13. Overleveringen met betrekking tot de ṣalāh: De verplichtstelling van de ṣalāh en de ḥadīth van al-Isrā’
Deze ḥadīth is door al-Bukhārī overgeleverd in deel 1, blz. 78-79, in het hoofdstuk: “Hoe werden de ṣalawāt tijdens al-Isrā’ verplicht gesteld?”
114. Van … Abū Dhar (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Toen ik in Makkah was, werd het plafond van mijn huis geopend en daalde Jibrīl (عليه السلام) neer. Hij opende mijn borst en waste deze met Zamzam-water. Vervolgens bracht hij een gouden schaal gevuld met wijsheid (hikmah) en geloof (īmān), die hij in mijn borst uitstortte. Daarna sloot hij mijn borst weer. Vervolgens nam hij mij bij de hand en steeg met mij op naar de laagste hemel.Toen wij bij de laagste hemel kwamen, zei Jibrīl (عليه السلام) tegen de bewaker van de hemel: ‘Open.’ - ‘Wie is daar?’ - ‘Jibrīl.’ - ‘Is er iemand bij jou?’ - ‘Ja, Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) is bij mij.’ - “Werd er een boodschapper naar hem gestuurd?” - ‘Ja.’Toen de deur geopend werd, betraden wij de laagste hemel. Daar zagen wij een man zitten, met aan zijn rechteren linkerzijde verschillende mensen. Wanneer hij naar zijn rechterzijde keek, glimlachte hij, en wanneer hij naar zijn linkerzijde keek, huilde hij. Toen wij bij hem kwamen, zei hij: ‘Welkom aan de rechtschapen Nabī en het rechtschapen kind.’Ik vroeg aan Jibrīl (عليه السلام): ‘Wie is dit?’ - ‘Dit is Ādam (عليه السلام). De mensen aan zijn rechteren linkerzijde zijn de arwāḥ van zijn kinderen. Degenen aan zijn rechterzijde zijn de bewoners van Jannah, en degenen aan zijn linkerzijde zijn de bewoners van Jahannam. Daarom glimlacht hij wanneer hij naar zijn rechterzijde kijkt en huilt hij wanneer hij naar zijn linkerzijde kijkt.”Daarna werd ik opgeheven naar de tweede hemel.Jibrīl zei tegen de bewaker daarvan: ‘Open.’ De bewaker van deze hemel zei hetzelfde als de eerste bewaker, waarna hij de deur opende.”De overleveraar Anas (رضي الله عنه) zei: “an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vermeldde dat hij in de hemelen Ādam, Idrīs, Mūsā, ʿĪsā en Ibrāhīm (عليهم السلام) ontmoette, maar hij specificeerde hun verblijfplaatsen niet.
Alleen vermeldde hij dat hij Ādam (عليه السلام) in de laagste hemel ontmoette en Ibrāhīm (عليه السلام) in de zesde hemel.”Anas (رضي الله عنه) vervolgt zijn woorden en zegt:“Toen Jibrīl an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) langs Idrīs (عليه السلام) leidde, zei hij: ‘Welkom aan de rechtschapen Nabī en de rechtschapen broeder.’ an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei:‘Ik vroeg aan Jibrīl: “Wie is dit?” - “Dit is Idrīs (عليه السلام).”Daarna ging ik langs Mūsā (عليه السلام). Hij zei: ‘Welkom aan de rechtschapen broeder en de rechtschapen Nabī.’ Ik vroeg aan Jibrīl: ‘Wie is dit?’ - ‘Dit is Mūsā (عليه السلام).’Vervolgens ging ik langs ʿĪsā (عليه السلام). Ook hij zei: ‘Welkom aan de rechtschapen broeder en de rechtschapen Nabī.’ Ik vroeg aan Jibrīl: ‘Wie is dit?’ - ‘Dit is Ibrāhīm (عليه السلام).”Een van de betrouwbare overleveraars, Ibn Shihāb, zei: “Ibn Ḥazm vertelde mij dat Ibn ʿAbbās en Abū Ḥayyah al-Anṣārī (رضي الله عنهم) later overleverden dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Daarna werd ik verder omhoog gebracht, totdat ik op een plaats kwam waar ik het krassen van de pennen hoorde.”
Van Ibn Ḥazm en Anas ibn Mālik (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) verplichtte vijftig ṣalawāt aan mijn ummah. Daarna keerde ik terug en passeerde ik Mūsā (عليه السلام), die vroeg:‘Wat heeft jouw Rab jouw ummah verplicht gesteld?’
- ‘Vijftig (daags)ṣalawāt.’
- ‘Keer terug naar jouw Rab, want jouw ummah zal daartoe niet in staat zijn.’
Daarop keerde ik terug en mijn Rab verminderde een deel ervan.
Vervolgens ging ik opnieuw naar Mūsā en zei: ‘Mijn Rab heeft de helft ervan verminderd.’
- ‘Keer terug naar jouw Rab, want jouw ummah zal ook daartoe niet in staat zijn.’
Ik keerde terug naar mijn Rab en Hij verminderde opnieuw een deel ervan.
Daarna ging ik weer naar Mūsā, die opnieuw zei: ‘Keer terug naar jouw Rab, want jouw ummah zal zelfs hiertoe niet in staat zijn.’
Toen ging ik opnieuw terug naar mijn Rab en Hij zei: ‘Ik heb het teruggebracht tot vijf (dagelijks) ṣalawāt, maar voor deze vijf is er de beloning van vijftig. Bij Mij wordt het Woord niet veranderd.’
Daarna ging ik opnieuw naar Mūsā, die weer zei: ‘Keer terug naar jouw Rab.’
Maar ik antwoordde: ‘Ik schaam mij tegenover mijn Rab.”
Daarna steeg Jibrīl met mij verder omhoog totdat hij samen met mij bij Sidrah al-Muntahā kwam. Daar werd het bedekt met kleuren waarvan ik niet wist wat zij waren. Vervolgens werd ik Jannah binnengeleid. Daar zag ik kettingen van parels, en de aarde ervan was van muskus.”
Uitleg van de 114ste ḥadīth
In de ḥadīth beschrijft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het huis waarin Hij zich bevond op het moment dat deze gebeurtenis plaatsvond aan Zichzelf toe door te zeggen: “mijn huis”. Daarmee verwijst Hij naar de woning waarin Hij op dat moment verbleef. Het staat vast dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zich op dat moment in het huis van Umm Hānī (رضي الله عنها) bevond. Dat de gouden schaal werd gebruikt, hield verband met de zuiverheid van Rasûlullāhs (صلى الله عليه وسلم) hart. Deze gebeurtenis vond plaats in Makkah vóórdat het gebruik van gouden voorwerpen verboden werd verklaard.
Dat de schaal gevuld was met geloof (īmān) en wijsheid (ḥikmah) kan erop duiden dat hier de oorzaak wordt genoemd terwijl in werkelijkheid het gevolg bedoeld wordt; namelijk dat deze schaal aanleiding gaf tot het ontstaan van īmān en wijsheid. Het kan ook gaan om een symbolische verbeelding, waarbij een verstandelijke betekenis zichtbaar wordt gemaakt via iets zintuiglijks, zoals de dood die in de vorm van een bontgekleurde ram zal worden gebracht (en op de Brug zal worden geslacht.)
Ḥikmah is een uitdrukking die gebruikt wordt voor:- kennis van zaken die betrekking hebben op maʿrifatullāh (het kennen van Allāhu (تعالى)),- het ontwikkelen van inzicht,- het disciplineren van de nafs,- het herkennen van de waarheid en ernaar handelen,- en het weerhouden van de nafs van nutteloze begeerten en valse zaken.Er is ook gezegd dat met ḥikmah hier het profeetschap bedoeld wordt. Eveneens is gezegd dat ḥikmah een door Allāhu (تعالى) geschonken begrip en inzicht is.
Nadat Jibrīl (عليه السلام) de schaal gevuld met īmān en ḥikmah in de borst van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had uitgestort, sloot hij deze weer en verzegelde haar zoals een gevulde schaal verzegeld wordt.
Allāhu (تعالى) heeft in Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) alle eigenschappen van het profeetschap samengebracht en hem tot de laatste Nabī en het zegel (van de anbiyā) gemaakt. Hij heeft hem verzegeld, zodat zijn vijanden geen weg konden vinden om hem te bereiken. Want iets dat verzegeld is, staat onder bescherming.
Dit gebeurde zodat de schittering van al-Asmā’ al-Ḥusnā (de Meest Schone Namen van Allāhu (تعالى)) op de meest volmaakte wijze in hem zichtbaar zal worden, zich zal versterken, en zodat hij standvastig zal blijven op de hoogste rang.Toen de engel Jibrīl (عليه السلام) over an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Is er een boodschapper (Rasûl) naar hem gezonden?” bedoelde hij daarmee of er toestemming was gegeven voor zijn opstijging naar de hemelen; hij bedoelde niet of hem het profeetschap was verleend.
Ādam (عليه السلام) zei: “Welkom aan het rechtschapen kind.” Het woord “marhabah (welkom)” wordt gebruikt voor iemand die van een plaats aankomt. Dat Ādam (عليه السلام) het woord “rechtschapen” gebruikte, komt doordat dit woord een betekenis bevat die alle andere goede eigenschappen omvat.
Met de woorden: “Mijn Rab verminderde een deel ervan” wordt bedoeld dat Hij het aantal ṣalawāt terugbracht tot vijf tijden (per dag). Over deze vermindering bestaan verschillende overleveringen. In sommige overleveringen wordt vermeld dat de vermindering telkens met vijf plaatsvond, terwijl in andere wordt vermeld dat zij telkens met tien werd verminderd. Volgens de meest authentieke overleveringen blijkt echter dat de vermindering telkens met vijf plaatsvond.
al-Ḥāfiẓ Ibn Ḥajar schrijft: De uitspraak: “Ik heb het teruggebracht tot vijf ṣalawāt, maar voor deze vijf is er de beloning van vijftig” komt overeen met de ayah:مَن جَآءَ بِٱلۡحَسَنَةِ فَلَهُۥ عَشۡرُ أَمۡثَالِهَاۖ وَمَن جَآءَ بِٱلسَّيِّئَةِ فَلَا يُجۡزَىٰٓ إِلَّا مِثۡلَهَا وَهُمۡ لَا يُظۡلَمُونَ ١٦٠Iedereen die een goede daad verricht zal tien maal daarvan de prijs krijgen en iedereen die een slechte daad verricht zal slechts de vergelding van het gelijkwaardige krijgen en hen zal geen onrecht aangedaan worden. (Anʿām, 6:160)
Dit wordt aangehaald als bewijs dat behalve de vijf dagelijkse ṣalawāt geen andere ṣalāh verplicht is gesteld, zoals bijvoorbeeld de ṣalāh al-witr.
Uit de ḥadīth blijkt dat een bevel (amr) ook vóórdat ermee wordt gehandeld kan worden opgeheven (naskh). De Muʿtazilah heeft echter bezwaar aangetekend tegen deze zienswijze. Alle geleerden zijn het er echter unaniem over eens dat naskh (opheffing/abrogatie) niet kan plaatsvinden vóór de tablīgh (bekendmaking aan de an-Nabī (صلى الله عليه وسلم)), dus voordat het aan an-Nabī is meegedeeld.
De betekenis van de uitspraak, “Bij Mij wordt het Woord niet veranderd” is: “Een oordeel dat bij Mij definitief vaststaat, wordt niet veranderd. Wat echter in een voorwaardelijke toestand (muʿallaq) verkeert, is anders: daarvan wist Allāhu (تعالى) wat Hij wil en bevestigt Hij wat Hij wil.”
Het feit dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn Rab keer op keer raadpleegde over de vermindering van de ṣalāh, laat zien dat het eerste besluit nog niet als definitief vaststaand was vastgesteld.
Zijn woorden, “Ik schaam mij tegenover mijn Rab” geven aan dat hij daarna niet opnieuw om verdere vermindering heeft gevraagd, uit vrees dat dit zou neerkomen op het volledig opheffen van de vijf ṣalawāt. Want telkens wanneer hij terugkeerde, werden opnieuw vijf ṣalawāt vastgesteld. En wanneer steeds opnieuw vijf ṣalawāt werden vastgesteld, hoe zou hij dan nog kunnen vragen om diezelfde vijf opnieuw te verminderen? Na de uitspraak van Allāhu (تعالى): “Bij Mij wordt het Woord niet veranderd”, kon er geen verdere vermindering meer gevraagd worden.
Sidrah al-Muntahā is de hoogste grens van de hemelen. Het wordt zo genoemd omdat de kennis van de engelen daar eindigt en niet verder gaat. Niemand behalve Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) is daar voorbij gegaan. Er is ook gezegd dat het zo heet omdat de arwāḥ van de martelaren daar eindigen.
Dat de aarde van Jannah als musk wordt beschreven, betekent dat zij een geur heeft zoals musk en daarvan doordrongen is.
Uit Sahîh Muslim is ook de ḥadīth overgeleverd betreffende het verplicht stellen van de ṣalāh. Deze ḥadīth is volgens de marginale aantekeningen van al-Qasṭallānī te vinden in deel 2, blz. 53, in het hoofdstuk “De Isra’ van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en de verplichtstelling van de ṣalāh”.
115. Van … Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Mij werd al-Burāq gebracht. Het was een wit dier, groter dan een ezel maar kleiner dan een muildier. Zijn stap reikte tot waar zijn blik reikte. Ik reed erop tot ik bij Bayt al-Maqdis aankwam. Ik bond het vast aan de ring waaraan de anbiyā hun rijdieren vastbinden. Vervolgens ging ik de moskee binnen en verrichtte daar twee rakʿāt ṣalāh. Daarna ging ik naar buiten.Jibrīl (عليه السلام) bracht mij een beker met wijn en een beker met melk. Ik koos de melk. Jibrīl zei: ‘Jij hebt de fıṭrah (de natuurlijke aanleg, het rechte pad) gekozen.’Vervolgens stegen wij op naar de hemel.
Jibrīl vroeg om de deur te openen. Er werd gevraagd: ‘Wie is daar?’ - ‘Jibrīl.’ - ‘Wie is er met jou?’ - ‘Muḥammad (صلى الله عليه وسلم).’ - “Werd er een boodschapper naar hem gestuurd?” - ‘Hij is gezonden.’Daar ontmoette ik ʿĪsā ibn Maryam (عليه السلام) en Yaḥyā ibn Zakariyyā (عليه السلام), die mij goed ontvingen en voor mij duʿā’ verrichtten om het goede.Vervolgens stegen wij naar de derde hemel. Jibrīl vroeg om de deur te openen. - ‘Wie is daar?’ - ‘Jibrīl.’ - ‘Wie is er met jou?’ - ‘Muḥammad.’ - “Werd er een boodschapper naar hem gestuurd?” - ‘Hij is gezonden.’ De deur werd geopend.Ik ontmoette daar Yūsuf (عليه السلام), aan wie de helft van alle schoonheid was gegeven. Hij ontving mij goed en verrichtte duʿā` voor mij.Vervolgens stegen wij naar de vierde hemel. Jibrīl vroeg om de deur te openen. - ‘Wie is daar?’ - ‘Jibrīl.’ - ‘Wie is er met jou?’ - ‘Muḥammad.’ - “Werd er een boodschapper naar hem gestuurd?” - ‘Hij is gezonden.’ De deur werd geopend.Ik ontmoette daar Idrīs (عليه السلام). Hij ontving mij goed en verrichtte duʿā’ voor mij. Allāhu (تعالى) zegt in de Qurʾān: ‘En Wij hebben hem naar een verheven plaats opgeheven.’Vervolgens stegen wij naar de vijfde hemel. Jibrīl vroeg om de deur te openen. - ‘Wie is daar?’ - ‘Jibrīl.’ - ‘Wie is er met jou?’ - ‘Muḥammad.’ - “Werd er een boodschapper naar hem gestuurd?” - ‘Hij is gezonden.’ De bewaker opende de deur.Daar ontmoette ik Hārūn (عليه السلام). Hij ontving mij goed en verrichtte duʿā’ voor mij.Daarna stegen wij op naar de zesde hemel.
Jibrīl (عليه السلام) vroeg om de deur te openen. - “Wie is daar?” - “Jibrīl.” - “Wie is er met jou?” - “Muḥammad (صلى الله عليه وسلم).” - “Is hij gezonden?” - “Hij is gezonden.” De deur werd geopend.Daar ontmoette ik Mūsā (عليه السلام). Hij ontving mij goed en verrichtte duʿā’ voor mij.Daarna stegen wij op naar de zevende hemel. Jibrīl vroeg om de deur te openen. - “Wie is er met hem?” - “Muḥammad.” - “Is hij gezonden?” - “Hij is gezonden.”Daar zag ik Ibrāhīm (عليه السلام) met zijn rug geleund tegen Bayt al-Maʿmūr. Elke dag gaan daar zeventigduizend engelen binnen en zij keren nooit meer terug.Daarna ging (Jibrīl) verder tot aan Sidrat al-Muntahā. De bladeren van Sidrat al-Muntahā waren als de oren van olifanten en de vruchten leken op kruiken. Wat Allāhu (تعالى) daarvan met Zijn bevel bedekte, gaf het een ander uiterlijk, en de schoonheid ervan op dat moment kan geen van de schepselen van Allāhu (تعالى) beschrijven.Daar openbaarde mijn Rab aan mij wat Hij wilde openbaren en Hij verplichtte mij vijftig ṣalawāt per dag en nacht.Ik keerde terug naar Mūsā (عليه السلام). - “Wat heeft jouw Rab jouw ummah verplicht?” - “Vijftig ṣalawāt.” - “Keer terug naar jouw Rab en vraag om vermindering, want jouw ummah zal daartoe niet in staat zijn. Ik heb de kinderen van Isrā’īl al getest en hun toestand gezien.”Ik keerde terug naar mijn Rab en zei: “O mijn Rab, verlicht wat U mijn ummah hebt verplicht.” Hij verminderde het tot vijf ṣalawāt.Ik ging terug naar Mūsā en zei: “Mijn Rab heeft het tot vijf ṣalawāt verminderd.” - “Zelfs dat is te zwaar voor jouw ummah. Keer terug naar jouw Rab en vraag opnieuw om vermindering.”Zo ging ik steeds heen en weer tussen mijn Rab en Mūsā, totdat Allāhu (تعالى) zei: “O Muḥammad, het zijn vijf ṣalawāt per dag en nacht.
Voor elke ṣalāh wordt tienvoudige beloning gegeven, zodat het gelijk staat aan vijftig. Wie een goede daad voorneemt maar niet uitvoert, krijgt één beloning geschreven. En wie haar uitvoert, krijgt tienvoudige beloning geschreven.En wie een slechte daad voorneemt maar haar niet uitvoert, voor hem wordt geen zonde opgeschreven. Maar wie de slechte daad uitvoert, voor hem wordt slechts één zonde opgeschreven overeenkomstig die daad.”Daarna daalde ik opnieuw af naar Mūsā en vertelde hem wat er gebeurd was. Hij zei: “Keer terug naar jouw Rab en vraag om verdere vermindering.”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik ben zo vaak naar mijn Rab teruggekeerd dat ik mij tegenover Hem schaamde.”
Uitleg van de 115ste ḥadīth
De taalgeleerden zeggen dat al-Burāq de naam is van het rijdier waarop Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tijdens de nacht van al-Isrā’ reed. De auteur van at-Taḥrīr vermeldt, evenals az-Zabīdī in Mukhtaṣar al-ʿAyn, dat al-Burāq het rijdier van de anbiyā was.an-Nawawī zei dat dit rijdier al-Burāq werd genoemd vanwege zijn grote snelheid. Anderen hebben gezegd dat het zo genoemd werd vanwege zijn schittering en glans.Zoals in de ḥadīth vermeld wordt, bonden de anbiyā hun rijdieren vast aan de ring om daarmee de mensen een voorbeeld te geven. Hiermee tonen zij hoe men voorzichtig behoort te handelen en de middelen (asbāb) dient te gebruiken. Op deze manier stellen zij een voorbeeld voor de mensen in het nemen van de juiste voorzorgsmaatregelen. Dit doet op geen enkele wijze afbreuk aan het vertrouwen (tawakkul) op Allāhu (تعالى)..
De fiṭrah die in de ḥadīth genoemd wordt, is uitgelegd als de Islām en rechtschapenheid. Melk is daarvan een symbool. Het wordt vergeleken met de fitrah omdat het zuiver is, een aangenaam en rustgevend effect heeft voor degene die het drinkt, en na consumptie geen schadelijke gevolgen veroorzaakt. Wijn daarentegen is de moeder van alle kwaad en leidt tot slechtheid en verdorvenheid. (De uitleg tot hier is overgenomen uit de sharḥ van an-Nawawī.)Dat Jibrīl (عليه السلام) op de vraag van de engel binnen: “Wie ben jij?”, antwoordde met:“Jibrīl”, bevat een les in etiquette (adāb).Wanneer iemand op een deur klopt en gevraagd wordt: “Wie is daar?”, dan is het gepast dat hij zijn naam noemt. Het is ongepast om slechts te antwoorden met: “Ik.”Ook in de ḥadīth wordt het geven van zo’n antwoord afgekeurd, omdat het degene die vraagt geen nuttige informatie geeft.Uit de ḥadīth blijkt eveneens dat het aanbevolen (mustaḥab) is om toestemming te vragen voordat men ergens binnengaat.Dat Ādam (عليه السلام) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ontving met de woorden “marḥabā” en voor hem om het goede smeekte, wijst erop dat het gepast is om mensen van verdienste met vriendelijkheid en een glimlach te ontvangen, op mooie wijze met hen te spreken en voor hen duʿā’ te verrichten, zelfs wanneer degene voor wie men duʿā’ verricht beter is dan degene die de duʿā’ doet.
Hierin ligt tevens een aanwijzing dat het toegestaan is iemand in zijn aanwezigheid te prijzen, wanneer men ervan verzekerd is dat hij daardoor niet in zelfingenomenheid (ʿujb) of andere ziekten van de nafs zal vervallen.Bij de uitleg van de uitspraak: “Ik zag Ibrāhīm (عليه السلام) terwijl hij met zijn rug tegen Bayt al-Maʿmūr leunde,” zegt al-Qāḍī al-Bayḍāwī: “Hieruit blijkt dat het toegestaan is om naar de richting van de qiblah geleund te zitten en de rug naar de qiblah te keren.”Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) en andere mufassirûn hebben vermeld dat Sidrah al-Muntahā deze naam heeft gekregen omdat de kennis van de engelen daar eindigt en niemand behalve Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) daar voorbij is gegaan. Ook is van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه) overgeleverd dat hij zei: “Alles wat van boven neerdaalt, stopt daar; en alles wat op bevel van Allāhu (تعالى) van beneden opstijgt, eindigt daar. Daarom kreeg het deze naam.” (Uit de sharḥ van an-Nawawī.)De uitspraak: “Ik keerde terug naar mijn Rab”, betekent: “Ik keerde terug naar de plaats waar ik de eerste keer mijn Rab in smeekbede aanriep, en daar richtte ik mij opnieuw tot mijn Rab.”En met de woorden: “Ik ging heen en weer tussen mijn Rab en Mūsā,” bedoelde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dat hij heen en weer ging tussen de plaats van zijn munājāh (intieme smeekbede tot zijn Rab) en Mūsā (عليه السلام).
De ḥadīth over de verplichtstelling van de ṣalawāt uit Sunan an-Nasā’ī, Kitāb aṣ-Ṣalāh, deel 1, blz. 217
Na het vermelden van de verschillen tussen de overleveraars in de keten van de ḥadīth van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):
116. Van Anas ibn Mālik, van Mālik ibn Ṣaʿṣaʿah (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik bevond mij in huis tussen slaap en waakzaamheid, toen drie personen naar mij kwamen, van wie degene in het midden dichter naar mij toe kwam.Mij werd een gouden schaal gebracht, gevuld met īmān en ḥikmah.Vervolgens opende (Jibrīl) mijn borst van mijn keel tot mijn onderbuik. Hij waste mijn hart met Zamzam-water en vulde het daarna met īmān en ḥikmah.Daarna werd een dier gebracht dat groter was dan een ezel maar kleiner dan een muildier. Vervolgens vertrok ik samen met Jibrīl (عليه السلام).Wij bereikten de laagste hemel. - ‘Wie is daar?’- ‘Jibrīl.’- ‘Wie is er met jou?’- ‘Muḥammad.’- ‘Is hij gezonden? Welkom, wat voortreffelijk is zijn komst.’Toen kwam ik bij Ādam (عليه السلام). Ik gaf hem salām en hij zei: ‘Welkom o Nabī en zoon.’Daarna bereikten wij de tweede hemel. - ‘Wie is daar?’- ‘Jibrīl.’- ‘Wie is er met jou?’- ‘Muḥammad.’Daar gebeurde hetzelfde.Daarna ging ik naar Yaḥyā en ʿĪsā (عليهما السلام). Ik gaf hen salām en zij zeiden: ‘Welkom o broeder en Nabī.’Vervolgens bereikten wij de derde hemel. - ‘Wie is daar?’- ‘Jibrīl.’- ‘Wie is er met jou?’- ‘Muḥammad.’Daar gebeurde hetzelfde.Daar ontmoette ik Yūsuf (عليه السلام). Ik gaf hem salām en hij zei: ‘Welkom o broeder en Nabī.’Daarna bereikten wij de vierde hemel en daar gebeurde hetzelfde.Daar ontmoette ik Idrīs (عليه السلام).
Ik gaf hem salām en hij zei: ‘Welkom, o broeder en Nabī.’Vervolgens bereikten wij de vijfde hemel en daar gebeurde hetzelfde.Daar ging ik naar Hārūn (عليه السلام). Ik gaf hem salām en hij zei: ‘Welkom, o broeder en Nabī.’Daarna bereikten wij de zesde hemel en daar gebeurde hetzelfde.Daar ging ik naar Mūsā (عليه السلام). Ik gaf hem salām en hij zei: ‘Welkom, o broeder en Nabī.’Toen ik hem voorbijging, begon hij te huilen. Er werd gevraagd: ‘Wat doet jou huilen?’Hij antwoordde: ‘O mijn Rab, deze jongeman die na mij gezonden is, van zijn ummah zullen meer en voortreffelijkere mensen Jannah binnengaan dan van mijn ummah.’Daarna bereikten wij de zevende hemel en daar gebeurde hetzelfde.Daar ging ik naar Ibrāhīm (عليه السلام). Ik gaf hem salām en hij zei: ‘Welkom, o zoon en Nabī.’Vervolgens werd Bayt al-Maʿmūr aan mij getoond. Iedere dag verrichten daar zeventigduizend engelen de ṣalāh, en wanneer zij daar vertrekken, keren zij er nooit meer naar terug.Daarna werd Sidrah al-Muntahā naar mij gebracht.”De vruchten ervan waren als de grote kruiken van Hajar, en de bladeren waren als de oren van olifanten. Vanonder haar stroomden vier rivieren. Twee daarvan waren verborgen en twee zichtbaar. De twee verborgen rivieren bevonden zich in Jannah, terwijl de twee zichtbare rivieren de Nijl en de Eufraat waren.
Daarna werden vijftig ṣalawāt aan mij verplicht gesteld.
Ik ging naar Mūsā (عليه السلام), die vroeg:“Wat is er gebeurd?”
- “Vijftig ṣalawāt zijn mij verplicht gesteld.”
- “Ik ken de mensen beter dan jij. Ik heb de Banū Isrā’īl zwaar beproefd. Jouw ummah zal daartoe niet in staat zijn. Keer terug naar jouw Rab en vraag Hem om vermindering van wat Hij jou verplicht heeft.”
Ik keerde terug naar mijn Rab en vroeg Hem vermindering van wat Hij mij verplicht had. Hij verminderde het tot veertig ṣalawāt.
Daarna ging ik opnieuw naar Mūsā. - “Wat is er gebeurd?”
- “Mijn Rab heeft het verminderd tot veertig ṣalawāt.”
Toen zei hij opnieuw iets soortgelijks als de eerste keer.
Ik keerde terug naar mijn Rab en Hij verminderde het tot dertig ṣalawāt.
Daarna ging ik opnieuw naar Mūsā, en hij zei weer iets soortgelijks als de eerste keer.
Ik keerde terug naar mijn Rab en Hij verminderde het tot twintig ṣalawāt, daarna tot tien, en vervolgens tot vijf ṣalawāt.
Daarna ging ik opnieuw naar Mūsā. Wederom zei hij iets soortgelijks als de eerste keer.
Toen zei ik: “Ik schaam mij om opnieuw naar mijn Rab terug te keren.”
Daarop werd uitgeroepen: “Ik heb Mijn verplichting definitief vastgesteld en de last voor Mijn dienaren verlicht. Voor één goede daad geef Ik tienvoudige beloning.”
Uitleg van de 116ste ḥadīth
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Toen drie personen naar mij kwamen, van wie degene in het midden dichter naar mij toe kwam.”: Volgens een overlevering zijn Jibrīl (عليه السلام), Isrāfīl (عليه السلام) en nog een andere engel naar hem toe gekomen. In deze ḥadīth worden deze drie bedoeld. Zij namen allen de gedaante van een mens aan, en één van hen kwam dichter bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
In deze overlevering wordt vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) Hārūn (عليه السلام) ontmoette in de vijfde hemel. In een andere overlevering staat dat hij hem in de vierde hemel ontmoette. De overlevering waarin wordt vermeld dat de ontmoeting in de vijfde hemel plaatsvond, is echter de sterkere en betrouwbaardere. Allāhu (تعالى) weet het het beste.
In de ḥadīth wordt vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) twee verborgen en twee zichtbare rivieren zag. Wij geloven in de uiterlijke betekenis ervan en laten de werkelijke aard aan Allāhu (تعالى) over.
In het bijzonder zeggen wij: water is een genade (raḥmah) die Allāhu (تعالى) uit de hemel neerzendt. De Jannah is eveneens een plaats van genade. Allāhu (تعالى) zegt in de ayah:وَأَنزَلۡنَا مِنَ ٱلسَّمَآءِ مَآءَۢ بِقَدَرٖ فَأَسۡكَنَّٰهُ فِي ٱلۡأَرۡضِۖ وَإِنَّا عَلَىٰ ذَهَابِۭ بِهِۦ لَقَٰدِرُونَ ١٨En Wij stuurden uit de hemel water neer in (afgemeten) hoeveelheid, waarna Wij het blijvend in de grond vasthouden. En waarlijk, Wij zijn in staat om het weg te nemen.(Mu’minūn, 23:18)
Allāhu (تعالى) weet het het beste. In de ḥadīth kan mogelijk ook een aanwijzing worden gezien dat de bewoners van de gebieden waar deze twee rivieren hun oorsprong hebben in de toekomst de Islām zullen aanvaarden, en dat de Islām zich vervolgens via hen verder zal verspreiden naar andere regio’s.
De ḥadīth over de verplichtstelling van de ṣalawāt
Ook in Sunan an-Nasā’ī (deel 1, blz. 221) wordt de ḥadīth als volgt overgeleverd:
117. Van … Anas ibn Mālik en Ibn Ḥazm (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Mijn Rab heeft vijftig ṣalawāt verplicht gesteld.
Daarmee keerde ik terug. Toen ik langs Mūsā (عليه السلام) kwam, vroeg hij mij: ‘Wat heeft jouw Rab voor jouw ummah verplicht gesteld?’
Ik zei: ‘Hij heeft voor hen vijftig ṣalawāt verplicht gesteld.’
Mūsā zei tegen mij: ‘Keer terug naar jouw Rab, jouw ummah zal daartoe niet in staat zijn.’
Ik keerde terug naar mijn Rab en Hij verminderde de helft.
Ik ging opnieuw naar Mūsā en vertelde hem wat er gebeurd was. Hij zei weer: ‘Keer terug naar jouw Rab, jouw ummah zal daartoe niet in staat zijn.’
Ik keerde opnieuw terug naar mijn Rab en uiteindelijk zei Hij: ‘Het zijn vijf ṣalawāt, maar voor elke ṣalāh is er de beloning van tien, zodat het gelijk staat aan vijftig. Bij Mij wordt het besluit niet veranderd.’
Ik ging weer naar Mūsā. Hij zei opnieuw: ‘Keer terug naar jouw Rab.’
Toen zei ik: ‘Ik schaam mij tegenover mijn Rab.’
118. Van … Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Mij werd een dier gebracht dat groter was dan een ezel maar kleiner dan een muildier. Zijn stap reikte tot de afstand die zijn blik kon bereiken. Ik reed erop samen met Jibrīl (عليه السلام) en wij gingen op weg.
Jibrīl zei tegen mij: ‘Stap af en verricht de ṣalāh.’
Ik deed wat hij zei.
Hij vroeg: ‘Weet jij waar jij ṣalāh hebt verricht?’
Hij zei zelf: ‘Jij hebt ṣalāh verricht in Ṭaybah, de plaats van de Hijrah.’
Later zei hij opnieuw: ‘Stap af en verricht de ṣalāh.’
Ik verrichtte de ṣalāh.
Hij zei: ‘Weet jij waar jij ṣalāh hebt verricht? Jij hebt ṣalāh verricht op Ṭūr Sīnā, de plaats waar Mūsā (عليه السلام) met Allāhu (تعالى) sprak.’
Daarna zei hij opnieuw: ‘Stap af en verricht de ṣalāh.’
Ik stapte af en verrichtte de ṣalāh.
Hij zei: ‘Weet jij waar jij ṣalāh hebt verricht? Jij hebt ṣalāh verricht in Bayt Laḥm, waar ʿĪsā (عليه السلام) werd geboren.’
Vervolgens ging ik Bayt al-Maqdis binnen. Daar werden de anbiyā voor mij verzameld.
Jibrīl plaatste mij vooraan en ik leidde hen in de ṣalāh.
Daarna werd ik naar de laagste hemel gebracht. Daar zag ik Ādam (عليه السلام).
Vervolgens werd ik naar de tweede hemel gebracht en daar waren Yaḥyā en ʿĪsā (عليهما السلام).
Daarna naar de derde hemel, waar Yūsuf (عليه السلام) was.
Daarna naar de vierde hemel, waar Hārūn (عليه السلام) was.
Daarna naar de vijfde hemel, waar Idrīs (عليه السلام) was.
Daarna naar de zesde hemel, waar Mūsā (عليه السلام) was.
Daarna naar de zevende hemel, waar Ibrāhīm (عليه السلام) was.
Vervolgens werd ik boven de zeven hemelen gebracht tot Sidrah al-Muntahā. Daar werd ik omhuld door iets als rook en ik viel in sajdah.
Er werd tegen mij gezegd: ‘Toen Ik de hemelen en de aarde schiep, heb Ik vijftig ṣalawāt verplicht gesteld voor jou en jouw ummah. Verricht deze ṣalawāt.’
Ik keerde terug naar Ibrāhīm (عليه السلام), maar hij vroeg mij niets.
Daarna ging ik naar Mūsā (عليه السلام), die vroeg: ‘Wat heeft jouw Rab voor jou en jouw ummah verplicht gesteld?’
- ‘Vijftig ṣalawāt.’
- ‘Jij en jouw ummah kunnen dat niet opbrengen. Keer terug naar jouw Rab en vraag om vermindering.’
Ik keerde terug naar mijn Rab en Hij verminderde tien ṣalawāt.
Uiteindelijk werd het teruggebracht tot vijf ṣalawāt.
Ik ging opnieuw naar Mūsā. - ‘Keer terug naar jouw Rab en vraag om vermindering, want de Banū Isrā’īl kregen twee ṣalawāt en zij konden dat niet dragen.’
Ik keerde terug en vroeg om vermindering.
Toen zei Allāhu (تعالى): ‘Toen Ik de hemelen en de aarde schiep, heb Ik vijftig ṣalawāt verplicht gesteld voor jou en jouw ummah. Vijf ṣalawāt staan gelijk aan vijftig. Jij en jouw ummah moeten ze verrichten.’
Toen begreep ik dat dit een definitief besluit van mijn Rab was dat niet meer veranderd zou worden.
Ik ging terug naar Mūsā, maar hij zei opnieuw: ‘Keer terug.’
Toen wist ik dat het een vast besluit van mijn Rab was en ik keerde niet meer terug.”
Uitleg van de ḥadīth 117-118
Het feit dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de last voor zijn ummah wilde verlichten, en dat Mūsā (عليه السلام) hem daarin aanmoedigde, is een duidelijk bewijs van de grote barmhartigheid en zorg die de anbiyā hebben voor hun umam.
Mūsā (عليه السلام) toonde mededogen met de ummah van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) en spoorde an-Nabī aan om tot zijn Rab terug te keren en te smeken om verlichting van de verplichtingen voor zijn ummah.
De rang van Mūsā (عليه السلام) is echter niet hoger dan die van Ibrāhīm (عليه السلام), omdat Mūsā (عليه السلام) degene is met wie Allāhu (تعالى) rechtstreeks sprak; zijn specifieke missie is die van spreken en communicatie (kalām).
Ibrāhīm (عليه السلام) daarentegen is al-Khalīl, de vriend van Allāhu (تعالى), en zijn rang is die van volledige overgave (taslīm). Daarom toonde hij in beide grote beproevingen, het offeren van zijn zoon en het in het vuur geworpen worden, volkomen overgave aan Allāhu (تعالى).
Allāhu (تعالى) schonk hem in beide situaties Zijn barmhartigheid en gaf hem eer en genade.
Dat Jibrīl (عليه السلام) op verschillende plaatsen tegen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Stap af en verricht de ṣalāh,” wijst erop dat het aanbevolen (mustaḥab) is voor de mu’min om ṣalāh te verrichten op gezegende en heilige plaatsen.
Het verrichten van de ṣalāh in Ṭaybah (de stad van de Hijrah) duidt erop dat deze plaats later een centrum zou worden waar het licht van īmān zich zou verspreiden.
Evenzo wijst het verrichten van de ṣalāh op Ṭūr Sīnā en in Bayt Laḥm erop dat deze plaatsen in het verleden centra waren waar het licht van īmān zich al had verspreid. Zoals Mūsā (عليه السلام) en ʿĪsā (عليه السلام) daar het licht van de boodschap hebben verspreid, zij beiden en alle anbiyā, met de beste ṣalawāt en salām van Allāhu (تعالى) over hen allen.
In deze ḥadīth wordt vermeld dat de ṣalawāt in groepen van tien werden verminderd. Dit is zo gezegd vanwege de beknoptheid (ijmāl). Uit authentieke overleveringen blijkt echter dat de vermindering plaatsvond in groepen van vijf. Zoals eerder is vermeld, ondersteunen andere overleveringen dit ook.
De aḥadīth over de verplichtstelling van de vijf ṣalawāt en het voortdurend verrichten ervan
119. In Sunan Ibn Mājah (deel 1, blz. 220): van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:“Allāhu (تعالى) heeft voor mijn ummah vijftig ṣalawāt verplicht gesteld.
Ik keerde terug. Ik kwam bij Mūsā (عليه السلام). Mūsā (عليه السلام) vroeg:‘Wat heeft jouw Rab voor jouw ummah verplicht gesteld?’
- ‘Hij heeft vijftig ṣalawāt voor mij verplicht gesteld.’
- ‘Keer terug naar jouw Rab, jouw ummah zal dat niet kunnen verdragen.’
Ik keerde terug naar mijn Rab en Hij verminderde een deel ervan.
Ik ging terug naar Mūsā en vertelde hem wat er gebeurd was. - ‘Keer terug naar jouw Rab, jouw ummah zal het niet kunnen verdragen.’
Ik keerde opnieuw terug naar mijn Rab en Hij zei: ‘Het zijn vijf ṣalawāt, maar daarvoor is er de beloning van vijftig. Bij Mij wordt het besluit niet veranderd.’
Ik ging terug naar Mūsā (عليه السلام). - ‘Keer terug naar jouw Rab.’
- ‘Ik schaam mij tegenover mijn Rab.”
De overlevering over het verrichten van de ṣalawāt op tijd
Ook wordt in Sunan Ibn Mājah (deel 1, blz. 221) en in Sunan Abī Dāwūd (deel 1, blz. 123), in het hoofdstuk “Het verrichten van de ṣalawāt op hun tijd”, 120. Van Abū Qatādah ibn Ribʿī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) heeft gezegd: ‘Ik heb voor jouw ummah vijf ṣalawāt verplicht gesteld. En Ik heb bij Mijzelf een verbond vastgesteld dat wie deze op de voorgeschreven tijden verricht, door Mij de Jannah zal worden binnengebracht. Maar wie ze nalaat, voor hem is er bij Mij geen verbond.”
In de Sunan van Abū Dāwūd, deel 1, blz. 123, in het hoofdstuk “Het verrichten van de ṣalāh op haar vastgestelde tijden”, wordt de volgende overlevering vermeld:
121. Van Abū Qatādah (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei:“Allāhu (تعالى) heeft gezegd: “Ik heb voor jouw ummah vijf dagelijkse ṣalāhs verplicht gesteld. En Ik heb bij Mijzelf een verbond vastgesteld dat wie deze op de voorgeschreven tijden verricht, door Mij de Jannah zal worden binnengebracht. Maar wie ze nalaat, voor hem is er bij Mij geen verbond.”
De ḥadīth: “Ik heb de ṣalāh tussen Mij en Mijn dienaar in tweeën verdeeld”
Imām Muslim ibn al-Hajjaj heeft deze ḥadīth overgeleverd in zijn werk Sahîh Muslim, deel 3, pagina 12, in het hoofdstuk: “De verplichting van het reciteren van al-Fātiḥah in iedere rakʿah”:
122. Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie ṣalāh verricht zonder daarin de Moeder van de Qur’ān (dat wil zeggen: Sūrah al-Fātiḥah) te reciteren, diens ṣalāh is onvolledig.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) herhaalde deze woorden drie keer.
Er werd tegen Abū Hurayrah (رضي الله عنه) gezegd: “Wij bevinden ons (verrichten salāh) achter de imām.”
Hij zei: “Reciteer het dan in jezelf, want ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen:
‘Allāh heeft gezegd: “Ik heb de ṣalāh tussen Mij en Mijn dienaar in twee delen verdeeld, en voor Mijn dienaar is wat hij vraagt.
Wanneer de dienaar zegt: ‘Al-ḥamdu lillāhi Rabbi’l-ʿālamīn,’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Mijn dienaar heeft Mij geprezen.’
Wanneer hij zegt: ‘Ar-Raḥmāni’r-Raḥīm,’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Mijn dienaar heeft Mij verheerlijkt.’
Wanneer hij zegt: ‘Māliki Yawmi’d-Dīn,’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Mijn dienaar heeft Mij verheven.’”
In een andere overlevering staat: “Mijn dienaar heeft zijn zaak aan Mij toevertrouwd.”
Wanneer hij zegt: ‘Iyyāka naʿbudu wa iyyāka nastaʿīn,’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Dit is tussen Mij en Mijn dienaar, en voor Mijn dienaar is wat hij vraagt.’
Wanneer hij zegt: ‘Ihdinaṣ-Ṣirāṭal-Mustaqīm, Ṣirāṭalla dhīna anʿamta ʿalayhim ghayri’l-maghḍūbi ʿalayhim wa laḍ-ḍāllīn,’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Dit is voor Mijn dienaar, en Mijn dienaar krijgt wat hij gevraagd heeft.”
De uitleg van de 120-122 ahādīth
Uit deze ḥadīth blijkt dat het reciteren van Sūrah al-Fātiḥah in de ṣalāh verplicht is. De imāms van de madhhāib verschilden echter van mening over de situatie van degene die de ṣalāh achter een imām verricht. Dit onderwerp is uitvoerig behandeld in de uitleg van Yahya ibn Sharaf al-Nawawi op Sahîh Muslim. Het is niet mogelijk om alle uitleg die daar genoemd wordt letterlijk weer te geven. Wie wil, kan daarnaar teruggrijpen.
Naar aanleiding van een overlevering waarin vermeld wordt dat Allāhu (تعالى), wanneer “Māliki Yawmi’d-Dīn” wordt gereciteerd, zegt: “Mijn dienaar heeft zijn zaak aan Mij toevertrouwd”, zegt Imām an-Nawawī het volgende:
De relatie tussen deze uitspraak en de āyah “Māliki Yawmi’d-Dīn, Eigenaar van de Yawmu’l Qiyamah” is als volgt: Op die Dag behoort alle heerschappij uitsluitend toe aan Allāh. Hij zal de dienaren ter verantwoording roepen en Hij zal hun vergelden voor hun daden. Nadat de dienaar Allāh verheerlijkt en verheven heeft, erkent hij dit. Dat betekent zonder twijfel dat hij zijn zaken aan Hem toevertrouwt.
Met de uitspraak: “Dit behoort toe aan Mijn dienaar” worden de gereciteerde āyāt bedoeld.
De geleerden hebben de uitspraak van Allāhu (تعالى): “Ik heb de ṣalāh tussen Mij en Mijn dienaar in tweeën verdeeld” als volgt uitgelegd:
Met “de ṣalāh” wordt hier Sūrah al-Fātiḥah bedoeld. Deze benaming wordt gebruikt omdat de ṣalāh zonder het reciteren van Sūrah al-Fātiḥah niet geldig is. In de ḥadīth is eveneens gezegd:
“De ḥaj is ʿArafah,” dat wil zeggen: het verrichten van de wuqūf op ʿArafah.
Met “Ik heb verdeeld” wordt een verdeling in betekenis bedoeld. In de eerste helft wordt Allāhu (تعالى) geprezen, verheerlijkt en verheven, en worden de zaken aan Hem toevertrouwd. In de tweede helft wordt aan Allāh gevraagd, wordt nederigheid tegenover Hem getoond en wordt de behoefte aan Hem uitgesproken.
De ḥadīth is overgeleverd door Mālik ibn Anas in Al-Muwaṭṭaʾ, volgens de marginale aantekening van Masabih as-Sunnah, deel 1, pagina 43, in het hoofdstuk: “Het reciteren achter de imām wanneer hij niet hardop reciteert”:
123. Van …
Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie ṣalāh verricht zonder daarin de Moeder van de Qur’ān (dat wil zeggen: al-Fātiḥah) te reciteren, diens ṣalāh is onvolledig, onvolledig, onvolledig; zij is niet volledig.”
De overleveraar (Abū’s-Sā’ib) zei: Ik zei: “O Abū Hurayrah, soms bevind ik mij achter de imām.”
Toen pakte hij mijn arm vast en zei: “Reciteer haar dan in jezelf, o Pers!”
“Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: ‘Allāhu تبارك وتعالى zei: “Ik heb de ṣalāh tussen Mij en Mijn dienaar in tweeën verdeeld. De helft is voor Mij en de helft is voor Mijn dienaar, en voor Mijn dienaar is wat hij vraagt.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Reciteer:
Wanneer de dienaar zegt: ‘Al-ḥamdu lillāhi Rabbi’l-ʿālamīn,’ zegt Allāhu تبارك وتعالى: ‘Mijn dienaar heeft Mij geprezen.’
Wanneer de dienaar zegt: ‘Māliki Yawmi’d-Dīn,’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Mijn dienaar heeft Mij verheerlijkt.’
Wanneer de dienaar zegt: ‘Iyyāka naʿbudu wa iyyāka nastaʿīn,’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Deze āyah is tussen Mij en Mijn dienaar, en voor Mijn dienaar is wat hij vraagt.’
Wanneer de dienaar zegt: ‘Ihdinaṣ-Ṣirāṭal-Mustaqīm, Ṣirāṭalla dhīna anʿamta ʿalayhim ghayri’l-maghḍūbi ʿalayhim wa laḍ-ḍāllīn,’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Deze zijn voor Mijn dienaar, en voor hem is wat hij gevraagd heeft.”
Deze ḥadīth is overgeleverd in Sunan at-Tirmidhi, deel 2, pagina 157, in de hoofdstukken van “Kitāb at-Tafsīr”, bij de uitleg van Sūrah al-Fātiḥah:
124. Van …
Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie ṣalāh verricht zonder daarin de Moeder van de Qur’ān (al-Fātiḥah) te reciteren, diens ṣalāh is onvolledig, onvolledig, en niet volledig.”
De overleveraar (ʿAbdurraḥmān) zei: “O Abū Hurayrah, soms ben ik achter de imām.”
Hij antwoordde: “O zoon van een Pers, reciteer het dan in jezelf, want ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen:
Allāhu (تعالى) heeft gezegd: ‘Ik heb de ṣalāh tussen Mij en Mijn dienaar in tweeën verdeeld. De helft is voor Mij en de helft is voor Mijn dienaar, en voor Mijn dienaar is wat hij vraagt.’
Wanneer de dienaar zegt: ‘Al-ḥamdu lillāhi Rabbi’l-ʿālamīn,’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Mijn dienaar heeft Mij geprezen.’
Wanneer hij zegt: ‘Ar-Raḥmāni’r-Raḥīm,’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Mijn dienaar heeft Mij verheerlijkt.’
Wanneer hij zegt: ‘Māliki Yawmi’d-Dīn,’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Mijn dienaar heeft Mij verheven.’
En dit is tussen Mij en Mijn dienaar: ‘Iyyāka naʿbudu wa iyyāka nastaʿīn.’
En het einde van de sūrah behoort tot Mijn dienaar, en voor hem is wat hij vraagt:
‘Ihdinaṣ-Ṣirāṭ al-Mustaqīm, ṣirāṭalla dhīna anʿamta ʿalayhim ghayri’l-maghḍūbi ʿalayhim wa laḍ-ḍāllīn.”
Abū ʿĪsā at-Tirmidhī heeft gezegd dat deze ḥadīth ḥasan is.
De ḥadīth zoals vermeld in Sunan Abi Dawud, deel 1, pagina 228, in het hoofdstuk “De toestand van degene die de recitatie in de ṣalāh verlaat”:
125. Van …
Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:
“Wie ṣalāh verricht zonder daarin de Moeder van de Qur’ān (al-Fātiḥah) te reciteren, diens ṣalāh is onvolledig, onvolledig, onvolledig; zij is niet volledig.”
De overleveraar (Abū’s-Sā’ib) zei: “O Abū Hurayrah, soms ben ik achter de imām.”
Abū Hurayrah (رضي الله عنه) pakte mijn elleboog en zei: “Reciteer het dan in jezelf, o Pers, want ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen:
Allāhu (تعالى) zegt: ‘Ik heb de ṣalāh tussen Mij en Mijn dienaar in tweeën verdeeld. De helft is voor Mij en de helft is voor Mijn dienaar, en voor Mijn dienaar is wat hij vraagt.’
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vervolgde:
Wanneer de dienaar zegt: ‘Al-ḥamdu lillāhi Rabbi’l-ʿālamīn,’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Mijn dienaar heeft Mij geprezen.’
Wanneer hij zegt: ‘Ar-Raḥmāni’r-Raḥīm,’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Mijn dienaar heeft Mij verheerlijkt.’
Wanneer hij zegt: ‘Iyyāka naʿbudu wa iyyāka nastaʿīn,’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Dit is tussen Mij en Mijn dienaar, en voor Mijn dienaar is wat hij vraagt.’
Wanneer hij zegt: ‘Ihdinaṣ-Ṣirāṭ al-Mustaqīm, ṣirāṭalla dhīna anʿamta ʿalayhim ghayri’l-maghḍūbi ʿalayhim,’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Deze behoren tot Mijn dienaar, en voor hem is wat hij vraagt.”
Deze ḥadīth is overgeleverd in Sunan Ibn Majah, deel 2, pagina 217, in het hoofdstuk “De beloning van de Qur’ān”:
126. Van …
Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) heeft gezegd: ‘Ik heb de ṣalāh tussen Mij en Mijn dienaar in tweeën verdeeld. De helft is voor Mij en de helft is voor Mijn dienaar, en voor Mijn dienaar is wat hij vraagt.’
Daarna zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): Reciteer:
Wanneer de dienaar zegt: ‘Al-ḥamdu lillāh…’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Mijn dienaar heeft Mij geprezen.’
Wanneer hij zegt: ‘Ar-Raḥmān…’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Mijn dienaar heeft Mij verheerlijkt; wat hij vraagt behoort tot Mijn dienaar.’
Wanneer hij zegt: ‘Māliki…’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Mijn dienaar heeft Mij verheven; dit gedeelte behoort tot Mij.’
Dit vers is tussen Mij en Mijn dienaar: ‘Iyyāka naʿbudu wa iyyāka nastaʿīn.’”
(De betekenis is: dit deel is tussen Mij en Mijn dienaar.)
Het verzoek behoort tot Mijn dienaar, en het einde van de sūrah behoort tot Mijn dienaar: ‘Ihdinaṣ-Ṣirāṭ…”
Deze ḥadīth is overgeleverd in Sunan an-Nasa’ī, deel 2, pagina 135–136, in het hoofdstuk “De toestand van degene die bij het reciteren van Sūrah al-Fātiḥah de basmala verlaat”:
127. Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: Wie ṣalāh verricht zonder daarin de Moeder van de Qur’ān (al-Fātiḥah) te reciteren, diens ṣalāh is onvolledig, onvolledig, onvolledig; zij is niet volledig.”
De overleveraar zei: “O Abū Hurayrah, soms ben ik achter de imām.”
Hij pakte mijn arm vast en zei: “Reciteer het dan in jezelf, o Pers, want ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen:
Allāhu (تعالى) heeft gezegd: ‘Ik heb de ṣalāh tussen Mij en Mijn dienaar in tweeën verdeeld.
De helft is voor Mij en de helft is voor Mijn dienaar, en voor Mijn dienaar is wat hij vraagt.’
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Reciteer:
Wanneer de dienaar zegt: ‘Al-ḥamdu lillāh…’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Mijn dienaar heeft Mij geprezen.’
Wanneer hij zegt: ‘Ar-Raḥmān…’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Mijn dienaar heeft Mij verheerlijkt.’
Wanneer hij zegt: ‘Māliki…’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Mijn dienaar heeft Mij verheven.’
Wanneer hij zegt: ‘Iyyāka naʿbudu wa iyyāka nastaʿīn,’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Dit vers is tussen Mij en Mijn dienaar, en het verzoek behoort tot Mijn dienaar.’
Wanneer hij zegt: ‘Ihdinaṣ-Ṣirāṭ…,’ zegt Allāhu (تعالى): ‘Deze behoren tot Mijn dienaar, en het verzoek behoort tot Mijn dienaar.’
Deze overlevering is vermeld in Sunan an-Nasa’ī, deel 2, pagina 139, in het hoofdstuk met betrekking tot de uitleg van de āyah: وَلَقَدۡ ءَاتَيۡنَٰكَ سَبۡعٗا مِّنَ ٱلۡمَثَانِي وَٱلۡقُرۡءَانَ ٱلۡعَظِيمَ ٨٧ En voorwaar, Wij hebben jou de zeven vaak herhaalde verzen gegeven en de grote Koran. (Ḥijr (15:87)
128. Van Abū Hurayrah en Ubayy ibn Kaʿb (رضي الله عنها), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh heeft noch in de Tawrāh noch in de Injīl iets neergezonden dat gelijk is aan de Moeder van de Qur’ān, Sūrat al-Fātiḥah. Zij is as-sabʿ al-mathānī (de zeven herhaalde verzen).”
(Allāh) heeft gezegd: ‘Zij is tussen Mij en Mijn dienaar verdeeld. En voor Mijn dienaar is wat hij vraagt.”
De overleveringen met betrekking tot “Ik heb de ṣalāh verdeeld” eindigen hier. En Allāh weet het het beste.
De uitleg van de 128ste ḥadīth
Al-Qurtubi vermeldt in zijn tafsīr van Sūrat al-Fātiḥah een overlevering die Sahîh al-Bukhârî heeft overgeleverd:
Abū Saʿīd ibn al-Muʿallā (رضي الله عنه) zei: “Op een dag was ik aan salāh aan het verrichten in de moskee, en Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) riep mij. Ik gaf geen antwoord.
Daarna zei ik: “O Rasûlullāh, ik was salāh aan het verrichten, daarom kon ik u niet antwoorden.”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ ٱسۡتَجِيبُواْ لِلَّهِ وَلِلرَّسُولِ إِذَا دَعَاكُمۡ لِمَا يُحۡيِيكُمۡۖ وَٱعۡلَمُوٓاْ أَنَّ ٱللَّهَ يَحُولُ بَيۡنَ ٱلۡمَرۡءِ وَقَلۡبِهِۦ وَأَنَّهُۥٓ إِلَيۡهِ تُحۡشَرُونَ ٢٤O, jullie die geloven! Antwoordt Allāh en (Zijn) Boodschapper wanneer hij jullie oproept tot wat jullie leven geeft, en weet dat Allāh tussen de mens en zijn hart komt. En waarlijk, tot Hem zullen jullie allen verzameld worden. Anfāl (8:24)
Vervolgens zei hij: “Ik zal je vóórdat je deze moskee verlaat een sūrah leren die behoort tot de grootste suwar van de Qur’ān.”
Hij pakte mijn hand vast. Toen hij wilde vertrekken, zei ik: “U zei dat u mij een van de grootste suwar van de Qur’ān zou leren?”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Al-ḥamdu lillāhi Rabbi’l-ʿālamīn, dit is de zeven herhaalde verzen, en het is de Qur’ān die aan mij is gegeven.”
De ḥadīth: de engelen (malāʾikah) volgen elkaar op in jullie midden
Deze ḥadīth is overgeleverd door al-Bukhārī in Kitāb aṣ-Ṣalāh in het hoofdstuk “De fadilah (voortreffelijkheid) van de ṣalāh al-ʿaṣr en in deel 4, p.113 in Kitāb Badʾ al-Khalq in het hoofdstuk “Dhikr van de malāʾikah”.
129. Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De engelen (malāʾikah) volgen elkaar op. De nacht-malāʾikah en de dag-malāʾikah ontmoeten elkaar bij het tijdstip van fajr en het tijdstip van ṣalāh al-ʿaṣr. Degenen die de nacht met jullie hebben doorgebracht stijgen op en verlaten hun plaats. Allāhu (تعالى), hoewel Hij beter weet in welke toestand Zijn dienaren verkeren, vraagt: ‘In welke toestand hebben jullie Mijn dienaren achtergelaten?’ De malāʾikah antwoorden: ‘Wij hebben hen achtergelaten terwijl zij ṣalāh verrichten, en wij kwamen bij hen terwijl zij eveneens ṣalāh verrichten.”
al-Bukhārī heeft deze ḥadīth ook overgeleverd in deel 10, p.431 in Kitāb at-Tawḥīd in het hoofdstuk “Het spreken van de Rab met de engelen (malāʾikah) en de oproep van de malāʾikah”.
130. Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Onder jullie bevinden zich nacht-malāʾikah en dag-malāʾikah die elkaar opvolgen. Zij komen samen bij de ṣalāh al-fajr en de ṣalāh al-ʿaṣr. Vervolgens stijgen degenen die de nacht met jullie hebben doorgebracht op. Allāhu (تعالى), hoewel Hij jullie toestand beter kent, vraagt: ‘In welke toestand hebben jullie Mijn dienaren achtergelaten?’ Zij antwoorden: ‘Wij hebben hen achtergelaten terwijl zij de ṣalāh verrichtten, en wij kwamen bij hen terwijl zij eveneens de ṣalāh verrichtten.”
Deze ḥadīth is door an-Nasāʾī overgeleverd in deel 1, p.240 in het hoofdstuk “De deugd van de ṣalāh in gemeenschap”.
131. De overlevering van an-Nasāʾī is in dezelfde als de bewoording in de tweede overlevering van al-Bukhārī, behalve dat daar “wa huwa aʿlamu bikum” (“Hij weet beter over jullie”) staat, terwijl het bij an-Nasāʾī is overgeleverd als “wa huwa aʿlamu bihim” (“Hij weet beter over hen, (dienaren”).
Daarnaast wordt de ṣalāh al-fajr ook vóór de ṣalāh al-ʿaṣr genoemd.
132. Op dezelfde manier heeft Imām Mālik (رضي الله عنه) in zijn Muwaṭṭaʾ overgeleverd in het hoofdstuk “Jāmiʿ aṣ-Ṣalāh” met de bewoording “Hij kent hun toestand beter” (wa huwa aʿlamu biḥālihīm). Daarin wordt ook vermeld dat de malāʾikah samenkomen bij de ṣalāh al-fajr en de ṣalāh al-ʿaṣr.
Uitleg van de aḥadīth 130-132
In deze ḥadīth worden de genoemde malāʾikah (engelen) volgens de meerderheid van de geleerden bedoeld als de malāʾikaht al-ḥafaza (de beschermengelen). Er is echter geen overlevering waarin staat dat de malāʾikaht al-ḥafaza van de mens gescheiden zijn in nachtelijke en dagelijke malāʾikah al-ḥafaza.
al-Qaṣṭalānī zegt dat deze malāʾikah zijn die de malāʾikaht al-ḥafaza beschermen die de daden van de mensen registreren.
In de ḥadīth wordt gesproken over het opstijgen van de nacht-malāʾikah. Het opstijgen van de dag-malāʾikah wordt niet expliciet genoemd. De reden daarvoor is dat het vermelden van één van twee voorbeelden voldoende is. In een āyah wordt ook gezegd: وَجَعَلَ لَكُمۡ سَرَٰبِيلَ تَقِيكُمُ ٱلۡحَرَّ “…Hij gaf jullie kleding om jullie tegen de hitte te beschermen… ”( Naḥl (16:81) De betekenis is in wezen: tegen hitte én kou. Bovendien wordt de twee zijden van de dag bepaald aan de hand van de twee zijden van de nacht.
De overlevering die in het boek van Abū Khuzaymah staat, overgeleverd van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) als marfūʿ, maakt de verschillende mogelijke interpretaties duidelijk. Daar staat: “De nacht-malāʾikah en de dag-malāʾikah komen samen bij de ṣalāh al-fajr en de ṣalāh al-ʿaṣr. Wanneer zij samenkomen bij de ṣalāh al-fajr stijgen de nacht-malāʾikah op en blijven de dag-malāʾikah. Wanneer zij samenkomen bij de ṣalāh al-ʿaṣr stijgen de dag-malāʾikah op en blijven de nacht-malāʾikah. En Allāhu (تعالى), hoewel Hij beter weet in welke toestand Zijn dienaren verkeren, vraagt hen hierover.”
Het feit dat Allāhu (تعالى) de malāʾikah vraagt naar de toestand van de mensen dient om de superioriteit van de kinderen van Ādam (عليه السلام) te tonen. De malāʾikah antwoorden Hem met lof over hen, en dit vormt een getuigenis van de malāʾikah over de kinderen van Ādam, wat voor hen een eer is.
Wij vragen Allāhu (تعالى) uit Zijn gunst en edelmoedigheid dat Hij ons maakt tot Zijn dienaren over wie de malāʾikah getuigen met goedheid en rechtvaardigheid, en ons maakt tot Zijn muʾmin dienaren voor wie de malāʾikah vergiffenis vragen.
En wij vragen Hem ons te maken tot degenen waarover de malāʾikah zeggen:
“Onze Rab, Uw kennis en Uw barmhartigheid omvat alles. Vergeef degenen die berouw tonen en Uw weg volgen, en bescherm hen tegen de bestraffing van de Jahannam. Onze Rab, laat hen en hun goede ouders, echtgenotes en nakomelingen binnen in de tuinen van ʿAdn die U hun hebt beloofd; waarlijk, U bent de Machtige, de Wijze. En bescherm hen tegen slechte daden; en wie U op die dag beschermt tegen slechte daden, over hem heeft U zeker barmhartigheid geschonken. Dat is de grote verlossing/ultieme bevrijding.”
De voortreffelijkheid van de ṣalāh aḍ-ḍuḥā
De ḥadīth hierover is door Imām at-Tirmidhī overgeleverd in deel 1, p.95 in het hoofdstuk “ṣalāh aḍ-ḍuḥā”.
133. Van Abū ad-Dardāʾ en Abū Dhar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft van Allāh عز وجل meegedeeld: “O zoon van Ādam, verricht aan het begin van de dag vier rakʿāt ṣalāh voor Mij, dan zal Ik jou tot het einde van de dag voldoende zijn.”
at-Tirmidhī (رحمه الله) heeft gezegd dat deze ḥadīth ḥasan ṣaḥīḥ is.
Abū Dāwūd heeft eveneens in zijn Sunan, deel 1, p.357, in het hoofdstuk “ṣalāh aḍ-ḍuḥā” de volgende overlevering vermeld:
134. Van … Nuʿaym ibn Hammār (رضي الله عنه) zei: “Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: ‘Allāhu (تعالى) zegt: “O zoon van Ādam, verzuim niet om aan het begin van de dag vier rakʿāt ṣalāh voor Mij te verrichten; dan zal Ik jou tot het einde van de dag voldoende zijn.” (Dat wil zeggen: Hij zal jou in al jouw zaken ondersteunen en helpen).
Uitleg van de aḥadīth 133-134
Uit deze aḥadīth blijkt dat de ṣalāh aḍ-ḍuḥā mustaḥab is. Deze ṣalāh behoort tot de sterk aanbevolen sunnah (sunnah al-muʾakkadah).
Volgens ash-Shāfiʿī bestaat het minimum ervan uit twee rakʿāt, terwijl het beste is om acht rakʿāt te verrichten. Het kan ook als twaalf rakʿāt worden verricht, maar het meest voortreffelijke is acht rakʿāt.
De tijd ervan begint wanneer de zon ongeveer een speerlengte is gestegen, ongeveer vijfenveertig minuten na zonsopgang, en duurt tot aan zawāl, het moment waarop de zon haar hoogste punt bereikt.
Het beste moment om deze ṣalāh te verrichten is nadat een kwart van de dag verstreken is. Op die manier wordt in ieder kwart van de dag een ṣalāh verricht.
De betekenis van de uitspraak van Allāh (تعالى): “tot het einde van de dag” of “Ik zal jou voldoende zijn”, is: “Ik zal jou beschermen tegen rampen en geestelijke kwaden.”
En Allāh weet het het beste.
“Het eerste waarover de dienaar op de Yawm al-Qiyāmah rekenschap zal moeten afleggen is de ṣalāh”
Deze ḥadīth is door an-Nasāʾī overgeleverd in zijn Sunan, deel 1, p.232, in het hoofdstuk “Rekenschap over de ṣalāh”.
135. Van … Ḥurays ibn Qabīṣah zei: “Toen ik in Madīnah aankwam, verrichtte ik de duʿāʾ: ‘O Allāh, schenk mij een rechtschapen metgezel.’ Daarna ging ik naar Abū Hurayrah (رضي الله عنه) en zei tegen hem:
‘Ik had Allāh gevraagd mij een rechtschapen metgezel te schenken. “Vertel mij daarom een ḥadīth die jij van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hebt gehoord, opdat Allāhu (تعالى) mij er profijt van laat hebben.”Daarop overleverde hij het volgende: ‘Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen:
“Het eerste waarover de dienaar rekenschap zal afleggen is de ṣalāh. “Als zijn ṣalāh goed is, zal hij succesvol zijn en redding verkrijgen. Maar als zijn ṣalāh gebrekkig is, zal hij verlies lijden en tot de verliezers behoren.”
Hammām zei: “Ik weet niet of het volgende deel van Qatādah afkomstig is of dat het ook tot de overlevering behoort”, waarna hij de volgende woorden toevoegde:
“Wanneer er iets ontbreekt aan de verplichte ṣalāh van een persoon, zegt Allāhu (تعالى):
‘Kijk of Mijn dienaar vrijwillige (nawāfil) aanbidding (ṣalāh) heeft.’
Daarmee worden de tekortkomingen van zijn verplichte ṣalāh aangevuld. Vervolgens zal op dezelfde wijze met zijn overige daden worden gehandeld.”
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:
“Het eerste waarover de dienaar op de Yawm al-Qiyāmah rekenschap zal moeten afleggen is de ṣalāh. Indien deze volledig wordt bevonden, wordt zij als volledig opgeschreven. Indien er iets aan ontbreekt, zegt Allāhu (تعالى): ‘Kijk of jullie voor hem vrijwillige (nawāfil) aanbidding (ṣalāh) kunnen vinden.’
Dan wordt hetgeen hij tekortkwam in zijn verplichte ṣalāh aangevuld met zijn nawāfil-ṣalāh. Vervolgens wordt met zijn overige daden op dezelfde wijze gehandeld.”
137. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het eerste waarover de dienaar rekenschap zal moeten afleggen is de ṣalāh. Indien hij deze volledig heeft verricht, dan is er niets aan de hand.
Maar indien hij haar niet volledig heeft verricht, zegt Allāh عز وجل: ‘Kijk of Mijn dienaar vrijwillige ṣalāh heeft.’
Als hij vrijwillige ṣalāh heeft verricht, zegt Hij:‘Vul daarmee zijn verplichte ṣalāh aan.”Deze ḥadīth is eveneens overgeleverd door Ibn Mājah in zijn Sunan, in het hoofdstuk: “Het eerste waarover de dienaar rekenschap zal afleggen is de ṣalāh”.
138. Van Tamīm ad-Dārī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:
“Het eerste waarover de dienaar op de Yawm al-Qiyāmah rekenschap zal moeten afleggen is de ṣalāh. Indien hij deze volledig heeft verricht, dan worden zijn vrijwillige ṣalāh-daden voor hem als beloning opgeschreven. Indien hij zijn verplichte ṣalāh niet volledig heeft verricht, zegt Allāh (جل جلاله) (Verheven is Zijn Majesteit), tegen de malāʾikah: ‘Kijk of jullie voor Mijn dienaar vrijwillige ṣalāh kunnen vinden. Vul daarmee aan wat hij tekortkwam van zijn verplichte ṣalāh.’
Daarna zal met al zijn overige daden volgens dezelfde methode worden gehandeld.”
139.Abū Dāwūd heeft deze ḥadīth eveneens in twee afzonderlijke overleveringen vermeld. Eén is van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) en de andere van Tamīm ad-Dārī (رضي الله عنه). Beide staan in het hoofdstuk “Alle ṣalāh die de dienaar niet volledig heeft verricht wordt aangevuld met nawāfil”.
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Toen Anas ibn Ḥakīm ad-Dabbī uit angst voor Ziyād of de zoon van Ziyād naar Madīnah kwam. Ontmoette hij daar Abū Hurayrah. Hij nam hem bij zich en Anas bleef bij hem.
Abū Hurayrah zei tegen hem: “O jongeman, wil je dat ik je een ḥadīth vertel?”
Hij antwoordde: “Ja, moge Allāh jou genadig zijn.”
Yūnus zei: ik denk dat hij in zijn overlevering noemde dat hij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hoorde zeggen: “Het eerste waarover de mensen op de Yawm al-Qiyāmah rekenschap zullen moeten afleggen van hun daden is de ṣalāh. Onze Rab (عز وجل) (Verheven en Machtig is Hij), zal tegen de malāʾikah zeggen, hoewel Hij beter weet in welke toestand Zijn dienaar verkeert:
‘Kijk naar de ṣalāh van Mijn dienaar; is deze volledig of ontbreekt er iets?’
Als het volledig is, wordt het als volledig opgeschreven. En als er iets ontbreekt, zegt Allāhu (تعالى): ‘Kijk of Mijn dienaar nawāfil-ṣalāh heeft.’
Als hij nawāfil heeft, zegt Allāhu (تعالى): ‘Vul daarmee de tekortkomingen van zijn verplichte ṣalāh aan.”
Daarna wordt met alle andere daden op dezelfde wijze gehandeld.
De overlevering van Tamīm ad-Dārī (رضي الله عنه) luidt als volgt:
140.Van … Tamīm ad-Dārī (رضي الله عنه), dat hij van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in dezelfde betekenis een ḥadīth heeft overgeleverd. Daarin wordt echter een toevoeging vermeld:
“Vervolgens zal hetzelfde ook worden toegepast op de zakāh, en daarna op alle overige daden.”
Uitleg van de aḥadīth 137-140
In deze ḥadīth wordt gezegd dat de dienaar als eerste rekenschap zal moeten afleggen over zijn ṣalāh. Hiermee worden de uiterlijke daden bedoeld (al-aʿmāl aẓ-ẓāhira). In werkelijkheid zal de dienaar echter eerst rekenschap afleggen over zijn īmān, wat een daad van het hart is. Wanneer de dienaar in zijn īmān is geslaagd en redding heeft verkregen, zal hij vervolgens rekenschap moeten afleggen over de overige pijlers van de Islām, te beginnen met de ṣalāh.
Dit komt doordat de ṣalāh de zuil van de dīn is: wie het verricht, richt zijn dīn op, en wie het verlaat, vernietigt zijn dīn.
Daarnaast wordt de ṣalāh vijf keer per dag en nacht herhaald, terwijl de overige daden niet op deze manier frequent zijn. De zakāh is niet verplicht voor de meeste mensen, omdat zij arm zijn. De ṣawm (vasten) is slechts één maand per jaar verplicht. De ḥaj is alleen verplicht voor wie daartoe in staat is, en slechts één keer in het leven.
Deze ḥadīth laat de overvloed van de ihsān (volmaakte goedheid) en de faḍl (overvloedige gunst) van Allāhu (تعالى) zien. Want wanneer de verplichte daden van de dienaar tekortschieten, vult Allāh dit aan met de nawāfil-daden.
Allāhu (تعالى) weet de toestand van Zijn dienaar beter, maar Hij zegt tegen de malāʾikah:
“Kijk naar Mijn dienaar; heeft hij nawāfil-daden?”
Als hij nawāfil heeft, worden daarmee de tekortkomingen in zijn verplichte (fard) daden aangevuld.
Deze tekortkoming kan ontstaan door het volledig nalaten van de ṣalāh of door het niet volledig vervullen van de voorwaarden en vereisten ervan.
Vervolgens zal de dienaar op dezelfde manier ook voor andere daden worden rekenschap moeten afleggen, zoals zakāh, ṣawm en ḥaj: als het verplicht volmaakt is, dan is dat voldoende; en als er tekortkoming is, wordt dit aangevuld met nawāfil.
Deze ḥadīth maakt duidelijk dat het noodzakelijk is om de farḍ-daden volledig en correct te verrichten, omdat er in de afrekening van de farḍ geen ruimte is voor tekortkomingen.
Tegelijkertijd leert de ḥadīth dat het zeer nuttig en aanbevolen is om veel nawāfil-daden te verrichten, zoals de ṣalāh, de zakāh, de vasten en de ḥaj. Met de toestemming van Allāhu (تعالى) worden deze nawāfil-daden een ondersteuning en aanvulling op de tekortkomingen van de farḍ-daden.
De hadīth: “Mijn Rab kwam tot mij in de mooiste gedaante”
Deze ḥadīth is door at-Tirmidhī overgeleverd in zijn Jāmiʿ, deel 2, p.214-215, in het hoofdstuk “Sūrah Ṣād”.
141.Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Mijn Rab kwam tot mij in de mooiste gedaante.”
De overleveraar zei: ik denk dat hij bedoelde “in een droom”.
De overleveraar vermeldt dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Daarna zei mijn Rab tegen mij: O Muḥammad, weet jij waarover de malāʾ al-aʿlā (de verheven gemeenschap der uitverkorenen) discussieert?”
Ik zei: “Nee.”
Hij plaatste Zijn Hand tussen mijn schouders, zozeer dat ik de koelte ervan voelde op mijn borst (of: mijn hals, zoals de overleveraar zegt). Toen wist ik wat zich in de hemelen en op de aarde bevindt.”
Hij vroeg opnieuw: “O Muḥammad, weet jij waarover de malāʾ al-aʿlā discussieert?”
Ik zei: “Ja.”
Hij zei: “Zij discussiëren over de kaffārāt (middelen van verzoening), en de kaffārāt zijn:
Het zitten in de moskee na het verrichten van de salāh;
Lopend naar de moskee gaan (voor de ṣalāh);
En goed en volledig verrichten van de wuḍūʾ zonder makrûh (afkeurenswaardige handelingen).”
Wie deze daden verricht, zal leven in goedheid en sterven in goedheid, en zal zijn fouten kwijtgescholden worden alsof hij op de dag van zijn geboorte is.”
Daarna zei Hij: “O Muḥammad, wanneer jij de wuḍūʾ verricht, zeg de volgende du`ā’:
‘O Allāh, ik vraag U om mij te helpen in goede daden, mij te helpen mijn slechte daden te verlaten, en liefde voor de armen in mijn hart te plaatsen. En wanneer U een beproeving (fitnah) onder Uw dienaren wilt laten neerdalen, neem mij dan zonder fitnah tot U.’
En Hij zei: ‘Het verspreiden van de salām, mensen (uitnodigen voor het) eten, en het verrichten van de nachtṣalāh (at-tahajjud) terwijl mensen slapen, zijn redenen voor verhoging van graden (bij Allāh).”
Abû ʿĪsā at-Tirmidhī heeft gezegd: In de isnād van deze ḥadīth wordt tussen Abū Qilāba en Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) de naam van een onbekende persoon vermeld. Abū Qilāba behoort tot de overleveraars in de keten en is degene die vóór Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) wordt genoemd.
142.Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:
“Mijn Rab kwam tot mij in de mooiste gedaante en zei: ‘Muḥammad!’
Ik zei: ‘Tot Uw dienst, O mijn Rab, hier ben ik, O mijn Rab!’
Hij zei: ‘Waarover discussiëren de malāʾ al-aʿlā?’
Ik zei: ‘Dat weet ik niet, O mijn Rab.’
Toen plaatste Hij Zijn Hand tussen mijn schouders, zodat ik de koelte ervan voelde tussen mijn borst (de overleveraar zegt: of in mijn hals). Daarna wist ik wat zich tussen het oosten en het westen bevindt.
Mijn Rab zei: ‘O Muḥammad!’
Ik zei: ‘Tot Uw dienst, O mijn Rab, hier ben ik.’
Hij zei: ‘‘Waarover discussiëren de bewoners van de hoogste vergadering (al-Malaʾ al-Aʿlā)?’Ik zei: ‘Over de graden (darajāt) en de kaffārāt: te voet naar de gemeenschapssṣalāh gaan, en goed en volledig verrichten van de wuḍūʾ zonder makrûh (afkeurenswaardige handelingen), en het wachten van de ene ṣalāh op de andere.’
Hij zei: ‘Wie deze dingen bewaakt, zal leven in goedheid en sterven in goedheid, en zal gereinigd worden van zijn zonden alsof hij op de dag dat zijn moeder hem baarde zonder zonde is.”
at-Tirmidhī (رحمه الله) heeft gezegd: deze ḥadīth is ḥasan gharīb.
Abû ʿĪsā at-Tirmidhī vermeldt: In de keten van overlevering (isnād) van de ḥadīth zegt hij dat tussen Abū Qilābah en Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) de naam van een man wordt genoemd. Abū Qilābah behoort tot de overleveraars die in de isnād voorkomen, en hij is de persoon die vóór Ibn ʿAbbās wordt genoemd.
Opmerking: In de keten van de tweede ḥadīth van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) wordt vermeld dat de overlever (rāwī) Abū Qilābah deze heeft overgeleverd van Khālid ibn Lajlāj, en hij van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما). In de eerste ḥadīth van Abū ʿĪsā at-Tirmidhī wordt gezegd dat de naam van de genoemde overlever niet wordt vermeld; die overlever is Khālid ibn Lajlāj, zoals duidelijk wordt uit de keten van de tweede ḥadīth.
143.at-Tirmidhī (حِمَهُ اللهُ) heeft deze ḥadīth via een andere isnād :Van Muʿādh ibn Jabal (رضي الله عنه). Hij zei: “Op een ochtend kwam Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) niet naar ons toe om de salāh al-fajr te leiden, en bijna was de zon al opgekomen. Toen kwam hij snel naar buiten en liet onmiddellijk de adhān oproepen. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte vervolgens de ṣalāh haastig met korte suwar.
Toen hij de salām had gegeven, riep hij ons toe: ‘Blijf zitten in jullie rijen.’ Daarna wendde hij zich tot ons en zei: ‘Ik zal jullie nu vertellen wat mij deze ochtend heeft opgehouden.
Ik stond ’s nachts op, verrichtte wuḍū’, en verrichtte salāh zo veel als mij was voorbeschikt. Tijdens mijn ṣalāh overviel mij slaap en kwam er zwaarte over mij heen. Toen verscheen mijn Rab تبارك وتعالى aan mij in de mooiste gestalte. Mijn Rab zei: “O Muḥammad.” - “Tot uw dienst, o mijn Rab.” - “Waarover discussiëren al-mala’ al-aʿlā?” - “Ik weet het niet.” Dit zei Hij drie keer.
Toen zag ik dat Hij Zijn hand tussen mijn twee schouders plaatste, zozeer dat ik de kou van Zijn vingers tussen mijn borsten voelde. Op dat moment werd alles mij duidelijk en wist ik het.
Mijn Rab zei: “O Muḥammad.” - “Tot uw dienst, o mijn Rab.” - “Waarover discussiëren al-mala’ al-aʿlā?” - “Over de kaffārāt (zondenverzoeningen).” - “Wat zijn dat?” - “Het zetten van stappen naar het verrichten van goede daden, het zitten in de moskeeën na de ṣalāh, en het goed verrichten van wuḍū’ door jezelf te reinigen van onaangename zaken.”
- “En waardoor worden (de graden) verhoogd?” - “Door het geven van voedsel, door goed te spreken, en door het verrichten van de ṣalāh in de nacht terwijl de mensen slapen.”
- “Vraag (aan mij).” - “O Allāh, ik vraag U mij te doen slagen in (het verrichten van) goede daden, mij te laten wegblijven van slechte daden, liefde voor de armen in mijn hart te plaatsen, mij te vergeven en mij genade te schenken. En wanneer U voor een volk fitnah hebt besloten, laat mij dan niet daarin vallen. Ik vraag U om Uw liefde, de liefde van degenen die U liefhebben, en de liefde van daden die mij dichter bij Uw liefde brengen.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Dit is de waarheid. Bestudeer dit en leer het vervolgens.”Abū ʿĪsā at-Tirmidhī (رَحِمَهُ اللهُ) zei: deze ḥadīth is ḥasan ṣaḥīḥ.
Uitleg van de aḥadīth 141-143
Ik zeg eerst: voor de mu’min is het eerste wat noodzakelijk is dat hij zijn Rab verheven acht boven alle eigenschappen die aan schepselen toebehoren. Allāhu (تعالى) zegt in de Qurʾān:فَاطِرُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِۚ جَعَلَ لَكُم مِّنۡ أَنفُسِكُمۡ أَزۡوَٰجٗا وَمِنَ ٱلۡأَنۡعَٰمِ أَزۡوَٰجٗا يَذۡرَؤُكُمۡ فِيهِۚ لَيۡسَ كَمِثۡلِهِۦ شَيۡءٞۖ وَهُوَ ٱلسَّمِيعُ ٱلۡبَصِيرُ ١١De Schepper van de hemelen en de aarde. Hij heeft voor julliezelf en van de dieren paren geschapen. Hij vermenigvuldigt jullie, niets is aan Hem gelijk. En Hij is de Alhorende, de Alziende. (Shūrā, 42:11)
En in surah Ikhlāṣ (112:1-4) wordt gezegd: قُلۡ هُوَ ٱللَّهُ أَحَدٌ ١ Zeg: “Hij is Allāh, de Enige.ٱللَّهُ ٱلصَّمَدُ ٢ Allāh is Zichzelfgenoeg, Eeuwig.لَمۡ يَلِدۡ وَلَمۡ يُولَدۡ ٣ Hij verwekte niet, noch werd Hij verwekt.وَلَمۡ يَكُن لَّهُۥ كُفُوًا أَحَدُۢ ٤ En niemand is Hem in enig opzicht gelijk”.
Alles wat hiermee in strijd is in overtuiging schaadt de īmān. Volgens de consensus van alle geleerden van de Islām geldt dat in de Kitāb en de Sunnah teksten voorkomen die in hun uiterlijke betekenis lijken te wijzen op gelijkenis met de schepselen, maar dat de bedoeling daarvan is niet de uiterlijke letterlijke betekenis. Het is niet toegestaan om Allāhu (تعالى) op basis van die uiterlijke betekenissen te beschrijven.
De geleerden van de Islām zijn hierover in twee groepen verdeeld: de madhhab van de salaf en de madhhab van de khalaf.
De salaf zeggen dat de uiterlijke (zāhir) betekenis niet bedoeld is, en zij laten de werkelijke betekenis en de ware kennis ervan over aan Allāhu (تعالى). Tegelijk geloven zij dat Allāhu (تعالى) niet lijkt op Zijn schepselen, maar zij geven geen specifieke interpretatie aan zulke teksten.
Hun geloof is dat zij de zaak volledig toevertrouwen aan de kennis van Allāhu (تعالى). Zij baseren zich op de betekenis van de āyah:
وَمَا يَعۡلَمُ تَأۡوِيلَهُۥٓ إِلَّا ٱللَّهُۗ وَٱلرَّٰسِخُونَ فِي ٱلۡعِلۡمِ يَقُولُونَ ءَامَنَّا بِهِۦ كُلّٞ مِّنۡ عِندِ رَبِّنَاۗ وَمَا يَذَّكَّرُ إِلَّآ أُوْلُواْ ٱلۡأَلۡبَٰبِ ٧
…maar niemand kent de verborgen betekenissen behalve Allāh. En degenen die grondig geschoold in de kennis zijn, zeggen: “Wij geloven erin, in het geheel van onze Heer.” En niemand laat zich vermanen behalve de mensen van begrip. (Ali Imrān, 3:7)
De khalaf daarentegen bevestigen eveneens dat Allāhu (تعالى) verheven is boven gelijkenis met schepselen, maar zij interpreteren de teksten die een schijn van gelijkenis geven op een wijze die past bij Zijn majesteit. Zij zeggen dat het niet onmogelijk is om zulke uitdrukkingen over Allāhu (تعالى) te gebruiken wanneer ze juist begrepen worden.
Bijvoorbeeld: in deze ḥadīth waar staat “Mijn Rab kwam tot mij in de mooiste gestalte” en ook in de uitspraak “Ik zag mijn Rab تبارك وتعالى in de mooiste gestalte”, interpreteren zij het woord ṣūra (vorm/gestalte) niet letterlijk. Zij zeggen dat hiermee de voor Allāhu (تعالى) passende eigenschappen van jalāl (majesteit) en jamāl (schoonheid) worden bedoeld. Zij zeggen: onze Rab openbaarde zich aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) via deze eigenschappen.
Op dezelfde wijze interpreteren zij ook het plaatsen van de Hand van Allāhu (تعالى) tussen de twee schouders van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) als dat Ḥaq (تعالى) de hand van kennis (`ilm) en maʿrifah (innerlijke kennis) in het hart van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gelegd. Zij zeggen namelijk dat het hart zich bevindt in de lijn tussen de twee schouders.
Zij gebruiken als bewijs de uitspraak van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Ik voelde de kou ervan tussen mijn borstkas.” Zij verklaren dat hiermee bedoeld wordt dat zijn hart werd gevuld met kennis tot het niveau van volledige innerlijke zekerheid. Want yaqīn (zekere kennis) geeft rust aan het hart, en zoals ook blijkt uit de uitspraak van Ibrāhīm (عليه السلام): “opdat mijn hart gerustgesteld wordt”, maakt dit soort kennis het hart rustig en standvastig.
Dit wordt ook ondersteund door de uitspraak van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Daarna wist ik alles wat zich in de hemelen en op de aarde bevindt.” In een andere overlevering staat: “Wat zich tussen het oosten en het westen bevindt.” En in weer een andere overlevering: “Toen werd alles mij duidelijk en wist ik het.”
Het gevolg van het vullen van het hart van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) met kennis en maʿrifah was dat hij in staat was antwoord te geven op de vraag van zijn Rab: “Waarover discussiëren al-mala’ al-aʿlā?” En Allāhu (تعالى) weet het het beste.
Al-mala’ al-aʿlā is een groep van grote engelen die zich in de hemelen bevinden en zich verzamelen rondom de ʿArsh (Troon) en de Kursī (Zetel), en die om de ʿArsh tawāf (ommegang) verrichten.
Hun onderlinge discussie over de genoemde zaken kan vanuit twee aspecten worden begrepen: Ten eerste: zij kunnen met elkaar wedijveren in het opschrijven van de beloningen van degenen die de in de ḥadīth genoemde goede daden verrichten. Of zij kunnen discussiëren om de innerlijke wijsheid te begrijpen van de beloningen die aan deze goede daden worden toegekend. Het kan zijn dat sommigen van hen meer details van de beloning waarnemen of registreren dan anderen.
Ten tweede: zij kunnen onderling verlangen en wedijveren om tot de bewoners van de wereld te behoren, zodat zij deze daden zelf zouden kunnen verrichten. Want zij zien de beloningen van deze goede daden met zekerheid en weten dat hun uiteindelijke uitkomst goed is.
In sommige overleveringen van de ḥadīth wordt de gebeurtenis samengevat weergegeven. Uit drie andere overleveringen blijkt dat al-mala’ al-aʿlā discussieert over twee zaken: de en de graden (darajāt).
Dat wil zeggen: de daden die vergeving van fouten en zonden veroorzaken (kaffārāt) en de daden die leiden tot verhoging van iemands rangen (darajāt).
Daarna legt Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) uit wat de kaffārāt zijn, zoals het lopen naar deze goede daden, het in de moskeeën blijven zitten met de intentie om de ṣalāh te wachten, en het verrichten van een mooie en zuivere wuḍū’ zonder fouten. De darajāt worden verhoogd door voedsel te geven, goed te spreken en door ’s nachts de ṣalāh te verrichten terwijl de mensen slapen. En Allāhu (تعالى) weet het het beste.
Met “het op een mooie wijze verrichten van wuḍū’, vrij van elke vorm van tekortkoming” wordt bedoeld: het grondig reinigen van alle lichaamsdelen die bij de wuḍū’
gereinigd moeten worden, zowel in koude omstandigheden als op andere momenten, en het zorgvuldig en correct uitvoeren van deze handeling zonder nalatigheid.
De ḥadīth over de uitspraak van Allāhu (تعالى): “Kijk naar Mijn dienaren, zij hebben één verplichting (farḍ) vervuld en wachten op de andere”
Deze ḥadīth is door Ibn Mājah in zijn Sunan overgeleverd in het hoofdstuk “Het regelmatig bezoeken van de moskeeën en het wachten op de ṣalāh”:
144. Van `Abdullāh ibn ʿAmr ibn al-ʿĀṣ (رضي الله عنهما), hij zei: “Wij verrichtten samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh al-maghrib. Daarna vertrokken sommigen en bleven anderen achter. Opeens kwam Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) snel aangelopen, buiten adem en met opgetrokken knieën naar ons toe en zei: ‘Wees verheugd! Jullie Rab heeft een van de poorten van de hemel geopend en Hij roemt jullie tegenover Zijn engelen en zegt: “Kijk naar Mijn dienaren, zij hebben één verplichting (salāhal-farḍ) vervuld en wachten op de andere.”
Uitleg van de 144ste ḥadīth
Met de woorden “Hij opende een poort van de hemel” wordt bedoeld: de poorten van de raḥmah (genade).
Uit het feit dat Allāhu (تعالى) in de ḥadīth Zijn trots tegenover de engelen vermeldt, blijkt dat het verrichten van de ene ṣalāh en het wachten op de daaropvolgende ṣalāh behoort tot de oorzaken waardoor de poorten van goedheid en raḥmah worden geopend.
De ḥadīth toont ook de fadīlah (voortreffelijkheid) van het in de moskee blijven zitten in afwachting van de volgende ṣalāh. De moskeeën zijn de beste plaatsen. Wanneer iemand daar zit, verbreekt hij zijn verbondenheid met alles behalve met Allāhu (تعالى), aangezien hij zich in het huis van Allāhu (تعالى) bevindt.
Wie in de moskee verblijft, dient zich te houden aan de etiquettes (ādāb) van de moskeeën en hun eer te respecteren. Daarom is het noodzakelijk om zich niet bezig te houden met louter vermaak of nutteloze gesprekken in deze plaatsen.