As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Aḥadīthi’l Qudsiyyah — Hoofdstuk 2: Allahs vrijgevigheid in het meervoudig belonen van goede daden

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

Het onderwerp: Allahs vrijgevigheid in het meervoudig belonen van goede daden

De overlevering: "Wie een goede of slechte daad voorneemt…"

Deze ḥadīth is overgeleverd door al-Bukhārī in Kitāb ar-Riqāq, deel 8, blz. 108.36. Van …ʿAbdullāh ibn ʿAbbās رضي الله عنهما, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft van zijn Rab overgeleverd: “Allāh heeft de goede en slechte daden opgeschreven en vervolgens duidelijk uitgelegd.Wie een goede daad voorneemt (niyah) maar die niet uitvoert, Allāh schrijft het bij Hem als één volledige goede daad.En wie een goede daad voorneemt en die vervolgens uitvoert, Allāh schrijft ervoor van tien tot zevenhonderdvoudige beloning, ja zelfs nog meer.Wie een slechte daad voorneemt maar die niet uitvoert, Allāh schrijft het bij Hem als één volledige goede daad.En wie een slechte daad voorneemt en die uitvoert, Allāh schrijft het als slechts één slechte daad.”

al-Bukhārī heeft deze ḥadīth ook overgeleverd in Kitāb at-Tawḥīd, deel 9, blz. 144, in het hoofdstuk over het vers:"Zij willen het Woord van Allāh veranderen."Daarin vermeldt hij via dezelfde overleveringsketen dat het is overgeleverd door Abū

37. Van Abu Hurayrah رضي الله عنه, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Allāh zegt: Wanneer Mijn dienaar een slechte daad wil begaan, schrijf die niet op totdat hij ze werkelijk begaat.Als hij het toch begaat, schrijf het dan op als één slechte daad.Maar als hij het omwille van Mij achterwege laat, schrijf het dan als één goede daad.Wanneer hij een goede daad wil verrichten, schrijf het als één goede daad.En als hij het daadwerkelijk verricht, schrijf het als tien tot zevenhonderdvoudige beloning of zelfs nog veel meer.”

(In sommige overleveringen is toegevoegd: “en zelfs nog veel en veel meer.”)

Muslim heeft deze ḥadīth in zijn Ṣaḥīḥ overgeleverd in het hoofdstuk:"Allāh (تعالى) vergeeft de gedachten en invallen van het hart."Zie deel 8, met de marginale aantekening van al-Qasṭallānī, blz. 486.

38. Van Abū Hurayrah رضي الله عنه Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh (تعالى) zei: Wanneer Mijn dienaar een slechte daad overweegt, schrijf het niet op.Als hij het verricht, schrijf het op als één slechte daad.En als hij een goede daad overweegt maar die niet verricht, schrijf het op als één goede daad. Als hij het verricht, schrijf het op als tien keer beloning.”

39.

Een tweede overlevering van Muslim, ook van Abū Hurayrah رضي الله عنه, luidt als volgt:Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh عز وجل zei: Wanneer Mijn dienaar een goede daad overweegt maar die niet verricht, Ik schrijf het voor hem als één goede daad.En als hij het verricht, dan schrijf Ik het voor hem op als tien tot zevenhonderdvoudige beloning.Als hij een slechte daad overweegt (niyah) maar die niet verricht, dan schrijf Ik niets tegen hem.Maar als hij het verricht, dan schrijf Ik het op als slechts één slechte daad.”

40. In een andere overlevering van Muslim wordt vermeld: van Abū Hurayrah رضي الله عنه , Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overgelevert van Allāh عز وجل:“Wanneer Mijn dienaar een goede daad wil verrichten maar het uiteindelijk niet uitvoert, dan schrijf Ik het op als één goede daad. Als hij het wel uitvoert, dan schrijf Ik het op als tien goede daden. Als hij een slechte daad wil verrichten maar het uiteindelijk niet uitvoert, dan vergeef Ik hem dat. Als hij het wel uitvoert, dan schrijf Ik het op als één zonde.”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De engelen zeiden: O onze Rab! Uw dienaar wil een zonde begaan! Allāh, Die beter op de hoogte is van Zijn dienaar dan zij, zei: “Let op hem! Als hij de zonde verricht, schrijf het dan op zoals het is. Maar als hij het nalaat, schrijf het dan als een goede daad, want hij heeft het uit vrees voor Mij nagelaten.”

41. Eveneens in Ṣaḥīḥ Muslim wordt overgeleverd dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als iemand onder jullie zijn Islām op een goede manier beoefent (dus een goede moslim wordt), dan wordt voor elke goede daad die hij verricht, totdat hij Allāh ontmoet, een beloning geschreven van tientot zevenhonderdvoudig. En voor elke slechte daad wordt slechts één zonde opgeschreven.”

42.

Muslim overlevert ook van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), in overlevering van zijn Rab, zei: “Allāh heeft de goede en slechte daden opgeschreven, en dit vervolgens uitgelegd. Wie een goede daad overweegt maar het niet uitvoert, Allāh schrijft het op als een volledige goede daad. En als hij het uitvoert, schrijft Allāh het op als tien tot zevenhonderdvoudig, ja zelfs meer. Wie een slechte daad overweegt maar het niet uitvoert, Allāh schrijft het op als een goede daad. En als hij het uitvoert, dan schrijft Allāh het slechts op als één zonde.”

In een andere overlevering voegt hij toe: “Of Allāh wist het uit. Allāhu (تعالى) laat niemand ten onder gaan behalve degene die het verdient om ten onder te gaan. “

At-Tirmidhī vermeldt in zijn Ṣaḥīḥ, deel 2, p. 180, onder het hoofdstuk over surah al-Anʿām: 43. Abū Hurayrah رضي الله عنه: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overleverde van Allāh: “Wanneer Mijn dienaar een goede daad overweegt, schrijf het dan als een goede daad. En als hij het uitvoert, schrijf dan tien beloningen. En als hij een slechte daad overweegt, schrijf het dan nog niet op. Als hij het uitvoert, schrijf dan één zonde. Als hij het niet uitvoert, schrijf het dan als een goede daad.”Daarna reciteerde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): مَن جَآءَ بِٱلۡحَسَنَةِ فَلَهُۥ عَشۡرُ أَمۡثَالِهَاۖ وَمَن جَآءَ بِٱلسَّيِّئَةِ فَلَا يُجۡزَىٰٓ إِلَّا مِثۡلَهَا وَهُمۡ لَا يُظۡلَمُونَ ١٦٠Iedereen die een goede daad verricht zal tien maal daarvan de prijs krijgen en iedereen die een slechte daad verricht zal slechts de vergelding van het gelijkwaardige krijgen en hen zal geen onrecht aangedaan worden.

(Anʿām: 6:160) Abū ʾĪsā at-Tirmidhī رحمه الله zei dat deze ḥadīth ḥasan ṣaḥīḥ is.

An-Nasāʾī heeft deze ḥadīth eveneens overgeleverd in zijn Kitāb al-Qunūt en Kitāb ar-Riqāq, zoals vermeld bij al-Qasṭallānī. Ibn Mājah overlevert in zijn Sunan van Abū Dhar رضي الله عنه een soortgelijke ḥadīth: 44. Volgens zijn versie zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Allāh (تعالى) zegt: “Wie een goede daad verricht, ontvangt daarvoor een tienvoudige beloning, of zelfs nog meer. Wie een slechte daad begaat, wordt slechts vergolden met iets dat daaraan gelijkwaardig is, of Ik schenk hem vergeving voor die daad.Wie zich tot Mij wendt met een handspan, tot hem nader Ik met een armlengte. Wie zich tot Mij wendt met een armlengte, tot hem nader Ik met een vademlengte. En wie zich tot Mij lopend begeeft, tot hem kom Ik snel.En wie tot Mij komt met zonden die de aarde zouden kunnen vullen, tot hem kom Ik met een even grote hoeveelheid vergiffenis.”

Uitleg van de 36–44 aḥadīth

Al-Māzirī zei: Volgens Qāḍī Abū Bakr Ibn aṭ-Ṭayyib geldt dat iemand die in zijn hart vastbesloten is tot een kwaad en deze vastberadenheid verder versterkt, begaat, wat betreft zijn overtuiging en vastberadenheid, een zonde.

De aangelegenheid die in de aḥadīth wordt vermeld, heeft echter betrekking op degenen die een slechte gedachte hebben zonder deze stevig in hun hart te verankeren. Gedachten en intenties die zich niet in het hart verankeren worden “ham” (een eerste gedachte of overweging) genoemd; ham en ʿazm (vastberadenheid) zijn twee verschillende zaken. Dit is het standpunt van Qāḍī Abū Bakr رحمه الله, hoewel de meerderheid van de juristen (fuqahā) en ḥadīthgeleerden (muhaddithûn) hebben hem daarin tegengesproken en zich gebaseerd op de letterlijke, uiterlijke betekenis van de ḥadīth.

Qāḍī ʿIyāḍ رحمه الله zei: " De meerderheid van de salaf en de meeste geleerden van kennis zijn van mening dat de mens ook verantwoordelijk wordt gehouden voor de zonden van het hart, op basis van de aḥādīth die daarop duiden, in tegenstelling tot de opvatting die Qāḍī Abū Bakr heeft uiteengezet.

Zij hebben echter gezegd dat het vastberaden besluiten tot een slechte daad als een zonde wordt opgeschreven, maar niet als een zonde in dezelfde mate als de daadwerkelijk bedoelde of beoogde slechte daad.

Dit is omdat iemand die deze gedachte koestert het kwaad nog niet daadwerkelijk heeft verricht. Dat hij zich ervan weerhoudt, komt niet voort uit vrees voor Allāhu (تعالى) of uit het zich tot Hem wenden, maar uit een andere reden.

Het hardnekkig koesteren van het voornemen tot het kwaad en de vastberadenheid om het te verrichten, vormen op zichzelf al een slechte daad. Daarom wordt dit als een zonde opgeschreven. Wanneer iemand het kwaad vervolgens daadwerkelijk begaat, wordt daarvoor een tweede zonde opgeschreven.

Als hij daarentegen afziet van het verrichten van het kwaad uit vrees voor Allāhu (تعالى), dan wordt dat, zoals in de ḥadīth is vermeld, voor hem als een goede daad opgeschreven.

In de overlevering staat immers: “Hij heeft het uit vrees voor Mij achterwege gelaten.” Dit wijst erop dat de dienaar het slechte heeft verlaten uit vrees voor Allāhu (تعالى), zich heeft verzet tegen zijn nafs die tot het kwade aanzet en weerstand heeft geboden aan zijn begeerten.

Gedachten die niet worden opgeschreven, zijn de voorbijgaande ingevingen die slechts door het hart trekken zonder dat iemand het voornemen vormt ernaar te handelen of het besluit neemt ze uit te voeren.

Over de vraag of iemand die een zonde nalaat uit vrees voor mensen daarvoor wordt beloond, bestaat onder sommige theologen (mutakallimûn) verschil van mening. Sommigen van hen stelden: “Hiervoor wordt geen beloning opgeschreven, omdat hij de zonde slechts uit schaamte voor de mensen heeft nagelaten.” Deze opvatting is echter zwak.

Er zijn namelijk duidelijke en ondubbelzinnige sharʿī teksten (nuṣûṣ m.v. naṣ) van die aantonen dat een mens ook ter verantwoording kan worden geroepen voor de kwade voornemens die hij in zijn hart koestert. Zo zegt Allāh in een āyah:

إِنَّ ٱلَّذِينَ يُحِبُّونَ أَن تَشِيعَ ٱلۡفَٰحِشَةُ فِي ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ لَهُمۡ عَذَابٌ أَلِيمٞ فِي ٱلدُّنۡيَا وَٱلۡأٓخِرَةِۚ وَٱللَّهُ يَعۡلَمُ وَأَنتُمۡ لَا تَعۡلَمُونَ ١٩

Waarlijk, degenen die er van houden dat de gruweldaad zich verspreidt onder de gelovigen, zullen in deze wereld en in het Hiernamaals een pijnlijke bestraffing hebben. En Allāh weet en jullie weten niet. (Nûr, 24:19)

En in een andere āyah:

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ ٱجۡتَنِبُواْ كَثِيرٗا مِّنَ ٱلظَّنِّ إِنَّ بَعۡضَ ٱلظَّنِّ إِثۡمٞۖO, jullie die geloven! Vermijdt achterdocht. Waarlijk, een deel van de kwade vermoedens zijn zonden. (Hujurāt, 49:12) Er zijn hierover veel āyāt.

Er zijn duidelijke sharʿī teksten (nuṣûṣ) die aantonen dat jaloezie (ḥasad), het minachten van muʾmins, het wensen van kwaad voor hen en soortgelijke innerlijke zonden verboden zijn.

Daarnaast bestaat er hierover consensus (ijmāʿ) binnen de ummah. En Allāhu (تعالى) weet het best wat correct is.

Wat betreft de verklaring van de uitspraak: “Allāhu (تعالى) laat niemand ten onder gaan behalve degene die het verdient om ten onder te gaan.”, zegt Qāḍī ʿIyāḍ رحمه الله: “Allahs genade/barmhartigheid (raḥmah) en vrijgevigheid/edelmoedigheid (karam) omvatten al Zijn dienaren. Voor degene die de zonde niet begaat, verandert Hij diens intentie in een beloning. Voor degene die het wel begaat, wordt slechts één zonde opgeschreven. En wie het goede voorneemt, krijgt daarvoor al een beloning, zelfs als hij die niet uitvoert. En als hij het wel uitvoert, dan wordt het met tien tot zevenhonderdvoud beloond.”

Als iemand dus van deze karam verstoken blijft, terwijl zijn zonden stuk per stuk worden opgetekend en zijn goede daden worden vermenigvuldigd, dan is hij werkelijk iemand die de vernietiging verdient. Hij is iemand die door zijn tekortkomingen het heeft gemist. Hij dacht niet eens aan het verrichten van goede daden, en hij weerhield zich nooit van slechte daden. Zijn zonden groeiden daardoor en overvleugelden zijn goede daden.

Imām Abū Jaʿfar aṭ-Ṭaḥāwī zei: “Deze overleveringen wijzen erop dat de engelen die de daden registreren (al-ḥafazah) niet alleen uiterlijke handelingen opschrijven, zoals sommigen beweren, maar ook de innerlijke handelingen van het hart.”

Over de uitspraak “tot zevenhonderdvoud of zelfs meer” bestaat onder de geleerden gangbare opvatting dat dit geen vast maximum (beloning) aanduidt. Abū ’l-Ḥasan al-Māwardī stelde daarentegen dat deze uitspraak gebaseerd is op een onjuistheid in de overleveringsketen.

Deze reeks aḥādīth toont de grootsheid van de gunst (ihsân) van Allāhu (تعالى) jegens de ummah van Muhammad (صلى الله عليه وسلم). Zij verduidelijken hoe eervol deze ummah is en hoezeer de last van deze ummah is verlicht in vergelijking met de voorgaande umam. Tevens wordt in deze overleveringen zichtbaar hoe de ṣaḥābah onderling wedijverden in het naleven van de fundamenten van de sharīʿah.

Abū Isḥāq az-Zujjāj zei: "Het slot van surah al-Baqarah (2:286), met daarin de smeekbede:رَبَّنَا لَا تُؤَاخِذۡنَآ إِن نَّسِينَآ أَوۡ أَخۡطَأۡنَاۚOnze Rab! Straf ons niet voor wat wij (onopzettelijk) vergeten of wat wij fout doen…,is een duʿāʾ die Allāh aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) en de mu’mins heeft geleerd. Allāh heeft deze duʿāʾ in Zijn Boek opgenomen zodat het ook door degenen na de ṣaḥābah gelezen en uit het hoofd geleerd kan worden. Het is een smeekbede die vaak herhaald dient te worden."

Daarmee wordt verwezen naar de overlevering: “Allāh heeft mijn ummah vergeven voor wat er in hun harten omgaat, zolang zij het niet uitspreken of uitvoeren.” (Uit de Uitleg van an-Nawawī)

Allāh zegt:مَن جَآءَ بِٱلۡحَسَنَةِ فَلَهُۥ عَشۡرُ أَمۡثَالِهَاۖ وَمَن جَآءَ بِٱلسَّيِّئَةِ فَلَا يُجۡزَىٰٓ إِلَّا مِثۡلَهَا وَهُمۡ لَا يُظۡلَمُونَ ١٦٠

Iedereen die een goede daad verricht zal tien maal daarvan de prijs krijgen en iedereen die een slechte daad verricht zal slechts de vergelding van het gelijkwaardige krijgen en hen zal geen onrecht aangedaan worden. (Anʿām 6:160)Hier wordt bedoeld dat die daad daadwerkelijk verricht moet zijn. De meervoudige beloning geldt alleen voor uitgevoerde goede daden. Voor een loutere intentie wordt één beloning gegeven.

Het is mogelijk dat Allāhu (تعالى) reeds een beloning opschrijft, zelfs zonder dat er sprake is van daadwerkelijke vastberadenheid, enkel vanwege de gedachte aan het verrichten van een goede daad. Ook voor de enkele wil (irādah) wordt soms al een beloning opgeschreven, omdat die wil de aanleiding kan zijn tot goed handelen. Het verlangen naar het goede is op zichzelf al een vorm van goedheid. Er is immers gezegd: “Het goede behoort tot de daden van het hart.”

Als iemand een goede daad nalaat, kan dat het gevolg zijn van een externe belemmering of van een interne oorzaak. De beloning hangt af van de reden voor dat nalaten. Wanneer er een externe belemmering is en iemand de intentie blijft behouden, dan is de beloning groot. Wanneer de oorzaak in de persoon zelf ligt, dan is de beloning kleiner. En wanneer iemand de intentie tot het goede volledig opgeeft, vervalt de beloning geheel. Dit geldt des te sterker wanneer hij zelfs het tegenovergestelde doet, zoals geld geven met de intentie van ṣadaqah, maar het geld vervolgens besteedt aan iets wat niet toegestaan is; in dat geval wordt hij geheel van de beloning beroofd.

De mate van beloning voor een verrichte goede daad verschilt naargelang de graad van oprechtheid (ikhlāṣ), de oprechtheid van de vastberadenheid, de innerlijke rust van het hart en de mate van nut die ermee wordt bereikt.

Wat betreft iemand die een zonde overweegt maar deze nalaat: Qāḍī al-Bāqillānī en anderen stelden: “Wanneer iemand in zijn hart een zonde voorneemt en deze vastberaden in zijn rûḥ verankert, dan heeft hij reeds gezondigd. De vergeving die in de ḥadīth wordt genoemd, geldt slechts voor degene die de zonde slechts heeft overwogen zonder zich daartoe daadwerkelijk te hebben vastgezet.”

Al-Māwardī zegt dat veel juristen (fuqahâ’), ḥadīthgeleerden (muhaddithûn) en theologen (mutakallamûn) het niet met deze mening eens zijn. Hij citeert hierin de verklaring van Imām ash-Shāfiʿī. Dit wordt ook ondersteund door de letterlijke betekenis van de overlevering van Abū Hurayrah رضي الله عنه in Ṣaḥīḥ Muslim, waarin staat: “Ik vergeef hem zolang hij de zonde niet daadwerkelijk uitvoert.”Hier verwijst 'daadwerkelijk' naar het verrichten van de zonde met een orgaan/ledemaat”.

Qāḍī ʿIyāḍ heeft vermeld dat de meerderheid van de salaf hetzelfde standpunt heeft als dat van al-Bāqillānī. Want zij waren het er unaniem over eens dat de dienaar ook verantwoordelijk zal worden gehouden voor de daden van het hart. Echter hebben zij gezegd: “Vanwege het vastberaden besluiten tot het kwaad wordt slechts één enkele slechte daad opgeschreven. Met andere woorden: de zonde van de slechte daad die men van plan was te verrichten, wordt niet opgeschreven. Net zoals iemand die een slechte daad beveelt, maar vervolgens niet de oorzaak is dat deze daad ook daadwerkelijk wordt uitgevoerd. Zo iemand begaat wel een zonde door het bevel tot kwaad, maar hij verdient niet de zonde van het daadwerkelijk verrichten van dat kwaad.”

Samenvattend blijkt dat de meeste geleerden van mening zijn dat iemand ter verantwoording wordt geroepen als hij vastbesloten is tot een zonde. Wel bestaan er verschillen van inzicht over de aard van deze verantwoording. Volgens sommigen wordt dit in het wereldse leven al bestraft door verdriet en leed. Volgens sommigen zullen zij op de Yawm al-Qiyāmah niet worden gestraft door bestraffing zelf, maar door ter verantwoording te worden geroepen (hisāb).

De geleerden die van mening zijn dat iemand niet verantwoordelijk wordt gehouden voor zijn gedachten, hebben echter een uitzondering gemaakt voor het denken aan kwaad binnen het Heilige Gebied van Makkah (al-Ḥaram al-Makkī), zelfs wanneer het nog geen vaste vastberadenheid (ʿazm) betreft.

Want Allāh zegt:وَمَن يُرِدۡ فِيهِ بِإِلۡحَادِۭ بِظُلۡمٖ نُّذِقۡهُ مِنۡ عَذَابٍ أَلِيمٖ ٢٥……En ieder die daar tot kwade daden nijgt, of zonden begaat daarvoor zullen Wij zorgen dat hij een pijnlijke bestraffing te proeven heeft.( Ḥajj 22:25)De Ḥaram (al-Makkī) dient zelfs in gedachten geëerbiedigd (taʿẓīm) te worden. Wie daar het kwade verlangt, overschrijdt daarmee de grenzen van eerbied (taʿẓīm) en handelt in strijd met wat verplicht (wâjib) is. Vandaar dat zondigen in de Ḥaram veel zwaarder weegt dan elders.

Wie zondige gedachten heeft over het overtreden van de regels van de Ḥaram is een opstandige (tegenover Allāh). Wie zulke gedachten heeft met als doel de voorschriften van Allāh te bagatelliseren, wordt zelfs een kāfir. De gedachte aan een zonde die vergeven wordt, is een gedachte die niet voortkomt uit het doel om het gebod te minachten.

"Of Allāh wist die zonde uit", dat wil zeggen: Hij wist het uit vanwege berouw (tawbah), vergiffenis vragen aan Allāh (istighfār) of door een goede daad die als boetedoening (kaffârah) daarvoor geldt. In een āyah staat immers:

إِنَّ ٱلۡحَسَنَٰتِ يُذۡهِبۡنَ ٱلسَّيِّـَٔاتِۚ ذَٰلِكَ ذِكۡرَىٰ لِلذَّٰكِرِينَ ١١٤Waarlijk, de goede daden verwijderen de slechte daden. Dat is een advies voor degenen die denken.

(Hūd 11:114)In een andere āyah staat:إِن تَجۡتَنِبُواْ كَبَآئِرَ مَا تُنۡهَوۡنَ عَنۡهُ نُكَفِّرۡ عَنكُمۡ سَيِّـَٔاتِكُمۡ وَنُدۡخِلۡكُم مُّدۡخَلٗا كَرِيمٗا ٣١Indien jullie grote zonden -die verboden zijnvermijden, zullen Wij jullie zonden vergeven en zullen Wij jullie naar een eervolle plaats (Jannah) leiden.(Nisāʾ 4:31)

Net zoals bij de gedachte aan kwaad, hebben sommigen ook de slechte daden die in het Ḥaram van Makkah worden begaan als een uitzondering beschouwd (namelijk de bestarffing is zwaarder vanwege de grootheid en heiligheid van die plaats.)