12. Overleveringen met betrekking tot het spreken van Allāh over de rahm (familieband)
Overlevering van het “aanspreken van de rahm”
Deze ḥadīth is door al-Bukhārī overgeleverd in Kitāb at-Tafsīr, in het hoofdstuk over Sūrah Muhammad, deel 6, blz. 134, in de hoofdstukrubriek die betrekking heeft op de betekenis van de uitspraak van Allāhu Ta`ala: فَهَلۡ عَسَيۡتُمۡ إِن تَوَلَّيۡتُمۡ أَن تُفۡسِدُواْ فِي ٱلۡأَرۡضِ وَتُقَطِّعُوٓاْ أَرۡحَامَكُمۡ ٢٢Zouden jullie dan, als jullie je afwenden onheil in het land verrichten en de familiebanden geweld" aandoen? (Muḥammad, 47:22)
110.Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh schiep de schepselen. Toen Hij daarmee klaar was, stond de rahm (familieband) op en greep zich vast aan de schoot van ar-Raḥmān. ar-Raḥmān zei: ‘Laat los.’ De rahm zei: ‘Dit is de plaats (maqām) waar ik mijn toevlucht zoek tegen het verbreken van de band met mij.’ar-Raḥmān zei: “Ben je er niet tevreden mee dat Ik verbonden ben met degene die jouw rechten nakomt (die de familiebanden niet verbreekt), en dat Ik degene die jouw rechten niet nakomt en de familiebanden verbreekt, van Mij afsnijd?”De rahm antwoordde: ‘Ja, ik ben tevreden, mijn Rab.’ Daarop zei ar-Raḥmān: ‘Dan schenk Ik jou dat wat jij hebt gevraagd.”Abū Hurayrah zei daarna:فَهَلۡ عَسَيۡتُمۡ إِن تَوَلَّيۡتُمۡ أَن تُفۡسِدُواْ فِي ٱلۡأَرۡضِ وَتُقَطِّعُوٓاْ أَرۡحَامَكُمۡ ٢٢Zouden jullie dan, als jullie je afwenden onheil in het land verrichten en de familiebanden geweld aandoen? (Muḥammad, 47:22)
111. al-Bukhārī heeft in dezelfde hoofdstukrubriek een andere overlevering met een keten die teruggaat tot Abū Hurayrah (رضي الله عنه), waarin wordt vermeld:
“Daarna heeft Abū Hurayrah (رضي الله عنه) van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overgeleverd dat hij zei: ‘Als jullie willen, lees dan het vers: Zouden jullie dan, als jullie je afwenden onheil in het land verrichten en de familiebanden geweld aandoen? (zie hierboven: Muḥammad, 47:22)
Deze ḥadīth is door al-Bukhārī ook overgeleverd in Kitāb at-Tawḥīd en Kitāb al-Adab. Muslim heeft deze eveneens overgeleverd in Kitāb al-Adab, en an-Nasā’ī in Kitāb at-Tafsīr.
112. Volgens de overlevering van at-Tirmidhī heeft ʿAbdurraḥmān ibn ʿAwf (رضي الله عنه) gezegd dat hij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hoorde zeggen: “Allāhu (تعالى) zei: ‘Ik ben Allāh, Ik ben ar-Raḥmān. Ik heb de rahm (familieband) geschapen en haar een naam afgeleid van Mijn Naam gegeven. Wie haar recht onderhoudt door de familiebanden aan te halen, met hem zal Ik verbonden zijn en hem helpen. En wie de familieband verbreekt, met hem zal Ik de band verbreken.”
at-Tirmidhī heeft gezegd dat deze ḥadīth ḥasan ṣaḥīḥ is.
113.Ook Abū Dāwūd heeft deze ḥadīth overgeleverd via ʿAbdurraḥmān ibn ʿAwf (رضي الله عنه), die zei: “Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: Allāhu (تعالى) zegt: “Ik ben ar-Raḥmān. Voor de raḥim (verwantschapsen familieband) heb Ik een naam afgeleid van Mijn Eigen Naam. Wie de familiebanden onderhoudt, met hem onderhoud Ik de band en schenk Ik Mijn steun/hulp. En wie de familiebanden verbreekt, met hem verbreek Ik de band.”
Abū Dāwūd heeft deze ḥadīth overgeleverd in deel 2, blz. 77, in het hoofdstuk “Het onderhouden van de familiebanden.”
Uitleg van de ahādīth 110-113
Met de woorden “de raḥim (familieband) stond op” wordt bedoeld dat de familieband als iets wordt voorgesteld dat een vorm en gestalte heeft gekregen.Over de uitspraak “zij greep zich vast aan de schoot (rida) van ar-Raḥmān” zegt al-Qāḍī al-Bayḍāwī: “Deze uitdrukking wordt gebruikt omdat het onder de mensen gebruikelijk is dat iemand die hulp zoekt zich vastklampt aan de zoom van het gewaad of aan een hoek van de ridāʾ van degene van wie hij hulp verlangt. Door zich aan zijn kleding vast te houden, geeft hij te kennen dat hij aandringt op zijn verzoek om hulp. Het is alsof hij daarmee aangeeft dat hij wil dat die persoon hem beschermt zoals hij datgene beschermt wat hij onder zijn gewaad bewaart, en dat hij het leed van hem wegneemt. Hij blijft zich aan zijn kleding vastklampen en laat niet los.Deze onder de mensen bekende gewoonte is vervolgens bij wijze van beeldspraak (majāz) ook gebruikt voor de familieband (raḥim). Daarmee wordt de grote waarde van het onderhouden van de familiebanden en het sterke beroep daarop tot uitdrukking gebracht.
aṭ-Ṭayyibī schrijft: Hier is sprake van een beeldspraak (majāz) die berust op een vergelijking. De familieband (raḥim) en haar behoefte aan het onderhouden van de verwantschapsrelaties, evenals haar afkeer van het verbreken ervan, worden vergeleken met de toestand van een behoeftige die zich vastklampt aan de zoom van het gewaad van iemand van wie hij een gunst of hulp verlangt. Op grond van deze vergelijking is de uitdrukking die voor het voorbeeld wordt gebruikt, ook toegepast op datgene waarmee het wordt vergeleken. Dit is gedaan omdat die uitdrukking de bedoelde situatie vanuit verschillende gezichtspunten treffend weergeeft en verduidelijkt.
al-Qābisī zegt: Abū Zayd vermeed het om de uitdrukking “de zoom van ar-Raḥmān” te gebruiken, omdat sommige mensen moeite zouden kunnen hebben om deze correct te begrijpen. Daarom zei hij: “Hoewel deze uitdrukking in de overlevering voorkomt, spreek ik haar niet uit uit eerbied voor de verhevenheid van Allāh en om Hem vrij te verklaren van alles wat niet bij Hem past (tanzīh).”
De betekenis kan hier ook zijn dat een engel opstond en namens de familieband (raḥim) sprak. Dit berust dan op het taalkundige principe van het weglaten van een impliciet woord (ḥadhf al-muḍāf).
Daarnaast kan de uitdrukking worden opgevat als een voorbeeldspraak of beeldspraak (majāz), bedoeld om de betekenis dichter bij het begrip van de toehoorder te brengen.
De betekenis en bedoeling die uit deze gehele ḥadīth wordt begrepen, is dat de familieband (ṣilat al-raḥim) een zaak van groot belang is.
Wie de familiebanden onderhoudt, bezit een grote deugd en verdienste, terwijl degene die deze banden verbreekt zondig handelt.
Dat Allāhu (تعالى) Zich verbindt met degene die de familiebanden onderhoudt, betekent dat Hij hem Zijn barmhartigheid, genade en zorg schenkt. En dat Hij de band verbreekt met degene die de familiebanden verbreekt, betekent dat Hij hem niet met die bijzondere barmhartigheid en genade behandelt.
an-Nawawī zegt: Het onderhouden van familiebanden is in algemene zin verplicht (wājib), en het verbreken ervan is een zonde. De graden van het onderhouden van familiebanden verschillen echter; sommige zijn sterker en belangrijker dan andere.
In een marfūʿ ḥadīth die is overgeleverd van Abū Bakrah (رضي الله عنه) staat: “Van alle zonden zijn de zonden waarvoor Allāh het snelst een bestraffing in deze wereld laat plaatsvinden, terwijl Hij de bestraffing ervan in het Hiernamaals eveneens bewaart, onrechtvaardige overtreding (baghy) en het verbreken van de familiebanden (qaṭʿ al-raḥim).” Deze ḥadīth is overgeleverd door Aḥmad ibn Ḥanbal.
Eveneens heeft Aḥmad ibn Ḥanbal van Thawbān (رضي الله عنه) een marfūʿ overlevering overgeleverd: “Wie graag wil dat zijn levensduur wordt verlengd en zijn levensonderhoud wordt verruimd, laat hem dan de familieband onderhouden.” En Allāhu (تعالى) weet het het beste.