevindt dienstbaar gemaakt. Voorwaar, daarin zijn Tekenen voor een volk dat nadenkt. (Jāthiyah (45:13)

Er bestaat geen twijfel over dat alles wat geschapen is, verheven of nederig, in dienst van de mens is gesteld. De mens is geschapen om het gewaad van superioriteit over alle andere schepselen te dragen en om met zijn handen de bloemen van de sterren te plukken. Omdat Allāhu (تعالى) de mens als een middelste rang heeft geplaatst tussen de verheven engelen en de lagere dierenwereld, heeft Hij hem eigenschappen van beide groepen gegeven. Daarom bevinden zich onder de mensen degenen die naar Jannah zullen gaan en degenen die naar Jahannam zullen gaan. De mens is in zijn begeerten als de dieren, maar in verstand, kennis en aanbidding is hij als de engelen. Ook heeft Allāhu (تعالى) de rang van profeetschap (profeetschap) uitsluitend aan de mens toegekend. De goddelijke wijsheid vereiste dat de klasse van de anbiyā een afzonderlijke categorie zal vormen tussen mens en engel, een soort die kenmerken van beide bezit. an-Nabī is in kennis van de geheimen van de hemelen en de aarde als de engelen, maar in zaken als eten, drinken en soortgelijke menselijke behoeften is hij als de mensen.

Zodra de mens bevrijd is van zijn lage begeerten en lichamelijke onzuiverheden en de nabijheid van Allāhu (تعالى) bereikt, bereikt hij een hoogste positie boven de engelen.Allāhu (تعالى) zegt in de Qurʾān:جَنَّٰتُ عَدۡنٖ يَدۡخُلُونَهَا وَمَن صَلَحَ مِنۡ ءَابَآئِهِمۡ وَأَزۡوَٰجِهِمۡ وَذُرِّيَّٰتِهِمۡۖ وَٱلۡمَلَٰٓئِكَةُ يَدۡخُلُونَ عَلَيۡهِم مِّن كُلِّ بَابٖ ٢٣Eeuwige tuinen van het ‘Adn (Jannah), waar zij zullen binnentreden en (ook) degenen van hun vaders, en hun vrouwen en hun kinderen die rechtvaardig handelen. En de Engelen zullen door elke poort tot hen binnentreden.سَلَٰمٌ عَلَيۡكُم بِمَا صَبَرۡتُمۡۚ فَنِعۡمَ عُقۡبَى ٱلدَّارِ ٢٤(Zeggend:) “Vrede zij met jullie” (omdat jullie in geduld hebben volgehouden) Het is de beste eindbestemming. (Raʿd (13:23-24)En in een ḥadīth wordt gezegd: “De engelen zijn de dienaren van de bewoners van Jannah.”

Ibn Kathīr zegt: “Er is meningsverschil over de vraag of Ādam (عليه السلام) in Jannah kinderen had. Sommigen zeggen dat hij geen kinderen had. Anderen zeggen dat zijn zonen Qābīl en zijn zuster in Jannah zijn geboren. Er wordt ook overgeleverd dat er telkens een jongen en een meisje werden geboren.”In de geschiedenis van Ibn Jarīr al-Ṭabarī wordt ook vermeld: “Ḥawwāʾ (رضي الله عنها) baarde in twintig zwangerschappen veertig kinderen. Er wordt ook gezegd dat zij honderdtwintig keer een tweeling baarde, telkens een jongen en een meisje. De eerstgeborenen waren Qābīl en zijn zus Iqlīmā.”

De laatste kinderen waren ʿAbd al-Mughīth en zijn zuster Amat al-Mughīth.

Er wordt gezegd dat Ādam (عليه السلام) niet is gestorven voordat hij zijn eigen kinderen en kleinkinderen had gezien, in totaal ongeveer vierhonderdduizend personen. Allāhu (تعالى) weet het het beste.

Al-Suddī heeft, via overlevering van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) en anderen, het volgende verteld: “Wanneer er een geboorte plaatsvond, trouwde een jongen die uit een bepaalde geboorte werd geboren met een meisje uit een andere geboorte.

Hābīl wilde trouwen met de zus van Qābīl, maar Qābīl weigerde dat toe te staan.

Daarop beval Ādam (عليه السلام) hen beiden om een offer aan Allāhu (تعالى) te brengen. Zij deden dat. Een vuur daalde neer uit de hemel en verteerde het offer van Hābīl, maar liet dat van Qābīl ongemoeid. Qābīl zei tegen Hābīl: ‘Ik zal jou doden zodat jij niet met mijn zus kunt trouwen.’

Hābīl antwoordde: “Allāh neemt alleen de goede daden aan van hen die Hem vrezen (taqwā bezitten)

Daarop sloeg Qābīl Hābīl en doodde hem.

Dit verhaal wordt ook in de Qurʾān vermeld.

Ādam (عليه السلام) heeft een levensduur gehad van duizend jaar. Ibn Jarīr heeft via ʿAṭāʾ al-Khurāsānī overgeleverd dat, toen Ādam (عليه السلام) overleed, alle schepselen zeven dagen om hem rouwden. (Deze uitleg tot hier is overgenomen uit de commentaar van al-Qasṭallānī, deel 4, blz. 320-321.)

Al-Qasṭallānī zegt in zijn uitleg van Kitāb al-Istiʾdhān, hoofdstuk “Het begin van de salām” (deel 9, blz. 130): Wanneer er wordt gezegd: “Allāhu (تعالى) heeft Ādam geschapen in zijn vorm/gedaante”, dan verwijst het woord “zijn” naar Ādam (عليه السلام) zelf.

Dat wil zeggen: Allāhu (تعالى) heeft Ādam rechtstreeks geschapen in een volledige en volmaakte vorm, zonder dat hij de stadia van een nutfah, `alaqah (embryo), muḍghah, stuk vlees en foetale ontwikkeling heeft doorlopen, en zonder dat hij is opgegroeid van kind tot volwassen man. Hij werd vanaf het begin volledig en perfect geschapen, terwijl zijn nakomelingen die ontwikkelingsfasen wel doorlopen.

Hierin ligt ook een weerlegging van de Dahrīyyah (materialistische of atheïstische denkers die het bestaan van Allāhu (تعالى) ontkenden en alles toeschreven aan de tijd en materie), die beweerden dat een mens alleen uit een nutfah ontstaat en dat een nutfah alleen uit een mens voortkomt. (Ibn Baṭṭāl)

In al-Adab al-Mufrad van al-Bukhārī en in Musnad Imām Aḥmad wordt via de overlevering van Ibn ʿAjlān van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) een marfūʿ ḥadīth overgeleverd:“Zeg niet: ‘Moge Allāh jouw gezicht en de gezichten van degenen die op jou lijken lelijk maken’, want Allāhu (تعالى) heeft Ādam geschapen in zijn vorm.” Hiermee wordt bedoeld dat iemands gezicht lijkt op dat van Ādam (عليه السلام). Deze betekenis blijkt duidelijk uit de context van het voornaamwoord.

Sommigen hebben gezegd dat in de uitdrukking “Allāhu (تعالى) heeft Ādam geschapen in Zijn vorm” het voornaamwoord verwijst naar Allāh. Zij hebben als bewijs enkele overleveringen gebruikt waarin staat “in de vorm van ar-Raḥmān”. In dat geval betekent de uitleg dat, hoewel niets in eigenschappen gelijk is aan de eigenschappen van Allāhu (تعالى), Ādam (عليه السلام) is geschapen met eigenschappen zoals kennis, leven, zien en horen, en dat hij in die zin een bijzondere en geëerde schepping is.

Al-Ṭurbushṭī zegt dat de mensen van de waarheid in deze kwestie in twee groepen verdeeld zijn: De eerste groep bestaat uit degenen die geloven dat niets aan Allāhu (تعالى) gelijk is, maar die geen poging doen tot taʾwīl (interpretatieve uitleg).

Zij leggen de ware aard van de kwestie voor aan Allāhu (تعالى), Die met Zijn kennis alles omvat. Dit is volgens hen de veiligste en meest correcte weg.De tweede groep zegt dat de toevoeging “zijn vorm” een uitdrukking is van eer en verheffing. In dat geval betekent de zin dat Allāhu (تعالى) Ādam (عليه السلام) heeft geschapen in een vorm die in schoonheid, verhevenheid en bijzondere eigenschappen niet geëvenaard wordt door enige eerdere schepping.

Al-Ṭayyibī zegt dat het beter is om hier wel tot taʾwīl over te gaan. Volgens hem verduidelijkt de vermelding van “lengte” de uitdrukking “zijn vorm”. Alsof ermee bedoeld wordt: Allāhu (تعالى) heeft Ādam geschapen met de eigenschappen van vorm, schoonheid, verhevenheid en lengte zoals beschreven. Er wordt in de ḥadīth specifiek zijn lengte genoemd omdat er onder de mensen niemand was die langer was dan hij. Hier eindigt de uitleg van al-Qasṭallānī.

Ik zeg: Deze interpretatie wordt ook ondersteund door de uitspraak van Allāhu (تعالى) in de Qurʾān, waarin Hij Zijn gunst aan de mensheid vermeldt:خَلَقَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضَ بِٱلۡحَقِّ وَصَوَّرَكُمۡ فَأَحۡسَنَ صُوَرَكُمۡۖ وَإِلَيۡهِ ٱلۡمَصِيرُ ٣Hij heeft de hemelen en de aarde in Waarheid geschapen en Hij heeft jullie gevormd en heeft jullie vorm nauwkeurig gemaakt. En tot Hem is de uiteindelijke terugkeer. (Taghābun (64:3)Allāhu (تعالى) weet het beste wat het meest correct is.

At-Tirmidhī heeft deze ḥadīth in zijn Jāmiʿ op drie plaatsen overgeleverd, waaronder in deel 2, blz. 180 in het hoofdstuk “Sūrah al-Aʿrāf”.

94.

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Toen Allāhu (تعالى) Ādam (عليه السلام) schiep, streek Hij over zijn rug en uit zijn rug vielen al zijn nakomelingen die tot de Yawmu’l Qiyamah zouden komen. Allāhu (تعالى) heeft ieder van hen die tot de kinderen van Ādam behoren tot aan de Yawmu’l Qiyamah geschapen.

En van die mensen (de nakomelingen van Ādam) plaatste Hij tussen de twee ogen van ieder van hen een lichtstraal.Daarna bracht Hij hen voor Ādam.

Ādam vroeg: ‘O mijn Rab, wie zijn ze?’

Allāhu (تعالى) zei: ‘Dit zijn jouw nakomelingen.’

Toen zag Ādam één van hen en hij werd getroffen door de lichtstraal tussen diens ogen.

Hij vroeg: ‘O mijn Rab, hoe lang hebt U zijn levensduur bepaald?’

Allāhu (تعالى) zei: ‘Zestig jaar.’

Daarop zei Ādam: ‘Geef hem veertig jaar van mijn levensduur erbij.’

Toen de levensduur van Ādam voltooid was en de Engel des Doods tot hem kwam, vroeg Ādam: ‘Zijn er niet nog veertig jaren van mijn leven over?’

De engel antwoordde: ‘Heb je die niet aan jouw zoon Dāwūd (عليه السلام) gegeven?’

Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: Ādam maakte een vergissing, en zijn nakomelingen maakten een vergissing; Ādam vergat, en zijn nakomelingen vergaten; Ādam beging een fout, en zijn nakomelingen begingen een fout.”

Imām at-Tirmidhī heeft gezegd dat deze ḥadīth ḥasan ṣaḥīḥ is.

95.

In een andere overlevering wordt ook nog toegevoegd:

“Daarna voltooide Allāhu (تعالى) de levensduur van Ādam tot duizend jaar en die van Dāwūd tot honderd jaar.”

At-Tirmidhī vermeldt eveneens in hetzelfde hoofdstuk de volgende overlevering:

96. Van Muslim ibn Yasār al-Juhanī :ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه) werd op een dag gevraagd over de uitspraak van Allāhu (تعالى):وَإِذۡ أَخَذَ رَبُّكَ مِنۢ بَنِيٓ ءَادَمَ مِن ظُهُورِهِمۡ ذُرِّيَّتَهُمۡ وَأَشۡهَدَهُمۡ عَلَىٰٓ أَنفُسِهِمۡ أَلَسۡتُ بِرَبِّكُمۡۖ قَالُواْ بَلَىٰ شَهِدۡنَآۚ أَن تَقُولُواْ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ إِنَّا كُنَّا عَنۡ هَٰذَا غَٰفِلِينَ ١٧٢En (gedenk) toen jullie Rab het nageslacht van de Kinderen van Adam uit hun lendenen nam, en hen deed getuigen over zichzelf (zeggende): “Ben Ik niet jullie Rab?” Zij zeiden: “Ja! Wij getuigen” zodat jullie op de Yawm al-Qiyāmah niet zullen zeggen: “Waarlijk, wij wisten dit niet.” (Aʿrāf (7:172)

Hij antwoordde: “Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) werd hierover gevraagd en hij zei:

‘Allāhu (تعالى) schiep Ādam (عليه السلام), daarna streek Hij met Zijn Rechterhand over zijn rug. Daaruit bracht Hij een nakomelingschap voort en zei: “Ik heb hen voor Jannah geschapen; zij zullen de daden verrichten van de mensen van Jannah.”

Daarna streek Hij opnieuw over zijn rug en bracht een ander nageslacht voort en zei: “Ik heb hen voor Jahannam geschapen; zij zullen de daden verrichten van de mensen van Jahannam.”

Een man vroeg: “O Rasûlullāh, waarvoor worden de daden dan verricht?”

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Wanneer Allāh een dienaar voor Jannah heeft geschapen, leidt Hij hem naar de daden van de mensen van Jannah, totdat hij sterft terwijl hij die daden verricht, waarna Allāh hem Jannah doet binnentreden.

En wanneer Hij een dienaar voor Jahannam heeft geschapen, vergemakkelijkt Hij voor hem de daden van de mensen van Jahannam, totdat hij sterft terwijl hij die daden verricht, waarna Allāh hem Jahannam doet binnentreden.”

Abū ʿĪsā at-Tirmidhī zei dat deze ḥadīth ḥasan is. Muslim ibn Yasār heeft deze ḥadīth echter niet rechtstreeks van ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه) gehoord. Sommige ḥadīthgeleerden hebben vermeld dat er tussen hen een onbekende (majhūl) overleveraar zit.

Abū ʿĪsā at-Tirmidhī zei: “Ik zeg dat deze ḥadīth leidt tot ḥasan li-ghayrihi .(Met andere woordem, Muslim ibn Yasār heeft de ḥadīth niet rechtstreeks gehoord van ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه), maar in andere overleveringsketens wordt een andere overleveraar ertussen vermeld; en omdat deze overleveraar onbekend (majhūl) is, wordt de ḥadīth als ḥasan li-ghayrih* beschouwd.)Allāhu (تعالى) weet het beste wat correct is.

[ḥasan li-ghayrih *: een zwakke overlevering wordt “opgewaardeerd” omdat er meerdere vergelijkbare overleveringen bestaan die elkaar ondersteunen, waardoor de inhoud als geheel acceptabel wordt voor gebruik in Islāmitische wetgeving en geloofspraktijk.]

Deze ḥadīth is door at-Tirmidhī eveneens aan het einde van Kitāb at-Tafsīr overgeleverd, in deel 2, blz. 241, in een hoofdstuk zonder titel. De overlevering na de isnād luidt als volgt:

97.

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Toen Allāhu (تعالى) Ādam (عليه السلام) schiep en in hem de rûh inblies, niesde Ādam en zei: ‘al-Ḥamdu lillāh’, waarmee hij, met de toestemming van Allāh, Allāh prees.

Zijn Rab antwoordde hem: ‘Raḥimaka Allāhu yā Ādam (Allāh heeft je genadig behandeld, o Ādam)’.

Daarna zei Hij: ‘Ga naar die engelen, naar de zittenden daar onder hen, en zeg: as-salāmu ʿalaykum.’

(Ādam deed dit), en de engelen antwoordden: ‘wa ʿalayka as-salām wa raḥmatullāh’.

Daarna keerde Ādam terug naar zijn Rab, en zijn Rab zei tegen hem: ‘Dit is jouw salām en de salām van jouw nakomelingen onder elkaar.’

Allāhu (تعالى) bood hem vervolgens twee gesloten handen aan en zei: ‘Kies welke van de twee je wilt.’

- ‘Ik kies de rechterhand van mijn Rab, (immers) beide handen van mijn Rab zijn rechts en gezegend.’

Daarna vroeg Ādam: ‘O mijn Rab, wat is dit?’

Allāhu (تعالى) zei: ‘Dit zijn jouw nakomelingen.’

(Ādam zag dat) tussen de ogen van ieder van hen hun levensduur geschreven was. Onder hen zag hij een man wiens licht het meest opviel.

- ‘O mijn Rab, wie is dit?’

- ‘Dit is jouw zoon Dāwūd. Voor hem heb Ik een levensduur van veertig jaar bepaald.’

- ‘O mijn Rab, verleng zijn leven.’

- ‘Dat is wat voor hem bepaald is.’

- ‘O mijn Rab, ik geef hem zestig jaar van mijn eigen levensduur.’

- ‘Dat is aan jou toegestaan.’

Daarna liet Allāhu (تعالى) Ādam in Jannah verblijven zolang Hij wilde. Vervolgens werd Ādam eruit gehaald, en hij begon zijn levensduur te berekenen.

De Engel des Doods kwam tot hem. Ādam zei tegen hem: ‘Je bent te vroeg gekomen; mij was duizend jaar levensduur bepaald.’

De engel zei: ‘Je hebt gelijk, maar je hebt zestig jaar van je levensduur aan je zoon Dāwūd gegeven.’

Ādam diende bezwaar in, en zijn nakomelingen dienden ook bezwaar in. Ādam vergat het, en zijn nakomelingen vergaten het ook.

Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: Vanaf die dag werd het opschrijven van overeenkomsten en het laten getuigen ervan bevolen.”

At-Tirmidhī heeft gezegd dat deze ḥadīth ḥasan gharīb is.

De uitleg van de overleveringen van at-Tirmidhī over de schepping van Ādam (عليه السلام) (aḥadīth nr. 94-97)

De uitspraak “Allāhu (تعالى) streek over de rug van Ādam (عليه السلام) toen Hij hem schiep” is door de geleerden op twee manieren uitgelegd.

Eerste mening: Sommigen hebben de handeling van “strijken (mash)” uitgelegd op een manier die past bij de majesteit van Allāhu (تعالى) en die Hem toekomt op een wijze die bij Zijn verheven Wezen (Dhât) past. Zij zeggen dat de betekenis is dat Allāhu (تعالى) beveelt “Wees”, en dat het onmiddellijk werkelijkheid wordt. Dat Allāhu (تعالى) Zijn aangewezen engelen (muwakkal) heeft opgedragen om de arwāḥ (mv van rûh) van de kinderen van Ādam (عليه السلام) te brengen, waarna die engelen over de rug van Ādam (عليه السلام) zullen “strijken (mash)” en uit hem de arwāḥ van zijn volledige nageslacht zullen laten voortkomen.

Al-ʿAllāmah Abū as-Suʿūd zegt in zijn tafsīr van de ayah: En (gedenk) toen jullie Rab het nageslacht van de Kinderen van Adam uit hun lendenen nam … (zie hierboven Aʿrāf (7:172),

Deze uitdrukking is opgevat in de letterlijke betekenis (ḥaqīqī). Zo wordt van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) een ḥadīth overgeleverd (hier wordt de eerder genoemde ḥadīth aangehaald). Vervolgens zegt hij: Dit betekent niet dat Allāh (تعالى) alle nakomelingen van Ādam (عليه السلام) daadwerkelijk fysiek uit zijn rug heeft gehaald. In plaats daarvan heeft Hij uit zijn rug de arwāḥ van zijn nakomelingen die uit zijn eigen nageslacht zullen voortkomen genomen, en dit proces heeft zich zo voortgezet tot het einde.Ook de bovengenoemde ayah Aʿrāf (7:172):“En toen jouw Heer uit de kinderen van Ādam, uit hun lendenen, hun nakomelingen nam…” wijst hierop.Daarna zegt Abū as-Suʿūd (رحمه الله): Omdat de oorsprong van de voortbrenging bij de rug van Ādam (عليه السلام) ligt, worden in de aḥadīth beide zaken samengevat genoemd zonder alle tussenliggende oorzaken te vermelden. Het doel is om aan te geven dat alle afstamming uiteindelijk teruggaat naar Ādam (عليه السلام).

De āyah is aangevoerd als bewijs tegen de kāfirs die leefden in de tijd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en om duidelijk te maken dat het hen niets baat om hun shirk toe te schrijven aan hun voorouders. Daarom is hun toestand zo weergegeven alsof zij uit de ruggen van hun vaders zijn voortgebracht.

Het feit dat in de ḥadīth van ʿUmar (رضي الله عنه) de wijze van het “nemen van het woord” niet wordt uitgelegd, vormt geen bewijs dat dit niet heeft plaatsgevonden, en is evenmin bindend (in die zin dat het een bepaalde interpretatie verplicht stelt).

Het doel van het nemen van dit verbond (“nemen van het woord”) is dat zij geen excuus kunnen aanvoeren door te zeggen dat zij onwetend waren over de werkelijkheid van de zaak. Het is tevens bedoeld om hun beweringen te weerleggen.

In de ayah wordt gezegd:وَإِذۡ أَخَذَ رَبُّكَ مِنۢ بَنِيٓ ءَادَمَ مِن ظُهُورِهِمۡ ذُرِّيَّتَهُمۡ وَأَشۡهَدَهُمۡ عَلَىٰٓ أَنفُسِهِمۡ أَلَسۡتُ بِرَبِّكُمۡۖ قَالُواْ بَلَىٰ شَهِدۡنَآۚ أَن تَقُولُواْ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ إِنَّا كُنَّا عَنۡ هَٰذَا غَٰفِلِينَ ١٧٢En (gedenk) toen jullie Rab het nageslacht van de Kinderen van Adam uit hun lendenen nam, en hen deed getuigen over zichzelf (zeggende): “Ben Ik niet jullie Rab?” Zij zeiden: “Ja! Wij getuigen” zodat jullie op de Yawm al-Qiyāmah niet zullen zeggen: “Waarlijk, wij wisten dit niet.”

أَوۡ تَقُولُوٓاْ إِنَّمَآ أَشۡرَكَ ءَابَآؤُنَا مِن قَبۡلُ وَكُنَّا ذُرِّيَّةٗ مِّنۢ بَعۡدِهِمۡۖ أَفَتُهۡلِكُنَا بِمَا فَعَلَ ٱلۡمُبۡطِلُونَ ١٧٣Of dat jullie niet zullen zeggen: “Het waren slechts onze vaders vroeger die anderen als deelgenoot in de aanbidding bij Allāh namen en wij waren (slechts) hun afstammelingen; zult U ons dan vernietigen vanwege de daden van mannen die de leugen praktiseerden?” (Aʿrāf, 7:172-173)

Deze āyah (Aʿrāf, 7:172-173) is niet geopenbaard als een bewijs tegen de mushriks in de zin dat zij daarmee in deze wereld aangesproken of gewaarschuwd moesten worden; Want in de wereld van verantwoordelijkheid (taklīf) bestaat er geen noodzaak om hen hiermee te vermanen, aangezien niemand onder de mensen zich die verbintenis herinnert die ooit van hem is afgenomen.

Tegen deze bewering is ook bezwaar gemaakt op basis van de zinsstructuur van de āyah. Daarbij is gesteld dat zowel het laten getuigen als het getuigen zelf tot de beschermde zaken behoort, en dat deze als verborgen handeling een bindend karakter hebben.

De betekenis hiervan is: “Wij hebben dit gedaan om jullie te herinneren aan de verbintenis die jullie hebben afgelegd en om die bij jullie in herinnering te brengen.

In het Boek dat Wij aan onze an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hebben geopenbaard, hebben Wij deze zaak voor jullie verduidelijkt. Dit hebben Wij gedaan opdat de kāfirs op de Dag der Opstanding niet zullen zeggen: “Wij waren hiervan, namelijk van deze verbintenis, niet op de hoogte. Ook in de wereld van verantwoordelijkheid (ʿālam al-taklīf) was er niemand die ons hieraan herinnerde. Als er iemand was geweest die ons hieraan had herinnerd, dan zouden wij overeenkomstig die verplichting hebben gehandeld.” Daarom hebben Wij deze waarheid aan jullie bekendgemaakt en verduidelijkt.

Tweede mening: Allāmah Abū al-Suʿūd zegt hierover, voorafgaand aan de betekenis van de āyah: “Deze uitleg is gegeven om voor de mensen het principe van de natuurlijke aanleg (fiṭrah) in de schepping van Allāhu (تعالى) te verduidelijken. De Verhevene wil dat mensen uit de vele tekenen in henzelf en in hun omgeving begrijpen dat deze hen leiden tot het begrip van tawḥīd en tot het geloof van de Islām.”

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft dit ook duidelijk gemaakt in de uitspraak: “Ieder kind wordt geboren op de natuurlijke aanleg (fitrah)…”

Ook in de volgende ayah wordt naar deze fitrah verwezen:فَأَقِمۡ وَجۡهَكَ لِلدِّينِ حَنِيفٗاۚ فِطۡرَتَ ٱللَّهِ ٱلَّتِي فَطَرَ ٱلنَّاسَ عَلَيۡهَاۚ لَا تَبۡدِيلَ لِخَلۡقِ ٱللَّهِۚ ذَٰلِكَ ٱلدِّينُ ٱلۡقَيِّمُ وَلَٰكِنَّ أَكۡثَرَ ٱلنَّاسِ لَا يَعۡلَمُونَ ٣٠(O Muhammed) keer je gezicht dus in de richting van de (zuivere) godsdienst als een rechtzinnige (samen met jouw volgelingen). (Volg) De natuurlijke aanleg waarmee Allāh de mensheid heeft geschapen. De schepping van Allāh kent geen verandering. Dat is de juiste godsdienst, maar de meeste (kāfir) mensen weten het niet! (Rūm (30:30)

Dat wil zeggen: verander niet de zuivere fitrah waarmee jullie zijn geschapen, en ga niet in tegen de mooie natuurlijke aanleg die Allāhu (تعالى) in de schepping heeft gelegd.

Abū as-Suʿūd (رحمه الله) zegt vervolgens:

Met dit voorbeeld wordt bedoeld dat Allāhu (تعالى), door de arwāḥ van de mensen in een juiste en gezonde toestand te laten blijven, hen voldoende mogelijkheid heeft gegeven om Zijn Rab zijn (Rubūbiyyah) te herkennen.

Zo heeft Allāhu (تعالى) de mensen verstand (ʿaql) en inzicht (baṣīrah) gegeven om de waarheid te kunnen begrijpen. Vervolgens heeft Hij, zodat zij met hun verstand en inzicht de waarheid kunnen bereiken, zowel in henzelf als in de wereld om hen heen Zijn tekenen en bewijzen laten zien.

Het vervolg van de ḥadīth komt overeen met de betekenis van de volgende ayah: وَلَقَدۡ ذَرَأۡنَا لِجَهَنَّمَ كَثِيرٗا مِّنَ ٱلۡجِنِّ وَٱلۡإِنسِۖ لَهُمۡ قُلُوبٞ لَّا يَفۡقَهُونَ بِهَا وَلَهُمۡ أَعۡيُنٞ لَّا يُبۡصِرُونَ بِهَا وَلَهُمۡ ءَاذَانٞ لَّا يَسۡمَعُونَ بِهَآۚ أُوْلَٰٓئِكَ كَٱلۡأَنۡعَٰمِ بَلۡ هُمۡ أَضَلُّۚ أُوْلَٰٓئِكَ هُمُ ٱلۡغَٰفِلُونَ ١٧٩Voorzeker, Wij hebben velen van de Djinn’s en de mensen voor Jahannam geschapen. Zij hebben harten waarmee zij (de waarheid) niet begrijpen, zij hebben ogen waarmee zij niet zien en zij hebben oren waarmee zij (de verzen) niet horen. Zij zijn zoals het vee! Neen, hun dwaling is zelfs erger (want) zij zijn de achtelozen! (Aʿrāf (7:179)

Al-ʿAllāmah Abū as-Suʿūd zegt in zijn tafsīr over deze ayah:

Dat wil zeggen: Hij heeft hen geschapen met bestemming voor Jahannam, maar niet als gevolg van dwang buiten hun eigen wil om. Allāhu (تعالى) wist echter vooraf dat zij gedurende hun leven nooit de waarheid zouden kiezen en, zonder enige externe dwang, hardnekkig op de dwaling zouden blijven. In die zin heeft Allāhu (تعالى) hen geschapen als mensen die in Jahannam terecht zullen komen.

In een āyah wordt gezegd:

وَمَا خَلَقۡتُ ٱلۡجِنَّ وَٱلۡإِنسَ إِلَّا لِيَعۡبُدُونِ ٥٦En Ik (Allāh) heb de Djinn en de mens slechts tot Mijn aanbidding geschapen. (datgene waartoe alle anbiyā hebben opgeroepen). (Dhāriyāt (51:56)

Hadith uit de Muwaṭṭaʾ van Imām Mālik over de schepping van Ādam (عليه السلام)

Imām Mālik heeft deze ḥadīth overgeleverd in het hoofdstuk: “Het verbod op het spreken over al-Qadar.”

98. Van ʿAbdulḥamīd ibn ʿAbdurraḥmān ibn Zayd ibn al-Khaṭṭāb, van ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه), werd hem op een dag gevraagd naar de āyah:

Aʿrāf, 7:172-173 (zie hierboven)ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه) zei: “Ik hoorde dat deze āyah ook in aanwezigheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd genoemd, waarna an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hierover zei,” waarna hij de volgende ḥadīth overleverde:

“Allāhu (تعالى) schiep Ādam (عليه السلام), daarna streek Hij met Zijn Rechterhand over zijn rug. Daaruit bracht Hij een nakomelingschap voort en zei: “Ik heb hen voor Jannah geschapen; zij zullen de daden verrichten van de mensen van Jannah.”

Daarna streek Hij opnieuw over zijn rug en bracht een ander nageslacht voort en zei: “Ik heb hen voor Jahannam geschapen; zij zullen de daden verrichten van de mensen van Jahannam.”

Een man vroeg: ‘O Rasûlullāh, waarvoor worden de daden dan verricht?’

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: ‘Wanneer Allāh een dienaar voor Jannah heeft geschapen, leidt Hij hem naar de daden van de bewoners van Jannah, totdat hij sterft op een daad van de bewoners van Jannah, waarna Allāh hem Jannah doet binnentreden.

En wanneer Hij een dienaar voor Jahannam heeft geschapen, maakt Hij voor hem de daden van de bewoners van Jahannam gemakkelijk, totdat hij sterft op een daad van de bewoners van Jahannam, waarna Allāh hem Jahannam doet binnentreden.”

11. Overleveringen over de schepping van de mens in de buik van zijn moeder

De ḥadīth: “De eerste scheppingsfase van een van jullie blijft gedurende een bepaalde tijd in de buik van zijn moeder”

Deze ḥadīth is door al-Bukhārī (رضي الله عنه) in verschillende delen van zijn Sahîh overgeleverd. Hij vermeldde deze in:

Kitāb Badʾ al-Khalq, deel 4, p. 111, in het hoofdstuk “Het vermelden van de engelen”

Deel 4, p. 133, in het hoofdstuk “De schepping van Ādam (عليه السلام)”

Kitāb al-Qadar, deel 8, p. 122

Kitāb at-Tawḥīd, deel 9, p. 135, in het hoofdstuk over de āyah: “وَلَقَدۡ سَبَقَتۡ كَلِمَتُنَا لِعِبَادِنَا ٱلۡمُرۡسَلِينَ ١٧١ En waarlijk, Ons woord is voorafgegaan aan Onze gezonden dienaren.

Hieronder volgt de tekst zoals overgeleverd in Kitāb at-Tawḥīd:

99. Van ʿĀdem via Shuʿbah, van al-Aʿmash, van Zayd ibn Wahb, van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De schepping van een van jullie wordt als een druppel (nutfah) gedurende veertig dagen en veertig nachten in de buik van zijn moeder samengebracht. Daarna wordt het even lang een bloedklonter (ʿalaqah), vervolgens wordt het even lang een stukje vlees (muḍghah).Daarna zendt Allāhu (تعالى) een engel naar hem, aan wie de toestemming wordt gegeven (of de opdracht wordt gegeven), om vier zaken te schrijven: zijn levensonderhoud (rizq), zijn levensduur (ajal), zijn daden (a`māl), en of hij ongelukkig (shaqī) of gelukkig (sa`īd) zal zijn.Vervolgens wordt de rûh ingeblazen.Iemand van jullie kan de daden van de bewoners van Jannah verrichten totdat er slechts een armlengte tussen hem en Jannah overblijft, maar dan gaat het besluit voor en begint hij de daden van de bewoners van Jahannam te verrichten, waarna hij Jahannam binnengaat.En iemand van jullie kan de daden van de bewoners van Jahannam verrichten totdat er slechts een armlengte tussen hem en Jahannam overblijft, maar dan gaat het besluit voor en begint hij de daden van de bewoners van Jannah te verrichten, waarna hij Jannah binnengaat.”

100- In sommige overleveringen is er ook de toevoeging dat vóór de woorden “van een van jullie” de uitdrukking “bij Allāh (ik zweer het)” voorkomt. In sommige versies staat in plaats van “van een van jullie” de uitdrukking “een man”.

In andere overleveringen wordt de afstand niet als één armlengte genoemd, maar als twee armlengtes. In enkele overleveringen wordt deze afstand ook vermeld als een armspan.

Deze ḥadīth is door Ibn Mājah overgeleverd in zijn Sunan, deel 10, p. 20–21, in het hoofdstuk over al-Qadar.

101. Daar vermeldt hij na de isnād het volgende:ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه) zei: De waarheidsprekende en als waar bevestigde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft ons verteld:“De eerste fase van de schepping van een van jullie is dat hij veertig dagen in de buik van zijn moeder als een druppel (nutfah) blijft. Daarna wordt hij gedurende dezelfde periode een bloedklonter (ʿalaqah), en daarna gedurende dezelfde periode een stukje vlees (muḍghah).Vervolgens zendt Allāhu (تعالى) de engel. Hem wordt opgedragen vier zaken te schrijven.

Allāh zegt: schrijf zijn daden (a`māl), zijn levensduur (ajal), zijn levensonderhoud (rizq), en of hij tot de bewoners van Jannah of Jahannam behoort.Bij Allāh, buiten Wie er geen ander godheid is, iemand van jullie kan de daden van de bewoners van Jannah verrichten totdat er slechts een armlengte tussen hem en Jannah overblijft, maar dan gaat het besluit vooraf en begint hij de daden van de bewoners van Jahannam te verrichten, waarna hij Jahannam binnengaat.En iemand van jullie kan de daden van de bewoners van Jahannam verrichten totdat er slechts een armlengte tussen hem en Jahannam overblijft, maar dan gaat het besluit vooraf en begint hij de daden van de bewoners van Jannah te verrichten, waarna hij Jannah binnengaat.”

Imām Muslim heeft deze ḥadīth ook in zijn Ṣaḥīḥ overgeleverd via verschillende ketens, van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه) en andere ṣaḥābah. Vanwege het grote nut zullen deze overleveringen later afzonderlijk worden vermeld.

Volgens de marginale aantekening van al-Qasṭallānī in zijn voetnoot, deel 10, p. 19, in het hoofdstuk “De toestand van de schepping van de mens in de buik van de moeder”, wordt de volgende overlevering vermeld:

102.

Van Abū Bakr ibn Abī Shaybah, Muʿāwiyah en Wakiʿ, evenals Muḥammad ibn Numayr al-Hamadānī van zijn vader, en eveneens Muʿāwiyah’s vader en Wakiʿ en de vader van Ibn Numayr al-Hamadānī, van al-Aʿmash, van Zayd ibn Wahb, van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه), de waarheidsgetrouwe en als waar bevestigde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft het volgende gezegd: “De eerste druppel (nutfah) van een van jullie wordt veertig dagen in de buik van zijn moeder verzameld (of wacht daar), daarna wordt het gedurende dezelfde periode een bloedklonter (ʿalaqah), en daarna gedurende dezelfde periode een stukje vlees (muḍghah).Daarna zendt Allāhu (تعالى) een engel naar hem. De engel blaast de rûh in hem en krijgt de opdracht om vier zaken te schrijven: zijn levensonderhoud (rizq), zijn levensduur (ajal), zijn daden (a`māl), en of hij tot de bewoners van Jannah of Jahannam behoort.Bij Allāh, naast Wie er geen ander godheid is, iemand van jullie kan de daden van de bewoners van Jannah verrichten totdat er slechts een armlengte tussen hem en Jannah overblijft, maar dan gaat het besluit vooraf en begint hij de daden van de bewoners van Jahannam te verrichten, waarna hij Jahannam binnengaat.En iemand van jullie kan de daden van de bewoners van Jahannam verrichten totdat er slechts een armlengte tussen hem en Jahannam overblijft, maar dan gaat het besluit vooraf en begint hij de daden van de bewoners van Jannah te verrichten, waarna hij Jannah binnengaat.”

103. In de overlevering van Wakīʿ ibn al-Jarrāḥ staat:“De eerste druppel (nutfah) van een van jullie blijft veertig nachten in de buik van zijn moeder,” terwijl in de overleveringen van Jarīr en ʿĪsā staat: “veertig dagen.”

104.

Ook in de overlevering van Muʿādh via Shuʿbah staat: “veertig dagen” in plaats van “veertig nachten.”

In deze ḥadīth wordt overgeleverd dat:105. Van Muḥammad ibn ʿAbdullāh ibn Numayr en Zuhayr ibn Ḥarb, van Sufyān ibn ʿUyaynah, van ʿAmr ibn Dīnār, van Abū al-Ṭufayl, van Ḥudhayfah ibn Asīd al-Ghifārī (رضي الله عنه), dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei:“De nutfah blijft veertig of vijfenveertig nachten in de buik van de moeder. Daarna komt de engel tot haar en vraagt: O mijn Rab, zal hij tot de bewoners van Jannah behoren of tot de bewoners van Jahannam? En hij schrijft wat hem wordt geantwoord.Daarna vraagt hij: O mijn Rab, zal een jongen of een meisje zijn?Daarbij worden zijn daden, zijn handelingen, zijn levensduur en zijn levensonderhoud vastgelegd. Vervolgens worden de bladen gesloten. Er wordt niets toegevoegd en er wordt niets van afgenomen.”

In Ṣaḥīḥ Muslim, volgens de marginale aantekening van al-Qasṭallānī in zijn voetnoot, deel 10, p. 74, wordt de volgende overlevering vermeld: 106.

Van Abū Ṭāhir Aḥmad ibn ʿAmr ibn Sarḥ, van Ibn Wahb, van ʿAmr ibn al-Ḥārith, van Abū al-Zubayr al-Makkī, van ʿĀmir ibn Wāthilah dat hij zei: “Ik hoorde ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه) zeggen: ‘De ongelukkige (shaqī) is degene die al in de buik van zijn moeder ongelukkig is, en de gelukkige (saʿīd) is degene die lering trekt uit wat anderen is overkomen.”Daarna kwam hij naar Ḥudhayfah ibn Asīd al-Ghifārī (رضي الله عنه) en vroeg hem: “Hoe kan iemand ongelukkig zijn zonder ook maar een daad te hebben verricht?”Toen antwoordde Ḥudhayfah (رضي الله عنه): “Verbaast dit jou? Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: ‘Wanneer er tweeënveertig nachten zijn verstreken sinds de nutfah in de buik van de moeder is geplaatst, zendt Allāh een engel naar hem. De engel vormt hem en maakt zijn gehoor, zijn zicht, zijn huid, zijn vlees en zijn botten duidelijk en bepaald.Daarna vraagt hij: O mijn Rab, zal het een jongen of een meisje zijn? En jouw Rab beslist zoals Hij wil, en de engel schrijft het op.Vervolgens vraagt de engel: O mijn Rab, wat is zijn levensduur (ajal)? En jouw Rab bepaalt wat Hij wil, en de engel schrijft het op.Daarna vertrekt de engel met het boek (ṣaḥīfah) in zijn hand. Er wordt niets aan toegevoegd en er wordt niets van afgenomen.”

Een andere overlevering van Imām Muslim in dit hoofdstuk luidt als volgt:

107.

Van Muḥammad ibn Aḥmad ibn Abī Khalaf, van Yaḥyā ibn Abī Bukayr, van Zuhayr Abū Khaythamah, van ʿAbdullāh ibn ʿAṭāʾ, van ʿIkrimah ibn Khālid, heeft overgeleverd dat Abū al-Ṭufayl zei: Ik ging naar Abū Sarīḥah (Ḥudhayfah ibn Asīd al-Ghifārī (رضي الله عنه), en hij zei tegen mij: “Met deze twee oren heb ik Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) horen zeggen,” en hij overleverde de ḥadīth:“De nutfah blijft veertig nachten in de baarmoeder, waarna de engel hem vormt.”Zuhayr (een van de overleveraars) zei: “Ik denk dat hij in deze context zei: “de engel die hem vormt.”De ḥadīth gaat verder: De engel vraagt: “O mijn Rab, zal het een jongen of een meisje zijn?” en Allāhu (تعالى) bepaalt het als mannelijk of vrouwelijk.Daarna vraagt de engel: “O mijn Rab, zal het gezond of misvormd zijn?” en Allāh maakt het zoals Hij wil.Vervolgens vraagt hij: “O mijn Rab, wat is zijn levensonderhoud (rizq), zijn levensduur (ajal), en zijn karakter?”Daarna maakt Allāh hem tot een ongelukkige (shaqī) of een gelukkige (sa`īd).

108. In een andere overlevering van Ḥudhayfah ibn Asīd al-Ghifārī (رضي الله عنه) is toegevoegd:“Er wordt een engel aangesteld die over de baarmoeder is belast. Wanneer Allāh iets wil scheppen, voltooit Hij het, met de toestemming van Allāh, binnen om en bij veertig dagen.” Het overige deel komt overeen met de eerder genoemde ḥadīth.

109. Volgens een marfūʿ overlevering van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) heeft hij gezegd:

“Allāhu (تعالى) heeft een engel belast met de baarmoeder.

Deze engel zegt: ‘O mijn Rab, het is een nutfah geworden; o mijn Rab, het is een bloedklonter (ʿalaqah) geworden; o mijn Rab, het is een stukje vlees (muḍghah) geworden.’Wanneer Allāh het wil om daaruit een mens te scheppen, geeft Hij Zijn bevel. Dan vraagt de engel: ‘O mijn Rab, zal het een meisje of een jongen zijn, ongelukkig (shaqī) of gelukkig (sa`īd), wat zal zijn levensonderhoud (rizq) zijn en wanneer zal zijn levensduur (ajal) eindigen?’En hij schrijft dit alles op terwijl het zich nog in de buik van de moeder bevindt.”

Uitleg van aḥadīth 108-109:

De uitdrukking “er blijft slechts een dhirāʿ (armlengte) tussen hem en Jannah” duidt erop dat de afstand zeer klein is.Uit deze overleveringen blijkt dat de zichtbare daden slechts tekenen zijn die bepaalde toestanden aan het licht brengen. Waar iets uiteindelijk op uitloopt, is reeds in de voorbeschikking van Allāh (qadar) vastgelegd.Imām an-Nawawī legt in zijn commentaar uit dat de uitdrukking “de waarheidsgetrouwe en als waar bevestigde” betekent: iemand die altijd de waarheid spreekt en wiens verkondigingen in de loop van de tijd door openbaring bevestigd worden.In de verschillende overleveringen bestaan uiteenlopende beschrijvingen over het moment waarop de engel komt. De geleerden hebben deze als volgt met elkaar in overeenstemming gebracht: “De engel wordt vanaf het moment dat de nutfah zich in de baarmoeder nestelt daaraan toegewezen en volgt de ontwikkelingen. Wanneer de tijd daar is, zegt hij: “O mijn Rab, het is een nutfah geworden; een bloedklonter (ʿalaqah) en een stukje vlees (muḍghah) geworden.’Met de toestemming van Allāhu (تعالى) meldt hij elke ontwikkeling in de baarmoeder op het juiste moment.Allāhu (تعالى) weet alles wat gebeurt het best.De engel heeft specifieke momenten waarop hij spreekt en zijn taak uitvoert. Het eerste moment is wanneer Allāhu (تعالى) de nutfah schept en deze laat overgaan in de vorm van een ʿalaqah (bloedklonter). Op dat moment weet de engel voor het eerst dat er een kind zal ontstaan, want niet uit elke nutfah ontstaat een kind. Deze overgang vindt plaats na veertig dagen. Op dit moment schrijft de engel het levensonderhoud (rizq), de levensduur (ajal), de daden (aʿmāl) en of het kind saʿīd (gelukkig) of shaqī (ongelukkig) zal zijn.

Daarna verricht de engel op een ander moment een tweede handeling, namelijk het vormgeven van het kind: het vormen van de oren, ogen, huid, botten en de geslachtskenmerken (een jongen of een meisje). Dit is de tweede handeling van de engel. Dit vindt plaats in de derde periode van veertig dagen, namelijk de fase waarin de bloedklonter (ʿalaqah) overgaat in een stukje vlees (muḍghah). De vormgeving wordt voltooid vóórdat de derde periode van veertig dagen eindigt en vóórdat de rûh erin wordt geblazen. De rûh wordt namelijk pas ingeblazen nadat de vorm van het kind volledig duidelijk en vastgesteld is.

In een van de overleveringen waarin staat: “Nadat er tweeënveertig dagen zijn verstreken sinds de nutfah in de baarmoeder is geplaatst, zendt Allāh een engel naar haar.

De engel geeft vorm aan die nutfah en maakt zijn oren, ogen, huid, vlees en botten duidelijk en bepaald...”, zeggen de Qur’ān-excegeet (mufassir) al-Bayḍāwī en anderen het volgende: “Dit moet niet letterlijk op zijn uiterlijke betekenis worden genomen, want als het letterlijk wordt opgevat, klopt het niet. De bedoeling is dat wordt opgeschreven welke vorm het kind zal krijgen. Daarna wordt wat opgeschreven is op een later moment daadwerkelijk gerealiseerd. Want het is algemeen bekend dat er in de praktijk na de eerste veertig dagen nog geen volledige vormgeving van het kind plaatsvindt. De vorm van het kind wordt pas voltooid tijdens de derde periode van veertig dagen.

Dit is de fase waarin de bloedklonter (ʿalaqah) overgaat in een stukje vlees (muḍghah).Zoals ook in de Qurʾān wordt gezegd:وَلَقَدۡ خَلَقۡنَا ٱلۡإِنسَٰنَ مِن سُلَٰلَةٖ مِّن طِينٖ ١٢En voorwaar, Wij hebben de mens uit een extract van klei geschapen.ثُمَّ جَعَلۡنَٰهُ نُطۡفَةٗ فِي قَرَارٖ مَّكِينٖ ١٣Toen maakten Wij hem tot een druppel (en brachten het onder) in een veilig onderkomen.ثُمَّ خَلَقۡنَا ٱلنُّطۡفَةَ عَلَقَةٗ فَخَلَقۡنَا ٱلۡعَلَقَةَ مُضۡغَةٗ فَخَلَقۡنَا ٱلۡمُضۡغَةَ عِظَٰمٗا فَكَسَوۡنَا ٱلۡعِظَٰمَ لَحۡمٗا ثُمَّ أَنشَأۡنَٰهُ خَلۡقًا ءَاخَرَۚ فَتَبَارَكَ ٱللَّهُ أَحۡسَنُ ٱلۡخَٰلِقِينَ ١٤\Toen vormden Wij de druppel tot een bloedklonter, daarna maakten Wij van de klonter een kleine vleesklomp, waarna Wij die kleine vleesklomp voorzagen van beenderen, vervolgens bekleedden Wij die beenderen met vlees en later brachten Wij het voort als een andere schepping. Gezegend dus is Allāh, de Beste der Scheppers. (Muʾminūn, 23:12–14)

Na vier maanden, nadat de rûh in de foetus is geblazen, geeft de engel hem nog een verdere vorm.

De geleerden zijn het erover eens dat het inblazen van de rûh pas plaatsvindt na het voltooien van vier maanden. In een overlevering in de Ṣaḥīḥ van al-Bukhārī staat:“De schepping van een van jullie begint als een nutfah die veertig nachten in de buik van zijn moeder blijft. Daarna wordt het gedurende dezelfde tijd een bloedklonter (ʿalaqah), vervolgens gedurende dezelfde tijd een stukje vlees (muḍghah). Daarna zendt Allāhu (تعالى) een engel naar hem, aan wie de opdracht wordt gegeven om vier zaken te schrijven: zijn levensonderhoud (rizq), zijn levensduur (ajal), zijn daden (aʿmāl), en of hij tot de bewoners van Jannah of Jahannam behoort.

Daarna wordt de rûh in hem geblazen.”

De uitdrukking “daarna” duidt erop dat het schrijven van de engel van deze zaken plaatsvindt na het verstrijken van de derde periode van veertig dagen.

In sommige andere overleveringen lijkt het alsof dit al na de eerste veertig dagen gebeurt. De geleerden hebben dit als volgt verklaard: “De woorden “daarna wordt een engel gezonden...” zijn verbonden met de zin “veertig dagen blijft hij in de baarmoeder als nutfah”, en niet met de daaropvolgende zinnen. De zin “vervolgens wordt hij een bloedklonter...” is een tussenzin (jumlatun muʿtaridah), die ter verduidelijking is ingevoegd. Dit komt veel voor in de Arabische taal, en er zijn vele voorbeelden hiervan in de Qurʾān, in authentieke ḥadīth en in het gewone Arabisch taalgebruik”.

al-Bayḍāwī en andere mufassirūn zeggen: “De betekenis van het feit dat de engel wordt gezonden om deze zaken te schrijven, is dat die engel daarmee wordt opgedragen om datgene uit te voeren wat vermeld is. In wezen maakt de ḥadīth echter duidelijk dat de engel reeds van meet af aan aan de moederschoot is toegewezen. Zoals eerder is vermeld, zegt de engel: “O mijn Rab, het is een nutfah geworden; o mijn Rab, het is een bloedklonter (`alaqah) geworden.”In de overlevering van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) staat: “Wanneer Allāh daaruit een mens wil scheppen, geeft Hij Zijn bevel. Dan zegt de engel: O mijn Rab, zal het een meisje of een jongen zijn...”Dit is niet in tegenspraak met de uitleg die wij eerder hebben gegeven. Hier wordt dit vermeld nadat is gezegd dat de engel dit uitspreekt en dat de bloedklonter (`alaqah) een stukje vlees (muḍghah) wordt. Omdat hiermee echter een nieuw onderwerp wordt geïntroduceerd, geldt dit als het begin van de uitspraak. Daarmee wordt een afzonderlijke situatie en het begin van een nieuwe ontwikkeling bedoeld.

In deze overlevering wordt eerst in volgorde beschreven in welke stadia de nutfah overgaat van de ene toestand naar de andere. In het tweede deel wordt vervolgens gesproken over wat de engel zegt wanneer Allāhu (تعالى) de nutfah wil laten overgaan in een `alaqah.

Daarnaast vindt het schrijven van de rızq (levensonderhoud), de ajal (levensduur), het al dan niet behoren tot de bewoners van Jannah of Jahannam, de aʿmāl (daden) en het een jongen of een meisje zal zijn op basis van het bevel dat de engel ontvangt om dit te registreren en uit te voeren wat hem wordt meegedeeld.

De kennis (`ilm), het besluit (hukm) en de wil (iradah) van Allāhu (تعالى) hierover bestonden echter reeds vóór deze gebeurtenissen. De kennis van Allāh is eeuwig en voorafgaand aan alles.

In de ḥadīth waar wordt gezegd: “er blijft tussen een van jullie en Jannah slechts een armlengte (dhirāʿ) over…”, wordt bedoeld dat de toestand van die persoon kan veranderen op het moment waarin hij dicht bij de dood staat en in die toestand sterft, waardoor het mogelijk wordt dat hij Jannah binnen gaat. Wanneer wordt gezegd dat er slechts een armlengte afstand over is, wordt daarmee een nabijheid bedoeld die lijkt op de situatie van iemand in deze wereld die nog maar een kleine afstand hoeft af te leggen om zijn bestemming te bereiken.

Het doel van deze ḥadīth is om aan te geven dat deze situatie niet iets algemeens is, maar eerder een zeldzame toestand onder mensen. Het terugkeren van mensen naar het goede nadat zij veel slechte daden hebben verricht, behoort tot Allāhu (تعالى) edelmoedige gunst en de onmetelijke omvang van Zijn barmhartigheid. Het omgekeerde, dat iemand van een staat van goedheid naar slechtheid verandert, komt zeer zelden voor en is uiterst uitzonderlijk. “Mijn genade (raḥmah) heeft Mijn toorn/woede (ghaḍab) overtroffen”en “Mijn genade heeft de overhand op Mijn toorn/woede” wijst ook op deze betekenis.

De overgang van een mens van een staat van goedheid naar slechtheid gebeurt door het verrichten van daden die leiden tot ongeloof (kufr) of zonden die Jahannam noodzakelijk maken. De toestand van deze twee is echter verschillend: de ene zal eeuwig in Jahannam verblijven, terwijl de ander er slechts een straf ondergaat en daarna wordt bevrijd.Wie overlijdt in een toestand van ongeloof (kufr), zal eeuwig in Jahannam blijven.

Degene die sterft terwijl hij de eenheid van Allāhu (تعالى) heeft erkend en in zijn wereldse leven zonden heeft begaan, zal, zoals eerder is vermeld, niet eeuwig in Jahannam verblijven.

In deze ḥadīth wordt duidelijk bevestigd dat de voorbeschikking (qadar) waarheid is. Tevens wordt aangegeven dat berouw (tawbah) eerdere zonden uitwist. Ook uit de ḥadīth blijkt dat de mens geoordeeld wordt naar de toestand waarin hij sterft. Over degenen die zonden hebben begaan zonder in kufr te vervallen, geldt dat Allāhu (تعالى) bepaalt of zij straf zullen ondergaan of vergeving zullen ontvangen. Allāh weet het het beste.

12. Overleveringen met betrekking tot het spreken van Allāh over de rahm (familieband)

Overlevering van het “aanspreken van de rahm”

Deze ḥadīth is door al-Bukhārī overgeleverd in Kitāb at-Tafsīr, in het hoofdstuk over Sūrah Muhammad, deel 6, blz. 134, in de hoofdstukrubriek die betrekking heeft op de betekenis van de uitspraak van Allāhu Ta`ala: فَهَلۡ عَسَيۡتُمۡ إِن تَوَلَّيۡتُمۡ أَن تُفۡسِدُواْ فِي ٱلۡأَرۡضِ وَتُقَطِّعُوٓاْ أَرۡحَامَكُمۡ ٢٢Zouden jullie dan, als jullie je afwenden onheil in het land verrichten en de familiebanden geweld" aandoen? (Muḥammad, 47:22)

110.Van Sulaymān Muʿāwiyatu’bnu Abī Muzarred, van zijn oom Saʿīd ibn Yasār, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh schiep de schepselen. Toen Hij daarmee klaar was, stond de rahm (familieband) op en greep zich vast aan de schoot van ar-Raḥmān. ar-Raḥmān zei: ‘Laat los.’ De rahm zei: ‘Dit is de plaats (maqām) waar ik mijn toevlucht zoek tegen het verbreken van de band met mij.’ar-Raḥmān zei: “Ben je er niet tevreden mee dat Ik verbonden ben met degene die jouw rechten nakomt (die de familiebanden niet verbreekt), en dat Ik degene die jouw rechten niet nakomt en de familiebanden verbreekt, van Mij afsnijd?”De rahm antwoordde: ‘Ja, ik ben tevreden, mijn Rab.’ Daarop zei ar-Raḥmān: ‘Dan schenk Ik jou dat wat jij hebt gevraagd.”Abū Hurayrah zei daarna:فَهَلۡ عَسَيۡتُمۡ إِن تَوَلَّيۡتُمۡ أَن تُفۡسِدُواْ فِي ٱلۡأَرۡضِ وَتُقَطِّعُوٓاْ أَرۡحَامَكُمۡ ٢٢Zouden jullie dan, als jullie je afwenden onheil in het land verrichten en de familiebanden geweld aandoen? (Muḥammad, 47:22)

111. al-Bukhārī heeft in dezelfde hoofdstukrubriek een andere overlevering met een keten die teruggaat tot Abū Hurayrah (رضي الله عنه), waarin wordt vermeld:

“Daarna heeft Abū Hurayrah (رضي الله عنه) van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overgeleverd dat hij zei: ‘Als jullie willen, lees dan het vers: Zouden jullie dan, als jullie je afwenden onheil in het land verrichten en de familiebanden geweld aandoen? (zie hierboven: Muḥammad, 47:22)

Deze ḥadīth is door al-Bukhārī ook overgeleverd in Kitāb at-Tawḥīd en Kitāb al-Adab. Muslim heeft deze eveneens overgeleverd in Kitāb al-Adab, en an-Nasā’ī in Kitāb at-Tafsīr.

112. Volgens de overlevering van at-Tirmidhī heeft ʿAbdurraḥmān ibn ʿAwf (رضي الله عنه) gezegd dat hij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hoorde zeggen: “Allāhu (تعالى) zei: ‘Ik ben Allāh, Ik ben ar-Raḥmān. Ik heb de rahm (familieband) geschapen en haar een naam afgeleid van Mijn Naam gegeven. Wie haar recht onderhoudt door de familiebanden aan te halen, met hem zal Ik verbonden zijn en hem helpen. En wie de familieband verbreekt, met hem zal Ik de band verbreken.”

at-Tirmidhī heeft gezegd dat deze ḥadīth ḥasan ṣaḥīḥ is.

113.Ook Abū Dāwūd heeft deze ḥadīth overgeleverd via ʿAbdurraḥmān ibn ʿAwf (رضي الله عنه), die zei: “Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: Allāhu (تعالى) zegt: “Ik ben ar-Raḥmān. Voor de raḥim (verwantschapsen familieband) heb Ik een naam afgeleid van Mijn Eigen Naam. Wie de familiebanden onderhoudt, met hem onderhoud Ik de band en schenk Ik Mijn steun/hulp. En wie de familiebanden verbreekt, met hem verbreek Ik de band.”

Abū Dāwūd heeft deze ḥadīth overgeleverd in deel 2, blz. 77, in het hoofdstuk “Het onderhouden van de familiebanden.”

Uitleg van de ahādīth 110-113

Met de woorden “de raḥim (familieband) stond op” wordt bedoeld dat de familieband als iets wordt voorgesteld dat een vorm en gestalte heeft gekregen.Over de uitspraak “zij greep zich vast aan de schoot (rida) van ar-Raḥmān” zegt al-Qāḍī al-Bayḍāwī: “Deze uitdrukking wordt gebruikt omdat het onder de mensen gebruikelijk is dat iemand die hulp zoekt zich vastklampt aan de zoom van het gewaad of aan een hoek van de ridāʾ van degene van wie hij hulp verlangt. Door zich aan zijn kleding vast te houden, geeft hij te kennen dat hij aandringt op zijn verzoek om hulp. Het is alsof hij daarmee aangeeft dat hij wil dat die persoon hem beschermt zoals hij datgene beschermt wat hij onder zijn gewaad bewaart, en dat hij het leed van hem wegneemt. Hij blijft zich aan zijn kleding vastklampen en laat niet los.Deze onder de mensen bekende gewoonte is vervolgens bij wijze van beeldspraak (majāz) ook gebruikt voor de familieband (raḥim). Daarmee wordt de grote waarde van het onderhouden van de familiebanden en het sterke beroep daarop tot uitdrukking gebracht.

aṭ-Ṭayyibī schrijft: Hier is sprake van een beeldspraak (majāz) die berust op een vergelijking. De familieband (raḥim) en haar behoefte aan het onderhouden van de verwantschapsrelaties, evenals haar afkeer van het verbreken ervan, worden vergeleken met de toestand van een behoeftige die zich vastklampt aan de zoom van het gewaad van iemand van wie hij een gunst of hulp verlangt. Op grond van deze vergelijking is de uitdrukking die voor het voorbeeld wordt gebruikt, ook toegepast op datgene waarmee het wordt vergeleken. Dit is gedaan omdat die uitdrukking de bedoelde situatie vanuit verschillende gezichtspunten treffend weergeeft en verduidelijkt.

al-Qābisī zegt: Abū Zayd vermeed het om de uitdrukking “de zoom van ar-Raḥmān” te gebruiken, omdat sommige mensen moeite zouden kunnen hebben om deze correct te begrijpen. Daarom zei hij: “Hoewel deze uitdrukking in de overlevering voorkomt, spreek ik haar niet uit uit eerbied voor de verhevenheid van Allāh en om Hem vrij te verklaren van alles wat niet bij Hem past (tanzīh).”

De betekenis kan hier ook zijn dat een engel opstond en namens de familieband (raḥim) sprak. Dit berust dan op het taalkundige principe van het weglaten van een impliciet woord (ḥadhf al-muḍāf).

Daarnaast kan de uitdrukking worden opgevat als een voorbeeldspraak of beeldspraak (majāz), bedoeld om de betekenis dichter bij het begrip van de toehoorder te brengen.

De betekenis en bedoeling die uit deze gehele ḥadīth wordt begrepen, is dat de familieband (ṣilat al-raḥim) een zaak van groot belang is.

Wie de familiebanden onderhoudt, bezit een grote deugd en verdienste, terwijl degene die deze banden verbreekt zondig handelt.

Dat Allāhu (تعالى) Zich verbindt met degene die de familiebanden onderhoudt, betekent dat Hij hem Zijn barmhartigheid, genade en zorg schenkt. En dat Hij de band verbreekt met degene die de familiebanden verbreekt, betekent dat Hij hem niet met die bijzondere barmhartigheid en genade behandelt.

an-Nawawī zegt: Het onderhouden van familiebanden is in algemene zin verplicht (wājib), en het verbreken ervan is een zonde. De graden van het onderhouden van familiebanden verschillen echter; sommige zijn sterker en belangrijker dan andere.

In een marfūʿ ḥadīth die is overgeleverd van Abū Bakrah (رضي الله عنه) staat: “Van alle zonden zijn de zonden waarvoor Allāh het snelst een bestraffing in deze wereld laat plaatsvinden, terwijl Hij de bestraffing ervan in het Hiernamaals eveneens bewaart, onrechtvaardige overtreding (baghy) en het verbreken van de familiebanden (qaṭʿ al-raḥim).” Deze ḥadīth is overgeleverd door Aḥmad ibn Ḥanbal.

Eveneens heeft Aḥmad ibn Ḥanbal van Thawbān (رضي الله عنه) een marfūʿ overlevering overgeleverd: “Wie graag wil dat zijn levensduur wordt verlengd en zijn levensonderhoud wordt verruimd, laat hem dan de familieband onderhouden.” En Allāhu (تعالى) weet het het beste.

13. Overleveringen met betrekking tot de ṣalāh: De verplichtstelling van de ṣalāh en de ḥadīth van al-Isrā’

Deze ḥadīth is door al-Bukhārī overgeleverd in deel 1, blz. 78-79, in het hoofdstuk: “Hoe werden de ṣalawāt tijdens al-Isrā’ verplicht gesteld?”

114. Van Yaḥyā ibn Bukayr, van al-Layth, van Yūnus, van Ibn Shihāb, van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Abū Dhar (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Toen ik in Makkah was, werd het plafond van mijn huis geopend en daalde Jibrīl (عليه السلام) neer. Hij opende mijn borst en waste deze met Zamzam-water. Vervolgens bracht hij een gouden schaal gevuld met wijsheid (hikmah) en geloof (īmān), die hij in mijn borst uitstortte. Daarna sloot hij mijn borst weer. Vervolgens nam hij mij bij de hand en steeg met mij op naar de laagste hemel.Toen wij bij de laagste hemel kwamen, zei Jibrīl (عليه السلام) tegen de bewaker van de hemel: ‘Open.’ - ‘Wie is daar?’ - ‘Jibrīl.’ - ‘Is er iemand bij jou?’ - ‘Ja, Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) is bij mij.’ - “Werd er een boodschapper naar hem gestuurd?” - ‘Ja.’Toen de deur geopend werd, betraden wij de laagste hemel. Daar zagen wij een man zitten, met aan zijn rechteren linkerzijde verschillende mensen. Wanneer hij naar zijn rechterzijde keek, glimlachte hij, en wanneer hij naar zijn linkerzijde keek, huilde hij. Toen wij bij hem kwamen, zei hij: ‘Welkom aan de rechtschapen Nabī en het rechtschapen kind.’Ik vroeg aan Jibrīl (عليه السلام): ‘Wie is dit?’ - ‘Dit is Ādam (عليه السلام). De mensen aan zijn rechteren linkerzijde zijn de arwāḥ van zijn kinderen. Degenen aan zijn rechterzijde zijn de bewoners van Jannah, en degenen aan zijn linkerzijde zijn de bewoners van Jahannam. Daarom glimlacht hij wanneer hij naar zijn rechterzijde kijkt en huilt hij wanneer hij naar zijn linkerzijde kijkt.”Daarna werd ik opgeheven naar de tweede hemel.Jibrīl zei tegen de bewaker daarvan: ‘Open.’ De bewaker van deze hemel zei hetzelfde als de eerste bewaker, waarna hij de deur opende.”De overleveraar Anas (رضي الله عنه) zei: “an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vermeldde dat hij in de hemelen Ādam, Idrīs, Mūsā, ʿĪsā en Ibrāhīm (عليهم السلام) ontmoette, maar hij specificeerde hun verblijfplaatsen niet.

Alleen vermeldde hij dat hij Ādam (عليه السلام) in de laagste hemel ontmoette en Ibrāhīm (عليه السلام) in de zesde hemel.”Anas (رضي الله عنه) vervolgt zijn woorden en zegt:“Toen Jibrīl an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) langs Idrīs (عليه السلام) leidde, zei hij: ‘Welkom aan de rechtschapen Nabī en de rechtschapen broeder.’ an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei:‘Ik vroeg aan Jibrīl: “Wie is dit?” - “Dit is Idrīs (عليه السلام).”Daarna ging ik langs Mūsā (عليه السلام). Hij zei: ‘Welkom aan de rechtschapen broeder en de rechtschapen Nabī.’ Ik vroeg aan Jibrīl: ‘Wie is dit?’ - ‘Dit is Mūsā (عليه السلام).’Vervolgens ging ik langs ʿĪsā (عليه السلام). Ook hij zei: ‘Welkom aan de rechtschapen broeder en de rechtschapen Nabī.’ Ik vroeg aan Jibrīl: ‘Wie is dit?’ - ‘Dit is Ibrāhīm (عليه السلام).”Een van de betrouwbare overleveraars, Ibn Shihāb, zei: “Ibn Ḥazm vertelde mij dat Ibn ʿAbbās en Abū Ḥayyah al-Anṣārī (رضي الله عنهم) later overleverden dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Daarna werd ik verder omhoog gebracht, totdat ik op een plaats kwam waar ik het krassen van de pennen hoorde.”

Van Ibn Ḥazm en Anas ibn Mālik (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) verplichtte vijftig ṣalawāt aan mijn ummah. Daarna keerde ik terug en passeerde ik Mūsā (عليه السلام), die vroeg:‘Wat heeft jouw Rab jouw ummah verplicht gesteld?’

- ‘Vijftig (daags)ṣalawāt.’

- ‘Keer terug naar jouw Rab, want jouw ummah zal daartoe niet in staat zijn.’

Daarop keerde ik terug en mijn Rab verminderde een deel ervan.

Vervolgens ging ik opnieuw naar Mūsā en zei: ‘Mijn Rab heeft de helft ervan verminderd.’

- ‘Keer terug naar jouw Rab, want jouw ummah zal ook daartoe niet in staat zijn.’

Ik keerde terug naar mijn Rab en Hij verminderde opnieuw een deel ervan.

Daarna ging ik weer naar Mūsā, die opnieuw zei: ‘Keer terug naar jouw Rab, want jouw ummah zal zelfs hiertoe niet in staat zijn.’

Toen ging ik opnieuw terug naar mijn Rab en Hij zei: ‘Ik heb het teruggebracht tot vijf (dagelijks) ṣalawāt, maar voor deze vijf is er de beloning van vijftig. Bij Mij wordt het Woord niet veranderd.’

Daarna ging ik opnieuw naar Mūsā, die weer zei: ‘Keer terug naar jouw Rab.’

Maar ik antwoordde: ‘Ik schaam mij tegenover mijn Rab.”

Daarna steeg Jibrīl met mij verder omhoog totdat hij samen met mij bij Sidrah al-Muntahā kwam. Daar werd het bedekt met kleuren waarvan ik niet wist wat zij waren. Vervolgens werd ik Jannah binnengeleid. Daar zag ik kettingen van parels, en de aarde ervan was van muskus.”

Uitleg van de 114ste ḥadīth

In de ḥadīth beschrijft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het huis waarin Hij zich bevond op het moment dat deze gebeurtenis plaatsvond aan Zichzelf toe door te zeggen: “mijn huis”. Daarmee verwijst Hij naar de woning waarin Hij op dat moment verbleef. Het staat vast dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zich op dat moment in het huis van Umm Hānī (رضي الله عنها) bevond. Dat de gouden schaal werd gebruikt, hield verband met de zuiverheid van Rasûlullāhs (صلى الله عليه وسلم) hart. Deze gebeurtenis vond plaats in Makkah vóórdat het gebruik van gouden voorwerpen verboden werd verklaard.

Dat de schaal gevuld was met geloof (īmān) en wijsheid (ḥikmah) kan erop duiden dat hier de oorzaak wordt genoemd terwijl in werkelijkheid het gevolg bedoeld wordt; namelijk dat deze schaal aanleiding gaf tot het ontstaan van īmān en wijsheid. Het kan ook gaan om een symbolische verbeelding, waarbij een verstandelijke betekenis zichtbaar wordt gemaakt via iets zintuiglijks, zoals de dood die in de vorm van een bontgekleurde ram zal worden gebracht (en op de Brug zal worden geslacht.)

Ḥikmah is een uitdrukking die gebruikt wordt voor:- kennis van zaken die betrekking hebben op maʿrifatullāh (het kennen van Allāhu (تعالى)),- het ontwikkelen van inzicht,- het disciplineren van de nafs,- het herkennen van de waarheid en ernaar handelen,- en het weerhouden van de nafs van nutteloze begeerten en valse zaken.Er is ook gezegd dat met ḥikmah hier het profeetschap bedoeld wordt. Eveneens is gezegd dat ḥikmah een door Allāhu (تعالى) geschonken begrip en inzicht is.

Nadat Jibrīl (عليه السلام) de schaal gevuld met īmān en ḥikmah in de borst van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had uitgestort, sloot hij deze weer en verzegelde haar zoals een gevulde schaal verzegeld wordt.

Allāhu (تعالى) heeft in Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) alle eigenschappen van het profeetschap samengebracht en hem tot de laatste Nabī en het zegel (van de anbiyā) gemaakt. Hij heeft hem verzegeld, zodat zijn vijanden geen weg konden vinden om hem te bereiken. Want iets dat verzegeld is, staat onder bescherming.

Dit gebeurde zodat de schittering van al-Asmā’ al-Ḥusnā (de Meest Schone Namen van Allāhu (تعالى)) op de meest volmaakte wijze in hem zichtbaar zal worden, zich zal versterken, en zodat hij standvastig zal blijven op de hoogste rang.Toen de engel Jibrīl (عليه السلام) over an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Is er een boodschapper (Rasûl) naar hem gezonden?” bedoelde hij daarmee of er toestemming was gegeven voor zijn opstijging naar de hemelen; hij bedoelde niet of hem het profeetschap was verleend.

Ādam (عليه السلام) zei: “Welkom aan het rechtschapen kind.” Het woord “marhabah (welkom)” wordt gebruikt voor iemand die van een plaats aankomt. Dat Ādam (عليه السلام) het woord “rechtschapen” gebruikte, komt doordat dit woord een betekenis bevat die alle andere goede eigenschappen omvat.

Met de woorden: “Mijn Rab verminderde een deel ervan” wordt bedoeld dat Hij het aantal ṣalawāt terugbracht tot vijf tijden (per dag). Over deze vermindering bestaan verschillende overleveringen. In sommige overleveringen wordt vermeld dat de vermindering telkens met vijf plaatsvond, terwijl in andere wordt vermeld dat zij telkens met tien werd verminderd. Volgens de meest authentieke overleveringen blijkt echter dat de vermindering telkens met vijf plaatsvond.

al-Ḥāfiẓ Ibn Ḥajar schrijft: De uitspraak: “Ik heb het teruggebracht tot vijf ṣalawāt, maar voor deze vijf is er de beloning van vijftig” komt overeen met de ayah:مَن جَآءَ بِٱلۡحَسَنَةِ فَلَهُۥ عَشۡرُ أَمۡثَالِهَاۖ وَمَن جَآءَ بِٱلسَّيِّئَةِ فَلَا يُجۡزَىٰٓ إِلَّا مِثۡلَهَا وَهُمۡ لَا يُظۡلَمُونَ ١٦٠Iedereen die een goede daad verricht zal tien maal daarvan de prijs krijgen en iedereen die een slechte daad verricht zal slechts de vergelding van het gelijkwaardige krijgen en hen zal geen onrecht aangedaan worden. (Anʿām, 6:160)

Dit wordt aangehaald als bewijs dat behalve de vijf dagelijkse ṣalawāt geen andere ṣalāh verplicht is gesteld, zoals bijvoorbeeld de ṣalāh al-witr.

Uit de ḥadīth blijkt dat een bevel (amr) ook vóórdat ermee wordt gehandeld kan worden opgeheven (naskh). De Muʿtazilah heeft echter bezwaar aangetekend tegen deze zienswijze. Alle geleerden zijn het er echter unaniem over eens dat naskh (opheffing/abrogatie) niet kan plaatsvinden vóór de tablīgh (bekendmaking aan de an-Nabī (صلى الله عليه وسلم)), dus voordat het aan an-Nabī is meegedeeld.

De betekenis van de uitspraak, “Bij Mij wordt het Woord niet veranderd” is: “Een oordeel dat bij Mij definitief vaststaat, wordt niet veranderd. Wat echter in een voorwaardelijke toestand (muʿallaq) verkeert, is anders: daarvan wist Allāhu (تعالى) wat Hij wil en bevestigt Hij wat Hij wil.”

Het feit dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn Rab keer op keer raadpleegde over de vermindering van de ṣalāh, laat zien dat het eerste besluit nog niet als definitief vaststaand was vastgesteld.

Zijn woorden, “Ik schaam mij tegenover mijn Rab” geven aan dat hij daarna niet opnieuw om verdere vermindering heeft gevraagd, uit vrees dat dit zou neerkomen op het volledig opheffen van de vijf ṣalawāt. Want telkens wanneer hij terugkeerde, werden opnieuw vijf ṣalawāt vastgesteld. En wanneer steeds opnieuw vijf ṣalawāt werden vastgesteld, hoe zou hij dan nog kunnen vragen om diezelfde vijf opnieuw te verminderen? Na de uitspraak van Allāhu (تعالى): “Bij Mij wordt het Woord niet veranderd”, kon er geen verdere vermindering meer gevraagd worden.

Sidrah al-Muntahā is de hoogste grens van de hemelen. Het wordt zo genoemd omdat de kennis van de engelen daar eindigt en niet verder gaat. Niemand behalve Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) is daar voorbij gegaan. Er is ook gezegd dat het zo heet omdat de arwāḥ van de martelaren daar eindigen.

Dat de aarde van Jannah als musk wordt beschreven, betekent dat zij een geur heeft zoals musk en daarvan doordrongen is.

Uit Sahîh Muslim is ook de ḥadīth overgeleverd betreffende het verplicht stellen van de ṣalāh. Deze ḥadīth is volgens de marginale aantekeningen van al-Qasṭallānī te vinden in deel 2, blz. 53, in het hoofdstuk “De Isra’ van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en de verplichtstelling van de ṣalāh”.

115. Van Shaybān ibn Farrūkh, van Ḥammād ibn Salamah, van Thābit al-Bunānī, van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Mij werd al-Burāq gebracht. Het was een wit dier, groter dan een ezel maar kleiner dan een muildier. Zijn stap reikte tot waar zijn blik reikte. Ik reed erop tot ik bij Bayt al-Maqdis aankwam. Ik bond het vast aan de ring waaraan de anbiyā hun rijdieren vastbinden. Vervolgens ging ik de moskee binnen en verrichtte daar twee rakʿāt ṣalāh. Daarna ging ik naar buiten.Jibrīl (عليه السلام) bracht mij een beker met wijn en een beker met melk. Ik koos de melk.

Jibrīl zei: ‘Jij hebt de fıṭrah (de natuurlijke aanleg, het rechte pad) gekozen.’Vervolgens stegen wij op naar de hemel. Jibrīl vroeg om de deur te openen. Er werd gevraagd: ‘Wie is daar?’ - ‘Jibrīl.’ - ‘Wie is er met jou?’ - ‘Muḥammad (صلى الله عليه وسلم).’ - “Werd er een boodschapper naar hem gestuurd?” - ‘Hij is gezonden.’Daar ontmoette ik ʿĪsā ibn Maryam (عليه السلام) en Yaḥyā ibn Zakariyyā (عليه السلام), die mij goed ontvingen en voor mij duʿā’ verrichtten om het goede.Vervolgens stegen wij naar de derde hemel. Jibrīl vroeg om de deur te openen. - ‘Wie is daar?’ - ‘Jibrīl.’ - ‘Wie is er met jou?’ - ‘Muḥammad.’ - “Werd er een boodschapper naar hem gestuurd?” - ‘Hij is gezonden.’ De deur werd geopend.Ik ontmoette daar Yūsuf (عليه السلام), aan wie de helft van alle schoonheid was gegeven. Hij ontving mij goed en verrichtte duʿā` voor mij.Vervolgens stegen wij naar de vierde hemel. Jibrīl vroeg om de deur te openen. - ‘Wie is daar?’ - ‘Jibrīl.’ - ‘Wie is er met jou?’ - ‘Muḥammad.’ - “Werd er een boodschapper naar hem gestuurd?” - ‘Hij is gezonden.’ De deur werd geopend.Ik ontmoette daar Idrīs (عليه السلام). Hij ontving mij goed en verrichtte duʿā’ voor mij. Allāhu (تعالى) zegt in de Qurʾān: ‘En Wij hebben hem naar een verheven plaats opgeheven.’Vervolgens stegen wij naar de vijfde hemel. Jibrīl vroeg om de deur te openen. - ‘Wie is daar?’ - ‘Jibrīl.’ - ‘Wie is er met jou?’ - ‘Muḥammad.’ - “Werd er een boodschapper naar hem gestuurd?” - ‘Hij is gezonden.’ De bewaker opende de deur.Daar ontmoette ik Hārūn (عليه السلام). Hij ontving mij goed en verrichtte duʿā’ voor mij.Daarna stegen wij op naar de zesde hemel.

Jibrīl (عليه السلام) vroeg om de deur te openen. - “Wie is daar?” - “Jibrīl.” - “Wie is er met jou?” - “Muḥammad (صلى الله عليه وسلم).” - “Is hij gezonden?” - “Hij is gezonden.” De deur werd geopend.Daar ontmoette ik Mūsā (عليه السلام). Hij ontving mij goed en verrichtte duʿā’ voor mij.Daarna stegen wij op naar de zevende hemel. Jibrīl vroeg om de deur te openen. - “Wie is er met hem?” - “Muḥammad.” - “Is hij gezonden?” - “Hij is gezonden.”Daar zag ik Ibrāhīm (عليه السلام) met zijn rug geleund tegen Bayt al-Maʿmūr. Elke dag gaan daar zeventigduizend engelen binnen en zij keren nooit meer terug.Daarna ging (Jibrīl) verder tot aan Sidrat al-Muntahā. De bladeren van Sidrat al-Muntahā waren als de oren van olifanten en de vruchten leken op kruiken. Wat Allāhu (تعالى) daarvan met Zijn bevel bedekte, gaf het een ander uiterlijk, en de schoonheid ervan op dat moment kan geen van de schepselen van Allāhu (تعالى) beschrijven.Daar openbaarde mijn Rab aan mij wat Hij wilde openbaren en Hij verplichtte mij vijftig ṣalawāt per dag en nacht.Ik keerde terug naar Mūsā (عليه السلام). - “Wat heeft jouw Rab jouw ummah verplicht?” - “Vijftig ṣalawāt.” - “Keer terug naar jouw Rab en vraag om vermindering, want jouw ummah zal daartoe niet in staat zijn. Ik heb de kinderen van Isrā’īl al getest en hun toestand gezien.”Ik keerde terug naar mijn Rab en zei: “O mijn Rab, verlicht wat U mijn ummah hebt verplicht.” Hij verminderde het tot vijf ṣalawāt.Ik ging terug naar Mūsā en zei: “Mijn Rab heeft het tot vijf ṣalawāt verminderd.” - “Zelfs dat is te zwaar voor jouw ummah. Keer terug naar jouw Rab en vraag opnieuw om vermindering.”Zo ging ik steeds heen en weer tussen mijn Rab en Mūsā, totdat Allāhu (تعالى) zei: “O Muḥammad, het zijn vijf ṣalawāt per dag en nacht.

Voor elke ṣalāh wordt tienvoudige beloning gegeven, zodat het gelijk staat aan vijftig. Wie een goede daad voorneemt maar niet uitvoert, krijgt één beloning geschreven. En wie haar uitvoert, krijgt tienvoudige beloning geschreven.En wie een slechte daad voorneemt maar haar niet uitvoert, voor hem wordt geen zonde opgeschreven. Maar wie de slechte daad uitvoert, voor hem wordt slechts één zonde opgeschreven overeenkomstig die daad.”Daarna daalde ik opnieuw af naar Mūsā en vertelde hem wat er gebeurd was. Hij zei: “Keer terug naar jouw Rab en vraag om verdere vermindering.”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik ben zo vaak naar mijn Rab teruggekeerd dat ik mij tegenover Hem schaamde.”

Uitleg van de 115ste ḥadīth

De taalgeleerden zeggen dat al-Burāq de naam is van het rijdier waarop Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tijdens de nacht van al-Isrā’ reed. De auteur van at-Taḥrīr vermeldt, evenals az-Zabīdī in Mukhtaṣar al-ʿAyn, dat al-Burāq het rijdier van de anbiyā was.an-Nawawī zei dat dit rijdier al-Burāq werd genoemd vanwege zijn grote snelheid. Anderen hebben gezegd dat het zo genoemd werd vanwege zijn schittering en glans.Zoals in de ḥadīth vermeld wordt, bonden de anbiyā hun rijdieren vast aan de ring om daarmee de mensen een voorbeeld te geven. Hiermee tonen zij hoe men voorzichtig behoort te handelen en de middelen (asbāb) dient te gebruiken. Op deze manier stellen zij een voorbeeld voor de mensen in het nemen van de juiste voorzorgsmaatregelen. Dit doet op geen enkele wijze afbreuk aan het vertrouwen (tawakkul) op Allāhu (تعالى)..

De fiṭrah die in de ḥadīth genoemd wordt, is uitgelegd als de Islām en rechtschapenheid. Melk is daarvan een symbool. Het wordt vergeleken met de fitrah omdat het zuiver is, een aangenaam en rustgevend effect heeft voor degene die het drinkt, en na consumptie geen schadelijke gevolgen veroorzaakt. Wijn daarentegen is de moeder van alle kwaad en leidt tot slechtheid en verdorvenheid. (De uitleg tot hier is overgenomen uit de sharḥ van an-Nawawī.)Dat Jibrīl (عليه السلام) op de vraag van de engel binnen: “Wie ben jij?”, antwoordde met:“Jibrīl”, bevat een les in etiquette (adāb).Wanneer iemand op een deur klopt en gevraagd wordt: “Wie is daar?”, dan is het gepast dat hij zijn naam noemt. Het is ongepast om slechts te antwoorden met: “Ik.”Ook in de ḥadīth wordt het geven van zo’n antwoord afgekeurd, omdat het degene die vraagt geen nuttige informatie geeft.Uit de ḥadīth blijkt eveneens dat het aanbevolen (mustaḥab) is om toestemming te vragen voordat men ergens binnengaat.Dat Ādam (عليه السلام) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ontving met de woorden “marḥabā” en voor hem om het goede smeekte, wijst erop dat het gepast is om mensen van verdienste met vriendelijkheid en een glimlach te ontvangen, op mooie wijze met hen te spreken en voor hen duʿā’ te verrichten, zelfs wanneer degene voor wie men duʿā’ verricht beter is dan degene die de duʿā’ doet.

Hierin ligt tevens een aanwijzing dat het toegestaan is iemand in zijn aanwezigheid te prijzen, wanneer men ervan verzekerd is dat hij daardoor niet in zelfingenomenheid (ʿujb) of andere ziekten van de nafs zal vervallen.Bij de uitleg van de uitspraak: “Ik zag Ibrāhīm (عليه السلام) terwijl hij met zijn rug tegen Bayt al-Maʿmūr leunde,” zegt al-Qāḍī al-Bayḍāwī: “Hieruit blijkt dat het toegestaan is om naar de richting van de qiblah geleund te zitten en de rug naar de qiblah te keren.”Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) en andere mufassirûn hebben vermeld dat Sidrah al-Muntahā deze naam heeft gekregen omdat de kennis van de engelen daar eindigt en niemand behalve Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) daar voorbij is gegaan. Ook is van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه) overgeleverd dat hij zei: “Alles wat van boven neerdaalt, stopt daar; en alles wat op bevel van Allāhu (تعالى) van beneden opstijgt, eindigt daar. Daarom kreeg het deze naam.” (Uit de sharḥ van an-Nawawī.)De uitspraak: “Ik keerde terug naar mijn Rab”, betekent: “Ik keerde terug naar de plaats waar ik de eerste keer mijn Rab in smeekbede aanriep, en daar richtte ik mij opnieuw tot mijn Rab.”En met de woorden: “Ik ging heen en weer tussen mijn Rab en Mūsā,” bedoelde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dat hij heen en weer ging tussen de plaats van zijn munājāh (intieme smeekbede tot zijn Rab) en Mūsā (عليه السلام).

De ḥadīth over de verplichtstelling van de ṣalawāt uit Sunan an-Nasā’ī, Kitāb aṣ-Ṣalāh, deel 1, blz. 217

Na het vermelden van de verschillen tussen de overleveraars in de keten van de ḥadīth van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):

116. Van Anas ibn Mālik, van Mālik ibn Ṣaʿṣaʿah (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik bevond mij in huis tussen slaap en waakzaamheid, toen drie personen naar mij kwamen, van wie degene in het midden dichter naar mij toe kwam.Mij werd een gouden schaal gebracht, gevuld met īmān en ḥikmah.Vervolgens opende (Jibrīl) mijn borst van mijn keel tot mijn onderbuik. Hij waste mijn hart met Zamzam-water en vulde het daarna met īmān en ḥikmah.Daarna werd een dier gebracht dat groter was dan een ezel maar kleiner dan een muildier. Vervolgens vertrok ik samen met Jibrīl (عليه السلام).Wij bereikten de laagste hemel. - ‘Wie is daar?’- ‘Jibrīl.’- ‘Wie is er met jou?’- ‘Muḥammad.’- ‘Is hij gezonden? Welkom, wat voortreffelijk is zijn komst.’Toen kwam ik bij Ādam (عليه السلام). Ik gaf hem salām en hij zei: ‘Welkom o Nabī en zoon.’Daarna bereikten wij de tweede hemel. - ‘Wie is daar?’- ‘Jibrīl.’- ‘Wie is er met jou?’- ‘Muḥammad.’Daar gebeurde hetzelfde.Daarna ging ik naar Yaḥyā en ʿĪsā (عليهما السلام). Ik gaf hen salām en zij zeiden: ‘Welkom o broeder en Nabī.’Vervolgens bereikten wij de derde hemel. - ‘Wie is daar?’- ‘Jibrīl.’- ‘Wie is er met jou?’- ‘Muḥammad.’Daar gebeurde hetzelfde.Daar ontmoette ik Yūsuf (عليه السلام). Ik gaf hem salām en hij zei: ‘Welkom o broeder en Nabī.’Daarna bereikten wij de vierde hemel en daar gebeurde hetzelfde.Daar ontmoette ik Idrīs (عليه السلام).

Ik gaf hem salām en hij zei: ‘Welkom, o broeder en Nabī.’Vervolgens bereikten wij de vijfde hemel en daar gebeurde hetzelfde.Daar ging ik naar Hārūn (عليه السلام). Ik gaf hem salām en hij zei: ‘Welkom, o broeder en Nabī.’Daarna bereikten wij de zesde hemel en daar gebeurde hetzelfde.Daar ging ik naar Mūsā (عليه السلام). Ik gaf hem salām en hij zei: ‘Welkom, o broeder en Nabī.’Toen ik hem voorbijging, begon hij te huilen. Er werd gevraagd: ‘Wat doet jou huilen?’Hij antwoordde: ‘O mijn Rab, deze jongeman die na mij gezonden is, van zijn ummah zullen meer en voortreffelijkere mensen Jannah binnengaan dan van mijn ummah.’Daarna bereikten wij de zevende hemel en daar gebeurde hetzelfde.Daar ging ik naar Ibrāhīm (عليه السلام). Ik gaf hem salām en hij zei: ‘Welkom, o zoon en Nabī.’Vervolgens werd Bayt al-Maʿmūr aan mij getoond. Iedere dag verrichten daar zeventigduizend engelen de ṣalāh, en wanneer zij daar vertrekken, keren zij er nooit meer naar terug.Daarna werd Sidrah al-Muntahā naar mij gebracht.”De vruchten ervan waren als de grote kruiken van Hajar, en de bladeren waren als de oren van olifanten. Vanonder haar stroomden vier rivieren. Twee daarvan waren verborgen en twee zichtbaar. De twee verborgen rivieren bevonden zich in Jannah, terwijl de twee zichtbare rivieren de Nijl en de Eufraat waren.

Daarna werden vijftig ṣalawāt aan mij verplicht gesteld.

Ik ging naar Mūsā (عليه السلام), die vroeg:“Wat is er gebeurd?”

- “Vijftig ṣalawāt zijn mij verplicht gesteld.”

- “Ik ken de mensen beter dan jij. Ik heb de Banū Isrā’īl zwaar beproefd. Jouw ummah zal daartoe niet in staat zijn. Keer terug naar jouw Rab en vraag Hem om vermindering van wat Hij jou verplicht heeft.”

Ik keerde terug naar mijn Rab en vroeg Hem vermindering van wat Hij mij verplicht had. Hij verminderde het tot veertig ṣalawāt.

Daarna ging ik opnieuw naar Mūsā. - “Wat is er gebeurd?”

- “Mijn Rab heeft het verminderd tot veertig ṣalawāt.”

Toen zei hij opnieuw iets soortgelijks als de eerste keer.

Ik keerde terug naar mijn Rab en Hij verminderde het tot dertig ṣalawāt.

Daarna ging ik opnieuw naar Mūsā, en hij zei weer iets soortgelijks als de eerste keer.

Ik keerde terug naar mijn Rab en Hij verminderde het tot twintig ṣalawāt, daarna tot tien, en vervolgens tot vijf ṣalawāt.

Daarna ging ik opnieuw naar Mūsā. Wederom zei hij iets soortgelijks als de eerste keer.

Toen zei ik: “Ik schaam mij om opnieuw naar mijn Rab terug te keren.”

Daarop werd uitgeroepen: “Ik heb Mijn verplichting definitief vastgesteld en de last voor Mijn dienaren verlicht. Voor één goede daad geef Ik tienvoudige beloning.”

Uitleg van de 116ste ḥadīth

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Toen drie personen naar mij kwamen, van wie degene in het midden dichter naar mij toe kwam.”: Volgens een overlevering zijn Jibrīl (عليه السلام), Isrāfīl (عليه السلام) en nog een andere engel naar hem toe gekomen. In deze ḥadīth worden deze drie bedoeld. Zij namen allen de gedaante van een mens aan, en één van hen kwam dichter bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).

In deze overlevering wordt vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) Hārūn (عليه السلام) ontmoette in de vijfde hemel. In een andere overlevering staat dat hij hem in de vierde hemel ontmoette. De overlevering waarin wordt vermeld dat de ontmoeting in de vijfde hemel plaatsvond, is echter de sterkere en betrouwbaardere. Allāhu (تعالى) weet het het beste.

In de ḥadīth wordt vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) twee verborgen en twee zichtbare rivieren zag. Wij geloven in de uiterlijke betekenis ervan en laten de werkelijke aard aan Allāhu (تعالى) over.

In het bijzonder zeggen wij: water is een genade (raḥmah) die Allāhu (تعالى) uit de hemel neerzendt. De Jannah is eveneens een plaats van genade. Allāhu (تعالى) zegt in de ayah:وَأَنزَلۡنَا مِنَ ٱلسَّمَآءِ مَآءَۢ بِقَدَرٖ فَأَسۡكَنَّٰهُ فِي ٱلۡأَرۡضِۖ وَإِنَّا عَلَىٰ ذَهَابِۭ بِهِۦ لَقَٰدِرُونَ ١٨En Wij stuurden uit de hemel water neer in (afgemeten) hoeveelheid, waarna Wij het blijvend in de grond vasthouden. En waarlijk, Wij zijn in staat om het weg te nemen.(Mu’minūn, 23:18)

Allāhu (تعالى) weet het het beste. In de ḥadīth kan mogelijk ook een aanwijzing worden gezien dat de bewoners van de gebieden waar deze twee rivieren hun oorsprong hebben in de toekomst de Islām zullen aanvaarden, en dat de Islām zich vervolgens via hen verder zal verspreiden naar andere regio’s.

De ḥadīth over de verplichtstelling van de ṣalawāt

Ook in Sunan an-Nasā’ī (deel 1, blz. 221) wordt de ḥadīth als volgt overgeleverd:

117. Van Ibn Shihāb, van Anas ibn Mālik en Ibn Ḥazm (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Mijn Rab heeft vijftig ṣalawāt verplicht gesteld.

Daarmee keerde ik terug. Toen ik langs Mūsā (عليه السلام) kwam, vroeg hij mij: ‘Wat heeft jouw Rab voor jouw ummah verplicht gesteld?’

Ik zei: ‘Hij heeft voor hen vijftig ṣalawāt verplicht gesteld.’

Mūsā zei tegen mij: ‘Keer terug naar jouw Rab, jouw ummah zal daartoe niet in staat zijn.’

Ik keerde terug naar mijn Rab en Hij verminderde de helft.

Ik ging opnieuw naar Mūsā en vertelde hem wat er gebeurd was. Hij zei weer: ‘Keer terug naar jouw Rab, jouw ummah zal daartoe niet in staat zijn.’

Ik keerde opnieuw terug naar mijn Rab en uiteindelijk zei Hij: ‘Het zijn vijf ṣalawāt, maar voor elke ṣalāh is er de beloning van tien, zodat het gelijk staat aan vijftig. Bij Mij wordt het besluit niet veranderd.’

Ik ging weer naar Mūsā. Hij zei opnieuw: ‘Keer terug naar jouw Rab.’

Toen zei ik: ‘Ik schaam mij tegenover mijn Rab.’

118. Van Yazîd ibn Abî Mālik, van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Mij werd een dier gebracht dat groter was dan een ezel maar kleiner dan een muildier. Zijn stap reikte tot de afstand die zijn blik kon bereiken. Ik reed erop samen met Jibrīl (عليه السلام) en wij gingen op weg.

Jibrīl zei tegen mij: ‘Stap af en verricht de ṣalāh.’

Ik deed wat hij zei.

Hij vroeg: ‘Weet jij waar jij ṣalāh hebt verricht?’

Hij zei zelf: ‘Jij hebt ṣalāh verricht in Ṭaybah, de plaats van de Hijrah.’

Later zei hij opnieuw: ‘Stap af en verricht de ṣalāh.’

Ik verrichtte de ṣalāh.

Hij zei: ‘Weet jij waar jij ṣalāh hebt verricht? Jij hebt ṣalāh verricht op Ṭūr Sīnā, de plaats waar Mūsā (عليه السلام) met Allāhu (تعالى) sprak.’

Daarna zei hij opnieuw: ‘Stap af en verricht de ṣalāh.’

Ik stapte af en verrichtte de ṣalāh.

Hij zei: ‘Weet jij waar jij ṣalāh hebt verricht? Jij hebt ṣalāh verricht in Bayt Laḥm, waar ʿĪsā (عليه السلام) werd geboren.’

Vervolgens ging ik Bayt al-Maqdis binnen.

Daar werden de anbiyā voor mij verzameld. Jibrīl plaatste mij vooraan en ik leidde hen in de ṣalāh.

Daarna werd ik naar de laagste hemel gebracht. Daar zag ik Ādam (عليه السلام).

Vervolgens werd ik naar de tweede hemel gebracht en daar waren Yaḥyā en ʿĪsā (عليهما السلام).

Daarna naar de derde hemel, waar Yūsuf (عليه السلام) was.

Daarna naar de vierde hemel, waar Hārūn (عليه السلام) was.

Daarna naar de vijfde hemel, waar Idrīs (عليه السلام) was.

Daarna naar de zesde hemel, waar Mūsā (عليه السلام) was.

Daarna naar de zevende hemel, waar Ibrāhīm (عليه السلام) was.

Vervolgens werd ik boven de zeven hemelen gebracht tot Sidrah al-Muntahā. Daar werd ik omhuld door iets als rook en ik viel in sajdah.

Er werd tegen mij gezegd: ‘Toen Ik de hemelen en de aarde schiep, heb Ik vijftig ṣalawāt verplicht gesteld voor jou en jouw ummah. Verricht deze ṣalawāt.’

Ik keerde terug naar Ibrāhīm (عليه السلام), maar hij vroeg mij niets.

Daarna ging ik naar Mūsā (عليه السلام), die vroeg: ‘Wat heeft jouw Rab voor jou en jouw ummah verplicht gesteld?’

- ‘Vijftig ṣalawāt.’

- ‘Jij en jouw ummah kunnen dat niet opbrengen. Keer terug naar jouw Rab en vraag om vermindering.’

Ik keerde terug naar mijn Rab en Hij verminderde tien ṣalawāt.

Uiteindelijk werd het teruggebracht tot vijf ṣalawāt.

Ik ging opnieuw naar Mūsā. - ‘Keer terug naar jouw Rab en vraag om vermindering, want de Banū Isrā’īl kregen twee ṣalawāt en zij konden dat niet dragen.’

Ik keerde terug en vroeg om vermindering.

Toen zei Allāhu (تعالى): ‘Toen Ik de hemelen en de aarde schiep, heb Ik vijftig ṣalawāt verplicht gesteld voor jou en jouw ummah. Vijf ṣalawāt staan gelijk aan vijftig. Jij en jouw ummah moeten ze verrichten.’

Toen begreep ik dat dit een definitief besluit van mijn Rab was dat niet meer veranderd zou worden.

Ik ging terug naar Mūsā, maar hij zei opnieuw: ‘Keer terug.’

Toen wist ik dat het een vast besluit van mijn Rab was en ik keerde niet meer terug.”

Uitleg van de ḥadīth 117-118

Het feit dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de last voor zijn ummah wilde verlichten, en dat Mūsā (عليه السلام) hem daarin aanmoedigde, is een duidelijk bewijs van de grote barmhartigheid en zorg die de anbiyā hebben voor hun umam.

Mūsā (عليه السلام) toonde mededogen met de ummah van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) en spoorde an-Nabī aan om tot zijn Rab terug te keren en te smeken om verlichting van de verplichtingen voor zijn ummah.

De rang van Mūsā (عليه السلام) is echter niet hoger dan die van Ibrāhīm (عليه السلام), omdat Mūsā (عليه السلام) degene is met wie Allāhu (تعالى) rechtstreeks sprak; zijn specifieke missie is die van spreken en communicatie (kalām).

Ibrāhīm (عليه السلام) daarentegen is al-Khalīl, de vriend van Allāhu (تعالى), en zijn rang is die van volledige overgave (taslīm). Daarom toonde hij in beide grote beproevingen, het offeren van zijn zoon en het in het vuur geworpen worden, volkomen overgave aan Allāhu (تعالى).

Allāhu (تعالى) schonk hem in beide situaties Zijn barmhartigheid en gaf hem eer en genade.

Dat Jibrīl (عليه السلام) op verschillende plaatsen tegen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Stap af en verricht de ṣalāh,” wijst erop dat het aanbevolen (mustaḥab) is voor de mu’min om ṣalāh te verrichten op gezegende en heilige plaatsen.

Het verrichten van de ṣalāh in Ṭaybah (de stad van de Hijrah) duidt erop dat deze plaats later een centrum zou worden waar het licht van īmān zich zou verspreiden.

Evenzo wijst het verrichten van de ṣalāh op Ṭūr Sīnā en in Bayt Laḥm erop dat deze plaatsen in het verleden centra waren waar het licht van īmān zich al had verspreid. Zoals Mūsā (عليه السلام) en ʿĪsā (عليه السلام) daar het licht van de boodschap hebben verspreid, zij beiden en alle anbiyā, met de beste ṣalawāt en salām van Allāhu (تعالى) over hen allen.

In deze ḥadīth wordt vermeld dat de ṣalawāt in groepen van tien werden verminderd. Dit is zo gezegd vanwege de beknoptheid (ijmāl). Uit authentieke overleveringen blijkt echter dat de vermindering plaatsvond in groepen van vijf. Zoals eerder is vermeld, ondersteunen andere overleveringen dit ook.

De aḥadīth over de verplichtstelling van de vijf ṣalawāt en het voortdurend verrichten ervan

119. In Sunan Ibn Mājah (deel 1, blz. 220): van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:“Allāhu (تعالى) heeft voor mijn ummah vijftig ṣalawāt verplicht gesteld.

Ik keerde terug. Ik kwam bij Mūsā (عليه السلام). Mūsā (عليه السلام) vroeg:‘Wat heeft jouw Rab voor jouw ummah verplicht gesteld?’

- ‘Hij heeft vijftig ṣalawāt voor mij verplicht gesteld.’

- ‘Keer terug naar jouw Rab, jouw ummah zal dat niet kunnen verdragen.’

Ik keerde terug naar mijn Rab en Hij verminderde een deel ervan.

Ik ging terug naar Mūsā en vertelde hem wat er gebeurd was. - ‘Keer terug naar jouw Rab, jouw ummah zal het niet kunnen verdragen.’

Ik keerde opnieuw terug naar mijn Rab en Hij zei: ‘Het zijn vijf ṣalawāt, maar daarvoor is er de beloning van vijftig. Bij Mij wordt het besluit niet veranderd.’

Ik ging terug naar Mūsā (عليه السلام). - ‘Keer terug naar jouw Rab.’

- ‘Ik schaam mij tegenover mijn Rab.”

De overlevering over het verrichten van de ṣalawāt op tijd

Ook wordt in Sunan Ibn Mājah (deel 1, blz. 221) en in Sunan Abī Dāwūd (deel 1, blz. 123), in het hoofdstuk “Het verrichten van de ṣalawāt op hun tijd”, 120. Van Abū Qatādah ibn Ribʿī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) heeft gezegd: ‘Ik heb voor jouw ummah vijf ṣalawāt verplicht gesteld. En Ik heb bij Mijzelf een verbond vastgesteld dat wie deze op de voorgeschreven tijden verricht, door Mij de Jannah zal worden binnengebracht. Maar wie ze nalaat, voor hem is er bij Mij geen verbond.”

In de Sunan van Abū Dāwūd, deel 1, blz. 123, in het hoofdstuk “Het verrichten van de ṣalāh op haar vastgestelde tijden”, wordt de volgende overlevering vermeld:

121. Van Abū Qatādah (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei:

“Allāhu (تعالى) heeft gezegd: “Ik heb voor jouw ummah vijf dagelijkse ṣalāhs verplicht gesteld. En Ik heb bij Mijzelf een verbond vastgesteld dat wie deze op de voorgeschreven tijden verricht, door Mij de Jannah zal worden binnengebracht. Maar wie ze nalaat, voor hem is er bij Mij geen verbond.”

De ḥadīth: “Ik heb de ṣalāh tussen Mij en Mijn dienaar in tweeën verdeeld”

Imām Muslim ibn al-Hajjaj heeft deze ḥadīth overgeleverd in zijn werk Sahîh Muslim, deel 3, pagina 12, in het hoofdstuk: “De verplichting van het reciteren van al-Fātiḥah in iedere rakʿah”:

122. Van Ishāq ibn Ibrāhīm al-Hanzalī, van Sufyān ibn ʿUyaynah, van al-ʿAlā’ ibn ʿAbdurrahmān, van zijn vader, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie ṣalāh verricht zonder daarin de Moeder van de Qur’ān (dat wil zeggen: Sūrah al-Fātiḥah) te reciteren, diens ṣalāh is onvolledig.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) herhaalde deze woorden drie keer.

Er werd tegen Abū Hurayrah (رضي الله عنه) gezegd: “Wij bevinden ons (verrichten salāh) achter de imām.”

Hij zei: “Reciteer het dan in jezelf, want ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen:

‘Allāh heeft gezegd: “Ik heb de ṣalāh tussen Mij en Mijn dienaar in twee delen verdeeld, en voor Mijn dienaar is wat hij vraagt.

Wanneer de dienaar zegt: ‘Al-ḥamdu lillāhi Rabbi’l-ʿālamīn,’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Mijn dienaar heeft Mij geprezen.’

Wanneer hij zegt: ‘Ar-Raḥmāni’r-Raḥīm,’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Mijn dienaar heeft Mij verheerlijkt.’

Wanneer hij zegt: ‘Māliki Yawmi’d-Dīn,’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Mijn dienaar heeft Mij verheven.’”

In een andere overlevering staat: “Mijn dienaar heeft zijn zaak aan Mij toevertrouwd.”

Wanneer hij zegt: ‘Iyyāka naʿbudu wa iyyāka nastaʿīn,’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Dit is tussen Mij en Mijn dienaar, en voor Mijn dienaar is wat hij vraagt.’

Wanneer hij zegt: ‘Ihdinaṣ-Ṣirāṭal-Mustaqīm, Ṣirāṭalla dhīna anʿamta ʿalayhim ghayri’l-maghḍūbi ʿalayhim wa laḍ-ḍāllīn,’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Dit is voor Mijn dienaar, en Mijn dienaar krijgt wat hij gevraagd heeft.”

De uitleg van de 120-122 ahādīth

Uit deze ḥadīth blijkt dat het reciteren van Sūrah al-Fātiḥah in de ṣalāh verplicht is. De imāms van de madhhāib verschilden echter van mening over de situatie van degene die de ṣalāh achter een imām verricht. Dit onderwerp is uitvoerig behandeld in de uitleg van Yahya ibn Sharaf al-Nawawi op Sahîh Muslim. Het is niet mogelijk om alle uitleg die daar genoemd wordt letterlijk weer te geven. Wie wil, kan daarnaar teruggrijpen.

Naar aanleiding van een overlevering waarin vermeld wordt dat Allāhu (تعالى), wanneer “Māliki Yawmi’d-Dīn” wordt gereciteerd, zegt: “Mijn dienaar heeft zijn zaak aan Mij toevertrouwd”, zegt Imām an-Nawawī het volgende:

De relatie tussen deze uitspraak en de āyah “Māliki Yawmi’d-Dīn, Eigenaar van de Yawmu’l Qiyamah” is als volgt: Op die Dag behoort alle heerschappij uitsluitend toe aan Allāh. Hij zal de dienaren ter verantwoording roepen en Hij zal hun vergelden voor hun daden. Nadat de dienaar Allāh verheerlijkt en verheven heeft, erkent hij dit. Dat betekent zonder twijfel dat hij zijn zaken aan Hem toevertrouwt.

Met de uitspraak: “Dit behoort toe aan Mijn dienaar” worden de gereciteerde āyāt bedoeld.

De geleerden hebben de uitspraak van Allāhu (تعالى): “Ik heb de ṣalāh tussen Mij en Mijn dienaar in tweeën verdeeld” als volgt uitgelegd:

Met “de ṣalāh” wordt hier Sūrah al-Fātiḥah bedoeld. Deze benaming wordt gebruikt omdat de ṣalāh zonder het reciteren van Sūrah al-Fātiḥah niet geldig is. In de ḥadīth is eveneens gezegd:

“De ḥaj is ʿArafah,” dat wil zeggen: het verrichten van de wuqūf op ʿArafah.

Met “Ik heb verdeeld” wordt een verdeling in betekenis bedoeld. In de eerste helft wordt Allāhu (تعالى) geprezen, verheerlijkt en verheven, en worden de zaken aan Hem toevertrouwd. In de tweede helft wordt aan Allāh gevraagd, wordt nederigheid tegenover Hem getoond en wordt de behoefte aan Hem uitgesproken.

De ḥadīth is overgeleverd door Mālik ibn Anas in Al-Muwaṭṭaʾ, volgens de marginale aantekening van Masabih as-Sunnah, deel 1, pagina 43, in het hoofdstuk: “Het reciteren achter de imām wanneer hij niet hardop reciteert”:

123.

Van Yaḥyā, van Mālik, van al-ʿAlā’ ibn ʿAbdurraḥmān ibn Yaʿqūb, van Abū’s-Sā’ib, de vrijgelatene van Hishām ibn Zuhrah, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie ṣalāh verricht zonder daarin de Moeder van de Qur’ān (dat wil zeggen: al-Fātiḥah) te reciteren, diens ṣalāh is onvolledig, onvolledig, onvolledig; zij is niet volledig.”

De overleveraar (Abū’s-Sā’ib) zei: Ik zei: “O Abū Hurayrah, soms bevind ik mij achter de imām.”

Toen pakte hij mijn arm vast en zei: “Reciteer haar dan in jezelf, o Pers!”

“Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: ‘Allāhu تبارك وتعالى zei: “Ik heb de ṣalāh tussen Mij en Mijn dienaar in tweeën verdeeld. De helft is voor Mij en de helft is voor Mijn dienaar, en voor Mijn dienaar is wat hij vraagt.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Reciteer:

Wanneer de dienaar zegt: ‘Al-ḥamdu lillāhi Rabbi’l-ʿālamīn,’ zegt Allāhu تبارك وتعالى: ‘Mijn dienaar heeft Mij geprezen.’

Wanneer de dienaar zegt: ‘Māliki Yawmi’d-Dīn,’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Mijn dienaar heeft Mij verheerlijkt.’

Wanneer de dienaar zegt: ‘Iyyāka naʿbudu wa iyyāka nastaʿīn,’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Deze āyah is tussen Mij en Mijn dienaar, en voor Mijn dienaar is wat hij vraagt.’

Wanneer de dienaar zegt: ‘Ihdinaṣ-Ṣirāṭal-Mustaqīm, Ṣirāṭalla dhīna anʿamta ʿalayhim ghayri’l-maghḍūbi ʿalayhim wa laḍ-ḍāllīn,’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Deze zijn voor Mijn dienaar, en voor hem is wat hij gevraagd heeft.”

Deze ḥadīth is overgeleverd in Sunan at-Tirmidhi, deel 2, pagina 157, in de hoofdstukken van “Kitāb at-Tafsīr”, bij de uitleg van Sūrah al-Fātiḥah:

124. Van Al-ʿAlā’ ibn ʿAbdurraḥmān, van zijn vader, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie ṣalāh verricht zonder daarin de Moeder van de Qur’ān (al-Fātiḥah) te reciteren, diens ṣalāh is onvolledig, onvolledig, en niet volledig.”

De overleveraar (ʿAbdurraḥmān) zei: “O Abū Hurayrah, soms ben ik achter de imām.”

Hij antwoordde: “O zoon van een Pers, reciteer het dan in jezelf, want ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen:

Allāhu (تعالى) heeft gezegd: ‘Ik heb de ṣalāh tussen Mij en Mijn dienaar in tweeën verdeeld. De helft is voor Mij en de helft is voor Mijn dienaar, en voor Mijn dienaar is wat hij vraagt.’

Wanneer de dienaar zegt: ‘Al-ḥamdu lillāhi Rabbi’l-ʿālamīn,’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Mijn dienaar heeft Mij geprezen.’

Wanneer hij zegt: ‘Ar-Raḥmāni’r-Raḥīm,’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Mijn dienaar heeft Mij verheerlijkt.’

Wanneer hij zegt: ‘Māliki Yawmi’d-Dīn,’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Mijn dienaar heeft Mij verheven.’

En dit is tussen Mij en Mijn dienaar: ‘Iyyāka naʿbudu wa iyyāka nastaʿīn.’

En het einde van de sūrah behoort tot Mijn dienaar, en voor hem is wat hij vraagt:

‘Ihdinaṣ-Ṣirāṭ al-Mustaqīm, ṣirāṭalla dhīna anʿamta ʿalayhim ghayri’l-maghḍūbi ʿalayhim wa laḍ-ḍāllīn.”

Abū ʿĪsā at-Tirmidhī heeft gezegd dat deze ḥadīth ḥasan is.

De ḥadīth zoals vermeld in Sunan Abi Dawud, deel 1, pagina 228, in het hoofdstuk “De toestand van degene die de recitatie in de ṣalāh verlaat”:

125. Van Al-Qaʿnabī, van Mālik, van al-ʿAlā’ ibn ʿAbdurraḥmān, van Abū’s-Sā’ib, de vrijgelatene van Hishām ibn Zuhrah, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:

“Wie ṣalāh verricht zonder daarin de Moeder van de Qur’ān (al-Fātiḥah) te reciteren, diens ṣalāh is onvolledig, onvolledig, onvolledig; zij is niet volledig.”

De overleveraar (Abū’s-Sā’ib) zei: “O Abū Hurayrah, soms ben ik achter de imām.”

Abū Hurayrah (رضي الله عنه) pakte mijn elleboog en zei: “Reciteer het dan in jezelf, o Pers, want ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen:

Allāhu (تعالى) zegt: ‘Ik heb de ṣalāh tussen Mij en Mijn dienaar in tweeën verdeeld. De helft is voor Mij en de helft is voor Mijn dienaar, en voor Mijn dienaar is wat hij vraagt.’

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vervolgde:

Wanneer de dienaar zegt: ‘Al-ḥamdu lillāhi Rabbi’l-ʿālamīn,’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Mijn dienaar heeft Mij geprezen.’

Wanneer hij zegt: ‘Ar-Raḥmāni’r-Raḥīm,’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Mijn dienaar heeft Mij verheerlijkt.’

Wanneer hij zegt: ‘Iyyāka naʿbudu wa iyyāka nastaʿīn,’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Dit is tussen Mij en Mijn dienaar, en voor Mijn dienaar is wat hij vraagt.’

Wanneer hij zegt: ‘Ihdinaṣ-Ṣirāṭ al-Mustaqīm, ṣirāṭalla dhīna anʿamta ʿalayhim ghayri’l-maghḍūbi ʿalayhim,’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Deze behoren tot Mijn dienaar, en voor hem is wat hij vraagt.”

Deze ḥadīth is overgeleverd in Sunan Ibn Majah, deel 2, pagina 217, in het hoofdstuk “De beloning van de Qur’ān”:

126. Van Abū Marwān Muḥammad ibn ʿUthmān al-ʿUthmānī, van ʿAbd al-ʿAzīz ibn Abī Ḥāzim, van al-ʿAlā’ ibn ʿAbdurraḥmān, van zijn vader, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) heeft gezegd: ‘Ik heb de ṣalāh tussen Mij en Mijn dienaar in tweeën verdeeld. De helft is voor Mij en de helft is voor Mijn dienaar, en voor Mijn dienaar is wat hij vraagt.’

Daarna zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): Reciteer:

Wanneer de dienaar zegt: ‘Al-ḥamdu lillāh…’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Mijn dienaar heeft Mij geprezen.’

Wanneer hij zegt: ‘Ar-Raḥmān…’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Mijn dienaar heeft Mij verheerlijkt; wat hij vraagt behoort tot Mijn dienaar.’

Wanneer hij zegt: ‘Māliki…’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Mijn dienaar heeft Mij verheven; dit gedeelte behoort tot Mij.’

Dit vers is tussen Mij en Mijn dienaar: ‘Iyyāka naʿbudu wa iyyāka nastaʿīn.’”

(De betekenis is: dit deel is tussen Mij en Mijn dienaar.)

Het verzoek behoort tot Mijn dienaar, en het einde van de sūrah behoort tot Mijn dienaar: ‘Ihdinaṣ-Ṣirāṭ…”

Deze ḥadīth is overgeleverd in Sunan an-Nasa’ī, deel 2, pagina 135–136, in het hoofdstuk “De toestand van degene die bij het reciteren van Sūrah al-Fātiḥah de basmala verlaat”:

127. Van Hishām ibn Zuhrah’s vrijgelatene as-Sā’ib, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: Wie ṣalāh verricht zonder daarin de Moeder van de Qur’ān (al-Fātiḥah) te reciteren, diens ṣalāh is onvolledig, onvolledig, onvolledig; zij is niet volledig.”

De overleveraar zei: “O Abū Hurayrah, soms ben ik achter de imām.”

Hij pakte mijn arm vast en zei: “Reciteer het dan in jezelf, o Pers, want ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen:

Allāhu (تعالى) heeft gezegd: ‘Ik heb de ṣalāh tussen Mij en Mijn dienaar in tweeën verdeeld. De helft is voor Mij en de helft is voor Mijn dienaar, en voor Mijn dienaar is wat hij vraagt.’

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Reciteer:

Wanneer de dienaar zegt: ‘Al-ḥamdu lillāh…’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Mijn dienaar heeft Mij geprezen.’

Wanneer hij zegt: ‘Ar-Raḥmān…’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Mijn dienaar heeft Mij verheerlijkt.’

Wanneer hij zegt: ‘Māliki…’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Mijn dienaar heeft Mij verheven.’

Wanneer hij zegt: ‘Iyyāka naʿbudu wa iyyāka nastaʿīn,’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Dit vers is tussen Mij en Mijn dienaar, en het verzoek behoort tot Mijn dienaar.’

Wanneer hij zegt: ‘Ihdinaṣ-Ṣirāṭ…,’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Deze behoren tot Mijn dienaar, en het verzoek behoort tot Mijn dienaar.’

Deze overlevering is vermeld in Sunan an-Nasa’ī, deel 2, pagina 139, in het hoofdstuk met betrekking tot de uitleg van de āyah: وَلَقَدۡ ءَاتَيۡنَٰكَ سَبۡعٗا مِّنَ ٱلۡمَثَانِي وَٱلۡقُرۡءَانَ ٱلۡعَظِيمَ ٨٧ En voorwaar, Wij hebben jou de zeven vaak herhaalde verzen gegeven en de grote Koran. (Ḥijr (15:87)

128. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), van Ubayy ibn Kaʿb (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh heeft noch in de Tawrāh noch in de Injīl iets neergezonden dat gelijk is aan de Moeder van de Qur’ān, Sūrat al-Fātiḥah. Zij is as-sabʿ al-mathānī (de zeven herhaalde verzen).”

(Allāh) heeft gezegd: ‘Zij is tussen Mij en Mijn dienaar verdeeld. En voor Mijn dienaar is wat hij vraagt.”

De overleveringen met betrekking tot “Ik heb de ṣalāh verdeeld” eindigen hier. En Allāh weet het het beste.

De uitleg van de 128ste ḥadīth

Al-Qurtubi vermeldt in zijn tafsīr van Sūrat al-Fātiḥah een overlevering die Sahîh al-Bukhârî heeft overgeleverd:

Abū Saʿīd ibn al-Muʿallā (رضي الله عنه) zei: “Op een dag was ik aan salāh aan het verrichten in de moskee, en Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) riep mij. Ik gaf geen antwoord.

Daarna zei ik: “O Rasûlullāh, ik was salāh aan het verrichten, daarom kon ik u niet antwoorden.”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ ٱسۡتَجِيبُواْ لِلَّهِ وَلِلرَّسُولِ إِذَا دَعَاكُمۡ لِمَا يُحۡيِيكُمۡۖ وَٱعۡلَمُوٓاْ أَنَّ ٱللَّهَ يَحُولُ بَيۡنَ ٱلۡمَرۡءِ وَقَلۡبِهِۦ وَأَنَّهُۥٓ إِلَيۡهِ تُحۡشَرُونَ ٢٤O, jullie die geloven! Antwoordt Allāh en (Zijn) Boodschapper wanneer hij jullie oproept tot wat jullie leven geeft, en weet dat Allāh tussen de mens en zijn hart komt. En waarlijk, tot Hem zullen jullie allen verzameld worden. Anfāl (8:24)

Vervolgens zei hij: “Ik zal je vóórdat je deze moskee verlaat een sūrah leren die behoort tot de grootste suwar van de Qur’ān.”

Hij pakte mijn hand vast. Toen hij wilde vertrekken, zei ik: “U zei dat u mij een van de grootste suwar van de Qur’ān zou leren?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Al-ḥamdu lillāhi Rabbi’l-ʿālamīn, dit is de zeven herhaalde verzen, en het is de Qur’ān die aan mij is gegeven.”

De ḥadīth: de engelen (malāʾikah) volgen elkaar op in jullie midden

Deze ḥadīth is overgeleverd door al-Bukhārī in Kitāb aṣ-Ṣalāh in het hoofdstuk “De fadilah (voortreffelijkheid) van de ṣalāh al-ʿaṣr en in deel 4, p.113 in Kitāb Badʾ al-Khalq in het hoofdstuk “Dhikr van de malāʾikah”.

129. Van Abū al-Yamān, van Shuʿayb, van Abū az-Zinād, van al-Aʿraj, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De engelen (malāʾikah) volgen elkaar op. De nacht-malāʾikah en de dag-malāʾikah ontmoeten elkaar bij het tijdstip van fajr en het tijdstip van ṣalāh al-ʿaṣr. Degenen die de nacht met jullie hebben doorgebracht stijgen op en verlaten hun plaats. Allāhu (تعالى), hoewel Hij beter weet in welke toestand Zijn dienaren verkeren, vraagt: ‘In welke toestand hebben jullie Mijn dienaren achtergelaten?’ De malāʾikah antwoorden: ‘Wij hebben hen achtergelaten terwijl zij ṣalāh verrichten, en wij kwamen bij hen terwijl zij eveneens ṣalāh verrichten.”

al-Bukhārī heeft deze ḥadīth ook overgeleverd in deel 10, p.431 in Kitāb at-Tawḥīd in het hoofdstuk “Het spreken van de Rab met de engelen (malāʾikah) en de oproep van de malāʾikah”.

130. Van Ismāʿīl, van Mālik, van Abū az-Zinād, van al-Aʿraj, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Onder jullie bevinden zich nacht-malāʾikah en dag-malāʾikah die elkaar opvolgen. Zij komen samen bij de ṣalāh al-fajr en de ṣalāh al-ʿaṣr. Vervolgens stijgen degenen die de nacht met jullie hebben doorgebracht op. Allāhu (تعالى), hoewel Hij jullie toestand beter kent, vraagt: ‘In welke toestand hebben jullie Mijn dienaren achtergelaten?’ Zij antwoorden: ‘Wij hebben hen achtergelaten terwijl zij de ṣalāh verrichtten, en wij kwamen bij hen terwijl zij eveneens de ṣalāh verrichtten.”

Deze ḥadīth is door an-Nasāʾī overgeleverd in deel 1, p.240 in het hoofdstuk “De deugd van de ṣalāh in gemeenschap”.

131.

De overlevering van an-Nasāʾī is in dezelfde als de bewoording in de tweede overlevering van al-Bukhārī, behalve dat daar “wa huwa aʿlamu bikum” (“Hij weet beter over jullie”) staat, terwijl het bij an-Nasāʾī is overgeleverd als “wa huwa aʿlamu bihim” (“Hij weet beter over hen, (dienaren”). Daarnaast wordt de ṣalāh al-fajr ook vóór de ṣalāh al-ʿaṣr genoemd.

132. Op dezelfde manier heeft Imām Mālik (رضي الله عنه) in zijn Muwaṭṭaʾ overgeleverd in het hoofdstuk “Jāmiʿ aṣ-Ṣalāh” met de bewoording “Hij kent hun toestand beter” (wa huwa aʿlamu biḥālihīm). Daarin wordt ook vermeld dat de malāʾikah samenkomen bij de ṣalāh al-fajr en de ṣalāh al-ʿaṣr.

Uitleg van de aḥadīth 130-132

In deze ḥadīth worden de genoemde malāʾikah (engelen) volgens de meerderheid van de geleerden bedoeld als de malāʾikaht al-ḥafaza (de beschermengelen). Er is echter geen overlevering waarin staat dat de malāʾikaht al-ḥafaza van de mens gescheiden zijn in nachtelijke en dagelijke malāʾikah al-ḥafaza.

al-Qaṣṭalānī zegt dat deze malāʾikah zijn die de malāʾikaht al-ḥafaza beschermen die de daden van de mensen registreren.

In de ḥadīth wordt gesproken over het opstijgen van de nacht-malāʾikah. Het opstijgen van de dag-malāʾikah wordt niet expliciet genoemd. De reden daarvoor is dat het vermelden van één van twee voorbeelden voldoende is. In een āyah wordt ook gezegd: وَجَعَلَ لَكُمۡ سَرَٰبِيلَ تَقِيكُمُ ٱلۡحَرَّ “…Hij gaf jullie kleding om jullie tegen de hitte te beschermen… ”( Naḥl (16:81) De betekenis is in wezen: tegen hitte én kou. Bovendien wordt de twee zijden van de dag bepaald aan de hand van de twee zijden van de nacht.

De overlevering die in het boek van Abū Khuzaymah staat, overgeleverd van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) als marfūʿ, maakt de verschillende mogelijke interpretaties duidelijk. Daar staat: “De nacht-malāʾikah en de dag-malāʾikah komen samen bij de ṣalāh al-fajr en de ṣalāh al-ʿaṣr. Wanneer zij samenkomen bij de ṣalāh al-fajr stijgen de nacht-malāʾikah op en blijven de dag-malāʾikah. Wanneer zij samenkomen bij de ṣalāh al-ʿaṣr stijgen de dag-malāʾikah op en blijven de nacht-malāʾikah. En Allāhu (تعالى), hoewel Hij beter weet in welke toestand Zijn dienaren verkeren, vraagt hen hierover.”

Het feit dat Allāhu (تعالى) de malāʾikah vraagt naar de toestand van de mensen dient om de superioriteit van de kinderen van Ādam (عليه السلام) te tonen. De malāʾikah antwoorden Hem met lof over hen, en dit vormt een getuigenis van de malāʾikah over de kinderen van Ādam, wat voor hen een eer is.

Wij vragen Allāhu (تعالى) uit Zijn gunst en edelmoedigheid dat Hij ons maakt tot Zijn dienaren over wie de malāʾikah getuigen met goedheid en rechtvaardigheid, en ons maakt tot Zijn muʾmin dienaren voor wie de malāʾikah vergiffenis vragen.

En wij vragen Hem ons te maken tot degenen waarover de malāʾikah zeggen:

“Onze Rab, Uw kennis en Uw barmhartigheid omvat alles. Vergeef degenen die berouw tonen en Uw weg volgen, en bescherm hen tegen de bestraffing van de Jahannam. Onze Rab, laat hen en hun goede ouders, echtgenotes en nakomelingen binnen in de tuinen van ʿAdn die U hun hebt beloofd; waarlijk, U bent de Machtige, de Wijze. En bescherm hen tegen slechte daden; en wie U op die dag beschermt tegen slechte daden, over hem heeft U zeker barmhartigheid geschonken. Dat is de grote verlossing/ultieme bevrijding.”

De voortreffelijkheid van de ṣalāh aḍ-ḍuḥā

De ḥadīth hierover is door Imām at-Tirmidhī overgeleverd in deel 1, p.95 in het hoofdstuk “ṣalāh aḍ-ḍuḥā”.

133. Van Abū ad-Dardāʾ en Abū Dhar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft van Allāh عز وجل meegedeeld: “O zoon van Ādam, verricht aan het begin van de dag vier rakʿāt ṣalāh voor Mij, dan zal Ik jou tot het einde van de dag voldoende zijn.”

at-Tirmidhī (رحمه الله) heeft gezegd dat deze ḥadīth ḥasan ṣaḥīḥ is.

Abū Dāwūd heeft eveneens in zijn Sunan, deel 1, p.357, in het hoofdstuk “ṣalāh aḍ-ḍuḥā” de volgende overlevering vermeld:

134. Van Dāwūd ibn Rashīd, van al-Walīd, van Saʿīd ibn ʿAbd al-ʿAzīz, van Makhūl, van Kathīr ibn Murra, Nuʿaym ibn Hammār (رضي الله عنه) zei: “Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: ‘Allāhu (تعالى) zegt: “O zoon van Ādam, verzuim niet om aan het begin van de dag vier rakʿāt ṣalāh voor Mij te verrichten; dan zal Ik jou tot het einde van de dag voldoende zijn.” (Dat wil zeggen: Hij zal jou in al jouw zaken ondersteunen en helpen).

Uitleg van de aḥadīth 133-134

Uit deze aḥadīth blijkt dat de ṣalāh aḍ-ḍuḥā mustaḥab is. Deze ṣalāh behoort tot de sterk aanbevolen sunnah (sunnah al-muʾakkadah).

Volgens ash-Shāfiʿī bestaat het minimum ervan uit twee rakʿāt, terwijl het beste is om acht rakʿāt te verrichten. Het kan ook als twaalf rakʿāt worden verricht, maar het meest voortreffelijke is acht rakʿāt.

De tijd ervan begint wanneer de zon ongeveer een speerlengte is gestegen, ongeveer vijfenveertig minuten na zonsopgang, en duurt tot aan zawāl, het moment waarop de zon haar hoogste punt bereikt.

Het beste moment om deze ṣalāh te verrichten is nadat een kwart van de dag verstreken is. Op die manier wordt in ieder kwart van de dag een ṣalāh verricht.

De betekenis van de uitspraak van Allāh (تعالى): “tot het einde van de dag” of “Ik zal jou voldoende zijn”, is: “Ik zal jou beschermen tegen rampen en geestelijke kwaden.”

En Allāh weet het het beste.

“Het eerste waarover de dienaar op de Yawm al-Qiyāmah rekenschap zal moeten afleggen is de ṣalāh”

Deze ḥadīth is door an-Nasāʾī overgeleverd in zijn Sunan, deel 1, p.232, in het hoofdstuk “Rekenschap over de ṣalāh”.

135. Van Hammām, van Qatādah, van al-Ḥasan, Ḥurays ibn Qabīṣah zei: “Toen ik in Madīnah aankwam, verrichtte ik de duʿāʾ: ‘O Allāh, schenk mij een rechtschapen metgezel.’ Daarna ging ik naar Abū Hurayrah (رضي الله عنه) en zei tegen hem:

‘Ik had Allāh gevraagd mij een rechtschapen metgezel te schenken. “Vertel mij daarom een ḥadīth die jij van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hebt gehoord, opdat Allāhu (تعالى) mij er profijt van laat hebben.”Daarop overleverde hij het volgende: ‘Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen:

“Het eerste waarover de dienaar rekenschap zal afleggen is de ṣalāh. “Als zijn ṣalāh goed is, zal hij succesvol zijn en redding verkrijgen. Maar als zijn ṣalāh gebrekkig is, zal hij verlies lijden en tot de verliezers behoren.”

Hammām zei: “Ik weet niet of het volgende deel van Qatādah afkomstig is of dat het ook tot de overlevering behoort”, waarna hij de volgende woorden toevoegde:

“Wanneer er iets ontbreekt aan de verplichte ṣalāh van een persoon, zegt Allāhu (تعالى):

‘Kijk of Mijn dienaar vrijwillige (nawāfil) aanbidding (ṣalāh) heeft.’

Daarmee worden de tekortkomingen van zijn verplichte ṣalāh aangevuld. Vervolgens zal op dezelfde wijze met zijn overige daden worden gehandeld.”

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:

“Het eerste waarover de dienaar op de Yawm al-Qiyāmah rekenschap zal moeten afleggen is de ṣalāh. Indien deze volledig wordt bevonden, wordt zij als volledig opgeschreven. Indien er iets aan ontbreekt, zegt Allāhu (تعالى): ‘Kijk of jullie voor hem vrijwillige (nawāfil) aanbidding (ṣalāh) kunnen vinden.’

Dan wordt hetgeen hij tekortkwam in zijn verplichte ṣalāh aangevuld met zijn nawāfil-ṣalāh. Vervolgens wordt met zijn overige daden op dezelfde wijze gehandeld.”

137. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het eerste waarover de dienaar rekenschap zal moeten afleggen is de ṣalāh. Indien hij deze volledig heeft verricht, dan is er niets aan de hand.

Maar indien hij haar niet volledig heeft verricht, zegt Allāh عز وجل: ‘Kijk of Mijn dienaar vrijwillige ṣalāh heeft.’

Als hij vrijwillige ṣalāh heeft verricht, zegt Hij:‘Vul daarmee zijn verplichte ṣalāh aan.”Deze ḥadīth is eveneens overgeleverd door Ibn Mājah in zijn Sunan, in het hoofdstuk: “Het eerste waarover de dienaar rekenschap zal afleggen is de ṣalāh”.

138. Van Tamīm ad-Dārī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:

“Het eerste waarover de dienaar op de Yawm al-Qiyāmah rekenschap zal moeten afleggen is de ṣalāh. Indien hij deze volledig heeft verricht, dan worden zijn vrijwillige ṣalāh-daden voor hem als beloning opgeschreven. Indien hij zijn verplichte ṣalāh niet volledig heeft verricht, zegt Allāh (جل جلاله) (Verheven is Zijn Majesteit), tegen de malāʾikah: ‘Kijk of jullie voor Mijn dienaar vrijwillige ṣalāh kunnen vinden. Vul daarmee aan wat hij tekortkwam van zijn verplichte ṣalāh.’

Daarna zal met al zijn overige daden volgens dezelfde methode worden gehandeld.”

139.Abū Dāwūd heeft deze ḥadīth eveneens in twee afzonderlijke overleveringen vermeld. Eén is van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) en de andere van Tamīm ad-Dārī (رضي الله عنه). Beide staan in het hoofdstuk “Alle ṣalāh die de dienaar niet volledig heeft verricht wordt aangevuld met nawāfil”.

De overlevering van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) is als volgt:

Van Yaʿqūb ibn Ibrāhīm, van Ismāʿīl, van Yūnus, van al-Ḥasan: Toen Anas ibn Ḥakīm ad-Dabbī uit angst voor Ziyād of de zoon van Ziyād naar Madīnah kwam. Ontmoette hij daar Abū Hurayrah. Hij nam hem bij zich en Anas bleef bij hem.

Abū Hurayrah zei tegen hem: “O jongeman, wil je dat ik je een ḥadīth vertel?”

Hij antwoordde: “Ja, moge Allāh jou genadig zijn.”

Yūnus zei: ik denk dat hij in zijn overlevering noemde dat hij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hoorde zeggen: “Het eerste waarover de mensen op de Yawm al-Qiyāmah rekenschap zullen moeten afleggen van hun daden is de ṣalāh. Onze Rab (عز وجل) (Verheven en Machtig is Hij), zal tegen de malāʾikah zeggen, hoewel Hij beter weet in welke toestand Zijn dienaar verkeert:

‘Kijk naar de ṣalāh van Mijn dienaar; is deze volledig of ontbreekt er iets?’

Als het volledig is, wordt het als volledig opgeschreven. En als er iets ontbreekt, zegt Allāhu (تعالى): ‘Kijk of Mijn dienaar nawāfil-ṣalāh heeft.’

Als hij nawāfil heeft, zegt Allāhu (تعالى): ‘Vul daarmee de tekortkomingen van zijn verplichte ṣalāh aan.”

Daarna wordt met alle andere daden op dezelfde wijze gehandeld.

De overlevering van Tamīm ad-Dārī (رضي الله عنه) luidt als volgt:

140.Van Mūsā ibn Ismāʿīl, van Ḥammād, van Dāwūd ibn Abī Hind, van Zurārah ibn Abī Awfā, van Tamīm ad-Dārī (رضي الله عنه), dat hij van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in dezelfde betekenis een ḥadīth heeft overgeleverd. Daarin wordt echter een toevoeging vermeld:

“Vervolgens zal hetzelfde ook worden toegepast op de zakāh, en daarna op alle overige daden.”

Uitleg van de aḥadīth 137-140

In deze ḥadīth wordt gezegd dat de dienaar als eerste rekenschap zal moeten afleggen over zijn ṣalāh. Hiermee worden de uiterlijke daden bedoeld (al-aʿmāl aẓ-ẓāhira). In werkelijkheid zal de dienaar echter eerst rekenschap afleggen over zijn īmān, wat een daad van het hart is. Wanneer de dienaar in zijn īmān is geslaagd en redding heeft verkregen, zal hij vervolgens rekenschap moeten afleggen over de overige pijlers van de Islām, te beginnen met de ṣalāh.

Dit komt doordat de ṣalāh de zuil van de dīn is: wie het verricht, richt zijn dīn op, en wie het verlaat, vernietigt zijn dīn.

Daarnaast wordt de ṣalāh vijf keer per dag en nacht herhaald, terwijl de overige daden niet op deze manier frequent zijn. De zakāh is niet verplicht voor de meeste mensen, omdat zij arm zijn. De ṣawm (vasten) is slechts één maand per jaar verplicht. De ḥaj is alleen verplicht voor wie daartoe in staat is, en slechts één keer in het leven.

Deze ḥadīth laat de overvloed van de ihsān (volmaakte goedheid) en de faḍl (overvloedige gunst) van Allāhu (تعالى) zien. Want wanneer de verplichte daden van de dienaar tekortschieten, vult Allāh dit aan met de nawāfil-daden.

Allāhu (تعالى) weet de toestand van Zijn dienaar beter, maar Hij zegt tegen de malāʾikah:

“Kijk naar Mijn dienaar; heeft hij nawāfil-daden?”

Als hij nawāfil heeft, worden daarmee de tekortkomingen in zijn verplichte (fard) daden aangevuld.

Deze tekortkoming kan ontstaan door het volledig nalaten van de ṣalāh of door het niet volledig vervullen van de voorwaarden en vereisten ervan.

Vervolgens zal de dienaar op dezelfde manier ook voor andere daden worden rekenschap moeten afleggen, zoals zakāh, ṣawm en ḥaj: als het verplicht volmaakt is, dan is dat voldoende; en als er tekortkoming is, wordt dit aangevuld met nawāfil.

Deze ḥadīth maakt duidelijk dat het noodzakelijk is om de farḍ-daden volledig en correct te verrichten, omdat er in de afrekening van de farḍ geen ruimte is voor tekortkomingen.

Tegelijkertijd leert de ḥadīth dat het zeer nuttig en aanbevolen is om veel nawāfil-daden te verrichten, zoals de ṣalāh, de zakāh, de vasten en de ḥaj. Met de toestemming van Allāhu (تعالى) worden deze nawāfil-daden een ondersteuning en aanvulling op de tekortkomingen van de farḍ-daden.

De hadīth: “Mijn Rab kwam tot mij in de mooiste gedaante”

Deze ḥadīth is door at-Tirmidhī overgeleverd in zijn Jāmiʿ, deel 2, p.214-215, in het hoofdstuk “Sūrah Ṣād”.

141.Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Mijn Rab kwam tot mij in de mooiste gedaante.”

De overleveraar zei: ik denk dat hij bedoelde “in een droom”.

De overleveraar vermeldt dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Daarna zei mijn Rab tegen mij: O Muḥammad, weet jij waarover de malāʾ al-aʿlā (de verheven gemeenschap der uitverkorenen) discussieert?”

Ik zei: “Nee.”

Hij plaatste Zijn Hand tussen mijn schouders, zozeer dat ik de koelte ervan voelde op mijn borst (of: mijn hals, zoals de overleveraar zegt). Toen wist ik wat zich in de hemelen en op de aarde bevindt.”

Hij vroeg opnieuw: “O Muḥammad, weet jij waarover de malāʾ al-aʿlā discussieert?”

Ik zei: “Ja.”

Hij zei: “Zij discussiëren over de kaffārāt (middelen van verzoening), en de kaffārāt zijn:

Het zitten in de moskee na het verrichten van de salāh;

Lopend naar de moskee gaan (voor de ṣalāh);

En goed en volledig verrichten van de wuḍūʾ zonder makrûh (afkeurenswaardige handelingen).”

Wie deze daden verricht, zal leven in goedheid en sterven in goedheid, en zal zijn fouten kwijtgescholden worden alsof hij op de dag van zijn geboorte is.”

Daarna zei Hij: “O Muḥammad, wanneer jij de wuḍūʾ verricht, zeg de volgende du`ā’:

‘O Allāh, ik vraag U om mij te helpen in goede daden, mij te helpen mijn slechte daden te verlaten, en liefde voor de armen in mijn hart te plaatsen. En wanneer U een beproeving (fitnah) onder Uw dienaren wilt laten neerdalen, neem mij dan zonder fitnah tot U.’

En Hij zei: ‘Het verspreiden van de salām, mensen (uitnodigen voor het) eten, en het verrichten van de nachtṣalāh (at-tahajjud) terwijl mensen slapen, zijn redenen voor verhoging van graden (bij Allāh).”

Abû ʿĪsā at-Tirmidhī heeft gezegd: In de isnād van deze ḥadīth wordt tussen Abū Qilāba en Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) de naam van een onbekende persoon vermeld. Abū Qilāba behoort tot de overleveraars in de keten en is degene die vóór Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) wordt genoemd.

142.Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:

“Mijn Rab kwam tot mij in de mooiste gedaante en zei: ‘Muḥammad!’

Ik zei: ‘Tot Uw dienst, O mijn Rab, hier ben ik, O mijn Rab!’

Hij zei: ‘Waarover discussiëren de malāʾ al-aʿlā?’

Ik zei: ‘Dat weet ik niet, O mijn Rab.’

Toen plaatste Hij Zijn Hand tussen mijn schouders, zodat ik de koelte ervan voelde tussen mijn borst (de overleveraar zegt: of in mijn hals). Daarna wist ik wat zich tussen het oosten en het westen bevindt.

Mijn Rab zei: ‘O Muḥammad!’

Ik zei: ‘Tot Uw dienst, O mijn Rab, hier ben ik.’

Hij zei: ‘‘Waarover discussiëren de bewoners van de hoogste vergadering (al-Malaʾ al-Aʿlā)?’Ik zei: ‘Over de graden (darajāt) en de kaffārāt: te voet naar de gemeenschapssṣalāh gaan, en goed en volledig verrichten van de wuḍūʾ zonder makrûh (afkeurenswaardige handelingen), en het wachten van de ene ṣalāh op de andere.’

Hij zei: ‘Wie deze dingen bewaakt, zal leven in goedheid en sterven in goedheid, en zal gereinigd worden van zijn zonden alsof hij op de dag dat zijn moeder hem baarde zonder zonde is.”

at-Tirmidhī (رحمه الله) heeft gezegd: deze ḥadīth is ḥasan gharīb.

Abû ʿĪsā at-Tirmidhī vermeldt: In de keten van overlevering (isnād) van de ḥadīth zegt hij dat tussen Abū Qilābah en Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) de naam van een man wordt genoemd. Abū Qilābah behoort tot de overleveraars die in de isnād voorkomen, en hij is de persoon die vóór Ibn ʿAbbās wordt genoemd.

Opmerking: In de keten van de tweede ḥadīth van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) wordt vermeld dat de overlever (rāwī) Abū Qilābah deze heeft overgeleverd van Khālid ibn Lajlāj, en hij van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما). In de eerste ḥadīth van Abū ʿĪsā at-Tirmidhī wordt gezegd dat de naam van de genoemde overlever niet wordt vermeld; die overlever is Khālid ibn Lajlāj, zoals duidelijk wordt uit de keten van de tweede ḥadīth.

143.at-Tirmidhī (حِمَهُ اللهُ) heeft deze ḥadīth via een andere isnād overgeleverd van Muʿādh ibn Jabal (رضي الله عنه). Hij zei: “Op een ochtend kwam Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) niet naar ons toe om de salāh al-fajr te leiden, en bijna was de zon al opgekomen. Toen kwam hij snel naar buiten en liet onmiddellijk de adhān oproepen. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte vervolgens de ṣalāh haastig met korte suwar.

Toen hij de salām had gegeven, riep hij ons toe: ‘Blijf zitten in jullie rijen.’ Daarna wendde hij zich tot ons en zei: ‘Ik zal jullie nu vertellen wat mij deze ochtend heeft opgehouden.

Ik stond ’s nachts op, verrichtte wuḍū’, en verrichtte salāh zo veel als mij was voorbeschikt. Tijdens mijn ṣalāh overviel mij slaap en kwam er zwaarte over mij heen. Toen verscheen mijn Rab تبارك وتعالى aan mij in de mooiste gestalte. Mijn Rab zei: “O Muḥammad.” - “Tot uw dienst, o mijn Rab.” - “Waarover discussiëren al-mala’ al-aʿlā?” - “Ik weet het niet.” Dit zei Hij drie keer.

Toen zag ik dat Hij Zijn hand tussen mijn twee schouders plaatste, zozeer dat ik de kou van Zijn vingers tussen mijn borsten voelde. Op dat moment werd alles mij duidelijk en wist ik het.

Mijn Rab zei: “O Muḥammad.” - “Tot uw dienst, o mijn Rab.” - “Waarover discussiëren al-mala’ al-aʿlā?” - “Over de kaffārāt (zondenverzoeningen).” - “Wat zijn dat?” - “Het zetten van stappen naar het verrichten van goede daden, het zitten in de moskeeën na de ṣalāh, en het goed verrichten van wuḍū’ door jezelf te reinigen van onaangename zaken.”

- “En waardoor worden (de graden) verhoogd?” - “Door het geven van voedsel, door goed te spreken, en door het verrichten van de ṣalāh in de nacht terwijl de mensen slapen.”

- “Vraag (aan mij).” - “O Allāh, ik vraag U mij te doen slagen in (het verrichten van) goede daden, mij te laten wegblijven van slechte daden, liefde voor de armen in mijn hart te plaatsen, mij te vergeven en mij genade te schenken. En wanneer U voor een volk fitnah hebt besloten, laat mij dan niet daarin vallen. Ik vraag U om Uw liefde, de liefde van degenen die U liefhebben, en de liefde van daden die mij dichter bij Uw liefde brengen.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Dit is de waarheid. Bestudeer dit en leer het vervolgens.”Abū ʿĪsā at-Tirmidhī (رَحِمَهُ اللهُ) zei: deze ḥadīth is ḥasan ṣaḥīḥ.

Uitleg van de aḥadīth 141-143

Ik zeg eerst: voor de mu’min is het eerste wat noodzakelijk is dat hij zijn Rab verheven acht boven alle eigenschappen die aan schepselen toebehoren. Allāhu (تعالى) zegt in de Qurʾān:فَاطِرُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِۚ جَعَلَ لَكُم مِّنۡ أَنفُسِكُمۡ أَزۡوَٰجٗا وَمِنَ ٱلۡأَنۡعَٰمِ أَزۡوَٰجٗا يَذۡرَؤُكُمۡ فِيهِۚ لَيۡسَ كَمِثۡلِهِۦ شَيۡءٞۖ وَهُوَ ٱلسَّمِيعُ ٱلۡبَصِيرُ ١١De Schepper van de hemelen en de aarde. Hij heeft voor julliezelf en van de dieren paren geschapen. Hij vermenigvuldigt jullie, niets is aan Hem gelijk. En Hij is de Alhorende, de Alziende. (Shūrā, 42:11)

En in surah Ikhlāṣ (112:1-4) wordt gezegd: قُلۡ هُوَ ٱللَّهُ أَحَدٌ ١ Zeg: “Hij is Allāh, de Enige.ٱللَّهُ ٱلصَّمَدُ ٢ Allāh is Zichzelfgenoeg, Eeuwig.لَمۡ يَلِدۡ وَلَمۡ يُولَدۡ ٣ Hij verwekte niet, noch werd Hij verwekt.وَلَمۡ يَكُن لَّهُۥ كُفُوًا أَحَدُۢ ٤ En niemand is Hem in enig opzicht gelijk”.

Alles wat hiermee in strijd is in overtuiging schaadt de īmān. Volgens de consensus van alle geleerden van de Islām geldt dat in de Kitāb en de Sunnah teksten voorkomen die in hun uiterlijke betekenis lijken te wijzen op gelijkenis met de schepselen, maar dat de bedoeling daarvan is niet de uiterlijke letterlijke betekenis. Het is niet toegestaan om Allāhu (تعالى) op basis van die uiterlijke betekenissen te beschrijven.

De geleerden van de Islām zijn hierover in twee groepen verdeeld: de madhhab van de salaf en de madhhab van de khalaf.

De salaf zeggen dat de uiterlijke (zāhir) betekenis niet bedoeld is, en zij laten de werkelijke betekenis en de ware kennis ervan over aan Allāhu (تعالى). Tegelijk geloven zij dat Allāhu (تعالى) niet lijkt op Zijn schepselen, maar zij geven geen specifieke interpretatie aan zulke teksten.

Hun geloof is dat zij de zaak volledig toevertrouwen aan de kennis van Allāhu (تعالى). Zij baseren zich op de betekenis van de āyah:

وَمَا يَعۡلَمُ تَأۡوِيلَهُۥٓ إِلَّا ٱللَّهُۗ وَٱلرَّٰسِخُونَ فِي ٱلۡعِلۡمِ يَقُولُونَ ءَامَنَّا بِهِۦ كُلّٞ مِّنۡ عِندِ رَبِّنَاۗ وَمَا يَذَّكَّرُ إِلَّآ أُوْلُواْ ٱلۡأَلۡبَٰبِ ٧

…maar niemand kent de verborgen betekenissen behalve Allāh. En degenen die grondig geschoold in de kennis zijn, zeggen: “Wij geloven erin, in het geheel van onze Heer.” En niemand laat zich vermanen behalve de mensen van begrip. (Ali Imrān, 3:7)

De khalaf daarentegen bevestigen eveneens dat Allāhu (تعالى) verheven is boven gelijkenis met schepselen, maar zij interpreteren de teksten die een schijn van gelijkenis geven op een wijze die past bij Zijn majesteit. Zij zeggen dat het niet onmogelijk is om zulke uitdrukkingen over Allāhu (تعالى) te gebruiken wanneer ze juist begrepen worden.

Bijvoorbeeld: in deze ḥadīth waar staat “Mijn Rab kwam tot mij in de mooiste gestalte” en ook in de uitspraak “Ik zag mijn Rab تبارك وتعالى in de mooiste gestalte”, interpreteren zij het woord ṣūra (vorm/gestalte) niet letterlijk. Zij zeggen dat hiermee de voor Allāhu (تعالى) passende eigenschappen van jalāl (majesteit) en jamāl (schoonheid) worden bedoeld. Zij zeggen: onze Rab openbaarde zich aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) via deze eigenschappen.

Op dezelfde wijze interpreteren zij ook het plaatsen van de Hand van Allāhu (تعالى) tussen de twee schouders van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) als dat Ḥaq (تعالى) de hand van kennis (`ilm) en maʿrifah (innerlijke kennis) in het hart van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gelegd. Zij zeggen namelijk dat het hart zich bevindt in de lijn tussen de twee schouders.

Zij gebruiken als bewijs de uitspraak van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Ik voelde de kou ervan tussen mijn borstkas.” Zij verklaren dat hiermee bedoeld wordt dat zijn hart werd gevuld met kennis tot het niveau van volledige innerlijke zekerheid. Want yaqīn (zekere kennis) geeft rust aan het hart, en zoals ook blijkt uit de uitspraak van Ibrāhīm (عليه السلام): “opdat mijn hart gerustgesteld wordt”, maakt dit soort kennis het hart rustig en standvastig.

Dit wordt ook ondersteund door de uitspraak van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Daarna wist ik alles wat zich in de hemelen en op de aarde bevindt.” In een andere overlevering staat: “Wat zich tussen het oosten en het westen bevindt.” En in weer een andere overlevering: “Toen werd alles mij duidelijk en wist ik het.”

Het gevolg van het vullen van het hart van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) met kennis en maʿrifah was dat hij in staat was antwoord te geven op de vraag van zijn Rab: “Waarover discussiëren al-mala’ al-aʿlā?” En Allāhu (تعالى) weet het het beste.

Al-mala’ al-aʿlā is een groep van grote engelen die zich in de hemelen bevinden en zich verzamelen rondom de ʿArsh (Troon) en de Kursī (Zetel), en die om de ʿArsh tawāf (ommegang) verrichten.

Hun onderlinge discussie over de genoemde zaken kan vanuit twee aspecten worden begrepen: Ten eerste: zij kunnen met elkaar wedijveren in het opschrijven van de beloningen van degenen die de in de ḥadīth genoemde goede daden verrichten. Of zij kunnen discussiëren om de innerlijke wijsheid te begrijpen van de beloningen die aan deze goede daden worden toegekend. Het kan zijn dat sommigen van hen meer details van de beloning waarnemen of registreren dan anderen.

Ten tweede: zij kunnen onderling verlangen en wedijveren om tot de bewoners van de wereld te behoren, zodat zij deze daden zelf zouden kunnen verrichten. Want zij zien de beloningen van deze goede daden met zekerheid en weten dat hun uiteindelijke uitkomst goed is.

In sommige overleveringen van de ḥadīth wordt de gebeurtenis samengevat weergegeven. Uit drie andere overleveringen blijkt dat al-mala’ al-aʿlā discussieert over twee zaken: de en de graden (darajāt).

Dat wil zeggen: de daden die vergeving van fouten en zonden veroorzaken (kaffārāt) en de daden die leiden tot verhoging van iemands rangen (darajāt).

Daarna legt Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) uit wat de kaffārāt zijn, zoals het lopen naar deze goede daden, het in de moskeeën blijven zitten met de intentie om de ṣalāh te wachten, en het verrichten van een mooie en zuivere wuḍū’ zonder fouten. De darajāt worden verhoogd door voedsel te geven, goed te spreken en door ’s nachts de ṣalāh te verrichten terwijl de mensen slapen. En Allāhu (تعالى) weet het het beste.

Met “het op een mooie wijze verrichten van wuḍū’, vrij van elke vorm van tekortkoming” wordt bedoeld: het grondig reinigen van alle lichaamsdelen die bij de wuḍū’

gereinigd moeten worden, zowel in koude omstandigheden als op andere momenten, en het zorgvuldig en correct uitvoeren van deze handeling zonder nalatigheid.

De ḥadīth over de uitspraak van Allāhu (تعالى): “Kijk naar Mijn dienaren, zij hebben één verplichting (farḍ) vervuld en wachten op de andere”

Deze ḥadīth is door Ibn Mājah in zijn Sunan overgeleverd in het hoofdstuk “Het regelmatig bezoeken van de moskeeën en het wachten op de ṣalāh”:

144. Van `Abdullāh ibn ʿAmr ibn al-ʿĀṣ (رضي الله عنهما), hij zei: “Wij verrichtten samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh al-maghrib. Daarna vertrokken sommigen en bleven anderen achter. Opeens kwam Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) snel aangelopen, buiten adem en met opgetrokken knieën naar ons toe en zei: ‘Wees verheugd! Jullie Rab heeft een van de poorten van de hemel geopend en Hij roemt jullie tegenover Zijn engelen en zegt: “Kijk naar Mijn dienaren, zij hebben één verplichting (salāhal-farḍ) vervuld en wachten op de andere.”

Uitleg van de 144ste ḥadīth

Met de woorden “Hij opende een poort van de hemel” wordt bedoeld: de poorten van de raḥmah (genade).

Uit het feit dat Allāhu (تعالى) in de ḥadīth Zijn trots tegenover de engelen vermeldt, blijkt dat het verrichten van de ene ṣalāh en het wachten op de daaropvolgende ṣalāh behoort tot de oorzaken waardoor de poorten van goedheid en raḥmah worden geopend.

De ḥadīth toont ook de fadīlah (voortreffelijkheid) van het in de moskee blijven zitten in afwachting van de volgende ṣalāh. De moskeeën zijn de beste plaatsen. Wanneer iemand daar zit, verbreekt hij zijn verbondenheid met alles behalve met Allāhu (تعالى), aangezien hij zich in het huis van Allāhu (تعالى) bevindt.

Wie in de moskee verblijft, dient zich te houden aan de etiquettes (ādāb) van de moskeeën en hun eer te respecteren. Daarom is het noodzakelijk om zich niet bezig te houden met louter vermaak of nutteloze gesprekken in deze plaatsen.

14. Overleveringen over infaq (geven omwille van Allāhu (تعالى) en de deugd ervan

De ḥadīth: “Geef uit, O zoon van Ādam, dan zal Ik aan jou geven”

145. Deze ḥadīth is door al-Bukhārī overgeleverd in deel 7, blz. 72, in het hoofdstuk Kitāb an-Nafaqāt, in de bab “De deugd van infāq (uitgeven (op de weg van Allāh)”:

Van Ismāʿīl, van Mālik, van Abū az-Zinād, van al-Aʿraj, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) zei: Geef uit (op weg van Allāhu), O zoon van Ādam, dan zal Ik aan jou geven.”

Eveneens heeft al-Bukhārī (deel 7, volgens de marginale aantekening van al-Qasṭallānī, blz. 169) in Kitāb at-Tafsīr, in de tafsīr van surah Hūd bij de uitleg van de āyah:

وَكَانَ عَرۡشُهُۥ عَلَى ٱلۡمَآءِ ...en Zijn troon was op het water... (Hūd, 11:7)

146. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:

“Allāhu (عز وجل) zegt: ‘Geef uit (infāq), dan zal Ik aan jou geven.”

En Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei ook: “De Hand van Allāh is vol; infaq vermindert niets van wat Hij bezit. Hij is dag en nacht vrijgevig.”

Daarna vervolgde hij: “Vanaf het moment dat de hemelen en de aarde zijn geschapen, wat denken jullie dat Hij allemaal heeft uitgegeven? Toch heeft dat niets verminderd van wat in Zijn Hand is. Zijn ʿArsh is op het water. En in Zijn Hand is de weegschaal.”

al-Bukhārī heeft deze ḥadīth eveneens overgeleverd in deel 10, blz. 372 in de marginale aantekening van al-Qasṭallānī, in Kitāb at-Tawḥīd, in het hoofdstuk dat verband houdt met de āyah “Zijn ʿArsh was op het water”.

Daar vermeldt hij echter niet de zin “Geef uit, dan zal Ik aan jou geven”. De overlevering luidt daar als volgt: 147. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De rechterhand van Allāhu is vol. Infāq vermindert niets van wat erin is. Sinds Hij de hemelen en de aarde heeft geschapen, wat Hij ook heeft uitgegeven, niets is verminderd van wat in Zijn rechterhand is. Zijn ʿArsh is op het water.

En in Zijn andere hand is de fayḍ (de overvloedige genade, kennis of zegeningen die Allāhu (تعالى) aan Zijn dienaren schenkt) of qabḍ (benauwdheid, beklemming of innerlijke vernauwing van het hart). Hij verheft wie Hij wil en verlaagt wie Hij wil.”

Deze ḥadīth kan op basis van deze overlevering niet worden gerekend tot de ahādīth alqudsī. Wij hebben deze versie van de ḥadīth vermeld om het onderwerp volledig te verduidelijken.

Deze ḥadīth is ook door Imām Muslim overgeleverd in zijn Ṣaḥīḥ, volgens de marginale aantekening van al-Qasṭallānī, deel 4, blz. 359, in Kitāb az-Zakāh, in het hoofdstuk “De blijde tijding voor degene die aanspoort tot infāq en degene die infāq verricht, dat hem dezelfde beloning zal worden gegeven”. De tekst na de isnād luidt als volgt:

148. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu تبارك وتعالى heeft gezegd: “O zoon van Ādam, geef uit (infāq), dan zal Ik aan jou geven.”

Daarna zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “De Hand van Allāh is vol en vrijgevig; wat er dag en nacht ook wordt uitgegeven, dat vermindert niets van wat bij Hem is.”

In een andere overlevering van Muslim wordt ook het volgende vermeld:

149. Abū Hurayrah (رضي الله عنه) heeft ons enkele ahādīth van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overgeleverd. In één daarvan zei hij: (Allāhu تبارك وتعالى heeft gezegd:) “Geef ṣadaqah, dan zal Ik aan jou geven.” Daarna zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “De Hand van Allāh is vol; niets vermindert het. Hij geeft dag en nacht. Vanaf het moment dat Hij de hemelen en de aarde heeft geschapen, wat denken jullie dat Hij heeft gegeven? Dat heeft niets verminderd van wat in Zijn Hand is. Zijn ʿArsh is op het water. In Zijn andere Hand is qabḍ; Hij verheft wie Hij wil en Hij verlaagt wie Hij wil.”

Uitleg van de aḥadīth 147-149

De uitspraak van Allāhu (تعالى): “Geef ṣadaqah, dan zal Ik aan jou geven” goedheid beantwoorden met goedheid (mushākalah). In werkelijkheid vermindert het geven van Allāhu (تعالى) aan Zijn dienaren niets van Zijn schatten. Zoals in de ḥadīth al-sharīf is vermeld: “De Hand van Allāh is vol; het voeden van Zijn dienaren vermindert niets daarvan.”Dit wordt ook ondersteund door de āyah van Allāhu (تعالى): مَا عِندَكُمۡ يَنفَدُ وَمَا عِندَ ٱللَّهِ بَاقٖۗ َ ٩٦En wat bij jullie is, zal uitgeput raken en wat bij Allāh is zal blijven… Naḥl (16:96)De schatten van Allāhu raken nooit op. Wanneer er wordt gezegd “De Hand van Allāh is vol”, wordt daarmee bedoeld dat Zijn schatten niet verminderen door het geven, en dat Hij dus overvloedig blijft schenken zonder tekort.Met het woord mīzān (weegschaal) wordt de rechtvaardigheid van Allāhu (تعالى) tussen Zijn dienaren bedoeld. (al-Qasṭallānī, Uitleg, deel 8, blz. 220)

Al-Māzirī heeft gezegd dat de uitdrukking “yamīnu’llah” (de rechterhand van Allāh)” geinterpreteerd kan worden, omdat uit de letterlijke betekenis anders zou kunnen worden afgeleid dat er ook een linkerhand is, wat zou leiden tot het denken in het begrenzen van Allāh en toekennen van lichamelijke eigenschappen. Allāhu (تعالى) is verheven boven zulke zaken.

Hij zegt dat Allāhu (تعالى) hier tot de mensen spreekt in de gebruikelijke menselijke spreekwijze, waarin men bij vrijgevigheid en goedheid de rechterhand noemt. Hiermee wordt ook aangegeven dat Zijn overvloedige geven Zijn schatten niet vermindert, en dat Hij zich dus niet weerhoudt van ruime vrijgevigheid.

De uitspraak “Zijn ʿArsh is op het water” betekent dat Allāhu (تعالى) Zijn gunsten voortdurend en achtereenvolgens over de schepping laat stromen.

De uitleg van “in Zijn andere hand is qabḍ is dat, hoewel de macht van Allāh één is, Hij daarmee verschillende handelingen uitvoert. Omdat bij ons zulke handelingen via twee handen zichtbaar worden, wordt dit metaforisch zo uitgedrukt. (uit Uitleg Muslim van an-Nawawī)

De ḥadīth: “Toen Allāhu (تعالى) de aarde schiep, begon zij te schudden…”

Deze ḥadīth is door at-Tirmidhī overgeleverd in zijn Jāmiʿ, aan het einde van het boek, deel 2, blz. 241-242.

150. Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:

“Toen Allāh de aarde schiep, begon zij te schudden. Daarna schiep Hij de bergen en plaatste die op de aarde, waarna de aarde tot rust kwam.

De engelen verwonderden zich over de kracht van de bergen en zeiden: ‘O onze Rab, is er onder de schepselen iets sterker dan de bergen?’

- ‘Ja, ijzer.’

- ‘O onze Rab, is er iets sterker dan ijzer?’

- ‘Ja, vuur.’

- ‘O onze Rab, is er iets sterker dan vuur?’

- ‘Ja, water.’

- ‘O onze Rab, is er iets sterker dan water?’

- ‘Ja, de wind.’

- ‘O onze Rab, is er iets sterker dan de wind?’

- ‘Ja, de zoon van Ādam die geeft met zijn rechterhand en het verbergt voor zijn linkerhand.”

Abū ʿĪsā at-Tirmidhī (رَحِمَهُ اللهُ) zei: de isnād van deze ḥadīth is ḥasan gharīb.

De ḥadīth: Dar al-Hijrah (de stad van de Hijrah)

Deze ḥadīth is door at-Tirmidhī overgeleverd in deel 2, blz. 327, in het hoofdstuk “De deugd van al-Madīnah”.

151. Van Jarīr ibn ʿAbdullāh (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) heeft mij via openbaring laten weten dat, als je naar één van deze drie plaatsen gaat, dan is dat jouw plaats van Hijrah: al-Madīnah, Baḥrayn of Qinnasrīn (Noord- Syrië).”

At-Tirmidhī zei: deze ḥadīth is gharīb; wij hebben geen andere overlevering ervan gevonden behalve via al-Faḍl ibn Mūsā (de overlever in de isnād).

De ḥadīth over het streng optreden tegen onrecht (ẓulm) en omkoping (rushwah)

Deze ḥadīth is door Ibn Mājah overgeleverd in zijn Sunan, deel 2, blz. 26.

152. Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degene die onder de mensen als rechter optreedt, zal op de Dag van de Opstanding worden gebracht terwijl een engel hem stevig bij zijn nek vasthoudt. Vervolgens zal de engel zijn hoofd omhoog heffen. Wanneer er wordt gezegd: ‘Gooi hem,’ zal hij hem in de diepste van de Jahannam werpen.”

De ḥadīth die verbiedt om tijdens het leven vermogen op te potten en het pas bij het naderen van de dood uit te delen.

Deze ḥadīth is door an-Nasā’ī overgeleverd.

153. Van Busr ibn Jahhāsh (رضي الله عنه), hij zei: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) spuugde in zijn handpalm en plaatste zijn wijsvinger erop en zei: “Allāhu (عز وجل) zegt: “Hoe kan de zoon van Ādam Mij machteloos maken, terwijl Ik hem heb geschapen uit iets soortgelijks?”Daarna wees Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar zijn keel en zei: “Wanneer de rûh hier komt (bij de dood), zeg je: ‘Ik geef ṣadaqah.’ Maar waar is de tijd van ṣadaqah dan nog?”

De ḥadīth over het nalaten van een testament over een derde deel van het bezit

Deze ḥadīth is door an-Nasā’ī overgeleverd in het hoofdstuk “al-Waṣiyyah”.

154. Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) zegt: O zoon van Ādam, er zijn twee zaken waarvan één niet van jou is. Wanneer Ik je bij de keel neem (bij het naderen van de dood), doe Ik dat om je te zuiveren en (van je zonden) te reinigen.En Ik heb voor jou uit jouw bezit een aandeel bestemd, zodat Mijn dienaren na het verstrekken van jouw levensduur voor jou duʿā’ zullen verrichten.”

15. Overleveringen over de vasten en de deugd ervan.

De ḥadīth: “Het vasten is voor Mij en Ik geef er de beloning voor”

Deze ḥadīth is opgenomen in Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, deel 2, blz. 24, in het hoofdstuk Kitāb aṣ-Ṣawm, “De deugd van de vasten”.

155. Van ʿAbdullāh ibn Maslamah, van Mālik, van Abū az-Zinād, van al-Aʿraj, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Vasten is een schild. Laat (de vastende) niet vloeken/schelden en zich niet gedragen als een onwetende. Als iemand hem beledigt of met hem ruzie zoekt, laat hij dan twee keer zeggen: ‘Ik ben aan het vasten.”Bij Hem in Wiens Hand mijn rûh is: de geur uit de mond van de vastende is bij Allāhu (تعالى) aangenamer dan de geur van musk.(Allāhu (تعالى) zegt): “Hij laat eten, drinken en zijn verlangens achter omwille van Mij. Vasten is voor Mij en Ik geef de beloning ervoor. En de beloning van goede daden is tienvoudig.”

In een andere overlevering in Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, deel 7, blz. 164, in Kitāb al-Libās, in het hoofdstuk “Wat wordt vermeld over musk”, staat:

156. VanʿAbdullāh ibn Muḥammad, van Hishām, van Maʿmar, van az-Zuhrī, van Ibn al-Musayyib, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Alle daden van de zoon van Ādam zijn voor hemzelf, behalve de vasten; die is voor Mij en Ik geef er de beloning voor. De geur uit de mond van de vastende is bij Allāh aangenamer dan de geur van musk.”

Deze ḥadīth is eveneens door al-Bukhārī overgeleverd in deel 9, blz. 143, in Kitāb at-Tawḥīd.

157. Van Abū Nuʿaym, van al-Aʿmash, van Abū Ṣāliḥ, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (عز وجل) zegt: “Vasten is voor Mij en Ik Zelf zal ervoor belonen. Hij laat zijn begeertes, zijn eten en zijn drinken achter omwille van Mij. De vasten is een schild. Voor de vastende zijn twee (momenten van) vreugte: één (vreugde) wanneer hij zijn vasten verbreekt (ifṭār), en één wanneer hij zijn Rab ontmoet. En voorwaar, de geur die uit de mond van de vastende komt, is bij Allāh aangenamer dan de geur van musk.”

Imām Mālik (رَحِمَهُ اللهُ) heeft in al-Muwaṭṭa’, blz. 124, in het hoofdstuk “Jāmiʿ li-ṣ-Ṣiyām”,

158. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Bij Hem in Wiens Hand mijn rûh is: de geur die uit de mond van de vastende komt, is bij Allāh aangenamer dan de geur van musk.”

Een andere overlevering:

159. “Allāhu (عز وجل) zegt: “De vastende laat zijn begeertes, zijn eten en zijn drinken achter omwille van Mij. De vasten is voor Mij en en Ik Zelf zal ervoor belonen. Voor elke goede daad is er een beloning van tien tot zevenhonderd keer, behalve de vasten. De vasten is voor Mij en Ik Zelf zal ervoor belonen.”

Ook Muslim heeft in zijn Ṣaḥīḥ, deel 5, blz. 132 en verder (volgens de marginale aantekening van al-Qasṭallānī), in Kitāb aṣ-Ṣiyām, in het hoofdstuk “De deugd van de vasten”, deze ḥadīth overgeleverd:

160. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: Allāhu (عز وجل) zegt: “Alle daden van de zoon van Ādam zijn voor hemzelf, behalve de vasten; dat is voor Mij en Ik Zelf zal ervoor belonen.”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Bij Hem in Wiens Hand mijn rûh is: de geur die uit de mond van de vastende is bij Allāhu aangenamer dan de geur van musk.”

Een andere overlevering van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) in Ṣaḥīḥ Muslim:

161.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (عز وجل) zegt: “Alle daden van de zoon van Ādam zijn voor hemzelf, behalve de vasten; dat is voor Mij en en Ik Zelf zal ervoor belonen.Vasten is een schild. Wanneer iemand van jullie vast, laat hij dan geen onfatsoenlijke taal spreken en geen lawaai maken. Als iemand hem uitscheldt of hem lastigvalt, laat hij dan zeggen: ‘Ik ben aan het vasten.’Bij Hem in Wiens Hand de rûh van Muḥammad is: de geur die uit de mond van de vastende komt, is bij Allāhu aangenamer dan de geur van musk.Voor de vastende zijn er twee momenten van vreugde: wanneer hij zijn vasten verbreekt (ifṭār) en wanneer hij zijn Rab ontmoet.”

In een andere overlevering staat:

162. “Wanneer hij Allāh ontmoet, zal Hij hem zijn beloning geven, waarna hij de vreugde ervan zal ervaren.”

In at-Tirmidhī, deel 1, blz. 147, in het hoofdstuk “De deugd van de vasten” :163. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen:“Jullie Rab zegt: Voor elke goede daad is er een beloning van tien tot zevenhonderd keer. Vasten is echter voor Mij en Ik Zelf zal ervoor belonen. Vasten is een schild tegen het Vuur. De geur die uit de mond van de vastende komt, is bij Allāh aangenamer dan de geur van musk.Wanneer iemand van jullie aan het vasten is en iemand hem onwetend behandelt, laat hij dan zeggen: ‘Ik ben aan het vasten.” At-Tirmidhī zei: deze ḥadīth is ḥasan gharīb.

Ook at-Tirmidhī heeft van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) de volgende ḥadīth overgeleverd:

164.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (عز وجل) zegt: “De meest geliefde van Mijn dienaren bij Mij is degene die zich het snelst haast met het verbreken van zijn vasten (ifṭār).”At-Tirmidhī zei: deze ḥadīth is ḥasan gharīb.

Ibn Mājah heeft in deel 1, blz. 258, in het hoofdstuk “De deugd van de vasten”:165. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:“Voor elke daad van de zoon van Ādam wordt een veelvoudige beloning gegeven. Voor een goede daad tienvoudig, tot zevenhonderdvoudig en meer, tot de hoeveelheid die Allāh wil.Allāh zegt: “Behalve de vasten; dat is voor Mij en Ik Zelf zal ervoor belonen. De mens laat zijn begeertes en zijn eten/drinken achter omwille van Mijn. Voor de vastende zijn er twee momenten van vreugde: wanneer hij zijn vasten verbreekt (ifṭār) en wanneer hij zijn Rab ontmoet. De geur die uit de mond van de vastende komt, is bij Allāh aangenamer dan de geur van musk.”

166. Ibn Mājah heeft in deel 2, blz. 223, in het hoofdstuk “De deugd van de vasten” deze ḥadīth ook overgeleverd, maar in verkorte vorm, waarbij de passage “zijn begeertes en zijn eten achterlaten” en wat daarna komt werd niet vermeld.

an-Nasā’ī heeft in deel 4, blz. 159 en verder in het hoofdstuk “De deugd van de vasten” verschillende overleveringen van deze ḥadīth vermeld.

167.Eerste ḥadīth: Van ʿAlī ibn Abī Ṭālib (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu تبارك وتعالى zegt: Vasten is voor Mij en Ik Zelf zal ervoor belonen. Voor de vastende zijn er twee momenten van vreugde: wanneer hij vasten verbreekt (ifṭār) en wanneer hij zijn Rab ontmoet.Bij Hem in Wiens Hand de rûh van Muḥammad is: de geur die uit de mond van de vastende komt, is bij Allāh aangenamer dan musk.”

168.

Tweede ḥadīth: Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu تبارك وتعالى zegt: “Vasten is voor Mij en Ik Zelf zal ervoor belonen. Voor de vastende zijn er twee momenten van vreugde: wanneer hij zijn vasten verbreekt (ifṭār) en wanneer hij zijn Rab ontmoet, zal Hij hem zijn beloning geven, waarna hij de vreugde ervan zal ervaren. Bij Hem in Wiens Hand de rûh van Muḥammad is: de geur die uit de mond van de vastende komt, is bij Allāh aangenamer dan de geur van musk.”

169. Derde ḥadīth: Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (عز وجل) zegt: “Alle daden van de zoon van Ādam zijn voor hemzelf, behalve de vasten; dat is voor Mij en Ik Zelf zal ervoor belonen”. Vasten is een schild. Wanneer iemand van jullie vast, laat hij dan geen slechte woorden spreken en geen ruzie zoeken. Als iemand hem uitscheldt of hem aanvalt, laat hij dan zeggen: ‘Ik ben aan het vasten.’Bij Hem in Wiens Hand de rûh van Muḥammad is: de geur die uit de mond van de vastende komt, is bij Allāh aangenamer dan de geur van musk.”

De overige overleveringen van an-Nasā’ī vertonen grotendeels dezelfde inhoud en strekking als deze overlevering. Daarom worden zij hier niet afzonderlijk aangehaald. Wie daar behoefte aan heeft, kan ze terugvinden in de oorspronkelijke bronnen.

Uitleg van de aḥadīth 157-169

In Ṣaḥīḥ al-Bukhārī staat de ḥadīth “De vasten is een schild”. Met “schild” (junnah) wordt bedoeld: een bescherming en een barrière die iemand weerhoudt van zonden. Dit komt doordat de vasten de begeerten breekt en de nafs verzwakt. Er wordt ook gezegd dat met “schild” een bescherming tegen het vuur van het Jahannam wordt bedoeld. Deze betekenis komt voor in enkele overleveringen van at-Tirmidhī, waar staat: “De vasten is een schild tegen het vuur van Jahannam.”

De Jahannam is omgeven door begeerten en wereldse verlangens. Ook in de overlevering van Saʿīd ibn Manṣūr en Aḥmad ibn Ḥanbal van Abū ʿUbayda ibn al-Jarrāḥ (رضي الله عنه) staat: “Vasten is een schild, zolang de vastende het niet doorbreekt.” In de overlevering van ad-Dārimī wordt toegevoegd: “door roddel (ghībah).”

al-Qasṭallānī schrijft: “In deze uitdrukking ligt de betekenis besloten dat beide zaken elkaar wederzijds versterken: wanneer iemand zich in deze wereld onthoudt van zonden, wordt dat in het Hiernamaals een bescherming en schild tegen het vuur van Jahannam”.

Met “laat hem niet schelden” wordt bedoeld: laat hem geen slechte of grove taal gebruiken. Met “laat hem niet handelen als een onwetende (jāhil)” wordt bedoeld: laat hij niet schreeuwen, spotten of zich gedragen zoals mensen van onwetendheid, zoals anderen belachelijk maken of ruzie zoeken.

In de overlevering van Saʿīd ibn Manṣūr staat: “Laat hem niet schelden en niet in ruzie vervallen.” Dit is in algemene zin verboden, zowel tijdens de vasten als daarbuiten, maar tijdens de vasten is het verbod sterker, omdat de persoon zich in een staat van ʿibādah (aanbidding) bevindt en zonde daarin nog ernstiger is.

In de overlevering van al-Bukhārī staat: “Als iemand hem beledigt of met hem ruzie zoekt…”, terwijl in de overlevering van Saʿīd ibn Manṣūr staat: “als iemand hem uitscheldt of met hem wil ruziën.” Hiermee wordt bedoeld dat iemand zich voorbereidt op verbaal of fysiek conflict.

Wat betreft de instructie ‘laat hem twee keer zeggen: ‘Ik ben aan het vasten’, schrijft an-Nawawī in Kitāb al-Adhkār dat dit met de tong gezegd wordt. al-Mutawallī zei dat het ook in het hart kan worden gezegd.

Volgens een overlevering van de fiqh-imāms, overgeleverd door ar-Rāfiʿī, zegt men in zo’n situatie tweemaal met de tong: “Ik ben aan het vasten, ik ben aan het vasten,” waarmee men probeert de ander ervan te weerhouden het kwaad te verrichten dat hij van plan is te doen. Als dat niet helpt, antwoordt men op een zachte en beheerste manier en wijst men hem vervolgens af.

In Kitāb al-Maṣābīḥ wordt ook het volgende vermeld: “Uit de formulering van de ḥadīth blijkt dat deze uitspraak een middel is om de ander te weerhouden. Alsof men door te zeggen “Ik ben aan het vasten” de ander herinnert dat wie de grenzen van respect tegenover een vastende overschrijdt, een zware bestraffing tegemoet kan zien”.

De ḥadīth maakt ook duidelijk dat ruzie maken met mensen de beloning van de vasten kan verminderen, of dat het verbod daarop tijdens de vasten nog nadrukkelijker wordt benadrukt. Door deze woorden herinnert iemand zichzelf aan zijn toestand, zodat hij zich niet begeeft in situaties die hem schade kunnen berokkenen. Hieruit blijkt opnieuw dat de vasten een schild is dat de mens beschermt tegen wat hem schaadt.

Wat betreft de uitspraak: “De geur die uit de mond van de vastende komt, is bij Allāh aangenamer dan de geur van musk”, bestaat er verschil van mening tussen Ibn aṣ-Ṣalāḥ en Ibn ʿAbd as-Salām over de vraag of hiermee de geur in deze wereld bedoeld wordt of die in het Hiernamaals.

Ibn ʿAbd as-Salām stelde dat het gaat om de geur in het Hiernamaals, en hij gebruikte als bewijs de overleveringen van Muslim en an-Nasā’ī. Abū ash-Shaykh heeft met een zwakke isnād van Anas (رضي الله عنه) een marfūʿ ḥadīth overgeleverd waarin staat: “Wanneer de vastenden uit hun graven opstaan, worden zij herkend aan de geur uit hun monden. Hun geur is bij Allāh aangenamer dan musk.” Ibn aṣ-Ṣalāḥ daarentegen zei dat het gaat om de geur in deze wereld.

Hij baseerde zich op een marfūʿ overlevering van Jābir (رضي الله عنه): ““De geur die tegen de avond uit hun monden komt, is bij Allāhu (تعالى) aangenamer dan de geur van musk.”

Hier doet zich echter een interpretatieve moeilijkheid voor, aangezien Allāhu (تعالى) verheven is boven eigenschappen zoals ruiken en andere lichamelijke of zintuiglijke kenmerken. Daarom wordt deze ḥadīth opgevat als een metaforische uitdrukking (majāz) en beeldspraak (istiʿārah). De bedoeling is dat de geur uit de mond van de vastende bij Allāhu (تعالى) een bijzondere waardering en eer geniet, en dat de vastende daardoor een hoge rang en nabijheid bij Allāhu verkrijgt.

Er is ook gezegd dat de vastende in het Hiernamaals wordt beloond met een geur die aangenamer is dan musk. Dat wil zeggen: degene die door de vasten tegen het einde van de dag een geur in zijn mond krijgt, zal in het Hiernamaals door Allāhu (تعالى) worden beloond met iets dat nog aangenamer is dan musk.

al-Qasṭallānī geeft na deze uitleg het volgende commentaar: “Als je vraagt waarom de geur die uit de mond van de vastende komt, als aangenamer wordt beschouwd dan het bloed van een shahīd, terwijl de shahīd zijn leven opoffert op weg van Allāhu (تعالى) en zijn bloed de geur van muskus heeft. Dan is het antwoord dat de invloed van de vasten groter is dan die van jihād. Want de vasten behoort tot de vijf zuilen van de Islām, terwijl jihād een farḍ al-kifāyah is. De vasten is daarentegen een farḍ al-ʿayn. En zoals Imām ash-Shāfiʿī (رَحِمَهُ اللهُ) heeft aangegeven, is een farḍ al-ʿayn hoger in rang dan een farḍ al-kifāyah.

Imām Aḥmad (رَحِمَهُ اللهُ) heeft in al-Musnad overgeleverd dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:

“Je geeft één dinar uit aan je gezin, en één dinar op weg van Allāh.

De beste en meest beloningswaardige daarvan is diegene die je aan je gezin besteedt.”

Het bewijs hiervan is dat het onderhouden van je gezin een farḍ al-ʿayn is, en dat dit in beloning zwaarder weegt dan uitgaven op weg van Allāhu die onder farḍ al-kifāyah valt.

Dit lijkt echter niet in tegenspraak met de overlevering van Abū Dāwūd at-Ṭayālisī van Abū Qatāda (رضي الله عنه), waarin staat dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een toespraak hield en zei dat jihād, buiten de verplichte ṣalāh, het beste van alle daden is. Dit kan worden verklaard doordat deze uitspraak mogelijk vóór de verplichting van de vasten is gedaan. Ook heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen iemand die vroeg naar de beste daad gezegd: “Vast, want er is niets vergelijkbaars met de vasten.”

“Vasten is voor Mij”, dat wil zeggen: in de vasten is geen plaats voor uiterlijk vertoon (riyā’). De vasten is volledig een vorm van aanbidding die wordt verricht om het welbehagen van Allāhu (تعالى) te verkrijgen. Want de dienaar aanbidt daarmee niemand anders dan Allāh. Of: het is een geheim tussen Allāh en Zijn dienaar; de dienaar verricht deze aanbidding uitsluitend om Zijn welbehagen te verkrijgen.

“en Ik Zelf zal ervoor belonen” betekent: de beloning van de vastende wordt door Allāhu (تعالى) zelf gegeven. En wij weten dat wanneer de Meest Edele (al-Karīm) een beloning exclusief aan Zichzelf toeschrijft, die beloning een bijzondere vorm van gunst en vrijgevigheid zal zijn. Die beloning zal zó overvloedig zijn dat zij niet meer te bevatten is of te tellen is.

De geleerden zijn het erover eens dat degenen die een veelvuldige beloning ontvangen, degenen zijn van wie de vasten niet vermengd is met zonden. Daarom is gezegd: “Voor de vastende zijn er twee momenten van vreugdes.” De eerste is bij het verbreken van de vasten (iftār), namelijk de rust die de rûh die gehecht is aan wereldse genietingen ervaart.

De tweede vreugde is bij de ontmoeting met zijn Rab; dat is de vreugde die de rabbānī rûh (rûh die zich volledig richt naar haar Rab) ervaart. De vasten brengt de mens namelijk tot de gunst zijn Rab te ontmoeten en de eer te verkrijgen Hem te aanschouwen. zoals al-Qasṭallānī het vermeldt.

Imām an-Nawawī (رَحِمَهُ اللهُ) vermeldt in zijn Uitleg van Ṣaḥīḥ Muslim: “De mens is niet alleen tijdens het vasten gehouden zich te onthouden van slechte taal, onwetend gedrag, ruzie zoeken en het provoceren van anderen; in het algemeen is dit voor iedereen verboden. Voor degene die vast, geldt dit verbod echter nog sterker en nadrukkelijker”.

Wat met de uitspraak van Allāhu (تعالى): ‘Alle daden van de zoon van Ādam zijn voor hemzelf, behalve de vasten; die is voor Mij’ is bedoeld, hebben de geleerden verschillende interpretaties gegeven. Want in werkelijkheid zijn alle daden van aanbidding voor Allāh.

Sommigen zeggen: vasten is een aanbidding die uitsluitend voor Allāh is, omdat er niemand anders is aan wie men met de vasten aanbidding heeft verricht. De kāfirs hebben wel afgoden vereerd met nederigheid via sujūd, ṣadaqah, dhikr en dergelijke, maar in geen enkele tijd hebben zij afgoden geëerd door middel van vasten.

Anderen leggen uit dat de vasten een verborgen daad is, en daarom ver verwijderd is van riyâ’ (schijnvertoon). Want ṣalāh, ḥaj, jihād en ṣadaqah zijn zichtbare daden, terwijl de vasten niet zichtbaar is.

Weer anderen zeggen: bij de vasten heeft de mens, anders dan bij andere daden, geen aandeel voor zijn eigen nafs (of wereldse voordeel).

Ook is gezegd: Zich onthouden van eten en drinken behoort tot de eigenschappen van Allāhu (تعالى). Ook de dienaar komt dichter bij Allāh door een handeling die met deze eigenschap samenhangt. In werkelijkheid lijkt geen enkele eigenschap van schepselen op de eigenschappen van Allāh; Zijn eigenschappen behoren exclusief tot Zijn Wezen (Dhāt).

Volgens sommigen betekent “vasten is voor Mij” dat alleen Allāh weet welke immense beloning eraan verbonden is, terwijl de beloningen van andere daden door Allāhu (تعالى) aan sommige van Zijn schepselen zijn bekendgemaakt.

En ook is gezegd dat de vasten aan Allāh wordt toegeschreven als een vorm van eer en verheffing, zoals in de uitdrukking “de kameel van Allāh”. In werkelijkheid behoort de gehele schepping toe aan Allāhu (تعالى).

Deze ḥadīth maakt de voortreffelijkheid van de vasten duidelijk, spoort ertoe aan deze te verrichten en moedigt aan om daarin geduldig te zijn.

De uitspraak “en Ik Zelf zal ervoor belonen” duidt op de grootheid en overvloed van de beloning van de vasten. Want wanneer de Meest Edele (al-Karīm) een beloning exclusief aan Zichzelf toeschrijft, dan wordt duidelijk dat deze beloning zeer groot zal zijn.

“Voor de vastende zijn er twee momenten van vreugde.” De vreugde van de vastende bij de ontmoeting met zijn Rab ontstaat door het aanschouwen van de overvloedige en volledige beloning die voor zijn daden is weggelegd. Zijn vreugde bij het ifṭār komt voort uit de blijdschap dat hij zijn aanbidding heeft voltooid zonder dat zijn vasten ongeldig is geworden, evenals uit de hoop op de beloning die hem daarvoor is beloofd.

Ik zeg: daaraan kan nog worden toegevoegd de vreugde die ontstaat doordat hij opnieuw mag doen wat eerder verboden was tijdens de vasten, en doordat hij kan genieten van wat zijn nafs verlangt.

16. Overlevering over de duʿā’ van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op de dag van ʿArafah en de khuṭbah van ʿĪd al-Aḍḥā

Deze ḥadīth is door Ibn Mājah (رَحِمَهُ اللهُ) overgeleverd in deel 2, blz. 123, in het hoofdstuk “Duʿā’ op ʿArafah”.

170. Van ʿAbdullāh ibn Kinānah, van Ibn ʿAbbās ibn Mirdās as-Sulamī, van zijn vader, dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op de avond van de dag van ʿArafah duʿā’ verrichtte voor zijn ummah. Toen werd (zijn duʿā’) door Allāhu (تعالى) beantwoord:

“Behalve degenen die onrecht hebben gepleegd, heb Ik hen (allen) vergeven. Van de onrechtplegers zal Ik de rechten van de onderdrukten terugnemen.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) smeekte toen: “O mijn Rab, als U wilt, begunstigt U de onderdrukte de Jannah, en zo vergeeft U ook de onderdrukker.”

Die avond werd zijn duʿā’ niet beantwoord.

De volgende dag, op de ochtend van Muzdalifah, herhaalde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn duʿā’, waarna zijn verzoek werd verhoord.

De overleveraar zegt: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) lachte (of glimlachte).

Abū Bakr en ʿUmar (رضي الله عنهما) vroegen hem: “Moge onze vader en moeder voor u worden opgeofferd, moge Allāhu (تعالى) altijd uw aangezicht met een glimlach vereren, maar dit is niet uw gewoonte op dit moment. Wat heeft u doen lachen?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Toen de vijand van Allāh, Iblīs, hoorde dat Allāh mijn duʿā’ had geaccepteerd en mijn ummah had vergeven, begon hij stof op zijn hoofd te strooien en luid te jammeren en te roepen. Zijn reactie deed mij lachen.”

Uitleg van de 170ste ḥadīth

De lach van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was slechts een glimlach (tabassum). Daarom betekent het woord “lachte” in de ḥadīth eigenlijk: hij glimlachte.

Het moment dat in de ḥadīth wordt genoemd, namelijk het moment waarop Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) glimlachte vanwege deze gebeurtenis, was het laatste deel van de nacht. Omdat dit een tijd van nederigheid (taḍarruʿ) en smeekbede (duʿā’) is, zeiden Abū Bakr en ʿUmar (رضي الله عنهما): “Dit is niet uw gewoonte om op dit moment te lachen.”

De woorden “moge Allāhu (تعالى) altijd uw aangezicht met een glimlach vereren” is een duʿā’ van Abū Bakr en ʿUmar (رضي الله عنهما) voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). De betekenis is: “Moge Allāhu (تعالى) uw hart vullen met voortdurende vreugde en blijdschap die zichtbaar wordt in uw glimlach.”

Een andere overlevering van an-Nasā’ī over de dag van ʿArafah

171. Van ʿĀ’ishah (رضي الله عنها), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh bevrijdt op geen enkele dag zoveel dienaren uit het vuur van de Jahannam als op de dag van ʿArafah. Op die dag nadert Allāh Zijn dienaren, die Hem smeken, met Zijn barmhartigheid, en Hij roemt hen tegenover de engelen en zegt: ‘Wat willen ze?”

Uitleg van de 171ste ḥadīth

Dat Allāhu (تعالى) op de dag van ʿArafah zoveel dienaren uit het vuur van de Jahannam bevrijdt als op geen enkele andere dag van het jaar, komt door de superioriteit van deze dag en doordat de barmhartigheid (raḥmah) van Allāhu (تعالى) op die dag in bijzondere mate neerdaalt op Zijn dienaren. Op die dag wordt Zijn barmhartigheid rijkelijk over hen uitgestort.

De uitspraak van Allāhu (تعالى): “Wat willen ze?” Dit is geen vraag om kennis te verkrijgen, want Allāhu (تعالى) heeft geen behoefte aan het vernemen of verkrijgen van kennis. Het is bedoeld als lof voor de dienaren die hun families en hun land hebben verlaten, die de moeilijkheden van reizen en stof en vermoeidheid hebben doorstaan om de verplichting van de ḥaj in Makkah te vervullen. Daar richten zij zich tot Allāhu (تعالى), verrichten duʿā’, vragen om vergeving van hun zonden en aanvaarding van hun tawbah, en zij verlangen uitsluitend Zijn raḥmah en vrezen Zijn bestraffing.

Allāhu (تعالى) is al-Karīm en de Bezitter van raḥmah; Hij vergeeft Zijn dienaren en schenkt hun Zijn barmhartigheid.

De Hadith over de khuṭbah van ʿĪd al-Aḍḥā

Deze ḥadīth is door Ibn Mājah overgeleverd in deel 2, blz. 129, in het hoofdstuk “Khuṭbah van ʿĪd al-Aḍḥā”.

172.VanʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hield een preek (khutbah) op de dag van ʿArafah op zijn gevlekte kameel en zei: “Weet jullie welke dag het vandaag is, in welke maand we zijn en in welk gebied we ons bevinden?”

De aanwezigen zeiden: “Dit is een heilige (haram) plaats, deze maand is een heilige maand en deze dag is een heilige dag.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei toen: “Jullie bezittingen, jullie levens, deze maand, deze stad en deze dag zijn heilig en onaantastbaar, zoals het heilige (verboden) is.

Luister goed: Ik zal jullie voorgaan naar de de (profetische) waterbron (ḥawḍ), en ik zal trots zijn op jullie grote aantal tegenover de andere umam. Zorg er daarom voor dat jullie mij niet in verlegenheid brengen.

Weet dat ik voor bepaalde mensen zal bemiddelen met mijn shafāʿah, terwijl anderen van mijn shafāʿah verstoken zullen blijven.

Ik zal zeggen: ‘O mijn Rab, zij behoren tot mijn metgezellen (aṣḥāb).’ Dan zal Allāhu (تعالى) zeggen: ‘Jij weet niet welke vernieuwingen (bidʿāt mv van bidʿah) zij na jou hebben geïntroduceerd.”

Uitleg van de 172ste ḥadīth

De genoemde gevlekte kameel is de kameel van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) die bekend stond als al-Qaṣwā’.

De vraag van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Weet jullie welke dag het vandaag is, in welke maand we zijn en welk gebied we ons bevinden?” had als doel om de aanwezigen bewust te maken van de heiligheid van deze tijd en plaats, zodat zij deze zouden erkennen en bevestigen. Door die erkenning wordt duidelijk hoe groot de heiligheid van hun levens en bezittingen tegenover elkaar is.

De uitspraak van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Ik zal jullie voorgaan bij de ḥawḍ” betekent dat hij vóór zijn ummah daar zal aankomen en hen zal voorbereiden om van het water van de ḥawḍ te drinken.

Wat betreft degenen die na hem innovaties (bidʿāt) in de Islām introduceren: zij worden van zijn shafāʿah verstoken, omdat zij afwijken van zijn sunnah. Daarom is het noodzakelijk om stevig vast te houden aan zijn sunnah en deze correct te volgen. Zoals Allāhu (تعالى) zegt: يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ ٱتَّقُواْ ٱللَّهَ حَقَّ تُقَاتِهِۦ وَلَا تَمُوتُنَّ إِلَّا وَأَنتُم مُّسۡلِمُونَ ١٠٢O jullie die geloven! Vrees Allāh zoals Hij gevreesd behoort te worden en sterf niet, behalve als oprechte moslims (in volledige onderwerping aan Allāh’s éénheid). (Āl ʿImrān, 3:102)

18. Ahadith over de jihād, de verdienste van de martelaren (shuhadâ’) en de oprechtheid (ikhlāṣ) in de jihād

Overlevering uit Ṣaḥīḥ al-Bukhārī over de deugd van jihād

Deze ḥadīth is door al-Bukhārī (رَحِمَهُ اللهُ) overgeleverd in deel 1, blz. 16, in het hoofdstuk “Īmān – Jihād”.

173. Van Ḥarāmiy ibn Ḥafṣ ʿAbd al-Wāḥid, van ʿUmārah, van Abū Zurʿah ibn ʿAmr, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) zei: ““Wie strijdt op Mijn weg (jihād), zonder dat hem daartoe iets anders drijft dan geloof (īmān) in Mij en het bevestigen van Mijn profeten (anbiyā’), hem zal Ik terugbrengen met zijn verdiende beloning of met de verkregen oorlogsbuit, of Ik zal hem de Jannah (Jannah) doen binnentreden.”

En als ik niet vreesde dat ik mijn ummah zwaar zou belasten, zou ik geen enkele veldtocht achterwege laten. Ik zou juist wensen om op de weg van Allāhu gedood te worden, daarna weer tot leven gebracht te worden, vervolgens opnieuw gedood te worden en opnieuw tot leven gebracht te worden.”

al-Bukhārī (رَحِمَهُ اللهُ) vermeldt in het werk van al-Qasṭallānī, deel 5, blz. 35-36, in het hoofdstuk “Jihād” onder de titel: “De beste mensen zijn de gelovigen die met hun leven en bezit op weg van Allāhu (تعالى) strijden”:

174. Van Abū al-Yamān, van Shuʿayb, van az-Zuhrī, van Saʿīd ibn al-Musayyib, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:

“De gelijkenis van degene die op weg van Allāhu strijdt (jihād), (en Allāhu weet het best wie werkelijk op Zijn weg strijdt), is als iemand die (voortdurend) vast, ṣalāh verricht. Allāh heeft voor de strijder (mujāhid) beloofd dat, als hij wordt gedood, Hij hem in Jannah zal plaatsen, of dat Hij hem zal terugbrengen met beloning en oorlogsbuit.”

Ook al-Bukhārī (رَحِمَهُ اللهُ) heeft in deel 4, blz. 85-86, in het hoofdstuk “Jihād en Siyar”, betreffende de uitspraak van Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم): “De oorlogsbuit is voor jullie toegestaan (halāl),” heeft hij de volgende ḥadīth overgeleverd:

175.

Van Ismāʿīl, van Mālik, van Abū az-Zinād, van al-Aʿraj, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) heeft degene die op Zijn weg uittrekt voor de jihād, enkel gedreven door īmān en vertrouwen in Zijn openbaring, beloofd dat Hij hem Jannah zal doen binnengaan of hem zal laten terugkeren naar zijn huis met beloning en oorlogsbuit.”

Uitleg van de aḥadīth 173-175

Met “īmān” in deze ḥadīth wordt bedoeld: ikhlāṣ (zuivere oprechtheid). Dat wil zeggen dat iemand die bij het uitgaan voor jihād uitsluitend het welbehagen van Allāhu (تعالى) nastreeft.

Hij moet geen ander doel hebben dan het vervullen van de opdracht van Allāh en het bereiken van Zijn beloofde beloningen.

Met “Ik zal hem Jannah zal doen binnengaan” wordt bedoeld: als hij als martelaar (shahīd) wordt, zal hij zonder rekenschap worden toegelaten tot Jannah, samen met degenen die nabijheid tot Allāhu (تعالى) hebben verkregen (muqarrabūn). Want het martelaarschap is een middel tot vergeving van zonden. Allāhu (تعالى) zegt in de Qurʾān: وَلَا تَحۡسَبَنَّ ٱلَّذِينَ قُتِلُواْ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ أَمۡوَٰتَۢاۚ بَلۡ أَحۡيَآءٌ عِندَ رَبِّهِمۡ يُرۡزَقُونَ ١٦٩Denk maar niet dat degenen die om het leven kwamen op het Pad van Allāh (omwille van hun godsdienst), daadwerkelijk zijn gestorven. Zeker niet! Hun arwāḥ zijn springlevend bij hun Heer en zij worden voorzien (van hemelse vruchten). (Āl ʿImrān, 3:169)Hieruit blijkt dat de shahīd vanaf het moment van zijn dood al in genade en voorziening verkeert.

Ook an-Nasā’ī heeft de ḥadīth over de deugd van jihād overgeleverd in deel 1, blz. 16:

176. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen:

“Allāhu (تعالى) heeft Zich verplicht gesteld dat wie uitgaat voor de jihād op Zijn weg, zonder dat hem daartoe iets anders drijft dan geloof (īmān) in Hem en de oprechte intentie om jihād te verrichten op Zijn weg, en die vervolgens sterft of hij nu wordt gedood of op een andere manier overlijdt, door Hem de Jannah (Jannah) zal worden binnengebracht. Of Hij zal hem laten terugkeren naar zijn woonplaats met zijn verdiende beloning en de verkregen oorlogsbuit.”

177.

Ook van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) heeft Zich verplicht gesteld dat Hij degene die uitgaat voor de jihād op Zijn weg, uitsluitend gedreven door de intentie van jihād en het bevestigen van Zijn openbaring, zal laten binnentreden in de Jannah (Jannah), of hem zal laten terugkeren naar zijn woonplaats met de beloning die hij heeft verdiend en de oorlogsbuit.”

Ook al-Bukhārī heeft in het hoofdstuk “De beloning van de uitgezonden militaire expeditie (sarīyah)” overgeleverd:

178. Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft van zijn Rab overgeleverd dat Hij zei: “Wanneer Ik hem terugbreng (van de jihād), heb Ik beloofd hem terug te brengen met beloning en oorlogsbuit. En wanneer Ik zijn rûh neem, zal Ik hem vergeven en hem Mijn raḥmah schenken.”

Uitleg van de aḥadīth 176–178

Met de woorden “die vervolgens sterft of hij nu wordt gedood of op een andere manier overlijdt” wordt bedoeld: elke vorm van dood tijdens de jihād, zowel onderweg als tijdens de terugkeer.

Uit de letterlijke betekenis van de ḥadīth zou men kunnen afleiden dat degene die met de oorlogsbuit terugkeert geen beloning krijgt. In werkelijkheid is dat niet zo: als de mujāhid met ikhlāṣ (zuivere intentie) strijdt, dan krijgt hij in alle gevallen beloning, of hij nu terugkeert of niet.

Dit is op twee manieren uitgelegd:

Eerste uitleg: Het woord dat in de tekst met “of” is vertaald, kan ook de betekenis van “en” hebben. In dat geval wordt de betekenis als volgt: wanneer iemand terugkeert naar zijn huis en geen oorlogsbuit (ghanīmah) heeft verkregen, dan keert hij alleen terug met zijn beloning (ajr). Als hij wel oorlogsbuit heeft verkregen, dan keert hij terug met zowel zijn beloning als de oorlogsbuit. In beide gevallen is het zeker dat hij beloning ontvangt.

Tweede uitleg: De beloning (ajr) die de mujāhid ontvangt wanneer hij geen oorlogsbuit krijgt, is de volledige beloning die Allāhu (تعالى) heeft voorbereid voor de mujāhidūn. De beloning van degenen die wel oorlogsbuit krijgen kan verschillen van diegenen die geen oorlogsbuit krijgen. Zij baseren zich hiervoor op de ḥadīth die in Ṣaḥīḥ Muslim is overgeleverd van ʿAmr ibn al-ʿĀs (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie op weg van Allāhu (تعالى) op pad gaat en oorlogsbuit krijgt, heeft twee derde van zijn beloning reeds ontvangen. Een derde blijft over. En wie geen oorlogsbuit krijgt, ontvangt zijn volledige beloning in het Hiernamaals.”

Op basis hiervan zeggen zij: “Deze ḥadīth toont duidelijk aan dat zelfs degene die oorlogsbuit ontvangt, een deel van zijn beloning in het Hiernamaals behoudt. De oorlogsbuit komt dus in plaats van een deel van de beloning.

al-Qasṭallānī (رَحِمَهُ اللهُ) zegt vervolgens dat er een subtiele wijsheid schuilt in de uitspraak “hij heeft twee derde van de beloning vooraf ontvangen”. Allāhu (تعالى) heeft aan de mujāhid drie gunsten gegeven: twee daarvan behoren tot deze wereld en één tot het Hiernamaals.

De wereldse gunsten zijn: veiligheid (dat hij beschermd blijft tegen de vijand) en de oorlogsbuit. De gunst van het Hiernamaals is dat hij, wanneer hij sterft, ongeacht hoe, samen met de shuhadā’ in Jannah wordt opgenomen.

Wanneer de mujāhid veilig terugkeert met oorlogsbuit, heeft hij dus al twee wereldse gunsten ontvangen.

Daarom blijft de derde gunst, die van het Hiernamaals, over bij Allāhu (تعالى). Maar als hij zonder oorlogsbuit terugkeert, dan compenseert Allāhu (تعالى) dit met een volledige beloning in het Hiernamaals.

De betekenis die in deze ḥadīth wordt bedoeld, is niet dat degene die de oorlogsbuit krijgt, geen beloning zou krijgen. Sommige geleerden hebben het woord “of” dat in de ḥadīth voorkomt opgevat als “en”. Want het is zeker dat de mujāhid in alle gevallen beloning ontvangt. Als bewijs hiervoor wordt verwezen naar sommige overleveringen in Muslim waarin het als “ajr en ghanimah” met “en” wordt vermeld.

Sommigen hebben tegen deze opvatting bezwaar gemaakt en gezegd dat wanneer het met “en” gelezen wordt, sommige problemen in de betekenis van de ḥadīth worden opgelost, maar er ontstaat dan een nieuw probleem. Want in dat geval zou elke mujāhid die terugkeert van huis noodzakelijkerwijs met oorlogsbuit zou moeten terugkeren. Zoiets is echter moeilijk te verklaren. Want de belofte van Allāh is waar, en Allāh geeft wat Hij heeft beloofd. De juiste benadering is volgens hen om de overleveringen waarin “en” voorkomt te interpreteren in het licht van de overleveringen waarin “of” wordt gebruikt, zodat beide samen worden genomen en daaruit de juiste betekenis wordt afgeleid.

Op dit bezwaar kan worden geantwoord met een van de twee bovenstaande verklaringen. Ofwel wordt het woord “of” opgevat als dat oorlogsbuit en beloning elkaar niet uitsluiten, zodat het mogelijk is dat beide samen worden verkregen. Ofwel wordt bedoeld dat in de ene situatie de volledige beloning wordt verkregen en in een andere situatie een vermindering daarvan. In dat geval ontvangt degene die geen oorlogsbuit verkrijgt zijn beloning volledig, en wanneer hij wel oorlogsbuit verkrijgt, neemt zijn beloning enigszins af door de blijdschap over de verkregen oorlogsbuit. Allāh weet het het beste.

Zoals ook in de ḥadīth wordt vermeld, ging Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) niet met elke militaire expeditie (sarīyyah) mee, uit vrees dat dit moeilijk zou zijn voor zijn ummah. Hij had medelijden met zijn ummah.

Want niet iedereen uit zijn ummah was in staat om telkens met hem mee te gaan in elke sarīyyah voor de jihād. En het zou hen zwaar vallen om niet deel te kunnen nemen aan een militaire expeditie waar hij zelf wel aan deelnam.

Deze betekenis wordt duidelijk vermeld in de overlevering van Muslim. Daar staat namelijk: “Als ik niet bang was om moeilijkheden voor de moslims te veroorzaken, dan zou ik nooit achterblijven bij een sarīyyah (veldtocht). Maar ik ben niet in staat om hen allen uit te rusten (voor de veldtocht), en hun eigen uitrusting is voor henzelf te zwaar.”

Het herhaaldelijk verlangen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) om op weg van Allāh gedood te worden, toont de uitmuntendheid van de martelaarschap (shahādah) op weg van Allāh. Daarom zou iedereen moeten verlangen naar de zegen van shahādah door op weg van Allāh gedood te worden.

De aḥadīth uit Sahîh al-Muslim, over de deugd van de jihād op weg van Allāh

179. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) heeft Zich ertoe verplicht dat degene die zijn huis verlaat met geen ander doel dan de intentie van jihād op Zijn weg en īmān in Zijn openbaring, óf Jannah zal binnengaan, óf zal terugkeren naar zijn huis met de beloning en de oorlogsbuit die hij heeft verkregen.”

In een andere overlevering in Sahîh al-Muslim wordt eveneens vermeld:

180. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd:

“Allāhu (تعالى) heeft Zich ertoe verplicht dat degene die op Zijn weg uittrekt voor jihād, zonder enige andere drijfveer dan de intentie om jihād te verrichten op Zijn weg en īmān in Hem, zeker Jannah zal binnengaan, of zal terugkeren naar zijn huis met de beloning (ajr) en de oorlogsbuit (ghanimah) die hij heeft verkregen.”

Bij Allāh, in Wiens Hand de rûh van Muhammad is, elke wond die op weg van Allāh wordt toegebracht, zal op de Yawm al-Qiyāmah komen zoals hij was op de dag dat hij werd geopend, in de kleur van bloed maar met de geur van muskus.

Bij Allāh, in Wiens Hand de rûh van Muhammad is: als ik niet bang was om moeilijkheden te veroorzaken voor de moslims, dan zou ik nooit achterblijven bij een sarīyyah die ten strijde trekt. Maar ik heb niet de mogelijkheid om hen allemaal uit te rusten, en zij hebben zelf ook niet de middelen voor hun uitrusting, waardoor het voor hen zwaar zou zijn om achter te blijven.

Bij Allāh, in Wiens Hand de rûh van Muhammad is: ik zou wensen dat ik keer op keer op weg van Allāh werd gedood, vervolgens weer vocht en weer werd gedood.

De ḥadīth over de uitspraak van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) betreffende degenen die deelnamen aan Badr: “Doe wat jullie willen, Allāh heeft jullie vergeven”

Deze ḥadīth is door al-Bukhārī overgeleverd in zijn Sahîh (deel 5, blz. 145), in de hoofdstuk “Ghazwa al-Fatḥ”. De gebeurtenis komt voor in de overleveringen over Ghazwa al-Fatḥ (de verovering van Makkah). Daarin wordt vermeld dat Khātib ibn Abī Baltaʿah (رضي الله عنه) iemand naar de inwoners van Makkah stuurde om hen te informeren dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op weg was om Makkah te veroveren. Daar wordt gezegd:

181. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg aan Khātib (رضي الله عنه): “Wat is dit dat jij hebt gedaan, o Khātib?”

Khātib (رضي الله عنه) antwoordde: “O Rasûlullāh, wees niet overhaast in uw oordeel over mij. Ik was iemand die banden had met de Quraysh, maar ik behoorde niet werkelijk tot hen. De metgezellen die samen met u waren geëmigreerd, hadden onder de mushriks familieleden die hun bezittingen en gezinnen beschermden. Omdat ik zulke familiebanden niet had, wilde ik iemand onder hen vinden die mijn familie zou beschermen. Ik heb dit niet gedaan uit afkeer van mijn dīn, noch uit welbehagen met kufr nadat ik moslim was geworden.”

Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Hij heeft de waarheid gesproken.”

ʿUmar (رضي الله عنه) zei: “O Rasûlullāh, wat zegt Allāh over de mensen van Badr?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde:“Allāh heeft gezegd: ‘Doe wat jullie willen, Ik heb jullie vergeven.”

Uitleg van de 181ste ḥadīth

Deze ḥadīth is overgeleverd in Sahîh al-Bukhārī, Kitāb al-Jihād, Bāb al-Jāsūs (56/141), van ʿAlī ibn Abī Ṭālib (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stuurde mij, Zubayr ibn al-ʿAwwām en Miqdād ibn al-Aswad (رضي الله عنهم) en zei: “Ga naar Rawḍat Ḥāḫ (een plaats tussen Makkah en Madīnah, ongeveer twaalf mijl van Madīnah). Daar is een vrouw op een kameel, zittend in een hawdaj (een draagstoel op een kameel). (Volgens Ibn Isḥāq heette zij Sārah; volgens al-Wāqidī was haar naam Kanūd). Bij haar bevindt zich een brief. Neem die van haar af.”

Wij vertrokken en onze paarden brachten ons snel vooruit. Toen wij Rawḍah bereikten, vonden wij die vrouw op de kameel.

Wij zeiden tegen haar: “Geef de brief.”

Zij zei:“Ik heb geen brief bij mij.”

Wij zeiden: “Of je geeft hem, of wij zullen je doorzoeken en hem eruit halen.”

Toen haalde zij de brief uit haar haarvlecht. Wij brachten die naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).

Toen bleek dat de brief afkomstig was van Khātib ibn Abī Baltaʿah (رضي الله عنه) en gericht was aan sommige mushriks in Makkah. In die brief gaf hij informatie over Rasûlullāhs (صلى الله عليه وسلم) (plan met Makkah). (Met die mushriks worden bedoeld: Ṣafwān ibn Umayyah, Suhayl ibn ʿAmr en ʿIkrimah ibn Abī Jahl).

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “O Khātib, wat is dit dat jij hebt gedaan?”

Het vervolg van de ḥadīth is reeds eerder genoemd.

Volgens de overlevering van Ibn Isḥāq zei ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه):“O Rasûlullāh, laat mij de nek van deze hypocriet afhakken.”

Bij deze uitspraak van ʿUmar (رضي الله عنه) is echter een nadere toelichting nodig.

Het feit dat ʿUmar (رضي الله عنه), nadat Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم) over Khāṭib had gezegd: “Hij heeft jullie de waarheid gesproken,” hem toch van huichelerij (nifāq) heeft beschuldigd, vormt een moeilijk punt.

Want Khāṭib had in zijn antwoord aan Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم) duidelijk gemaakt dat hij dit niet had gedaan uit kufr, noch uit riddah (verzaking van de Islām), en evenmin uit welbehagen met kufr nadat hij de Islām had aanvaard. Dat Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn woorden bevestigde, vormt een getuigenis dat hij geen huichelaar (munāfiq) was. Ter verduidelijking van deze kwestie is het volgende gezegd: ʿUmar (رضي الله عنه) zei dit vanuit zijn sterke ijver voor de dīn en zijn strengheid tegenover de munāfiqs. Hij meende dat hetgeen Khāṭib had gedaan een daad was die zijn terechtstelling noodzakelijk maakte.

Maar hij was daar niet absoluut zeker van en vroeg daarom toestemming om hem te doden. Hij beschuldigde Khāṭib van nifāq omdat hij in het verborgene iets had gedaan dat in strijd was met wat hij openlijk liet zien.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) daarentegen heeft hem (Khāṭib) verontschuldigd, omdat hij een bepaalde uitleg had gegeven en zijn handelen geen daadwerkelijke schade had veroorzaakt. Bovendien bevatte de brief ook woorden die de inwoners van Makkah aanspoorden tot het goede, hen opriepen om Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) te volgen en hen erop wezen dat er slechts één weg tot redding is. Om die reden werd hij als verontschuldigbaar beschouwd, en dat vormde hiervoor een grond.

Volgens wat Yahyā ibn Sallām in zijn tafsīr vermeldt, luidde de tekst van de brief van Khātib als volgt: “Daarna, o mensen van de Quraysh, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) komt naar jullie toe met een leger dat als een stromende vloed en als de nacht is. Bij Allāh, zelfs als hij alleen komt, zal hij overwinning over jullie behalen, en wat Allāh hem heeft beloofd zal zeker plaatsvinden. Bescherm jezelf dus. Wassalām.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tegen ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه), om hem ervan te weerhouden het idee om Khātib te doden door te zetten: “Weet jij niet dat hij heeft deelgenomen aan Badr? Wat weet jij, misschien heeft Allāhu (تعالى), gekeken naar degenen die aanwezig waren bij Badr en tegen hen gezegd: ‘Doe wat jullie willen, Ik heb jullie vergeven.”

Al-Qurṭubī (رحمه الله) schrijft: “Deze ḥadīth duidt erop dat de mensen van Badr een bijzondere status hadden, waardoor hun eerdere zonden werden vergeven en zij door deze verdienste tevens waardig werden geacht dat ook hun latere fouten vergeven zouden worden.”Hij vermeldt daarbij de volgende dichtregel:“Wanneer de geliefde een fout begaat, dan zijn duizend goede daden zijn voorspraak.”

Al-Qasṭallānī die de bovenstaande toelichtingen geeft, schrijft vervolgens het volgende: “Allāhu (تعالى), heeft de waarheid/juistheid van wat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) over bepaalde mensen heeft gezegd, aan het licht gebracht. De mensen van Badr bleven immers de daden van de mensen van Jannah verrichten. Als iemand van hen een fout maakte, dan vroeg hij onmiddellijk tawbah (bij Allāh) en bleef hij op het juiste pad. De vergeving die in de ḥadīth wordt genoemd, verwijst naar de vergeving in het Hiernamaals. Als zij iets hadden gedaan wat de grens te buiten ging, dan zou ongetwijfeld de door Allāh vastgestelde wet worden toegepast en zouden zij daarvoor bestraft worden.

Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de verdienste van de mensen van Badr vermeldde en zei dat Allāh over hen heeft gezegd: “Doe wat jullie willen, Jannah is voor jullie verplicht gesteld”, dus: “Ik heb jullie vergeven”, werden de ogen van ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه) gevuld met tranen en zei hij: “Allāh en Zijn Rasûl weten het het beste.” (van al-Qasṭallānī)

ʿUmars (رضي الله عنه) ogen vulden met tranen werden door zijn innerlijke emotie.

Want hij had gezegd: “Laat mij hem doden.” Zijn huilen kan echter ook voortkomen uit vreugde. Want hij had geleerd welke grote gunst Allāhu (تعالى), aan de mensen van Badr had geschonken. Vooral omdat ʿUmar (رضي الله عنه) zelf tot de mensen van Badr behoorde, nam zijn vreugde toe. Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overleverde van Allāh dat de mensen van Badr dichter bij vergeving staan dan anderen, werden de ogen van ʿUmar (رضي الله عنه) gevuld met tranen van blijdschap. Allāh weet het het beste.

Zonder twijfel behoorden de deelnemers aan de Slag van Badr tot de eersten die hun leven op de weg van Allāh hadden ingezet en met oprechte intentie uitgingen voor de jihād op Zijn weg. Hoewel de mushriks in aantal en bewapening aanzienlijk sterker waren dan de mu’mins, behaalde de Islām de overwinning en verspreidde dit nieuws zich over het gehele Arabisch Schiereiland.

Daarna begonnen alle mensen die op het Arabisch Schiereiland woonden de mu’mins groot te achten en hen te respecteren. Toen zij zagen wat er gebeurde met de mushriks die misleid waren door hoogmoed en het woord van de shayṭān volgden met “ik ben jullie beschermer”, begonnen de anderen de zaak serieus te overdenken en talloze plannen te maken. Bij sommigen onder hen begon hun eigen begeerte (nafs) hen in het geheim te verleiden tot het beramen van plotselinge overvallen tegen de mu’mins.

De mensen van Badr hebben ook een goede gewoonte gevestigd: zij leerden de mu’mins geduld te hebben in het bestrijden van degenen die zich arrogant tegenover hun broeders gedragen, en zich niet te laten afleiden door de listen van de mushriks.وَلِلَّهِ ٱلۡعِزَّةُ وَلِرَسُولِهِۦ وَلِلۡمُؤۡمِنِينَ وَلَٰكِنَّ ٱلۡمُنَٰفِقِينَ لَا يَعۡلَمُونَ ٨

…En alle macht behoort aan Allāh en Zijn Boodschapper en aan de gelovigen, maar de hypocrieten weten het niet. (Munāfiqūn, 63:8)

هُوَ ٱلَّذِيٓ أَرۡسَلَ رَسُولَهُۥ بِٱلۡهُدَىٰ وَدِينِ ٱلۡحَقِّ لِيُظۡهِرَهُۥ عَلَى ٱلدِّينِ كُلِّهِۦ وَلَوۡ كَرِهَ ٱلۡمُشۡرِكُونَ ٣٣Hij is het Die Zijn Boodschapper gestuurd heeft met Leiding en om de godsdienst van de waarheid over alle andere godsdiensten superieur te maken, zelfs als de polytheïsten het haten. (Tawbah, 9:33) (Qastallānī, Sharh, deel 6, blz. 387)

De ḥadīth over de toespraak met Jābir (رضي الله عنه) na de martelaarschap van zijn vader `Abdullah

Deze ḥadīth is door at-Tirmidhī overgeleverd in de hoofdstuk over sūrat Āl ʿImrān, nadat hij de isnād heeft vermeld, en zei hij:

182. Van Jābir ibn ʿAbdillāh (رضي الله عنهما), hij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam mij tegen en zei: ‘Wat is er met jou, o Jābir? Ik zie je bedroefd.’

Ik zei: ‘O Rasûlullāh, mijn vader (ʿAbdullāh ibn ʿAmr ibn Ḥarām (رضي الله عنه) is gedood, hij is shahīd gevallen op de dag van Uhud, en hij liet mij achter met kinderen en schulden.’

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Zal ik je het goed nieuws geven over hoe Allāh jouw vader heeft ontvangen?’

- ‘Ja, o Rasûlullāh.’

- ‘Allāh spreekt met een dienaar slechts achter een sluier, maar jouw vader heeft Hij tot leven gebracht en Hij sprak rechtstreeks tot hem zonder sluier. Hij zei: “O Mijn dienaar, vraag Mij en Ik zal je geven.”

Jouw vader zei: “O mijn Rab, ik vraag U mij opnieuw tot leven te brengen zodat ik opnieuw op Uw weg gedood kan worden.”

Allāhu (تعالى), zei: “Mijn besluit staat vast; degenen die gestorven zijn keren niet terug naar de aarde.”

Daarop werd de volgende āyah geopenbaard: وَلَا تَحۡسَبَنَّ ٱلَّذِينَ قُتِلُواْ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ أَمۡوَٰتَۢاۚ بَلۡ أَحۡيَآءٌ عِندَ رَبِّهِمۡ يُرۡزَقُونَ ١٦٩Denk maar niet dat degenen die om het leven kwamen op het Pad van Allāh (omwille van hun godsdienst), daadwerkelijk zijn gestorven. Zeker niet! Hun arwāḥ zijn springlevend bij hun Heer en zij worden voorzien (van hemelse vruchten). (Āl ʿImrān, 3:169)

Tirmidhī heeft gezegd dat deze ḥadīth ḥasan gharīb is.

Ibn Mājah heeft deze ḥadīth ook overgeleverd in de hoofdstuk “De ontkenning van de Jahmiyyah”, met een bewoording die lijkt op de hierboven genoemde overlevering van at-Tirmidhī. Daar staat echter expliciet vermeld: “ʿAbdullāh ibn ʿAmr ibn Ḥarām (رضي الله عنه) werd op de dag van Uhud gedood, en Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ontmoette mij.”

Eveneens heeft Ibn Mājah deze ḥadīth overgeleverd in zijn Sunan in de hoofdstuk “De deugd van de shahādah op weg van Allāh”.

De bewoording van die overlevering luidt als volgt:

183. Van Jābir ibn ʿAbdillāh (رضي الله عنه) wordt overgeleverd dat hij zei:

“Toen ʿAbdullāh ibn ʿAmr ibn Ḥarām (رضي الله عنه) op de dag van Uhud werd shahīd, zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen mij: ‘O Jābir, wil jij niet dat ik jou vertel wat Allāhu (تعالى), tegen jouw vader heeft gezegd?’

Ik zei: ‘Ja, dat wil ik.’

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Allāhu (تعالى), spreekt met een dienaar slechts achter een sluier, maar Hij heeft tot jouw vader zonder sluier gesproken en gezegd: “O Mijn dienaar, vraag Mij en Ik zal je geven.”

Jouw vader zei: “Ik wens dat U mij tot leven terugbrengt zodat ik opnieuw op Uw weg gedood kan worden.”

Allāhu (تعالى), zei: “Het is Mijn vast besluit; degenen die gestorven zijn worden niet teruggebracht naar de aarde.”

Jouw vader zei: “Breng mijn toestand over aan degenen die achterblijven.”

Daarop openbaarde Allāhu (تعالى), de volgende āyah: Denk maar niet dat degenen die om het leven kwamen op het Pad van Allāh (omwille van hun godsdienst), daadwerkelijk zijn gestorven... zie hierboven Āl ʿImrān, 3:169.

Uitleg van de aḥadīth 182-183

De uitspraak “Allāh sprak met jouw vader zonder sluier” moet worden geïnterpreteerd. Want Allāhu (تعالى), is verheven boven gelijkenis met de schepping. Het spreken van Allāh is een spreken zonder stem en zonder letters. Zo heeft Hij ook met Mūsā (عليه السلام) gesproken.

Toen Allāhu (تعالى) de vader van Jābir (رضي الله عنه) vroeg iets te wensen, vroeg hij, vanwege de geweldige beloning die hij door de shahādah bij Uḥud had aanschouwd, om opnieuw tot leven te worden gebracht zodat hij nogmaals op de weg van Allāhu (تعالى) gedood zou worden en opnieuw de beloning van de shahādah zou verkrijgen. Hij deed dit verzoek omdat hij de immense verhevenheid van de beloning van de shuhadāʾ had gezien.

In beide overleveringen van de ḥadīth wordt de deugd van het martelaarschap duidelijk gemaakt. In andere ḥadīth wordt vermeld dat de arwāḥ van de shuhadā’ zich in Jannah bevinden in de vorm van groene vogels die vrij rondvliegen in Jannah. In deze ḥadīth wordt ook vermeld dat zij verlangen om terug te keren naar de wereld om opnieuw te strijden en opnieuw de shahādah te bereiken. Dit alles verklaart de āyah die zegt dat de shuhadā’ niet dood zijn. De shuhadā’ leven een werkelijk leven. Zoals de āyah aangeeft, worden zij voorzien van rizq bij Allāh.

Zoals de ḥadīth aangeeft, keert iemand die eenmaal gestorven is niet terug naar deze wereld. Het leven daarna is het leven van het Hiernamaals, en dit geldt voor alle schepselen. Dat Allāh iemand na honderd jaar weer tot leven brengt, is niet in tegenspraak met deze regel: أَوۡ كَٱلَّذِي مَرَّ عَلَىٰ قَرۡيَةٖ وَهِيَ خَاوِيَةٌ عَلَىٰ عُرُوشِهَا قَالَ أَنَّىٰ يُحۡيِۦ هَٰذِهِ ٱللَّهُ بَعۡدَ مَوۡتِهَاۖ فَأَمَاتَهُ ٱللَّهُ مِاْئَةَ عَامٖ ثُمَّ بَعَثَهُۥۖ Of (gedenk) degene die langs een (verlaten) stad kwam die volledig uit ruïnes bestond. Hij zei: “Oh! Hoe zal Allāh (deze stad) doen herleven na haar vernietiging?” Daarop liet Allāh hem sterven voor honderd jaar, waarna Hij hem deed herleven… (Baqarah, 2:259)

Dit is een voorbeeld om aan te tonen dat Allāh in staat is om de doden tot leven te wekken.

Daarom zegt de āyah over degene die na zijn dood werd opgewekt: فَلَمَّا تَبَيَّنَ لَهُۥ قَالَ أَعۡلَمُ أَنَّ ٱللَّهَ عَلَىٰ كُلِّ شَيۡءٖ قَدِيرٞ ٢٥٩

…Zodra hem alles duidelijk werd, zei hij: “(Nu) ben ik vast en zeker overtuigd dat Allāh tot alle dingen in staat is. (Baqarah, 2:259)

De ḥadīth over: De vraag van Allāh: “Wensen jullie iets?”, aan de shuhadā’

Deze ḥadīth is door Imām Muslim overgeleverd in zijn Sahîh, in het boek “Fadlu al-Jihād wa’s-Siyar in de hoofdstuk over “De arwāḥ van de shuhadā’ in Jannah”, via drie verschillende isnāds.

184. Van ʿAbdullāh ibn Murrah, Masrūq zei: Wij vroegen (of: ik vroeg) ʿAbdullāh (namelijk Ibn Masʿūd (رضي الله عنه) over de volgende āyah:

Denk maar niet dat degenen die om het leven kwamen op het Pad van Allāh (omwille van hun godsdienst), daadwerkelijk zijn gestorven... zie hierboven Āl ʿImrān, 3:169Hij antwoordde: “Wij hebben zelf ook hierover gevraagd (aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), en hij zei: ‘Hun arwāḥ bevinden zich in de magen van groene vogels. Voor hen zijn lampen onder de Troon (ʿArsh) opgehangen. Hun Rab kijkt naar hen en zegt: “Wensen jullie iets?”

Zij zeggen: “Wat zouden wij nog kunnen wensen, terwijl wij in Jannah gaan en staan waar wij maar willen?”

Deze vraag wordt drie keer herhaald. Wanneer zij zien dat zij niet met rust worden gelaten om een wens te uiten, zeggen zij: “O onze Rab, wij wensen dat U onze arwāḥ terugbrengt naar onze lichamen, zodat wij opnieuw op Uw weg gedood kunnen worden.”

Toen Allāh zag dat zij geen behoefte meer hadden, liet Hij hen met rust.”

Wij beperken ons tot het vermelden van deze overlevering, want door deze ḥadīth aan te halen vervalt de noodzaak om de overige aḥadīth nog te noemen.

Deze ḥadīth is ook door at-Tirmidhī in zijn Sunan overgeleverd in het hoofdstuk dat betrekking heeft op sūrat Āl ʿImrān.

185. Volgens de overlevering werd aan Ibn Masʿūd (رضي الله عنه) gevraagd over de āyah:

Denk maar niet dat degenen die om het leven kwamen op het Pad van Allāh (omwille van hun godsdienst), daadwerkelijk zijn gestorven. zie hierboven Āl ʿImrān, 3:169Hij zei: “Wij hebben hierover gevraagd en ons werd verteld dat de arwāḥ van de martelaren in de buiken van groene vogels zijn. Zij bewegen zich in Jannah waar zij willen en verzamelen zich rond lampen die aan de ʿArsh hangen. Hun Rab kijkt naar hen en zegt: ‘Willen jullie dat Ik nog iets voor jullie vermeerder?’ Zij zeggen: ‘O onze Rab, wat zouden wij nog meer willen, terwijl wij in Jannah kunnen gaan en staan waar wij willen?”

Daarna keek Hij opnieuw naar hen en zei: “Willen jullie dat Ik jullie meer gunsten geef?”

Toen zij zagen dat zij niet zonder antwoord zouden worden gelaten, zeiden zij: “Wij wensen dat U onze arwāḥ terugbrengt naar onze lichamen en dat wij opnieuw naar de wereld terugkeren, zodat wij opnieuw op Uw weg gedood kunnen worden.”

at-Tirmidhī (رحمة الله عليه) zei dat deze ḥadīth ḥasan ṣaḥīḥ is.

Ibn Mājah heeft deze ḥadīth in zijn Sunan overgeleverd in het hoofdstuk “De verdienste van het martelaarschap op de weg van Allāh” van Ibn Masʿūd (رضي الله عنه), met een bewoording die dicht bij die van at-Tirmidhī ligt. In zijn overlevering is echter een verschil:

186. “Allāhu (جَلَّ جَلالُهُ) zei: ‘Vraag Mij wat jullie willen’ (één keer).”

De martelaren antwoordden daarop: “Wat moeten wij U vragen, terwijl wij in Jannah kunnen gaan en staan waar wij maar willen?”

In diezelfde overlevering staat ook een toevoeging: Toen Allāhu (تعالى) zag dat zij niets meer vroegen, liet Hij hen in hun toestand en werd hun geen verdere vragen meer gesteld.

Deze ḥadīth is door an-Nasā’ī overgeleverd in de hoofdstuk “De wensen van de mensen van Jannah”:

187. Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er wordt een man van de bewoners van de Jannah gebracht.Allāhu (تعالى), zegt: ‘O zoon van Ādam, hoe vind jij jouw verblijf?’

De man zegt: ‘O mijn Rab, het is de beste van alle verblijven.’

Allāh zegt: ‘Vraag en wens wat je wilt.’

De man, vanwege de superioriteit die hij van de shahādah heeft gezien, zegt: ‘Ik wens dat U mij terugbrengt naar de wereld en dat ik tien keer op Uw weg gedood word.”

Deze ḥadīth is eveneens door an-Nasā’ī overgeleverd in zijn Sunan (deel 1, blz. 37) in de hoofdstuk “Het verlangen naar shahādah”.

188. Van Irbāḍ ibn Sāriyah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De shuhadā’ en degenen die in hun bedden sterven (natuurlijke dood), en zullen met elkaar discussiëren voor onze Rab over degenendie aan de pest (ṭāʿūn) zijn gestorven.

De shuhadā’ zeggen: ‘Onze broeders zijn gedood zoals wij gedood zijn.’

Degenen die in hun bedden zijn gestorven zeggen: ‘Onze broeders zijn gestorven zoals wij zijn gestorven (in hun bed).’

Onze Rab zal zeggen: ‘Kijk naar hun wonden; als hun wonden lijken op die van degenen die gedood zijn, dan behoren zij ook tot de gedoden.’

Dan zullen zij kijken en zien dat hun wonden inderdaad op die van de shuhadā’ lijken.”

Uitleg van de 188ste ḥadīth

Uit deze ḥadīth blijkt dat de shuhadā’ die op weg van Allāh zijn gedood, ook verlangen dat degenen die zijn gestorven aan de ṭāʿūn (pest) dezelfde beloning krijgen die Allāhu (تعالى), voor de shuhadā’ heeft voorbereid.

Zij zeggen: “O onze Rab, onze broeders zijn ook gestorven door de pest, met geduld op Uw goddelijk besluit (qadar). Zij zijn dus gestorven op Uw weg. Zoals de shuhadā’ geduld hadden in de strijd, zo hebben zij geduld gehad met deze ziekte. Daarom hopen zij ook de beloning van de shahādah te ontvangen.”

Degenen die in hun bed zijn gestorven door andere oorzaken dan de pest zeggen:

“Onze broeders zijn gestorven zoals wij in onze bedden zijn gestorven. Hoe kunnen zij de beloning van de shuhadā’ bereiken die hun leven op weg van Allāh hebben gegeven?”

Allāhu (تعالى), zegt dan: “Kijk naar hun wonden; als hun wonden lijken op die van de shuhadā’, dan behoren zij ook tot de shuhadā’.”

Wanneer zij kijken, zien zij dat hun wonden inderdaad lijken op die van de shuhadā’: de kleur is de kleur van bloed en de geur is als muskus.

Deze personen worden echter slechts aangeduid als shuhadā’ van het Hiernamaals. In wereldlijke juridische bepalingen worden zij niet behandeld zoals de shuhadā’ die in de strijd zijn gevallen. Zo geldt voor hen bijvoorbeeld niet het niet wassen van het lichaam, en volgens sommige imams ook niet het achterwege laten van de ṣalāh al-janāzah. Deze regels zijn specifiek voor degenen die als shahīd in de strijd zijn gestorven.

Allāh weet het het beste.

De ḥadīth: “Wie de familie van een strijdende persoon verraadt...”

Deze ḥadīth is door an-Nasā’ī overgeleverd in zijn Sunan in de hoofdstuk “Degene die de familie van een strijdende persoon verraadt”.

189. Van Sulaymān ibn Buraydah, van zijn vader (رضي الله عنه), heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gezegd: “De eer van de vrouwen van degenen die uitgaan voor de jihād is voor degenen die achterblijven even heilig als de eer van hun moeders.

Wie zich garant stelt voor de familie van iemand die op jihād is gegaan en hen vervolgens verraadt, over hem zal op de Yawm al-Qiyāmah gezegd worden: ‘Deze persoon heeft jouw familie verraden; neem van zijn goede daden zoveel als je wilt.’ Wat denken jullie dan?”

Uitleg van de 189ste ḥadīth

Deze ḥadīth maakt duidelijk dat de eer en waardigheid van de vrouw en kinderen van degenen die zijn uitgetrokken voor de jihād beschermd moeten worden en dat erop toegezien moet worden dat hun geen kwaad of onrecht wordt aangedaan. Hun positie is zelfs zodanig dat zij worden behandeld met dezelfde eerbied en bescherming als iemands eigen moeder.

Degene die de vrouw en kinderen van een mujāhid schaadt of verraadt, begaat daarmee een grote zonde. Op de Yawm al-Qiyāmah zal Allāhu (تعالى), hem openlijk te schande maken. De mujāhid zal als het ware als rechter worden aangesteld over hem, en het zal tegen hem gezegd worden: “Deze heeft jouw familie verraden; neem van zijn goede daden wat je wilt.”

Dit toont de ernst van verraad en de grote straf ervan aan. De vraag van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Wat denken jullie dan?” dient om de ernst van deze zonde te benadrukken en om duidelijk te maken hoe verschrikkelijk de gevolgen zijn. Met andere woorden: Bedenk dan eens wat een mujāhid zal doen wanneer hij genoegdoening wil verkrijgen van degene die zijn echtgenote heeft verraden. Zal er dan nog enige goede daad van die man overblijven? Denk vervolgens aan de toestand van deze verrader op die Dag. Wat denken jullie dat er van hem terecht zal komen? Hij zal in een vernederende toestand verkeren en zijn goede daden zullen hem worden ontnomen. Zelfs al worden al zijn goede daden afgenomen, dan nog blijft hij achter met zijn zonden en zal hij daardoor de Jahannam binnengaan.

O, Allah: Wij zoeken toevlucht bij U tegen verraad. Wij vragen U om onze eer en die van onze families in deze wereld en in het Hiernamaals te beschermen en ons te bewaren tegen alle vormen van zedeloosheid en schade.

De ḥadīth: “Een man zal komen terwijl hij een andere man bij de hand vasthoudt en zal zeggen: ‘O mijn Rab, hij heeft mij gedood.’”

Deze ḥadīth is door an-Nasā’ī overgeleverd in zijn Sunan in de hoofdstuk “De ernst van het vergieten van bloed”.

190. Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een man zal komen terwijl hij de hand van een andere man vasthoudt en zal zeggen: ‘O mijn Rab, hij heeft mij gedood.’

Allāhu (تعالى) zal zeggen: ‘Waarom heb je hem gedood?’

Hij zal antwoorden: ‘Ik heb hem gedood zodat de verhevenheid alleen voor U zou zijn.’

Allāh zal zeggen: ‘Hij is van Mij (d.w.z. hij handelde voor Mij).’

Daarna zal een andere man komen, opnieuw terwijl hij de hand van een man vasthoudt, en zeggen: ‘Hij heeft mij gedood.’

Allāh zal zeggen: ‘Waarom heb je hem gedood?’

Hij zal zeggen: ‘Ik heb hem gedood zodat de eer voor die en die zou zijn.’

Allāh zal zeggen: ‘Die (eer) behoort hem niet toe.’

En degene die heeft gedood zal de zonde van degene die hij heeft gedood dragen.”

Uitleg van de 190ste ḥadīth

Deze ḥadīth maakt duidelijk dat degene die de jihād op weg van Allāh verricht om de woorden van Allāh te verheffen en de eer (ʿizzah) van de dīn van Allāh te vestigen, (deze jihād) is een geaccepteerde daad. Want hij heeft gehandeld zoals het behoorde. Hij heeft gestreden en gedood opdat de eer en verhevenheid aan de dīn van Allāh toebehoort. Daarbij is hij niet afgeweken van de weg van het goede en heeft hij de grenzen van rechtvaardigheid niet overschreden.

Daarentegen is degene die een ander doodt om de eer van een koning of een willekeurige leider te verheffen, iemand die onrechtmatig bloed vergiet. Zo iemand is van het rechte pad afgeweken en heeft een daad verricht waarbij hij probeert eer te verkrijgen voor iemand die daar geen recht op heeft. Hij heeft het rechte pad verlaten, want de ware eer behoort uitsluitend toe aan Allāhu (تعالى).

Degene die onrechtmatig iemand doodt, blijft achter met de zonde van zijn daad. Allāh zal hem bestraffen met de zwaarste straf die hij verdient, terwijl de status van de gedode persoon wordt verhoogd.

De ḥadīth: Allāh’s bewondering voor de strijder op Zijn weg

Deze ḥadīth is door Abū Dāwūd overgeleverd in zijn Sunan (deel 2, blz. 312), in de hoofdstuk “De man die zichzelf verkoopt (aan Allāh)”.

191. Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:

“Allāhu (تعالى), bewondert een man die op weg van Allāh strijdt, vervolgens wordt verslagen, maar terugkeert terwijl hij weet wat op hem rust, (opnieuw het slagveld betreedt) en blijft vechten totdat zijn bloed wordt vergoten.

Allāh zegt tegen de engelen: ‘Kijk naar deze dienaar van Mij; hij is teruggekeerd naar de strijd uit verlangen naar wat bij Mij is en uit liefde voor wat bij Mij is, en hij bleef strijden totdat zijn bloed werd vergoten.”

Uitleg van de 191ste ḥadīth

Het woord iʿjāb (in de letterlijke zin van verwondering of bewondering) is onmogelijk toe te schrijven aan Allāhu (تعالى), omdat iʿjāb een toestand is waarin iemand wordt beïnvloed door iets dat zijn nafs mooi voorkomt. Wat hier bedoeld wordt, is dat Allāh tevreden is over die daad en die goedkeurt. Daarom betekent dit dat Allāh voor die daad een grote beloning geeft. Want degene die op weg van Allāh ten strijde trekt, vervolgens wordt verslagen en vlucht om aan de dood te ontkomen, daarna opnieuw terugkeert, zichzelf herstelt, zijn leven volledig wijdt aan Allāh en alleen het welbehagen van Allāh zoekt en de overwinning van de dīn van Allāh nastreeft, en vervolgens blijft vechten totdat hij wordt gedood, laat Allāh de daad van die persoon niet verloren gaan. Integendeel, Allāh is tevreden over hem en maakt hem tot een van de shuhadā’, over wie Allāh zegt:

إِنَّ ٱللَّهَ ٱشۡتَرَىٰ مِنَ ٱلۡمُؤۡمِنِينَ أَنفُسَهُمۡ وَأَمۡوَٰلَهُم بِأَنَّ لَهُمُ ٱلۡجَنَّةَۚ

Waarlijk, Allāh heeft van de gelovigen hun levens en hun bezittingen gekocht omdat er voor hen Jannah is… (Tawbah, 9:111)

Deze persoon heeft vertrouwen gesteld in de beloning bij Allāh en hij is bevreesd voor de zware straf die Allāh heeft beloofd aan degenen die van het slagveld vluchten. Allāhu (تعالى), zegt in de Qur’ān:وَمَن يُوَلِّهِمۡ يَوۡمَئِذٖ دُبُرَهُۥٓ إِلَّا مُتَحَرِّفٗا لِّقِتَالٍ أَوۡ مُتَحَيِّزًا إِلَىٰ فِئَةٖ فَقَدۡ بَآءَ بِغَضَبٖ مِّنَ ٱللَّهِ وَمَأۡوَىٰهُ جَهَنَّمُۖ وَبِئۡسَ ٱلۡمَصِيرُ ١٦En wie op die dag hen de rug toedraait, – tenzij het een oorlogsstrategie is of een hergroepering van het (eigen) leger – heeft zeker over zichzelf de toorn van Allāh uitgeroepen. En zijn verblijfplaats is Jahannam en dat is zeker een slechte bestemming!

(Anfāl, 8:16)

De persoon die in de ḥadīth wordt genoemd, keerde juist om die reden terug, wijdde zijn leven aan deze zaak en bleef strijden totdat hij werd gedood.

Daarom was Allāhu (تعالى) tevreden met hem en schonk Hij hem Zijn welbehagen.

De ḥadīth: “De verwondering van onze Rab over een groep die met ketens naar Jannah wordt gebracht”

Deze ḥadīth is door Abū Dāwūd overgeleverd in zijn Sunan (deel 2, blz. 349), hoofdstuk “De gebondene gevangene”.

192. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), hij zei: Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Onze Rab عَزَّ وَجَلَّ, toont verwondering over een groep die met ketens naar Jannah wordt gebracht.”

Uitleg van de 192ste ḥadīth

Zoals eerder is uitgelegd, betekent “verwondering” (hier niet een letterlijke emotionele toestand voor Allāhu (تعالى), want dat is onmogelijk voor Hem) dat Allāh Zijn welbehagen toont en een grote beloning geeft.

De groep die in deze ḥadīth wordt bedoeld, kan verwijzen naar mensen die door de mujahidīn in de strijd gevangen zijn genomen en geketend zijn, waarna Allāh hun harten heeft geopend voor de leiding (hidāyah) en zij de Islām hebben aangenomen. Zij verdienen het om de Jannah binnen te gaan doordat zij de Islâm zijn binnengetreden. Hun ketening en gevangenneming zijn in zekere zin de aanleiding geworden voor hun leiding. Als zij niet gevangen waren genomen, zouden zij misschien als ongelovigen gedood zijn.Allāhu (تعالى), weet het het beste.

19. Het velevoudig belonen van de goede daden van de ummah van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم)

De ḥadīth: Verhouding tussen de ummah van Muhammad (صلى الله عليه وسلم), de joden en de christenen

Deze ḥadīth is door al-Bukhārī overgeleverd in zijn Sahîh (deel 3, blz. 90), in het boek “Kitāb al-Ijārah”, hoofdstuk “al-Ijārah (huurarbeid)tot de ṣalāh al-ʿAṣr-”.

193. Van Ismāʿīl ibn Abī Uways, van Mālik, van ʿAbdullāh ibn Dīnār, de vrijgelatene van ʿAbdullāh ibn ʿUmar, van ʿAbdullāh ibn ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: Jullie gelijkenis en die van de joden en de christenen is als die van een man die arbeiders in dienst nam en zei: ‘Wie werkt voor mij tot het midden van de dag voor één qīrāṭ?’ De joden verrichtten het werk voor één qīrāṭ ieder. Vervolgens werkten de christenen tot aan de ṣalāh al-ʿAṣr voor één qīrāṭ ieder. Daarna zijn jullie degenen die werken vanaf de ṣalāh al-ʿAṣr tot zonsondergang voor twee qīrāṭ ieder. Toen werden de joden en de christenen boos en zeiden: ‘Wij hebben meer gewerkt en ontvangen minder loon.’ Daarop zei hij (de opdrachtgever): ‘Heb ik jullie ook maar iets van jullie recht onthouden?’ Zij antwoordden: ‘Nee.’ Hij zei: ‘Dat is mijn gunst (ihsân); Ik schenk die aan wie ik wil.’

Op dezelfde plaats heeft al-Bukhārī overgeleverd:

194. Van Muḥammad ibn al-ʿAlā’ van Abū Usāmah, van Burayd Abū Burdah, van Abū Mūsā al-Ashʿarī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De situatie van de moslims, de joden en de christenen is als die van een man die een groep mensen in dienst neemt om tegen een vast loon tot het einde van de dag te werken.

Zij werken een deel van de dag en zeggen: ‘Wij hebben jouw voorwaarde van loon niet nodig en ons werk is ook zinloos.”

Hij (de opdrachtgever) zegt tegen hen: ‘Doe dat niet, maak het resterende deel van het werk af en ontvang jullie loon volledig.’

Maar zij weigeren en stoppen met werken.

Daarna neemt de hij andere mensen in dienst en zegt tegen hen: ‘Maak het resterende werk af, en ik zal jullie hetzelfde loon geven dat ik aan de eersten heb beloofd.’

Zij werken, en wanneer het middag is zeggen zij: ‘Laat onze eerdere arbeid maar verloren gaan, en houd jouw beloofde loon voor jezelf.’

Hij zegt tegen hen: ‘Doe dat niet, maak het resterende werk af; er is nog maar een klein deel van de dag over.’

Daarna neemt hij opnieuw een groep mensen in dienst voor het resterende deel van de dag, tot zonsondergang. Zij werken tot het einde van de dag en ontvangen daardoor het volledige loon van beide eerdere groepen.

Dit is hun voorbeeld en een illustratie van hun aandeel in dit licht (nûr) en de mate waarin zij daarvan hebben gekregen.”

Uitleg van de aḥadīth 193-194

De verschillende overleveringen van deze ḥadīth laten de situatie zien van de joden en de christenen die handelden volgens de voorschriften van hun boeken vóórdat deze voorschriften werden opgeheven (naskh), en die in die toestand zijn gestorven.

De joden handelden volgens de Tawrāh totdat ʿĪsā (عليه السلام) werd gezonden. De christenen handelden gedurende een bepaalde periode volgens de Injīl totdat Rasûlullāh Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) werd gezonden. Voor dit handelen volgens hun boeken ontvangen zij hun beloning, namelijk één qīrāṭ. Degenen die geloofden (îmân) in Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) nadat hij was gezonden, ontvangen hun beloning verdubbeld, namelijk twee qīrāṭ. Allāhu (تعالى), zegt in de Qur’ān:أُوْلَٰٓئِكَ يُؤۡتَوۡنَ أَجۡرَهُم مَّرَّتَيۡنِ بِمَا صَبَرُواْ وَيَدۡرَءُونَ بِٱلۡحَسَنَةِ ٱلسَّيِّئَةَ وَمِمَّا رَزَقۡنَٰهُمۡ يُنفِقُونَ ٥٤Diegenen zal tweemaal hun beloning geven worden, omdat zij geduldig waren en zij het kwade met het goede beantwoordden en datgene uitgaven waarmee Wij hen voorzien hebben. (Qaṣaṣ, 28:54)

En ook in de āyah:ٱلَّذِينَ ءَاتَيۡنَٰهُمُ ٱلۡكِتَٰبَ مِن قَبۡلِهِۦ هُم بِهِۦ يُؤۡمِنُونَ ٥٢Degenen aan wie Wij het Boek hiervόόr hebben gegeven zij geloven daarin. (Qaṣaṣ 28:52)

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft aangegeven dat onder degenen die twee keer beloning ontvangen, ook behoort: iemand van de mensen van het Boek die in zijn eigen Nabī gelooft en daarna ook in Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gelooft.

Degenen die slechts één beloning ontvangen, zijn degenen die volgens hun boek handelden vóórdat het werd opgeheven en in die toestand zijn gestorven.

Deze ḥadīth geeft een voorbeeld van de situatie van de mensen van het Boek die leefden in de tijd waarin een nieuwe sharīʿah werd gebracht die de vorige wetgeving opheft. Zij hebben vervolgens Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en wat hij bracht verworpen.

De joden hebben ook de tijd van ʿĪsā (عليه السلام) meegemaakt, die de Injīl bracht en zei:

وَمُصَدِّقٗا لِّمَا بَيۡنَ يَدَيَّ مِنَ ٱلتَّوۡرَىٰةِ وَلِأُحِلَّ لَكُم بَعۡضَ ٱلَّذِي حُرِّمَ عَلَيۡكُمۡۚ وَجِئۡتُكُم بِـَٔايَةٖ مِّن رَّبِّكُمۡ فَٱتَّقُواْ ٱللَّهَ وَأَطِيعُونِ ٥٠En ik ben gekomen om te bevestigen wat voor mij was van de Thora en om voor jullie een deel wettig te maken wat verboden was, en ik ben tot jullie gekomen met een Bewijs van jullie Heer. Vrees Allāh dus en gehoorzaam mij. (Āl ʿImrān (3:50)

Zij hebben hem echter verworpen en de Injīl (Evangelie) geloochend. Het is alsof zij tegen hun Rab zeiden: “Wij hebben de beloning die U voor ons hebt vastgesteld niet nodig.”

Op dezelfde manier geldt: wie de tijd van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) heeft bereikt en hem en de Qur’ān die hij heeft gebracht ontkent, alsof hij zegt: “Laat alles wat wij tot nu toe hebben gedaan verloren gaan, wij hebben Uw beloning niet nodig.”

al-Bukhārī heeft deze betekenis ook overgeleverd in Kitāb aṣ-Ṣalāh, in de hoofdstuk “De toestand van degene die een rakʿah van de ṣalāh al-ʿAṣr bereikt”, waaruit de kufr van degenen uit de joden en christenen die de komst van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ontkennen wordt afgeleid.

Daarna zegt al-Qasṭallānī: “Deze passage verduidelijkt de toestand van de mu’mins die de leiding van Allāh (hidāyah) accepteren en an-Nabī die Allāh heeft gezonden, Rasûlullāh Muḥammad (صلى الله عليه وسلم), volgen, en die van de joden en christenen die hebben nagelaten te handelen naar hetgeen Allāh hun heeft opgedragen”.

Al-Qasṭallānī zegt in zijn uitleg van de eerder genoemde ḥadīth van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما) dat Allāhu (تعالى) de joden heeft “ingehuurd” vanaf het begin van de dag tot de middag, en de christenen vanaf dat moment tot het moment van de ṣalāh al-ʿAṣr.

Tussen de twee aḥadīth lijkt er op het eerste gezicht een verschil te zijn. De eerste ḥadīth verwijst naar een situatie vóór de komst van een andere godsdienst, en betreft degenen die een eerdere boodschap hebben gevolgd maar een volgende niet hebben bereikt. De tweede ḥadīth betreft degenen die de tijd van de Islām hebben bereikt maar in Rasûlullāh Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) niet hebben geloofd.

Hieruit komen twee benaderingen naar voren. Sommige geleerden hebben samengevat gezegd: Ibn ʿUmar (رضي الله عنه) zei dat deze ḥadīth betrekking heeft op degenen die, vanwege hun verontschuldigingen, van het geloof (īmān) in de Islām verstoken zijn gebleven.Abū Mūsā (رضي الله عنه) daarentegen zei dat deze ḥadīth betrekking heeft op degenen die dit īmān zonder enige verontschuldiging hebben verworpen. (zoals vermeld in de sharḥ van al-Qasṭallānī)

20. De ḥadīth over de eigenschappen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in de Tawrāh

Deze ḥadīth is door al-Bukhārī (رحمه الله) overgeleverd in deel 6, blz. 136, in de uitleg van Sūrat al-Fatḥ, bij de 8ste āyah:إِنَّآ أَرۡسَلۡنَٰكَ شَٰهِدٗا وَمُبَشِّرٗا وَنَذِيرٗا ٨Waarlijk, Wij hebben jou als getuige gestuurd, als brenger van goed nieuws en als waarschuwer.

195. Van ʿAbd al-ʿAzīz ibn Abī Salamah ibn Hilāl, van ʿAṭā’ ibn Yasār, van ʿAbdullāh ibn ʿAmr ibn al-ʿĀṣ (رضي الله عنهما) hij zei: “In de Qur’ān staat: ‘Waarlijk, Wij hebben jou als getuige gestuurd, als brenger van goed nieuws en als waarschuwer.’ (zie hierboven Sūrat al-Fatḥ, 48:8)

En in de Tawrāh wordt dit als volgt vermeld:

‘O Profeet, Wij hebben jou gezonden als getuige, brenger van blijde tijding, waarschuwer en beschermer van de ongeletterden (al-ummiyyīn). Jij bent Mijn dienaar en Mijn Boodschapper. Ik heb jou de naam al-Mutawakkil gegeven. Jij bent niet streng en hardvochtig, en jij bent niet iemand die op de markten luidruchtig is. Jij beantwoordt kwaad niet met kwaad, maar jij vergeeft en toont vergevingsgezindheid.

Allāh zal jouw rûh niet nemen totdat Allāh (door deze Nabī ) een volk dat van het rechte pad is afgedwaald pas doen terugkeren door hen “lā ilāha illā Allāh” te laten uitspreken.

Door jou zal Hij blinde ogen openen, dove oren laten horen en gesloten harten openen.”

Deze ḥadīth is opnieuw door al-Bukhārī overgeleverd in het begin van Kitāb al-Buyūʿ.

196. Van ʿAṭā’ ibn Yasār wordt overgeleverd dat hij zei: “Ik ontmoette ʿAbdullāh ibn ʿAmr ibn al-ʿĀṣ (رضي الله عنهما) en zei tegen hem: ‘Vertel mij over de eigenschappen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zoals die in de Tawrāh vermeld staan.’

Hij zei: ‘Ja, bij Allāh, hij is in de Tawrāh beschreven met sommige eigenschappen die ook in de Qur’ān staan: “Waarlijk, Wij hebben jou als getuige gestuurd, als brenger van goed nieuws en als waarschuwer…” (zie hierboven Sūrat al-Fatḥ, bij de 8ste āyah)

De ḥadīth vervolgt verder.

Uitleg van de aḥadīth 195-196

Het feit dat ʿAṭā’ ibn Yasār aan ʿAbdullāh ibn ʿAmr ibn al-ʿĀṣ (رضي الله عنهما) vroeg naar de eigenschappen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in de Tawrāh, komt doordat ʿAbdullāh ibn ʿAmr zelf de Tawrāh had gelezen.

“Getuige (shāhid)”, betekent hier degene die op de Yawm al-Qiyāmah zal getuigen dat de mu’mins Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hebben bevestigd en de kāfirs hem hebben verworpen.

“Brenger van blijde tijding (mubashshir)”: degene die de mu’mins Jannah aankondigt.

“Waarschuwer (nadhīr)”: degene die de kāfirs waarschuwt voor Jahannam.

“Beschermer van de ongeletterden (al-ummiyyīn)”: degene die de meerderheid van de Arabieren beschermt die noch lezen noch schrijven konden.

Allāhu (تعالى), heeft Zijn Nabī “al-Mutawakkil” genoemd, omdat hij tevreden was met weinig rizq en volledig op Allāh vertrouwde, zeker was van de overwinning van Allāh, geduld had in moeilijkheden met vertrouwen op verlichting na moeilijkheden, en zich tooide met de beste (karaktereigenschappen (akhlāq). Daarom werd hij “de vertrouwende op Allāh” (al-Mutawakkil) genoemd.

فَبِمَا رَحۡمَةٖ مِّنَ ٱللَّهِ لِنتَ لَهُمۡۖ وَلَوۡ كُنتَ فَظًّا غَلِيظَ ٱلۡقَلۡبِ لَٱنفَضُّواْ مِنۡ حَوۡلِكَۖ فَٱعۡفُ عَنۡهُمۡ وَٱسۡتَغۡفِرۡ لَهُمۡ وَشَاوِرۡهُمۡ فِي ٱلۡأَمۡرِۖ فَإِذَا عَزَمۡتَ فَتَوَكَّلۡ عَلَى ٱللَّهِۚ إِنَّ ٱللَّهَ يُحِبُّ ٱلۡمُتَوَكِّلِينَ ١٥٩En door de Genade van Allāh ging jij vriendelijk (en liefdevol) met hen om. (Maar) als je streng en hardvochtig tegen hen was geweest, dan hadden zij zich (ongetwijfeld in groepjes) van je afgekeerd.

Vergeef hen dus (hun fouten op basis van dit verheven karakter) en vraag (Allāh vervolgens om) vergiffenis voor hen zodat je hen kunt raadplegen bij het nemen van beslissingen. En als je een besluit hebt genomen, stel dan je vertrouwen in Allāh. (Want) voorzeker, Allāh houdt van degenen die (onbeperkt) vertrouwen hebben (in Hem alléén). (Āl ʿImrān, 3:159)

De zachtheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gold tegenover de mu’mins. Tegenover de munāfiqs en de kāfirs is hem echter door Allāhu (تعالى) opgedragen streng te zijn, zoals in de volgende āyah:يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّبِيُّ جَٰهِدِ ٱلۡكُفَّارَ وَٱلۡمُنَٰفِقِينَ وَٱغۡلُظۡ عَلَيۡهِمۡۚ وَمَأۡوَىٰهُمۡ جَهَنَّمُۖ وَبِئۡسَ ٱلۡمَصِيرُ ٧٣O, Profeet! Streef hard tegen de ongelovigen en de hypocrieten en wees streng voor hen, hun verblijfplaats is Jahannam en dit is zeker de ergste bestemming. (Tawbah, 9:73)

Het principe “kwaad kan niet met kwaad worden beantwoord” komt overeen met de betekenis van de āyah:وَٱلَّذِينَ صَبَرُواْ ٱبۡتِغَآءَ وَجۡهِ رَبِّهِمۡ وَأَقَامُواْ ٱلصَّلَوٰةَ وَأَنفَقُواْ مِمَّا رَزَقۡنَٰهُمۡ سِرّٗا وَعَلَانِيَةٗ وَيَدۡرَءُونَ بِٱلۡحَسَنَةِ ٱلسَّيِّئَةَ أُوْلَٰٓئِكَ لَهُمۡ عُقۡبَى ٱلدَّارِ ٢٢En degenen die vasthoudend zijn en het welbehagen van hun Heer zoeken, en die de gebeden perfect verrichten, en die bijdragen geven van wat Wij hen hebben gegeven, en het kwade vervangen door het goede. Voor hen is er een goed einde. (Raʿd, 13:22)

De betekenis van “maar jij vergeeft en toont vergevingsgezindheid” is dat men vergeeft en verdraagzaam is, zolang de grenzen van de ḥarām die door Allāhu (تعالى) zijn vastgesteld niet worden overschreden.

Met “een verdwaald volk” wordt hier bedoeld, het volk van Ibrāhīm (عليه السلام). Zij waren in een periode van fatrah, de periode tussen twee anbiyā (of twee openbaringen,waarin er geen nieuwe openbaring kwam), en raakten toen van het rechte pad af. Zij voegden dingen toe aan de voorschriften en lieten andere zaken weg. Zo vervormden zij de ware dīn en weken zij af van het rechte pad. Hun toestand bleef zo totdat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd gezonden.

Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd gezonden, zag hij de shirk waarin de Arabieren waren gevallen. Hij vestigde het begrip van at-Tawḥīd door hen ertoe te brengen te erkennen dat er geen ware godheid is behalve Allāh.

Met “ogen die niet zien” worden ogen bedoeld die de waarheid niet waarnemen.

Al-Qasṭallānī zegt dat er geen tegenspraak is tussen deze ḥadīth en de āyah:وَمَآ أَنتَ بِهَٰدِي ٱلۡعُمۡيِ عَن ضَلَٰلَتِهِمۡۖ إِن تُسۡمِعُ إِلَّا مَن يُؤۡمِنُ بِـَٔايَٰتِنَا فَهُم مُّسۡلِمُونَ ٨١Noch kan je de blinden uit hun zonden leiden, je kunt alleen degenen doen luisteren die in Onze Tekenen geloven, en degenen die zich onderworpen hebben. (Naml, 27:81)

Want de betekenis van het openen van de ogen door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) is dat hij een oorzaak (sabab) is voor leiding (hidayah), niet dat hij zelfstandig de leiding schept. De āyah verwijst naar degenen die volledig ongevoelig zijn geworden voor elke vorm van leiding.

Er is vermeld dat de hidāyah die in de āyah wordt genoemd, betekent dat Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم) oorzaak is voor de leiding van mensen.

21. Over de beloning van geduld bij de beproeving

De ḥadīth over de beloning van geduld bij de beproeving: het verliezen van het gezichtsvermogen

Deze ḥadīth is door al-Bukhārī overgeleverd in Kitāb al-Ṭib, in de hoofdstuk “De verdienste van degene die zijn gezichtsvermogen verliest”.

197. Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) zegt: “Wanneer Ik Mijn dienaar zijn twee geliefden neem (zijn ogen), en hij geduldig is, dan is er voor hem geen andere beloning dan Jannah.”

At-Tirmidhī heeft in zijn Sunan (deel 2, p. 64), in het hoofdstuk “De ḥadīth betreffende het verlies van het gezichtsvermogen” de volgende overlevering vermeld:

198. Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) zegt: “Als Ik Mijn dienaar zijn twee kostbare bezittingen (zijn ogen) in de wereld afneem, dan is er bij Mij geen andere beloning voor hem dan Jannah.”

At-Tirmidhī heeft gezegd dat deze ḥadīth ḥasan en gharīb is.

Een gharīb ḥadīth is een overlevering waarbij in een deel van de keten slechts één overleveraar voorkomt. Als die overleveraars betrouwbaar zijn (qua geheugen en betrouwbaarheid), dan maakt deze ongebruikelijkheid de ḥadīth niet zwak.

199. At-Tirmidhī heeft van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) als marfūʿ, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) zegt: “Wanneer Ik iemands twee geliefden (zijn ogen) wegneem en hij daarop geduldig blijft en zijn beloning bij Allāh verwacht, dan neem Ik voor hem met geen andere beloning genoegen dan de Jannah.”

Uitleg van de aḥadīth 197-199

In al-Fatḥ wordt hierover gezegd: “Het geduld dat werkelijk nuttig is, is het geduld op het eerste moment van de beproeving. Op dat moment moet de persoon zijn zaak aan Allāh toevertrouwen en zich volledig aan Hem overgeven. Als hij op dat moment niet geduldig is, onrustig wordt en pas later, wanneer alle hoop verdwijnt, alsnog geduld toont, dan bereikt hij niet de volledige beloning”.

In de ḥadīth wordt gezegd: “Geen vermoeidheid, ziekte, verdriet, zorg of andere beproeving treft een mu’min, zelfs niet de prik van een doorn, zonder dat Allāh daardoor een deel van zijn zonden uitwist”

De beloning voor een beproeving is verbonden aan geduld, welbehagen met het oordeel van Allāh, overgave aan Zijn bevel en het niet klagen over de beproeving.

Degene die de beproeving niet met welbehagen ontvangt en zich niet overgeeft aan het oordeel van Allāh, krijgt geen beloning. De waarheid in de īmān is namelijk het geloof in Allāh, Zijn engelen, Zijn boeken, Zijn boodschappers, de Dag van de Opstanding en het geloof in het raadsbesluit (qadar), goed en slecht, zoet en bitter, alles komt van Allāh.

O Allāh, schenk ons oprechte īmān, maak Uw raadsbesluit (qadar) en voorbeschikking (qada) zoet voor ons, en bescherm ons tegen de openlijke en verborgen fitan. Āmīn.

De ḥadīth over de beloning wanneer Allāhu (تعالى) iemands kind tot Zich neemt

al-Bukhārī (رحمه الله) heeft deze ḥadīth overgeleverd in deel 7, pagina 90, in Kitāb ar-Riqāq, in het hoofdstuk: “Daden die worden verricht omwille van het welbehagen van Allāhu (تعالى).”

200. Van“Yaʿqūb ibn ʿAbdurraḥmān, van ʿAmr, de zoon van Abū ʿAmr, de vrijgelatene van al-Muṭṭalib, van Saʿīd, en deze van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Allāhu (تعالى) zegt: “Wanneer Ik een mu’min dienaar in deze wereld een van zijn dierbaren ontneem en hij daarop geduldig blijft en zijn beloning bij Mij verwacht, dan is er voor hem bij Mij geen andere beloning dan de Jannah.”

Al-Qasṭallānī (رحمه الله) heeft gezegd dat deze ḥadīth tot de “mufradāt” van al-Bukhārī behoort. Dat wil zeggen: hij is wel door al-Bukhārī overgeleverd, maar komt niet voor in Ṣaḥīḥ Muslim.

an-Nasāʾī heeft in zijn Sunan in het hoofdstuk “Degene van wie drie kinderen zijn overleden” de volgende ḥadīth overgeleverd:

201. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer van twee moslims drie kinderen overlijden die de leeftijd van de puberteit nog niet hebben bereikt, zal Allāhu (تعالى) hen door Zijn gunst en barmhartigheid de Jannah doen binnengaan.De kinderen zullen worden gezegd: ‘Ga Jannah binnen.’Zij zullen zeggen: ‘Wij gaan niet naar binnen totdat onze ouders binnenkomen.’Dan zal Allāh zeggen: ‘Ga jullie en jullie ouders samen Jannah binnen.”

Ibn Mājah heeft in zijn Sunan in het hoofdstuk over ‘geduld bij beproevingen’ twee overleveringen vermeld. Eén daarvan heeft een algemene betekenis voor alle beproevingen, en de andere betreft specifiek de beproeving van het verliezen van een kind, waarbij de beloning groter is. In Sunan Ibn Mājah (blz. 249) staat:202. Van Abū Umāmah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) zegt: O zoon van Ādam, als jij geduldig bent op het eerste moment dat de beproeving je treft en je hoop op beloning bij Mij stelt, dan zal Ik voor jou niets anders accepteren dan Jannah.”

In Zawā’id* wordt vermeld dat de isnād van deze ḥadīth sahīh is en dat de overleveraars betrouwbaar zijn.

(Zawā’id*: Extra aḥādīth die in bepaalde ḥadīth-verzamelingen voorkomen maar niet aanwezig zijn in andere bekende verzamelingen.)

Overlevering betreffende degene die getroffen wordt door het verlies van een miskraam

203. Van ʿAlī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het ongeboren kind dat door een miskraam verloren ging, zal pleiten bij zijn Rab wanneer zijn ouders naar Jahannam zouden worden gestuurd. Vervolgens zal worden gezegd: ‘O jij die bij zijn Rab heeft gepleit, laat jouw ouders Jannah binnengaan.’”

Daarna zal hij hen naar Jannah trekken totdat hij hen binnenbrengt, verbonden met zijn navelstreng.”

(De “navelstreng” verwijst naar de band die het kind bij de geboorte met de moeder heeft en die daarna wordt afgesneden.)

De ḥadīth over de beloning bij het overlijden van een kind

At-Tirmidhī (رحمه الله) heeft in zijn Sunan (deel 1, blz. 190), in het hoofdstuk “Begravenissen” (Janā’iz) vermeld: 204. Van Abū Mūsā al-Ashʿarī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer het kind van een dienaar sterft, zegt Allāhu (تعالى) tegen de engelen: ‘Hebben jullie de rûh van het kind van Mijn dienaar genomen?’ - ‘Ja.’

- ‘Hebben jullie de vrucht van zijn hart weggenomen?’ - ‘Ja.’

- ‘Wat heeft Mijn dienaar gezegd?’

- ‘Hij heeft U geprezen en gezegd: “Voorwaar, wij behoren aan Allāh en tot Hem zullen wij terugkeren.”

- ‘Bouw voor Mijn dienaar een huis in Jannah en noem het Huis van de Ḥamd (dank en lof).”

Abū ʿĪsā at-Tirmidhī (رحمه الله) heeft gezegd dat deze ḥadīth ḥasan gharīb is.

Een gharīb ḥadīth is een overlevering waarbij in een bepaalde schakel van de keten slechts één overleveraar voorkomt. Als die overleveraar betrouwbaar is, dan maakt dat de ḥadīth niet zwak. Daarom heeft at-Tirmidhī deze ḥadīth als ḥasan beoordeeld.

Uitleg van de 204ste ḥadīth

In deze ḥadīth wordt vermeld dat Allāhu (تعالى) vragen stelt aan de engelen. Daarmee wordt niet bedoeld dat Allāhu (تعالى) informatie zoekt of behoefte heeft aan een antwoord, want Hij is verheven boven onwetendheid en boven elke behoefte aan kennis. De bedoeling hiervan is om de engelen de toestand van de dienaar te tonen en hun bekend te maken welke beloning voor hem is voorbereid, zodat hun kennis van de verheven rang van de dienaren bij Allāhu (تعالى) toeneemt.

Dit komt overeen met wat eerder gebeurde toen Allāh de engelen informeerde over de schepping van Ādam (عليه السلام), waarop zij zeiden:وَإِذۡ قَالَ رَبُّكَ لِلۡمَلَٰٓئِكَةِ إِنِّي جَاعِلٞ فِي ٱلۡأَرۡضِ خَلِيفَةٗۖ قَالُوٓاْ أَتَجۡعَلُ فِيهَا مَن يُفۡسِدُ فِيهَا وَيَسۡفِكُ ٱلدِّمَآءَ وَنَحۡنُ نُسَبِّحُ بِحَمۡدِكَ وَنُقَدِّسُ لَكَۖ قَالَ إِنِّيٓ أَعۡلَمُ مَا لَا تَعۡلَمُونَ ٣٠

En (gedenk) toen jullie Heer tegen de Engelen zei: “Ik zal op de aarde een gevolmachtigde aanstellen” Zij zeiden: “Zult U daar iemand plaatsen die misdaden pleegt en bloed laat vloeien terwijl wij U verheerlijken, U prijzen en danken en U heiligen?” Hij (Allāh) zei: “Voorwaar, Ik weet wat jullie niet weten.” (Baqarah, 2:30)

Het huis in de Jannah wordt ‘het Huis van de Ḥamd’ genoemd, omdat de dienaar zich bij het treffen van een beproeving tot Allāh wendt en zegt: ‘Voorwaar, wij behoren aan Allāh toe en tot Hem zullen wij terugkeren”. Daardoor wordt zijn toestand gekenmerkt door lofprijzing (ḥamd). Deze benaming kan ook bedoeld zijn als een eerbetoon aan dat huis, zoals de Kaʿbah “Het Huis van Allāh” wordt genoemd.

O Allāh, schenk ons overgave, geduld en welbehagen met Zijn besluit, en maak ons behoren tot degenen die zich aan Hem onderwerpen. Āmīn.

De ḥadīth over de verdienste van de zieke die zijn Rab prijst (ḥamd)

Imām Mālik (رحمه الله) heeft in al-Muwaṭṭaʾ (deel 2, blz. 206), in het hoofdstuk over “Overleveringen betreffende de verdienste van de zieke”.205.Van ʿAṭā’ ibn Yasār, hij zei: “Wanneer een dienaar ziek wordt, stuurt Allāh hem twee engelen, en zegt dan: “Kijk naar wat hij tegen zijn bezoekers zegt.” Wanneer zijn bezoekers bij hem komen en hij Allāhu (تعالى) dankt (ḥamd) en Hem prijst (thanāʾ), brengen de engelen, hoewel Allāhu (تعالى) zijn toestand beter kent, zijn toestand ter sprake bij Allāhu (تعالى).

Dan zegt Allāhu (تعالى): ‘Als Ik deze dienaar laat sterven, zal Ik hem Jannah binnen laten gaan. En als Ik hem genezing geef, zal Ik zijn vlees vervangen door beter vlees, zijn bloed door beter bloed, en zijn zonden vergeven (of zijn ziekte laten dienen als boetedoening (kaffârah) voor zijn zonden).”

De ḥadīth: “Koorts is Mijn vuur; Ik laat het neerdalen over Mijn mu’min dienaar in de wereld...”

Ibn Mājah heeft in zijn Sunan (deel 2, blz. 182), in het hoofdstuk over “ḥummā (koorts)”.

206.Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bezocht op een dag samen met Abū Hurayrah (رضي الله عنه) een zieke die door koorts was getroffen.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tegen de zieke: “Goed nieuws voor jou. Allāh zegt: ‘Het (de koorts) is Mijn vuur. Ik laat het in deze wereld over Mijn mu’min dienaar komen, zodat het zijn aandeel van het vuur van Jahannam in het Hiernamaals zal compenseren.”

Hadith “Lees en stijg op (in rang)”

Ibn Mājah heeft in zijn Sunan (deel 2, blz. 217), in het hoofdstuk “De verdienste van de Qur’ān”, overgeleverd van

207.Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De drager van de Qur’ān (degene die de Qur’ān geheel of gedeeltelijk uit het hoofd kent) zal, wanneer hij Jannah binnengaat, wordt gezegd: ‘Lees en stijg op (in rang).’

Hij zal lezen en bij elke āyah die hij reciteert zal zijn rang worden verhoogd, totdat hij de laatste āyah die hij uit het hoofd kent heeft bereikt.”

De ḥadīth: “De rang van een persoon in Jannah wordt verhoogd doordat zijn kind voor hem om vergeving vraagt”

Ibn Mājah heeft in zijn Sunan (deel 2, blz. 203), in het hoofdstuk “Goedheid tegenover ouders”:

208.Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een qinṭār is twaalfduizend `uqiyyah, en elke `uqiyyah is beter dan alles tussen de hemel en de aarde.

De rang van een persoon in Jannah wordt verhoogd, en hij vraagt: ‘Waar komt dit vandaan?’

Dan wordt tegen hem gezegd: ‘Door de smeekbede om vergeving van jouw kind voor jou.”

De ḥadīth over de mier die een nabī (عليه السلام) beet

In Ṣaḥīḥ al-Bukhārī (deel 4, blz. 62) : 209.Van Yahyā ibn Bukayr, van al-Layth, van Yūnus, van Ibn Shihāb, van Saʿīd ibn al-Musayyab en Abū Salamah, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), hij zei: “Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Een mier beet een van de anbiyā. Hij gaf daarop bevel en de mierenkolonie werd verbrand. Allāhu (تعالى) openbaarde hem: “Omdat één mier jou heeft gebeten, heb jij een gemeenschap verbrand die Allāh verheerlijkt (tasbīḥ)?”

Uitleg van de 209 ḥadīth

In Ṣaḥīḥ at-Tirmidhī wordt vermeld dat de genoemde Nabī Mūsā (عليه السلام) was.

Met deze ḥadīth wordt door sommige geleerden bewijs aangevoerd dat het toegestaan is schadelijke dieren te doden. Dit komt omdat een wet in eerdere openbaringen ook voor ons geldig blijft, zolang er in onze sharīʿah geen tekst is die deze opheft.

In onze sharīʿah is er echter een duidelijke tekst overgeleverd die het bestraffen met vuur verbiedt, behalve in bepaalde specifieke gevallen, zoals qiṣāṣ, en dan alleen onder de daarvoor gestelde voorwaarden.Ook het doden van mieren is volgens veel geleerden in onze sharīʿah niet toegestaan, omdat in een overlevering van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) staat dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het doden van mieren heeft verboden.Er is ook een andere overlevering over dit voorval, waarin wordt vermeld dat an-Nabī langs een volk kwam dat door Allāh was vernietigd wegens hun zonden. Hij zei: “O mijn Rab, daarin waren ook kinderen en dieren die geen zonde hadden begaan.” Daarna rustte hij onder een boom en legde zijn bagage neer, waarna het verhaal verdergaat zoals hierboven beschreven.

Al-Qasṭallānī concludeert: “Allāh’s straf is algemeen, maar voor de gehoorzamen wordt het een reiniging van zonden en genade, terwijl het voor de ongehoorzamen een straf en vergelding is.”

Deze ḥadīth is eveneens overgeleverd door al-Bukhārī in deel 4, pagina 129, in het hoofdstuk ‘Het doden van vijf soorten dieren in het Heilige Gebied (al-Ḥaram)’.

210.Van Ismāʿīl ibn Abī Uways, van Mālik, van Abū’z-Zinād, van al-Aʿraj, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er wordt overgeleverd dat een nabī (عليه السلام) onder de anbiyā onder een boom zat (hij stopte daar tijdens een reis om uit te rusten). Op dat moment beet een mier hem. Hij gaf opdracht dat de spullen onder de boom werden weggehaald. Vervolgens werd het nest van de mieren verbrand. Allāhu (تعالى) openbaarde daarop: “Was het niet slechts één enkele mier die jou heeft gebeten?”

Muslim heeft in C.9, blz. 89, in de hoofdstuk “Verbod op het doden van mieren” het volgende overgeleverd:

211.Van Muhammed ibn Rāfi’, van ‘Abdurrazzāq, van Ma‘mar, van Hammām ibn Munabbih, van van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:“Een nabī (عليه السلام) uit de anbiyā ging onder een boom liggen om uit te rusten. Op dat moment beet een mier hem. Hij gaf opdracht, waarop de spullen onder de boom werden weggehaald en daarna werd (die plek) in brand gestoken en verbrand. Allāhu (تعالى) openbaarde daarop: ‘Was het niet slechts één enkele mier die jou heeft gebeten?”

Muslim heeft deze ḥadīth ook overgeleverd met bewoordingen die lijken op de twee eerdere overleveringen van al-Bukhārī. In één van zijn versies staat echter het volgende:

212. (Allāhu (تعالى) openbaarde:) “Heb jij vanwege de beet van één mier een hele gemeenschap die tasbīh verrichten vernietigd?”

De ḥadīth is door an-Nasā’ī overgeleverd in zijn Sunan, C.7, blz. 210, in de hoofdstuk “Het doden van de mier”:

213. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei dat een mier een van de anbiyā beet. Hij gaf daarop opdracht en de mierenkolonie werd volledig verbrand. Allāhu (تعالى) openbaarde toen: “Heb jij een gemeenschap die tasbīh verricht vernietigd vanwege de beet van één enkele mier?”

Abū Dāwūd heeft in zijn Sunan, C.4, blz. 273 (volgens Zarkānī in de Muwatta-voetnoot), in de hoofdstuk “Het doden van kleine mieren” het volgende overgeleverd:

214. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd:

“Een van de anbiyā legde zijn spullen onder een boom en ging rusten. Op dat moment beet een mier hem. Hij gaf daarop opdracht om de spullen onder de boom vandaan te halen. Vervolgens gaf hij opdracht om (die boom) te verbranden. Allāhu (تعالى) openbaarde daarop: ‘Was het niet slechts één enkele mier die jou heeft gebeten?”

Abū Dāwūd heeft ook een andere overlevering van deze ḥadīth vermeld. Deze is eveneens van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) overgeleverd en komt overeen met de overlevering van an-Nasā’ī, met een verschil in bewoordingen. Daarin staat:

215. (Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei:) “Een mier beet een van de anbiyā. Daarop gaf hij de opdracht om de hele mierenkolonie te verbranden. Allāhu (تعالى) openbaarde hem: ‘Heb jij een gemeenschap die tasbīh verrichten vernietigd vanwege de beet van één enkele mier?”

Uitleg van de aḥadīth 210-215

Uit de Uitleg van an-Nawawī op Muslim:Imam an-Nawawī schrijft: “De geleerden zeggen dat uit deze ḥadīth blijkt dat het in de sharīʿah van die nabī niet verboden was om mieren te doden, en dat ook de bestraffing met vuur toegestaan was. Daarom werd hij door Allāhu (تعالى) niet berispt vanwege het doden of verbranden van de mier, maar omdat hij niet alleen de mier strafte die hem had gebeten, terwijl hij ook andere mieren vernietigde die geen schuld droegen aan die daad.

In onze sharīʿah is het echter verboden om met vuur te straffen, behalve in het geval van qiṣāṣ voor iemand die zelf iemand met vuur heeft verbrand. Wat betreft het doden van mieren: hierover verschillen de imams van mening.

Het verbod op bestraffing met vuur is bevestigd in de bekende ḥadīth: “Met vuur straft alleen Allāhu (تعالى).”

De imams hebben, op basis van de ḥadīth van Ibn ‘Abbās (رضي الله عنهما), geoordeeld dat het niet toegestaan is om vier dieren te doden: de mier, de bij, de hop, en de zwarte vogel met een witte buik.Deze ḥadīth is door Abū Dāwūd overgeleverd met een keten die ṣaḥīḥ is volgens de voorwaarden van al-Bukhārī en Muslim. (van an-Nawawī).

Al-Qasṭallānī schrijft ook: al-Khaṭṭābī heeft aangegeven dat het verbod specifiek geldt voor de grote mier, terwijl het doden van kleine mieren toegestaan is.

Imam Mālik (رحمه الله) vond het doden van mieren makrūh, behalve wanneer zij schadelijk zijn en hun schade niet anders kan worden afgewend.

Ad-Dumayrī zegt dat de uitspraak “Was het niet slechts één enkele mier die jou heeft gebeten?” erop wijst dat het toegestaan is om schadelijke dieren te doden. Geleerden zien geen probleem in het doden van een dier wanneer daar een nuttig doel mee wordt bereikt of wanneer schade ermee wordt voorkomen. (van al-Qasṭallānī, C.5, blz. 314).

22. De barmhartigheid van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) voor zijn ummah en zijn duʿā’ voor hen.

De ḥadīth over het duʿā van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) voor zijn ummah en het huilen uit medeleven met hen

Deze ḥadīth wordt door Muslim in zijn Sahīh overgeleverd, C.2, blz. 179 (volgens de marginale aantekening van al-Qasṭallānī), in Kitāb al-Īmān:

217. Van Yūnus ibn ‘Abd al-A‘lā as-Sadafī, van Ibn Wahb, van ‘Amr ibn al-Ḥārith, van Bakr ibn Sawāde, van ‘Abd ar-Raḥmān ibn Jubayr, van ‘Abdullāh ibn ‘Amr ibn al-‘Āṣ (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) reciteerde de volgende verzen over Ibrāhīm (عليه السلام):رَبِّ إِنَّهُنَّ أَضۡلَلۡنَ كَثِيرٗا مِّنَ ٱلنَّاسِۖ فَمَن تَبِعَنِي فَإِنَّهُۥ مِنِّيۖ وَمَنۡ عَصَانِي فَإِنَّكَ غَفُورٞ رَّحِيمٞ ٣٦

O mijn Heer! De (aanbidding van deze) afgoden hebben veel mensen op een dwaalspoor gebracht. Maar eenieder die mij volgt, die behoort bij mij. En eenieder die mij ongehoorzaam is, voorwaar U bent de Vergevingsgezinde, de Barmhartige. (Ibrāhīm, 14:36)En ‘Īsā (عليه السلام) zei: إِن تُعَذِّبۡهُمۡ فَإِنَّهُمۡ عِبَادُكَۖ وَإِن تَغۡفِرۡ لَهُمۡ فَإِنَّكَ أَنتَ ٱلۡعَزِيزُ ٱلۡحَكِيمُ ١١٨Als U hen straft, zijn zij Uw dienaren. En als U hen vergeeft, waarlijk U en alleen U bent de Almachtige, de Alwijze. (Mā’idah, 5:118)

Daarna hief Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn handen op en zei: “O Allāh, mijn ummah, mijn ummah…” en hij begon te huilen.

Allāhu (تعالى) zei: “O Jibrīl, ga naar Muhammad, en jouw Rab weet het beter, en vraag hem wat hem doet huilen.”

Jibrīl (عليه السلام) ging naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en vroeg hem naar de situatie. Hij bracht aan Allāhu (تعالى) over wat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had gezegd, terwijl Allāhu het het beste weet.

Daarop zei Allāhu (تعالى): “O Jibrīl, ga naar Muhammad en zeg hem: Wij zullen jou tevreden stellen met betrekking tot jouw ummah en Wij zullen jou niet bedroeven.”

Uitleg van de 217ste hadīth

Yahyā ibn Sharaf an-Nawawī heeft vermeld dat deze hadīth verschillende betekenissen en nuttige lessen bevat. De hadīth laat zien hoeveel mededogen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had voor zijn ummah en hoe sterk hij verlangde naar een goed einde voor hen. Uit de hadīth blijkt dat het mustaḥab is om tijdens de duʿāʾ beide handen omhoog te heffen, omdat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dit deed.

Deze hadīth bevat daarnaast een grote blijde tijding voor de ummah van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم). Allāhu (تعالى) heeft, als vervulling van Zijn belofte aan Zijn Nabī (صلى الله عليه وسلم), de eer en waardigheid van zijn ummah verheven. Dat Allāhu (تعالى) tegen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wij zullen jou tevreden stellen betreffende jouw ummah en jou niet bedroeven”, maakt deze hadīth tot één van de meest hoopgevende overleveringen voor de ummah van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم).

Deze hadīth toont eveneens aan hoe verheven de positie van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bij Allāh is en hoe groot Zijn overvloedige gunst (faḍl) tegenover hem zijn. De wijsheid achter het zenden van Jibrīl (عليه السلام) was om de eer van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) openbaar te maken en duidelijk te tonen dat hij bij zijn Rab de hoogste rang bezit.

Allāhu (تعالى) wil dat hij tevreden is en blijft hem schenken totdat hij tevreden zal zijn. Dit gebeurt met de getuigenis van de verheven gemeenschap van de engelen in de hemel (al-malāʾ al-aʿlā). Jibrīl (عليه السلام) brengt al-malāʾ al-aʿlā hiervan op de hoogte. En Allāh weet het het beste.

Deze hadīth komt overeen met de āyah al-karīmah:وَلَسَوۡفَ يُعۡطِيكَ رَبُّكَ فَتَرۡضَىٰٓ ٥En jouw Heer zal jou zeker gunsten schenken, zodat jij tevreden zult zijn. (Ḍuḥā, 93:5)

Er is gezegd dat de woorden: “Wij zullen jou niet bedroeven” betekenen: “Wij zullen jou niet bedroeven betreffende jouw ummah.” Want welbehagen wordt reeds bereikt door de vergeving van een deel van zijn ummah; in dat geval kunnen de overigen nog steeds Jahannam binnengaan.

“Wij zullen jou tevreden stellen” betekent dus: “Wij zullen jou tevreden stellen door jouw ummah te vergeven,” en: “Wij zullen jou vrijwaren van verdriet door jouw gehele ummah van Jahannam te redden.”

O Allāh, zoals U de ummah van een nabī op de mooiste wijze beloont, beloon ons eveneens als de ummah van onze Nabī (صلى الله عليه وسلم). O Allāh, maak ons tot degenen die de sharīʿah van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) volledig volgen en die zich vasthouden aan zijn hidāyah en sunnah. O, Allāh , verzamel ons samen met de anbiyā (عليهم السلام), de waarachtigen (ṣiddīqūn), de martelaren (shuhadāʾ) en de ṣāliḥūn (rechtschapenen). Zij zijn de beste der metgezellen. Alle lof behoort toe aan Allāh, de Rab van de werelden. Āmīn. (Sharḥ van Yahyā ibn Sharaf an-Nawawī)

De hadīth: “Allāh liet voor mij de aarde samenvouwen en ik zag haar oosten en westen”

Deze hadīth is overgeleverd door Muslim ibn al-Hajjaj in Kitāb al-Fitan, volgens de nummering van de marginale aantekening van Ahmad al-Qastallani, deel 10, p. 340 en verder.

218. Van Abū Rabīʿ al-ʿAtakī en Qutaybah ibn Sa'id, de bewoording behoort toe aan Qutaybah, van Ḥammād, van Ayyūb, van Abū Qilābah, van Abū Asmāʾ, van Thawban (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh liet voor mij de aarde samenvouwen, waarna ik haar oosten en westen zag. Het koninkrijk van mijn ummah zal reiken tot zover als de aarde voor mij werd samengevouwen. Mij werden twee schatten gegeven: een rode en een witte.

Ik vroeg mijn Rab om mijn ummah niet door een allesomvattende hongersnood te vernietigen en geen vijand van buitenaf over hen te laten heersen die hun gemeenschap/eenheid uiteen zou drijven.

Mijn Rab zei daarop: ‘O Muḥammad, wanneer Ik een besluit neem, dan wordt het niet teruggedraaid. Ik heb jou voor jouw ummah beloofd dat Ik hen niet zal vernietigen door een allesomvattende hongersnood en dat Ik geen vijand van buitenaf over hen zal laten heersen die hun gemeenschap/eenheid uiteen zal drijven.’

Zolang de moslims elkaar niet doden en elkaar niet krijgsgevangen nemen, kunnen zelfs alle vijanden uit hun omgeving, als zij zich gezamenlijk tegen hen verenigen, hun geen schade toebrengen.”

Muslim ibn al-Hajjaj heeft in een tweede overlevering ook vermeld:

219. Van Zuhayr ibn Ḥarb, van Isḥāq ibn Ibrāhīm, van Muḥammad ibn al-Muthannā en van Ibn Hishām van Muʿādh ibn Hishām, van zijn vader, van Qatādah, van Abū Qilābah, van Abū Asmāʾ ar-Raḥabī en deze van Thawban (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:

‘Allāhu (تعالى) vouwde voor mij de aarde samen en bracht haar oosten en westen dicht bij elkaar. En Hij gaf mij twee schatten: de rode en de witte.’

Daarna heeft de overleveraar dezelfde hadīth overgeleverd die eerder van Ayyūb, van Abū Qilābah werd overgeleverd.

In een derde overlevering van Muslim ibn al-Hajjaj staat:

220. Van Abū Bakr ibn Abī Shaybah, van ʿAbdullāh ibn Numayr.

Eveneens heeft Ibn Numayr ons persoonlijk overgeleverd van zijn vader, van ʿUthmān ibn Ḥakīm, van ʿĀmir ibn Saʿd en deze van zijn vader: ‘Op een dag kwam Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) terug vanuit al-ʿĀliyah. Toen hij langs de masjid van Banū Muʿāwiyah kwam. Hij ging naar binnen en verrichtte twee rakʿahs ṣalāh. Wij verrichtten samen met hem de ṣalāh.

Daarna verrichtte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) langdurig duʿāʾ tot zijn Rab. Vervolgens wendde hij zich tot ons en zei: “Ik heb mijn Rab om drie zaken gevraagd. Twee daarvan heeft Hij mij gegeven en één heeft Hij mij niet gegeven.

Ik vroeg mijn Rab mijn ummah niet door (allesomvattende) hongersnood te vernietigen, en Hij gaf mij dit.

Ik vroeg Hem mijn ummah niet door verdrinking te vernietigen, en ook dit gaf Hij mij.En ik vroeg Hem dat de beproeving van mijn ummah niet uit onderlinge verdeeldheid en strijd onder hen zou voortkomen, maar dat werd niet verhoord.”

Ibn Mājah heeft deze hadīth in zijn Sunan overgeleverd, deel 2, p. 242, in de hoofdstuk “Wat voor fitan (beproevingen) zullen plaatsvinden”. De bewoording in die overlevering verschilt van die van Muslim ibn al-Hajjaj. De tekst luidt:

221. Van Thawban (رضي الله عنه), de vrijgelatene van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De aarde werd voor mij samengevouwen en ik zag haar oost en west. En mij werden twee schatten gegeven: de gele (of rode) en de witte, (dat wil zeggen goud en zilver).

Er werd tegen mij gezegd: ‘De heerschappij van jouw ummah zal reiken tot waar de aarde voor jou werd samengevouwen.’

Ik vroeg Allāhu (تعالى) drie dingen: dat Hij mijn ummah niet door hongersnood in één keer zou vernietigen, en dat Hij hen niet in groepen zou verdelen waarbij de ene groep de wraak van de andere zou ondergaan.

Hij zei: ‘Wanneer Ik een besluit neem, wordt het niet teruggedraaid. Ik zal jouw ummah niet vernietigen door hongersnood………………………………………..’

‘Wanneer het zwaard onder mijn ummah eenmaal wordt opgeheven, zal het tot de Yawm al-Qiyāmah blijven doorgaan.

Van wat ik het meest vrees voor mijn ummah is: misleidende leiders.

Er zullen onder mijn ummah groepen zijn die afgoden zullen aanbidden.

En er zullen onder mijn ummah groepen zijn die zich bij de mushrikūn aansluiten.

Vlak voor de Opstanding (Qiyamah) zullen ongeveer dertig leugenaars (dajjāls) verschijnen; ieder van hen zal beweren een nabī te zijn.

En er zal altijd een groep uit mijn ummah blijven die op de waarheid zal staan en overwinnaar zal zijn. Zij die hen tegenwerken zullen hen geen schade kunnen berokkenen totdat het bevel van Allāh komt.”

An-Nasāʾī heeft in zijn Sunan een hadīth overgeleverd die dicht bij deze betekenis ligt. Hij plaatste deze in het hoofdstuk “De levendmaking van de nacht (iḥyāʾ al-layl)”.

222. Van ʿAbdullāh ibn Khabbāb ibn al-Aratt, van zijn vader Khabbāb (رضي الله عنه), die samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft deelgenomen aan de slag van Badr, dat Khabbāb gedurende een nacht Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bewaakte.

Toen het ochtend werd en Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn ṣalāh beëindigde met de salâm (taslīm), kwam Khabbāb naar hem toe en zei: “O Rasûlullāh, mijn vader en moeder mogen voor u worden opgeofferd. U hebt deze nacht een ṣalāh verricht zoals ik u nooit eerder heb zien verrichten.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Ja, dat was de ṣalāh van vrees en hoop (khawf en rajāʾ). In die ṣalāh heb ik mijn Rab drie dingen gevraagd; twee daarvan heeft Hij mij gegeven en één heeft Hij mij niet gegeven.

Ik vroeg mijn Rab, عَزَّ وَجَلَّ, om mijn ummah niet te vernietigen zoals Hij eerdere umam heeft vernietigd, en Hij heeft dit aanvaard.

Ik vroeg mijn Rab, عَزَّ وَجَلَّ, dat Hij geen externe vijand de overhand over ons zou laten krijgen, en Hij heeft dit aanvaard.

En ik vroeg mijn Rab om mijn ummah niet in groepen en sekten te verdelen, maar dit heeft Hij niet aanvaard.”

Uitleg van de ahadīth 218-222

Deze hadīth behoort tot de wonderen (muʿjizāt) van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), “omdat de gebieden waarover hij sprak later daadwerkelijk door de Islām werden bereikt.”

De geleerden hebben gezegd dat met de “rode en witte schatten” goud en zilver worden bedoeld. Daarmee worden de schatten bedoeld van de koningen van Irak en Shām, namelijk Kisrā (Perzische keizer (Sassanidische heerser) en Qaysar (Romeinse keizer).

In deze hadīth zit een aanwijzing dat het grondgebied van de islamitische ummah zich vooral zou uitbreiden richting het oosten en het westen. Uitbreiding naar het zuiden en noorden zou minder omvangrijk zijn. En zo is het ook gebeurd. Verheven is de waarachtige Nabī die niet uit eigen begeerte spreekt; wat hij zegt is slechts openbaring.

Allāhu (تعالى) heeft aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) meegedeeld dat Hij zijn ummah niet door een allesomvattende hongersnood zou vernietigen. Dat wil zeggen: Hij zal niet de volledige ummah tegelijk vernietigen door honger. Wanneer er wel hongersnood optreedt, zal dit slechts een deel van de mensen treffen. Dit wordt ook verduidelijkt in de overlevering van Ibn Mājah, waar staat: “Ik zal jouw ummah niet vernietigen door een allesomvattende hongersnood die Ik hen opleg.”

Wat betreft het verzoek van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dat er geen fitna uit zijn eigen ummah zou voortkomen, heeft Allāhu (تعالى) dit niet toegestaan vanwege een goddelijke wijsheid (ḥikmah). Alle daden, oordelen en de qadar van Allāhu (تعالى) zijn volledig gebaseerd op wijsheid.

Ahmad al-Qastallani zegt over de fitan die worden genoemd in de hadīth van Ibn Mājah, zoals het verschijnen van misleidende leiders, het aanbidden van afgoden, sommige stammen die zich bij de mushrikūn aansluiten en ongeveer dertig dajjāls die elk beweren een nabī te zijn:

Deze zaken zijn inderdaad reeds verschenen. Als men degenen telt die na an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn opgestaan met de claim van profeetschap, en de groepen die hen hebben gevolgd, dan komt men uit op ongeveer het genoemde aantal.

Het verschil tussen deze dajjāls en de grote Dajjāl is dat zij de claim van profeetschap maken, terwijl de grote Dajjāl de claim van ulūhiyyah (goddelijkheid) zal maken. Wat misleiding en oproep tot bāṭil betreft, zijn zij echter gelijk.

O Allāh, beschermen ons tegen alle fitan. Āmīn. (Yahyā ibn Sharaf an-Nawawī, Sharḥ, in de marginale aantekening van Ahmad al-Qastallani, deel 10, p. 340)

23. De ahadith over dat de barmhartigheid (raḥmah) van Allāhu (تعالى) Zijn toorn (ghaḍab) heeft overtroffen en dat Allāhu (تعالى) de berouw (tawbah) van zondaars aanvaardt

De ahadith over “Mijn barmhartigheid (raḥmah) heeft Mijn toorn/woede (ghaḍab) overtroffen”

al-Bukhārī heeft in zijn Sahīh, in Kitāb at-Tawḥīd (volgens de marginale aantekening van Ahmad al-Qastallani, deel 10, p. 381), in het hoofdstuk dat verband houdt met de āyah:

وَيُحَذِّرُكُمُ ٱللَّهُ نَفۡسَهُۥۗ ... En Allāh waarschuwt jullie voor Hemzelf ... (Āl ʿImrān, 3:28)

223. Van ʿAbdān, van Abū Ḥamzah, van al-Aʿmash, van Abū Ṣāliḥ, van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Toen Allāh de schepping schiep, heeft Hij in Zijn Boek vastgelegd, en dit is geschreven boven de ʿArsh: ‘Mijn raḥmah heeft Mijn ghaḍab overtroffen.”

al-Bukhārī heeft deze hadīth ook elders in Kitāb at-Tawḥīd overgeleverd, met de volgende bewoording: 224. (Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:) “Toen Allāh het oordeel velde om de schepping te scheppen, schreef Hij bij Zichzelf boven de ʿArsh: ‘Mijn raḥmah heeft Mijn ghaḍab overtroffen.”

al-Bukhārī heeft deze hadīth ook in Kitāb Badʾ al-Khalq overgeleverd (volgens Ahmad al-Qastallani, deel 5, p. 251):225. Ook daar wordt overgeleverd van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):

“Mijn raḥmah heeft Mijn ghaḍab overtroffen,” en ook daar staat: “Toen Allāh de schepping wilde scheppen…”

Muslim ibn al-Hajjaj heeft deze hadīth eveneens overgeleverd in Kitāb at-Tawbah, in het hoofdstuk “De overvloed van de raḥmah van Allāh”.

An-Nasāʾī heeft hem ook in Kitāb an-Nuʿūt overgeleverd.

Ahmad al-Qastallani vermeldt dat At-Tirmidhī deze hadīth ook met de volgende bewoording heeft overgeleverd:

226. “Allāhu (تعالى) heeft over Zichzelf het volgende oordeel geveld: “Mijn raḥmah heeft Mijn ghaḍab overtroffen.”

At-Tirmidhī zegt hierover dat de hadīth ḥasan, ṣaḥīḥ en gharīb is.

227. Ibn Mājah heeft deze hadīth met de volgende bewoording overgeleverd:

“Jouw Rab heeft, vóórdat Hij de schepping schiep, met Zijn Hand over Zichzelf het volgende oordeel geveld: ‘Mijn raḥmah heeft Mijn ghaḍab overtroffen.”

Uitleg van de ahadīth 225–227

Deze uitleg is overgenomen uit de uitleg van Ahmad al-Qastallani, Kitāb at-Tawḥīd, deel 10, p. 381.

Met het “schrijven” van Allāhu (تعالى) wordt bedoeld dat Hij de pen heeft bevolen dit te schrijven; (niet dat het letterlijk een handeling is zoals bij de schepping).

“Het is boven de Troon (`Arsh) geschreven,” dat wil zeggen: het is voor de andere schepselen verborgen en ontoegankelijk. Het verheft zich bovendien boven hun vermogen tot begrijpen.

Allāhu (تعالى) is vrij van plaats (makān). Dat Allāhu (تعالى) iets laat opschrijven, oftewel daartoe opdracht geeft, is niet omdat Hij het anders zou vergeten. Allāhu (تعالى) is verheven boven de eigenschap van vergeetachtigheid. Dat Allāhu (تعالى) dit aan het begin van de schepping boven de ʿArsh liet opschrijven, is een aanwijzing voor de verhevenheid van die woorden.

Want de Lawḥ al-Maḥfūẓ (het door Allāh bewaarde Boek waarin alles reeds is vastgelegd) bevindt zich onder de ʿArsh. De schriftelijke vastlegging van deze bepaling is boven de ʿArsh geschreven. Misschien ligt hierin het geheim dat alles onder de Lawḥ al-Maḥfūẓ behoort tot de wereld van oorzaken en gevolgen (asbāb en musabbabāt), terwijl de Lawḥ al-Maḥfūẓ de uiteenzetting en vastlegging van deze zaken omvat.

Het schrijven boven de ʿArsh bevat de woorden: “Mijn raḥmah heeft Mijn ghaḍab overtroffen.”

Met “ghaḍab” wordt hier bedoeld: de straf en bestraffing die voortkomt uit de ghaḍab van Allāhu (تعالى), dus het bereiken van straf tot degenen die die ghaḍab verdienen.

Want dat het ene het andere overtreft en erover zegeviert, heeft betrekking op datgene waarmee het verbonden is. Dat wil zeggen: de raḥmah gaat vooraf aan de ghaḍab in haar betrekking tot de schepping. De raḥmah vloeit namelijk voort uit de verheven Dhāt van Allāhu (تعالى), terwijl de ghaḍab zichtbaar wordt als gevolg van de daden die de geschapen dienaar verricht.

Ahmad al-Qastallani vermeldt in Kitāb Badʾ al-Khalq de uitleg van Al-Turbishti:

Dat de raḥmah van Allāhu (تعالى) Zijn ghaḍab “overtreft”, betekent dat het aandeel van de mensen in de raḥmah van Allāh groter is dan hun aandeel in de ghaḍab van Allāh. Bovendien bereikt de raḥmah hen zonder dat zij daarvoor iets verdienen, terwijl de ghaḍab hen slechts bereikt als gevolg van hun eigen daden.

Zie je niet dat de raḥmah de mens omvat in de baarmoeder, in de babytijd, in de vroege kindertijd en tijdens de groei, zonder dat hij daarvoor enige daad van gehoorzaamheid heeft verricht? De ghaḍab daarentegen treft de mens pas wanneer hij zonden en ongehoorzaamheid heeft begaan.

In Al-Maṣābīḥ wordt gezegd: ghaḍab betekent de wil om te straffen, en raḥmah betekent de wil om te belonen met vergelding voor goede daden (thawāb). Eigenschappen van Allāhu (تعالى) kunnen niet letterlijk met elkaar in “overwinning” of “overtreffing” worden beschreven. In deze uitdrukking wordt echter bij wijze van beeldspraak (istiʿārah) duidelijk gemaakt dat de raḥmah de ghaḍab heeft overtroffen.

Het is ook geen probleem om raḥmah en ghaḍab te beschouwen als eigenschappen van Allāh die verband houden met handelingen (ṣifāt fiʿliyyah): raḥmah betekent thawāb en gunst (iḥsān), en ghaḍab betekent wraak en bestraffing. De “overtreffing” verwijst dan naar de manifestatie: de raḥmah van Allāhu (تعالى) komt in de praktijk vaker en ruimer tot uiting dan Zijn ghaḍab.

Al-Tayyibi verklaart de woorden van Allāhu (تعالى):

كَتَبَ رَبُّكُمۡ عَلَىٰ نَفۡسِهِ ٱلرَّحۡمَةَ Jullie Heer heeft Zichzelf de Genade voorgeschreven(Anʿām, 6:54)

als volgt: Dat wil zeggen: Hij heeft als belofte aan Zijn dienaren bekendgemaakt dat Hij hen zal begunstigen met raḥmah, en Hij heeft dit voor Zichzelf vastgesteld als iets dat Hij zal uitvoeren.

De ḥadīth: “Een dienaar pleegde een zonde en zei: ‘O mijn Rab ik heb een zonde begaan....”

al-Bukhārī heeft deze hadīth overgeleverd in deel 9, p. 145, in Kitāb at-Tawḥīd, in het hoofdstuk dat verbonden is met de āyah: يُرِيدُونَ أَن يُبَدِّلُواْ كَلَٰمَ ٱللَّهِۚ … Zij willen Allāh’s woorden veranderen. .. (Fatḥ, 48:15)

228. Van Aḥmad ibn Isḥāq, van ʿAmr ibn ʿĀṣim, van Hammām, van Isḥāq ibn ʿAbdullāh, van ʿAbdurraḥmān ibn Abī ʿAmrah, van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een dienaar pleegde een zonde en zei: ‘O mijn Rab, ik heb een zonde begaan, vergeef mij.’

Zijn Rab zei: ‘Weet Mijn dienaar dat hij een Rab heeft die vergeeft en rekenschap vraagt? Ik heb Mijn dienaar vergeven.’

Daarna liet die persoon enige tijd voorbijgaan, zo lang als Allāhu (تعالى) wilde, en hij beging opnieuw een zonde. Hij zei: ‘O mijn Rab, ik heb weer een zonde begaan, vergeef mij.’

Zijn Rab zei opnieuw: ‘Weet Mijn dienaar dat hij een Rab heeft die vergeeft en rekenschap vraagt? Ik heb Mijn dienaar vergeven.’

Daarna liet hij opnieuw enige tijd voorbijgaan, waarna hij weer een zonde beging. Hij zei: ‘O mijn Rab, ik heb opnieuw een zonde begaan, vergeef mij.’

Zijn Rab zei weer: ‘Weet Mijn dienaar dat hij een Rab heeft die vergeeft en rekenschap vraagt? Ik heb Mijn dienaar drie keer vergeven; laat hem doen wat hij wil.”

Muslim ibn al-Hajjaj heeft deze hadīth in zijn Sahīh overgeleverd in het hoofdstuk “De overvloed van de raḥmah van Allāh en dat Zijn raḥmah Zijn ghadab overtreft”, volgens de marginale aantekening van Ahmad al-Qastallani, deel 10, p. 188.

229.Met een keten die teruggaat tot Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei, overleverend van zijn Rab: “Een dienaar beging een zonde en zei: ‘O Allāh, vergeef mijn zonde.’

Allāhu (تعالى) zei: ‘Mijn dienaar heeft een zonde begaan en hij weet dat hij een Rab heeft die zonden vergeeft en er ook rekenschap voor vraagt. Ik heb Mijn dienaar vergeven.’

Daarna keerde hij terug en beging opnieuw een zonde, en zei: ‘O mijn Rab, vergeef mijn zonde.’

Allāhu (تعالى) zei opnieuw: ‘Mijn dienaar heeft een zonde begaan en hij weet dat hij een Rab heeft die vergeeft en rekenschap vraagt. Ik heb Mijn dienaar vergeven.’

Toen hij weer een zonde beging en opnieuw zei: ‘O mijn Rab, vergeef mijn zonde,’ zei Allāhu (تعالى): ‘Mijn dienaar heeft een zonde begaan en hij weet dat hij een Rab heeft die vergeeft en rekenschap vraagt. Doe wat je wilt, Ik heb jou vergeven.”

(Een van de overleveraars) Abd al-Aʿlā zei daarbij: “Ik weet niet zeker of Hij ‘Doe wat je wilt...’ zei na de derde of na de vierde keer.”

Uitleg van de ahadīth 228–229

Abû al-ʿAbbās al-Qurtubī zegt in al-Mufhim dat deze hadīth wijst op de baten en de grootheid van het vragen om vergeving (istighfār), de overvloed van de faḍl van Allāhu (تعالى), en de overvloed van Zijn raḥmah (barmhartigheid) luṭf (subtiele goedheid) en iḥsān (weldoen).

Maar deze istighfār waarover gesproken wordt, is niet slechts een uiting met de tong; het is een istighfār waarvan de betekenis in het hart is gevestigd. Deze betekenis moet bij het uitspreken met de tong gepaard gaan met het losmaken van de knoop van volharding in de zonde en met een toestand die leidt tot berouw (nadāmah).

Daarop wijst ook de hadīth: “De besten onder jullie zijn degenen die zondigen en daarna berouw tonen.” Dat wil zeggen: degenen die, zodra zij een zonde begaan, onmiddellijk tawbah verrichten.

Dit is niet iemand die alleen met zijn tong zegt: “Ik vraag Allāh om vergeving”, terwijl zijn hart nog vasthoudt aan dezelfde zonde. Zo’n vorm van istighfār vereist op zichzelf opnieuw een waarachtige istighfār.

Van Ibn Abī al-Dunyā, van Abdullah ibn Abbas (رضي الله عنهما) als marfūʿ: “Degene die berouw toont van zijn zonde is als iemand die geen zonde heeft begaan. En degene die volhardt in de zonde en toch vergeving vraagt aan Allāh is als iemand die met zijn Rab spot.”

Er wordt echter gezegd dat het deel “die volhardt in de zonde…” mawqūf is (dus niet als marfūʿ bevestigd is).

[(Mawqūf” (موقوف) is een overlevering die stopt bij een ṣaḥābī en niet wordt toegeschreven aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).]

Ibn Battal legt deze ḥadīth als volgt uit: degene die volhardt in zonde staat onder de wil van Allāhu (تعالى). Als Hij wil straft Hij hem, en als Hij wil vergeeft Hij hem op basis van zijn vele goede daden. Want het geloven in Allāh als Rab die straft of vergeeft is zelf al een grote goede daad. Dat iemand, terwijl hij volhardt in de zonde, toch zijn Rab om vergeving vraagt, vormt een aanwijzing dat hij deze overtuiging bezit.

De uitspraak van Allāhu (تعالى): مَن جَآءَ بِٱلۡحَسَنَةِ فَلَهُۥ عَشۡرُ أَمۡثَالِهَاۖ وَمَن جَآءَ بِٱلسَّيِّئَةِ فَلَا يُجۡزَىٰٓ إِلَّا مِثۡلَهَا وَهُمۡ لَا يُظۡلَمُونَ ١٦٠Iedereen die een goede daad verricht zal tien maal daarvan de prijs krijgen en iedereen die een slechte daad verricht zal slechts de vergelding van het gelijkwaardige krijgen en hen zal geen onrecht aangedaan worden. (Anʿām, 6:160)

ondersteunt dit. En de grootste goede daad is tawḥīd, waarboven geen enkele daad verheven is.

Als iemand zegt: “Istighfār is toch hetzelfde als tawbah?”, dan wordt geantwoord: nee. Istighfār is slechts het vragen om vergeving. Dat kan zowel door iemand die volhardt in zonde als door iemand die berouw heeft worden gedaan. In de hadīth wordt niet gezegd dat istighfār automatisch tawbah is. Want de essentie van tawbah is: terugkeren van de zonde en vastbesloten zijn er niet naar terug te keren. Alleen het vragen om vergeving bevat deze betekenis niet vanzelf.

Taqi al-Din al-Subki schrijft in zijn boek al-Ḥalabiyyāt: “Istighfār is het vragen om vergeving met de tong, of met het hart, of met beide samen. Het eerste (vergeving vragen met de tong) heeft al een voordeel, want zelfs zwijgen zonder iets te vragen is minder goed dan istighfār zeggen, omdat het vragen om vergeving zelf tot de goede daden behoort. Het tweede (vergeving vragen met het hart) is duidelijk beter, en het derde (met beide samen vergeving vragen) is het meest volmaakte.

Zonder tawbah worden deze handelingen de zonde niet tenietgedaan, omdat iemand die in de zonde volhardt ook om vergeving kan vragen, en dat is geen bewijs dat zijn tawbah is aanvaard.

Wat betreft het verschil tussen istighfār en tawbah is, wanneer ik zeg dat istighfār niet automatisch tawbah betekent, dan is dat in termen van taalkundig gebruik.

Echter, bij de meeste mensen betekent “ik vraag Allāh om vergeving” ook meteen tawbah. Wie dat bedoelt, heeft dus tawbah in zijn uitspraak opgenomen”.

Daarna zegt hij:”Sommigen hebben gezegd dat tawbah alleen compleet is met istighfār, vanwege de uitspraak van Allāhu: وَأَنِ ٱسۡتَغۡفِرُواْ رَبَّكُمۡ ثُمَّ تُوبُوٓاْ إِلَيۡهِ “Vraag jullie Rab om vergeving (istighfār) en keer daarna tot Hem terug (tawbah).” (Hūd 11:3) Maar volgens de meest bekende opvatting is dat tawbah alleen compleet is en met istighfār geen verplichting. Anderen zeggen dat spijt (nadamah) op zichzelf voldoende is voor tawbah. Dit vereist dat men zich zuivert van de zonde en vastbesloten is er niet naar terug te keren. Deze twee zaken komen na de spijt.

In essentie zijn zuivering van de zonde en vastberadenheid om niet terug te keren geen aparte voorwaarden naast spijt (nadamah), maar ze vloeien eruit voort als onderdeel van de werkelijke tawbah.

De hadīth luidt ook: “Spijt is tawbah.” Ibn Mājah heeft deze hadīth als ḥasan overgeleverd van Abdullah ibn Masʿud (رضي الله عنه), en Al-Hakim al-Naysaburi heeft hem als ṣaḥīḥ beoordeeld.

Ook Ibn Hibban heeft dezelfde hadīth van Anas ibn Malik (رضي الله عنه) overgeleverd en als ṣaḥīḥ verklaard.

(Al deze uitleg is afkomstig uit de sharḥ van Ahmad al-Qastallani, deel 10, p. 435. En Allāh weet het het beste.)

Yahya ibn Sharaf an-Nawawī schrijft in zijn Sharḥ Ṣaḥīḥ Muslim: ”De geleerden zijn het erover eens dat het verplicht (wājib) is om voor alle zonden onmiddellijk tawbah te verrichten na het begaan van de zonde. Deze verplichting wordt volgens de Ahl as-Sunnah vastgesteld door de sharīʿah, terwijl de Muʿtazilah dit als een rationele verplichting beschouwen.

Volgens Ahl as-Sunnah is het echter zo dat zelfs wanneer alle voorwaarden van een oprechte tawbah aanwezig zijn, het niet rationeel noodzakelijk is dat Allāhu (تعالى) deze moet accepteren. Maar uit Zijn faḍl en iḥsān accepteert Hij deze wel. Wij weten dat Allāhu (تعالى) de tawbah accepteert op basis van de sharīʿah en de consensus (ijmāʿ) van de geleerden.

Wanneer iemand een geldige en oprechte tawbah verricht en daarna opnieuw in dezelfde zonde vervalt, dan wordt hem een nieuwe zonde geschreven. Zijn eerdere tawbah wordt daardoor niet ongeldig verklaard. Dit is de mening van Ahl as-Sunnah. Dit geldt ook wanneer zonde en tawbah zich herhalen. En Allāh weet het het beste.

De ḥadīth: “Bij Allāh, Allāh voelt vreugde en opluchting over de tawbah van Zijn dienaar…”

Muslim ibn al-Hajjaj heeft in zijn Ṣaḥīḥ, in Kitāb at-Tawbah (volgens de marginale aantekening van Ahmad al-Qastallani, deel 10, p. 171), het volgende overgeleverd:

230. Van Suwayd ibn Saʿīd, van Ḥafṣ ibn Maysarah, van Zayd ibn Aslam, van Abū Ṣāliḥ, van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) zegt: ‘Ik ben zoals Mijn dienaar over Mij denkt, en wanneer hij Mij gedenkt, ben Ik bij hem.’

Bij Allāh, Allāhu (تعالى) verheugt Zich over de tawbah van Zijn dienaar, zoals één van jullie zich verheugt wanneer hij zijn verloren kameel terugvindt in de woestijn.

Allāhu (تعالى) zegt: “Wie Mij een handspan nadert, die nader Ik een armspan. En wie zich lopend naar Mij begeeft, kom Ik hem snel tegemoet.”

Uitleg van de 230ste hadīth

Yahya ibn Sharaf an-Nawawī zegt over de woorden van Allāhu (تعالى): “Over de uitspraak: “Ik ben zoals Mijn dienaar over Mij denkt,” zegt al-Qāḍī al-Bayḍāwī (رحمه الله) dat de betekenis ervan is: wanneer de dienaar verwacht dat Allāhu (تعالى) hem zal vergeven wanneer hij istighfār verricht, zijn tawbah zal aanvaarden wanneer hij berouw toont, zijn duʿāʾ zal beantwoorden/verhoren wanneer hij Hem aanroept, en hem zal schenken wat hij nodig heeft wanneer hij zijn hoop op Hem stelt, dan zal Allāhu (تعالى) hem behandelen overeenkomstig die goede verwachting”.

Er wordt ook gezegd dat de bedoeling (van deze uitspraak) is om de dienaar hoop (rajāʾ) en verwachting van vergeving te geven, en dit is de correcte opvatting.

De woorden “wanneer hij Mij gedenkt, ben Ik bij hem” betekenen dat Allāhu (تعالى) bij Zijn dienaar is met Zijn Barmhartigheid (raḥmah), Leiding naar het goede (tawfīq), leiding (hidāyah), bescherming en hulp.

Wat betreft de āyah: وَهُوَ مَعَكُمۡ أَيۡنَ مَا كُنتُمۡۚ …En Hij is met jullie, waar jullie ook zijn…(Ḥadīd, 57:4),

dit betekent dat Allāhu (تعالى) met Zijn kennis (`ilm) en alomvattendheid (iḥāṭah) bij Zijn dienaar is.

Wat aan het einde van de hadīth wordt genoemd over “naderen” dat eerder is vermeld dat hier niet de letterlijke (ẓāhirī) betekenis uit afgeleid mag worden.

Wat voor ons verplicht is, is dat wij Allāhu (تعالى) verheven verklaren boven eigenschappen die behoren tot de geschapen wezens. Lopen, bewegen, zich van de ene plaats naar de andere verplaatsen en soortgelijke zaken zijn handelingen die vergankelijkheid en verandering vereisen. Allāhu (تعالى) is daarvan verheven en vrij.

Hieruit moet de volgende betekenis worden begrepen: wie Mij nadert door gehoorzaamheid, die nader Ik met Mijn raḥmah, Mijn tawfīq (het door Allāh geschonken succes om het juiste te doen) en Mijn hulp. En wie zijn gehoorzaamheid aan Mij vermeerdert, voor hem vermeerder Ik Mijn raḥmah, Mijn tawfīq en Mijn hulp vele malen.

Met het feit dat Allāhu (تعالى) “rennend” tegemoetkomt aan degene die zich lopend naar Hem begeeft, wordt bedoeld dat Hij overvloedig Zijn raḥmah schenkt. De beloning voor de daad van een dienaar wordt namelijk vele malen meer gegeven dan wat hij zelf heeft verricht. (an-Nawawī)

De geleerden zeggen: “vreugde en opluchting voelen van Allāhu (تعالى),” betekent Zijn welbehagen en welbehagen (riḍā) over iets. Al-Māzarī (رحمه الله) zegt ook: vreugde en blijdschap kunnen verschillende vormen aannemen, waaronder vreugde. Wanneer men verheugd is, is men ook tevreden over datgene wat aanleiding gaf tot die vreugde. Dat wil zeggen: er wordt goedheid (ihsān) aan hem geschonken.

Met de uitdrukking die in de ḥadīth voorkomt, wordt bedoeld dat het welbehagen en het welbehagen van Allāhu (تعالى) over de tawbah van Zijn dienaar groter zijn dan de vreugde van iemand die in de woestijn zijn rijdier was kwijtgeraakt en het vervolgens terugvindt.

In de ḥadīth is het welbehagen (riḍā) van Allāhu (تعالى) uitgedrukt met het woord “vreugde”, om in het hart van de luisteraar de betekenis van welbehagen en welbehagen sterker te laten doordringen, het op een begrijpelijke wijze duidelijk te maken en de zekerheid van die betekenis te benadrukken. (Yahya ibn Sharaf an-Nawawī, Sharḥ, deel 10, p. 172)

De ḥadīth: “Twee mannen onder de bewoners van Jahannam begonnen luid te schreeuwen.”

At-Tirmidhī heeft deze hadīth overgeleverd in deel 2, p. 99, in het hoofdstuk “Kenmerken van de bewoners van Jahannam”.

231. Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Twee mannen onder de bewoners van Jahannam begonnen luid te schreeuwen.

Onze Rab, عَزَّ وَجَلَّ, zei: ‘Haal hen eruit.’

Toen zij eruit waren gehaald, zei Hij tegen hen: ‘Waarom schreeuwden jullie zo hevig?’

Zij zeiden: ‘Wij deden dat opdat U ons genadig zou zijn.’

Allāhu (تعالى) zei: “Als jullie opstaan en jullie op de plek in de Jahannam werpen waar jullie eerder waren, dan zal Mijn genade (rahmah) met jullie zijn”.Daarop wierp één van hen zichzelf erin terug, waarna Allāhu (تعالى) die plaats voor hem koel en veilig maakte.

De ander bleef staan en wierp zichzelf niet terug.

Rab عَزَّ وَجَلَّ zei tegen hem: ‘Wat heeft jou ervan weerhouden om jezelf terug te werpen zoals je metgezel deed?’

Hij zei: ‘O mijn Rab, nadat U mij eruit heeft gehaald, hoop ik dat U mij niet opnieuw daarin terugbrengt.’

Rab (تعالى) zei: ‘Jouw wens is geaccepteerd.’

En zo gingen zij beiden Jannah binnen door de raḥmah van Allāh.”

At-Tirmidhī zei echter: deze hadīth is zwak (ḍaʿīf), omdat hij is overgeleverd via Rashdīn ibn Saʿad. Rüşdeyn ibn Saʿd is volgens de ḥadīth-specialisten een zwakke overleveraar.

Er is ook overgeleverd door Rushdayn ibn Saʿad van Ibn Abī Nuʿm al-Ifrīqī. Over al-Ifrīqī wordt gezegd dat hij volgens de muḥaddithūn een zwakke overleveraar is. Daarmee bevinden zich in deze sanad twee zwakke overleveraars, want zowel Rushdayn ibn Saʿad als Ibn Abī Nuʿm behoren tot de overleveraars die in de keten van deze ḥadīth voorkomen.

Uitleg van de 231ste hadīth

De twee mannen die Jahannam waren binnengegaan, behoren zeker tot de mensen van tawḥīd (ahl at-tawḥīd). Zij zijn geen mushrikūn, want Jannah is verboden voor degenen die Allāh (تعالى) deelgenoten toekennen.

Allāhu (تعالى) zegt:إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَغۡفِرُ أَن يُشۡرَكَ بِهِۦ وَيَغۡفِرُ مَا دُونَ ذَٰلِكَ لِمَن يَشَآءُۚ وَمَن يُشۡرِكۡ بِٱللَّهِ فَقَدِ ٱفۡتَرَىٰٓ إِثۡمًا عَظِيمًا ٤٨

Waarlijk, Allāh vergeeft het niet als er met Hem deelgenoten worden aanbeden, maar daarnaast vergeeft Hij wat Hij wil, en iedereen die Allāh deelgenoten toekent, heeft zeker een afschuwelijke zonde begaan. (Nisāʾ, 4:48)

En Hij zegt ook:

إِنَّهُۥ مَن يُشۡرِكۡ بِٱللَّهِ فَقَدۡ حَرَّمَ ٱللَّهُ عَلَيۡهِ ٱلۡجَنَّةَ وَمَأۡوَىٰهُ ٱلنَّارُۖ وَمَا لِلظَّٰلِمِينَ مِنۡ أَنصَارٖ ٧٢

Waarlijk, iedereen die deelgenoten aan Allāh toekent in de aanbidding: Allāh heeft hem waarlijk Jannah verboden. En voor hem zal het Vuur zijn verblijfplaats zijn. En voor de onrechtvaardigen zullen er geen helpers zijn. (Mā’idah, 5:72)

Volgens de betekenis van de hadīth heeft Allāhu (تعالى) deze twee mensen uiteindelijk Zijn raḥmah geschonken en hen uit Jahannam gehaald. Daarna heeft Allāh hen op de proef gesteld. De eerste persoon haastte zich om het bevel van Allāh direct uit te voeren en wierp zichzelf zonder aarzeling in Jahannam. Hij interpreteerde (Allahs) bevel niet. Allāhu (تعالى) maakte daarom Jahannam voor hem koel en een plaats van veiligheid, uit Zijn faḍl en iḥsān.

De tweede persoon werd overheerst door zijn hoop op de raḥmah van Allāh (تعالى). En inderdaad: de raḥmah van Allāh overtreft Zijn ghaḍab, en ook hij bereikte uiteindelijk de raḥmah van Allāh.

Hieruit mag echter niet worden geconcludeerd dat iemand zich kan verlaten op deze hoop en daarom (goede)daden kan nalaten. De bedoeling van de hadīth is juist om de overvloed van de raḥmah van Allāhu (تعالى) te tonen.

Allāh kan Zijn raḥmah toewijzen aan wie Hij wil, zoals in het geval van deze twee mannen.

O, Allāh, wij vragen U om ons te doen behoren tot degenen die delen in Zijn allesomvattende raḥmah. Āmīn.

25. Overleveringen betreffende het afdwingen van een gelofte (naḏr), het nemen van bezit van een gierig persoon, en het feit dat de beschikking van Allāhu (تعالى) niet kan worden teruggedraaid.

De ḥadīth waarin staat dat het niet correct is dat iemand zegt: “Ik ben beter dan die en die persoon.”

al-Bukhārī رَحِمَهُ اللهُ heeft de hadīth over de gelofte (naḏr) overgeleverd in deel 8, p. 125, in Kitāb al-Qadar, in het hoofdstuk “De naḏr en de voorbeschikking (qadar) over de dienaar.

232. Van Abū Nuʿaym, van Sufyān, van Manṣūr, van ʿAbdullāh ibn Murrah, van `Abdullah ibn `Umar (رضي الله عنهما), hij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verbood gelofte (naḏr) en zei: ‘Het verandert niets (van wat in de voorbeschikking (qadar) is), maar het wordt gebruikt om iets uit de bezittingen van de gierige persoon te verkrijgen.”

al-Bukhārī heeft ook het volgende overgeleverd:

233. Van Bishr ibn Muḥammad, van ʿAbdullāh, van Maʿmar, van Hammām ibn Munabbih, en van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:” Een gelofte (naḏr) brengt de zoon van Ādam niets op. Wat Ik niet voorbeschikt heb, zal niet plaatsvinden. Hem bereikt slechts wat reeds voor hem in de qadar is vastgesteld en wat Ik voor hem heb bepaald. Maar door middel van de naḏr neem Ik bezit af van de gierige (op die manier wordt uit het vermogen van degene die geen ṣadaqah geeft alsnog het recht van de ṣadaqah genomen.”

Ibn Mājah heeft deze hadīth eveneens overgeleverd met de volgende bewoording:

234. Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:” “De naḏr brengt de zoon van Ādam niets meer dan wat voor hem al is vastgesteld. Maar voor hem krijgt de qadar de overhand Wat voor hem is voorbestemd, zal hem bereiken. Ook door een gelofte wordt het noodzakelijke uit het bezit van de gierigaard gehaald. Zo wordt hetgeen eerder niet voor hem vergemakkelijkt was, alsnog voor hem vergemakkelijkt.

Allāhu (تعالى) zegt: “Geef uit, dan zal Ik ook aan jou geven.”

232–234. Uitleg van de ahadīth

Er is geen duidelijke aanwijzing dat de eerste hadīth een hadīth al-qudsī is. Het is een gewone profetische hadīth. Dezelfde overlevering is ook door Muslim ibn al-Hajjaj, Abû Dawud, An-Nasāʾī en Ibn Mājah overgeleverd.

In de versie van Muslim ibn al-Hajjaj staat: “Doe geen naḏr (gelofte), want de naḏr verandert niets van de qadar.” De betekenis hiervan is: maak geen naḏr met de bedoeling dat het wat Allāhu (تعالى) voor jullie heeft bepaald zal veranderen, of met de hoop iets te verkrijgen wat Allāh niet voor jullie heeft voorbeschikt.

De woorden “daarmee wordt het van de gierige afgenomen” betekenen dat iemand die normaal geen ṣadaqah zou geven, door een naḏr verplicht kan worden iets te geven wat al voor hem was bepaald. Zo wordt van hem afgenomen wat hij uit eigen wil niet wilde geven.

De uitdrukking “het wordt van hem genomen” wijst erop dat het nakomen van de naḏr verplicht (wājib) is.

De verboden naḏr is die waarin iemand denkt dat het de qadar kan veranderen. Veel mensen vallen hierin wanneer zij denken dat hun wensen uitkomen door naḏr.

Maar wanneer iemand gelooft dat alleen Allāhu (تعالى) zowel voordeel als schade brengt, dat niets de qadar verandert, en dat de naḏr slechts een middel is, dan is dat niet verboden. Integendeel, het is een daad van gehoorzaamheid en het is verplicht om het na te komen.

De tweede hadīth heeft wel de uiterlijke vorm van een hadīth al-qudsī, omdat daarin staat: “De naḏr brengt de zoon van Ādam niets… en niets gebeurt behalve wat Ik heb voorbeschikt.” Alle daden worden in werkelijkheid toegeschreven aan hun Schepper, en dat is alleen Allāhu (تعالى).

De ḥadīth: Een dienaar die zegt (dat) ik beter ben dan Yūnus ibn Mattā” behoort dat niet te zeggen.

al-Bukhārī heeft deze hadīth overgeleverd in Kitāb at-Tawḥīd, in het hoofdstuk “Het gedenken van an-Nabī en de overlevering van zijn Rab”, deel 9, p. 157.

235. Van Ḥafṣ ibn ʿUmar, van Shuʿbah, van Qatādah, en ook via Khalīfah, van Yazīd ibn Zurayʿ, van Saʿīd, van Qatādah, van Abū al-ʿĀliyah, van Abdullah ibn Abbas (رضي الله عنهما), an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), overlevert van zijn Rab, zei: “Het past een dienaar niet om te zeggen: ‘Hij is beter dan Yūnus ibn Matta.”

Hierbij noemde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de naam van Yūnus als “Yūnus, zoon van Matta”.

Deze ḥadīth is in Ṣaḥīḥ Muslim overgeleverd in het hoofdstuk “De deugden van Mūsā (عليه السلام)”:

236. Van Abū Bakr ibn Abī Shaybah, van Muḥammad ibn al-Muthannā en Muḥammad ibn Bashshār, zij beiden van Muḥammad ibn Jaʿfar, van Shuʿbah, van Saʿd ibn Ibrāhīm, van Ḥamīd ibn ʿAbd ar-Raḥmān, en deze van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allahu (تعالى) zei: (Ibn al-Muthannā heeft vermeld dat hier niet de woorden “voor mij” voorkomen, maar dat er slechts gezegd wordt: “voor een dienaar”.)

“Het is voor een dienaar ongepast zegt hij zegt dat ik beter ben dan Yūnus ibn Mattā (عليه السلام).”

Deze ḥadīth is ook door Ibn Abī Shaybah, van Muḥammad ibn Jaʿfar, van Shuʿbah (en de rest van de keten zoals hierboven vermeld)

237. Van Muḥammad ibn al-Muthannā en Ibn Bashshār (de onderstaande tekst is de overlevering van Muḥammad ibn al-Muthannā), van Muḥammad ibn Jaʿfar, van Shuʿbah, van Qatādah, van Abū al-ʿĀliyah, en de zoon van an-Nabies oom Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), (dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei:) “Het past een dienaar niet om te zeggen (dat) ik beter ben dan Yūnus ibn Mattā.” En hij noemde hem met de naam van zijn vader (Mattā).

235 - 237. Uitleg van de aḥadīth

Volgens de tekst van deze ḥadīth wordt de betekenis duidelijk dat het niet gepast is dat iemand zegt: “Ik ben beter dan Yūnus ibn Mattā” of “Ik ben superieur aan Yūnus ibn Mattā.” In het eerste geval zou Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم) zichzelf bedoeld hebben. In dat geval kan het zijn dat Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم) deze ḥadīth uitsprak uit nederigheid (tawāḍuʿ), of vóórdat hem bekend werd gemaakt dat hij verheven was boven alle andere anbiyāʾ.

In de meeste overleveringen wordt vermeld: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft van Allāhu (تعالى) overgeleverd dat Hij zei…” of “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft overgeleverd van Zijn Rab dat Hij zei…”

as-Safā zegt: “In de meeste overleveringen staat: ‘Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft van Zijn Rab overgeleverd dat Hij zei…’ Als deze ḥadīth maḥfūẓ is (m.a.w. overlevering of formulering goed bewaard en correct is overgeleverd ), dan is dit afkomstig van iemand anders dan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).”

Uitleg uit de Sharḥ van an-Nawawī op Ṣaḥīḥ Muslim: “De geleerden zeggen dat de uitleg van deze ḥadīth op twee manieren mogelijk is.

Ten eerste: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft dit gezegd voordat hem bekend werd gemaakt dat hij superieur is aan Yūnus ibn Mattā. Toen dit hem werd meegedeeld, zei hij: “Ik ben de leider van alle kinderen van Ādam.”

Ten tweede: hij heeft dit gezegd om te voorkomen dat onwetenden zouden denken dat de rang van Yūnus (عليه السلام) verminderd zou zijn. De geleerden zeggen dat de gebeurtenis van Yūnus (عليه السلام) geen enkele vermindering heeft veroorzaakt in zijn profetische rang, zelfs niet ter grootte van een atoompje. Omdat zijn verhaal in de Qurʾān is vermeld, heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hem specifiek genoemd.

Daarnaast kan het voornaamwoord in de uitspraak ook slaan op Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zelf, of op degene die de uitspraak doet. Als het op de spreker zelf slaat, dan betekent de ḥadīth dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gewaarschuwd dat iemand, hoe hoog hij ook komt in aanbidding en kennis, zichzelf niet boven Yūnus (عليه السلام) mag plaatsen. Want geen enkele dienaar bereikt de rang van het profeetschap. De uitspraak “Het past niet dat iemand zegt: ‘Ik ben beter dan Yūnus ibn Mattā’ versterkt deze betekenis. Als het op de spreker zelf slaat, dan betekent de ḥadīth dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gewaarschuwd dat iemand, hoe hoog hij ook komt in aanbidding en kennis, zichzelf niet boven Yūnus (عليه السلام) mag plaatsen. Want geen enkele dienaar bereikt de rang van het profeetschap. De uitspraak “Het past niet dat iemand zegt: ‘Ik ben beter dan Yūnus ibn Mattā’ versterkt deze betekenis.

En Allāhu (تعالى) weet het het beste.

26. Ahadith over het aanzetten tot goedheid en het weerhouden van slechtheid

De ḥadīth over de verdienste van het uitstellen van een schuld bij iemand die in moeilijkheden verkeert

Muslim heeft deze ḥadīth overgeleverd in Kitābu’l-Musāqāt wa’l-Muzāraʿa (volgens de aantekening van al-Qasṭallānī, deel 6, p. 435).

238. Van Aḥmadu’bnu ʿAbdillāh ibn Yūnus, van Zuhayr, van Manṣūr, van Ribʿiy ibn Ḥirāsh, van Ḥudhayfah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “De engelen ontmoetten de rûh van een man uit de vroegere volkeren. Zij vroegen hem: ‘Heb jij ooit een goede daad verricht?’ Hij zei: ‘Nee.’ Zij zeiden: ‘Denk goed na.’ Toen zei hij: ‘Ik leende geld aan mensen en gaf mijn dienaren de opdracht: stel de betaling uit van degene die in moeilijkheden verkeert, en neem van degene die in goede toestand verkeert wat hij kan betalen.’ Daarop zei Allāhu (تعالى): ‘Laat hem gaan.”

239.In een andere overlevering van Muslim via Ribʿiy ibn Ḥirāsh wordt het volgende vermeld:

Ḥudhayfah (رضي الله عنه) en Abū Masʿūd (رضي الله عنه) kwamen bijelkaar. Ḥudhayfah zei: “Een man werd voor Rab (عز وجل) gebracht. Hij werd gevraagd: ‘Wat heb jij gedaan?’ Hij zei: ‘Ik heb geen goede daad verricht, “Maar ik was een man met bezit, en de mensen vroegen mij uit mijn vermogen te lenen. Wanneer zij terugbetaalden, accepteerde ik wat zij naar vermogen konden geven, en wat zij slechts met moeite konden betalen, schold ik het hun kwijt,” zei hij.

Toen zei Allāhu (تعالى): ‘Laat Mijn dienaar gaan.’”

Daarop zei Abū Masʿūd (رضي الله عنه): “Ik heb dit ook zo van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gehoord.”

240.In een derde overlevering van Muslim heeft eveneens van Ribʿiy ibn Ḥirāsh, van Ḥudhayfah (رضي الله عنه), hij zei:

Allāhu (تعالى) zal een dienaar onder Zijn dienaren, aan wie Hij tijdens zijn leven bezit en vermogen heeft geschonken, voor Zich laten verschijnen. Hij zal hem vragen: ‘Wat heb jij op de wereld gedaan?’ Ḥudhayfah vermeldt daarbij de woorden van Allāhu (تعالى): ‘Op die Dag kan niemand iets voor Allāh verbergen.’ Vervolgens gaat hij verder: De man zal zeggen: ‘O mijn Rab, U hebt mij Uw bezit gegeven en ik handelde daarmee met mensen.

Ik had de gewoonte dat ik degene die in staat was te betalen, gemakkelijk behandelde, en degene die in moeilijkheden verkeerde, uitstel gaf.’ Daarop zal Allāhu (تعالى) zeggen: ‘Laat Mijn dienaar gaan.’”

ʿUqbah ibn ʿĀmir al-Juhanī (رضي الله عنه) en Abū Masʿūd al-Anṣārī (رضي الله عنه) zeiden ook: “Wij hebben deze ḥadīth precies zo van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gehoord.”

241.In een vierde overlevering van Muslim, via een keten die teruggaat tot Abū Masʿūd al-Anṣārī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:

“Een man uit de vroegere volkeren werd ter verantwoording geroepen, en er werd geen enkele goede daad bij hem gevonden. Toch had hij omgang met mensen en behandelde hen vriendelijk. Hij gaf zijn dienaren de opdracht om de schuld van degenen die in moeilijkheden verkeerden kwijt te schelden. Daarop zei Allāhu (تعالى) over hem: “Wij hebben daar meer recht op (namelijk op het tonen van soepelheid aan iemand die in moeilijkheden verkeert) laat hem gaan.”

242.Muslim heeft eveneens van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een man leende geld aan mensen en zei tegen zijn slaaf: ‘Als je naar iemand gaat die in moeilijkheden verkeert, wees dan toegeeflijk en laat zijn schuld varen, misschien zal Allāhu (تعالى) ons ook vergeven.’ Toen de man bij Allāhu (تعالى) verscheen, vergaf Hij hem.”

Muslim heeft deze ḥadīth ook via een andere overleveringsketen van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) overgeleverd.

Deze ḥadīth is ook door an-Nasāʾī overgeleverd in zijn Sunan, in het hoofdstuk “Goede omgang en het gemakkelijk maken bij het innen van schulden”.

243. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:

“Er was een man die geen enkele goede daad had verricht, behalve dat hij geld aan mensen leende.

Hij stuurde zijn dienaar eropuit en zei: ‘Neem van degene die in goede toestand verkeert, en laat de schuld van degene die in moeilijkheden verkeert achter; misschien zal Allāhu (تعالى) ons ook vergeven.’ Toen hij stierf, vroeg Allāhu (تعالى) hem: ‘Heb jij ooit iets goeds gedaan?’ Hij zei: ‘Nee, behalve dat ik een dienaar had en geld aan mensen leende. Wanneer ik hem eropuit stuurde, zei ik: neem van degene die in goede toestand verkeert en laat degene die in moeilijkheden verkeert, misschien vergeeft Allāhu (تعالى) ons.’ Toen zei Allāhu (تعالى): ‘Ik heb jou vergeven.”

238 - 243. Uitleg van de ḥadīth

Uitleg uit de Sharḥ van an-Nawawī op Muslim, uit het hoofdstuk “Het uitstellen van de schuld van iemand die in moeilijkheden verkeert”: Deze aḥadīth tonen aan dat het uitstellen van de schuld van iemand die in moeilijkheden verkeert een grote beloning (ajr) oplevert. Dit kan zijn door de volledige schuld uit te stellen, of door een deel ervan, klein of groot, uit te stellen.

Ook hieruit wordt begrepen dat het verlenen van soepelheid bij het innen van schulden, ongeacht of de schuldenaar in financiële moeilijkheden verkeert of niet, eveneens een beloning oplevert.

Geen enkele goede daad mag als klein worden beschouwd; het kan zijn dat juist zo’n daad een oorzaak wordt van geluk en genade.

De ḥadīth toont daarnaast aan dat het toegestaan is om slaven als vertegenwoordigers (wakīl) aan te stellen en hen taken van beheer en uitvoering toe te vertrouwen. Deze uitspraak is gebaseerd op de opvatting van degenen die zeggen: “De sharīʿah van de gemeenschappen vóór ons is ook voor ons een sharīʿah, zolang onze eigen sharīʿah haar niet heeft afgeschaft

(mansūkh).”

Muslim vermeldt in het hoofdstuk getiteld “Het uitstellen van de schuld van iemand die in moeilijkheden verkeert en het kwijtschelden van de schulden van sommigen” een ḥadīth met deze betekenis. Hoewel er in deze ḥadīth geen enkele aanwijzing is die duidelijk maakt dat het een ḥadīth al-qudsī is, vermelden wij hem hier vanwege de relevantie van het onderwerp. De ḥadīth luidt als volgt:

244. Van Muḥammad ibn al-Muthannā, van Muḥammad ibn Jaʿfar, van Shuʿbah, van ʿAbd al-Malik ibn ʿUmayr, van Ribʿiy ibn Ḥirāsh, van Ḥudhayfah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Een man stierf en ging de Jannah binnen. Hem werd gevraagd: ‘Wat voor werk deed jij?’ Hij antwoordde: “Ik dreef handel met de mensen, en wanneer iemand in moeilijkheden verkeerde, gaf ik hem uitstel voor zijn betaling. En van degenen die in grote moeilijkheden verkeerden, schold ik de schuld kwijt,” antwoordde hij. Daarop werden ook zijn zonden vergeven”.Abū Masʿūd (رضي الله عنه) zei: “Ik heb deze ḥadīth ook van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gehoord.”

(De tekst staat letterlijk zo vermeld. Echter, uit de volledige ḥadīth blijkt dat de vraag ‘Wat voor werk deed jij?’ aan hem werd gesteld tijdens het afleggen van verantwoording vóór zijn binnengaan in Jannah.

De betekenis moet dus als volgt begrepen worden: een man stierf en ging Jannah binnen; de reden daarvan was dat hem tijdens de afrekening werd gevraagd: ‘Wat voor werk deed jij?’ (Vertaler.)

De ḥadīth: “Wie de schuld van iemand in moeilijkheden uitstelt”

al-Bukhārī vermeldt in Kitābu’l-Buyūʿ, in het hoofdstuk met de titel “Het uitstellen van de schuld van iemand die in moeilijkheden verkeert” (deel 4, p. 2), een ḥadīth over dit onderwerp. In deze overlevering is geen duidelijke aanwijzing te vinden dat het een ḥadīth al-qudsī is. Toch bestaat de mogelijkheid dat het een ḥadīth al-qudsī is. Daar wordt het volgende vermeld:

245.Van Aḥmadu’bnu Yūnus, van Zuhayr, van Manṣūr, van Ribʿiy ibn Ḥirāsh, van Ḥudhayfah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd:“De engelen ontmoetten de rûh van een man uit de vroegere volkeren. Zij vroegen hem: ‘Heb je ooit iets goeds gedaan?’ Hij antwoordde: “Voor iemand die in enige moeilijkheden verkeerde, maakte ik het gemakkelijk, en van degene die in grote nood verkeerde, stelde ik de terugbetaling uit.” Toen lieten de engelen hem gaan. Dat wil zeggen: zij lieten hem gaan omdat Allāhu (تعالى) hun zo had bevolen. En Allāhu (تعالى) weet het beste wat juist is.”

246.In de overlevering van Abû Malik van Ribʿiy: de man antwoordde: “Ik zou het voor iemand die in lichte moeilijkheden verkeert gemakkelijker maken, en wat iemand in zware moeilijkheden zou moeten geven zou ik uitstellen.”

Volgens de overlevering van Abû ʿAvānah, van ʿAbdulmelik, van Ribʿiy, hij zei: “Ik zou de schuld van iemand die in moeilijkheden verkeert uitstellen, en die van iemand die in grote moeilijkheden verkeert zou ik kwijtschelden.”

al-Bukhārī heeft vervolgens in het hoofdstuk “De verdienste van het uitstellen van schulden” het volgende overgeleverd:

247. Van Hishām ibn ʿAmmār, van Yaḥyā ibn Ḥaraz, van az-Zuhrī, van ʿUbaydullāh ibn ʿAbdullāh, en deze van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:

“Er was een koopman die mensen geld leende. Wanneer hij iemand in moeilijkheden zag, zei hij tegen zijn mensen: ‘Laat hem gaan, misschien zal Allāhu (تعالى) ons ook vergeven.’ En Allāhu (تعالى) vergaf hem.”

al-Bukhārī heeft in het hoofdstuk over de zonen van Israʾīl:248 Van Hudhayfah ibn al-Yaman (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:

“Een engel kwam om de rûh van een man te nemen en vroeg hem: ‘Heb jij ooit iets goeds gedaan?’

Hij zei: ‘Ik weet het niet.’

Er werd tegen hem gezegd: ‘Denk goed na.’

Hij zei: ‘Ik weet niets behalve dat ik met mensen handelde, hen gemak gaf, de schulden van degene in lichte moeilijkheden uitstelde en die van degene in zware moeilijkheden liet vallen.’

Daarop plaatste Allāhu (تعالى) hem in Zijn Paradijs.”

244 - 248. Uitleg van de aḥadīth

Uitleg uit de Sharḥ van al-Qasṭallānī betreffende de overleveringen:

Allāhu (تعالى) heeft bevolen dat men geduld moet hebben met iemand die in moeilijkheden verkeert. Allāhu (تعالى) zei:وَإِن كَانَ ذُو عُسۡرَةٖ فَنَظِرَةٌ إِلَىٰ مَيۡسَرَةٖۚ وَأَن تَصَدَّقُواْ خَيۡرٞ لَّكُمۡ إِن كُنتُمۡ تَعۡلَمُونَ ٢٨٠En als de schuldenaar in moeilijkheden verkeert, geef hem dan uitstel van betaling totdat hij wél kan betalen. Maar als jullie het als liefdadigheid kwijtschelden is dat beter voor jullie, als jullie dat maar weten. (Baqarah, 2:280)

Hiermee heeft Hij de gewoonten van de jāhiliyyah (voor-islamitische periode) verboden. Zij zeiden tegen de schuldenaar wanneer de betalingstermijn was verlopen: “Je betaalt nu, of de rente wordt verhoogt.”

Als de schuldeiser weet dat de schuldenaar in moeilijkheden verkeert, dan is het niet toegestaan om de schuld direct te eisen. Als zijn situatie niet met zekerheid bekend is bij de rechter, hebben al-Qurafī en anderen vermeld dat het kwijtschelden van de schuld beter is dan het uitstellen ervan.

Hoewel het uitstellen van de schuld van iemand in moeilijkheden verplicht (wājib) kan zijn en het kwijtschelden aanbevolen (mustaḥab), wordt dit geval uitgezonderd van de regel “het verplichte (fard) is beter dan het vrijwillige (nafilah)”. Daarom is het kwijtschelden van de schuld van iemand in moeilijkheden beter dan het uitstellen ervan.

Imām Aḥmad ibn Ḥanbal (رحمه الله) heeft een ḥadīth overgeleverd over de verdienste van het uitstellen van de schuld van iemand in moeilijkheden:

“Wie de schuld van iemand die in moeilijkheden verkeert uitstelt, krijgt voor elke dag de beloning van een ṣadaqah.”

Zo ontvangt de schuldeiser die uitstel geeft elke dag opnieuw een beloning.

De ḥadīth over ‘het weerhouden van het kwaad’

Deze ḥadīth is door Muslim overgeleverd in het hoofdstuk “Het weerhouden van het kwaad” (volgens de aantekening in de marginale aantekening van al-Qasṭallānī, deel 9, p. 458).

249. Van Qutaybah ibn Saʿīd, van Mālik ibn Anas (رضي الله عنه) (via de methode van qira`ah (voorlezing en zijn bevestiging dat het van hem afkomstig is). Mālik ibn Anas, van Sahl, van zijn vader, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “De poorten van Jannah worden geopend op maandag en donderdag. Dan wordt iedereen vergeven die geen deelgenoten (shirk) aan Allāhu (تعالى) heeft toegekend. Behalve de zonden van een man tussen wie en zijn broeder vijandschap en ruzie bestaan, worden niet vergeven. Over hen wordt gezegd: ‘Laat deze twee met rust totdat zij zich met elkaar verzoenen, laat deze twee met rust totdat zij zich met elkaar verzoenen, laat deze twee met rust totdat zij zich met elkaar verzoenen.”

Deze ḥadīth is door Muslim ook via een andere overleveringsketen overgeleverd.

250. Van ʿUbaydah (رضي الله عنه),

“Twee mensen die elkaar de rug toekeren en elkaar verlaten hebben.”

Ook in de overlevering van Qutaybah (رضي الله عنه) staat:

“Twee mensen die elkaar de rug toekeren en elkaar verlaten hebben.”

251.Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) wordt als marfūʿ overgeleverd dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “De daden worden op donderdag of maandag gepresenteerd. Allāhu (تعالى) vergeeft dan iedere dienaar die geen deelgenoten aan Allāhu (تعالى) heeft toegekend. Maar Hij vergeeft niet de persoon tussen wie en zijn broeder vijandschap bestaat. Over hen wordt gezegd: ‘Laat deze twee met rust totdat zij zich met elkaar verzoenen.”

252. In een andere overlevering heeft Abū Hurayrah (رضي الله عنه) gezegd dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De daden van de mensen worden twee keer (per week) vóór de vrijdag gepresenteerd: op maandag en donderdag. Elke mu’min dienaar wordt vergeven, behalve degene tussen wie en zijn broeder vijandschap bestaat. Over hen wordt gezegd: ‘Laat deze twee met rust totdat zij hun verplichtingen jegens elkaar hebben vervuld.”

253. Imām Mālik (رحمه الله عليه) heeft deze ḥadīth in al-Muwaṭṭaʾ in twee afzonderlijke overleveringen vermeld. De eerste overlevering is identiek aan de tweede overlevering van Muslim.

254.

De tweede overlevering komt overeen met de eerste overlevering van Muslim die hierboven is vermeld. Het enige verschil is dat de uitspraak “Laat deze twee met rust totdat zij zich met elkaar verzoenen” daar niet herhaald wordt, maar slechts één keer wordt vermeld.

Deze ḥadīth is door Abū Dāwūd (رحمه الله عليه) in zijn Sunan overgeleverd (deel 4, p. 218) in het hoofdstuk “Degene die zijn moslimbroeder verlaat”.

255.Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:

“De poorten van Jannah worden elke maandag en donderdag geopend. Op deze twee dagen wordt de zonde vergeven van iedere dienaar die geen deelgenoten aan Allāhu (تعالى) toekent. Behalve degene tussen wie en zijn broeder vijandschap bestaat. Over hen wordt gezegd (dat wil zeggen: door Allāhu (تعالى): ‘Laat deze twee met rust totdat zij zich met elkaar verzoenen.”

Abū Dāwūd zei: “Als het verlaten en afstand nemen omwille van Allāh is, dan valt dit niet onder deze overlevering.”

al-Bukhārī (رحمه الله عليه) heeft de aḥadīth over het verlaten van een moslimbroeder vanwege ruzie overgeleverd in Kitābu’l-Adab, in het hoofdstuk “De veroordeling van het verlaten van een vriend” (volgens de aantekening van al-Qasṭallānī, deel 9, p. 52).

256. In één van de overleveringen van Abū Ayyūb al-Anṣārī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Het is niet toegestaan dat een man zijn broeder langer dan drie dagen verlaat. Wanneer zij elkaar ontmoeten, keert de één zijn gezicht af en de ander ook. De beste van hen beiden is degene die als eerste de salām geeft.”

257. al-Bukhārī heeft eveneens overgeleverd via een sanad die teruggaat tot ʿAwf ibn Mālik aṭ-Ṭufayl (oftewel Ibn al-Ḥārith) (رضي الله عنه), de broeder van moederskant van ʿĀ’ishah (رضي الله عنها), de echtgenote van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), namelijk de zoon van Umm Rūmān bint ʿĀmir al-Kināniyyah:

ʿĀʾishah werd gemeld dat ʿAbdullāh ibn az-Zubayr had gezegd over een kooptransactie of een gift: “Of zij stopt hiermee, of ik zal haar daarvan weerhouden.”

Toen zei ʿĀʾishah: “Heeft hij dat echt gezegd?” Men zei: “Ja.” Daarop zei zij: “Bij Allāh, ik zal nooit meer met Ibn az-Zubayr spreken.”

Toen de breuk lang duurde, vroeg Ibn az-Zubayr bemiddeling. ʿĀʾishah zei echter: “Bij Allāh, ik accepteer geen bemiddeling en ik zal mijn gelofte niet verbreken.”

Toen de situatie langer aanhield, ging Ibn az-Zubayr naar al-Miswar ibn Makhramah en ʿAbd ar-Raḥmān ibn al-Aswad ibn ʿAbd Yaghūth en zei tegen hen: “Ik vraag jullie bij Allāh om mij naar ʿĀʾishah te brengen; het is niet toegestaan dat zij een gelofte aflegt om mij te verlaten.”

Zij gingen met hem mee en vroegen toestemming om binnen te komen bij ʿĀʾishah, zeggend: “As-salāmu ʿalaykum wa raḥmatu Allāh wa barakātuh, mogen wij binnenkomen?” Zij zei: “Kom binnen.” Zij vroegen: “Allen?” Zij zei: “Ja, allen.” Zij wist niet dat Ibn az-Zubayr bij hen was.

Toen zij binnenkwamen, trok Ibn az-Zubayr omhulling om zich heen en omhelsde ʿĀʾishah, (die zijn tante was, omdat Asmāʾ, want de moeder van Ibn az-Zubayr, de zus was van ʿĀʾishah, is de dochter van Abū Bakr aṣ-Ṣiddīq (رضي الله عنه).(Vertaler)

Hij begon te huilen en smeekte haar dringend. Ook al-Miswar en ʿAbd ar-Raḥmān bleven bij haar aandringen en vroegen haar om toe te geven en met hem te spreken, anders zouden zij nooit tevreden zijn.

In die situatie herinnerden zij haar eraan dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had verboden om een moslimbroeder langer dan drie nachten te verlaten.

Toen zij haar dringend begonnen te smeken, begon ʿĀʾishah te huilen en zei: “Ik heb een eed gezworen en mijn eed is zeer zwaar.”

Zij bleven echter aandringen totdat zij uiteindelijk met Ibn az-Zubayr sprak.

Zij gaf boetedoening (kaffārah) van haar gelofte (naḏr) veertig slaven vrij.

Wanneer zij zich deze gelofte (naḏr) later herinnerde, huilde zij zó hevig dat haar hoofddoek door haar tranen doordrenkt raakte.

249 - 257. Uitleg van de aḥadīth

al-Qasṭallānī (رحمه الله عليه) zegt: “Er is verschil van mening over de vraag of een gelofte (naḏr) dezelfde juridische status heeft als een eed (yamīn).

Bijvoorbeeld: als iemand zegt: “Als ik met die persoon spreek, dan is het voor mij verplicht om omwille van Allāh een slaaf vrij te laten/kopen,” dan heeft deze naḏr de status van een yamīn. Dit komt omdat hij daarmee zichzelf verhindert om iets te doen. Als hij die handeling toch verricht, dan is een boetedoening (kaffārah) verplicht. De meerderheid van de salaf en ash-Shāfiʿī (رحمه الله عليه) zijn deze mening toegedaan. Dit wordt “naḏr al-lujāj” genoemd.

De Mālikī’s zeggen: een naḏr wordt alleen geldig wanneer het gaat om een daad van gehoorzaamheid aan Allāh (تعالى), zoals het vrijlaten van een slaaf. In dat geval is de gelofte bindend.

In dat geval leidt de gelofte van ʿĀʾishah (رضي الله عنها) die ertoe heeft geleid dat zij boos bleef op Ibn Zubayr, tot een handeling die verboden (harām) of afkeurenswaardig (makrûh) is .

Deze gebeurtenis is als volgt te verklaren: ʿĀʾishah meende dat de uitspraak van Ibn az-Zubayr “of ik zal haar daarvan weerhouden” een ernstige fout was, omdat daarin een vorm van overdrijving en zelfbeperking zat die niet passend was, vooral gezien ʿĀʾishahs positie als moeder van de gelovigen en de positie van Ibn az-Zubayr als haar neef. Juist doordat dit zo is, wordt deze overdrijving des te sterker. Daarom zag zij dit gedrag als een vorm van fout of overtreding, en zij nam als bewijs de handeling van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dat hij de moslims had verboden om te spreken met Kaʿb ibn Mālik en zijn twee metgezellen (i.v.m. zonder geldig excuus achterbleven van de expeditie van Tabūk.) Daarom deed zij een gelofte om niet met Ibn az-Zubayr te spreken.

Uitleg uit de Sharḥ van an-Nawawī op Ṣaḥīḥ Muslim:

“De poorten van Jannah worden geopend op maandag en donderdag.”

al-Qāḍī (رحمه الله عليه) vermeldt dat al-Bājī zei: “De betekenis van het openen van de poorten van Jannah is de overvloed aan vergeving, het verhogen van rangen en het overvloedig geven van beloning”.

al-Qāḍīal-Bajī (رحمه الله عليه) zegt dat dit ook letterlijk kan worden opgevat: dat de poorten daadwerkelijk worden geopend, en dat dit een teken daarvan is.

Opmerking

De volledige aḥadīth 257 en 258 worden niet gerekend tot de aḥadīth al-qudsiyyah.

Deze twee aḥadīth zijn vermeld om duidelijk te maken dat het niet toegestaan is dat een moslim langer dan drie dagen in wrok van zijn broeder verwijderd blijft, en dat dit verbod geldt wanneer de afstand en het niet spreken niet omwille van Allāh (تعالى) is, maar om een andere reden.

Wat ʿĀʾishah (رضي الله عنها) deed tegenover Ibn az-Zubayr was echter omwille van Allāh (تعالى). Ibn az-Zubayr had namelijk de eerbied die verschuldigd was aan de Moeder van de gelovigen niet in acht genomen, ondanks dat zij zijn tante was via Asmāʾ bint Abī Bakr aṣ-Ṣiddīq (رضي الله عنه).

De ḥadīth over degenen die elkaar omwille van Allāh liefhebben

Deze ḥadīth is door Muslim overgeleverd in Kitābu’l-Faḍāʾil, in het hoofdstuk “De verdienste van het liefhebben omwille van Allāh (تعالى)” (volgens al-Qasṭallānī, deel 9, p. 460).

258.Van Qutaybah ibn Saʿīd, van Mālik ibn Anas (via qira`ah (voorlezing), van ʿAbdullāh ibn ʿAbd ar-Raḥmān ibn Maʿmar, van Abū al-Ḥubāb, van Saʿīd ibn Yasār, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd:

“Allāhu (تعالى) zal op de Yawmu’l Qiyamah zeggen: “Waar zijn degenen die elkaar omwille van Mijn jalāl (Majesteit/welbehagen) liefhadden? Vandaag zal Ik hen onder Mijn schaduw plaatsen, op de Dag waarop er geen andere schaduw is dan Mijn schaduw.”

Ook Muslim heeft in het hoofdstuk “De verdienste van het liefhebben omwille van Allāh (تعالى)” de volgende overlevering vermeld:

259. Van ʿAbd al-Aʿlā ibn Ḥammād, van Ḥammād ibn Salamah, van Thābit, van Abū Rāfiʿ, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Een man ging op reis om zijn broeder in een ander dorp te bezoeken. Allāhu (تعالى) stuurde een engel op zijn pad. De engel vroeg hem: ‘Waar ga je heen?’ De man zei: ‘Ik wil mijn broeder in dit dorp bezoeken.’ De engel vroeg: “Wil je je dankbaarheid aan hem tonen vanwege een gunst die hij jou heeft bewezen?” Hij zei: ‘Nee, maar ik heb hem slechts omwille van Allāh liefgehad.’ Daarop zei de engel: ‘Ik ben door Allāhu (تعالى) naar jou gestuurd om jou te laten weten dat Allāh jou liefheeft zoals jij hem omwille van Allāh liefhebt.”

260.Over degenen die elkaar liefhebben ter wille van Allāh (تعالى) heeft Imām Mālik (رحمه الله عليه) dezelfde eerste ḥadīth die hierboven uit Muslim is vermeld ook overgeleverd in al-Muwaṭṭaʾ.

In Muslim staat de uitdrukking “bi jalāli”, terwijl in al-Muwaṭṭaʾ de term “fi jalāli” voorkomt. De overige delen van de tekst komen overeen met die van Muslim.

261.Imām Mālik heeft hierover ook een andere ḥadīth overgeleverd van Muʿādh ibn Jabal (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Allāhu (تبارك وتعالى) heeft gezegd: “Degenen die elkaar liefhebben om Mijn welbehagen, die elkaar omwille van Mij bezoeken, en die elkaar goedheid en weldaad bewijzen om Mijn welbehagen, die dien Ik ook lief te hebben.”

In al-Muwaṭṭaʾ wordt hierover ook een mooie gebeurtenis vermeld:

262. Van Mālik via Abū Ḥāzim ibn Dīnār, heeft Abū Idrīs al-Khawlānī gezegd: “Ik ging de moskee van Damascus binnen en zag daar een jonge man met stralende tanden, omringd door een groep mensen. (In een overlevering wordt gezegd dat er twintig metgezellen (رضي الله عنهم) bij hem waren, en in een andere overlevering dertig metgezellen.) Zij verschilden van mening over een kwestie die zij aan hem toeschreven en uit zijn woorden afleidden. Ik vroeg wie hij was, en men zei: ‘Dat is Muʿādh ibn Jabal.”De volgende dag ging ik vroeg en zag dat hij al eerder aanwezig was dan ik. Toen ik kwam, was hij ṣalāh aan het verrichten. Ik wachtte tot hij zijn ṣalāh had beëindigd, ging ik naar hem toe en gaf de salām. Ik zei: ‘Bij Allāh, ik heb jou omwille van Allāh lief.’ Hij zei: ‘Zweer je het bij Allāh?’ Ik zei: ‘Bij Allāh, ik zweer het.’ Hij herhaalde: ‘Zweer je het bij Allāh?’ En ik zei opnieuw: ‘Bij Allāh, ik zweer het.’ Toen zei hij weer: ‘Zweer je bij Allāh?’ Zei ik opnieuw: ‘Bij Allāh, ik zweer het.’Daarop pakte hij mij bij mijn kleding en trok mij naar zich toe en zei: “Goed nieuws voor jou! Ik heb Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) horen zeggen: “Allāhu (تبارك وتعالى) heeft gezegd dat Mijn liefde verplicht is voor degenen die elkaar omwille van Mij bezoeken en elkaar omwille van Mij goedheid en ihsān tonen.”

at-Ṭabarānī voegt daaraan toe: “en degenen die eerlijk en oprecht tegenover elkaar zijn omwille van Mij.”In het boek van az-Zarkānī wordt vermeld dat deze ḥadīth ṣaḥīḥ is. al-Ḥākim an-Naysābūrī zegt dat deze ḥadīth volgens de voorwaarden van al-Bukhārī en Muslim ṣaḥīḥ is. Ibn ʿAbd al-Barr zegt eveneens dat de isnād ṣaḥīḥ is.De betekenis van “zij die elkaar goedheid en ihsān tonen omwille van Mij” is: degenen die hun leven en bezit inzetten op weg van Allāh (تعالى).

Deze ḥadīth is door at-Tirmidhī (رحمه الله عليه) overgeleverd in het hoofdstuk “Liefde omwille van Allāh (تعالى)”:

263. Van Muʿādh ibn Jabal (رضي الله عنه), hij zei: “Ik heb Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) horen zeggen: (Allahu (تعالى) zei:): “Voor degenen die elkaar omwille van Mijn welbehagen liefhebben, zullen er lichtgevende tronen/ kansels (minbars) zijn. De anbiyā (عليهم السلام) en de martelaren (shuhadā) zullen hen benijden.”at-Tirmidhī zegt dat deze ḥadīth ḥasan ṣaḥīḥ is.

Uitleg van de aḥadīth 260 - 263

Deze aḥadīth tonen aan dat het toegestaan is om over Allāhu (تعالى) te zeggen: “Allāh zegt…”. Dit is de correcte mening en wordt door vrijwel alle geleerden gevolgd. Sommige vroege geleerden (salaf) vonden het echter beter om te zeggen “Allāh zei…” en niet “Allāh zegt …”. Maar zoals eerder is uitgelegd, blijkt uit de Qurʾān zelf dat beide vormen toegestaan zijn, zoals in de uitspraak van Allāhu (تعالى): وَٱللَّهُ يَقُولُ ٱلۡحَقَّ وَهُوَ يَهۡدِي ٱلسَّبِيلَMaar Allāh zegt de Waarheid en Hij leidt naar de (juiste) Weg. (Aḥzāb, 33:4)Daarnaast zijn hierover veel aḥadīth overgeleverd.

“Degenen die elkaar omwille van Mijn majesteit/welbehagen (jalāl) liefhebben” betekent: niet om wereldse redenen, maar uit eerbied voor Allāhu (تعالى) en gehoorzaamheid aan Hem.

De uitspraak: “Ik zal hen onder Mijn schaduw plaatsen op de Dag waarop er geen andere schaduw is,” wordt door al-Qāḍī (رحمه الله عليه) uitgelegd als een werkelijke schaduw, waarin zij worden beschermd tegen de hitte van de Yawmu’l Qiyamah, de zon, de drukte en de lucht die door de adem van mensen wordt veroorzaakt. Dit is de mening van de meerderheid van de geleerden.

ʿĪsā ibn Dīnār zegt dat dit kan betekenen dat Allāhu (تعالى) hen behoedt tegen alles wat zij verafschuwen, hun Zijn weldoen/goedheid schenkt en hen onder Zijn bescherming en hoede neemt. n dezelfde betekenis wordt ook de uitspraak verstaan: “De sultan is de schaduw van Allāh op aarde.”

Bovendien is er ook opgemerkt dat met ‘schaduw’ hier mogelijk comfort en weldaden worden bedoeld, zoals Arabieren zeggen: “hij leeft in de schaduw van een goed leven”, waarmee een comfortabel leven wordt bedoeld.

Imām an-Nawawī (رحمه الله عليه) zegt over de tweede ḥadīth: “De geleerden zeggen dat de liefde van Allāhu (تعالى) voor Zijn dienaar bestaat erin dat Zijn barmhartigheid (rahmah), Zijn welbehagen (ridā’) hem bereikt, het goede voor hem wenst en hem laat delen in de goedheid die een liefhebbende voor hem verricht. De grondslag van het menselijke liefde is een neiging van het hart naar wat men liefheeft, maar Allāhu (تعالى) is hiervan verheven.Deze ḥadīth toont de uitmuntendheid van het liefhebben omwille van Allāh (تعالى), en dat dit leidt tot de liefde van Allāh (تعالى) voor de dienaar.

Ook toont het de verdienste aan van het bezoeken van rechtschapen mensen en vrienden, en dat dit een grote beloning heeft.

Uit deze aḥādīth blijkt dat het voor mensen mogelijk is engelen te zien wanneer zij zich in menselijke gedaante vertonen.

“Degenen die elkaar omwille van Mijn welbehagen liefhebben, hen dien Ik ook lief te hebben,” betekent dat Allāhu (تعالى) degenen liefheeft die elkaar niet liefhebben om wereldse redenen, maar vanwege hun gehoorzaamheid aan Allāhu (تعالى), en die elkaar ondersteunen in goedheid, rechtschapenheid en taqwā.Deze vorm van liefde vergaat niet zoals wereldse liefde, die vaak ontstaat uit tijdelijke belangen en weer verdwijnt zodra die belangen wegvallen. Omdat Allāhu (تعالى) de Eeuwig Levende is, Wiens bestaan nooit eindigt, blijft ook de liefde die omwille van Zijn welbehagen wordt gekoesterd voortbestaan. Wereldse liefdes die gebaseerd zijn op eigenbelang worden uiteindelijk verbroken, en degenen die elkaar om dergelijke redenen liefhadden, zullen op Yawm al-Qiyāmah zelfs vijanden van elkaar worden. Zoals Allāhu (تعالى) in de Qurʾān zegt:

ٱلۡأَخِلَّآءُ يَوۡمَئِذِۭ بَعۡضُهُمۡ لِبَعۡضٍ عَدُوٌّ إِلَّا ٱلۡمُتَّقِينَ ٦٧Vrienden zullen op die Dag elkaars vijanden zijn, behalve de godvrezenden. (Zukhruf, 43:67) “Degenen die omwille van Mijn welbehagen elkaar bezoeken” verwijst naar mensen die samenkomen voor dhikr, Qurʾān-recitaties, het leren van kennis, het luisteren naar preken, het verrichten van daʿwah (uitnodiging tot de Islām) en het adviseren over wereldse en godsdienstige zaken die nuttig zijn voor individu en gemeenschap, terwijl zij alleen het welbehagen van Allāhu (تعالى) zoeken.

“Degenen die elkaar omwille van Mijn welbehagen goedheid en ihsān tonen” zijn degenen die omwille van Allāhu (تعالى) hun bezit/rijkdom in goedheid besteden en hun leven inzetten, en elkaar helpen met hun leven en hun bezit.

Wat de toevoeging van at-Ṭabarānī betreft over “en degenen die eerlijk en oprecht tegenover elkaar zijn ...” Als er geen waarheid, geen oprechtheid en geen zuiverheid van hart is, maar juist bedrog, hypocrisie en vleierij, dan kan dit geen echte liefde omwille van Allāh zijn.

Dat degenen die elkaar liefhebben omwille van Allāh lichtende kansels (mimbars) zullen krijgen, zal plaatsvinden op Yawm al-Qiyāmah, op de verzamelplaats (maḥshar), op een moment waarop de mensen zich in een enorme menigte bevinden, worden blootgesteld aan intense hitte en verkeren in grote benauwdheid en moeilijkheden. Allāhu (تعالى) zegt in de Qurʾān:

لَا يَحۡزُنُهُمُ ٱلۡفَزَعُ ٱلۡأَكۡبَرُ وَتَتَلَقَّىٰهُمُ ٱلۡمَلَٰٓئِكَةُ هَٰذَا يَوۡمُكُمُ ٱلَّذِي كُنتُمۡ تُوعَدُونَ ١٠٣De grootste verschrikking (de Yawmu’l Qiyamah) zal hen niet bedroeven en de Engelen zullen hen ontvangen (met een begroeting): “Dit is jullie Dag wat jullie beloofd is.” (Anbiyāʾ, 21:103)

Het benijden van deze mensen door de anbiyā betekent niet dat hun rang hoger is dan die van de anbiyā en martelaren (shuhadā). Integendeel, de rang van de anbiyā is hoger, en zij hebben bijzondere eigenschappen die niemand anders bezit.

O Allāh, laat ons behoren tot degenen die U liefhebben omwille van Uw welbehagen, en ons laten behoren tot degenen die de voorspraak van Uw meest geliefde dienaar, an-Nabī Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) moge ontvangen.

De ḥadīth over de uitspraak van Allāhu (تعالى): “Ik was ziek, maar jij hebt Mij niet bezocht”

Deze ḥadīth is door Imām Muslim (رحمه الله عليه) overgeleverd in Kitābu’l-Birr wa’ṣ-Ṣilah wa’l-Adab, in het hoofdstuk “De verdienste van het bezoeken van zieken” (volgens al-Qasṭallānī, deel 9, p. 463).

264. Van Muḥammad ibn Ḥātim ibn Maymūn, van Bahz, van Abū Rāfiʿ, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Allāhu (عز وجل) zal op de Yawmu’l Qiyamah zeggen: “O zoon van Ādam, Ik was ziek en jij hebt Mij niet bezocht”. De dienaar zal zeggen: “O mijn Rab, hoe kan ik U bezoeken terwijl U de Rab van de werelden bent?” Allāhu (تعالى) zal zeggen: “Wist jij niet dat Mijn dienaar, die-en-die, ziek was en dat jij hem niet bezocht hebt? Wist jij niet dat als jij hem had bezocht, jij Mij bij hem zou hebben aangetroffen?”En Hij zal zeggen: “O zoon van Ādam, Ik vroeg jou om voedsel, maar jij hebt Mij geen voedsel gegeven”. De dienaar zal zeggen: “O mijn Rab, hoe kan ik U voeden terwijl U de Rab van de werelden bent?” Allāhu (تعالى) zal zeggen: “Wist jij niet dat Mijn dienaar jou om voedsel vroeg en jij hem niet voedde? Wist jij niet dat als jij hem had gevoed, jij Mij bij hem zou hebben aangetroffen?”En Hij zal zeggen: “O zoon van Ādam, Ik vroeg jou om water, maar jij hebt Mij geen water gegeven”. De dienaar zal zeggen: “O mijn Rab, hoe kan ik U water terwijl U de Rab van de werelden bent?” Allāhu (تعالى) zal zeggen: “Wist jij niet dat Mijn dienaar jou om water vroeg en jij zijn dorst niet lesde? Wist jij niet dat als jij hem had gevoed, jij Mij bij hem zou hebben aangetroffen?”

Uitleg van de 264ste ḥadīth

Imām an-Nawawī (رحمه الله عليه) zegt in zijn Sharḥ van Ṣaḥīḥ Muslim: “De woorden van Allāhu (تعالى) “Ik was ziek en jij hebt Mij niet bezocht” betekenen niet letterlijk dat ziekte aan Allāh wordt toegeschreven, want Allāhu (تعالى) is verheven boven dat. De geleerden leggen dit uit als een aanduiding van de eer en waardigheid van de dienaar. Daarnaast wordt hiermee ook de nabijheid van de dienaar tot Allāh (تعالى) aangegeven.

De betekenis van “jij zou Mij bij hem hebben aangetroffen” is: jij zou de beloning, goedheid en genade van Allāh (تعالى) daar bij die persoon hebben aangetroffen. Datgene wat verder in de ḥadīth wordt gezegd, “als jij hem te eten had gegeven, dan zou jij dat bij Mij hebben aangetroffen”, versterkt deze betekenis eveneens. Daarmee wordt bedoeld: jij zou de sawāb en de beloning van wat jij gegeven had bij Allāhu (تعالى) hebben gevonden”.En Allāhu (تعالى) weet het het beste.

Deze ḥadīth toont de grote verdienste van het bezoeken van zieken, het geven van voedsel aan behoeftigen en het geven van water. Dit zijn allemaal edele vormen van moreel gedrag (akhlāq), waar de Islām toe oproept. Onze Nabī (صلى الله عليه وسلم) is juist gestuurd om deze goede karaktereigenschappen te vervolmaken.

Imām Muslim vermeldt voorafgaand aan deze ḥadīth ook andere overleveringen over de verdienste van het bezoeken van zieken, waaronder dat wie een zieke bezoekt, tot hij terugkeert voortdurend vruchten van Jannah blijft verzamelen. An-Nawawī legt uit dat dit betekent: “Dit wordt geïnterpreteerd als het betreden van de Jannah en het genieten van de vruchten ervan.”Saʿīd zei: Abū Idrīs al-Khawlānī zat tijdens het overleveren van deze ḥadīth op zijn knieën.

De ḥadīth over de uitspraak van Allāhu (تعالى): “O Mijn dienaren, Ik heb onrecht voor Mijzelf verboden gemaakt”

Deze ḥadīth is door Imām Muslim overgeleverd in zijn Ṣaḥīḥ, in Kitāb al-Birr wa’ṣ-Ṣilah, in het hoofdstuk “Het verbod op onrecht (ẓulm)” (volgens al-Qasṭallānī, deel 10, p. 8 en verder).

265. Van ʿAbdullāh ibn ʿAbd ar-Raḥmān ibn Baḥram ad-Dārimī, van Marwān ibn Muḥammad ad-Dimashqī, van Saʿīd ibn ʿAbd al-ʿAzīz, van Rabīʿah ibn Yazīd, van Abū Idrīs al-Khawlānī, van Abū Dhar (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft overgeleverd dat Allāhu (تعالى) heeft gezegd: “O Mijn dienaren, Ik heb onrecht (ẓulm) voor Mijzelf verboden en Ik heb het ook onder jullie verboden, dus pleeg geen onrecht tegenover elkaar.O Mijn dienaren, jullie zijn allen dwalend behalve degenen die Ik heb geleid, vraag Mij daarom om leiding, dan zal Ik jullie leiden.O Mijn dienaren, jullie zijn allen hongerig behalve degenen aan wie Ik gunsten heb geschonken. Vraag Mij daarom om voorziening, dan zal Ik jullie van rizq voorzien.”O Mijn dienaren, jullie zijn allen naakt behalve degenen die Ik heb gekleed, vraag Mij om kleding, dan zal Ik jullie kleden.O Mijn dienaren, jullie begaan ’dag en nacht fouten, en Ik vergeef alle zonden, vraag Mij daarom om vergeving, dan zal Ik jullie vergeven.O Mijn dienaren, jullie kunnen Mij geen schade toebrengen met welk kwaad dan ook. Evenmin kunnen jullie Mij enig nut brengen met een goede daad.O Mijn dienaren, als de eersten en de laatsten van jullie, de mensen en de djinn, allen zouden zijn zoals de meest godvrezende (taqwā) onder jullie, dan zou dat niets toevoegen aan Mijn koninkrijk.O Mijn dienaren, als jullie allen — van de eerste tot de laatste, zowel de mensen als de jin, het hart zouden hebben van de meest verdorven onder jullie, dan zou dat niets verminderen van Mijn koninkrijk.O Mijn dienaren, als de eersten en de laatsten van jullie, de mensen en de jin, samen zouden opstaan en Mij zouden vragen, en Ik ieder zou geven wat hij vraagt, dan zou dat niets verminderen van Mijn bezit, behalve zoals een naald die in de zee wordt gestoken en weer eruit wordt gehaald aan water meeneemt.O Mijn dienaren, jullie daden worden voor jullie opgetekend en vervolgens aan jullie teruggegeven. Wie iets goeds vindt, laat hij Allāh prijzen, en wie iets slechts vindt, laat hij niemand anders dan zichzelf verwijten.”

266.In een andere overlevering: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft van zijn Rab overgeleverd dat Allāhu (تعالى) heeft gezegd: “Voorwaar, Ik heb onrecht (ẓulm) voor Mijzelf verboden en Ik heb het ook voor Mijn dienaren verboden, dus laat zij elkaar geen onrecht aandoen...” Daarna wordt de rest van de ḥadīth vermeld.

Echter, de overlevering van Abū Idrīs is uitgebreider dan deze versie.

Abū ʿĪsā at-Tirmidhī (رحمه الله عليه) heeft deze ḥadīth van Abū Dhar (رضي الله عنه) overgeleverd met een iets andere tekst dan die van Muslim. De overlevering luidt:

267. Van Abū Dhar (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:“Allāhu (تعالى) zegt:

“O Mijn dienaren, jullie verkeren allen in dwaling behalve degenen die Ik naar het rechte pad heb geleid. Vraag Mij daarom om leiding, dan zal Ik jullie leiden.

Jullie zijn allen arm behalve degenen die Ik rijk heb gemaakt. Vraag Mij daarom om voorziening, dan zal Ik jullie van rizq voorzien.

Jullie vervallen allen in zonden behalve degenen die Ik bescherm. Wie weet dat Ik macht heb om zonden te vergeven en vervolgens Mij om vergeving vraagt, die zal Ik vergeven zonder daar enig bezwaar tegen te hebben.

Als jullie allen, van de eerste tot de laatste, de levenden en de doden, de jongsten en de oudsten, zouden zijn als de meest godvrezende dienaar (muttaqī) onder Mijn dienaren, dan zou dat Mijn koninkrijk niet met méér doen toenemen dan het gewicht van de vleugel van een mug.En als jullie allen, van de eerste tot de laatste, de levenden en de doden, de jongsten en de oudsten, zouden verkeren in de toestand van de meest verdorven dienaar onder Mijn dienaren, dan zou dat Mijn koninkrijk niet met méér verminderen dan het gewicht van de vleugel van een mug.En als jullie allen, van de eerste tot de laatste, de levenden en de doden, de jongsten en de oudsten, zich op één plaats zouden verzamelen en iedere mens Mij alles zou vragen waarop hij hoopt, waarna Ik aan ieder van hen gaf wat hij verlangde, dan zou dat niets van Mijn koninkrijk verminderen behalve zoals een naald vermindert van het water van de zee wanneer iemand haar erin steekt en er weer uithaalt.Want Ik ben Vrijgevig en heb overvloedige goedheid (faḍl). Ik doe wat Ik wil. “Mijn geven en ook Mijn bestraffen geschieden slechts door één woord. Wanneer Ik iets wil, zeg Ik er slechts tegen: ‘Wees,’ en het is.”at-Tirmidhī (رحمه الله عليه) heeft gezegd dat deze ḥadīth ḥasan is.

268.Ook Ibn Mājah (رحمه الله عليه) heeft deze ḥadīth in zijn Sunan overgeleverd met een tekst die dicht bij de versie van at-Tirmidhī ligt. In zijn overlevering zijn sommige delen (van de ḥadīth) eerder geplaatst dan in deze versie, en sommige delen later.

Daarnaast ontbreken in zijn versie de zinnen: “als de doden, de levenden, de jongeren en de ouderen onder jullie samen zouden zijn zoals de meest godvrezende van Mijn dienaren”, en ook de uitdrukking “Mijn geven en ook Mijn bestraffen geschieden slechts door één woord”.Voor het overige komt zijn overlevering overeen met die van at-Tirmidhī.

Uitleg van de ahadīth 265–268

Over de uitspraak van Allāhu (تعالى): “Ik heb onrecht (ẓulm) voor Mijzelf verboden”, zeggen de geleerden: “De betekenis hiervan is dat Allāhu (تعالى) verheven en vrij is van elke vorm van onrecht. Onrecht is voor Hem onmogelijk. Want ẓulm betekent: de grens overschrijden of beschikken over het bezit van een ander zonder recht. Hoe kan er sprake zijn van grensoverschrijding bij Allāh, terwijl boven Hem niets staat waaraan Hij gehoorzaam moet zijn? En aangezien het hele universum Zijn eigendom is en onder Zijn heerschappij valt, is het onmogelijk dat Hij handelt in het bezit van een ander”.Het woord “harām” betekent in de taal oorspronkelijk: verbieden. Omdat iets dat in werkelijkheid niet kan bestaan toch wordt uitgedrukt in termen van verbodenheid, wordt het door Allāhu (تعالى) omschreven als “verboden voor Zichzelf”.De uitspraak: “Jullie zijn allen dwaalden behalve degenen die Ik heb geleid” wordt door al-Māzirī (رحمه الله عليه) uitgelegd als volgt: ” Uit de uiterlijke betekenis van deze woorden blijkt dat de mensen geschapen zijn met een natuur die vatbaar is voor dwaling, tenzij Allāhu (تعالى) hen bij de hand neemt en naar leiding voert. Er is echter een bekende ḥadīth waarin staat: “Elk kind wordt geboren op de fiṭrah.” Dit lijkt op het eerste gezicht een tegenstelling. De geleerden hebben hierop geantwoord dat de eerste ḥadīth kan verwijzen naar de toestand van de mens vóór de komst van de anbiyāʾ, of dat mensen, als zij aan zichzelf worden overgelaten, door hun neiging tot begeerte, gemakzucht en onachtzaamheid kunnen dwalen. Deze tweede uitleg wordt als sterker beschouwd.

Dit ondersteunt ook de opvatting van onze madhhab en de meerderheid van Ahl as-Sunnah dat de ware leiding alleen van Allāh komt, en dat een mens slechts de rechtgeleide weg vindt wanneer Allāhu (تعالى) hem leidt. Hieruit volgt dat een mens het rechte pad slechts vindt door de leiding van Allāhu (تعالى), en dat gebeurt doordat Allāhu (تعالى) voor hem leiding wil.Allāh (تعالى) heeft bepaald dat sommige van Zijn dienaren de rechtgeleide weg vinden, en zij vinden die ook daadwerkelijk. Voor anderen heeft Hij dat niet zo gewild; als Hij dat wel had gewild, zouden ook zij de leiding hebben gevonden. Dit standpunt is in strijd met de opvatting van de Muʿtazilah, die zeggen: “Allāh wil dat iedereen leiding (hidāyah) vindt.”

Allāhu (تعالى) is verheven boven het willen van iets dat niet gebeurt, of het laten plaatsvinden van iets in Zijn schepping wat Hij niet wil. Want de uitspraak: “Wat Allāh wil, dat gebeurt; en wat Hij niet wil, dat gebeurt niet”.

De uitspraak: “Dit vermindert Mijn bezit niet, zelfs niet zoveel als een naald die water uit de zee haalt”, worden door de geleerden uitgelegd als: “Deze formulering is bedoeld om de mensen het onderwerp te laten begrijpen; in wezen neemt er echter niets af van het koninkrijk van Allāhu (تعالى).

Zoals in een andere ḥadīth staat: “De Hand van Allāh is vrijgevig; geven vermindert Hem niets.” Want wat zich bij Allāh bevindt, kent geen vermindering of tekort. Tekort is immers een eigenschap van datgene wat beperkt en vergankelijk is. Het geven van Allāh is een uiting van Zijn genade (rahmah) en eindeloze goedheid (ihsān), en deze behoren tot Zijn eeuwige eigenschappen (ṣifāt), waaraan nooit enig tekort kan komen.

De vergelijking met de naald en de zee wordt gemaakt omdat het verlies daarin zo onmeetbaar klein is dat het nauwelijks waarneembaar is. Het doel van deze vergelijking is om de betekenis begrijpelijk te maken voor de menselijke geest. De zee is een van de grootste en meest uitgestrekte zichtbare dingen, terwijl de naald tot de kleinste voorwerpen behoort. Bovendien houdt de naald zelf geen water vast wanneer hij in zee wordt ondergedompeld. Allāhu (تعالى) weet het het beste.

De uitspraak “Mijn geven en Mijn bestraffen is slechts door een woord” is bedoeld als uitleg van “Ik doe wat Ik wil”. Het betekent dat Allāhu (تعالى) datgene wat Hij wil onmiddellijk tot stand brengt. Hier wordt niet een letterlijk woord bedoeld, maar een beeldende uitdrukking (tashbīh) die dient om de betekenis dichter bij het menselijk begrip te brengen. Daarmee wordt bedoeld dat wanneer Allāhu (تعالى) iets wil, het onmiddellijk gebeurt. (Nawawi, Sharḥ Ṣaḥīḥ Muslim, zoals vermeld in de marginale aantekening van al-Qasṭallānī, deel 10, p. 8)

In de ḥadīth wordt gezegd: “Grootheid is Mijn ridāʾ (bovenkleed) en verhevenheid is Mijn izār (onderkleed).”

Deze ḥadīth is door Muslim (رحمه الله عليه) overgeleverd in zijn Ṣaḥīḥ, in Kitāb al-Birr, in het hoofdstuk “Het verbod op hoogmoed” (volgens al-Qasṭallānī, deel 10, p. 53), 269. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) en Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Grootheid (kibriyāʾ) is Mijn ridāʾ en verhevenheid (ʿaẓamah) is Mijn izār. (Allāh zei:) “Wie hierin met Mij wil wedijveren, die zal Ik straffen.”

Ook Abū Dāwūd (رحمه الله عليه) heeft deze ḥadīth overgeleverd in zijn Sunan, in het hoofdstuk “Overleveringen over hoogmoed” (deel 4, p. 50):

270. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei dat Allāhu (تعالى) heeft gezegd: “Grootheid is Mijn ridāʾ en verhevenheid is Mijn izār. Wie daarin met Mij wil wedijveren, die zal Ik in het Vuur werpen.”

Ibn Mājah (رحمه الله عليه) heeft deze ḥadīth eveneens in zijn Sunan overgeleverd in Kitāb az-Zuhd, in het hoofdstuk “Het vermijden van hoogmoed (kibr) en het aanmoedigen van nederigheid/bescheidenheid (tawāḍuʿ)”

271. De ḥadīth daar is overgeleverd door Abū Hurayrah (رضي الله عنه), en de tekst ervan is dezelfde als de tekst die door Abū Dāwūd is overgeleverd. Alleen is hier het woord “alqaytu” gebruikt in plaats van het woord “qadhaftu” (“ik wierp”) dat voorkomt in de overlevering van Abū Dāwūd. Ook wordt hier het woord “Jahannam” gebruikt in plaats van “an-Nār” (“het Vuur”) dat in de overlevering van Abū Dāwūd voorkomt.

272. Ibn Mājah heeft deze ḥadīth ook overgeleverd van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما). Deze versie komt overeen met de versie van Abū Dāwūd zonder de voorgenoemde verschillen.

Uitleg van de aḥadīth 269–272.

Imām an-Nawawī zegt in zijn Sharḥ van Ṣaḥīḥ Muslim (deel 10, p. 53):

De betekenis van “met Allāh (تعالى) wedijveren (in deze eigenschappen)” is dat iemand probeert deze eigenschappen voor zichzelf op te eisen, namelijk grootheid en verhevenheid tonen.

In deze ḥadīth wordt een zware bestraffing beloofd voor de hoogmoedigen, en wordt duidelijk gemaakt dat hoogmoed (kibr) en jezelf groot achten absoluut ḥarām zijn.

De vermelding in de ḥadīth dat “hoogheid en verhevenheid de izār (onderkleed) en ridā (bovenkleed) van Allāh zijn” is metaforisch bedoeld. Het gaat niet om echte kleding. De Arabieren zeggen bijvoorbeeld ook: “Zuhd (het afstand nemen van overmatige gehechtheid aan de wereldse zaken) is zijn hemd en taqwā is zijn mantel.” Daarmee wordt niet letterlijk kleding bedoeld, maar dat deze eigenschappen zo sterk en zichtbaar in iemand aanwezig zijn dat ze hem nooit verlaten.

Omdat de hoogste eer en verhevenheid alleen toekomt aan Allāhu (تعالى), en deze eigenschappen het meest passend aan Zijn Wezen (Dhāt) zijn, wordt deze beeldspraak gebruikt.

Onder de Arabieren is ook de uitdrukking bekend: “Die persoon is wijd in zijn ridā” of “ruim in zijn kleding.” Daarmee wordt bedoeld dat iemand zeer vrijgevig en goeddoend is. (Einde van de uitleg uit de Sharḥ van an-Nawawī.)

Wij zeggen daarnaast: In de Qur’ān wordt kibr (hoogmoed) genoemd en worden de hoogmoedigen met zware bestraffing bedreigd. Allāhu (تعالى) heeft kibr beschreven als een oorzaak die iemand van goedheid en succes afhoudt.

In een āyah zegt Hij: سَأَصۡرِفُ عَنۡ ءَايَٰتِيَ ٱلَّذِينَ يَتَكَبَّرُونَ فِي ٱلۡأَرۡضِ بِغَيۡرِ ٱلۡحَقِّIk zal degenen die arrogant op aarde zijn van Mijn Koranverzen laten afkeren. (Aʿrāf, 7:146)

أَلَيۡسَ فِي جَهَنَّمَ مَثۡوٗى لِّلۡمُتَكَبِّرِينَ ٦٠ Is er in Jahannam geen verblijfplaats voor de hoogmoedigen? (Zumar, 39:60)

فَٱلۡيَوۡمَ تُجۡزَوۡنَ عَذَابَ ٱلۡهُونِ بِمَا كُنتُمۡ تَسۡتَكۡبِرُونَ فِي ٱلۡأَرۡضِ بِغَيۡرِ ٱلۡحَقِّ وَبِمَا كُنتُمۡ تَفۡسُقُونَ ٢٠

Op deze dag zullen jullie vergolden worden met een vernederende bestraffing want jullie liepen onterecht hoogmoedig over het land en (daarenboven) leefden jullie in zonde en losbandigheid. (Aḥqāf, 46:20)

O Allāh , Wij vragen U om onze nafs te reinigen van hoogmoed (kibr) en ons te voorzien van de zegen van tawāduʿ (nederigheid). Āmīn.

27. De ontmoeting van Mûsā (عليه السلام) met Khiḍr (عليه السلام)

al-Bukhārī heeft de ḥadīth over de ontmoeting van Mûsā (عليه السلام) met Ḫiḍr (عليه السلام) overgeleverd in C.4, p.154:

273. Van ‘Alīy ibn ‘Abdillāh, van Sufyān, van ‘Amr ibn Dīnār, van Sa‘īd ibn Jubayr (رضي الله عنه), die zei: Ibn Abbas رضي الله عنهما meldde dat Nawf al-Bakalī beweerde dat de Mûsâ عليه السلام die met Khiḍr عليه السلام was, niet dezelfde Mûsâ عليه السلام was die naar de Israëlieten was gestuurd, maar een andere Mûsâ Ibn Abbas antwoordde: “De vijand van Allāh liegt.” Van Ubay ibn Kaʿb (رضي الله عنه): an-Nabī zei: Nabī Mūsā (عليه السلام) stond op om een preek (khutba) voor Banī Isrā`īl te geven. Hij werd toen gevraagd: “Wie is de meest geleerde onder de mensen?” Hij antwoordde: “Ik ben de meest geleerde (onder de mensen).” Daarop verweet Allāh hem omdat hij de kennis niet aan Allāh had toegeschreven. Toen openbaarde Allāh aan hem: “Een van Mijn dienaren bij de plaats waar de twee zeeën samenkomen, is geleerder dan jij.”Hij zei: “O mijn Rab, hoe kan ik hem bereiken?”Er werd tegen hem gezegd: “Neem een vis mee in een (grote) mand. Wanneer je de vis verliest, daar zul je hem vinden.”Dus vertrok hij samen met zijn dienaar Yûsha` ibn Nûn, en zij namen een vis mee in een mand. (Terwijl ze over zee reisden en de plaats bereikten waar de twee zeeën samenkomen) kwamen zij bij de rots aan en legden zij hun hoofd neer en sliepen. De vis glipte uit de mand en vond zijn weg naar de zee, (als) in een tunnel. Dit verbaasde Mūsā en zijn dienaar.Zij gingen door de rest van de nacht en de volgende dag. Toen het ochtend werd, zei Mūsā tegen zijn dienaar: “Breng ons ons eten, want we zijn moe geworden van deze reis.” En Mūsā voelde geen vermoeidheid totdat hij de plaats voorbijging waar hij had moeten stoppen.Zijn dienaar zei: “Zie je toen wij bij de rots schuilden vergat ik de vis te noemen.”Mūsā zei: “Dat is wat we zochten!” En ze keerden op hun schreden terug, hun sporen volgend.Toen zij bij de rots aankwamen, zagen zij een man gehuld in een kledingstuk (of hij had zichzelf met zijn kleding bedekt). Mūsā gaf hem salām.

Khiḍr zei: Waar komt deze begroeting vandaan, die in deze streken niet bekend is?Mūsā zei: “Ik ben Mūsā.”Khiḍr vroeg: “Mūsā van Banī Isrā`īl?”Hij zei: “Ja.”Toen zei hij (Mūsā: “Mag ik je volgen opdat je mij iets leert van wat jou als rechte leiding geleerd is?”Khiḍr zei: “Voorwaar, jij zult geen geduld met mij kunnen hebben, O Mūsā! Ik heb kennis van Allāh gekregen die jij niet hebt, en jij hebt kennis gekregen die ik niet heb.”Mūsā zei: “Als Allāh het wil, zul je mij geduldig vinden, en ik zal tegen jouw bevel niet ingaan.”Ze vertrokken en daar ze geen boot hadden liepen ze langs de kust van de zee. Zij hadden geen boot. Een schip voer langs hen, en zij vroegen of ze mee mochten varen. Ze herkenden Khiḍr en namen hen aan boord zonder vergoeding.Toen landde er een vogel op de rand van het schip en pikte één of twee keer in het water. Khiḍr zei: “O Mūsā, jouw kennis en de mijne zijn vergeleken met de kennis van Allāh slechts als deze ene of twee druppels water die deze vogel uit de zee neemt.”Toen verwijderde Khiḍr een plank uit het schip. Mūsā zei: “Deze mensen hebben ons meegenomen zonder vergoeding, en jij beschadigt hun schip om hen te laten zinken?”Hij zei: “Heb ik je niet gezegd dat je geen geduld met mij zult kunnen hebben?”Mūsā zei: “Neem mij niet kwalijk vanwege wat ik vergat.”Dat was de eerste fout van Mūsā uit vergetelheid.

Zij gingen verder en vonden een jongen die met andere jongens speelde. Khiḍr greep hem bij zijn hoofd en rukte het met zijn hand eraf.

Mūsā zei: “Heb je een onschuldig ziel gedood zonder dat hij een ander heeft gedood?”Khiḍr zei: “Heb ik je niet gezegd dat je geen geduld met mij zult kunnen hebben?”(De overleveraar zei: Dit antwoord was strenger dan het vorige.)(Mûsâ zei: “Als ik je daarna nog iets vraag, houd mij dan niet gezelschap. Je hebt dan een geldig excuus van mijn kant.”)Zij trokken verder tot zij bij de bewoners van een stad kwamen. Zij vroegen hen om voedsel, maar zij weigerden hen gastvrij te ontvangen. Toen vonden zij daar een muur die op het punt van instorten stond. Khiḍr herstelde hem met zijn eigen hand.Mūsā zei: “Als je wilde, had je er een vergoeding voor kunnen vragen.”Toen zei al-Khiḍr: “Dit is het moment waarop onze wegen zich scheiden.”An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Moge Allāh Mūsā genadig zijn! Wij zouden graag gewild hebben dat hij geduld had getoond, zodat wij meer van hun verhaal zouden hebben gehoord.”

En de ḥadīth gaat verder in een langere overlevering.

al-Bukhārī ( رَحِمَهُ اللهُ) heeft deze ḥadīth overgeleverd in C.6, p.88, in de bab over de tafsīr van Sūrat al-Kahf, bij de uitspraak van Allāhu (تعالى): “Toen Mûsā tegen zijn dienaar zei…” (zie hierboven)

275. En de ḥadīth gaat verder op deze manier.

al-Bukhārī heeft deze ḥadīth in dezelfde bab ook in een andere vorm overgeleverd: (zie hierboven)

En de ḥadīth vervolgt verder.

al-Bukhārī heeft deze ḥadīth ook in vergelijkbare bewoordingen in deze bab overgeleverd. Allāhu (تعالى) weet het het beste.

Al-Qastallānī ( رَحِمَهُ اللهُ) vermeldt in C.7, p.221 in het gedeelte over Sūrat al-Kahf: deze ḥadīth is reeds eerder in Kitāb al-‘Ilm vermeld, en de auteur (al-Bukhārī رَحِمَهُ اللهُ heeft hem in zijn al-Jāmi‘ (Ṣaḥīḥ al-Bukhārī) op meer dan tien plaatsen aangehaald.

274–275. Uitleg van de aḥadīth

Dat Ibn ‘Abbās (رضي الله عنه) over Nawf al-Bikālī zei: “De vijand van Allāh liegt”. Zijn felle tegenstand, zijn overdrijving daarin en zijn hevige woede erover waren hieraan te wijten. Daarmee bedoelde hij niet dat hij werkelijk geloofde dat Nawf een vijand van Allāh was.

Met “de plaats waar de twee zeeën samenkomen” wordt de samenkomst bedoeld van de Perzische zee in het oosten en de zee van Rūm.

Met de uitspraak: “Hij is geleerder dan jij” wordt bedoeld: in een specifieke zaak en in een bepaald soort kennis.

(In het hoofdgedeelte van het boek wordt slechts het begin van de ḥadīth over de gebeurtenis tussen Mûsā (عليه السلام) en Khiḍr (عليه السلام) vermeld, waarna gezegd wordt: “het vervolg is erg lang.” In de sharḥ wordt het vervolg echter uit Ṣaḥīḥ al-Bukhārī aangehaald en met uitleg weergegeven. Hierboven hebben wij het vervolg van de ḥadīth vertaald. – De vertaler)

………

Er is geen overlevering gekomen waaruit blijkt dat hij hem om kennis van de dīn vroeg. Want de anbiyā (عليهم السلام) beschikken reeds over volledige kennis betreffende de dīn en de aanbiddingen van hun gemeenschappen.…..

“Jij zult geen geduld kunnen hebben met wat ik doe”: Want wanneer Mûsā (عليه السلام) iets zag dat uiterlijk in strijd leek met zijn sharī‘ah, kon hij daar niet zwijgend overheen stappen.

…..

“Hoe kun jij geduld hebben met iets waarvan jij de verborgen werkelijkheid niet volledig begrijpt?”: Dat wil zeggen: hoe kun jij als Nabī geduld hebben met handelingen die uiterlijk onaanvaardbaar lijken, terwijl jij de innerlijke wijsheid ervan niet kent?

…..

“O Mûsā, jouw kennis en mijn kennis hebben van de kennis van Allāhu (تعالى) niet méér verminderd dan wat deze vogel van de zee heeft weggenomen.”: Hier wordt “verminderen” niet letterlijk bedoeld. De betekenis is: De verhouding van mijn kennis en jouw kennis tot de kennis van Allāhu (تعالى) is zoals de hoeveelheid water die deze vogel uit de zee nam tegenover de hele zee. Dit is slechts een vergelijking om het verstand dichter bij het begrip te brengen. In werkelijkheid is de kennis van Allāhu (تعالى) oneindig, terwijl de zee begrensd is.

………

“Heb ik jou niet gezegd dat jij geen geduld zult kunnen hebben met wat ik doe?”: Deze vraag was bedoeld als terechtwijzing voor het verbreken van hun afspraak. Hij verontschuldigde zich dus omdat hij uit vergetelheid had gehandeld, of hij maakte duidelijk dat zijn overtreding van de afspraak door vergeten kwam.

De eerste tegenwerping van Mûsā (عليه السلام) gebeurde dus uit vergeetachtigheid.

…..

“Ik zal je de uitleg geven van de zaken waar jij geen geduld voor kon hebben”: Dat wil zeggen: ik zal je de innerlijke betekenis en de wijsheid uitleggen achter deze daden die jij uiterlijk als verkeerd beschouwde, maar waarvan jij de verborgen kant niet kende.”

(Het vervolg van dit verhaal staat niet in het boek dat wij vertalen. Wij hebben er echter voor gekozen om het gehele verhaal zoals het in de Qurʾān vermeld staat hieronder weer te geven, de vertaler.)Hieronder het voorgaande verhaal in de Qur’ān:

وَإِذۡ قَالَ مُوسَىٰ لِفَتَىٰهُ لَآ أَبۡرَحُ حَتَّىٰٓ أَبۡلُغَ مَجۡمَعَ ٱلۡبَحۡرَيۡنِ أَوۡ أَمۡضِيَ حُقُبٗا ٦٠(En gedenk) toen Mūsā tegen zijn jonge knecht zei: “Ik zal het (reizen) niet opgeven tot ik de samenvloeiing van de twee zeeën bereik, al moet ik eeuwenlang doorgaan.”

فَلَمَّا بَلَغَا مَجۡمَعَ بَيۡنِهِمَا نَسِيَا حُوتَهُمَا فَٱتَّخَذَ سَبِيلَهُۥ فِي ٱلۡبَحۡرِ سَرَبٗا ٦١Maar toen zij de samenvloeiing van de twee zeeën bereikten, vergaten zij hun vis en deze zwom snel weg in de zee.

فَلَمَّا جَاوَزَا قَالَ لِفَتَىٰهُ ءَاتِنَا غَدَآءَنَا لَقَدۡ لَقِينَا مِن سَفَرِنَا هَٰذَا نَصَبٗا ٦٢En toen zij verder waren gegaan, zei Mūsā tegen zijn jonge knecht: “Breng ons eten, (de vis) waarlijk, wij zijn erg moe geworden van deze zware reis.”

قَالَ أَرَءَيۡتَ إِذۡ أَوَيۡنَآ إِلَى ٱلصَّخۡرَةِ فَإِنِّي نَسِيتُ ٱلۡحُوتَ وَمَآ أَنسَىٰنِيهُ إِلَّا ٱلشَّيۡطَٰنُ أَنۡ أَذۡكُرَهُۥۚ وَٱتَّخَذَ سَبِيلَهُۥ فِي ٱلۡبَحۡرِ عَجَبٗا ٦٣Hij zei: “Weet je nog dat wij onszelf bij die rots hebben neergelegd? Waarlijk, ik was de vis beslist vergeten en niemand anders dan Satan heeft mij doen vergeten te herinneren. Het heeft zijn weg op een vreemde (manier) naar de zee gevonden!”

قَالَ ذَٰلِكَ مَا كُنَّا نَبۡغِۚ فَٱرۡتَدَّا عَلَىٰٓ ءَاثَارِهِمَا قَصَصٗا ٦٤(Mūsā) zei: “Dat is waar wij naar gezocht hebben.” Dus keerden zij in hun voetstappen terug.

فَوَجَدَا عَبۡدٗا مِّنۡ عِبَادِنَآ ءَاتَيۡنَٰهُ رَحۡمَةٗ مِّنۡ عِندِنَا وَعَلَّمۡنَٰهُ مِن لَّدُنَّا عِلۡمٗا ٦٥Toen vonden zij één van Onze dienaren, die Wij Onze genade hadden gegeven, en die Wij in Onze kennis onderwezen hadden.

قَالَ لَهُۥ مُوسَىٰ هَلۡ أَتَّبِعُكَ عَلَىٰٓ أَن تُعَلِّمَنِ مِمَّا عُلِّمۡتَ رُشۡدٗا ٦٦Mūsā zei tegen hem (Khiḍr): “Mag ik je volgen, zodat jij mij iets kunt leren van die kennis die jou onderwezen is?”

قَالَ إِنَّكَ لَن تَسۡتَطِيعَ مَعِيَ صَبۡرٗا ٦٧Hij (Khiḍr) zei: “Waarlijk! Jij zult niet in staat zijn om geduld met mij te hebben!

وَكَيۡفَ تَصۡبِرُ عَلَىٰ مَا لَمۡ تُحِطۡ بِهِۦ خُبۡرٗا ٦٨En hoe kun je nu geduld hebben over iets waar je geen kennis van hebt?”

قَالَ سَتَجِدُنِيٓ إِن شَآءَ ٱللَّهُ صَابِرٗا وَلَآ أَعۡصِي لَكَ أَمۡرٗا ٦٩Mūsā zei: “Als Allāh het wil zult je mij geduldig vinden en ik zal jou niet in het minste ongehoorzaam zijn.”

قَالَ فَإِنِ ٱتَّبَعۡتَنِي فَلَا تَسۡـَٔلۡنِي عَن شَيۡءٍ حَتَّىٰٓ أُحۡدِثَ لَكَ مِنۡهُ ذِكۡرٗا٧٠Hij zei: “Volg mij dan, maar vraag mij niet tot ik het zelf bij jou ter berde breng.”

فَٱنطَلَقَا حَتَّىٰٓ إِذَا رَكِبَا فِي ٱلسَّفِينَةِ خَرَقَهَاۖ قَالَ أَخَرَقۡتَهَا لِتُغۡرِقَ أَهۡلَهَا لَقَدۡ جِئۡتَ شَيۡـًٔا إِمۡرٗا ٧١Dus gingen zij beiden verder tot zij in het schip waren en hij liet het zinken. Mūsā zei: “Heb je het laten zinken zodat haar bemanning zou verdrinken?” Waarlijk, jij hebt iets kwaads verricht.

قَالَ أَلَمۡ أَقُلۡ إِنَّكَ لَن تَسۡتَطِيعَ مَعِيَ صَبۡرٗا ٧٢Hij zei: “Heb ik je niet verteld dat je geen geduld met mij zou kunnen hebben?”

قَالَ لَا تُؤَاخِذۡنِي بِمَا نَسِيتُ وَلَا تُرۡهِقۡنِي مِنۡ أَمۡرِي عُسۡرٗا ٧٣(Mūsā) zei: “Roep mij niet ter verantwoording voor wat ik vergeten ben, en maak het mij niet moeilijk.”

فَٱنطَلَقَا حَتَّىٰٓ إِذَا لَقِيَا غُلَٰمٗا فَقَتَلَهُۥ قَالَ أَقَتَلۡتَ نَفۡسٗا زَكِيَّةَۢ بِغَيۡرِ نَفۡسٖ لَّقَدۡ جِئۡتَ شَيۡـٔٗا نُّكۡرٗا ٧٤Toen gingen zij beiden verder, tot zij een jongen tegenkwamen, en hij hem doodde. Mūsā zei: “Heeft u een onschuldig persoon gedood die niemand vermoord heeft? Waarlijk, u heeft een vreselijke daad verricht.” ۞

۞ قَالَ أَلَمۡ أَقُل لَّكَ إِنَّكَ لَن تَسۡتَطِيعَ مَعِيَ صَبۡرٗا ٧٥(Khiḍr) zei: “Heb ik je niet verteld dat je geen geduld met mij zou hebben?”

قَالَ إِن سَأَلۡتُكَ عَن شَيۡءِۭ بَعۡدَهَا فَلَا تُصَٰحِبۡنِيۖ قَدۡ بَلَغۡتَ مِن لَّدُنِّي عُذۡرٗا ٧٦(Mūsā) zei: “Als ik je hierna over iets vraag, houdt mij dan niet in jouw gezelschap, je hebt al een verontschuldiging van mij gekregen.”

فَٱنطَلَقَا حَتَّىٰٓ إِذَآ أَتَيَآ أَهۡلَ قَرۡيَةٍ ٱسۡتَطۡعَمَآ أَهۡلَهَا فَأَبَوۡاْ أَن يُضَيِّفُوهُمَا فَوَجَدَا فِيهَا جِدَارٗا يُرِيدُ أَن يَنقَضَّ فَأَقَامَهُۥۖ قَالَ لَوۡ شِئۡتَ لَتَّخَذۡتَ عَلَيۡهِ أَجۡرٗا ٧٧Toen gingen zij beiden verder tot zij bij de inwoners van een stad kwamen. Zij vroegen hen om eten, maar zij weigerden hen gastvrijheid te verlenen. Toen vonden zij een muur die bijna omviel en hij (Khiḍr) repareerde hem. (Mūsā) zei: “Als jij gewild had, waarlijk je had daar loon voor kunnen vragen!”

قَالَ هَٰذَا فِرَاقُ بَيۡنِي وَبَيۡنِكَۚ سَأُنَبِّئُكَ بِتَأۡوِيلِ مَا لَمۡ تَسۡتَطِع عَّلَيۡهِ صَبۡرًا ٧٨(Khiḍr) zei: “Dit is het moment tussen mij en jou om afscheid te nemen en het moment waarop ik je de uitleg van (die) zaken geef waarmee jij niet in staat was geduld te hebben.

أَمَّا ٱلسَّفِينَةُ فَكَانَتۡ لِمَسَٰكِينَ يَعۡمَلُونَ فِي ٱلۡبَحۡرِ فَأَرَدتُّ أَنۡ أَعِيبَهَا وَكَانَ وَرَآءَهُم مَّلِكٞ يَأۡخُذُ كُلَّ سَفِينَةٍ غَصۡبٗا ٧٩Wat het schip betreft: die behoorde aan arme mensen die op zee hun brood verdienden. Ik wilde haar onbruikbaar maken, want hun koning komt alle schepen met geweld in beslag nemen.

وَأَمَّا ٱلۡغُلَٰمُ فَكَانَ أَبَوَاهُ مُؤۡمِنَيۡنِ فَخَشِينَآ أَن يُرۡهِقَهُمَا طُغۡيَٰنٗا وَكُفۡرٗا ٨٠Wat de (vermoorde) jongen betreft, zijn ouders waren gelovigen en wij waren bang dat hij (op latere leeftijd door zijn onwetendheid) hen (vanwege hun kinderliefde) zou overhalen tot opstandigheid en ongeloof.

فَأَرَدۡنَآ أَن يُبۡدِلَهُمَا رَبُّهُمَا خَيۡرٗا مِّنۡهُ زَكَوٰةٗ وَأَقۡرَبَ رُحۡمٗا ٨١Onze bedoeling (voor zijn moord) was dat hun Heer hem zou vervangen door een betere zoon, die rechtvaardiger en godvrezender is, en (daarmee) onder Onze genade valt (ten gunste van zijn ouders).

وَأَمَّا ٱلۡجِدَارُ فَكَانَ لِغُلَٰمَيۡنِ يَتِيمَيۡنِ فِي ٱلۡمَدِينَةِ وَكَانَ تَحۡتَهُۥ كَنزٞ لَّهُمَا وَكَانَ أَبُوهُمَا صَٰلِحٗا فَأَرَادَ رَبُّكَ أَن يَبۡلُغَآ أَشُدَّهُمَا وَيَسۡتَخۡرِجَا كَنزَهُمَا رَحۡمَةٗ مِّن رَّبِّكَۚ وَمَا فَعَلۡتُهُۥ عَنۡ أَمۡرِيۚ ذَٰلِكَ تَأۡوِيلُ مَا لَمۡ تَسۡطِع عَّلَيۡهِ صَبۡرٗا ٨٢Wat de muur betreft: deze behoorde toe aan de twee weesjongens in de stad. Onder (deze muur) bevond zich een (verborgen)” schat die hen (rechtmatig) toebehoorde; en (vanwege het feit dat) hun vader een rechtschapen man was (zorgde Allāh niet alleen voor de bescherming van de kinderen maar ook voor het geheim van de schat want) het was de bedoeling van jouw Heer dat zij zouden opgroeien tot ze de volwassenheid hadden bereikt (om dan vervolgens) de schat op te graven als een genade van jullie Heer. Ik deed het niet op eigen gezag. Dit is de uitleg over hetgeen waarvoor jij geen geduld kon opbrengen.” .”(Surah al-Kahf: 60-82)

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wij hadden gewild dat Mūsā (عليه السلام) geduld had gehad, zodat Allāhu (تعالى) ons hun verhaal had kunnen vertellen.”

(Een van de overleveraars Sufyān (رضي الله عنه) zei): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Moge Allāhu (تعالى) Mūsā (عليه السلام) genadig zijn.

Als hij geduld had gehad, dan zou Allāhu (تعالى) hun verhaal aan ons hebben verteld.”

Ook in Rihābu’t-Tafsīr wordt via de overlevering van al-Ḥamīd van Sufyān (رضي الله عنه) vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wij zouden graag gewild hebben dat Mūsā (عليه السلام) geduld had gehad, zodat Allāhu (تعالى) hun verhaal aan ons had verteld.” (Qastallānī, Sharḥ, deel 5, p. 381). Allāhu weet het het beste.

28. Zelfmoord plegen heeft als straf Jahannam

De ḥadīth over de man die zijn hand sneed met een mes en daardoor stierf. al-Bukhārī vermeldt deze ḥadīth in zijn Sahīh, deel 4, blz. 1180, in het hoofdstuk “Het verhaal over Banī Isrāʾīl”:

276. Van Muḥammad van Ḥajjāj, van Jarīr, van al-Ḥasan: Jundub ibn ʿAbdullāh (رضي الله عنه) heeft ons in deze moskee een ḥadīth overgeleverd. Sinds de dag waarop hij deze overleverde, zijn wij niets vergeten van wat hij heeft gezegd, en wij hebben nooit gevreesd dat Jundub (رضي الله عنه) iets onwaarachtigs aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zou toeschrijven. Hij berichtte dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Er was onder degenen vóór jullie een man. Hij had een wond gekregen en leed daar hevige pijn door. Toen nam hij een mes en sneed daarmee zijn hand af. Het bloeden stopte niet en daardoor stierf hij.

Allāhu (تعالى) zei daarop: ‘Mijn dienaar heeft zich in zijn eigen nafs tegen Mijn oordeel verzet, daarom heb Ik de Jannah voor hem verboden.”

Uitleg van de 276ste ḥadīth

Met “zij die vóór jullie leefde” worden de Banī Isrāʾīl bedoeld, of mogelijk een andere gemeenschap. Maar de mogelijkheid dat het Banī Isrāʾīl betreft is sterker.

De reden dat de man in deze ḥadīth de eeuwige bestraffing van Jahannam verdient, is niet omdat hij zichzelf heeft gedood, maar omdat hij door zich tegen het oordeel van Allāh te verzetten in ongeloof is vervallen.

Of deze man was oorspronkelijk een kāfir, en door zijn zelfdoding kwam daarbovenop nog extra bestraffing voor zijn andere daden, naast de straf die hij al zou krijgen vanwege zijn kufr.

“Mijn dienaar heeft zich in zijn eigen nafs tegen Mijn oordeel verzet” betekent: “Mijn oordeel had hem nog niet bereikt, maar hij heeft zichzelf al gedood.” Hier lijkt echter een moeilijkheid te bestaan, want uit de letterlijke betekenis zou volgen dat de gedode persoon vóór zijn ajal sterft. Maar in werkelijkheid sterft niemand vóór zijn ajal, ongeacht de oorzaak. Bovendien weet Allāhu (تعالى) al dat hij door deze oorzaak zal sterven. In de kennis van Allāhu (تعالى) is er geen verandering. Het antwoord hierop is als volgt gegeven: Allāhu (تعالى) heeft die persoon niet op de hoogte gesteld van Zijn eeuwige kennis. Het feit dat die persoon ervoor koos zichzelf te doden, was uit zijn eigen wil en keuze. Hij koos zelf de weg van zelfdoding, waardoor het lijkt alsof hij zichzelf een oordeel over zijn eigen toestand heeft gegeven vóórdat het oordeel van Allāhu (تعالى) hem bereikte. Met deze opstandigheid heeft hij de straf verdiend.

Deze ḥadīth laat zien hoe groot de zonde is van het nemen van een leven, of men nu zijn eigen leven neemt of dat van een ander. Want zelfs zijn eigen leven is niet zijn eigendom; het behoort toe aan Allāhu (تعالى). Allāhu (تعالى) weet het het beste. (Sharḥ al-Qastallānī).

29. Niemand kan onafhankelijk zijn van de gunst (faḍl) van Allāhu (تعالى).”

De ḥadīth over het wassen van Ayyūb (عليه السلام) en dat er een gouden sprinkhaan op hem neerdaalde.

Deze ḥadīth wordt door al-Bukhārī vermeld in deel 1, blz. 64, in Kitāb al-Ghusl, in het hoofdstuk “De toestand van het verrichten van ghusl in naakte staat”.

277.Van Isḥāq ibn Naṣr, van ʿAbd al-Razzāq, van Maʿmar, van Hammām ibn Munabbih, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ayyūb (عليه السلام) verrichtte ghusl terwijl hij naakt was. Op dat moment viel er een gouden sprinkhaan op hem. Ayyūb (عليه السلام) nam toen onmiddellijk zijn kleding en trok die aan. Zijn Rab zei tegen hem: ‘Heb Ik jou niet onafhankelijk gemaakt van alles wat je ziet?”Hij zei: ‘Ja, bij Uw Eer, dat is zo, maar ik kan niet zonder Uw zegening (barakah) die U geeft.”

al-Bukhārī heeft deze ḥadīth ook overgeleverd in deel 4, blz. 151, in Kitāb Badʾ al-Khalq, in het hoofdstuk dat verbonden is met de āyah:

وَأَيُّوبَ إِذۡ نَادَىٰ رَبَّهُۥٓ أَنِّي مَسَّنِيَ ٱلضُّرُّ وَأَنتَ أَرۡحَمُ ٱلرَّٰحِمِينَ ٨٣

En (gedenk) Ayyoeb, die zijn Heer aanriep: “Waarlijk, de ellende heeft mij gegrepen, maar U bent de meest Genadevolle der Genadevollen.” (Anbiyā’, 21:83)

Daarnaast vermeldt hij deze ḥadīth ook in deel 9, blz. 143, in Kitāb at-Tawḥīd, in het hoofdstuk over de āyah:

يُرِيدُونَ أَن يُبَدِّلُواْ كَلَٰمَ ٱللَّ

…Zij willen Allāh’s woorden veranderen... (Fatḥ, 48:15):

278. Alleen wordt in deze twee overleveringen, in tegenstelling tot de bovenstaande overlevering, gezegd: “een zwerm gouden sprinkhanen daalde op hem neer.”

279. An-Nasāʾī heeft deze ḥadīth ook overgeleverd in deel 1, blz. 201, in het hoofdstuk “Zich achter een scherm plaatsen tijdens het verrichten van ghusl”.

De tekst van deze overlevering komt overeen met die van al-Bukhārī in Kitāb al-Ghusl. Alleen wordt daar het woord “barakah” in enkelvoud gebruikt, terwijl het hier in meervoud staat als “barakāt”.

Uitleg van de aḥadīth 277 - 279

Qastallānī zegt: “Het is niet duidelijk of de sprinkhaan die op Ayyūb (عليه السلام) viel een werkelijk levend dier was met een rûh, of een vorm van een gouden voorwerp in de gedaante van een sprinkhaan zonder rûh. In Sharḥ at-Taqrīb wordt gesteld dat de tweede mogelijkheid sterker is”.

Het roepen (nidā) van Allāhu (تعالى) tot Ayyūb (عليه السلام) kan worden begrepen zoals het gesprek met Mūsā (عليه السلام), of als een mededeling die via een van de engelen wordt overgebracht.Qastallānī zegt vervolgens: Het is niet mogelijk dat Ayyūb (عليه السلام) dit bezit, de gouden sprinkhaan, uit wereldse gehechtheid heeft genomen. Hij nam het slechts aan omdat hij het beschouwde als een zegening (barakah) van zijn Rab, zoals hij ook zelf zijn toestand heeft toegelicht. Het werd zelfs gezien als iets dat aanvaard mocht worden, omdat het een gunst betrof die Allāhu (تعالى) kort daarvoor had geschonken, of een nieuwe zegen met een bijzondere eigenschap die het gewone overstijgt.

Daarin ligt de betekenis van dankbaarheid (shukr) tegenover Allāhu (تعالى) en het tonen van Zijn verhevenheid. Het weigeren ervan zou juist ondankbaarheid en het afwijzen van een gave van Allāh betekenen.

Uit de ḥadīth blijkt dat het toegestaan is om naakt te douchen. Want Allāhu (تعالى) heeft Ayyūb (عليه السلام) niet berispt vanwege het naakt douchen, maar vanwege de manier waarop hij de sprinkhanen verzamelde. (Einde van de uitleg van Qastallānī.)

Ik zeg: er is overgeleverd dat Mūsā (عليه السلام) zich ook naakt waste, waarbij een steen zijn kleding meenam. Hij sloeg de steen en zei twee keer: “Mijn kleding, mijn kleding, o steen.” (Sharḥ al-Qastallānī, deel 1, blz. 333)

30. De Aslam-stam werd door Allāh in veiligheid gebracht

Deze ḥadīth is door Muslim overgeleverd. Volgens de aantekening van Qastallānī bij zijn uitleg van Ṣaḥīḥ al-Bukhārī wordt deze vermeld in deel 9, blz. 407, in Kitāb al-Faḍāʾil, in het hoofdstuk “De verdiensten van de stammen Ghifār en Aslam”.

280. Van Ḥusayn ibn Ḥarb, van al-Faḍl ibn Mūsā, van Ḥaytham ibn ʿIrāk, van zijn vader, en hij van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De Aslam-stam heeft Allāh in veiligheid gebracht, en de Ghifār-stam heeft Allāh vergeven. Ik heb dit niet zelf gezegd, maar Allāh عز وجل heeft het gezegd.”

Muslim vermeldt ook een langere versie van deze ḥadīth met een keten die teruggaat tot Abū Bakrah (رضي الله عنه). 281. Van Muḥammad ibn Yaʿqūb, van ʿAbd ar-Raḥmān ibn Abī Bakrah, van zijn vader, van al-Aqraʿ ibn Ḥābis (رضي الله عنه), hij kwam naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) toe en zei: “Er kwamen mensen uit de stammen Aslam, Ghaffar en Muzaynah, die bekend stonden om het beroven van pelgrims en hebben u trouw gezworen (bayʿah).”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei daarop: “Wat denk jij? Als de stammen Aslam, Ghifār en Muzaynah beter zijn dan de stammen Banī Tamīm, Banī ʿĀmir, Asad en Ghatafān, zouden zij dan verliezen en tegenspoed lijden?”Al-Aqraʿ zei: “Ja.”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Bij Hem in Wiens hand mijn rûh is: zij zijn beter dan die anderen.”

Uitleg van de aḥadīth 280 – 281

Over de uitspraak “Allāh heeft de Aslam-stam in veiligheid gebracht…” wordt gezegd dat dit een duʿāʾ voor hen is. Er wordt ook gezegd dat het een beschrijving is van hun toestand.

Al-Qāḍī zegt in al-Mashāriq: dit behoort tot de mooiste uitdrukkingen. Wanneer je bij iemand iets goeds ziet, zeg je: “ik heb vrede met hem gesloten” (mūsālamah), en dit woord komt uit dezelfde taalkundige wortel. Het is alsof Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een duʿāʾ verrichtte dat Allāhu (تعالى) hen zou geven wat bij hun toestand past.

Evenzo kan de uitspraak “Allāh heeft de Ghifār-stam vergeven” worden opgevat als ook een duʿāʾ dat Allāhu (تعالى) hen de vergeving schenkt die bij hen past.

Er wordt ook gezegd: voor de Ghifār-stam is als eer voldoende dat Abū Dhar al-Ghifārī (رضي الله عنه) uit hun midden kwam. Hij behoorde tot de eerste mu’mins. Over zijn Islâm is een bekende overlevering, en zijn verhaal is vermeld in Ṣaḥīḥ al-Bukhārī in Kitāb al-Manāqib.

(uit de Sharḥ van an-Nawawī op Ṣaḥīḥ Muslim).

31. Aḥadīth over het vergemakkelijken van het reciteren van de Qurʾān, het zonder moeite en op een gemakkelijke manier de Qurʾān kunnen lezen.Het reciteren van de Qurʾān in de nacht. De openbaring van sūrat al-Kawthar.De verdienste van het uitspreken van ṣalawāt over Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).De superioriteit van Khadījah (رضي الله عنها) en de overleveringen over haar blijde tijding van een huis in Jannah.

Ten eerste: de ḥadīth “Allāhu عز وجل heeft bevolen dat de Qurʾān op zeven ḥurūf (recitatiestijlen) wordt gereciteerd…”

Deze ḥadīth is door an-Nasāʾī overgeleverd in zijn Sunan, in het hoofdstuk over overleveringen met betrekking tot de Qurʾān.

282. Van Ubay ibn Kaʿb (رضي الله عنه): Ik was met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bij de oever van de vijver van Banī Ghifār. Op dat moment kwam Jibrīl (عليه السلام) en zei:

“Allāhu عز وجل heeft jou bevolen de Qurʾān aan jouw ummah op één ḥarf (recitatiestijl) te laten reciteren.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei daarop: “Ik vraag Allāh om vergiffenis en vergeving, mijn ummah is hier niet toe in staat.”

Daarna kwam Jibrīl (عليه السلام) opnieuw en zei: “Allāhu عز وجل heeft jou bevolen de Qurʾān aan jouw ummah op twee ḥurūf te laten reciteren.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei weer: “Ik vraag Allāh om vergiffenis en vergeving, mijn ummah is hier niet toe in staat.”

Daarna kwam hij de derde keer en zei: “Allāhu عز وجل heeft jou bevolen de Qurʾān aan jouw ummah op drie ḥurūf te laten reciteren.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei opnieuw: “Ik vraag Allāh om Zijn vergiffenis en vergeving, mijn ummah is hier niet toe in staat.”

Daarna kwam Jibrīl (عليه السلام) de vierde keer en zei: “Allāhu عز وجل heeft jou bevolen de Qurʾān aan jouw ummah op zeven ḥurūf te laten reciteren. Op welke van deze zeven zij ook reciteren, zij zullen correct reciteren.”

Uitleg van de 282ste ḥadīth

Met “ḥarf” wordt hier bedoeld: de iʿrāb, dus de verschillende manieren van het aanbrengen van de ḥarakāt (klinkertekens) (in een woord) in de QurʾānDe wens van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dat de Qurʾān op meerdere wijzen van iʿrāb gereciteerd kon worden, vloeide voort uit zijn zorg dat zijn ummah niet in moeilijkheden zou geraken.Met “zeven ḥurūf” wordt hier niet bedoeld dat één enkele ḥarf zeven verschillende recitaties heeft, maar dat de gehele Qurʾān in verschillende vormen van recitatie binnen dit aantal valt.

De verschillen in de recitatie van de Qurʾān kunnen bijvoorbeeld als volgt zijn:

Soms is er alleen verschil in ḥarakāt zonder verandering in betekenis of schrijfwijze, zoals bij vergelijkbare vormen in de taal.

Soms is er een klein betekenisverschil zonder volledige tegenstelling. Bijvoorbeeld in sūrat al-Baqara 2:37: “fa-talaqqā Ādamu min rabbihi kalimātin” en in een andere qirāʾa:“fa-talaqqā Ādama rabbuhu kalimātun” In de eerste lezing betekent het: “Ādam ontving van zijn Rab, door Zijn ingeving enkele woorden, woorden van berouw en vergeving.”In de tweede lezing betekent het: “Tot Ādam kwamen van zijn Rab enkele woorden van berouw en vergeving.”

Soms is het verschil niet in de ḥarakāt maar in een letter, wat een kleine betekenisnuance kan geven, zoals bij “tublā” en “tatlū”.

Soms is er een letterverschil zonder betekenisverandering, zoals bij “as-Ṣirāṭ” dat met sīn of ṣād wordt gelezen.

Soms is er een verschil in volgorde van woorden, zoals “fa-yaktulūna wa yuqtalūn” (zij doden en worden gedood) en in een andere qirāʾa “fa-yuqtalūna wa yaktulūn” (zij worden gedood en doden). Dit verandert de betekenisrichting, maar niet de algemene inhoud van de uitdrukking.

Soms is er verschil in aantal letters, zoals “awsā” en “wassā”, die dezelfde betekenis dragen, maar waarbij in de ene versie een alif wordt toegevoegd en in de andere een shadda de betekenis ondersteunt.

Verschillen in tajwīd en fijne recitatieregels worden niet beschouwd als echte verschillen in lafẓ of betekenis, omdat zij geen verandering in de woordstructuur veroorzaken”. (Einde van de uitleg van Qastallānī, deel 5, blz. 271)

Qastallānī zegt in deel 7, blz. 451, in het hoofdstuk over de superioriteit van de Qurʾān, in het gedeelte “Over de uitspraak”: “De Qurʾān is neergezonden op zeven ḥurūf,” wordt gezegd dat vanwege de noodzaak van verschillen tussen talen en omdat mensen moeite hebben met om andere talen/tongvallen te spreken, is dit een reden waarom dit als vergemakkelijking (taysīr) aan de mensen werd toegestaan. Daarom werd de zaak van meet af aan en breed gehouden, zodat iedere groep de Qurʾān kon reciteren op een wijze die aansloot bij haar taal/dialect en gewoonten, totdat de mensen uiteindelijk in staat zouden zijn om volgens één vaste recitatiewijze te lezen.

Daarom is deze toestemming niet gegeven zodat mensen de Qurʾān naar eigen voorkeur kunnen reciteren. Hiermee wordt bedoeld dat mensen die moeite hebben met de uitspraak, de woorden uitspreken met klanken die aansluiten bij de overeenkomstige klanken in hun eigen taal. Maar de basis blijft wat van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) is overgeleverd.

Zoals blijkt uit wat ʿUmar en Hishām (رضي الله عنهما) zeiden: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft het mij zo laten reciteren.” (Wat aangeeft dat de oorsprong altijd de overlevering van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) is en niet eigen keuze.)

De ḥadīth: “Er zijn drie personen die Allāhu عز وجل liefheeft”

Deze ḥadīth is door an-Nasāʾī overgeleverd in zijn Sunan, deel 3, blz. 207, in het hoofdstuk “De verdienste van het verrichten van nachtṣalāh tijdens reizen”.

283. Van Abū Dhar (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er zijn drie personen die Allāhu عز وجل liefheeft:

1. Iemand die naar een groep mensen gaat en hun om iets vraagt, niet vanwege (familiebanden of) een persoonlijke relatie, maar enkel omwille van het welbehagen van Allāhu (تعالى). En wanneer die groep hem niets geeft, doet hij hun in het geheim een gunst, zó verborgen dat niemand zijn goede daad kent behalve Allāhu (تعالى).

2. Ook degene die deel uitmaakt van een gezelschap dat ’s nachts reist en vervolgens door vermoeidheid wordt overmand, zodat de slaap voor hen aantrekkelijker wordt dan alles wat hun daarvoor gegeven zou kunnen worden. Zij stijgen af van hun rijdieren, leggen hun hoofden neer en gaan slapen. Maar deze man staat op om Allāhu (تعالى) aan te roepen in duʿāʾ en Zijn āyāt te reciteren.

3. Ook degene die deel uitmaakt van een leger dat de vijand tegemoettrekt. Wanneer zijn groep voor de vijand terugwijkt en uiteenvalt, slaat hij niet op de vlucht, maar blijft hij standvastig strijden omwille van Allāhu (تعالى), totdat hij sterft of de overwinning behaalt.

Uitleg van de 283ste ḥadīth

In deze ḥadīth wordt gesproken over drie personen over wie Allāhu (تعالى) Zijn liefde en barmhartigheid heeft doen toenemen. Tegelijkertijd wordt hiermee aangemoedigd om zich met hun karaktereigenschappen te vormen.

Deze drie personen zijn:

De eerste: iemand die uitsluitend omwille van Allāhs (تعالى) welbehagen in het geheim sadaqah geeft. Van zijn gift weet alleen Allāh en degene die het ontvangt. Dit wordt ondersteund door de ḥadīth over de zeven groepen mensen die op de Yawmu’l Qiyamah in de schaduw van Allāh zullen zijn, waaronder degene die zo verborgen sadaqah geeft dat zijn linkerhand niet weet wat zijn rechterhand geeft. Dit is een uitdrukking voor uiterste geheimhouding in het geven van sadaqah.

Iemand die in het geheim, zonder dat zelfs zijn medereizigers het merken, ’s nachts opstaat om ʿibādah te verrichten, Allāhu (تعالى) te gedenken en Qurʾān te reciteren, binnen of buiten de ṣalāh. Vooral wanneer hij uitgeput is door de lange reis en zijn metgezellen door vermoeidheid in slaap zijn gevallen.

De derde: iemand die nadat zijn metgezellen uiteengegaan zijn, op de vijand afstormt en blijft strijden totdat hij gedood wordt of de strijd wint.

Een dergelijke daad versterkt de vastberadenheid (ʿazīmah) en moed van de moslims. Zij moedigt degenen die zich hebben teruggetrokken aan om naar het slagveld terug te keren en voorkomt dat de achterblijvers eveneens in verwarring raken of op de vlucht slaan. Het tegenovergestelde gedrag kan daarentegen de vastberadenheid ondermijnen en bijdragen aan verdere verdeeldheid en ontreddering.

De reden voor de nederdaling van Sūrah al-Kawthar

Deze ḥadīth wordt door An-Nasā’ī overgeleverd in zijn Sunan, in het hoofdstuk over het reciteren van “Bismillāhir-Raḥmānir-Raḥīm”.

284. Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) zei: “Op een dag, terwijl Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zich onder ons bevond, werd hij lichtelijk door sluimering overvallen. Daarna hief hij glimlachend zijn hoofd op. Wij vroegen: ‘Wat heeft u doen glimlachen, o Rasulullah?’

Hij antwoordde: ‘Zojuist is er een sūrah aan mij neergezonden.’

Daarna reciteerde hij: بِسْمِ اللَّهِ الرَّحْمَٰنِ الرَّحِيمِ In de naam van Allāh, de meest Barmhartige, de meest Genadevolle.

إِنَّآ أَعۡطَيۡنَٰكَ ٱلۡكَوۡثَرَ ١ Waarlijk, Wij hebben jou de overvloed geschonken.

فَصَلِّ لِرَبِّكَ وَٱنۡحَرۡ ٢ Bidt daarom tot jouw Heer en offer (voor Hem alleen).

إِنَّ شَانِئَكَ هُوَ ٱلۡأَبۡتَرُ ٣ Voorwaar, jouw hater, hij is bij wie het (nageslacht) is afgesneden (Kawthar, 108:103)

Vervolgens zei hij: ‘Weten jullie wat al-Kawthar is?’

Wij antwoordden: ‘Allāh en Zijn Rasûl weten het beter.’

Daarop zei Rasulullah (صلى الله عليه وسلم): ‘Het is een rivier in Jannah die mijn Rab mij heeft beloofd. Het aantal bekers langs (die rivier) is meer dan het aantal sterren. Mijn ummah zal bij die rivier naar mij toe komen. Dan zal één dienaar van hen worden weggenomen.’

Ik zal dan zeggen: ‘O mijn Rab, hij behoort tot mijn ummah!’

Daarop zal Allāhu (تعالى). zeggen: ‘Jij weet niet welke vernieuwingen zij na jou hebben ingevoerd.”

Uitleg van de 284ste ḥadīth

Zoals in de ḥadīth vermeld wordt, reciteerde Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) Sūrah al-Kawthar samen met de Basmalah (“Bismillāhir-Raḥmānir-Raḥīm”). Sommige geleerden hebben dit als bewijs aangevoerd dat de Basmalah tot de sūrah behoort.

De ḥadīth over: “De voortreffelijkheid van de ṣalāh en het uitspreken van salām (ṣalawāt) over Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم)”

Deze ḥadīth is door An-Nasāʾī overgeleverd in zijn Sunan, deel 4, p. 44, in het hoofdstuk: “De voortreffelijkheid van het brengen van ṣalāh en salām over Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم)”:

285. Van ʿAbdullāh ibn Abī Ṭalḥah, van zijn vader Abū Ṭalḥah (رضي الله عنه): Op een dag kwam Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verheugd naar buiten. (De overleveraar zei:) Wij zeiden: “Wij zien vreugde op uw gezicht.” Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Er kwam een engel naar mij en zei: “O Muḥammad, ben jij er niet tevreden mee dat voor iedere ṣalāh die over jou wordt uitgesproken, Ik tien ṣalawāt uitspreek, en dat voor iedere salām die naar jou wordt gebracht, Ik tien ṣalawāt breng?”

Uitleg van de 285ste ḥadīth

Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verheugd was, verscheen er op zijn gezicht een licht dat straalde als de volle maan. Toen de Ṣaḥābah (رضي الله عنهم), zoals in de ḥadīth wordt vermeld, hem vroegen naar de reden van zijn vreugde, vertelde hij hun dat een engel naar hem was gekomen en van Allāhu (تعالى) het volgende had meegedeeld:

“O Muḥammad, ben jij er niet tevreden mee dat wanneer iemand één ṣalāh over jou uitspreekt, Ik tien ṣalawāt over hem uitspreek, en wanneer iemand jou één salām brengt, Ik hem tien ṣalawāt schenk?”

Degenen die deze beloning verdienen zijn de mensen uit de ummah van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) die ṣalāh en salām over hem uitspreken. De betekenis van het ontvangen van tien ṣalawāt en tien salāms in ruil daarvoor dat hun beloning en hun bloning (ajr) tienvoudig worden gegeven.

De engel zei dit om Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het verheugende nieuws te brengen dat de aan hem gedane belofte daadwerkelijk in vervulling zal gaan, zoals Allahu (تعالى) zei: وَلَسَوۡفَ يُعۡطِيكَ رَبُّكَ فَتَرۡضَىٰٓ ٥En jouw Heer zal jou zeker gunsten schenken, zodat jij tevreden zult zijn. (ad-Duḥā 93:5)

Ook wij zeggen:

“Ṣalāh en salām zij over sayyidunā, Nabīunā, shafi`unā (voorspraak/bemiddelaar), habībunā, Muḥammad (صلى الله عليه وسلم), over zijn familie, zijn metgezellen en degenen die van hem houden. O onze Rab, maak hem voor ons tot een voorspraak/bemiddelaar en red ons door zijn voorspraak (shafa`ah) van de bestraffing van Jahannam. Āmīn.”

De ḥadīth over het verheugende nieuws dat aan de Moeder van de mu’mins, Khadījah (رضي الله عنها), een huis in Jannah werd gegeven.

Deze ḥadīth is door al-Bukhārī overgeleverd in deel 9, p. 144, in Kitāb at-Tawḥīd, in het hoofdstuk betreffende de āyah met de betekenis: “Zij willen het Woord van Allāh veranderen.”

286. Van Zuheyr ibn Ḥarb, van Ibn Fuḍayl, van Abū ʿUmārah, van Abū Zurʿah, en deze van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): hij zei: (Jibrī ( عليه السلام)zei) “Daar komt Khadījah aan met een schaal waarin eten of drinken zit. Breng haar de salām van haar Rab over en geef haar het verheugende nieuws van een huis van parels in Jannah, waarin geen lawaai en geen onrust/ vermoeidheid aanwezig zal zijn.”

Deze ḥadīth is eveneens door al-Bukhārī overgeleverd in Kitāb al-Manāqib, in het hoofdstuk: “Het huwelijk van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) met Khadījah (رضي الله عنها) en haar voortreffelijkheid.”

287. Van Qutaybah ibn Saʿīd, van Muḥammad ibn Fuḍayl, van ʿUmārah, van Abū Zurʿah, dat Abū Hurayrah (رضي الله عنه) zei: “Jibrīl (عليه السلام) kwam naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei: ‘O Rasûlullāh, daar komt Khadījah aan met een schaal waarin eten of drinken (proviand) zit. Wanneer zij bij jou komt, breng haar dan de salām over van haar Rab en van mij, en geef haar het verheugende nieuws van een huis van parels in Jannah, ver verwijderd van lawaai en onrust/ vermoeidheid.”

al-Bukhārī heeft in het hoofdstuk: “De voortreffelijkheden van Khadījah (رضي الله عنها) en het verheugende nieuws van een huis in Jannah”, twee afzonderlijke overleveringen van deze ḥadīth vermeld met een overleveringsketen die teruggaat tot ʿĀʾishah (رضي الله عنها).

Daarnaast heeft zij van Abū Awfā (رضي الله عنه), zonder de vermelding van de salām, enkel het gedeelte overgeleverd waarin zij het verheugende nieuws van een huis in Jannah ontvangt.

Het verheugende nieuws dat aan Khadījah (رضي الله عنها) werd verkondigd

Khadījah (رضي الله عنها) kreeg het verheugende nieuws van een huis van parels in Jannah, waarin noch lawaai en noch vermoeidheid is. Want toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de mensen uitnodigde tot de Islām, accepteerde zij deze dīn zonder enig bezwaar en zonder problemen te veroorzaken. Integendeel, zij verlichtte alle vermoeidheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en stond hem bij in zijn eenzaamheid. Daarom heeft het huis in de Jannah eigenschappen gekregen die passend zijn bij de hoedanigheid die het draagt.

(Overgeleverd uit de Sharḥ van Al-Qasṭallānī, deel 10, p. 435, citerend van As-Suhaylī)

Al-Qasṭallānī zegt ook in het hoofdstuk betreffende het huwelijk van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Volgens wat door At-Ṭabarānī is overgeleverd, bracht Jibrīl (عليه السلام) dit nieuws aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) terwijl hij zich in de grot Ḥirāʾ bevond.

De twijfel in de uitdrukking “eten of drinken” die in de ḥadīth voorkomt, behoort toe aan de overleveraar. Dat wil zeggen: de overleveraar kon zich niet exact herinneren of er “eten” of “drinken” was gezegd en vermeldde het daarom op deze wijze.

Volgens de toevoeging in de genoemde overlevering van At-Ṭabarānī zei Khadījah (رضي الله عنها), toen deze salām aan haar werd overgebracht: “As-Salām is Hijzelf, en as-Salām komt van Hem. En ook over Jibrīl zij as-salām.”

Volgens een toevoeging in de overlevering van An-Nasāʾī zei zij ook: “O Rasûlullāh, moge as-salām, de raḥmah en de barakāt van Allāh ook over jou zijn.”

Toen Khadījah (رضي الله عنها) de salām van Allāhu (تعالى) beantwoorde, prees zij Hem eerst. Vervolgens maakte zij onderscheid tussen de uitdrukking die gebruikt moet worden voor Allāhu (تعالى) en de uitdrukking die gebruikt wordt voor anderen dan Hem. Dit toont op zeer duidelijke wijze haar voortreffelijkheid in kennis en begrip aan.

Het behoorde eveneens tot de bijzondere eigenschappen van Khadījah (رضي الله عنها) dat zij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nooit ongehoorzaam is geweest en hem nooit boos heeft gemaakt. Daarom werd het huis dat haar in Jannah werd beloofd voorzien van eigenschappen die passend zijn bij haar daden.

Al-Qasṭallānī zei: “Deze ḥadīth is mursal, dat wil zeggen: zij behoort tot de mursal-overleveringen van de Ṣaḥābah.

Want Abū Hurayrah (رضي الله عنه) heeft Khadījah (رضي الله عنها) niet gezien en haar tijd niet meegemaakt.”De mursal-overleveringen van de Ṣaḥābah worden aanvaard. Want meestal zijn zij afkomstig van een andere Ṣaḥābī.

(Een mursal-ḥadīth is een ḥadīth waarbij de Ṣaḥābī, de eerste overleveraar die de ḥadīth van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hoorde, wordt overgeslagen, zodat het lijkt alsof de ḥadīth rechtstreeks van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) is overgeleverd. Een “mursal van een Ṣaḥābī” betekent dat een Ṣaḥābī een ḥadīth die hij van een andere Ṣaḥābī heeft gehoord overlevert alsof hij die rechtstreeks van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gehoord, zonder de naam van de eerste overleveraar te noemen.)

Hier heeft Abū Hurayrah (رضي الله عنه), aangezien hij de tijd van Khadījah (رضي الله عنها) niet heeft meegemaakt, deze ḥadīth noodzakelijkerwijs van een andere Ṣaḥābī moeten hebben vernomen. De vertaler.)

Er is overgeleverd dat ʿĀʾishah (رضي الله عنها) zei: “Ik heb nooit jaloezie gevoeld tegenover een vrouw ten aanzien van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zoals ik dat voelde tegenover Khadījah (رضي الله عنها). Zij was overleden voordat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) met mij trouwde. Maar telkens wanneer ik an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hoorde spreken over haar toestand en over het feit dat Allāhu (تعالى) had bevolen dat zij met het verheugd nieuws van een huis van parels in de Jannah, moest worden vermeld, voelde ik jaloezie.”

Tweede overlevering

ʿĀʾishah (رضي الله عنها) zei: “Ik ben nooit jaloers geweest op een vrouw ten aanzien van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zoals ik jaloers was op Khadījah (رضي الله عنها), vanwege het vele noemen van haar door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) trouwde met mij drie jaar na haar overlijden. Jibrīl (عليه السلام) vroeg hem om Khadījah (رضي الله عنها) het verheugende nieuws te geven van een huis van parels in de Jannah.”

De overlevering van ʿAbdullāh ibn Abī Awfā (رضي الله عنه) luidt als volgt: Ismāʿīl ibn Khālid zei: “Ik vroeg aan ʿAbdullāh ibn Abī Awfā: ‘Heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) Khadījah (رضي الله عنها) verheugd nieuws gegeven?’ Hij antwoordde: ‘Ja, van een huis van parels waarin geen lawaai en geen vermoeidheid is.”

Al-Qasṭallānī zegt dat deze ḥadīth in de hoofdstukken over de ʿumrah uitgebreider wordt overgeleverd.

32. Ahadith betreffende oprechtheid in daden, de afkeuring van pronken (riyāʾ) en het nalaten van de plicht om van het kwaad af te houden.

De ḥadīth: “Ik ben Degene Die het verst verwijderd is van deelgenoten”

Deze ḥadīth is door Muslim ibn al-Ḥajjāj overgeleverd in zijn Ṣaḥīḥ, volgens de verwijzing van Al-Qasṭallānī, deel 10, p. 443, in het hoofdstuk: “Het verbod op riyāʾ.”

288. Van Zuheyr ibn Ḥarb, van Ismāʿīl ibn Ibrāhīm, van Rūḥ ibn al-Qāsim, van al-ʿAṭāʾ ibn ʿAbdur-Raḥmān ibn Yaʿqūb, van zijn vader, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh تبارك وتعالى zegt: ‘Ik ben Degene Die het verst verwijderd is van deelgenoten. Wie een daad verricht voor Mij, maar daarin iemand anders naast Mij als deelgenoot neemt, dan laat Ik hem alleen achter met degene die hij als deelgenoot heeft genomen.”

Deze ḥadīth is door Ibn Mājah in zijn Sunan, deel 2, p. 285, in het hoofdstuk: “Het verlangen naar uiterlijk vertoon en gehoord worden”, via twee verschillende overleveringen vermeld:

289. De eerste: Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh عز وجل zegt: ‘Ik ben Degene Die het verst verwijderd is van deelgenoten. Wie een daad verricht voor Mij, maar daarin iemand anders naast Mij als deelgenoot neemt, distantieer Ik mij van hem. Zijn daad behoort toe aan degene die hij als deelgenoot heeft genomen.”

290.Tweede overlevering: Van een van de Ṣaḥābah, Abū Saʿd ibn Abī Faḍālah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer Allāh (تعالى) op de Yawm al-Qiyāmah, waarvan de komst ongetwijfeld zal plaatsvinden, de eersten en de laatsten bijeenbrengt, zal een omroeper uitroepen: ‘Wie in een daad die hij voor Allāh verrichtte iemand anders naast Allāh als deelgenoot nam, laat hem zijn beloning dan zoeken bij diegene naast Allāh. Want Allāh is Degene Die het verst verwijderd is van deelgenoten.”

Uitleg van de 288 – 290 ahadith

De betekenis van het feit dat Allāhu (تعالى) geen deelgenoot accepteert in de daad van een dienaar, is het volgende: wanneer iemand een daad verricht voor Allāh én tegelijkertijd voor iemand anders, dan accepteert Allāh die daad niet. Hij laat hem over aan degene die hij als deelgenoot heeft genomen. Zoals gezegd wordt: “Laat hem de beloning van zijn daad dan zoeken bij iemand anders dan Allāh.” Hiermee wordt bedoeld dat de daad van degene die handelt uit riyāʾ (pronken/uiterlijk vertoon) waardeloos is. Hij krijgt er geen beloning voor. Integendeel, hij begaat daarmee een zonde. Want hij verricht zijn daad niet met oprechtheid (ikhlāṣ). Terwijl ikhlāṣ een voorwaarde is voor ʿibādah. Allāhu (تعالى) zegt in de Qurʾān al-Karīm:وَمَآ أُمِرُوٓاْ إِلَّا لِيَعۡبُدُواْ ٱللَّهَ مُخۡلِصِينَ لَهُ ٱلدِّينَ حُنَفَآءَ وَيُقِيمُواْ ٱلصَّلَوٰةَ وَيُؤۡتُواْ ٱلزَّكَوٰةَۚ وَذَٰلِكَ دِينُ ٱلۡقَيِّمَةِ ٥En hen werd niets anders bevolen dan Allāh met zuivere aanbidding te aanbidden, oprecht zijnde in gehoorzaamheid jegens Hem. En (ook) het gebed te verrichten en de zakaat te geven en dat is de juiste godsdienst (dīn). (al-Bayyinah 98:5)

Riyāʾ in daden is verborgen polytheïsme (shirk) . De shayṭān vindt daardoor een weg om de daad ongeldig te maken en de persoon van beloning te beroven.

Ikhlāṣ is de rûh van de ʿibādah. Een daad van aanbidding zonder ikhlāṣ is als een lichaam dat zijn rûh verloren heeft. En een lichaam zonder rûh brengt geen enkel nut voort behalve dat het een stinkend karkas wordt dat mensen hindert met zijn walgelijke geur.

Een daad wordt gezuiverd en gereinigd door ikhlāṣ. Daardoor ziet de eigenaar van die daad de vruchten ervan. Een daad kan zelfs een licht worden dat straalt op het gezicht van een persoon. De zoetheid ervan wordt gevoeld in zijn woorden. Zijn woorden beïnvloeden degenen die luisteren. De luisteraars handelen naar wat hij zegt en de afgedwaalde mensen vinden daardoor de juiste weg. Want wanneer de woorden uit het hart van degene die spreekt komen, bereiken zij de harten van degenen die luisteren. Maar wanneer zij slechts van de tong komen uit verlangen naar uiterlijk vertoon, bereiken zij vanuit de oren het hart niet.

Zij blijven dan slechts beperkt tot de plaats die overeenkomt met hun uiterlijke oorsprong.

De oren bevinden zich immers op hetzelfde niveau als de tong. Dat wil zeggen: wat van de tong komt, bereikt slechts de oren. Maar wat uit de harten komt, bereikt de harten. Want de oorsprong ervan is het hart en daarom reikt het tot de plaats die daarmee overeenkomt.

Vanuit het punt dat op gelijke hoogte ligt met de plaats van uitgang kan men alleen omhoog komen via een andere verheffende factor. (Uit de Sharḥ van An-Nawawī op Ṣaḥīḥ Muslim.)

O Allāh, schenk ons ikhlāṣ in woorden en in daden. Āmīn.

De ḥadīth met betrekking tot de uitspraak van Allahu Ta`ala: إِنَّ ٱلۡمُنَٰفِقِينَ يُخَٰدِعُونَ ٱللَّهَ وَهُوَ خَٰدِعُهُمۡ Waarlijk, de hypocrieten proberen Allāh te misleiden en Hij vergeldt hun (misleiding)… (Nisā’, 4:142)

Deze ḥadīth is door At-Tirmidhī overgeleverd in zijn Sunan, deel 2, p. 65, in Kitāb al-Fitan, zonder hoofdstuktitel.

291. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Vlak vóór de Qiyāmah zullen er mensen verschijnen die de dīn gebruiken om wereldse voordelen te verkrijgen. Tegenover de mensen dragen zij zachte schapenvachten, hun tongen zijn zoeter dan suiker, maar hun harten zijn als de harten van wolven. Allāh عز وجل zegt over hen:

‘Proberen zij Mij te misleiden of durven ze zich tegen Mij te verzetten? (Ik zweer) bij Mijn Eigen Wezen (Dhāt): Ik zal hen zeker treffen met een fitnah uit hun eigen midden, zó hevig dat zelfs een zachtaardig mens daardoor in verwarring/verbijsterd raakt.”

At-Tirmidhī geeft over de authenticiteit van deze ḥadīth geen verdere uitleg.

At-Tirmidhī vermeldt ook een andere overlevering van deze ḥadīth via ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما), en zegt:

292. Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) zegt: “Ik heb mensen geschapen wier tongen zoeter zijn dan honing, maar wier harten bitterder zijn dan aloë vera (ṣabr-kruid). Ik heb bij Mijn Eigen Wezen (Dhāt) gezworen dat Ik hen zeker zal treffen met een fitnah waardoor zelfs de zachtaardigen onder hen verbijsterd/verward zullen raken. Proberen zij Mij te misleiden of durven ze zich tegen Mij te verzetten?”At-Tirmidhī vermeldt dat deze ḥadīth ḥasan gharīb is.

Uitleg van de 291 - 292 ahadith

Met de woorden: “Zij dragen tegenover de mensen zachte schapenvachten” wordt bedoeld dat deze mensen uiterlijk heel vriendelijk en zachtmoedig uitzien. Er wordt vermeld dat hun innerlijk gevuld zal zijn met gedachten van slechtheid.

Deze mensen dragen in hun hart geen liefde voor de dienaren van Allāh. Zij houden slechts van hun eigen nafs. Met vriendelijkheid en zachtheid proberen zij de mensen te misleiden. Hun doel daarbij is het verkrijgen van wereldse belangen. Tegelijkertijd proberen zij met hun fraaie uiterlijk en verzorgde voorkomen respect en aanzien bij de mensen te verkrijgen.

De betekenis van de woorden: “Proberen zij Mij te misleiden?” is het volgende:

“Worden zij moedig doordat Ik uit barmhartigheid hun bestraffing uitstel?”

Terwijl Ik al-Jabbār ben, Mijn bestraffing is zwaar en Ik neem wraak; ik laat het kwaad van de kwaadwillenden niet zomaar voorbijgaan, en als Ik straf, dan straf Ik hard.Het feit dat Ik hun in deze wereld uitstel geeft en hun bestraffing vertraagt, mag hen niet misleiden. Hun schaamteloze brutaliteit en het onrecht dat zij daardoor plegen, zullen niet ongestraft blijven.

De woorden van Allāhu (تعالى): “(Ik zweer) bij Mijn Eigen Wezen (Dhāt)” betekenen:

“Ik zweer bij Mijn Eigen Eenheid. Deze eed komt alleen Mij toe; niemand anders is daaraan waardig.” Daarom is het niet toegestaan dat iemand zweert bij iets anders dan Allāh, zelfs al is datgene volgens de mensen eerbiedwaardig of heilig.

Zo zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “O mensen! Zweer niet bij jullie vaders. Wie wil zweren, laat hem dan in naam van Allāh zweren of dat hij afziet van zweren.”

Volgens de tweede overlevering maakt Allāhu (تعالى) bekend dat Hij de genoemde mensen wegens hun slechte daden zal treffen met een fitnah die zelfs de zachtaardigen onder hen verbijsterd/verward zal achterlaten. Dat wil zeggen: vanwege de hevigheid en de schokkende aard van die fitnah zullen mensen met gevoelige harten in verwarring raken.

Er wordt duidelijk gemaakt dat Allāhu (تعالى) hen vanwege hun slechte daden in dwaling zal laten en dat zij zo de vruchten van hun eigen daden zullen oogsten. Als zij oprecht (ikhlāṣ) voor Allāh waren geweest, dan zou Allāhu (تعالى) hen naar de juiste weg hebben geleid.

En Allāh weet het het beste.De ḥadīth betreffende de Woorden van Allāhu (تعالى):وَمَا يَذۡكُرُونَ إِلَّآ أَن يَشَآءَ ٱللَّهُۚ هُوَ أَهۡلُ ٱلتَّقۡوَىٰ وَأَهۡلُ ٱلۡمَغۡفِرَةِ ٥٦En zij trekken er geen lering uit, tenzij Allāh het wil. Hij is het Die vrees toekomt en Hij is het Die het toekomt om te vergeven. (al-Muddaththir 74:56)

Deze ḥadīth is door Ibn Mājah overgeleverd in zijn Sunan, in het hoofdstuk: “Degenen die op de Yawm al-Qiyāmah hopen op de barmhartigheid van Allāh.”

293. Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) reciteerde eerst de āyah:وَمَا يَذۡكُرُونَ إِلَّآ أَن يَشَآءَ ٱللَّهُۚ هُوَ أَهۡلُ ٱلتَّقۡوَىٰ وَأَهۡلُ ٱلۡمَغۡفِرَةِ ٥٦En zij trekken er geen lering uit, tenzij Allāh het wil. Hij is het Die vrees toekomt en Hij is het Die het toekomt om te vergeven. (al-Muddaththir 74:56)Daarna zei hij:“Allāh عز وجل zegt:”Ik ben Degene Die het meest waard is om gevreesd te worden. Naast Mij mag geen andere godheid (ilāh) genomen worden. Wie zich ervoor behoedt naast Mij een andere ilāh te nemen, voor hem ben Ik de Vergevende.”

Uitleg van de 293ste ḥadīth

Volgens hetgeen in de ḥadīth vermeld wordt, reciteerde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) eerst de āyah: “En zij trekken er geen lering uit, tenzij Allāh het wil. Hij is het Die vrees toekomt en Hij is het Die het toekomt om te vergeven.” (zie hierboven: al-Muddaththir 74:56)

Dat wil zeggen: Allāhu (تعالى) is de Bezitter van de zware bestraffing, al-Jabbār en al-Qahhār. Hij is machtig over alles wat Hij wil. Daarom is Hij Degene Die het meest waard is om gevreesd te worden en voor Wie men zich het meest behoort te behoeden.

Zich beschermen tegen de bestraffing en de toorn van Allāh gebeurt door handelingen die de mens behoeden voor Zijn straf en Zijn toorn/woede. Deze bescherming bestaat uit het geloven in de Tawḥīd, het aanbidden van Allāh met ikhlāṣ en het hart uitsluitend op Hem te richten.

Zoals in deze ḥadīth wordt vermeld, zegt Al-Ḥaqqu (تعالى): “Ik ben Degene Die het meest waard is om gevreesd te worden. Naast Mij mag andere geen godheid (ilāh) genomen worden.”

Bescherming tegen de bestraffing van Allāh wordt slechts verkregen door te geloven in de Eenheid van Allāh (Tawḥīd) en dit geloof te bevestigen (met het hart).

Allāh vergeeft niet dat er deelgenoten (shirk) aan Hem worden toegekend, maar andere zonden dan deze kan Hij vergeven wanneer Hij wil.

Daarom zegt Allāhu (تعالى): …Hij is het Die vrees toekomt en Hij is het Die het toekomt om te vergeven. (zie hierboven: al-Muddaththir 74:56)Dat wil zeggen: “Wie zichzelf beschermt tegen de bestraffing door naast Mij geen andere godheid (ilāh) te nemen, die heeft Mijn vergeving verdiend. Ik ben voor hem de Vergevende.”

Want Hij is de Bezitter van goedheid en edelmoedigheid. In Zijn Boek heeft Hij immers gezegd:هَلۡ جَزَآءُ ٱلۡإِحۡسَٰنِ إِلَّا ٱلۡإِحۡسَٰنُ ٦٠Is er een beloning voor het goede anders dan het goede? (ar-Raḥmān 55:60)

Allāh vergeeft de zonden van degenen die zondigen. Vergevingsgezindheid behoort tot de Eigenschappen van Allāh. Want vergeving is een van de hoogste vormen van goedheid en barmhartigheid. Zijn barmhartigheid (raḥmah) heeft Zijn toorn (ghaḍab) overwonnen.

O Allāh, Wij vragen U onze zonden te vergeven, onze fouten te bedekken en onze slechte daden te verhullen. Tevens vragen wij U ons leven te laten eindigen met geloof (īmān), zodat wij samen mogen zijn met de anbiyā (عليهم السلام), de ṣiddīqīn, de shuhadāʾ, de ṣāliḥīn en degenen aan wie U Uw gunsten heeft geschonken.

O Allāh, alle lof behoort aan U toe, U bent de Rab van de werelden. Ṣalāh en salām zij over sayyidinā Muḥammad (صلى الله عليه وسلم), over zijn familie en zijn ashāh.

De ḥadīth: “De eerste mens over wie op de Yawm al-Qiyāmah geoordeeld zal worden”

Deze ḥadīth is door Muslim ibn al-Ḥajjāj overgeleverd in zijn Ṣaḥīḥ, in Kitāb al-Jihād, in het hoofdstuk: “Wie jihād verricht voor uiterlijk vertoon en om gehoord te worden, verdient de Jahannam.”

294. Van Yaḥyā ibn Ḥabīb al-Ḥārithī, van Khālid ibn al-Ḥārith, van Ibn Jurayj, van Yūnus ibn Yūsuf, van Sulaymān ibn Yasār: De mensenmenigte rondom Abū Hurayrah (رضي الله عنه) ging uiteen (nadat zij naar hem hadden geluisterd). Daarna trad een man uit de bevolking van Shām naar voren, en zei: “O Shaykh, vertel mij een ḥadīth die jij van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hebt gehoord.”

Daarop zei Abū Hurayrah (رضي الله عنه): “Ja, ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: ‘De eerste persoon over wie op de Yawm al-Qiyāmah geoordeeld zal worden, is een man die als martelaar (shahīd) werd gedood. Allāhu (تعالى) zal hem Zijn gunsten laten zien en hij zal ze herkennen.

Allāhu (تعالى) zal zeggen: “Wat heb jij gedaan met (al) deze gunsten?”

Hij zal antwoorden: “Ik streed op Uw weg totdat ik als shahīd werd gedood.”

Daarop zal Allāhu (تعالى) zeggen: “Jij liegt. Jij vocht slechts zodat men zou zeggen: ‘Wat een moedige man.’ En dat werd inderdaad gezegd.”

Daarna zal bevolen worden dat hij op zijn gezicht wordt voortgesleept totdat hij in Jahannam wordt geworpen.

Ook een man die kennis (`ilm) heeft vergaard en onderwezen en de Qurʾān heeft gereciteerd, behoort ook tot de eersten die ter verantwoording worden geroepen. Ook hij zal gebracht worden.

Allāhu (تعالى) zal hem Zijn gunsten laten zien en hij zal ze herkennen.

Daarop zal Allāh zeggen: “Wat heb jij hiermee gedaan?”

Hij zal antwoorden: “Ik vergaarde kennis, onderwees die en reciteerde de Qurʾān omwille van Uw welbehagen.”

Daarop zal Allāhu (تعالى) zeggen: “Jij liegt. Jij vergaarde kennis zodat men jou een geleerde zou noemen. En jij reciteerde de Qurʾān zodat men zou zeggen: ‘Die man reciteert veel Qurʾān.’ En dat werd inderdaad gezegd.”

Daarna zal bevolen worden dat hij op zijn gezicht wordt voortgesleept en vervolgens in Jahannam wordt geworpen.

Daarna zal een man gebracht worden aan wie Allāhu (تعالى) in het wereldse leven ruime voorzieningen en allerlei soorten bezittingen/rijkdom had geschonken.

Allāhu (تعالى) zal hem Zijn gunsten laten zien en hij zal ze herkennen.

Al-Ḥaqq (تعالى) zal zeggen: “Welke daden heb jij hiermee verricht?”

Hij zal antwoorden: “Ik heb gespendeerd op al de manieren waarop U graag ziet dat er wordt uitgegeven, zonder er ook maar één van over te slaan.”

Daarop zal Allāhu (تعالى) zeggen: “Jij liegt. Jij gaf slechts uit zodat men zou zeggen: ‘Wat een vrijgevig man.’ En dat werd inderdaad gezegd.”

Daarna zal bevolen worden dat hij op zijn gezicht wordt voortgesleept en vervolgens in Jahannam wordt geworpen.”

Muslim ibn al-Ḥajjāj heeft ook een andere overlevering van deze ḥadīth via Sulaymān ibn Yasār vermeld. In deze tweede overlevering wordt echter, in plaats van de woorden “de mensenmenigte rondom Abū Hurayrah (رضي الله عنه) ging uiteen”, een woord gebruikt dat de betekenis heeft van “zij weken uiteen” of “zij trokken zich terug”.

Daarnaast wordt in plaats van de uitdrukking “Naṭīlu ahli’sh Shām” gezegd: “Naṭīl ash-Shām”. De overige gedeelten zijn hetzelfde.

An-Nasāʾī heeft deze ḥadīth in zijn Sunan overgeleverd in het hoofdstuk:“De toestand van degene die strijdt zodat men zegt: ‘Deze man is moedig.’”

295. Van Sulaymān ibn Yasār van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), met een tekst die sterk lijkt op de versie van Muslim ibn al-Ḥajjāj.

In zijn overlevering gebruikt hij echter, in plaats van de uitdrukking “Naṭīlu ahli’sh Shām”, de woorden “een man uit de mensen van Shām”, wat vrijwel dezelfde betekenis heeft.

Daarnaast begint de ḥadīth in de overlevering van An-Nasāʾī met:

“De eersten onder de mensen die op de Yawm al-Qiyāmah ter verantwoording zullen worden geroepen zijn drie personen: de eerste is een man die als shahīd gestorven is...” waarna de ḥadīth verdergaat.

An-Nawawī zegt: Met “een man uit de bewoners van Shām kwam naar voren en vroeg” wordt Naṭīl ibn Qays al-Hudhāmī ash-Shāmī bedoeld. Hij behoorde tot de bewoners van Palistina.

Hij behoorde tot de Tābiʿīn, terwijl zijn vader tot de Ṣaḥābah behoorde. Naṭīl was een van de vooraanstaanden van zijn volk.

Ook At-Tirmidhī heeft deze ḥadīth in zijn Sunan overgeleverd in het hoofdstuk:“Riyāʾ en het verlangen om gehoord te worden.”

296. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer de Yawm al-Qiyāmah aanbreekt, zal Allāh تبارك وتعالى (met de eigenschap van Rechtvaardigheid) nederdalen om tussen Zijn dienaren te oordelen. Iedere ummah zal geknield zijn.

De eersten die voor de afrekening geroepen worden, zijn:- een man die de Qurʾān heeft verzameld (uit het hoofd geleerd),- een man die gedood werd op weg van Allāh,- en een man aan wie veel rijkdom gegeven was.

Allāhu (تعالى) zal tegen degene die veel Qurʾān reciteerde zeggen: ‘Heb Ik jou niet het Boek geleerd dat Ik aan Mijn Nabī heb geopenbaard?’

De man zal antwoorden: ‘Jawel, mijn Rab.’

Allāhu (تعالى) zal zeggen: ‘Wat heb jij gedaan met wat jij geleerd hebt?’

De man zal antwoorden: ‘Mijn Rab, ik verrichtte ermee ṣalāh gedurende de nacht en de dag, met wat ik van de Qur’ān had geleerd.’

Daarop zal Allāhu (تعالى) zeggen: ‘Jij liegt.’

Ook de engelen zullen zeggen: ‘Jij liegt.’

Allāhu (تعالى) zal zeggen: ‘Jij verlangde er slechts naar dat men over jou zou zeggen: “Deze man reciteert veel Qurʾān.” En dat werd inderdaad gezegd.’

Daarna wordt degene gebracht aan wie overvloedige rijkdom was gegeven.

Allāhu (تعالى) zal tegen hem zeggen: ‘Heb Ik jouw levensonderhoud niet zó ruim gemaakt dat jij niemand nodig had?’

Hij zal antwoorden: ‘Jawel, mijn Rab.’

Daarop zal Al-Ḥaq (تعالى) zeggen: ‘Welke goede daden verrichtte jij met hetgeen Ik jou gaf?’

De man zal antwoorden: ‘Ik onderhield de familiebanden en gaf ṣadaqah.’

Daarop zal Allāhu (تعالى) zeggen: ‘Jij liegt.’

Ook de engelen zullen tegen hem zeggen: ‘Jij liegt.’

Allāhu (تعالى) zal zeggen: ‘Integendeel, jij wilde slechts dat men zou zeggen: “Deze man is vrijgevig.” En dat werd inderdaad gezegd.’

Vervolgens wordt degene gebracht die op de weg van Allāh werd gedood.

Al-Ḥaq (تعالى) zal hem vragen: ‘Waarom werd jij gedood?’

De man zal antwoorden: ‘Mij werd bevolen jihād op Uw weg te verrichten, daarom streed ik totdat ik gedood werd.’

Daarop zal Allāhu (تعالى) zeggen: ‘Jij wilde slechts dat men over jou zou zeggen: “Deze man is moedig.” En dat werd inderdaad gezegd.”

Abū Hurayrah (رضي الله عنه) zei: “Daarna sloeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op mijn knieën en zei: ‘O Abū Hurayrah, deze drie mensen zullen op de Yawm al-Qiyāmah de eersten zijn onder de schepselen van Allāh waarmee de Jahannam zal worden aangewakkerd.”

At-Tirmidhī vermeldt dat deze ḥadīth ḥasan gharīb is.

Uitleg van ahadith 294 – 296

In deze ḥadīth wordt de toestand beschreven van degene die strijdt om gezien en geprezen te worden.

In het boek Ḥayāt al-Qulūb staat: “Weet dat de kern van riyāʾ bestaat uit het verlangen om door middel van daden van aanbidding en goede werken een positie/plaats in de harten van de mensen te verkrijgen. Dit behoort tot de slechte eigenschappen van het hart. Wanneer deze gedachte/intentie aanwezig is in de ʿibādah, komt het erop neer alsof men Allāh daarmee bespot.”Het tegenovergestelde van riyāʾ, dus van uiterlijk vertoon, is ikhlāṣ. Dat betekent dat iemand met zijn daden uitsluitend het welbehagen van Allāh zoekt.In het boek Sharḥ al-Ashbāh van Al-Ḥamawī staat:“Ikhlāṣ is een geheim tussen jou en jouw Rab. Geen engel krijgt er kennis van zodat hij het kan opschrijven. Geen shayṭān kent het evenmin zodat hij het kan vernietigen. Ook de begeerten van de nafs kennen deze zaken niet en worden er daarom niet toe aangetrokken.

Sommige van de vrome voorgangers zeiden: “Een oprecht mens is degene die er niet naar verlangt dat mensen hem prijzen voor zijn daden.”

An-Nawawī (رَحِمَهُ اللهُ) zegt ook: “In de ḥadīth bevindt zich een bewijs dat riyāʾ streng verboden (harām) is. En dat de ernst van de bestraffing ervan op de Yawm al-Qiyāmah duidelijk zal worden. Eveneens bevat de ḥadīth een aansporing tot ikhlāṣ in daden. Allāhu (تعالى) zegt immers:وَمَآ أُمِرُوٓاْ إِلَّا لِيَعۡبُدُواْ ٱللَّهَ مُخۡلِصِينَ لَهُ ٱلدِّينَ حُنَفَآءَ وَيُقِيمُواْ ٱلصَّلَوٰةَ وَيُؤۡتُواْ ٱلزَّكَوٰةَۚ وَذَٰلِكَ دِينُ ٱلۡقَيِّمَةِ ٥En hen werd niets anders bevolen dan Allāh met zuivere aanbidding te aanbidden, oprecht zijnde in gehoorzaamheid jegens Hem. En (ook) het gebed te verrichten en de zakaat te geven en dat is de juiste godsdienst. (Bayyinah, 98:5)

Uit deze ḥadīth blijkt dat de algemene beloften die genoemd zijn betreffende de voortreffelijkheid van jihād, bestemd zijn voor degenen die in hun daden verrichten met ikhlāṣ en enkel voor het welbehagen van Allāh.

Evenzo geldt dat alle lof voor de mensen van kennis en voor degenen die hun bezittingen (en hun lkeven) besteden aan verschillende vormen van goedheid alleen van toepassing is op hen die hun daden verrichten met ikhlāṣ en uitsluitend om het welbehagen van Allāh.

Al-Ghazālī zegt in Iḥyāʾ ʿUlūm ad-Dīn: “Weet dat riyāʾ (uiterlijk vertoon) harām is, en dat degene die handelt om te pronken iemand is die de toorn van Allāh verdient. Dat dit zo is wordt aangetoond door verschillende āyāt, ahādīth en uitspraken van de vrome voorgangers.

Het bewijs uit de Qurʾān is de uitspraak van Allāhu (تعالى):فَوَيۡلٞ لِّلۡمُصَلِّينَ ٤ O wee, voor diegenen die bidden (salāh).

ٱلَّذِينَ هُمۡ عَن صَلَاتِهِمۡ سَاهُونَ ٥ Degenen die onachtzaam zijn met hun salāh.

ٱلَّذِينَ هُمۡ يُرَآءُونَ ٦ Degenen die er een vertoning van maken.

وَيَمۡنَعُونَ ٱلۡمَاعُونَ ٧ En de levensbenodigdheden weigeren. (Māʿūn, 107: 4–7)

Het bewijs uit de ahādīth is dat toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een man werd gevraagd: “O Rasûlullāh, wat is redding?”, antwoordde hij: “Dat de dienaar Allāh gehoorzaamt zonder de aandacht van mensen te willen, (dat wil zeggen: dat hij in zijn aanbidding en goede daden uitsluitend het welbehagen van Allāh zoekt en niet de goedkeuring van mensen).”

Wat betreft de uitspraken van de vrome voorgangers:

Er wordt overgeleverd dat ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه) een man zag die zijn nek gebogen hield om zich nederig te tonen. Hij zei tegen hem: “O jij met die nek, houd je

nek recht. Nederigheid (khushû’) zit niet in de nek, maar in het hart.”

En ʿAlī ibn Abī Ṭālib (رضي الله عنه) zei: “De tekenen van een persoon die riyāʾ verricht zijn: - wanneer hij alleen is, is hij lui;

- wanneer hij onder mensen is, wordt hij actief;

- wanneer hij geprezen wordt, vermeerdert hij zijn daden; en

- wanneer hij bekritiseerd wordt, vermindert hij zijn daden.”

Sommige wijzen hebben gezegd: “Riyāʾ is dat iemand het verrichten van (goede) daden nalaat uit angst dat mensen hem een vertoner zullen noemen.”

En: Daden verrichten voor mensen, dus handelingen die eigenlijk uitsluitend voor Allāh bestemd zijn, maar gedaan worden om de goedkeuring van mensen te verkrijgen, is shirk.

De ḥadīth over het feit dat Allāhu (تعالى) de dienaar op de Yawmu’l Qiyamah ter verantwoording zal roepen met de woorden: “Wat hield jou tegen om op te treden toen jij het kwaad zag?”

Deze ḥadīth is door Ibn Mājah overgeleverd in het hoofdstuk dat verband houdt met de āyah:يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ عَلَيۡكُمۡ أَنفُسَكُمۡۖ لَا يَضُرُّكُم مَّن ضَلَّ إِذَا ٱهۡتَدَيۡتُمۡۚ إِلَى ٱللَّهِ مَرۡجِعُكُمۡ جَمِيعٗا فَيُنَبِّئُكُم بِمَا كُنتُمۡ تَعۡمَلُونَ ١٠٥

O jullie die geloven! Aan jullie (de hoede over) jullie zelf. Als jullie de juiste leiding volgen, kunnen jullie niet gekwetst worden door degenen die dwalen. De terugkeer van jullie allen is tot Allāh, dan zal Hij jullie vertellen over alles wat jullie plachten te doen. (Māʾidah, 5:105)

297. Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) hij zei: “Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: ‘Allāhu (تعالى) zal op de Yawm al-Qiyāmah de dienaar ter verantwoording roepen en zeggen: “Wat hield jou tegen om op te treden toen jij het kwaad zag?”

Wanneer Allāhu (تعالى) de dienaar zijn bewijs inspireert, zal de dienaar zeggen: “O mijn Rab, ik verlangde naar U en ik trok mij terug van de mensen, dat wil zeggen: ik vreesde de mensen.”

298. Ook van Abū Saʿīd (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Laat niemand van jullie zichzelf vernederen.”

De aanwezigen vroegen: “O Rasûlullāh, hoe vernedert iemand zichzelf?”

Hij zei: “Wanneer hij een situatie ziet waarin Allāhu (تعالى) een bevel heeft gegeven om iets te zeggen of recht te zetten, en hij zegt niets.”

Daarna zal Allāhu (تعالى) op de Yawm al-Qiyāmah zeggen: “Wat heeft je ervan weerhouden om hierover zó en zó te spreken?”

Hij zal antwoorden: “Ik werd tegengehouden door mijn angst voor de mensen.”

Daarop zal Allāhu (تعالى) zeggen: “Het was beter geweest dat jij Mij vreesde.”

Deze ḥadīth is eveneens door Ibn Mājah overgeleverd.

De ḥadīth: “Allāh geeft op de Yawm al-Qiyāmah toestemming aan de ummah van Muḥammad om neder te knielen (sajdah).”

299. Van Abū Burdah, van zijn vader (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:“Wanneer Allāhu (تعالى) op de Yawm al-Qiyāmah alle schepselen bijeenbrengt, zal Hij de ummah van Muḥammad toestemming geven om neder te knielen (sajdah). Zij zullen lange tijd in sajdah blijven voor Allāh. Daarna zal tegen hen gezegd worden: ‘Heft jullie hoofden op, Wij hebben jullie (sajdah)-tijd tot losprijs (fidyah) gemaakt (om jullie) te verlossen uit de Jahannam.”

Uitleg van de ahadith 297 – 299

Uit deze ahādīth blijkt dat iemand die het bevel tot het goede (al-amr bi-l-maʿrūf) en het verbieden van het slechte (an-nahy ʿani-l-munkar) nalaat uit angst voor mensen, terecht zal worden berispt. Allāhu (تعالى) is Degene voor Wie men het meest behoort te vrezen, omdat Zijn bestraffing ernstig is. Daarom is het niet correct dat de dienaar zijn plicht om het goede te bevelen en het slechte te verbieden nalaat uit angst voor mensen. Integendeel, hij behoort Allāh te vrezen en juist daarom het goede te bevelen en het slechte te verbieden.

Op die manier blijft hij beschermd tegen de bestraffing die beloofd is voor de onrechtvaardigen. Allāhu (تعالى) zegt immers:وَٱتَّقُواْ فِتۡنَةٗ لَّا تُصِيبَنَّ ٱلَّذِينَ ظَلَمُواْ مِنكُمۡ خَآصَّةٗۖ وَٱعۡلَمُوٓاْ أَنَّ ٱللَّهَ شَدِيدُ ٱلۡعِقَابِ ٢٥En vrees de beproeving die niet alleen degenen die fouten maakt onder jullie zal treffen. En weet dat Allāh streng in de bestraffing is. (Anfāl, 8:25)

En Hij zegt ook:يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ عَلَيۡكُمۡ أَنفُسَكُمۡۖ لَا يَضُرُّكُم مَّن ضَلَّ إِذَا ٱهۡتَدَيۡتُمۡۚ إِلَى ٱللَّهِ مَرۡجِعُكُمۡ جَمِيعٗا فَيُنَبِّئُكُم بِمَا كُنتُمۡ تَعۡمَلُونَ ١٠٥O jullie die geloven! Aan jullie (de hoede over) jullie zelf. Als jullie de juiste leiding volgen, kunnen jullie niet gekwetst worden door degenen die dwalen. De terugkeer van jullie allen is tot Allāh, dan zal Hij jullie vertellen over alles wat jullie plachten te doen.

(Māʾidah, 5:105)

Echter: wanneer men daadwerkelijk het bevel tot het goede en het verbieden van het slechte uitvoert, zal de dwaling van degene die is afgedwaald ons geen schade toebrengen. En Allāh weet het het beste.

33. Wie verlangt naar de ontmoeting met Allāh, voor hem verlangt Allāh eveneens naar de ontmoeting.

Het sturen van de Engel des Doods naar Mūsā (عليه السلام).

300. Deze ḥadīth is door al-Bukhārī overgeleverd in Kitāb at-Tawḥīd, via Abū Hurayrah (رضي الله عنه), waarbij de woorden worden toegeschreven aan Allāhu (تعالى):

“Mijn dienaar, als hij verlangt Mij te ontmoeten, verlang Ik ook hem te ontmoeten. En als hij het niet prettig vindt Mij te ontmoeten, dan vind Ik het niet prettig hem te ontmoeten.”

Volgens Al-Qastallani heeft Al-Bukhari deze ḥadīth ook overgeleverd in deel 9, pagina 195, in Kitāb ar-Riqāq, in het hoofdstuk: “Wie ervan houdt Allāh te ontmoeten, van hem houdt Allāh ook om hem te ontmoeten.”:

301. Van Ḥajjāj, van Hammām, van Qatādah, van Anas ibn Mālik, van Ubadah ibn al-Samit (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie het prettig vindt Allāh te ontmoeten, Allāh vindt het prettig hem te ontmoeten. En wie het niet prettig vindt Allāh te ontmoeten, Allāh vindt het niet prettig hem te ontmoeten.”

Toen zei ʿĀʾishah (رضي الله عنها) of een van de vrouwen van an-Nabī: “Maar wij houden allemaal niet van de dood.”

Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Dat is niet wat bedoeld wordt. Wanneer de mu’min sterft, krijgt hij de blijde tijding van Allāh’s welbehagen en gunst, en dan is niets hem liever dan de dood die hem tegemoetkomt.”Daarom verlangt hij naar de ontmoeting met Allāh, en Allāh verlangt naar zijn ontmoeting.

Maar wanneer de kafīr sterft, wordt hem Allāh’s bestraffing en straf aangekondigd, en dan is niets hem meer verafschuwd dan de dood die hem tegemoetkomt. Daarom wil hij Allāh niet ontmoeten, en Allāh wil hem niet ontmoeten.”

Vervolgens zegt al-Bukhārī ( رَحِمَهُ اللهُ) dat Abū Dāwūd en ʿAmr, namelijk İbnu Marzūq, deze ḥadīth eveneens van Shuʿbah hebben overgeleverd, maar in een kortere versie.

Saʿīd vermeldt in zijn overlevering: Qatādah heeft het overgeleverd van Saʿd, hij van ʿĀʾishah (رضي الله عنها), en zij van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).

302. al-Bukhārī vermeldt vervolgens deze ḥadīth met een overleveringsketen die teruggaat tot Abū Mūsā al-Ashʿarī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:

“Wie het prettig vindt Allāh te ontmoeten, Allāh vindt het prettig hem te ontmoeten.

En wie het niet prettig vindt Allāh te ontmoeten, Allāh vindt het niet prettig hem te ontmoeten.”

In deze twee overleveringen wordt de uitspraak niet expliciet toegeschreven aan Allāhu (تعالى). Hieruit wordt afgeleid dat de ḥadīth niet als ḥadīth al-qudsī wordt beschouwd.

Ook Muslim ibn al-Ḥajjāj heeft deze ḥadīth in zijn Ṣaḥīḥ overgeleverd in Kitāb ad-Daʿawāt, in het hoofdstuk: “Wie het prettig vindt Allāh te ontmoeten, Allāh vindt het prettig hem te ontmoeten”, via verschillende overleveringswegen.

303. Via de keten die teruggaat tot Abū Mūsā al-Ashʿarī (رضي الله عنه), geeft hij dezelfde verkorte versie weer die ook bij al-Bukhārī voorkomt.

Muslim ibn al-Ḥajjāj heeft daarnaast deze ḥadīth ook overgeleverd via Abū Hurayrah (رضي الله عنه) in dezelfde verkorte vorm.

Ook van ʿĀʾishah (رضي الله عنها) worden drie verschillende overleveringen vermeld. De middelste versie luidt:

Van Shurayḥ ibn Hānī, van ʿĀʾishah (رضي الله عنها), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:

“Wie het prettig vindt Allāh te ontmoeten, Allāh vindt het prettig hem te ontmoeten. En wie het niet prettig vindt Allāh te ontmoeten, Allāh vindt het niet prettig hem te ontmoeten. De dood is vóór de ontmoeting met Allāh.”

304. Muslim ibn al-Ḥajjāj overlevert in zijn eerste versie van Saʿd ibn Hishām, van ʿĀʾishah (رضي الله عنها), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie het verlangen heeft Allāh te ontmoeten, Allāh verlangt ook naar zijn ontmoeting. En wie het niet prettig vindt Allāh te ontmoeten, Allāh vindt het niet prettig hem te ontmoeten.”

ʿĀʾishah zei: “Ik vroeg: “O Rasûlullāh, betekent dit dat men de dood niet prettig vindt? Wij houden immers allemaal niet van de dood.”

Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Dat is niet wat er wordt bedoeld. Maar wanneer de mu’min wordt verheugd met de genade, het welbehagen en Jannah van Allāh, dan verlangt hij naar de ontmoeting met Allāh, en Allāh verlangt naar zijn ontmoeting. En wanneer de kāfir wordt geconfronteerd met de bestraffing en toorn van Allāh, dan heeft hij een afkeer van de ontmoeting met Allāh, en Allāh heeft een afkeer van zijn ontmoeting.”

305. In de derde overlevering van Muslim ibn al-Ḥajjāj, via Shurayḥ van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie het prettig vindt Allāh te ontmoeten, Allāh vindt het prettig hem te ontmoeten. En wie het niet prettig vindt Allāh te ontmoeten, Allāh vindt het niet prettig hem te ontmoeten.”

(Een van de overleveraars) Shurayḥ zei:“Toen ik dit hoorde, ging ik naar ʿĀʾishah en zei: O Moeder van de mu’mins, ik heb Abū Hurayrah een ḥadīth horen overleveren van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Als dit waar is, dan zijn wij allen verloren.”

ʿĀʾishah zei: “Wie verloren is gegaan door de woorden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), die is inderdaad verloren gegaan. Wat is er aan de hand?”

Hij zei: “Abū Hurayrah overlevert dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “ Wie Allāh wil ontmoeten, Allāh wil hem ontmoeten; en wie Allāh niet wil ontmoeten, Allāh wil hem niet ontmoeten. Terwijl niemand van ons van de dood houdt.”

Daarop zei ʿĀʾishah: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft dit gezegd, maar niet zoals jij het begrijpt.

Het is zo: Wanneer de ogen opengaan, de borst begint te bewegen, de huid huivert en de vingers zich samentrekken op het moment van de dood, dan, dan geldt: wie op dat moment verlangt naar de ontmoeting met Allāh, naar zijn ontmoeting verlangt Allāh ook; en wie daar een afkeer van heeft, van zijn ontmoeting heeft Allāh eveneens een afkeer.”

Al-Qastallanî ( رَحِمَهُ اللهُ) schrijft: “Deze ḥadīth, die in dit hoofdstuk wordt vermeld, is ook overgeleverd door Muslim in Kitābu’d-Daʿawāt, door at-Tirmidhī in Kitābu’z-Zuhd en Kitābu’l-Janāʾiz, en door an-Nasāʾī eveneens in Kitābu’l-Janāʾiz.

Ṣaḥīḥ Muslim: Kitābu’dh-Dhikr, 17;Jāmiʿ at-Tirmidhī: Kitābu’l-Janāʾiz, 67; Kitābu’z-Zuhd, 6;Sunan an-Nasāʾī: Kitābu’l-Janāʾiz, 10;Ibn Majah in Kitāb az-Zuhd, hoofdstuk 35.)

306. Mālik ibn Anas overlevert in zijn Muwaṭṭaʾ ook een vergelijkbare versie van deze ḥadīth via Abū Hurayrah (رضي الله عنه): “Allāh تبارك وتعالى zei:

“Wanneer Mijn dienaar verlangt Mij te ontmoeten, verlang Ik ook hem te ontmoeten. En wanneer hij een afkeer heeft van Mijn ontmoeting, heb Ik ook een afkeer van zijn ontmoeting.”

Uitleg van de ahadith 302–306

In de ḥadīth staat: “Wie verlangt naar de ontmoeting met Allāh, dan verlangt Allāh ook naar de ontmoeting met hem.”

Al-Khaṭṭābī zegt: “Het verlangen van de dienaar naar de ontmoeting met Allāh”, betekent dat hij het Hiernamaals boven de wereld verkiest, niet verlangt naar lang verblijf in deze wereld en zich voorbereidt op de reis naar het Hiernamaals.

De term “ontmoeting” (liqāʾ) heeft verschillende betekenissen. Het kan onder meer betekenen: het zien (van Allāh), en het kan ook duiden op de opstanding in het Hiernamaals. In de āyah staat: قَدۡ خَسِرَ ٱلَّذِينَ كَذَّبُواْ بِلِقَآءِ ٱللَّهِۖ حَتَّىٰٓ إِذَا جَآءَتۡهُمُ ٱلسَّاعَةُ بَغۡتَةٗ قَالُواْ يَٰحَسۡرَتَنَا عَلَىٰ مَا فَرَّطۡنَا فِيهَا وَهُمۡ يَحۡمِلُونَ أَوۡزَارَهُمۡ عَلَىٰ ظُهُورِهِمۡۚ أَلَا سَآءَ مَا يَزِرُونَ ٣١Degenen die hun ontmoeting met Allāh ontkennen zijn zeker de verliezers, totdat opeens het Uur over hen komt en zij zeggen: “Wee ons voor wat wij (in onze levens) veronachtzaamden” terwijl zij de lasten op hun ruggen zullen dragen; en slecht zijn de lasten die zij dragen! (Anʿām,6:31) betekent liqāʾ de wederopstanding”.

Ibn al-Athīr zegt: “Met liqāʾ wordt bedoeld: zich richten op het Hiernamaals en verlangen naar wat bij Allāh is. Het betekent niet simpelweg de dood zelf, want niemand houdt van de dood. Wie de wereld loslaat en haar niet verkiest, verlangt naar de ontmoeting met Allāh. Wie daarentegen de wereld verkiest en eraan gehecht is, heeft een afkeer van de ontmoeting met Allāh. Wat betreft het feit dat Allāhu (تعالى) de ontmoeting met Zijn dienaar “verlangt”, betekent dit dat Hij goedheid voor hem wil en hem zegent met Zijn gunst”.

In het boek al-Kawākib staat: “Als iemand zegt: “De voorwaarde is niet de oorzaak van de straf, integendeel, het is juist andersom,” dan wordt geantwoord dat zulke overleveringen worden uitgelegd (taʾwīl). Dus: wie verlangt naar de ontmoeting met Allāh, aan hem laat Allāh weten dat Hij ook naar hem verlangt. En hetzelfde geldt voor het niet willen ontmoeten.

ʿĀʾishah (رضي الله عنها), of een van de vrouwen van Rasûlullāh (رضي الله عنهن), zei (Saʿīd ibn Hishām vermeldt in zijn versie zonder twijfel dat het ʿĀʾishah was): “Wij houden allemaal niet van de dood.”

Op het eerste gezicht lijkt het alsof met “ontmoeting met Allāh” de dood bedoeld wordt. Maar in werkelijkheid is dat niet zo, want de ontmoeting met Allāh is iets anders dan de dood.

In een andere overlevering staat: “De dood is vóór de ontmoeting met Allāh,” wat hierop wijst. Maar aangezien de dood een middel is om Allāh te ontmoeten, is de ontmoeting met Allāh ook met de dood aangeduid”.

Hassan ibn al-Aswad zei: “De dood is een brug die de geliefde bij de Geliefde brengt.”

Toen ʿĀʾishah (رضي الله عنها) de eerder genoemde uitspraak aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vertelde, gaf hij als antwoord: “Dat is niet zo. Maar wanneer de dood komt voor de mu’min, wordt hij blij gemaakt met het welbehagen en de goeddoen en weldaad (iḥsān) van Allāh. Op dat moment is niets hem liever dan wat voor hem ligt (namelijk de dood). Dan houdt hij van de ontmoeting met Allāh, en Allāh houdt van zijn ontmoeting.”

In de overlevering van ʿAbdurraḥmān ibn Abī Laylā wordt gezegd: “Wanneer de dood komt bij iemand die tot de dichtbijgebrachten (muqarrabūn) behoort, dan is er voor hem rust, mooie voorziening en Jannah van zegeningen. (Wanneer hij hiermee wordt verblijd), dan verlangt hij naar de ontmoeting met Allāh, en Allāh verlangt meer naar zijn ontmoeting.”

Deze ḥadīth is door Aḥmad ibn Ḥanbal overgeleverd met een sterke overleveringsketen. Het feit dat de naam van de ṣaḥābī in deze specifieke keten niet expliciet wordt genoemd, doet geen afbreuk aan de kracht van de ḥadīth.

(In de overlevering van İbnu Abī Laylā wordt de naam van de ṣaḥābī die de ḥadīth overlevert niet vermeld. Daarin wordt slechts gezegd: “Die-en-die, de zoon van die-en-die, heeft overgeleverd dat hij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het volgende hoorde zeggen.”)

De overlevering vervolgt: “Maar wanneer het een kāfir betreft, dan wordt hij bij de dood bedroefd met de straf en bestraffing van Allāh. Op dat moment is niets hem verafschuwder dan wat voor hem ligt (de dood). Dan heeft hij een afkeer van de ontmoeting met Allāh, en Allāh heeft een afkeer van zijn ontmoeting.”

In een marfūʿ overlevering van ʿAbd ibn Ḥumayd via ʿĀʾishah (رضي الله عنها) staat:

“Wanneer Allāhu (تعالى) goedheid voor een dienaar wil, zendt Hij een helper-engel naar hem een jaar vóór zijn dood. Deze engel helpt hem zijn fouten te verbeteren en hem te laten slagen in goede daden, totdat gezegd wordt: hij is gestorven op het pad van goedheid.

Wanneer de dood hem bereikt en hij zijn beloning ziet, verlangt zijn nafs (naar de dood). Dit is het moment waarop hij verlangt naar de ontmoeting met Allāh, en Allāh verlangt naar zijn ontmoeting.

En wanneer Allāh slechtheid voor een dienaar wil, zendt Hij een jaar vóór zijn dood een shayṭān naar hem. Deze misleidt hem en brengt hem in fitnah, totdat gezegd wordt: hij is gestorven op het pad van slechtheid. Wanneer de dood hem bereikt en hij de straf ziet die voor hem is voorbereid, begint zijn nafs te jammeren. Dit is het moment waarop hij geen verlangen heeft naar de ontmoeting met Allāh, en Allāh geen verlangen heeft naar zijn ontmoeting.” (De uitleg tot hier is overgenomen uit de Sharḥ van al- Qasṭallānī, Kitābu’r-Riqāq, deel 9, blz. 495.)

In de sharḥ van an-Nawawī op Ṣaḥīḥ Muslim wordt eveneens het volgende gezegd (volgens de marginale aantekening van al-Qastallanī, deel 10, blz. 118): “Het einde van deze ḥadīth verduidelijkt het begin ervan en maakt duidelijk wat bedoeld wordt met de aḥadīth die in algemene bewoordingen vermelden: ‘Wie de ontmoeting met Allāh liefheeft…’ en ‘wie de ontmoeting met Allāh verafschuwt…’

Uit de ḥadīth blijkt dat het werkelijk bedoelde afkeer voelen, de afkeer is op het moment waarop de tawbah (terugkeer naar Allāhu (تعالى) door de zonde te verlaten) en de nadāmah (het berouw en de innerlijke spijt) niet meer worden aanvaard, namelijk tijdens het uittreden van de rûh uit het lichaam. Op dat moment wordt iedere mens op de hoogte gebracht van wat hem te wachten staat en van wat Allāhu (تعالى) voor hem heeft voorbereid. De sluier vóór hem wordt weggenomen.

Degenen die tot de mensen van het geluk (saʿādah) behoren, verlangen dan naar de dood en naar de ontmoeting met Allāh, omdat zij uitzien naar de gunsten (iḥsān) die Allāhu (تعالى) voor hen heeft voorbereid. En Allāh verlangt naar hun ontmoeting. Dat wil zeggen: Hij schenkt hun overvloedige goedheid en iḥsān.

De mensen van het ongeluk (shaqāwah), degenen die sterven in de slechtheid, verafschuwen de ontmoeting met Allāh, omdat zij weten hoe slecht hun eindbestemming zal zijn. En Allāh verafschuwt hun ontmoeting. Dat wil zeggen: Hij verwijdert hen van Zijn raḥmah en Zijn iḥsān. Hij wenst voor hen geen barmhartigheid. Dát is de betekenis van het feit dat Allāhu (تعالى) hun ontmoeting niet verlangt.

De betekenis van deze ḥadīth is dus niet dat Allāhs verlangen naar hun ontmoeting of Zijn afkeer daarvan dezelfde betekenis heeft als de verlangens en afkeuren die wij kennen. Zulke toestanden behoren tot de eigenschappen van de mensen.”

Opmerking:In de overleveringen van deze ḥadīth die vermeld zijn in Kitābu’t-Tawḥīd van al-Bukhārī en in de Muwaṭṭaʾ van Imām Mālik, wordt de betekenis rechtstreeks aan Allāhu (تعالى) toegeschreven. Daardoor wordt duidelijk dat het een ḥadīth al-qudsī betreft. In andere overleveringen ontbreekt deze expliciete toeschrijving, waardoor daarin niet duidelijk wordt vermeld dat het een ḥadīth al-qudsī is. Daarom kunnen die overleveringen niet zonder meer als qudsī worden beschouwd. Toch hebben wij het passend geacht ook deze overleveringen te vermelden, zodat het onderwerp volledig duidelijk wordt.

(Bron: de Sharḥ van al-Qasṭallānī, deel 9, blz. 495, Kitābu’r-Riqāq.)

De ḥadīth over het sturen van de Engel des Doods naar Mūsā (عليه السلام)

Deze ḥadīth wordt door al-Bukhārī overgeleverd in Kitāb Badʾ al-Khalq, in het hoofdstuk “Het overlijden van Mūsā (عليه السلام)”:

307. Van Yahyā ibn Mūsā, van ʿAbd ar-Razzāq, van Maʿmar, van Ibn Ṭāwūs, van zijn vader, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), hij zei: “De Engel des Doods werd naar an-nabī Mūsā (عليه السلام) gestuurd. Toen de engel bij hem kwam, duwde hij hem terug. De engel keerde terug naar Allāhu (تعالى) en zei: ‘U hebt mij gestuurd naar een dienaar die de dood niet wil.’

Allāhu (تعالى) zei: ‘Ga naar hem terug en zeg hem dat hij zijn hand op de rug van een os moet leggen; voor elk haar dat zijn hand bedekt, zal zijn levensduur met één jaar worden verlengd.’

Mūsā (عليه السلام) zei: ‘O mijn Rab, wat is er daarna?’

Allāhu (تعالى) zei: ‘De dood.’

Mūsā (عليه السلام) zei: ‘Laat het dan nu gebeuren.’

Daarna vroeg Mūsā (عليه السلام) aan Allāhu (تعالى) om hem dichter bij het heilige land, dus al-Quds (Jeruzalem), te brengen op een afstand van een steenworp.

Abū Hurayrah (رضي الله عنه) zei: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als ik daar was geweest, zou ik jullie zijn graf tonen. Het bevindt zich aan de rand van de weg, onder een rode zandheuvel.”

Van ʿAbd ar-Razzāq aṣ-Ṣanʿānī, van Maʿmar, van Hammām, zegt dat Abū Hurayrah (رضي الله عنه) ons een soortgelijke overlevering van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft overgeleverd, en in die versie is de ḥadīth expliciet aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) toegeschreven. In alle andere overleveringen wordt de ḥadīth als marfūʿ overgeleverd met de formulering: “Abū Hurayrah zei…”, behalve in het laatste gedeelte waarin staat: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: Als ik daar was geweest, zou ik jullie zijn graf tonen. Het bevindt zich aan de rand van de weg onder een rode zandheuvel.”

Deze ḥadīth is door al-Bukhārī ook afzonderlijk overgeleverd in Kitāb al-Janāʾiz, in het hoofdstuk: “Degene die begraven wil worden in het heilige land (Bayt al-Maqdis).” In die overlevering staat:

Van Maḥmūd, van ʿAbd ar-Razzāq, van Maʿmar, van Ibn Ṭāwūs (ʿAbdullāh), van zijn vader, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), die zei: “De Engel des Doods werd naar an-nabī Mūsā (عليه السلام) gestuurd. Mūsā (عليه السلام) duwde hem weg. De engel keerde terug naar Allāhu (تعالى) en zei: ‘U hebt mij gestuurd naar een dienaar die de dood niet wil.’

Daarop stuurde Allāhu (تعالى) hem opnieuw en zei: ‘Ga naar hem terug en zeg hem dat hij zijn hand op de rug van een os moet leggen; voor elk haar dat zijn hand bedekt, wordt zijn leven met één jaar verlengd.’

Mūsā (عليه السلام) zei: ‘O mijn Rab, wat daarna?’

Allāhu (تعالى) zei: ‘De dood.’

Mūsā (عليه السلام) zei: ‘Laat het dan nu zijn.’

Daarop vroeg hij Allāhu (تعالى) om hem dichter bij het heilige land (Bayt al-Maqdis) te brengen, op een afstand van een steenworp. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Als ik daar was geweest, zou ik jullie zijn graf tonen. Het bevindt zich aan de rand van de weg onder een rode zandheuvel.”

Deze ḥadīth is door Muslim overgeleverd in de aantekening in de marge van al-Qastallānī, C.9, p.224, in de hoofdstuk getiteld “Enkele deugden van an-Nabī Mūsā (عليه السلام)”. Daar staat het volgende:

308. Van Muhammad ibn Rāfi‘ en ‘Abd ibn Ḥumayd, van ‘Abdurrazzāq, van Ma‘mar, van Ibn Ṭāwūs, van zijn vader, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), hij zei: “De Engel des Doods werd naar an-Nabī Mūsā (عليه السلام) gestuurd. Toen de engel bij hem kwam, duwde hij hem terug en sloeg zijn oog uit.

De engel keerde terug naar zijn Rab en zei: “U hebt mij naar een dienaar gestuurd die de dood niet wil.” Allāhu (تعالى) gaf hem zijn oog terug en zei: “Ga opnieuw naar hem en zeg hem dat hij zijn hand op de rug van een os moet leggen; voor elk haar dat zijn hand bedekt, krijgt hij één extra jaar van leven.”

An-Nabī Mūsā (عليه السلام) vroeg: “O mijn Rab, wat komt daarna?” Allāhu (تعالى) zei: “Daarna is er de dood.” Daarop zei Mūsā (عليه السلام): “Laat het dan nu zijn.” Hij vroeg Allāhu (تعالى) om hem één steenworp dichter bij het heilige land (Bayt al-Maqdis) te brengen.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Als ik daar was, zou ik zijn graf aan jullie tonen; het ligt bij de weg onder een rode zandheuvel.”

Muslim vermeldt ook een andere overlevering en zegt:

309. Van Muḥammad ibn Rāfi`, van ‘Abdurrazzāq, van Ma‘mar, van Hammām ibn Munabbih, dat dit is wat Abū Hurayrah (رضي الله عنه) ons heeft overgeleverd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Hij noemde daarbij enkele overleveringen, waaronder de volgende:

“De Engel des Doods kwam naar an-Nabī Mūsā (عليه السلام) en zei: ‘Beantwoord de roep van jouw Rab.’ Mūsā (عليه السلام) sloeg het oog van de engel en sloeg zijn oog uit het. De engel keerde terug naar Allāhu (تعالى) en zei: ‘U hebt mij naar een dienaar gestuurd die de dood niet wil; hij sloeg mijn oog uit.’ Allāhu (تعالى) gaf hem zijn oog terug en zei: “Ga naar Mijn dienaar en vraag hem of hij langer wil leven. Zeg hem dat, als hij daarvoor kiest, hij zijn hand op de rug van een os moet leggen; en voor iedere haar die zijn hand bedekt, zal hem één jaar extra leven worden gegeven.”

Mūsā (عليه السلام) vroeg: “Wat komt daarna?” Allāhu (تعالى) zei: “Daarna is de dood.” Daarop zei Mūsā (عليه السلام): “Laat het dan nu zijn; neem mijn leven dichter bij het heilige land, op een steenworp afstand.” Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Bij Allāh, als ik daar was, zou ik jullie zijn graf tonen; het ligt onder de rode zandheuvel langs de weg.”

Muslim vervolgt: van Abū Isḥāq, van Muḥammad ibn Yaḥyā, van ‘Abdurrazzāq, van Ma‘mar, met een soortgelijke versie.

Dit is ook door an-Nasā’ī overgeleverd in C.4, p.118 in Kitāb at-Taʿziya, en zijn versie komt dicht in de buurt van de tweede versie van Muslim.

Uitleg van de ahadith 307 – 309

“De Engel des Doods werd naar an-Nabī Mūsā (عليه السلام) gestuurd.” Dat wil zeggen: Allāhu (تعالى) stuurde de Engel des Doods naar hem in de gedaante van een mens. An-Nabī Mūsā (عليه السلام) was op dat moment 120 jaar oud. Toen de engel in deze vorm bij hem kwam, dacht Mūsā (عليه السلام) dat het een mens was die zonder toestemming zijn huis probeerde te betreden en mogelijk kwaad wilde doen. Daarom sloeg hij hem, op het oog dat hem in die vorm was gegeven omdat hij in menselijke gedaante verscheen. Dit oog stond los van zijn werkelijke engelvorm. Hij sloeg de oog uit.

In de overlevering van Aḥmad ibn Ḥanbal staat: “De Engel des Doods kwam openlijk naar de mensen. Toen hij naar Mūsā (عليه السلام) kwam, sloeg hij hem en sloeg zijn oog uit. De engel keerde terug naar zijn Rab en zei: ‘O mijn Rab, U hebt mij naar een dienaar gestuurd die de dood niet wil.”

Er wordt ook gezegd dat het “uitslaan van het oog” hier een metaforische betekenis heeft. Dat wil zeggen: Mūsā (عليه السلام) ging een discussie met hem aan, verzette zich tegen hem en won in argumentatie. Bij de Arabieren wordt gezegd dat iemand “het oog van zijn tegenstander heeft uitgestoken” wanneer hij hem in debat overwint met sterkere argumenten. Dat wordt versterkt door de overlevering waarin staat dat Allāhu (تعالى) zijn oog weer aan hem teruggaf.

Zoals in de ḥadīth vermeld, werd de engel daarna opnieuw gestuurd. Uiteindelijk, toen Mūsā (عليه السلام) begreep dat de dood onvermijdelijk was, koos hij ervoor om op dat moment te sterven en wilde hij dichter bij Bayt al-Maqdis (Jeruzalem) gebracht worden.

Mūsā (عليه السلام) bevond zich toen in de woestijn en vroeg niet om naar Bayt al-Maqdis zelf te worden gebracht, maar hij wilde in de buurt van Bayt al-Maqdis zijn.” Hij vreesde namelijk dat als zijn graf (in Bayt al-Maqdis zou zijn) beroemd zou worden en dat mensen daardoor in beproevingen (fitan) zouden vallen.

Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) zei: “Als de joden de plaats van het graf van Mūsā (عليه السلام) en Hārūn (عليه السلام) zouden kennen, zouden zij die als twee goden naast Allāh nemen.”

Het graf van Mūsā (عليه السلام) is bekend geworden als een plaats in Eriḥā (Jericho), bij een rode zandheuvel. Eriḥā ligt in Palestina, in het heilige land. Er zijn overleveringen dat boven dat graf verschillende vormen en koepelachtige verschijnselen werden waargenomen.

Al-Qastallānī zegt: Shaykh al-Islām Burhān al-Dīn Ibn Abī Sharīf vertelde mij dat wanneer er (bij het graf van Mūsā (عليه السلام) iets slechts gebeurt, ontstaat er duisternis en onrust en dit blijft totdat het wordt gestopt, waarna het weer opklaart.

Van Wahb ibn Munabbih wordt overgeleverd dat de engelen Mūsā (عليه السلام) begroeven en ook de ṣalāh al-janazah over hem verrichtten. Tot hier is de uitleg gebaseerd op al-Qastallānī’s Sharḥ, C.5, p.387.

Al-Qastallānī zegt in Kitāb al-Janā’iz, hoofdstuk “Degene die begraven wil worden in het heilige land”: Van Wahb wordt ook overgeleverd dat Mūsā (عليه السلام) op weg ging voor een behoefte en een groep engelen tegenkwam die een graf aan het graven waren. Hij zag niets mooiers dan hen en vroeg: “Voor wie graven jullie dit graf?” Zij zeiden: “Wil je dat het voor jou is?” Hij zei: “Ja.” Toen zeiden de engelen: “Ga erin, lig neer en richt je tot jouw Rab.” Mūsā (عليه السلام) deed dat, daarna haalde hij diep opgelucht adem, en Allāhu (تعالى) nam zijn rûh. Daarna bedekten de engelen hem met aarde.

Ook wordt gezegd dat de Engel des Doods hem een appel uit Jannah bracht. Mūsā (عليه السلام) rook aan die appel en zijn rûh werd genomen.

Al-Qastallānī zegt opnieuw in Kitāb al-Janā’iz: “Allāhu (تعالى) stuurde de Engel des Doods naar an-Nabī Mūsā (عليه السلام) in menselijke gedaante om hem te beproeven. Toen de engel in deze vorm kwam, dacht Mūsā (عليه السلام) dat het een echte mens was die zonder toestemming over de muur van zijn huis klom met de bedoeling hem kwaad te doen. Toen hij dichtbij kwam, sloeg hij hem en trok het oog uit van de menselijke gedaante waarin hij verscheen. Dit stond los van zijn engelvorm.

Het is ook mogelijk dat Mūsā (عليه السلام) wist dat het de Engel des Doods was en zich met die klap alleen verdedigde.

De eerste uitleg is echter sterker. Het feit dat de engel kwam om de rûh te nemen zonder hem keuze te laten, ondersteunt deze betekenis. Want het was Mūsā (عليه السلام) eerder bekendgemaakt dat zijn rûh niet zou worden genomen zonder eerst een keuze te krijgen. Daarom zei hij bij de tweede komst, toen hem de keuze werd voorgelegd: “Neem mij dan nu.” (Einde van de uitleg uit de sharḥ van al-Qastallānī)

Wij zeggen: als dit juist is, dan klopt ook de uitleg van degenen die zeggen dat dit metaforisch is bedoeld en dat er in werkelijkheid geen oog is uitgeslagen, maar dat ermee wordt bedoeld dat Mūsā (عليه السلام) in discussie ging en de overhand kreeg met zijn bewijsvoering. Want Mūsā (عليه السلام) voerde een debat en zei: “Hoe kun je mijn rûh nemen zonder mij keuze te geven?” En omdat de anbiyā vóór hun dood een keuze krijgen, was het bewijs van Mūsā (عليه السلام) sterker. Uitleg van de ḥadīth in de Sharḥ Ṣaḥīḥ Muslim van an-Nawawī (in de aantekening in de marge van al-Qastallānī, C.9, p.224): Mūsā (عليه السلام) vroeg om dichter bij Bayt al-Maqdis gebracht te worden vanwege de eer van die plaats en omdat daar anbiyā en geleerden begraven lagen.

Sommige geleerden zeiden dat Mūsā (عليه السلام), ondanks zijn wens om dichter bij Bayt al-Maqdis te komen, niet in Bayt al-Maqdis zelf wilde, uit angst dat zijn graf beroemd zou worden en mensen daardoor in fitnah zouden vallen.

Hieruit blijkt ook dat het aanbevolen (mustaḥab) is om begraven te worden in heilige en gezegende grond en op plaatsen waar de graven van rechtschapen mensen liggen. Allāh weet het het beste.

Al-Māfarī zegt: sommige atheïsten (mulḥidūn) hebben deze ḥadīth en de betekenis ervan ontkend. Zij zeiden: “Hoe kan Mūsā het oog van de Engel des Doods uitslaan?” Geleerden hebben hierop op verschillende manieren geantwoord:

Ten eerste: het is niet onmogelijk dat Allāhu (تعالى) Mūsā (عليه السلام) toestemming gaf om dit te doen. Dit kan een beproeving zijn voor degene die werd getroffen.

Allāh doet met Zijn schepping wat Hij wil en beproeft hen zoals Hij wil.

Ten tweede: deze handeling is metaforisch bedoeld. De betekenis is dat Mūsā (عليه السلام) met hem in discussie ging en hem met zijn bewijsvoering overtrof. Wanneer iemands argumenten sterker zijn dan die van zijn tegenstander, zeggen de Arabieren: “hij heeft het oog van die persoon uitgestoken.” En wanneer iets verminderd of misvormd wordt, zeggen zij: “ik heb het scheel gemaakt.”

Maar in dat geval ontstaat er een zwakte in de uitspraak: “Allāh gaf hem zijn oog terug.” Want als men zou zeggen dat hiermee bedoeld wordt dat Allāh zijn bewijs of argument teruggaf, dan is dat een vergezochte uitleg.

Ten derde: het is mogelijk dat Mūsā (عليه السلام) niet wist dat hij de Engel des Doods was. Hij dacht wellicht dat het een man was die naar zijn leven stond, waardoor hij zichzelf wilde verdedigen. Het is dan mogelijk dat hij, zonder de bedoeling te hebben zijn oog uit te slaan, dit per ongeluk deed tijdens die verdediging. De uitdrukking: “Hij duwde hem terug” versterkt deze mogelijkheid.

Deze laatste uitleg is ook het antwoord van Abū Bakr Ibn Khuzaymah en van meerdere vroege geleerden. Al-Māzarī en Qāḍī ʿIyāḍ beschouwden deze uitleg eveneens als passend.

In de ḥadīth staat namelijk nergens expliciet vermeld dat Mūsā (عليه السلام) hem sloeg met de bedoeling zijn oog uit te slaan. Als men zegt: “Mūsā (عليه السلام) erkende bij de tweede komst dat hij de Engel des Doods was,” dan luidt het antwoord: bij de tweede komst kwam de engel met een teken waaruit duidelijk bleek dat hij werkelijk de Engel des Doods was. Daarom onderwierp Mūsā (عليه السلام) zich deze keer, in tegenstelling tot de eerste keer.

(Deze uitleg is afkomstig uit de sharḥ van an-Nawawī.)

34. Opwekking (hashr) en de angstige toestanden (op de Yawm al-Qiyāmah)

De ḥadīth: “Jullie zullen blootsvoets, naakt en onbesneden worden verzameld”

Deze ḥadîth werd overgeleverd door al-Bukhârî, volgens de uitleg van al-Qastallānī (deel 5, p. 342) in Kitâb Bad’ al-Khalq, in de hoofdstuksectie over de uitspraak van Allāhu (تعالى): وَٱتَّخَذَ ٱللَّهُ إِبۡرَٰهِيمَ خَلِيلٗا …Allāh nam Ibrâhîm als Zijn geliefde vriend.” (Nisāʾ, 4:125)

310. Van Muḥammad ibn Kathîr, van Sufyân, van al-Mughîra ibn an-Nu‘mân, van Sa‘îd ibn Jubayr, van Ibn ‘Abbâs (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Jullie zullen blootsvoets, naakt en onbesneden worden verzameld (ḥashr).”

Daarna reciteerde hij de volgende āyah:يَوۡمَ نَطۡوِي ٱلسَّمَآءَ كَطَيِّ ٱلسِّجِلِّ لِلۡكُتُبِۚ كَمَا بَدَأۡنَآ أَوَّلَ خَلۡقٖ نُّعِيدُهُۥۚ وَعۡدًا عَلَيۡنَآۚ إِنَّا كُنَّا فَٰعِلِينَ ١٠٤En (gedenk) de Dag wanneer Wij de hemelen zullen oprollen zoals een schrijver zijn geschriften oprolt; zoals Wij de eerste schepping begonnen, Wij zullen het herhalen (het is) een belofte die Ons bindt. Waarlijk, Wij zullen het doen. (Anbiyāʾ, 21:104)

Vervolgens zei hij: “De eerste die op de Yawm al-Qiyāmah zal worden gekleed is Ibrâhîm (عليه السلام).”

En hij vervolgde: “Sommige mensen van mijn metgezellen zullen naar de linkerkant worden gebracht”. Ik zal dan zeggen: ‘Mijn metgezellen (aṣḥābī), mijn metgezellen (aṣḥābī)!’ Er zal gezegd worden: ‘Nadat jij hen verlaten had, keerden zij steeds op hun schreden terug.’ Daarop zal ik zeggen zoals de rechtschapen dienaar (‘Īsā (عليه السلام)) zei:

وَكُنتُ عَلَيۡهِمۡ شَهِيدٗا مَّا دُمۡتُ فِيهِمۡۖ فَلَمَّا تَوَفَّيۡتَنِي كُنتَ أَنتَ ٱلرَّقِيبَ عَلَيۡهِمۡۚ وَأَنتَ عَلَىٰ كُلِّ شَيۡءٖ شَهِيدٌ ١١٧

Ik heb hen niet anders gezegd, behalve wat U mij bevolen heeft te zeggen: “Aanbidt Allāh, mijn Heer en jullie Heer.” En ik was een getuige van hen, terwijl ik onder hen verbleef, maar toen U mij tot U nam, werd U de Waker over hen, en U bent Getuige van alle zaken.

إِن تُعَذِّبۡهُمۡ فَإِنَّهُمۡ عِبَادُكَۖ وَإِن تَغۡفِرۡ لَهُمۡ فَإِنَّكَ أَنتَ ٱلۡعَزِيزُ ٱلۡحَكِيمُ ١١٨

Als U hen straft, zijn zij Uw dienaren. En als U hen vergeeft, waarlijk U en alleen U bent de Almachtige, de Alwijze. (Māʾidah, 5:117–118)

Allāhu (تعالى) weet het het best.

Deze ḥadīth wordt door Sahîh al-Bukhârî eveneens overgeleverd in Kitābu’r-Riqāq, in het hoofdstuk: “Hoe zal de Ḥashr zijn?”:

311. Van Ibn ‘Abbās (رضي الله عنهما), hij zei: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stond op om ons toe te spreken en zei: “Jullie zullen op blote voeten, naakt en onbesneden verzameld worden...”

(de rest van de ḥadīth is hetzelfde.)

al-Bukhārī vermeldt deze ḥadīth ook in Kitābu’t-Tafsīr en Kitābu’l-Anbiyā.

Deze ḥadīth wordt eveneens door Sahîh Muslim overgeleverd, volgens de marginale aantekening van al-Qasṭallānī, deel 1, pagina 317, in het hoofdstuk over de eigenschappen van de Qiyāmah.

Nadat hij de keten (isnād) van overleveraars heeft genoemd, zegt hij:

312. Van Ibn ‘Abbās (رضي الله عنهما) hij zei: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) begon ons te vermanen en zei: “O mensen, jullie zullen waarlijk voor Allāhu (تعالى) verschijnen op blote voeten, naakt en onbesneden...”

Daarna gaat de ḥadīth verder zoals hierboven vermeld.

313.Jami` at-Tirmidhi overlevert deze ḥadīth eveneens in deel 2, pagina 199, met een tekst die sterk lijkt op de overlevering van Muslim. Hij zegt hierover dat de ḥadīth ḥasan ṣaḥīḥ is.

Uitleg van de aḥādīth 310–313

Met “naakt verzameld (ḥashr) worden” kan bedoeld zijn dat sommigen naakt en anderen gekleed verzameld zullen worden. Want in een andere ḥadīth, die door Abû Dāwûd is overgeleverd van Sa‘īd (رضي الله عنه), en die door Ibn Ḥibbān als ṣaḥīḥ is beoordeeld en marfû‘ is overgeleverd, wordt gezegd: “De dode zal worden opgewekt in de kleding waarin hij gestorven is.”

Al-Qasṭallānī zegt na de woorden: “De eerste die op de Yawm al-Qiyāmah bekleed zal worden, is Ibrāhīm (عليه السلام)” het volgende: “Dat wil zeggen: ofwel zullen alle mensen naakt worden verzameld, of sommigen naakt en anderen gekleed. Of het betekent dat zij uit hun graven zullen opstaan in de kleding waarin zij gestorven zijn, waarna zij deze bij het begin van de eerste ḥashr zullen verliezen, zodat uiteindelijk allen naakt verzameld worden. Daarna zal Ibrāhīm (عليه السلام) de eerste zijn die gekleed wordt.

an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Hij zal gekleed worden met een gewaad uit Jannah. Vervolgens zal er een zetel gebracht worden die aan de rechterzijde van de ‘Arsh geplaatst zal worden. Daarna zal ik gebracht worden, en mij zal een gewaad uit Jannah worden aangetrokken, een gewaad zoals geen mens ooit zou kunnen verkrijgen.”

In de uitspraak van Allāhu (تعالى):يَوۡمَ نَطۡوِي ٱلسَّمَآءَ كَطَيِّ ٱلسِّجِلِّ لِلۡكُتُبِۚ كَمَا بَدَأۡنَآ أَوَّلَ خَلۡقٖ نُّعِيدُهُۥۚ وَعۡدًا عَلَيۡنَآۚ إِنَّا كُنَّا فَٰعِلِينَ ١٠٤En (gedenk) de Dag wanneer Wij de hemelen zullen oprollen zoals een schrijver zijn geschriften oprolt; zoals Wij de eerste schepping begonnen, Wij zullen het herhalen (het is) een belofte die Ons bindt. Waarlijk, Wij zullen het doen. Anbiyāʾ, 21:104)

ligt het bewijs dat de mensen op blote voeten, naakt en onbesneden verzameld zullen worden. Dat wil zeggen: de mensen zullen worden verzameld in de toestand waarin zij uit hun moedersschoot geboren werden. Ieder kind wordt immers geboren op blote voeten, naakt en onbesneden.

Vervolgens werd gezegd dat de wijsheid achter het feit dat Ibrāhīm (عليه السلام) als eerste gekleed zal worden, gelegen is in het feit dat zijn kleding werd uitgetrokken toen hij in het vuur geworpen werd.

Met andere woorden: het feit dat hij aan een dergelijke behandeling werd blootgesteld, kwam doordat hij de mensen opriep tot Allāh en tot het geloof in at-Tawḥīd.

De geleerden zeiden: “Dat Ibrāhīm (عليه السلام) hier de eerste zal zijn die gekleed wordt, betekent niet dat hij voortreffelijker of hoger in rang is dan onze an-Nabī Muḥammad (صلى الله عليه وسلم). Aan onze Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn vele voortreffelijkheden gegeven die aan niemand vóór hem gegeven werden. Niemand deelt met hem in die verheven kenmerken. Zelfs als hem niets anders gegeven was dan de grootste voorspraak (shafā‘ah), dan zou dat alleen al voldoende zijn geweest.

“Sommigen van mijn metgezellen (aṣḥāb) zullen naar de linkerzijde gebracht worden,” dat wil zeggen: naar de zijde van Jahannam.

“Dan zal ik zeggen: ‘Mijn metgezellen (aṣḥābī), mijn metgezellen (aṣḥābī)!’

Dat wil zeggen: “Dit zijn mijn metgezellen (aṣḥāb).”

In een andere overlevering wordt het woord aṣḥābī weergegeven in de verkleinvorm “uṣayḥābī”, om hun kleine aantal aan te duiden. De herhaling van het woord dient ter bekrachtiging.

Er werd gezegd dat hiermee degenen bedoeld worden die na het overlijden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) afvalligen waren en oorlog voerden tegen Abû Bakr (رضي الله عنه).

Vanwege deze woorden mag men de bekende aṣḥāb van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) niet bekritiseren. Het woord aṣḥāb wordt immers niet alleen gebruikt voor de Muhājirûn en de Anṣār die samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) leefden en hem dienden, maar ook voor degenen die in zijn tijd leefden en hem al was het slechts één keer gezien hebben. Het woord “aṣḥābī” in deze ḥadīth kan daarom volgens deze tweede betekenis begrepen worden.

Van degenen die de tijd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hadden meegemaakt, waren er velen bij wie de īmān zich niet volledig in hun harten had gevestigd.

Na het overlijden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verzaakten zij de Islâm en voerden oorlog tegen Abū Bakr (رضي الله عنه). Sommigen van hen keerden later opnieuw terug naar de Islām en ondersteunden deze dīn, terwijl anderen stierven in ongeloof, dat wil zeggen: in afvalligheid van de dīn. Wij zoeken bescherming bij Allāh tegen zo’n einde.

Met de uitspraak van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Ik zal zeggen zoals de rechtschapen dienaar zei,” wordt bedoeld: ʿĪsā (عليه السلام). (al-Qastallānī, deel 5, p. 342)

De hadīth: “De dienaren zullen verzameld worden, waarna hun Rab zal roepen: ‘Ik ben al-Malik”

Deze ḥadīth wordt door Sahîh al-Bukhârî overgeleverd in Kitābu’t-Tawḥīd, volgens al-Qasṭallānī, deel 10, pagina 249.

Abû ‘Abdillāh Muḥammad ibn Ismā‘īl al-Bukhārī zegt, in het hoofdstuk over de uitspraak van Allāhu (تعالى):وَلَا تَنفَعُ ٱلشَّفَٰعَةُ عِندَهُۥٓ إِلَّا لِمَنۡ أَذِنَ لَهُۥۚ حَتَّىٰٓ إِذَا فُزِّعَ عَن قُلُوبِهِمۡ قَالُواْ مَاذَا قَالَ رَبُّكُمۡۖ قَالُواْ ٱلۡحَقَّۖ وَهُوَ ٱلۡعَلِيُّ ٱلۡكَبِيرُ ٢٣Bemiddeling met Hem brengt geen voordeel behalve voor hem die Hij toestaat. Tot de angst uit hun harten is verbannen, zij vragen: “Wat is dat wat jullie Heer gezegd heeft?” Zij zeiden: “De Waarheid.” En Hij is de Allerhoogste, de Allergrootste. (Sabaʾ, 34:23)

314. Van, Jābir, dat wil zeggen Jābir ibn ‘Abdillāh al-Anṣārī (رضي الله عنه), overlevert dat Ibn Unays (رضي الله عنه) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hoorde zeggen: “Allāhu (تعالى) zal de dienaren verzamelen. Daarna zal Hij hen met een stem toespreken: “Ik ben al-Malik, de Bezitter van absolute heerschappij.”

Die stem zal zowel door degenen die dichtbij zijn als door degenen die ver weg zijn op dezelfde wijze worden gehoord.

Uitleg van de ḥadīth 314

In deze ḥadīth wordt vermeld dat Allāhu (تعالى) zal roepen met een stem. Met deze stem kan een geschapen (makhlûq) stem bedoeld zijn die niet behoort tot het Wezen (Dhât) van Allāhu (تعالى). Het kan ook betekenen dat Allāhu (تعالى) een oproeper opdracht geeft om op te roepen.

Al-Bayhaqī zegt: “Spraak is datgene wat een spreker met zijn tong uitdrukt. Tegelijkertijd kan het begrip ‘spraak’ ook verwijzen naar wat zich reeds in het innerlijk van een persoon heeft gevormd.”

Zo wordt in de ḥadīth van as-Saqīfah over ‘Umar (رضي الله عنه) vermeld dat hij zei:

“Ik had in mijzelf een toespraak voorbereid.” Daarmee bedoelde hij dat er in zijn gedachten reeds woorden gevormd waren voordat zij uitgesproken werden. Daarom noemde hij dat reeds “spraak”. Indien degene die spreekt beschikt over uitspraakorganen waardoor woorden volgens bepaalde klanken uitgesproken worden, dan wordt de spraak gehoord in de vorm van letters en klanken.

Wat betreft de ḥadīth van Ibn Unays (رضي الله عنه): de muḥaddithûn verschilden van mening over het gebruiken ervan als bewijs, vanwege de zwakte in het geheugen (ḥifẓ) van Ibn ‘Uqayl.

In de andere marfû‘ en ṣaḥīḥ overleveringen komt het woord “stem” niet voor.

Indien deze toevoeging authentiek was vastgesteld, zou zij eveneens zijn overgeleverd via de overlevering van Ibn Masʿūd (رضي الله عنه), d at wil zeggen: de engelen (malā’ikah) horen de openbaring (waḥy) tijdens haar neerdaling als een geluid. Dat geluid kan afkomstig zijn uit de hemel, ofwel de stem van de engel (malak) die de waḥy brengt, of het geluid van de vleugels van de malā’ikah.

Volgens deze mogelijkheid vormt de kwestie geen definitieve en ondubbelzinnige naṣ (tekst uit de Qur’ān of de Sunnah) Het kan ook zijn dat de overleveraar, nadat hij zei: “Hij zal roepen”, dit verduidelijkte door eraan toe te voegen: “met een stem”.

In al-Fatḥ wordt gezegd: وَمَا كَانَ لِبَشَرٍ أَن يُكَلِّمَهُ ٱللَّهُ إِلَّا وَحۡيًا أَوۡ مِن وَرَآيِٕ حِجَابٍ أَوۡ يُرۡسِلَ رَسُولٗا فَيُوحِيَ بِإِذۡنِهِۦ مَا يَشَآءُۚ إِنَّهُۥ عَلِيٌّ حَكِيمٞ ٥١Het past de mens niet dat Allāh tot hem spreekt, behalve door middel van een openbaring, of van achter een sluier of door het zenden van een rasûl (Jibrīl) om met Zijn toestemming te openbaren wat Hij wil. Waarlijk, Hij is Verheven, Alwijs. (Shūrā, 42:51)

Volgens deze uitleg heeft Allāhu (تعالى) Zijn woorden niet hoorbaar gemaakt aan één van Zijn malā’ikah of anbiyā, maar heeft Hij die woorden aan hen ingegeven door middel van ilhām (ingeving die Allāhu (تعالى) in het hart van een mens legt).”

Een stem kan ook zonder uitspraakorganen bestaan, net zoals het zien mogelijk is zonder dat lichtstralen het waargenomen object rechtstreeks raken, waarvan vaststaat dat dit mogelijk is. Dit aanvaarden wij, echter de genoemde vergelijking, evenals het vergelijken van de eigenschappen van de Schepper met de eigenschappen van de schepping, accepteren wij niet.

Samengevat: indien in de authentieke aḥādīth het woord “stem” voorkomt, dan is het verplicht daarin te geloven, terwijl de ware aard ervan aan Allāhu (تعالى) wordt overgelaten, of men verricht ta’wīl.

“Die stem zal door degene die dichtbij is gehoord worden op dezelfde wijze als door degene die ver weg is gehoord zal worden”, betekent: zowel degene die dichtbij is als degene die ver weg is, zullen het in gelijke mate horen”. Hierin bevindt zich iets dat buiten het gewone verloop van bekende geluiden valt. Want bij gewone geluiden bestaat er verschil tussen degene die dichtbij is en degene die ver weg is.

Opdat bekend wordt dat hetgeen gehoord wordt de Kalām van Allāhu (تعالى) is: toen Allāhu (تعالى) tot Mūsā (عليه السلام) sprak, hoorde Mūsā (عليه السلام) deze Kalām vanuit iedere richting.

(Deze uitleg wordt vermeld in het commentaar van al-Qasṭallānī, deel 10, p. 429.)

Wij zeggen echter: “In de tijd van al-Qasṭallānī en de geleerden die dicht bij zijn benadering stonden, kon dit als iets wonderlijks beschouwd worden. Maar tegenwoordig, na de uitvinding van radio’s en soortgelijke apparaten, is het niet langer vreemd dat iemand die ver weg is een stem even duidelijk hoort als iemand die dichtbij is.

De eigenschappen van Allāhu (تعالى) kunnen echter niet vergeleken worden met de eigenschappen van de schepping. Dat is eveneens wat de auteur van al-Fatḥ en anderen hebben gezegd.

Men dient te geloven in hetgeen authentiek van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) is overgeleverd. Wat betreft de hoedanigheid daarvan zeggen wij slechts: “Niets is aan Hem gelijk, en Hij is de Alhorende, de Alziende.”

“Ik ben al-Malik”, betekent: “Ik ben de Eigenaar van het gehele koninkrijk en van het volledige universum.”

“En Ik ben ad-Dayyān”, betekent: “Niemand behalve Ik bezit de heerschappij, en niemand, behalve Ik, vergeldt het goede en het slechte.”

Al-Ḥulaymī zegt: “Deze uitspraak is een uitleg van de woorden van Allāhu (تعالى) in de Qur’ān:مَٰلِكِ يَوۡمِ ٱلدِّينِ ٤ De Heerser op de Yawmu’l Qiyamah. (Fatihah, 1:4)

Dat wil zeggen: Ik ben Degene Die vergeldt voor de daden, rekenschap afneemt en geen enkele daad van een handelende verloren laat gaan.”

In al-Kawākib wordt gezegd: “De reden dat deze formulering gekozen werd, is dat hierin een aanwijzing ligt naar de zeven eigenschappen van Allāhu (تعالى).”

Deze eigenschappen zijn:

al-Ḥayāh (het eeuwige leven en bestaan), al-‘Ilm (kennis van alle dingen), al-Irādah (de wil)al-Qudrah (de almacht)as-Sam‘ (het horen), al-Baṣar (het zien) en al-Kalām (het spreken)

Het vergelden van algemene en afzonderlijke zaken, zowel woorden als daden, behoort immers tot Zijn macht.

(Sharḥ van al-Qasṭallānī, dezelfde plaats.)

Een toelichting

De ḥadīth van Ibn Mas‘ūd (رضي الله عنه), waarnaar al-Bayhaqī hierboven verwees betreffende het horen van de waḥy door de malā’ikah, wordt door Sahîh al-Bukhârî vlak vóór deze ḥadīth vermeld. De ḥadīth luidt: Van Masrûq, van Ibn Mas‘ūd (رضي الله عنه), hij zei: “Wanneer Allāhu (تعالى) de waḥy bekendmaakt, horen de bewoners van de hemel iets.”

Al-Bayhaqī zegt hierover: “De bewoners van de hemel horen een licht klingelend geluid, zoals het geluid van een ketting die over een glad oppervlak wordt getrokken. Daarop beginnen zij te roepen en blijven daarmee doorgaan totdat Jibrīl (عليه السلام) naar hen toe komt.

Wanneer Jibrīl (عليه السلام) komt, vervult hun harten met ontzag. “Wanneer de angst uit hun harten verdwijnt en het geluid ophoudt” dan (in een andere versie staat: “wanneer het geluid bevestigd wordt”) begrijpen zij dat dit de Waarheid van hun Rab is.”Dan zeggen zij: “Wat heeft jullie Rab gezegd?”

Want zij hadden wel een geluid gehoord, maar vanwege hun ontzag hadden zij de betekenis ervan niet begrepen.

“Hij heeft de Waarheid gesproken,” antwoorden zij.

(Volgens de overlevering van Aḥmad ibn Ḥanbal vragen zij:

“O Jibrīl, wat heeft jullie Rab gezegd?”

Waarop hij antwoordt: “Hij heeft de Waarheid gesproken.”

Daarna roepen de andere malā’ikah: “De Waarheid! De Waarheid!”

(De gedeelten tussen aanhalingstekens behoren tot de tekst van de ḥadīth; de overige delen zijn uitleg van de commentator. De vertaler)

De hadīth over het bevel aan Ādam (عليه السلام) op de Yawm al-Qiyāmah:“Scheid de bewoners van Jahannam onder jouw nakomelingen af.”

Deze ḥadīth wordt door Sahîh al-Bukhârî overgeleverd in deel 7, pagina 97, in het hoofdstuk over de uitleg (tafsīr) van Sūrah al-Ḥajj, bij de uitleg van de āyah:يَوۡمَ تَرَوۡنَهَا تَذۡهَلُ كُلُّ مُرۡضِعَةٍ عَمَّآ أَرۡضَعَتۡ وَتَضَعُ كُلُّ ذَاتِ حَمۡلٍ حَمۡلَهَا وَتَرَى ٱلنَّاسَ سُكَٰرَىٰ وَمَا هُم بِسُكَٰرَىٰ وَلَٰكِنَّ عَذَابَ ٱللَّهِ شَدِيدٞ ٢Op die Dag zullen jullie het zien; ieder zogende moeder zal haar baby vergeten en iedere zwangere vrouw zal haar vrucht laten vallen. En jullie zullen de mensheid zien alsof zij in een dronken toestand verkeert, toch zullen zij niet dronken zijn," maar zwaar zal de bestraffing van Allāh zijn. (Ḥajj, 22:2)

315. Van ‘Umar ibn Ḥafṣ, van zijn vader, van al-A‘mash, van Abû Ṣāliḥ, van Abû Sa‘īd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op de Yawm al-Qiyāmah zal Allāhu (عَزَّ وَجَلَّ) zeggen: ‘O Ādam!’

Ādam (عليه السلام) zal antwoorden: ‘Tot Uw dienst, onze Rab. Beveelt U!’

Daarop zal Allāhu (تعالى) met verheven stem roepen: ‘Allāh beveelt jou om uit jouw nakomelingen degenen af te zonderen die naar Jahannam zullen gaan.’

Ādam (عليه السلام) zal vragen: ‘Wie zijn degenen die naar Jahannam zullen gaan?’

Daarop zal al-Ḥaq zeggen: ‘Uit iedere duizend...’

De overleveraar twijfelde hier en zei: ‘Ik meen dat hij zei: negenhonderdnegenennegentig.’

Op dat moment zal de zwangere vrouw haar zwangerschap verliezen, het haar van kinderen zal grijs worden en jij zult de mensen zien alsof zij dronken zijn, terwijl zij niet dronken zijn. Maar de bestraffing van Allāhu (تعالى) is zwaar.”

Dit viel de aanwezigen zeer zwaar en de kleur van hun gezichten veranderde.

Toen zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Van Ya’jûj en Ma’jûj zullen er negenhonderdnegenennegentig (naar Jahannam gaan), terwijl van jullie slechts één persoon (naar Jahannam gaat).

Jullie zijn als één enkele zwarte haar op de zijde van een witte os, of als één witte haar op de zijde van een zwarte os. Ik hoop dat jullie een vierde van de bewoners van Jannah zullen zijn.”

Daarop riepen wij de takbīr uit.

Vervolgens zei hij: “Een derde van de bewoners van Jannah.”

Wij riepen opnieuw de takbīr uit.

Daarna zei hij: “De helft van de bewoners van Jannah.”

En opnieuw riepen wij de takbīr uit.

Deze ḥadīth wordt door Sahîh al-Bukhârî eveneens overgeleverd in Kitābu’l-Anbiyā, na het verhaal van Ya’jûj en Ma’jûj, en aan het einde van Kitābu’r-Riqāq.

Ook Sahîh Muslim overlevert deze ḥadīth in het hoofdstuk:

“De vermelding dat deze ummah de helft van de bewoners van Jannah zal vormen,”

met een tekst die sterk lijkt op de versie van al-Bukhārī.

Jami` at-Tirmidhi vermeldt eveneens twee verschillende overleveringen van deze ḥadīth in deel 2, pagina 199–200:

316. Van ‘Imrān ibn Ḥuṣayn (رضي الله عنه): “Toen de bovenstaande āyāt werd neergezonden aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), bevond hij zich op reis.”يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّاسُ ٱتَّقُواْ رَبَّكُمۡۚ إِنَّ زَلۡزَلَةَ ٱلسَّاعَةِ شَيۡءٌ عَظِيمٞ ١O mensheid! Vrees jullie Heer en wees Hem plichtsgetrouw!

Waarlijk, de aardbeving van het Uur is iets vreselijks.يَوۡمَ تَرَوۡنَهَا تَذۡهَلُ كُلُّ مُرۡضِعَةٍ عَمَّآ أَرۡضَعَتۡ وَتَضَعُ كُلُّ ذَاتِ حَمۡلٍ حَمۡلَهَا وَتَرَى ٱلنَّاسَ سُكَٰرَىٰ وَمَا هُم بِسُكَٰرَىٰ وَلَٰكِنَّ عَذَابَ ٱللَّهِ شَدِيدٞ ٢Op die Dag zullen jullie het zien; ieder zogende moeder zal haar baby vergeten en iedere zwangere vrouw zal haar vrucht laten vallen. En jullie zullen de mensheid zien alsof zij in een dronken toestand verkeert, toch zullen zij niet dronken zijn," maar zwaar zal de bestraffing van Allāh zijn. (Ḥaj, 22:1-2)

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg: “Weten jullie welke dag dit is?”

De aanwezigen antwoordden: “Allāhu en Zijn Rasûl weten het beter.”

Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Dit is een dag waarop Allāhu (تعالى) tot Ādam (عليه السلام) zal zeggen: ‘Zonder degenen af die naar Jahannam zullen gaan.’

Ādam (عليه السلام) zal vragen: ‘O mijn Rab, wie zijn degenen die naar Jahannam zullen gaan?’

Allāhu (تعالى) zal zeggen: ‘Negenhonderdnegenennegentig zullen naar Jahannam gaan en één naar Jannah.’”

Toen de moslims dit hoorden, begonnen zij te huilen.

Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Vergelijk goed en bereken nauwkeurig. Iedere keer dat een profeetschap kwam, werd zij voorafgegaan door jāhiliyyah-periode. Uit de mensen van de jāhiliyyah zal een groot aantal voortkomen, en als hun aantal niet voldoende is, zal het aangevuld worden met de munāfiqs.”

Jullie verhouding tot de andere umam is als een zwelling aan de poot van een dier, of als een klein vlekje op de zijde van een kameel.”

Daarna zei hij: “Ik hoop dat jullie een derde van de bewoners van Jannah zullen zijn.”

De aanwezigen riepen de takbīr uit.

Vervolgens zei hij: “Ik hoop dat jullie de helft van de bewoners van Jannah zullen vormen.”

Opnieuw riepen ze opnieuw de takbīr uit.

De overleveraar zegt: “Ik weet niet meer of hij daarna ook tweederde genoemd heeft.”At-Tirmidhī zegt dat deze ḥadīth ḥasan ṣaḥīḥ is.

De tweede overlevering van at-Tirmidhī luidt als volgt:

317. Van ‘Imrān ibn Ḥuṣayn (رضي الله عنه): “Wij waren samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op reis. Sommige aṣḥāb begonnen langzamer te lopen. Toen reciteerde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) met verheven stem deze twee āyāt.”

(Hier worden de eerder genoemde āyāt Ḥaj, 22:1-2 bedoeld.)

Toen de aṣḥāb dit hoorden, versnelden zij hun pas en begrepen zij dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) iets belangrijks ging zeggen.

Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “De dag waarover in deze āyāt gesproken wordt, is een dag waarop Allāhu (تعالى) Ādam (عليه السلام) zal aanspreken en zeggen: ‘O Ādam, ‘Zonder degenen af die naar Jahannam zullen gaan.’Ādam (عليه السلام) zal vragen: ‘O mijn Rab, wie zijn degenen die naar Jahannam zullen gaan?’

Allāhu (تعالى) zal zeggen: ‘Van iedere duizend zullen negenhonderdnegenennegentig naar Jahannam gaan en één naar Jannah.’”

Toen de aanwezigen dit hoorden, werden zij diep bedroefd, zodanig dat er geen glimlach meer op hun gezichten zichtbaar was.

Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hun toestand zag, zei hij: “Verricht jullie (goede) daden en verheugt jullie.

Bij Degene in Wiens Hand de nafs van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) is: jullie zullen samen zijn met twee groepen die, wanneer zij zich onder een volk mengen, de meerderheid ervan vormen. Dat zijn Ya’jûj en Ma’jûj, en degenen van de kinderen van Ādam die gestorven zijn, evenals degenen van de nakomelingen van Iblīs die gestorven zijn, allen zullen samen verzameld worden.”

De overleveraar zegt: “Daarop verminderde een deel van de droefheid van de mensen.”

Vervolgens zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Bij Degene in Wiens Hand de nafs van Muḥammad is: jullie zijn ten opzichte van de andere umam als een kleine vlek op de zijde van een kameel of als een zwelling aan de poot van een dier.”At-Tirmidhī zegt dat deze ḥadīth ḥasan ṣaḥīḥ is.

Uitleg van de aḥādīth 315–317

In het hoofdstuk “Hoe zal de Ḥashr zijn?” wordt van Abû Hurayrah (رضي الله عنه) een marfû‘ ḥadīth overgeleverd waarin staat: “De eerste die op de Yawm al-Qiyāmah geroepen zal worden, is Ādam (عليه السلام). Zijn nakomelingen zullen naar hem kijken. Dan zal gezegd worden: ‘Dit is jullie vader Ādam.’

Ādam (عليه السلام) zal zeggen: ‘Beveel, o mijn Rab, ik sta tot Uw dienst.’

Daarop zal al-Ḥaq Ta`ala zeggen: ‘Zonder een groep uit jouw nakomelingen af die naar Jahannam zal gaan...’”

De ḥadīth gaat daarna verder.

In de overlevering van Abû Sa‘īd (رضي الله عنه) betreffende het verhaal van Ya’jûj en Ma’jûj komt een extra toevoeging voor. Daarin wordt vermeld dat Ādam (عليه السلام) zei:

“Beveel, o mijn Rab, ik sta tot Uw dienst. Al het goede bevindt zich in Uw Hand.”

Dat hier specifiek wordt vermeld dat al het goede zich in de Hand van Allāhu (تعالى) bevindt, houdt een vorm van toevlucht zoeken tot Zijn raḥmah in en getuigt tevens van eerbied, ontzag en gepaste respectvolle inachtneming tegenover Hem. Want in werkelijkheid ontstaat ook het kwaad slechts door de Wil van Allāhu (تعالى) en Zijn voorbeschikking.

Dat Ādam (عليه السلام) vraagt: “Wie zijn degenen die naar Jahannam zullen gaan?”

betekent: “Hoe groot is hun aantal?”

In deze overleveringen wordt vermeld dat Allāhu (تعالى) antwoordt: “Van iedere duizend zullen negenhonderdnegenennegentig naar Jahannam gaan.”

Volgens hetgeen al-Qasṭallānī vermeldt, staat echter in de marfû‘ ḥadīth van Abû Hurayrah (رضي الله عنه) in het hoofdstuk “Hoe zal de Ḥashr zijn?”: “Van iedere honderd zullen negenennegentig naar Jahannam gaan.”

Volgens die overlevering worden dus tien personen per duizend uitgezonderd. Terwijl in de ḥadīth van dit hoofdstuk slechts één persoon per duizend wordt uitgezonderd.

Het oordeel wordt dan gebaseerd op het grotere aantal. Of het kan zijn dat de ḥadīth in dit hoofdstuk betrekking heeft op alle nakomelingen van Ādam (عليه السلام), terwijl de overlevering van Abû Hurayrah (رضي الله عنه) betrekking heeft op degenen die overblijven nadat Ya’jûj en Ma’jûj eruit verwijderd zijn. (Sharḥ van al-Qasṭallānī, deel 7, p. 245)

Al-Qasṭallānī zegt elders ook: “Met deze aantallen kunnen alle kāfirs bedoeld zijn, samen met degenen die wegens hun ongehoorzaamheid aan Allāhu (تعالى) en het niet uitvoeren van Zijn bevelen in Jahannam geworpen worden.” Volgens deze uitleg behoren de negenhonderdnegenennegentig personen per duizend tot degenen die wegens hun opstandigheid in Jahannam terechtkomen. (Uit Kitābu’r-Riqāq)

Zoals in de ḥadīth wordt vermeld, zijn het verlies van een ongeboren kind door een zwangere vrouw en het grijs worden van het haar van een jong kind voorbeelden die de verschrikkelijke ernst van die situatie illustreren. Hevige angst en diepe droefheid kunnen een mens immers zodanig verzwakken dat het haar voortijdig grijs wordt.

Het is echter ook mogelijk dat deze aḥādīth letterlijk moeten worden opgevat. Iedere mens zal namelijk worden opgewekt in de toestand waarin hij is gestorven. Wanneer een vrouw sterft terwijl zij zwanger is, zal zij als zwangere worden opgewekt. Evenzo zal een zogende vrouw als zogende vrouw worden opgewekt, en een kind als kind.

Wanneer de Qiyāmah plaatsvindt en het genoemde bevel aan Ādam (عليه السلام) gegeven wordt, zullen de mensen in grote angst verkeren. Dan zal de zwangere vrouw haar ongeboren kind verliezen, het haar van kinderen zal grijs worden en de zogende vrouw zal haar kind vergeten. (Al-Ḥāfiẓ Abû’l-Faḍl Ibn Ḥajar geeft deze uitleg.)

De betekenis van de uitspraak van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Van Ya’jûj en Ma’jûj zullen er negenhonderdnegenennegentig (in Jahannam) zijn, terwijl van jullie één persoon (in Jahannam) komt”, is als volgt: Ya’jûj en Ma’jûj, evenals degenen die net als zij in shirk zijn vervallen en de weg van kufr hebben gekozen, zullen negenhonderdnegenennegentig (naar Jahannam gaan). Jullie daarentegen, evenals degenen die zoals jullie tot de mensen van de īmān behoren (moslims), zijn die ene persoon die daarvan uitgezonderd zal zijn. Ook de uitspraak in de ḥadīth van Ibn Masʿūd (رضي الله عنه): “Niemand zal Jannah binnengaan behalve een moslim,” wijst op deze betekenis.

In een andere ḥadīth van Ibn Mas‘ūd (رضي الله عنه), die eveneens in hetzelfde hoofdstuk wordt overgeleverd, staat: “Wij waren met veertig personen samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) onder een schaduwdoek van leer.Toen zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): ‘Zouden jullie tevreden zijn als jullie een vierde (deel) van de bewoners van Jannah vormen?’

Wij zeiden: ‘Ja.’

Daarna zei hij: ‘Zouden jullie tevreden zijn als jullie een derde (deel) van de bewoners van Jannah vormen?’

Wij zeiden: ‘Ja.’

Vervolgens zei hij: ‘Zouden jullie tevreden zijn als jullie de helft van de bewoners van Jannah vormen?’

Wij antwoordden: ‘Ja.’”

As-Safāqusī zegt: “Hier koos an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) voor de vraagvorm om deze blijde tijding dieper in de harten te laten doordringen. Tegelijkertijd koos hij voor geleidelijkheid, zodat de vreugde des te groter zou zijn.”

In de aanvullingen van ‘Abdullāh, de zoon van Imām Aḥmad, en in de overlevering van aṭ-Ṭabarānī van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), komt bovendien de toevoeging voor:

“Jullie vormen tweederde (deel) van de bewoners van Jannah.”

Daarnaast wordt in een ḥadīth die door at-Tirmidhi van Buraydah (رضي الله عنه) als marfû‘ is overgeleverd en die door hem als ṣaḥīḥ is beoordeeld, gezegd: “De bewoners van Jannah zullen honderdtwintig rijen vormen, waarvan mijn ummah tachtig rijen zal vormen.”

Al-Qasṭallānī (رحمه الله) zegt: “Uit deze overleveringen blijkt dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hoopte op de raḥmah van Allāhu (تعالى), namelijk dat zijn ummah de helft van de bewoners van Jannah zou vormen.

Maar Allāhu (تعالى) schonk hem vanuit Zijn iḥsān méér dan waar hij op gehoopt had”, dat wil zeggen: méér dan de helft. De ummah van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) bereikte zelfs de verhouding van tweederde (deel van de bewoners van Jannah).

Dit vormt tevens de vervulling van de belofte van Allāhu (تعالى):وَلَسَوۡفَ يُعۡطِيكَ رَبُّكَ فَتَرۡضَىٰٓ ٥En jouw Heer zal jou zeker gunsten schenken, zodat jij tevreden zult zijn. (Ḍuḥā, 93:5)

Er wordt overgeleverd dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik zal niet tevreden zijn zolang er nog iemand van mijn ummah in Jahannam is.”

O Allāh, oge de ṣalāh en salām van U rusten op sayyidinā (onze heer) en habibinā (onze geliefde) Muḥammad (صلى الله عليه وسلم). O Allāh, moge U hem namens ons belonen op de mooiste wijze waarop een nabī ooit beloond werd vanwege zijn ummah. O Allāhu, moge U ons doen behoren tot degenen die waardig zijn voor zijn shafā‘ah en tot degenen die zijn Ḥawḍ (Waterbekken in Kawthar) zullen bereiken.

En het einde van onze du‘ā is: “Alle lof behoort toe aan Allāhu (تعالى), de Rab van de werelden.”

35. De hadīth: “Allāhu (تعالى) zal de aarde oprollen… daarna zal Hij zeggen: ‘Ik ben al-Malik’

Sahîh al-Bukhârî overlevert deze ḥadīth in deel 6, pagina 326, in Kitābu’t-Tafsīr, bij de uitleg van de āyah uit Sūrah az-Zumar:

وَمَا قَدَرُواْ ٱللَّهَ حَقَّ قَدۡرِهِۦ وَٱلۡأَرۡضُ جَمِيعٗا قَبۡضَتُهُۥ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ وَٱلسَّمَٰوَٰتُ مَطۡوِيَّٰتُۢ بِيَمِينِهِۦۚ سُبۡحَٰنَهُۥ وَتَعَٰلَىٰ عَمَّا يُشۡرِكُونَ ٦٧Zij achten Allāh niet met de achting die Hem toekomt, terwijl Hij op de Yawm al-Qiyāmah de aarde volledig in Zijn greep heeft, en de hemelen in Zijn rechterhand opgerold zullen zijn. Verheerlijkt is Hij, en Verheven boven alles wat zij als deelgenoten aan Hem toekennen! (Zumar, 39:67)

318. Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), dat hij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hoorde zeggen: “Allāhu (تعالى) zal de aarde samenrollen en de hemelen met Zijn Rechterhand oprollen. Vervolgens zal Hij zeggen: “Ik ben al-Malik. Waar zijn de koningen van de aarde?” al-Bukhārī overlevert deze ḥadīth eveneens van Abû Hurayrah (رضي الله عنه) in Kitābu’r-Riqāq.

al-Bukhārī overlevert deze ḥadīth ook in Kitābu’t-Tawḥīd:319. Van ‘Abdullāh ibn ‘Umar (رضي الله عنهما). De tekst van die overlevering luidt: “Allāhu (تعالى) zal de aarde, of de aardes, samenrollen. En de hemelen zullen zich in Zijn Rechterhand bevinden. Daarna zal Hij zeggen:‘Ik ben al-Malik.”

al-Bukhārī vermeldt in Kitābu’t-Tawḥīd eveneens twee andere overleveringen van deze ḥadīth via ‘Abdullāh ibn Mas‘ūd (رضي الله عنه). In één van die overleveringen staat:

“…daarna zal Hij hen schudden en zeggen: ‘Ik ben al-Malik, Ik ben al-Malik.”

In Kitābu’t-Tafsīr, bij de uitleg van Sūrah az-Zumar, staat bovendien een langere overlevering dan de voorgaande.

320.

Van Ādam ibn Abī Iyās, van Manṣūr, van Ibrāhīm, van ‘Ubaydah, dat ‘Abdullāh (رضي الله عنه) zei: “Een joodse geleerde kwam naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei:

‘O Muḥammad, wij lezen dat Allāhu de hemelen op één vinger zal plaatsen, de aardes op één vinger, de bomen op één vinger, het water en de aarde op één vinger en de overige schepselen op één vinger. Vervolgens zal Hij zeggen: “Ik ben al-Malik.”

Toen glimlachte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zodanig dat zijn voortanden zichtbaar werden, als bevestiging van wat de joodse-geleerde zei. Daarna reciteerde hij de āyah:وَمَا قَدَرُواْ ٱللَّهَ حَقَّ قَدۡرِهِۦ وَٱلۡأَرۡضُ جَمِيعٗا قَبۡضَتُهُۥ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ وَٱلسَّمَٰوَٰتُ مَطۡوِيَّٰتُۢ بِيَمِينِهِۦۚ سُبۡحَٰنَهُۥ وَتَعَٰلَىٰ عَمَّا يُشۡرِكُونَ ٦٧Zij achten Allāh niet met de achting die Hem toekomt, terwijl Hij op de Yawm al-Qiyāmah de aarde volledig in Zijn greep heeft, en de hemelen in Zijn rechterhand opgerold zullen zijn. Verheerlijkt is Hij, en Verheven boven alles wat zij als deelgenoten aan Hem toekennen! (Zumar, 39:67)

321. Sahîh Muslim overlevert de ḥadīth van de joodse-rabbijn eveneens in het hoofdstuk:

“De eigenschappen van de Qiyāmah, Jannah en Jahannam.”

In die overlevering staat: “De rabbijn zei tegen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم):

‘O Muḥammad’ of: ‘O Abû’l-Qāsim, Allāhu zal op de Yawm al-Qiyāmah de hemelen op één vinger houden…”

Daarna vervolgt de ḥadīth tot aan de woorden: “…vervolgens zal Hij hen schudden en zeggen: ‘Ik ben al-Malik, Ik ben al-Malik.”

322.Vervolgens vermeldt Muslim nog een andere overlevering van deze ḥadīth.

Daarin komt de uitdrukking: “Daarna zal Hij hen schudden”, niet voor. Daarna geeft hij andere overleveringen met teksten die dicht bij elkaar liggen.

In sommige overleveringen wordt, na de woorden: “Ik zag an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) lachen totdat zijn kiezen zichtbaar werden,”, de volgende toevoeging vermeld: “als bevestiging van zijn woorden en uit verbazing over wat hij zei.”Daarna vermeldt Muslim opnieuw de ḥadīth van Abû Hurayrah (رضي الله عنه) in dezelfde vorm als die door al-Bukhārī werd overgeleverd en hierboven genoemd werd.

Vervolgens vermeldt Muslim verschillende andere overleveringen van deze ḥadīth met aanvullende formuleringen. Deze overleveringen komen van ‘Abdullāh ibn Mas‘ūd (رضي الله عنه).

323. Van Abû Bakr ibn Shaybah, van Abû Usāmah, van ‘Umar ibn Ḥamzah, van Sālim ibn ‘Abdillāh, van ‘Abdullāh ibn ‘Umar (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:

“Allāhu (عَزَّ وَجَلَّ) zal op de Yawm al-Qiyāmah de hemelen oprollen en hen vervolgens in Zijn Rechterhand nemen. Daarna zal Hij zeggen: “Ik ben al-Malik. Waar zijn de tirannen? Waar zijn de hoogmoedigen?”

Daarna zal Hij de aarde met Zijn linkerhand oprollen en opnieuw zeggen: “Ik ben al-Malik. Waar zijn de tirannen? Waar zijn de hoogmoedigen?”

Opnieuw vermeldt Sahîh Muslim het volgende:

324. Van Sa‘īd ibn Manṣūr, van Ya‘qûb, dat wil zeggen Ibn ‘Abdurraḥmān, van Abû Ḥāzim, van ‘Ubaydullāh ibn Muqsam: “`Ubaydullāh ibn Muqsam keek naar ‘Abdullāh ibn ‘Umar (رضي الله عنهما) om te zien hoe Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dit beschreef.”

Toen zei hij: “Allāhu (تعالى) zal de hemelen en de aarde met Zijn beide Handen oprollen. Vervolgens zal Hij zeggen: ‘Ik ben Allāh.’”

(Terwijl Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn vingers samenkneep en weer opende.)

Daarna zal Hij zeggen: ‘Ik ben al-Malik.’”

‘Abdullāh ibn ‘Umar (رضي الله عنهما) zei: “Toen keek ik naar de minbar, en die schudde van onder tot boven. Zozeer zelfs dat ik begon te denken: ‘Zal deze minbar samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) omvallen?”

De tweede ḥadīth van ‘Abdullāh ibn ‘Umar (رضي الله عنهما), die ook door Muslim is overgeleverd, wordt door Sunan Ibn Majah met de volgende tekst vermeld:

325. Van ‘Abdullāh ibn ‘Umar (رضي الله عنهما), hij zei: “Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen, terwijl hij zich op de minbar zat: ‘Allāhu (تعالى), de Bezitter van absolute heerschappij, zal de hemelen en de aarde met één Hand nemen en hen daarin vasthouden.”

Daarop begon hij zijn hand te openen en te sluiten en (Allāh) zei: ‘Ik ben de Bezitter van absolute heerschappij. Waar zijn degenen die macht uitoefenden op aarde? Waar zijn de hoogmoedigen?”

De overleveraar Ibn ‘Umar zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beeldde dit uit met zijn rechts en links (rechteren linkerhand).

Toen keek ik naar de minbar, en die schudde tot onderaan toe. Zó zelfs dat ik zei:

“O Rasûlullāh, zal deze minbar instorten?”

(Uit Sunan Ibn Mājah, deel 1, p. 45, uit het hoofdstuk: “Over hetgeen de Jahmiyyah ontkennen.”)

Ook Sunan Abi Dawud overlevert deze ḥadīth in zijn Sunan, deel 4, pagina 183, in het hoofdstuk over ar-Ru’yah:

326.

Van Ibn ‘Umar (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) zal op de Yawm al-Qiyāmah de hemelen oprollen en hen vervolgens in Zijn Rechterhand nemen. Daarna zal Hij zeggen: ‘Ik ben al-Malik. Waar zijn de tirannen? Waar zijn de hoogmoedigen?’”

Daarna zal Hij de aardes oprollen en hen nemen.”

Ibn al-‘Alā (een van de overleveraars) zei: “Hier zei hij: ‘met Zijn andere Hand.”

Daarna zal Hij zeggen: ‘Ik ben al-Malik. Waar zijn de tirannen? Waar zijn de hoogmoedigen?”

Uitleg van de aḥādīth 318–326

Uitleg van de ḥadīth over de joodse-geleerde die naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam:

Al-Ḥāfiẓ Ibn Ḥajar vermeldt dat hij geen vermelding heeft gevonden van de naam van deze geleerde.

De woorden: “Wij lezen dat…”, betekenen: “Wij lezen dit in de Tawrāh.”

De reden waarom Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de betreffende āyah aan de joodse-geleerde reciteerde, was dat die āyah een bevestiging bevatte van wat hij gezegd had.

Eveneens betekende zijn glimlach een bevestiging van diens woorden. (Sharḥ van al-Qasṭallānī, deel 7, p. 320)

Met betrekking tot de vraag van de joodse-geleerde over het vasthouden van de hemelen op één vinger en de aarde op één vinger, geeft al-Qasṭallānī de volgende uitleg: “Hier bevindt zich een moeilijk te begrijpen kwestie. Sommigen hebben deze woorden opgevat als een aanwijzing dat de jood Allāh met een lichaam vergelijkt en dat zij de geopenbaarde teksten interpreteren als uitspraken die tashbīh bevatten, (dus het vergelijken van Allāhu (تعالى) met de schepping), en dat zij niet zeggen/bedoelen zoals de moslims zeggen/bedoelen. Al-Khaṭṭābī behoort tot degenen die deze uitleg gaven. Al-Khaṭṭābī zegt: “Meerdere mensen hebben deze ḥadīth van ‘Abdullāh ibn Mas‘ūd (رضي الله عنه) via de keten van ‘Ubaydah overgeleverd, maar zij hebben de uitdrukking: ‘als bevestiging van de woorden van de joodse-geleerde’, niet vermeld.”

Het kan dus zijn dat deze toevoeging gebaseerd is op de persoonlijke veronderstelling en interpretatie van de overleveraar.

Het lachen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) betekende volgens hem verwondering over de onwaarheid van de joodse-geleerde. De overleveraar dacht echter dat dit lachen een bevestiging van diens woorden betekende, terwijl dat in werkelijkheid niet zo was.

Al-Qasṭallānī verwijst in Kitābu’t-Tawḥīd, in het hoofdstuk over de uitspraak van Allāhu (تعالى): هُوَ ٱللَّهُ ٱلۡخَٰلِقُ ٱلۡبَارِئُ ٱلۡمُصَوِّرُۖ لَهُ ٱلۡأَسۡمَآءُ ٱلۡحُسۡنَىٰۚ يُسَبِّحُ لَهُۥ مَا فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِۖ وَهُوَ ٱلۡعَزِيزُ ٱلۡحَكِيمُ ٢٤Hij is Allāh, de Schepper, de Ontdekker van alle zaken, de Vormer. Aan Hem behoren de Beste (Schone) Namen. Alles wat in de hemelen en op aarde is verheerlijkt Hem. En Hij is de Almachtige, de Alwijze. (Ḥashr, 59:24)

naar de uitleg van al-Khaṭṭābī en zegt: “Al-Khaṭṭābī bespreekt de kwestie van de Vingers en zegt dat dit noch in de Qur’ān noch in een ḥadīth voorkomt waarvan de authenticiteit met absolute zekerheid vaststaat.”

Daarna zegt hij: “Het staat vast dat de Hand die aan Allāhu (تعالى) wordt toegeschreven, geen lichamelijke hand is zoals een lichaamsdeel, zodat uit de toeschrijving van een Hand aan Allāhu (تعالى) zou volgen dat Hij ook Vingers heeft.”

Integendeel, het gaat om iets dat door de Sharīʿah is vastgesteld. De wijze waarop het is (kayfiyyah) is niet te bevatten, en het wordt niet vergeleken met de eigenschappen van lichamen. De vermelding van Vingers behoort tot de vermenging van de joden, die de weg van tashbīh (het vergelijken van Allāhu (تعالى) met een lichaam) hebben gekozen.

Wat betreft de uitspraak van de overleveraar: “als bevestiging van zijn woorden,”

dat is volgens al-Khaṭṭābī slechts zijn eigen veronderstelling. Want meerdere leerlingen van ‘Abdullāh ibn Mas‘ūd (رضي الله عنه) hebben deze ḥadīth overgeleverd zonder die toevoeging.

Al-Qasṭallānī vermeldt vervolgens in hetzelfde hoofdstuk een uitspraak van al-Qurṭubī bij de uitleg van deze ḥadīth.

Al-Qurṭubī zegt in al-Mufhim: “Het lachen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was vanwege zijn verwondering over de onwetendheid van de joodse-geleerde.”

Daarom reciteerde hij de āyah:وَمَا قَدَرُواْ ٱللَّهَ حَقَّ قَدۡرِهِۦ وَٱلۡأَرۡضُ جَمِيعٗا قَبۡضَتُهُۥ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ وَٱلسَّمَٰوَٰتُ مَطۡوِيَّٰتُۢ بِيَمِينِهِۦۚ سُبۡحَٰنَهُۥ وَتَعَٰلَىٰ عَمَّا يُشۡرِكُونَ ٦٧Zij achten Allāh niet met de achting die Hem toekomt, terwijl Hij op de Yawm al-Qiyāmah de aarde volledig in Zijn greep heeft, en de hemelen in Zijn rechterhand opgerold zullen zijn. Verheerlijkt is Hij, en Verheven boven alles wat zij als deelgenoten aan Hem toekennen! (Zumar, 39:67)De overlevering van deze gebeurtenis is zonder twijfel authentiek (sahīh). Maar de woorden van de overleveraar: “als bevestiging van zijn woorden,” behoren niet tot de tekst van de ḥadīth zelf; het betreft slechts zijn eigen uitleg. Daarom hebben zij geen bewijskracht en zijn zij niet doorslaggevend. Want Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bevestigt geen onmogelijke zaken.

Deze eigenschappen die aan Allāhu (تعالى) worden toegeschreven in de woorden van de joodse-geleerde, zijn volgens hem onmogelijk. Want als Allāhu (تعالى) werkelijk Vingers, Handen en lichaamsdelen zou hebben zoals geschapen wezens, dan zou Hij op ons lijken. En indien dat zo was, zou Zijn goddelijkheid onmogelijk zijn. Daarom is de uitspraak van de joodse-geleerde volgens hem onmogelijk en vals. (Hier eindigt het citaat uit al-Mufhim.)

Daarna zegt al-Qasṭallānī: “Sommigen hebben bezwaar gemaakt tegen zijn uitleg, omdat in bepaalde aḥādīth eveneens Vingers genoemd worden.”

Eén van die aḥādīth wordt door Sahîh Muslim overgeleverd: “Het hart van de zoon van Ādam bevindt zich tussen twee Vingers van ar-Raḥmān.”

Maar dit vormt volgens hem geen weerlegging van al-Khaṭṭābī, want hij ontkent slechts dat hier absolute zekerheid uit afgeleid kan worden.

Ja, Shaykh Abû ‘Amr Ibn aṣ-Ṣalāḥ was van mening dat de aḥādīth die gezamenlijk door al-Bukhārī en Muslim zijn overgeleverd, de graad van tawātur bereiken, en dat het niet juist is betrouwbare overleveraars te bekritiseren of authentieke berichten af te wijzen.

Indien de zaak werkelijk was zoals de overleveraar dacht, dan zou dat betekenen dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de joodse-geleerde bevestigd had in zijn onjuiste overtuiging, of had gezwegen tegenover zijn valse bewering.

En wij zoeken bescherming bij Allāhu (تعالى) tegen het toeschrijven van zoiets aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).

Ibn Khuzaymah verzet zich krachtig tegen degenen die het lachen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) uitleggen als een teken van afkeuring van hetgeen gezegd werd.

Nadat hij deze ḥadīth heeft overgeleverd in het hoofdstuk Kitābu’t-Tawḥīd van zijn Ṣaḥīḥ, zegt hij: “Allāhu (تعالى) is te Verheven om toe te laten dat Zijn Nabī (صلى الله عليه وسلم) Hem zou beschrijven met een eigenschap die niet passend is voor Hem, en daarna, wanneer zo’n onjuiste beschrijving gedaan wordt, daarop niet met afkeuring en toorn te reageren, maar met een glimlach.

Niemand die gelooft in het profeetschap van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kan zoiets over hem denken.” (al-Qasṭallānī, Kitābu’t-Tawḥīd, deel 10, p. 388)

Al-Qasṭallānī zegt vervolgens in Kitābu’t-Tafsīr, nadat hij de uitspraken van al-Khaṭṭābī en al-Qurṭubī heeft aangehaald: “Er bestaat geen twijfel over dat de Ṣaḥābah zeer goed wisten wat zij overleverden. Zij hebben expliciet vermeld dat het lachen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een bevestiging van hetgeen gezegd werd betekende. Daarnaast staat in Sahîh Muslim authentiek vast dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er is geen enkel hart behalve dat het zich tussen twee vingers van ar-Raḥmān bevindt.”

Ook wordt in de ḥadīth van Ibn ‘Abbās (رضي الله عنهما), die begint met: “Mijn Rab kwam deze nacht tot mij in de mooiste gedaante…”, vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:

“Hij plaatste Zijn Hand tussen mijn schouders.”

Eveneens wordt in de overlevering van Mu‘ādh (رضي الله عنه) vermeld: “Ik voelde de koelte van Zijn vingers tussen mijn borst.” Deze overleveringen ondersteunen elkaar wat betreft de vermelding van vingers.

Hoe kan men kritiek leveren op een ḥadīth die gezamenlijk door Ṣaḥīḥ al-Bukhārī en Ṣaḥīḥ Muslim is overgeleverd en opgenomen, terwijl deze boeken zijn samengesteld door geleerden die de wetenschap van ḥadīthkritiek volledig beheersten en daarin de hoogste nauwkeurigheid betrachtten?

Vooral wanneer men bedenkt dat Ibn aṣ-Ṣalāḥ verklaarde dat de aḥādīth waarover al-Bukhārī en Muslim overeenstemming hebben, de graad van tawātur bereiken.

Hoe zou men dan kunnen denken dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zou lachen wanneer zijn Rab op een ontoelaatbare wijze beschreven wordt, zonder dat hij dat krachtig zou afwijzen?

Wij zoeken bescherming bij Allāhu (تعالى) tegen het uitspreken van zoiets.

Nadat de authenticiteit van deze ḥadīth vaststaat, behoren dergelijke uitdrukkingen tot de mutashābih (meerduidige)-teksten, net zoals andere overleveringen waarin sprake is van het Gezicht, de Handen, de Voet, het Onderbeen of de Zijde van Allāhu (تعالى).

Ook in de Qur’ān wordt vermeld dat de menselijke nafs zal zeggen:أَن تَقُولَ نَفۡسٞ يَٰحَسۡرَتَىٰ عَلَىٰ مَا فَرَّطتُ فِي جَنۢبِ ٱللَّهِ وَإِن كُنتُ لَمِنَ ٱلسَّٰخِرِينَ ٥٦Zodat niemand zegt: “Wat een spijt heb ik dat ik niet plichtsgetrouw jegens Allāh was en ik was zeker onder degenen die spotten.” Zumar, 39:56)

Onze geleerden verschilden van mening over zulke moeilijke teksten: “Moeten zij geïnterpreteerd worden (ta’wīl), of moeten wij zwijgen over de precieze betekenis en de ware bedoeling ervan aan Allāhu (تعالى) overlaten?

Zij waren het er echter unaniem over eens dat ons ontbreken van gedetailleerde kennis over deze zaken geen afbreuk mag doen aan ons geloof in wat ermee bedoeld wordt.

Het overlaten van de ware betekenis aan Allāhu (تعالى) is de weg van de Salaf, en dat is de veiligste weg. De weg van de interpretatie (ta’wīl) is de weg van de Khalaf, de latere geleerden, en deze vereist diepgaande kennis. Hier wordt “Vinger” bijvoorbeeld geïnterpreteerd als een aanduiding van de macht en de kracht (qudrah) van Allāhu (تعالى). Dat hiermee letterlijke ledematen bedoeld zouden zijn, is onmogelijk.

“De meest welsprekende van de Arabieren glimlachte en verwonderde zich, omdat hij uit deze woorden iets anders begreep dan hetgeen de geleerden van de retorica eruit begrepen.

Hij stelde zich hiermee geen bekende vingers of lichamelijke ledematen voor. Daar is niets wonderlijks aan. Alleen heeft hij aan het begin van de uitspraak de betekenis verduidelijkt die wijst op de almacht die boven alles staat.”

Ibn Fawrak zegt eveneens: “Met vingers kunnen ook de vingers van bepaalde geschapen wezens bedoeld zijn.”

Uitleg van de ḥadīth die door al-Bukhārī en Muslim van Abû Hurayrah en ‘Abdullāh ibn ‘Umar (رضي الله عنهم) is overgeleverd: “Allāhu (تعالى) zal de aarde samenrollen en de hemelen oprollen met Zijn Rechterhand,” hier kan “oprollen” betekenen: samenvouwen en opvouwen, zoals oprollen of papier vouwen.

In de āyah staat immers:يَوۡمَ نَطۡوِي ٱلسَّمَآءَ كَطَيِّ ٱلسِّجِلِّ لِلۡكُتُبِۚ كَمَا بَدَأۡنَآ أَوَّلَ خَلۡقٖ نُّعِيدُهُۥۚ وَعۡدًا عَلَيۡنَآۚ إِنَّا كُنَّا فَٰعِلِينَ ١٠٤En (gedenk) de Dag wanneer Wij de hemelen zullen oprollen zoals een schrijver zijn geschriften oprolt; zoals Wij de eerste schepping begonnen, Wij zullen het herhalen (het is) een belofte die Ons bindt. Waarlijk, Wij zullen het doen. (Anbiyāʾ, 21:104)

Het kan ook de betekenis hebben van vernietigen. De Arabieren zeggen namelijk: “Ik heb die persoon met mijn zwaard opgerold,” waarmee bedoeld wordt: “Ik heb hem vernietigd.”

Qāḍī ‘Iyāḍ zegt: “Dit betekent dat Allāhu (تعالى) de schaduwplaatsen en beschuttingen zal doen verdwijnen en dat Hij door Zijn absolute kracht (qudrah) deze zaken zal onttrekken aan hun functie als toevluchtsoord en verblijfplaats voor de mensen.”

Alle grote zaken zijn voor de verheven kracht van Allāhu (تعالى) uiterst gemakkelijk.

Tegenover Zijn macht verdwijnen alle andere krachten en vermogens. Verstand en gedachten raken hierover verbijsterd wanneer zij het proberen voor te stellen en te verbeelden.

Daarna zal Allāhu (تعالى) zeggen: “Ik ben al-Malik. Waar zijn de koningen van de aarde?”

In de ḥadīth die door Sahîh Muslim als marfû‘ van Ibn ‘Umar (رضي الله عنهما) is overgeleverd, wordt ook gewezen op het verschil in rang en graad tussen de hemelen en de aarde om dit duidelijk te maken: “Hij zal de hemelen oprollen en hen vervolgens in Zijn Rechterhand nemen. Daarna zal Hij zeggen: ‘Ik ben al-Malik. Waar zijn de tirannen? Waar zijn de hoogmoedigen?”

Daarna zal Hij de aarde oprollen met Zijn Linkerhand en opnieuw zeggen: “Ik ben al-Malik. Waar zijn de tirannen? Waar zijn de hoogmoedigen?”

Uitleg van de ḥadīth van Ibn ‘Umar (رضي الله عنهما), overgeleverd door Muslim en Sunan van Ibn Majah, waarin de minbar schudde. Deze uitleg is afkomstig uit het Sharḥ van Imām an-Nawawī op Ṣaḥīḥ Muslim. (In de marginale aantekening van al-Qasṭallānī, deel 10, p. 548)

De geleerden zeggen: “Met de woorden:“Hij opende en sloot zijn vingers,”

wordt Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bedoeld”.

Daarom werd gezegd: “Ibn Muqassim keek naar Ibn ‘Umar (رضي الله عنهما) om te leren hoe hij van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dit heeft overgeleverd.”

Het toeschrijven van twee Handen aan Allāhu (تعالى) werd door hen uitgelegd als een verwijzing naar Zijn macht en kracht. Zijn macht en kracht werden beschreven met “twee Handen”, omdat onze handelingen met onze handen verricht worden.

De zaak werd dus op een manier uitgelegd die voor ons begrijpelijk wordt, zodat een duidelijker en krachtiger voorstelling in de geest ontstaat.

Om de betekenis nog duidelijker te maken, werden bovendien de Rechteren Linkerhand genoemd. Want bij ons worden waardevolle zaken gewoonlijk met de rechterhand uitgevoerd, terwijl minder waardevolle zaken met de linkerhand. Ook verricht de rechterhand bij ons dingen waartoe de linkerhand niet in staat is.

Zoals bekend zijn de hemelen verheven boven de aarde. Daarom werden de hemelen verbonden met de rechterhand en de aardes met de linkerhand.

Dit werd zo gezegd om de vergelijking in de metaforische uitdrukking volledig begrijpelijk te maken. In werkelijkheid kan over Allāhu (تعالى) echter niet gezegd worden dat iets voor Hem zwaarder of lichter is dan iets anders. Dit is een samenvatting van de uitleg van al-Māzarī over deze ḥadīth.

“De minbar schudde”, betekent, de minbar bewoog van onder naar boven door de bewegingen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).

Qāḍī ‘Iyāḍ zegt: “Wij geloven in Allāhu (تعالى) en in Zijn eigenschappen. Wij vergelijken niets met Hem, en vergelijken Hem evenmin met iets anders.”

“Niets is aan Hem gelijk. Hij is de Alhorende en de Alziende.”

Wat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd is de waarheid en juist. Alleen begrijpen wij de ware werkelijkheid ervan niet volledig.

Door de goedheid (iḥsān) van Allāhu (تعالى) geloven wij ook in hetgeen voor ons verborgen is gebleven. De kennis daarvan laten wij over aan Allāhu (تعالى).

Wij begrijpen de bewoordingen volgens betekenissen die in de Arabische taal mogelijk en gebruikelijk zijn, nadat wij Allāhu (تعالى) hebben verheven boven gelijkenis met de geschapenen, zeggen wij niet met zekerheid dat één van de mogelijke betekenissen absoluut bedoeld wordt. En Allāhu (تعالى) weet het best wat juist is.

Kortom: “Wij moeten geloven in alle āyāt en aḥādīth die betrekking hebben op de eigenschappen van Allāhu (تعالى), en geloven dat de betekenis die Allāhu (تعالى) ermee bedoelt zonder enige twijfel waar is.

Hierover volgen wij óf de weg van de Salaf, namelijk geloven dat Allāhu (تعالى) verheven is boven gelijkenis met de geschapenen, terwijl wij de uiteindelijke betekenis van zulke teksten aan Allāhu (تعالى) overlaten.

Óf wij volgen de weg van de Khalaf, de latere geleerden:, namelijk deze uitdrukkingen interpreteren op een wijze die past bij de majesteit en verhevenheid van Allāhu (تعالى).

Weet echter dat het volgen van de weg van de Khalaf zeer uitgebreide kennis vereist.

De mooiste en veiligste weg is die van de Salaf, omdat die veiliger is tegen dwaling en gevaar.

Deze teksten/termen uitleggen op een manier die onmogelijk door Allāhu (تعالى) bedoeld kunnen zijn, vormt daarentegen een enorm gevaar.

O Allāh, moge U ons succes (tawfīq) schenken om in U en Uw eigenschappen te geloven, ons te beschermen tegen dwalingen en misstappen, en ons vrijwaren van twijfel en verwarring. Āmīn, yā Rabbu’l-‘Ālamīn.

36. Aḥādīth over de voorspraak (ash-Shafā‘ah)

Sahîh al-Bukhârî overlevert in deel 4, pagina 134, in Kitābu Bad’i’l-Khalq, bij het hoofdstuk over de āyah:إِنَّآ أَرۡسَلۡنَا نُوحًا إِلَىٰ قَوۡمِهِۦٓ أَنۡ أَنذِرۡ قَوۡمَكَ مِن قَبۡلِ أَن يَأۡتِيَهُمۡ عَذَابٌ أَلِيمٞ ١Waarlijk, Wij hebben Noah tot zijn volk gestuurd (zeggende): “Waarschuw jouw volk voordat er een pijnlijke bestraffing tot hen komt. (Nūḥ: 71:1)het volgende:

327. Van Isḥāq ibn Naṣr, van Muḥammad ibn ‘Ubayd, van Abû Ḥayyān, van Abû Zur‘ah, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd vleesmaaltijd aangeboden, het deel van de schenkel werd aan hem gepresenteerd, want hij hield van dit deel van het vlees. Hij beet een stuk van het vlees af, en zei vervolgens: “Ik ben de meester/heer (sayyid) van de mensen op de Yawmu’l Qiyamah. Weten jullie waarom? Allāh zal zowel de vroegere als de latere generaties, de hele mensheid, bijeenbrengen op één uitgestrekt veld, waar de oproeper zijn stem zal kunnen laten horen en waar iedereen zichtbaar is. De zon zal zo dichtbij genaderd worden dat de mensen het niet kunnen verdragen en in wanhoop verkeren. Dan zullen de mensen zeggen: “Zien jullie niet wat jullie zal overkomen? Kijken jullie niet naar degene die bij onze Rab voorspraak (shafa`ah) gaat doen?'Op dat moment zal een groep mensen tegen een andere groep zeggen: 'Ga naar Adam (عليه السلام).' Ze zullen naar Adam عليه السلام gaan en zeggen: 'U bent de vader van de mensheid, Allāh heeft u met Zijn hand geschapen, Hij heeft Zijn geest in u geblazen en de engelen geboden om voor u neer te buigen. Doe voorspraak voor ons bij uw Rab. Ziet u onze toestand niet? Ziet u niet wat er met ons gebeurt?' Adam عليه السلام zal zeggen: 'Waarlijk, mijn Rab is vandaag zo boos dat Hij nog nooit zo boos is geweest en Hij zal dat ook nooit weer zijn. Ik werd verboden om van de boom te eten, maar ik heb tegen Hem gezondigd. Ik denk aan mezelf, ik denk aan mezelf, ik vrees voor mijzelf (nafsī). Ga naar Nûh.'Ze zullen naar Nûh (عليه السلام) gaan en zeggen: 'O Nûh, waarlijk u bent de eerste van de boodschappers die naar de aarde werd gezonden. Allāh noemde u 'Een zeer dankbare dienaar', doe voorspraak voor ons bij uw Rab.

Ziet u niet in wat voor een toestand we verkeren?' Nûh (عليه السلام) zal zeggen: ''Waarlijk mijn Rab is vandaag zo boos dat Hij nog nooit zo boos is geweest en Hij zal dat ook nooit weer zijn. Ik had een recht om te bidden, maar die heb ik gebruikt tegen mijn volk. Ik vrees voor mijzelf, ik vrees voor mijzelf, ik vrees voor mijzelf, (nafsī). Ga naar Ibrāhīm.'Ze zullen naar Ibrāhīm عليه السلام gaan en zeggen: 'O Ibrāhīm, u bent Rasûlullāh en de innige vriend (khalīl) van Allāh op aarde, doe voorspraak voor ons bij uw Rab Ziet u niet in wat voor een toestand we verkeren?' Ibrāhīm (عليه السلام) zal zeggen: ''Waarlijk, mijn Rab is vandaag zo boos dat Hij nog nooit zo boos is geweest en Hij zal dat ook nooit weer zijn. En ik heb drie leugens verteld in mijn leven. Ik vrees voor mijzelf, ik vrees voor mijzelf, ik vrees voor mijzelf (nafsī). Ga naar Mûsā.'Ze zullen naar Mûsā (عليه السلام) gaan en zeggen: 'O Mûsā, u bent Rasûlullāh en u hebt met Hem gesproken. Hij heeft u verheven boven de mensen. doe voorspraak voor ons bij uw Rab. Ziet u niet in wat voor een toestand we verkeren?' Mûsā (عليه السلام) zal zeggen: ''Waarlijk, mijn Rab is vandaag zo boos dat Hij nog nooit zo boos is geweest en Hij zal dat ook nooit weer zijn. En ik heb een ziel gedood die ik niet mocht doden. Ik vrees voor mijzelf, ik vrees voor mijzelf, ik vrees voor mijzelf (nafsī). Ga naar `Īsā.'Ze zullen naar `Īsā عليه السلام gaan en zeggen: 'O `Īsā, u bent Rasûlullāh en het woord dat Hij naar Maryam stuurde en geest uit Hemzelf inblies. U sprak met mensen toen u nog een kindje in de wieg was. Doe voorspraak voor ons bij uw Rab, ziet u niet in wat voor een toestand we verkeren?' `Īsā (عليه السلام) zal zeggen: 'Mijn Rab is vandaag zo boos dat Hij nog nooit zo boos is geweest en Hij zal dat ook nooit weer zijn.

Ik vrees voor mijzelf, ik vrees voor mijzelf, ik vrees voor mijzelf (nafsī). Ga naar Muhammad (صلى الله عليه وسلم). Ze zullen naar Muhammed (صلى الله عليه وسلم) gaan en zeggen: “O Muhammed! U bent Rasûlullāh. U bent de laatste der anbiyā. Zeker, Allāh heeft uw eerdere en latere zonden vergeven. Doe voorspraak bij uw Rab! Ziet u niet in wat voor een toestand we verkeren?' “Daarop ga ik onmiddellijk onder de Troon (`Arsh) en buig ik neer (sajdah) in aanbidding voor mijn Almachtige en Majestueuze Rab. Dan zal Allāh mij lof en prijzen inspireren die voor niemand anders dan mij zijn bestemd. En nadat ik Hem met deze lofprijzingen in aanbidding ter aarde val, zal Hij tegen mij zeggen: 'O Muhammad! Hef je hoofd op. Zeg en je woorden zullen worden gehoord. Vraag en het zal je gegeven worden Doe voorspraak en je voorspraak zal worden geaccepteerd. Ik zal mijn hoofd opheffen en zeggen: 'O mijn Rab! Mijn ummah! O mijn Rab! Mijn ummah!' Hij zal zeggen: “Laat degenen die zonder afrekening Jannah zullen binnengaan, via de rechterpoort van Jannah binnenkomen. Zij zullen ook door andere poorten naar binnen gaan.'Bij Hem in Wiens hand mijn ziel is, de ruimte tussen de poorten van Jannah is zo groot als de afstand tussen Makkah en Himyar, of tussen Makkah en Busra.”

De overleveraar Muḥammad ibn ‘Ubayd zei:

“Het resterende deel van de ḥadīth ken ik niet meer uit mijn hoofd.”

Uitleg van de 327ste ḥadīth

Deze uitleg is ontleend aan het Sharḥ van al-Qasṭallānī:

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hield van het vlees van de schenkel, omdat dit deel snel gaar wordt, de maag niet belast, snel verteert en bovendien een aangename smaak heeft.“Ik ben op de Yawm al-Qiyāmah de meester/heer (sayyid) van de mensen,” betekent: Ik ben degene tot wie de mensen zich zullen wenden om verlost te worden van de moeilijkheden en verschrikkingen die zij op die dag zullen meemaken.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) noemt hier specifiek zijn sayyid zijn op de Yawm al-Qiyāmah, omdat zijn voortreffelijkheden op die dag duidelijker zichtbaar zullen worden en alle mensen zijn verheven positie zullen erkennen. Wanneer hij op de Yawm al-Qiyāmah de sayyid van de mensen is, dan geldt dat des te meer voor deze wereld.

In een andere ḥadīth zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Maak geen onderscheid tussen de anbiyā,” de betekenis hiervan is: “Maak geen onderscheid op een manier waarbij men tekortkomingen aan één van de anbiyā toeschrijft.” In zijn uitspraak hier ligt geen enkele tekortdoening van de andere anbiyā (عليهم السلام).

Of de betekenis van: “Maak geen onderscheid,” kan zijn: “Maak geen onderscheid wat betreft het profeetschap zelf.” Het profeetschap is immers een gunst die Allāhu (تعالى) schenkt aan wie Hij wil onder Zijn dienaren, als beproeving.Allāhu (تعالى) beschermt Zijn anbiyā tegen zonden en verheft hen door middel van waḥy.

Daarom kan geen enkel menselijk ambt of wereldse positie verheven worden boven het profeetschap. Vervolgens legt an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) uit waarom hij de sayyid van de mensen op de Yawm al-Qiyāmah zal zijn.

“Degene die kijkt zal hen zien”, betekent dat de plaats waarop zij zich bevinden volledig vlak zal zijn en dat er geen enkele bedekking of hindernis tussen hen aanwezig zal zijn.

“Degene die roept zal hen laten horen”, want op die dag zullen het gezichtsvermogen van de ogen en het gehoor van de oren versterkt worden.

In een āyah zegt Allāhu (تعالى):لَّقَدۡ كُنتَ فِي غَفۡلَةٖ مِّنۡ هَٰذَا فَكَشَفۡنَا عَنكَ غِطَآءَكَ فَبَصَرُكَ ٱلۡيَوۡمَ حَدِيدٞ ٢٢(Er wordt hem gezegd:) “Voorwaar, hiervoor was jij achteloos, toen hebben Wij de bedekking van jouw (hart) verwijderd, toen was jouw waarneming op deze Dag scherp.”(Qāf, 50:22)In een andere āyah zegt Hij:يَوۡمَ يَسۡمَعُونَ ٱلصَّيۡحَةَ بِٱلۡحَقِّۚ ذَٰلِكَ يَوۡمُ ٱلۡخُرُوجِ ٤٢Op die Dag zullen zij het blazen (op de bazuin) in werkelijkheid horen. Dat is de Dag van de Opwekking. (Qāf, 50:42)En in een andere āyah:مُّهۡطِعِينَ إِلَى ٱلدَّاعِۖ يَقُولُ ٱلۡكَٰفِرُونَ هَٰذَا يَوۡمٌ عَسِرٞ ٨Zich tot de oproeper haastend. De ongelovigen zullen zeggen: “Dit is een moeilijke dag.” (Qamar, 54:8)Dat wil zeggen: zij zullen haastig voortsnellen terwijl zij hun halzen richten naar degene die roept.

“Sommige mensen zullen zeggen: ‘Zien jullie niet wat ons is overkomen?,” dat wil zeggen: Allāhu (تعالى) zal hun dit ingeven.

Hierin ligt namelijk een grote wijsheid, aangezien daardoor de verheven status zichtbaar wordt van degene die voor hen de voorspraak (shafāʿah) zal verrichten, evenals zijn hoge positie, leiderschap (sayyid) en de verheven rang van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).

Daarna zullen zij zeggen: “Zoeken jullie niet iemand die voor jullie voorspraak zal doen bij jullie Rab?”, dat wil zeggen: zij hopen dat die voorspraak hen zal verlossen van het lange wachten, dat hun afrekening zal worden afgerond en dat zij gered zullen worden van de verschrikkingen van die dag.

De verschrikkingen van die dag zijn immers buitengewoon zwaar. In een āyah zegt Allāhu (تعالى):إِنَّا نَخَافُ مِن رَّبِّنَا يَوۡمًا عَبُوسٗا قَمۡطَرِيرٗا ١٠Waarlijk, wij vrezen van (onze Heer een moeilijke en pijnlijke Dag.” (Insān, 76:10)Daarna zal Allāhu (تعالى) hun ingeven om naar Ādam (عليه السلام) te gaan.Sommigen zullen zeggen: “Jullie vader is Ādam”, dat wil zeggen: hij kan wellicht voor jullie voorspraak doen bij jullie Rab.Zij zullen naar Ādam (عليه السلام) gaan en zeggen: “O Ādam, jij bent de vader van de mensheid,” dat wil zeggen: jouw voorspraak kan aanvaard worden.Vervolgens noemen zij de gunsten die Allāhu (تعالى) hem geschonken heeft en waardoor gehoopt wordt dat zijn shafā‘ah geaccepteerd zal worden.“Allāhu (تعالى) schiep jou met Zijn Hand,” dat wil zeggen: Hij schiep jou rechtstreeks met Zijn qudrah, zonder vader of moeder.“En Hij blies van Zijn rûḥ in jou”, terwijl andere schepselen deze bijzondere gunst niet gekregen hebben. Allāhu (تعالى) beveelt immers de aangewezen engel (malak), waarna die malak de rûḥ in het lichaam van het kind blaast terwijl het zich nog in de baarmoeder bevindt.

“En Hij beval de engelen (malā’ikah) waarna zij voor jou neerbogen”, dat wil zeggen: zij maakten jou tot hun qiblah en verrichtten sajdah naar jou bij hun sajdah tot Allāhu (تعالى). Dat zij jou als qiblah namen was een vorm van eerbetoon en verheffing van jouw positie.

“En Hij liet jou wonen in Zijn Paradijs,” dat wil zeggen: vóórdat jij van de verboden boom at, had Allāhu (تعالى) jou deze gunst al geschonken als een bijzondere gunst van Zijn zijde.

Toen Ādam (عليه السلام) vervolgens van de verboden boom at, liet Allāhu (تعالى) hem uit de Jannah vertrekken vanwege een grote wijsheid.

Dat de rûḥ die in Ādam (عليه السلام) geblazen werd aan Allāhu (تعالى) toegeschreven, is vanwege de eer, verhevenheid en bijzondere toekenning ervan. Dat wil zeggen: dit is een rûḥ die Allāhu (تعالى) rechtstreeks geschapen heeft en waarvan Hij de kennis van haar verborgen geheimen voor Zichzelf heeft voorbehouden.

Daarna zeggen de mensen tegen Ādam (عليه السلام): “Wil jij niet voor ons voorspraak doen bij jouw Rab? Zie je niet in welke toestand wij verkeren en wat ons is overkomen?”

Zij zeggen dit omdat zij hopen dat Ādam (عليه السلام) medelijden met hen zal hebben en misschien hun verzoek zal accepteren en shafā‘ah voor hen zal doen.

Ādam (عليه السلام) noemt vervolgens de reden waarom hij zich van shafā‘ah onthoudt: “Mijn Rab is vandaag zó vertoornd geworden als nooit tevoren.”

Want de dagen van de wereld waren dagen van uitstel voor de mensen, zodat zij misschien van hun zonden zouden terugkeren en tawbah zouden verrichten.

“En hierna zal Hij nooit meer op dezelfde wijze vertoornd worden.”

Want nadat er tussen de mensen geoordeeld is, zal iedere groep haar uiteindelijke verblijfplaats hebben bereikt. Een groep zal zich in Jannah bevinden en een groep in Jahannam.

Met het toeschrijven van woede (ghadāb) aan Allāhu (تعالى) wordt bedoeld wat daaruit voortvloeit, namelijk de bestraffing van degene op wie de woede rust.

Yahya ibn Sharaf al-Nawawi zei: Het betreft de toestanden die Allāhu (تعالى) ter vergelding zal laten plaatsvinden, evenals de ontzagwekkende verschrikkelijke gebeurtenissen die nooit eerder zijn gezien en ook daarna nooit meer zullen worden gezien, maar die op die Dag wel zullen worden aanschouwd.

“Allāhu (تعالى) verbood mij van de boom”, dat wil zeggen: van het eten van de vruchten ervan.

“Maar ik was Hem ongehoorzaam,” daarom kan ik niet naar voren treden voor shafā‘ah. Integendeel, ik verlang ernaar dat Allāhu (تعالى) mij vergeeft en deze fout van mij kwijtscheldt.

“Mijn nafs, mijn nafs”, dat wil zeggen: ik ben bezig met de redding van mijn eigen nafs.

Wij zeggen: “Allāhu (تعالى) noemde het eten van de boom door Ādam (عليه السلام) een daad van ongehoorzaamheid, zoals Hij zei:فَأَكَلَا مِنۡهَا فَبَدَتۡ لَهُمَا سَوۡءَٰتُهُمَا وَطَفِقَا يَخۡصِفَانِ عَلَيۡهِمَا مِن وَرَقِ ٱلۡجَنَّةِۚ وَعَصَىٰٓ ءَادَمُ رَبَّهُۥ فَغَوَىٰ ١٢١Toen aten zij beiden van de boom, zodat hun schaamte zichtbaar werd en zij begonnen zichzelf met de bladeren van Jannah te bedekken: en zo was Adam ongehoorzaam aan zijn Heer, en dwaalde hij. (Ṭā Hā 20:121)Maar vervolgens zegt Allāhu (تعالى) in het vervolg van dezelfde āyah:ثُمَّ ٱجۡتَبَٰهُ رَبُّهُۥ فَتَابَ عَلَيۡهِ وَهَدَىٰ ١٢٢Daarna koos zijn Heer hem uit en Hij aanvaardde zijn berouw en gaf hem Leiding. (Ṭā Hā 20:121)En in Sûrah al-Baqarah zegt Allāhu (تعالى):فَتَلَقَّىٰٓ ءَادَمُ مِن رَّبِّهِۦ كَلِمَٰتٖ فَتَابَ عَلَيۡهِۚ إِنَّهُۥ هُوَ ٱلتَّوَّابُ ٱلرَّحِيمُ ٣٧Toen ontving Adam van zijn Heer (nieuwe) woorden. Daarop aanvaardde Hij zijn berouw. Waarlijk, Hij is Degene Die vergeeft, de Genadevolle.

(Baqarah, 2:37)Het is mogelijk dat met deze woorden de woorden bedoeld worden die vermeld staan in Sûrah al-A‘rāf, 7:23:قَالَا رَبَّنَا ظَلَمۡنَآ أَنفُسَنَا وَإِن لَّمۡ تَغۡفِرۡ لَنَا وَتَرۡحَمۡنَا لَنَكُونَنَّ مِنَ ٱلۡخَٰسِرِينَ ٢٣Zij zeiden: “O Heer, wij hebben onszelf onrecht aangedaan. Als U ons niet vergeeft en ons Uw genade niet schenkt, dan zullen wij zeker tot de verliezers behoren.”Hoewel Allāhu (تعالى) de tawbah van Ādam (عليه السلام) heeft aanvaard, hem heeft verkozen en hem heeft geëerd met het profeetschap, zal hij op Yawm al-Qiyāmah toch een enorme vrees voor Allāhu (تعالى) hebben.Zo zullen ook de nabije dienaren van Allāhu (تعالى), de muqarrabûn, op die dag enorme vrees voor Hem hebben. Vanwege zijn intense angst zal Ādam (عليه السلام) niet naar voren willen treden voor de shafā‘ah en zal hij zeggen: “Mijn nafs, mijn nafs.”, dat wil zeggen: mijn eigen nafs heeft zelf meer behoefte aan de shafā‘ah.Zoals authentiek is overgeleverd door Sa‘īd ibn Manṣûr, zal Ādam (عليه السلام) zeggen: “O mijn Rab, ik maakte een fout terwijl ik in Jannatu’l-Firdaws verbleef. Als U mij vandaag vergeeft, dan is dat voor mij voldoende.”

Over de uitspraak van Ādam (عليه السلام) betreffende Nûḥ (عليه السلام): “Hij is de eerste van degenen die als rasûl naar de bewoners van de aarde werden gezonden”, bestaat een ogenschijnlijke moeilijkheid. Want Ādam (عليه السلام) was zelf een nabī die naar zijn kinderen gezonden werd. Eveneens was Idrīs (عليه السلام) een nabī, en beiden leefden vóór Nûḥ (عليه السلام).

Over deze kwestie is gezegd: De voorrang van gezantschap (risālah) van Nûḥ (عليه السلام) is verbonden aan de woorden: “naar de bewoners van de aarde,” dat wil zeggen: hij was de eerste Rasûl die Allāhu (تعالى) zond naar een volk dat afgoderij bedreef, om hen van de shirk naar de tawḥīd te brengen. De kinderen van Ādam (عليه السلام) waren namelijk nog niet in shirk vervallen. Het zenden van Ādam (عليه السلام) als nabī had als doel hun de regels van de dīn te onderwijzen. Na de zondvloed (ṭûfān) bleef niemand over behalve de nakomelingen van Nûḥ (عليه السلام).

In een āyah zegt Allāhu (تعالى):وَنَجَّيۡنَٰهُ وَأَهۡلَهُۥ مِنَ ٱلۡكَرۡبِ ٱلۡعَظِيمِ ٧٦En Wij redden hem en zijn familie van de grote ramp. (Ṣāffāt, 37:77)ذُرِّيَّةَ مَنۡ حَمَلۡنَا مَعَ نُوحٍۚ إِنَّهُۥ كَانَ عَبۡدٗا شَكُورٗا ٣O Nageslacht van degenen die Wij (in de ark) van Noah hebben gedragen! Waarlijk, hij was een dankbare dienaar.

(Isrāʾ, 17:3), dat wil zeggen: een dienaar die Allāhu (تعالى) voortdurend dankte voor Zijn gunsten en langdurig in qiyām (rechtop staat en Qur’ān reciteert in de salāh) stond uit dankbaarheid (ḥamd) jegens Hem.“Ga naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم)”, dat wil zeggen: ga naar Muḥammad (صلى الله عليه وسلم).Volgens de bekende en beroemde overleveringen verwees Ādam (عليه السلام) de mensen naar Nûḥ (عليه السلام), Nûḥ (عليه السلام) verwees hen naar Ibrāhīm (عليه السلام), Ibrāhīm (عليه السلام) naar Mûsā (عليه السلام), Mûsā (عليه السلام) naar ‘Īsā (عليه السلام), en ‘Īsā (عليه السلام) verwees hen vervolgens naar Muḥammad (صلى الله عليه وسلم).De overige anbiyā worden hier echter niet genoemd, omdat één van de overleveraars van de ḥadīth, Muḥammad ibn ‘Ubayd, verklaarde dat hij niet de volledige ḥadīth uit het hoofd kende. Het gedeelte over hen kan dus behoren tot het deel dat hij niet onthouden had. En Allāhu (تعالى) weet het het beste.

Sahîh al-Bukhârî overlevert in deel 6, pagina 17–18, in Kitābu’t-Tafsīr, in het hoofdstuk over de uitleg van de āyah:

وَعَلَّمَ ءَادَمَ ٱلۡأَسۡمَآءَ كُلَّهَا ثُمَّ عَرَضَهُمۡ عَلَى ٱلۡمَلَٰٓئِكَةِ فَقَالَ أَنۢبِـُٔونِي بِأَسۡمَآءِ هَٰٓؤُلَآءِ إِن كُنتُمۡ صَٰدِقِينَ ٣١En Hij onderwees Adam de namen van alle dingen en toen liet Hij deze aan de Engelen zien en zei: “Vertel Mij hiervan de namen, als jullie waarachtig zijn.” (Baqarah, 2:31)

328.

Van Muslim ibn Ibrāhīm, van Hishām, van Qatādah, van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: (In een andere overlevering overlevert al-Bukhārī van Khalīfah, van Yazīd ibn Zuray‘, van Sa‘īd, van Anas (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) zal de mensen (moslims) verzamelen op de Yawmu’l Qiyamah, en zij zullen zeggen: 'Was het ons maar toegestaan om voorspraak (shafa`ah) te doen bij onze Rab, zodat Hij ons van onze plaats verlost voor een comfortabele/rustige plek.'Dan zullen zij naar Adam (عليه السلام) gaan en zeggen: U bent degene die door Allāh met Zijn Hand is geschapen; Hij blies Zijn geest in u en beval de engelen zich voor u neer te buigen.

Wees daarom onze voorspraak bij onze Rab.Maar hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en hij zal zijn zonde opsommen.Dan zullen zij naar Nûh (عليه السلام) gaan, de eerste boodschapper (rasûl) die Allāh zond, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en zal zijn zonde opsommen.Dan zullen zij naar Ibrāhīm (عليه السلام) gaan, die Allāhu (تعالى) tot Zijn vriend heeft genomen, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en zal zijn zonde opsommen.Dan zullen zij naar Mûsā (عليه السلام) gaan, die met Allāhu (تعالى) sprak, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en zal zijn zonde opsommen.Dan zullen zij naar `Īsā (عليه السلام) gaan, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor.'Dan zullen zij naar Muhammed (صلى الله عليه وسلم) gaan, want aan hem is al zijn voorgaande en komende zonden vergeven.Zij zullen naar mij komen en ik zal toestemming vragen aan mijn Rab Wanneer ik Hem zie, zal ik neerbuigen (sajdah) in aanbidding.Hij zal mij laten gaan zoals Hij wil, en dan zal er gezegd worden: 'Heft jullie hoofd op, vraag dan zal je (toestemming) gegeven worden (om voorspraak te doen), spreek dan zal er naar je geluisterd worden, en doe dan voorspraak, want jouw voorspraak zal geaccepteerd worden.'Dan zal ik mijn hoofd opheffen en mijn Rab prijzen met lof die Hij mij leert.Vervolgens zal ik voorspraak doen en er zal voor mij een grens gesteld worden.Daarna zal ik hen uit het Vuur halen en hen Jannah binnendragen.Daarna zal ik weer neerbuigen (sajdah) in aanbidding, net zoals de derde of vierde keer, totdat er niemand meer in het Vuur overblijft behalve degenen die de Qur’ān gevangen houdt.”

Wees daarom onze voorspraak bij onze Rab.Maar hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en hij zal zijn zonde opsommen.Dan zullen zij naar Nûh (عليه السلام) gaan, de eerste boodschapper (rasûl) die Allāh zond, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en zal zijn zonde opsommen.Dan zullen zij naar Ibrāhīm (عليه السلام) gaan, die Allāhu (تعالى) tot Zijn vriend heeft genomen, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en zal zijn zonde opsommen.Dan zullen zij naar Mûsā (عليه السلام) gaan, die met Allāhu (تعالى) sprak, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en zal zijn zonde opsommen.Dan zullen zij naar `Īsā (عليه السلام) gaan, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor.'Dan zullen zij naar Muhammed (صلى الله عليه وسلم) gaan, want aan hem is al zijn voorgaande en komende zonden vergeven.Zij zullen naar mij komen en ik zal toestemming vragen aan mijn Rab Wanneer ik Hem zie, zal ik neerbuigen (sajdah) in aanbidding.Hij zal mij laten gaan zoals Hij wil, en dan zal er gezegd worden: 'Heft jullie hoofd op, vraag dan zal je (toestemming) gegeven worden (om voorspraak te doen), spreek dan zal er naar je geluisterd worden, en doe dan voorspraak, want jouw voorspraak zal geaccepteerd worden.'Dan zal ik mijn hoofd opheffen en mijn Rab prijzen met lof die Hij mij leert.Vervolgens zal ik voorspraak doen en er zal voor mij een grens gesteld worden.Daarna zal ik hen uit het Vuur halen en hen Jannah binnendragen.Daarna zal ik weer neerbuigen (sajdah) in aanbidding, net zoals de derde of vierde keer, totdat er niemand meer in het Vuur overblijft behalve degenen die de Qur’ān gevangen houdt.”

Abu ʿAbdullāh al-Bukhārī ( رَحِمَهُ اللهُ) zegt dat met “degenen die de Qur’ān gevangen houdt” bedoeld word, degenen over wie Allāh (تعالى) heeft gezegd:إِلَّا بَلَٰغٗا مِّنَ ٱللَّهِ وَرِسَٰلَٰتِهِۦۚ وَمَن يَعۡصِ ٱللَّهَ وَرَسُولَهُۥ فَإِنَّ لَهُۥ نَارَ جَهَنَّمَ خَٰلِدِينَ فِيهَآ أَبَدًا ٢٣(Mij is) slechts de verkondiging van Allāh's Boodschap opgedragen.” En wie ongehoorzaam is aan Allāh en Zijn Boodschapper:voor hem is de Jahannam, hij zal daarin voor altijd verblijven.

(Jinn, 72:23)

Uitleg van de 328ste ḥadīth

De uitleg van deze ḥadīth is genomen uit de sharḥ van al-Qasṭallānī.

“Allāhu (تعالى) zal de mensen (moslims) verzamelen op de Yawmu’l Qiyamah,”, dit duidt erop dat het juist de moslims zijn die zich de shafāʿah zullen herinneren. Ook degenen die naar de anbiyā gaan met het verzoek om shafāʿah zullen de mu’mins zijn.

“Zodat Hij ons van onze plaats verlost voor een comfortabele/rustige plek.” duidt erop dat deze shafāʿah wordt gevraagd om het oordeel tussen de mensen te verlichten en hen rust te geven.

Nūḥ (عليه السلام) herinnert eraan dat hij een verzoek deed aan Allāhu (تعالى) zonder volledige kennis. Dit betreft het verzoek dat in de Qur’ān is vermeld:

وَنَادَىٰ نُوحٞ رَّبَّهُۥ فَقَالَ رَبِّ إِنَّ ٱبۡنِي مِنۡ أَهۡلِي وَإِنَّ وَعۡدَكَ ٱلۡحَقُّ وَأَنتَ أَحۡكَمُ ٱلۡحَٰكِمِينَ ٤٥En Noah riep zijn Heer aan en zei: “O mijn Heer! Waarlijk, mijn zoon behoort tot mijn gezin; Uw belofte is de Waarheid en U bent de meest Rechtvaardige onder de Rechters.”

قَالَ يَٰنُوحُ إِنَّهُۥ لَيۡسَ مِنۡ أَهۡلِكَۖ إِنَّهُۥ عَمَلٌ غَيۡرُ صَٰلِحٖۖ فَلَا تَسۡـَٔلۡنِ مَا لَيۡسَ لَكَ بِهِۦ عِلۡمٌۖ إِنِّيٓ أَعِظُكَ أَن تَكُونَ مِنَ ٱلۡجَٰهِلِينَ ٤٦Hij (Allāh) zei: “O Noah! Zeker behoort hij niet tot jouw gezin, zijn werk was onrechtmatig, vraag dus niet van Mij waar jij geen kennis van hebt! Ik waarschuw jou zodat je niet tot de onwetenden zal behoren.” (Hūd, 11:45–46)

Hieruit blijkt dat gezin (ahl) bedoeld is als degenen die goede daden verrichten. Wat jouw zoon betreft, hij geloofde niet in wat jij als Nabī (en Rasûl) verkondigde en verrichtte geen goede daden, maar zijn werk was onrechtmatig (hij was een kāfir).

De uitspraak “want aan hem is al zijn voorgaande en komende zonden vergeven” is een indirecte aanduiding op het feit dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beschermd was tegen het begaan van zonden (de ʿiṣmah eigenschap van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).

“Doe dan voorspraak, want jouw voorspraak zal geaccepteerd worden,” dit betekent dat Allāh bepaalde groepen aanwijst, zoals degenen die tekortschoten in de ṣalāh of de ṣalāh uitstelden, en andere soortgelijke groepen in het algemeen.

Al-Qasṭallānī zegt: “Binnen de context van deze ḥadīth bestaat er een moeilijkheid in de samenhang tussen de gevraagde shafāʿah en hetgeen daarop volgt. De shafāʿah wordt namelijk gevraagd om de mensen te verlossen van de lange wachttijd en de ontberingen van Yawm al-Qiyāmah, en niet specifiek om hen uit Jahannam te laten halen.

Als antwoord daarop is gezegd dat het gedeelte van verlichting eindigt bij de uitspraak “dan zal je (toestemming) gegeven worden (om voorspraak te doen)”, waarna een ander onderwerp apart wordt vermeld. Dit is de uitleg van al-Kirmānī.

In Futūḥ al-Ghayb wordt gezegd dat één verhaal op verschillende plaatsen, met verschillende uitdrukkingen en vanuit verschillende invalshoeken wordt behandeld. Er is in deze kwestie geen sprake van tegenstrijdigheid of conflict. Deze manier van uiteenzetten is een teken van de voortreffelijke vaardigheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in welsprekendheid en en unieke retorische kracht. Om dit te begrijpen is een regel nodig waarop men zich kan baseren. Die regel is dat in een uiteenzetting verschillende zaken samenvattend in uiteenlopende vormen worden weergegeven. Daarvoor bestaat een grondslag. De betekenissen van de uitdrukkingen die daarmee verbonden zijn, doen daar niets aan af. Allāhu (تعالى) weet het beste.

Deze ḥadīth is door al-Bukhārī overgeleverd in Kitāb al-Riqāq, in de bab over “De eigenschap Paradijs en Jahannam”. Daar zegt Abu ʿAbdullāh al-Bukhārī ( رَحِمَهُ اللهُ):

329.

Van Musaddad, van Abū ʿAuwānah, van Qatādah, van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh zal de mensen verzamelen op de Yawmu’l Qiyamah, en zij zullen zeggen: 'Was het ons maar toegestaan om voorspraak (shafa`ah) te doen bij onze Rab, zodat Hij ons van onze plaats verlost voor een comfortabele/rustige plek.'Dan zullen zij naar Adam (عليه السلام) gaan en zeggen: U bent degene die door Allāh met Zijn Hand is geschapen; Hij blies Zijn geest in u en beval de engelen zich voor u neer te buigen.

Wees daarom onze voorspraak bij onze Rab.Maar hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en hij zal zijn zonde opsommen.Dan zullen zij naar Nûh (عليه السلام) gaan, de eerste boodschapper (rasûl) die Allāhu (تعالى) zond, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en zal zijn zonde opsommen.Dan zullen zij naar Ibrāhīm (عليه السلام) gaan, die Allāhu (تعالى) tot Zijn vriend heeft genomen, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en zal zijn zonde opsommen.Dan zullen zij naar Mûsā (عليه السلام) gaan, die met Allāhu (تعالى) sprak, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en zal zijn zonde opsommen.Dan zullen zij naar `Īsā (عليه السلام) gaan, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor.'Dan zullen zij naar Muhammed (صلى الله عليه وسلم) gaan, want aan hem is al zijn voorgaande en komende zonden vergeven.Zij zullen naar mij komen en ik zal toestemming vragen aan mijn Rab Wanneer ik Hem zie, zal ik neerbuigen (sajdah) in aanbidding.Hij zal mij laten gaan zoals Hij wil, en dan zal er gezegd worden: 'Heft jullie hoofd op, vraag dan zal je gegeven worden, spreek dan zal er naar je geluisterd worden, en doe dan voorspraak, want jouw voorspraak zal geaccepteerd worden.'Dan zal ik mijn hoofd opheffen en mijn Rab prijzen met lof die Hij mij leert.Vervolgens zal ik voorspraak doen en er zal voor mij een grens gesteld worden.Daarna zal ik hen uit het Vuur halen en hen Jannah binnendragen.Daarna zal ik weer neerbuigen (sajdah) in aanbidding, net zoals de derde of vierde keer, totdat er niemand meer in het Vuur overblijft behalve degenen die de Qur’ān gevangen houdt.”

Wees daarom onze voorspraak bij onze Rab.Maar hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en hij zal zijn zonde opsommen.Dan zullen zij naar Nûh (عليه السلام) gaan, de eerste boodschapper (rasûl) die Allāhu (تعالى) zond, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en zal zijn zonde opsommen.Dan zullen zij naar Ibrāhīm (عليه السلام) gaan, die Allāhu (تعالى) tot Zijn vriend heeft genomen, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en zal zijn zonde opsommen.Dan zullen zij naar Mûsā (عليه السلام) gaan, die met Allāhu (تعالى) sprak, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en zal zijn zonde opsommen.Dan zullen zij naar `Īsā (عليه السلام) gaan, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor.'Dan zullen zij naar Muhammed (صلى الله عليه وسلم) gaan, want aan hem is al zijn voorgaande en komende zonden vergeven.Zij zullen naar mij komen en ik zal toestemming vragen aan mijn Rab Wanneer ik Hem zie, zal ik neerbuigen (sajdah) in aanbidding.Hij zal mij laten gaan zoals Hij wil, en dan zal er gezegd worden: 'Heft jullie hoofd op, vraag dan zal je gegeven worden, spreek dan zal er naar je geluisterd worden, en doe dan voorspraak, want jouw voorspraak zal geaccepteerd worden.'Dan zal ik mijn hoofd opheffen en mijn Rab prijzen met lof die Hij mij leert.Vervolgens zal ik voorspraak doen en er zal voor mij een grens gesteld worden.Daarna zal ik hen uit het Vuur halen en hen Jannah binnendragen.Daarna zal ik weer neerbuigen (sajdah) in aanbidding, net zoals de derde of vierde keer, totdat er niemand meer in het Vuur overblijft behalve degenen die de Qur’ān gevangen houdt.”

Abu ʿAbdullāh al-Bukhārī ( رَحِمَهُ اللهُ) zegt: Qatādah zei over de laatste groep, namelijk over “degenen die de Qur’ān gevangen houdt.”, “Zij zijn degenen over wie het oordeel is gegeven dat zij eeuwig in Jahannam zullen verblijven.”

Uitleg van de 329ste ḥadīth

In deze ḥadīth wordt vermeld dat an-Nabī Ibrāhīm (عليه السلام) de shafāʿah niet zal accepteren. Hij zal zeggen: “Ik bevind mij niet in de positie die jullie zoeken,” en hij zal zijn eigen fout herinneren.

In een andere overlevering wordt vermeld dat an-Nabī Ibrāhīm (عليه السلام) zal zeggen: “Ik heb drie uitspraken gedaan die als ‘leugens’ worden genoemd.” In de toevoeging van Sufyān worden deze drie uitspraken als volgt uitgelegd:

Hij zei tegen de mushriks dat hij ziek was om niet aan hun feest deel te nemen: “Ik ben ziek”

Hij vernietigde hun afgodsbeelden en zei, toen zij vroegen wie dit had gedaan: “Nee, dit heeft de grootste van hen gedaan”

Dat hij tegen zijn vrouw zei: ‘De engel heeft mij meegedeeld dat jij mijn zuster bent.’

Deze drie uitspraken hadden allemaal een islamitisch-juridisch (sharʿī) reden en een geldige bedoeling. Toch beschouwde an-Nabī Ibrāhīm (عليه السلام) ze vanuit zijn eigen bescheidenheid als iets waarover hij vrees zou hebben voor zichzelf, waardoor hij terughoudend is in het aannemen van de positie van shafāʿah.

Al-Qasṭallānī zegt: Allāh inspireert de mensen eerst om naar Ādam (عليه السلام) te gaan, en niet rechtstreeks naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), hoewel onder hen ook mu’mins zijn die deze ḥadīth van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hebben gehoord.

Hiermee wordt duidelijk dat de superioriteit, hoge rang en nabijheid tot Allāh van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zichtbaar wordt, en dat de shafāʿah uiteindelijk specifiek aan hem wordt toegewezen. (Al-Qasṭallānī, Kitāb al-Riqāq, deel 9, p. 317)al-Bukhārī ( رَحِمَهُ اللهُ), c. 8, p. 118 en verder, in Kitāb al-Riqāq, in de bab getiteld “De Ṣirāṭ is de brug over Jahannam (gespannen)”, overlevert de volgende ḥadīth:

330. Van Abū al-Yamān, van Shuʿayb, van al-Zuhrī, van Saʿīd en ʿAṭāʾ ibn Yazīd, en zij beiden van Abū Hurayrah (رضي الله عنه)

al-Bukhārī (رَحِمَهُ اللهُ) overlevert deze ḥadīth ook via een andere isnād:

Van Maḥmūd, van ʿAbd al-Razzāq, van Maʿmar, van al-Zuhrī, van ʿAṭāʾ ibn Yazīd al-Laythī, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), hij zei: “Sommige mensen vroegen: ‘O Rasûlullāh, zullen wij op de Yawm al-Qiyāmah onze Rab zien?’ - ‘Word je gehinderd bij het zien van de zon op een wolkenloze dag?’ - ‘Nee.’ - ‘Word je gehinderd bij het zien van de volle maan in een heldere nacht zonder wolken?’ - ‘Nee, o Rasûlullāh.’ - ‘Zo zullen jullie jullie Rab zien op de Yawm al-Qiyāmah.’

Allāh zal de mensen verzamelen en zeggen: ‘Laat iedereen die iets diende/aanbad, diegene volgen die hij diende.’ Dan zullen de zonaanbidders de zon volgen, de maanaanbidders de maan volgen, en degenen die de ṭāghūt* dienden zullen hun volgen. Alleen deze ummah blijft over, waarin ook de munāfiqs aanwezig zijn.

Allāh zal zich voor hen manifesteren in een vorm die zij niet herkennen en zal zeggen: ‘Ik ben jullie Rab.’ Zij zullen zeggen: ‘Wij zoeken toevlucht bij Allāh tegen jou; wij blijven hier totdat onze Rab tot ons komt. Wanneer onze Rab komt, zullen wij Hem herkennen.’

Daarna zal Allāh zich in de vorm tonen die zij kennen en zeggen: ‘Ik ben jullie Rab.’ Zij zullen zeggen: ‘U bent onze Rab,’ en zij zullen Hem volgen.

Er zal een brug (Ṣirāṭ) boven Jahannam worden gespannen. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Ik zal de eerste zijn die deze brug oversteekt.’ Op die dag zal de duʿāʾ van de anbiyā zijn: ‘Allāhumma sallim, sallim (O Allāh, red ons, schenk veiligheid).’

(Op de Ṣirāṭ) bevinden zich haken die lijken op de doornen van de saʿdān-plant. Hebben jullie de saʿdān-doorn gezien? Zij zeiden: ‘Ja, o Rasûlullāh.’ Hij zei: ‘Zij zijn zoals die doornen, maar hun grootte kent alleen Allāhu (تعالى).

(De doornen) zullen de mensen vanwege hun daden grijpen en vasthouden. Onder hen zullen er zijn die door hun daden volledig ten onder gaan, en er zullen er zijn die getroffen en bestraft worden. Wanneer deze laatsten hun bestraffing hebben ondergaan, zullen zij gered worden. Wanneer Hij uit degenen die getuigen dat er geen godheid is dan Allāh (lā ilāha illa Allāh), wie Hij wil uit Jahannam wil laten komen, beveelt Hij Zijn engelen (malāʾikah) hen uit Jahannam te halen.

De malāʾikah zullen hen herkennen aan de sporen van de sujūd op hun gezichten. Allāhu (تعالى) heeft Jahannam namelijk verboden de plekken van sujūd van de zonen van Ādam te verteren, (dat wil zeggen: te verbranden).

Zij zullen zwartgeblakerd en verbrand uit Jahannam worden gehaald. Vervolgens zal er water over hen worden gegoten.

Aan dat water wordt de naam “levens (ḥayāt)-water” gegeven. Daarna zullen zij groeien zoals zaadkorrels groeien op de aarde die door een overstroming is meegevoerd.

Dan zal er één man overblijven wiens gezicht nog naar Jahannam gericht is. Hij zal zeggen: “O mijn Rab, Jahannams hete wind heeft mij hevig gekweld en haar vlammen hebben mij verbrand. Wend mijn gezicht af van de richting van Jahannam.”

Hij zal hiermee blijven smeken, totdat Allāhu (تعالى) uiteindelijk zal zeggen:

“Als Ik jou geef waar jij om vraagt, zul jij dan niet opnieuw iets anders vragen?”

De man zal antwoorden: “Nee, bij Uw Eer (ʿIzzah), ik zal niets anders meer vragen.”

Daarna zal Allāhu (تعالى) zijn gezicht van Jahannam wegdraaien.

Vervolgens zal de man zeggen: “O mijn Rab, breng mij dicht bij de poort van Jannah.”

Allāhu (تعالى) zal zeggen: “Dacht jij niet dat jij Mij niets anders meer zou vragen? Wee jou, o zoon van Ādam, hoe ontrouw ben jij toch en hoe weinig houd jij je aan je woord!”

Maar de man zal blijven smeken. Uiteindelijk zal Allāhu (تعالى) zeggen: “Als Ik jou dit geef, zul jij dan niet opnieuw iets anders vragen?”

Hij zal antwoorden: “Nee, bij Uw ʿIzzah, ik zal niets anders meer vragen.”

Daarop zal hij Allāhu (تعالى) plechtige beloften en sluit een verbond dat hij niets anders meer zal vragen. Vervolgens zal Allāhu (تعالى) hem dicht bij de poort van Jannah brengen.

Wanneer hij ziet wat zich daarin bevindt, zal hij zwijgen zolang Allāhu (تعالى) wil. Daarna zal hij zeggen: “O mijn Rab, laat mij Jannah binnengaan.”

Dan zal Allāhu (تعالى) zeggen: “Dacht jij niet dat jij Mij niets anders meer zou vragen? Wee jou, o zoon van Ādam, hoe weinig houd jij je aan je woord!”

De man zal zeggen: “O mijn Rab, maak mij niet de ellendigste van Uw schepselen.”

Hij zal blijven smeken totdat Allāhu (تعالى) uiteindelijk om hem zal lachen. En wanneer Allāhu (تعالى) om hem lacht, zal Hij hem toestemming geven Jannah binnen te gaan.

Wanneer hij Jannah binnengaat, zal tegen hem gezegd worden: “Wens wat jij maar wilt.”

Daarop zal hij wensen uitspreken, totdat uiteindelijk al zijn wensen ophouden. Dan zal Allāhu (تعالى) tegen hem zeggen: “Dit en nog eens hetzelfde erbij is voor jou.”

Abū Hurayrah zei: “Deze man zal de laatste persoon zijn die Jannah binnengaat.”

De auteur zegt: Terwijl Abū Hurayrah deze ḥadīth overleverde, zat Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنهما) naast hem. Abū Saʿīd maakte geen bezwaar tegen iets van de overlevering van Abū Hurayrah, totdat hij bij de woorden kwam: “Dit en nog eens hetzelfde erbij is voor jou.”

Toen zei Abū Saʿīd: “Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: ‘Dit en tienmaal zoveel erbij is voor jou.”

Daarop zei Abū Hurayrah: “Ík heb het onthouden als: ‘nog eens hetzelfde erbij.”

[*: Tāghūt is alles wat aanbeden, gevolgd of gehoorzaamd wordt in plaats van Allahu (تعالى), terwijl dat niet het recht heeft om aanbeden te worden]

Uitleg van de 330ste ḥadīth

De uitleg van deze ḥadīth is overgenomen uit het commentaar van al-Qastallānī, deel 8, blz. 330 en verder:

“…hebben jullie moeite om te zien?”, dat wil zeggen: wanneer jullie de zon en de maan zonder enige belemmering zien, belemmert iemand dan jullie zicht daarop of blokkeert iemand jullie zicht of blokkeren jullie het zicht van anderen? Ontstaan er tijdens het zien onderlinge discussies, meningsverschillen, ontkenningen, benauwdheid of enige moeilijkheid?

In een andere overlevering wordt in plaats van het woord “hal tudârrûna” , het woord “hal tudâmmûna” gebruikt: dan betekent het: “vormen jullie een mensenmassa, een gedrang?”, dat wil zeggen: zoals het in het wereldse leven zeer gemakkelijk is voor mensen om de zon en de maan te zien en er geen mensenmassa’s ontstaat, iedereen ziet de zon en de maan moeiteloos vanaf zijn eigen plaats, zo zal het ook zijn bij het zien van Allāhu (تعالى) in het Hiernamaals.

In een andere overlevering wordt het uitgesproken als “hal tudâmûna”, zonder verdubbelde mīm. Dit betekent: “vernederen jullie elkaar?”, dat wil zeggen: jullie raken niet in discussie en vernederen elkaar niet over het zien daarvan.

In een andere overlevering komt het in de ontkennende vorm voor als “lâ tudâhûna”, met de letter hā’. Dit betekent: “jullie zullen niet in twijfel raken over het zien en geen bezwaar tegen elkaar maken. Jullie zullen allen met volledige zekerheid geloven dat jullie jullie Rab hebben gezien.”

Ook is er een overlevering waarin gezegd wordt: “hal tumârrûna”, wat betekent: “gaan jullie met elkaar in discussie of debat?”

Met de uitspraak: “Jullie zullen jullie Rab op de Yawm al-Qiyāmah op deze wijze zien”, wordt niet bedoeld dat jullie Hem zullen zien zoals jullie de zon en de maan zien. Niets kan met Allāhu (تعالى) vergeleken worden. Zoals in de āyah gezegd wordt:لَيۡسَ كَمِثۡلِهِۦ شَيۡءٞۖ وَهُوَ ٱلسَّمِيعُ ٱلۡبَصِيرُ ١١… niets is aan Hem gelijk. En Hij is de Alhorende, de Alziende.Shūrā (42:11)

Wat hiermee bedoeld wordt, is dat het zien zelf op een heldere wijze zal plaatsvinden, volledig vrij van twijfel en aarzeling.

Hieruit volgt dat het zien van Allāhu (تعالى) een werkelijk zien (ru’yah) zal zijn. Zoals men niet twijfelt aan het zien van de zon en de maan wanneer er geen belemmering aanwezig is, zo zal er ook geen plaats zijn voor twijfel of aarzeling bij het zien van Allāhu (تعالى).

Tot de groep van de ṭāġûts behoren de shayāṭīn, afgodsbeelden en dwalende mensen die anderen oproepen om hen te aanbidden.

Wat betreft de uitspraak: “Allāhu (تعالى) komt en manifesteert/openbaart Zich (tajallī)”, en soortgelijke uitspraken: hierover verschillen de meningen van de salaf-ʿulamā en de khalaf-ʿulamā, zoals eerder vermeld.

De weg van de salaf is veiliger. Zij geloven dat Allāhu (تعالى) verheven is boven gelijkenis met eigenschappen van de schepping en vrij is van zulke kenmerken. Tegelijk geloven zij in hetgeen vermeld is in de mutashābih āyāt en aḥādīth, zonder zich bezig te houden met het bepalen van de precieze betekenis ervan. Zij laten de ware kennis daarvan over aan Allāhu (تعالى) en zeggen: “Allāhu (تعالى) weet het het best wat de ware werkelijkheid hiervan is.”

De khalaf-ʿulamā daarentegen interpreteren (ta’wīl) de letterlijke betekenis die zou kunnen leiden tot tashbīh*, en leggen deze uit op een wijze die passend is bij de verhevenheid en majesteit van Allāhu (تعالى).[*: Tashbīh Allāhu (تعالى) vergelijken met Zijn schepping, of Zijn eigenschappen voorstellen alsof zij lijken op de eigenschappen van mensen of andere schepselen.]

Met het komen van Allāhu (تعالى) wordt volgens hen bedoeld dat Hij Zich openbaart (tajallī) zodat de dienaren Hem kunnen zien, zonder Zijn Wezen (Dhāt) in werkelijkheid te omvatten of de ware hoedanigheid ervan te begrijpen. Dit is de ru’yah die de muwaḥḥid mu’min-dienaren kennen.

Dan zullen de mu’mins zeggen: “U bent onze Rab.”

Over de eerste ru’yah die de mu’mins volgens de ḥadīth niet zullen accepteren, zegt Qāḍī ʿIyāḍ: “Hier is sprake van een iḍāfah-constructie (een bezitsof verbindingsconstructie tussen twee zelfstandige naamwoorden, b.v. het boek van de student) waarbij het mudāf (eerste woord) is weggelaten.”

De betekenis van de uitdrukking wordt dan: “Eén van de engelen van hun Rab komt.”

Daarom wordt gezegd: “Hij manifesteert/openbaarde Zich aan hen in een andere gedaante dan zij kennen”, dat wil zeggen: met andere eigenschappen dan de eigenschappen waarmee zij Hem in het wereldse leven kenden. De mu’mins zullen dit dan niet accepteren. Op dat moment zullen de munāfiqs zichtbaar worden, degenen die beweerden samen met de mu’mins te zijn. Zo dient de eerste tajallī om de munāfiqs openbaar te maken. Want de munāfiqs verdienen het niet om de gunst te verkrijgen Allāhu (تعالى) te zien. Zoals in de āyah staat:كـَلَّآ إِنَّهُمۡ عَن رَّبِّهِمۡ يَوۡمَئِذٖ لَّمَحۡجُوبُونَ ١٥Nee! Waarlijk, zij zullen zeker op die Dag van hun Heer afgescheiden zijn. (Muṭaffifīn, 83:15)

an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zal de eerste zijn die over aṣ-Ṣirāṭ gaat. an-Nawawī (رحمه الله) wijst op de uitspraak van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Ik en mijn ummah zullen de eersten zijn die over aṣ-Ṣirāṭ zullen gaan.”

“In Jahannam zullen harde doornen zijn,” deze doornen zijn de begeertes/lusten (shahawāt) die Jahannam omringen. Zoals in de ḥadīth vermeld wordt: “Jahannam is omgeven door shahawāt.”

Deze doornen, dat wil zeggen de shahawāt, grijpen de mensen vast overeenkomstig hun daden. Wie zich in het wereldse leven aan deze shahawāt heeft overgegeven, zal daar door die doornen gegrepen worden en in Jahannam vallen.

Hoe groot deze doornen zijn, weet alleen Allāhu (تعالى).

“Onder hen zijn er die vanwege hun daden vernietigd worden,” dat wil zeggen: zij gaan volledig ten onder wegens hetgeen zij in het wereldse leven verricht hebben. Dit zijn de kāfirs.

“En er zijn er die getroffen worden,” dat wil zeggen: degenen die na een bepaalde periode van bestraffing gered zullen worden. Dit zijn de zondige mu’mins.

In een marfūʿ-overlevering die door Ibn Mājah is overgeleverd staat: “Daarna zullen de mensen proberen over te steken.

Er zijn moslims die gered worden zonder enige (bestraffing) te ondergaan; er zijn moslims die gered worden nadat zij enige bestraffing hebben ondergaan en er zijn moslims die gered worden nadat zij enige tijd bestraft zijn geweest. En tenslotte zijn er die in Jahannam geworpen zijn en die daarin achtergelaten worden.”

“Het levenswater” betekent: water dat levenskracht schenkt aan degene over wie het wordt uitgegoten. Zoals in de ḥadīth vermeld wordt, zullen degenen die uit Jahannam worden gehaald en over wie het levenswater wordt uitgegoten, opgroeien als een zuiver en gereinigd zaadje. Zij worden vergeleken met een zaadje dat groeit tussen het aangespoelde materiaal dat door een overstroming wordt meegevoerd. Tussen de hopen die de vloed aanvoert bevindt zich een zaadje dat zich aan de rand van een vallei vastzet. Vervolgens begint het nog diezelfde dag uit te lopen en snel te groeien. Door de snelle groei en het frisse, mooie uiterlijk van dit zaadje wordt hiermee de toestand vergeleken van degenen over wie het levenswater wordt uitgegoten.

Dat de betreffende persoon bij de poort van Jannah naar binnen kan kijken en Jannah van binnen kan zien, kan worden verklaard doordat de muur die ertussen staat transparant is, zodat de binnenzijde van buitenaf zichtbaar is en de buitenzijde van binnenuit kan worden gezien.

Of met dit “zien” wordt “weten” bedoeld. Bijvoorbeeld doordat een heerlijk geurende wind waait en de verlichtende licht (nūr) zichtbaar wordt, waardoor hij kennis krijgt van de gunsten die zich in Jannah bevinden. Net zoals hij eerder, ondanks dat hij zich buiten Jahannam bevond, toch last ondervond van de hete winden die eruit voortkwamen.

“Hij zwijgt zolang Allahu (تعالى) het wil,” dat wil zeggen: Hij zwijgt gedurende een lange tijd, waarvan alleen Allāhu (تعالى) de duur en grens kent. Het zwijgen van deze persoon komt voort uit schaamte tegenover Allāhu (تعالى). Want hij had aan Allāhu (تعالى) beloofd dat hij Hem nooit meer om iets zou vragen en hij had daarover sterke beloften afgelegd. Vervolgens komt hij echter terug op zijn woord en vraagt hij opnieuw aan Allāhu (تعالى).

Want zijn hoop op de vergiffenis, de iḥsān en de faḍl van Allāhu (تعالى) overheerst.

Daarom zegt hij: “O mijn Rab, maak mij niet tot de meest ellendige van Uw schepselen.” Met de woorden bedoelt hij: “de meest ellendige van Uw dienaren die U Jannah hebt laten binnengaan.” Deze uitspraak is een algemene formulering waarmee een specifieke betekenis wordt bedoeld. Want zolang hij buiten Jannah blijft terwijl anderen Jannah binnengaan, verkeert hij in de meest beklagenswaardige toestand van allen die uiteindelijk Jannah zullen binnengaan. Zijn ellende is immers duidelijk zichtbaar zolang de anderen zich in Jannah bevinden en hij nog buiten blijft.

Over de uitspraak: “Uiteindelijk lacht Allāhu (تعالى)”, zegt al-Qastallānī: “Dit heeft een metaforische betekenis. Daarmee wordt bedoeld hetgeen uit lachen voortvloeit, namelijk dat Allāhu (تعالى) tevreden met hem wordt.” Dat wil zeggen: uiteindelijk wordt Allāhu (تعالى) tevreden met hem. En wanneer Hij tevreden met hem wordt, geeft Hij hem toestemming om Jannah binnen te gaan.

Met de uitspraak: “Wens dit en dat,” wordt bedoeld dat Allāhu (تعالى) hem de verschillende soorten gunsten (ni`am, m.v. van ni`mah)) van Jannah toont. Vervolgens blijft hij deze wensen uitspreken, terwijl zijn Rab hem eraan blijft herinneren. Uiteindelijk blijft er niets meer over wat hij nog zou kunnen wensen; alles waarnaar hij verlangde is dan volledig uitgeput.

Volgens een overlevering van Aḥmad ibn Ḥanbal van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) wordt gezegd: “De man zal wensen en verlangens uitspreken gedurende een periode gelijk aan drie dagen van het wereldse leven.”

Toen Abū Hurayrah (رضي الله عنه) deze ḥadīth (de ḥadīth die in dit hoofdstuk vermeld werd) overleverde, zat Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) naast hem. Tot aan de woorden: “Dit en nog eens evenveel is voor jou”, maakte hij geen bezwaar.

Maar bij deze uitspraak herinnerde hij eraan dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gezegd had: “Dit en tienmaal zoveel is voor jou.”

Daarop zei Abū Hurayrah (رضي الله عنه): “Ik heb het onthouden als: ‘nog eens evenveel.”

Om deze verschillende overleveringen met elkaar te verenigen is gezegd:

Abū Hurayrah (رضي الله عنه) kan deze ḥadīth eerder van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gehoord hebben. Vervolgens heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dezelfde ḥadīth later overgeleverd zoals Abū Saʿīd (رضي الله عنه) die gehoord heeft. In deze latere overlevering heeft Allāhu (تعالى) aan Zijn Rasûl (صلى الله عليه وسلم) uit Zijn genade (faḍl) geinformeerd over de overvloed van de hoeveelheid. En Allāhu (تعالى) weet het best wat juist is.

al-Bukhārī vermeldt deze in deel 9, blz. 121, in Kitāb at-Tawḥīd, in het hoofdstuk over de uitspraak van Allāhu (تعالى):قَالَ يَٰٓإِبۡلِيسُ مَا مَنَعَكَ أَن تَسۡجُدَ لِمَا خَلَقۡتُ بِيَدَيَّۖ أَسۡتَكۡبَرۡتَ أَمۡ كُنتَ مِنَ ٱلۡعَالِينَ ٧٥(Allāh) zei: O Iblies! Wat weerhoudt je om voor degene die Ik met Mijn beide handen geschapen heb, neer te knielen? Ben jij te trots of ben jij één van hen die hoog verheven is?” (Ṣād, 38:75), als volgt:

331. Van Muʿādh ibn Fuḍālah, van Hishām, van Qatādah, van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op de Dag der Opstanding zal Allāhu (تعالى) de mu’mins op deze wijze bijeenbrengen. Zij zeggen: “Zullen wij bij onze Rab niet iemand als bemiddelaar nemen, zodat hij ons van deze plaats verlichting geeft?”

Daarop zullen zij naar Ādam ( عليه السلام) gaan en zeggen: ‘O Ādam! Zie je de mensen niet?

Allāhu (تعالى) heeft jou met Zijn Eigen Hand geschapen, Zijn malāʾikah voor jou laten neerknielen en jou de namen van alle dingen geleerd. Wees voor ons een voorspreker bij onze Rab, zodat hij ons van deze plaats verlichting geeft?”

Ādam (عليه السلام) zal zeggen: ‘Ik ben niet geschikt voor deze positie,’ en hij zal aan de fout herinneren die hij heeft begaan. Daarna zal hij zeggen: ‘Maar ga naar Nūḥ; hij is de eerste Boodschapper (Rasūl) die Allāhu (تعالى) als naar de bewoners van de aarde heeft gezonden.’

Dan zullen zij naar Nūḥ (عليه السلام) gaan. Hij zal eveneens zeggen: ‘Ik ben niet geschikt voor deze positie,’ en hij zal aan de fout herinneren die hij heeft begaan. Vervolgens zal hij zeggen: ‘Maar ga naar Ibrāhīm; hij is de khalīl (intieme vriend) van ar-Raḥmān.’

Daarna zullen zij naar Ibrāhīm (عليه السلام) gaan. Hij zal zeggen: ‘Ik ben niet geschikt voor deze positie,’ en hij zal aan de fout herinneren die hij heeft begaan. Vervolgens zal hij zeggen: ‘Maar ga naar Mūsā; hij is een dienaar aan wie Allāhu (تعالى) de Tawrah gaf en met wie Hij sprak.’

Dan zullen zij naar Mūsā (عليه السلام) gaan. Hij zal zeggen: ‘Ik ben niet geschikt voor deze positie,’ en hij zal aan de fout herinneren die hij heeft begaan. Vervolgens zal hij zeggen: ‘Maar ga naar ʿĪsā; hij is de dienaar van Allāh, Zijn Rasūl, Zijn Woord en een rûḥ van Hem.’

Daarna zullen zij naar ʿĪsā (عليه السلام) gaan. Hij zal zeggen: ‘Ik ben niet geschikt voor deze positie. Maar ga naar Muḥammad (صلى الله عليه وسلم); hij is een dienaar van wie Allāhu (تعالى) de voorgaande en latere zonden heeft vergeven.’

Dan komen zij naar mij. Ik zal naar voren treden en toestemming vragen om mijn Rab in smeekbede aan te roepen. Mij zal toestemming worden gegeven. Wanneer ik mijn Rab zie, zal ik in sajdah neervallen.

Allāhu (تعالى) laat mij zolang in die toestand als Hij wil.

Daarna zal tegen mij gezegd worden: “Sta op, o Muḥammad. Spreek, jouw woorden zullen gehoord worden. Vraag, jou zal gegeven worden. Doe voorspraak (shafāʿah), jouw voorspraak zal aanvaard worden.”

Dan zal ik mijn Rab prijzen en Hem loven met lofprijzingen die Allāhu (تعالى) mij heeft geleerd. Allāhu (تعالى) zal mij tonen voor wie ik voorspraak mag doen, en ik zal hen Jannah laten binnengaan.

Daarna zal ik opnieuw terugkeren. Wanneer ik mijn Rab zie, zal ik opnieuw in sajdah neervallen. Mijn Rab laat mij zolang in die toestand als Hij wil. Vervolgens zal gezegd worden: “Hef je hoofd op, o Muḥammad. Spreek, jouw woorden zullen gehoord worden. Vraag, jou zal gegeven worden. Doe shafāʿah, jouw voorspraak zal aanvaard worden.”

Dan zal ik Allāhu (تعالى) prijzen en loven met de lofprijzingen die mijn Rab mij heeft geleerd. Vervolgens zal ik voorspraak doen, en Allāhu (تعالى) zal mij tonen voor wie ik voorspraak mag doen.Vervolgens zal ik hen Jannah laten binnengaan. Daarna zal ik opnieuw terugkeren. Wanneer ik mijn Rab zie, zal ik in sajdah neervallen. Allāhu (تعالى) zal mij zolang in die toestand laten als Hij wil.

Daarna zal gezegd worden: “Sta op, o Muḥammad. Spreek, jouw woorden zullen gehoord worden. Vraag, jou zal gegeven worden. Doe shafāʿah, jouw voorspraak zal aanvaard worden.”

Dan zal ik mijn Rab prijzen en Hem loven met de lofprijzingen die mijn Rab mij heeft geleerd. Vervolgens zal ik voorspraak doen. Allāhu (تعالى) zal mij tonen voor wie ik voorspraak mag doen, en ik zal hen Jannah laten binnengaan.

Daarna zal ik terugkeren en zeggen: ‘O mijn Rab, er is in Jahannam niemand meer over behalve degenen over wie de Qur’ān heeft bepaald dat zij daarin voor altijd zullen verblijven.”

Daarop zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Iedereen die ‘Lā ilāha illa Allāh’ heeft gezegd en in zijn hart een hoeveelheid goedheid bezit ter grootte van een gerstkorrel, zal uit Jahannam worden gehaald.”

Daarna zal iedereen die ‘Lā ilāha illa Allāh’ heeft gezegd en in zijn hart een hoeveelheid goedheid bezit ter grootte van een atoom, uit Jahannam worden gehaald.”

Uitleg van de 331ste ḥadīth

De uitspraak: “Allāhu (تعالى) brengt de mu’mins op de Yawm al-Qiyāmah op deze wijze bijeen”, verklaart de overlevering die voorkomt in Kitāb at-Tafsīr: “Op de Yawm al-Qiyāmah worden de mu’mins op deze wijze samengebracht.”

Dit verduidelijkt eveneens de overlevering in Kitāb ar-Riqāq: “Allāhu (تعالى) verzamelt de mensen op de Yawm al-Qiyāmah”. Dan zeggen zij: ‘Laten wij een shafāʿah-gever zoeken bij onze Rab,”de betekenis die uit al deze overleveringen begrepen wordt, is het volgende: Allāhu (تعالى) zal op de Yawm al-Qiyāmah alle mensen bijeenbrengen, zowel mu’mins als kāfirs. Vervolgens zullen de mu’mins zeggen: “Laten wij iemand zoeken die voor ons shafāʿah doet bij onze Rab.”

Want de mu’mins beschikken over inzicht en verstand. Daarom denken zij na over hoe de redding van de mensen mogelijk kan zijn zonder het lange wachten op de Yawm al-Qiyāmah en over het middel waardoor het proces van rechtspreken tussen de mensen kan beginnen.”

Daarna gaan zij naar de genoemde anbiyā en vragen hen om shafāʿah te doen zodat Allāhu (تعالى) tussen de mensen een oordeel zal vellen en zij zelf van de last van het wachten worden bevrijd.

De anbiyā voeren de genoemde excuses aan. Het noemen van die “fouten” die aan de anbiyā worden toegeschreven, is een uiting van nederigheid (tawāḍuʿ). Bovendien worden de goede daden van de rechtschapenen onder het gewone volk, in de ogen van degenen die dicht bij Allāhu (تعالى) staan (muqarrabīn, zie surah Wāqiʿah(56:88):

فَأَمَّا إِنْ كَانَ مِنَ الْمُقَرَّبِينَ “Als hij behoort tot degenen die dicht bij Allāh staan...”), beschouwd als zonde. Of anders gezegd: de anbiyā (عليهم السلام) zijn bewaard voor het begaan van zonden en vergissingen. Want zij moeten de eigenschap van oprechtheid (amānah) bezitten. Dat houdt in dat zowel hun uiterlijk als innerlijk beschermd zijn tegen ḥarām, makrūh en zelfs de kleinste vorm van ongehoorzaamheid.

De eerste toestemming die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vraagt, is om shafāʿah te doen zodat het oordeel tussen de mensen kan beginnen. Deze vorm van shafāʿah is specifiek toegekend aan onze Nabī Muḥammad (صلى الله عليه وسلم).

Dit is de geprezen/prijzenswaardige rang (al-maqām al-maḥmūd) die Allāhu (تعالى) aan Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) heeft beloofd.

Daarna zal an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) nog andere vormen van shafāʿah doen. Eveneens zullen de andere anbiyā (عليهم السلام) shafāʿah doen.

In de ḥadīth wordt erop gewezen dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) shafāʿah zal doen om iedereen die zegt: “Lā ilāha illallāh; Muḥammadan `abduhu wa rasûluhu” (er is geen godheid dan Allāh en Muḥammad is Zijn dienaar en Zijn rasûl)”, en daarin gelooft, uit Jahannam te laten halen.

Eerst wordt een bepaalde groep aangewezen. Dit zijn degenen in wier harten īmān aanwezig is ter grootte van een gerstekorrel.

Daarna doet hij een tweede keer shafāʿah. Dan wordt een groep aangewezen die minder īmān bezit dan de eersten. Dit zijn degenen die īmān bezitten ter grootte van een tarwekorrel.

Vervolgens verricht hij een derde keer shafāʿah. Dan wijst Allāhu (تعالى) een groep aan die īmān bezit ter grootte van een dharrah, dat wil zeggen: ter grootte van het gewicht van de poot van een kleine mier.

De ḥadīth toont de superioriteit van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en van zijn ummah aan.

Deze ḥadīth vormt tevens een weerlegging van de Muʿtazilah, die beweerden dat er geen shafāʿah zal zijn voor degenen die grote zonden hebben gepleegd.

O Allāh, maak onze Nabī Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) voor ons tot een bemiddelaar (shāfiʿ). Āmīn.

De aḥādīth over ash-Shafāʿah die voorkomen in al-Bukhārī

Abū ʿAbdillāh al-Bukhārī (رحمه الله) vermeldt in deel 9, blz. 127, in Kitāb at-Tawḥīd, in het hoofdstuk over de āyah:

وُجُوهٞ يَوۡمَئِذٖ نَّاضِرَةٌ ٢٢ Sommige gezichten zullen op die Dag verlicht zijn.إِلَىٰ رَبِّهَا نَاظِرَةٞ ٢٣ Naar hun Heer kijkend. (Qiyāmah, 75:22–23)

332. Van `Abdah ibn ʿAbdillāh, van Busayn al-Juʿfī, van Zā’idah, van Bayān ibn Bishr, van Qays ibn Abī Ḥāzim, van Jarīr al-Bajalī (رضي الله عنه), hij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam naar ons in de nacht van de volle maan en zei: ‘Jullie zullen op de Yawm al-Qiyāmah jullie Rab zien zoals jullie deze maan zien. Jullie ondervinden geen moeilijkheid bij het zien ervan.”

Opnieuw vermeldt al-Bukhārī (رحمه الله):

333. Van ʿAbdulʿAzīz ibn ʿAbdillāh, van Ibrāhīm ibn Saʿd, van Ibn Shihāb, van ʿAṭā ibn Yazīd al-Laythī, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Een aantal mensen vroegen aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “O Rasûlullāh, zullen wij onze Rab zien op de Yawm al-Qiyāmah?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg: “Hebben jullie moeite om de maan te zien in de nacht van de volle maan?”

Zij antwoordden: “Neen, o Rasûlullāh.”

Daarop vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Hebben jullie moeite om de zon te zien wanneer er geen wolken voor staan?”

Zij antwoordden opnieuw: “Neen, o Rasûlullāh.”

Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Zo zullen jullie Hem ook zien.

Allāhu (تعالى) zal op de Yawm al-Qiyāmah de mensen bijeenbrengen en zeggen: ‘Wie iets aanbad, laat hem datgene volgen.’

Daarop zullen degenen die de zon aanbaden de zon volgen, degenen die de maan aanbaden de maan volgen, en degenen die de afgodsbeelden aanbaden zullen de afgodsbeelden volgen.

Dan blijft deze ummah over, met onder hen ook degenen wie shafa`ah verlenen of de munāfiqs; want Ibrāhīm ibn Saʿd, een van de overleveraars, twijfelde of Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) “degenen wie shafa`ah verleners” of “de munāfiqs” had gezegd, daarom vermeldde hij: “of de munāfiqs.

Vervolgens manifesteert/openbaarde Allāhu (تعالى) Zich aan hen en zegt: ‘Ik ben jullie Rab.’

Zij zeggen: ‘Wij blijven op onze plaats totdat onze Rab Zich aan ons manifesteert. Wanneer onze Rab Zich manifesteert, zullen wij Hem herkennen.’

Daarop manifesteert Allāhu (تعالى) Zich aan hen in de vorm die zij kennen en zegt: ‘Ik ben jullie Rab.’

Dan zeggen zij: ‘U bent onze Rab’, en volgen Hem.

Daarna wordt aṣ-Ṣirāṭ over Jahannam gespannen. Ik en mijn ummah zullen de eersten zijn die eroverheen gaan.

Op die Dag zal niemand spreken behalve de anbiyā. De smeekbede van de anbiyā zal zijn: ‘O Allāh, red! O Allāh, schenk veiligheid!’

In Jahannam bevinden zich doornen zoals de doornen van een kameeldoorn. Maar niemand kent de grootte van die doornen behalve Allāhu (تعالى).

Zij grijpen de mensen overeenkomstig hun daden.

Onder hen zijn er die volledig vernietigd worden vanwege hun daden.

Onder hen zijn er die vastgehouden worden om gedurende een bepaalde tijd bestraft te worden.

En onder hen zijn er die getroffen worden, dat wil zeggen: zij ondergaan de vergelding voor hun daden of iets dergelijks. Nadat zij hun bestraffing ondergaan hebben, worden zij gered.

Wanneer Allāhu (تعالى) het oordeel tussen Zijn dienaren voltooid heeft en degenen van de bewoners van Jahannam die Hij wil eruit wil halen, zal Hij de engelen bevelen degenen eruit te halen aan wie Allāhu (تعالى) genade heeft geschonken onder degenen die niets naast Allāhu (تعالى) deelgenoten hebben toegekend en getuigden dat er geen godheid (ilāh) is behalve Allāh.

De engelen zullen hen herkennen aan de sporen van sajdah op hun gezichten.

Het vuur van Jahannam verteert (verbrandt) alles van de zoon van Ādam behalve de plekken van sajdah.

Zij worden uit Jahannam gehaald terwijl hun huid verschrompeld en verbrand is door de hitte van het vuur.

Daarna wordt het levenswater over hen gegoten en groeien zij eruit voort zoals een zaadje groeit in de aarde die door een overstroming wordt meegevoerd.

Wanneer Allāhu (تعالى) het oordeel tussen alle dienaren voltooid heeft, blijft er één man over met zijn gezicht richting Jahannam.

Hij zal de laatste van de bewoners van Jahannam zijn, die Jannah binnengaat.

Deze man zegt: ‘O mijn Rab, wend mijn gezicht af van Jahannam. Haar hete wind heeft mij verbrand en haar vlammen hebben mij verschroeid.’

Hij blijft Allāhu (تعالى) zo smeken zolang Allāhu (تعالى) wil.

Daarna zegt Allāhu (تعالى): ‘Als Ik jou dit geef, zul je dan nog iets anders vragen?’

De man antwoordt: ‘Neen, bij Uw Majesteit! Ik zal niets anders van U vragen.’

Hij geeft Allāhu (تعالى) beloften en verbonden zoals Allāhu (تعالى) wil.

Daarop wendt Allāhu (تعالى) zijn gezicht af van Jahannam.

Wanneer de man zich vervolgens naar Jannah richt en het ziet, blijft hij stil zolang Allāhu (تعالى) wil.

Daarna zegt hij: ‘O mijn Rab, breng mij dichter bij de poort van Jannah.’

Allāhu (تعالى) zegt: ‘Heb jij niet beloofd en verbonden gesloten dat je niets anders meer zou vragen dan hetgeen jou reeds gegeven was? Wee jou, zoon van Ādam, hoe trouweloos ben jij en hoe slecht houd jij je aan je woord.’

De man zegt: ‘O mijn Rab…’, en blijft smeken.

Uiteindelijk zegt Allāhu (تعالى): ‘Als Ik jou dit geef, zul je dan nog iets anders vragen?’

De man antwoordt: ‘Neen, bij Uw Majesteit! Ik zal niets anders vragen.’

Hij geeft Allāhu (تعالى) opnieuw beloften en verbonden zoals Hij wil.

Daarop brengt Allāhu (تعالى) hem dichter bij de poort van Jannah.

Wanneer hij de poort van Jannah bereikt, worden de wonderlijke aanblikken van Jannah zichtbaar voor hem.

Zo ziet hij de vreugde en welbehagen die zich daarin bevinden.

Vervolgens blijft hij stil zolang Allāhu (تعالى) wil.

Daarna zegt hij: ‘O mijn Rab, laat mij Jannah binnengaan.’

Allāhu (تعالى) zegt: ‘Heb jij niet beloofd en verbonden gesloten dat je niets anders meer zou vragen dan hetgeen jou reeds gegeven was? Wee jou, zoon van Ādam, hoe trouweloos ben jij en hoe slecht houd jij je aan je woord.’

De man zegt: ‘O mijn Rab, laat mij niet de meest ellendige van Uw schepselen zijn.’

Hij blijft smeken totdat Allāhu (تعالى) om hem lacht.

En wanneer Allāhu (تعالى) om hem lacht, zegt Hij: ‘Ga Jannah binnen.’

Wanneer de man Jannah binnengaat, zegt Allāh Jalla wa ʿAlā: ‘Wens.’

Daarop vraagt de man aan zijn Rab en spreekt zijn verlangens uit.

Uiteindelijk brengt Allāhu (تعالى) hem Zelf zaken in herinnering en zegt: “Wens dit en dit.”

Totdat alles wat hij maar zou kunnen wensen ten einde komt.

Daarop zegt Allāhu (تعالى): “Dit en nog eens evenveel zal voor jou zijn.”

Overleveraar ʿAṭā ibn Yazīd zei: “Toen Abū Hurayrah (رضي الله عنه) deze ḥadīth overleverde, bevond Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) zich naast hem. Tot aan de woorden:

“Dit en nog eens evenveel zal voor jou zijn”, maakte Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) geen bezwaar tegen iets uit de ḥadīth.

Maar op dit punt zei Abū Saʿīd (رضي الله عنه): “O Abū Hurayrah, tienmaal zoveel!”

Daarop zei Abū Hurayrah (رضي الله عنه): “Ik heb niets anders onthouden dan: ‘Dit en nog eens evenveel zal voor jou zijn.’”

Toen zei Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه): “Ik getuig dat ik van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heb onthouden: ‘Dit en tienmaal zoveel zal voor jou zijn.’”

Abū Hurayrah (رضي الله عنه) zei daarnaast ook: “Deze man zal de laatste zijn die Jannah binnengaat.”

Uitleg van de ḥadīth 332 en 333

De overlevering die begint met: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam naar ons in de nacht van de volle maan en zei: ‘Jullie zullen jullie Rab zien zoals jullie deze maan zien”, laat zien dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zelf begon te spreken over de ru’yah. Dat wil zeggen: hij begon hierover uitleg te geven zonder dat hem eerst een vraag werd gesteld.

In andere overleveringen wordt echter vermeld dat de ṣaḥābah vragen stelden en dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) daarop antwoord gaf zoals beschreven is.

Deze overleveringen tonen aan dat er op meerdere momenten en bij verschillende gelegenheden gesproken is over de ru’yah (zien van Allāhu (تعالى).

Soms stelden de ṣaḥābah hierover vragen aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en antwoordde hij daarop. En soms gaf hij zelf hierover uitleg zonder dat er een vraag gesteld werd.

Er bestaat geen bezwaar tegen het feit dat beide situaties hebben plaatsgevonden.

En Allāhu (تعالى) weet het best wat juist is.

“Jullie ondervinden geen enkele moeilijkheid bij het zien ervan”, dat wil zeggen: jullie vormen geen verdringing of grote menigten om het te kunnen zien. Het is niet zoals bij het waarnemen van de eerste maansikkel, waarbij mensen elkaar duwen en verdringen door hun sterke aandacht daarvoor.

Wanneer het de nacht van de volle maan is, verschijnt de maan immers volledig duidelijk en zichtbaar, zodat iedereen haar vanaf zijn eigen plaats kan zien.

“Zo zullen jullie ook Allāhu (تعالى) zien.”, dat wil zeggen: jullie zullen Hem op een volkomen duidelijke wijze zien, zonder moeite, zonder verdringing en zonder enige ruimte voor twijfel. Zoals er geen moeilijkheid zal zijn in het zien, zal er ook geen meningsverschil bestaan over het feit of hij gezien is of niet.

De vergelijking hier betreft de duidelijkheid van het zien zelf. Er wordt dus een vergelijking gemaakt met de Jahannamderheid en zekerheid van het zien van de maan.

Want Allāhu (تعالى) is verheven boven gelijkenis met de geschapen zaken. Niets is aan Hem gelijk. Hij is as-Samīʿ, al-Baṣīr.

“Dan blijft deze ummah achter”, dat wil zeggen: zelfs al is het slechts uiterlijk, de ummah blijft bestaan die wordt gevormd door degenen die op de oproep (van an-Nabī) reageren. “Onder hen bevinden zich degenen wie shafa`ah verleners of de munāfiqs.”

Met “degenen wie shafa`ah verlenen” worden degenen bedoeld aan wie binnen de ummah toestemming zal worden gegeven om shafāʿah te doen.

De overleveraar twijfelde over welke van deze twee woorden genoemd werd.

Ibn Ḥajar zegt dat de eerste overlevering “degenen wie shafa`ah verleners” sterker en betrouwbaarder is als overlevering.

“Allāhu (تعالى) manifesteert Zich aan hen”, dat wil zeggen: Hij manifesteert Zich aan hen met andere eigenschappen dan de eigenschappen waarmee zij Hem in het wereldse leven kenden.

Of, wanneer men het woord in overdrachtelijke betekenis opvat, kan hiermee bedoeld zijn dat één van de engelen van Allāhu (تعالى) zichtbaar wordt.

Bijvoorbeeld wanneer men zegt: “De heerser heeft de hand van de dief afgehakt.”

In werkelijkheid is het degene die door de heerser aangesteld is die de hand afhakt. Maar omdat het bevel van de heerser afkomstig is, wordt de handeling in overdrachtelijke zin aan hem toegeschreven.

Daarom zeggen de mu’mins: “Wij zullen op deze plaats blijven totdat onze Rab Zich aan ons manifesteert. Wanneer onze Rab Zich aan ons manifesteert, zullen wij Hem herkennen.”

Dat wil zeggen: “Jij bent onze Rab niet. Wanneer onze Rab Zich aan ons manifesteert met Zijn verheven eigenschappen die niet lijken op de eigenschappen van de schepping, dan zullen wij Hem herkennen.”

“Allāhu (تعالى) manifesteert Zich aan hen in de vorm die zij kennen,” dat wil zeggen: Hij manifesteert Zich aan Zijn geliefde dienaren met de eigenschappen waarmee zij Hem in het wereldse leven kenden. Dat is Zijn verhevenheid boven enige gelijkenis met de schepping. Dit is het teken waardoor zij hun Rab herkennen, dat wil zeggen: Allāhu (تعالى) maakt Zich aan hen bekend op deze wijze en neemt de hindernissen van hun ogen weg.

In al-Maṣābīḥ wordt gezegd: “in de vorm die zij kennen”, betekent:“met het teken en bewijs waardoor de dienaren Allāhu (تعالى) herkennen en waardoor het onderscheid tussen Zijn Wezen en de schepping duidelijk wordt.”

Datgene wat hier als bewijs en teken dient, is in overdrachtelijke zin “ṣūrah” genoemd.

De Arabieren gebruiken dit woord ook op deze manier. Zij zeggen bijvoorbeeld:

“De ṣūrah van jouw zaak is zo” of: “De ṣūrah van jouw uitspraak is zo.”

In werkelijkheid heeft een zaak of uitspraak geen letterlijke ṣūrah. Met deze uitdrukkingen bedoelen zij de ware aard en werkelijkheid ervan.

Ook bij de fuqahā wordt dit woord vaak op deze manier gebruikt. Zo zeggen zij bijvoorbeeld:

“De ṣūrah van deze kwestie is als volgt.” (Tot hier de uitleg uit het commentaar van al-Qastallānī.)

“Laat mij niet de meest ellendige van Uw schepselen zijn,” dat wil zeggen: “Laat mij niet de meest ellendige van de mensen van at-Tawḥīd zijn.”

aṭ-Ṭayyibī zegt: Deze man zegt als het ware: “O mijn Rab, hoewel ik U beloften en sterke verbonden heb gegeven, hoop ik nog steeds op Uw iḥsān, Uw vergeving en Uw raḥmah.

U hebt immers gezegd:يَٰبَنِيَّ ٱذۡهَبُواْ فَتَحَسَّسُواْ مِن يُوسُفَ وَأَخِيهِ وَلَا تَاْيۡـَٔسُواْ مِن رَّوۡحِ ٱللَّهِۖ إِنَّهُۥ لَا يَاْيۡـَٔسُ مِن رَّوۡحِ ٱللَّهِ إِلَّا ٱلۡقَوۡمُ ٱلۡكَٰفِرُونَ ٨٧O mijn zonen! Ga en informeer over Yoesoef en zijn broeder en wanhoop niet aan de Genade van Allāh. Voorzeker, niemand wanhoopt aan Allāh’s (verlichtende) Genade behalve de mensen die niet geloven (kāfirs).” (Yūsuf, 12:87)

Ik weet dus dat ik niet behoor tot het volk van de kāfirs dat wanhoopt aan Uw raḥmah. Ik verlang naar Uw iḥsān en Uw raḥmah en daarom heb ik dit van U gevraagd.”

Daarop wordt Allāhu (تعالى) tevreden met hem vanwege deze woorden en maakt Hij Zijn welbehagen kenbaar.

Met de uitspraak: “Hij blijft smeekbeden verrichten totdat Allāhu (تعالى) lacht”, wordt bedoeld dat Allāhu (تعالى) Zijn welbehagen kenbaar maakt.

En Allāhu (تعالى) weet het best wat juist is.

al-Bukhārī’den andere aḥādīth over ash-Shafāʿah

al-Bukhārī (رحمه الله) vermeldt in deel 9, blz. 129 en verder, opnieuw in Kitāb at-Tawḥīd, in het hoofdstuk over de āyah:

وُجُوهٞ يَوۡمَئِذٖ نَّاضِرَةٌ ٢٢ Sommige gezichten zullen op die Dag verlicht zijn.إِلَىٰ رَبِّهَا نَاظِرَةٞ ٢٣ Naar hun Heer kijkend. (Qiyāmah, 75:22–23)de volgende overlevering:

334. Van Yaḥyā ibn Bukayr, van al-Layth ibn Saʿd, van Khālid ibn Yazīd, van Saʿīd ibn Abī Hilāl, van Zayd ibn Aslam, van ʿAṭā ibn Yasār, dat Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) zei: “Wij vroegen aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): ‘O Rasûlullāh, zullen wij onze Rab zien op de Yawm al-Qiyāmah?’Hij zei: ‘Hebben jullie moeite om de zon of de maan te zien wanneer de hemel helder is?’Wij antwoordden: ‘Neen.’Daarop zei hij: ‘Zoals jullie geen moeite hebben met het zien van de zon en de maan, zo zullen jullie op die Dag geen moeite hebben met het zien van jullie Rab.’Daarna zei hij: ‘Een omroeper zal uitroepen:“Laat iedere groep volgen wat zij aanbaden.”Daarop zullen de kruisaanbidders het kruis volgen. De afgodendienaars zullen hun afgoden volgen. Iedereen die naast Allāhu (تعالى) iets anders als godheid (ilāh) nam, zal volgen wat zij aanbaden.Uiteindelijk blijven alleen degenen over die Allāhu (تعالى) aanbaden, zowel de rechtschapenen als de zondaren, evenals degenen van Ahl al-Kitāb die overgelaten zijn.Daarna wordt Jahannam gebracht en zichtbaar gemaakt alsof het een luchtspiegeling is.Tegen de joden worden gezegd: “Wat aanbaden jullie?”Zij zeggen: “Wij aanbaden ʿUzayr, de zoon van Allāh.”Daarop wordt tegen hen gezegd: “Jullie hebben gelogen.

Allāh heeft noch een echtgenote noch een zoon.”Daarna wordt gevraagd: “Wat verlangen jullie?”Zij zeggen:“Wij willen dat U ons te drinken geeft.”Er wordt gezegd:“Drink.”Daarop vallen ook de joden één voor één Jahannam binnen.Vervolgens wordt tegen de christenen gezegd: “Wat aanbaden jullie?”

Zij antwoorden: “Wij aanbaden al-Masīḥ, de zoon van Allāh.”

Daarop wordt tegen hen gezegd: “Jullie hebben gelogen. Allāh heeft noch een echtgenote noch een zoon.”

Daarna wordt gevraagd: “Wat verlangen jullie?”

Zij zeggen: “Wij willen dat U ons te drinken geeft.”

Er wordt gezegd: “Drink.”

Daarop vallen ook de christenen één voor één Jahannam binnen.

Dan blijven alleen degenen over die uitsluitend Allāhu (تعالى) aanbaden, zowel de zondaren als de rechtschapenen.

Tegen hen wordt gezegd: ‘De mensen zijn vertrokken; waarom blijven jullie hier?’

Zij antwoorden: ‘Wij hebben hen verlaten op een dag waarop wij hen harder nodig hadden dan vandaag. Bovendien hebben wij een omroeper horen zeggen: “Laat iedere groep volgen wat zij aanbaden.”

En wij wachten op onze Rab.’

Daarop manifesteert Allāhq Jalla wa ʿAlā Zich aan hen in een andere vorm dan de eerste keer waarin zij Hem zagen en zegt: ‘Ik ben jullie Rab.’

Zij zeggen: ‘U bent onze Rab.’

Alleen de anbiyā spreken dan met Hem.

Allāhu (تعالى) zegt: ‘Hebben jullie een teken waardoor jullie jullie Rab herkennen?’

Zij antwoorden: ‘De sāq.’

Daarop onthult Hij de sāq.

Iedere mu’min valt dan in sajdah voor Hem neer.

Maar degenen die sajdah verrichtten uit riyā’ en om door de mensen gezien en gehoord te worden, blijven zoals zij zijn. Zij zullen willen neerknielen, maar hun ruggen zullen verstijfd zijn zodat zij geen sajdah kunnen verrichten.

Daarna wordt aṣ-Ṣirāṭ gebracht en boven Jahannam gespannen.”

De overleveraar zei: Wij vroegen: “O Rasûlullāh, wat is die brug?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:“Het is een gladde, wankelende doorgang waarop haken, tangen en doornige planten zijn zoals de doornen van de kameeldoorn.

De mu’mins zullen overeenkomstig hun niveaus eroverheen gaan. Sommigen zullen passeren als een oogopslag, sommigen als de bliksem, sommigen als de wind en sommigen als snel rennende paarden.

Sommigen zullen veilig oversteken, sommigen zullen met lichte verwondingen gered worden en sommigen zullen in het vuur van Jahannam vallen.

Uiteindelijk zal de laatste van hen zich voorttrekkend en slepend een weg eroverheen banen.

Jullie zoeken de waarheid niet vuriger van mij dan degene die werkelijk gelooft in Allāh al-Jabbār dat op die Dag zal doen.

Wanneer de mu’mins die Jannah binnengaan zich in hun verblijfplaatsen gevestigd hebben, zullen zij sommige van hun moslimbroeders missen. Dan zullen zij zeggen:

‘O onze Rab, zij verrichtten samen met ons de ṣalāh, zij vastten en zij waren samen met ons.’

Daarop zal Allāhq zeggen: ‘Ga en haal degenen uit Jahannam in wier hart īmān aanwezig is ter grootte van een dīnār.’

Allāhu (تعالى) maakt de lichamen van deze mu’mins verboden voor Jahannam.

De mu’mins zullen vervolgens naar hun brandende broeders in Jahannam gaan. Zij zullen zien dat sommigen tot aan hun hielen en anderen tot aan hun kuiten in het vuur verzonken zijn. Daarop zullen zij degenen herkennen die zij kennen en hen eruit halen. Vervolgens keren zij terug.

Daarna zegt Allāhu (تعالى): ‘Ga terug en haal degenen eruit in wier hart een halve dīnār aan īmān aanwezig is.’

De mu’mins van Jannah zullen opnieuw gaan en degenen die zij herkennen eruit halen.

Daarna zegt Allāhu (تعالى): ‘Ga terug en haal degenen eruit in wier hart een dharrah (atoom) aan īmān aanwezig is.’

Daarop zullen zij opnieuw gaan en degenen die zij herkennen eruit halen.”

De overleveraar Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) zei: “Als jullie mij niet geloven, lees dan deze āyah:إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَظۡلِمُ مِثۡقَالَ ذَرَّةٖۖ وَإِن تَكُ حَسَنَةٗ يُضَٰعِفۡهَا وَيُؤۡتِ مِن لَّدُنۡهُ أَجۡرًا عَظِيمٗا ٤٠Zeker! Allāh doet zelfs geen kwaad ter grote van een atoom, maar als er iets goeds gedaan wordt,verdubbelt Hij het en geeft Hij een grote beloning. (Nisā’, 4:40)

De anbiyā, de engelen en de mu’mins zullen shafāʿah doen.

Daarna zal Allāh al-Jabbār zeggen: “Nu is het Mijn beurt om shafāʿah te doen.”

Vervolgens neemt Hij een handvol uit Jahannam en haalt daar mensen uit wier lichamen volledig verbrand zijn.

Daarna worden zij ondergedompeld in een rivier buiten Jannah. Deze rivier wordt “het levenswater” genoemd.

Zij zullen daaruit groeien zoals wilde rayḥān-zaden snel groeien tussen de hopen aarde die door een overstroming zijn meegevoerd.

Jullie hebben zulke planten gezien tussen een rots en een boom. De zijde die naar de zon gericht is, is groen en de zijde in de schaduw is wit.

Zo zullen deze mensen die uit de rivier gehaald worden glanzen in witheid en helderheid alsof zij parels of koralen zijn.

Aan hun halzen worden halskettingen gehangen waarna zij Jannah binnengaan.

De bewoners van Jannah zullen over hen zeggen: “Dit zijn de vrijgelaten dienaren van ar-Raḥmān. Allāhu (تعالى) heeft hen Jannah laten binnengaan zonder dat zij een daad verricht hebben of een goedheid vooruit hebben gestuurd.”

Tegen hen wordt vervolgens gezegd: “Wat jullie zien is voor jullie, en nog eens evenveel erbij.”

Uitleg van de 334ste ḥadīth

Toen de joden zeiden: “Wij aanbaden ʿUzayr, de zoon van Allāh,”werd tegen hen gezegd:

“Jullie hebben gelogen,” dat betekent: “Jullie hebben gelogen in jullie bewering dat ʿUzayr de zoon van Allāh is en dat hij het verdient aanbeden te worden.”

“Jullie hebben dus in werkelijkheid geen ware aanbidding (ʿibādah) verricht. Integendeel, jullie verkeerden in een duidelijke dwaling.”

De uitspraak: “Wij verlieten hen op een dag waarop wij hen meer nodig hadden dan vandaag”

wordt in de overlevering in Tafsīr Sūrah an-Nisā als volgt vermeld: “Wij verlieten de mensen in het wereldse leven op een moment waarop wij hen het hardst nodig hadden.”

De betekenis hiervan is: “In het wereldse leven verlieten wij onze familieleden en vrienden, terwijl wij hen voor levensonderhoud en wereldse zaken juist hard nodig hadden, o onze Rab, vanwege hun vijandschap tegenover U. Daarom namen wij afstand van hen.”

Onze behoefte aan hen in het wereldse leven was groter dan vandaag.

Zoals wij hen in het wereldse leven niet als geliefden namen vanwege afkeer van hun overtuigingen, zo nemen wij hen vandaag in het Hiernamaals ook niet als geliefden.

Bovendien hebben wij vandaag geen behoefte meer aan hen. Er is geen enkel voordeel meer van hen te verwachten, voor eeuwig niet. (Samengevat uit het commentaar van al-Qastallānī.)

“Allāhu (تعالى) zegt: ‘Hebben jullie een teken waardoor jullie jullie Rab herkennen?’Zij antwoorden: ‘De sāq (onderbenen).’”

Het verheven en heilige Wezen van Allāhu (تعالى) manifesteert Zich.

Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) zei over de uitleg van de āyah:يَوۡمَ يُكۡشَفُ عَن سَاقٖ وَيُدۡعَوۡنَ إِلَى ٱلسُّجُودِ فَلَا يَسۡتَطِيعُونَ ٤٢(Gedenk) de dag waarop de onderbenen (sāq) ontbloot zullen worden en zij opgeroepen worden om te knielen, maar zij zullen daartoe niet in staat zijn. (Qalam, 68:42)

dat hiermee bedoeld wordt: “de hevigheid en verschrikking van die situatie.”

De Arabieren zeggen wanneer een oorlog hevig wordt: “De oorlog heeft de sāq bereikt.”

De oorsprong van deze uitdrukking ligt daarin dat ongetrouwde vrouwen die normaal hun bedekking zorgvuldig bewaren, wanneer zij plotseling geconfronteerd worden met een enorme angst of zware situatie, hun onderbenen ontbloten om sneller weg te kunnen vluchten.

Het ontbloten van de sāq (onderbeen) werd daardoor een teken en beeldspraak voor ernst, hevigheid en grote moeilijkheid.

Abū Mūsā al-Ashʿarī (رضي الله عنه) zei eveneens: “De sāq verwijst naar nūr en naar de voortdurend terugkerende Rabbānī gunsten en weldaden voor de mu’mins.”

Ook Ibn Fūrak gaf deze uitleg.

Of, zoals al-Muhallab zei: “Voor de mu’mins betekent het raḥmah, terwijl het voor anderen ghadāb betekent.” (Uit het commentaar van al-Qastallānī.)

Uit deze ḥadīth blijkt dat de niveaus van de mu’mins bij het oversteken van aṣ-Ṣirāṭ verschillend zullen zijn.

Sommigen zullen oversteken als een oogopslag, sommigen als de bliksem, enzovoort.

Daarnaast zullen sommigen zonder enige verwonding gered worden, terwijl anderen lichte verwondingen oplopen doordat de doornen van de brug hen raken.

Anderen zullen vanwege hun daden in Jahannam vallen.

De laatsten van degenen die uiteindelijk gered worden, zullen zich voorttrekkend en kruipend over aṣ-Ṣirāṭ bewegen.

De uitspraak: “Jullie zoeken de waarheid niet vuriger dan ik. Degene die werkelijk gelooft in Allāh al-Jabbār zal dat op die Dag zien,” betekent: “O mu’mins, jullie spannen je in het wereldse leven niet méér in voor de waarheid dan ik. Wanneer jullie toestand in het Hiernamaals zichtbaar wordt, zullen jullie Allāhu (تعالى) vragen om jullie broeders die bestraft worden in Jahannam te redden.

Zoals ik in het wereldse leven meer bezorgd en zorgvuldiger was dan jullie in deze zaak, zo zal ik in het Hiernamaals ook meer zorg tonen voor de redding van de moslims.”

Wanneer sommige mu’mins zien dat zij gered zijn terwijl hun broeders nog bestraft worden in Jahannam, zullen zij Allāhu (تعالى) vragen hun broeders eveneens te redden.

Zij zullen zeggen: “O onze Rab, deze broeders van ons verrichtten samen met ons de ṣalāh, zij vastten samen met ons en verrichtten samen met ons goede daden,” dat wil zeggen:

“O onze Rab, zoals U ons gered hebt, vragen wij U door Uw faḍl en Uw iḥsān ook hen uit Jahannam te redden.”

Daarop zal tegen hen gezegd worden: “Ga en haal degenen uit Jahannam in wier hart īmān aanwezig is ter grootte van een dīnār.”

Hieruit blijkt dat Allāhu (تعالى) hun shafāʿah voor hun broeders aanvaardt en hun beveelt hun broeders in drie fasen uit Jahannam te halen.

In de eerste fase halen zij degenen eruit in wier hart īmān aanwezig is ter grootte van een dīnār.

In de tweede fase halen zij degenen eruit in wier hart īmān aanwezig is ter grootte van een halve dīnār.

In de derde fase halen zij degenen eruit in wier hart īmān aanwezig is ter grootte van een dharrah.

Allāhu (تعالى) heeft hun gezichten en hun vormen verboden gemaakt voor Jahannam. Daardoor herkennen zij hen aan hun uiterlijke kenmerken.

Van sommigen zijn de voeten in het vuur verzonken en bij anderen reikt het vuur tot aan hun onderbenen.

Toen vermeld werd dat de laatsten die uit Jahannam gehaald zullen worden degenen zijn in wier hart slechts een dharrah aan īmān aanwezig is, bracht Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) hiervoor een bewijs uit al-Qurʾān al-Karīm.

Hij zei: “Lees desgewenst deze āyah:

إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَظۡلِمُ مِثۡقَالَ ذَرَّةٖۖ وَإِن تَكُ حَسَنَةٗ يُضَٰعِفۡهَا وَيُؤۡتِ مِن لَّدُنۡهُ أَجۡرًا عَظِيمٗا ٤٠Zeker! Allāh doet zelfs geen kwaad ter grote van een atoom, maar als er iets goeds gedaan wordt,verdubbelt Hij het en geeft Hij een grote beloning. (Nisā’, 4:40)Deze ḥadīth toont aan dat ook de daden van het hart zichtbaar en waarneembaar gemaakt zullen worden zoals tastbare zaken die gewogen en gemeten kunnen worden.

Īmān zal vastgesteld kunnen worden als een dīnār, een halve dīnār of een dharrah aan gewicht. En Allāhu (تعالى) weet het best.

“De anbiyā, de engelen en de mu’mins doen shafāʿah.

Vervolgens zegt Allāh al-Jabbār:‘Nu is het Mijn shafāʿah, ” de betekenis hiervan is: Nadat Allāhu (تعالى) de shafāʿah van Zijn dienaren die bij Hem een verheven rang en positie hebben aanvaard heeft, zegt Hij: “Nu blijft Mijn shafāʿah over.”

Dat het uit Jahannam halen van degenen die daarin gevallen zijn op bevel van Allāhu (تعالى) “shafāʿah” genoemd wordt, bevat een subtiele betekenis.

Wat hiermee bedoeld wordt, is dat Allāhu (تعالى) zonder tussenkomst van enige geschapene sommige bewoners van Jahannam eruit haalt. Daarnaar wordt verwezen met de woorden: “Hij neemt een handvol uit Jahannam, ” dat wil zeggen: Hij neemt een groep van de moslims die nog steeds bestraft worden in Jahannam.

Dit zijn groepen mu’mins die naast īmān geen enkele andere goede daad bezitten.

Voor hen is aan niemand toestemming gegeven om shafāʿah te doen.

Daarom haalt Allāhu (تعالى) hen uit Jahannam enkel door Zijn eigen faḍl, zonder de shafāʿah van iemand anders.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beschreef vervolgens het gebeuren van degenen die als laatsten uit Jahannam gehaald worden en buiten Jahannam in een rivier geworpen worden waar zij opnieuw groeien.

Hij verduidelijkte dit door een vergelijking met zichtbare zaken uit het wereldse leven en zei:

“Jullie hebben de wilde rayḥān-planten gezien tussen een rots en een boom…”

“Er worden halskettingen aan hun halzen gehangen,” dat wil zeggen: Dit zal een teken zijn waardoor zij herkend worden. Daarom zullen de bewoners van Jannah over hen zeggen:

“Dit zijn de vrijgelaten dienaren van ar-Raḥmān.”

Wanneer zij Jannah binnengaan en daar talloze gunsten zien, zal tegen hen gezegd worden: “Wat jullie zien is voor jullie, en nog eens evenveel erbij.” (Uit het commentaar van al-Qastallānī.)

Allāhu (تعالى) weet het best wat juist is.

O Allāh, laat ons door Uw vergeving en Uw raḥmah Jannah binnengaan. Āmīn.

Imām Abū ʿAbdillāh al-Bukhārī (رحمه الله) vermeldt in zijn Ṣaḥīḥ, deel 9, blz. 131 en verder, opnieuw in Kitāb at-Tawḥīd, in het hoofdstuk over de āyah:

وُجُوهٞ يَوۡمَئِذٖ نَّاضِرَةٌ ٢٢ Sommige gezichten zullen op die Dag verlicht zijn.إِلَىٰ رَبِّهَا نَاظِرَةٞ ٢٣ Naar hun Heer kijkend. (Qiyāmah, 75:22–23)

de volgende overlevering:

335. Van Ḥajjāj ibn Minḥāl, van Hammām ibn Yaḥyā, van Qatādah, van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op de Yawm al-Qiyāmah zullen de mu’mins wachten, totdat zij onrustig en bezwaard worden door het lange wachten.

Daarop zullen zij zeggen: ‘Laat ons iemand zoeken die voor ons shafāʿah doet bij onze Rab, zodat onze Rab ons van deze plaats verlost.’

Dan gaan zij naar Ādam (عليه السلام) en zeggen: ‘U bent Ādam, de vader van de mensheid. Allāhu (تعالى) heeft u met Zijn Hand geschapen, u in Zijn Paradijs laten wonen, de engelen bevolen sajdah voor u te verrichten en u de namen van alle dingen geleerd. Doe voor ons shafāʿah bij uw Rab zodat Hij ons van deze plaats verlost.’

Ādam (عليه السلام) zal zeggen: ‘Ik ben niet geschikt voor deze positie.’

Daarop herinnert hij zich zijn fout, namelijk dat hij gegeten had van de boom die hem verboden was.

Vervolgens zegt hij: ‘Ga naar Nūḥ. Hij is de eerste nabī die Allāhu (تعالى) naar de bewoners van de aarde zond.’

Daarop gaan zij naar Nūḥ (عليه السلام).

Hij zegt: ‘Ik ben niet geschikt voor deze positie.’

Daarna herinnert hij zich zijn fout, namelijk dat hij zonder kennis iets van zijn Rab gevraagd had.

Vervolgens zegt hij: ‘Ga naar Khalīl ar-Raḥmān.’

Daarop gaan zij naar Ibrāhīm (عليه السلام).

Hij zegt: ‘Ik ben niet geschikt voor deze positie.’

Daarna herinnert hij zich de drie uitspraken die als onwaarheid genoemd zijn.

Vervolgens zegt hij: ‘Ga naar Mūsā, de dienaar aan wie Allāhu (تعالى) at-Tawrāh gaf, met wie Hij sprak en die Hij nabij liet komen voor vertrouwelijke samenspraak.’

Daarop gaan zij naar Mūsā (عليه السلام).

Hij zegt: ‘Ik ben niet geschikt voor deze positie.’

Daarna herinnert hij zich zijn fout, namelijk dat hij een man gedood had.

Vervolgens zegt hij: ‘Ga naar ʿĪsā, de dienaar van Allāh, Zijn Rasûl, Zijn Woord en een rûh van Hem.’

Daarop gaan zij naar ʿĪsā (عليه السلام).

Hij zegt: ‘Ik ben niet geschikt voor deze positie. Maar ga naar Muḥammad (صلى الله عليه وسلم), van wie Allāhu (تعالى) de eerdere en latere zonden vergeven heeft.’

Daarop komen zij naar mij.

Ik vraag toestemming om in de maqām (positie) van mijn Rab met Hem in smeekbede te treden.

Wanneer ik Hem zie, val ik onmiddellijk in sajdah neer.

Allāhu (تعالى) laat mij zolang in die toestand als Hij wil.

Daarna zegt Hij: ‘Sta op, o Muḥammad. Spreek, want er zal naar je geluisterd worden. Doe shafāʿah, want jouw shafāʿah zal aanvaard worden. Vraag, jij zult krijgen wat je vraagt.’

Daarop hef ik mijn hoofd op en prijs ik mijn Rab met lofprijzingen die Hij mij geleerd heeft, en ik dank Hem.

Vervolgens doe ik shafāʿah.

Mijn Rab bepaalt dan een groep mensen voor wie ik shafāʿah mag doen.

Daarna vertrek ik en laat hen Jannah binnengaan.”

De overleveraar Qatādah zei: “Ik hoorde hem ook zeggen:

‘Daarna haal ik hen uit Jahannam en laat ik hen Jannah binnengaan.’”

Vervolgens zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Daarna keer ik terug en vraag opnieuw toestemming om in de maqām (positie) van mijn Rab te verschijnen.

Wanneer ik Hem zie, val ik onmiddellijk in sajdah neer.

Allāhu (تعالى) laat mij zolang in die toestand als Hij wil.

Daarna zegt Hij: ‘Sta op, o Muḥammad.

Spreek, er zal naar je geluisterd worden. Doe shafāʿah, jouw shafāʿah zal aanvaard worden. vraag, jij zult krijgen wat je vraagt.’

Daarop doe ik opnieuw shafāʿah.

Allāhu (تعالى) bepaalt voor mij opnieuw een groep voor wie ik shafāʿah mag doen.

Ik haal hen uit Jahannam en laat hen Jannah binnengaan.

Daarna keer ik voor de derde keer terug en vraag toestemming om in de maqām (positie) van mijn Rab te verschijnen.

Wanneer ik Hem zie, val ik onmiddellijk in sajdah neer.

Allāhu (تعالى) laat mij zolang in die toestand als Hij wil.

Daarna zegt Hij: ‘Sta op, o Muḥammad. Spreek, er zal naar je geluisterd worden. Doe shafāʿah, jouw shafāʿah zal aanvaard worden. Vraag, wat je vraagt zal gegeven worden.’

Daarop hef ik mijn hoofd op en prijs ik mijn Rab met de lofprijzingen die Hij mij geleerd heeft en ik dank Hem opnieuw.

Vervolgens doe ik shafāʿah.

Allāhu (تعالى) bepaalt dan opnieuw een groep voor wie ik shafāʿah mag doen.

Ik vertrek en laat hen Jannah binnengaan.”

De overleveraar Qatādah zei: “Ik hoorde hem ook zeggen: “Ik vertrek, haal hen uit Jahannam en laat hen Jannah binnengaan.”

Uiteindelijk blijft er niemand meer in Jahannam behalve degenen die door al-Qurʾān vastgehouden worden.”

Dat wil zeggen: degenen over wie het eeuwige oordeel van bestraffing uitgesproken is.

Daarna reciteerde hij de āyah:

وَمِنَ ٱلَّيۡلِ فَتَهَجَّدۡ بِهِۦ نَافِلَةٗ لَّكَ عَسَىٰٓ أَن يَبۡعَثَكَ رَبُّكَ مَقَامٗا مَّحۡمُودٗا ٧٩Reciteer je gebeden (ook) tijdens bepaalde delen van de nacht.(Want o Mohammed), het zou (best) kunnen zijn dat jouw Heer jou (hierdoor op de Dag der Opstanding) in status zal verheffen (Maqām Maḥmūd) (waardoor jij wél als bemiddelaar mag optreden voor jouw volgelingen). (Isrā’, 17:79)

En dit is de “Maqām Maḥmūd” die aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) beloofd werd.

Uitleg van 335ste ḥadīth

Ādam (عليه السلام) herinnert zich dat hij van de verboden boom heeft gegeten. Dit verbod wordt in de Qurʾān als volgt vermeld:وَقُلۡنَا يَٰٓـَٔادَمُ ٱسۡكُنۡ أَنتَ وَزَوۡجُكَ ٱلۡجَنَّةَ وَكُلَا مِنۡهَا رَغَدًا حَيۡثُ شِئۡتُمَا وَلَا تَقۡرَبَا هَٰذِهِ ٱلشَّجَرَةَ فَتَكُونَا مِنَ ٱلظَّٰلِمِينَ ٣٥En Wij zeiden: “O Adam! Verblijf tezamen met jouw vrouw in Jannah en eet beiden vrijelijk met plezier en genot van de zaken daarvan zoals jullie willen, maar kom niet bij deze boom of jullie beiden zullen tot de zondaren behoren.” (Baqarah, 2:35)

Dat Nūḥ (عليه السلام) zonder kennis iets aan zijn Rab vroeg, betreft zijn uitspraak:وَنَادَىٰ نُوحٞ رَّبَّهُۥ فَقَالَ رَبِّ إِنَّ ٱبۡنِي مِنۡ أَهۡلِي وَإِنَّ وَعۡدَكَ ٱلۡحَقُّ وَأَنتَ أَحۡكَمُ ٱلۡحَٰكِمِينَ ٤٥En Noah riep zijn Heer aan en zei: “O mijn Heer! Waarlijk, mijn zoon behoort tot mijn gezin; Uw belofte is de Waarheid en U bent de meest Rechtvaardige onder de Rechters.” (Hūd, 11:45)

Dat Ibrāhīm (عليه السلام) op drie plaatsen “onwaarheid” sprak, betreft het volgende:

De eerste keer was toen hij zei: “Ik ben ziek,”( zie Ṣāffāt, 37:89) om niet deel te nemen aan het feest van de mushriks.

De tweede keer was nadat hij de afgodsbeelden had vernietigd en zei:

“Misschien heeft hun grootste dit gedaan.” (zie Anbiyā’, 21:63)

De derde keer was toen hij over zijn vrouw Sārah zei:

“Zij is mijn zuster.”

Deze uitspraken waren in werkelijkheid geen directe leugens. Het betrof woorden met een andere bedoeling of dubbele betekenis, gebruikt om zichzelf te beschermen tegen het kwaad van anderen. Toch leken zij uiterlijk op leugens. Omdat zij uiterlijk de schijn van onwaarheid hadden, vreesde Ibrāhīm (عليه السلام) voor zichzelf.

Hoe beter een dienaar zijn Rab kent, des te groter is zijn vrees voor Hem vergeleken met anderen.

Met de uitspraak: “Ik vraag toestemming om in de maqām van mijn Rab met Hem in vertrouwelijk gesprek te treden,” wordt bedoeld: in Jannah dat Allāhu (تعالى) als verblijfplaats heeft bestemd voor Zijn geliefden. Deze maqām wordt aan Allāhu (تعالى) toegeschreven vanwege zijn eer en verhevenheid. (Uit de uitleg van al-Qastallānī.)

Dit is vergelijkbaar met het noemen van de masjid als “het Huis van Allāh” en de Kaʿbah als “het Huis van Allāh”. Deze uitdrukking wordt gebruikt om de eer en verhevenheid van die plaatsen aan te geven. Allāhu (تعالى) zegt in de Qurʾān al-Karīm:

وَإِذۡ جَعَلۡنَا ٱلۡبَيۡتَ مَثَابَةٗ لِّلنَّاسِ وَأَمۡنٗا وَٱتَّخِذُواْ مِن مَّقَامِ إِبۡرَٰهِـۧمَ مُصَلّٗىۖ وَعَهِدۡنَآ إِلَىٰٓ إِبۡرَٰهِـۧمَ وَإِسۡمَٰعِيلَ أَن طَهِّرَا بَيۡتِيَ لِلطَّآئِفِينَ وَٱلۡعَٰكِفِينَ وَٱلرُّكَّعِ ٱلسُّجُودِ ١٢٥En (gedenk) dat Wij het Huis (de Ka’ba in Mekka) tot een plaats van toevlucht en tot een veilige plaats gemaakt hebben. En neem voor jouw (mensen) de plek van Abraham als een gebedsplaats en Wij hebben Abraham en Ismaël bevolen dat zij Mijn huis moeten reinigen voor degenen die daar om heen lopen of daar verblijven of daar buigen en neerknielen. (Baqarah (2:125)

Omdat Allāhu (تعالى) in de Qurʾān al-Karīm zegt:مَن ذَا ٱلَّذِي يَشۡفَعُ عِندَهُۥٓ إِلَّا بِإِذۡنِهِ

…Wie kan bij Hem bemiddelen zonder Zijn toestemming? …

(Baqarah (2:255), zal Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) toestemming vragen aan Allāhu (تعالى) om shafāʿah te mogen doen. Daarom zal an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), nadat hem toestemming voor shafāʿah is verleend, in sajdah vallen voor Allāhu (تعالى), Hem prijzen (thanā’) en Hem loven (ḥamd). Dit doet hij vóórdat hij shafāʿah verricht.

“Daarna wordt mij toestemming gegeven,” betekent: toestemming wordt mij gegeven om shafāʿah te doen.

Zoals in de Qurʾān al-Karīm staat: “Wie kan bij Hem shafāʿah doen zonder Zijn toestemming?” (zie hierboven (Baqarah (2:255)En in een andere āyah staat:وَكَم مِّن مَّلَكٖ فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ لَا تُغۡنِي شَفَٰعَتُهُمۡ شَيۡـًٔا إِلَّا مِنۢ بَعۡدِ أَن يَأۡذَنَ ٱللَّهُ لِمَن يَشَآءُ وَيَرۡضَىٰٓ ٢٦En er zijn vele Engelen in de hemel wier bemiddeling niets baat, behalve nadat Allāh toestemming geeft voor wie Hij wil en voor wie Hem behaagt. (Najm, 53:26),

Met de woorden: “Degenen die door de Qurʾān zijn vastgehouden,” worden degenen bedoeld voor wie een eeuwig verblijf in Jahannam is vastgesteld. Dit zijn de kāfirs.Over hen zegt Allāhu (تعالى) in de Qurʾān:إِلَّا طَرِيقَ جَهَنَّمَ خَٰلِدِينَ فِيهَآ أَبَدٗاۚ وَكَانَ ذَٰلِكَ عَلَى ٱللَّهِ يَسِيرٗا ١٦٩Behalve naar de weg van Jahannam, om daarin voor altijd te verblijven en dit is zeer gemakkelijk voor Allāh. (Nisā’, 4:169)

Zij verdienen ook geen vergeving.

Want Allāhu (تعالى) zegt in de Qurʾān:إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَغۡفِرُ أَن يُشۡرَكَ بِهِۦ وَيَغۡفِرُ مَا دُونَ ذَٰلِكَ لِمَن يَشَآءُۚ وَمَن يُشۡرِكۡ بِٱللَّهِ فَقَدِ ٱفۡتَرَىٰٓ إِثۡمًا عَظِيمًا ٤٨Waarlijk, Allāh vergeeft het niet als er met Hem deelgenoten worden aanbeden, maar daarnaast vergeeft Hij wat Hij wil, en iedereen die Allāh deelgenoten toekent, heeft zeker een afschuwelijke zonde begaan. (Nisā’, 4:48)

Daarom durft niemand shafāʿah te doen voor de kāfirs. Want voor hen bestaat geen shafāʿah.Allāhu (تعالى) zegt in de Qurʾān:وَأَنذِرۡهُمۡ يَوۡمَ ٱلۡأٓزِفَةِ إِذِ ٱلۡقُلُوبُ لَدَى ٱلۡحَنَاجِرِ كَٰظِمِينَۚ مَا لِلظَّٰلِمِينَ مِنۡ حَمِيمٖ وَلَا شَفِيعٖ يُطَاعُ ١٨

En waarschuw hen (O Mohammed) voor de Dag die nadert, wanneer de harten treurig in de kelen blijven kloppen. Er zal voor de onrechtvaardigen geen vriend of bemiddelaar zijn die wordt gehoord. (Ghāfir, 40:18)

Dit ontkent in oorsprong de shafāʿah voor hen (kāfirs). Zelfs als, hypothetisch gesproken, iemand voor hen zou willen bemiddelen, zou dat hun geen nut brengen.

Want aan zo iemand zou geen toestemming voor shafāʿah worden gegeven.Allāhu (تعالى) zegt over hen in de Qurʾān:فَمَا تَنفَعُهُمۡ شَفَٰعَةُ ٱلشَّٰفِعِينَ ٤٨Dus is geen bemiddeling of geen bemiddelaar voor hen van enig nut. (Muddaththir, 74:48)

De woorden: “Daarna reciteerde hij deze āyah,” betekent dat degene die deze āyah reciteerde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zelf was. (Uit de uitleg van al-Qastallānī.)

Imām Muhammad al-Bukhari (رحمه الله) vermeldt in zijn Ṣaḥīḥ, deel 9, blz. 146 en verder, in het hoofdstuk: “Het spreken van de Rab op de Yawm al-Qiyāmah met de anbiyā en anderen”, de volgende overlevering:

336. Van Yūsuf ibn Rāshid, van Aḥmad ibn ʿAbdullāh, van Abū Bakr ibn ʿAyyāsh, van Ḥumayd, van Anas (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer de Yawm al-Qiyāmah aanbreekt, zal mij de bevoegdheid tot shafāʿah worden gegeven. Dan zal ik zeggen: ‘O mijn Rab, laat degene in Jannah binnengaan die een mosterdzaadje aan īmān in zijn hart heeft.’

Zij zullen dan binnengaan.

Daarna zal ik zeggen: ‘O mijn Rab, laat degene in Jannah binnengaan die zelfs de kleinste hoeveelheid īmān in zijn hart heeft.’

Anas zei: ‘Het is alsof ik nu nog kijk naar de vingers van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم)

Uitleg van de 336ste ḥadīth

Met “de kleinste hoeveelheid īmān” wordt bedoeld dat de overtuiging in het hart van een mens aanwezig is in een mate die hem tot een muʾmin maakt. Dat wil zeggen: er bevindt zich in zijn hart voldoende īmān om hem binnen de grenzen van het geloof te brengen.

Anas zei: ‘Het is alsof ik nu nog kijk naar de vingers van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), dat betekent: terwijl Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) sprak over “de kleinste hoeveelheid”, wees hij met het topje van zijn vinger om de uiterste geringheid daarvan aan te duiden.

al-Qastallānī zegt: In andere overleveringen van deze ḥadīth wordt vermeld dat Allāhu (تعالى) aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zal bevelen om degenen uit Jahannam te halen die een hoeveelheid īmān bezitten ter grootte van een gerstkorrel, een mosterdzaadje enzovoort.

Hier wordt echter vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zelf om dit zal vragen.

Om deze verschillen met elkaar te verenigen, is gezegd: Eerst zal Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het verzoek doen zoals het hierboven is vermeld, waarna Allāhu (تعالى) hem zal antwoorden zoals in de andere overleveringen is vermeld. Allāhu (تعالى) weet het het best.

(Uit de uitleg van al-Qastallānī.)

Imām Muhammad al-Bukhari (رحمه الله) vermeldt in zijn Ṣaḥīḥ, deel 9, blz. 146, in het hoofdstuk: “Het spreken van de Rab, عز وجل, met de anbiyā en anderen op de Yawm al-Qiyāmah”, de volgende ḥadīth:

337. Van Sulaymān ibn Ḥarb, van Ḥammād ibn Zayd, van Maʿbad ibn Hilāl al-ʿAnazī, die zei: “Enkele mensen van de bewoners van Basra kwamen bijeen en wij gingen naar Anas ibnu Mālik (رضي الله عنه). Wij namen ook Sābit al-Bunānī met ons mee naar hem toe. Hij zou voor ons vragen naar de ḥadīth over de shafāʿah. Wij troffen hem aan in zijn woning. Toen wij aankwamen, verrichtte hij de ṣalāh aḍ-ḍuḥā. Wij vroegen toestemming om binnen te komen en hij gaf ons toestemming terwijl hij op zijn rustbed zat. Wij zeiden tegen Sābit: ‘Vraag hem eerst niets anders vóór de ḥadīth van de shafāʿah.’ Daarop zei Sābit: ‘O Abū Ḥamzah, dit zijn jouw broeders uit Basra; zij vragen jou naar de ḥadīth over de shafāʿah.’

Toen zei Anas (رضي الله عنه): ‘Muḥammed (صلى الله عليه وسلم) vertelde ons het volgende:

“Wanneer de Yawm al-Qiyāmah aanbreekt, zullen de mensen door elkaar heen raken. Dan zullen zij naar Ādam (عليه السلام) gaan en tegen hem zeggen: ‘Doe voor ons shafāʿah bij uw Rab.’ Hij zal zeggen: ‘Ik ben niet degene voor deze positie, maar ga naar Ibrāhīm (عليه السلام), want hij is de intieme vriend van ar-Raḥmān.’

Dan gaan zij naar Ibrāhīm (عليه السلام), maar hij zal zeggen: ‘Ik ben niet degene voor deze positie, maar ga naar Mūsā (عليه السلام), want hij is degene met wie Allāh gesproken heeft.’

Vervolgens gaan zij naar Mūsā (عليه السلام), maar hij zal zeggen: ‘Ik ben niet degene voor deze positie, maar ga naar ʿĪsā (عليه السلام), want hij is de rûh van Allāh en Zijn woord.’

Daarna gaan zij naar ʿĪsā (عليه السلام), maar hij zal zeggen: ‘Ik ben niet degene voor deze positie, maar ga naar Muḥammed (صلى الله عليه وسلم).’

Dan komen zij naar mij en ik zal zeggen: ‘Ik ben degene voor deze positie.’

Vervolgens vraag ik toestemming om voor mijn Rab te verschijnen.

Op dat moment worden mij bepaalde woorden van lofprijzing ingegeven die ik nu nog niet ken. Met die lofprijzingen prijs ik mijn Rab.

Daarna werp ik mij neer in sajdah.

Dan wordt er gezegd: ‘O Muḥammed, hef jouw hoofd op, spreek, jouw woorden zullen worden gehoord; vraag, jij zult krijgen wat je vraagt; verricht shafāʿah, jouw shafāʿah zal worden aanvaard.’

Dan zeg ik: ‘O mijn Rab, mijn ummah! Mijn ummah!’

Daarop zegt Allāhu (تعالى): ‘O Muḥammed, ga en haal iedereen daaruit, dat wil zeggen uit Jahannam, in wiens hart īmān aanwezig is ter grootte van een gerstekorrel.’

Ik zal dan gaan en uitvoeren wat mij bevolen is. Vervolgens keer ik terug en prijs ik Hem opnieuw met dezelfde woorden van lofprijzing. Daarna werp ik mij opnieuw neer in sajdah.

Dan wordt gezegd: ‘O Muḥammed, hef jouw hoofd op, spreek, jouw woorden zullen worden gehoord; vraag, jij zult krijgen wat je vraagt; doe shafāʿah, jouw shafāʿah zal worden aanvaard.’

Dan zeg ik: ‘O mijn Rab, mijn ummah! Mijn ummah!’

Allāhu (تعالى) zal zeggen: ‘Ga en haal iedereen daaruit, uit Jahannam, in wiens hart een hoeveelheid īmān aanwezig is ter grootte van een atoomdeeltje of ter grootte van een mosterdzaadje.’

Ik zal dan gaan en uitvoeren wat mij bevolen is. Daarna keer ik opnieuw terug en prijs ik Hem met dezelfde woorden van lofprijzing. Vervolgens werp ik mij neer in sajdah. Dan zegt Allāhu (تعالى): ‘O Muḥammed, hef jouw hoofd op; spreek, jouw woorden zullen worden gehoord; vraag, jij zult krijgen wat je vraagt; doe shafāʿah, jouw shafāʿah zal worden aanvaard.’

Dan zeg ik: ‘O mijn Rab, mijn ummah! Mijn ummah!’

Daarop zegt Allāh Celle ve ʿAlā: ‘Ga en haal iedereen eruit bij wie īmān aanwezig is, al is het nog veel, veel, veel kleiner dan een mosterdzaadje. Haal hen uit Jahannam.’

Ik zal dan gaan en dit uitvoeren.”

De rāwī zei: Toen wij bij Anas (رضي الله عنه) vandaan gingen, zei ik tegen enkele van mijn metgezellen: ‘Laten wij ook langs al-Ḥasan (al-Baṣrī) gaan; hij verblijft teruggetrokken in het huis van Abū Khalīfah. Dan kunnen wij hem de ḥadīth vertellen die Anas ibnu Mālik (رضي الله عنه) ons heeft overgeleverd.’

Wij gingen naar hem toe, gaven salām en hij gaf ons toestemming binnen te komen. Wij zeiden tegen hem: ‘O Abū Saʿīd, wij komen van jouw broeder Anas ibnu Mālik (رضي الله عنه), en wij hebben nog nooit iets dergelijks gehoord over de shafāʿah als wat hij ons heeft verteld.’

Hij zei: ‘Lees het mij voor.’

Wij vertelden hem de ḥadīth en lazen tot aan het gedeelte dat hierboven genoemd is. Toen zei hij: ‘Lees verder.’

Wij antwoordden: ‘Meer dan dit heeft hij niet verteld.’

Daarop zei hij: ‘Twintig jaar geleden heeft hij mij deze ḥadīth volledig verteld. Ik weet niet of hij het vergeten is of dat hij het niet volledig wilde vertellen uit vrees dat jullie moe zouden worden.’

Wij zeiden: ‘Vertel jij het ons dan.’

Hij glimlachte en zei: ‘De mens is geschapen als een haastig wezen. Ik herinnerde jullie hier slechts aan omdat ik het jullie wilde overleveren.’

Vervolgens zei hij: ‘Hij heeft het mij overgeleverd zoals hij het aan jullie heeft overgeleverd, en daarna vervolgde hij: “Daarna keer ik voor de vierde keer terug. Ik prijs Hem opnieuw met dezelfde woorden van lofprijzing. Daarna werp ik mij neer in sajdah voor Hem. Dan wordt gezegd: ‘O Muḥammed, hef jouw hoofd op; spreek, jouw woorden zullen worden gehoord; vraag, jij zult krijgen wat je vraagt; doe shafāʿah, jouw shafāʿah zal worden aanvaard.’

Dan zeg ik: ‘O mijn Rab, geef mij toestemming betreffende iedereen die “Lā ilāha illallāh (er is geen godheid behalve Allāh) heeft gezegd.’

Daarop zegt Allāhu (تعالى): ‘Bij Mijn ʿIzzah, Mijn Majesteit, Mijn Verhevenheid en Mijn Grootheid (zweer Ik): “Ik zal iedereen die “Lā ilāha illallāh” heeft gezegd daaruit, uit Jahannam, halen.”

Uitleg van de 337ste ḥadīth

“Wanneer de Yawm al-Qiyāmah aanbreekt, zullen de mensen door elkaar heen raken,” dat wil zeggen: door de hevigheid van die Dag zullen zij in verwarring en chaos met elkaar verstrikt raken.

In deze overlevering wordt vermeld dat Ādam (عليه السلام) zal zeggen: “Ga naar Ibrāhīm (عليه السلام).” In andere overleveringen staat echter dat Ādam (عليه السلام) de mensen naar Nūḥ (عليه السلام) zal sturen. Wij zeggen: het is mogelijk dat Ādam (عليه السلام) zal zeggen: “Ga naar Nūḥ of naar Ibrāhīm.” De overleveraars hebben de ḥadīth samengevat overgeleverd, waardoor de naam van Nūḥ (عليه السلام) hier is weggelaten. Of het kan zijn dat sommige overleveraars Nūḥ (عليه السلام) per vergissing hebben overgeslagen. Allāh (تعالى) weet het het beste.

“Dan vraag ik toestemming om voor mijn Rab te verschijnen,” dat wil zeggen: om toestemming voor shafāʿah te vragen. Deze shafāʿah is bedoeld om het oordeel tussen de mensen te bespoedigen. Hierover is eerder al voldoende uitleg gegeven. Al-Bazzār vermeldt in zijn Musnad dat Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zal zeggen: “O mijn Rab, bespoedig de afrekening van de schepselen.”

Daarna zal elke ummah met datgene meegaan waaraan zij aanbidding verrichtte. Vervolgens zal Jahannam gebracht worden, de Weegschalen (Mīzān) worden opgesteld, de Bladen (Suhûf) worden uitgedeeld en de Brug (Ṣirāṭ) wordt geplaatst; zo gebeuren ook al deze afschrikwekkende gebeurtenissen. De opstandigen zullen Jahannam binnengaan.

Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) legt in de daaropvolgende woorden de overige vormen van shafāʿah uit.

“al is het nog veel, veel, veel kleiner dan een mosterdzaadje īmān.” In sommige versies wordt het woord “veel” twee keer herhaald, en in de overlevering van al-Kushmayhanī zelfs drie keer. Al-Qasṭallānī zegt: de herhaling dient ter benadrukking van de kleinheid. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zelfs voor degene met extreem weinig īmān shafāʿah zal doen. Deze zeer geringe hoeveelheid īmān bestaat enkel uit het bevestigen van wat Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gebracht, zonder dat dit met daden wordt ondersteund.

In de overlevering wordt vermeld dat al-Ḥasan al-Baṣrī (رحمه الله) zich in het huis van Abū Khalīfah terugtrok.

Deze Abū Khalīfah is Abū Khalīfah at-Ṭā’ī. De reden dat al-Ḥasan al-Baṣrī zich daar terugtrok, was uit angst voor al-Ḥajjāj az-Zālim (de tiran).

Wanneer er gezegd wordt: ‘Iedereen die zegt: er is geen godheid dan Allāh,’ dan worden daarmee degenen bedoeld die deze uitspraak samen met de woorden ‘Muḥammed is Zijn Rasūl en Zijn Nabī’ hebben gezegd.

Het verzoek van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم): “O mijn Rab, geef mij toestemming voor iedereen die zegt: er is geen godheid dan Allāh,” wordt beantwoord met de woorden van Allāhu (تعالى): “Bij Mijn ʿIzzah (Eer), Mijn Majesteit, Mijn Verhevenheid en Mijn Grootheid, (zweer Ik): Ik zal iedereen die “Lā ilāha illallāh” heeft gezegd daaruit, uit Jahannam, halen.’

De betekenis hiervan is: “Dit zal jij niet kunnen doen; dat wil zeggen: niet door jouw shafāʿah, maar Ik zal dit uit Mijzelf doen. Ik zal dit doen omwille van de verhevenheid van Mijn Naam en de majesteit van Mijn Tawḥīd.”

Degene die uit Jahannam wordt gehaald vanwege het zeggen van “er is geen godheid dan Allāh”, is degene die deze uitspraak ook met zijn hart bevestigt. De munāfiq die het alleen met zijn tong zegt maar niet met zijn hart gelooft, zal dit weldaad/gunst (ni`mah) niet bereiken. Daarom heeft Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) gezegd: “De meest begunstigde van de mensen door mijn shafāʿah op Yawm al-Qiyāmah is degene die met oprechte overtuiging en vanuit zijn hart zegt: “Lā ilāha illā Allāh.”

Degenen die de goddelijke gunst van Allāhu (تعالى) zullen ontvangen, zijn degenen die deze uitspraak met hun hart geloven (en bevestigen), ook al heeft dit geloof zich niet volledig zichtbaar gemaakt in hun daden. Degene die echter voordeel zal hebben van de shafāʿah van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) is degene wiens geloof (īmān) zich ook heeft geuit in goede daden.

Dit wordt vermeld in Sharḥ al-Mishkāt. Allāh (تعالى) weet het het beste. (Uit de uitleg van al-Qastallānī.)

De ahadith over de shafāʿah zoals vermeld in Ṣaḥīḥ Muslim

Volgens de marginale aantekeningen van al-Qasṭallānī, deel 2, p. 107, in het hoofdstuk: "Het bewijs dat de muʾmins hun Rabb سبحانه وتعالى (Verheven en vrij van alle tekortkomingen is Hij, en Hoogverheven is Hij) in het Hiernamaals zullen zien":

338. Van Zuheyr ibn Ḥarb, van Yaʿqūb ibn Ibrāhīm, van zijn vader, van Ibn Shihāb, van ʿAṭāʾ ibn Yazīd al-Laythī, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), hij zei:

“Enkele mensen vroegen aan Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم): ‘O Rasūlullāh, zullen wij onze Rab op de Yawm al-Qiyāmah zien?’

Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: ‘Hebben jullie moeite om de maan te zien op de veertiende nacht (van de maan-maand?’ Zij zeiden: ‘Nee, o Rasūlullāh.’ Hij zei: ‘Hebben jullie moeite om de zon te zien wanneer er geen wolken voor staan?’ Zij zeiden: ‘Nee.’ Daarop zei hij: ‘Zo zullen jullie Hem zien.’(Dat wil zeggen: zoals jullie geen moeite hebben om de maan en de zon op die momenten te zien, zo zullen jullie ook geen moeite hebben om Allāhu (تعالى) op Yawm al-Qiyāmah te zien.)

Allāhu (تعالى) zal dan zeggen: ‘Laat iedereen zich aansluiten bij datgene (waaraan hij in de wereld) aanbad/diende.’ Degene die de zon aanbad zal de zon volgen, degene die de maan aanbad zal de maan volgen, en degene die de ṭāghūten afgodsbeelden aanbad zal hen volgen. Alleen deze ummah blijft over, samen met de munāfiqs.

Dan zal Allāh (تبارك وتعالى ) (Gezegend en Hoogverheven is Hij) zich aan hen manifesteren/openbaren in een vorm die anders is dan wat zij eerder kenden, en Hij zal zeggen: ‘Ik ben jullie Rab.’ Zij zullen zeggen: ‘Wij zoeken toevlucht bij Allāh tegen jou. Wij blijven hier totdat onze Rab zich aan ons openbaart; wanneer Hij zich openbaart, zullen wij Hem herkennen.’

Daarna zal Allāh zich aan hen openbaren in de vorm die zij kennen en zeggen: ‘Ik ben jullie Rab.’ Zij zullen zeggen: ‘U bent onze Rab,’ en zij zullen Hem volgen.

Dan wordt de ṣirāṭ boven Jahannam geplaatst. Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zijn ummah zullen de eersten zijn die eroverheen gaan. Op die Dag zal niemand spreken behalve de anbiyā, en hun duʿā zal zijn: ‘Allāhumm sallim, sallim (O Allāh, red ons, red ons).’

In Jahannam zijn er grote haken die lijken op de doorns van de saʿdān-plant. Wanneer hem gevraagd werd: ‘Ziet u de saʿdān-doorns?’ antwoordden zij: ‘Ja, o Rasūlullāh.’ Hij zei: ‘Zo zijn die haken, maar hun grootte kent alleen Allāh.’

De haken grijpen de mensen naar gelang hun daden. Er blijven degenen over die door hun daden worden gevolgd. Er zijn er die vanwege hun daden straf zullen ondergaan en vervolgens worden gered.

Wanneer Allāhu (تعالى) Zijn oordeel tussen Zijn dienaren voltooid heeft en Hij sommige mensen uit Jahannam wil verwijderen door Zijn barmhartigheid, beveelt Hij de engelen om degenen uit Jahannam te halen die geen deelgenoot aan Allāh hebben toegekend (shirk) en over wie Allāh barmhartigheid wil tonen.

Dit zijn degenen die “lā ilāha illallāh” hebben gezegd. De engelen herkennen hen in Jahannam aan de sporen van de sajdah op hun gezicht. Het vuur verbrandt alles van de zoon van Ādam behalve de plaatsen van de sajdah; Allāh heeft het vuur verboden die te verbranden.

Zij worden uit Jahannam gehaald terwijl hun huid verbrand en verschroeid is. Vervolgens wordt er levenswater over hen gegoten en zij groeien weer zoals zaden die groeien in aarde die door een stroom is meegevoerd.

Daarna voltooit Allāh Zijn oordeel onder Zijn dienaren. Er blijft nog één man over met zijn gezicht naar Jahannam gericht; hij is de laatste van de lieden van de Jannah die de Jannah binnengaat.

Hij zegt: ‘O mijn Rab, keer mijn gezicht weg van Jahannam; haar wind heeft mij verbrand en haar vuur heeft mij geraakt.’ Hij blijft Allāh (تعالى) zo smeken zolang Allāh wil.

Dan zegt Allāhu (سبحانه وتعالى ): ‘Als Ik jou dit geef, zul je dan nog iets anders vragen?’ Hij zegt: ‘Nee, bij Uw ʿIzzah, ik zal niets anders vragen,’ en hij geeft zijn eed en belofte aan zijn Rab.

Allāh (تعالى) keert dan zijn gezicht weg van Jahannam. Wanneer hij de kant van de Jannah ziet, blijft hij een tijd zwijgen uit verwondering.

Daarna zegt hij: ‘O mijn Rab, breng mij dichter bij de poort van de Jannah.’

Allāh (تعالى) zegt: ‘Heb jij niet gezworen dat je niets anders zou vragen dan wat Ik je gegeven heb? Wee jou, o zoon van Ādam, hoe vaak breek jij je belofte niet!’

Hij blijft smeken totdat Allāhu (تعالى) zegt: ‘Als Ik dit voor jou doe, zul je dan nog iets vragen?’ Hij zegt: ‘Nee, bij Uw ʿIzzah, nee.’ Hij geeft opnieuw zijn belofte.

Daarop brengt Allāh (تعالى) hem tot aan de poort van de Jannah. Wanneer de man bij de poort van de Jannah stildaar staat, worden hem al de schoonheden van de Jannah zichtbaar”

Hij ziet het goede en de vreugde daarin. Vervolgens zwijgt hij zolang Allāhu (تعالى) wil. Daarna zegt hij: “O mijn Rab, laat mij de Jannah binnengaan.”

Dan zegt Allāh (تبارك وتعالى ): “Heb jij Mij niet plechtig beloofd en een verbond met Mij gesloten dat je niets anders meer van Mij zou vragen dan wat Ik je reeds gegeven heb? Wee jou, o zoon van Ādam, hoe weinig houd jij je aan je woord!”

De man zegt: “O mijn Rab, laat mij niet de meest ellendige van Uw schepselen zijn.”

En hij blijft zijn Rab smeken en aanroepen, totdat Allāhu (تعالى) om hem lacht. Wanneer Allāhu (تعالى) om hem lacht, zegt Hij tegen hem: “Ga de Jannah binnen.”

Wanneer hij de Jannah binnengaat, zegt Allāhu (تعالى) tegen hem: “Wens wat je wilt.”

Daarop vraagt hij zijn Rab en uit hij zijn wensen.Allāhu (تعالى) herinnert hem zelfs aan bepaalde zaken door te zeggen: “Vraag ook dit en dit.”

Zo gaat het door totdat zijn wensen uitgeput zijn. Dan zegt Allāh (تبارك وتعالى ): “Dit alles is voor jou, en nog eens evenveel daarbij.”

De overleveraar ʿAṭā’ ibn Yazīd zei: Abū Hurayrah (رضي الله عنه) vertelde deze ḥadīth terwijl Abū Saʿīd (رضي الله عنه) bij hem zat. Totdat Abū Hurayrah de uitspraak bereikte: “en nog eens het dubbele daarvan”, maakte Abū Saʿīd geen bezwaar tegen iets van zijn woorden.

Toen hij dit echter hoorde, zei Abū Saʿīd: “Nee, tienmaal zoveel, o Abū Hurayrah.” Abū Hurayrah zei: “Ik heb alleen onthouden dat er staat: dit en nog eens het dubbele daarvan.”

Abū Saʿīd (رضي الله عنه) zei: “Ik getuig dat ik van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heb onthouden dat Hij zei: ‘dit en tienmaal zoveel is voor jou.”

Abū Hurayrah (رضي الله عنه) zei ook: “Deze man is de laatste van de mensen van Jannah die Jannah zal binnengaan.”

Uitleg van de 338ste ḥadīth

Deze uitleg van de ḥadīth is overgenomen uit de Sharh Sahîh Muslim van an-Nawawī (C.2, p.108).

Over de “ṭāghût” zeggen al-Layth, Abū ʿUbaydah, al-Kisāʾī en enkele taalkundigen: de ṭāghût is alles wat naast Allāhu (تعالى) wordt aanbeden. Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), Muqātil en al-Kalbī zeiden: de ṭāghût is de shayṭān. Er wordt ook gezegd dat de ṭawāghīt afgoden zijn. Allāhu (تعالى) zegt in de Qurʾān:

يُرِيدُونَ أَن يَتَحَاكَمُوٓاْ إِلَى ٱلطَّٰغُوتِ وَقَدۡ أُمِرُوٓاْ أَن يَكۡفُرُواْ بِهِۦۖ…Zij willen een oordeel (in hun geschillen) van de valse rechters, terwijl hun bevolen is deze te verwerpen… (Nisā’, 4:60)

Hier is ṭāghût in enkelvoud gebruikt. Het is ook in meervoud gebruikt. In de āyah met de betekenis:

وَٱلَّذِينَ كَفَرُوٓاْ أَوۡلِيَآؤُهُمُ ٱلطَّٰغُوتُ يُخۡرِجُونَهُم مِّنَ ٱلنُّورِ إِلَى ٱلظُّلُمَٰتِۗ…(En voor) de ongelovigen zijn er bondgenoten van de Thaghōets. Zij leiden hen van het licht naar de duisternis …(Baqarah, 2:257)

is het in meervoud gebruikt.

“Er blijft niemand over behalve deze ummah, waaronder zich ook de munāfiqs bevinden.” De geleerden zeggen: de munāfiqs zullen in het Hiernamaals, vóór de afrekening, zich onder de mu’mins bevinden, omdat zij zich in de wereld ook tussen de mu’mins verborgen hielden. Ook in het Hiernamaals zullen zij zich op dezelfde manier onder de mu’mins verbergen, zij zullen hun weg volgen en zich bij hun groep voegen en hun nûr binnengaan.

Daarna zal er echter een muur tussen hen geplaatst worden met een poort.

De binnenkant daarvan is genade en de buitenkant is bestraffing.

De munāfiqs zullen buiten blijven en hun nûr zal van hen gescheiden worden.

Sommige geleerden zeggen: degenen die van de ḥawḍ van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) worden weggejaagd zijn zij. Er zal tegen hen gezegd worden: “Houd afstand, houd afstand.” En Allāhu (تعالى) weet het het best.

(Over de kwestie van de vorm en manifestatie van Allāhu (تعالى) worden hier de meningen van de salaf en khalaf-geleerden uiteengezet. Omdat dezelfde uitleg al eerder in de commentaren op eerdere aḥadīth is behandeld, wordt het hier niet opnieuw herhaald – vertaler.)

“Zij zeggen: U bent onze Rab, en zij volgen Hem,” dat wil zeggen: zij volgen Zijn bevel om Jannah binnen te gaan. Of zij volgen de engelen die hen naar Jannah zullen leiden.

“Er wordt een brug genaamd Sırât boven Jahannam geplaatst.” Uit deze uitspraak blijkt dat de Sırât zeker zal worden geplaatst. De Ahl Allāh (Ahl al-Sunnah) is op dit geloof. De salaf zijn het unaniem eens (ijmāʿ) over het bestaan van de Sırât, een brug die boven Jahannam wordt geplaatst. Alle mensen zullen eroverheen gaan. De mu’mins worden gered naargelang hun toestand; dat wil zeggen, zij worden op verschillende manieren gered in overeenstemming met hunn graden. De anderen vallen in Jahannam. Moge Allāhu (تعالى) ons door Zijn gunst, edelmoedigheid en barmhartigheid beschermen tegen zo’n einde. Āmīn.

“Op die dag zijn de smeekbeden van de anbiyā: ‘O Allāh, red ons, red ons’.” Dat zij dit zeggen komt door hun uiterste barmhartigheid en mededogen met de mensen. Hieruit blijkt dat smeekbeden (adʿiyah, m.v. van duʿāʾ) verschillen naargelang de plaats (waar ze verricht worden) en situatie; op elke plek wordt een smeekbede verricht die past bij die situatie.

“De haken grijpen de mensen naar gelang hun daden,” dat wil zeggen: zij grijpen hen naar hun slechte daden, of naar de mate van hun daden.

“Het vuur van Jahannam verteert (verbrandt) alles van de zoon van Ādam behalve de sporen van de sajdah.” Volgens de letterlijke betekenis van deze uitspraak verbrandt het vuur van Jahannam niet de zeven lichaamsdelen waarop sajdah wordt verricht. Sommige geleerden hebben dit zo uitgelegd. Qāḍī ʿIyāḍ heeft deze opvatting echter verworpen en gezegd dat met de sporen van sajdah alleen het voorhoofd wordt bedoeld.

“Wanneer Allāhu (تعالى) naar hem lacht.” De geleerden zeggen: het lachen van Allāhu (تعالى) betekent Zijn welbehagen over hem, het schenken van Zijn gunsten en het verhoren van zijn smeekbeden.

“Allāhu (تعالى) herinnert hem zelfs aan bepaalde zaken door te zeggen: “Vraag ook dit en dit,”

dat wil zeggen: Allāhu (تعالى) somt voor hem de verschillende soorten gunsten op en maakt hem duidelijk dat hij hiervan moet vragen.

339.Van Muḥammad ibn Rāfiʿ, van ʿAbdurrazzāq, van Maʿmar, van Hammām ibn Munabbih: zij hebben ons bericht dat Abū Hurayra (رضي الله عنه) dit heeft overgeleverd. Een daarvan is de volgende ḥadīth:

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De laagste positie van iemand in Jannah is dat (Allāhu (تعالى) hem vraagt: ‘Doe een verzoek.’ Hij (de dienaar) vraagt, en blijft vragen. Uiteindelijk vraagt (Allāhu (تعالى): ‘Heb je al een verzoek?’ Hij zegt: ‘Ja.’ Dan zegt Allāhu (تعالى): “Al wat je hebt verzocht is voor jou, en daarboven nog eens zoveel.”

340. Van Suwayd ibn Saʿīd, Ḥafṣ ibn Maysarah, van Zayd ibn Aslam en ʿAṭāʾ ibn Yasār, van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه), hij zei: Tijdens de tijd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) waren er enkele mensen die vroegen: “O Rasûlullāh, zullen wij onze Rab op Yawm al-Qiyāmah zien?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ja.”

Hij vroeg: “Hebben jullie moeite om de zon te zien wanneer zij op het middaguur staat, de hemel helder is en er geen wolken zijn?”

Zij zeiden: “Nee, o Rasûlullāh.”

Hij zei: “En hebben jullie moeite om de maan te zien in de veertiende nacht wanneer de hemel helder is?”

Zij zeiden: “Nee.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Zoals jullie geen moeite hebben om één daarvan te zien, zo zullen jullie ook geen enkele moeite hebben om Allāh تبارك وتعالى te zien.”

Op Yawm al-Qiyāmah roept een roeper (munādī): “Laat iedere gemeenschap volgen wat zij (op aarde) aanbaden.”

Allen die iets anders dan Allāh aanbidden, of dat nu afgoden zijn of opgerichte stenen, worden stuk voor stuk in Jahannam geworpen, zonder dat er iemand achterblijft.

Uiteindelijk blijven alleen over degenen die Allāh alleen aanbaden, zowel de muʾmins als de zondaren, samen met de overblijfselen van de Ahl al-Kitāb.

Dan worden de joden geroepen en gevraagd: “Wat aanbaden jullie?”

Zij zeggen: “Wij aanbaden ʿUzayr, de zoon van Allāh.”

Er wordt gezegd: “Jullie hebben gelogen. Allāh heeft geen partner en geen kind. Wat willen jullie?”

Zij zeggen: “Wij hebben dorst, o onze Rab, geef ons te drinken.”

Er wordt gezegd: “Ga daarheen.”

Er wordt naar hen gewezen en men zegt: ‘Zullen jullie daar niet aankomen?’

Dan stormen zij op Jahannam af.

Die is als een luchtspiegeling.

Ze dringen elkaar opzij en vallen achtereenvolgens in Jahannam

Daarna worden de christenen geroepen: “Wat aanbaden jullie?”

Zij zeggen: “Wij aanbaden al-Masīḥ, de zoon van Allāh.”

Er wordt gezegd: “Jullie hebben gelogen. Allāh heeft geen partner en geen kind. Wat willen jullie?”

Zij zeggen: “O onze Rab, wij hebben dorst, geef ons te drinken.”

Er wordt gezegd: “Ga daarheen.”

Er wordt naar hen gewezen en men zegt: ‘Zullen jullie daar niet aankomen?’

Dan stormen zij op Jahannam af.

Die is als een luchtspiegeling.

Ze dringen elkaar opzij en vallen achtereenvolgens in Jahannam

Terwijl de goeden en de zondaars allemaal aanwezig zijn en niemand meer overblijft behalve degenen die niets anders dan Allāh hebben aanbeden, openbaart de Rab der werelden, سبحانه وتعالى, Zich aan hen in de laagste vorm die zij zien, en zegt:

“Waar wachten jullie op? Elke gemeenschap volgt datgene wat zij heeft aanbeden.”

Zij zeggen: “Wij hebben hen in de wereld verlaten toen wij hen het meest nodig hadden.”

Allāhu (تعالى) zegt: “Ik ben jullie Rab.”

Zij zeggen: “Wij zoeken toevlucht bij Allāh tegen jou; wij kennen geen deelgenoot toe met Allāh (shirk).” Dit herhalen zij twee of drie keer.

Aan het einde lijkt het erop dat enkelen onder hen zullen terugdeinzen.

Dan zegt Allāhu (تعالى): “Bestaat er tussen jullie en Hem een teken waardoor jullie Hem kunnen herkennen?”Zij zeggen: “Ja.”Dan onthult Hij Zijn Scheenbeen (as-Sāq). Allāh geeft toestemming aan iedereen die hier op aarde oprecht en van harte sajdah deed, om daar ook neer te buigen; en zo knielen zij allemaal neer. Wat degenen betreft die hier op aarde neerbogen uit vrees voor anderen of om te pronken (riyāʾ): Allāhu (تعالى) maakt hun ruggen tot één geheel, en telkens wanneer zij willen sajdah doen, storten zij op hun nek.”Na sajdah te hebben verrichten, heffen zij hun hoofden op, en dan is de openbaring/ verschijnen (tajallī) van Allāhu (تعالى) verandert naar de vorm die zij eerst hebben gezien. Al-Ḥaqu (تعالى) zegt: “Voorwaar, Ik ben jullie Rab.”Zij zeggen: “U bent onze Rab.”Vervolgens wordt er een Brug (Sirāt) over Jahannam gelegd en wordt het recht tot shafāʿah verleend. (De bemiddelaars) zeggen: “O Allāh, red (ons), red (ons).”Aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) werd gevraagd: “Wat wordt bedoeld met de Brug?”An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het is iets dat los en glibberig is. Daarop bevinden zich haken en klemmen van het soort gereedschap dat op een tang lijkt. Ook zijn er doornen zoals die van de doornige boom die in Nadj groeit en die Sidān wordt genoemd. De mu’mins zullen eroverheen gaan met de snelheid van het knipperen van het oog, of als een bliksemflits, of als de wind, of als een vogel, of als een snelle renpaard, of als een rijdierpaard.

Een deel van hen wordt gered in veiligheid, een deel raakt gewond terwijl zij eroverheen gaan, en een deel valt in het vuur van Jahannam.

Bij Allāh, in Wiens Hand mijn rûh is, de smeekbede en het smeken van iemand van jullie in de wereld om zijn recht terug te krijgen of om een onduidelijke kwestie duidelijk te maken, is niet intenser of hardnekkiger dan zijn smeekbede en smeking op Yawm al-Qiyāmah om shafāʿah te doen voor de muʾmins die in Jahannam zijn beland.”

De mu’mins zeggen over hun broeders: “Onze Rab, zij vastten met ons, verrichtten de ṣalāh met ons en verrichtten de ḥaj met ons.”Dan wordt tegen hen gezegd: “Ga en haal degenen die jullie herkennen eruit.”Hun huiden worden verboden voor het vuur van Jahannam (dat wil zeggen: wanneer zij hun broeders uit Jahannam halen, zal het vuur hen niet aantasten).Veel mensen zullen zij daaruit halen.

Het vuur van Jahannam zal hen bereiken tot halverwege hun kuiten en tot aan hun knieën.Daarna zeggen zij: “Onze Rab, er is niemand meer in Jahannam achtergebleven van degenen over wie U ons bevel hebt gegeven.”Al-Ḥaqu (تعالى) zegt: “Ga opnieuw en haal eruit wie in zijn hart het gewicht van een dīnār aan goedheid (khayr) heeft.”Zij halen een grote groep mensen eruit.Dan zeggen zij: “Onze Rab, wij hebben niemand meer achtergelaten van degenen over wie U ons bevel hebt gegeven.”Vervolgens zegt Allāhu (تعالى): “Ga opnieuw en haal eruit wie in zijn hart het gewicht van een halve dīnār aan goedheid (khayr) Zij halen opnieuw een grote menigte eruit.Dan zeggen zij: “Onze Rab, wij hebben geen enkele persoon met goedheid daarin achtergelaten.”Abū Saʿīd (رضي الله عنه) zei: Als jullie mij hierin niet geloven, lees dan de āyah:إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَظۡلِمُ مِثۡقَالَ ذَرَّةٖۖ وَإِن تَكُ حَسَنَةٗ يُضَٰعِفۡهَا وَيُؤۡتِ مِن لَّدُنۡهُ أَجۡرًا عَظِيمٗا ٤٠Zeker! Allāh doet zelfs geen kwaad ter grote van een atoom, maar als er iets goeds gedaan wordt,verdubbelt Hij het en geeft Hij een grote beloning. (Nisāʾ, 4:40)

Daarna zegt Allāhu (عز وجل) (De Almachtige en Majestueuze): “De malāʾikah hebben shafāʿah verricht, de anbiyāʾ hebben shafāʿah verricht, de muʾmins hebben shafāʿah verricht, en nu blijft alleen de shafāʿah van de Meest Barmhartige der Barmhartigen (Arḥamu r-rāḥimīn) over.”Dan neemt Hij een handvol uit Jahannam en haalt daar een groep uit die nooit enige goedheid (khayr) heeft gekend. Zij zijn in verkoolde staat. Hij werpt hen in een rivier bij de poorten van de Jannah, die de “rivier van het leven” (nahr al-ḥayāh) wordt genoemd.

Zij komen eruit zoals een zaad dat door de vloed wordt meegevoerd. Zoals je ziet: de kant van een steen of boom die naar de zon is gericht wordt licht (de plant) geelgroen, en de schaduwzijde wordt (de plant) wit. De mensen zeiden: “O Rasūlullāh, het lijkt alsof u in de woestijn hebt gehoed.”Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) vervolgde: “Zij komen eruit als parels. Om hun halzen bevinden zich zegels, en de mensen van de Jannah herkennen hen. Dit zijn de vrijgelatenen van Allāh. Zonder enige goede daad (ʿamal as-sālih) die zij verricht hebben en zonder enige goedheid (khayr) die zij vooruitgezonden hebben, heeft Allāh hen in de Jannah gebracht.”Daarna zegt Allāhu hen: “Ga de Jannah binnen; wat jullie zien is van jullie.”Zij zeggen: “Onze Rab, U heeft ons gegeven wat U niemand van de werelden hebt gegeven.”Er wordt gezegd: “Bij Mij is er nog iets dat nog hoger is dan dit.”Zij zeggen: “Onze Rab, wat kan nog hoger zijn dan dit?”Allāhu (تعالى) zegt: “Mijn riḍā (welbehagen). Vanaf nu zal Ik nooit meer toornig op jullie zijn.”In een overlevering is er de toevoeging:“Zonder enige daad te hebben verricht en zonder enig goedheid vooruit te hebben gezonden, heeft Allāh hen in Zijn Jannah gebracht. Tegen hen wordt gezegd: ‘Dit wat jullie zien en nog eens zoveel daarvan is voor jullie.”

Uitleg van de 340ste ḥadīth

“Het is als een luchtspiegeling (sarāb). Zij duwen elkaar,” dat wil zeggen: de kāfirs komen dorstig naar Jahannam en denken dat het water is; zij springen erin. Door de hevigheid van het vuur duwen zij elkaar naar binnen.

“De Rab der werelden openbaart Zich aan hen in de laagste vorm die zij zien.”Hier betekent “vorm” (ṣūrah) een eigenschap (ṣifah). “Wat zij zien” verwijst naar wat zij eerder kenden van de eigenschappen. Allāh wordt nergens mee vergeleken en niets is aan Hem gelijk.

De muʾmins zien op de Qiyāmah eerst een verschijning die niet overeenkomt met de eigenschappen die zij in de wereld kenden (of, zoals eerder vermeld, dat een van Zijn engelen verscheen). Daarom zoeken zij toevlucht bij Allāh en zeggen zij twee of drie keer: “Wij kennen geen deelgenoten toe aan Allāh (shirk).”

“Hij onthult Zijn Scheenbeen (as-Sāq).”Ibn ʿAbbās en de meerderheid van de taalkundigen hebben as-Sāq hier uitgelegd als “ernst, hevigheid,” dat wil zeggen: er verschijnt een toestand van grote ernst en angst.De Arabieren gebruiken dit als uitdrukking in moeilijke situaties, zoals: “De oorlog werd ernstig (qāmat al-ḥarb ʿalā sāq).” De oorsprong hiervan is dat, als een mens in een zeer zware situatie terechtkomt en het benauwd krijgt, slaat hij de mouwen op en legt hij zijn onderbenen bloot.“Een deel van hen wordt gered in veiligheid, een deel raakt gewond terwijl zij eroverheen gaan, en een deel valt in het vuur van Jahannam,” dat wil zeggen: degenen die over de Brug (aṣ-Ṣirāṭ) gaan, bevinden zich in drie categorieën: sommigen steken hem over in volledige veiligheid zonder iets te ervaren wat zij haten; sommigen raken gewond maar komen uiteindelijk toch veilig aan de overkant en bereiken de redding; en sommigen worden gegrepen en in het vuur van Jahannam geworpen.

“De smeekbede en het smeken van iemand van jullie in de wereld om zijn recht terug te krijgen of om een onduidelijke kwestie duidelijk te maken, is niet intenser of hardnekkiger dan zijn smeekbede en smeking op Yawm al-Qiyāmah om shafāʿah te doen voor de muʾmins die in Jahannam zijn beland.”

Dat wil zeggen: wanneer iemand van jullie in de wereld met een probleem wordt geconfronteerd of wanneer een situatie onduidelijk wordt, dan smeekt hij tot Allāhu (تعالى) en dringt hij sterk aan zodat de waarheid duidelijk wordt en het recht van de rechtmatige persoon wordt vastgesteld.

Maar op Yawm al-Qiyāmah zal dezelfde persoon nog sterker en intensiever smeken om shafāʿah voor zijn broeders uit de muʾmins die in Jahannam zijn beland.

In sommige andere overleveringen van deze ḥadīth wordt ditzelfde punt weergegeven door het voorbeeld van hoe sterk iemand in de wereld zijn recht opeist. In die versies betekent de zin dat wanneer iemand in de wereld een recht bij een ander heeft, hij uiterst vasthoudend en intens probeert dat recht te verkrijgen. Maar op Yawm al-Qiyāmah zal zijn smeken tot Allāh voor shafāʿah voor zijn broeders die in Jahannam zijn beland nog veel sterker en indringender zijn dan dat. (uit de Sharḥ van Ṣaḥīḥ Muslim van an-Nawawī)

“Hij neemt een handvol uit Jahannam,” dat wil zeggen: hij verzamelt een groep uit degenen die in Jahannam bestraffing ondergaan en haalt hen uit het Vuur. Dit zijn degenen die wel imān hebben, maar geen enkele goede daad hebben verricht.

De mensen zeiden: “O Rasūlullāh, het lijkt alsof u in de woestijn hebt gehoed,” dat wil zeggen: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beschreef de planten en kenmerken van de woestijn zo nauwkeurig en duidelijk, dat het leek alsof hij daar lange tijd was geweest en het gebied goed had bestudeerd.

“Om hun halzen bevinden zich zegels.”De auteur van at-Taḥrīr zegt: hiermee worden tekenen bedoeld die om hun hals worden gehangen zodat zij herkend worden. Door hun eenvoud, reinheid en de vreugde en schoonheid op hun gezichten worden zij beschreven als “als parels”. Want op hen is geen spoor van vuur of verbranding meer te zien. En Allāh weet het het beste.

“Zij zijn de vrijgelatenen van Allāh,” dat wil zeggen: dit zijn mensen die zonder voorspraak van iemand anders worden vrijgelaten; Allāhu (تعالى) laat hen enkel door Zijn faḍl en iḥsān uit het Vuur komen. De mensen van Jannah noemen hen daarom: “dit zijn de vrijgelatenen van Allāh.”

“Zonder enige goede daad die zij hebben verricht en zonder enig goedheid (khayr) dat zij vooruit hebben gezonden, heeft Allāh hen in Jannah geplaatst,” dat wil zeggen: Allāhu heeft hen uitsluitend vanwege hun imān in Jannah geplaatst, ondanks dat zij geen andere goede daden hadden.

“Dit alles is voor jullie,” dat wil zeggen: alles wat jullie zien behoort jullie toe; het eigendom en het genot ervan zijn voor jullie. Zij zullen alleen de voor hen bestemde zegeningen aanschouwen en ervan genieten.

“Onze Rab, U heeft ons gegeven wat U niemand uit de werelden heeft gegeven,” dat wil zeggen: U heeft ons gegeven wat U niet aan de bewoners van Jahannam heeft gegeven. De bewoners van Jannah zullen echter, nadat zij eerder Jannah zijn binnengegaan, in werkelijkheid nog grotere gunsten hebben dan zij. Deze uitspraak doen zij op basis van hun inschatting (ẓan), omdat hetgeen hun op dat moment wordt gegeven in hun ogen enorm en groot lijkt.

Wanneer zij de woorden horen: “Bij Mij is er iets dat beter is dan dit,” dan raken zij verbaasd hoe er iets dat nog hoger is dan wat zij reeds zien en ervaren, kan bestaan in tastbare zegeningen. Dan maakt Allāhu (تعالى) aan hen bekend dat Hij tevreden over hen is en nooit meer boos op hen zal zijn.

En zeker is het welbehagen (riḍā) van Allāhu(تعالى) de grootste van alle zegeningen.

Zoals ook in de Qurʾān al-Karīm staat: وَعَدَ ٱللَّهُ ٱلۡمُؤۡمِنِينَ وَٱلۡمُؤۡمِنَٰتِ جَنَّٰتٖ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهَا ٱلۡأَنۡهَٰرُ خَٰلِدِينَ فِيهَا وَمَسَٰكِنَ طَيِّبَةٗ فِي جَنَّٰتِ عَدۡنٖۚ وَرِضۡوَٰنٞ مِّنَ ٱللَّهِ أَكۡبَرُۚ ذَٰلِكَ هُوَ ٱلۡفَوۡزُ ٱلۡعَظِيمُ ٧٢Allāh heeft de gelovige mannen en vrouwen Tuinen beloofd waar rivieren onderdoor stromen, om daarin voor altijd te verblijven. En goede verblijfplaatsen in de Tuinen van Eden (‘Adn). Maar het genoegen van Allāh (ridwān) is beter en machtiger. Een overweldigend succes. (Tawbah, 9:72) (Sharḥ Ṣaḥīḥ Muslim van an-Nawawī)

Imām Muslim vermeldt volgens de marginale aantekeningen van al-Qasṭallānī, deel 2, p. 128, in het hoofdstuk: “Het bevestigen van de shafāʿah en het uit de Jahannam bevrijding van de mensen van de Tawḥīd”,

341. Van Hārūn ibn Saʿīd al-Aylī, van ʿAbdullāh ibn Wahb, van Mālik ibn Anas, van ʿAmr ibn Yaḥyā ibn ʿImārah, van zijn vader, van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) zal de bewoners van Jannah in Jannah doen binnengaan, en Hij zal wie Hij wil door Zijn rahmah laten binnengaan. En Hij zal de bewoners van Jahannam in Jahannam doen binnengaan.

Daarna zal Hij bevelen: “Haal degene in wiens hart het gewicht van een mosterdzaadje aan imān zit uit Jahannam.”Zij worden eruit gehaald terwijl zij zwartgeblakerd en verkoold zijn, en zij worden in de rivier van het leven (nahr al-ḥayāh) geworpen. Zij groeien daar weer op (komen tot leven) zoals een zaad dat door een stroom aan de oever wordt meegevoerd en weer ontkiemt.Zien jullie niet hoe het (plantje) geel en fris tevoorschijn komt?”

Uitleg van de 341ste ḥadīth

Uitleg over de waarheid van de shafāʿah en de bevrijding uit Jahannam van degenen die de tawḥīd-geloofsovertuiging hebben (uitleg uit de Sharḥ van Ṣaḥīḥ Muslim van Imam an-Nawawī ( رَحِمَهُ اللهُ))

Imam an-Nawawī ( رَحِمَهُ اللهُ) zegt: Qāḍī ʿIyāḍ ( رَحِمَهُ اللهُ) zegt dat volgens de madhhab van Ahl as-Sunnah de shafāʿah (bemiddeling) rationeel mogelijk is en met overgeleverde bewijzen (naqlī bewijzen, dus uit de Qurʾān en de Sunnah) staat het onomstotelijk vast dat het de waarheid is.

Dit wordt duidelijk vermeld in de woorden van Allāhu (تعالى): يَوۡمَئِذٖ لَّا تَنفَعُ ٱلشَّفَٰعَةُ إِلَّا مَنۡ أَذِنَ لَهُ ٱلرَّحۡمَٰنُ وَرَضِيَ لَهُۥ قَوۡلٗا ١٠٩Op die Dag zal er geen bemiddeling (shafāʿah) bestaan, behalve die (bemiddeling) voor hem, aan wie de Barmhartige toestemming geeft en wiens woorden Hem welgevallen. (Ṭā Hā, 20:109)

Ook dit vers geeft aan dat de shafāʿah waarheid is: يَعۡلَمُ مَا بَيۡنَ أَيۡدِيهِمۡ وَمَا خَلۡفَهُمۡ وَلَا يَشۡفَعُونَ إِلَّا لِمَنِ ٱرۡتَضَىٰ وَهُم مِّنۡ خَشۡيَتِهِۦ مُشۡفِقُونَ ٢٨Hij weet wat vóór hen is en wat achter hen is en zij kunnen niet bemiddelen voor Hem behalve met degene waar Hij tevreden mee is. En zij hebben ontzag en vrees voor Hem. (Anbiyāʾ, 21:28)

Dit soort bewijzen zijn talrijk. De overleveringen die authentiek en op waarheid berusten van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) geven aan dat de shafāʿah zal plaatsvinden. De aḥādīth die van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn overgeleverd over de shafāʿah bereiken in aantal de graad van tawātur.

De shafāʿah zal plaatsvinden voor de zondige mu’mins van de ummah.

Zowel de salafen de khalafgeleerden als de latere Ahl as-Sunnah geleerden zijn het unaniem (ijmāʿ) eens dat de shafāʿah op waarheid berust.

De Khawārij en sommige van de Muʿtazilah verwerpen echter de shafāʿah. Zij stellen volgens hun madhhab dat de grote zondaren eeuwig in Jahannam zullen verblijven. Zij gebruiken als bewijs de āyah: فَمَا تَنفَعُهُمۡ شَفَٰعَةُ ٱلشَّٰفِعِينَ ٤٨Dus is geen bemiddeling of geen bemiddelaar voor hen van enig nut. (Muddaththir, 74:48)

Ook gebruiken zij als bewijs de āyah: وَأَنذِرۡهُمۡ يَوۡمَ ٱلۡأٓزِفَةِ إِذِ ٱلۡقُلُوبُ لَدَى ٱلۡحَنَاجِرِ كَٰظِمِينَۚ مَا لِلظَّٰلِمِينَ مِنۡ حَمِيمٖ وَلَا شَفِيعٖ يُطَاعُ ١٨En waarschuw hen (O Mohammed) voor de Dag die nadert, wanneer de harten treurig in de kelen blijven kloppen. Er zal voor de onrechtvaardigen geen vriend of bemiddelaar zijn die wordt gehoord. (Ghāfir, 40:18)

Deze verzen gaan echter over de kāfirs. Hun interpretatie van de aḥādīth over de shafāʿah, waarbij zij deze volledig van hun werkelijke betekenis afwenden, is onjuist en vals. De aḥādīth die in dit boek en andere bronnen vermeld worden tonen aan dat hun madhhab fout is, en dat degene die in īmān sterft zonder shirk te begaan, uit de Jahannam zal worden gered.

De shafāʿah is echter in vijf soorten verdeeld:

De eerste: de shafāʿah die uitsluitend is voor onze Nabī Muhammad (صلى الله عليه وسلم). Dit is de shafāʿah op de Dag van de Opstanding (Yawm al-Qiyāmah), wanneer er tussen de mensen geoordeeld wordt, om hen te verlossen van de zware toestand van het lange wachten en om het afrekenen te bespoedigen.

De tweede: de shafāʿah waardoor sommige groepen zonder afrekening Jannah binnengaan. Deze shafāʿah behoort eveneens tot an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en hierover is een ḥadīth vermeld in Ṣaḥīḥ Muslim.

De derde: de shafāʿah voor degenen die reeds veroordeeld zijn om Jahannam binnen te gaan. Hiervoor zal Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) shafāʿah verrichten, en ook sommige rechtschapen dienaren van Allāhu (تعالى) van wie Hij het wil, zullen shafāʿah mogen verrichten.

De vierde: de shafāʿah voor zondige mensen die reeds Jahannam zijn binnengegaan. De overleveringen geven aan dat deze mensen door de shafāʿah van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), de engelen en de rechtschapen mu’min-broeders uit Jahannam zullen worden gehaald. Uiteindelijk zal Allāhu (تعالى) iedereen uit Jahannam halen die “lā ilāha illā Allāh” heeft gezegd en daarin geloofde. Zoals in (de Qur’ān en) de ḥadīth wordt gemeld, zullen daar geen anderen dan de kāfirs daar achterblijven.

De vijfde: de shafāʿah om de graden van de bewoners van Jannah te verhogen. Deze shafāʿah, evenals de shafāʿah tijdens de verzameling (ḥashr), wordt door de Muʿtazilah niet ontkend.

Qāḍī ʿIyāḍ schrijft: uit veel overleveringen van de salaf aṣ-ṣāliḥ blijkt dat zij de shafāʿah van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vroegen en verlangden naar zijn shafāʿah. Daarom wordt de uitspraak van iemand die zegt: “Het is makrūh om van Allāh de shafāʿah van Muḥammad te vragen, omdat deze shafāʿah alleen voor zondaren is,” niet in aanmerking genomen. Want zijn shafāʿah betreft ook het vergemakkelijken van de afrekening en het verhogen van de graden in Jannah.

Bovendien erkent elke verstandige persoon zijn zonden, weet dat hij de vergeving van Allāhu (تعالى) nodig heeft, vertrouwt niet op zijn daden en vreest dat hij tot de verlorenen behoort.

In Ṣaḥīḥ Muslim wordt, volgens de aantekeningen in de marge van al-Qasṭallānī (deel 2, pagina 131) in hetzelfde hoofdstuk, ook de volgende ḥadīth vermeld:

342. Van Nasr ibn ʿAlī al-Jahdamī, van Bishr ibn al-Mufaḍḍal, van Abū Maslama, van Abū Naḍla, van Abū Saʿīd (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Wat betreft de blijvende bewoners van Jahannam: zij zullen daarin niet sterven en ook niet leven. Maar degenen die door hun zonden in Jahannam zijn beland, zullen door het vuur worden gedood totdat zij als houtskool worden. Wanneer zij zo zijn geworden, wordt er toestemming gegeven voor de shafāʿah. Zij worden als doden naar buiten gebracht en in de rivieren van Jannah gegooid. Daarna wordt gezegd: ‘O bewoners van Jannah, giet over hen.’ Dan groeien zij zoals een zaad dat door een stroom is meegevoerd en in de modder is achtergebleven en daar begint te ontkiemen. Een man zei: “Terwijl Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dit vertelde, leek het alsof hij zich in de woestijn bevond (hij illustreerde het dus heel beeldend, zoals mensen van de woestijn dingen duidelijk met voorbeelden uitleggen).”

Uitleg van de 342ste ḥadīth:

“De blijvende bewoners van Jahannam zullen daarin niet sterven en ook niet leven.”De betekenis hiervan is dat de bewoners van Jahannam, de kāfirs die daar voor altijd zullen verblijven, niet zullen sterven zodat hun bestaan eindigt, maar ook niet zullen leven op een wijze die hun enig nut, rust of verlichting brengt. Zoals Allāhu (تعالى) in de Qurʾān zegt: وَٱلَّذِينَ كَفَرُواْ لَهُمۡ نَارُ جَهَنَّمَ لَا يُقۡضَىٰ عَلَيۡهِمۡ فَيَمُوتُواْ وَلَا يُخَفَّفُ عَنۡهُم مِّنۡ عَذَابِهَاۚ كَذَٰلِكَ نَجۡزِي كُلَّ كَفُورٖ ٣٦Maar degenen die ongelovig zijn, voor hen zal het vuur van de Jahannam zijn. En er is geen beschikking (om dood te gaan) voor hen bepaald, zodat zij zullen sterven, noch zal de bestraffing voor hen verlicht worden. Dus Zo vergelden Wij elke ongelovige! (Fāṭir, 35:36)En in een andere āyah: ثُمَّ لَا يَمُوتُ فِيهَا وَلَا يَحۡيَىٰ ١٣Waarin hij noch sterven noch leven zal. (Aʿlā, 87:13) Volgens de madhhab van Ahl Allāh zijn de genietingen van de bewoners van Jannah eeuwigdurend en zonder einde. Op dezelfde manier is de bestraffing van degenen die de eeuwige Jahannam verdienen ook blijvend.

“Maar degenen die door hun zonden in Jahannam zijn gevallen…” De betekenis hiervan is dat de zondige mu’mins gedurende een periode zullen worden bestraft zolang Allāhu (تعالى) dat wil. Daarna zal Allāhu (تعالى) hen laten sterven. Dit sterven is een echte dood; hun gevoel en waarneming verdwijnen ermee. Hun bestraffing is overeenkomstig hun zonden. Vervolgens laat Allāhu (تعالى) hen in een toestand zonder bewustzijn in Jahannam verblijven, zolang Hij wil. Daarna worden zij uit Jahannam gehaald als doden, verkoold, in groepen. Zij worden in de rivieren van Jannah gegooid en er wordt over hen het levenswater uitgegoten. Daardoor krijgen zij opnieuw leven, zoals een zaad dat door een overstroming wordt meegevoerd en in een hoop aarde terechtkomt en snel begint te groeien.

Dit plantje groeit zwak en gelig door zijn kwetsbaarheid. Zo zullen ook zij zijn. Daarna neemt hun kracht toe en gaan zij naar hun woningen in Jannah, waarna hun toestand volledig herstelt. Dit is de uiterlijke betekenis van de ḥadīth.

Qāḍī ʿIyāḍ schrijft hierover dat er twee mogelijkheden zijn met betrekking tot deze “dood”. De eerste is dat het een werkelijke dood is in de letterlijke zin; de tweede is dat het geen werkelijke dood is, maar een toestand waarin het gevoel verdwijnt, waardoor pijn niet meer wordt ervaren. Hij schrijft ook dat het mogelijk is dat de pijn daardoor alleen wordt verminderd.

Imam an-Nawawī, in zijn Sharḥ van Ṣaḥīḥ Muslim, schrijft echter dat de eerste opvatting sterker is: namelijk dat het hier gaat om een werkelijke dood.

Imam Muslim ( رَحِمَهُ اللهُ) schrijft, volgens de marginale aantekening van al-Qasṭallānī in de voetnoot, pagina 133, in hetzelfde hoofdstuk:

343. Van ʿUthmān ibn Abī Shaybah en Isḥāq ibn Ibrāhīm al-Ḥanẓalī hebben beiden overgeleverd van Jarīr. ʿUthmān zei: Jarīr heeft van ons overgeleverd van Manṣūr, van Ibrāhīm, van ʿĀbida, van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik ken de laatste persoon die uit Jahannam zal komen en de laatste persoon die Jannah zal binnengaan. De laatste die uit Jahannam zal komen, zal zich kruipend eruit bewegen. Allāhu (تعالى) zal tegen hem zeggen: ‘Ga en betreed Jannah.’ Hij zal komen en denken dat het vol is, en hij zal terugkeren en zeggen: ‘O mijn Rab, ik vond het vol.’ Allāhu (تعالى) zal opnieuw zeggen: ‘Ga en betreed Jannah; voor jou is er zo veel als de wereld en tien keer zo veel als de wereld, of tien keer de omvang van de wereld.’ De man zal zeggen: ‘Maakt U een grapje met mij, of lacht U om mij? Terwijl U de ware Eigenaar van het koninkrijk bent.”De overleveraar zegt: ik zag dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) glimlachte zodanig dat zijn voortanden te zien waren.” Daarna zei hij: “Dit is de laagste rang van de bewoners van Jannah.”

344.

In een andere overlevering van Ibn Masʿūd (رضي الله عنه) wordt gezegd: (na het begingedeelte:) “De laatste persoon die naar buiten komt, zal zich op zijn gezicht kruipend eruit bewegen. Er wordt tegen hem gezegd: ‘Kom naar buiten en betreed Jannah.’ Hij gaat en betreedt Jannah en ziet dat iedereen al zijn verblijfplaats heeft ingenomen. Er wordt tegen hem gezegd: ‘Herinner je je de tijd dat jij daar was?’ Hij zegt: ‘Ja.’ Dan wordt hem gezegd: ‘Wens.’ Hij wenst, en er wordt tegen hem gezegd: ‘Voor jou is wat jij wenst en tien keer zoveel als de wereld.’ Hij zegt: ‘Maakt U een grap met mij, terwijl U de ware Eigenaar van het koninkrijk bent.”De overleveraar zegt: ik zag dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hierbij lachen zodanig dat zijn kiezen te zien werden.

Uitleg van de 343–344 aḥadīth:

‘Maakt U een grapje met mij, of lacht U om mij? De twijfel in deze woorden komt van de overleveraar (rāwī). Hij twijfelde namelijk welke van deze twee uitdrukkingen precies was gezegd, daarom heeft hij ze allebei vermeld. Beide uitdrukkingen hebben echter dezelfde betekenis. Want degene die spot, lacht ook (op een manier van minachting). Lachen kan in sommige contexten ook de betekenis van spotten hebben.

Over de uitdrukking “Maakt U een grapje met mij / Spot U met mij?” zijn drie meningen overgeleverd:

Ten eerste: Die uitdrukking is zonder omhaal, als een wederwoord, vanzelf over de lippen gekomen (als een directe reactie). Dat komt doordat deze persoon meerdere keren aan Allāhu (تعالى) had beloofd dat hij niets anders zou vragen dan wat hem gegeven zou worden, maar daarna zijn belofte niet nakwam. Het niet nakomen van die belofte werd als een vorm van spot gezien, en de straf voor spot werd zelf ook als “spot” benoemd. Daarom zei de man: “Maakt U een grapje met mij?” oftewel: “Straft U mij door mij te laten verlangen naar uw zegeningen/gunsten?”

Ten tweede: De betekenis hiervan is dat het onmogelijk is om spot toe te schrijven aan Allāhu (تعالى). De man bedoelt eigenlijk: “Ik weet dat U niet met mij spot, want U bent de Heer van de werelden. Alles wat U mij geeft is waarheid. Maar het verwondert mij dat U mij deze gunsten geeft terwijl ik ze niet verdien.”

Ten derde: Deze mening is van Qāḍī ʿIyāḍ. Hij zegt dat deze uitspraak voortkomt uit de overweldigende vreugde van de man. Zijn vreugde is zo groot dat hij niet meer weet wat hij moet zeggen, en in die verbazing en blijdschap deze woorden uitspreekt. Hij gelooft dus niet letterlijk in de betekenis van zijn uitspraak. Het is vergelijkbaar met iemand die in een andere ḥadīth van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) door zijn vreugde niet wist wat hij moest zeggen en zei: “U bent mijn dienaar en ik ben jouw Rab.” En Allāhu (تعالى) weet het beste wat correct is.

De glimlach/lach van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) die in de ḥadīth wordt vermeld, toont aan dat glimlachen/lach in bepaalde situaties toegestaan is. Maar deze glimlach mag niet de eer van iemand aantasten of hem vernederen, en moet binnen redelijke grenzen blijven; hij mag niet overdreven zijn.

De uitdrukking “Voor jou is zo veel als de wereld en tien keer zoveel” komt in een andere overlevering voor als: “Voor jou is wat jij wenst en tien keer zoveel als de wereld.” Beide versies hebben dezelfde betekenis en verklaren elkaar. De bedoeling is om de overvloed van de zegeningen aan te geven.

Zoals taalkundigen zeggen: wanneer men zegt “zoveel keer”, betekent dit meestal simpelweg een zeer grote hoeveelheid.

De overvloed hier, dus de veelheid van de zegeningen, wordt in de andere overleveringen van deze ḥadīth op verschillende manieren uitgedrukt. De betekenis blijft echter dezelfde. (Uit de Sharḥ van Ṣaḥīḥ Muslim van an-Nawawī).

In een andere ḥadīth die een vervolg is op de overleveringen over de shafāʿah en de laatste persoon die Jannah zal binnengaan, schrijft Imam Muslim ( رَحِمَهُ اللهُ):

345. Van Abū Bakr ibn Shaybah, van Ḥammād ibn Salamah, van Thābit, van Anas, van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “De laatste persoon die Jannah zal binnengaan is een man die soms loopt en soms struikelt en valt. Het Vuur zal hem soms achtervolgen, en wanneer hij het achter zich laat, zal hij omkijken en zeggen: ‘Alle lof behoort aan Allāhu (تعالى), Die mij van jou heeft gered. Allāh heeft mij gegeven wat Hij aan niemand van de eersten en de laatsten heeft gegeven.’Er wordt vervolgens een boom voor hem geplaatst. Hij zegt: ‘O mijn Rab, breng mij dichter bij deze boom zodat ik in zijn schaduw kan schuilen en van zijn water kan drinken.’ Allāhu عز وجل zegt: ‘O zoon van Ādam, als Ik jou dit geef, zul je dan om iets anders vragen?’ Hij zegt: ‘Nee, o mijn Rab,’ en hij belooft Allāhu dat hij niets anders zal vragen.Allāhu (تعالى) vergeeft hem, omdat Hij weet dat hij geen geduld heeft om zich aan die belofte te houden. Hij brengt hem dichter bij die boom, en hij schuilt in zijn schaduw en drinkt van zijn water.Daarna wordt een andere boom voor hem geplaatst, die mooier is dan de eerste. Hij zegt: ‘O mijn Rab, breng mij dichter bij deze boom zodat ik van zijn water kan drinken en in zijn schaduw kan schuilen. Ik zal U verder niets vragen.’Allāhu (تعالى) zegt: ‘Heb je Mij niet beloofd dat je Mij niets anders zou vragen?

Als Ik je dichter bij deze boom breng, zul je dan niet weer iets anders van Mij vragen?’Zijn Rabbu (تعالى) weet echter dat hij geen geduld heeft om zich daaraan te houden, en daarom vergeeft Hij hem en brengt hem dichter bij de boom die hij wenst.”Hij zal in zijn schaduw schuilen en van zijn water drinken.Daarna wordt er een andere boom dicht bij de poort van Jannah voor hem zichtbaar gemaakt. Deze is mooier dan de eerste twee. De man zegt: “O mijn Rab, breng mij dichter bij deze boom, zodat ik in zijn schaduw kan schuilen en van zijn water kan drinken. Ik zal U verder niets vragen.”Allāhu (تعالى) zegt: “O zoon van Ādam, heb Ik niet van jou een verbond genomen dat je Mij niets anders zou vragen?” De man zegt: “Ja, o mijn Rab, maar dit wil ik, en daarna zal ik niets meer vragen.”Zijn Rabbu (تعالى) weet echter dat hij geen geduld heeft om zich daaraan te houden, en daarom verschoont Hij hem en brengt hem dichter bij die boom. Wanneer hij dichterbij komt, hoort hij de stemmen van de bewoners van Jannah. Dan zegt hij: “O mijn Rab, laat mij daar binnengaan.”Allāhu (تعالى) zegt daarop: “Wat wil je nog meer van Mij? Als Ik jou de wereld geef en nog eens zo veel erbij, zou dat jou tevreden stellen?”De man zegt: “O mijn Rab, maakt U een grapje met mij, terwijl U de Rab van alle werelden bent?”Ibn Masʿūd (رضي الله عنه) lachte hierop en zei: “Willen jullie niet vragen waarom ik lachte?” Zij vroegen: “Waarom lach je?”Hij antwoordde: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) lachte ook toen hij dit vertelde. Men vroeg hem: ‘Waarom lacht u, o Rasūlullāh?’ Hij zei: ‘Ik lach om het feit dat de dienaar zegt: “Maakt U een grapje met mij, terwijl U de Rab van alle werelden bent” en dat de Rab van de werelden lacht.”Allāhu (تعالى) zegt dan: “Ik maak geen grapje niet met jou; Ik ben in staat alles te doen wat Ik wil.”

Ik zeg: hiermee heb ik een belangrijk deel van de overleveringen opgenomen die Imam Muslim in zijn Ṣaḥīḥ heeft vermeld.

Er blijven nog vele overleveringen over, maar die bevatten grotendeels geen wezenlijke verschillen met wat hier is overgeleverd. Daarom volsta ik hiermee.

In deze overleveringen zijn wel enkele aanvullingen en stilistische verschillen aanwezig, die niet duidelijk worden als men slechts de andere versies zou noemen. Omdat dit bekend is, heb ik deze overleveringen uitgebreid vermeld.

Er is echter nog een toevoeging in sommige overleveringen die we hier niet hebben vermeld, en die toch vermeld moet worden. Die luidt als volgt:

Hij zei: “Daarna gaat hij zijn huis binnen. Twee echtgenotes uit de ḥūr al-ʿayn komen bij hem binnen en zeggen: ‘Alle lof behoort aan Allāhu (تعالى), Die jou voor ons heeft laten leven en ons voor jou heeft laten leven.’ De man zegt dan: ‘Aan niemand is gegeven wat mij is gegeven.”

Uitleg van de 345ste ḥadīth:

Over het toeschrijven van het “lachen” aan Allāhu (تعالى) is in de uitleg van de vorige aḥādīth al voldoende uitleg gegeven. Zoals bekend betekent dit niet een menselijke eigenschap, maar dat Allāhu (تعالى) genade toont aan wie Hij wil onder Zijn dienaren, tevreden met hem is en hem goedheid wil schenken.

“‘Alle lof behoort aan Allāhu (تعالى), Die jou voor ons heeft laten leven en ons voor jou heeft laten leven” dat wil zeggen: Alle lof behoort aan Allāhu (تعالى), Die jou voor ons heeft geschapen en ons voor jou heeft geschapen, en Die ons vervolgens samen heeft gebracht in dit huis dat gevuld is met voortdurende vreugde en blijdschap. (Uit de Sharḥ van Ṣaḥīḥ Muslim van an-Nawawī).

Uit de Sunan van an-Nasāʾī – Ḥadīth over de shafāʿah

Hoofdstuk: “De toename van īmān”

346. Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De strijd van een van jullie in deze wereld voor het recht is niet zo intens en aanhoudend als de smeekbeden en nederige verzoeken van de mu’mins bij hun Rab op de Yawm al-Qiyāmah om hun broeders die in Jahannam zijn binnengegaan eruit te laten halen.De mu’mins zullen zeggen: ‘O onze Rab, onze broeders verrichtten met ons ṣalāh, vastten met ons en verrichtten de ḥaj met ons. Toch hebt U hen in Jahannam geplaatst.’Allāhu (تعالى) zal zeggen: ‘Ga en haal degenen eruit die je herkent.’ Zij gaan en herkennen hen aan hun gezichten. Sommigen hebben het Vuur tot halverwege hun schenen bereikt, anderen tot hun enkels. Zij halen hen eruit en zeggen: ‘O onze Rab, wij hebben degenen die U ons hebt opgedragen eruit gehaald.’Allāhu (تعالى) zegt vervolgens: ‘Haal ook degenen eruit in wiens hart het gewicht van een dinār aan īmān zit.’ Daarna zegt Hij: ‘Haal ook degenen eruit in wiens hart het gewicht van een halve dinār aan īmān zit.’ En uiteindelijk zegt Hij: ‘Haal ook degenen eruit in wiens hart zelfs een atoom aan īmān zit.’”Abū Saʿīd (رضي الله عنه) zei: Wie dit niet gelooft, moet deze āya lezen:إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَغۡفِرُ أَن يُشۡرَكَ بِهِۦ وَيَغۡفِرُ مَا دُونَ ذَٰلِكَ لِمَن يَشَآءُۚ وَمَن يُشۡرِكۡ بِٱللَّهِ فَقَدِ ٱفۡتَرَىٰٓ إِثۡمًا عَظِيمًا ٤٨Waarlijk, Allāh vergeeft het niet als er met Hem deelgenoten worden aanbeden, maar daarnaast vergeeft Hij wat Hij wil, en iedereen die Allāh deelgenoten toekent, heeft zeker een afschuwelijke zonde begaan. Nisāʾ (4:48)

Uitleg van de 346ste ḥadīth:

“De strijd van een van jullie in deze wereld voor het recht kan niet zo intens en vastberaden zijn als de smeekbeden en nederige verzoeken van de mu’mins bij hun Rab op de Yawm al-Qiyāmah om hun broeders die in Jahannam zijn binnengegaan daaruit te laten halen,” dat wil zeggen: wanneer iemand in deze wereld een recht heeft dat duidelijk vaststaat, zal hij er zeker alles aan doen om dat recht te verkrijgen. Hij zal zich verdedigen tegen zijn tegenstander en blijven streven totdat hij zijn recht heeft verkregen.Op dezelfde manier zullen de mu’mins in het Hiernamaals, nadat zij zelf al gered zijn van Jahannam, wanneer zij zien dat sommige van hun mu’min-broeders nog in Jahannam achterblijven, hun Rab smeken om ook hun redding. Zij zullen zeggen: “O onze Rab, dit zijn onze broeders; zij waren samen met ons mu’mins, zij verrichtten ṣalāh met ons, vastten met ons en verrichtten samen met ons de ḥaj. O onze Rab, Uw genade omvat alles, wees genadig voor onze broeders.”

Dus zoals de mens in deze wereld met vastberadenheid zijn recht opeist, zo zal de inspanning van de mu’mins in het Hiernamaals om hun broeders uit Jahannam te laten halen nog sterker en dringender zijn. In werkelijkheid zal die inspanning daar nog intenser zijn.

Hieruit blijkt ook de overvloed van de gunst (faḍl) van Allāhu (تعالى) over Zijn mu’min-dienaren. Hij heeft in hun harten een verlangen en vurige hoop geplaatst om ook hun broeders die in de bestraffing zijn, te helpen. Nadat de mu’mins zeker weten dat de deur van hoop (rajā’) open is, beginnen zij pas met deze smeekbeden. Want het is vaststaand dat hun shafāʿah voor hun mu’min-broeders toegestaan zal worden. Zoals Allāhu (تعالى) zegt in de āyah: مَن ذَا ٱلَّذِي يَشۡفَعُ عِندَهُۥٓ إِلَّا بِإِذۡنِهِ…Wie kan bij Hem bemiddelen zonder Zijn toestemming? …(Baqarah, 2:255), in ayah al-Kursī)

Deze ḥadīth wijst ook op de intense onderlinge barmhartigheid tussen de mu’mins. Want degenen die gered zijn van de bestraffing zullen medelijden hebben met degenen die nog in de straf verkeren. (Uit de Sharḥ van Ṣaḥīḥ Muslim van an-Nawawī.)O Allāh, wij vragen U om ons onze Nabī Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) als bemiddelaar aan te stellen en dat U tevreden met ons zult zijn. Āmīn.

Sunan at-Tirmidhī – Ḥadīth over de shafāʿah

Hoofdstuk over overleveringen met betrekking tot de shafāʿah (deel 2, p. 80 en verder)

347. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), hij zei: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd een vleesgerecht voorgeschoteld. Het voorste deel van het dier (schenkel) werd hem aangeboden en hij at ervan. Dit deel beviel hem en hij at het met eetlust.Daarna zei hij: “Ik ben op de Yawm al-Qiyāmah de sayyid (heer) van alle mensen. Weet jullie waarom dat zo is?Allāh zal de eersten en de laatsten, alle mensen, bijeenbrengen op één vlak veld. De oproeper zal zijn stem aan hen laten horen en iedereen zal hen kunnen zien. De zon zal dicht bij hen worden gebracht. Hun zorgen en verdriet zullen een niveau bereiken dat zij niet meer kunnen verdragen.De mensen zullen tegen elkaar zeggen: ‘Zien jullie niet in welke toestand jullie verkeren? Zouden jullie niet iemand zoeken die bij jullie Rab shafāʿah voor jullie kan verrichten?’Zij zullen vervolgens zeggen: ‘Ga naar Ādam (عليه السلام).’Zij komen bij Ādam (عليه السلام) en zeggen: ‘U bent de vader van de mensheid. Allāh heeft u met Zijn eigen Hand geschapen, Hij heeft u van Zijn rūḥ ingeblazen en Hij heeft de engelen bevolen zich voor u neer te buigen (sajdah). Doe shafāʿah voor ons bij uw Rab. Zie u niet in welke toestand wij verkeren?’Ādam (عليه السلام) zal zeggen: ‘Mijn Rab is vandaag in een woede die Hij nooit eerder heeft gehad en nooit meer zal hebben. Hij heeft mij verboden de boom te naderen en ik was Hem ongehoorzaamd. Ik ben bezorgd om mezelf, ik ben bezorgd om mezelf, ik ben bezorgd om mezelf. Ga naar iemand anders, ga naar Nūḥ (عليه السلام).’

Zij gaan naar Nūḥ (عليه السلام) en zeggen: ‘O Nūḥ, u bent de eerste van de boodschappers naar de bewoners van de aarde. Allāh heeft u de naam gegeven van de “zeer dankbare dienaar”. Doe shafāʿah voor ons bij uw Rab. Ziet u niet in welke toestand wij verkeren?’Nūḥ (عليه السلام) zal zeggen: ‘Mijn Rab is vandaag in een woede die Hij nooit eerder heeft gehad en nooit meer zal hebben. Ik heb een smeekbede gedaan tegen mijn volk. Ik ben bezorgd om mezelf, ik ben bezorgd om mezelf, ik ben bezorgd om mezelf. Ga naar Ibrāhīm (عليه السلام).’Zij gaan naar Ibrāhīm (عليه السلام) en zeggen: ‘O Ibrāhīm, u bent de Nabī van Allāh en Zijn Khalīl (intieme vriend) op aarde.

Doe shafāʿah voor ons bij uw Rab. Ziet u niet in welke toestand wij verkeren?’Ibrāhīm (عليه السلام) zal zeggen: ‘Mijn Rab is vandaag in een woede die Hij nooit eerder heeft gehad en nooit meer zal hebben. Ik heb drie keer iets onjuist gezegd (zoals in de overlevering van Abū Ḥayyān vermeld is). Ik ben bezorgd om mezelf, ik ben bezorgd om mezelf, ik ben bezorgd om mezelf. Ga naar iemand anders, ga naar Mūsā (عليه السلام).’Zij gaan naar Mūsā (عليه السلام) en zeggen: ‘O Mūsā, u bent de Rasûl van Allāh. Allāh heeft u verkozen door jou profeetschap te geven en tot jou te spreken, boven de mensen. Doe shafāʿah voor ons bij uw Rab. Ziet u niet in welke toestand wij verkeren?’Mūsā (عليه السلام) zal zeggen: “Mijn Rab is vandaag in een woede die Hij nooit eerder heeft gehad en nooit meer zal hebben. Ik heb, terwijl ik niet was bevolen om te doden, een persoon gedood. Ik ben bezorgd om mezelf, ik ben bezorgd om mezelf, ik ben bezorgd om mezelf. Ga naar iemand anders, ga naar ʿĪsā (عليه السلام).”Zij gaan naar ʿĪsā (عليه السلام) en zeggen: “O ʿĪsā, u bent de Rasūlullāh en Zijn woord dat Hij aan Maryam heeft gegeven, en een rūḥ van Hem. U hebt met mensen gesproken in de wieg. Doe shafāʿah voor ons bij uw Rab. Ziet u niet in welke toestand wij verkeren?”ʿĪsā (عليه السلام) zal zeggen: “Mijn Rab is vandaag in een woede die Hij nooit eerder heeft gehad en nooit meer zal hebben.” Zonder een zonde van zich te noemen, zegt hij: “Ik ben bezorgd om mezelf, ik ben bezorgd om mezelf, ik ben bezorgd om mezelf.

Ga naar iemand anders, ga naar Muḥammad (صلى الله عليه وسلم).”An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vervolgde zijn woorden: “Dan komen zij naar Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) en zeggen: ‘O Muḥammad, u bent Rasūlullāh, de laatste van de anbiyā. Allāh heeft u vergeven wat voorafging en wat nog zal komen. Doe shafāʿah voor ons bij uw Rab. Ziet u niet in welke toestand wij verkeren?’Dan ga ik en kom onder de Troon (ʿArsh). Ik werp mij in sajdah voor mijn Rab. Vervolgens leert Allāhu (تعالى) mij enkele mooie woorden van lof en prijzing, die Hij niemand vóór mij heeft geleerd.Dan wordt gezegd: ‘O Muḥammad, hef je hoofd op; vraag en het zal je gegeven worden; doe shafāʿah en jouw shafāʿah zal geaccepteerd worden.’Ik zal mijn hoofd opheffen en zeggen: ‘O mijn Rab, mijn ummah, mijn ummah, mijn ummah.’Allāh (تعالى) zal zeggen: ‘O Muḥammad, laat een groep van jouw ummah zonder afrekening Jannah binnengaan via de rechterpoort. Er wordt gezegd: ‘Zij delen ook in de andere poorten met alle overige mensen.’(Met andere woorden: sommige leden van zijn gemeenschap zullen ook door deze poorten binnengaan.)Daarna zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Bij Allāh in Wiens hand mijn ziel is, de afstand tussen de twee vleugels van de poorten van Jannah is zo groot als de afstand tussen Makkah en Ḥimyar of tussen Mekka en Buṣrā.” At-Tirmidhī schrijft dat deze ḥadīth ḥasan ṣaḥīḥ is.

Uitleg van de 347ste ḥadīth

In deze ḥadīth wordt vermeld dat Nūḥ (عليه السلام) als verontschuldiging zal zeggen: “Ik heb een smeekbede gedaan tegen mijn volk.” In andere overleveringen wordt echter vermeld dat hij zal zeggen: “Ik heb mijn Rab een verzoek gedaan terwijl ik het niet wist (de gevolgen ervan niet overzag).” Het is mogelijk dat Nūḥ (عليه السلام) beide uitspraken zal doen. Het kan ook zijn dat de overleveraars hier een samenvatting (ikhtiṣār) hebben gemaakt, waarbij de ene overlevering de andere niet tegenspreekt. En Allāhu (تعالى) weet het beste.

De hadīth van shafāʿah uit Sunan Ibn Mājah

Hoofdstuk īmān, deel 1, p. 16

348. Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) is overgeleverd dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De inspanning waarmee iemand van jullie in deze wereld zijn recht bij zijn broeder opeist, is niet groter en niet volhardender dan de smeekbeden en nederige verzoeken van de muʾmins aan Allāhu (تعالى) op Yawm al-Qiyāmah. Nadat Allāh de muʾmins heeft gered en hen veilig heeft gesteld voor Jahannam, zullen zij Hem smeken om hun broeders, die vanwege hun zonden in Jahannam zijn geworpen, daaruit te laten halen.”Zij zullen zeggen: ‘O onze Rab, onze broeders verrichtten samen met ons ṣalāh, vastten met ons en verrichtten samen met ons de ḥaj, maar U hebt hen in Jahannam geplaatst.’Allāhu (تعالى) zal zeggen: ‘Ga en haal degenen eruit die jullie herkennen.’ Zij zullen gaan en hen herkennen aan hun gezichten. Het vuur zal hun gezichten niet aantasten. Sommigen van hen zal het vuur tot halverwege hun schenen bereiken, bij anderen tot hun enkels. Zij zullen hen eruit halen en zeggen: ‘O onze Rab, wij hebben degenen eruit gehaald die U ons hebt opgedragen.’Daarna zal Allāhu (تعالى) zeggen: ‘Haal ook degenen eruit in wiens hart het gewicht van een dinār aan īmān zit.’ Vervolgens: ‘Haal ook degenen eruit in wiens hart een halve dinār aan īmān zit.’ En daarna: ‘Haal ook degenen eruit in wiens hart zelfs het gewicht van een mosterdzaadje aan īmān zit.’Abū Saʿīd (رضي الله عنه) zei: wie dit ontkent, moet deze āya lezen:إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَغۡفِرُ أَن يُشۡرَكَ بِهِۦ وَيَغۡفِرُ مَا دُونَ ذَٰلِكَ لِمَن يَشَآءُۚ وَمَن يُشۡرِكۡ بِٱللَّهِ فَقَدِ ٱفۡتَرَىٰٓ إِثۡمًا عَظِيمًا ٤٨Waarlijk, Allāh vergeeft het niet als er met Hem deelgenoten worden aanbeden, maar daarnaast vergeeft Hij wat Hij wil, en iedereen die Allāh deelgenoten toekent, heeft zeker een afschuwelijke zonde begaan. Nisāʾ (4:48)

Uitleg van de 348ste ḥadīth

“Zij zullen hen herkennen aan hun gezichten, en het vuur zal hun gezichten niet aantasten.”De uiterlijke betekenis van deze zin is dat hier het hele gezicht bedoeld wordt, omdat de menselijke “sīma” (uiterlijk, vorm) in feite het gezicht is. Het vuur zal de plaatsen van de sajdah niet aantasten. Het voorhoofd behoort tot die plaatsen.Allāhu (تعالى) zal eer en bescherming geven aan het hele gezicht, waardoor het vuur het gezicht niet zal verbranden. Dit komt doordat het gezicht in zijn geheel zich in sajdah voor Allāhu neerbuigt. Deze ḥadīth, overgeleverd door Ibn Mājah, versterkt de overleveringen die aangeven dat het volledige gezicht beschermd zal worden tegen het vuur.

Ibn Mājah vermeldt in deel 2, pagina 302–303 de volgende overlevering:

349. Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De mu’mins zullen op de Yawm al-Qiyāmah verzameld worden. Zij zullen geïnspireerd worden – of zij zullen denken (Saʿīd twijfelde hierover) – en zij zullen zeggen: ‘Hadden wij maar iemand die voor ons zou bemiddelen (shafāʿah) bij onze Rab dan zou hij ons op onze plek vrede en verlichting schenken?’Zij gaan naar Ādam (عليه السلام) en zeggen: ‘O Ādam, u bent de vader van de mensheid. Allāhu (تعالى) heeft u met Zijn eigen Hand geschapen en de engelen bevolen zich voor jou neer te buigen (sajdah). Doe shafāʿah voor ons bij uw Rab, zodat Hij ons rust geeft in onze plaats.’Ādam (عليه السلام) zal zeggen: ‘Ik ben niet op deze plaats (om dit te doen),’ en hij zal hen herinneren aan zijn fout en zich daarvoor schamen. Hij zal zeggen: ‘Ga naar Nūḥ (عليه السلام), hij is de eerste rasûl die naar de bewoners van de aarde is gestuurd.’Zij gaan naar hem, maar hij zegt: ‘Ik ben niet op deze plaats,’ en hij zal iets noemen dat hij van zijn Rab heeft gevraagd zonder volledige kennis, en hij zal zich daarvoor schamenHij zal zeggen: ‘Ga naar Ibrāhīm (عليه السلام), de geliefde vriend (khalīl) van de ar-Rahmān (de Barmhartige).’Zij gaan naar hem, maar hij zegt: ‘Ik ben niet op deze plaats.

Ga naar Mūsā (عليه السلام), de dienaar met wie Allāh sprak en aan wie Hij de Tawrāt gaf.’Zij gaan naar hem, maar hij zegt: ‘Ik ben niet op deze plaats,’ en hij zal een persoon herinneren die hij zonder recht heeft gedood.Hij zegt: ‘Ga naar ʿĪsā (عليه السلام), de dienaar, an-Nabī, het Woord van Allāh en een rūḥ van Hem.’Zij gaan naar hem, maar hij zegt: ‘Ik ben niet op deze plaats. Ga naar Muḥammad (صلى الله عليه وسلم), de dienaar van Allāh aan wie Allāh de vroegere en latere fouten volledig heeft vergeven.” Zij zullen bij mij komen. Ik zal dan naar buiten gaan en tussen twee rijen van de mu’mins lopen. Daarna vraag ik toestemming om bij mijn Rab aanwezig te zijn (om Hem te smeken op een plaats die daarvoor bestemd is). Er wordt mij toestemming gegeven.Wanneer ik Hem zie, werp ik mij in sajdah. Allāh laat mij in die toestand blijven zolang Hij wil. Daarna wordt gezegd: “Sta op, o Muḥammad, spreek en er zal naar je geluisterd worden; vraag en het zal je gegeven worden; doe shafāʿah en jouw shafāʿah zal worden aanvaard.”Ik zal Hem prijzen zoals Hij het mij heeft geleerd. Daarna zal ik shafāʿah verrichten. Allāhu (تعالى) zal voor mij een groep aanwijzen en hen Jannah binnengaan laten.Daarna ga ik opnieuw terug. Wanneer ik mijn Rab zie, werp ik mij in sajdah. Allāh laat mij opnieuw zo blijven zolang Hij wil. Daarna wordt gezegd: “Sta op, o Muḥammad, spreek en er zal naar je geluisterd worden; vraag en het zal je gegeven worden; doe shafāʿah en jouw shafāʿah zal worden aanvaard.”Ik hef mijn hoofd op en prijs Hem zoals Hij mij heeft geleerd. Daarna verricht ik opnieuw shafāʿah. Mijn Rab zal opnieuw een groep voor mij aanwijzen en hen Jannah binnenbrengen.Daarna keer ik een derde keer terug. Wanneer ik mijn Rab zie, werp ik mij in sajdah. Allāh laat mij zo blijven zolang Hij wil.

Daarna wordt gezegd: “Sta op, o Muḥammad, spreek en er zal naar je geluisterd worden; vraag en het zal je gegeven worden; doe shafāʿah en jouw shafāʿah zal worden aanvaard.”Ik hef mijn hoofd op en prijs Hem zoals Hij mij heeft geleerd. Daarna doe ik shafāʿah. Mijn Rab zal opnieuw een groep voor mij aanwijzen en hen Jannah binnengaan laten.Daarna keer ik een vierde keer terug en zeg: “O mijn Rab, er blijft niemand over behalve degenen die door de Qurʾān worden vastgehouden (degenen die daar definitief in blijven).”

Uitleg van de 349ste ḥadīth

De moeilijke en problematische passages in deze ḥadīth zijn eerder al uitgelegd, daarom is herhaling niet nodig.Het feit dat alle ḥadīth-geleerden (muhaddithûn) de overleveringen over de shafāʿah hebben overgeleverd en erop zijn overeengekomen (ijmāʿ), is een duidelijk bewijs dat de shafāʿah onomstotelijk vaststaat. Men kan zelfs zeggen dat de overleveringen hierover het niveau van tawātur bereiken. Dit grote aantal overleveringen vormt een krachtig antwoord op degene die de shafāʿah ontkent.

37. Over de overleveringen betreffende de dienaar die op de Yawmu’l Qiyamah voor zijn Rab zal staan

En over het ondervragen van de anbiyā over de verkondiging.

Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, deel 2, p. 109, Kitāb az-Zakāh, hoofdstuk “Voor het afwijzen van sadaqah”

350. Van ʿAbdullāh ibn Muḥammad, van Abū ʿĀṣim an-Nabīl, van Saʿd ibn Bishr, van Abū Mujāhid, van Muḥill ibn Khalīfah at-Ṭāʾī, van ʿAdiy ibn Ḥātim (رضي الله عنه) zei: “Ik was bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) toen er twee mannen kwamen. De één klaagde over armoede en de ander over het afsnijden van handelsroutes (onveiligheid op de wegen).Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: wat betreft de onveiligheid van de wegen, ik zeg dat er niet veel tijd zal verstrijken voordat er een karavaan zonder bewakers richting Mekka zal vertrekken.Wat de armoede betreft: er zal een tijd aanbreken dat iemand van jullie met zijn ṣadaqah rondgaat, maar niemand vindt die deze wil aannemen. Vervolgens zal Yawm al-Qiyāmah aanbreken, waarop ieder van jullie voor Allāh zal staan zonder enig gordijn en zonder enige tussenpersoon/vertaler.Dan zal Allāhu (تعالى) zeggen: ‘Heb Ik jou geen rijkdom gegeven?’ De dienaar zegt: ‘Jawel, U hebt het mij gegeven.’Allāh zegt: ‘Heb Ik jou geen Rasûl (Boodschapper) gestuurd?’ De dienaar zegt: ‘Jawel, U hebt hem gestuurd.’Dan kijkt hij naar rechts en ziet hij niets anders dan vuur. Hij kijkt naar links en ziet hij niets anders dan vuur.Laat ieder van jullie zichzelf beschermen tegen het Vuur, al is het met een halve dadel. En als hij dat niet vindt, dan met een goed woord.”

Deze ḥadīth wordt door al-Bukhārī overgeleverd in Kitāb Badʾ al-Khalq, in het hoofdstuk “Tekenen van het profeetschap in de Islâm”:

351. Van Muḥammad ibn al-Ḥakam, van an-Naḍr, van Isrāʾīl, van Saʿdān at-Ṭāʾī, van Muḥīṭ ibn Khalīfa, dat ʿAdiy ibn Ḥātim (رضي الله عنه) zei: “Terwijl ik bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was, kwam er een man naar hem die klaagde over armoede.

Daarna kwam een andere man die klaagde over het afsnijden van handelsroutesRasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘O ʿAdiy, heb jij al-Ḥīrah (was een beroemde oude Arabische stad in het huidige Irak, gelegen ten zuiden van Kufa en nabij het huidige Najaf) gezien?’Ik zei: ‘Ik heb het niet gezien, maar ik heb erover gehoord.’Hij zei: ‘Als jouw leven lang genoeg is, zul je zien dat een vrouw alleen op een overdekte draagstoel van een kameel van Ḥīrah zal vertrekken en zonder angst voor iemand anders dan Allāh naar Kaʿbah zal komen en ṭawāf zal verrichten.’Ik zei bij mezelf: waar zijn dan de rovers die de wegen met kwaad en vuur vullen?Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) vervolgde: ‘Als jouw leven lang genoeg is, zul je zien dat de schatten van Kisrā zullen worden geopend (d.w.z. in handen van de moslims zullen vallen).’Ik zei: ‘De zoon van Hurmuz, Kisrā?’Hij zei: ‘Ja, de zoon van Hurmuz, Kisrā.’Hij zei verder: ‘Als jouw leven lang genoeg is, zul je ook zien dat een man naar buiten komt met een handvol goud of zilver en iemand zoekt die het van hem wil aannemen, maar hij vindt niemand die het accepteert.’En hij zei: “Ieder van jullie zal op de dag dat hij Allāh ontmoet, voor Allāh verschijnen, zonder dat er tussen hen een tolk is die hem de woorden van Allāh (جل وعلا: Majestueus en Hoogverheven) overbrengt.” Dan zal Allāhu (تعالى) zeggen: “Heb Ik jou niet een Rasûl gestuurd die Mijn bevelen aan jou heeft overgebracht?” De dienaar zal zeggen: “Ja.”Dan zal Allāh zeggen: “Heb Ik jou geen rijkdom en kinderen gegeven en Mijn gunsten aan jou geschonken?” De dienaar zal zeggen: “Ja.”Dan zal hij naar rechts kijken en niets anders dan het vuur zien, en naar links kijken en niets anders dan het vuur zien.”ʿAdiy zei: “Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen:“Bescherm jezelf tegen het Vuur, al is het met de helft van een dadel.

Daarna kwam een andere man die klaagde over het afsnijden van handelsroutesRasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘O ʿAdiy, heb jij al-Ḥīrah (was een beroemde oude Arabische stad in het huidige Irak, gelegen ten zuiden van Kufa en nabij het huidige Najaf) gezien?’Ik zei: ‘Ik heb het niet gezien, maar ik heb erover gehoord.’Hij zei: ‘Als jouw leven lang genoeg is, zul je zien dat een vrouw alleen op een overdekte draagstoel van een kameel van Ḥīrah zal vertrekken en zonder angst voor iemand anders dan Allāh naar Kaʿbah zal komen en ṭawāf zal verrichten.’Ik zei bij mezelf: waar zijn dan de rovers die de wegen met kwaad en vuur vullen?Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) vervolgde: ‘Als jouw leven lang genoeg is, zul je zien dat de schatten van Kisrā zullen worden geopend (d.w.z. in handen van de moslims zullen vallen).’Ik zei: ‘De zoon van Hurmuz, Kisrā?’Hij zei: ‘Ja, de zoon van Hurmuz, Kisrā.’Hij zei verder: ‘Als jouw leven lang genoeg is, zul je ook zien dat een man naar buiten komt met een handvol goud of zilver en iemand zoekt die het van hem wil aannemen, maar hij vindt niemand die het accepteert.’En hij zei: “Ieder van jullie zal op de dag dat hij Allāh ontmoet, voor Allāh verschijnen, zonder dat er tussen hen een tolk is die hem de woorden van Allāh (جل وعلا: Majestueus en Hoogverheven) overbrengt.” Dan zal Allāhu (تعالى) zeggen: “Heb Ik jou niet een Rasûl gestuurd die Mijn bevelen aan jou heeft overgebracht?” De dienaar zal zeggen: “Ja.”Dan zal Allāh zeggen: “Heb Ik jou geen rijkdom en kinderen gegeven en Mijn gunsten aan jou geschonken?” De dienaar zal zeggen: “Ja.”Dan zal hij naar rechts kijken en niets anders dan het vuur zien, en naar links kijken en niets anders dan het vuur zien.”ʿAdiy zei: “Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen:“Bescherm jezelf tegen het Vuur, al is het met de helft van een dadel. En als je dat niet vindt, dan met een goed woord.”ʿAdiy (رضي الله عنه) zei: “Ik zag een vrouw die op haar kameel, in haar overdekte draagstoel, van Ḥīrah vertrok en zonder angst voor iemand anders dan Allāh naar de Kaʿbah reisde en ṭawāf verrichtte.

Daarna kwam een andere man die klaagde over het afsnijden van handelsroutesRasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘O ʿAdiy, heb jij al-Ḥīrah (was een beroemde oude Arabische stad in het huidige Irak, gelegen ten zuiden van Kufa en nabij het huidige Najaf) gezien?’Ik zei: ‘Ik heb het niet gezien, maar ik heb erover gehoord.’Hij zei: ‘Als jouw leven lang genoeg is, zul je zien dat een vrouw alleen op een overdekte draagstoel van een kameel van Ḥīrah zal vertrekken en zonder angst voor iemand anders dan Allāh naar Kaʿbah zal komen en ṭawāf zal verrichten.’Ik zei bij mezelf: waar zijn dan de rovers die de wegen met kwaad en vuur vullen?Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) vervolgde: ‘Als jouw leven lang genoeg is, zul je zien dat de schatten van Kisrā zullen worden geopend (d.w.z. in handen van de moslims zullen vallen).’Ik zei: ‘De zoon van Hurmuz, Kisrā?’Hij zei: ‘Ja, de zoon van Hurmuz, Kisrā.’Hij zei verder: ‘Als jouw leven lang genoeg is, zul je ook zien dat een man naar buiten komt met een handvol goud of zilver en iemand zoekt die het van hem wil aannemen, maar hij vindt niemand die het accepteert.’En hij zei: “Ieder van jullie zal op de dag dat hij Allāh ontmoet, voor Allāh verschijnen, zonder dat er tussen hen een tolk is die hem de woorden van Allāh (جل وعلا: Majestueus en Hoogverheven) overbrengt.” Dan zal Allāhu (تعالى) zeggen: “Heb Ik jou niet een Rasûl gestuurd die Mijn bevelen aan jou heeft overgebracht?” De dienaar zal zeggen: “Ja.”Dan zal Allāh zeggen: “Heb Ik jou geen rijkdom en kinderen gegeven en Mijn gunsten aan jou geschonken?” De dienaar zal zeggen: “Ja.”Dan zal hij naar rechts kijken en niets anders dan het vuur zien, en naar links kijken en niets anders dan het vuur zien.”ʿAdiy zei: “Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen:“Bescherm jezelf tegen het Vuur, al is het met de helft van een dadel. En als je dat niet vindt, dan met een goed woord.”ʿAdiy (رضي الله عنه) zei: “Ik zag een vrouw die op haar kameel, in haar overdekte draagstoel, van Ḥīrah vertrok en zonder angst voor iemand anders dan Allāh naar de Kaʿbah reisde en ṭawāf verrichtte. Ik was zelf een van degenen die aanwezig waren toen de schatten van Kisrā, de zoon van Hurmuz, werden geopend (veroverd).En als jullie levens lang genoeg zijn, zullen jullie ook het voorval zien dat an-Nabī Abū al-Qāsim (صلى الله عليه وسلم) heeft aangekondigd: dat een man met een handvol goud of zilver naar buiten zal komen en niemand zal vinden die het van hem wil aannemen.”

Uitleg van de aḥadīth 350–351:

Met “het afsnijden van handelsroutes,” wordt bedoeld dat rovers en struikrovers de reizigers opwachtten en hun de doorgang belemmerden. Zij legden hinderlagen langs de wegen om mensen van hun bezittingen te beroven, hen te doden of angst en onveiligheid onder de bevolking te verspreiden. Omdat de reizigers zich ver van plaatsen bevonden waar hulp beschikbaar was, maakten deze rovers misbruik van hun positie en vertrouwden zij op hun eigen macht en kracht om hun misdaden te plegen.

De uitspraak: “Daarna zal ieder van jullie voor Allāh staan zonder dat er een gordijn of tussenpersoon is” is een vergelijking (tamthīl). Want niets kan Allāhu (تعالى) omvatten, en er is niets dat Hem bedekt. Hij is niet verborgen omdat er iets is dat Hem bedekt, maar omdat onze ogen in deze wereld niet in staat zijn Hem waar te nemen. In het Hiernamaals zullen de sluiers van onze ogen worden weggenomen en zal ons gezichtsvermogen worden versterkt.

Zoals Allāhu (تعالى) zegt:لَّقَدۡ كُنتَ فِي غَفۡلَةٖ مِّنۡ هَٰذَا فَكَشَفۡنَا عَنكَ غِطَآءَكَ فَبَصَرُكَ ٱلۡيَوۡمَ حَدِيدٞ ٢٢(Er wordt hem gezegd:) “Voorwaar, hiervoor was jij achteloos, toen hebben Wij de bedekking van jouw (hart) verwijderd, toen was jouw waarneming op deze Dag scherp.” (Qāf, 50:22)

Ḥīrah was in die tijd een stad die onder het Perzische rijk viel en werd bestuurd door de Arabische koningen.De uitspraak: “Als jullie levens lang genoeg zijn, zullen jullie ook dit zien: een man die met een handvol goud of zilver naar buiten komt en niemand vindt die het van hem wil aannemen.” Dit komt omdat er een tijd zal komen waarin er geen armoede meer onder de mensen zal zijn. Er wordt gezegd dat dit de tijd is van ʿĪsā (عليه السلام) wanneer hij opnieuw naar de aarde zal afdalen.

Al-Bayhaqī schrijft ook dat dit zich heeft voorgedaan in de tijd van khaliefah ʿUmar ibn ʿAbd al-ʿAzīz. ʿUmar ibn ʿUbayd ibn ʿAbd ar-Raḥmān ibn Zayd ibn al-Khaṭṭāb zei dat ʿUmar ibn ʿAbd al-ʿAzīz dertig maanden khaliefah was. Vóór zijn dood bracht iemand hem een grote hoeveelheid bezit en zei: “Geef dit aan wie je wilt onder de armen.” Maar de man moest het uiteindelijk terug meenemen omdat er geen armen te vinden waren aan wie het kon worden gegeven.

Zij overlegden onderling over wie het zou kunnen ontvangen, maar vonden niemand. ʿUmar (رحمه الله) had de levensomstandigheden van de mensen zodanig verbeterd dat er nauwelijks nog sprake was van nood. Dit wordt overgeleverd door al-Bayhaqī. Deze overlevering bevestigt ook de betekenis van de ḥadīth van ʿAdiy ibn Ḥātim.

Ḥadīth: “De mu’min nadert zijn Rab zo dicht dat Hij Zijn bedekking of Zijn genade over hem legt”

Deze ḥadīth is door al-Bukhārī overgeleverd, deel 6, p. 74, in Kitāb at-Tafsīr, in het hoofdstuk over de tafsīr van sūrah Hūd:

352. Van Musaddad, van Yazīd ibn Zurayʿ, van Saʿīd en Hishām, van Qatāda, van Ṣafwān ibn Muḥriz, hij zei: Terwijl Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما) de ṭawāf verrichtte, riep een man hem en zei: “O Abū ʿAbd ar-Raḥmān, of Ibn ʿUmar, heb jij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) iets horen zeggen over de manier waarop de mu’mins op de Yawm al-Qiyāmah met hun Rab zullen spreken?”Ibn ʿUmar antwoordde: “Ik heb an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het volgende horen zeggen: De mu’min zal zo dicht bij zijn Rab worden gebracht (Hishām zei: ‘zo dicht gebracht’) dat Hij Zijn bedekking (of Zijn genade) over hem zal omhullen. Hij zal hem zijn zonden laten erkennen.Allāh zal zeggen: ‘Weet jij deze zonde?’De mu’min zal zeggen: ‘Ik weet het.’ Vervolgens zal hij twee keer zeggen: ‘Ja, ik weet het, o mijn Rab.’Allāhu (تعالى) zal zeggen: ‘Ik heb het voor jou in de wereld bedekt/verborgen gehouden, en vandaag vergeef Ik het je.’Daarna zal zijn boek met goede daden geopend worden.Wat betreft de kāfirs, voor hen zal worden uitgeroepen: “Zij zijn degenen die over hun Rab hebben gelogen. De vloek van Allāh rust op de onrechtvaardigen.”

al-Qastallānī (رحمه الله) schrijft: Al-Bukhārī heeft deze ḥadīth ook overgeleverd in Kitāb al-Maẓālim, Kitāb al-Adab en Kitāb at-Tawḥīd. Daarnaast heeft Muslim hem overgeleverd in Kitāb at-Tawḥīd, an-Nasāʾī in Kitāb at-Tafsīr en Kitāb ar-Raqāʾiq, en Ibn Mājah in Kitāb as-Sunnah.

Uitleg van de 352ste ḥadīth

De uitleg van deze ḥadīth is overgenomen uit de Sharḥ van al-Qastallānī, Kitāb al-Maẓālim (deel 4, p. 354) en Kitāb at-Tafsīr, tafsīr van sūrah Hūd (deel 7, p. 181).

De uitspraak dat de mu’min zijn Rab nadert en dat Allāh Zijn bedekking over hem omhult, wordt hier in figuurlijke/ overdrachtelijke zin (majāzī) opgevat. Wat hiermee bedoeld wordt, is dat Allāhu (تعالى) zijn fouten bedekt en hem met Zijn genade omhult, dat wil zeggen, Hij verbergt zijn zonden zodat de aanwezigen op de Yawm al-Qiyāmah ze niet zien. Allāhu (تعالى) zegt hem dat Hij hem in de wereld al bedekt heeft en hem daar ook vergeeft.

Uit deze ḥadīth blijkt dat de bedekking van Allāh op de Yawm al-Qiyāmah vooral geldt voor degenen die hun zonden in de wereld verborgen hielden en de bedekking van Allāh als een gunst accepteerden. Maar degene die zijn zonden openlijk beging of ze publiek maakte, zal op die Dag niet waardig zijn voor deze bedekking van Allāh.

O Allāh, wij vragen U om, met Uw genade (fadl) en vrijgevigheid (karam), onze zonden te bedekken in deze wereld en in het Hiernamaals. Āmīn, yā Karīm.

De hadīth: “De dienaar ontmoet zijn Rab en Allāh vraagt: O die-en-die, heb Ik jou geen gunsten gegeven…”

Overgeleverd door Imām Muslim in zijn Ṣaḥīḥ, in Kitāb az-Zuhd, deel 10, pagina 342, in de marginale aantekening van al-Qasṭallānī.

353. Van Muḥammad ibn Abī ʿUmar, van Sufyān, van Suhayl ibn Abī Ṣāliḥ, van zijn vader, dat Abū Hurayrah (رضي الله عنه), hij zei: “De metgezellen vroegen: O Rasūlullāh, zullen wij onze Rab zien op de Yawm al-Qiyāmah?Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Hebben jullie moeite om de zon midden op de dag te zien wanneer er geen wolken zijn?’Zij zeiden: ‘Nee.’Hij zei: ‘Hebben jullie moeite om de maan in de veertiende nacht te zien wanneer er geen wolken zijn?’Zij zeiden: ‘Nee.’Daarop zei hij: ‘Bij Degene in Wiens hand mijn ziel is, zoals jullie geen moeite hebben om deze twee te zien, zo zullen jullie ook geen moeite hebben om jullie Rab te zien.’De dienaar zal zijn Rab ontmoeten. Zijn Rab zal zeggen: ‘O die-en-die, heb Ik jou geen gunsten gegeven? Heb Ik jou geen positie onder de mensen gegeven? Heb Ik jou geen huwelijk gegeven? Heb Ik jou geen paarden en kamelen gegeven? Heb Ik jou niet tot leider over anderen gemaakt? Heb jij door deze positie niet bezit en gehoorzaamheid verkregen?’De dienaar zal zeggen: ‘Ja.’Dan zal Allāh zeggen: ‘Dacht jij dat je Mij zou ontmoeten en voor Mij zou worden gebracht?’Daarna zal Allāhu (تعالى) zeggen: ‘Zoals jij Mij vergeten bent, zo vergeet Ik jou vandaag.’Dan wordt de tweede persoon voor Allāhu (تعالى) gebracht. Allāh zal ook tegen hem zeggen: “O die-en-die, heb Ik jou geen gunsten gegeven? Heb Ik jou niet tot een leider onder de mensen gemaakt? Heb Ik jou geen huwelijk geschonken? Heb Ik jou geen paarden en kamelen gegeven? Heb Ik jou niet tot gezagdrager over anderen gemaakt? Heb jij door deze positie niet bezit en gehoorzaamheid verkregen?”De dienaar zal zeggen: “Ja, o mijn Rab.”Dan zal zijn Rab zeggen: “Dacht jij dat je Mij zou ontmoeten en voor Mij zou worden gebracht?”Hij zal zeggen: “Nee.”Dan zal Allāhu (تعالى) zeggen: “Zoals jij Mij bent vergeten, zo vergeet Ik jou vandaag.”Daarna wordt de derde persoon voor Allāhu (تعالى) gebracht.

Hij zal zeggen: “O mijn Rab, ik heb in U geloofd, in Uw Boek en in Uw anbiyā, ik heb ṣalāh verricht, gevast en sadaqah (zakāh) gegeven,” en hij zal met al zijn vermogen proberen zijn goede daden op te sommen.Daarop zal Allāh (تعالى) zeggen: “Wacht jij!”Vervolgens wordt tegen hem gezegd: ‘Wij sturen onze getuige over jou uit.”De man zal in zichzelf zeggen: “Wie zal tegen mij getuigen?”Op dat moment wordt zijn mond verzegeld. Aan zijn dij, zijn spieren en zijn botten wordt gezegd: “Spreek.” En zijn dij, spieren en botten zullen spreken over wat hij heeft gedaan.Zij zullen zeggen: “Wij zeggen dit zodat hij geen excuus voor zichzelf kan vinden. Dit is een munāfiq. Dit is iemand op wie Allāh Zijn toorn heeft laten neerdalen.”

Deze ḥadīth is ook door Muslim overgeleverd van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):

354. Van Abū Bakr ibn an-Naḍr ibn Abī an-Naḍr, van Abū an-Naḍr Hāshim ibn Abī al-Qāsim, van ʿUbaydullāh al-Ashjaʿī, van Sufyān ath-Thawrī, van ʿUbayd al-Muktab, van Faḍayl, van ash-Shaʿbī, dat Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) zei: “Wij waren bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) toen hij plots begon te lachen. Hij zei: ‘Weet jullie waarom ik lach?’Wij zeiden: ‘Allāh en Zijn Rasûl weten het het beste.’Hij zei: ‘Vanwege het gesprek van de dienaar met zijn Rab (عز وجل) De dienaar zal zeggen: “O mijn Rab, hebt U mij niet beschermd tegen onrecht?”Allāhu (تعالى) zal zeggen: “Ja.”De dienaar zal zeggen: “Vandaag neem ik geen andere getuige tegen mezelf dan mezelf.”Allāhu (تعالى) zal zeggen: Vandaag zijn je eigen zelf en de eerwaardige engelen die je daden registreren voldoende als getuigenis.Daarop zal de mond van de dienaar verzegeld worden.

Aan zijn ledematen wordt gezegd: “Spreek.” En zijn ledematen zullen spreken over zijn daden.Daarna zal hem de mogelijkheid worden gegeven om zelf met zijn ledematen te spreken. Dan zal hij tegen zijn ledematen zeggen: “Wee jullie, jullie ellende! Ik verdedigde jullie en probeerde jullie te beschermen.”

Deze ḥadīth is door at-Tirmidhī ook in zijn Jāmiʿ overgeleverd van Abū Hurayrah en Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنهما). Zijn versie is echter korter dan de twee overleveringen die hier bij Muslim zijn vermeld. De versie van at-Tirmidhī luidt:

355. Van Abū Hurayrah en Abū Saʿīd (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op de Yawm al-Qiyāmah wordt de dienaar gebracht. Allāhu (تعالى) zal tegen hem zeggen: ‘Heb Ik jou niet ogen en oren gegeven? Heb Ik jou geen rijkdom en kinderen gegeven? Heb Ik jouw dieren en akkers niet tot jouw dienst gesteld? Heb Ik jou niet tot een leider over anderen gemaakt, zodat mensen jou gehoorzaamden en jij bezit kon verzamelen? Heb jij er ooit aan gedacht dat jij op deze Dag voor Mij zou worden gebracht en rekenschap zou moeten afleggen?’De dienaar zal zeggen: ‘Nee.’Dan zal Allāh zeggen: ‘Zoals jij Mij bent vergeten, zo vergeet Ik jou vandaag.”at-Tirmidhī zegt over deze ḥadīth dat deze ṣaḥīḥ en gharīb is.

Uitleg van de aḥadīth 353–355

De uitspraak “zoals jij Mij bent vergeten, zo vergeet Ik jou vandaag” betekent: Zoals jij in het wereldse leven naliet Allāh te gehoorzamen, zo word je vandaag verstoken van Zijn genade en barmhartigheid. Wie Allāh niet gehoorzaamt, zal op die Dag ver verwijderd zijn van Zijn raḥmah en ontferming.

De betekenis van de uitspraak dat Allāhu (تعالى) tegen de hypocriet zegt: “Wacht jij” terwijl hij zegt dat hij geloofde, in het Boek en de anbiyā geloofde en ṣalāh verrichtte, is dat hij in werkelijkheid liegt en denkt dat zijn leugen hem zal redden.

Voor deze hypocrieten (munāfiqs) zegt Allāhu (تعالى) in Zijn Edele Qurʾān:يَوۡمَ يَبۡعَثُهُمُ ٱللَّهُ جَمِيعٗا فَيَحۡلِفُونَ لَهُۥ كَمَا يَحۡلِفُونَ لَكُمۡ وَيَحۡسَبُونَ أَنَّهُمۡ عَلَىٰ شَيۡءٍۚ أَلَآ إِنَّهُمۡ هُمُ ٱلۡكَٰذِبُونَ ١٨Op de Dag waarop Allāh hen allen zal doen herrijzen, zullen zij tot Hem zweren zoals zij tot jullie zweren. En zij denken dat zij iets hebben (dat hen baat). Waarlijk, zij zijn leugenaars. (Mujādilah, 58:18)

Over zulke hypocrieten zal Allāhu (تعالى) zeggen: “Wacht jij”, dat wil zeggen: wacht totdat jouw eigen ledematen getuigen over jouw ongeloof (kufr) en over wat jij werkelijk was.

Wanneer Allāhu (تعالى) zegt: “Wij roepen nu onze getuigen tegen jou,” dan zal die persoon zich afvragen: “Wie zal tegen mij getuigen?” omdat hij niet wist dat zijn eigen ledematen tegen hem zouden getuigen.

Daarna wordt zijn mond verzegeld en beginnen zijn ledematen te spreken. Zoals Allāhu (تعالى) in de Qurʾān zegt: ٱلۡيَوۡمَ نَخۡتِمُ عَلَىٰٓ أَفۡوَٰهِهِمۡ وَتُكَلِّمُنَآ أَيۡدِيهِمۡ وَتَشۡهَدُ أَرۡجُلُهُم بِمَا كَانُواْ يَكۡسِبُونَ ٦٥Deze Dag zullen Wij hun monden verzegelen en hun handen zullen tot Ons spreken, en hun benen zullen getuigen over wat zij plachten te verrichten. (Yā-Sīn, 36:65)

Dan zal de persoon tegen zijn ledematen zeggen: “Ik verdedigde jullie, ik probeerde jullie te beschermen.” Dat wil zeggen: ik probeerde jullie te redden door ontkenning, hoe kunnen jullie nu tegen mij getuigen? Maar juist zij zullen het zijn die de straf dragen. Toch is het Allāh die alles laat spreken, en Hij is tot alles in staat.

O, Allah, wij vragen U om onze fouten te bedekken, onze zonden te vergeven en ons met Uw genade en Uw goedheid Jannah binnen te laten. Āmīn.

De hadīth: “Op de Yawm al-Qiyāmah wordt de zoon van Ādam voorgeleid en voor Allāhu (تعالى) geplaatst…”

Deze ḥadīth is door at-Tirmidhī in zijn Jāmiʿ vermeld in deel 2, p. 69, in het hoofdstuk “Overleveringen betreffende de Ḥashr (de Opstanding)”:

356. Van Anas (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op de Yawm al-Qiyāmah wordt de zoon van Ādam voorgeleid, alsof hij een lam is. Hij wordt voor Allāhu (تعالى) geplaatst. Allāh zal tegen hem zeggen: ‘Ik heb het jou gegeven, Ik heb jou gunsten geschonken en jou gezegend; wat heb jij met (al deze gunsten) gedaan?’De dienaar zal zeggen: ‘O mijn Rab, ik heb ze verzameld, vermeerderd en wat ik ervan verkreeg heb ik achtergelaten voor degenen na mij. Laat mij terugkeren zodat ik het naar U kan brengen.’Als deze dienaar niets van zijn goede daden heeft vooruitgestuurd, zal hij in Jahannam worden geworpen.”at-Tirmidhī (رحمه الله) zegt over deze ḥadīth: “Deze ḥadīth is door meerdere overleveraars overgeleverd van al-Ḥasan, maar zij hebben het niet aan hem toegeschreven. Eén van de overleveraars van al-Ḥasan is Ismāʿīl ibn Muslim, en vanwege zijn zwakke geheugen wordt deze ḥadīth als ḍaʿīf beschouwd.

Uitleg van de 356ste ḥadīth:

Deze ḥadīth laat zien dat wanneer een dienaar niets van zijn daden vooruitstuurt voor het Hiernamaals, alles wat hij in de wereld heeft verzameld geen waarde heeft bij Allāh. Zoals Allāhu (تعالى) zegt:إِنَّآ أَنذَرۡنَٰكُمۡ عَذَابٗا قَرِيبٗا يَوۡمَ يَنظُرُ ٱلۡمَرۡءُ مَا قَدَّمَتۡ يَدَاهُ وَيَقُولُ ٱلۡكَافِرُ يَٰلَيۡتَنِي كُنتُ تُرَٰبَۢا ٤٠Waarlijk, Wij hebben jullie gewaarschuwd voor een naderende bestraffing op de Dag dat de mens zal zien wat zijn handen voeger bedreven (goed en slecht). En de ongelovige zal zeggen: “Wee mij! Was ik maar tot aarde.” (Nabaʾ, 78:40)

De verstandige persoon behoort er niet trots op te zijn dat hij veel bezit heeft verzameld. Echte rust vindt men alleen in wat men uitgeeft op weg van het goede, zodat men geen spijt krijgt op de Dag waarop spijt geen nut meer heeft. Allāhu (تعالى) zegt:حَتَّىٰٓ إِذَا جَآءَ أَحَدَهُمُ ٱلۡمَوۡتُ قَالَ رَبِّ ٱرۡجِعُونِ ٩٩Maar wanneer de dood tot één van hen komt, zegt hij: “Mijn Heer! Stuur mij terug,لَعَلِّيٓ أَعۡمَلُ صَٰلِحٗا فِيمَا تَرَكۡتُۚ كـَلَّآۚ إِنَّهَا كَلِمَةٌ هُوَ قَآئِلُهَاۖ وَمِن وَرَآئِهِم بَرۡزَخٌ إِلَىٰ يَوۡمِ يُبۡعَثُونَ ١٠٠Zodat ik goed kan doen in datgene wat ik heb achtergelaten!” Nee! Het is slechts een woord dat hij spreekt, en achter hem een scheiding tot de Dag dat zij zullen herrijzen. (Muʾminūn (23:99–100)

O, Allah, maak ons succesvol in het verrichten van goede zaken voor het Hiernamaals. Āmīn.

De hadīth: “Iemand die (zo bezig wordt gehouden door) de Qur’ān en het gedenken van Mij (dhikr), dat hij daardoor niet toekomt aan (het verrichten van duʿā’) aan Mij...”

Deze ḥadīth is door at-Tirmidhī (رحمه الله) in zijn Jāmiʿ overgeleverd, deel 2, p. 152, in de hoofdstukken van Kitāb at-Tafsīr:

357. Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Rabbu عز وجل zegt: ‘Degene die door de Qurʾān en Mijn dhikr wordt afgeleid van het vragen aan Mij, zal Ik hem beter geven dan wat Ik aan de vragenden geef.’En de voortreffelijkheid van de Woorden van Allāh boven andere woorden is zoals de verhevenheid/ voortreffelijkheid van Allāh boven Zijn schepping.” at-Tirmidhī schrijft over deze ḥadīth dat deze ḥasan en gharīb is.

De hadīth: “Het ondervragen van Nūḥ (عليه السلام): heb jij de boodschap (van Allāh) overgebracht?”

Deze ḥadīth is door al-Bukhārī (رحمه الله) overgeleverd, deel 4, p. 134 (volgens al-Qastallānī deel 5, p. 338), in Kitāb al-Anbiyāʾ, in het hoofdstuk over de āyah:إِنَّآ أَرۡسَلۡنَا نُوحًا إِلَىٰ قَوۡمِهِۦٓ أَنۡ أَنذِرۡ قَوۡمَكَ مِن قَبۡلِ أَن يَأۡتِيَهُمۡ عَذَابٌ أَلِيمٞ ١Waarlijk, Wij hebben Noah tot zijn volk gestuurd (zeggende): “Waarschuw jouw volk voordat er een pijnlijke bestraffing tot hen komt.” (Nūḥ 71:1)

358. Van Mūsā ibn Ismāʿīl, van ʿAbd al-Wāḥid ibn Ziyād, van al-Aʿmash, van Abū Ṣāliḥ, van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Nūḥ en zijn gemeenschap (ummah) zullen komen. Allāhu (تعالى) zal tegen Nūḥ zeggen: ‘Heb jij de boodschap (van Allāh) overgebracht?’Nūḥ (عليه السلام) zal zeggen: ‘Ja, o mijn Rab.’Dan zal aan zijn gemeenschap worden gevraagd: ‘Heeft hij jullie de boodschap overgebracht?’Zij zullen zeggen: ‘Nee, er is geen Nabī tot ons gekomen.’Dan zal aan Nūḥ worden gevraagd: ‘Wie zal voor jou getuigen?’Hij zal zeggen: ‘Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) en zijn ummah.’En wij zullen getuigen dat hij de boodschap heeft overgebracht. Dit is wat Allāhu (تعالى) bedoelt in Zijn uitspraak:وَكَذَٰلِكَ جَعَلۡنَٰكُمۡ أُمَّةٗ وَسَطٗا لِّتَكُونُواْ شُهَدَآءَ عَلَى ٱلنَّاسِ وَيَكُونَ ٱلرَّسُولُ عَلَيۡكُمۡ شَهِيدٗاۗ Dus hebben Wij van jullie een rechtvaardig volk gemaakt (de oemmah van Mohammed), opdat jullie getuigen zullen zijn voor de mensheid en opdat de Boodschapper (Mohammed) een getuige zal zijn voor jullie… (Baqarah, 2:143)

Deze ḥadīth is door al-Bukhārī ( رَحِمَهُ اللهُ) op dezelfde wijze overgeleverd, in deel 6, blz. 31, in het hoofdstuk van Kitābu’t-Tafsīr, in de bab over de tafsīr van Sūrat al-Baqarah, met een tekst die dicht bij deze overlevering ligt.

459. Ook at-Tirmidhī heeft deze van Abū Sa‘īd al-Khudrī (رضي الله عنه) overgeleverd, waarvan de tekst vrijwel gelijkluidend is aan deze overlevering. Daarin is echter het volgende verschil:

Het volk van Nūḥ (عليه السلام) zegt: “Er is geen waarschuwer tot ons gekomen, er is niemand tot ons gekomen.” En tot Nūḥ (عليه السلام) wordt gezegd: “Wie zijn jouw getuigen?”… en de ḥadīth gaat verder op dezelfde manier als hierboven. At-Tirmidhī schrijft dat deze ḥadīth ḥasan en ṣaḥīḥ is.

Deze ḥadīth is ook door Ibn Mājah overgeleverd in deel 2, blz. 297, in de bab met de titel “De eigenschap van de ummah van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم)”.

360. Van Abū Sa‘īd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een Nabī komt met één of twee personen aan zijn zijde als getuigen, en een Nabī komt ook met drie of minder of meer personen aan zijn zijde.

Tegen hem wordt gezegd: ‘Heb jij aan jouw volk de boodschap (van Allāh) overgebracht?’ Hij zegt: ‘Ja.’ Zijn volk wordt geroepen en hen wordt gevraagd: ‘Heeft hij de boodschap aan jullie overgebracht?’ Zij zeggen: ‘Nee.’ Tegen an-Nabī wordt gezegd: ‘Wie is jouw getuige?’ Hij zegt: ‘Muḥammad en zijn ummah.’ Muḥammad en zijn ummah worden geroepen en er wordt gevraagd: ‘Heeft deze Nabī de boodschap overgebracht?’ Zij zeggen: ‘Ja.’ Er wordt hen gevraagd: ‘Waar weten jullie dat van?’ Zij zeggen: ‘Onze Nabī heeft ons verteld dat de vorige anbiyā hun boodschap aan hun volk hebben overgebracht, en wij hebben hem daarin geloofd.’Daarna zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Dit is wat Allāhu (تعالى) vermeldt in Zijn woord: (zie hierboven surah al-Baqarah, (2:143)”: Dus hebben Wij van jullie een rechtvaardig volk gemaakt (de oemmah van Mohammed), opdat jullie getuigen zullen zijn voor de mensheid en opdat de Boodschapper (Mohammed) een getuige zal zijn voor jullie…

Uitleg van de aḥadīth 358–360

De vraag “Heb jij de boodschap (van Allāh) overgebracht?” is niet alleen specifiek voor Nūḥ (عليه السلام). Alle anbiyā (عليهم السلام) zullen met deze vraag geconfronteerd worden over hun volkeren. Hun volkeren zullen ontkennen, en dan zal gevraagd worden om getuigen. Onze Nabī (صلى الله عليه وسلم) zal de getuigenis van zijn ummah vragen.

De ummah van onze Nabī (صلى الله عليه وسلم) zal getuigen, en an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zal hun getuigenis bevestigen. In de Qur’ān wordt gezegd: “an-Nabī zal getuige over jullie zijn.” (zie hierboven surah al-Baqarah, (2:143), dat wil zeggen: hij bevestigt de waarheid van jullie getuigenis en verklaart dat zijn ummah rechtvaardige getuigen is.

O Allāh, laat ons omgaan met de ummah van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) zoals U het beste omgaat met de ummah van elk ander Nabī, en moge U hem voor ons tot bemiddelaar maken. Āmīn. Al-ḥamdu lillāhi Rab al-‘ālamīn.

38. De Jannah is verboden gemaakt voor de kāfirs, en zelfs hun nabijheid/familiebanden zal hen niet baten.

De ḥadīth: Ibrāhīm (عليه السلام) ontmoet (zijn vader) Āzar op de Yawmu’l Qiyamah

Deze ḥadīth is door al-Bukhārī ( رَحِمَهُ اللهُ) overgeleverd in deel 4, blz. 139, in Kitābu Bad’i’l-Khalq, in de bab over het vers, zoals vermeld in de āyah:وَٱتَّخَذَ ٱللَّهُ إِبۡرَٰهِيمَ خَلِيلٗا En Allāh heeft Ibrahim als boezemvriend genomen. (Nisāʾ, 4:125)

361. Van Ismā‘īl ibn ‘Abdullāh, van zijn broer ‘Abd al-Ḥamīd, van Ibn Abī Dhi’b, van Sa‘īd al-Maqburī, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Ibrāhīm (عليه السلام) zal op de Yawmu’l Qiyamah zijn vader Āzar ontmoeten. Op het gezicht van Āzar zal zwartheid en stof te zien zijn. Ibrāhīm zegt tegen hem: ‘Heb ik jou niet gezegd dat je mij niet moest tegenspreken?’ Zijn vader zegt: ‘Vandaag zal ik jou niet tegenspreken.’Ibrāhīm (عليه السلام) zegt: “O mijn Rab, U hebt mij beloofd dat U mij niet zou beschamen op de dag waarop de mensen worden opgewekt. Wat kan er beschamender zijn dan een vader die zeer ver van de barmhartigheid is verwijderd?”Allāhu (تعالى) zegt: ‘Ik heb Jannah verboden (harâm) gemaakt voor de kāfirs.’Daarna wordt gezegd: ‘O Ibrāhīm, wat is er onder jouw voeten?’ Hij kijkt en ziet plots een hyena bedekt met bloed. Deze hyena wordt bij zijn poten gegrepen en in Jahannam geworpen.”Deze ḥadīth is door al-Bukhārī eveneens op dezelfde wijze overgeleverd, in deel 6, blz. 141, en volgens al-Qasṭallānī in deel 7, blz. 378, in Kitābu’t-Tafsīr, in het gedeelte over de tafsīr van Sūrat ash-Shu‘arā’, in een kortere versie.

Uitleg van de 361ste ḥadīth

In de woorden van Ibrāhīm (عليه السلام): “Heb ik jou niet gezegd dat je mij niet moest tegenspreken?” zit een verwijzing naar het volgende vers waarin Ibrāhīm (عليه السلام) tegen zijn vader Āzar zei:يَٰٓأَبَتِ إِنِّي قَدۡ جَآءَنِي مِنَ ٱلۡعِلۡمِ مَا لَمۡ يَأۡتِكَ فَٱتَّبِعۡنِيٓ أَهۡدِكَ صِرَٰطٗا سَوِيّٗا ٤٣O mijn vader! Waarlijk! Er is tot mij kennis gekomen die niet tot jou is gekomen. Volg mij dus. Ik zal je op het Rechte Pad leiden.

يَٰٓأَبَتِ لَا تَعۡبُدِ ٱلشَّيۡطَٰنَۖ إِنَّ ٱلشَّيۡطَٰنَ كَانَ لِلرَّحۡمَٰنِ عَصِيّٗا ٤٤O mijn vader! Aanbidt Sheitan niet. Waarlijk! Sheitan is opstandig tegen de Barmhartige. (Maryam, 19:43–44)

Zijn vader zegt op die dag: “Vandaag zal ik jou niet tegenspreken.” Ibrāhīm (عليه السلام) zegt daarop: “O mijn Rab, U hebt mij beloofd dat U mij niet zou beschamen op de dag waarop de mensen worden opgewekt.” Dit is een vorm van du‘ā’, waarin hij hoopt op de vervulling van de belofte van zijn Rab, zonder dat er sprake is van ongehoorzaamheid.

“Wat kan er beschamender zijn dan een vader die zeer ver van de barmhartigheid is verwijderd?” Hiermee wordt bedoeld dat een zondaar ver van de genade staat, en een kāfir volledig verwijderd en beroofd is van Allāhs genade. Allāhu (تعالى) zegt in de āyah: وَلَا تُفۡسِدُواْ فِي ٱلۡأَرۡضِ بَعۡدَ إِصۡلَٰحِهَا وَٱدۡعُوهُ خَوۡفٗا وَطَمَعًاۚ إِنَّ رَحۡمَتَ ٱللَّهِ قَرِيبٞ مِّنَ ٱلۡمُحۡسِنِينَ ٥٦En sticht geen onheil op aarde, nadat het geordend is en roep Hem met angst en hoop aan. Zeker, Allāh’s genade is dichtbij (en binnen handbereik van) de weldoeners (die hun best doen in het zuiveren van hun intenties en daden). (Aʿrāf, 7:56)

Allāhu (تعالى) antwoordt Ibrāhīm (عليه السلام): “Ik heb Jannah verboden gemaakt voor de kāfirs.” Dat wil zeggen: jouw vader is een kāfir, en Jannah is voor hem verboden.

“Daarna wordt gezegd: “O Ibrāhīm, wat is er onder jouw voeten?” Dit wordt zo gevraagd om zijn aandacht van Āzar af te leiden en hem naar een andere richting te wenden.

In de overlevering van Ibn al-Mundhir wordt gezegd: Toen hij zijn vader in die toestand zag (namelijk dat hij onder zijn voeten keek en een hyena zag, bedekt met bloed…), verbrak hij toen de band met hem en zei: “Jij bent mijn vader niet.”

De reden dat hij werd veranderd in een hyena en niet in een ander dier is volgens de uitleg dat de hyena tot de meest dwaze dieren behoort. Door zijn dwaasheid blijft hij onoplettend op momenten waarop men juist waakzaam zou moeten zijn. Zo werd Āzar, omdat hij de vermaning van iemand die hem het meest genadig was niet accepteerde, met dit dier vergeleken.

Deze ḥadīth laat zien dat wanneer de vader een kāfir is, de voortreffelijkheid van de zoon geen enkel voordeel voor de vader oplevert. Hetzelfde geldt omgekeerd, zoals in het geval van de zoon van Nūḥ (عليه السلام). (Qasṭallānī, Sharḥ, deel 5, blz. 343)

De ḥadīth “Tegen degene met de lichtste bestraffing in Jahannam wordt gezegd…”: deze ḥadīth is door al-Bukhārī ( رَحِمَهُ اللهُ) overgeleverd in deel 4, blz. 134, en volgens de uitleg van al-Qasṭallānī in deel 5, blz. 324 en verder, in Kitābu Bad’i’l-Khalq, in de bab “De schepping van Ādam (عليه السلام)”:

362.

Van Qays ibn Ḥafṣ heeft, van Khālid ibn al-Ḥārith, van Shu‘bah, van Abū ‘Imrān al-Jawnī, van Anas (رضي الله عنه) als marfū‘: “Allāhu (تعالى) zal tegen degene met de lichtste bestraffing in Jahannam zeggen: ‘Als alles op aarde van jou zou zijn, zou je het dan afstaan om van deze bestraffing gered te worden?’ Hij zegt: ‘Ja.’ Dan zegt Allāhu (تعالى): ‘Terwijl jij als nakomeling van Ādam werd geschapen, heb Ik van jou iets nog eenvoudigers gevraagd: dat je Mij niets als deelgenoot zou toekennen (shirk), maar jij hebt geweigerd dit te aanvaarden.’

Deze ḥadīth is ook door al-Bukhārī ( رَحِمَهُ اللهُ) overgeleverd, volgens al-Qasṭallānī in deel 9, blz. 321, in Kitābu’r-Riqāq, in de bab “De eigenschappen van Jannah en Jahannam”, met de volgende tekst:

363. Van Muḥammad ibn Bashshār, van Ghunḍar, van Shu‘bah, van Abū ‘Imrān, namelijk al-Jawnī, dat hij zei: Ik hoorde Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) de volgende ḥadīth van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Allāhu (تعالى) zal tegen degene met de lichtste bestraffing in Jahannam op de Yawmu’l Qiyamah zeggen: ‘Als alles op aarde van jou zou zijn, zou je het dan afstaan?’ Hij zegt: ‘Ja.’ Dan zegt Allāhu (تعالى): “Terwijl jij uit de lendenen van Ādam kwam, heb Ik van jou iets nog eenvoudigers gevraagd: dat je naast Mij niets als deelgenoot zou toekennen, maar je hebt afgezien van de verantwoordelijkheid om iemand naast Mij als deelgenoot te erkennen (shirk).”

Deze ḥadīth is door Imām Muslim ( رَحِمَهُ اللهُ) overgeleverd, volgens de Marginale aantekening van al-Qasṭallānī, deel 10, blz. 264, in de bab over de kaffārāt:

364.

Van ‘Ubaydullāh ibn Mu‘ādh al-‘Anbarī, van zijn vader, van Shu‘bah, van Abū ‘Imrān al-Jawnī, van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh zal tegen degene van de bewoners van Jahannam die de lichtste bestraffing ontvangt zeggen: ‘Als de wereld en alles wat daarin is van jou zou zijn, zou jij het dan als boetedoening (kaffârah) geven?’ De man zegt: ‘Ja.’Dan zegt Allāhu (تعالى): “Toen jij nog in de lendenen van Ādam was, vroeg Ik van jou iets dat nog geringer was dan dit: dat jij naast Mij niets als deelgenoot zou toekennen.”De overleveraar zei: “Ik denk dat hier ook werd gezegd: ‘Als jij dat had aanvaard, zou Ik jou niet in Jahannam hebben geworpen. Maar jij weigerde iets anders te accepteren dan shirk en je overtrad Mijn andere verboden.”

365. Muslim heeft via een andere keten van overleveraars van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Tegen de kāfir zal op de Yawmu’l Qiyamah gezegd worden: ‘Wat denk jij? Als jij de hele aarde vol goud zou bezitten, zou jij het allemaal afstaan als boetedoening (kaffarah)?’Hij zegt: ‘Ja.’Dan wordt tegen hem gezegd: ‘Er werd van jou in het wereldse leven iets gevraagd dat veel geringer was dan dit.’

366. In een andere overlevering van Muslim wordt gezegd: “Daarop zal tegen hem gezegd worden: “Jij liegt.

Er werd van jou iets gevraagd dat geringer was dan dit.”

Uitleg van de aḥadīth 362–366

Dat Allāhu (تعالى) hier zegt: “Ik vroeg van jou”, betekent: “Ik beval jou” en “Ik verlangde van jou”.

Volgens de madhhab van Ahlu’l Haq gebeurt alles wat Allāhu (تعالى) wil onvermijdelijk. Daarom wordt het woord “irādah” hier opgevat in de betekenis van bevel en opdracht.

Volgens Ahlu’l Haq mathhab is de wil (irādah) van Allāhu (تعالى) alles wat zich in het universum voordoet, zowel het goede als het slechte. Zowel īmān als kufr vinden plaats met Zijn wil. Zoals Allāhu (تعالى) de īmān van de mu’min wil, zo wil Hij ook de kufr van de kāfir.

De Mu‘tazilah zeggen dit echter niet. Volgens hen heeft Allāhu (تعالى) de īmān van de kāfir gewild, maar niet diens kufr. Allāhu (تعالى) is Verheven boven hun onjuiste uitspraken. Hun bewering impliceert onmacht ten aanzien van Allāhu (تعالى), en betekent tevens dat gebeurtenissen binnen het koninkrijk van Allāhu (تعالى) kunnen plaatsvinden zonder Zijn wil. Dit is een verkeerde overtuiging.

Over de interpretatie van deze ḥadīth werd eerder reeds voldoende uitleg gegeven. De uiterlijke betekenis van de uitspraak: “Jij liegt” is als volgt: Tegen de persoon wordt gezegd:“Als jij zou worden teruggestuurd naar het wereldse leven en de gehele wereld van jou zou zijn, zou jij die dan afstaan?”Wanneer hij antwoordt: “Ja,”dan wordt tegen hem gezegd: “Nee, jij liegt. Want toen er van jou iets veel geringers werd gevraagd, weigerde jij het.”Over dit onderwerp zegt Allāhu (تعالى) in de Qur’ān:

بَلۡ بَدَا لَهُم مَّا كَانُواْ يُخۡفُونَ مِن قَبۡلُۖ وَلَوۡ رُدُّواْ لَعَادُواْ لِمَا نُهُواْ عَنۡهُ وَإِنَّهُمۡ لَكَٰذِبُونَ ٢٨Nee, het is hen duidelijk geworden wat zij hiervoor verborgen hebben. Maar als zij zouden terugkeren, dan zouden zij zeker terugkeren naar datgene wat hen verboden was. En zij zijn waarlijk leugenaars. (Anʿām, 6:28)

In een andere āyah zegt Allāhu (تعالى):لِلَّذِينَ ٱسۡتَجَابُواْ لِرَبِّهِمُ ٱلۡحُسۡنَىٰۚ وَٱلَّذِينَ لَمۡ يَسۡتَجِيبُواْ لَهُۥ لَوۡ أَنَّ لَهُم مَّا فِي ٱلۡأَرۡضِ جَمِيعٗا وَمِثۡلَهُۥ مَعَهُۥ لَٱفۡتَدَوۡاْ بِهِۦٓۚ أُوْلَٰٓئِكَ لَهُمۡ سُوٓءُ ٱلۡحِسَابِ وَمَأۡوَىٰهُمۡ جَهَنَّمُۖ وَبِئۡسَ ٱلۡمِهَادُ ١٨Voor degenen die de Roep van hun Heer beantwoorden is er de Jannah. Maar voor degenen die Zijn Roep niet beantwoorden, al zouden zij alles hebben wat op aarde bestaat en nog eens zoveel daarbij, zij zouden zich daarmee willen vrijkopen. Voor hen zal er een verschrikkelijke afrekening volgen. Hun verblijfplaats zal de Jahannam zijn – en dat is zeker een slechte rustplaats.

(Raʿd, 13:18)En in een andere āyah: وَلَوۡ أَنَّ لِلَّذِينَ ظَلَمُواْ مَا فِي ٱلۡأَرۡضِ جَمِيعٗا وَمِثۡلَهُۥ مَعَهُۥ لَٱفۡتَدَوۡاْ بِهِۦ مِن سُوٓءِ ٱلۡعَذَابِ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِۚ وَبَدَا لَهُم مِّنَ ٱللَّهِ مَا لَمۡ يَكُونُواْ يَحۡتَسِبُونَ ٤٧Als aan degenen die zondigden alles zou toebehoren wat op aarde is, en nog eens zoveel erbij, dan zouden zij een losprijs op de Dag des Oordeels aanbieden om henzelf van de kwade bestraffing te bevrijden. En er zullen voor hen (bestraffingen) van Allāh verschijnen, waar zij nooit rekening mee gehouden hebben. (Zumar, 39:47)

De betekenis van deze āyāt wordt als volgt samengebracht: Wanneer zij op de Yawmu’l Qiyamah de bestraffing met eigen ogen zien, dan zouden zij, als zij over zulke bezittingen beschikten, alles als losprijs geven om eraan te ontsnappen.

Maar als zij zouden worden teruggestuurd naar het wereldse leven, en zelfs als de gehele wereld hun bezit zou zijn, en van hen gevraagd werd een gehoorzaam leven te leiden, dan zouden zij opnieuw terugkeren naar hun vroegere toestand, de shayṭān volgen en hun belofte vergeten.

In deze ḥadīth zit het bewijs dat het toegestaan is om over Allāhu (تعالى) te zeggen: “Allāh zegt”. Sommige salaf-geleerden vonden het niet gepast om op die manier over Allāhu (تعالى) te spreken. Zij vonden dat men de verleden tijd moest gebruiken en dus moest zeggen: “Allāh zei”. Dat deze opvatting niet juist is, en dat het toegestaan is om te zeggen: “Allāh zegt”, werd eerder al uitvoerig uitgelegd. De meerderheid van de salaf-geleerden en ook het merendeel van de khalaf-geleerden zijn van mening dat dit toegestaan is.Ook in de Qur’ān al-Karīm wordt deze uitdrukking gebruikt. Allāhu (تعالى) zegt:وَٱللَّهُ يَقُولُ ٱلۡحَقَّ وَهُوَ يَهۡدِي ٱلسَّبِيلَ…Maar Allāh spreekt de Waarheid en Hij leidt naar de (juiste) Weg. (Aḥzāb, 33:4)

In de Ṣaḥīḥ van al-Bukhārī en Muslim bevinden zich eveneens vele aḥādīth die aantonen dat dit toegestaan is. (Uit de Sharḥ van Ṣaḥīḥ Muslim van an-Nawawī)

39. De discussie tussen Jannah en Jahannam, de klacht van Jahannam

De ḥadīth “De Jannah en Jahannam discussiëren met elkaar…”Deze ḥadīth is door al-Bukhārī ( رَحِمَهُ اللهُ) overgeleverd in deel 6, blz. 138, in Kitābu’t-Tafsīr, in het gedeelte over de tafsīr van Sūrat Qāf.

367. Van ‘Abdullāh ibn Muḥammad, van ‘Abd ar-Razzāq, van Ma‘mar, van Hammām, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De Jannah en Jahannam discussiëren met elkaar.De Jahannam zegt: ‘Aan mij werden de hoogmoedigen en de tirannen gegeven.’De Jannah zegt: ‘Waarom is het dat juist de zwakken en behoeftigen van de mensen steeds naar mij komen?’Daarop zegt Allāhu تَبَارَكَ وَتَعَالَى tegen Jannah: “Jij bent Mijn genade (rahmah). Met jou toon Ik genade aan wie Ik wil van Mijn dienaren.”En tegen Jahannam zegt Hij: “Jij bent slechts Mijn bestraffing (adhāb). Met jou straf Ik wie Ik wil van Mijn dienaren. Beiden ontvangen volop hun aandeel”.De Jahannam zal niet vol raken totdat Allāhu (تعالى) Zijn Voet daarop plaatst. Dan zal zij zeggen: ‘Genoeg, genoeg, genoeg.’Op dat moment zal zij gevuld zijn, en degenen die erin geworpen worden zullen over elkaar heen samengedrukt worden. Allāhu (عَزَّ وَجَلَّ) doet geen onrecht aan ook maar één van Zijn dienaren. Wat Jannah betreft: Allāhu (تعالى) schept uit Zijn schepselen een groep daarvoor.

Deze ḥadīth is door al-Bukhārī eveneens overgeleverd in deel 9, blz. 134, in Kitābu’t-Tawḥīd, in de bab over de āyah:وَلَا تُفۡسِدُواْ فِي ٱلۡأَرۡضِ بَعۡدَ إِصۡلَٰحِهَا وَٱدۡعُوهُ خَوۡفٗا وَطَمَعًاۚ إِنَّ رَحۡمَتَ ٱللَّهِ قَرِيبٞ مِّنَ ٱلۡمُحۡسِنِينَ ٥٦En sticht geen onheil op aarde, nadat het geordend is en roep Hem met angst en hoop aan. Zeker, Allāh’s genade is dichtbij (en binnen handbereik van) de weldoeners (die hun best doen in het zuiveren van hun intenties en daden). (Aʿrāf, 7:56)

368.

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De Jannah en Jahannam wenden zich beiden tot hun Rab over elkaar.De Jannah zegt: ‘O mijn Rab, waarom is het dat juist de zwakken en behoeftigen van de mensen steeds naar mij komen?’De Jahannam zegt: ‘Voor mij zijn de hoogmoedigen uitgekozen.’Daarop zegt Allāhu (تعالى) tegen Jannah: ‘Jij bent Mijn genade (rahmah).’En tegen Jahannam: ‘Jij bent Mijn bestraffing (adhāb). Met jou straf Ik wie Ik wil.’Daarna zegt Hij: “Beiden ontvangen volop hun aandeel.”Daarna zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم):‘Wat Jannah betreft: Allāhu (تعالى) doet geen onrecht aan ook maar één van Zijn dienaren. Hij laat wie Hij wil Jannah binnengaan. En wat Jahannam betreft: de mensen zullen erin geworpen worden, waarna zij driemaal zeggen: “Is er nog meer?”Totdat Allāhu (تعالى) Zijn Voet daarin plaatst. Dan raakt zij gevuld en zullen degenen die erin zijn over elkaar heen gedrukt worden”.Daarop zegt Jahannam: “Genoeg, genoeg, genoeg.”

Deze ḥadīth is door Muslim overgeleverd in zijn Ṣaḥīḥ, in de bab over Jahannam. Muslim vermeldt verschillende overleveringen van deze ḥadīth via Abū Hurayrah (رضي الله عنه).

369. De eerste overlevering:Deze is gelijk aan de eerste overlevering die door al-Bukhārī werd genoemd in de tafsīr van Sūrat Qāf.

In de overlevering van Muslim is echter de volgende toevoeging opgenomen:“De Jannah zegt: ‘Waarom word ik gevuld met de zwakken, de behoeftigen en de hulpelozen onder de mensen?’In deze overlevering van Muslim staat ook: “Voor ieder van jullie beiden is er een aandeel waarmee jullie gevuld zullen worden.”

370. De tweede overlevering is gelijk aan de eerste. Alleen wordt hier in plaats van het woord “taḥājjat” voor “zij discussieerden met elkaar”, het woord “iḥtajjāt” gebruikt.

371. De derde overlevering komt eveneens van Abū Hurayrah (رضي الله عنه). Het verschil met de andere overleveringen zit in de volgende extra zin: “De Jannah zegt: ‘Waarom is het zo dat alleen de zwakken, de behoeftigen en de ellendigen onder de mensen mij binnengaan?’

372. De vierde overlevering die Muslim vermeldt komt van Abū Sa‘īd al-Khudrī (رضي الله عنه). Deze overlevering is gelijk aan de overleveringen van Abū Hurayrah (رضي الله عنه). Er is slechts een verschil in enkele woorden dat geen verandering in betekenis veroorzaakt.

373. Daarna overlevert Muslim deze ḥadīth met een keten die teruggaat via Qatādah, op Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Rabbu الْعِزَّةِ تَبَارَكَ وَتَعَالَى (De Heer van Glorie en Majesteit, Gezegend en Verheven is Hij) blijft Zijn Voet in Jahannam plaatsen terwijl zij blijft zeggen: ‘Is er nog meer?’Daarna worden degenen die erin zitten tegen elkaar aangedrukt.de Jahannam zegt dan: ‘Genoeg, genoeg! Bij Uw Eer (`Izzah) (zweer ik)!’ De bewoners ervan worden tussen elkaar samengedrukt.”

374.

Vervolgens vermeldt Muslim nog een andere overlevering van deze ḥadīth van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De Jahannam blijft mensen daarin werpen, totdat Rabbu’l `Izzah Zijn voet erop zet, terwijl zij blijft zeggen: ‘Is er nog meer?’ Daarna worden zij tegen elkaar aangedrukt.Dan zegt Jahannam: ‘Genoeg, genoeg, bij Uw Macht en Uw Edelheid!’De Jannah blijft met een overschot over. Allāhu (تعالى) schept voor die plaats een gemeenschap en laat hen wonen in dat overblijvende deel van de Jannah. In een andere overlevering vermeldt Muslim:

375. Van Anas (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er zal een overschot van Jannah overblijven zoveel als Allāhu (تعالى) wil, totdat Allāhu (تعالى) voor dat deel een gemeenschap zal doen ontstaan uit wie Hij wil.”

Ook at-Tirmidhī heeft deze ḥadīth overgeleverd met zijn keten van overleveraars, in de bab met de titel: “De discussie tussen Jannah en Jahannam”, waarin hij zegt:

376. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “De Jannah en Jahannam discussiëren met elkaar.De Jannah zegt: ‘Tot mij komen steeds de zwakken en de armen.’de Jahannam zegt: ‘Tot mij komen de tirannen en de hoogmoedigen.’Daarop zegt Allāhu (تعالى) tegen Jahannam: ‘Jij bent Mijn bestraffing. Met jou neem Ik wraak op wie Ik wil.’En tegen Jannah zegt Hij: ‘Jij bent Mijn genade. Met jou schenk Ik genade aan wie Ik wil.’

Uitleg van de 367–376 aḥādīth

“De Jannah en Jahannam discussiëren met elkaar,” dat wil zeggen: zij spreken door middel van hun toestandstaal (lisān al-ḥāl: hun eigen stille, innerlijke uitdrukking). Dat Allāhu (تعالى) dit door Zijn Macht werkelijk laat plaatsvinden, is niet onmogelijk.

“Mutakabbir” (degene die hoogmoedig is): iemand die zich groot maakt met iets dat hem in werkelijkheid niet toebehoort, en die neerziet op de mensen.

“De tiran”: degene die zijn omgang met anderen afhankelijk maakt van moeilijke formaliteiten en afstandelijkheid, of degene die zich totaal niet bekommert om de toestand van de zwakken en behoeftigen.

“De Jannah zegt: ‘De zwakken en behoeftigen onder de mensen komen tot mij,’ dat wil zeggen: degenen aan wie de mensen weinig aandacht schenken, die onder de mensen worden geminacht, en degenen die worden onderschat vanwege hun nederigheid, ootmoed tegenover hun Rab, zij zijn degenen die Jannah binnengaan.

Allāhu (تعالى) zegt tegen Jannah: “Jij bent Mijn genade (rahmah),” want door hem komen de sporen van de genade van Allāhu (تعالى) tot uiting.Eveneens zegt Hij: “Met jou schenk Ik genade aan wie Ik wil van Mijn dienaren.” De genade van Allāhu (تعالى) behoort tot Zijn eigenschappen die zonder begin (azalī) en zonder einde (abadī) zijn. Het zichtbaar worden van de uitwerkingen van deze eigenschap wordt in overdrachtelijke zin eveneens “genade” genoemd. En tegen Jahannam zegt Allāhu (تعالى): “Jij bent Mijn bestraffing. Met jou straf Ik wie Ik wil van Mijn dienaren.”

“De Jahannam raakt niet gevuld totdat Hij Zijn Voet daarin plaatst,” en volgens de overlevering van Muslim: “totdat Allāhu (تعالى) Zijn Voet daarin plaatst.”

Ibn Fūrak heeft de uitdrukking “Voet” in deze ḥadīth niet aanvaard. Ook Ibn al-Jawzī zei: “Deze uitdrukking is een vervorming van sommige overleveraars,” dat wil zeggen: volgens hem zou het een toevoeging van bepaalde overleveraars zijn geweest. Hun beweringen worden echter weerlegd door de overleveringen die voorkomen in Ṣaḥīḥ al-Bukhārī en Ṣaḥīḥ Muslim. De meerderheid van de geleerden heeft deze uitspraak geïnterpreteerd (ta`wīl) door te zeggen: “Allāhu (تعالى) zal als laatste een bijzondere groep in Jahannam plaatsen, toegevoegd aan degenen die er reeds waren.”

Er werd ook gezegd dat de woorden “Voet” en “Been” in deze ḥadīth behoren tot de eigenschappen van Allāhu (تعالى), zonder gelijkenis en zonder dat men vraagt naar de hoedanigheid ervan. Het verwijst naar enkele van Zijn eigenschappen die boven elke tekortkoming verheven zijn.

Men dient hierin te geloven en zich te onthouden van het spreken over het “hoe”. Degene die leiding heeft gevonden, is degene die de weg van overgave kiest. Wie zich te diep begeeft in zulke moeilijke kwesties raakt in dwaling; degene die niet gelooft dwaalt af, en degene die een specifieke hoedanigheid toeschrijft vervalt in tashbīh, het vergelijken van Allāhu (تعالى) met de schepping.Allāhu (تعالى) zegt: لَيۡسَ كَمِثۡلِهِۦ شَيۡءٞۖ …‘Niets is aan Hem gelijk… Shūrā, 42:11)“Allāh doet geen onrecht aan ook maar één van Zijn dienaren, ” dat wil zeggen: Hij bestraft niemand die geen kwaad heeft verricht.

“Van Jannah blijft een overschot over. Allāhu (تعالى) schept uit Zijn schepselen een groep daarvoor,” dat wil zeggen: Hij zal daarin mu’mins plaatsen die geen goede daden hebben verricht. Beloning is niet uitsluitend beperkt tot daden. (Tot hier de uitleg uit de Sharḥ van al-Qasṭallānī, deel 7, blz. 354.)

Al-Qasṭallānī legt deze ḥadīth in Kitābu’t-Tawḥīd, deel 10, blz. 413, in de bab over de āyah:وَلَا تُفۡسِدُواْ فِي ٱلۡأَرۡضِ بَعۡدَ إِصۡلَٰحِهَا وَٱدۡعُوهُ خَوۡفٗا وَطَمَعًاۚ إِنَّ رَحۡمَتَ ٱللَّهِ قَرِيبٞ مِّنَ ٱلۡمُحۡسِنِينَ ٥٦En sticht geen onheil op aarde, nadat het geordend is en roep Hem met angst en hoop aan. Zeker, Allāh’s genade is dichtbij (en binnen handbereik van) de weldoeners (die hun best doen in het zuiveren van hun intenties en daden).

(Aʿrāf, 7:56), als volgt uit:De discussie tussen Jannah en Jahannam kan een overdrachtelijke discussie zijn, omdat zij tegenover elkaar staan alsof zij twee tegenstanders zijn. Het is echter ook mogelijk dat zij werkelijk spreken, doordat aan hen leven en het vermogen tot spreken wordt gegeven.Abū al-‘Abbās al-Qurṭubī zei: “Het is mogelijk dat Allāhu (تعالى) spraak schept in een deel van Jannah en Jahannam. Want voor geluiden is het niet noodzakelijk dat datgene waaruit het geluid voortkomt verstand bezit of levend is.

Zelfs als men zou aannemen dat dit noodzakelijk is, dan nog is Allāhu (تعالى) in staat om aan sommige levenloze schepselen leven te geven. Sommige Qur’ān-excegeten (mufassirūn) zeggen namelijk bij de uitleg van de āyah:وَمَا هَٰذِهِ ٱلۡحَيَوٰةُ ٱلدُّنۡيَآ إِلَّا لَهۡوٞ وَلَعِبٞۚ وَإِنَّ ٱلدَّارَ ٱلۡأٓخِرَةَ لَهِيَ ٱلۡحَيَوَانُۚ لَوۡ كَانُواْ يَعۡلَمُونَ ٦٤En dit wereldse leven is slechts vermaak en spel! Waarlijk, het Huis van het Hiernamaals, dat is het echte leven, als zij dat maar wisten. (ʿAnkabūt, 29:64), dat alles wat zich in Jannah bevindt leven zal hebben. Daarnaast is het ook mogelijk dat deze “spraak” plaatsvindt via de toestands-taal. De eerste uitleg verdient echter de voorkeur.

Dat Jannah en Jahannam met elkaar discussiëren betekent dat ieder van hen zich beroept op degenen die zich erin bevinden.

De Jahannam denkt dat Allāhu (تعالى) haar boven Jannah heeft verkozen doordat Hij de groten en hoogmoedigen van de wereld daarin heeft geplaatst. De Jannah daarentegen denkt dat Allāhu (تعالى) haar boven Jahannam heeft verkozen doordat de geliefden van Allāh haar binnengaan. In Zijn antwoord aan Jannah en Jahannam maakt Allāhu (تعالى) niet duidelijk dat één van beide beter is dan de ander. Hij verbindt hun toestand aan Zijn goddelijke wil (mashī’ah).

De uitdrukking: “Hij plaatst Zijn Voet,” betekent volgens deze uitleg: tegenhouden en bedwingen. In sommige overleveringen van deze ḥadīth wordt gezegd: “De Jahannam wordt gevuld. Allāhu (تعالى) doet geen onrecht aan ook maar één van Zijn dienaren. En voor Jannah zal Allāhu (تعالى) een volk doen ontstaan.” Zo luidt ook de overlevering in Ṣaḥīḥ Muslim.

In de eerder genoemde paragraaf wordt echter overgeleverd: “Allāhu (تعالى) doet geen onrecht aan ook maar één van Zijn schepselen, en Hij voert wie Hij wil naar Jahannam.” Sommige geleerden zeiden dat hier sprake is van een omwisseling in de formulering. Ibn al-Qayyim al-Jawziyyah zei: “Dit is een vergissing en een verwarring,” en hij gebruikte als bewijs de āyah van Allāhu (تعالى):وَلَوۡ شِئۡنَا لَأٓتَيۡنَا كُلَّ نَفۡسٍ هُدَىٰهَا وَلَٰكِنۡ حَقَّ ٱلۡقَوۡلُ مِنِّي لَأَمۡلَأَنَّ جَهَنَّمَ مِنَ ٱلۡجِنَّةِ وَٱلنَّاسِ أَجۡمَعِينَ ١٣En als Wij wilden, zeker! Dan zouden Wij iedere ziel haar Leiding geven, Maar het Woord is door Mij bepaald: dat Ik de Jahannam met zowel Djinn als mensen zal vullen. (Sajdah, 32:13)

Eveneens verzette al-Balqīnī zich tegen deze wijziging en gebruikte als bewijs de āyah: وَلَا يَظۡلِمُ رَبُّكَ أَحَدٗا ٤٩…en jullie Heer behandelt niemand onrechtvaardig. (Kahf, 18:49)

Abū al-Ḥasan al-Qābisī zei: “Voor zover bekend zal Allāhu (تعالى) een volk doen ontstaan voor Jannah. Buiten deze ḥadīth ken ik geen enkele overlevering die erop wijst dat Allāhu (تعالى) een volk speciaal voor Jahannam zal doen ontstaan om haar daarmee te vullen, (dat wil zeggen: om de Jahannam met hen te vullen).” Hij gebruikte tevens als argument dat het niet past bij de Edelmoedigheid van Allāhu (تعالى) om iemand zonder zonde te bestraffen. Dat iemand die geen gehoorzaamheid heeft verricht toch begunstigd wordt, is echter een andere kwestie.

Al-Balqīnī zei ook: Het is beter om deze uitdrukking zo te begrijpen dat levenloze stenen (voorwerpen zonder rûh) in Jahannam worden geworpen, dan dat men ervan uitgaat dat onschuldige, zondeloze levende wezens daarin worden geworpen.

In al-Fatḥ wordt gezegd: “Het is ook mogelijk dat hiermee levende wezens bedoeld worden. Zij zouden zich dan in Jahannam bevinden zoals de bewakers van Jahannam zich daarin bevinden, zonder zelf bestraft te worden.”

Hier kan het woord inshā’ (doen ontstaan) ook betekenen: “naar Jahannam voeren.”

De uitspraak: “Zij worden erin geworpen en Jahannam zegt: ‘Is er nog meer?,’ vormt hiervoor een aanwijzing.Wat betreft de uitleg van de aḥādīth die Muslim heeft overgeleverd: Deze uitleg is ontleend aan de Sharḥ van Ṣaḥīḥ Muslim van an-Nawawī (volgens de marginale aantekening van al-Qasṭallānī, deel 10, blz. 297).

Dat Jannah en Jahannam met elkaar discussiëren toont aan dat Allāhu (تعالى) aan beiden onderscheidingsvermogen zal geven. Daardoor verkrijgen zij begrip en kunnen zij spreken en discussiëren. Dit betekent echter niet dat dit onderscheidingsvermogen voortdurend aanwezig hoeft te blijven.

Met “de hulpelozen” worden degenen bedoeld die in het wereldse leven niet in staat waren macht, rijkdom, status en wereldse zaken te verkrijgen.Met “de zwakken” worden de geringe en geminachte mensen bedoeld.Met “de ellendigen” worden degenen bedoeld die weinig begrip hebben van wereldse zaken en door de mensen als dwaas worden beschouwd.Ook de ḥadīth: “De meeste bewoners van Jannah zijn degenen die als dwaas worden beschouwd, ” wijst op deze betekenis.

Qāḍī ‘Iyāḍ zegt: “Met deze mensen worden de gewone mu’mins bedoeld, de eenvoudige massa onder de mensen die weinig kennis bezitten. Want zij kennen de sunnah meestal niet diepgaand genoeg om in fitan, bid`i (m.v. van bid‘ah) en soortgelijke zaken te vervallen. Daarom blijven zij op een correcte ‘aqīdah en standvastig in hun īmān.Zoals zij de meerderheid van de mu’mins vormen, zo vormen zij ook de meerderheid van de bewoners van Jannah.

Wat betreft de mensen van kennis en inzicht, de geleerden die handelen naar hun kennis, de rechtschapen dienaren en vroom ingestelde mensen/aan hun aanbidding gehecht: zij vormen een minderheid. Zij zullen echter bij Allāhu (تعالى) verheven rangen bezitten.

Er werd ook gezegd dat met de ḥadīth: “De bewoners van Jannah zijn de zwakken en degenen die zich zwak opstellen, ” bedoeld wordt dat hun “zwakheid” inhoudt dat zij, in tegenstelling tot de hoogmoedige tiran, hun nafs nederig maken tegenover Allāhu (تعالى) en deze dwingen tot gehoorzaamheid.

“Rabbu’l-‘Izzah تَبَارَكَ وَتَعَالَى blijft zeggen: ‘Is er nog meer?’ totdat Hij Zijn Voet in Jahannam plaatst.” Deze uitspraak behoort tot de bekende overleveringen over de eigenschappen van Allāhu (تعالى). Over dit onderwerp werd eerder reeds uitvoerig uitleg gegeven. Zoals bekend bestaan er hierover twee benaderingen:De salaf kozen ervoor om geen interpretatie (ta’wīl ) , maar te geloven in de bedoelde betekenis zonder in te gaan op het “hoe”.De meeste de speculatieve theologen (mutakallimūn) en een deel van de khalaf-geleerden kozen ervoor zulke uitdrukkingen te interpreteren op een wijze die passend is bij de eigenschappen van Allāhu (تعالى).

Over de interpretatie (ta’wīl) van het woord “Voet” in deze ḥadīth zijn verschillende meningen genoemd. Volgens één uitleg betekent “Voet” hier: “degene die vooropgaat’; die betekenis komt ook veel voor in het Arabische taalgebruik.De betekenis zou dan zijn: “Allāhu (تعالى) blijft Jahannam vullen met degenen die daarvoor bestemd en vooruitgezonden zijn.” Al-Māzarī en Qāḍī ‘Iyāḍ zeggen dat deze uitleg een ta’wīl is die door Naḍr ibn Shamīl en anderen van Ibn al-A‘rābī is overgeleverd.Volgens een tweede mening wordt hiermee de Voet van bepaalde mensen bedoeld.Volgens een derde mening kunnen er onder de schepselen wezens zijn die op deze wijze, namelijk als “Voet” worden aangeduid.Abū Bakr ibn Fūrak beweerde dat de overlevering waarin het woord “Voet” voorkomt niet authentiek is vastgesteld. Deze overlevering is echter door Muslim en anderen overgeleverd. De tekst is dus authentiek vastgesteld en kan, zoals eerder genoemd, geïnterpreteerd worden.

Met “Been” kan ook een groep mensen bedoeld zijn. In het Arabisch wordt bijvoorbeeld met de uitdrukking “de poot van een sprinkhaan” een groep sprinkhanen bedoeld.

Qāḍī ‘Iyāḍ zegt: “Volgens de meest juiste interpretatie (ta’wīl) wordt hiermee een groep bedoeld die Jahannam heeft verdiend en daarvoor geschapen is. Deze uitdrukking moet dus niet letterlijk volgens de uiterlijke betekenis worden opgevat, omdat met duidelijke bewijzen vaststaat dat Allāhu (تعالى) geen lichamelijke ledematen bezit.

De ḥadīth: “de Jahannam klaagde bij haar Rab…”

Deze ḥadīth is door al-Bukhārī overgeleverd in deel 4, blz. 140, in Kitābu Bad’i’l-Khalq, in de bab “De eigenschappen van Jahannam”.

377. Van Abū al-Yamān, van Shu‘ayb, van az-Zuhrī, van Abū Salamah ibn ‘Abd ar-Raḥmān, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “de Jahannam klaagde bij haar Rab en zei: ‘O mijn Rab, een deel van mij verteert een ander deel.’Daarop gaf Allāhu (تعالى) haar toestemming voor twee ademhalingen: één ademhaling in de winter en één ademhaling in de zomer. Dat zijn de hevigste hitte die jullie ervaren en de hevigste koude die jullie ervaren.”

Uitleg van de 377ste ḥadīth

“De Jahannam klaagde bij haar Rab,” dat wil zeggen: Allāhu (تعالى) gaf haar leven zodat zij werkelijk sprak, of haar toestand zelf vormde een klacht door middel van haar toestandstaal (lisān al-ḥāl). Haar klacht was vanwege het hevige koken binnenin haar, en doordat het ene deel het andere deel verteerde en verbrandde.

“Allāhu (تعالى) gaf haar toestemming voor twee ademhalingen.” Al-Bayḍāwī beschouwde deze “ademhaling” als een overdrachtelijke uitdrukking, terwijl anderen het letterlijk als een werkelijke ademhaling opvatten. Hiermee wordt bedoeld: iets dat uit haar naar buiten komt en zich met de lucht vermengt. Allāh is in staat om uit vuur een ijskoude vorst voort te brengen. En Allāhu (تعالى) weet het het beste.

40. De overleveringen over de Waterbassin (Ḥawḍ) van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم)

Deze ḥadīth is door al-Bukhārī ( رَحِمَهُ اللهُ) overgeleverd in deel 8, blz. 119, in de bab over de Ḥawḍ:

378. Van ‘Amr ibn ‘Alī, van Muḥammad ibn Ja‘far, van Shu‘bah, van al-Mughīrah, van Abū Wā’il, van ‘Abdullāh (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik zal jullie voorgaan naar de Waterbassin (Ḥawḍ). Vervolgens zullen enkele mensen van jullie samen met mij verschijnen (en bij mij komen staan.)Daarna zullen sommigen van hen bij mij worden weggehaald.Ik zal zeggen: O mijn Rab, zij behoren tot mijn aṣḥāb.’Dan zal er gezegd worden: ‘Jij weet niet welke veranderingen zij na jou hebben ingevoerd (in de dīn).’Deze ḥadīth is door al-Bukhārī ( رَحِمَهُ اللهُ) ook overgeleverd via een andere keten die teruggaat op Ḥudhayfah (رضي الله عنه).

Ook Muslim heeft deze overgeleverd via de overleveringsketen van Ḥusayn, van Abū Wā’il, van Ḥudhayfah (رضي الله عنه), van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).

Tevens heeft al-Bukhārī deze ḥadīth overgeleverd met een keten die teruggaat op Anas ibn Mālik (رضي الله عنه).

379. Van Muslim ibn Ibrāhīm, van Wuhayb, van ‘Abd al-‘Azīz, van Anas (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een groep van mijn aṣḥāb zal naar mij komen bij de Ḥawḍ. Wanneer ik hen herken, zullen zij van mij worden weggehaald.Dan zal ik zeggen: ‘Zij behoren tot mijn aṣḥāb.’Daarop zal Allāh (جَلَّ وَعَلَا) zeggen:‘Jij weet niet welke veranderingen zij na jou (in de dīn ) hebben ingevoerd.’Muslim heeft deze ḥadīth overgeleverd in Kitābu’l-Manāqib.

Al-Bukhārī heeft deze ḥadīth eveneens overgeleverd via een keten die teruggaat op Sahl ibn Sa‘d (رضي الله عنه):

380. Van Sa‘īd ibn Abī Maryam, van Muḥammad ibn Muṭarrif, van Abū Ḥāzim, van Sahl ibn Sa‘d (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik zal jullie voorgaan naar de Ḥawḍ. Wie langs mij komt zal eruit drinken, en wie ervan drinkt zal daarna nooit meer dorst krijgen.

Er zullen mensen naar mij komen die ik herken en die mij herkennen, maar daarna zal er een scheiding tussen hen en mij worden geplaatst.”Abū Ḥāzim zei: Nu‘mān ibn Abī ‘Iyāsh hoorde mij deze overlevering vertellen en vroeg:‘Heb jij dit werkelijk zo van Sahl gehoord?’Ik antwoordde: ‘Ja.’Daarop zei hij: “Ik getuig dat ik Abū Sa‘īd al-Khudrī deze ḥadīth eveneens heb horen overleveren. Hij voegde er echter nog het volgende aan toe: Ik zal zeggen: “Zij behoren tot mij.”Dan zal er gezegd worden: “Jij weet niet welke veranderingen zij na jou hebben ingevoerd (in de dîn).”Daarop zal ik zeggen: “Mensen die na mij veranderingen (in de dîn) hebben aangebracht, laat hen verre van mij zijn; laat hen verre van mij zijn.”

Deze ḥadīth is door al-Bukhārī overgeleverd via een keten die teruggaat op Abū Hurayrah (رضي الله عنه).

381. Van Aḥmad ibn Shabīb ibn Sa‘īd al-Ḥabaṭī, van zijn vader, van Yūnus, van Ibn Shihāb, van Sa‘īd ibn al-Musayyab, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op de Yawmu’l Qiyamah zal een groep van mijn aṣḥāb naar mij komen, maar zij zullen van de Ḥawḍ worden weggehouden.Ik zal zeggen: ‘O mijn Rab, zij behoren tot mijn aṣḥāb.’Daarop zal Allāhu (تعالى) zeggen: ‘Jij hebt geen kennis van wat zij na jou hebben ingevoerd. Zij wendden zich af en gingen volledig terug op hun schreden.”

Van Shu‘ayb, van az-Zuhrī, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), wanneer hij deze ḥadīth van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overleverde, gebruikte hij de uitdrukking: “fa-yujlawna”, wat betekent: “zij worden van de Ḥawḍ weggehouden of verdreven.”Volgens de overlevering van ‘Uqayl van az-Zuhrī gebruikte hij de uitdrukking: “fa-yuḥalla’ūna”, wat betekent: “zij worden met geweld daarvandaan verdreven.”

Al-Bukhārī ( رَحِمَهُ اللهُ) heeft deze ḥadīth eveneens van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) met een langere tekst overgeleverd. Die overlevering luidt:

382. Van Ibrāhīm ibn al-Mundhir al-Ḥizāmī, van Muḥammad ibn Fulayḥ, van zijn vader, van Hilāl, van ‘Aṭā ibn Yasār, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Terwijl ik stond, kwam er plotseling een groep mensen aan.Toen ik hen herkende, verscheen er tussen mij en hen een man die zei: ‘Kom mee.’Ik vroeg: ‘Waarheen?’Hij zei: ‘Bij Allāh, naar Jahannam.’Ik vroeg: ‘Wat is hun misdaad?’Hij antwoordde: ‘Na jou wendden zij zich af en verlieten hun dīn.’Daarna kwam een andere groep.Toen ik hen herkende, verscheen er opnieuw een man tussen mij en hen die zei:‘Kom mee.’Ik vroeg: ‘Waarheen?’Hij zei: ‘Bij Allāh, naar Jahannam.’Ik vroeg: ‘Wat is hun misdaad?’Hij antwoordde: ‘Na jou wendden zij zich af en verlieten hun dīn.’Ik zie dat slechts zeer weinigen van hen gered worden, zoals slechts enkele verdwaalde kamelen zich uit een verspreide kudde kunnen redden.”

Deze ḥadīth is door al-Bukhārī overgeleverd, volgens al-Qasṭallānī in deel 9, blz. 343, eveneens in dezelfde bab, via een keten die teruggaat op Asmā’ bint Abī Bakr aṣ-Ṣiddīq (رضي الله عنهما).

383. Van Sa‘īd ibn Abī Maryam, van Nāfi‘ ibn ‘Umar, dat wil zeggen Ibn ‘Abdullāh al-Jumaḥī, van Ibn Abī Mulaykah, van Asmā’ bint Abī Bakr aṣ-Ṣiddīq (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik zal bij de Ḥawḍ staan. Daar zal ik uitkijken naar degenen van jullie die naar mij toe komen. Dan zullen sommige mensen bij mij worden weggehaald.Ik zal zeggen: ‘O mijn Rab, zij behoren tot mij en tot mijn ummah.’Dan zal er gezegd worden: “Heb jij gemerkt wat zij na jou hebben gedaan? Bij Allāh, zij wenden zich onmiddellijk af en gingen terug op hun schreden”.Ibn Abī Mulaykah placht daarna te zeggen: “O Allāh, wij zoeken bescherming bij U tegen het terugkeren op onze schreden en tegen fitnah in onze dīn.”

Uitleg van de aḥādīth 378–383

De uitspraak van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Ik zal jullie voorgaan naar de Ḥawḍ,” bevat een grote blijde tijding voor de ummah van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم).“Zij behoren tot mijn aṣḥāb,” betekent: “zij behoren tot mijn ummah.”

“Jij weet niet wat zij na jou hebben ingevoerd,” dat wil zeggen: jij hebt geen kennis van hun verzaking van de dīn en van de slechte zaken die zij na jou verrichtten. Wat zij na jou invoerden (in de dīn) is de reden waarom zij van de Ḥawḍ worden weggehouden.

“Laat hen verre van mij zijn; laat hen verre van mij zijn, met degenen die veranderingen hebben aangebracht na mij,” dat wil zeggen: degenen die veranderingen aanbrachten in de dīn die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gebracht.

Over degenen die zonden begingen zonder in kufr te vervallen wordt niet gezegd:“Laat hen verre van mij zijn.” Integendeel, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zal voor hen shafā‘ah doen en zich om hun toestand bekommeren. Want hij is buitengewoon meelevend en barmhartig tegenover de mensen met īmān.

In de tweede overlevering van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) betekent de uitspraak van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Terwijl ik stond,” namelijk: “terwijl ik aan de rand van de Ḥawḍ stond.”

En in dezelfde overlevering wordt met:“een man verscheen tussen mij en hen,” een engel bedoeld in de gedaante van een man.

De uitspraak: “Ik zie dat slechts zeer weinigen van hen gered worden, zoals slechts enkele verdwaalde kamelen uit een verspreide kudde gered worden,” wijst erop dat deze mensen uit twee groepen zullen bestaan: kāfirs en zondige mu’mins.

De kāfirs zullen niet gered worden, terwijl de zondige mu’mins gered zullen worden nadat zij hun bestraffing hebben ondergaan.

Enkele toelichtingen over de Ḥawḍ:Ibn al-Qarqūl zegt: “De Ḥawḍ is de plaats waar water verzameld wordt.”

Er bestaat verschil van mening over de vraag of de Ḥawḍ van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zich vóór of ná de Ṣirāṭ bevindt.

Qāḍī ‘Iyāḍ zegt in zijn Tadhkirah: “Uit de overleveringen blijkt dat de mensen dorstig uit hun graven zullen opstaan.”Als bewijs noemt hij de ḥadīth: “Terwijl ik stond kwam plotseling een groep mensen.

Toen ik hen herkende verscheen er tussen mij en hen een man die zei: ‘Kom mee.’Ik vroeg: ‘Waarheen?’Hij zei: ‘Bij Allāh, naar Jahannam.’Al-Qurṭubī zegt eveneens: “Deze ḥadīth toont aan dat de Ḥawḍ zich vóór de Ṣirāṭ bevindt, op de Verzamelplaats (Mahshar) vóór de oversteek.”Want de Ṣirāṭ is een lange brug waarover men zal oversteken. Wie daaroverheen gaat, wordt gered van Jahannam.Sommigen zeggen echter dat de Ḥawḍ zich ná de Ṣirāṭ bevindt.

Dat al-Bukhārī de aḥādīth over de Ḥawḍ heeft geplaatst na de aḥādīth over de shafā‘ah en de Weegschaal (Mīzān), wijst volgens hen daarop.

Daarnaast is er in Ṣaḥīḥ at-Tirmidhī een ḥadīth van Anas (رضي الله عنه) die eveneens als bewijs voor deze mening wordt gebruikt:

Anas (رضي الله عنه) zei: “Ik vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) om voor mij shafā‘ah te doen.- ‘Dat zal ik doen.’- ‘Waar zal ik u zoeken?’- ‘Zoek mij eerst bij de Ṣirāṭ.’- ‘En als ik u daar niet vind?’- ‘Dan zal ik bij de Mīzān zijn.’- ‘En als ik u daar ook niet vind?’- ‘Dan zal ik bij de Ḥawḍ zijn.’

Ook de uiterlijke betekenis van de uitspraak van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Wie er eenmaal van drinkt zal daarna nooit meer dorst hebben,” ondersteunt deze opvatting. Want deze uitspraak wijst erop dat het drinken uit de Ḥawḍ plaatsvindt ná de afrekening en ná redding van Jahannam. Volgens deze uitleg zou iemand die daarna nooit meer dorst heeft, geen bestraffing meer in Jahannam ondergaan.

Wat betreft de ḥadīth van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), die als bewijs wordt aangevoerd dat de Ḥawḍ zich vóór de Ṣirāṭ bevindt, kan men zeggen: “Volgens deze ḥadīth zullen de mensen de Ḥawḍ zien en ernaartoe willen gaan, maar voordat zij het resterende deel van de Ṣirāṭ kunnen oversteken, zullen zij in Jahannam worden geworpen”. Wie wil, kan hierover nadenken. Imām al-Qurṭubī vermeldt dit standpunt.

Wij zeggen echter: Wij hebben deze kwestie zorgvuldig overwogen en onderzocht, en zijn tot de conclusie gekomen dat deze opvatting niet sterk is. Want de ḥadīth van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) geeft duidelijk aan dat de Ḥawḍ zich op de Verzamelplaats (Mahshar) bevindt.An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zal bij de Ḥawḍ staan.Plotseling zal men zien dat de betreffende groep de Ḥawḍ nadert, waarna een man verschijnt die tussen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en hen in gaat staan en hen verhindert de Ḥawḍ te bereiken.De hierboven genoemde interpretatie (taʾwīl) ligt echter ver verwijderd van de betekenis van de ḥadīth.

Wat betreft het argument dat de eigenschap van de Ḥawḍ, zoals verwoord in de uitspraak: “Wie er eenmaal van drinkt, zal daarna nooit meer dorst hebben,” zou aantonen dat de Ḥawḍ zich ná de Ṣirāṭ bevindt, geldt dat deze conclusie daar niet noodzakelijk uit volgt. Want de uiterlijke betekenis van de ḥadīth wijst erop dat de Ḥawḍ zich vóór de Ṣirāṭ bevindt, op de Verzamelplaats (Mahshar).

Het drinken daaruit dient dan om de dorst weg te nemen die veroorzaakt wordt door het lange wachten op die plaats, en om te voorkomen dat men daarna ooit nog dorst zal ervaren. Tegelijkertijd is dit een teken van redding van Jahannam. Want als de Ḥawḍ zich pas ná de Ṣirāṭ, dus in Jannah, zou bevinden, wat zou dan nog het bijzondere nut ervan zijn? In Jannah zal immers geen dorst bestaan.

Degenen die behoefte zullen hebben om uit de Ḥawḍ te drinken, zijn juist degenen die zich op de Verzamelplaats bevinden.

Wie daar op dat moment uit drinkt, zal daarna nooit meer dorst hebben, niet bestraft worden in Jahannam, en gered worden van de angstaanjagende doornen van de Ṣirāṭ.

De interpretatie van de ḥadīth van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), namelijk dat “de genoemde mensen zich op de Ṣirāṭ naar de Ḥawḍ zullen begeven en daarna in Jahannam zullen vallen” is geen interpretatie die bij iemand opkomt die wetenschappelijk onderzoek doet. Bovendien bevat deze ḥadīth uitspraken zoals:Ik vraag: ‘Waarheen?’Er wordt gezegd: ‘Naar Jahannam.’en: “Jij weet niet welke veranderingen zij na jou hebben ingevoerd.”Deze uitspraken tonen duidelijk aan dat de Ḥawḍ zich vóór de Ṣirāṭ zal bevinden, op de Verzamelplaats. En Allāhu (تعالى) weet het het beste.

De auteur van at-Tadhkirah, Qāḍī ‘Iyāḍ zegt: “Blijkbaar zal Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) twee Ḥawḍs hebben: één vóór de Ṣirāṭ op de Verzamelplaats, en één in Jannah. Beide zullen al-Kawthar genoemd worden.”Al-Qasṭallānī, die deze uitspraak citeert, legt echter uit dat al-Kawthar in werkelijkheid een rivier in Jannah is, en dat haar water naar de Ḥawḍ stroomt. De Ḥawḍ krijgt dus de naam “al-Kawthar” omdat zijn water afkomstig is van de rivier al-Kawthar. Vervolgens geeft hij de volgende toelichting: “In Ṣaḥīḥ Muslim staat in een ḥadīth die door Abū Dhar (رضي الله عنه) is overgeleverd: ‘Twee waterstromen uit Jannah stromen in de Ḥawḍ.’”

Zoals eerder vermeld is de Ṣirāṭ een brug die boven Jahannam wordt gespannen, gelegen tussen de Verzamelplaats (Mahshar) en Jannah. Als de Ḥawḍ zich vóór de Ṣirāṭ zou bevinden, dan zou het vuur van Jahannam het doorstromen van het water van de rivier al-Kawthar naar de Ḥawḍ verhinderen.

Wij antwoorden hierop: Deze uitleg is niet erg overtuigend en ook niet echt duidelijk. Want hier worden zaken van het Hiernamaals (Ākhirah) vergeleken met zaken van deze wereld, door te zeggen: “Het vuur van Jahannam zou verhinderen dat het water van de rivier al-Kawthar vanuit Jannah naar de Ḥawḍ stroomt.”Hiermee wordt de onzichtbare wereld (al-ghayb), waarover wij geen bewijs hebben behalve de shar‘ī bewijzen uit de openbaring (waḥy), vergeleken met de zichtbare wereld (ash-shahadah). Terwijl dat eigenlijk iets is dat het verstand nauwelijks kan aanvaarden.Niemand weet met zekere kennis waar Jahannam zich precies bevindt, zodat hij met zekerheid zou kunnen zeggen dat zij een barrière vormt tussen het water van al-Kawthar en de Ḥawḍ.

Bovendien hebben de mensen, zoals eerder vermeld, juist op de Verzamelplaats behoefte aan de Ḥawḍ. Daar zullen zij blootgesteld worden aan een zeer intense dorst. Die hevige dorst zal bestaan op de Verzamelplaats en in Jahannam. De bewoners van Jahannam zullen echter verstoken blijven van alles waarmee zij hun dorst zouden kunnen lessen. Allāhu (تعالى) zegt in de Qur’ān:وَنَادَىٰٓ أَصۡحَٰبُ ٱلنَّارِ أَصۡحَٰبَ ٱلۡجَنَّةِ أَنۡ أَفِيضُواْ عَلَيۡنَا مِنَ ٱلۡمَآءِ أَوۡ مِمَّا رَزَقَكُمُ ٱللَّهُۚ قَالُوٓاْ إِنَّ ٱللَّهَ حَرَّمَهُمَا عَلَى ٱلۡكَٰفِرِينَ ٥٠En de bewoners van het Vuur zullen tegen de bewoners van de Jannah roepen: “Giet over ons wat water of iets waarmee Allāh jullie voorzien heeft.” Zij zullen zeggen “Beiden heeft Allāh voor de ongelovigen verboden.” (Aʿrāf, 7:50)

ٱلَّذِينَ ٱتَّخَذُواْ دِينَهُمۡ لَهۡوٗا وَلَعِبٗا وَغَرَّتۡهُمُ ٱلۡحَيَوٰةُ ٱلدُّنۡيَاۚ فَٱلۡيَوۡمَ نَنسَىٰهُمۡ كَمَا نَسُواْ لِقَآءَ يَوۡمِهِمۡ هَٰذَا وَمَا كَانُواْ بِـَٔايَٰتِنَا يَجۡحَدُونَ ٥١(Zij zijn) Degenen die hun godsdienst als plezier en vermaak beschouwden, en degenen die bedrogen zijn door het wereldse leven. Dus op deze dag zullen Wij hen vergeten, zoals zij de ontmoeting op deze dag vergaten en omdat zij Onze Tekenen verwierpen. (Aʿrāf, 7:51)

De bewoners van Jannah zullen zich daarentegen in een zeer grote weldaad bevinden. Zij zullen drinken van een zuivere, verzegelde drank waarvan de geur als musk is. Ook zullen zij drinken van dranken gemengd met kāfūr en gember. Wat betreft het lessen van de dorst van de mu’mins: buiten de Verzamelplaats zullen zij nergens behoefte hebben aan drinken. En Allāhu (تعالى) weet het het beste.

Indien deze kwestie uitsluitend op basis van onderzoek en verstandelijke redenering kon worden vastgesteld, dan zou een grondige bestudering tot deze conclusie leiden. Het is echter evident dat dit onderwerp tot de samʿiyyāt (de zaken die via overlevering/openbaring zijn vernomen) behoort en derhalve slechts kan worden vastgesteld aan de hand van de waḥy. Deze conclusie wordt bovendien ondersteund door de ḥadīth van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) en door andere overleveringen.

Aanvullende informatie over de Ḥawḍ

In dit gedeelte zullen wij de aḥādīth vermelden die al-Bukhārī ( رَحِمَهُ اللهُ) in zijn Ṣaḥīḥ heeft overgeleverd over de eigenschappen van de Ḥawḍ.

Van Ibn ‘Umar (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voor jullie bevindt zich de Ḥawḍ waarvan de breedte gelijk is aan de afstand tussen Jarbā en Adhruḥ.”(Jarbā en Adhruḥ zijn beide twee plaatsen in de regio van Shām.)

De bedoelde betekenis van deze ḥadīth wordt verduidelijkt door de overlevering die Ḍiyā’ al-Maqdisī van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) heeft overgeleverd: “Zijn breedte is als de afstand tussen Jarbā en Adhruḥ.”Er is overgeleverd dat de hoeken van de Ḥawḍ gelijk zijn, wat erop wijst dat hij een symmetrische vorm heeft.

‘Abdullāh ibn ‘Amr ibn al-‘Āṣ (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De lengte van de Ḥawḍ bedraagt een reis van één maand. Zijn water is witter dan melk. Zijn geur is aangenamer dan musk. Zijn bekers zijn als de sterren aan de hemel. Wie ervan drinkt zal daarna nooit meer dorst hebben.”

In een marfū‘-overlevering die Ibn Abī’d-Dunyā van an-Nawwās ibn Sam‘ān (رضي الله عنه) heeft overgeleverd staat bovendien: “De eerste die daar zal aankomen, na Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), is degene die dorstigen water geeft.”

Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), asûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De breedte van mijn Ḥawḍ is als de afstand tussen Ayla en Ṣan‘ā in Yemen. Het aantal bekers ervan is als het aantal sterren aan de hemel.”

(Ayla was een welvarende stad aan de kust van de Rode Zee in het gebied van Palestina. Tegenwoordig ligt zij in ruïnes. Pelgrims uit Miṣr trokken daarlangs. Zij bevond zich in het noordelijke deel van Miṣr. De bekende doorgang die de mensen van Miṣr de Golf van ‘Aqabah noemen, bevindt zich daar en staat bekend als de doorgang van Ayla.)

Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wat zich tussen mijn huis en mijn minbar bevindt, is een tuin van de tuinen van Jannah. En mijn minbar bevindt zich boven mijn Ḥawḍ.”

Dat wil zeggen: ofwel zal zijn minbar uit deze wereld op de Yawmu’l Qiyamah precies zoals hij is boven zijn Ḥawḍ geplaatst worden; of hiermee wordt bedoeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op de Yawmu’l Qiyamah een minbar zal hebben boven de Ḥawḍ, waarop hij zal staan om de mensen uit te nodigen van zijn Ḥawḍ te drinken. En Allāhu (تعالى) weet het het beste.

Deze ḥadīth staat in Ṣaḥīḥ al-Bukhārī aan het einde van Kitābu’ṣ-Ṣalāh. Imām Muslim heeft dezelfde ḥadīth overgeleverd in Kitābu’l-Ḥajj.

Van ‘Uqbah ibn ‘Āmir ibn ‘Īsā ibn Abī’l-Aswad al-Juhanī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ging op een dag naar de begraafplaats al-Baqī‘. Daar verrichtte hij de ṣalāh aljanāzah over de begraven doden zoals hij de ṣalāh al-janāzah over een overledene verrichtte. Daarna vertrok hij en beklom zijn minbar, (alsof hij afscheid nam van de doden en de levenden), waarna hij zei: “Ik zal jullie voorgaan naar de Ḥawḍ. Ik ben een getuige over jullie. Bij Allāh, ik zie op dit moment mijn Ḥawḍ. Aan mij zijn de sleutels van de schatten van de aarde gegeven.” (In een andere overlevering staat: “Aan mij zijn de sleutels van de aarde gegeven.”)“Bij Allāh, ik vrees niet dat jullie na mij in shirk zullen vervallen. Wat ik echter voor jullie vrees, is dat jullie met elkaar zullen wedijveren om het wereldse leven en dat jullie elkaar daarom zullen bestrijden en doden.”

Van Ḥārithah ibn Wahb (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei, terwijl hij zijn Ḥawḍ beschreef: “Hij is zo groot als de afstand tussen Makkah en Ṣan‘ā.”

In één overlevering wordt vermeld dat al-Mustawrid, één van de overleveraars van de ḥadīth vroeg: “Heb je niets gehoord over de bekers ervan?”Waarop Ḥārithah antwoordde: “Daar zul je bekers zien als de sterren aan de hemel.”

De formulering hier heeft de status van marfū‘. Hoewel niet expliciet vermeld wordt dat het rechtstreeks van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) afkomstig is, toont de wijze van formuleren aan dat het die betekenis heeft.In een ḥadīth die Aḥmad ibn Ḥanbal heeft overgeleverd van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), wordt over de bekers gezegd: “Talrijker dan het aantal sterren aan de hemel.”

In de overlevering van Imām Muslim staat: “Daar bevinden zich bekers als de sterren aan de hemel.”

41. Het slachten van de dood op de Dag der Opstanding

De ḥadīth waarin wordt vermeld dat op de Yawm al-Qiyāmah de dood ophoudt op de Ṣirāṭ. (het geslacht worden van de dood op de Ṣirāṭ)

Deze ḥadīth is door Ibn Mājah overgeleverd in zijn Sunan (deel 2, blz. 305) in het hoofdstuk “De Eigenschap van Jahannam”, waarin hij het als volgt overlevert:

384. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op de Yawm al-Qiyāmah wordt de dood op de Ṣirāṭ geplaatst.Er wordt geroepen: ‘O bewoners van Jannah!’De bewoners van Jannah kijken toe, uit angst dat zij uit hun toestand verwijderd zullen worden.Daarna wordt geroepen: ‘O bewoners van Jahannam!’

De bewoners van Jahannam kijken met vreugde en opluchting, in de hoop uit hun toestand verwijderd te worden.Dan wordt gezegd: ‘Kennen jullie dit?’Zij zeggen: ‘Ja, dat is de dood.’Vervolgens wordt bevel gegeven en wordt hij op de Ṣirāṭ geslacht.Daarna wordt tegen beide groepen gezegd: ‘Jullie zullen voor eeuwig blijven in wat jullie verkeren; er is geen dood meer.’

De kwestie van het “opheffen van de dood” komt eveneens voor in een ḥadīth die al-Tirmidhī heeft overgeleverd in het hoofdstuk: “Overleveringen over de eeuwigheid van de bewoners van Jannah en Jahannam”.

385. De slotpassage van de ḥadīth luidt: “Allāh plaatst de bewoners van Jannah in Jannah en de bewoners van Jahannam in Jahannam. Daarna wordt de dood gebracht en geplaatst op de muur tussen Jannah en Jahannam.Er wordt geroepen: ‘O bewoners van Jannah!’ Zij kijken angstig toe.Daarna wordt geroepen: ‘O bewoners van Jahannam!’Zij kijken met hoop en verwachting van voorspraak.Dan wordt tegen beide groepen gezegd: ‘Kennen jullie dit?’Zij zeggen: ‘Wij kennen hem; het is de dood die over ons was aangesteld.’Daarna wordt de dood op zijn zij gelegd en geslacht op de muur tussen Jannah en Jahannam.Vervolgens wordt gezegd: ‘O bewoners van Jannah, jullie hebben eeuwig leven; er is geen dood meer. O bewoners van Jahannam, jullie hebben eeuwig leven; er is geen dood meer.’Al-Tirmidhī ( رَحِمَهُ اللهُ) verklaarde dat dit ḥadīth ḥasan ṣaḥīḥ is.

Uitleg van de aḥadīth 384 - 385

In deze Aḥadīth wordt de gebeurtenis beschreven van het “ophouden van de dood”. Volgens het uiterlijke begrip van de aḥadīth zal dit werkelijk plaatsvinden. Dat Allāhu (تعالى) de dood schept zoals Hij ook een dier schept, en dat deze vervolgens op een bepaalde plaats wordt gestopt en “geslacht”, is iets wat ook intellectueel niet onmogelijk is. Omdat Allāhu (تعالى) Almachtig is over alles, vallen al dit soort zaken binnen de sfeer van het mogelijke.

Daarnaast zijn de zaken van het hiernamaals anders dan de zaken van deze wereld. Ook het wegen van de daden (a‘māl) is hiervan een voorbeeld. In de ḥadīth is gezegd: “De boeken (kutub) of de daden (a‘māl) worden gewogen.” Dit staat in alle opzichten haaks op wat in deze wereld gebruikelijk is en op de gewone gewoonte (‘āda).

Tegelijkertijd is het ook mogelijk dat de gebeurtenis van het “ophouden van de dood” symbolisch bedoeld is. Op die manier zouden de mensen van Jannah, doordat zij volledig tevreden zijn met de zegeningen waarin zij zich bevinden, geen enkele zorg meer hebben over de dood. En de mensen van Jahannam zouden volledig de hoop verliezen om daaruit te worden gehaald of te ontsnappen. Want iedereen zal dan definitief weten dat de dood niet meer zal plaatsvinden; men zal als het ware zien dat de eigenschap van sterfelijkheid verdwenen is.

Wij geloven in wat authentiek is overgeleverd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en vinden het niet nodig om te diep in te gaan op de exacte aard ervan, want al deze zaken vallen binnen de macht van Allāhu (تعالى). Ook de opvatting van alle rechtgeleide madhhaib (rechtsscholen) gaat in dezelfde richting.

De ḥadīth waarin Allāhu (تعالى) zegt: “Degene in wiens hart zich een mosterdzaadje aan gewicht van īmān bevindt, haal hem eruit.”

Deze ḥadīth is overgeleverd door al-Bukhārī (رحمه الله) in deel 8, blz. 116, in Kitāb ar-Riqāq, in het hoofdstuk getiteld “De eigenschappen van Jannah en Jahannam”.

386. Van Mūsā ibn Ismā‘īl, van Wuhaib, van ‘Amr ibn Yaḥyā, van zijn vader, van Abū Sa‘īd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer de bewoners van Jannah Jannah zijn binnengegaan en de bewoners van Jahannam Jahannam zijn binnengegaan, zal Allāhu (تعالى) zeggen: “Haal degene in wiens hart zich een mosterdzaadje aan gewicht van īmān bevindt, haal hem (uit de Jahannam). Zij worden dan naar buiten gebracht, terwijl zij als verkoolde kolen zijn. Daarna worden zij in de rivier van het leven geworpen. Zij zullen daar weer groeien zoals een zaadje groeit dat door een vloed wordt meegevoerd en in aanslibbing terechtkomt.” Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei vervolgens: “Zien jullie niet hoe het geel en zacht opkomt?”

Deze ḥadīth is eveneens door al-Bukhārī overgeleverd in Kitāb al-Īmān, in het hoofdstuk “De onderlinge superioriteit van de mensen van īmān in hun daden”.

387. Van Ismā‘īl ibn Abī Uways ibn ‘Abdullāh al-Asbahī al-Madanī (de imam van Dār al-Hijrah, de neef van Imām Mālik), van Imām Mālik, van ‘Amr ibn Yaḥyā al-Māzinī, van zijn vader, van Abū Sa‘īd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De bewoners van Jannah gaan Jannah binnen en de bewoners van Jahannam gaan Jahannam binnen. Daarna zal Allāhu (تعالى) zeggen: “Haal degene in wiens hart zich een mosterdzaadje aan īmān bevindt (uit Jahannam). Zij worden naar buiten gebracht terwijl zij zwart verkoold zijn. Vervolgens worden zij in de rivier, of de rivier van het leven (hier twijfelde Imām Mālik), geworpen. Zij zullen daarin groeien zoals een zaadje groeit dat door een stroom wordt meegevoerd en aan de oever terechtkomt. Zien jullie niet hoe het geel en fris opkomt?”

Uitleg van de aḥadīth 386 - 387

“Degene in wiens hart zich een mosterdzaadje aan īmān bevindt…” wil zeggen: iemand die naast het fundamentele tawḥīd-geloof ook enige vorm van goedheid en īmān heeft. Omdat īmān geen materiële substantie is, kan het niet gewogen worden in termen van gewicht of volume. Wat hier bedoeld wordt, zijn de goede daden (a‘māl). Daden worden voorgesteld als substanties (jawāhir).

Volgens deze benadering verschijnen de daden in de Weegschaal: de daden in de schaal van goedheid worden gezien als witte, glanzende substanties, terwijl de daden in de schaal van zonden verschijnen als zwarte, duistere substanties.

Uit de uitspraak “Haal degene eruit in wiens hart een mosterdzaadje aan īmān bevindt…” heeft Imām al-Ghazālī (رحمه الله) de conclusie getrokken dat mensen uit Jahannam worden gehaald die de waarheid van īmān hebben begrepen, maar door de dood verhinderd werden om de shahāda uit te spreken.

Imām al-Ghazālī zegt verder dat wanneer iemand in staat is om de shahāda uit te spreken maar dit tot aan zijn dood niet doet, terwijl hij wel in zijn hart gelooft, dit wordt beschouwd als nalatigheid zoals het nalaten van de ṣalāh. Zo iemand blijft niet eeuwig in Jahannam. Tegelijkertijd bestaat ook een tegenovergestelde opvatting: volgens anderen buiten al-Ghazālī leidt het niet uitspreken van de shahāda tot eeuwig verblijf in Jahannam. Volgens deze opvatting moet de uitdrukking “in zijn hart” in de ḥadīth allegorisch worden opgevat, namelijk: “mits hij in staat was om wat in zijn hart is ook met zijn tong uit te spreken.”

Deze twee mogelijke interpretaties ontstaan doordat er meningsverschil is over de vraag of het uitspreken van de īmān met de tong tot de īmān zelf behoort, en dus noodzakelijk is voor de volledigheid ervan. Een groep geleerden accepteert deze opvatting, waaronder Imām Shamsuddīn en Fakhr al-Islām.

Anderen zeggen daarentegen dat het uitspreken met de tong slechts nodig is voor wereldlijke juridische oordelen. Dit is de mening van de meerderheid van de verifieerde geleerden. Shaykh Abū Manṣūr is ook van deze mening. De teksten van ḥadīth en Qur’ān zijn in dit onderwerp enigszins indirect (mutashābih). Ook al-Taftāzānī behoort tot degenen die dit zo uitleggen.

Bu ḥadīth is ook door Muslim overgeleverd in Kitāb al-Īmān. Echter, de keten (isnād) in de overlevering van al-Bukhārī is korter dan die van Muslim (dus er zitten minder overleveraars tussen de verteller en Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم)).

Dit wordt ‘uluw (hoogte van de isnād) genoemd, omdat in zo’n geval de graad van authenticiteit sterker wordt. Ook al-Nasā’ī heeft deze ḥadīth overgeleverd.

Deze ḥadīth weerlegt de opvatting van de Murji’ah, omdat hierin wordt duidelijk gemaakt dat zonden wél schadelijk zijn voor iemand, zelfs als hij īmān heeft. De Murji’ah stellen juist dat zonden geen schade veroorzaken zolang er īmān is.

De ḥadīth weerlegt ook de bewering van de Mu‘tazilah en anderen die zeggen dat iemand die grote zonden (kabā’ir) begaat eeuwig in Jahannam zal blijven.

O Allāh, bescherm ons met Uw genade tegen de Jahannam en breng ons samen met de rechtschapenen in de Jannah. Āmīn.

42. Jannah en Jahannam en wat hen omringt, en het voedsel van de bewoners van Jahannam

De ḥadīth “Jannah is omgeven door zaken die de ego (nafs) niet prettig vindt, en Jahannam is omgeven door zaken die de ego verlangt…”

Deze ḥadīth is overgeleverd door Imām at-Tirmidhī in zijn Jāmi‘, deel 2, blz. 92, in het hoofdstuk “De Jannah is omgeven door zaken die de nafs niet prettig vindt”.

388. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Toen Allāhu (تعالى) Jannah en Jahannam had geschapen, stuurde Hij Jibrīl (عليه السلام) naar Jannah en zei tegen hem: “Kijk ernaar en naar wat Ik voor zijn bewoners heb voorbereid”. Jibrīl kwam en keek naar Jannah en naar wat voor zijn bewoners was voorbereid. Hij keerde terug naar Allāhu (تعالى) en zei: ‘Bij Uw Eer (`Izzah), iedereen die ervan hoort zal erin willen binnengaan.’

Toen beval Allāhu (تعالى) dat Jannah werd omgeven met zaken die de nafs niet prettig vindt. Daarna zei Hij tegen Jibrīl: “Ga er opnieuw naartoe.” Jibrīl ging terug en zag dat het omgeven was door zaken die de nafs niet prettig vindt. Hij keerde terug en zei: “Bij Uq Eer (`Izzah), ik vrees dat niemand erin zal binnengaan.”

Vervolgens zei Allāhu (تعالى) tegen Jibrīl (عليه السلام): “Ga naar Jahannam en kijk naar haar en naar wat Ik daarin voor haar bewoners heb voorbereid.”Jibrīl (عليه السلام) ging en zag dat het vuur van Jahannam zich in elkaar verhief en delen ervan over andere delen heen sloegen. Daarna keerde hij terug en zei: “Bij Uw Eer (`Izzah), niemand die erover hoort zal daarin binnengaan.”Vervolgens beval Allāhu (تعالى) dat Jahannam werd omgeven met zaken die de nafs aantrekkelijk vindt en begeert.Daarna zei Hij tegen Jibrīl (عليه السلام): “Ga er opnieuw naartoe.”Jibrīl (عليه السلام) ging opnieuw kijken. Toen hij terugkeerde zei hij: “Bij Uw Eer (`Izzah), ik vrees dat niemand eraan zal ontsnappen en dat allen erin zullen binnengaan.”Abū ʿĪsā at-Tirmidhī (رحمه الله) zei dat deze ḥadīth ḥasan ṣaḥīḥ is.

Deze ḥadīth wordt door Abū Dāwūd vermeld in zijn Sunan, deel 4, blz. 185, in het hoofdstuk “De schepping van de Jannah en de Jahannam”:389.

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Toen Allāhu (تعالى) de Jannah schiep, zei Hij tegen Jibrīl (عليه السلام): ‘Ga erheen en bekijk het.’ Hij ging erheen, keek ernaar en kwam vervolgens terug. Toen zei hij: ‘Mijn Rab, bij Uw Eer (`Izaah), niemand die erover hoort zal nalaten het binnen te gaan.’ Daarop omringde Allāhu (تعالى) het met zaken die onaangenaam zijn voor de nafs, en Hij zei: ‘Ga opnieuw kijken.’ Jibrīl (عليه السلام) ging, bekeek het en kwam daarna terug. Hij zei: ‘Mijn Rab, ik vrees dat niemand het zal binnengaan.’ Toen Allāhu (تعالى) de Jahannam schiep, zei Hij tegen Jibrīl (عليه السلام): ‘O Jibrīl, ga erheen en bekijk haar.’ Jibrīl (عليه السلام) ging, keek ernaar en kwam vervolgens terug. Hij zei: ‘Bij Uw Eer (`Izaah), wie daar zal binnengaan, moet er geen enkel bericht over hebben gehoord.’ Daarop omringde Allāhu (تعالى) haar met zaken die aantrekkelijk zijn voor de nafs en zei: ‘O Jibrīl, ga er opnieuw naar kijken.’ Jibrīl (عليه السلام) ging, bekeek haar en zei deze keer: ‘Mijn Rab, bij Uw Eer (`Izaah), ik vreesde dat niemand zou overblijven die er niet binnenging.’Deze ḥadīth is ook door Ibn Mājah overgeleverd in zijn Sunan, in het hoofdstuk “Zweren bij de Eer van Allāh” (bijna dezelfde bewoordingen als de overlevering van at-Tirmidhī en Abū Dāwūd), via Abū Hurayrah (رضي الله عنه).

Uitleg van de aḥadīth 388 - 389

“De Jannah is omgeven door zaken die de nafs niet prettig vindt,” dat wil zeggen: Jannah is van alle kanten omgeven door handelingen waar de nafs geen genoegen in vindt. Wanneer iemand deze handelingen verricht, blijft hij ver verwijderd van de Jannah.Hier heeft de uitdrukking een beeldende, figuurlijke betekenis. Het betekent dat iemand Jannah niet kan bereiken zonder deze verplichtingen volledig en correct na te leven. Zaken zoals geduld bij beproevingen, rampen en moeilijkheden, en het verdragen van zware geboden voor de nafs, worden vergeleken met muren die vol zitten met doornen, roofdieren en gevaarlijke dieren zoals schorpioenen en slangen.

Die muren omringen een grote tuin van alle kanten. Niemand kan die tuin bereiken zonder deze angstaanjagende muren te overwinnen en zonder de pijn van doornen, beten en aanvallen van wilde dieren te verdragen tijdens het oversteken ervan. Zo is het ook met het bereiken van Jannah: het vereist een zware strijd en voortdurend geduld en volharding. Zo is de Jannah.

Men moet de strijd aangaan tegen de nafs en tegen de vijanden van Allāh, geduldig zijn met wat hem overkomt, tevreden zijn met het besluit van Allāh, en de geboden (en verboden) van de Islām op de beste manier uitvoeren. Hij zal de eeuwige, ononderbroken zegeningen van de Jannah nooit bereiken zonder de wereldse moeilijkheden te overwinnen door stand te houden tegenover alle soorten beproevingen die hem tegemoet zullen komen, door alle offers te brengen die vereist zijn door datgene wat hij verlangt, en door zijn leven en bezit op te offeren op de weg van zijn doel.

Dit eeuwige Jannah is de beloning die Allāhu (تعالى) heeft “gekocht” van de mu’mins door hun levens en bezittingen in ruil daarvoor te nemen.

Zoals Allāhu (تعالى) in Zijn Boek zegt:۞ إِنَّ ٱللَّهَ ٱشۡتَرَىٰ مِنَ ٱلۡمُؤۡمِنِينَ أَنفُسَهُمۡ وَأَمۡوَٰلَهُم بِأَنَّ لَهُمُ ٱلۡجَنَّةَۚ يُقَٰتِلُونَ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ فَيَقۡتُلُونَ وَيُقۡتَلُونَۖ وَعۡدًا عَلَيۡهِ حَقّٗا فِي ٱلتَّوۡرَىٰةِ وَٱلۡإِنجِيلِ وَٱلۡقُرۡءَانِۚ وَمَنۡ أَوۡفَىٰ بِعَهۡدِهِۦ مِنَ ٱللَّهِۚ فَٱسۡتَبۡشِرُواْ بِبَيۡعِكُمُ ٱلَّذِي بَايَعۡتُم بِهِۦۚ وَذَٰلِكَ هُوَ ٱلۡفَوۡزُ ٱلۡعَظِيمُ ١١١

Waarlijk, Allāh heeft van de gelovigen hun levens en hun bezittingen gekocht omdat er voor hen de Jannah is. Zij vechten voor de Zaak van Allāh, dus doden zij en worden gedood. Het is een belofte waar Hij Zich aan heeft verbonden, een Waarheid die (staat vermeld) in de Thora en de Indjiel en de Koran. En wie is trouwer aan Zijn verbond dan Allāh? Verheugt jullie daarom over jullie koop die jullie met Hem gesloten hebben. En dat is de geweldige overwinning. (Tawbah, 9:111)

De Jahannam is daarentegen omgeven door zaken waartoe de menselijke nafs van nature geneigd is, en waarin zij geen moeite of zware inspanning ervaart, maar die zij eerder met verlangen en plezier verricht. De Jahannam is een zeer slechte verblijfplaats en een slechte woonplaats. Rondom haar bevinden zich echter dingen die de nafs begeert en waar het oog van geniet. De nafs neigt naar deze zinnelijke verlangens.

Vervolgens volgt zij deze begeerten, in de veronderstelling dat zij ver verwijderd is van het in de Jahannam vallen, en geniet zij ervan.

De genoegens die de nafs ervaart door haar verlangens te volgen, wekken in haar het verlangen naar steeds grotere genoegens. Zodra zij een bepaald genoegen heeft verkregen, gaat zij op zoek naar iets dat nog meer voldoening geeft. De nafs neemt geen genoegen met wat zij al heeft bereikt; telkens wanneer zij een begeerd genoegen verkrijgt, richt zij zich op iets dat zij nog aantrekkelijker en begeerlijker acht.

Op deze manier wordt de nafs niet wakker uit haar achteloosheid (ghaflah) totdat zij alle muren van genoegens heeft doorbroken. Wanneer zij deze muren doorbreekt, valt zij zonder het te beseffen in het vuur van de Jahannam. Daarna wil zij eruit ontsnappen, maar niemand heeft de kracht om dat te bewerkstelligen.

Elke mens neigt van nature naar deze begeerten. Vooral iemand die zich in een corrupte omgeving bevindt en in een slechte samenleving leeft, volgt zijn verlangens tot aan zijn dood en stort zich erin zonder te beseffen dat zijn ware redding īmān en goede daden zijn. Zo valt hij in Jahannam.

Daarom zei Jibrīl (عليه السلام), toen hij zag dat Jahannam omgeven was door zaken die de nafs aantrekkelijk vindt: “Bij Uw Eer (`Izzah), ik vrees dat niemand eraan zal ontsnappen en erin zal vallen, ” dat wil zeggen: als iemand van de ongelovige mushrikīn is, zal hij er eeuwig in verblijven. En als iemand met īmān is maar Allāh ongehoorzaam is door het begaan van verboden daden die de nafs aantrekkelijk vindt, zal hij er binnengaan om gezuiverd te worden van zijn zonden en daarna op termijn eruit worden gehaald.

O Allāh, beschermen ons tegen de Jahannam en breng samen met de godvrezenden in Uw Jannah. Āmīn. Alle lof behoort aan Allāh, de Heer der werelden.

De ḥadīth: “Er zal honger te zien zijn bij de bewoners van Jahannam…”

Deze ḥadīth is door at-Tirmidhī (رحمه الله) overgeleverd in deel 2, blz. 96–97, in het hoofdstuk “De eigenschappen van het voedsel van de bewoners van Jahannam”.

390. Van Abū ad-Dardā’ (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De bewoners van Jahannam worden door honger overvallen. Deze honger is gelijk aan de bestraffing waarin zij zich bevinden.Zij vragen om hulp en krijgen voedsel dat bestaat uit een stinkende doornige plant. Dit verzadigt noch hun honger noch is het nuttig voor hun lichaam.Zij vragen opnieuw om voedsel. Deze keer krijgen zij voedsel dat in de keel blijft steken. Zij herinneren zich dat zij in de wereld bij verstikking in hun keel met drinken plachten te verhelpen. Daarom vragen zij om water. In ijzeren boeien geklemd krijgen zij een kokende, brandende drank te drinken.Wanneer deze hun gezicht nadert, verschroeit het hun gezichten. Wanneer het in hun buik komt, verscheurt het wat zich in hun buik bevindt.Zij zeggen: ‘Roep de wachters van Jahannam.’ Zij antwoorden: ‘Zijn jullie niet door jullie boodschappers met duidelijke bewijzen tot jullie gekomen?’ Zij zeggen: ‘Ja.’ Zij (de wachters) zeggen: ‘Roep dan maar; het roepen van de kāfirs leidt slechts tot niets.’Daarna zeggen de bewoners van Jahannam: ‘Roep Mālik (de bewaker van Jahannam).’ Vervolgens zeggen zij: ‘O Mālik, laat jullie Rab ons sterven.’ Hij antwoordt: ‘Jullie zullen blijven zoals jullie zijn.’Al-A‘mash zei: mij is overgeleverd dat er duizend jaar verstrijkt tussen hun roep en de reactie van Mālik.Dan zeggen zij: ‘Roep jullie Rab aan (verricht du`ā’); er is niemand hoger dan jullie Rab.’ Vervolgens zeggen zij: ‘Onze Rab, onze eigen overtredingen hadden ons overweldigd en wij waren een dwalend volk geworden. Onze Rab, haal ons hieruit; als wij terugkeren naar het kwaad, zullen wij zeker tot de onrechtplegers behoren.’Allāhu (تعالى) antwoordt: ‘Blijf daarin en spreek niet meer tot Mij.’ Daarna beginnen zij te schreeuwen, te zuchten en ‘wee ons!’ te roepen.”

‘Abdullāh ibn ‘Abdurraḥmān zei: “De mensen geven deze ḥadīth niet door met zijn volledige isnād.” Abū ‘Īsā at-Tirmidhī zegt: “Wij kennen deze ḥadīth via al-A‘mash.” ‘Abdullāh ibn ‘Abdurraḥmān is de eerste in de keten, wat betekent dat at-Tirmidhī deze ḥadīth van hem heeft overgenomen.

Uitleg van de 390ste ḥadīth

“De bewoners van Jahannam worden door honger overvallen,” dat wil zeggen: Allāhu (تعالى) laat hen honger lijden, en door die honger raken zij in grote benauwdheid en pijn.”

“Deze (honger) is gelijk aan de bestraffing waarin zij zich bevinden,” dat wil zeggen: de pijn en het leed dat zij door honger ervaren is gelijk aan de pijn en het leed van de bestraffing waarin zij al verkeren.

“Zij vragen om hulp,” dat wil zeggen: zij vragen om iets dat hun honger en lijden kan wegnemen, namelijk voedsel.

“Zij vragen om hulp en krijgen voedsel dat bestaat uit een stinkende doornige plant. Dit verzadigt noch hun honger noch is het nuttig voor hun lichaam”, dat wil zeggen: het is geen voedsel zoals in de wereld, dat kracht geeft of honger stilt. Het heeft geen enkel voordeel voor het menselijk lichaam. Toch worden zij ertoe gedwongen, omdat zij door extreme honger en lijden niet anders kunnen.

Wanneer zij opnieuw om hulp vragen, krijgen zij voedsel dat hun keel verstikt. Zij herinneren zich dat zij in de wereld verstikkingen in de keel met drinken plachten op te lossen, en daarom vragen zij om water. In ijzeren boeien geklemd krijgen zij een kokende, brandende drank te drinken. Wanneer het hun gezicht nadert, verschroeit het hun gezicht; wanneer het in hun buik komt, verbrandt het hun ingewanden.

Allāhu (تعالى) zegt hierover in de Qur’ān: ۞ هَٰذَانِ خَصۡمَانِ ٱخۡتَصَمُواْ فِي رَبِّهِمۡۖ فَٱلَّذِينَ كَفَرُواْ قُطِّعَتۡ لَهُمۡ ثِيَابٞ مِّن نَّارٖ يُصَبُّ مِن فَوۡقِ رُءُوسِهِمُ ٱلۡحَمِيمُ ١٩Deze twee tegenstanders redetwisten met elkaar over hun Heer.

Voor degenen die ongelovig zijn zal er kleding van vuur uitgesneden worden, kokend water zal over hun hoofden uitgegoten worden.يُصۡهَرُ بِهِۦ مَا فِي بُطُونِهِمۡ وَٱلۡجُلُودُ ٢٠Daarmee zal alles wat in hun buiken is smelten of verdwijnen, en ook (hun) huiden.وَلَهُم مَّقَٰمِعُ مِنۡ حَدِيدٖ ٢١En voor hen zijn er kromme ijzeren staven.كُلَّمَآ أَرَادُوٓاْ أَن يَخۡرُجُواْ مِنۡهَا مِنۡ غَمٍّ أُعِيدُواْ فِيهَا وَذُوقُواْ عَذَابَ ٱلۡحَرِيقِ ٢٢Iedere keer als zij daarvan weg proberen te komen, uit leed, worden zij daartoe terug gedreven en (er zal) tegen hen gezegd worden: “Proef de bestraffing van het branden!” (Ḥaj, 22:19–22)

Zij zeggen: “Roep de wachters van Jahannam,” dat wil zeggen: zij roepen elkaar toe en zeggen dat zij de wachters van Jahannam moeten oproepen om Allāhu (تعالى) te vragen hen van deze bestraffing te verlossen. De wachters van Jahannam antwoorden hen echter om hen te berispen en hen te laten erkennen dat zij het verdiend hebben. Zij zeggen: “Zijn jullie niet door jullie boodschappers met duidelijke bewijzen tot jullie gekomen?”Zij antwoorden: “Ja.” Dan zeggen de wachters: “Roep dan maar, ” dat wil zeggen: als jullie willen, vraag zelf aan Allāh; jullie zijn niet in de positie van degenen voor wie voorspraak wordt aanvaard.

“Het roepen van de kāfirs is niets anders dan vergeefs,” dat wil zeggen: het gaat verloren, het brengt geen enkel voordeel en wordt niet in aanmerking genomen.Daarna roepen de bewoners van Jahannam Mālik, de hoofdwachter van Jahannam, en zeggen: “O Mālik, laat jouw Rab ons sterven,” dat wil zeggen: “Vraag aan jouw Rab voor ons dat onze dood wordt beslist, zodat wij sterven en van deze pijnlijke bestraffing worden bevrijd.”

Maar Mālik antwoordt: “Jullie zullen blijven zoals jullie zijn.” Allāhu (تعالى) zegt hierover in de Qur’ān:وَٱلَّذِينَ كَفَرُواْ لَهُمۡ نَارُ جَهَنَّمَ لَا يُقۡضَىٰ عَلَيۡهِمۡ فَيَمُوتُواْ وَلَا يُخَفَّفُ عَنۡهُم مِّنۡ عَذَابِهَاۚ كَذَٰلِكَ نَجۡزِي كُلَّ كَفُورٖ ٣٦Maar degenen die ongelovig zijn, voor hen zal het vuur van de Jahannam zijn. En er is geen beschikking (om dood te gaan) voor hen bepaald, zodat zij zullen sterven, noch zal de bestraffing voor hen verlicht worden. Dus Zo vergelden Wij elke ongelovige! (Fāṭir, 35:36)Wanneer de bewoners van de Jahannam de hoop verliezen op iedereen van wie zij verwachtten dat hun smeekbeden hun voordeel zouden kunnen brengen, wenden zij zich tot Allāhu (تعالى) en zoeken zij hun toevlucht bij Hem. Zij zeggen: “Roep jullie Rab aan; er is niemand die hoger staat dan jullie Rab.” Daarna erkennen zij hun zonden en zeggen: ‘Onze Rab, onze eigen overtredingen hadden ons overweldigd en wij waren een dwalend volk geworden.

Onze Rab, haal ons hieruit; als wij terugkeren naar het kwaad, zullen wij zeker tot de onrechtplegers behoren.’Allāhu (تعالى) zal hun daarop antwoorden: “Blijf daar vernederd en verworpen zitten en spreek niet tot Mij,” dat wil zeggen: blijf stil en onderworpen in de Jahannam zolang zij jullie vasthoudt; onderwerp jullie zoals honden zich onderwerpen. Spreek niet met Mij om te vragen uit de Jahannam te worden gehaald.Op dat moment verliezen zij alle hoop op enig goed. Daarna beginnen zij te schreeuwen, te jammeren en te weeklagen.O Allāh, beschermen ons tegen de bestraffing van de Jahannam. Āmīn.

43. De mu’mins die hun Rab zullen zien en de toespraak van Allāhu (تعالى) tot de bewoners van Jannah

De hadīth over het bewijs dat de mu’mins hun Rab in het Hiernamaals zullen zien.

Deze ḥadīth is door Imām Muslim (رحمه الله) overgeleverd (volgens de voetnoot van al-Qasṭallānī, deel 2, blz. 107):

391. Van ‘Ubaydullāh ibn ‘Umar ibn Mayserah, van ‘Abdurraḥmān ibn Mahdī, van Ḥammād ibn Salama, van Thābit al-Bunānī, van ‘Abdurraḥmān ibn Abī Laylā, van Shuhaib (رضي الله عنه) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer de bewoners van Jannah, de Jannah binnengaan, zal Allāh تَبَارَكَ وَتَعَالَى zeggen: ‘Willen jullie nog iets dat Ik voor jullie kan vermeerderen?’ Zij zullen zeggen: ‘Hebt U onze gezichten niet verlicht, ons niet de Jannah binnengebracht en ons niet gered van de bestraffing van Jahannam?’Daarna zal de sluier worden opgeheven.Er is de paradijsbewoners geen grotere gunst geschonken dan het aanschouwen van (het Aangezicht van) hun Rab

392. Muslim heeft deze ḥadīth ook met dezelfde isnād in een andere overlevering vermeld, met de toevoeging dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) toen de volgende āyah reciteerde:۞ لِّلَّذِينَ أَحۡسَنُواْ ٱلۡحُسۡنَىٰ وَزِيَادَةٞۖ وَلَا يَرۡهَقُ وُجُوهَهُمۡ قَتَرٞ وَلَا ذِلَّةٌۚ أُوْلَٰٓئِكَ أَصۡحَٰبُ ٱلۡجَنَّةِۖ هُمۡ فِيهَا خَٰلِدُونَ ٢٦Voor degenen die het goede hebben gedaan is er het beste en zelfs nog meer. Grauwheid noch vernedering zal hun gezichten bedekken. Zij zijn de bewoners van de Jannah, en zij zullen daarin voor altijd verblijven. (Yūnus, 10:26)

Ibn Mājah heeft ook een ḥadīth overgeleverd die het zien van Allāh door de gelovigen bevestigt, met een andere bewoording: 393. Van Jābir ibn ‘Abdullāh (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:“Terwijl de bewoners van Jannah zich in de zegeningen bevinden die hun zijn gegeven, verschijnt er plotseling een licht.

Zij heffen hun hoofden op en zien dat hun Rab (تعالى) zich aan hen openbaart.Allāhu (تعالى) zegt: ‘As salamu `alaykum, o bewoners van Jannah.’Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Dit is wat bedoeld wordt in de woorden van Allāhu (تعالى):سَلَٰمٞ قَوۡلٗا مِّن رَّبّٖ رَّحِيمٖ ٥٨(Er wordt hen gezegd:) “Vrede zij met u.” Een woord van een Meest Barmhartige Heer. (Yāsīn, 36:58)Daarna vervolgde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Hij kijkt naar hen en zij kijken naar Hem. Zolang zij naar Hem kijken, schenken zij geen aandacht aan iets van de zegeningen om hen heen, totdat er een sluier wordt geplaatst. Daarna blijft Zijn licht en zegen over hen en over hun verblijfsplaatsen.”

Deze ḥadīth is ook door Ibn Mājah overgeleverd:394. Van Shuhaib (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) reciteerde de woorden van Allāhu (تعالى):۞ لِّلَّذِينَ أَحۡسَنُواْ ٱلۡحُسۡنَىٰ وَزِيَادَةٞۖ وَلَا يَرۡهَقُ وُجُوهَهُمۡ قَتَرٞ وَلَا ذِلَّةٌۚ أُوْلَٰٓئِكَ أَصۡحَٰبُ ٱلۡجَنَّةِۖ هُمۡ فِيهَا خَٰلِدُونَ ٢٦Voor degenen die het goede hebben gedaan is er het beste en zelfs nog meer. Grauwheid noch vernedering zal hun gezichten bedekken. Zij zijn de bewoners van de Jannah, en zij zullen daarin voor altijd verblijven. (Yūnus, 10:26)Daarna zei hij: “Wanneer de bewoners van Jannah, de Jannah zijn binnengegaan en de bewoners van Jahannam, de Jahannam, zal een roeper roepen: ‘O bewoners van Jannah, bij Allāh is er voor jullie een belofte die Hij wil vervullen.’De bewoners van Jannah zullen zeggen: ‘Wat is die belofte?

Heeft Allāh onze Weegschaal niet zwaar laten wegen met goede daden, onze gezichten niet verlicht, ons niet de Jannah binnengebracht en ons niet gered van de bestraffing van Jahannam?’Op dat moment zal de sluier worden weggenomen, en zij zullen naar hun Rab kijken. Bij Allāh, Allāhu (تعالى) heeft de bewoners van de Jannah geen gunst geschonken die geliefder voor hen is en hun ogen meer vreugde en licht geeft dan het aanschouwen van Hem.”

De auteur van de commentaar (marginale aantekening) op Sunan Ibn Mājah zegt: hieruit blijkt dat Allāhu (تعالى) alle begeerte uit de harten van de bewoners van Jannah verwijdert. Hij geeft hen bovendien iets wat zij niet eens hadden verlangd als extra gunst, en Hij maakt hen tevreden met Zijn genade.

Deze ḥadīth is ook door at-Tirmidhī, an-Nasā’ī en anderen overgeleverd via de keten van Ḥammād ibn Salamah, van Thābit, van Ibn Abī Laylā, van Shuhaib, van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).

Uitleg van de aḥadīth 391 - 394

Imām an-Nawawī (رحمه الله) zegt in zijn uitleg van de ḥadīth over het zien van Allāhu (تعالى) (Ruʾyatullāh) Weet dat de geleerden twee benaderingen hebben met betrekking tot de teksten over de eigenschappen van Allāh.De eerste benadering is die van de meeste of alle geleerden van de salaf. Zij zeggen dat men in deze teksten moet geloven zoals zij zijn overgeleverd, zonder zich bezig te houden met het zoeken naar een diepere interpretatieve uitleg van de betekenis. Men moet geloven dat zij een betekenis hebben die past bij de majesteit en verhevenheid van Allāhu (تعالى), terwijl men tegelijk absoluut zeker is dat niets op Hem lijkt en dat Hij verheven is boven alle eigenschappen van de schepping. Deze benadering is ook door sommige theologen (mutakallimūn) aanvaard, en zij beschouwen dit als de veiligste weg voor het geloof.

De tweede benadering is die van de meerderheid van de kalāmgeleerden (mutakallimūn). Volgens hen worden de teksten over de eigenschappen van Allāh soms geïnterpreteerd (ta’wīl), in overeenstemming met de fundamentele geloofsprincipes en met inachtneming van de regels van de Arabische taal. (Over dit onderwerp is eerder al uitvoerige uitleg gegeven.) Imām an-Nawawī (رحمه الله) in zijn Sharḥ Ṣaḥīḥ Muslim.

De hadīth over de toespraak van Allāhu (تعالى) tot de bewoners van Jannah

Deze ḥadīth is door al-Bukhārī overgeleverd (deel 8, en volgens al-Qasṭallānī deel 9, blz. 319) in Kitāb ar-Riqāq, in het hoofdstuk “De eigenschappen van Jannah en Jahannam”.

395. Van Mu‘ādh ibn Asad, van ‘Abdullāh, van Mālik ibn Anas, van Zayd ibn Aslam, van ‘Aṭā’ ibn Yasār, van Abū Sa‘īd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) zal de bewoners van Jannah toespreken en zeggen: ‘O bewoners van Jannah!’ Zij zullen zeggen: ‘Wij antwoorden U, onze Rab, en wij gehoorzamen U, onze Rab.’Allāhu (تعالى) zal zeggen: “Zijn jullie tevreden?”Zij zullen zeggen: “Waarom zouden wij niet tevreden zijn, terwijl U ons gegeven hebt wat U niemand van Uw schepping heeft gegeven?”Allāhu (تعالى) zal zeggen: “Ik zal jullie iets geven dat nog beter is dan dat.”Zij zullen zeggen: “O onze Rab, wat kan beter zijn dan dit?”Hij zal zeggen: “Ik schenk jullie Mijn welbehagen (ridā’). Daarna zal Ik nooit meer boos op jullie zijn.”

Deze ḥadīth is door al-Bukhārī ook overgeleverd in Kitāb at-Tawḥīd, in het hoofdstuk “De toespraak van de Rab met de bewoners van Jannah”.

396. In Ṣaḥīḥ al-Bukhārī (deel 9, blz. 151; volgens al-Qasṭallānī deel 10, blz. 251) wordt deze ḥadīth eveneens van Abū Sa‘īd al-Khudrī (رضي الله عنه) overgeleverd, en de bewoording is vrijwel dezelfde als in de eerder genoemde versie.Alleen staat daar in plaats van de uitspraak “Ik zal jullie iets geven dat nog beter is”, de formulering: “Willen jullie niet dat Ik jullie iets geef dat nog beter is?”Deze ḥadīth is ook door Muslim overgeleverd in zijn Ṣaḥīḥ in het hoofdstuk “De zegeningen van Jannah en zijn bewoners”.At-Tirmidhī heeft deze ḥadīth eveneens vermeld in deel 2, blz. 91 en verklaard dat het een ḥadīth is die ḥasan ṣaḥīḥ is. De tekst bij at-Tirmidhī komt eveneens dicht in de buurt van de versie van al-Bukhārī in Kitāb ar-Riqāq, en bevat ook de formulering: “Willen jullie niet dat Ik jullie iets geef dat nog beter is?”

Uitleg van de aḥadīth 395-396

In al-Fatḥ wordt gezegd dat in deze ḥadīth een verwijzing zit naar de āyah:

وَعَدَ ٱللَّهُ ٱلۡمُؤۡمِنِينَ وَٱلۡمُؤۡمِنَٰتِ جَنَّٰتٖ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهَا ٱلۡأَنۡهَٰرُ خَٰلِدِينَ فِيهَا وَمَسَٰكِنَ طَيِّبَةٗ فِي جَنَّٰتِ عَدۡنٖۚ وَرِضۡوَٰنٞ مِّنَ ٱللَّهِ أَكۡبَرُۚ ذَٰلِكَ هُوَ ٱلۡفَوۡزُ ٱلۡعَظِيمُ ٧٢Allāh heeft de gelovige mannen en vrouwen Tuinen beloofd waar rivieren onderdoor stromen, om daarin voor altijd te verblijven. En goede verblijfplaatsen in de Tuinen van Eden (‘Adn). Maar het genoegen van Allāh is beter en machtiger. Een overweldigend succes. (Tawbah, 9:72)

Want het welbehagen van Allāhu (تعالى) is de oorzaak van alle redding en geluk. Wanneer iemand weet dat zijn meerdere tevreden over hem is, dan geeft dat hem innerlijke verlichting en wordt dat voor zijn hart geliefder dan alle andere zegeningen. Dit komt doordat het welbehagen van de meerdere een vorm van eer en gunst is die hem wordt geschonken.

Imām at-Ṭayyibī (رحمه الله) zegt ook: de hoogste vorm van karāmah (eer en wonderlijke gunst) is het zien van Allāhu (تعالى).

De auteur van al-Miftāḥ zegt dat het gebruik van het woord riḍwān (welbehagen) in onbepaalde vorm (nakirah) in de ḥadīth erop duidt dat zelfs een klein deel van het welbehagen van Allāh groter is dan alle paradijzen en al hun zegeningen.

At-Ṭayyibī (رَحِمَهُ اللهُ) legt vervolgens uit dat deze uitdrukking het best kan worden opgevat als een verwijzing naar verhevenheid en grootsheid. Daarmee wordt bedoeld dat de grote riḍwān, die in verband wordt gebracht met de Naam van Allāhu (تعالى), de Meest Gulle, wordt voorgesteld als de hoogste, meest verheven en meest voortreffelijke gave.

Het feit dat Allāhu (تعالى) Zichzelf aan Zijn geliefde dienaren toont, behoort tot Zijn grootste gunsten, en dit is de hoogste vorm van karāmah. Zo komt de betekenis van deze ḥadīth overeen met de betekenis van de āyah.

Allāhu (تعالى) schrijft de riḍwān toe aan Zichzelf, maar drukt dit uit in de vorm van een metaforische uitdrukking door te zeggen: “Ik schenk jullie Mijn welbehagen.” Hiermee wordt Zijn welbehagen vergeleken met geschenken die een grote heerser aanbiedt aan zijn gasten.

O Allāh, schenk ons te midden van de genietingen van de Jannah, de gunst om Uw Edel Aangezicht te aanschouwen. Āmīn, yā Rabba’l-‘Ālamīn.

De ḥadīth over het verzoek van sommige bewoners van de Jannah aan hun Rab om te mogen zaaien.

Deze ḥadīth is door al-Bukhārī (رحمه الله) overgeleverd in deel 9, blz. 151, in Kitāb at-Tawḥīd, in het hoofdstuk “De toespraak van de Rab met de bewoners van Jannah”.

397. Van Muhammad ibn Sinān, van Fulayḥ, van Hilāl, van ‘Aṭā’ ibn Yasār, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een man uit de bewoners van Jannah vroeg zijn Rab toestemming om te mogen zaaien. Allāhu (تعالى) zei: ‘Ben je niet al in alles voorzien wat je wenst?’Hij zei: ‘Ja, maar ik houd van zaaien.’Toen kreeg hij haastig toestemming en hij wierp zijn zaad uit. In korte tijd begon het te groeien, te rijpen en werd het geoogst, tot het als bergen werd.Toen zei Allāhu (تعالى): ‘Neem het, o zoon van Ādam, want niets kan jou ooit verzadigen.’Een bedoeïen die erbij aanwezig was zei daarop: “O Rasūlullāh, dit moet wel iemand uit de Quraysh of de Anṣār zijn, want zij houden zich bezig met landbouw. Wij zijn geen mensen van landbouw.”Daarop lachte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).

Deze ḥadīth is ook door al-Bukhārī (رحمه الله) overgeleverd in Kitāb al-Muzāra‘a, na het hoofdstuk “Het verhuren van land voor goud”, in een afzonderlijk hoofdstuk.

Uitleg van de 397ste ḥadīth

In de ḥadīth worden uitdrukkingen gebruikt zoals “hij vroeg toestemming” en “Hij zei”. Het gebruik van werkwoorden in de verleden tijd (fi‘l māḍī) heeft hier de betekenis van bevestiging en zekerheid. Het is een stijlfiguur die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gebruikt wanneer hij spreekt over de zegeningen van Jannah, alsof alles reeds werkelijkheid is geworden. Dergelijke formuleringen komen ook in andere aḥādīth voor. In betekenis komt het neer op: “hij zal vragen” of “Hij zal zeggen”.

Deze ḥadīth laat ook zien dat de mens, zelfs wanneer hij volledig onafhankelijk en verzadigd is, toch een vorm van verlangen kan hebben naar ervaringen die hij eerder kende in het wereldse leven.

De hadīth over de markt van Jannah

Deze ḥadīth is door Imām at-Tirmidhī (رحمه الله) overgeleverd in zijn Jāmi‘, deel 2, blz. 89–90, in het hoofdstuk “Over de overleveringen betreffende de markt van Jannah”.

398. Van Sa‘īd ibn al-Musayyib: hij ontmoette eens Abū Hurayrah (رضي الله عنه), hij zei tegen Saʿīd ibn al-Musayyib: “Ik hoop dat Allāhu (تعالى) mij en jou samenbrengt op de markt van de Jannah.”Sa‘īd vroeg: “Is er daar ook een markt?”Abū Hurayrah antwoordde: “Ja. Rasûlullāh heeft mij verteld dat wanneer de bewoners van Jannah, de Jannah zijn binnengegaan, zij de overblijfselen van hun goede daden naar die markt brengen. Daarna wordt hen toestemming gegeven om daar te verblijven gedurende een tijd die overeenkomt met de dag van vrijdag in de wereld.”

Rab wordt door hen bezocht, en de ‘Arsh (Troon) wordt aan hen zichtbaar gemaakt. De ‘Arsh wordt geplaatst in een van de tuinen van Jannah. Voor hen, de bewoners van Jannah, worden minbars (verhoogde zetels) gemaakt van licht, goud en zilver.

Onder hen is niemand van geringe rang. Zelfs degenen die de laagste positie innemen, verblijven op zetels van misk en kāfūr. Zij zullen niet merken dat anderen een hogere rang of een verhevener plaats hebben dan zijzelf.Abū Hurayrah zei: Ik vroeg: “O Rasūlullāh, zullen wij onze Rab zien?” Hij antwoordde: “Ja. Twijfelen jullie eraan dat jullie de zon zien wanneer er geen wolken zijn, of de maan op de veertiende nacht?”Wij zeiden: “Nee.”Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Zo zullen jullie ook jullie Rab zien, zonder twijfel.”Er zal niemand aanwezig zijn in die bijeenkomst of Allāh zal rechtstreeks met hem spreken. Hij zal zeggen: “O zoon van zo-en-zo, herinner je je die en die dag?” en Hij zal hem enkele van zijn overtredingen in de wereld herinneren.De dienaar zal zeggen: “O mijn Rab, hebt U mij dat niet vergeven?”Allāhu (تعالى) zal zeggen: “Ja. De wijdheid van Mijn vergeving heeft jou tot deze plaats gebracht die jij nu hebt.”Terwijl zij zich in deze toestand bevinden, worden zij bedekt door een wolk, en er wordt een aangename geur op hen neergelaten waarvan zij nooit eerder een gelijke hebben geroken.Daarna zegt onze Rab تَبَارَكَ وَتَعَالَى: “Ga naar de zegeningen die Ik voor jullie heb voorbereid en neem wat jullie verlangen.”Zij gaan naar een markt omringd door engelen. Ogen hebben zoiets nog nooit gezien, oren hebben er nooit over gehoord en harten hebben zich zoiets nooit kunnen voorstellen.

Alles wat zij wensen wordt hun gegeven. In die markt is er geen kopen of verkopen (handel).De bewoners van Jannah ontmoeten elkaar daar. Iemand met een hoge rang ontmoet iemand met een lagere rang, en ondanks het verschil in positie is er geen jaloezie of verdriet. Wanneer zij elkaar ontmoeten en spreken, wordt hun kleding nog mooier en verfijnder.De reden hiervoor is dat er in Jannah geen verdriet of leed past. Daarna keren zij terug naar hun woningen.Hun echtgenotes ontvangen hen en zeggen: “Welkom, je bent teruggekomen met een mooier uiterlijk dan toen je vertrok.”De persoon antwoordt: “Vandaag hebben wij onze Rabbu’l Jabbār ontmoet, en daarom is deze verandering in ons een recht dat ons toekomt.”

Abū ‘Īsā at-Tirmidhī (رحمه الله) zegt: deze ḥadīth is gharīb. Wij kennen geen andere overleveringsketen dan deze. Suwayd ibn ‘Amr overlevert een deel van deze ḥadīth van al-Awzā‘ī.

Opmerking: Suwayd ibn ‘Amr behoort niet tot de personen die in deze isnād worden genoemd, terwijl de naam van al-Awzā‘ī wel in de keten voorkomt.

Deze ḥadīth is ook door Ibn Mājah overgeleverd in zijn Sunan (deel 2, blz. 307) van Abū Hurayrah (رضي الله عنه). Daar wordt een extra toevoeging vermeld:

399. “Voor hen worden minbars geplaatst van licht, parels, robijn, smaragd, goud en zilver.”

En op een andere plaats staat: “Allāhu (تعالى) zal ieder afzonderlijk aanspreken, zonder dat iemand van de aanwezigen wordt overgeslagen. Hij zal tegen een persoon zeggen: ‘O zo-en-zo, herinner je je de dag waarop jij dit en dat deed?’ en Hij zal hem enkele van zijn overtredingen in de wereld laten herinneren.De dienaar zal zeggen: ‘O mijn Rab, hebt U mij niet vergeven?’Allāhu (تعالى) zal zeggen: ‘Ja. Door de wijdheid van Mijn vergeving heb jij deze rang bereikt.’ Daarna gaat de ḥadīth verder zoals eerder vermeld.

In de overlevering van Ibn Mājah staat ook dat in plaats van “alles wat wij wensen wordt ons gegeven” de uitdrukking wordt gebruikt: “wij dragen alles wat wij wensen met ons mee.”

Uitleg van de aḥadīth 398-399

Met de term “markt van Jannah” wordt een plaats bedoeld waar de mu’mins in het Hiernamaals samenkomen. Daar zullen zij zaken zien die geen oog ooit heeft gezien, geen oor ooit heeft gehoord en die nooit in het hart van een mens zijn opgekomen. Deze voorstelling wordt vergeleken met markten in de wereld, omdat mensen daar elkaar ontmoeten.

Daar ontmoeten de bewoners van Jannah elkaar in een toestand van vreugde, vanwege wat hen en hun broeders aan zegeningen is gegeven.

De uitdrukking “zij bezoeken hun Rab, en de ‘Arsh wordt aan hen zichtbaar gemaakt; de ‘Arsh wordt geplaatst in een tuin van Jannah” behoort tot de aḥadīth over de goddelijke eigenschappen (ṣifāt). Dit zijn teksten die tot de mutashābih (meerduidige) teksten behoren. Eerder is al uitvoerig uitgelegd welke methode de geleerden volgen bij dergelijke teksten.

De latere geleerden (khalaf) hebben deze uitdrukkingen geïnterpreteerd en zeggen dat hier bedoeld wordt: er verschijnt een engel van Allāh aan hen, of dat in die tuin de genade en gunsten van Allāhu (تعالى) aan hen worden getoond. Allāhu (تعالى) is verheven boven elke gelijkenis met Zijn schepping.

De uitspraak “Er zal niemand aanwezig zijn of Allāh zal rechtstreeks met hem spreken,” betekent dat Allāhu (تعالى) ieder afzonderlijk zal aanspreken en met hem zal spreken over zijn daden. Hij zal hem herinneren aan wat hij in de wereld heeft gedaan en dat Hij deze daden heeft vergeven door Zijn barmhartigheid en vergeving.

Sommige grote zonden worden hem ook herinnerd, vooral die betrekking hebben op het schenden van toevertrouwde verantwoordelijkheden (amānah), en dat Allāhu (تعالى) deze heeft vergeven.

In deze markt ontmoeten de mu’mins elkaar. Zij maken kennis met elkaar, feliciteren elkaar en ervaren vreugde om elkaar. In Jannah is er voor niemand verdriet, en niemand zal zich verheven voelen boven een ander.

Allen zijn tevreden met wat hen gegeven is. Zij bevinden zich in rust en vreugde. Allāhu (تعالى) zegt in de Qur’ān: وَنَزَعۡنَا مَا فِي صُدُورِهِم مِّنۡ غِلٍّ إِخۡوَٰنًا عَلَىٰ سُرُرٖ مُّتَقَٰبِلِينَ ٤٧En Wij zullen alle wrok uit hun hart uitroeien, (dus het zal zijn alsof) broeders tegenover elkaar op rustbanken zitten. (Ḥijr, 15:47)

Na deze ‘markt’ keren zij terug naar hun echtgenotes. Zij zullen een schoonheid hebben die door niemand beschreven kan worden.

O Allāh, schenk ons Uw Jannah en Uwq zegeningen, eer ons met het aanschouwen van Uw edele Aangezicht, en brengen ons samen met de anbiyā, de ṣiddīqīn, de shuhadā en de salihûn. Zij zijn de beste metgezellen. Āmīn. En alle lof behoort aan Allāh, de Rab der werelden.

De ḥadīth over de uitspraak van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) betreffende degenen die deelnamen aan Badr: “Doe wat jullie willen, Allāh heeft jullie vergeven” 136

Uitleg van de 181ste ḥadīth 137

De ḥadīth over de toespraak met Jābir (رضي الله عنه) na de martelaarschap van zijn vader `Abdullah 139

Uitleg van de aḥadīth 182-183 140

De ḥadīth over: De vraag van Allāh: “Wensen jullie iets?”, aan de shuhadā’ 141

Uitleg van de 188ste ḥadīth 143

De ḥadīth: “Wie de familie van een strijdende persoon verraadt...” 143

Uitleg van de 189ste ḥadīth 144

De ḥadīth: “Een man zal komen terwijl hij een andere man bij de hand vasthoudt en zal zeggen: ‘O mijn Rab, hij heeft mij gedood.’” 144

Uitleg van de 190ste ḥadīth 145

De ḥadīth: Allāh’s bewondering voor de strijder op Zijn weg 145

Uitleg van de 191ste ḥadīth 145

De ḥadīth: “De verwondering van onze Rab over een groep die met ketens naar Jannah wordt gebracht” 146

Uitleg van de 192ste ḥadīth 146

19. Het velevoudig belonen van de goede daden van de ummah van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) 147

De ḥadīth: Verhouding tussen de ummah van Muhammad (صلى الله عليه وسلم), de joden en de christenen 147

Uitleg van de aḥadīth 193-194 148

20.

De ḥadīth over de eigenschappen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in de Tawrāh 149

Uitleg van de aḥadīth 195-196 150

21. Over de beloning van geduld bij de beproeving 151

De ḥadīth over de beloning van geduld bij de beproeving: het verliezen van het gezichtsvermogen 151

Uitleg van de aḥadīth 197-199 152

De ḥadīth over de beloning wanneer Allāhu (تعالى) iemands kind tot Zich neemt 152

Overlevering betreffende degene die getroffen wordt door het verlies van een miskraam 153

De ḥadīth over de beloning bij het overlijden van een kind 154

Uitleg van de 204ste ḥadīth 154

De ḥadīth over de verdienste van de zieke die zijn Rab prijst (ḥamd) 155

De ḥadīth: “Koorts is Mijn vuur; Ik laat het neerdalen over Mijn mu’min dienaar in de wereld...” 155

Hadith “Lees en stijg op (in rang)” 155

De ḥadīth: “De rang van een persoon in Jannah wordt verhoogd doordat zijn kind voor hem om vergeving vraagt” 156

De ḥadīth over de mier die een nabī (عليه السلام) beet 156

Uitleg van de 209 ḥadīth 156

Uitleg van de aḥadīth 210-215 158

22. De barmhartigheid van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) voor zijn ummah en zijn duʿā’ voor hen. 158

De ḥadīth over het duʿā van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) voor zijn ummah en het huilen uit medeleven met hen 158

Uitleg van de 217ste hadīth 159

De hadīth: “Allāh liet voor mij de aarde samenvouwen en ik zag haar oosten en westen” 160

Uitleg van de ahadīth 218-222 162

23.

De ahadith over dat de barmhartigheid (raḥmah) van Allāhu (تعالى) Zijn toorn (ghaḍab) heeft overtroffen en dat Allāhu (تعالى) de berouw (tawbah) van zondaars aanvaardt 163

De ahadith over “Mijn barmhartigheid (raḥmah) heeft Mijn toorn/woede (ghaḍab) overtroffen” 163

Uitleg van de ahadīth 225–227 164

De ḥadīth: “Een dienaar pleegde een zonde en zei: ‘O mijn Rab ik heb een zonde begaan....” 165

Uitleg van de ahadīth 228–229 166

De ḥadīth: “Bij Allāh, Allāh voelt vreugde en opluchting over de tawbah van Zijn dienaar…” 168

Uitleg van de 230ste hadīth 168

De ḥadīth: “Twee mannen onder de bewoners van Jahannam begonnen luid te schreeuwen.” 170

Uitleg van de 231ste hadīth 170

25. Overleveringen betreffende het afdwingen van een gelofte (naḏr), het nemen van bezit van een gierig persoon, en het feit dat de beschikking van Allāhu (تعالى) niet kan worden teruggedraaid. 171

De ḥadīth waarin staat dat het niet correct is dat iemand zegt: “Ik ben beter dan die en die persoon.” 171

232–234. Uitleg van de ahadīth 172

De ḥadīth: Een dienaar die zegt (dat) ik beter ben dan Yūnus ibn Mattā” behoort dat niet te zeggen. 172

235 - 237. Uitleg van de aḥadīth 173

26. Ahadith over het aanzetten tot goedheid en het weerhouden van slechtheid 174

De ḥadīth over de verdienste van het uitstellen van een schuld bij iemand die in moeilijkheden verkeert 174

238 - 243. Uitleg van de ḥadīth 176

De ḥadīth: “Wie de schuld van iemand in moeilijkheden uitstelt” 176

244 - 248. Uitleg van de aḥadīth 177

De ḥadīth over ‘het weerhouden van het kwaad’ 178

249 - 257. Uitleg van de aḥadīth 180

De ḥadīth over degenen die elkaar omwille van Allāh liefhebben 181

Uitleg van de aḥadīth 260 - 263 183

De ḥadīth over de uitspraak van Allāhu (تعالى): “Ik was ziek, maar jij hebt Mij niet bezocht” 185

Uitleg van de 264ste ḥadīth 185

De ḥadīth over de uitspraak van Allāhu (تعالى): “O Mijn dienaren, Ik heb onrecht voor Mijzelf verboden gemaakt” 186

Uitleg van de ahadīth 265–268 188

In de ḥadīth wordt gezegd: “Grootheid is Mijn ridāʾ (bovenkleed) en verhevenheid is Mijn izār (onderkleed).” 189

Uitleg van de aḥadīth 269–272. 190

27. De ontmoeting van Mûsā (عليه السلام) met Khiḍr (عليه السلام) 190

274–275. Uitleg van de aḥadīth 192

28. Zelfmoord plegen heeft als straf Jahannam 196

Uitleg van de 276ste ḥadīth 196

29. Niemand kan onafhankelijk zijn van de gunst (faḍl) van Allāhu (تعالى).” 197

De ḥadīth over het wassen van Ayyūb (عليه السلام) en dat er een gouden sprinkhaan op hem neerdaalde. 197

Uitleg van de aḥadīth 277 - 279 198

30. De Aslam-stam werd door Allāh in veiligheid gebracht 198

Uitleg van de aḥadīth 280 – 281 199

31. Aḥadīth over het vergemakkelijken van het reciteren van de Qurʾān, het zonder moeite en op een gemakkelijke manier de Qurʾān kunnen lezen. 199

Uitleg van de 282ste ḥadīth 200

De ḥadīth: “Er zijn drie personen die Allāhu عز وجل liefheeft” 201

Uitleg van de 283ste ḥadīth 202

De reden voor de nederdaling van Sūrah al-Kawthar 202

Uitleg van de 284ste ḥadīth 203

De ḥadīth over: “De voortreffelijkheid van de ṣalāh en het uitspreken van salām (ṣalawāt) over Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم)” 203

Uitleg van de 285ste ḥadīth 203

De ḥadīth over het verheugende nieuws dat aan de Moeder van de mu’mins, Khadījah (رضي الله عنها), een huis in Jannah werd gegeven. 204

Uitleg van de 286-287 ahadith 204

Het verheugende nieuws dat aan Khadījah (رضي الله عنها) werd verkondigd 205

32. Ahadith betreffende oprechtheid in daden, de afkeuring van pronken (riyāʾ) en het nalaten van de plicht om van het kwaad af te houden. 206

De ḥadīth: “Ik ben Degene Die het verst verwijderd is van deelgenoten” 206

Uitleg van de 288 – 290 ahadith 207

De ḥadīth met betrekking tot de uitspraak van Allahu Ta`ala: إِنَّ ٱلۡمُنَٰفِقِينَ يُخَٰدِعُونَ ٱللَّهَ وَهُوَ خَٰدِعُهُمۡ Waarlijk, de hypocrieten proberen Allāh te misleiden en Hij vergeldt hun (misleiding)… (Nisā’, 4:142) 208

Uitleg van de 291 - 292 ahadith 208

Uitleg van de 293ste ḥadīth 209

De ḥadīth: “De eerste mens over wie op de Yawm al-Qiyāmah geoordeeld zal worden” 210

Uitleg van ahadith 294 – 296 213

De ḥadīth over het feit dat Allāhu (تعالى) de dienaar op de Yawmu’l Qiyamah ter verantwoording zal roepen met de woorden: “Wat hield jou tegen om op te treden toen jij het kwaad zag?” 214

De ḥadīth: “Allāh geeft op de Yawm al-Qiyāmah toestemming aan de ummah van Muḥammad om neder te knielen (sajdah).” 215

Uitleg van de ahadith 297 – 299 215

33.

Wie verlangt naar de ontmoeting met Allāh, voor hem verlangt Allāh eveneens naar de ontmoeting. 216

Het sturen van de Engel des Doods naar Mūsā (عليه السلام). 216

Uitleg van de ahadith 302–306 218

De ḥadīth over het sturen van de Engel des Doods naar Mūsā (عليه السلام) 220

Uitleg van de ahadith 307 – 309 222

34. Opwekking (hashr) en de angstige toestanden (op de Yawm al-Qiyāmah) 225

De ḥadīth: “Jullie zullen blootsvoets, naakt en onbesneden worden verzameld” 225

Uitleg van de aḥādīth 310–313 226

De hadīth: “De dienaren zullen verzameld worden, waarna hun Rab zal roepen: ‘Ik ben al-Malik” 227

Uitleg van de ḥadīth 314 228

De hadīth over het bevel aan Ādam (عليه السلام) op de Yawm al-Qiyāmah: “Scheid de bewoners van Jahannam onder jouw nakomelingen af.” 230

Uitleg van de aḥādīth 315–317 233

35. De hadīth: “Allāhu (تعالى) zal de aarde oprollen… daarna zal Hij zeggen: ‘Ik ben al-Malik’ 235

Uitleg van de aḥādīth 318–326 237

36. Aḥādīth over de voorspraak (ash-Shafā‘ah) 242

Uitleg van de 327ste ḥadīth 244

Uitleg van de 328ste ḥadīth 249

Uitleg van de 329ste ḥadīth 251

Uitleg van de 330ste ḥadīth 253

Uitleg van de 331ste ḥadīth 258

De aḥādīth over ash-Shafāʿah die voorkomen in al-Bukhārī 259

Uitleg van de ḥadīth 332 en 333 261

Uitleg van de 334ste ḥadīth 266

Uitleg van 335ste ḥadīth 270

Uitleg van de 336ste ḥadīth 272

Uitleg van de 337ste ḥadīth 275

De ahadith over de shafāʿah zoals vermeld in Ṣaḥīḥ Muslim 276

Uitleg van de 338ste ḥadīth 278

Uitleg van de 340ste ḥadīth 282

Uitleg van de 341ste ḥadīth 285

Uitleg van de 342ste ḥadīth: 287

Uitleg van de 343–344 aḥadīth: 288

Uitleg van de 345ste ḥadīth: 290

Uit de Sunan van an-Nasāʾī – Ḥadīth over de shafāʿah 291

Uitleg van de 346ste ḥadīth: 291

Sunan at-Tirmidhī – Ḥadīth over de shafāʿah 292

Uitleg van de 347ste ḥadīth 293

De hadīth van shafāʿah uit Sunan Ibn Mājah 294

Uitleg van de 348ste ḥadīth 294

Uitleg van de 349ste ḥadīth 296

37. Over de overleveringen betreffende de dienaar die op de Yawmu’l Qiyamah voor zijn Rab zal staan 296

En over het ondervragen van de anbiyā over de verkondiging. 296

Uitleg van de aḥadīth 350–351: 297

Ḥadīth: “De mu’min nadert zijn Rab zo dicht dat Hij Zijn bedekking of Zijn genade over hem legt” 298

Uitleg van de 352ste ḥadīth 299

De hadīth: “De dienaar ontmoet zijn Rab en Allāh vraagt: O die-en-die, heb Ik jou geen gunsten gegeven…” 299

Uitleg van de aḥadīth 353–355 301

De hadīth: “Op de Yawm al-Qiyāmah wordt de zoon van Ādam voorgeleid en voor Allāhu (تعالى) geplaatst…” 302

Uitleg van de 356ste ḥadīth: 302

De hadīth: “Iemand die (zo bezig wordt gehouden door) de Qur’ān en het gedenken van Mij (dhikr), dat hij daardoor niet toekomt aan (het verrichten van duʿā’) aan Mij...” 303

De hadīth: “Het ondervragen van Nūḥ (عليه السلام): heb jij de boodschap (van Allāh) overgebracht?” 303

Uitleg van de aḥadīth 358–360 304

38. De Jannah is verboden gemaakt voor de kāfirs, en zelfs hun nabijheid/familiebanden zal hen niet baten. 305

De ḥadīth: Ibrāhīm (عليه السلام) ontmoet (zijn vader) Āzar op de Yawmu’l Qiyamah 305

Uitleg van de 361ste ḥadīth 305

Uitleg van de aḥadīth 362–366 307

39. De discussie tussen Jannah en Jahannam, de klacht van Jahannam 309

De ḥadīth “De Jannah en Jahannam discussiëren met elkaar…” 309

Uitleg van de 367–376 aḥādīth 311

De ḥadīth: “de Jahannam klaagde bij haar Rab…” 315

Uitleg van de 377ste ḥadīth 315

40. De overleveringen over de Waterbassin (Ḥawḍ) van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) 316

Uitleg van de aḥādīth 378–383 318

Enkele toelichtingen over de Ḥawḍ: 318

Aanvullende informatie over de Ḥawḍ 321

41. Het slachten van de dood op de Dag der Opstanding 323

Uitleg van de aḥadīth 384 - 385 324

De ḥadīth waarin Allāhu (تعالى) zegt: “Degene in wiens hart zich een mosterdzaadje aan gewicht van īmān bevindt, haal hem eruit.” 324

Uitleg van de aḥadīth 386 - 387 325

42. Jannah en Jahannam en wat hen omringt, en het voedsel van de bewoners van Jahannam 326

De ḥadīth “Jannah is omgeven door zaken die de ego (nafs) niet prettig vindt, en Jahannam is omgeven door zaken die de ego verlangt…” 326

Uitleg van de aḥadīth 388 - 389 327

De ḥadīth: “Er zal honger te zien zijn bij de bewoners van Jahannam…” 329

Uitleg van de 390ste ḥadīth 329

43.

De mu’mins die hun Rab zullen zien en de toespraak van Allāhu (تعالى) tot de bewoners van Jannah 331

De hadīth over het bewijs dat de mu’mins hun Rab in het Hiernamaals zullen zien. 331

Uitleg van de aḥadīth 391 - 394 333

De hadīth over de toespraak van Allāhu (تعالى) tot de bewoners van Jannah 333

Uitleg van de aḥadīth 395-396 334

De ḥadīth over het verzoek van sommige bewoners van de Jannah aan hun Rab om te mogen zaaien. 335

Uitleg van de 397ste ḥadīth 335

De hadīth over de markt van Jannah 335

Uitleg van de aḥadīth 398-399 337