As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Aḥadīthi’l Qudsiyyah — Hoofdstuk 14: Overlevering over de duʿā’ van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op de dag van ʿArafah en de khuṭbah van ʿĪd al-Aḍḥā

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

16. Overlevering over de duʿā’ van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op de dag van ʿArafah en de khuṭbah van ʿĪd al-Aḍḥā

Deze ḥadīth is door Ibn Mājah (رَحِمَهُ اللهُ) overgeleverd in deel 2, blz. 123, in het hoofdstuk “Duʿā’ op ʿArafah”.

170. Van … de vader van Ibn ʿAbbās ibn Mirdās as-Sulamī, dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op de avond van de dag van ʿArafah duʿā’ verrichtte voor zijn ummah. Toen werd (zijn duʿā’) door Allāhu (تعالى) beantwoord:

“Behalve degenen die onrecht hebben gepleegd, heb Ik hen (allen) vergeven. Van de onrechtplegers zal Ik de rechten van de onderdrukten terugnemen.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) smeekte toen: “O mijn Rab, als U wilt, begunstigt U de onderdrukte de Jannah, en zo vergeeft U ook de onderdrukker.”

Die avond werd zijn duʿā’ niet beantwoord.

De volgende dag, op de ochtend van Muzdalifah, herhaalde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn duʿā’, waarna zijn verzoek werd verhoord.

De overleveraar zegt: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) lachte (of glimlachte).

Abū Bakr en ʿUmar (رضي الله عنهما) vroegen hem: “Moge onze vader en moeder voor u worden opgeofferd, moge Allāhu (تعالى) altijd uw aangezicht met een glimlach vereren, maar dit is niet uw gewoonte op dit moment. Wat heeft u doen lachen?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Toen de vijand van Allāh, Iblīs, hoorde dat Allāh mijn duʿā’ had geaccepteerd en mijn ummah had vergeven, begon hij stof op zijn hoofd te strooien en luid te jammeren en te roepen. Zijn reactie deed mij lachen.”

Uitleg van de 170ste ḥadīth

De lach van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was slechts een glimlach (tabassum). Daarom betekent het woord “lachte” in de ḥadīth eigenlijk: hij glimlachte.

Het moment dat in de ḥadīth wordt genoemd, namelijk het moment waarop Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) glimlachte vanwege deze gebeurtenis, was het laatste deel van de nacht. Omdat dit een tijd van nederigheid (taḍarruʿ) en smeekbede (duʿā’) is, zeiden Abū Bakr en ʿUmar (رضي الله عنهما): “Dit is niet uw gewoonte om op dit moment te lachen.”

De woorden “moge Allāhu (تعالى) altijd uw aangezicht met een glimlach vereren” is een duʿā’ van Abū Bakr en ʿUmar (رضي الله عنهما) voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). De betekenis is: “Moge Allāhu (تعالى) uw hart vullen met voortdurende vreugde en blijdschap die zichtbaar wordt in uw glimlach.”

Een andere overlevering van an-Nasā’ī over de dag van ʿArafah

171. Van ʿĀ’ishah (رضي الله عنها), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh bevrijdt op geen enkele dag zoveel dienaren uit het vuur van de Jahannam als op de dag van ʿArafah. Op die dag nadert Allāh Zijn dienaren, die Hem smeken, met Zijn barmhartigheid, en Hij roemt hen tegenover de engelen en zegt: ‘Wat willen ze?”

Uitleg van de 171ste ḥadīth

Dat Allāhu (تعالى) op de dag van ʿArafah zoveel dienaren uit het vuur van de Jahannam bevrijdt als op geen enkele andere dag van het jaar, komt door de superioriteit van deze dag en doordat de barmhartigheid (raḥmah) van Allāhu (تعالى) op die dag in bijzondere mate neerdaalt op Zijn dienaren. Op die dag wordt Zijn barmhartigheid rijkelijk over hen uitgestort.

De uitspraak van Allāhu (تعالى): “Wat willen ze?” Dit is geen vraag om kennis te verkrijgen, want Allāhu (تعالى) heeft geen behoefte aan het vernemen of verkrijgen van kennis. Het is bedoeld als lof voor de dienaren die hun families en hun land hebben verlaten, die de moeilijkheden van reizen en stof en vermoeidheid hebben doorstaan om de verplichting van de ḥaj in Makkah te vervullen. Daar richten zij zich tot Allāhu (تعالى), verrichten duʿā’, vragen om vergeving van hun zonden en aanvaarding van hun tawbah, en zij verlangen uitsluitend Zijn raḥmah en vrezen Zijn bestraffing.

Allāhu (تعالى) is al-Karīm en de Bezitter van raḥmah; Hij vergeeft Zijn dienaren en schenkt hun Zijn barmhartigheid.

De Hadith over de khuṭbah van ʿĪd al-Aḍḥā

Deze ḥadīth is door Ibn Mājah overgeleverd in deel 2, blz. 129, in het hoofdstuk “Khuṭbah van ʿĪd al-Aḍḥā”.

172.VanʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hield een preek (khutbah) op de dag van ʿArafah op zijn gevlekte kameel en zei: “Weet jullie welke dag het vandaag is, in welke maand we zijn en in welk gebied we ons bevinden?”

De aanwezigen zeiden: “Dit is een heilige (haram) plaats, deze maand is een heilige maand en deze dag is een heilige dag.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei toen: “Jullie bezittingen, jullie levens, deze maand, deze stad en deze dag zijn heilig en onaantastbaar, zoals het heilige (verboden) is.

Luister goed: Ik zal jullie voorgaan naar de de (profetische) waterbron (ḥawḍ), en ik zal trots zijn op jullie grote aantal tegenover de andere umam. Zorg er daarom voor dat jullie mij niet in verlegenheid brengen.

Weet dat ik voor bepaalde mensen zal bemiddelen met mijn shafāʿah, terwijl anderen van mijn shafāʿah verstoken zullen blijven.

Ik zal zeggen: ‘O mijn Rab, zij behoren tot mijn metgezellen (aṣḥāb).’ Dan zal Allāhu (تعالى) zeggen: ‘Jij weet niet welke vernieuwingen (bidʿāt mv van bidʿah) zij na jou hebben geïntroduceerd.”

Uitleg van de 172ste ḥadīth

De genoemde gevlekte kameel is de kameel van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) die bekend stond als al-Qaṣwā’.

De vraag van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Weet jullie welke dag het vandaag is, in welke maand we zijn en welk gebied we ons bevinden?” had als doel om de aanwezigen bewust te maken van de heiligheid van deze tijd en plaats, zodat zij deze zouden erkennen en bevestigen. Door die erkenning wordt duidelijk hoe groot de heiligheid van hun levens en bezittingen tegenover elkaar is.

De uitspraak van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Ik zal jullie voorgaan bij de ḥawḍ” betekent dat hij vóór zijn ummah daar zal aankomen en hen zal voorbereiden om van het water van de ḥawḍ te drinken.

Wat betreft degenen die na hem innovaties (bidʿāt) in de Islām introduceren: zij worden van zijn shafāʿah verstoken, omdat zij afwijken van zijn sunnah. Daarom is het noodzakelijk om stevig vast te houden aan zijn sunnah en deze correct te volgen. Zoals Allāhu (تعالى) zegt: يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ ٱتَّقُواْ ٱللَّهَ حَقَّ تُقَاتِهِۦ وَلَا تَمُوتُنَّ إِلَّا وَأَنتُم مُّسۡلِمُونَ ١٠٢O jullie die geloven! Vrees Allāh zoals Hij gevreesd behoort te worden en sterf niet, behalve als oprechte moslims (in volledige onderwerping aan Allāh’s éénheid). (Āl ʿImrān, 3:102)