As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Aḥadīthi’l Qudsiyyah — Hoofdstuk 16: Het velevoudig belonen van de goede daden van de ummah van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم)

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

19. Het velevoudig belonen van de goede daden van de ummah van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم)

De ḥadīth: Verhouding tussen de ummah van Muhammad (صلى الله عليه وسلم), de joden en de christenen

Deze ḥadīth is door al-Bukhārī overgeleverd in zijn Sahîh (deel 3, blz. 90), in het boek “Kitāb al-Ijārah”, hoofdstuk “al-Ijārah (huurarbeid)tot de ṣalāh al-ʿAṣr-”.

193. Van … ʿAbdullāh ibn ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: Jullie gelijkenis en die van de joden en de christenen is als die van een man die arbeiders in dienst nam en zei: ‘Wie werkt voor mij tot het midden van de dag voor één qīrāṭ?’ De joden verrichtten het werk voor één qīrāṭ ieder. Vervolgens werkten de christenen tot aan de ṣalāh al-ʿAṣr voor één qīrāṭ ieder. Daarna zijn jullie degenen die werken vanaf de ṣalāh al-ʿAṣr tot zonsondergang voor twee qīrāṭ ieder. Toen werden de joden en de christenen boos en zeiden: ‘Wij hebben meer gewerkt en ontvangen minder loon.’ Daarop zei hij (de opdrachtgever): ‘Heb ik jullie ook maar iets van jullie recht onthouden?’ Zij antwoordden: ‘Nee.’ Hij zei: ‘Dat is mijn gunst (ihsân); Ik schenk die aan wie ik wil.’

Op dezelfde plaats heeft al-Bukhārī overgeleverd:

194. Van …Abū Mūsā al-Ashʿarī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De situatie van de moslims, de joden en de christenen is als die van een man die een groep mensen in dienst neemt om tegen een vast loon tot het einde van de dag te werken.

Zij werken een deel van de dag en zeggen: ‘Wij hebben jouw voorwaarde van loon niet nodig en ons werk is ook zinloos.”

Hij (de opdrachtgever) zegt tegen hen: ‘Doe dat niet, maak het resterende deel van het werk af en ontvang jullie loon volledig.’

Maar zij weigeren en stoppen met werken.

Daarna neemt de hij andere mensen in dienst en zegt tegen hen: ‘Maak het resterende werk af, en ik zal jullie hetzelfde loon geven dat ik aan de eersten heb beloofd.’

Zij werken, en wanneer het middag is zeggen zij: ‘Laat onze eerdere arbeid maar verloren gaan, en houd jouw beloofde loon voor jezelf.’

Hij zegt tegen hen: ‘Doe dat niet, maak het resterende werk af; er is nog maar een klein deel van de dag over.’

Daarna neemt hij opnieuw een groep mensen in dienst voor het resterende deel van de dag, tot zonsondergang. Zij werken tot het einde van de dag en ontvangen daardoor het volledige loon van beide eerdere groepen.

Dit is hun voorbeeld en een illustratie van hun aandeel in dit licht (nûr) en de mate waarin zij daarvan hebben gekregen.”

Uitleg van de aḥadīth 193-194

De verschillende overleveringen van deze ḥadīth laten de situatie zien van de joden en de christenen die handelden volgens de voorschriften van hun boeken vóórdat deze voorschriften werden opgeheven (naskh), en die in die toestand zijn gestorven.

De joden handelden volgens de Tawrāh totdat ʿĪsā (عليه السلام) werd gezonden. De christenen handelden gedurende een bepaalde periode volgens de Injīl totdat Rasûlullāh Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) werd gezonden. Voor dit handelen volgens hun boeken ontvangen zij hun beloning, namelijk één qīrāṭ. Degenen die geloofden (îmân) in Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) nadat hij was gezonden, ontvangen hun beloning verdubbeld, namelijk twee qīrāṭ. Allāhu (تعالى), zegt in de Qur’ān:أُوْلَٰٓئِكَ يُؤۡتَوۡنَ أَجۡرَهُم مَّرَّتَيۡنِ بِمَا صَبَرُواْ وَيَدۡرَءُونَ بِٱلۡحَسَنَةِ ٱلسَّيِّئَةَ وَمِمَّا رَزَقۡنَٰهُمۡ يُنفِقُونَ ٥٤Diegenen zal tweemaal hun beloning geven worden, omdat zij geduldig waren en zij het kwade met het goede beantwoordden en datgene uitgaven waarmee Wij hen voorzien hebben. (Qaṣaṣ, 28:54)

En ook in de āyah:ٱلَّذِينَ ءَاتَيۡنَٰهُمُ ٱلۡكِتَٰبَ مِن قَبۡلِهِۦ هُم بِهِۦ يُؤۡمِنُونَ ٥٢Degenen aan wie Wij het Boek hiervόόr hebben gegeven zij geloven daarin. (Qaṣaṣ 28:52)

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft aangegeven dat onder degenen die twee keer beloning ontvangen, ook behoort: iemand van de mensen van het Boek die in zijn eigen Nabī gelooft en daarna ook in Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gelooft.

Degenen die slechts één beloning ontvangen, zijn degenen die volgens hun boek handelden vóórdat het werd opgeheven en in die toestand zijn gestorven.

Deze ḥadīth geeft een voorbeeld van de situatie van de mensen van het Boek die leefden in de tijd waarin een nieuwe sharīʿah werd gebracht die de vorige wetgeving opheft. Zij hebben vervolgens Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en wat hij bracht verworpen.

De joden hebben ook de tijd van ʿĪsā (عليه السلام) meegemaakt, die de Injīl bracht en zei:

وَمُصَدِّقٗا لِّمَا بَيۡنَ يَدَيَّ مِنَ ٱلتَّوۡرَىٰةِ وَلِأُحِلَّ لَكُم بَعۡضَ ٱلَّذِي حُرِّمَ عَلَيۡكُمۡۚ وَجِئۡتُكُم بِـَٔايَةٖ مِّن رَّبِّكُمۡ فَٱتَّقُواْ ٱللَّهَ وَأَطِيعُونِ ٥٠En ik ben gekomen om te bevestigen wat voor mij was van de Thora en om voor jullie een deel wettig te maken wat verboden was, en ik ben tot jullie gekomen met een Bewijs van jullie Heer. Vrees Allāh dus en gehoorzaam mij. (Āl ʿImrān (3:50)

Zij hebben hem echter verworpen en de Injīl (Evangelie) geloochend. Het is alsof zij tegen hun Rab zeiden: “Wij hebben de beloning die U voor ons hebt vastgesteld niet nodig.”

Op dezelfde manier geldt: wie de tijd van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) heeft bereikt en hem en de Qur’ān die hij heeft gebracht ontkent, alsof hij zegt: “Laat alles wat wij tot nu toe hebben gedaan verloren gaan, wij hebben Uw beloning niet nodig.”

al-Bukhārī heeft deze betekenis ook overgeleverd in Kitāb aṣ-Ṣalāh, in de hoofdstuk “De toestand van degene die een rakʿah van de ṣalāh al-ʿAṣr bereikt”, waaruit de kufr van degenen uit de joden en christenen die de komst van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ontkennen wordt afgeleid.

Daarna zegt al-Qasṭallānī: “Deze passage verduidelijkt de toestand van de mu’mins die de leiding van Allāh (hidāyah) accepteren en an-Nabī die Allāh heeft gezonden, Rasûlullāh Muḥammad (صلى الله عليه وسلم), volgen, en die van de joden en christenen die hebben nagelaten te handelen naar hetgeen Allāh hun heeft opgedragen”.

Al-Qasṭallānī zegt in zijn uitleg van de eerder genoemde ḥadīth van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما) dat Allāhu (تعالى) de joden heeft “ingehuurd” vanaf het begin van de dag tot de middag, en de christenen vanaf dat moment tot het moment van de ṣalāh al-ʿAṣr.

Tussen de twee aḥadīth lijkt er op het eerste gezicht een verschil te zijn. De eerste ḥadīth verwijst naar een situatie vóór de komst van een andere godsdienst, en betreft degenen die een eerdere boodschap hebben gevolgd maar een volgende niet hebben bereikt. De tweede ḥadīth betreft degenen die de tijd van de Islām hebben bereikt maar in Rasûlullāh Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) niet hebben geloofd.

Hieruit komen twee benaderingen naar voren. Sommige geleerden hebben samengevat gezegd: Ibn ʿUmar (رضي الله عنه) zei dat deze ḥadīth betrekking heeft op degenen die, vanwege hun verontschuldigingen, van het geloof (īmān) in de Islām verstoken zijn gebleven.Abū Mūsā (رضي الله عنه) daarentegen zei dat deze ḥadīth betrekking heeft op degenen die dit īmān zonder enige verontschuldiging hebben verworpen. (zoals vermeld in de sharḥ van al-Qasṭallānī)