22. De barmhartigheid van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) voor zijn ummah en zijn duʿā’ voor hen.
De ḥadīth over het duʿā van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) voor zijn ummah en het huilen uit medeleven met hen
Deze ḥadīth wordt door Muslim in zijn Sahīh overgeleverd, C.2, blz. 179 (volgens de marginale aantekening van al-Qasṭallānī), in Kitāb al-Īmān:
217. Van … ‘Abdullāh ibn ‘Amr ibn al-‘Āṣ (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) reciteerde de volgende verzen over Ibrāhīm (عليه السلام):رَبِّ إِنَّهُنَّ أَضۡلَلۡنَ كَثِيرٗا مِّنَ ٱلنَّاسِۖ فَمَن تَبِعَنِي فَإِنَّهُۥ مِنِّيۖ وَمَنۡ عَصَانِي فَإِنَّكَ غَفُورٞ رَّحِيمٞ ٣٦
O mijn Heer! De (aanbidding van deze) afgoden hebben veel mensen op een dwaalspoor gebracht. Maar eenieder die mij volgt, die behoort bij mij. En eenieder die mij ongehoorzaam is, voorwaar U bent de Vergevingsgezinde, de Barmhartige. (Ibrāhīm, 14:36)En ‘Īsā (عليه السلام) zei: إِن تُعَذِّبۡهُمۡ فَإِنَّهُمۡ عِبَادُكَۖ وَإِن تَغۡفِرۡ لَهُمۡ فَإِنَّكَ أَنتَ ٱلۡعَزِيزُ ٱلۡحَكِيمُ ١١٨Als U hen straft, zijn zij Uw dienaren. En als U hen vergeeft, waarlijk U en alleen U bent de Almachtige, de Alwijze. (Mā’idah, 5:118)
Daarna hief Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn handen op en zei: “O Allāh, mijn ummah, mijn ummah…” en hij begon te huilen.
Allāhu (تعالى) zei: “O Jibrīl, ga naar Muhammad, en jouw Rab weet het beter, en vraag hem wat hem doet huilen.”
Jibrīl (عليه السلام) ging naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en vroeg hem naar de situatie. Hij bracht aan Allāhu (تعالى) over wat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had gezegd, terwijl Allāhu het het beste weet.
Daarop zei Allāhu (تعالى): “O Jibrīl, ga naar Muhammad en zeg hem: Wij zullen jou tevreden stellen met betrekking tot jouw ummah en Wij zullen jou niet bedroeven.”
Uitleg van de 217ste hadīth
Yahyā ibn Sharaf an-Nawawī heeft vermeld dat deze hadīth verschillende betekenissen en nuttige lessen bevat. De hadīth laat zien hoeveel mededogen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had voor zijn ummah en hoe sterk hij verlangde naar een goed einde voor hen. Uit de hadīth blijkt dat het mustaḥab is om tijdens de duʿāʾ beide handen omhoog te heffen, omdat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dit deed.
Deze hadīth bevat daarnaast een grote blijde tijding voor de ummah van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم). Allāhu (تعالى) heeft, als vervulling van Zijn belofte aan Zijn Nabī (صلى الله عليه وسلم), de eer en waardigheid van zijn ummah verheven. Dat Allāhu (تعالى) tegen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wij zullen jou tevreden stellen betreffende jouw ummah en jou niet bedroeven”, maakt deze hadīth tot één van de meest hoopgevende overleveringen voor de ummah van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم).
Deze hadīth toont eveneens aan hoe verheven de positie van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bij Allāh is en hoe groot Zijn overvloedige gunst (faḍl) tegenover hem zijn. De wijsheid achter het zenden van Jibrīl (عليه السلام) was om de eer van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) openbaar te maken en duidelijk te tonen dat hij bij zijn Rab de hoogste rang bezit.
Allāhu (تعالى) wil dat hij tevreden is en blijft hem schenken totdat hij tevreden zal zijn. Dit gebeurt met de getuigenis van de verheven gemeenschap van de engelen in de hemel (al-malāʾ al-aʿlā). Jibrīl (عليه السلام) brengt al-malāʾ al-aʿlā hiervan op de hoogte. En Allāh weet het het beste.
Deze hadīth komt overeen met de āyah al-karīmah:وَلَسَوۡفَ يُعۡطِيكَ رَبُّكَ فَتَرۡضَىٰٓ ٥En jouw Heer zal jou zeker gunsten schenken, zodat jij tevreden zult zijn. (Ḍuḥā, 93:5)
Er is gezegd dat de woorden: “Wij zullen jou niet bedroeven” betekenen: “Wij zullen jou niet bedroeven betreffende jouw ummah.” Want welbehagen wordt reeds bereikt door de vergeving van een deel van zijn ummah; in dat geval kunnen de overigen nog steeds Jahannam binnengaan.
“Wij zullen jou tevreden stellen” betekent dus: “Wij zullen jou tevreden stellen door jouw ummah te vergeven,” en: “Wij zullen jou vrijwaren van verdriet door jouw gehele ummah van Jahannam te redden.”
O Allāh, zoals U de ummah van een nabī op de mooiste wijze beloont, beloon ons eveneens als de ummah van onze Nabī (صلى الله عليه وسلم). O Allāh, maak ons tot degenen die de sharīʿah van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) volledig volgen en die zich vasthouden aan zijn hidāyah en sunnah. O, Allāh , verzamel ons samen met de anbiyā (عليهم السلام), de waarachtigen (ṣiddīqūn), de martelaren (shuhadāʾ) en de ṣāliḥūn (rechtschapenen). Zij zijn de beste der metgezellen. Alle lof behoort toe aan Allāh, de Rab van de werelden. Āmīn. (Sharḥ van Yahyā ibn Sharaf an-Nawawī)
De hadīth: “Allāh liet voor mij de aarde samenvouwen en ik zag haar oosten en westen”
Deze hadīth is overgeleverd door Muslim ibn al-Hajjaj in Kitāb al-Fitan, volgens de nummering van de marginale aantekening van Ahmad al-Qastallani, deel 10, p. 340 en verder.
218. Van … Thawban (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh liet voor mij de aarde samenvouwen, waarna ik haar oosten en westen zag. Het koninkrijk van mijn ummah zal reiken tot zover als de aarde voor mij werd samengevouwen. Mij werden twee schatten gegeven: een rode en een witte.
Ik vroeg mijn Rab om mijn ummah niet door een allesomvattende hongersnood te vernietigen en geen vijand van buitenaf over hen te laten heersen die hun gemeenschap/eenheid uiteen zou drijven.
Mijn Rab zei daarop: ‘O Muḥammad, wanneer Ik een besluit neem, dan wordt het niet teruggedraaid. Ik heb jou voor jouw ummah beloofd dat Ik hen niet zal vernietigen door een allesomvattende hongersnood en dat Ik geen vijand van buitenaf over hen zal laten heersen die hun gemeenschap/eenheid uiteen zal drijven.’
Zolang de moslims elkaar niet doden en elkaar niet krijgsgevangen nemen, kunnen zelfs alle vijanden uit hun omgeving, als zij zich gezamenlijk tegen hen verenigen, hun geen schade toebrengen.”
Muslim ibn al-Hajjaj heeft in een tweede overlevering ook vermeld:
219. Van Zuhayr ibn Ḥarb, van Isḥāq ibn Ibrāhīm, van Muḥammad ibn al-Muthannā en van Ibn Hishām van Muʿādh ibn Hishām, van zijn vader, van Qatādah, van Abū Qilābah, van Abū Asmāʾ ar-Raḥabī en deze van Thawban (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:
‘Allāhu (تعالى) vouwde voor mij de aarde samen en bracht haar oosten en westen dicht bij elkaar. En Hij gaf mij twee schatten: de rode en de witte.’
Daarna heeft de overleveraar dezelfde hadīth overgeleverd die eerder van Ayyūb, van Abū Qilābah werd overgeleverd.
In een derde overlevering van Muslim ibn al-Hajjaj staat:
220. Van .. van ʿĀmir ibn Saʿd’s vader (رضي الله عنها): ‘Op een dag kwam Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) terug vanuit al-ʿĀliyah. Toen hij langs de masjid van Banū Muʿāwiyah kwam. Hij ging naar binnen en verrichtte twee rakʿahs ṣalāh. Wij verrichtten samen met hem de ṣalāh.
Daarna verrichtte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) langdurig duʿāʾ tot zijn Rab. Vervolgens wendde hij zich tot ons en zei: “Ik heb mijn Rab om drie zaken gevraagd. Twee daarvan heeft Hij mij gegeven en één heeft Hij mij niet gegeven.
Ik vroeg mijn Rab mijn ummah niet door (allesomvattende) hongersnood te vernietigen, en Hij gaf mij dit.
Ik vroeg Hem mijn ummah niet door verdrinking te vernietigen, en ook dit gaf Hij mij.En ik vroeg Hem dat de beproeving van mijn ummah niet uit onderlinge verdeeldheid en strijd onder hen zou voortkomen, maar dat werd niet verhoord.”
Ibn Mājah heeft deze hadīth in zijn Sunan overgeleverd, deel 2, p. 242, in de hoofdstuk “Wat voor fitan (beproevingen) zullen plaatsvinden”. De bewoording in die overlevering verschilt van die van Muslim ibn al-Hajjaj. De tekst luidt:
221. Van Thawban (رضي الله عنه), de vrijgelatene van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De aarde werd voor mij samengevouwen en ik zag haar oost en west. En mij werden twee schatten gegeven: de gele (of rode) en de witte, (dat wil zeggen goud en zilver).
Er werd tegen mij gezegd: ‘De heerschappij van jouw ummah zal reiken tot waar de aarde voor jou werd samengevouwen.’
Ik heb Allāhu (تعالى) om drie zaken gevraagd:
dat Hij mijn ummah niet zou treffen met een algemene hongersnood waardoor zij massaal ten onder zouden gaan;
dat Hij hen niet zou verdelen in strijdende groeperingen;
en dat Hij hen niet elkaars geweld zou laten ondergaan.
Toen werd tegen mij gezegd:
‘Wanneer Ik een besluit heb genomen, dan kan het niet worden teruggedraaid. Ik zal jouw ummah niet treffen met een algemene hongersnood waardoor zij massaal ten onder gaan. Ook zal Ik niet toestaan dat een vijand van buitenaf hen volledig uitroeit. Maar zij zullen elkaar bestrijden en elkaar doden.’
Wanneer het zwaard eenmaal onder mijn ummah wordt getrokken, zal het niet meer worden opgeheven tot aan de Dag der Opstanding.
Tot de zaken die ik voor mijn ummah vrees, behoren misleidende leiders.
Ook zullen sommige stammen van mijn ummah de afgoden gaan aanbidden, en zullen sommige stammen van mijn ummah zich aansluiten bij de mushriks.
Vóór het Uur zullen er bovendien ongeveer dertig leugenachtige dajjāls verschijnen; ieder van hen zal beweren een profeet te zijn.
En er zal altijd een groep van mijn ummah op de waarheid blijven en door Allāh worden ondersteund. Degenen die hen tegenwerken zullen hun geen schade kunnen berokkenen, totdat het bevel van Allāh komt.”
An-Nasāʾī heeft in zijn Sunan een hadīth overgeleverd die dicht bij deze betekenis ligt. Hij plaatste deze in het hoofdstuk “De levendmaking van de nacht (iḥyāʾ al-layl)”.
222. Van … Khabbāb (رضي الله عنه), die samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft deelgenomen aan de slag van Badr, dat Khabbāb gedurende een nacht Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bewaakte.
Toen het ochtend werd en Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn ṣalāh beëindigde met de salâm (taslīm), kwam Khabbāb naar hem toe en zei: “O Rasûlullāh, mijn vader en moeder mogen voor u worden opgeofferd. U hebt deze nacht een ṣalāh verricht zoals ik u nooit eerder heb zien verrichten.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Ja, dat was de ṣalāh van vrees en hoop (khawf en rajāʾ). In die ṣalāh heb ik mijn Rab drie dingen gevraagd; twee daarvan heeft Hij mij gegeven en één heeft Hij mij niet gegeven.
Ik vroeg mijn Rab, عَزَّ وَجَلَّ, om mijn ummah niet te vernietigen zoals Hij eerdere umam heeft vernietigd, en Hij heeft dit aanvaard.
Ik vroeg mijn Rab, عَزَّ وَجَلَّ, dat Hij geen externe vijand de overhand over ons zou laten krijgen, en Hij heeft dit aanvaard.
En ik vroeg mijn Rab om mijn ummah niet in groepen en sekten te verdelen, maar dit heeft Hij niet aanvaard.”
Uitleg van de ahadīth 218-222
Deze hadīth behoort tot de wonderen (muʿjizāt) van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), “omdat de gebieden waarover hij sprak later daadwerkelijk door de Islām werden bereikt.”
De geleerden hebben gezegd dat met de “rode en witte schatten” goud en zilver worden bedoeld. Daarmee worden de schatten bedoeld van de koningen van Irak en Shām, namelijk Kisrā (Perzische keizer (Sassanidische heerser) en Qaysar (Romeinse keizer).
In deze hadīth zit een aanwijzing dat het grondgebied van de islamitische ummah zich vooral zou uitbreiden richting het oosten en het westen. Uitbreiding naar het zuiden en noorden zou minder omvangrijk zijn. En zo is het ook gebeurd. Verheven is de waarachtige Nabī die niet uit eigen begeerte spreekt; wat hij zegt is slechts openbaring.
Allāhu (تعالى) heeft aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) meegedeeld dat Hij zijn ummah niet door een allesomvattende hongersnood zou vernietigen. Dat wil zeggen: Hij zal niet de volledige ummah tegelijk vernietigen door honger. Wanneer er wel hongersnood optreedt, zal dit slechts een deel van de mensen treffen. Dit wordt ook verduidelijkt in de overlevering van Ibn Mājah, waar staat: “Ik zal jouw ummah niet vernietigen door een allesomvattende hongersnood die Ik hen opleg.”
Wat betreft het verzoek van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dat er geen fitna uit zijn eigen ummah zou voortkomen, heeft Allāhu (تعالى) dit niet toegestaan vanwege een goddelijke wijsheid (ḥikmah). Alle daden, oordelen en de qadar van Allāhu (تعالى) zijn volledig gebaseerd op wijsheid.
Ahmad al-Qastallani zegt over de fitan die worden genoemd in de hadīth van Ibn Mājah, zoals het verschijnen van misleidende leiders, het aanbidden van afgoden, sommige stammen die zich bij de mushrikūn aansluiten en ongeveer dertig dajjāls die elk beweren een nabī te zijn:
Deze zaken zijn inderdaad reeds verschenen. Als men degenen telt die na an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn opgestaan met de claim van profeetschap, en de groepen die hen hebben gevolgd, dan komt men uit op ongeveer het genoemde aantal.
Het verschil tussen deze dajjāls en de grote Dajjāl is dat zij de claim van profeetschap maken, terwijl de grote Dajjāl de claim van ulūhiyyah (goddelijkheid) zal maken. Wat misleiding en oproep tot bāṭil betreft, zijn zij echter gelijk. (Yahyā ibn Sharaf an-Nawawī, Sharḥ, in de marginale aantekening van Ahmad al-Qastallani, deel 10, p. 340)
O Allāh, beschermen ons tegen alle fitan. Āmīn.