28. Zelfmoord plegen heeft als straf Jahannam
De ḥadīth over de man die zijn hand sneed met een mes en daardoor stierf. al-Bukhārī vermeldt deze ḥadīth in zijn Sahīh, deel 4, blz. 1180, in het hoofdstuk “Het verhaal over Banī Isrāʾīl”:
276. Van … Jundub ibn ʿAbdullāh (رضي الله عنه) heeft ons in deze moskee een ḥadīth overgeleverd. Sinds de dag waarop hij deze overleverde, zijn wij niets vergeten van wat hij heeft gezegd, en wij hebben nooit gevreesd dat Jundub (رضي الله عنه) iets onwaarachtigs aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zou toeschrijven. Hij berichtte dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Er was onder degenen vóór jullie een man. Hij had een wond gekregen en leed daar hevige pijn door. Toen nam hij een mes en sneed daarmee zijn hand af. Het bloeden stopte niet en daardoor stierf hij.
Allāhu (تعالى) zei daarop: ‘Mijn dienaar heeft zich in zijn eigen nafs tegen Mijn oordeel verzet, daarom heb Ik de Jannah voor hem verboden.”
Uitleg van de 276ste ḥadīth
Met “zij die vóór jullie leefde” worden de Banī Isrāʾīl bedoeld, of mogelijk een andere gemeenschap. Maar de mogelijkheid dat het Banī Isrāʾīl betreft is sterker.
De reden dat de man in deze ḥadīth de eeuwige bestraffing van Jahannam verdient, is niet omdat hij zichzelf heeft gedood, maar omdat hij door zich tegen het oordeel van Allāh te verzetten in ongeloof is vervallen.
Of deze man was oorspronkelijk een kāfir, en door zijn zelfdoding kwam daarbovenop nog extra bestraffing voor zijn andere daden, naast de straf die hij al zou krijgen vanwege zijn kufr.
“Mijn dienaar heeft zich in zijn eigen nafs tegen Mijn oordeel verzet” betekent: “Mijn oordeel had hem nog niet bereikt, maar hij heeft zichzelf al gedood.” Hier lijkt echter een moeilijkheid te bestaan, want uit de letterlijke betekenis zou volgen dat de gedode persoon vóór zijn ajal sterft. Maar in werkelijkheid sterft niemand vóór zijn ajal, ongeacht de oorzaak. Bovendien weet Allāhu (تعالى) al dat hij door deze oorzaak zal sterven. In de kennis van Allāhu (تعالى) is er geen verandering. Het antwoord hierop is als volgt gegeven: Allāhu (تعالى) heeft die persoon niet op de hoogte gesteld van Zijn eeuwige kennis. Het feit dat die persoon ervoor koos zichzelf te doden, was uit zijn eigen wil en keuze. Hij koos zelf de weg van zelfdoding, waardoor het lijkt alsof hij zichzelf een oordeel over zijn eigen toestand heeft gegeven vóórdat het oordeel van Allāhu (تعالى) hem bereikte. Met deze opstandigheid heeft hij de straf verdiend.
Deze ḥadīth laat zien hoe groot de zonde is van het nemen van een leven, of men nu zijn eigen leven neemt of dat van een ander. Want zelfs zijn eigen leven is niet zijn eigendom; het behoort toe aan Allāhu (تعالى). Allāhu (تعالى) weet het het beste. (Sharḥ al-Qastallānī).