As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Aḥadīthi’l Qudsiyyah — Hoofdstuk 21: Overleveringen betreffende het afdwingen van een gelofte (naḏr), het nemen van bezit van een gierig persoon, en het feit dat de beschikking van Allāhu (تعالى) niet kan worden teruggedraaid.

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

25. Overleveringen betreffende het afdwingen van een gelofte (naḏr), het nemen van bezit van een gierig persoon, en het feit dat de beschikking van Allāhu (تعالى) niet kan worden teruggedraaid.

De ḥadīth waarin staat dat het niet correct is dat iemand zegt: “Ik ben beter dan die en die persoon.”

al-Bukhārī رَحِمَهُ اللهُ heeft de hadīth over de gelofte (naḏr) overgeleverd in deel 8, p. 125, in Kitāb al-Qadar, in het hoofdstuk “De naḏr en de voorbeschikking (qadar) over de dienaar.

232. Van … `Abdullah ibn `Umar (رضي الله عنهما), hij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verbood gelofte (naḏr) en zei: ‘Het verandert niets (van wat in de voorbeschikking (qadar) is), maar het wordt gebruikt om iets uit de bezittingen van de gierige persoon te verkrijgen.”

al-Bukhārī heeft ook het volgende overgeleverd:

233. Van … Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:” Een gelofte (naḏr) brengt de zoon van Ādam niets op. Wat Ik niet voorbeschikt heb, zal niet plaatsvinden. Hem bereikt slechts wat reeds voor hem in de qadar is vastgesteld en wat Ik voor hem heb bepaald. Maar door middel van de naḏr neem Ik bezit af van de gierige (op die manier wordt uit het vermogen van degene die geen ṣadaqah geeft alsnog het recht van de ṣadaqah genomen.”

Ibn Mājah heeft deze hadīth eveneens overgeleverd met de volgende bewoording:

234. Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:” “De naḏr brengt de zoon van Ādam niets meer dan wat voor hem al is vastgesteld. Maar voor hem krijgt de qadar de overhand Wat voor hem is voorbestemd, zal hem bereiken. Ook door een gelofte wordt het noodzakelijke uit het bezit van de gierigaard gehaald. Zo wordt hetgeen eerder niet voor hem vergemakkelijkt was, alsnog voor hem vergemakkelijkt.

Allāhu (تعالى) zegt: “Geef uit, dan zal Ik ook aan jou geven.”

232–234. Uitleg van de ahadīth

Er is geen duidelijke aanwijzing dat de eerste hadīth een hadīth al-qudsī is. Het is een gewone profetische hadīth. Dezelfde overlevering is ook door Muslim ibn al-Hajjaj, Abû Dawud, An-Nasāʾī en Ibn Mājah overgeleverd.

In de versie van Muslim ibn al-Hajjaj staat: “Doe geen naḏr (gelofte), want de naḏr verandert niets van de qadar.” De betekenis hiervan is: maak geen naḏr met de bedoeling dat het wat Allāhu (تعالى) voor jullie heeft bepaald zal veranderen, of met de hoop iets te verkrijgen wat Allāh niet voor jullie heeft voorbeschikt.

De woorden “daarmee wordt het van de gierige afgenomen” betekenen dat iemand die normaal geen ṣadaqah zou geven, door een naḏr verplicht kan worden iets te geven wat al voor hem was bepaald. Zo wordt van hem afgenomen wat hij uit eigen wil niet wilde geven.

De uitdrukking “het wordt van hem genomen” wijst erop dat het nakomen van de naḏr verplicht (wājib) is.

De verboden naḏr is die waarin iemand denkt dat het de qadar kan veranderen. Veel mensen vallen hierin wanneer zij denken dat hun wensen uitkomen door naḏr.

Maar wanneer iemand gelooft dat alleen Allāhu (تعالى) zowel voordeel als schade brengt, dat niets de qadar verandert, en dat de naḏr slechts een middel is, dan is dat niet verboden. Integendeel, het is een daad van gehoorzaamheid en het is verplicht om het na te komen.

De tweede hadīth heeft wel de uiterlijke vorm van een hadīth al-qudsī, omdat daarin staat: “De naḏr brengt de zoon van Ādam niets… en niets gebeurt behalve wat Ik heb voorbeschikt.” Alle daden worden in werkelijkheid toegeschreven aan hun Schepper, en dat is alleen Allāhu (تعالى).

De ḥadīth: Een dienaar die zegt (dat) ik beter ben dan Yūnus ibn Mattā” behoort dat niet te zeggen.

al-Bukhārī heeft deze hadīth overgeleverd in Kitāb at-Tawḥīd, in het hoofdstuk “Het gedenken van an-Nabī en de overlevering van zijn Rab”, deel 9, p. 157.

235. Van … Abdullah ibn Abbas (رضي الله عنهما), an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), overlevert van zijn Rab, zei: “Het past een dienaar niet om te zeggen: ‘Hij is beter dan Yūnus ibn Matta.”

Hierbij noemde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de naam van Yūnus als “Yūnus, zoon van Matta”.

Deze ḥadīth is in Ṣaḥīḥ Muslim overgeleverd in het hoofdstuk “De deugden van Mūsā (عليه السلام)”:

236. Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allahu (تعالى) zei: (Ibn al-Muthannā heeft vermeld dat hier niet de woorden “voor mij” voorkomen, maar dat er slechts gezegd wordt: “voor een dienaar”.)

“Het is voor een dienaar ongepast zegt hij zegt dat ik beter ben dan Yūnus ibn Mattā (عليه السلام).”

Deze ḥadīth is ook door Ibn Abī Shaybah, van Muḥammad ibn Jaʿfar, van Shuʿbah (en de rest van de keten zoals hierboven vermeld)

237. Van … de zoon van an-Nabies oom Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), (dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei:) “Het past een dienaar niet om te zeggen (dat) ik beter ben dan Yūnus ibn Mattā.” En hij noemde hem met de naam van zijn vader (Mattā).

235 - 237. Uitleg van de aḥadīth

Volgens de tekst van deze ḥadīth wordt de betekenis duidelijk dat het niet gepast is dat iemand zegt: “Ik ben beter dan Yūnus ibn Mattā” of “Ik ben superieur aan Yūnus ibn Mattā.” In het eerste geval zou Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم) zichzelf bedoeld hebben. In dat geval kan het zijn dat Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم) deze ḥadīth uitsprak uit nederigheid (tawāḍuʿ), of vóórdat hem bekend werd gemaakt dat hij verheven was boven alle andere anbiyāʾ.

In de meeste overleveringen wordt vermeld: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft van Allāhu (تعالى) overgeleverd dat Hij zei…” of “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft overgeleverd van Zijn Rab dat Hij zei…”

as-Safā zegt: “In de meeste overleveringen staat: ‘Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft van Zijn Rab overgeleverd dat Hij zei…’ Als deze ḥadīth maḥfūẓ is (m.a.w. overlevering of formulering goed bewaard en correct is overgeleverd ), dan is dit afkomstig van iemand anders dan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).”

Uitleg uit de Sharḥ van an-Nawawī op Ṣaḥīḥ Muslim: “De geleerden zeggen dat de uitleg van deze ḥadīth op twee manieren mogelijk is.

Ten eerste: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft dit gezegd voordat hem bekend werd gemaakt dat hij superieur is aan Yūnus ibn Mattā. Toen dit hem werd meegedeeld, zei hij: “Ik ben de leider van alle kinderen van Ādam.”

Ten tweede: hij heeft dit gezegd om te voorkomen dat onwetenden zouden denken dat de rang van Yūnus (عليه السلام) verminderd zou zijn. De geleerden zeggen dat de gebeurtenis van Yūnus (عليه السلام) geen enkele vermindering heeft veroorzaakt in zijn profetische rang, zelfs niet ter grootte van een atoompje. Omdat zijn verhaal in de Qurʾān is vermeld, heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hem specifiek genoemd.

Daarnaast kan het voornaamwoord in de uitspraak ook slaan op Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zelf, of op degene die de uitspraak doet. Als het op de spreker zelf slaat, dan betekent de ḥadīth dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gewaarschuwd dat iemand, hoe hoog hij ook komt in aanbidding en kennis, zichzelf niet boven Yūnus (عليه السلام) mag plaatsen. Want geen enkele dienaar bereikt de rang van het profeetschap. De uitspraak “Het past niet dat iemand zegt: ‘Ik ben beter dan Yūnus ibn Mattā’ versterkt deze betekenis. Als het op de spreker zelf slaat, dan betekent de ḥadīth dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gewaarschuwd dat iemand, hoe hoog hij ook komt in aanbidding en kennis, zichzelf niet boven Yūnus (عليه السلام) mag plaatsen. Want geen enkele dienaar bereikt de rang van het profeetschap. De uitspraak “Het past niet dat iemand zegt: ‘Ik ben beter dan Yūnus ibn Mattā’ versterkt deze betekenis.

En Allāhu (تعالى) weet het het beste.