As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Aḥadīthi’l Qudsiyyah — Hoofdstuk 17: De ḥadīth over de eigenschappen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in de Tawrāh

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

20. De ḥadīth over de eigenschappen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in de Tawrāh

Deze ḥadīth is door al-Bukhārī (رحمه الله) overgeleverd in deel 6, blz. 136, in de uitleg van Sūrat al-Fatḥ, bij de 8ste āyah:إِنَّآ أَرۡسَلۡنَٰكَ شَٰهِدٗا وَمُبَشِّرٗا وَنَذِيرٗا ٨Waarlijk, Wij hebben jou als getuige gestuurd, als brenger van goed nieuws en als waarschuwer.

195. Van … ʿAbdullāh ibn ʿAmr ibn al-ʿĀṣ (رضي الله عنهما) hij zei: “In de Qur’ān staat: ‘Waarlijk, Wij hebben jou als getuige gestuurd, als brenger van goed nieuws en als waarschuwer.’ (zie hierboven Sūrat al-Fatḥ, 48:8)

En in de Tawrāh wordt dit als volgt vermeld:

‘O Profeet, Wij hebben jou gezonden als getuige, brenger van blijde tijding, waarschuwer en beschermer van de ongeletterden (al-ummiyyīn). Jij bent Mijn dienaar en Mijn Boodschapper. Ik heb jou de naam al-Mutawakkil gegeven. Jij bent niet streng en hardvochtig, en jij bent niet iemand die op de markten luidruchtig is. Jij beantwoordt kwaad niet met kwaad, maar jij vergeeft en toont vergevingsgezindheid.

Allāh zal jouw rûh niet nemen totdat Allāh (door deze Nabī ) een volk dat van het rechte pad is afgedwaald pas doen terugkeren door hen “lā ilāha illā Allāh” te laten uitspreken.

Door jou zal Hij blinde ogen openen, dove oren laten horen en gesloten harten openen.”

Deze ḥadīth is opnieuw door al-Bukhārī overgeleverd in het begin van Kitāb al-Buyūʿ.

196. Van ʿAṭā’ ibn Yasār, hij zei: “Ik ontmoette ʿAbdullāh ibn ʿAmr ibn al-ʿĀṣ (رضي الله عنهما) en zei tegen hem: ‘Vertel mij over de eigenschappen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zoals die in de Tawrāh vermeld staan.’

Hij zei: ‘Ja, bij Allāh, hij is in de Tawrāh beschreven met sommige eigenschappen die ook in de Qur’ān staan: “Waarlijk, Wij hebben jou als getuige gestuurd, als brenger van goed nieuws en als waarschuwer…” (zie hierboven Sūrat al-Fatḥ, bij de 8ste āyah)

De ḥadīth vervolgt verder.

Uitleg van de aḥadīth 195-196

Het feit dat ʿAṭā’ ibn Yasār aan ʿAbdullāh ibn ʿAmr ibn al-ʿĀṣ (رضي الله عنهما) vroeg naar de eigenschappen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in de Tawrāh, komt doordat ʿAbdullāh ibn ʿAmr zelf de Tawrāh had gelezen.

“Getuige (shāhid)”, betekent hier degene die op de Yawm al-Qiyāmah zal getuigen dat de mu’mins Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hebben bevestigd en de kāfirs hem hebben verworpen.

“Brenger van blijde tijding (mubashshir)”: degene die de mu’mins Jannah aankondigt.

“Waarschuwer (nadhīr)”: degene die de kāfirs waarschuwt voor Jahannam.

“Beschermer van de ongeletterden (al-ummiyyīn)”: degene die de meerderheid van de Arabieren beschermt die noch lezen noch schrijven konden.

Allāhu (تعالى), heeft Zijn Nabī “al-Mutawakkil” genoemd, omdat hij tevreden was met weinig rizq en volledig op Allāh vertrouwde, zeker was van de overwinning van Allāh, geduld had in moeilijkheden met vertrouwen op verlichting na moeilijkheden, en zich tooide met de beste (karaktereigenschappen (akhlāq). Daarom werd hij “de vertrouwende op Allāh” (al-Mutawakkil) genoemd.

فَبِمَا رَحۡمَةٖ مِّنَ ٱللَّهِ لِنتَ لَهُمۡۖ وَلَوۡ كُنتَ فَظًّا غَلِيظَ ٱلۡقَلۡبِ لَٱنفَضُّواْ مِنۡ حَوۡلِكَۖ فَٱعۡفُ عَنۡهُمۡ وَٱسۡتَغۡفِرۡ لَهُمۡ وَشَاوِرۡهُمۡ فِي ٱلۡأَمۡرِۖ فَإِذَا عَزَمۡتَ فَتَوَكَّلۡ عَلَى ٱللَّهِۚ إِنَّ ٱللَّهَ يُحِبُّ ٱلۡمُتَوَكِّلِينَ ١٥٩En door de Genade van Allāh ging jij vriendelijk (en liefdevol) met hen om. (Maar) als je streng en hardvochtig tegen hen was geweest, dan hadden zij zich (ongetwijfeld in groepjes) van je afgekeerd.

Vergeef hen dus (hun fouten op basis van dit verheven karakter) en vraag (Allāh vervolgens om) vergiffenis voor hen zodat je hen kunt raadplegen bij het nemen van beslissingen. En als je een besluit hebt genomen, stel dan je vertrouwen in Allāh. (Want) voorzeker, Allāh houdt van degenen die (onbeperkt) vertrouwen hebben (in Hem alléén). (Āl ʿImrān, 3:159)

De zachtheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gold tegenover de mu’mins. Tegenover de munāfiqs en de kāfirs is hem echter door Allāhu (تعالى) opgedragen streng te zijn, zoals in de volgende āyah:يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّبِيُّ جَٰهِدِ ٱلۡكُفَّارَ وَٱلۡمُنَٰفِقِينَ وَٱغۡلُظۡ عَلَيۡهِمۡۚ وَمَأۡوَىٰهُمۡ جَهَنَّمُۖ وَبِئۡسَ ٱلۡمَصِيرُ ٧٣O, Profeet! Streef hard tegen de ongelovigen en de hypocrieten en wees streng voor hen, hun verblijfplaats is Jahannam en dit is zeker de ergste bestemming. (Tawbah, 9:73)

Het principe “kwaad kan niet met kwaad worden beantwoord” komt overeen met de betekenis van de āyah:وَٱلَّذِينَ صَبَرُواْ ٱبۡتِغَآءَ وَجۡهِ رَبِّهِمۡ وَأَقَامُواْ ٱلصَّلَوٰةَ وَأَنفَقُواْ مِمَّا رَزَقۡنَٰهُمۡ سِرّٗا وَعَلَانِيَةٗ وَيَدۡرَءُونَ بِٱلۡحَسَنَةِ ٱلسَّيِّئَةَ أُوْلَٰٓئِكَ لَهُمۡ عُقۡبَى ٱلدَّارِ ٢٢En degenen die vasthoudend zijn en het welbehagen van hun Heer zoeken, en die de gebeden perfect verrichten, en die bijdragen geven van wat Wij hen hebben gegeven, en het kwade vervangen door het goede. Voor hen is er een goed einde. (Raʿd, 13:22)

De betekenis van “maar jij vergeeft en toont vergevingsgezindheid” is dat men vergeeft en verdraagzaam is, zolang de grenzen van de ḥarām die door Allāhu (تعالى) zijn vastgesteld niet worden overschreden.

Met “een verdwaald volk” wordt hier bedoeld, het volk van Ibrāhīm (عليه السلام). Zij waren in een periode van fatrah, de periode tussen twee anbiyā (of twee openbaringen,waarin er geen nieuwe openbaring kwam), en raakten toen van het rechte pad af. Zij voegden dingen toe aan de voorschriften en lieten andere zaken weg. Zo vervormden zij de ware dīn en weken zij af van het rechte pad. Hun toestand bleef zo totdat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd gezonden.

Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd gezonden, zag hij de shirk waarin de Arabieren waren gevallen. Hij vestigde het begrip van at-Tawḥīd door hen ertoe te brengen te erkennen dat er geen ware godheid is behalve Allāh.

Met “ogen die niet zien” worden ogen bedoeld die de waarheid niet waarnemen.

Al-Qasṭallānī zegt dat er geen tegenspraak is tussen deze ḥadīth en de āyah:وَمَآ أَنتَ بِهَٰدِي ٱلۡعُمۡيِ عَن ضَلَٰلَتِهِمۡۖ إِن تُسۡمِعُ إِلَّا مَن يُؤۡمِنُ بِـَٔايَٰتِنَا فَهُم مُّسۡلِمُونَ ٨١Noch kan je de blinden uit hun zonden leiden, je kunt alleen degenen doen luisteren die in Onze Tekenen geloven, en degenen die zich onderworpen hebben. (Naml, 27:81)

Want de betekenis van het openen van de ogen door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) is dat hij een oorzaak (sabab) is voor leiding (hidayah), niet dat hij zelfstandig de leiding schept. De āyah verwijst naar degenen die volledig ongevoelig zijn geworden voor elke vorm van leiding.

Er is vermeld dat de hidāyah die in de āyah wordt genoemd, betekent dat Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم) oorzaak is voor de leiding van mensen.