21. Over de beloning van geduld bij de beproeving
De ḥadīth over de beloning van geduld bij de beproeving: het verliezen van het gezichtsvermogen
Deze ḥadīth is door al-Bukhārī overgeleverd in Kitāb al-Ṭib, in de hoofdstuk “De verdienste van degene die zijn gezichtsvermogen verliest”.
197. Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) zegt: “Wanneer Ik Mijn dienaar zijn twee geliefden neem (zijn ogen), en hij geduldig is, dan is er voor hem geen andere beloning dan Jannah.”
At-Tirmidhī heeft in zijn Sunan (deel 2, p. 64), in het hoofdstuk “De ḥadīth betreffende het verlies van het gezichtsvermogen” de volgende overlevering vermeld:
198. Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) zegt: “Als Ik Mijn dienaar zijn twee kostbare bezittingen (zijn ogen) in de wereld afneem, dan is er bij Mij geen andere beloning voor hem dan Jannah.”
At-Tirmidhī heeft gezegd dat deze ḥadīth ḥasan en gharīb is.
Een gharīb ḥadīth is een overlevering waarbij in een deel van de keten slechts één overleveraar voorkomt. Als die overleveraars betrouwbaar zijn (qua geheugen en betrouwbaarheid), dan maakt deze ongebruikelijkheid de ḥadīth niet zwak.
199. At-Tirmidhī heeft van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) als marfūʿ overgeleverd, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) zegt: “Wanneer Ik iemands twee geliefden (zijn ogen) wegneem en hij daarop geduldig blijft en zijn beloning bij Allāh verwacht, dan neem Ik voor hem met geen andere beloning genoegen dan de Jannah.”
Uitleg van de aḥadīth 197-199
In al-Fatḥ wordt hierover gezegd: “Het geduld dat werkelijk nuttig is, is het geduld op het eerste moment van de beproeving. Op dat moment moet de persoon zijn zaak aan Allāh toevertrouwen en zich volledig aan Hem overgeven. Als hij op dat moment niet geduldig is, onrustig wordt en pas later, wanneer alle hoop verdwijnt, alsnog geduld toont, dan bereikt hij niet de volledige beloning”.
In de ḥadīth wordt gezegd: “Geen vermoeidheid, ziekte, verdriet, zorg of andere beproeving treft een mu’min, zelfs niet de prik van een doorn, zonder dat Allāh daardoor een deel van zijn zonden uitwist”
De beloning voor een beproeving is verbonden aan geduld, welbehagen met het oordeel van Allāh, overgave aan Zijn bevel en het niet klagen over de beproeving.
Degene die de beproeving niet met welbehagen ontvangt en zich niet overgeeft aan het oordeel van Allāh, krijgt geen beloning. De waarheid in de īmān is namelijk het geloof in Allāh, Zijn engelen, Zijn boeken, Zijn boodschappers, de Dag van de Opstanding en het geloof in het raadsbesluit (qadar), goed en slecht, zoet en bitter, alles komt van Allāh.
O Allāh, schenk ons oprechte īmān, maak Uw raadsbesluit (qadar) en voorbeschikking (qada) zoet voor ons, en bescherm ons tegen de openlijke en verborgen fitan. Āmīn.
De ḥadīth over de beloning wanneer Allāhu (تعالى) iemands kind tot Zich neemt
al-Bukhārī (رحمه الله) heeft deze ḥadīth overgeleverd in deel 7, pagina 90, in Kitāb ar-Riqāq, in het hoofdstuk: “Daden die worden verricht omwille van het welbehagen van Allāhu (تعالى).”
200. Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Allāhu (تعالى) zegt: “Wanneer Ik een mu’min dienaar in deze wereld een van zijn dierbaren ontneem en hij daarop geduldig blijft en zijn beloning bij Mij verwacht, dan is er voor hem bij Mij geen andere beloning dan de Jannah.”
Al-Qasṭallānī (رحمه الله) heeft gezegd dat deze ḥadīth tot de “mufradāt” van al-Bukhārī behoort. Dat wil zeggen: hij is wel door al-Bukhārī overgeleverd, maar komt niet voor in Ṣaḥīḥ Muslim.
an-Nasāʾī heeft in zijn Sunan in het hoofdstuk “Degene van wie drie kinderen zijn overleden” de volgende ḥadīth overgeleverd:
201. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer van twee moslims drie kinderen overlijden die de leeftijd van de puberteit nog niet hebben bereikt, zal Allāhu (تعالى) hen door Zijn gunst en barmhartigheid de Jannah doen binnengaan.De kinderen zullen worden gezegd: ‘Ga Jannah binnen.’Zij zullen zeggen: ‘Wij gaan niet naar binnen totdat onze ouders binnenkomen.’Dan zal Allāh zeggen: ‘Ga jullie en jullie ouders samen Jannah binnen.”
Ibn Mājah heeft in zijn Sunan in het hoofdstuk over ‘geduld bij beproevingen’ twee overleveringen vermeld. Eén daarvan heeft een algemene betekenis voor alle beproevingen, en de andere betreft specifiek de beproeving van het verliezen van een kind, waarbij de beloning groter is. In Sunan Ibn Mājah (blz. 249) staat:202. Van Abū Umāmah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) zegt: O zoon van Ādam, als jij geduldig bent op het eerste moment dat de beproeving je treft en je hoop op beloning bij Mij stelt, dan zal Ik voor jou niets anders accepteren dan Jannah.”
In Zawā’id* wordt vermeld dat de isnād van deze ḥadīth sahīh is en dat de overleveraars betrouwbaar zijn.
(Zawā’id*: Extra aḥādīth die in bepaalde ḥadīth-verzamelingen voorkomen maar niet aanwezig zijn in andere bekende verzamelingen.)
Overlevering betreffende degene die getroffen wordt door het verlies van een miskraam
203. Van ʿAlī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het ongeboren kind dat door een miskraam verloren ging, zal pleiten bij zijn Rab wanneer zijn ouders naar Jahannam zouden worden gestuurd. Vervolgens zal worden gezegd: ‘O jij die bij zijn Rab heeft gepleit, laat jouw ouders Jannah binnengaan.’”
Daarna zal hij hen naar Jannah trekken totdat hij hen binnenbrengt, verbonden met zijn navelstreng.”
(De “navelstreng” verwijst naar de band die het kind bij de geboorte met de moeder heeft en die daarna wordt afgesneden.)
De ḥadīth over de beloning bij het overlijden van een kind
At-Tirmidhī (رحمه الله) heeft in zijn Sunan (deel 1, blz. 190), in het hoofdstuk “Begravenissen” (Janā’iz) vermeld: 204. Van Abū Mūsā al-Ashʿarī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer het kind van een dienaar sterft, zegt Allāhu (تعالى) tegen de engelen: ‘Hebben jullie de rûh van het kind van Mijn dienaar genomen?’ - ‘Ja.’
- ‘Hebben jullie de vrucht van zijn hart weggenomen?’ - ‘Ja.’
- ‘Wat heeft Mijn dienaar gezegd?’
- ‘Hij heeft U geprezen en gezegd: “Voorwaar, wij behoren aan Allāh en tot Hem zullen wij terugkeren.”
- ‘Bouw voor Mijn dienaar een huis in Jannah en noem het Huis van de Ḥamd (dank en lof).”
Abū ʿĪsā at-Tirmidhī (رحمه الله) heeft gezegd dat deze ḥadīth ḥasan gharīb is.
Een gharīb ḥadīth is een overlevering waarbij in een bepaalde schakel van de keten slechts één overleveraar voorkomt. Als die overleveraar betrouwbaar is, dan maakt dat de ḥadīth niet zwak. Daarom heeft at-Tirmidhī deze ḥadīth als ḥasan beoordeeld.
Uitleg van de 204ste ḥadīth
In deze ḥadīth wordt vermeld dat Allāhu (تعالى) vragen stelt aan de engelen. Daarmee wordt niet bedoeld dat Allāhu (تعالى) informatie zoekt of behoefte heeft aan een antwoord, want Hij is verheven boven onwetendheid en boven elke behoefte aan kennis. De bedoeling hiervan is om de engelen de toestand van de dienaar te tonen en hun bekend te maken welke beloning voor hem is voorbereid, zodat hun kennis van de verheven rang van de dienaren bij Allāhu (تعالى) toeneemt.
Dit komt overeen met wat eerder gebeurde toen Allāh de engelen informeerde over de schepping van Ādam (عليه السلام), waarop zij zeiden:وَإِذۡ قَالَ رَبُّكَ لِلۡمَلَٰٓئِكَةِ إِنِّي جَاعِلٞ فِي ٱلۡأَرۡضِ خَلِيفَةٗۖ قَالُوٓاْ أَتَجۡعَلُ فِيهَا مَن يُفۡسِدُ فِيهَا وَيَسۡفِكُ ٱلدِّمَآءَ وَنَحۡنُ نُسَبِّحُ بِحَمۡدِكَ وَنُقَدِّسُ لَكَۖ قَالَ إِنِّيٓ أَعۡلَمُ مَا لَا تَعۡلَمُونَ ٣٠
En (gedenk) toen jullie Heer tegen de Engelen zei: “Ik zal op de aarde een gevolmachtigde aanstellen” Zij zeiden: “Zult U daar iemand plaatsen die misdaden pleegt en bloed laat vloeien terwijl wij U verheerlijken, U prijzen en danken en U heiligen?” Hij (Allāh) zei: “Voorwaar, Ik weet wat jullie niet weten.” (Baqarah, 2:30)
Het huis in de Jannah wordt ‘het Huis van de Ḥamd’ genoemd, omdat de dienaar zich bij het treffen van een beproeving tot Allāh wendt en zegt: ‘Voorwaar, wij behoren aan Allāh toe en tot Hem zullen wij terugkeren”. Daardoor wordt zijn toestand gekenmerkt door lofprijzing (ḥamd). Deze benaming kan ook bedoeld zijn als een eerbetoon aan dat huis, zoals de Kaʿbah “Het Huis van Allāh” wordt genoemd.
O Allāh, schenk ons overgave, geduld en welbehagen met Zijn besluit, en maak ons behoren tot degenen die zich aan Hem onderwerpen. Āmīn.
De ḥadīth over de verdienste van de zieke die zijn Rab prijst (ḥamd)
Imām Mālik (رحمه الله) heeft in al-Muwaṭṭaʾ (deel 2, blz. 206), in het hoofdstuk over “Overleveringen betreffende de verdienste van de zieke”.205.Van ʿAṭā’ ibn Yasār, hij zei: “Wanneer een dienaar ziek wordt, stuurt Allāh hem twee engelen, en zegt dan: “Kijk naar wat hij tegen zijn bezoekers zegt.” Wanneer zijn bezoekers bij hem komen en hij Allāhu (تعالى) dankt (ḥamd) en Hem prijst (thanāʾ), brengen de engelen, hoewel Allāhu (تعالى) zijn toestand beter kent, zijn toestand ter sprake bij Allāhu (تعالى).
Dan zegt Allāhu (تعالى): ‘Als Ik deze dienaar laat sterven, zal Ik hem Jannah binnen laten gaan. En als Ik hem genezing geef, zal Ik zijn vlees vervangen door beter vlees, zijn bloed door beter bloed, en zijn zonden vergeven (of zijn ziekte laten dienen als boetedoening (kaffârah) voor zijn zonden).”
De ḥadīth: “Koorts is Mijn vuur; Ik laat het neerdalen over Mijn mu’min dienaar in de wereld...”
Ibn Mājah heeft in zijn Sunan (deel 2, blz. 182), in het hoofdstuk over “ḥummā (koorts)”.
206.Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bezocht op een dag samen met Abū Hurayrah (رضي الله عنه) een zieke die door koorts was getroffen.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tegen de zieke: “Goed nieuws voor jou. Allāh zegt: ‘Het (de koorts) is Mijn vuur. Ik laat het in deze wereld over Mijn mu’min dienaar komen, zodat het zijn aandeel van het vuur van Jahannam in het Hiernamaals zal compenseren.”
Hadith “Lees en stijg op (in rang)”
Ibn Mājah heeft in zijn Sunan (deel 2, blz. 217), in het hoofdstuk “De verdienste van de Qur’ān”, overgeleverd van
207.Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De drager van de Qur’ān (degene die de Qur’ān geheel of gedeeltelijk uit het hoofd kent) zal, wanneer hij Jannah binnengaat, wordt gezegd: ‘Lees en stijg op (in rang).’
Hij zal lezen en bij elke āyah die hij reciteert zal zijn rang worden verhoogd, totdat hij de laatste āyah die hij uit het hoofd kent heeft bereikt.”
De ḥadīth: “De rang van een persoon in Jannah wordt verhoogd doordat zijn kind voor hem om vergeving vraagt”
Ibn Mājah heeft in zijn Sunan (deel 2, blz. 203), in het hoofdstuk “Goedheid tegenover ouders”:
208.Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een qinṭār is twaalfduizend `uqiyyah, en elke `uqiyyah is beter dan alles tussen de hemel en de aarde.
De rang van een persoon in Jannah wordt verhoogd, en hij vraagt: ‘Waar komt dit vandaan?’
Dan wordt tegen hem gezegd: ‘Door de smeekbede om vergeving van jouw kind voor jou.”
De ḥadīth over de mier die een nabī (عليه السلام) beet
In Ṣaḥīḥ al-Bukhārī (deel 4, blz. 62) : 209.Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه), hij zei: “Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Een mier beet een van de anbiyā. Hij gaf daarop bevel en de mierenkolonie werd verbrand. Allāhu (تعالى) openbaarde hem: “Omdat één mier jou heeft gebeten, heb jij een gemeenschap verbrand die Allāh verheerlijkt (tasbīḥ)?”
Uitleg van de 209 ḥadīth
In Ṣaḥīḥ at-Tirmidhī wordt vermeld dat de genoemde Nabī Mūsā (عليه السلام) was.
Met deze ḥadīth wordt door sommige geleerden bewijs aangevoerd dat het toegestaan is schadelijke dieren te doden. Dit komt omdat een wet in eerdere openbaringen ook voor ons geldig blijft, zolang er in onze sharīʿah geen tekst is die deze opheft.
In onze sharīʿah is er echter een duidelijke tekst overgeleverd die het bestraffen met vuur verbiedt, behalve in bepaalde specifieke gevallen, zoals qiṣāṣ, en dan alleen onder de daarvoor gestelde voorwaarden.Ook het doden van mieren is volgens veel geleerden in onze sharīʿah niet toegestaan, omdat in een overlevering van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) staat dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het doden van mieren heeft verboden.Er is ook een andere overlevering over dit voorval, waarin wordt vermeld dat an-Nabī langs een volk kwam dat door Allāh was vernietigd wegens hun zonden. Hij zei: “O mijn Rab, daarin waren ook kinderen en dieren die geen zonde hadden begaan.” Daarna rustte hij onder een boom en legde zijn bagage neer, waarna het verhaal verdergaat zoals hierboven beschreven.
Al-Qasṭallānī concludeert: “Allāh’s straf is algemeen, maar voor de gehoorzamen wordt het een reiniging van zonden en genade, terwijl het voor de ongehoorzamen een straf en vergelding is.”
Deze ḥadīth is eveneens overgeleverd door al-Bukhārī in deel 4, pagina 129, in het hoofdstuk ‘Het doden van vijf soorten dieren in het Heilige Gebied (al-Ḥaram)’.
210.Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er wordt overgeleverd dat een nabī (عليه السلام) onder de anbiyā onder een boom zat (hij stopte daar tijdens een reis om uit te rusten). Op dat moment beet een mier hem. Hij gaf opdracht dat de spullen onder de boom werden weggehaald. Vervolgens werd het nest van de mieren verbrand. Allāhu (تعالى) openbaarde daarop: “Was het niet slechts één enkele mier die jou heeft gebeten?”
Muslim heeft in C.9, blz. 89, in de hoofdstuk “Verbod op het doden van mieren” het volgende overgeleverd:
211.Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:“Een nabī (عليه السلام) uit de anbiyā ging onder een boom liggen om uit te rusten. Op dat moment beet een mier hem. Hij gaf opdracht, waarop de spullen onder de boom werden weggehaald en daarna werd (die plek) in brand gestoken en verbrand.
Allāhu (تعالى) openbaarde daarop: ‘Was het niet slechts één enkele mier die jou heeft gebeten?”
Muslim heeft deze ḥadīth ook overgeleverd met bewoordingen die lijken op de twee eerdere overleveringen van al-Bukhārī. In één van zijn versies staat echter het volgende:
212. (Allāhu (تعالى) openbaarde:) “Heb jij vanwege de beet van één mier een hele gemeenschap die tasbīh verrichten vernietigd?”
De ḥadīth is door an-Nasā’ī overgeleverd in zijn Sunan, C.7, blz. 210, in de hoofdstuk “Het doden van de mier”:
213. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei dat een mier een van de anbiyā beet. Hij gaf daarop opdracht en de mierenkolonie werd volledig verbrand. Allāhu (تعالى) openbaarde toen: “Heb jij een gemeenschap die tasbīh verricht vernietigd vanwege de beet van één enkele mier?”
Abū Dāwūd heeft in zijn Sunan, C.4, blz. 273 (volgens Zarkānī in de Muwatta-voetnoot), in de hoofdstuk “Het doden van kleine mieren” het volgende overgeleverd:
214. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd:
“Een van de anbiyā legde zijn spullen onder een boom en ging rusten. Op dat moment beet een mier hem. Hij gaf daarop opdracht om de spullen onder de boom vandaan te halen. Vervolgens gaf hij opdracht om (die boom) te verbranden. Allāhu (تعالى) openbaarde daarop: ‘Was het niet slechts één enkele mier die jou heeft gebeten?”
Abū Dāwūd heeft ook een andere overlevering van deze ḥadīth vermeld. Deze is eveneens van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) overgeleverd en komt overeen met de overlevering van an-Nasā’ī, met een verschil in bewoordingen. Daarin staat:
215. (Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei:) “Een mier beet een van de anbiyā.
Daarop gaf hij de opdracht om de hele mierenkolonie te verbranden. Allāhu (تعالى) openbaarde hem: ‘Heb jij een gemeenschap die tasbīh verrichten vernietigd vanwege de beet van één enkele mier?”
Uitleg van de aḥadīth 210-215
Uit de Uitleg van an-Nawawī op Muslim:Imam an-Nawawī schrijft: “De geleerden zeggen dat uit deze ḥadīth blijkt dat het in de sharīʿah van die nabī niet verboden was om mieren te doden, en dat ook de bestraffing met vuur toegestaan was. Daarom werd hij door Allāhu (تعالى) niet berispt vanwege het doden of verbranden van de mier, maar omdat hij niet alleen de mier strafte die hem had gebeten, terwijl hij ook andere mieren vernietigde die geen schuld droegen aan die daad.
In onze sharīʿah is het echter verboden om met vuur te straffen, behalve in het geval van qiṣāṣ voor iemand die zelf iemand met vuur heeft verbrand. Wat betreft het doden van mieren: hierover verschillen de imams van mening.
Het verbod op bestraffing met vuur is bevestigd in de bekende ḥadīth: “Met vuur straft alleen Allāhu (تعالى).”
De imams hebben, op basis van de ḥadīth van Ibn ‘Abbās (رضي الله عنهما), geoordeeld dat het niet toegestaan is om vier dieren te doden: de mier, de bij, de hop, en de zwarte vogel met een witte buik.Deze ḥadīth is door Abū Dāwūd overgeleverd met een keten die ṣaḥīḥ is volgens de voorwaarden van al-Bukhārī en Muslim. (van an-Nawawī).
Al-Qasṭallānī schrijft ook: al-Khaṭṭābī heeft aangegeven dat het verbod specifiek geldt voor de grote mier, terwijl het doden van kleine mieren toegestaan is.
Imam Mālik (رحمه الله) vond het doden van mieren makrūh, behalve wanneer zij schadelijk zijn en hun schade niet anders kan worden afgewend.
Ad-Dumayrī zegt dat de uitspraak “Was het niet slechts één enkele mier die jou heeft gebeten?” erop wijst dat het toegestaan is om schadelijke dieren te doden. Geleerden zien geen probleem in het doden van een dier wanneer daar een nuttig doel mee wordt bereikt of wanneer schade ermee wordt voorkomen. (van al-Qasṭallānī, C.5, blz. 314).