26. Ahadith over het aanzetten tot goedheid en het weerhouden van slechtheid
De ḥadīth over de verdienste van het uitstellen van een schuld bij iemand die in moeilijkheden verkeert
Muslim heeft deze ḥadīth overgeleverd in Kitābu’l-Musāqāt wa’l-Muzāraʿa (volgens de aantekening van al-Qasṭallānī, deel 6, p. 435).
238. Van … Ḥudhayfah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “De engelen ontmoetten de rûh van een man uit de vroegere volkeren. Zij vroegen hem: ‘Heb jij ooit een goede daad verricht?’ Hij zei: ‘Nee.’ Zij zeiden: ‘Denk goed na.’ Toen zei hij: ‘Ik leende geld aan mensen en gaf mijn dienaren de opdracht: stel de betaling uit van degene die in moeilijkheden verkeert, en neem van degene die in goede toestand verkeert wat hij kan betalen.’ Daarop zei Allāhu (تعالى): ‘Laat hem gaan.”
239.In een andere overlevering van Muslim via Ribʿiy ibn Ḥirāsh wordt het volgende vermeld:
Ḥudhayfah (رضي الله عنه) en Abū Masʿūd (رضي الله عنه) kwamen bijelkaar. Ḥudhayfah zei: “Een man werd voor Rab (عز وجل) gebracht. Hij werd gevraagd: ‘Wat heb jij gedaan?’ Hij zei: ‘Ik heb geen goede daad verricht, “Maar ik was een man met bezit, en de mensen vroegen mij uit mijn vermogen te lenen. Wanneer zij terugbetaalden, accepteerde ik wat zij naar vermogen konden geven, en wat zij slechts met moeite konden betalen, schold ik het hun kwijt,” zei hij.
Toen zei Allāhu (تعالى): ‘Laat Mijn dienaar gaan.’”
Daarop zei Abū Masʿūd (رضي الله عنه): “Ik heb dit ook zo van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gehoord.”
240.In een derde overlevering van Muslim:Van … Ḥudhayfah (رضي الله عنه), hij zei:
Allāhu (تعالى) zal een dienaar onder Zijn dienaren, aan wie Hij tijdens zijn leven bezit en vermogen heeft geschonken, voor Zich laten verschijnen. Hij zal hem vragen: ‘Wat heb jij op de wereld gedaan?’ Ḥudhayfah vermeldt daarbij de woorden van Allāhu (تعالى): ‘Op die Dag kan niemand iets voor Allāh verbergen.’ Vervolgens gaat hij verder: De man zal zeggen: ‘O mijn Rab, U hebt mij Uw bezit gegeven en ik handelde daarmee met mensen. Ik had de gewoonte dat ik degene die in staat was te betalen, gemakkelijk behandelde, en degene die in moeilijkheden verkeerde, uitstel gaf.’ Daarop zal Allāhu (تعالى) zeggen: ‘Laat Mijn dienaar gaan.’”
ʿUqbah ibn ʿĀmir al-Juhanī (رضي الله عنه) en Abū Masʿūd al-Anṣārī (رضي الله عنه) zeiden ook: “Wij hebben deze ḥadīth precies zo van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gehoord.”
241.In een vierde overlevering van Muslim, via een keten die teruggaat tot Abū Masʿūd al-Anṣārī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:
“Een man uit de vroegere volkeren werd ter verantwoording geroepen, en er werd geen enkele goede daad bij hem gevonden. Toch had hij omgang met mensen en behandelde hen vriendelijk. Hij gaf zijn dienaren de opdracht om de schuld van degenen die in moeilijkheden verkeerden kwijt te schelden. Daarop zei Allāhu (تعالى) over hem: “Wij hebben daar meer recht op (namelijk op het tonen van soepelheid aan iemand die in moeilijkheden verkeert) laat hem gaan.”
242.Muslim heeft eveneens van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een man leende geld aan mensen en zei tegen zijn slaaf: ‘Als je naar iemand gaat die in moeilijkheden verkeert, wees dan toegeeflijk en laat zijn schuld varen, misschien zal Allāhu (تعالى) ons ook vergeven.’ Toen de man bij Allāhu (تعالى) verscheen, vergaf Hij hem.”
Muslim heeft deze ḥadīth ook via een andere overleveringsketen van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) overgeleverd.
Deze ḥadīth is ook door an-Nasāʾī overgeleverd in zijn Sunan, in het hoofdstuk “Goede omgang en het gemakkelijk maken bij het innen van schulden”.
243. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:
“Er was een man die geen enkele goede daad had verricht, behalve dat hij geld aan mensen leende.
Hij stuurde zijn dienaar eropuit en zei: ‘Neem van degene die in goede toestand verkeert, en laat de schuld van degene die in moeilijkheden verkeert achter; misschien zal Allāhu (تعالى) ons ook vergeven.’ Toen hij stierf, vroeg Allāhu (تعالى) hem: ‘Heb jij ooit iets goeds gedaan?’ Hij zei: ‘Nee, behalve dat ik een dienaar had en geld aan mensen leende. Wanneer ik hem eropuit stuurde, zei ik: neem van degene die in goede toestand verkeert en laat degene die in moeilijkheden verkeert, misschien vergeeft Allāhu (تعالى) ons.’ Toen zei Allāhu (تعالى): ‘Ik heb jou vergeven.”
238 - 243. Uitleg van de ḥadīth
Uitleg uit de Sharḥ van an-Nawawī op Muslim, uit het hoofdstuk “Het uitstellen van de schuld van iemand die in moeilijkheden verkeert”: Deze aḥadīth tonen aan dat het uitstellen van de schuld van iemand die in moeilijkheden verkeert een grote beloning (ajr) oplevert. Dit kan zijn door de volledige schuld uit te stellen, of door een deel ervan, klein of groot, uit te stellen.
Ook hieruit wordt begrepen dat het verlenen van soepelheid bij het innen van schulden, ongeacht of de schuldenaar in financiële moeilijkheden verkeert of niet, eveneens een beloning oplevert.
Geen enkele goede daad mag als klein worden beschouwd; het kan zijn dat juist zo’n daad een oorzaak wordt van geluk en genade.
De ḥadīth toont daarnaast aan dat het toegestaan is om slaven als vertegenwoordigers (wakīl) aan te stellen en hen taken van beheer en uitvoering toe te vertrouwen. Deze uitspraak is gebaseerd op de opvatting van degenen die zeggen: “De sharīʿah van de gemeenschappen vóór ons is ook voor ons een sharīʿah, zolang onze eigen sharīʿah haar niet heeft afgeschaft
(mansūkh).”
Muslim vermeldt in het hoofdstuk getiteld “Het uitstellen van de schuld van iemand die in moeilijkheden verkeert en het kwijtschelden van de schulden van sommigen” een ḥadīth met deze betekenis. Hoewel er in deze ḥadīth geen enkele aanwijzing is die duidelijk maakt dat het een ḥadīth al-qudsī is, vermelden wij hem hier vanwege de relevantie van het onderwerp. De ḥadīth luidt als volgt:
244. Van … Ḥudhayfah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Een man stierf en ging de Jannah binnen. Hem werd gevraagd: ‘Wat voor werk deed jij?’ Hij antwoordde: “Ik dreef handel met de mensen, en wanneer iemand in moeilijkheden verkeerde, gaf ik hem uitstel voor zijn betaling. En van degenen die in grote moeilijkheden verkeerden, schold ik de schuld kwijt,” antwoordde hij. Daarop werden ook zijn zonden vergeven”.Abū Masʿūd (رضي الله عنه) zei: “Ik heb deze ḥadīth ook van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gehoord.”
(De tekst staat letterlijk zo vermeld. Echter, uit de volledige ḥadīth blijkt dat de vraag ‘Wat voor werk deed jij?’ aan hem werd gesteld tijdens het afleggen van verantwoording vóór zijn binnengaan in Jannah. De betekenis moet dus als volgt begrepen worden: een man stierf en ging Jannah binnen; de reden daarvan was dat hem tijdens de afrekening werd gevraagd: ‘Wat voor werk deed jij?’ (Vertaler.)
De ḥadīth: “Wie de schuld van iemand in moeilijkheden uitstelt”
al-Bukhārī vermeldt in Kitābu’l-Buyūʿ, in het hoofdstuk met de titel “Het uitstellen van de schuld van iemand die in moeilijkheden verkeert” (deel 4, p. 2), een ḥadīth over dit onderwerp. In deze overlevering is geen duidelijke aanwijzing te vinden dat het een ḥadīth al-qudsī is. Toch bestaat de mogelijkheid dat het een ḥadīth al-qudsī is. Daar wordt het volgende vermeld:
245.Van … Ḥudhayfah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd:“De engelen ontmoetten de rûh van een man uit de vroegere volkeren. Zij vroegen hem: ‘Heb je ooit iets goeds gedaan?’ Hij antwoordde: “Voor iemand die in enige moeilijkheden verkeerde, maakte ik het gemakkelijk, en van degene die in grote nood verkeerde, stelde ik de terugbetaling uit.” Toen lieten de engelen hem gaan. Dat wil zeggen: zij lieten hem gaan omdat Allāhu (تعالى) hun zo had bevolen. En Allāhu (تعالى) weet het beste wat juist is.”
246.In de overlevering van Abû Malik van Ribʿiy: de man antwoordde: “Ik zou het voor iemand die in lichte moeilijkheden verkeert gemakkelijker maken, en wat iemand in zware moeilijkheden zou moeten geven zou ik uitstellen.”
Volgens de overlevering van Abû ʿAvānah, van ʿAbdulmelik, van Ribʿiy, hij zei: “Ik zou de schuld van iemand die in moeilijkheden verkeert uitstellen, en die van iemand die in grote moeilijkheden verkeert zou ik kwijtschelden.”
al-Bukhārī heeft vervolgens in het hoofdstuk “De verdienste van het uitstellen van schulden” het volgende overgeleverd:
247. Van … Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:
“Er was een koopman die mensen geld leende. Wanneer hij iemand in moeilijkheden zag, zei hij tegen zijn mensen: ‘Laat hem gaan, misschien zal Allāhu (تعالى) ons ook vergeven.’ En Allāhu (تعالى) vergaf hem.”
al-Bukhārī heeft in het hoofdstuk over de zonen van Israʾīl:248 Van Hudhayfah ibn al-Yaman (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:
“Een engel kwam om de rûh van een man te nemen en vroeg hem: ‘Heb jij ooit iets goeds gedaan?’
Hij zei: ‘Ik weet het niet.’
Er werd tegen hem gezegd: ‘Denk goed na.’
Hij zei: ‘Ik weet niets behalve dat ik met mensen handelde, hen gemak gaf, de schulden van degene in lichte moeilijkheden uitstelde en die van degene in zware moeilijkheden liet vallen.’
Daarop plaatste Allāhu (تعالى) hem in Zijn Paradijs.”
244 - 248. Uitleg van de aḥadīth
Uitleg uit de Sharḥ van al-Qasṭallānī betreffende de overleveringen:
Allāhu (تعالى) heeft bevolen dat men geduld moet hebben met iemand die in moeilijkheden verkeert. Allāhu (تعالى) zei:وَإِن كَانَ ذُو عُسۡرَةٖ فَنَظِرَةٌ إِلَىٰ مَيۡسَرَةٖۚ وَأَن تَصَدَّقُواْ خَيۡرٞ لَّكُمۡ إِن كُنتُمۡ تَعۡلَمُونَ ٢٨٠En als de schuldenaar in moeilijkheden verkeert, geef hem dan uitstel van betaling totdat hij wél kan betalen. Maar als jullie het als liefdadigheid kwijtschelden is dat beter voor jullie, als jullie dat maar weten. (Baqarah, 2:280)
Hiermee heeft Hij de gewoonten van de jāhiliyyah (voor-islamitische periode) verboden. Zij zeiden tegen de schuldenaar wanneer de betalingstermijn was verlopen: “Je betaalt nu, of de rente wordt verhoogt.”
Als de schuldeiser weet dat de schuldenaar in moeilijkheden verkeert, dan is het niet toegestaan om de schuld direct te eisen. Als zijn situatie niet met zekerheid bekend is bij de rechter, hebben al-Qurafī en anderen vermeld dat het kwijtschelden van de schuld beter is dan het uitstellen ervan.
Hoewel het uitstellen van de schuld van iemand in moeilijkheden verplicht (wājib) kan zijn en het kwijtschelden aanbevolen (mustaḥab), wordt dit geval uitgezonderd van de regel “het verplichte (fard) is beter dan het vrijwillige (nafilah)”. Daarom is het kwijtschelden van de schuld van iemand in moeilijkheden beter dan het uitstellen ervan.
Imām Aḥmad ibn Ḥanbal (رحمه الله) heeft een ḥadīth overgeleverd over de verdienste van het uitstellen van de schuld van iemand in moeilijkheden:
“Wie de schuld van iemand die in moeilijkheden verkeert uitstelt, krijgt voor elke dag de beloning van een ṣadaqah.”
Zo ontvangt de schuldeiser die uitstel geeft elke dag opnieuw een beloning.
De ḥadīth over ‘het weerhouden van het kwaad’
Deze ḥadīth is door Muslim overgeleverd in het hoofdstuk “Het weerhouden van het kwaad” (volgens de aantekening in de marginale aantekening van al-Qasṭallānī, deel 9, p. 458).
249. Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “De poorten van Jannah worden geopend op maandag en donderdag. Dan wordt iedereen vergeven die geen deelgenoten (shirk) aan Allāhu (تعالى) heeft toegekend. Behalve de zonden van een man tussen wie en zijn broeder vijandschap en ruzie bestaan, worden niet vergeven. Over hen wordt gezegd: ‘Laat deze twee met rust totdat zij zich met elkaar verzoenen, laat deze twee met rust totdat zij zich met elkaar verzoenen, laat deze twee met rust totdat zij zich met elkaar verzoenen.”
Deze ḥadīth is door Muslim ook via een andere overleveringsketen overgeleverd.
250. Van ʿUbaydah (رضي الله عنه),
“Twee mensen die elkaar de rug toekeren en elkaar verlaten hebben.”
Ook in de overlevering van Qutaybah (رضي الله عنه) staat:
“Twee mensen die elkaar de rug toekeren en elkaar verlaten hebben.”
251.Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) wordt als marfūʿ overgeleverd dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “De daden worden op donderdag of maandag gepresenteerd. Allāhu (تعالى) vergeeft dan iedere dienaar die geen deelgenoten aan Allāhu (تعالى) heeft toegekend. Maar Hij vergeeft niet de persoon tussen wie en zijn broeder vijandschap bestaat. Over hen wordt gezegd: ‘Laat deze twee met rust totdat zij zich met elkaar verzoenen.”
252. Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De daden van de mensen worden twee keer (per week) vóór de vrijdag gepresenteerd: op maandag en donderdag. Elke mu’min dienaar wordt vergeven, behalve degene tussen wie en zijn broeder vijandschap bestaat. Over hen wordt gezegd: ‘Laat deze twee met rust totdat zij hun verplichtingen jegens elkaar hebben vervuld.”
253. Imām Mālik (رحمه الله عليه) heeft deze ḥadīth in al-Muwaṭṭaʾ in twee afzonderlijke overleveringen vermeld. De eerste overlevering is identiek aan de tweede overlevering van Muslim.
254. De tweede overlevering komt overeen met de eerste overlevering van Muslim die hierboven is vermeld. Het enige verschil is dat de uitspraak “Laat deze twee met rust totdat zij zich met elkaar verzoenen” daar niet herhaald wordt, maar slechts één keer wordt vermeld.
Deze ḥadīth is door Abū Dāwūd (رحمه الله عليه) in zijn Sunan overgeleverd (deel 4, p. 218) in het hoofdstuk “Degene die zijn moslimbroeder verlaat”.
255.Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:
“De poorten van Jannah worden elke maandag en donderdag geopend. Op deze twee dagen wordt de zonde vergeven van iedere dienaar die geen deelgenoten aan Allāhu (تعالى) toekent. Behalve degene tussen wie en zijn broeder vijandschap bestaat. Over hen wordt gezegd (dat wil zeggen: door Allāhu (تعالى): ‘Laat deze twee met rust totdat zij zich met elkaar verzoenen.”
Abū Dāwūd zei: “Als het verlaten en afstand nemen omwille van Allāh is, dan valt dit niet onder deze overlevering.”
al-Bukhārī (رحمه الله عليه) heeft de aḥadīth over het verlaten van een moslimbroeder vanwege ruzie overgeleverd in Kitābu’l-Adab, in het hoofdstuk “De veroordeling van het verlaten van een vriend” (volgens de aantekening van al-Qasṭallānī, deel 9, p. 52).
256. Van Abū Ayyūb al-Anṣārī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Het is niet toegestaan dat een man zijn broeder langer dan drie dagen verlaat. Wanneer zij elkaar ontmoeten, keert de één zijn gezicht af en de ander ook. De beste van hen beiden is degene die als eerste de salām geeft.”
257. al-Bukhārī heeft eveneens overgeleverd van… de zoon van Umm Rūmān bint ʿĀmir al-Kināniyyah:
ʿĀʾishah werd gemeld dat ʿAbdullāh ibn az-Zubayr had gezegd over een kooptransactie of een gift: “Of zij stopt hiermee, of ik zal haar daarvan weerhouden.”
Toen zei ʿĀʾishah: “Heeft hij dat echt gezegd?” Men zei: “Ja.” Daarop zei zij: “Bij Allāh, ik zal nooit meer met Ibn az-Zubayr spreken.”
Toen de breuk lang duurde, vroeg Ibn az-Zubayr bemiddeling. ʿĀʾishah zei echter: “Bij Allāh, ik accepteer geen bemiddeling en ik zal mijn gelofte niet verbreken.”
Toen de situatie langer aanhield, ging Ibn az-Zubayr naar al-Miswar ibn Makhramah en ʿAbd ar-Raḥmān ibn al-Aswad ibn ʿAbd Yaghūth en zei tegen hen: “Ik vraag jullie bij Allāh om mij naar ʿĀʾishah te brengen; het is niet toegestaan dat zij een gelofte aflegt om mij te verlaten.”
Zij gingen met hem mee en vroegen toestemming om binnen te komen bij ʿĀʾishah, zeggend: “As-salāmu ʿalaykum wa raḥmatu Allāh wa barakātuh, mogen wij binnenkomen?” Zij zei: “Kom binnen.” Zij vroegen: “Allen?” Zij zei: “Ja, allen.” Zij wist niet dat Ibn az-Zubayr bij hen was.
Toen zij binnenkwamen, trok Ibn az-Zubayr omhulling om zich heen en omhelsde ʿĀʾishah, (die zijn tante was, omdat Asmāʾ, want de moeder van Ibn az-Zubayr, de zus was van ʿĀʾishah, is de dochter van Abū Bakr aṣ-Ṣiddīq (رضي الله عنه).(Vertaler)
Hij begon te huilen en smeekte haar dringend. Ook al-Miswar en ʿAbd ar-Raḥmān bleven bij haar aandringen en vroegen haar om toe te geven en met hem te spreken, anders zouden zij nooit tevreden zijn.
In die situatie herinnerden zij haar eraan dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had verboden om een moslimbroeder langer dan drie nachten te verlaten.
Toen zij haar dringend begonnen te smeken, begon ʿĀʾishah te huilen en zei: “Ik heb een eed gezworen en mijn eed is zeer zwaar.”
Zij bleven echter aandringen totdat zij uiteindelijk met Ibn az-Zubayr sprak.
Zij gaf boetedoening (kaffārah) van haar gelofte (naḏr) veertig slaven vrij.
Wanneer zij zich deze gelofte (naḏr) later herinnerde, huilde zij zó hevig dat haar hoofddoek door haar tranen doordrenkt raakte.
249 - 257. Uitleg van de aḥadīth
al-Qasṭallānī (رحمه الله عليه) zegt: “Er is verschil van mening over de vraag of een gelofte (naḏr) dezelfde juridische status heeft als een eed (yamīn).
Bijvoorbeeld: als iemand zegt: “Als ik met die persoon spreek, dan is het voor mij verplicht om omwille van Allāh een slaaf vrij te laten/kopen,” dan heeft deze naḏr de status van een yamīn. Dit komt omdat hij daarmee zichzelf verhindert om iets te doen. Als hij die handeling toch verricht, dan is een boetedoening (kaffārah) verplicht. De meerderheid van de salaf en ash-Shāfiʿī (رحمه الله عليه) zijn deze mening toegedaan. Dit wordt “naḏr al-lujāj” genoemd.
De Mālikī’s zeggen: een naḏr wordt alleen geldig wanneer het gaat om een daad van gehoorzaamheid aan Allāh (تعالى), zoals het vrijlaten van een slaaf. In dat geval is de gelofte bindend.
In dat geval leidt de gelofte van ʿĀʾishah (رضي الله عنها) die ertoe heeft geleid dat zij boos bleef op Ibn Zubayr, tot een handeling die verboden (harām) of afkeurenswaardig (makrûh) is .
Deze gebeurtenis is als volgt te verklaren: ʿĀʾishah meende dat de uitspraak van Ibn az-Zubayr “of ik zal haar daarvan weerhouden” een ernstige fout was, omdat daarin een vorm van overdrijving en zelfbeperking zat die niet passend was, vooral gezien ʿĀʾishahs positie als moeder van de gelovigen en de positie van Ibn az-Zubayr als haar neef. Juist doordat dit zo is, wordt deze overdrijving des te sterker. Daarom zag zij dit gedrag als een vorm van fout of overtreding, en zij nam als bewijs de handeling van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dat hij de moslims had verboden om te spreken met Kaʿb ibn Mālik en zijn twee metgezellen (i.v.m. zonder geldig excuus achterbleven van de expeditie van Tabūk.) Daarom deed zij een gelofte om niet met Ibn az-Zubayr te spreken.
Uitleg uit de Sharḥ van an-Nawawī op Ṣaḥīḥ Muslim:
“De poorten van Jannah worden geopend op maandag en donderdag.”
al-Qāḍī (رحمه الله عليه) vermeldt dat al-Bājī zei: “De betekenis van het openen van de poorten van Jannah is de overvloed aan vergeving, het verhogen van rangen en het overvloedig geven van beloning”.
al-Qāḍīal-Bajī (رحمه الله عليه) zegt dat dit ook letterlijk kan worden opgevat: dat de poorten daadwerkelijk worden geopend, en dat dit een teken daarvan is.
Opmerking
De volledige aḥadīth 257 en 258 worden niet gerekend tot de aḥadīth al-qudsiyyah.
Deze twee aḥadīth zijn vermeld om duidelijk te maken dat het niet toegestaan is dat een moslim langer dan drie dagen in wrok van zijn broeder verwijderd blijft, en dat dit verbod geldt wanneer de afstand en het niet spreken niet omwille van Allāh (تعالى) is, maar om een andere reden.
Wat ʿĀʾishah (رضي الله عنها) deed tegenover Ibn az-Zubayr was echter omwille van Allāh (تعالى). Ibn az-Zubayr had namelijk de eerbied die verschuldigd was aan de Moeder van de gelovigen niet in acht genomen, ondanks dat zij zijn tante was via Asmāʾ bint Abī Bakr aṣ-Ṣiddīq (رضي الله عنه).
De ḥadīth over degenen die elkaar omwille van Allāh liefhebben
Deze ḥadīth is door Muslim overgeleverd in Kitābu’l-Faḍāʾil, in het hoofdstuk “De verdienste van het liefhebben omwille van Allāh (تعالى)” (volgens al-Qasṭallānī, deel 9, p. 460).
258.Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه), dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd:
“Allāhu (تعالى) zal op de Yawmu’l Qiyamah zeggen: “Waar zijn degenen die elkaar omwille van Mijn jalāl (Majesteit/welbehagen) liefhadden? Vandaag zal Ik hen onder Mijn schaduw plaatsen, op de Dag waarop er geen andere schaduw is dan Mijn schaduw.”
Ook Muslim heeft in het hoofdstuk “De verdienste van het liefhebben omwille van Allāh (تعالى)” de volgende overlevering vermeld:
259. Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Een man ging op reis om zijn broeder in een ander dorp te bezoeken. Allāhu (تعالى) stuurde een engel op zijn pad. De engel vroeg hem: ‘Waar ga je heen?’ De man zei: ‘Ik wil mijn broeder in dit dorp bezoeken.’ De engel vroeg: “Wil je je dankbaarheid aan hem tonen vanwege een gunst die hij jou heeft bewezen?” Hij zei: ‘Nee, maar ik heb hem slechts omwille van Allāh liefgehad.’ Daarop zei de engel: ‘Ik ben door Allāhu (تعالى) naar jou gestuurd om jou te laten weten dat Allāh jou liefheeft zoals jij hem omwille van Allāh liefhebt.”
260.Over degenen die elkaar liefhebben ter wille van Allāh (تعالى) heeft Imām Mālik (رحمه الله عليه) dezelfde eerste ḥadīth die hierboven uit Muslim is vermeld ook overgeleverd in al-Muwaṭṭaʾ.
In Muslim staat de uitdrukking “bi jalāli”, terwijl in al-Muwaṭṭaʾ de term “fi jalāli” voorkomt. De overige delen van de tekst komen overeen met die van Muslim.
261.Van … Muʿādh ibn Jabal (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Allāhu (تبارك وتعالى) heeft gezegd: “Degenen die elkaar liefhebben om Mijn welbehagen, die elkaar omwille van Mij bezoeken, en die elkaar goedheid en weldaad bewijzen om Mijn welbehagen, die dien Ik ook lief te hebben.”
In al-Muwaṭṭaʾ wordt hierover ook een mooie gebeurtenis vermeld:
262. Van …
Abū Idrīs al-Khawlānī: “Ik ging de moskee van Damascus binnen en zag daar een jonge man met stralende tanden, omringd door een groep mensen. (In een overlevering wordt gezegd dat er twintig metgezellen (رضي الله عنهم) bij hem waren, en in een andere overlevering dertig metgezellen.) Zij verschilden van mening over een kwestie die zij aan hem toeschreven en uit zijn woorden afleidden. Ik vroeg wie hij was, en men zei: ‘Dat is Muʿādh ibn Jabal.”De volgende dag ging ik vroeg en zag dat hij al eerder aanwezig was dan ik. Toen ik kwam, was hij ṣalāh aan het verrichten. Ik wachtte tot hij zijn ṣalāh had beëindigd, ging ik naar hem toe en gaf de salām. Ik zei: ‘Bij Allāh, ik heb jou omwille van Allāh lief.’ Hij zei: ‘Zweer je het bij Allāh?’ Ik zei: ‘Bij Allāh, ik zweer het.’ Hij herhaalde: ‘Zweer je het bij Allāh?’ En ik zei opnieuw: ‘Bij Allāh, ik zweer het.’ Toen zei hij weer: ‘Zweer je bij Allāh?’ Zei ik opnieuw: ‘Bij Allāh, ik zweer het.’Daarop pakte hij mij bij mijn kleding en trok mij naar zich toe en zei: “Goed nieuws voor jou! Ik heb Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) horen zeggen: “Allāhu (تبارك وتعالى) heeft gezegd dat Mijn liefde verplicht is voor degenen die elkaar omwille van Mij bezoeken en elkaar omwille van Mij goedheid en ihsān tonen.”
at-Ṭabarānī voegt daaraan toe: “en degenen die eerlijk en oprecht tegenover elkaar zijn omwille van Mij.”In het boek van az-Zarkānī wordt vermeld dat deze ḥadīth ṣaḥīḥ is. al-Ḥākim an-Naysābūrī zegt dat deze ḥadīth volgens de voorwaarden van al-Bukhārī en Muslim ṣaḥīḥ is. Ibn ʿAbd al-Barr zegt eveneens dat de isnād ṣaḥīḥ is.De betekenis van “zij die elkaar goedheid en ihsān tonen omwille van Mij” is: degenen die hun leven en bezit inzetten op weg van Allāh (تعالى).
Deze ḥadīth is door at-Tirmidhī (رحمه الله عليه) overgeleverd in het hoofdstuk “Liefde omwille van Allāh (تعالى)”:
263. Van Muʿādh ibn Jabal (رضي الله عنه), hij zei: “Ik heb Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) horen zeggen: (Allahu (تعالى) zei:): “Voor degenen die elkaar omwille van Mijn welbehagen liefhebben, zullen er lichtgevende tronen/ kansels (minbars) zijn. De anbiyā (عليهم السلام) en de martelaren (shuhadā) zullen hen benijden.”at-Tirmidhī zegt dat deze ḥadīth ḥasan ṣaḥīḥ is.
Uitleg van de aḥadīth 260 - 263
Deze aḥadīth tonen aan dat het toegestaan is om over Allāhu (تعالى) te zeggen: “Allāh zegt…”. Dit is de correcte mening en wordt door vrijwel alle geleerden gevolgd. Sommige vroege geleerden (salaf) vonden het echter beter om te zeggen “Allāh zei…” en niet “Allāh zegt …”. Maar zoals eerder is uitgelegd, blijkt uit de Qurʾān zelf dat beide vormen toegestaan zijn, zoals in de uitspraak van Allāhu (تعالى): وَٱللَّهُ يَقُولُ ٱلۡحَقَّ وَهُوَ يَهۡدِي ٱلسَّبِيلَMaar Allāh zegt de Waarheid en Hij leidt naar de (juiste) Weg. (Aḥzāb, 33:4)Daarnaast zijn hierover veel aḥadīth overgeleverd.
“Degenen die elkaar omwille van Mijn majesteit/welbehagen (jalāl) liefhebben” betekent: niet om wereldse redenen, maar uit eerbied voor Allāhu (تعالى) en gehoorzaamheid aan Hem.
De uitspraak: “Ik zal hen onder Mijn schaduw plaatsen op de Dag waarop er geen andere schaduw is,” wordt door al-Qāḍī (رحمه الله عليه) uitgelegd als een werkelijke schaduw, waarin zij worden beschermd tegen de hitte van de Yawmu’l Qiyamah, de zon, de drukte en de lucht die door de adem van mensen wordt veroorzaakt. Dit is de mening van de meerderheid van de geleerden.
ʿĪsā ibn Dīnār zegt dat dit kan betekenen dat Allāhu (تعالى) hen behoedt tegen alles wat zij verafschuwen, hun Zijn weldoen/goedheid schenkt en hen onder Zijn bescherming en hoede neemt. n dezelfde betekenis wordt ook de uitspraak verstaan: “De sultan is de schaduw van Allāh op aarde.”
Bovendien is er ook opgemerkt dat met ‘schaduw’ hier mogelijk comfort en weldaden worden bedoeld, zoals Arabieren zeggen: “hij leeft in de schaduw van een goed leven”, waarmee een comfortabel leven wordt bedoeld.
Imām an-Nawawī (رحمه الله عليه) zegt over de tweede ḥadīth: “De geleerden zeggen dat de liefde van Allāhu (تعالى) voor Zijn dienaar bestaat erin dat Zijn barmhartigheid (rahmah), Zijn welbehagen (ridā’) hem bereikt, het goede voor hem wenst en hem laat delen in de goedheid die een liefhebbende voor hem verricht. De grondslag van het menselijke liefde is een neiging van het hart naar wat men liefheeft, maar Allāhu (تعالى) is hiervan verheven.Deze ḥadīth toont de uitmuntendheid van het liefhebben omwille van Allāh (تعالى), en dat dit leidt tot de liefde van Allāh (تعالى) voor de dienaar.
Ook toont het de verdienste aan van het bezoeken van rechtschapen mensen en vrienden, en dat dit een grote beloning heeft.
Uit deze aḥādīth blijkt dat het voor mensen mogelijk is engelen te zien wanneer zij zich in menselijke gedaante vertonen.
“Degenen die elkaar omwille van Mijn welbehagen liefhebben, hen dien Ik ook lief te hebben,” betekent dat Allāhu (تعالى) degenen liefheeft die elkaar niet liefhebben om wereldse redenen, maar vanwege hun gehoorzaamheid aan Allāhu (تعالى), en die elkaar ondersteunen in goedheid, rechtschapenheid en taqwā.Deze vorm van liefde vergaat niet zoals wereldse liefde, die vaak ontstaat uit tijdelijke belangen en weer verdwijnt zodra die belangen wegvallen. Omdat Allāhu (تعالى) de Eeuwig Levende is, Wiens bestaan nooit eindigt, blijft ook de liefde die omwille van Zijn welbehagen wordt gekoesterd voortbestaan. Wereldse liefdes die gebaseerd zijn op eigenbelang worden uiteindelijk verbroken, en degenen die elkaar om dergelijke redenen liefhadden, zullen op Yawm al-Qiyāmah zelfs vijanden van elkaar worden. Zoals Allāhu (تعالى) in de Qurʾān zegt:
ٱلۡأَخِلَّآءُ يَوۡمَئِذِۭ بَعۡضُهُمۡ لِبَعۡضٍ عَدُوٌّ إِلَّا ٱلۡمُتَّقِينَ ٦٧Vrienden zullen op die Dag elkaars vijanden zijn, behalve de godvrezenden. (Zukhruf, 43:67) “Degenen die omwille van Mijn welbehagen elkaar bezoeken” verwijst naar mensen die samenkomen voor dhikr, Qurʾān-recitaties, het leren van kennis, het luisteren naar preken, het verrichten van daʿwah (uitnodiging tot de Islām) en het adviseren over wereldse en godsdienstige zaken die nuttig zijn voor individu en gemeenschap, terwijl zij alleen het welbehagen van Allāhu (تعالى) zoeken.
“Degenen die elkaar omwille van Mijn welbehagen goedheid en ihsān tonen” zijn degenen die omwille van Allāhu (تعالى) hun bezit/rijkdom in goedheid besteden en hun leven inzetten, en elkaar helpen met hun leven en hun bezit.
Wat de toevoeging van at-Ṭabarānī betreft over “en degenen die eerlijk en oprecht tegenover elkaar zijn ...” Als er geen waarheid, geen oprechtheid en geen zuiverheid van hart is, maar juist bedrog, hypocrisie en vleierij, dan kan dit geen echte liefde omwille van Allāh zijn.
Dat degenen die elkaar liefhebben omwille van Allāh lichtende kansels (mimbars) zullen krijgen, zal plaatsvinden op Yawm al-Qiyāmah, op de verzamelplaats (maḥshar), op een moment waarop de mensen zich in een enorme menigte bevinden, worden blootgesteld aan intense hitte en verkeren in grote benauwdheid en moeilijkheden. Allāhu (تعالى) zegt in de Qurʾān:
لَا يَحۡزُنُهُمُ ٱلۡفَزَعُ ٱلۡأَكۡبَرُ وَتَتَلَقَّىٰهُمُ ٱلۡمَلَٰٓئِكَةُ هَٰذَا يَوۡمُكُمُ ٱلَّذِي كُنتُمۡ تُوعَدُونَ ١٠٣De grootste verschrikking (de Yawmu’l Qiyamah) zal hen niet bedroeven en de Engelen zullen hen ontvangen (met een begroeting): “Dit is jullie Dag wat jullie beloofd is.” (Anbiyāʾ, 21:103)
Het benijden van deze mensen door de anbiyā betekent niet dat hun rang hoger is dan die van de anbiyā en martelaren (shuhadā). Integendeel, de rang van de anbiyā is hoger, en zij hebben bijzondere eigenschappen die niemand anders bezit.
O Allāh, laat ons behoren tot degenen die U liefhebben omwille van Uw welbehagen, en ons laten behoren tot degenen die de voorspraak van Uw meest geliefde dienaar, an-Nabī Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) moge ontvangen.
De ḥadīth over de uitspraak van Allāhu (تعالى): “Ik was ziek, maar jij hebt Mij niet bezocht”
Deze ḥadīth is door Imām Muslim (رحمه الله عليه) overgeleverd in Kitābu’l-Birr wa’ṣ-Ṣilah wa’l-Adab, in het hoofdstuk “De verdienste van het bezoeken van zieken” (volgens al-Qasṭallānī, deel 9, p. 463).
264. Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Allāhu (عز وجل) zal op de Yawmu’l Qiyamah zeggen: “O zoon van Ādam, Ik was ziek en jij hebt Mij niet bezocht”. De dienaar zal zeggen: “O mijn Rab, hoe kan ik U bezoeken terwijl U de Rab van de werelden bent?” Allāhu (تعالى) zal zeggen: “Wist jij niet dat Mijn dienaar, die-en-die, ziek was en dat jij hem niet bezocht hebt? Wist jij niet dat als jij hem had bezocht, jij Mij bij hem zou hebben aangetroffen?”En Hij zal zeggen: “O zoon van Ādam, Ik vroeg jou om voedsel, maar jij hebt Mij geen voedsel gegeven”. De dienaar zal zeggen: “O mijn Rab, hoe kan ik U voeden terwijl U de Rab van de werelden bent?” Allāhu (تعالى) zal zeggen: “Wist jij niet dat Mijn dienaar jou om voedsel vroeg en jij hem niet voedde? Wist jij niet dat als jij hem had gevoed, jij Mij bij hem zou hebben aangetroffen?”En Hij zal zeggen: “O zoon van Ādam, Ik vroeg jou om water, maar jij hebt Mij geen water gegeven”. De dienaar zal zeggen: “O mijn Rab, hoe kan ik U water terwijl U de Rab van de werelden bent?” Allāhu (تعالى) zal zeggen: “Wist jij niet dat Mijn dienaar jou om water vroeg en jij zijn dorst niet lesde? Wist jij niet dat als jij hem had gevoed, jij Mij bij hem zou hebben aangetroffen?”
Uitleg van de 264ste ḥadīth
Imām an-Nawawī (رحمه الله عليه) zegt in zijn Sharḥ van Ṣaḥīḥ Muslim: “De woorden van Allāhu (تعالى) “Ik was ziek en jij hebt Mij niet bezocht” betekenen niet letterlijk dat ziekte aan Allāh wordt toegeschreven, want Allāhu (تعالى) is verheven boven dat. De geleerden leggen dit uit als een aanduiding van de eer en waardigheid van de dienaar. Daarnaast wordt hiermee ook de nabijheid van de dienaar tot Allāh (تعالى) aangegeven.
De betekenis van “jij zou Mij bij hem hebben aangetroffen” is: jij zou de beloning, goedheid en genade van Allāh (تعالى) daar bij die persoon hebben aangetroffen. Datgene wat verder in de ḥadīth wordt gezegd, “als jij hem te eten had gegeven, dan zou jij dat bij Mij hebben aangetroffen”, versterkt deze betekenis eveneens. Daarmee wordt bedoeld: jij zou de sawāb en de beloning van wat jij gegeven had bij Allāhu (تعالى) hebben gevonden”.En Allāhu (تعالى) weet het het beste.
Deze ḥadīth toont de grote verdienste van het bezoeken van zieken, het geven van voedsel aan behoeftigen en het geven van water. Dit zijn allemaal edele vormen van moreel gedrag (akhlāq), waar de Islām toe oproept. Onze Nabī (صلى الله عليه وسلم) is juist gestuurd om deze goede karaktereigenschappen te vervolmaken.
Imām Muslim vermeldt voorafgaand aan deze ḥadīth ook andere overleveringen over de verdienste van het bezoeken van zieken, waaronder dat wie een zieke bezoekt, tot hij terugkeert voortdurend vruchten van Jannah blijft verzamelen. An-Nawawī legt uit dat dit betekent: “Dit wordt geïnterpreteerd als het betreden van de Jannah en het genieten van de vruchten ervan.”Saʿīd zei: Abū Idrīs al-Khawlānī zat tijdens het overleveren van deze ḥadīth op zijn knieën.
De ḥadīth over de uitspraak van Allāhu (تعالى): “O Mijn dienaren, Ik heb onrecht voor Mijzelf verboden gemaakt”
Deze ḥadīth is door Imām Muslim overgeleverd in zijn Ṣaḥīḥ, in Kitāb al-Birr wa’ṣ-Ṣilah, in het hoofdstuk “Het verbod op onrecht (ẓulm)” (volgens al-Qasṭallānī, deel 10, p. 8 en verder).
265. Van … Abū Dhar (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft overgeleverd dat Allāhu (تعالى) heeft gezegd: “O Mijn dienaren, Ik heb onrecht (ẓulm) voor Mijzelf verboden en Ik heb het ook onder jullie verboden, dus pleeg geen onrecht tegenover elkaar.O Mijn dienaren, jullie zijn allen dwalend behalve degenen die Ik heb geleid, vraag Mij daarom om leiding, dan zal Ik jullie leiden.O Mijn dienaren, jullie zijn allen hongerig behalve degenen aan wie Ik gunsten heb geschonken. Vraag Mij daarom om voorziening, dan zal Ik jullie van rizq voorzien.”O Mijn dienaren, jullie zijn allen naakt behalve degenen die Ik heb gekleed, vraag Mij om kleding, dan zal Ik jullie kleden.O Mijn dienaren, jullie begaan ’dag en nacht fouten, en Ik vergeef alle zonden, vraag Mij daarom om vergeving, dan zal Ik jullie vergeven.O Mijn dienaren, jullie kunnen Mij geen schade toebrengen met welk kwaad dan ook. Evenmin kunnen jullie Mij enig nut brengen met een goede daad.O Mijn dienaren, als de eersten en de laatsten van jullie, de mensen en de djinn, allen zouden zijn zoals de meest godvrezende (taqwā) onder jullie, dan zou dat niets toevoegen aan Mijn koninkrijk.O Mijn dienaren, als jullie allen — van de eerste tot de laatste, zowel de mensen als de jin, het hart zouden hebben van de meest verdorven onder jullie, dan zou dat niets verminderen van Mijn koninkrijk.O Mijn dienaren, als de eersten en de laatsten van jullie, de mensen en de jin, samen zouden opstaan en Mij zouden vragen, en Ik ieder zou geven wat hij vraagt, dan zou dat niets verminderen van Mijn bezit, behalve zoals een naald die in de zee wordt gestoken en weer eruit wordt gehaald aan water meeneemt.O Mijn dienaren, jullie daden worden voor jullie opgetekend en vervolgens aan jullie teruggegeven. Wie iets goeds vindt, laat hij Allāh prijzen, en wie iets slechts vindt, laat hij niemand anders dan zichzelf verwijten.”
266.In een andere overlevering: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft van zijn Rab overgeleverd dat Allāhu (تعالى) heeft gezegd: “Voorwaar, Ik heb onrecht (ẓulm) voor Mijzelf verboden en Ik heb het ook voor Mijn dienaren verboden, dus laat zij elkaar geen onrecht aandoen...” Daarna wordt de rest van de ḥadīth vermeld.
Echter, de overlevering van Abū Idrīs is uitgebreider dan deze versie.
Abū ʿĪsā at-Tirmidhī (رحمه الله عليه) heeft deze ḥadīth van Abū Dhar (رضي الله عنه) overgeleverd met een iets andere tekst dan die van Muslim. De overlevering luidt:
267. Van Abū Dhar (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:“Allāhu (تعالى) zegt:
“O Mijn dienaren, jullie verkeren allen in dwaling behalve degenen die Ik naar het rechte pad heb geleid. Vraag Mij daarom om leiding, dan zal Ik jullie leiden.
Jullie zijn allen arm behalve degenen die Ik rijk heb gemaakt. Vraag Mij daarom om voorziening, dan zal Ik jullie van rizq voorzien.
Jullie vervallen allen in zonden behalve degenen die Ik bescherm. Wie weet dat Ik macht heb om zonden te vergeven en vervolgens Mij om vergeving vraagt, die zal Ik vergeven zonder daar enig bezwaar tegen te hebben.
Als jullie allen, van de eerste tot de laatste, de levenden en de doden, de jongsten en de oudsten, zouden zijn als de meest godvrezende dienaar (muttaqī) onder Mijn dienaren, dan zou dat Mijn koninkrijk niet met méér doen toenemen dan het gewicht van de vleugel van een mug.En als jullie allen, van de eerste tot de laatste, de levenden en de doden, de jongsten en de oudsten, zouden verkeren in de toestand van de meest verdorven dienaar onder Mijn dienaren, dan zou dat Mijn koninkrijk niet met méér verminderen dan het gewicht van de vleugel van een mug.En als jullie allen, van de eerste tot de laatste, de levenden en de doden, de jongsten en de oudsten, zich op één plaats zouden verzamelen en iedere mens Mij alles zou vragen waarop hij hoopt, waarna Ik aan ieder van hen gaf wat hij verlangde, dan zou dat niets van Mijn koninkrijk verminderen behalve zoals een naald vermindert van het water van de zee wanneer iemand haar erin steekt en er weer uithaalt.Want Ik ben Vrijgevig en heb overvloedige goedheid (faḍl). Ik doe wat Ik wil. “Mijn geven en ook Mijn bestraffen geschieden slechts door één woord. Wanneer Ik iets wil, zeg Ik er slechts tegen: ‘Wees,’ en het is.”at-Tirmidhī (رحمه الله عليه) heeft gezegd dat deze ḥadīth ḥasan is.
268.Ook Ibn Mājah (رحمه الله عليه) heeft deze ḥadīth in zijn Sunan overgeleverd met een tekst die dicht bij de versie van at-Tirmidhī ligt. In zijn overlevering zijn sommige delen (van de ḥadīth) eerder geplaatst dan in deze versie, en sommige delen later.
Daarnaast ontbreken in zijn versie de zinnen: “als de doden, de levenden, de jongeren en de ouderen onder jullie samen zouden zijn zoals de meest godvrezende van Mijn dienaren”, en ook de uitdrukking “Mijn geven en ook Mijn bestraffen geschieden slechts door één woord”.Voor het overige komt zijn overlevering overeen met die van at-Tirmidhī.
Uitleg van de ahadīth 265–268
Over de uitspraak van Allāhu (تعالى): “Ik heb onrecht (ẓulm) voor Mijzelf verboden”, zeggen de geleerden: “De betekenis hiervan is dat Allāhu (تعالى) verheven en vrij is van elke vorm van onrecht. Onrecht is voor Hem onmogelijk. Want ẓulm betekent: de grens overschrijden of beschikken over het bezit van een ander zonder recht. Hoe kan er sprake zijn van grensoverschrijding bij Allāh, terwijl boven Hem niets staat waaraan Hij gehoorzaam moet zijn? En aangezien het hele universum Zijn eigendom is en onder Zijn heerschappij valt, is het onmogelijk dat Hij handelt in het bezit van een ander”.Het woord “harām” betekent in de taal oorspronkelijk: verbieden. Omdat iets dat in werkelijkheid niet kan bestaan toch wordt uitgedrukt in termen van verbodenheid, wordt het door Allāhu (تعالى) omschreven als “verboden voor Zichzelf”.De uitspraak: “Jullie zijn allen dwaalden behalve degenen die Ik heb geleid” wordt door al-Māzirī (رحمه الله عليه) uitgelegd als volgt: ” Uit de uiterlijke betekenis van deze woorden blijkt dat de mensen geschapen zijn met een natuur die vatbaar is voor dwaling, tenzij Allāhu (تعالى) hen bij de hand neemt en naar leiding voert. Er is echter een bekende ḥadīth waarin staat: “Elk kind wordt geboren op de fiṭrah.” Dit lijkt op het eerste gezicht een tegenstelling. De geleerden hebben hierop geantwoord dat de eerste ḥadīth kan verwijzen naar de toestand van de mens vóór de komst van de anbiyāʾ, of dat mensen, als zij aan zichzelf worden overgelaten, door hun neiging tot begeerte, gemakzucht en onachtzaamheid kunnen dwalen. Deze tweede uitleg wordt als sterker beschouwd.
Dit ondersteunt ook de opvatting van onze madhhab en de meerderheid van Ahl as-Sunnah dat de ware leiding alleen van Allāh komt, en dat een mens slechts de rechtgeleide weg vindt wanneer Allāhu (تعالى) hem leidt. Hieruit volgt dat een mens het rechte pad slechts vindt door de leiding van Allāhu (تعالى), en dat gebeurt doordat Allāhu (تعالى) voor hem leiding wil.Allāh (تعالى) heeft bepaald dat sommige van Zijn dienaren de rechtgeleide weg vinden, en zij vinden die ook daadwerkelijk. Voor anderen heeft Hij dat niet zo gewild; als Hij dat wel had gewild, zouden ook zij de leiding hebben gevonden. Dit standpunt is in strijd met de opvatting van de Muʿtazilah, die zeggen: “Allāh wil dat iedereen leiding (hidāyah) vindt.”
Allāhu (تعالى) is verheven boven het willen van iets dat niet gebeurt, of het laten plaatsvinden van iets in Zijn schepping wat Hij niet wil. Want de uitspraak: “Wat Allāh wil, dat gebeurt; en wat Hij niet wil, dat gebeurt niet”.
De uitspraak: “Dit vermindert Mijn bezit niet, zelfs niet zoveel als een naald die water uit de zee haalt”, worden door de geleerden uitgelegd als: “Deze formulering is bedoeld om de mensen het onderwerp te laten begrijpen; in wezen neemt er echter niets af van het koninkrijk van Allāhu (تعالى).
Zoals in een andere ḥadīth staat: “De Hand van Allāh is vrijgevig; geven vermindert Hem niets.” Want wat zich bij Allāh bevindt, kent geen vermindering of tekort. Tekort is immers een eigenschap van datgene wat beperkt en vergankelijk is. Het geven van Allāh is een uiting van Zijn genade (rahmah) en eindeloze goedheid (ihsān), en deze behoren tot Zijn eeuwige eigenschappen (ṣifāt), waaraan nooit enig tekort kan komen.
De vergelijking met de naald en de zee wordt gemaakt omdat het verlies daarin zo onmeetbaar klein is dat het nauwelijks waarneembaar is. Het doel van deze vergelijking is om de betekenis begrijpelijk te maken voor de menselijke geest. De zee is een van de grootste en meest uitgestrekte zichtbare dingen, terwijl de naald tot de kleinste voorwerpen behoort. Bovendien houdt de naald zelf geen water vast wanneer hij in zee wordt ondergedompeld. Allāhu (تعالى) weet het het beste.
De uitspraak “Mijn geven en Mijn bestraffen is slechts door een woord” is bedoeld als uitleg van “Ik doe wat Ik wil”. Het betekent dat Allāhu (تعالى) datgene wat Hij wil onmiddellijk tot stand brengt. Hier wordt niet een letterlijk woord bedoeld, maar een beeldende uitdrukking (tashbīh) die dient om de betekenis dichter bij het menselijk begrip te brengen. Daarmee wordt bedoeld dat wanneer Allāhu (تعالى) iets wil, het onmiddellijk gebeurt. (Nawawi, Sharḥ Ṣaḥīḥ Muslim, zoals vermeld in de marginale aantekening van al-Qasṭallānī, deel 10, p. 8)
In de ḥadīth wordt gezegd: “Grootheid is Mijn ridāʾ (bovenkleed) en verhevenheid is Mijn izār (onderkleed).”
Deze ḥadīth is door Muslim (رحمه الله عليه) overgeleverd in zijn Ṣaḥīḥ, in Kitāb al-Birr, in het hoofdstuk “Het verbod op hoogmoed” (volgens al-Qasṭallānī, deel 10, p. 53), 269. Van Abū Hurayrah en Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Grootheid (kibriyāʾ) is Mijn ridāʾ en verhevenheid (ʿaẓamah) is Mijn izār. (Allāh zei:) “Wie hierin met Mij wil wedijveren, die zal Ik straffen.”
Ook Abū Dāwūd (رحمه الله عليه) heeft deze ḥadīth overgeleverd in zijn Sunan, in het hoofdstuk “Overleveringen over hoogmoed” (deel 4, p. 50):
270. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei dat Allāhu (تعالى) heeft gezegd: “Grootheid is Mijn ridāʾ en verhevenheid is Mijn izār. Wie daarin met Mij wil wedijveren, die zal Ik in het Vuur werpen.”
Ibn Mājah (رحمه الله عليه) heeft deze ḥadīth eveneens in zijn Sunan overgeleverd in Kitāb az-Zuhd, in het hoofdstuk “Het vermijden van hoogmoed (kibr) en het aanmoedigen van nederigheid/bescheidenheid (tawāḍuʿ)”
271. De ḥadīth daar is overgeleverd door Abū Hurayrah (رضي الله عنه), en de tekst ervan is dezelfde als de tekst die door Abū Dāwūd is overgeleverd. Alleen is hier het woord “alqaytu” gebruikt in plaats van het woord “qadhaftu” (“ik wierp”) dat voorkomt in de overlevering van Abū Dāwūd. Ook wordt hier het woord “Jahannam” gebruikt in plaats van “an-Nār” (“het Vuur”) dat in de overlevering van Abū Dāwūd voorkomt.
272. Ibn Mājah heeft deze ḥadīth ook overgeleverd van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما). Deze versie komt overeen met de versie van Abū Dāwūd zonder de voorgenoemde verschillen.
Uitleg van de aḥadīth 269–272.
Imām an-Nawawī zegt in zijn Sharḥ van Ṣaḥīḥ Muslim (deel 10, p. 53):
De betekenis van “met Allāh (تعالى) wedijveren (in deze eigenschappen)” is dat iemand probeert deze eigenschappen voor zichzelf op te eisen, namelijk grootheid en verhevenheid tonen.
In deze ḥadīth wordt een zware bestraffing beloofd voor de hoogmoedigen, en wordt duidelijk gemaakt dat hoogmoed (kibr) en jezelf groot achten absoluut ḥarām zijn.
De vermelding in de ḥadīth dat “hoogheid en verhevenheid de izār (onderkleed) en ridā (bovenkleed) van Allāh zijn” is metaforisch bedoeld. Het gaat niet om echte kleding. De Arabieren zeggen bijvoorbeeld ook: “Zuhd (het afstand nemen van overmatige gehechtheid aan de wereldse zaken) is zijn hemd en taqwā is zijn mantel.” Daarmee wordt niet letterlijk kleding bedoeld, maar dat deze eigenschappen zo sterk en zichtbaar in iemand aanwezig zijn dat ze hem nooit verlaten.
Omdat de hoogste eer en verhevenheid alleen toekomt aan Allāhu (تعالى), en deze eigenschappen het meest passend aan Zijn Wezen (Dhāt) zijn, wordt deze beeldspraak gebruikt.
Onder de Arabieren is ook de uitdrukking bekend: “Die persoon is wijd in zijn ridā” of “ruim in zijn kleding.” Daarmee wordt bedoeld dat iemand zeer vrijgevig en goeddoend is. (Einde van de uitleg uit de Sharḥ van an-Nawawī.)
Wij zeggen daarnaast: In de Qur’ān wordt kibr (hoogmoed) genoemd en worden de hoogmoedigen met zware bestraffing bedreigd. Allāhu (تعالى) heeft kibr beschreven als een oorzaak die iemand van goedheid en succes afhoudt.
In een āyah zegt Hij: سَأَصۡرِفُ عَنۡ ءَايَٰتِيَ ٱلَّذِينَ يَتَكَبَّرُونَ فِي ٱلۡأَرۡضِ بِغَيۡرِ ٱلۡحَقِّIk zal degenen die arrogant op aarde zijn van Mijn Koranverzen laten afkeren. (Aʿrāf, 7:146)
أَلَيۡسَ فِي جَهَنَّمَ مَثۡوٗى لِّلۡمُتَكَبِّرِينَ ٦٠ Is er in Jahannam geen verblijfplaats voor de hoogmoedigen? (Zumar, 39:60)
فَٱلۡيَوۡمَ تُجۡزَوۡنَ عَذَابَ ٱلۡهُونِ بِمَا كُنتُمۡ تَسۡتَكۡبِرُونَ فِي ٱلۡأَرۡضِ بِغَيۡرِ ٱلۡحَقِّ وَبِمَا كُنتُمۡ تَفۡسُقُونَ ٢٠
Op deze dag zullen jullie vergolden worden met een vernederende bestraffing want jullie liepen onterecht hoogmoedig over het land en (daarenboven) leefden jullie in zonde en losbandigheid. (Aḥqāf, 46:20)
O Allāh , Wij vragen U om onze nafs te reinigen van hoogmoed (kibr) en ons te voorzien van de zegen van tawāduʿ (nederigheid). Āmīn.