23. De ahadith over dat de barmhartigheid (raḥmah) van Allāhu (تعالى) Zijn toorn (ghaḍab) heeft overtroffen en dat Allāhu (تعالى) de berouw (tawbah) van zondaars aanvaardt
De ahadith over “Mijn barmhartigheid (raḥmah) heeft Mijn toorn/woede (ghaḍab) overtroffen”
al-Bukhārī heeft in zijn Sahīh, in Kitāb at-Tawḥīd (volgens de marginale aantekening van Ahmad al-Qastallani, deel 10, p. 381), in het hoofdstuk dat verband houdt met de āyah:
وَيُحَذِّرُكُمُ ٱللَّهُ نَفۡسَهُۥۗ ... En Allāh waarschuwt jullie voor Hemzelf ... (Āl ʿImrān, 3:28)
223. Van … Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Toen Allāh de schepping schiep, heeft Hij in Zijn Boek vastgelegd, en dit is geschreven boven de ʿArsh: ‘Mijn raḥmah heeft Mijn ghaḍab overtroffen.”
al-Bukhārī heeft deze hadīth ook elders in Kitāb at-Tawḥīd overgeleverd, met de volgende bewoording: 224. (Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:) “Toen Allāh het oordeel velde om de schepping te scheppen, schreef Hij bij Zichzelf boven de ʿArsh: ‘Mijn raḥmah heeft Mijn ghaḍab overtroffen.”
al-Bukhārī heeft deze hadīth ook in Kitāb Badʾ al-Khalq overgeleverd (volgens Ahmad al-Qastallani, deel 5, p. 251):225. Ook daar wordt overgeleverd van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):
“Mijn raḥmah heeft Mijn ghaḍab overtroffen,” en ook daar staat: “Toen Allāh de schepping wilde scheppen…”
Muslim ibn al-Hajjaj heeft deze hadīth eveneens overgeleverd in Kitāb at-Tawbah, in het hoofdstuk “De overvloed van de raḥmah van Allāh”.
An-Nasāʾī heeft hem ook in Kitāb an-Nuʿūt overgeleverd.
Ahmad al-Qastallani vermeldt dat At-Tirmidhī deze hadīth ook met de volgende bewoording heeft overgeleverd:
226. “Allāhu (تعالى) heeft over Zichzelf het volgende oordeel geveld: “Mijn raḥmah heeft Mijn ghaḍab overtroffen.”
At-Tirmidhī zegt hierover dat de hadīth ḥasan, ṣaḥīḥ en gharīb is.
227. Ibn Mājah heeft deze hadīth met de volgende bewoording overgeleverd:
“Jouw Rab heeft, vóórdat Hij de schepping schiep, met Zijn Hand over Zichzelf het volgende oordeel geveld: ‘Mijn raḥmah heeft Mijn ghaḍab overtroffen.”
Uitleg van de ahadīth 225–227
Deze uitleg is overgenomen uit de uitleg van Ahmad al-Qastallani, Kitāb at-Tawḥīd, deel 10, p. 381.
Met het “schrijven” van Allāhu (تعالى) wordt bedoeld dat Hij de pen heeft bevolen dit te schrijven; (niet dat het letterlijk een handeling is zoals bij de schepping).
“Het is boven de Troon (`Arsh) geschreven,” dat wil zeggen: het is voor de andere schepselen verborgen en ontoegankelijk. Het verheft zich bovendien boven hun vermogen tot begrijpen.
Allāhu (تعالى) is vrij van plaats (makān). Dat Allāhu (تعالى) iets laat opschrijven, oftewel daartoe opdracht geeft, is niet omdat Hij het anders zou vergeten. Allāhu (تعالى) is verheven boven de eigenschap van vergeetachtigheid. Dat Allāhu (تعالى) dit aan het begin van de schepping boven de ʿArsh liet opschrijven, is een aanwijzing voor de verhevenheid van die woorden.
Want de Lawḥ al-Maḥfūẓ (het door Allāh bewaarde Boek waarin alles reeds is vastgelegd) bevindt zich onder de ʿArsh. De schriftelijke vastlegging van deze bepaling is boven de ʿArsh geschreven. Misschien ligt hierin het geheim dat alles onder de Lawḥ al-Maḥfūẓ behoort tot de wereld van oorzaken en gevolgen (asbāb en musabbabāt), terwijl de Lawḥ al-Maḥfūẓ de uiteenzetting en vastlegging van deze zaken omvat.
Het schrijven boven de ʿArsh bevat de woorden: “Mijn raḥmah heeft Mijn ghaḍab overtroffen.”
Met “ghaḍab” wordt hier bedoeld: de straf en bestraffing die voortkomt uit de ghaḍab van Allāhu (تعالى), dus het bereiken van straf tot degenen die die ghaḍab verdienen.
Want dat het ene het andere overtreft en erover zegeviert, heeft betrekking op datgene waarmee het verbonden is. Dat wil zeggen: de raḥmah gaat vooraf aan de ghaḍab in haar betrekking tot de schepping. De raḥmah vloeit namelijk voort uit de verheven Dhāt van Allāhu (تعالى), terwijl de ghaḍab zichtbaar wordt als gevolg van de daden die de geschapen dienaar verricht.
Ahmad al-Qastallani vermeldt in Kitāb Badʾ al-Khalq de uitleg van Al-Turbishti:
Dat de raḥmah van Allāhu (تعالى) Zijn ghaḍab “overtreft”, betekent dat het aandeel van de mensen in de raḥmah van Allāh groter is dan hun aandeel in de ghaḍab van Allāh. Bovendien bereikt de raḥmah hen zonder dat zij daarvoor iets verdienen, terwijl de ghaḍab hen slechts bereikt als gevolg van hun eigen daden.
Zie je niet dat de raḥmah de mens omvat in de baarmoeder, in de babytijd, in de vroege kindertijd en tijdens de groei, zonder dat hij daarvoor enige daad van gehoorzaamheid heeft verricht? De ghaḍab daarentegen treft de mens pas wanneer hij zonden en ongehoorzaamheid heeft begaan.
In Al-Maṣābīḥ wordt gezegd: ghaḍab betekent de wil om te straffen, en raḥmah betekent de wil om te belonen met vergelding voor goede daden (thawāb). Eigenschappen van Allāhu (تعالى) kunnen niet letterlijk met elkaar in “overwinning” of “overtreffing” worden beschreven. In deze uitdrukking wordt echter bij wijze van beeldspraak (istiʿārah) duidelijk gemaakt dat de raḥmah de ghaḍab heeft overtroffen.
Het is ook geen probleem om raḥmah en ghaḍab te beschouwen als eigenschappen van Allāh die verband houden met handelingen (ṣifāt fiʿliyyah): raḥmah betekent thawāb en gunst (iḥsān), en ghaḍab betekent wraak en bestraffing. De “overtreffing” verwijst dan naar de manifestatie: de raḥmah van Allāhu (تعالى) komt in de praktijk vaker en ruimer tot uiting dan Zijn ghaḍab.
Al-Tayyibi verklaart de woorden van Allāhu (تعالى):
كَتَبَ رَبُّكُمۡ عَلَىٰ نَفۡسِهِ ٱلرَّحۡمَةَ Jullie Heer heeft Zichzelf de Genade voorgeschreven(Anʿām, 6:54)
als volgt: Dat wil zeggen: Hij heeft als belofte aan Zijn dienaren bekendgemaakt dat Hij hen zal begunstigen met raḥmah, en Hij heeft dit voor Zichzelf vastgesteld als iets dat Hij zal uitvoeren.
De ḥadīth: “Een dienaar pleegde een zonde en zei: ‘O mijn Rab ik heb een zonde begaan....”
al-Bukhārī heeft deze hadīth overgeleverd in deel 9, p. 145, in Kitāb at-Tawḥīd, in het hoofdstuk dat verbonden is met de āyah: يُرِيدُونَ أَن يُبَدِّلُواْ كَلَٰمَ ٱللَّهِۚ … Zij willen Allāh’s woorden veranderen. .. (Fatḥ, 48:15)
228. Van … Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een dienaar pleegde een zonde en zei: ‘O mijn Rab, ik heb een zonde begaan, vergeef mij.’
Zijn Rab zei: ‘Weet Mijn dienaar dat hij een Rab heeft die vergeeft en rekenschap vraagt? Ik heb Mijn dienaar vergeven.’
Daarna liet die persoon enige tijd voorbijgaan, zo lang als Allāhu (تعالى) wilde, en hij beging opnieuw een zonde. Hij zei: ‘O mijn Rab, ik heb weer een zonde begaan, vergeef mij.’
Zijn Rab zei opnieuw: ‘Weet Mijn dienaar dat hij een Rab heeft die vergeeft en rekenschap vraagt? Ik heb Mijn dienaar vergeven.’
Daarna liet hij opnieuw enige tijd voorbijgaan, waarna hij weer een zonde beging. Hij zei: ‘O mijn Rab, ik heb opnieuw een zonde begaan, vergeef mij.’
Zijn Rab zei weer: ‘Weet Mijn dienaar dat hij een Rab heeft die vergeeft en rekenschap vraagt? Ik heb Mijn dienaar drie keer vergeven; laat hem doen wat hij wil.”
Muslim ibn al-Hajjaj heeft deze hadīth in zijn Sahīh overgeleverd in het hoofdstuk “De overvloed van de raḥmah van Allāh en dat Zijn raḥmah Zijn ghadab overtreft”, volgens de marginale aantekening van Ahmad al-Qastallani, deel 10, p. 188.
229.Met een keten die teruggaat tot Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei, overleverend van zijn Rab: “Een dienaar beging een zonde en zei: ‘O Allāh, vergeef mijn zonde.’
Allāhu (تعالى) zei: ‘Mijn dienaar heeft een zonde begaan en hij weet dat hij een Rab heeft die zonden vergeeft en er ook rekenschap voor vraagt. Ik heb Mijn dienaar vergeven.’
Daarna keerde hij terug en beging opnieuw een zonde, en zei: ‘O mijn Rab, vergeef mijn zonde.’
Allāhu (تعالى) zei opnieuw: ‘Mijn dienaar heeft een zonde begaan en hij weet dat hij een Rab heeft die vergeeft en rekenschap vraagt. Ik heb Mijn dienaar vergeven.’
Toen hij weer een zonde beging en opnieuw zei: ‘O mijn Rab, vergeef mijn zonde,’ zei Allāhu (تعالى): ‘Mijn dienaar heeft een zonde begaan en hij weet dat hij een Rab heeft die vergeeft en rekenschap vraagt. Doe wat je wilt, Ik heb jou vergeven.”
(Een van de overleveraars) Abd al-Aʿlā zei daarbij: “Ik weet niet zeker of Hij ‘Doe wat je wilt...’ zei na de derde of na de vierde keer.”
Uitleg van de ahadīth 228–229
Abû al-ʿAbbās al-Qurtubī zegt in al-Mufhim dat deze hadīth wijst op de baten en de grootheid van het vragen om vergeving (istighfār), de overvloed van de faḍl van Allāhu (تعالى), en de overvloed van Zijn raḥmah (barmhartigheid) luṭf (subtiele goedheid) en iḥsān (weldoen).
Maar deze istighfār waarover gesproken wordt, is niet slechts een uiting met de tong; het is een istighfār waarvan de betekenis in het hart is gevestigd. Deze betekenis moet bij het uitspreken met de tong gepaard gaan met het losmaken van de knoop van volharding in de zonde en met een toestand die leidt tot berouw (nadāmah).
Daarop wijst ook de hadīth: “De besten onder jullie zijn degenen die zondigen en daarna berouw tonen.” Dat wil zeggen: degenen die, zodra zij een zonde begaan, onmiddellijk tawbah verrichten.
Dit is niet iemand die alleen met zijn tong zegt: “Ik vraag Allāh om vergeving”, terwijl zijn hart nog vasthoudt aan dezelfde zonde. Zo’n vorm van istighfār vereist op zichzelf opnieuw een waarachtige istighfār.
Van Ibn Abī al-Dunyā, van Abdullah ibn Abbas (رضي الله عنهما) als marfūʿ overgeleverd: “Degene die berouw toont van zijn zonde is als iemand die geen zonde heeft begaan. En degene die volhardt in de zonde en toch vergeving vraagt aan Allāh is als iemand die met zijn Rab spot.”
Er wordt echter gezegd dat het deel “die volhardt in de zonde…” mawqūf is (dus niet als marfūʿ bevestigd is).
[(Mawqūf” (موقوف) is een overlevering die stopt bij een ṣaḥābī en niet wordt toegeschreven aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).]
Ibn Battal legt deze ḥadīth als volgt uit: degene die volhardt in zonde staat onder de wil van Allāhu (تعالى). Als Hij wil straft Hij hem, en als Hij wil vergeeft Hij hem op basis van zijn vele goede daden. Want het geloven in Allāh als Rab die straft of vergeeft is zelf al een grote goede daad. Dat iemand, terwijl hij volhardt in de zonde, toch zijn Rab om vergeving vraagt, vormt een aanwijzing dat hij deze overtuiging bezit.
De uitspraak van Allāhu (تعالى): مَن جَآءَ بِٱلۡحَسَنَةِ فَلَهُۥ عَشۡرُ أَمۡثَالِهَاۖ وَمَن جَآءَ بِٱلسَّيِّئَةِ فَلَا يُجۡزَىٰٓ إِلَّا مِثۡلَهَا وَهُمۡ لَا يُظۡلَمُونَ ١٦٠Iedereen die een goede daad verricht zal tien maal daarvan de prijs krijgen en iedereen die een slechte daad verricht zal slechts de vergelding van het gelijkwaardige krijgen en hen zal geen onrecht aangedaan worden. (Anʿām, 6:160)
ondersteunt dit. En de grootste goede daad is tawḥīd, waarboven geen enkele daad verheven is.
Als iemand zegt: “Istighfār is toch hetzelfde als tawbah?”, dan wordt geantwoord: nee. Istighfār is slechts het vragen om vergeving. Dat kan zowel door iemand die volhardt in zonde als door iemand die berouw heeft worden gedaan. In de hadīth wordt niet gezegd dat istighfār automatisch tawbah is. Want de essentie van tawbah is: terugkeren van de zonde en vastbesloten zijn er niet naar terug te keren. Alleen het vragen om vergeving bevat deze betekenis niet vanzelf.
Taqi al-Din al-Subki schrijft in zijn boek al-Ḥalabiyyāt: “Istighfār is het vragen om vergeving met de tong, of met het hart, of met beide samen. Het eerste (vergeving vragen met de tong) heeft al een voordeel, want zelfs zwijgen zonder iets te vragen is minder goed dan istighfār zeggen, omdat het vragen om vergeving zelf tot de goede daden behoort. Het tweede (vergeving vragen met het hart) is duidelijk beter, en het derde (met beide samen vergeving vragen) is het meest volmaakte.
Zonder tawbah worden deze handelingen de zonde niet tenietgedaan, omdat iemand die in de zonde volhardt ook om vergeving kan vragen, en dat is geen bewijs dat zijn tawbah is aanvaard.
Wat betreft het verschil tussen istighfār en tawbah is, wanneer ik zeg dat istighfār niet automatisch tawbah betekent, dan is dat in termen van taalkundig gebruik.
Echter, bij de meeste mensen betekent “ik vraag Allāh om vergeving” ook meteen tawbah. Wie dat bedoelt, heeft dus tawbah in zijn uitspraak opgenomen”.
Daarna zegt hij:”Sommigen hebben gezegd dat tawbah alleen compleet is met istighfār, vanwege de uitspraak van Allāhu: وَأَنِ ٱسۡتَغۡفِرُواْ رَبَّكُمۡ ثُمَّ تُوبُوٓاْ إِلَيۡهِ “Vraag jullie Rab om vergeving (istighfār) en keer daarna tot Hem terug (tawbah).” (Hūd 11:3) Maar volgens de meest bekende opvatting is dat tawbah alleen compleet is en met istighfār geen verplichting. Anderen zeggen dat spijt (nadamah) op zichzelf voldoende is voor tawbah. Dit vereist dat men zich zuivert van de zonde en vastbesloten is er niet naar terug te keren. Deze twee zaken komen na de spijt.
In essentie zijn zuivering van de zonde en vastberadenheid om niet terug te keren geen aparte voorwaarden naast spijt (nadamah), maar ze vloeien eruit voort als onderdeel van de werkelijke tawbah.
De hadīth luidt ook: “Spijt is tawbah.” Ibn Mājah heeft deze hadīth als ḥasan overgeleverd van Abdullah ibn Masʿud (رضي الله عنه), en Al-Hakim al-Naysaburi heeft hem als ṣaḥīḥ beoordeeld.
Ook Ibn Hibban heeft dezelfde hadīth van Anas ibn Malik (رضي الله عنه) overgeleverd en als ṣaḥīḥ verklaard.
(Al deze uitleg is afkomstig uit de sharḥ van Ahmad al-Qastallani, deel 10, p. 435. En Allāh weet het het beste.)
Yahya ibn Sharaf an-Nawawī schrijft in zijn Sharḥ Ṣaḥīḥ Muslim: ”De geleerden zijn het erover eens dat het verplicht (wājib) is om voor alle zonden onmiddellijk tawbah te verrichten na het begaan van de zonde. Deze verplichting wordt volgens de Ahl as-Sunnah vastgesteld door de sharīʿah, terwijl de Muʿtazilah dit als een rationele verplichting beschouwen.
Volgens Ahl as-Sunnah is het echter zo dat zelfs wanneer alle voorwaarden van een oprechte tawbah aanwezig zijn, het niet rationeel noodzakelijk is dat Allāhu (تعالى) deze moet accepteren. Maar uit Zijn faḍl en iḥsān accepteert Hij deze wel. Wij weten dat Allāhu (تعالى) de tawbah accepteert op basis van de sharīʿah en de consensus (ijmāʿ) van de geleerden.
Wanneer iemand een geldige en oprechte tawbah verricht en daarna opnieuw in dezelfde zonde vervalt, dan wordt hem een nieuwe zonde geschreven. Zijn eerdere tawbah wordt daardoor niet ongeldig verklaard. Dit is de mening van Ahl as-Sunnah. Dit geldt ook wanneer zonde en tawbah zich herhalen. En Allāh weet het het beste.
De ḥadīth: “Bij Allāh, Allāh voelt vreugde en opluchting over de tawbah van Zijn dienaar…”
Muslim ibn al-Hajjaj heeft in zijn Ṣaḥīḥ, in Kitāb at-Tawbah (volgens de marginale aantekening van Ahmad al-Qastallani, deel 10, p. 171), het volgende overgeleverd:
230. Van …Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) zegt: ‘Ik ben zoals Mijn dienaar over Mij denkt, en wanneer hij Mij gedenkt, ben Ik bij hem.’
Bij Allāh, Allāhu (تعالى) verheugt Zich over de tawbah van Zijn dienaar, zoals één van jullie zich verheugt wanneer hij zijn verloren kameel terugvindt in de woestijn.
Allāhu (تعالى) zegt: “Wie Mij een handspan nadert, die nader Ik een armspan. En wie zich lopend naar Mij begeeft, kom Ik hem snel tegemoet.”
Uitleg van de 230ste hadīth
Yahya ibn Sharaf an-Nawawī zegt over de woorden van Allāhu (تعالى): “Over de uitspraak: “Ik ben zoals Mijn dienaar over Mij denkt,” zegt al-Qāḍī al-Bayḍāwī (رحمه الله) dat de betekenis ervan is: wanneer de dienaar verwacht dat Allāhu (تعالى) hem zal vergeven wanneer hij istighfār verricht, zijn tawbah zal aanvaarden wanneer hij berouw toont, zijn duʿāʾ zal beantwoorden/verhoren wanneer hij Hem aanroept, en hem zal schenken wat hij nodig heeft wanneer hij zijn hoop op Hem stelt, dan zal Allāhu (تعالى) hem behandelen overeenkomstig die goede verwachting”.
Er wordt ook gezegd dat de bedoeling (van deze uitspraak) is om de dienaar hoop (rajāʾ) en verwachting van vergeving te geven, en dit is de correcte opvatting.
De woorden “wanneer hij Mij gedenkt, ben Ik bij hem” betekenen dat Allāhu (تعالى) bij Zijn dienaar is met Zijn Barmhartigheid (raḥmah), Leiding naar het goede (tawfīq), leiding (hidāyah), bescherming en hulp.
Wat betreft de āyah: وَهُوَ مَعَكُمۡ أَيۡنَ مَا كُنتُمۡۚ …En Hij is met jullie, waar jullie ook zijn…(Ḥadīd, 57:4),
dit betekent dat Allāhu (تعالى) met Zijn kennis (`ilm) en alomvattendheid (iḥāṭah) bij Zijn dienaar is.
Wat aan het einde van de hadīth wordt genoemd over “naderen” dat eerder is vermeld dat hier niet de letterlijke (ẓāhirī) betekenis uit afgeleid mag worden.
Wat voor ons verplicht is, is dat wij Allāhu (تعالى) verheven verklaren boven eigenschappen die behoren tot de geschapen wezens. Lopen, bewegen, zich van de ene plaats naar de andere verplaatsen en soortgelijke zaken zijn handelingen die vergankelijkheid en verandering vereisen. Allāhu (تعالى) is daarvan verheven en vrij.
Hieruit moet de volgende betekenis worden begrepen: wie Mij nadert door gehoorzaamheid, die nader Ik met Mijn raḥmah, Mijn tawfīq (het door Allāh geschonken succes om het juiste te doen) en Mijn hulp. En wie zijn gehoorzaamheid aan Mij vermeerdert, voor hem vermeerder Ik Mijn raḥmah, Mijn tawfīq en Mijn hulp vele malen.
Met het feit dat Allāhu (تعالى) “rennend” tegemoetkomt aan degene die zich lopend naar Hem begeeft, wordt bedoeld dat Hij overvloedig Zijn raḥmah schenkt. De beloning voor de daad van een dienaar wordt namelijk vele malen meer gegeven dan wat hij zelf heeft verricht. (an-Nawawī)
De geleerden zeggen: “vreugde en opluchting voelen van Allāhu (تعالى),” betekent Zijn welbehagen en welbehagen (riḍā) over iets. Al-Māzarī (رحمه الله) zegt ook: vreugde en blijdschap kunnen verschillende vormen aannemen, waaronder vreugde. Wanneer men verheugd is, is men ook tevreden over datgene wat aanleiding gaf tot die vreugde. Dat wil zeggen: er wordt goedheid (ihsān) aan hem geschonken.
Met de uitdrukking die in de ḥadīth voorkomt, wordt bedoeld dat het welbehagen en het welbehagen van Allāhu (تعالى) over de tawbah van Zijn dienaar groter zijn dan de vreugde van iemand die in de woestijn zijn rijdier was kwijtgeraakt en het vervolgens terugvindt.
In de ḥadīth is het welbehagen (riḍā) van Allāhu (تعالى) uitgedrukt met het woord “vreugde”, om in het hart van de luisteraar de betekenis van welbehagen en welbehagen sterker te laten doordringen, het op een begrijpelijke wijze duidelijk te maken en de zekerheid van die betekenis te benadrukken. (Yahya ibn Sharaf an-Nawawī, Sharḥ, deel 10, p. 172)
De ḥadīth: “Twee mannen onder de bewoners van Jahannam begonnen luid te schreeuwen.”
At-Tirmidhī heeft deze hadīth overgeleverd in deel 2, p. 99, in het hoofdstuk “Kenmerken van de bewoners van Jahannam”.
231. Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Twee mannen onder de bewoners van Jahannam begonnen luid te schreeuwen.
Onze Rab, عَزَّ وَجَلَّ, zei: ‘Haal hen eruit.’
Toen zij eruit waren gehaald, zei Hij tegen hen: ‘Waarom schreeuwden jullie zo hevig?’
Zij zeiden: ‘Wij deden dat opdat U ons genadig zou zijn.’
Allāhu (تعالى) zei: “Als jullie opstaan en jullie op de plek in de Jahannam werpen waar jullie eerder waren, dan zal Mijn genade (rahmah) met jullie zijn”.Daarop wierp één van hen zichzelf erin terug, waarna Allāhu (تعالى) die plaats voor hem koel en veilig maakte.
De ander bleef staan en wierp zichzelf niet terug.
Rab عَزَّ وَجَلَّ zei tegen hem: ‘Wat heeft jou ervan weerhouden om jezelf terug te werpen zoals je metgezel deed?’
Hij zei: ‘O mijn Rab, nadat U mij eruit heeft gehaald, hoop ik dat U mij niet opnieuw daarin terugbrengt.’
Rab (تعالى) zei: ‘Jouw wens is geaccepteerd.’
En zo gingen zij beiden Jannah binnen door de raḥmah van Allāh.”
At-Tirmidhī zei echter: deze hadīth is zwak (ḍaʿīf), omdat hij is overgeleverd via Rashdīn ibn Saʿad. Rüşdeyn ibn Saʿd is volgens de ḥadīth-specialisten een zwakke overleveraar.
Er is ook overgeleverd door Rushdayn ibn Saʿad van Ibn Abī Nuʿm al-Ifrīqī. Over al-Ifrīqī wordt gezegd dat hij volgens de muḥaddithūn een zwakke overleveraar is. Daarmee bevinden zich in deze sanad twee zwakke overleveraars, want zowel Rushdayn ibn Saʿad als Ibn Abī Nuʿm behoren tot de overleveraars die in de keten van deze ḥadīth voorkomen.
Uitleg van de 231ste hadīth
De twee mannen die Jahannam waren binnengegaan, behoren zeker tot de mensen van tawḥīd (ahl at-tawḥīd). Zij zijn geen mushrikūn, want Jannah is verboden voor degenen die Allāh (تعالى) deelgenoten toekennen.
Allāhu (تعالى) zegt:إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَغۡفِرُ أَن يُشۡرَكَ بِهِۦ وَيَغۡفِرُ مَا دُونَ ذَٰلِكَ لِمَن يَشَآءُۚ وَمَن يُشۡرِكۡ بِٱللَّهِ فَقَدِ ٱفۡتَرَىٰٓ إِثۡمًا عَظِيمًا ٤٨
Waarlijk, Allāh vergeeft het niet als er met Hem deelgenoten worden aanbeden, maar daarnaast vergeeft Hij wat Hij wil, en iedereen die Allāh deelgenoten toekent, heeft zeker een afschuwelijke zonde begaan. (Nisāʾ, 4:48)
En Hij zegt ook:
إِنَّهُۥ مَن يُشۡرِكۡ بِٱللَّهِ فَقَدۡ حَرَّمَ ٱللَّهُ عَلَيۡهِ ٱلۡجَنَّةَ وَمَأۡوَىٰهُ ٱلنَّارُۖ وَمَا لِلظَّٰلِمِينَ مِنۡ أَنصَارٖ ٧٢
Waarlijk, iedereen die deelgenoten aan Allāh toekent in de aanbidding: Allāh heeft hem waarlijk Jannah verboden. En voor hem zal het Vuur zijn verblijfplaats zijn. En voor de onrechtvaardigen zullen er geen helpers zijn. (Mā’idah, 5:72)
Volgens de betekenis van de hadīth heeft Allāhu (تعالى) deze twee mensen uiteindelijk Zijn raḥmah geschonken en hen uit Jahannam gehaald. Daarna heeft Allāh hen op de proef gesteld. De eerste persoon haastte zich om het bevel van Allāh direct uit te voeren en wierp zichzelf zonder aarzeling in Jahannam. Hij interpreteerde (Allahs) bevel niet. Allāhu (تعالى) maakte daarom Jahannam voor hem koel en een plaats van veiligheid, uit Zijn faḍl en iḥsān.
De tweede persoon werd overheerst door zijn hoop op de raḥmah van Allāh (تعالى). En inderdaad: de raḥmah van Allāh overtreft Zijn ghaḍab, en ook hij bereikte uiteindelijk de raḥmah van Allāh.
Hieruit mag echter niet worden geconcludeerd dat iemand zich kan verlaten op deze hoop en daarom (goede)daden kan nalaten. De bedoeling van de hadīth is juist om de overvloed van de raḥmah van Allāhu (تعالى) te tonen.
Allāh kan Zijn raḥmah toewijzen aan wie Hij wil, zoals in het geval van deze twee mannen.
O, Allāh, wij vragen U om ons te doen behoren tot degenen die delen in Zijn allesomvattende raḥmah. Āmīn.