18. Ahadith over de jihād, de verdienste van de martelaren (shuhadâ’) en de oprechtheid (ikhlāṣ) in de jihād
Overlevering uit Ṣaḥīḥ al-Bukhārī over de deugd van jihād
Deze ḥadīth is door al-Bukhārī (رَحِمَهُ اللهُ) overgeleverd in deel 1, blz. 16, in het hoofdstuk “Īmān – Jihād”.
173. Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) zei: ““Wie strijdt op Mijn weg (jihād), zonder dat hem daartoe iets anders drijft dan geloof (īmān) in Mij en het bevestigen van Mijn profeten (anbiyā’), hem zal Ik terugbrengen met zijn verdiende beloning of met de verkregen oorlogsbuit, of Ik zal hem de Jannah (Jannah) doen binnentreden.”
En als ik niet vreesde dat ik mijn ummah zwaar zou belasten, zou ik geen enkele veldtocht achterwege laten. Ik zou juist wensen om op de weg van Allāhu gedood te worden, daarna weer tot leven gebracht te worden, vervolgens opnieuw gedood te worden en opnieuw tot leven gebracht te worden.”
al-Bukhārī (رَحِمَهُ اللهُ) vermeldt in het werk van al-Qasṭallānī, deel 5, blz. 35-36, in het hoofdstuk “Jihād” onder de titel: “De beste mensen zijn de gelovigen die met hun leven en bezit op weg van Allāhu (تعالى) strijden”:
174. Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:
“De gelijkenis van degene die op weg van Allāhu strijdt (jihād), (en Allāhu weet het best wie werkelijk op Zijn weg strijdt), is als iemand die (voortdurend) vast, ṣalāh verricht. Allāh heeft voor de strijder (mujāhid) beloofd dat, als hij wordt gedood, Hij hem in Jannah zal plaatsen, of dat Hij hem zal terugbrengen met beloning en oorlogsbuit.”
Ook al-Bukhārī (رَحِمَهُ اللهُ) heeft in deel 4, blz. 85-86, in het hoofdstuk “Jihād en Siyar”, betreffende de uitspraak van Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم): “De oorlogsbuit is voor jullie toegestaan (halāl),” heeft hij de volgende ḥadīth overgeleverd:
175. Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) heeft degene die op Zijn weg uittrekt voor de jihād, enkel gedreven door īmān en vertrouwen in Zijn openbaring, beloofd dat Hij hem Jannah zal doen binnengaan of hem zal laten terugkeren naar zijn huis met beloning en oorlogsbuit.”
Uitleg van de aḥadīth 173-175
Met “īmān” in deze ḥadīth wordt bedoeld: ikhlāṣ (zuivere oprechtheid). Dat wil zeggen dat iemand die bij het uitgaan voor jihād uitsluitend het welbehagen van Allāhu (تعالى) nastreeft.
Hij moet geen ander doel hebben dan het vervullen van de opdracht van Allāh en het bereiken van Zijn beloofde beloningen.
Met “Ik zal hem Jannah zal doen binnengaan” wordt bedoeld: als hij als martelaar (shahīd) wordt, zal hij zonder rekenschap worden toegelaten tot Jannah, samen met degenen die nabijheid tot Allāhu (تعالى) hebben verkregen (muqarrabūn). Want het martelaarschap is een middel tot vergeving van zonden. Allāhu (تعالى) zegt in de Qurʾān: وَلَا تَحۡسَبَنَّ ٱلَّذِينَ قُتِلُواْ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ أَمۡوَٰتَۢاۚ بَلۡ أَحۡيَآءٌ عِندَ رَبِّهِمۡ يُرۡزَقُونَ ١٦٩Denk maar niet dat degenen die om het leven kwamen op het Pad van Allāh (omwille van hun godsdienst), daadwerkelijk zijn gestorven. Zeker niet! Hun arwāḥ zijn springlevend bij hun Heer en zij worden voorzien (van hemelse vruchten). (Āl ʿImrān, 3:169)Hieruit blijkt dat de shahīd vanaf het moment van zijn dood al in genade en voorziening verkeert.
Ook an-Nasā’ī heeft de ḥadīth over de deugd van jihād overgeleverd in deel 1, blz. 16:
176. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen:
“Allāhu (تعالى) heeft Zich verplicht gesteld dat wie uitgaat voor de jihād op Zijn weg, zonder dat hem daartoe iets anders drijft dan geloof (īmān) in Hem en de oprechte intentie om jihād te verrichten op Zijn weg, en die vervolgens sterft of hij nu wordt gedood of op een andere manier overlijdt, door Hem de Jannah (Jannah) zal worden binnengebracht. Of Hij zal hem laten terugkeren naar zijn woonplaats met zijn verdiende beloning en de verkregen oorlogsbuit.”
177.
Ook van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) heeft Zich verplicht gesteld dat Hij degene die uitgaat voor de jihād op Zijn weg, uitsluitend gedreven door de intentie van jihād en het bevestigen van Zijn openbaring, zal laten binnentreden in de Jannah (Jannah), of hem zal laten terugkeren naar zijn woonplaats met de beloning die hij heeft verdiend en de oorlogsbuit.”
Ook al-Bukhārī heeft in het hoofdstuk “De beloning van de uitgezonden militaire expeditie (sarīyah)” overgeleverd:
178. Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft van zijn Rab overgeleverd dat Hij zei: “Wanneer Ik hem terugbreng (van de jihād), heb Ik beloofd hem terug te brengen met beloning en oorlogsbuit. En wanneer Ik zijn rûh neem, zal Ik hem vergeven en hem Mijn raḥmah schenken.”
Uitleg van de aḥadīth 176–178
Met de woorden “die vervolgens sterft of hij nu wordt gedood of op een andere manier overlijdt” wordt bedoeld: elke vorm van dood tijdens de jihād, zowel onderweg als tijdens de terugkeer.
Uit de letterlijke betekenis van de ḥadīth zou men kunnen afleiden dat degene die met de oorlogsbuit terugkeert geen beloning krijgt. In werkelijkheid is dat niet zo: als de mujāhid met ikhlāṣ (zuivere intentie) strijdt, dan krijgt hij in alle gevallen beloning, of hij nu terugkeert of niet.
Dit is op twee manieren uitgelegd:
Eerste uitleg: Het woord dat in de tekst met “of” is vertaald, kan ook de betekenis van “en” hebben. In dat geval wordt de betekenis als volgt: wanneer iemand terugkeert naar zijn huis en geen oorlogsbuit (ghanīmah) heeft verkregen, dan keert hij alleen terug met zijn beloning (ajr). Als hij wel oorlogsbuit heeft verkregen, dan keert hij terug met zowel zijn beloning als de oorlogsbuit. In beide gevallen is het zeker dat hij beloning ontvangt.
Tweede uitleg: De beloning (ajr) die de mujāhid ontvangt wanneer hij geen oorlogsbuit krijgt, is de volledige beloning die Allāhu (تعالى) heeft voorbereid voor de mujāhidūn. De beloning van degenen die wel oorlogsbuit krijgen kan verschillen van diegenen die geen oorlogsbuit krijgen. Zij baseren zich hiervoor op de ḥadīth die in Ṣaḥīḥ Muslim is overgeleverd van ʿAmr ibn al-ʿĀs (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie op weg van Allāhu (تعالى) op pad gaat en oorlogsbuit krijgt, heeft twee derde van zijn beloning reeds ontvangen. Een derde blijft over. En wie geen oorlogsbuit krijgt, ontvangt zijn volledige beloning in het Hiernamaals.”
Op basis hiervan zeggen zij: “Deze ḥadīth toont duidelijk aan dat zelfs degene die oorlogsbuit ontvangt, een deel van zijn beloning in het Hiernamaals behoudt. De oorlogsbuit komt dus in plaats van een deel van de beloning.
al-Qasṭallānī (رَحِمَهُ اللهُ) zegt vervolgens dat er een subtiele wijsheid schuilt in de uitspraak “hij heeft twee derde van de beloning vooraf ontvangen”. Allāhu (تعالى) heeft aan de mujāhid drie gunsten gegeven: twee daarvan behoren tot deze wereld en één tot het Hiernamaals.
De wereldse gunsten zijn: veiligheid (dat hij beschermd blijft tegen de vijand) en de oorlogsbuit. De gunst van het Hiernamaals is dat hij, wanneer hij sterft, ongeacht hoe, samen met de shuhadā’ in Jannah wordt opgenomen.
Wanneer de mujāhid veilig terugkeert met oorlogsbuit, heeft hij dus al twee wereldse gunsten ontvangen.
Daarom blijft de derde gunst, die van het Hiernamaals, over bij Allāhu (تعالى). Maar als hij zonder oorlogsbuit terugkeert, dan compenseert Allāhu (تعالى) dit met een volledige beloning in het Hiernamaals.
De betekenis die in deze ḥadīth wordt bedoeld, is niet dat degene die de oorlogsbuit krijgt, geen beloning zou krijgen. Sommige geleerden hebben het woord “of” dat in de ḥadīth voorkomt opgevat als “en”. Want het is zeker dat de mujāhid in alle gevallen beloning ontvangt. Als bewijs hiervoor wordt verwezen naar sommige overleveringen in Muslim waarin het als “ajr en ghanimah” met “en” wordt vermeld.
Sommigen hebben tegen deze opvatting bezwaar gemaakt en gezegd dat wanneer het met “en” gelezen wordt, sommige problemen in de betekenis van de ḥadīth worden opgelost, maar er ontstaat dan een nieuw probleem. Want in dat geval zou elke mujāhid die terugkeert van huis noodzakelijkerwijs met oorlogsbuit zou moeten terugkeren. Zoiets is echter moeilijk te verklaren. Want de belofte van Allāh is waar, en Allāh geeft wat Hij heeft beloofd. De juiste benadering is volgens hen om de overleveringen waarin “en” voorkomt te interpreteren in het licht van de overleveringen waarin “of” wordt gebruikt, zodat beide samen worden genomen en daaruit de juiste betekenis wordt afgeleid.
Op dit bezwaar kan worden geantwoord met een van de twee bovenstaande verklaringen. Ofwel wordt het woord “of” opgevat als dat oorlogsbuit en beloning elkaar niet uitsluiten, zodat het mogelijk is dat beide samen worden verkregen. Ofwel wordt bedoeld dat in de ene situatie de volledige beloning wordt verkregen en in een andere situatie een vermindering daarvan. In dat geval ontvangt degene die geen oorlogsbuit verkrijgt zijn beloning volledig, en wanneer hij wel oorlogsbuit verkrijgt, neemt zijn beloning enigszins af door de blijdschap over de verkregen oorlogsbuit. Allāh weet het het beste.
Zoals ook in de ḥadīth wordt vermeld, ging Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) niet met elke militaire expeditie (sarīyyah) mee, uit vrees dat dit moeilijk zou zijn voor zijn ummah. Hij had medelijden met zijn ummah.
Want niet iedereen uit zijn ummah was in staat om telkens met hem mee te gaan in elke sarīyyah voor de jihād. En het zou hen zwaar vallen om niet deel te kunnen nemen aan een militaire expeditie waar hij zelf wel aan deelnam.
Deze betekenis wordt duidelijk vermeld in de overlevering van Muslim. Daar staat namelijk: “Als ik niet bang was om moeilijkheden voor de moslims te veroorzaken, dan zou ik nooit achterblijven bij een sarīyyah (veldtocht). Maar ik ben niet in staat om hen allen uit te rusten (voor de veldtocht), en hun eigen uitrusting is voor henzelf te zwaar.”
Het herhaaldelijk verlangen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) om op weg van Allāh gedood te worden, toont de uitmuntendheid van de martelaarschap (shahādah) op weg van Allāh. Daarom zou iedereen moeten verlangen naar de zegen van shahādah door op weg van Allāh gedood te worden.
De aḥadīth uit Sahîh al-Muslim, over de deugd van de jihād op weg van Allāh
179. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) heeft Zich ertoe verplicht dat degene die zijn huis verlaat met geen ander doel dan de intentie van jihād op Zijn weg en īmān in Zijn openbaring, óf Jannah zal binnengaan, óf zal terugkeren naar zijn huis met de beloning en de oorlogsbuit die hij heeft verkregen.”
In een andere overlevering in Sahîh al-Muslim wordt eveneens vermeld:
180. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd:
“Allāhu (تعالى) heeft Zich ertoe verplicht dat degene die op Zijn weg uittrekt voor jihād, zonder enige andere drijfveer dan de intentie om jihād te verrichten op Zijn weg en īmān in Hem, zeker Jannah zal binnengaan, of zal terugkeren naar zijn huis met de beloning (ajr) en de oorlogsbuit (ghanimah) die hij heeft verkregen.”
Bij Allāh, in Wiens Hand de rûh van Muhammad is, elke wond die op weg van Allāh wordt toegebracht, zal op de Yawm al-Qiyāmah komen zoals hij was op de dag dat hij werd geopend, in de kleur van bloed maar met de geur van muskus.
Bij Allāh, in Wiens Hand de rûh van Muhammad is: als ik niet bang was om moeilijkheden te veroorzaken voor de moslims, dan zou ik nooit achterblijven bij een sarīyyah die ten strijde trekt. Maar ik heb niet de mogelijkheid om hen allemaal uit te rusten, en zij hebben zelf ook niet de middelen voor hun uitrusting, waardoor het voor hen zwaar zou zijn om achter te blijven.
Bij Allāh, in Wiens Hand de rûh van Muhammad is: ik zou wensen dat ik keer op keer op weg van Allāh werd gedood, vervolgens weer vocht en weer werd gedood.
De ḥadīth over de uitspraak van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) betreffende degenen die deelnamen aan Badr: “Doe wat jullie willen, Allāh heeft jullie vergeven”
Deze ḥadīth is door al-Bukhārī overgeleverd in zijn Sahîh (deel 5, blz. 145), in de hoofdstuk “Ghazwa al-Fatḥ”. De gebeurtenis komt voor in de overleveringen over Ghazwa al-Fatḥ (de verovering van Makkah). Daarin wordt vermeld dat Khātib ibn Abī Baltaʿah (رضي الله عنه) iemand naar de inwoners van Makkah stuurde om hen te informeren dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op weg was om Makkah te veroveren. Daar wordt gezegd:
181. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg aan Khātib (رضي الله عنه): “Wat is dit dat jij hebt gedaan, o Khātib?”
Khātib (رضي الله عنه) antwoordde: “O Rasûlullāh, wees niet overhaast in uw oordeel over mij. Ik was iemand die banden had met de Quraysh, maar ik behoorde niet werkelijk tot hen. De metgezellen die samen met u waren geëmigreerd, hadden onder de mushriks familieleden die hun bezittingen en gezinnen beschermden. Omdat ik zulke familiebanden niet had, wilde ik iemand onder hen vinden die mijn familie zou beschermen. Ik heb dit niet gedaan uit afkeer van mijn dīn, noch uit welbehagen met kufr nadat ik moslim was geworden.”
Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Hij heeft de waarheid gesproken.”
ʿUmar (رضي الله عنه) zei: “O Rasûlullāh, wat zegt Allāh over de mensen van Badr?”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde:“Allāh heeft gezegd: ‘Doe wat jullie willen, Ik heb jullie vergeven.”
Uitleg van de 181ste ḥadīth
Deze ḥadīth is overgeleverd in Sahîh al-Bukhārī, Kitāb al-Jihād, Bāb al-Jāsūs (56/141):Van ʿAlī ibn Abī Ṭālib (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stuurde mij, Zubayr ibn al-ʿAwwām en Miqdād ibn al-Aswad (رضي الله عنهم) en zei: “Ga naar Rawḍat Ḥāḫ (een plaats tussen Makkah en Madīnah, ongeveer twaalf mijl van Madīnah). Daar is een vrouw op een kameel, zittend in een hawdaj (een draagstoel op een kameel). (Volgens Ibn Isḥāq heette zij Sārah; volgens al-Wāqidī was haar naam Kanūd). Bij haar bevindt zich een brief. Neem die van haar af.”
Wij vertrokken en onze paarden brachten ons snel vooruit. Toen wij Rawḍah bereikten, vonden wij die vrouw op de kameel.
Wij zeiden tegen haar: “Geef de brief.”
Zij zei:“Ik heb geen brief bij mij.”
Wij zeiden: “Of je geeft hem, of wij zullen je doorzoeken en hem eruit halen.”
Toen haalde zij de brief uit haar haarvlecht. Wij brachten die naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
Toen bleek dat de brief afkomstig was van Khātib ibn Abī Baltaʿah (رضي الله عنه) en gericht was aan sommige mushriks in Makkah. In die brief gaf hij informatie over Rasûlullāhs (صلى الله عليه وسلم) (plan met Makkah). (Met die mushriks worden bedoeld: Ṣafwān ibn Umayyah, Suhayl ibn ʿAmr en ʿIkrimah ibn Abī Jahl).
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “O Khātib, wat is dit dat jij hebt gedaan?”
Het vervolg van de ḥadīth is reeds eerder genoemd.
Volgens de overlevering van Ibn Isḥāq zei ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه):“O Rasûlullāh, laat mij de nek van deze hypocriet afhakken.”
Bij deze uitspraak van ʿUmar (رضي الله عنه) is echter een nadere toelichting nodig.
Het feit dat ʿUmar (رضي الله عنه), nadat Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم) over Khāṭib had gezegd: “Hij heeft jullie de waarheid gesproken,” hem toch van huichelerij (nifāq) heeft beschuldigd, vormt een moeilijk punt.
Want Khāṭib had in zijn antwoord aan Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم) duidelijk gemaakt dat hij dit niet had gedaan uit kufr, noch uit riddah (verzaking van de Islām), en evenmin uit welbehagen met kufr nadat hij de Islām had aanvaard. Dat Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn woorden bevestigde, vormt een getuigenis dat hij geen huichelaar (munāfiq) was. Ter verduidelijking van deze kwestie is het volgende gezegd: ʿUmar (رضي الله عنه) zei dit vanuit zijn sterke ijver voor de dīn en zijn strengheid tegenover de munāfiqs. Hij meende dat hetgeen Khāṭib had gedaan een daad was die zijn terechtstelling noodzakelijk maakte.
Maar hij was daar niet absoluut zeker van en vroeg daarom toestemming om hem te doden. Hij beschuldigde Khāṭib van nifāq omdat hij in het verborgene iets had gedaan dat in strijd was met wat hij openlijk liet zien.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) daarentegen heeft hem (Khāṭib) verontschuldigd, omdat hij een bepaalde uitleg had gegeven en zijn handelen geen daadwerkelijke schade had veroorzaakt. Bovendien bevatte de brief ook woorden die de inwoners van Makkah aanspoorden tot het goede, hen opriepen om Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) te volgen en hen erop wezen dat er slechts één weg tot redding is. Om die reden werd hij als verontschuldigbaar beschouwd, en dat vormde hiervoor een grond.
Volgens wat Yahyā ibn Sallām in zijn tafsīr vermeldt, luidde de tekst van de brief van Khātib als volgt: “Daarna, o mensen van de Quraysh, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) komt naar jullie toe met een leger dat als een stromende vloed en als de nacht is. Bij Allāh, zelfs als hij alleen komt, zal hij overwinning over jullie behalen, en wat Allāh hem heeft beloofd zal zeker plaatsvinden. Bescherm jezelf dus. Wassalām.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tegen ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه), om hem ervan te weerhouden het idee om Khātib te doden door te zetten: “Weet jij niet dat hij heeft deelgenomen aan Badr? Wat weet jij, misschien heeft Allāhu (تعالى), gekeken naar degenen die aanwezig waren bij Badr en tegen hen gezegd: ‘Doe wat jullie willen, Ik heb jullie vergeven.”
Al-Qurṭubī (رحمه الله) schrijft: “Deze ḥadīth duidt erop dat de mensen van Badr een bijzondere status hadden, waardoor hun eerdere zonden werden vergeven en zij door deze verdienste tevens waardig werden geacht dat ook hun latere fouten vergeven zouden worden.”Hij vermeldt daarbij de volgende dichtregel:“Wanneer de geliefde een fout begaat, dan zijn duizend goede daden zijn voorspraak.”
Al-Qasṭallānī die de bovenstaande toelichtingen geeft, schrijft vervolgens het volgende: “Allāhu (تعالى), heeft de waarheid/juistheid van wat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) over bepaalde mensen heeft gezegd, aan het licht gebracht. De mensen van Badr bleven immers de daden van de mensen van Jannah verrichten. Als iemand van hen een fout maakte, dan vroeg hij onmiddellijk tawbah (bij Allāh) en bleef hij op het juiste pad. De vergeving die in de ḥadīth wordt genoemd, verwijst naar de vergeving in het Hiernamaals. Als zij iets hadden gedaan wat de grens te buiten ging, dan zou ongetwijfeld de door Allāh vastgestelde wet worden toegepast en zouden zij daarvoor bestraft worden.
Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de verdienste van de mensen van Badr vermeldde en zei dat Allāh over hen heeft gezegd: “Doe wat jullie willen, Jannah is voor jullie verplicht gesteld”, dus: “Ik heb jullie vergeven”, werden de ogen van ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه) gevuld met tranen en zei hij: “Allāh en Zijn Rasûl weten het het beste.” (van al-Qasṭallānī)
ʿUmars (رضي الله عنه) ogen vulden met tranen werden door zijn innerlijke emotie.
Want hij had gezegd: “Laat mij hem doden.” Zijn huilen kan echter ook voortkomen uit vreugde. Want hij had geleerd welke grote gunst Allāhu (تعالى), aan de mensen van Badr had geschonken. Vooral omdat ʿUmar (رضي الله عنه) zelf tot de mensen van Badr behoorde, nam zijn vreugde toe. Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overleverde van Allāh dat de mensen van Badr dichter bij vergeving staan dan anderen, werden de ogen van ʿUmar (رضي الله عنه) gevuld met tranen van blijdschap. Allāh weet het het beste.
Zonder twijfel behoorden de deelnemers aan de Slag van Badr tot de eersten die hun leven op de weg van Allāh hadden ingezet en met oprechte intentie uitgingen voor de jihād op Zijn weg. Hoewel de mushriks in aantal en bewapening aanzienlijk sterker waren dan de mu’mins, behaalde de Islām de overwinning en verspreidde dit nieuws zich over het gehele Arabisch Schiereiland.
Daarna begonnen alle mensen die op het Arabisch Schiereiland woonden de mu’mins groot te achten en hen te respecteren. Toen zij zagen wat er gebeurde met de mushriks die misleid waren door hoogmoed en het woord van de shayṭān volgden met “ik ben jullie beschermer”, begonnen de anderen de zaak serieus te overdenken en talloze plannen te maken. Bij sommigen onder hen begon hun eigen begeerte (nafs) hen in het geheim te verleiden tot het beramen van plotselinge overvallen tegen de mu’mins.
De mensen van Badr hebben ook een goede gewoonte gevestigd: zij leerden de mu’mins geduld te hebben in het bestrijden van degenen die zich arrogant tegenover hun broeders gedragen, en zich niet te laten afleiden door de listen van de mushriks.وَلِلَّهِ ٱلۡعِزَّةُ وَلِرَسُولِهِۦ وَلِلۡمُؤۡمِنِينَ وَلَٰكِنَّ ٱلۡمُنَٰفِقِينَ لَا يَعۡلَمُونَ ٨
…En alle macht behoort aan Allāh en Zijn Boodschapper en aan de gelovigen, maar de hypocrieten weten het niet. (Munāfiqūn, 63:8)
هُوَ ٱلَّذِيٓ أَرۡسَلَ رَسُولَهُۥ بِٱلۡهُدَىٰ وَدِينِ ٱلۡحَقِّ لِيُظۡهِرَهُۥ عَلَى ٱلدِّينِ كُلِّهِۦ وَلَوۡ كَرِهَ ٱلۡمُشۡرِكُونَ ٣٣Hij is het Die Zijn Boodschapper gestuurd heeft met Leiding en om de godsdienst van de waarheid over alle andere godsdiensten superieur te maken, zelfs als de polytheïsten het haten. (Tawbah, 9:33) (Qastallānī, Sharh, deel 6, blz. 387)
De ḥadīth over de toespraak met Jābir (رضي الله عنه) na de martelaarschap van zijn vader `Abdullah
Deze ḥadīth is door at-Tirmidhī overgeleverd in de hoofdstuk over sūrat Āl ʿImrān, nadat hij de isnād heeft vermeld, en zei hij:
182. Van Jābir ibn ʿAbdillāh (رضي الله عنهما), hij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam mij tegen en zei: ‘Wat is er met jou, o Jābir? Ik zie je bedroefd.’
Ik zei: ‘O Rasûlullāh, mijn vader (ʿAbdullāh ibn ʿAmr ibn Ḥarām (رضي الله عنه) is gedood, hij is shahīd gevallen op de dag van Uhud, en hij liet mij achter met kinderen en schulden.’
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Zal ik je het goed nieuws geven over hoe Allāh jouw vader heeft ontvangen?’
- ‘Ja, o Rasûlullāh.’
- ‘Allāh spreekt met een dienaar slechts achter een sluier, maar jouw vader heeft Hij tot leven gebracht en Hij sprak rechtstreeks tot hem zonder sluier. Hij zei: “O Mijn dienaar, vraag Mij en Ik zal je geven.”
Jouw vader zei: “O mijn Rab, ik vraag U mij opnieuw tot leven te brengen zodat ik opnieuw op Uw weg gedood kan worden.”
Allāhu (تعالى), zei: “Mijn besluit staat vast; degenen die gestorven zijn keren niet terug naar de aarde.”
Daarop werd de volgende āyah geopenbaard: وَلَا تَحۡسَبَنَّ ٱلَّذِينَ قُتِلُواْ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ أَمۡوَٰتَۢاۚ بَلۡ أَحۡيَآءٌ عِندَ رَبِّهِمۡ يُرۡزَقُونَ ١٦٩Denk maar niet dat degenen die om het leven kwamen op het Pad van Allāh (omwille van hun godsdienst), daadwerkelijk zijn gestorven. Zeker niet! Hun arwāḥ zijn springlevend bij hun Heer en zij worden voorzien (van hemelse vruchten). (Āl ʿImrān, 3:169)
Tirmidhī heeft gezegd dat deze ḥadīth ḥasan gharīb is.
Ibn Mājah heeft deze ḥadīth ook overgeleverd in de hoofdstuk “De ontkenning van de Jahmiyyah”, met een bewoording die lijkt op de hierboven genoemde overlevering van at-Tirmidhī. Daar staat echter expliciet vermeld: “ʿAbdullāh ibn ʿAmr ibn Ḥarām (رضي الله عنه) werd op de dag van Uhud gedood, en Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ontmoette mij.”
Eveneens heeft Ibn Mājah deze ḥadīth overgeleverd in zijn Sunan in de hoofdstuk “De deugd van de shahādah op weg van Allāh”.
De bewoording van die overlevering luidt als volgt:
183. Van Jābir ibn ʿAbdillāh (رضي الله عنه), hij zei: “Toen ʿAbdullāh ibn ʿAmr ibn Ḥarām (رضي الله عنه) op de dag van Uhud werd shahīd, zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen mij: ‘O Jābir, wil jij niet dat ik jou vertel wat Allāhu (تعالى), tegen jouw vader heeft gezegd?’
Ik zei: ‘Ja, dat wil ik.’
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Allāhu (تعالى), spreekt met een dienaar slechts achter een sluier, maar Hij heeft tot jouw vader zonder sluier gesproken en gezegd: “O Mijn dienaar, vraag Mij en Ik zal je geven.”
Jouw vader zei: “Ik wens dat U mij tot leven terugbrengt zodat ik opnieuw op Uw weg gedood kan worden.”
Allāhu (تعالى), zei: “Het is Mijn vast besluit; degenen die gestorven zijn worden niet teruggebracht naar de aarde.”
Jouw vader zei: “Breng mijn toestand over aan degenen die achterblijven.”
Daarop openbaarde Allāhu (تعالى), de volgende āyah: Denk maar niet dat degenen die om het leven kwamen op het Pad van Allāh (omwille van hun godsdienst), daadwerkelijk zijn gestorven... zie hierboven Āl ʿImrān, 3:169.
Uitleg van de aḥadīth 182-183
De uitspraak “Allāh sprak met jouw vader zonder sluier” moet worden geïnterpreteerd. Want Allāhu (تعالى), is verheven boven gelijkenis met de schepping. Het spreken van Allāh is een spreken zonder stem en zonder letters. Zo heeft Hij ook met Mūsā (عليه السلام) gesproken.
Toen Allāhu (تعالى) de vader van Jābir (رضي الله عنه) vroeg iets te wensen, vroeg hij, vanwege de geweldige beloning die hij door de shahādah bij Uḥud had aanschouwd, om opnieuw tot leven te worden gebracht zodat hij nogmaals op de weg van Allāhu (تعالى) gedood zou worden en opnieuw de beloning van de shahādah zou verkrijgen. Hij deed dit verzoek omdat hij de immense verhevenheid van de beloning van de shuhadāʾ had gezien.
In beide overleveringen van de ḥadīth wordt de deugd van het martelaarschap duidelijk gemaakt. In andere ḥadīth wordt vermeld dat de arwāḥ van de shuhadā’ zich in Jannah bevinden in de vorm van groene vogels die vrij rondvliegen in Jannah. In deze ḥadīth wordt ook vermeld dat zij verlangen om terug te keren naar de wereld om opnieuw te strijden en opnieuw de shahādah te bereiken. Dit alles verklaart de āyah die zegt dat de shuhadā’ niet dood zijn. De shuhadā’ leven een werkelijk leven. Zoals de āyah aangeeft, worden zij voorzien van rizq bij Allāh.
Zoals de ḥadīth aangeeft, keert iemand die eenmaal gestorven is niet terug naar deze wereld. Het leven daarna is het leven van het Hiernamaals, en dit geldt voor alle schepselen. Dat Allāh iemand na honderd jaar weer tot leven brengt, is niet in tegenspraak met deze regel: أَوۡ كَٱلَّذِي مَرَّ عَلَىٰ قَرۡيَةٖ وَهِيَ خَاوِيَةٌ عَلَىٰ عُرُوشِهَا قَالَ أَنَّىٰ يُحۡيِۦ هَٰذِهِ ٱللَّهُ بَعۡدَ مَوۡتِهَاۖ فَأَمَاتَهُ ٱللَّهُ مِاْئَةَ عَامٖ ثُمَّ بَعَثَهُۥۖ Of (gedenk) degene die langs een (verlaten) stad kwam die volledig uit ruïnes bestond. Hij zei: “Oh! Hoe zal Allāh (deze stad) doen herleven na haar vernietiging?” Daarop liet Allāh hem sterven voor honderd jaar, waarna Hij hem deed herleven… (Baqarah, 2:259)
Dit is een voorbeeld om aan te tonen dat Allāh in staat is om de doden tot leven te wekken.
Daarom zegt de āyah over degene die na zijn dood werd opgewekt: فَلَمَّا تَبَيَّنَ لَهُۥ قَالَ أَعۡلَمُ أَنَّ ٱللَّهَ عَلَىٰ كُلِّ شَيۡءٖ قَدِيرٞ ٢٥٩
…Zodra hem alles duidelijk werd, zei hij: “(Nu) ben ik vast en zeker overtuigd dat Allāh tot alle dingen in staat is. (Baqarah, 2:259)
De ḥadīth over: De vraag van Allāh: “Wensen jullie iets?”, aan de shuhadā’
Deze ḥadīth is door Imām Muslim overgeleverd in zijn Sahîh, in het boek “Fadlu al-Jihād wa’s-Siyar in de hoofdstuk over “De arwāḥ van de shuhadā’ in Jannah”, via drie verschillende isnāds.
184. Van ʿAbdullāh ibn Murrah, Masrūq zei: Wij vroegen (of: ik vroeg) ʿAbdullāh (namelijk Ibn Masʿūd (رضي الله عنه) over de volgende āyah:
Denk maar niet dat degenen die om het leven kwamen op het Pad van Allāh (omwille van hun godsdienst), daadwerkelijk zijn gestorven... zie hierboven Āl ʿImrān, 3:169Hij antwoordde: “Wij hebben zelf ook hierover gevraagd (aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), en hij zei: ‘Hun arwāḥ bevinden zich in de magen van groene vogels. Voor hen zijn lampen onder de Troon (ʿArsh) opgehangen. Hun Rab kijkt naar hen en zegt: “Wensen jullie iets?”
Zij zeggen: “Wat zouden wij nog kunnen wensen, terwijl wij in Jannah gaan en staan waar wij maar willen?”
Deze vraag wordt drie keer herhaald. Wanneer zij zien dat zij niet met rust worden gelaten om een wens te uiten, zeggen zij: “O onze Rab, wij wensen dat U onze arwāḥ terugbrengt naar onze lichamen, zodat wij opnieuw op Uw weg gedood kunnen worden.”
Toen Allāh zag dat zij geen behoefte meer hadden, liet Hij hen met rust.”
Wij beperken ons tot het vermelden van deze overlevering, want door deze ḥadīth aan te halen vervalt de noodzaak om de overige aḥadīth nog te noemen.
Deze ḥadīth is ook door at-Tirmidhī in zijn Sunan overgeleverd in het hoofdstuk dat betrekking heeft op sūrat Āl ʿImrān.
185. Volgens de overlevering werd aan Ibn Masʿūd (رضي الله عنه) gevraagd over de āyah:
Denk maar niet dat degenen die om het leven kwamen op het Pad van Allāh (omwille van hun godsdienst), daadwerkelijk zijn gestorven. zie hierboven Āl ʿImrān, 3:169Hij zei: “Wij hebben hierover gevraagd en ons werd verteld dat de arwāḥ van de martelaren in de buiken van groene vogels zijn. Zij bewegen zich in Jannah waar zij willen en verzamelen zich rond lampen die aan de ʿArsh hangen. Hun Rab kijkt naar hen en zegt: ‘Willen jullie dat Ik nog iets voor jullie vermeerder?’ Zij zeggen: ‘O onze Rab, wat zouden wij nog meer willen, terwijl wij in Jannah kunnen gaan en staan waar wij willen?”
Daarna keek Hij opnieuw naar hen en zei: “Willen jullie dat Ik jullie meer gunsten geef?”
Toen zij zagen dat zij niet zonder antwoord zouden worden gelaten, zeiden zij: “Wij wensen dat U onze arwāḥ terugbrengt naar onze lichamen en dat wij opnieuw naar de wereld terugkeren, zodat wij opnieuw op Uw weg gedood kunnen worden.”
at-Tirmidhī (رحمة الله عليه) zei dat deze ḥadīth ḥasan ṣaḥīḥ is.
Ibn Mājah heeft deze ḥadīth in zijn Sunan overgeleverd in het hoofdstuk “De verdienste van het martelaarschap op de weg van Allāh” van Ibn Masʿūd (رضي الله عنه), met een bewoording die dicht bij die van at-Tirmidhī ligt. In zijn overlevering is echter een verschil:
186. “Allāhu (جَلَّ جَلالُهُ) zei: ‘Vraag Mij wat jullie willen’ (één keer).”
De martelaren antwoordden daarop: “Wat moeten wij U vragen, terwijl wij in Jannah kunnen gaan en staan waar wij maar willen?”
In diezelfde overlevering staat ook een toevoeging: Toen Allāhu (تعالى) zag dat zij niets meer vroegen, liet Hij hen in hun toestand en werd hun geen verdere vragen meer gesteld.
Deze ḥadīth is door an-Nasā’ī overgeleverd in de hoofdstuk “De wensen van de mensen van Jannah”:
187. Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er wordt een man van de bewoners van de Jannah gebracht.Allāhu (تعالى), zegt: ‘O zoon van Ādam, hoe vind jij jouw verblijf?’
De man zegt: ‘O mijn Rab, het is de beste van alle verblijven.’
Allāh zegt: ‘Vraag en wens wat je wilt.’
De man, vanwege de superioriteit die hij van de shahādah heeft gezien, zegt: ‘Ik wens dat U mij terugbrengt naar de wereld en dat ik tien keer op Uw weg gedood word.”
Deze ḥadīth is eveneens door an-Nasā’ī overgeleverd in zijn Sunan (deel 1, blz. 37) in de hoofdstuk “Het verlangen naar shahādah”.
188. Van Irbāḍ ibn Sāriyah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De shuhadā’ en degenen die in hun bedden sterven (natuurlijke dood), en zullen met elkaar discussiëren voor onze Rab over degenendie aan de pest (ṭāʿūn) zijn gestorven.
De shuhadā’ zeggen: ‘Onze broeders zijn gedood zoals wij gedood zijn.’
Degenen die in hun bedden zijn gestorven zeggen: ‘Onze broeders zijn gestorven zoals wij zijn gestorven (in hun bed).’
Onze Rab zal zeggen: ‘Kijk naar hun wonden; als hun wonden lijken op die van degenen die gedood zijn, dan behoren zij ook tot de gedoden.’
Dan zullen zij kijken en zien dat hun wonden inderdaad op die van de shuhadā’ lijken.”
Uitleg van de 188ste ḥadīth
Uit deze ḥadīth blijkt dat de shuhadā’ die op weg van Allāh zijn gedood, ook verlangen dat degenen die zijn gestorven aan de ṭāʿūn (pest) dezelfde beloning krijgen die Allāhu (تعالى), voor de shuhadā’ heeft voorbereid.
Zij zeggen: “O onze Rab, onze broeders zijn ook gestorven door de pest, met geduld op Uw goddelijk besluit (qadar). Zij zijn dus gestorven op Uw weg. Zoals de shuhadā’ geduld hadden in de strijd, zo hebben zij geduld gehad met deze ziekte. Daarom hopen zij ook de beloning van de shahādah te ontvangen.”
Degenen die in hun bed zijn gestorven door andere oorzaken dan de pest zeggen:
“Onze broeders zijn gestorven zoals wij in onze bedden zijn gestorven. Hoe kunnen zij de beloning van de shuhadā’ bereiken die hun leven op weg van Allāh hebben gegeven?”
Allāhu (تعالى), zegt dan: “Kijk naar hun wonden; als hun wonden lijken op die van de shuhadā’, dan behoren zij ook tot de shuhadā’.”
Wanneer zij kijken, zien zij dat hun wonden inderdaad lijken op die van de shuhadā’: de kleur is de kleur van bloed en de geur is als muskus.
Deze personen worden echter slechts aangeduid als shuhadā’ van het Hiernamaals. In wereldlijke juridische bepalingen worden zij niet behandeld zoals de shuhadā’ die in de strijd zijn gevallen. Zo geldt voor hen bijvoorbeeld niet het niet wassen van het lichaam, en volgens sommige imams ook niet het achterwege laten van de ṣalāh al-janāzah. Deze regels zijn specifiek voor degenen die als shahīd in de strijd zijn gestorven.
Allāh weet het het beste.
De ḥadīth: “Wie de familie van een strijdende persoon verraadt...”
Deze ḥadīth is door an-Nasā’ī overgeleverd in zijn Sunan in de hoofdstuk “Degene die de familie van een strijdende persoon verraadt”.
189. Van de vader van Sulaymān ibn Buraydah (رضي الله عنها), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De eer van de vrouwen van degenen die uitgaan voor de jihād is voor degenen die achterblijven even heilig als de eer van hun moeders.
Wie zich garant stelt voor de familie van iemand die op jihād is gegaan en hen vervolgens verraadt, over hem zal op de Yawm al-Qiyāmah gezegd worden: ‘Deze persoon heeft jouw familie verraden; neem van zijn goede daden zoveel als je wilt.’ Wat denken jullie dan?”
Uitleg van de 189ste ḥadīth
Deze ḥadīth maakt duidelijk dat de eer en waardigheid van de vrouw en kinderen van degenen die zijn uitgetrokken voor de jihād beschermd moeten worden en dat erop toegezien moet worden dat hun geen kwaad of onrecht wordt aangedaan. Hun positie is zelfs zodanig dat zij worden behandeld met dezelfde eerbied en bescherming als iemands eigen moeder.
Degene die de vrouw en kinderen van een mujāhid schaadt of verraadt, begaat daarmee een grote zonde. Op de Yawm al-Qiyāmah zal Allāhu (تعالى), hem openlijk te schande maken. De mujāhid zal als het ware als rechter worden aangesteld over hem, en het zal tegen hem gezegd worden: “Deze heeft jouw familie verraden; neem van zijn goede daden wat je wilt.”
Dit toont de ernst van verraad en de grote straf ervan aan. De vraag van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Wat denken jullie dan?” dient om de ernst van deze zonde te benadrukken en om duidelijk te maken hoe verschrikkelijk de gevolgen zijn. Met andere woorden: Bedenk dan eens wat een mujāhid zal doen wanneer hij genoegdoening wil verkrijgen van degene die zijn echtgenote heeft verraden. Zal er dan nog enige goede daad van die man overblijven? Denk vervolgens aan de toestand van deze verrader op die Dag. Wat denken jullie dat er van hem terecht zal komen? Hij zal in een vernederende toestand verkeren en zijn goede daden zullen hem worden ontnomen. Zelfs al worden al zijn goede daden afgenomen, dan nog blijft hij achter met zijn zonden en zal hij daardoor de Jahannam binnengaan.
O, Allah: Wij zoeken toevlucht bij U tegen verraad. Wij vragen U om onze eer en die van onze families in deze wereld en in het Hiernamaals te beschermen en ons te bewaren tegen alle vormen van zedeloosheid en schade.
De ḥadīth: “Een man zal komen terwijl hij een andere man bij de hand vasthoudt en zal zeggen: ‘O mijn Rab, hij heeft mij gedood.’”
Deze ḥadīth is door an-Nasā’ī overgeleverd in zijn Sunan in de hoofdstuk “De ernst van het vergieten van bloed”.
190. Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een man zal komen terwijl hij de hand van een andere man vasthoudt en zal zeggen: ‘O mijn Rab, hij heeft mij gedood.’
Allāhu (تعالى) zal zeggen: ‘Waarom heb je hem gedood?’
Hij zal antwoorden: ‘Ik heb hem gedood zodat de verhevenheid alleen voor U zou zijn.’
Allāh zal zeggen: ‘Hij is van Mij (d.w.z. hij handelde voor Mij).’
Daarna zal een andere man komen, opnieuw terwijl hij de hand van een man vasthoudt, en zeggen: ‘Hij heeft mij gedood.’
Allāh zal zeggen: ‘Waarom heb je hem gedood?’
Hij zal zeggen: ‘Ik heb hem gedood zodat de eer voor die en die zou zijn.’
Allāh zal zeggen: ‘Die (eer) behoort hem niet toe.’
En degene die heeft gedood zal de zonde van degene die hij heeft gedood dragen.”
Uitleg van de 190ste ḥadīth
Deze ḥadīth maakt duidelijk dat degene die de jihād op weg van Allāh verricht om de woorden van Allāh te verheffen en de eer (ʿizzah) van de dīn van Allāh te vestigen, (deze jihād) is een geaccepteerde daad. Want hij heeft gehandeld zoals het behoorde. Hij heeft gestreden en gedood opdat de eer en verhevenheid aan de dīn van Allāh toebehoort. Daarbij is hij niet afgeweken van de weg van het goede en heeft hij de grenzen van rechtvaardigheid niet overschreden.
Daarentegen is degene die een ander doodt om de eer van een koning of een willekeurige leider te verheffen, iemand die onrechtmatig bloed vergiet. Zo iemand is van het rechte pad afgeweken en heeft een daad verricht waarbij hij probeert eer te verkrijgen voor iemand die daar geen recht op heeft. Hij heeft het rechte pad verlaten, want de ware eer behoort uitsluitend toe aan Allāhu (تعالى).
Degene die onrechtmatig iemand doodt, blijft achter met de zonde van zijn daad. Allāh zal hem bestraffen met de zwaarste straf die hij verdient, terwijl de status van de gedode persoon wordt verhoogd.
De ḥadīth: Allāh’s bewondering voor de strijder op Zijn weg
Deze ḥadīth is door Abū Dāwūd overgeleverd in zijn Sunan (deel 2, blz. 312), in de hoofdstuk “De man die zichzelf verkoopt (aan Allāh)”.
191. Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:
“Allāhu (تعالى), bewondert een man die op weg van Allāh strijdt, vervolgens wordt verslagen, maar terugkeert terwijl hij weet wat op hem rust, (opnieuw het slagveld betreedt) en blijft vechten totdat zijn bloed wordt vergoten.
Allāh zegt tegen de engelen: ‘Kijk naar deze dienaar van Mij; hij is teruggekeerd naar de strijd uit verlangen naar wat bij Mij is en uit liefde voor wat bij Mij is, en hij bleef strijden totdat zijn bloed werd vergoten.”
Uitleg van de 191ste ḥadīth
Het woord iʿjāb (in de letterlijke zin van verwondering of bewondering) is onmogelijk toe te schrijven aan Allāhu (تعالى), omdat iʿjāb een toestand is waarin iemand wordt beïnvloed door iets dat zijn nafs mooi voorkomt. Wat hier bedoeld wordt, is dat Allāh tevreden is over die daad en die goedkeurt. Daarom betekent dit dat Allāh voor die daad een grote beloning geeft. Want degene die op weg van Allāh ten strijde trekt, vervolgens wordt verslagen en vlucht om aan de dood te ontkomen, daarna opnieuw terugkeert, zichzelf herstelt, zijn leven volledig wijdt aan Allāh en alleen het welbehagen van Allāh zoekt en de overwinning van de dīn van Allāh nastreeft, en vervolgens blijft vechten totdat hij wordt gedood, laat Allāh de daad van die persoon niet verloren gaan. Integendeel, Allāh is tevreden over hem en maakt hem tot een van de shuhadā’, over wie Allāh zegt:
إِنَّ ٱللَّهَ ٱشۡتَرَىٰ مِنَ ٱلۡمُؤۡمِنِينَ أَنفُسَهُمۡ وَأَمۡوَٰلَهُم بِأَنَّ لَهُمُ ٱلۡجَنَّةَۚ
Waarlijk, Allāh heeft van de gelovigen hun levens en hun bezittingen gekocht omdat er voor hen Jannah is… (Tawbah, 9:111)
Deze persoon heeft vertrouwen gesteld in de beloning bij Allāh en hij is bevreesd voor de zware straf die Allāh heeft beloofd aan degenen die van het slagveld vluchten. Allāhu (تعالى), zegt in de Qur’ān:وَمَن يُوَلِّهِمۡ يَوۡمَئِذٖ دُبُرَهُۥٓ إِلَّا مُتَحَرِّفٗا لِّقِتَالٍ أَوۡ مُتَحَيِّزًا إِلَىٰ فِئَةٖ فَقَدۡ بَآءَ بِغَضَبٖ مِّنَ ٱللَّهِ وَمَأۡوَىٰهُ جَهَنَّمُۖ وَبِئۡسَ ٱلۡمَصِيرُ ١٦En wie op die dag hen de rug toedraait, – tenzij het een oorlogsstrategie is of een hergroepering van het (eigen) leger – heeft zeker over zichzelf de toorn van Allāh uitgeroepen. En zijn verblijfplaats is Jahannam en dat is zeker een slechte bestemming!
(Anfāl, 8:16)
De persoon die in de ḥadīth wordt genoemd, keerde juist om die reden terug, wijdde zijn leven aan deze zaak en bleef strijden totdat hij werd gedood.
Daarom was Allāhu (تعالى) tevreden met hem en schonk Hij hem Zijn welbehagen.
De ḥadīth: “De verwondering van onze Rab over een groep die met ketens naar Jannah wordt gebracht”
Deze ḥadīth is door Abū Dāwūd overgeleverd in zijn Sunan (deel 2, blz. 349), hoofdstuk “De gebondene gevangene”.
192. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), hij zei: Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Onze Rab عَزَّ وَجَلَّ, toont verwondering over een groep die met ketens naar Jannah wordt gebracht.”
Uitleg van de 192ste ḥadīth
Zoals eerder is uitgelegd, betekent “verwondering” (hier niet een letterlijke emotionele toestand voor Allāhu (تعالى), want dat is onmogelijk voor Hem) dat Allāh Zijn welbehagen toont en een grote beloning geeft.
De groep die in deze ḥadīth wordt bedoeld, kan verwijzen naar mensen die door de mujahidīn in de strijd gevangen zijn genomen en geketend zijn, waarna Allāh hun harten heeft geopend voor de leiding (hidāyah) en zij de Islām hebben aangenomen. Zij verdienen het om de Jannah binnen te gaan doordat zij de Islâm zijn binnengetreden. Hun ketening en gevangenneming zijn in zekere zin de aanleiding geworden voor hun leiding. Als zij niet gevangen waren genomen, zouden zij misschien als ongelovigen gedood zijn.Allāhu (تعالى), weet het het beste.