As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Aḥadīthi’l Qudsiyyah — Hoofdstuk 23: De ontmoeting van Mûsā (عليه السلام) met Khiḍr (عليه السلام)

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

27. De ontmoeting van Mûsā (عليه السلام) met Khiḍr (عليه السلام)

al-Bukhārī heeft de ḥadīth over de ontmoeting van Mûsā (عليه السلام) met Khidr (عليه السلام) overgeleverd in C.4, p.154:

273. Van … Sa‘īd ibn Jubayr (رضي الله عنه), die zei: Ibn Abbas رضي الله عنهما meldde dat Nawf al-Bakalī beweerde dat de Mûsâ عليه السلام die met Khiḍr عليه السلام was, niet dezelfde Mûsâ عليه السلام was die naar de Israëlieten was gestuurd, maar een andere Mûsâ Ibn Abbas antwoordde: “De vijand van Allāh liegt.” Van Ubay ibn Kaʿb (رضي الله عنه): an-Nabī zei: Nabī Mūsā (عليه السلام) stond op om een preek (khutba) voor Banī Isrā`īl te geven. Hij werd toen gevraagd: “Wie is de meest geleerde onder de mensen?” Hij antwoordde: “Ik ben de meest geleerde (onder de mensen).” Daarop verweet Allāh hem omdat hij de kennis niet aan Allāh had toegeschreven. Toen openbaarde Allāh aan hem: “Een van Mijn dienaren bij de plaats waar de twee zeeën samenkomen, is geleerder dan jij.”Hij zei: “O mijn Rab, hoe kan ik hem bereiken?”Er werd tegen hem gezegd: “Neem een vis mee in een (grote) mand. Wanneer je de vis verliest, daar zul je hem vinden.”Dus vertrok hij samen met zijn dienaar Yûsha` ibn Nûn, en zij namen een vis mee in een mand. (Terwijl ze over zee reisden en de plaats bereikten waar de twee zeeën samenkomen) kwamen zij bij de rots aan en legden zij hun hoofd neer en sliepen. De vis glipte uit de mand en vond zijn weg naar de zee, (als) in een tunnel. Dit verbaasde Mūsā en zijn dienaar.Zij gingen door de rest van de nacht en de volgende dag. Toen het ochtend werd, zei Mūsā tegen zijn dienaar: “Breng ons ons eten, want we zijn moe geworden van deze reis.” En Mūsā voelde geen vermoeidheid totdat hij de plaats voorbijging waar hij had moeten stoppen.Zijn dienaar zei: “Zie je toen wij bij de rots schuilden vergat ik de vis te noemen.”Mūsā zei: “Dat is wat we zochten!” En ze keerden op hun schreden terug, hun sporen volgend.Toen zij bij de rots aankwamen, zagen zij een man gehuld in een kledingstuk (of hij had zichzelf met zijn kleding bedekt). Mūsā gaf hem salām.

Khiḍr zei: Waar komt deze begroeting vandaan, die in deze streken niet bekend is?Mūsā zei: “Ik ben Mūsā.”Khiḍr vroeg: “Mūsā van Banī Isrā`īl?”Hij zei: “Ja.”Toen zei hij (Mūsā: “Mag ik je volgen opdat je mij iets leert van wat jou als rechte leiding geleerd is?”Khiḍr zei: “Voorwaar, jij zult geen geduld met mij kunnen hebben, O Mūsā! Ik heb kennis van Allāh gekregen die jij niet hebt, en jij hebt kennis gekregen die ik niet heb.”Mūsā zei: “Als Allāh het wil, zul je mij geduldig vinden, en ik zal tegen jouw bevel niet ingaan.”Ze vertrokken en daar ze geen boot hadden liepen ze langs de kust van de zee. Zij hadden geen boot. Een schip voer langs hen, en zij vroegen of ze mee mochten varen. Ze herkenden Khiḍr en namen hen aan boord zonder vergoeding.Toen landde er een vogel op de rand van het schip en pikte één of twee keer in het water. Khiḍr zei: “O Mūsā, jouw kennis en de mijne zijn vergeleken met de kennis van Allāh slechts als deze ene of twee druppels water die deze vogel uit de zee neemt.”Toen verwijderde Khiḍr een plank uit het schip. Mūsā zei: “Deze mensen hebben ons meegenomen zonder vergoeding, en jij beschadigt hun schip om hen te laten zinken?”Hij zei: “Heb ik je niet gezegd dat je geen geduld met mij zult kunnen hebben?”Mūsā zei: “Neem mij niet kwalijk vanwege wat ik vergat.”Dat was de eerste fout van Mūsā uit vergetelheid.

Zij gingen verder en vonden een jongen die met andere jongens speelde. Khiḍr greep hem bij zijn hoofd en rukte het met zijn hand eraf.

Mūsā zei: “Heb je een onschuldig ziel gedood zonder dat hij een ander heeft gedood?”Khiḍr zei: “Heb ik je niet gezegd dat je geen geduld met mij zult kunnen hebben?”(De overleveraar zei: Dit antwoord was strenger dan het vorige.)(Mûsâ zei: “Als ik je daarna nog iets vraag, houd mij dan niet gezelschap. Je hebt dan een geldig excuus van mijn kant.”)Zij trokken verder tot zij bij de bewoners van een stad kwamen. Zij vroegen hen om voedsel, maar zij weigerden hen gastvrij te ontvangen. Toen vonden zij daar een muur die op het punt van instorten stond. Khiḍr herstelde hem met zijn eigen hand.Mūsā zei: “Als je wilde, had je er een vergoeding voor kunnen vragen.”Toen zei al-Khiḍr: “Dit is het moment waarop onze wegen zich scheiden.”An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Moge Allāh Mūsā genadig zijn! Wij zouden graag gewild hebben dat hij geduld had getoond, zodat wij meer van hun verhaal zouden hebben gehoord.”

En de ḥadīth gaat verder in een langere overlevering.

al-Bukhārī ( رَحِمَهُ اللهُ) heeft deze ḥadīth overgeleverd in C.6, p.88, in de bab over de tafsīr van Sūrat al-Kahf, bij de uitspraak van Allāhu (تعالى): “Toen Mûsā tegen zijn dienaar zei…” (zie hierboven)

275. En de ḥadīth gaat verder op deze manier.

al-Bukhārī heeft deze ḥadīth in dezelfde bab ook in een andere vorm overgeleverd: (zie hierboven)

En de ḥadīth vervolgt verder.

al-Bukhārī heeft deze ḥadīth ook in vergelijkbare bewoordingen in deze bab overgeleverd. Allāhu (تعالى) weet het het beste.

Al-Qastallānī ( رَحِمَهُ اللهُ) vermeldt in C.7, p.221 in het gedeelte over Sūrat al-Kahf: deze ḥadīth is reeds eerder in Kitāb al-‘Ilm vermeld, en de auteur (al-Bukhārī رَحِمَهُ اللهُ heeft hem in zijn al-Jāmi‘ (Ṣaḥīḥ al-Bukhārī) op meer dan tien plaatsen aangehaald.

274–275. Uitleg van de aḥadīth

Dat Ibn ‘Abbās (رضي الله عنه) over Nawf al-Bikālī zei: “De vijand van Allāh liegt”. Zijn felle tegenstand, zijn overdrijving daarin en zijn hevige woede erover waren hieraan te wijten. Daarmee bedoelde hij niet dat hij werkelijk geloofde dat Nawf een vijand van Allāh was.

Met “de plaats waar de twee zeeën samenkomen” wordt de samenkomst bedoeld van de Perzische zee in het oosten en de zee van Rūm.

Met de uitspraak: “Hij is geleerder dan jij” wordt bedoeld: in een specifieke zaak en in een bepaald soort kennis.

(In het hoofdgedeelte van het boek wordt slechts het begin van de ḥadīth over de gebeurtenis tussen Mûsā (عليه السلام) en Khiḍr (عليه السلام) vermeld, waarna gezegd wordt: “het vervolg is erg lang.” In de sharḥ wordt het vervolg echter uit Ṣaḥīḥ al-Bukhārī aangehaald en met uitleg weergegeven. Hierboven hebben wij het vervolg van de ḥadīth vertaald. – De vertaler)

………

Er is geen overlevering gekomen waaruit blijkt dat hij hem om kennis van de dīn vroeg. Want de anbiyā (عليهم السلام) beschikken reeds over volledige kennis betreffende de dīn en de aanbiddingen van hun gemeenschappen.…..

“Jij zult geen geduld kunnen hebben met wat ik doe”: Want wanneer Mûsā (عليه السلام) iets zag dat uiterlijk in strijd leek met zijn sharī‘ah, kon hij daar niet zwijgend overheen stappen.

…..

“Hoe kun jij geduld hebben met iets waarvan jij de verborgen werkelijkheid niet volledig begrijpt?”: Dat wil zeggen: hoe kun jij als Nabī geduld hebben met handelingen die uiterlijk onaanvaardbaar lijken, terwijl jij de innerlijke wijsheid ervan niet kent?

…..

“O Mûsā, jouw kennis en mijn kennis hebben van de kennis van Allāhu (تعالى) niet méér verminderd dan wat deze vogel van de zee heeft weggenomen.”: Hier wordt “verminderen” niet letterlijk bedoeld. De betekenis is: De verhouding van mijn kennis en jouw kennis tot de kennis van Allāhu (تعالى) is zoals de hoeveelheid water die deze vogel uit de zee nam tegenover de hele zee. Dit is slechts een vergelijking om het verstand dichter bij het begrip te brengen. In werkelijkheid is de kennis van Allāhu (تعالى) oneindig, terwijl de zee begrensd is.

………

“Heb ik jou niet gezegd dat jij geen geduld zult kunnen hebben met wat ik doe?”: Deze vraag was bedoeld als terechtwijzing voor het verbreken van hun afspraak. Hij verontschuldigde zich dus omdat hij uit vergetelheid had gehandeld, of hij maakte duidelijk dat zijn overtreding van de afspraak door vergeten kwam.

De eerste tegenwerping van Mûsā (عليه السلام) gebeurde dus uit vergeetachtigheid.

…..

“Ik zal je de uitleg geven van de zaken waar jij geen geduld voor kon hebben”: Dat wil zeggen: ik zal je de innerlijke betekenis en de wijsheid uitleggen achter deze daden die jij uiterlijk als verkeerd beschouwde, maar waarvan jij de verborgen kant niet kende.”

(Het vervolg van dit verhaal staat niet in het boek dat wij vertalen. Wij hebben er echter voor gekozen om het gehele verhaal zoals het in de Qurʾān vermeld staat hieronder weer te geven, de vertaler.)Hieronder het voorgaande verhaal in de Qur’ān:

وَإِذۡ قَالَ مُوسَىٰ لِفَتَىٰهُ لَآ أَبۡرَحُ حَتَّىٰٓ أَبۡلُغَ مَجۡمَعَ ٱلۡبَحۡرَيۡنِ أَوۡ أَمۡضِيَ حُقُبٗا ٦٠(En gedenk) toen Mūsā tegen zijn jonge knecht zei: “Ik zal het (reizen) niet opgeven tot ik de samenvloeiing van de twee zeeën bereik, al moet ik eeuwenlang doorgaan.”

فَلَمَّا بَلَغَا مَجۡمَعَ بَيۡنِهِمَا نَسِيَا حُوتَهُمَا فَٱتَّخَذَ سَبِيلَهُۥ فِي ٱلۡبَحۡرِ سَرَبٗا ٦١Maar toen zij de samenvloeiing van de twee zeeën bereikten, vergaten zij hun vis en deze zwom snel weg in de zee.

فَلَمَّا جَاوَزَا قَالَ لِفَتَىٰهُ ءَاتِنَا غَدَآءَنَا لَقَدۡ لَقِينَا مِن سَفَرِنَا هَٰذَا نَصَبٗا ٦٢En toen zij verder waren gegaan, zei Mūsā tegen zijn jonge knecht: “Breng ons eten, (de vis) waarlijk, wij zijn erg moe geworden van deze zware reis.”

قَالَ أَرَءَيۡتَ إِذۡ أَوَيۡنَآ إِلَى ٱلصَّخۡرَةِ فَإِنِّي نَسِيتُ ٱلۡحُوتَ وَمَآ أَنسَىٰنِيهُ إِلَّا ٱلشَّيۡطَٰنُ أَنۡ أَذۡكُرَهُۥۚ وَٱتَّخَذَ سَبِيلَهُۥ فِي ٱلۡبَحۡرِ عَجَبٗا ٦٣Hij zei: “Weet je nog dat wij onszelf bij die rots hebben neergelegd? Waarlijk, ik was de vis beslist vergeten en niemand anders dan Satan heeft mij doen vergeten te herinneren. Het heeft zijn weg op een vreemde (manier) naar de zee gevonden!”

قَالَ ذَٰلِكَ مَا كُنَّا نَبۡغِۚ فَٱرۡتَدَّا عَلَىٰٓ ءَاثَارِهِمَا قَصَصٗا ٦٤(Mūsā) zei: “Dat is waar wij naar gezocht hebben.” Dus keerden zij in hun voetstappen terug.

فَوَجَدَا عَبۡدٗا مِّنۡ عِبَادِنَآ ءَاتَيۡنَٰهُ رَحۡمَةٗ مِّنۡ عِندِنَا وَعَلَّمۡنَٰهُ مِن لَّدُنَّا عِلۡمٗا ٦٥Toen vonden zij één van Onze dienaren, die Wij Onze genade hadden gegeven, en die Wij in Onze kennis onderwezen hadden.

قَالَ لَهُۥ مُوسَىٰ هَلۡ أَتَّبِعُكَ عَلَىٰٓ أَن تُعَلِّمَنِ مِمَّا عُلِّمۡتَ رُشۡدٗا ٦٦Mūsā zei tegen hem (Khiḍr): “Mag ik je volgen, zodat jij mij iets kunt leren van die kennis die jou onderwezen is?”

قَالَ إِنَّكَ لَن تَسۡتَطِيعَ مَعِيَ صَبۡرٗا ٦٧Hij (Khiḍr) zei: “Waarlijk! Jij zult niet in staat zijn om geduld met mij te hebben!

وَكَيۡفَ تَصۡبِرُ عَلَىٰ مَا لَمۡ تُحِطۡ بِهِۦ خُبۡرٗا ٦٨En hoe kun je nu geduld hebben over iets waar je geen kennis van hebt?”

قَالَ سَتَجِدُنِيٓ إِن شَآءَ ٱللَّهُ صَابِرٗا وَلَآ أَعۡصِي لَكَ أَمۡرٗا ٦٩Mūsā zei: “Als Allāh het wil zult je mij geduldig vinden en ik zal jou niet in het minste ongehoorzaam zijn.”

قَالَ فَإِنِ ٱتَّبَعۡتَنِي فَلَا تَسۡـَٔلۡنِي عَن شَيۡءٍ حَتَّىٰٓ أُحۡدِثَ لَكَ مِنۡهُ ذِكۡرٗا٧٠Hij zei: “Volg mij dan, maar vraag mij niet tot ik het zelf bij jou ter berde breng.”

فَٱنطَلَقَا حَتَّىٰٓ إِذَا رَكِبَا فِي ٱلسَّفِينَةِ خَرَقَهَاۖ قَالَ أَخَرَقۡتَهَا لِتُغۡرِقَ أَهۡلَهَا لَقَدۡ جِئۡتَ شَيۡـًٔا إِمۡرٗا ٧١Dus gingen zij beiden verder tot zij in het schip waren en hij liet het zinken. Mūsā zei: “Heb je het laten zinken zodat haar bemanning zou verdrinken?” Waarlijk, jij hebt iets kwaads verricht.

قَالَ أَلَمۡ أَقُلۡ إِنَّكَ لَن تَسۡتَطِيعَ مَعِيَ صَبۡرٗا ٧٢Hij zei: “Heb ik je niet verteld dat je geen geduld met mij zou kunnen hebben?”

قَالَ لَا تُؤَاخِذۡنِي بِمَا نَسِيتُ وَلَا تُرۡهِقۡنِي مِنۡ أَمۡرِي عُسۡرٗا ٧٣(Mūsā) zei: “Roep mij niet ter verantwoording voor wat ik vergeten ben, en maak het mij niet moeilijk.”

فَٱنطَلَقَا حَتَّىٰٓ إِذَا لَقِيَا غُلَٰمٗا فَقَتَلَهُۥ قَالَ أَقَتَلۡتَ نَفۡسٗا زَكِيَّةَۢ بِغَيۡرِ نَفۡسٖ لَّقَدۡ جِئۡتَ شَيۡـٔٗا نُّكۡرٗا ٧٤Toen gingen zij beiden verder, tot zij een jongen tegenkwamen, en hij hem doodde. Mūsā zei: “Heeft u een onschuldig persoon gedood die niemand vermoord heeft? Waarlijk, u heeft een vreselijke daad verricht.” ۞

۞ قَالَ أَلَمۡ أَقُل لَّكَ إِنَّكَ لَن تَسۡتَطِيعَ مَعِيَ صَبۡرٗا ٧٥(Khiḍr) zei: “Heb ik je niet verteld dat je geen geduld met mij zou hebben?”

قَالَ إِن سَأَلۡتُكَ عَن شَيۡءِۭ بَعۡدَهَا فَلَا تُصَٰحِبۡنِيۖ قَدۡ بَلَغۡتَ مِن لَّدُنِّي عُذۡرٗا ٧٦(Mūsā) zei: “Als ik je hierna over iets vraag, houdt mij dan niet in jouw gezelschap, je hebt al een verontschuldiging van mij gekregen.”

فَٱنطَلَقَا حَتَّىٰٓ إِذَآ أَتَيَآ أَهۡلَ قَرۡيَةٍ ٱسۡتَطۡعَمَآ أَهۡلَهَا فَأَبَوۡاْ أَن يُضَيِّفُوهُمَا فَوَجَدَا فِيهَا جِدَارٗا يُرِيدُ أَن يَنقَضَّ فَأَقَامَهُۥۖ قَالَ لَوۡ شِئۡتَ لَتَّخَذۡتَ عَلَيۡهِ أَجۡرٗا ٧٧Toen gingen zij beiden verder tot zij bij de inwoners van een stad kwamen. Zij vroegen hen om eten, maar zij weigerden hen gastvrijheid te verlenen. Toen vonden zij een muur die bijna omviel en hij (Khiḍr) repareerde hem. (Mūsā) zei: “Als jij gewild had, waarlijk je had daar loon voor kunnen vragen!”

قَالَ هَٰذَا فِرَاقُ بَيۡنِي وَبَيۡنِكَۚ سَأُنَبِّئُكَ بِتَأۡوِيلِ مَا لَمۡ تَسۡتَطِع عَّلَيۡهِ صَبۡرًا ٧٨(Khiḍr) zei: “Dit is het moment tussen mij en jou om afscheid te nemen en het moment waarop ik je de uitleg van (die) zaken geef waarmee jij niet in staat was geduld te hebben.

أَمَّا ٱلسَّفِينَةُ فَكَانَتۡ لِمَسَٰكِينَ يَعۡمَلُونَ فِي ٱلۡبَحۡرِ فَأَرَدتُّ أَنۡ أَعِيبَهَا وَكَانَ وَرَآءَهُم مَّلِكٞ يَأۡخُذُ كُلَّ سَفِينَةٍ غَصۡبٗا ٧٩Wat het schip betreft: die behoorde aan arme mensen die op zee hun brood verdienden. Ik wilde haar onbruikbaar maken, want hun koning komt alle schepen met geweld in beslag nemen.

وَأَمَّا ٱلۡغُلَٰمُ فَكَانَ أَبَوَاهُ مُؤۡمِنَيۡنِ فَخَشِينَآ أَن يُرۡهِقَهُمَا طُغۡيَٰنٗا وَكُفۡرٗا ٨٠Wat de (vermoorde) jongen betreft, zijn ouders waren gelovigen en wij waren bang dat hij (op latere leeftijd door zijn onwetendheid) hen (vanwege hun kinderliefde) zou overhalen tot opstandigheid en ongeloof.

فَأَرَدۡنَآ أَن يُبۡدِلَهُمَا رَبُّهُمَا خَيۡرٗا مِّنۡهُ زَكَوٰةٗ وَأَقۡرَبَ رُحۡمٗا ٨١Onze bedoeling (voor zijn moord) was dat hun Heer hem zou vervangen door een betere zoon, die rechtvaardiger en godvrezender is, en (daarmee) onder Onze genade valt (ten gunste van zijn ouders).

وَأَمَّا ٱلۡجِدَارُ فَكَانَ لِغُلَٰمَيۡنِ يَتِيمَيۡنِ فِي ٱلۡمَدِينَةِ وَكَانَ تَحۡتَهُۥ كَنزٞ لَّهُمَا وَكَانَ أَبُوهُمَا صَٰلِحٗا فَأَرَادَ رَبُّكَ أَن يَبۡلُغَآ أَشُدَّهُمَا وَيَسۡتَخۡرِجَا كَنزَهُمَا رَحۡمَةٗ مِّن رَّبِّكَۚ وَمَا فَعَلۡتُهُۥ عَنۡ أَمۡرِيۚ ذَٰلِكَ تَأۡوِيلُ مَا لَمۡ تَسۡطِع عَّلَيۡهِ صَبۡرٗا ٨٢Wat de muur betreft: deze behoorde toe aan de twee weesjongens in de stad. Onder (deze muur) bevond zich een (verborgen)” schat die hen (rechtmatig) toebehoorde; en (vanwege het feit dat) hun vader een rechtschapen man was (zorgde Allāh niet alleen voor de bescherming van de kinderen maar ook voor het geheim van de schat want) het was de bedoeling van jouw Heer dat zij zouden opgroeien tot ze de volwassenheid hadden bereikt (om dan vervolgens) de schat op te graven als een genade van jullie Heer. Ik deed het niet op eigen gezag. Dit is de uitleg over hetgeen waarvoor jij geen geduld kon opbrengen.” .”(Surah al-Kahf: 60-82)

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wij hadden gewild dat Mūsā (عليه السلام) geduld had gehad, zodat Allāhu (تعالى) ons hun verhaal had kunnen vertellen.”

(Een van de overleveraars Sufyān (رضي الله عنه) zei): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Moge Allāhu (تعالى) Mūsā (عليه السلام) genadig zijn.

Als hij geduld had gehad, dan zou Allāhu (تعالى) hun verhaal aan ons hebben verteld.”

Ook in Rihābu’t-Tafsīr wordt via de overlevering van al-Ḥamīd van Sufyān (رضي الله عنه) vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wij zouden graag gewild hebben dat Mūsā (عليه السلام) geduld had gehad, zodat Allāhu (تعالى) hun verhaal aan ons had verteld.” (Qastallānī, Sharḥ, deel 5, p. 381). Allāhu weet het het beste.