As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Aḥadīthi’l Qudsiyyah — Hoofdstuk 1: Over hetgeen is overgeleverd betreffende het zuiveren van de juiste geloofsleer (aqīdah)

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

2 – Over hetgeen is overgeleverd betreffende het zuiveren van de juiste geloofsleer (aqīdah)

De ḥadīth: “De zoon van Ādam lastert de tijd”

Al-Bukhārī overlevert in het hoofdstuk over de tafsīr van sûrah al-Jāthiyah (deel 6, blz. 133) 16. Van …Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) zei: De zoon van Ādam vervloekt/lastert de tijd, en zo kwetst hij Mij. De tijd is van Mij. De zaken zijn in Mijn Hand. Ik laat de nacht en de dag elkaar opvolgen.” Deze ḥadîth is eveneens door Bukhārī overgeleverd in het hoofdstuk: ‘Vervloek de tijd niet’.

17. Ook deze ḥadîth is overgeleverd door Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) zei: De mensen vervloeken/lasteren de tijd. De tijd is van Mij; nacht en dag zijn in Mijn Hand.”

Bukhārī vermeldde deze ḥadîth ook woordelijk in het hoofdstuk van Kitāb at-Tafsīr, bij de verklaring van de āyah: “يُرِيدُونَ أَن يُبَدِّلُواْ كَلَٰمَ ٱللَّهِۚ …Zij willen Allāh’s woorden veranderen... (Fath 48:15)

18. Deze ḥadîth is eveneens overgeleverd door Muslim en Abū Dāwūd in Kitāb al-Adab, en door an-Nasā’ī in Kitāb at-Tafsīr. In één van de overleveringen van Muslim luidt de formulering:“De zoon van Ādam zegt: ‘O rampzalige tijd!’ en daarmee beledigt hij Mij. Maar de tijd is van Mij, Ik ben Degene Die de nacht en de dag achtereenvolgens doet komen.”De overige overleveringen van Muslim zijn gelijk aan de bovengenoemde versies van Bukhārī en zijn daarom wordt het niet opnieuw vermeld.

Uitleg van de aḥadīth 16 t/m 18

Wanneer in de ḥadīth wordt gezegd: “en zo kwetst hij Mij”, dan wordt daarmee bedoeld dat iemand woorden uitspreekt die ongepast zijn en die, wanneer zij tegen iemand zouden worden gericht, als kwetsend of beledigend zouden worden beschouwd. Allāhu (تعالى) is echter verheven boven en vrij van iedere vorm van schade, pijn of leed die door anderen veroorzaakt zou kunnen worden. De bedoeling van deze uitspraak is dat degene die de tijd/het tijdperk vervloekt, in werkelijkheid een uitspraak doet die Allāhu (تعالى) heeft verboden en daarmee zichzelf schaadt en zijn religie tekortdoet.

Wanneer in de ḥadîth wordt gezegd: “en zo kwetst hij Mij”, wordt bedoeld dat iemand woorden uitspreekt die niet passend zijn en die, als ze tegen een mens gezegd zouden worden, als beledigend of kwetsend zouden overkomen. In werkelijkheid is Allāhu (تعالى) verheven en vrij van elke vorm van pijn of leed die van anderen komt. Met de uitdrukking in de ḥadīth wordt bedoeld dat degene die het tijdperk (de tijd) vervloekt, Door zulke woorden brengt hij in werkelijkheid schade toe aan zijn eigen religie en berokkent hij zichzelf nadeel ten overstaan van Allāhu (تعالى).

Wanneer men zegt: “De zoon van Ādam vervloekt/lastert de tijd”, wordt bedoeld dat wanneer een mens door een beproeving getroffen wordt, hij de tijd als oorzaak ziet en iets zegt als: “Vervloekte tijd!”

De uitspraak: “De tijd is van Mij” betekent: “Ik ben Degene Die de tijd geschapen heeft en alles wat daarin gebeurt. De gebeurtenissen die jullie aan de tijd toeschrijven, zijn in werkelijkheid door Mij bepaald.” Daarom wordt in de ḥadîth gezegd: “De zaken zijn in Mijn Hand.” Alles wat in de tijd plaatsvindt, geschiedt slechts met Zijn Wil (en Zijn goedkeuring). De tijd op zich heeft geen enkele macht of invloed op de gebeurtenissen.

De uitspraak: “Ik laat de nacht en de dag elkaar opvolgen” betekent dat Hij alleen de Schepper is van alles wat in de dag en nacht gebeurt.

Er is ook een overlevering waarin gezegd wordt: “Vervloek de tijd niet. Allāhu (تعالى) zegt: De tijd is van Mij. De nachten en dagen zijn in Mijn Hand. Ik laat ze oud worden en vernieuwen. Ik laat koningen door andere koningen opvolgen.”

Wanneer de zoon van Ādam met iets slechts wordt getroffen en hij dit aan de tijd toeschrijft, dan – moge Allāhu (تعالى) ons daarvoor beschermen – richt zijn verwijt zich in werkelijkheid tot Allāhu (تعالى), aangezien Hij Degene is Die alles schept. De tijd is slechts een omhulsel/kader waarin gebeurtenissen zich afspelen.

De algemene betekenis van de ḥadîth is dus: “Ik ben Degene Die over de tijd beschikt”.

Maar om de formulering kort en krachtig te houden is gezegd: ‘De tijd is van Mij”.

Deze ḥadîth is bedoeld om het geloof (īmān) van de mensen te corrigeren en hen beleefdheid en respect bij het spreken bij te brengen. (In de periode van onwetendheid) geloofden mensen dat het verstrijken van dagen en nachten verantwoordelijk was voor hun ellende, en zij schreven alle gebeurtenissen toe aan de tijd. Hun poëzie zat vol met klaagliederen over de tijd: “O jij met je rampzalig gezicht, o verfoeide tijd!”

Maar Allāh (سُبْحَانَ ٱللّٰهِ وَتَعَالَىٰ) is Degene Die al deze gebeurtenissen alleen tot stand brengt. De tijd is slechts het omhulsel/kader waarin deze gebeurtenissen plaatsvinden. Daarom is het verboden om de tijd te vervloeken.

De hadîth: de zoon van Ādam heeft Mij ten onrechte van leugen betichtDeze overlevering is overgeleverd door Bukhārī in zijn Kitāb at-Tafsīr, bij de uitleg van sûrah al-Ikhlāṣ (deel 6, blz. 160).

19. Van …Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Allāh (تعالى) zei: ‘De zoon van Ādam heeft Mij van leugen beticht terwijl hij daar geen recht toe heeft, en hij heeft Mij belasterd terwijl hij daar geen recht toe heeft. Zijn beschuldiging dat Ik lieg, is zijn uitspraak: ‘Zoals Allāh mij voor het eerst heeft geschapen, zal Hij mij niet opnieuw tot leven brengen.’ Maar het opnieuw tot leven brengen is voor Mij niet moeilijker dan het voor de eerste keer scheppen. Zijn belastering van Mij is zijn uitspraak: ‘Allāh heeft Zich een zoon toegeëigend.’ Terwijl Ik de Ene ben, Onafhankelijk van alles (aṣ-Ṣamad) ben. Ik heb niet verwekt, noch ben Ik verwekt, en niets is aan Mij gelijk.”

20. In een andere versie bij al-Bukhārī staat: “Zijn beschuldiging dat Ik lieg, is zijn uitspraak dat Ik hem niet opnieuw kan doen herleven zoals Ik hem de eerste keer heb geschapen.

Zijn belastering van Mij is zijn uitspraak: ‘Allāh heeft Zich een zoon toegeëigend.’ Maar Ik ben Onafhankelijk van alles, Ik heb niet verwekt, noch ben Ik verwekt, en niets is aan Mij gelijk.”

Dezelfde overlevering is eveneens te vinden bij an-Nasā’ī in het hoofdstuk De arwāḥ/geesten van de mu’mins (deel 4, blz. 112), met de volgende bewoording:

21. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh (تعالى) zei: ‘De zoon van Ādam heeft Mij van leugen beticht, en dat past hem niet om Mij te ontkennen. En hij heeft Mij belasterd, en dat past hem niet om Mij te belasteren. Zijn beschuldiging dat Ik lieg is zijn uitspraak dat Ik hem niet opnieuw tot leven kan brengen zoals Ik hem de eerste keer heb geschapen. Maar het opnieuw tot leven brengen is voor Mij niet moeilijker dan het voor de eerste keer scheppen. Zijn belastering van Mij is zijn uitspraak: ‘Allāh heeft Zich een zoon toegeëigend.’ Terwijl Ik de Ene ben, Onafhankelijk van alles ben. Ik heb niet verwekt, noch ben Ik verwekt, en niets is aan Mij gelijk.”

Uitleg bij de aḥadîth 19 t/m 21

Wanneer er wordt gezegd: “De zoon van Ādam heeft Mij van leugen beticht,” dan worden daarmee degenen bedoeld die het opnieuw tot leven brengen ontkennen. Mogelijk wordt hiermee ook het gehele nageslacht van Ādam bedoeld (dus in algemene zin gesproken over de mensheid).

‘Geen recht toe’ betekent dat de mens geen enkel recht of grond heeft om Allāh te beschuldigen van leugen of tekortkoming.

Dat Allāh (تعالى) aangeeft dat het opnieuw tot leven wekken niet moeilijker is dan het voor Hem was om de mens de eerste keer uit het niets te scheppen, is een redenering die voor het menselijk verstand begrijpelijk is. In werkelijkheid zijn beide handelingen voor Allāh gelijk: wanneer Hij iets wil laten ontstaan, zegt Hij er slechts tegen: “Wees!”, en het is er.

Het toeschrijven van een zoon aan Allāh wordt als een grove lastering aangemerkt, omdat deze uitspraak een tekortkoming impliceert met betrekking tot Allāh (تعالى). Een kind ontstaat immers pas na gemeenschap, bevruchting en zwangerschap, processen die allemaal van toepassing zijn op geschapen wezens. Allāh (تعالى) is boven dergelijke zaken.

“Ik heb niet verwekt, noch ben Ik verwekt” betekent dat Allāh uit Zichzelf bestaat en eeuwig is (beginloos en eindloos). Hij bestond vóór alles wat bestaat. Wie verwekt of voortgebracht is, is per definitie ontstaan, en het is onmogelijk dat Allāh (تعالى) ontstaan is.

Shaykh ʿIzz ad-Dīn ibn ʿAbd as-Salām (رحمه الله) zei: De eigenschappen die aan Allāh worden ontzegd, kunnen in twee categorieën worden onderverdeeld:

Tekortkomingen in Zijn eigenschappen, zoals slaap, slaperigheid of dood.

Het toekennen van deelgenoten in Zijn volmaaktheid, oftewel shirk.

In de āyah: لَمۡ يَلِدۡ وَلَمۡ يُولَدۡ ٣ Hij verwekte niet, noch werd Hij verwekt. (Ikhlāṣ, 112:3), worden de eigenschappen van gebrek ontkend. Want wie verwekt of verwekt is, is samengesteld uit materie, onderhevig aan verandering en verandering past niet bij Allāh, Die perfect en onveranderlijk is. Wanneer men zou zeggen dat de zoon identiek is aan de vader, dan zou dit leiden tot het toekennen van deelgenoten in Allāh’s perfectie, en ook dat wordt door deze āyah verworpen.

Imām Abū ʿAbdillāh Bukhārī (رحمه الله) zei over de uitspraak van Allāh: “Allāh is aṣ-Ṣamad” dat de Arabieren dit woord gebruikten om hun leiders mee aan te duiden.

Abū Wā’il, de broer van Abū Salamah, zei: aṣ-Ṣamad betekent “de leider die de hoogste rang heeft bereikt.”ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) zei: aṣ-Ṣamad is Degene tot Wie alle schepselen zich wenden in hun behoeften. Hij is absoluut Onafhankelijk, en alles is volledig afhankelijk van Hem.Al-Ḥasan en Qatādah zeiden: aṣ-Ṣamad is Hij Die voortbestaat nadat alles vergaat. Al-Ḥasan zei ook: aṣ-Ṣamad betekent “Hij Die altijd leeft en nooit zal vergaan.”Ad-Daḥḥāk en as-Suddī verklaarden aṣ-Ṣamad als “Hij Die niets nodig heeft.”ʿAbdullāh ibn Yazīd zei: aṣ-Ṣamad betekent “schitterend licht.”Al deze betekenissen zijn correct en passend als attributen van Allāh (تعالى).

Al-Qasṭallānī schrijft in Futūḥ al-Ghayb, verwijzend naar Imām al-Ghazālī, dat de uitspraak قُلۡ هُوَ ٱللَّهُ أَحَدٌ ١ Zeg: “Hij is Allāh, de Enige. (Ikhlāṣ, 112:1), bewijst dat Allāh uniek is in Zijn heilige Wezen. Het kenmerk “aṣ-Ṣamad” betekent dat alle behoeften van Allāh worden ontkend, en dat alles buiten Hem volledig afhankelijk is van Hem.

In sûrah al-Ikhlāṣ heeft Allāh de ontoereikende eigenschappen die aan Hem worden toegeschreven verworpen:قُلۡ هُوَ ٱللَّهُ أَحَدٌ ١ Zeg: “Hij is Allāh, de Enige.

ٱللَّهُ ٱلصَّمَدُ ٢ Allāh is Zichzelfgenoeg, Eeuwig.

لَمۡ يَلِدۡ وَلَمۡ يُولَدۡ ٣ Hij verwekte niet, noch werd Hij verwekt.

وَلَمۡ يَكُن لَّهُۥ كُفُوًا أَحَدُۢ ٤ En niemand is Hem in enig opzicht gelijk.”

De meest duidelijke manier om Allāh (تعالى) te leren kennen is door de eigenschappen van de schepselen niet aan Hem toe te schrijven en Hem van dergelijke tekortkomingen vrij te verklaren.

De ḥadīth: ‘Onder Mijn dienaren zijn er die in Mij geloven en er zijn er die Mij ontkennen.’Deze overlevering is door al-Bukhārī opgenomen in de hoofdstukken over het regengebed (Bāb al-Istisqāʾ) onder het hoofdstuk betreffende het vers:وَتَجۡعَلُونَ رِزۡقَكُمۡ أَنَّكُمۡ تُكَذِّبُونَ ٨٢ En verzekeren jullie door de ontkenning ervan jullie levensonderhoud? (al-Wāqiʿah, 56:82).

22. Van … Zayd ibn Khālid al-Juhaniy (رضي الله عنه), die zei: "Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) leidde ons in de salāh voor de salāh al-fajr te Ḥudaybiyyah nadat het die nacht had geregend. Nadat hij de salāh had beëindigd, keerde hij zich naar de mensen toe en zei: ‘Weten jullie wat jullie Rab heeft gezegd?’ De aanwezigen zeiden: ‘Allāh en Zijn Rasûl weten het het best.’ Toen zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): ‘Allāh heeft gezegd: "Onder Mijn dienaren zijn er die in Mij geloven (īmān), en er zijn er die Mij loochenen (kufr). Degene die zegt: ‘Wij zijn door de gunst en barmhartigheid van Allāh met regen gezegend,’ die gelooft in Mij en loochent de kracht van de sterren. Maar wie zegt: ‘We hebben regen ontvangen vanwege die-en-die ster,’ die loochent Mij en gelooft in de kracht van de sterren.” (Bukhārī , Kitāb at-Tawḥīd, Deel 9, p. 145 – met dezelfde isnād)

23. Eveneens is van Zayd ibn Khālid al-Juhaniyy (رضي الله عنه) overgeleverd dat hij zei: "Toen Allāh Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) regen schonken (als gevolg van zijn smeekbede) zei hij: ‘Allāhu (تعالى) heeft gezegd: “Onder Mijn dienaren zijn er die in Mij geloven (īmān), en er zijn er die Mij loochenen (kufr).’ (Bukhārī)

24.

Imām Mālik (رحمه الله) heeft in zijn al-Muwaṭṭaʾ, in het hoofdstuk over het regengebed, een ḥadîth overgeleverd van Zayd ibn Khālid al-Juhaniy (رضي الله عنه) met een soortgelijke bewoording als de eerste overlevering van Bukhārī .(al-Muwaṭṭaʾ Mālik, Istisqāʾ, Deel 1, p. 91 – marginale aantekening van al-Miṣbāḥ)

an-Nasāʾī heeft in zijn Sunan in het hoofdstuk "De afkeurenswaardigheid van het vragen om regen van de sterren" deze ḥadîth met twee ketens overgeleverd. 25. De eerste van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) en de tweede van Zayd ibn Khālid al-Juhaniyy (رضي الله عنه). De overlevering van Abū Hurayrah is beknopter en luidt: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Allāhu (تعالى) heeft gezegd: “Telkens wanneer Ik Mijn dienaren een gunst schenk, is er een groep onder hen die dat loochent. Zij zeggen: “Ster, ster!” (dat wil zeggen: ‘Wij kregen deze gunst door toedoen van een ster’).”

De overlevering van Zayd ibn Khālid al-Juhaniyy (رضي الله عنه) bij an-Nasāʾī luidt: 26. Van Zayd ibn Khālid al-Juhaniyy (رضي الله عنه) zei: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd regen geschonken (als gevolg van zijn smeekbede) en zei: ‘Hebben jullie niet gehoord wat jullie Rab vannacht heeft gezegd? Hij heeft gezegd: “Telkens wanneer Ik Mijn dienaren een gunst schenk, is er een groep onder hen die dat loochent. Zij zeggen: ‘We hebben regen gekregen vanwege die-en-die ster.’ Maar degene die in Mij gelooft en Mij dankt voor de regen die Ik geef, is degene die werkelijk in Mij gelooft en de macht van de sterren loochent. En degene die zegt: ‘We kregen regen door die-en-die ster,’ is degene die Mij loochent en in de ster gelooft.”

Uitleg van de ahadîth 22 t/m 26:

Ḥudaybiyyah dankt haar naam aan de boom genaamd al-Ḥudbāʾ, waaronder de Bayʿah ar-Riḍwān plaatsvond. De overtuiging dat sterren regen kunnen brengen, was het geloof van de mushriks. Zij schreven de neerdaling van regen toe aan bepaalde sterren of hun posities. Allāh maakt in deze ḥadîth duidelijk dat wie deze overtuiging heeft, Hem daarmee loochent. Immers, de sterren zijn gebonden aan tijd en tijd is geschapen door Allāh. Zij bezitten geen enkele kracht, noch voor zichzelf, noch voor anderen.

Wie zegt: "We kregen regen door toedoen van die ster," begaat een daad van ongeloof (kufr). Imām ash-Shāfiʿī (رحمه الله) zei: “Als iemand gelooft dat de regen valt wanneer de sterren (zoals Surayyā: de Pleiaden) opkomen, dan is daar niets mis mee, zolang hij daarmee alleen de tijd of het seizoen bedoelt. Want mensen gebruiken zulke tijdsaanduidingen om perioden in het jaar te bepalen.”

Abū Hurayrah (رضي الله عنه) zei vaak: “Door de gunst van Allāh hebben wij regen gekregen,”en reciteerde vervolgens het vers:مَّا يَفۡتَحِ ٱللَّهُ لِلنَّاسِ مِن رَّحۡمَةٖ فَلَا مُمۡسِكَ لَهَاۖ وَمَا يُمۡسِكۡ فَلَا مُرۡسِلَ لَهُۥ مِنۢ بَعۡدِهِۦۚ وَهُوَ ٱلۡعَزِيزُ ٱلۡحَكِيمُ ٢Wat Allāh de mensheid aan Barmhartigheid schenkt, kan door niemand tegenhouden worden, en wat door Hem tegengehouden wordt kan buiten Hem door niemand los gelaten worden. Hij is de Almachtige, de Alwijze. (Fāṭir, 35:2)

Ibn al-ʿArabī zei: “Imām Mālik heeft deze ḥadîth opgenomen in de hoofdstukken over het regengebed om twee redenen: Ten eerste omdat de Arabieren regen verwachtten van sterren. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verbrak met deze ḥadîth die verbinding tussen hun harten en de sterren. Ten tweede: tijdens een hongersnood ten tijde van ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه) vroeg hij aan al-ʿAbbās (رضي الله عنه): ‘Hoeveel (tijd) is er nog voordat de Surayyā (de Pleiaden) opkomt?’ Hij antwoordde: ‘O leider van de mu’mins, men meent dat deze zevenmaal aan de horizon zal verschijnen.

Als ze dat gebeurd is, regent het.’ Zie hoe ʿUmar en al-ʿAbbās (رضي الله عنهما) het over de tijd hebben, niet over de invloed.”Vervolgens zegt hij: “Wie gelooft dat sterren onafhankelijk een kracht bezitten, of dat zij kracht hebben gekregen van Allāh waarmee zij regen laten neerdalen, begaat ongeloof (kufr). Want schepping en beschikking behoren alleen toe aan Allāh, zoals Hij zegt:

أَلَا لَهُ ٱلۡخَلۡقُ وَٱلۡأَمۡرُۗ تَبَارَكَ ٱللَّهُ رَبُّ ٱلۡعَٰلَمِينَ ٥٤… Zeker, aan Hem is de schepping en het bevel. Gezegend zij Allāh de Rab der Werelden. (Aʿrāf, 7:54)

Maar volgens de sunnah van Allāh is er niets aan de hand voor degene die rekent op regen tijdens de gebruikelijke tijden waarop regen valt. Want Allāh heeft uit verschillende wijsheden systemen vastgesteld met betrekking tot wolken, winden en regen. Deze systemen zijn binnen de schepselen geplaatst. Volgens het gevestigde gebruik komen de vereisten van deze systemen tot uiting.

De uitdrukking in de versie bij an-Nasāʾī: “Telkens wanneer Ik Mijn dienaren een gunst schenk, is er een groep onder hen die dat loochent”, heeft een algemene betekenis. Het omvat alle gunsten van Allāh, niet enkel regen. Toch wordt water speciaal vermeld omdat het de oorsprong is van alle levensvoorziening (rizq). Wie dat loochent, wordt geacht álle gunsten te loochenen.

Daarom is er in de later volgende uitdrukking een specificatie gemaakt met de woorden: "Ons is regen gegeven,..." Anders gezegd, in werkelijkheid is het bij elke gave hetzelfde; degenen die deze gaven ontkennen, zijn talrijker dan degenen die er dankbaar voor zijn. O Allāh, schenk ons het vermogen om dankbaar te zijn voor Uw gunsten. Āmīn.

De hadîth: Wie is onrechtvaardiger dan degene die probeert iets te scheppen zoals wat Ik heb geschapen?

Deze ḥadīth is overgeleverd door al-Bukhārī in Kitāb at-Tawḥīd, in het hoofdstuk over de āyah: “وَٱللَّهُ خَلَقَكُمۡ وَمَا تَعۡمَلُونَ ٩٦ Terwijl Allāh jullie en jullie handwerk heeft geschapen. (Saffat, 37:96)27. Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه) heeft gezegd: “Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: Allāhu (تعالى) zegt: Wie is onrechtvaardiger dan degene die probeert iets te scheppen zoals wat Ik heb geschapen? Laat hen een mier scheppen, of een graankorrel scheppen”.

Uitleg bij de 27ste ḥadīth:

De situatie die in deze ḥadīth wordt genoemd, heeft geen algemene strekking, maar betreft specifiek het proberen te scheppen in de vorm (ṣūrah) zoals Allāh heeft geschapen, en niet in alle opzichten.

De uitleg van de uitspraak “Wie is onrechtvaardiger...” roept enige moeilijkheid op, aangezien een kāfir zeker onrechtvaardiger is dan iemand die slechts afbeeldingen maakt.Er is gezegd dat hiermee degene wordt bedoeld die een afgodsbeeld maakt met de intentie dat het wordt aanbeden en die daardoor in ongeloof (kufr) vervalt. Zijn bestraffing zou zwaarder zijn dan die van andere ongelovigen (kuffār, m.v. van kāfir), omdat hij zich dieper in het ongeloof heeft begeven.

al-Bukhārī vermeldde ook in Kitāb al-Libās, in het hoofdstuk over “Het vervorming van afbeeldingen” de volgende overlevering:28. Van …ʿUmārah, van Abū Zurʿah, dat hij zei:“Ik was samen met Abū Hurayrah (رضي الله عنه) een huis in Madīnah binnengegaan. In het bovenste deel van het huis zagen we een schilder die beelden schilderde. Daarop zei Abū Hurayrah tegen hem: ‘Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd dat Allāhu (تعالى) zei: “Wie is onrechtvaardiger dan degene die probeert iets te scheppen zoals wat Ik heb geschapen? Laat hen een korrel of een stofdeeltje scheppen.”Daarna vroeg hij om een kom met water, waste zijn armen tot aan zijn oksels.Ik vroeg hem: ‘O Abū Hurayrah, is dit iets wat je hebt gehoord van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم)?’Hij antwoordde: ‘Het is de mooiste vorm van versiering.”

29. Muslim overleverde deze ḥadīth met dezelfde strekking in zijn Ṣaḥīḥ:“Ik ging met Abū Hurayrah naar het huis van Marwān. Hij zag daar enkele afbeeldingen en zei: ‘Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen dat Allāhu (تعالى) heeft gezegd: “Wie is onrechtvaardiger dan degene die probeert iets te scheppen zoals wat Ik heb geschapen? Laat hen een mier of een gerstkorrel scheppen”.

Uitleg bij de aḥadīth 28–29:

De uitleg in het werk van al-Qasṭallānī (deel 8, blz. 537) vermeldt dat met het “bovenste deel van het huis” het plafond wordt bedoeld.Het proberen iets te scheppen zoals Allāh heeft geschapen betreft slechts de uiterlijke vorm (ṣūrah); in werkelijkheid is het scheppen in essentie onmogelijk voor de mens.Wanneer gezegd wordt: “Laat hen een mier of een gerstkorrel scheppen,” is het doel om hun onmacht te tonen, ook al is een gerstkorrel geen levend wezen, het creëren ervan valt ook buiten hun macht. Een levend wezen scheppen is zelfs nog moeilijker.

Aanvullende aḥadīth over het maken van afbeeldingen:

Deze aḥadīth over afbeeldingen (ṣuwar) hebben zowel betrekking op het maken van afbeeldingen als op het gebruiken van voorwerpen waarop afbeeldingen staan. Hoewel onderstaande aḥadīth geen al-aḥadîthi’l-Qudsiyyah zijn, worden ze toch vermeld om het onderwerp vollediger te behandelen. Alle overleveringen zijn genomen uit Ṣaḥīḥ Bukhārī en Ṣaḥīḥ Muslim, en hebben daarom betrouwbare ketens. Alleen de metgezel wordt hieronder vermeld:

Hieronder volgen enkele relevante aḥadīth uit Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, Kitāb al-Libās (Het boek van de kleding), met betrekking tot afbeeldingen (ṣuwar):Van Ibn ʿAbbās en Abū Ṭalḥah (رضي الله عنهم), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Engelen betreden geen huis waarin een hond of afbeelding aanwezig is.”[Ṣaḥīḥ Bukhārī – Kitāb al-Libās]

De bestraffing van beeldmakersEr is overgeleverd dat Muslim al-Hamadānī heeft gezegd: Van Masrūq, hij zei: “Ik was met Yasār ibn Numayr in zijn huis, en we zagen daar beelden (of standbeelden). Daarop zei ik dat ik van ʿAbdullāh heb gehoord dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: ‘Zij die op de Yawmu’l Qiyamah het zwaarst gestraft worden, zijn degenen die afbeeldingen maken.’

Van Nāfiʿ, van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Zij die deze afbeeldingen maken zullen op de Yawmu’l Qiyamah gestraft worden. Er zal tegen hen gezegd worden: ‘Geef leven aan wat jullie hebben gemaakt!’

Het verwijderen van beeldenVan ʿImrān ibn Ḥaṭṭān, van ʿĀ’ishah (رضي الله عنها), ze zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verwijderde de afbeeldingen uit huizen waarin deze aanwezig waren.”

Van Abū Dhar is dat wanneer Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم afbeeldingen in een huis zag, verwijderde hij ze.

Abū Zurʿah zei: “Ik ging samen met Abū Hurayrah (رضي الله عنه) een huis binnen in Madīnah. Toen Abū Hurayrah (رضي الله عنه) zag dat een schilder op het plafond van zijn huis afbeeldingen had gemaakt, zei hij: ‘Ik hoorde Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zeggen: “Allāh zegt: Wie is onrechtvaardiger dan degene die probeert iets te scheppen zoals Ik geschapen heb? Laat hen dan maar iets maken, al is het maar een korrel of een mier”.

Afbeeldingen die op de grond liggen

Van Sufyān, van ʿAbdurraḥmān ibn al-Qāsim, van wie in zijn tijd in Madīnah niemand hoger in aanzien was, van van zijn vader al-Qāsim ibn Muḥammad ibn Abī Bakr, van ʿĀ’ishah (رضي الله عنها) dat zij zei: "Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم keerde terug van een reis, om mij te verbergen had ik een doek bij de deur met afbeeldingen van levende wezens opgehangen. Toen Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم dit zag, scheurde hij het kapot en zei:‘Degene die op de Yawmu’l Qiyamah de zwaarste bestraffing zal krijgen, is degene die probeert iets te maken zoals Allāh het heeft geschapen.’Daarna maakten we van de doek een of twee kussenovertrekken.”

Ook van ʿĀ’ishah (رضي الله عنها), zij zei: “Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم keerde terug van een reis, en ik had een oude doek met afbeeldingen van levende wezens opgehangen. Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم beval mij om het weg te halen, en ik haalde het weg. Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم en ik verrichtten samen de grote wassing (ghusl) uit hetzelfde vat.”

Het verbod op het zitten op afbeeldingenVan ʿĀ’ishah (رضي الله عنها), ze zei: “Ik kocht eens een kussen waarop afbeeldingen van levende wezens stonden. Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم bleef bij de deur staan en trad het huis niet binnen.ʿĀ’ishah (رضي الله عنها) zei: “Ik zoek vergiffenis bij Allāh voor wat ik heb gedaan. Ik heb het gekocht opdat je erop zou kunnen zitten of ertegen zou kunnen leunen.”Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ): “Degenen die deze afbeeldingen maken zullen op de Yawmu’l Qiyamah gestraft worden. Er zal tegen hen gezegd worden: ‘Breng leven in wat jullie hebben gemaakt’. “De engelen betreden geen huis waarin zich afbeeldingen bevinden.”

Ook Van Zayd ibn Khālid al-Juhanī, (رضي الله عنه) en een van de metgezellen van Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, Abū Ṭalḥah al-Anṣārī (رضي الله عنه), Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم heeft gezegd: “De engelen betreden geen huis waarin zich afbeeldingen bevinden.”

Busr zei: “Zayd (ibn Khālid) werd daarna ziek, en wij gingen op bezoek bij hem. En zie, er hing een doek met een afbeelding boven zijn deur.

Toen zei ik tegen ʿUbaydullāh ibn al-Aswad al-Hulānī, het stiefkind van Maymūnah (رضي الله عنها), de echtgenote van Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم: ‘Heeft Zayd ons niet onlangs een overlevering verteld over afbeeldingen?’Waarop ʿUbaydullāh antwoordde: ‘Heb je niet gehoord dat hij zei: behalve als het slechts een versiering op kleding betreft?’

Uit Ṣaḥīḥ al-Bukhārī – 3e hoofdstuk: De ongepastheid van het verrichten van salāh op voorwerpen met afbeeldingen.

Van Anas (رضي الله عنه), hij zei: “ʿĀ’ishah (رضي الله عنها) had een winterdoek waarmee ze een gedeelte van haar huis bedekte.Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei: “Haal dat doek bij mij weg, want de afbeeldingen daarop blijven mij tijdens de ṣalāh voor ogen komen.”

“De Engelen Betreden Geen Huis Waarin Zich Afbeeldingen Bevinden”

Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما), hij zei: “Jibrīl (عليه السلام) had een afspraak gemaakt met Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, maar kwam te laat. Dit bracht verdriet bij Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم.Hij ging naar buiten en kwam Jibrīl (عليه السلام) tegen, en vertelde hem over de bezorgdheid die zijn afwezigheid had veroorzaakt.Jibrīl (عليه السلام) zei daarop: ‘Wij betreden geen huis waarin zich een afbeelding of een hond bevindt.”

Van Qāsim ibn Muḥammad, van `Āʾishah (رضي الله عنها), de echtgenote van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): Zij had een kussen gekocht waarop afbeeldingen stonden. Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dit zag, bleef hij bij de deur staan en trad het huis niet binnen.ʿĀʾishah merkte dat hij zich ergens aan ergerde en vroeg hem: “O Rasûlullāh, ik vraag Allāh om vergiffenis en bied u mijn verontschuldiging aan. Wat heb ik verkeerd gedaan?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg: “Wat is dat voor een kussen?”ʿĀʾishah (رضي الله عنها) antwoordde: “Ik heb het gekocht opdat u erop kunt zitten of het als leunsteun kunt gebruiken.”Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Degenen die deze afbeeldingen maken zullen op de Yawm al-Qiyāmah worden gestraft. Er zal tegen hen worden gezegd: ‘Blaas er leven (rûh) in, als jullie waarlijk scheppers zijn!’”En hij voegde daaraan toe: “De engelen betreden geen huis waarin zich afbeeldingen bevinden.”

Uit Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, Hoofdstuk: “Wie een afbeelding maakt, zal worden opgedragen er een rûh in te blazen, terwijl hij daartoe niet in staat is.”

Van Naḍr, de zoon van Anas ibn Mālik, zei: “Ik was bij ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), en de mensen stelden hem vragen.Hij vertelde niets over Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tenzij hij erom gevraagd werd en hij zei nooit zomaar: ‘Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei…’Toen zei een man tegen hem: ‘Ik ben iemand die afbeeldingen maakt.’Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) zei toen: ‘Kom dichterbij.’De man kwam dichterbij en Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) zei tegen hem: “Ik heb Muhammad (صلى الله عليه وسلم) het volgende horen zeggen: “Wie in deze wereld een afbeelding maakt, zal in het Hiernamaals opgedragen worden er een rûh in te blazen, maar hij zal daartoe niet in staat zijn.”

Aanvulling vanuit Ṣaḥīḥ Muslim op de eerder genoemde overlevering over het maken van afbeeldingen

In de overleveringen van deze laatste ḥadīth bij Muslim zijn aanvullingen te vinden ten opzichte van de tekst die bij al-Bukhārī is overgeleverd. Om de kwestie volledig te kunnen begrijpen, vermelden wij deze ook. Daar wordt na de keten van overleveraars het volgende gezegd:”

Een man kwam naar ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) en zei: “Ik ben iemand die afbeeldingen maakt. Geef mij hierover een islamitische juridische opinie (fatwā).”Ibn ʿAbbās zei tegen hem: “Kom dichterbij.”De man kwam dichterbij. Vervolgens vroeg Ibn ʿAbbās hem nóg dichterbij te komen. Toen hij dat deed, legde Ibn ʿAbbās zijn hand op het hoofd van de man en zei: “Zal ik je vertellen wat ik van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heb gehoord?Ik hoorde hem zeggen: “Iedereen die een afbeelding maakt zal bestraft worden in de Jahannam. Voor elke afbeelding die hij gemaakt heeft, zal een rûh worden geschapen, en die zal hem in de Jahannam kwellen.”Daarna zei Ibn ʿAbbās: “Als je per se iets moet afbeelden, maak dan een afbeelding van een boom of iets dat geen rûh heeft.”

Muslim vermeldt daarnaast, in overleveringen die inhoudelijk grotendeels overeenkomen met de eerder geciteerde ḥadīth van Bukharī, enkele toevoegingen, met name in de overlevering van Zayd ibn Khālid al-Juhaniyy (رضي الله عنه), van Abū Ṭalḥah al-Anṣārī (رضي الله عنه), waarin staat: “De engelen betreden geen huis waarin zich een hond of een afbeelding bevindt.”Zayd vervolgt: “Toen ik dit hoorde, ging ik naar ʿĀʾishah (رضي الله عنها) en vroeg haar:‘Deze man zegt dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd dat de engelen geen huis betreden waarin zich een hond of een afbeelding bevindt. Heb jij zoiets van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gehoord?’ʿĀʾishah antwoordde: “Ik zal je geen uitspraak, maar een handeling van hem vertellen die ik heb gezien: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was op expeditie vertrokken, en ik had een kleed gekocht dat ik boven de deur had gehangen.

Toen hij terugkwam en het zag, merkte ik dat hij ontevreden was.Hij trok het kleed neer en scheurde het in stukken, en zei: ‘Allāh heeft ons niet opgedragen om stenen en aarde (d.w.z. muren en deuren) met zulke dingen te bedekken!’Daarna heb ik van dat kleed twee kussenhoezen gemaakt en gevuld met palmvezels.Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft mij daar toen niets op aangemerkt.”

Fikhî bepalingen met betrekking tot de hierboven vermelde aḥadîth:

1.De engelen die niet binnentreden in een huis waarin zich een hond of afbeeldingen bevinden, zijn de (genade) rahmah-engelen en de engelen die vergeving vragen voor de dienaar. De hafazah-engelen (beschermengelen) en de kirāman-katibīn-engelen (die de daden registreren) verlaten de dienaar echter nooit, zoals ook verklaard is door al-Khaṭṭābī. Met het woord huis wordt hier iedere verblijfplaats bedoeld waarin een mens verblijft. Dat kan een gewoon huis zijn, maar ook een tent of een andere soort onderkomen.

Al-Khaṭṭābī en anderen hebben honden die volgens de sharīʿah zijn toegestaan, zoals jachthonden, landbouwhonden en herdershonden, uitgezonderd van deze bepaling.

2.De afbeeldingen die verboden zijn, zijn die welke worden verheven, geëerd en belangrijk geacht, en die lijken op levende wezens. Sommigen hebben echter gezegd dat deze bepaling algemeen van toepassing is op alle afbeeldingen. De reden voor het verbod is dat het vervaardigen van dergelijke afbeeldingen een poging is om het scheppingswerk van Allāh te imiteren, en daarom wordt dit als een grote zonde beschouwd. In sommige gevallen wordt er zelfs aan deze afbeeldingen afgoderij gepleegd.

In de ḥadîth wordt gezegd: “Wie is onrechtvaardiger dan degene die probeert te scheppen zoals Ik geschapen heb?” Hiermee wordt een beperking aangebracht: namelijk dat degenen die levende wezens afbeelden worden bedoeld. Wie probeert iets te creëren dat lijkt op wat Allāh heeft geschapen, zonder Zijn schepping te erkennen, verschilt in wezen niet van het huis van Firʿawn. Maar wie een afbeelding maakt zonder een dergelijke intentie, is slechts zondig (fāsiq), maar niet ongelovig (kāfir).

Imām an-Nawawī (رحمه الله) zegt: "Het afbeelden van levende wezens is streng verboden en behoort tot de grote zonden. Want hierover is een zware bestraffing overgeleverd. Het maakt geen verschil of de afbeelding wordt geplaatst op plaatsen van geringe waarde, zoals de vloer, of op andere plaatsen, de bepaling blijft dezelfde. Het afbeelden van levenloze objecten is daarentegen niet harām."

De geleerden hebben gezegd dat al deze verboden niet gelden voor kinderspeelgoed. Kinderspeelgoed is niet absoluut harām. al-Qasṭallānī zegt vervolgens: "Uit het voorgaande blijkt dat het afbeelden afkeurenswaardig (makrūh) is wanneer het wordt geplaatst op het plafond, op kussens of op leunplaatsen. Als het echter wordt geplaatst op matrassen, tapijten, vloerkleden of andere zaken die op de grond liggen, dan is het toegestaan (ḥalāl). Eveneens is het toegestaan om een afbeelding te maken van een wezen zonder hoofd of met het hoofd verwijderd, omdat een afbeelding met een rechtopstaand hoofd lijkt op een afgodsbeeld."

Wat betreft de uitspraak: “Er wordt van hem geëist dat hij er een rûh in blaast", dit bevel wijst op eeuwige bestraffing in de Jahannam voor degene die een afbeelding maakt met de intentie dat er afgoderij mee wordt gepleegd. Anderen, die dit niet met een dergelijke intentie doen en het niet als toegestaan beschouwen, begaan slechts een zonde. Bij hen betekent deze ḥadīth uitsluitend dat er een straf aan verbonden is. Allāh weet het het best.

Het maken van een afbeelding door gebruik te maken van zonlicht, zoals bij een foto, valt niet onder de verboden afbeeldingen, omdat zo'n afbeelding in wezen een schaduw van de gefotografeerde persoon is. Allāh weet het het best.

Over het maken van afbeeldingen (ṣuwar) en de daaraan verbonden oordelen

In de hoop dat Allāh ons tot het juiste leidt, zeggen wij: “Zoals er overleveringen zijn die afbeeldingen in het algemeen als ḥarām verklaren, zijn er ook overleveringen waarin uitzonderingen worden genoemd, zoals afbeeldingen op kledingstukken of op zaken die onder de voeten liggen, waarvan het toegestaan is dat afbeeldingen voorkomen. Daarnaast zijn er overleveringen die erop wijzen dat het verbod op afbeeldingen voortkomt uit vrees dat het kijken naar zulke afbeeldingen kan leiden tot een vorm van nederige aanbidding.

Ook bestaan er overleveringen waaruit blijkt dat het tonen van een afbeelding toegestaan is als dit uitsluitend bedoeld is om de afgebeelde persoon te identificeren. Dit blijkt uit het feit dat Jibrīl ( عليه السلام) een afbeelding van ʿĀ’ishah (رضي الله عنها) aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in zijn droom toonde. Zijn doel hierbij was duidelijk: om de identiteit te tonen van de vrouw die Allāh had uitgekozen als echtgenote voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).

Om deze verschillende overleveringen met elkaar te verzoenen, wordt gesteld dat het strengste verbod op afbeeldingen geldt voor hen die zich bij het maken ervan ten doel stellen om de schepping van Allāh te imiteren. De uitspraak in de ḥadīth: “Wie is onrechtvaardiger dan degene die probeert te scheppen zoals Ik schep?” verwijst hiernaar. Ook de uitspraak “de schilders die proberen Allahs schepping na te bootsen” bevestigt deze betekenis. Deze daad is op zichzelf ḥarām, want zij is ofwel een daad van shirk, of zeer dicht daartegen aan.

Er zijn echter ook gevallen waarbij het maken van een afbeelding een op zich lovenswaardig doel dient, zoals het afbeelden van vrome mensen, opdat hun voorbeeld gevolgd kan worden. Toch zijn ook deze afbeeldingen ḥarām verklaard, uit vrees dat men in het tonen van eerbied zou overdrijven, wat uiteindelijk kan leiden tot aanbidding. Zo is ook de shirk van de afgodendienaren ooit begonnen. Vooral het plaatsen van dergelijke afbeeldingen op gebedsplaatsen, zoals moskeeën, is uiterst gevaarlijk. Men moet niet denken dat aanbidding onwaarschijnlijk is, de onwetendheid onder mensen neemt toe, en shayṭān opent via deze wegen een deur naar verderf. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft immers gezegd:“Jullie zullen de wegen volgen van degenen vóór jullie, voet voor voet, el voor el. Zelfs als zij in het hol van een hagedis zouden kruipen, zouden jullie hen daarin volgen.”

De reden dat het verboden is, is omdat het gaat om het afbeelden van een levend wezen, op een wijze die het bestaan ervan mogelijk zou maken. Als het hoofd van de afbeelding verwijderd is, de buik is opengesneden of als de afbeelding voldoende is vervormd, dan vervalt het verbod. Hetzelfde geldt voor afbeeldingen die in kleding zijn verwerkt.

Als deze op een plek komen die onder de voeten valt, is er geen bezwaar. Maar wanneer de afbeelding op een eervolle plaats is aangebracht, bestaat er wel bezwaar. Als die eerbied zelfs de graad van aanbidding bereikt, dan is het met zekerheid ḥarām.

Pasfoto’s, afbeeldingen van verdachte personen omwille van herkenning, of van vijandelijke spionnen met het oog op bescherming, en ook afbeeldingen van schadelijke of nuttige dieren voor educatieve doeleinden, vallen niet onder de categorie ḥarām. Hier is sprake van een noodzaak, namelijk dat het afgebeelde herkend moet kunnen worden, wat een legitiem doel is. Soms is de noodzaak zelfs zo groot, dat het maken van zo’n afbeelding verplicht (wājib) wordt. Want de afbeelding dient dan als een middel tot kennis. En het oordeel hangt af van de noodzakelijkheid van die kennis: het kan op zijn plaats wājib of mustaḥab zijn.

Ook het maken van afbeeldingen van vaders of grootvaders, opdat zij herkend kunnen worden door hun zonen en kleinkinderen, is toegestaan. Maar dit is alleen mubāḥ op voorwaarde dat die vaders geen verering van hun afbeelding door hun kinderen verlangen. Als het enkel bedoeld is om hen te herkennen, is het toegestaan.

Uit de overlevering waarin Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen ʿĀ’ishah (رضي الله عنها) zei:“Haal de doek bij ons vandaan, want de afbeeldingen erop blijven zich tijdens de salāh telkens voor mij vertonen”, blijkt dat dergelijke afbeeldingen verboden zijn wanneer zij tot een bezwaar of afleiding leiden, zoals in dit geval, het verstoren van de concentratie tijdens de salāh.

Ook zijn er afbeeldingen, zoals die van naakte lichamen, die bij het bekijken ervan, met name onder jongeren, tot seksuele opwinding kunnen leiden. Daarom zijn dergelijke afbeeldingen eveneens ḥarām.

Films en Beeldenmateriaal

Wat betreft het vertonen van films: als het doel is om de getoonde zaken bekend te maken, jongeren op te voeden in kennis en zedelijkheid, een oorlogssituatie te tonen of iemand te leren hoe hij zich uit een moeilijke situatie kan redden, dan valt dit onder het zoeken naar kennis, wat op zichzelf prijzenswaardig en gewenst is.

Maar films die erotische scènes bevatten, seksuele verlangens aanwakkeren, of immorele zaken in beeld brengen, zoals naaktheid, zijn ḥarām. Ook posters met naakte afbeeldingen die op openbare plaatsen worden opgehangen vallen hieronder. Zulke zaken veroorzaken immers moreel verval en maatschappelijke schade.

Evenzo zijn films die mensen leren hoe zij zonden kunnen begaan verboden, zoals films die moord, diefstal, verraad, overspel of vrouwenverslaving aanleren. Zulke voorstellingen verleiden onwetenden tot het kwaad, onderwijzen hen in het begaan ervan, en tonen zelfs manieren om strafrechtelijke gevolgen te ontlopen. Zulke beelden leiden tot maatschappelijke corruptie en ontsporing. Het vermijden ervan is dus zonder twijfel beter.

Afbeeldingen in Speelgoed

Onze geleerden hebben daarentegen toegestaan dat kinderen met poppen en speelgoed met afbeeldingen spelen. Want bij deze zaken is geen van de verboden redenen aanwezig die afbeeldingen in andere contexten ḥarām maken.Deze toelichting vormt de samenvatting van uitvoerig onderzoek naar dit onderwerp. De meest juiste kennis behoort aan Allāh. Hij is Degene Die tot ons naar de rechte weg leidt. Hij is voldoende voor ons en wat een voortreffelijke Beschermer is Hij.

De ḥadīth over: “Jouw ummah zegt steeds: “Wat is dit toch? Wat is dit toch?” en zelfs: “Maar wat wordt er gezegd over Allāh?”

Imām Muslim رحمه الله heeft deze ḥadīth overgeleverd in Ṣaḥīḥ Muslim, in het hoofdstuk over "Waswās in het geloof (īmān)" (Bāb al-Waswasa fī al-Īmān), via de keten:

30. VanʿAbdullāh ibn ʿĀmir ibn Zurārah al-Ḥaḍramī, van Muḥammad ibn Fuḍayl, van al-Mukhtār ibn Fulful, van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh عز وجل zei: “Jouw ummah blijft maar zeggen: ‘Wat is dit? toch Wat is dit toch?’ Totdat ze zeggen: ‘Allāh heeft de schepping geschapen, maar wie heeft dan Allāh geschapen?”

31. Dezelfde ḥadīth van Isḥāq ibn Ibrāhīm van Jarīr, en door Abū Bakr ibn Abī Shaybah van Ḥusayn ibn ʿAlī, van Zā’idah. Beiden vertellen van al-Mukhtār van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) dezelfde ḥadīth van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).

Echter: Isḥāq vermeldde niet het deel “Allāh عز وجل zei: “Jouw ummah…”Imām Muslim vermeldt deze ḥadīth ook op meerdere plaatsen zonder het zinsdeel “Allāh zei”. Een daarvan is overgeleverd met een isnād die teruggaat tot Abū Hurayrah (رضي الله عنه), als volgt:

32. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De mensen zullen niet ophouden met vragen te stellen totdat zij zeggen: “Allāh heeft de schepping geschapen, maar wie heeft Allāh geschapen?”Wie met een dergelijke gedachte wordt geconfronteerd, laat hem dan zeggen: “Ik geloof in Allāh.”

33. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: "De shayṭān komt tot een van jullie en vraagt: “Wie heeft dit en dat geschapen?” Totdat hij zegt: “En wie heeft jouw Rab geschapen?”Wanneer iemand hiermee wordt geconfronteerd, laat hem dan zijn toevlucht zoeken bij Allāh en ophouden (met het verder doordenken en) stellen van dergelijke vragen.”Imām Muslim vermeldt deze overleveringen op soortgelijke wijze en in geen daarvan komt de frase “Allāh zei” voor.

Uitleg van de aḥadīth 30–33 (over waswasah in het geloof (īmān)

In zijn commentaar op Ṣaḥīḥ Muslim vermeldt Imām an-Nawawī رحمه الله de volgende overlevering: Abū Hurayrah (رضي الله عنه) vertelde dat sommige mensen naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwamen en zeiden: “Soms ontstaan er in ons hart gedachten die we zelfs verafschuwen om hardop uit te spreken.”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg: “Ervaren jullie echt dat dit iets groots is?”Zij antwoordden: “Ja.”Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Dat is juist een duidelijke (teken van) geloof (īmān).”Er is ook gezegd dat de betekenis hiervan als volgt is: De shayṭān fluistert slechts in bij degenen van wier misleiding hij de hoop heeft opgegeven. Omdat hij hen niet in staat is rechtstreeks te doen afdwalen, neemt hij zijn toevlucht tot influisteringen (waswasah).

Wat de kāfir betreft: bij hem kan hij van elke kant binnenkomen. Bij hem beperkt hij zich niet tot louter influisteringen, maar speelt hij met hem zoals hij wil.

Volgens deze uitleg betekent de ḥadīth dus dat de oorzaak van deze influisteringen de zuiverheid van het geloof is, of dat zulke influisteringen een aanwijzing vormen voor de zuiverheid van het geloof. Deze uitleg is de uitleg die door al-Qāḍī werd verkozen.

De uitspraak: “Wie dergelijke influisteringen (waswasah) in zijn hart ervaart, laat hem zeggen: ‘Ik geloof in Allāh.” betekent: Laat hij zich afkeren van dergelijke onjuiste en ongegronde gedachten en zijn toevlucht zoeken bij Allāh, opdat Hij ze van hem verwijdert.

Imām al-Māzarī رحمه الله zei: “Op grond van de uiterlijke betekenis van de ḥadīth wordt de mens bevolen dergelijke ongegronde influisteringen te negeren en zich niet bezig te houden met het weerleggen ervan door argumenten of bewijzen aan te dragen.

Er kan hierover het volgende worden gezegd: er zijn twee soorten de duivelse influisteringen (waswasah):De eerste soort waswasah betreft gedachten die slechts tijdelijk opkomen en de mens niet blijvend bezighouden. Deze kunnen worden weggenomen door er geen aandacht aan te schenken. Volgens de betekenis van de ḥadīth kan dit hierop worden toegepast. De term waswasah kan ook op een dergelijke toestand worden gebruikt. Het gaat hier om iets ongegronds en van weinig betekenis. Omdat er geen basis voor is, kan het verdwijnen zonder dat daarvoor bewijzen hoeven te worden aangevoerd.

De andere soort waswasah zijn gedachten die de mens voortdurend bezighouden en twijfels veroorzaken. Deze kunnen alleen worden weggenomen door het vinden van tegenbewijs en het aantonen van de ongeldigof onjuistheid ervan. Allāh weet het het best.

De uitspraak “...laat hem dan zijn toevlucht zoeken bij Allāh en ophouden (met het verder doordenken en) stellen van dergelijke vragen.”, betekent: Als iemand met zulke waswasah te maken krijgt, laat hij dan toevlucht zoeken bij Allāh en Hem om hulp vragen om het kwaad daarvan te verdrijven. Laat hij ophouden zich hiermee bezig te houden. Hij moet weten dat deze gedachten afkomstig zijn van de waswasah van de shaytân. De shaytân probeert op deze manier hem te misleiden en zijn geloof te ondermijnen. Daarom moet deze persoon ophouden naar de waswasah van de shaytân te luisteren en door zijn gedachten met andere zaken bezig te houden, het contact ermee verbreken.

De ḥadīth over: "Wie zweert dat ik iemand niet zal vergeven...?

Deze ḥadīth is overgeleverd in de Ṣaḥīḥ van Muslim, onder het hoofdstuk genaamd "het menselijk (hart) niet wanhopig maken van Allāh’s Barmhartigheid 34. Van …Abū ʿImrān al-Jawnī, Jundub (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: "Er was iemand die zei: ‘Bij Allāh, Allāh zal die-en-die niet vergeven!’Allāh عز وجل zei: ‘Wie zweert bij Mij dat Ik iemand niet zal vergeven? Ik heb diegene vergeven en jouw daden vernietigd.” Of Hij zei iets in die trant.

Uitleg van de 34ste ḥadīth

In zijn uitleg van deze ḥadīth heeft an-Nawawī gezegd:"Deze ḥadīth bevat een bewijs voor de opvatting van Ahl as-Sunnah dat het mogelijk is dat Allāh de zonden van een dienaar vergeeft, zelfs als hij geen berouw (tawbah) heeft getoond."

De Mu`tazilah hebben deze ḥadīth beschouwd als bewijs voor hun opvatting dat grote zonden de goede daden van een persoon tenietdoen. Volgens Ahl as-Sunnah echter worden de goede daden van een dienaar alleen tenietgedaan door ongeloof (kufr).

De reden waarom de goede daden van de man die in de ḥadīth wordt genoemd verloren zijn gegaan, is dat deze goede daden zijn vervangen door zijn slechte daden. Dit wordt aangeduid als 'al-ihbātu’l maǧāzī' (het metaforisch tenietgaan van daden).

Het is ook mogelijk dat deze man een andere daad heeft verricht die tot zijn ongeloof (kufr) leidde. Ook is het mogelijk dat dit een situatie betreft die van toepassing was volgens de wetten van de volkeren vóór ons (sharī‘ah van voorgaande gemeenschappen).

Een vergelijkbare overlevering wordt ook met een uitgebreider verhaal vermeld in Sunan Abū Dāwūd (Boek: Verbod op buitensporigheid):

35. Van Muḥammad ibn aṣ-Ṣabāḥ ibn Sufyān, van ʿAlī ibn Thābit, van ʿIkrimah ibn ʿAmmār, van Damdam ibn Jawz, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: Er waren twee mannen onder de Banū Isrā’īl die als broeders met elkaar verbonden waren. Eén van hen beging voortdurend zonden, terwijl de ander zich inspande voor ‘ibādah (aanbidding).

Degene die toegewijd was aan ‘ibādah zag de ander steeds zondigen en zei tegen hem:"Laat de zonden achter je!"

Daarop antwoordde de ander: "Laat mij alleen met mijn Rab. Ben jij tot mij gezonden als toezichthouder?"

De vrome man zei toen: "Bij Allāh! Allāh zal jou nooit vergeven, of jou nooit in Zijn Jannah binnenlaten."

Daarop nam Allāh beiden hun arwāḥ. Ze werden samen voor Rab al-‘Ālamīn gebracht.

Allāh vroeg aan degene die zich op de ‘ibādah toelegde: "Kende jij Mij? Bezat jij macht over wat in Mijn Hand ligt?"

Vervolgens zei Hij tegen de zondaar: "Ga de Jannah binnen met Mijn raḥmah."

En over degene die volhield in zijn ‘ibādah beval Hij: "Werpt hem in de Jahannam."

Abū Hurayrah zei: "Bij Degene in Wiens Hand mijn rûh is, hij heeft een uitspraak gedaan die zowel zijn wereld als zijn Hiernamaals vernietigde."

Uitleg van de 35ste ḥadīth

“Laat mij alleen met mijn Rab.” Dat wil zeggen: laat mij met rust zodat mijn Rab met mij doet wat Hij wil. Ik geloof immers dat Allāh de Meest Vergevingsgezinde en Meest Barmhartige is. Hij kan alle zonden vergeven, en Zijn barmhartigheid omvat werkelijk alles.

Hierin zit een aanwijzing dat deze man een goede gedachte (ḥusn az-ẓan) over Allāh heeft en berouw heeft getoond, en dus hoopt dat Allāh al zijn zonden zal vergeven. Daarom zei hij: “Laat mij alleen met mijn Rab”, oftewel: “Ik heb een sterke overtuiging in Allāh en Zijn vergiffenis.”

De uitspraak: “Ben jij naar mij gestuurd als een toezichthouder?” betekent: “Ben jij door Allāh gestuurd als een waker over mij?” Allāh zei ook tegen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) : “Jij bent geen voogd over hen.”

De enige echte Waker over de dienaren is Allāh. De gedachte van die man vloeit voort uit de schoonheid van zijn geloof. En juist deze schoonheid van geloof maakt iemand geschikt voor de vergiffenis van Allāh.

Zoals ook Abū Hurayrah رحمه الله zei: De vrome man vernietigde zowel zijn wereld als zijn Hiernamaals door tegen zijn zondige metgezel te zeggen: “Allāh zal jou niet vergeven” of “Allāh zal jou niet in Jannah laten binnentreden.”

Vanwege deze ontkenning van Allahs vergeving, werden al zijn goede daden hier op aarde tenietgedaan, en was dus zijn aardse leven vernietigd. Allāh zegt immers: وَمَن يَرۡتَدِدۡ مِنكُمۡ عَن دِينِهِۦ فَيَمُتۡ وَهُوَ كَافِرٞ فَأُوْلَٰٓئِكَ حَبِطَتۡ أَعۡمَٰلُهُمۡ فِي ٱلدُّنۡيَا وَٱلۡأٓخِرَةِۖ وَأُوْلَٰٓئِكَ أَصۡحَٰبُ ٱلنَّارِۖ هُمۡ فِيهَا خَٰلِدُونَ ٢١٧

... En wie van jullie zich van de religie afkeert en als ongelovige sterft, daarvan zullen zijn daden in dit leven en in het Hiernamaals verloren gaan en zij zullen de bewoners van het Vuur zijn. Zij zullen daarin voor altijd verblijven. (Baqarah, 2:217))

Zo vernietigde hij ook zijn Hiernamaals leven; hij bleef zonder enige beloning vanwege zijn uitspraak.

Daarom verdiende hij het oordeel: “Gooi hem in de Jahannam!”Zoals an-Nawawī schreef: “Als deze man, al was het maar in zijn hart, iets heeft laten ontstaan dat leidt naar ongeloof, dan is het mogelijk dat er werd gezegd: “Gooi hem in de Jahannam om er eeuwig in te blijven.”En net zoals sommige zondige mu’mins gestraft worden in de Jahannam om gezuiverd te worden van hun zonden, is het mogelijk dat ook hij daarin werd geworpen ter boetedoening. Want wat hij deed, is bijna een grote zonde: het met zekerheid zeggen dat zijn zondige broeder door Allāh niet vergeven zal worden of Jannah niet zal binnentreden.Allāh zegt in de Qur’ān:أَهُمۡ يَقۡسِمُونَ رَحۡمَتَ رَبِّكَۚ Zijn zij het die de barmhartigheid van jouw Rab uitdelen? (Zukhruf, 43:32)

Vergiffenis en bestraffing behoren enkel tot Allāh’s Wil. Een schepsel mag dus niet met zekerheid oordelen over zichzelf of een ander wat betreft wie Allahs vergiffenis of straf verdient. Wie dit wel doet, velt een oordeel over Allāh’s Wil en Zijn daden.

Allāh heeft de zondaar die hoopte op Zijn vergeving de Jannah binnen laten gaan, terwijl Hij de vrome man die een eed over Allāh uitsprak naar de Jahannam heeft gezonden. O Allah, wij zoeken onze toevlucht bij U tegen fouten in woorden, geloof en daden, en tegen vergissingen die wij onbewust begaan.