14. Overleveringen over infaq (geven omwille van Allāhu (تعالى) en de deugd ervan
De ḥadīth: “Geef uit, O zoon van Ādam, dan zal Ik aan jou geven”
145. Deze ḥadīth is door al-Bukhārī overgeleverd in deel 7, blz. 72, in het hoofdstuk Kitāb an-Nafaqāt, in de bab “De deugd van infāq (uitgeven (op de weg van Allāh)”:
Van… Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) zei: Geef uit (op weg van Allāhu), O zoon van Ādam, dan zal Ik aan jou geven.”
Eveneens heeft al-Bukhārī (deel 7, volgens de marginale aantekening van al-Qasṭallānī, blz. 169) in Kitāb at-Tafsīr, in de tafsīr van surah Hūd bij de uitleg van de āyah:
وَكَانَ عَرۡشُهُۥ عَلَى ٱلۡمَآءِ ...en Zijn troon was op het water... (Hūd, 11:7)
146. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:
“Allāhu (عز وجل) zegt: ‘Geef uit (infāq), dan zal Ik aan jou geven.”
En Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei ook: “De Hand van Allāh is vol; infaq vermindert niets van wat Hij bezit. Hij is dag en nacht vrijgevig.”
Daarna vervolgde hij: “Vanaf het moment dat de hemelen en de aarde zijn geschapen, wat denken jullie dat Hij allemaal heeft uitgegeven? Toch heeft dat niets verminderd van wat in Zijn Hand is. Zijn ʿArsh is op het water. En in Zijn Hand is de weegschaal.”
al-Bukhārī heeft deze ḥadīth eveneens overgeleverd in deel 10, blz. 372 in de marginale aantekening van al-Qasṭallānī, in Kitāb at-Tawḥīd, in het hoofdstuk dat verband houdt met de āyah “Zijn ʿArsh was op het water”.
Daar vermeldt hij echter niet de zin “Geef uit, dan zal Ik aan jou geven”. De overlevering luidt daar als volgt: 147. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De rechterhand van Allāhu is vol. Infāq vermindert niets van wat erin is. Sinds Hij de hemelen en de aarde heeft geschapen, wat Hij ook heeft uitgegeven, niets is verminderd van wat in Zijn rechterhand is. Zijn ʿArsh is op het water.
En in Zijn andere hand is de fayḍ (de overvloedige genade, kennis of zegeningen die Allāhu (تعالى) aan Zijn dienaren schenkt) of qabḍ (benauwdheid, beklemming of innerlijke vernauwing van het hart). Hij verheft wie Hij wil en verlaagt wie Hij wil.”
Deze ḥadīth kan op basis van deze overlevering niet worden gerekend tot de ahādīth alqudsī. Wij hebben deze versie van de ḥadīth vermeld om het onderwerp volledig te verduidelijken.
Deze ḥadīth is ook door Imām Muslim overgeleverd in zijn Ṣaḥīḥ, volgens de marginale aantekening van al-Qasṭallānī, deel 4, blz. 359, in Kitāb az-Zakāh, in het hoofdstuk “De blijde tijding voor degene die aanspoort tot infāq en degene die infāq verricht, dat hem dezelfde beloning zal worden gegeven”. De tekst na de isnād luidt als volgt:
148. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu تبارك وتعالى heeft gezegd: “O zoon van Ādam, geef uit (infāq), dan zal Ik aan jou geven.”
Daarna zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “De Hand van Allāh is vol en vrijgevig; wat er dag en nacht ook wordt uitgegeven, dat vermindert niets van wat bij Hem is.”
In een andere overlevering van Muslim wordt ook het volgende vermeld:
149. Abū Hurayrah (رضي الله عنه) heeft ons enkele ahādīth van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overgeleverd. In één daarvan zei hij: (Allāhu تبارك وتعالى heeft gezegd:) “Geef ṣadaqah, dan zal Ik aan jou geven.” Daarna zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “De Hand van Allāh is vol; niets vermindert het. Hij geeft dag en nacht. Vanaf het moment dat Hij de hemelen en de aarde heeft geschapen, wat denken jullie dat Hij heeft gegeven? Dat heeft niets verminderd van wat in Zijn Hand is. Zijn ʿArsh is op het water. In Zijn andere Hand is qabḍ; Hij verheft wie Hij wil en Hij verlaagt wie Hij wil.”
Uitleg van de aḥadīth 147-149
De uitspraak van Allāhu (تعالى): “Geef ṣadaqah, dan zal Ik aan jou geven” goedheid beantwoorden met goedheid (mushākalah). In werkelijkheid vermindert het geven van Allāhu (تعالى) aan Zijn dienaren niets van Zijn schatten. Zoals in de ḥadīth al-sharīf is vermeld: “De Hand van Allāh is vol; het voeden van Zijn dienaren vermindert niets daarvan.”Dit wordt ook ondersteund door de āyah van Allāhu (تعالى): مَا عِندَكُمۡ يَنفَدُ وَمَا عِندَ ٱللَّهِ بَاقٖۗ َ ٩٦En wat bij jullie is, zal uitgeput raken en wat bij Allāh is zal blijven… Naḥl (16:96)De schatten van Allāhu raken nooit op. Wanneer er wordt gezegd “De Hand van Allāh is vol”, wordt daarmee bedoeld dat Zijn schatten niet verminderen door het geven, en dat Hij dus overvloedig blijft schenken zonder tekort.Met het woord mīzān (weegschaal) wordt de rechtvaardigheid van Allāhu (تعالى) tussen Zijn dienaren bedoeld. (al-Qasṭallānī, Uitleg, deel 8, blz. 220)
Al-Māzirī heeft gezegd dat de uitdrukking “yamīnu’llah” (de rechterhand van Allāh)” geinterpreteerd kan worden, omdat uit de letterlijke betekenis anders zou kunnen worden afgeleid dat er ook een linkerhand is, wat zou leiden tot het denken in het begrenzen van Allāh en toekennen van lichamelijke eigenschappen. Allāhu (تعالى) is verheven boven zulke zaken.
Hij zegt dat Allāhu (تعالى) hier tot de mensen spreekt in de gebruikelijke menselijke spreekwijze, waarin men bij vrijgevigheid en goedheid de rechterhand noemt. Hiermee wordt ook aangegeven dat Zijn overvloedige geven Zijn schatten niet vermindert, en dat Hij zich dus niet weerhoudt van ruime vrijgevigheid.
De uitspraak “Zijn ʿArsh is op het water” betekent dat Allāhu (تعالى) Zijn gunsten voortdurend en achtereenvolgens over de schepping laat stromen.
De uitleg van “in Zijn andere hand is qabḍ is dat, hoewel de macht van Allāh één is, Hij daarmee verschillende handelingen uitvoert. Omdat bij ons zulke handelingen via twee handen zichtbaar worden, wordt dit metaforisch zo uitgedrukt. (uit Uitleg Muslim van an-Nawawī)
De ḥadīth: “Toen Allāhu (تعالى) de aarde schiep, begon zij te schudden…”
Deze ḥadīth is door at-Tirmidhī overgeleverd in zijn Jāmiʿ, aan het einde van het boek, deel 2, blz. 241-242.
150. Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:
“Toen Allāh de aarde schiep, begon zij te schudden. Daarna schiep Hij de bergen en plaatste die op de aarde, waarna de aarde tot rust kwam.
De engelen verwonderden zich over de kracht van de bergen en zeiden: ‘O onze Rab, is er onder de schepselen iets sterker dan de bergen?’
- ‘Ja, ijzer.’
- ‘O onze Rab, is er iets sterker dan ijzer?’
- ‘Ja, vuur.’
- ‘O onze Rab, is er iets sterker dan vuur?’
- ‘Ja, water.’
- ‘O onze Rab, is er iets sterker dan water?’
- ‘Ja, de wind.’
- ‘O onze Rab, is er iets sterker dan de wind?’
- ‘Ja, de zoon van Ādam die geeft met zijn rechterhand en het verbergt voor zijn linkerhand.”
Abū ʿĪsā at-Tirmidhī (رَحِمَهُ اللهُ) zei: de isnād van deze ḥadīth is ḥasan gharīb.
De ḥadīth: Dar al-Hijrah (de stad van de Hijrah)
Deze ḥadīth is door at-Tirmidhī overgeleverd in deel 2, blz. 327, in het hoofdstuk “De deugd van al-Madīnah”.
151. Van Jarīr ibn ʿAbdullāh (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) heeft mij via openbaring laten weten dat, als je naar één van deze drie plaatsen gaat, dan is dat jouw plaats van Hijrah: al-Madīnah, Baḥrayn of Qinnasrīn (Noord- Syrië).”
At-Tirmidhī zei: deze ḥadīth is gharīb; wij hebben geen andere overlevering ervan gevonden behalve via al-Faḍl ibn Mūsā (de overlever in de isnād).
De ḥadīth over het streng optreden tegen onrecht (ẓulm) en omkoping (rushwah)
Deze ḥadīth is door Ibn Mājah overgeleverd in zijn Sunan, deel 2, blz. 26.
152. Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degene die onder de mensen als rechter optreedt, zal op de Dag van de Opstanding worden gebracht terwijl een engel hem stevig bij zijn nek vasthoudt. Vervolgens zal de engel zijn hoofd omhoog heffen. Wanneer er wordt gezegd: ‘Gooi hem,’ zal hij hem in de diepste van de Jahannam werpen.”
De ḥadīth die verbiedt om tijdens het leven vermogen op te potten en het pas bij het naderen van de dood uit te delen.
Deze ḥadīth is door an-Nasā’ī overgeleverd.
153. Van Busr ibn Jahhāsh (رضي الله عنه), hij zei: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) spuugde in zijn handpalm en plaatste zijn wijsvinger erop en zei: “Allāhu (عز وجل) zegt: “Hoe kan de zoon van Ādam Mij machteloos maken, terwijl Ik hem heb geschapen uit iets soortgelijks?”Daarna wees Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar zijn keel en zei: “Wanneer de rûh hier komt (bij de dood), zeg je: ‘Ik geef ṣadaqah.’ Maar waar is de tijd van ṣadaqah dan nog?”
De ḥadīth over het nalaten van een testament over een derde deel van het bezit
Deze ḥadīth is door an-Nasā’ī overgeleverd in het hoofdstuk “al-Waṣiyyah”.
154. Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) zegt: O zoon van Ādam, er zijn twee zaken waarvan één niet van jou is. Wanneer Ik je bij de keel neem (bij het naderen van de dood), doe Ik dat om je te zuiveren en (van je zonden) te reinigen.En Ik heb voor jou uit jouw bezit een aandeel bestemd, zodat Mijn dienaren na het verstrekken van jouw levensduur voor jou duʿā’ zullen verrichten.”
15. Overleveringen over de vasten en de deugd ervan.
De ḥadīth: “Het vasten is voor Mij en Ik geef er de beloning voor”
Deze ḥadīth is opgenomen in Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, deel 2, blz. 24, in het hoofdstuk Kitāb aṣ-Ṣawm, “De deugd van de vasten”.
155. Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Vasten is een schild. Laat (de vastende) niet vloeken/schelden en zich niet gedragen als een onwetende. Als iemand hem beledigt of met hem ruzie zoekt, laat hij dan twee keer zeggen: ‘Ik ben aan het vasten.”Bij Hem in Wiens Hand mijn rûh is: de geur uit de mond van de vastende is bij Allāhu (تعالى) aangenamer dan de geur van musk.(Allāhu (تعالى) zegt): “Hij laat eten, drinken en zijn verlangens achter omwille van Mij. Vasten is voor Mij en Ik geef de beloning ervoor. En de beloning van goede daden is tienvoudig.”
In een andere overlevering in Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, deel 7, blz. 164, in Kitāb al-Libās, in het hoofdstuk “Wat wordt vermeld over musk”, staat:
156. Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Alle daden van de zoon van Ādam zijn voor hemzelf, behalve de vasten; die is voor Mij en Ik geef er de beloning voor. De geur uit de mond van de vastende is bij Allāh aangenamer dan de geur van musk.”
Deze ḥadīth is eveneens door al-Bukhārī overgeleverd in deel 9, blz. 143, in Kitāb at-Tawḥīd.
157. Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (عز وجل) zegt: “Vasten is voor Mij en Ik Zelf zal ervoor belonen. Hij laat zijn begeertes, zijn eten en zijn drinken achter omwille van Mij. De vasten is een schild. Voor de vastende zijn twee (momenten van) vreugte: één (vreugde) wanneer hij zijn vasten verbreekt (ifṭār), en één wanneer hij zijn Rab ontmoet. En voorwaar, de geur die uit de mond van de vastende komt, is bij Allāh aangenamer dan de geur van musk.”
Imām Mālik (رَحِمَهُ اللهُ) heeft in al-Muwaṭṭa’, blz. 124, in het hoofdstuk “Jāmiʿ li-ṣ-Ṣiyām”,
158.
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Bij Hem in Wiens Hand mijn rûh is: de geur die uit de mond van de vastende komt, is bij Allāh aangenamer dan de geur van musk.”
Een andere overlevering:
159. “Allāhu (عز وجل) zegt: “De vastende laat zijn begeertes, zijn eten en zijn drinken achter omwille van Mij. De vasten is voor Mij en en Ik Zelf zal ervoor belonen. Voor elke goede daad is er een beloning van tien tot zevenhonderd keer, behalve de vasten. De vasten is voor Mij en Ik Zelf zal ervoor belonen.”
Ook Muslim heeft in zijn Ṣaḥīḥ, deel 5, blz. 132 en verder (volgens de marginale aantekening van al-Qasṭallānī), in Kitāb aṣ-Ṣiyām, in het hoofdstuk “De deugd van de vasten”, deze ḥadīth overgeleverd:
160. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: Allāhu (عز وجل) zegt: “Alle daden van de zoon van Ādam zijn voor hemzelf, behalve de vasten; dat is voor Mij en Ik Zelf zal ervoor belonen.”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Bij Hem in Wiens Hand mijn rûh is: de geur die uit de mond van de vastende is bij Allāhu aangenamer dan de geur van musk.”
Een andere overlevering van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) in Ṣaḥīḥ Muslim:
161. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (عز وجل) zegt: “Alle daden van de zoon van Ādam zijn voor hemzelf, behalve de vasten; dat is voor Mij en en Ik Zelf zal ervoor belonen.Vasten is een schild. Wanneer iemand van jullie vast, laat hij dan geen onfatsoenlijke taal spreken en geen lawaai maken.
Als iemand hem uitscheldt of hem lastigvalt, laat hij dan zeggen: ‘Ik ben aan het vasten.’Bij Hem in Wiens Hand de rûh van Muḥammad is: de geur die uit de mond van de vastende komt, is bij Allāhu aangenamer dan de geur van musk.Voor de vastende zijn er twee momenten van vreugde: wanneer hij zijn vasten verbreekt (ifṭār) en wanneer hij zijn Rab ontmoet.”
In een andere overlevering staat:
162. “Wanneer hij Allāh ontmoet, zal Hij hem zijn beloning geven, waarna hij de vreugde ervan zal ervaren.”
In at-Tirmidhī, deel 1, blz. 147, in het hoofdstuk “De deugd van de vasten” :163. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen:“Jullie Rab zegt: Voor elke goede daad is er een beloning van tien tot zevenhonderd keer. Vasten is echter voor Mij en Ik Zelf zal ervoor belonen. Vasten is een schild tegen het Vuur. De geur die uit de mond van de vastende komt, is bij Allāh aangenamer dan de geur van musk.Wanneer iemand van jullie aan het vasten is en iemand hem onwetend behandelt, laat hij dan zeggen: ‘Ik ben aan het vasten.” At-Tirmidhī zei: deze ḥadīth is ḥasan gharīb.
Ook at-Tirmidhī heeft van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) de volgende ḥadīth overgeleverd:
164. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (عز وجل) zegt: “De meest geliefde van Mijn dienaren bij Mij is degene die zich het snelst haast met het verbreken van zijn vasten (ifṭār).”At-Tirmidhī zei: deze ḥadīth is ḥasan gharīb.
Ibn Mājah heeft in deel 1, blz. 258, in het hoofdstuk “De deugd van de vasten”:165. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:“Voor elke daad van de zoon van Ādam wordt een veelvoudige beloning gegeven.
Voor een goede daad tienvoudig, tot zevenhonderdvoudig en meer, tot de hoeveelheid die Allāh wil.Allāh zegt: “Behalve de vasten; dat is voor Mij en Ik Zelf zal ervoor belonen. De mens laat zijn begeertes en zijn eten/drinken achter omwille van Mijn. Voor de vastende zijn er twee momenten van vreugde: wanneer hij zijn vasten verbreekt (ifṭār) en wanneer hij zijn Rab ontmoet. De geur die uit de mond van de vastende komt, is bij Allāh aangenamer dan de geur van musk.”
166. Ibn Mājah heeft in deel 2, blz. 223, in het hoofdstuk “De deugd van de vasten” deze ḥadīth ook overgeleverd, maar in verkorte vorm, waarbij de passage “zijn begeertes en zijn eten achterlaten” en wat daarna komt werd niet vermeld.
an-Nasā’ī heeft in deel 4, blz. 159 en verder in het hoofdstuk “De deugd van de vasten” verschillende overleveringen van deze ḥadīth vermeld.
167.Eerste ḥadīth: Van ʿAlī ibn Abī Ṭālib (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu تبارك وتعالى zegt: Vasten is voor Mij en Ik Zelf zal ervoor belonen. Voor de vastende zijn er twee momenten van vreugde: wanneer hij vasten verbreekt (ifṭār) en wanneer hij zijn Rab ontmoet.Bij Hem in Wiens Hand de rûh van Muḥammad is: de geur die uit de mond van de vastende komt, is bij Allāh aangenamer dan musk.”
168. Tweede ḥadīth: Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu تبارك وتعالى zegt: “Vasten is voor Mij en Ik Zelf zal ervoor belonen.
Voor de vastende zijn er twee momenten van vreugde: wanneer hij zijn vasten verbreekt (ifṭār) en wanneer hij zijn Rab ontmoet, zal Hij hem zijn beloning geven, waarna hij de vreugde ervan zal ervaren. Bij Hem in Wiens Hand de rûh van Muḥammad is: de geur die uit de mond van de vastende komt, is bij Allāh aangenamer dan de geur van musk.”
169. Derde ḥadīth: Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (عز وجل) zegt: “Alle daden van de zoon van Ādam zijn voor hemzelf, behalve de vasten; dat is voor Mij en Ik Zelf zal ervoor belonen”. Vasten is een schild. Wanneer iemand van jullie vast, laat hij dan geen slechte woorden spreken en geen ruzie zoeken. Als iemand hem uitscheldt of hem aanvalt, laat hij dan zeggen: ‘Ik ben aan het vasten.’Bij Hem in Wiens Hand de rûh van Muḥammad is: de geur die uit de mond van de vastende komt, is bij Allāh aangenamer dan de geur van musk.”
De overige overleveringen van an-Nasā’ī vertonen grotendeels dezelfde inhoud en strekking als deze overlevering. Daarom worden zij hier niet afzonderlijk aangehaald. Wie daar behoefte aan heeft, kan ze terugvinden in de oorspronkelijke bronnen.
Uitleg van de aḥadīth 157-169
In Ṣaḥīḥ al-Bukhārī staat de ḥadīth “De vasten is een schild”. Met “schild” (junnah) wordt bedoeld: een bescherming en een barrière die iemand weerhoudt van zonden. Dit komt doordat de vasten de begeerten breekt en de nafs verzwakt. Er wordt ook gezegd dat met “schild” een bescherming tegen het vuur van het Jahannam wordt bedoeld. Deze betekenis komt voor in enkele overleveringen van at-Tirmidhī, waar staat: “De vasten is een schild tegen het vuur van Jahannam.”
De Jahannam is omgeven door begeerten en wereldse verlangens. Ook in de overlevering van Saʿīd ibn Manṣūr en Aḥmad ibn Ḥanbal van Abū ʿUbayda ibn al-Jarrāḥ (رضي الله عنه) staat: “Vasten is een schild, zolang de vastende het niet doorbreekt.” In de overlevering van ad-Dārimī wordt toegevoegd: “door roddel (ghībah).”
al-Qasṭallānī schrijft: “In deze uitdrukking ligt de betekenis besloten dat beide zaken elkaar wederzijds versterken: wanneer iemand zich in deze wereld onthoudt van zonden, wordt dat in het Hiernamaals een bescherming en schild tegen het vuur van Jahannam”.
Met “laat hem niet schelden” wordt bedoeld: laat hem geen slechte of grove taal gebruiken. Met “laat hem niet handelen als een onwetende (jāhil)” wordt bedoeld: laat hij niet schreeuwen, spotten of zich gedragen zoals mensen van onwetendheid, zoals anderen belachelijk maken of ruzie zoeken.
In de overlevering van Saʿīd ibn Manṣūr staat: “Laat hem niet schelden en niet in ruzie vervallen.” Dit is in algemene zin verboden, zowel tijdens de vasten als daarbuiten, maar tijdens de vasten is het verbod sterker, omdat de persoon zich in een staat van ʿibādah (aanbidding) bevindt en zonde daarin nog ernstiger is.
In de overlevering van al-Bukhārī staat: “Als iemand hem beledigt of met hem ruzie zoekt…”, terwijl in de overlevering van Saʿīd ibn Manṣūr staat: “als iemand hem uitscheldt of met hem wil ruziën.” Hiermee wordt bedoeld dat iemand zich voorbereidt op verbaal of fysiek conflict.
Wat betreft de instructie ‘laat hem twee keer zeggen: ‘Ik ben aan het vasten’, schrijft an-Nawawī in Kitāb al-Adhkār dat dit met de tong gezegd wordt. al-Mutawallī zei dat het ook in het hart kan worden gezegd.
Volgens een overlevering van de fiqh-imāms, overgeleverd door ar-Rāfiʿī, zegt men in zo’n situatie tweemaal met de tong: “Ik ben aan het vasten, ik ben aan het vasten,” waarmee men probeert de ander ervan te weerhouden het kwaad te verrichten dat hij van plan is te doen. Als dat niet helpt, antwoordt men op een zachte en beheerste manier en wijst men hem vervolgens af.
In Kitāb al-Maṣābīḥ wordt ook het volgende vermeld: “Uit de formulering van de ḥadīth blijkt dat deze uitspraak een middel is om de ander te weerhouden. Alsof men door te zeggen “Ik ben aan het vasten” de ander herinnert dat wie de grenzen van respect tegenover een vastende overschrijdt, een zware bestraffing tegemoet kan zien”.
De ḥadīth maakt ook duidelijk dat ruzie maken met mensen de beloning van de vasten kan verminderen, of dat het verbod daarop tijdens de vasten nog nadrukkelijker wordt benadrukt. Door deze woorden herinnert iemand zichzelf aan zijn toestand, zodat hij zich niet begeeft in situaties die hem schade kunnen berokkenen. Hieruit blijkt opnieuw dat de vasten een schild is dat de mens beschermt tegen wat hem schaadt.
Wat betreft de uitspraak: “De geur die uit de mond van de vastende komt, is bij Allāh aangenamer dan de geur van musk”, bestaat er verschil van mening tussen Ibn aṣ-Ṣalāḥ en Ibn ʿAbd as-Salām over de vraag of hiermee de geur in deze wereld bedoeld wordt of die in het Hiernamaals.
Ibn ʿAbd as-Salām stelde dat het gaat om de geur in het Hiernamaals, en hij gebruikte als bewijs de overleveringen van Muslim en an-Nasā’ī. Abū ash-Shaykh heeft met een zwakke isnād van Anas (رضي الله عنه) een marfūʿ ḥadīth overgeleverd waarin staat: “Wanneer de vastenden uit hun graven opstaan, worden zij herkend aan de geur uit hun monden. Hun geur is bij Allāh aangenamer dan musk.” Ibn aṣ-Ṣalāḥ daarentegen zei dat het gaat om de geur in deze wereld.
Hij baseerde zich op een marfūʿ overlevering van Jābir (رضي الله عنه): ““De geur die tegen de avond uit hun monden komt, is bij Allāhu (تعالى) aangenamer dan de geur van musk.”
Hier doet zich echter een interpretatieve moeilijkheid voor, aangezien Allāhu (تعالى) verheven is boven eigenschappen zoals ruiken en andere lichamelijke of zintuiglijke kenmerken. Daarom wordt deze ḥadīth opgevat als een metaforische uitdrukking (majāz) en beeldspraak (istiʿārah). De bedoeling is dat de geur uit de mond van de vastende bij Allāhu (تعالى) een bijzondere waardering en eer geniet, en dat de vastende daardoor een hoge rang en nabijheid bij Allāhu verkrijgt.
Er is ook gezegd dat de vastende in het Hiernamaals wordt beloond met een geur die aangenamer is dan musk. Dat wil zeggen: degene die door de vasten tegen het einde van de dag een geur in zijn mond krijgt, zal in het Hiernamaals door Allāhu (تعالى) worden beloond met iets dat nog aangenamer is dan musk.
al-Qasṭallānī geeft na deze uitleg het volgende commentaar: “Als je vraagt waarom de geur die uit de mond van de vastende komt, als aangenamer wordt beschouwd dan het bloed van een shahīd, terwijl de shahīd zijn leven opoffert op weg van Allāhu (تعالى) en zijn bloed de geur van muskus heeft. Dan is het antwoord dat de invloed van de vasten groter is dan die van jihād. Want de vasten behoort tot de vijf zuilen van de Islām, terwijl jihād een farḍ al-kifāyah is. De vasten is daarentegen een farḍ al-ʿayn. En zoals Imām ash-Shāfiʿī (رَحِمَهُ اللهُ) heeft aangegeven, is een farḍ al-ʿayn hoger in rang dan een farḍ al-kifāyah.
Imām Aḥmad (رَحِمَهُ اللهُ) heeft in al-Musnad overgeleverd dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:
“Je geeft één dinar uit aan je gezin, en één dinar op weg van Allāh.
De beste en meest beloningswaardige daarvan is diegene die je aan je gezin besteedt.”
Het bewijs hiervan is dat het onderhouden van je gezin een farḍ al-ʿayn is, en dat dit in beloning zwaarder weegt dan uitgaven op weg van Allāhu die onder farḍ al-kifāyah valt.
Dit lijkt echter niet in tegenspraak met de overlevering van Abū Dāwūd at-Ṭayālisī van Abū Qatāda (رضي الله عنه), waarin staat dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een toespraak hield en zei dat jihād, buiten de verplichte ṣalāh, het beste van alle daden is. Dit kan worden verklaard doordat deze uitspraak mogelijk vóór de verplichting van de vasten is gedaan. Ook heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen iemand die vroeg naar de beste daad gezegd: “Vast, want er is niets vergelijkbaars met de vasten.”
“Vasten is voor Mij”, dat wil zeggen: in de vasten is geen plaats voor uiterlijk vertoon (riyā’). De vasten is volledig een vorm van aanbidding die wordt verricht om het welbehagen van Allāhu (تعالى) te verkrijgen. Want de dienaar aanbidt daarmee niemand anders dan Allāh. Of: het is een geheim tussen Allāh en Zijn dienaar; de dienaar verricht deze aanbidding uitsluitend om Zijn welbehagen te verkrijgen.
“en Ik Zelf zal ervoor belonen” betekent: de beloning van de vastende wordt door Allāhu (تعالى) zelf gegeven. En wij weten dat wanneer de Meest Edele (al-Karīm) een beloning exclusief aan Zichzelf toeschrijft, die beloning een bijzondere vorm van gunst en vrijgevigheid zal zijn. Die beloning zal zó overvloedig zijn dat zij niet meer te bevatten is of te tellen is.
De geleerden zijn het erover eens dat degenen die een veelvuldige beloning ontvangen, degenen zijn van wie de vasten niet vermengd is met zonden. Daarom is gezegd: “Voor de vastende zijn er twee momenten van vreugdes.” De eerste is bij het verbreken van de vasten (iftār), namelijk de rust die de rûh die gehecht is aan wereldse genietingen ervaart.
De tweede vreugde is bij de ontmoeting met zijn Rab; dat is de vreugde die de rabbānī rûh (rûh die zich volledig richt naar haar Rab) ervaart. De vasten brengt de mens namelijk tot de gunst zijn Rab te ontmoeten en de eer te verkrijgen Hem te aanschouwen. zoals al-Qasṭallānī het vermeldt.
Imām an-Nawawī (رَحِمَهُ اللهُ) vermeldt in zijn Uitleg van Ṣaḥīḥ Muslim: “De mens is niet alleen tijdens het vasten gehouden zich te onthouden van slechte taal, onwetend gedrag, ruzie zoeken en het provoceren van anderen; in het algemeen is dit voor iedereen verboden. Voor degene die vast, geldt dit verbod echter nog sterker en nadrukkelijker”.
Wat met de uitspraak van Allāhu (تعالى): ‘Alle daden van de zoon van Ādam zijn voor hemzelf, behalve de vasten; die is voor Mij’ is bedoeld, hebben de geleerden verschillende interpretaties gegeven. Want in werkelijkheid zijn alle daden van aanbidding voor Allāh.
Sommigen zeggen: vasten is een aanbidding die uitsluitend voor Allāh is, omdat er niemand anders is aan wie men met de vasten aanbidding heeft verricht. De kāfirs hebben wel afgoden vereerd met nederigheid via sujūd, ṣadaqah, dhikr en dergelijke, maar in geen enkele tijd hebben zij afgoden geëerd door middel van vasten.
Anderen leggen uit dat de vasten een verborgen daad is, en daarom ver verwijderd is van riyâ’ (schijnvertoon). Want ṣalāh, ḥaj, jihād en ṣadaqah zijn zichtbare daden, terwijl de vasten niet zichtbaar is.
Weer anderen zeggen: bij de vasten heeft de mens, anders dan bij andere daden, geen aandeel voor zijn eigen nafs (of wereldse voordeel).
Ook is gezegd: Zich onthouden van eten en drinken behoort tot de eigenschappen van Allāhu (تعالى). Ook de dienaar komt dichter bij Allāh door een handeling die met deze eigenschap samenhangt. In werkelijkheid lijkt geen enkele eigenschap van schepselen op de eigenschappen van Allāh; Zijn eigenschappen behoren exclusief tot Zijn Wezen (Dhāt).
Volgens sommigen betekent “vasten is voor Mij” dat alleen Allāh weet welke immense beloning eraan verbonden is, terwijl de beloningen van andere daden door Allāhu (تعالى) aan sommige van Zijn schepselen zijn bekendgemaakt.
En ook is gezegd dat de vasten aan Allāh wordt toegeschreven als een vorm van eer en verheffing, zoals in de uitdrukking “de kameel van Allāh”. In werkelijkheid behoort de gehele schepping toe aan Allāhu (تعالى).
Deze ḥadīth maakt de voortreffelijkheid van de vasten duidelijk, spoort ertoe aan deze te verrichten en moedigt aan om daarin geduldig te zijn.
De uitspraak “en Ik Zelf zal ervoor belonen” duidt op de grootheid en overvloed van de beloning van de vasten. Want wanneer de Meest Edele (al-Karīm) een beloning exclusief aan Zichzelf toeschrijft, dan wordt duidelijk dat deze beloning zeer groot zal zijn.
“Voor de vastende zijn er twee momenten van vreugde.” De vreugde van de vastende bij de ontmoeting met zijn Rab ontstaat door het aanschouwen van de overvloedige en volledige beloning die voor zijn daden is weggelegd. Zijn vreugde bij het ifṭār komt voort uit de blijdschap dat hij zijn aanbidding heeft voltooid zonder dat zijn vasten ongeldig is geworden, evenals uit de hoop op de beloning die hem daarvoor is beloofd.
Ik zeg: daaraan kan nog worden toegevoegd de vreugde die ontstaat doordat hij opnieuw mag doen wat eerder verboden was tijdens de vasten, en doordat hij kan genieten van wat zijn nafs verlangt.