30. De Aslam-stam werd door Allāh in veiligheid gebracht
Deze ḥadīth is door Muslim overgeleverd. Volgens de aantekening van Qastallānī bij zijn uitleg van Ṣaḥīḥ al-Bukhārī wordt deze vermeld in deel 9, blz. 407, in Kitāb al-Faḍāʾil, in het hoofdstuk “De verdiensten van de stammen Ghifār en Aslam”.
280. Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De Aslam-stam heeft Allāh in veiligheid gebracht, en de Ghifār-stam heeft Allāh vergeven. Ik heb dit niet zelf gezegd, maar Allāh عز وجل heeft het gezegd.”
Muslim vermeldt ook een langere versie van deze ḥadīth met een keten die teruggaat tot Abū Bakrah (رضي الله عنه). 281. Van … al-Aqraʿ ibn Ḥābis (رضي الله عنه), hij kwam naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) toe en zei: “Er kwamen mensen uit de stammen Aslam, Ghaffar en Muzaynah, die bekend stonden om het beroven van pelgrims en hebben u trouw gezworen (bayʿah).”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei daarop: “Wat denk jij? Als de stammen Aslam, Ghifār en Muzaynah beter zijn dan de stammen Banī Tamīm, Banī ʿĀmir, Asad en Ghatafān, zouden zij dan verliezen en tegenspoed lijden?”Al-Aqraʿ zei: “Ja.”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Bij Hem in Wiens hand mijn rûh is: zij zijn beter dan die anderen.”
Uitleg van de aḥadīth 280 – 281
Over de uitspraak “Allāh heeft de Aslam-stam in veiligheid gebracht…” wordt gezegd dat dit een duʿāʾ voor hen is. Er wordt ook gezegd dat het een beschrijving is van hun toestand.
Al-Qāḍī zegt in al-Mashāriq: dit behoort tot de mooiste uitdrukkingen. Wanneer je bij iemand iets goeds ziet, zeg je: “ik heb vrede met hem gesloten” (mūsālamah), en dit woord komt uit dezelfde taalkundige wortel. Het is alsof Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een duʿāʾ verrichtte dat Allāhu (تعالى) hen zou geven wat bij hun toestand past.
Evenzo kan de uitspraak “Allāh heeft de Ghifār-stam vergeven” worden opgevat als ook een duʿāʾ dat Allāhu (تعالى) hen de vergeving schenkt die bij hen past.
Er wordt ook gezegd: voor de Ghifār-stam is als eer voldoende dat Abū Dhar al-Ghifārī (رضي الله عنه) uit hun midden kwam. Hij behoorde tot de eerste mu’mins. Over zijn Islâm is een bekende overlevering, en zijn verhaal is vermeld in Ṣaḥīḥ al-Bukhārī in Kitāb al-Manāqib.
(uit de Sharḥ van an-Nawawī op Ṣaḥīḥ Muslim).
31. Aḥadīth over het vergemakkelijken van het reciteren van de Qurʾān, het zonder moeite en op een gemakkelijke manier de Qurʾān kunnen lezen.Het reciteren van de Qurʾān in de nacht. De openbaring van sūrat al-Kawthar.De verdienste van het uitspreken van ṣalawāt over Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).De superioriteit van Khadījah (رضي الله عنها) en de overleveringen over haar blijde tijding van een huis in Jannah.
Ten eerste: de ḥadīth “Allāhu عز وجل heeft bevolen dat de Qurʾān op zeven ḥurūf (recitatiestijlen) wordt gereciteerd…”
Deze ḥadīth is door an-Nasāʾī overgeleverd in zijn Sunan, in het hoofdstuk over overleveringen met betrekking tot de Qurʾān.
282. Van Ubay ibn Kaʿb (رضي الله عنه): Ik was met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bij de oever van de vijver van Banī Ghifār. Op dat moment kwam Jibrīl (عليه السلام) en zei:
“Allāhu عز وجل heeft jou bevolen de Qurʾān aan jouw ummah op één ḥarf (recitatiestijl) te laten reciteren.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei daarop: “Ik vraag Allāh om vergiffenis en vergeving, mijn ummah is hier niet toe in staat.”
Daarna kwam Jibrīl (عليه السلام) opnieuw en zei: “Allāhu عز وجل heeft jou bevolen de Qurʾān aan jouw ummah op twee ḥurūf te laten reciteren.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei weer: “Ik vraag Allāh om vergiffenis en vergeving, mijn ummah is hier niet toe in staat.”
Daarna kwam hij de derde keer en zei: “Allāhu عز وجل heeft jou bevolen de Qurʾān aan jouw ummah op drie ḥurūf te laten reciteren.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei opnieuw: “Ik vraag Allāh om Zijn vergiffenis en vergeving, mijn ummah is hier niet toe in staat.”
Daarna kwam Jibrīl (عليه السلام) de vierde keer en zei: “Allāhu عز وجل heeft jou bevolen de Qurʾān aan jouw ummah op zeven ḥurūf te laten reciteren. Op welke van deze zeven zij ook reciteren, zij zullen correct reciteren.”
Uitleg van de 282ste ḥadīth
Met “ḥarf” wordt hier bedoeld: de iʿrāb, dus de verschillende manieren van het aanbrengen van de ḥarakāt (klinkertekens) (in een woord) in de QurʾānDe wens van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dat de Qurʾān op meerdere wijzen van iʿrāb gereciteerd kon worden, vloeide voort uit zijn zorg dat zijn ummah niet in moeilijkheden zou geraken.Met “zeven ḥurūf” wordt hier niet bedoeld dat één enkele ḥarf zeven verschillende recitaties heeft, maar dat de gehele Qurʾān in verschillende vormen van recitatie binnen dit aantal valt.
De verschillen in de recitatie van de Qurʾān kunnen bijvoorbeeld als volgt zijn:
Soms is er alleen verschil in ḥarakāt zonder verandering in betekenis of schrijfwijze, zoals bij vergelijkbare vormen in de taal.
Soms is er een klein betekenisverschil zonder volledige tegenstelling. Bijvoorbeeld in sūrat al-Baqara 2:37: “fa-talaqqā Ādamu min rabbihi kalimātin” en in een andere qirāʾa:“fa-talaqqā Ādama rabbuhu kalimātun” In de eerste lezing betekent het: “Ādam ontving van zijn Rab, door Zijn ingeving enkele woorden, woorden van berouw en vergeving.”In de tweede lezing betekent het: “Tot Ādam kwamen van zijn Rab enkele woorden van berouw en vergeving.”
Soms is het verschil niet in de ḥarakāt maar in een letter, wat een kleine betekenisnuance kan geven, zoals bij “tublā” en “tatlū”.
Soms is er een letterverschil zonder betekenisverandering, zoals bij “as-Ṣirāṭ” dat met sīn of ṣād wordt gelezen.
Soms is er een verschil in volgorde van woorden, zoals “fa-yaktulūna wa yuqtalūn” (zij doden en worden gedood) en in een andere qirāʾa “fa-yuqtalūna wa yaktulūn” (zij worden gedood en doden). Dit verandert de betekenisrichting, maar niet de algemene inhoud van de uitdrukking.
Soms is er verschil in aantal letters, zoals “awsā” en “wassā”, die dezelfde betekenis dragen, maar waarbij in de ene versie een alif wordt toegevoegd en in de andere een shadda de betekenis ondersteunt.
Verschillen in tajwīd en fijne recitatieregels worden niet beschouwd als echte verschillen in lafẓ of betekenis, omdat zij geen verandering in de woordstructuur veroorzaken”. (Einde van de uitleg van Qastallānī, deel 5, blz. 271)
Qastallānī zegt in deel 7, blz. 451, in het hoofdstuk over de superioriteit van de Qurʾān, in het gedeelte “Over de uitspraak”: “De Qurʾān is neergezonden op zeven ḥurūf,” wordt gezegd dat vanwege de noodzaak van verschillen tussen talen en omdat mensen moeite hebben met om andere talen/tongvallen te spreken, is dit een reden waarom dit als vergemakkelijking (taysīr) aan de mensen werd toegestaan. Daarom werd de zaak van meet af aan en breed gehouden, zodat iedere groep de Qurʾān kon reciteren op een wijze die aansloot bij haar taal/dialect en gewoonten, totdat de mensen uiteindelijk in staat zouden zijn om volgens één vaste recitatiewijze te lezen.
Daarom is deze toestemming niet gegeven zodat mensen de Qurʾān naar eigen voorkeur kunnen reciteren. Hiermee wordt bedoeld dat mensen die moeite hebben met de uitspraak, de woorden uitspreken met klanken die aansluiten bij de overeenkomstige klanken in hun eigen taal. Maar de basis blijft wat van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) is overgeleverd.
Zoals blijkt uit wat ʿUmar en Hishām (رضي الله عنهما) zeiden: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft het mij zo laten reciteren.” (Wat aangeeft dat de oorsprong altijd de overlevering van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) is en niet eigen keuze.)
De ḥadīth: “Er zijn drie personen die Allāhu عز وجل liefheeft”
Deze ḥadīth is door an-Nasāʾī overgeleverd in zijn Sunan, deel 3, blz. 207, in het hoofdstuk “De verdienste van het verrichten van nachtṣalāh tijdens reizen”.
283. Van Abū Dhar (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er zijn drie personen die Allāhu عز وجل liefheeft:
1. Iemand die naar een groep mensen gaat en hun om iets vraagt, niet vanwege (familiebanden of) een persoonlijke relatie, maar enkel omwille van het welbehagen van Allāhu (تعالى). En wanneer die groep hem niets geeft, doet hij hun in het geheim een gunst, zó verborgen dat niemand zijn goede daad kent behalve Allāhu (تعالى).
2. Ook degene die deel uitmaakt van een gezelschap dat ’s nachts reist en vervolgens door vermoeidheid wordt overmand, zodat de slaap voor hen aantrekkelijker wordt dan alles wat hun daarvoor gegeven zou kunnen worden. Zij stijgen af van hun rijdieren, leggen hun hoofden neer en gaan slapen. Maar deze man staat op om Allāhu (تعالى) aan te roepen in duʿāʾ en Zijn āyāt te reciteren.
3. Ook degene die deel uitmaakt van een leger dat de vijand tegemoettrekt. Wanneer zijn groep voor de vijand terugwijkt en uiteenvalt, slaat hij niet op de vlucht, maar blijft hij standvastig strijden omwille van Allāhu (تعالى), totdat hij sterft of de overwinning behaalt.
Uitleg van de 283ste ḥadīth
In deze ḥadīth wordt gesproken over drie personen over wie Allāhu (تعالى) Zijn liefde en barmhartigheid heeft doen toenemen. Tegelijkertijd wordt hiermee aangemoedigd om zich met hun karaktereigenschappen te vormen.
Deze drie personen zijn:
De eerste: iemand die uitsluitend omwille van Allāhs (تعالى) welbehagen in het geheim sadaqah geeft. Van zijn gift weet alleen Allāh en degene die het ontvangt. Dit wordt ondersteund door de ḥadīth over de zeven groepen mensen die op de Yawmu’l Qiyamah in de schaduw van Allāh zullen zijn, waaronder degene die zo verborgen sadaqah geeft dat zijn linkerhand niet weet wat zijn rechterhand geeft. Dit is een uitdrukking voor uiterste geheimhouding in het geven van sadaqah.
Iemand die in het geheim, zonder dat zelfs zijn medereizigers het merken, ’s nachts opstaat om ʿibādah te verrichten, Allāhu (تعالى) te gedenken en Qurʾān te reciteren, binnen of buiten de ṣalāh. Vooral wanneer hij uitgeput is door de lange reis en zijn metgezellen door vermoeidheid in slaap zijn gevallen.
De derde: iemand die nadat zijn metgezellen uiteengegaan zijn, op de vijand afstormt en blijft strijden totdat hij gedood wordt of de strijd wint.
Een dergelijke daad versterkt de vastberadenheid (ʿazīmah) en moed van de moslims. Zij moedigt degenen die zich hebben teruggetrokken aan om naar het slagveld terug te keren en voorkomt dat de achterblijvers eveneens in verwarring raken of op de vlucht slaan. Het tegenovergestelde gedrag kan daarentegen de vastberadenheid ondermijnen en bijdragen aan verdere verdeeldheid en ontreddering.
De reden voor de nederdaling van Sūrah al-Kawthar
Deze ḥadīth wordt door An-Nasā’ī overgeleverd in zijn Sunan, in het hoofdstuk over het reciteren van “Bismillāhir-Raḥmānir-Raḥīm”.
284. Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) zei: “Op een dag, terwijl Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zich onder ons bevond, werd hij lichtelijk door sluimering overvallen. Daarna hief hij glimlachend zijn hoofd op. Wij vroegen: ‘Wat heeft u doen glimlachen, o Rasulullah?’
Hij antwoordde: ‘Zojuist is er een sūrah aan mij neergezonden.’
Daarna reciteerde hij: بِسْمِ اللَّهِ الرَّحْمَٰنِ الرَّحِيمِ In de naam van Allāh, de meest Barmhartige, de meest Genadevolle.
إِنَّآ أَعۡطَيۡنَٰكَ ٱلۡكَوۡثَرَ ١ Waarlijk, Wij hebben jou de overvloed geschonken.
فَصَلِّ لِرَبِّكَ وَٱنۡحَرۡ ٢ Bidt daarom tot jouw Heer en offer (voor Hem alleen).
إِنَّ شَانِئَكَ هُوَ ٱلۡأَبۡتَرُ ٣ Voorwaar, jouw hater, hij is bij wie het (nageslacht) is afgesneden (Kawthar, 108:103)
Vervolgens zei hij: ‘Weten jullie wat al-Kawthar is?’
Wij antwoordden: ‘Allāh en Zijn Rasûl weten het beter.’
Daarop zei Rasulullah (صلى الله عليه وسلم): ‘Het is een rivier in Jannah die mijn Rab mij heeft beloofd. Het aantal bekers langs (die rivier) is meer dan het aantal sterren. Mijn ummah zal bij die rivier naar mij toe komen. Dan zal één dienaar van hen worden weggenomen.’
Ik zal dan zeggen: ‘O mijn Rab, hij behoort tot mijn ummah!’
Daarop zal Allāhu (تعالى). zeggen: ‘Jij weet niet welke vernieuwingen zij na jou hebben ingevoerd.”
Uitleg van de 284ste ḥadīth
Zoals in de ḥadīth vermeld wordt, reciteerde Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) Sūrah al-Kawthar samen met de Basmalah (“Bismillāhir-Raḥmānir-Raḥīm”). Sommige geleerden hebben dit als bewijs aangevoerd dat de Basmalah tot de sūrah behoort.
De ḥadīth over: “De voortreffelijkheid van de ṣalāh en het uitspreken van salām (ṣalawāt) over Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم)”
Deze ḥadīth is door An-Nasāʾī overgeleverd in zijn Sunan, deel 4, p. 44, in het hoofdstuk: “De voortreffelijkheid van het brengen van ṣalāh en salām over Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم)”:
285. Van … Abū Ṭalḥah (رضي الله عنه): Op een dag kwam Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verheugd naar buiten. (De overleveraar zei:) Wij zeiden: “Wij zien vreugde op uw gezicht.” Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Er kwam een engel naar mij en zei: “O Muḥammad, ben jij er niet tevreden mee dat voor iedere ṣalāh die over jou wordt uitgesproken, Ik tien ṣalawāt uitspreek, en dat voor iedere salām die naar jou wordt gebracht, Ik tien ṣalawāt breng?”
Uitleg van de 285ste ḥadīth
Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verheugd was, verscheen er op zijn gezicht een licht dat straalde als de volle maan. Toen de Ṣaḥābah (رضي الله عنهم), zoals in de ḥadīth wordt vermeld, hem vroegen naar de reden van zijn vreugde, vertelde hij hun dat een engel naar hem was gekomen en van Allāhu (تعالى) het volgende had meegedeeld:
“O Muḥammad, ben jij er niet tevreden mee dat wanneer iemand één ṣalāh over jou uitspreekt, Ik tien ṣalawāt over hem uitspreek, en wanneer iemand jou één salām brengt, Ik hem tien ṣalawāt schenk?”
Degenen die deze beloning verdienen zijn de mensen uit de ummah van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) die ṣalāh en salām over hem uitspreken. De betekenis van het ontvangen van tien ṣalawāt en tien salāms in ruil daarvoor dat hun beloning en hun bloning (ajr) tienvoudig worden gegeven.
De engel zei dit om Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het verheugende nieuws te brengen dat de aan hem gedane belofte daadwerkelijk in vervulling zal gaan, zoals Allahu (تعالى) zei: وَلَسَوۡفَ يُعۡطِيكَ رَبُّكَ فَتَرۡضَىٰٓ ٥En jouw Heer zal jou zeker gunsten schenken, zodat jij tevreden zult zijn. (ad-Duḥā 93:5)
Ook wij zeggen:
“Ṣalāh en salām zij over sayyidunā, Nabīunā, shafi`unā (voorspraak/bemiddelaar), habībunā, Muḥammad (صلى الله عليه وسلم), over zijn familie, zijn metgezellen en degenen die van hem houden. O onze Rab, maak hem voor ons tot een voorspraak/bemiddelaar en red ons door zijn voorspraak (shafa`ah) van de bestraffing van Jahannam. Āmīn.”
De ḥadīth over het verheugende nieuws dat aan de Moeder van de mu’mins, Khadījah (رضي الله عنها), een huis in Jannah werd gegeven.
Deze ḥadīth is door al-Bukhārī overgeleverd in deel 9, p. 144, in Kitāb at-Tawḥīd, in het hoofdstuk betreffende de āyah met de betekenis: “Zij willen het Woord van Allāh veranderen.”
286. Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه): hij zei: (Jibrī ( عليه السلام)zei) “Daar komt Khadījah aan met een schaal waarin eten of drinken zit. Breng haar de salām van haar Rab over en geef haar het verheugende nieuws van een huis van parels in Jannah, waarin geen lawaai en geen onrust/ vermoeidheid aanwezig zal zijn.”
Deze ḥadīth is eveneens door al-Bukhārī overgeleverd in Kitāb al-Manāqib, in het hoofdstuk: “Het huwelijk van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) met Khadījah (رضي الله عنها) en haar voortreffelijkheid.”
287. Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه) zei: “Jibrīl (عليه السلام) kwam naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei: ‘O Rasûlullāh, daar komt Khadījah aan met een schaal waarin eten of drinken (proviand) zit. Wanneer zij bij jou komt, breng haar dan de salām over van haar Rab en van mij, en geef haar het verheugende nieuws van een huis van parels in Jannah, ver verwijderd van lawaai en onrust/ vermoeidheid.”
al-Bukhārī heeft in het hoofdstuk: “De voortreffelijkheden van Khadījah (رضي الله عنها) en het verheugende nieuws van een huis in Jannah”, twee afzonderlijke overleveringen van deze ḥadīth vermeld met een overleveringsketen die teruggaat tot ʿĀʾishah (رضي الله عنها).
Daarnaast heeft zij van Abū Awfā (رضي الله عنه), zonder de vermelding van de salām, enkel het gedeelte overgeleverd waarin zij het verheugende nieuws van een huis in Jannah ontvangt.
Het verheugende nieuws dat aan Khadījah (رضي الله عنها) werd verkondigd
Khadījah (رضي الله عنها) kreeg het verheugende nieuws van een huis van parels in Jannah, waarin noch lawaai en noch vermoeidheid is. Want toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de mensen uitnodigde tot de Islām, accepteerde zij deze dīn zonder enig bezwaar en zonder problemen te veroorzaken. Integendeel, zij verlichtte alle vermoeidheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en stond hem bij in zijn eenzaamheid. Daarom heeft het huis in de Jannah eigenschappen gekregen die passend zijn bij de hoedanigheid die het draagt.
(Overgeleverd uit de Sharḥ van Al-Qasṭallānī, deel 10, p. 435, citerend van As-Suhaylī)
Al-Qasṭallānī zegt ook in het hoofdstuk betreffende het huwelijk van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Volgens wat door At-Ṭabarānī is overgeleverd, bracht Jibrīl (عليه السلام) dit nieuws aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) terwijl hij zich in de grot Ḥirāʾ bevond.
De twijfel in de uitdrukking “eten of drinken” die in de ḥadīth voorkomt, behoort toe aan de overleveraar. Dat wil zeggen: de overleveraar kon zich niet exact herinneren of er “eten” of “drinken” was gezegd en vermeldde het daarom op deze wijze.
Volgens de toevoeging in de genoemde overlevering van At-Ṭabarānī zei Khadījah (رضي الله عنها), toen deze salām aan haar werd overgebracht: “As-Salām is Hijzelf, en as-Salām komt van Hem. En ook over Jibrīl zij as-salām.”
Volgens een toevoeging in de overlevering van An-Nasāʾī zei zij ook: “O Rasûlullāh, moge as-salām, de raḥmah en de barakāt van Allāh ook over jou zijn.”
Toen Khadījah (رضي الله عنها) de salām van Allāhu (تعالى) beantwoorde, prees zij Hem eerst. Vervolgens maakte zij onderscheid tussen de uitdrukking die gebruikt moet worden voor Allāhu (تعالى) en de uitdrukking die gebruikt wordt voor anderen dan Hem. Dit toont op zeer duidelijke wijze haar voortreffelijkheid in kennis en begrip aan.
Het behoorde eveneens tot de bijzondere eigenschappen van Khadījah (رضي الله عنها) dat zij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nooit ongehoorzaam is geweest en hem nooit boos heeft gemaakt. Daarom werd het huis dat haar in Jannah werd beloofd voorzien van eigenschappen die passend zijn bij haar daden.
Al-Qasṭallānī zei: “Deze ḥadīth is mursal, dat wil zeggen: zij behoort tot de mursal-overleveringen van de Ṣaḥābah.
Want Abū Hurayrah (رضي الله عنه) heeft Khadījah (رضي الله عنها) niet gezien en haar tijd niet meegemaakt.”De mursal-overleveringen van de Ṣaḥābah worden aanvaard. Want meestal zijn zij afkomstig van een andere Ṣaḥābī.
(Een mursal-ḥadīth is een ḥadīth waarbij de Ṣaḥābī, de eerste overleveraar die de ḥadīth van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hoorde, wordt overgeslagen, zodat het lijkt alsof de ḥadīth rechtstreeks van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) is overgeleverd. Een “mursal van een Ṣaḥābī” betekent dat een Ṣaḥābī een ḥadīth die hij van een andere Ṣaḥābī heeft gehoord overlevert alsof hij die rechtstreeks van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gehoord, zonder de naam van de eerste overleveraar te noemen.)
Hier heeft Abū Hurayrah (رضي الله عنه), aangezien hij de tijd van Khadījah (رضي الله عنها) niet heeft meegemaakt, deze ḥadīth noodzakelijkerwijs van een andere Ṣaḥābī moeten hebben vernomen. De vertaler.)
Er is overgeleverd dat ʿĀʾishah (رضي الله عنها) zei: “Ik heb nooit jaloezie gevoeld tegenover een vrouw ten aanzien van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zoals ik dat voelde tegenover Khadījah (رضي الله عنها). Zij was overleden voordat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) met mij trouwde. Maar telkens wanneer ik an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hoorde spreken over haar toestand en over het feit dat Allāhu (تعالى) had bevolen dat zij met het verheugd nieuws van een huis van parels in de Jannah, moest worden vermeld, voelde ik jaloezie.”
Tweede overlevering
ʿĀʾishah (رضي الله عنها) zei: “Ik ben nooit jaloers geweest op een vrouw ten aanzien van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zoals ik jaloers was op Khadījah (رضي الله عنها), vanwege het vele noemen van haar door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) trouwde met mij drie jaar na haar overlijden. Jibrīl (عليه السلام) vroeg hem om Khadījah (رضي الله عنها) het verheugende nieuws te geven van een huis van parels in de Jannah.”
De overlevering van ʿAbdullāh ibn Abī Awfā (رضي الله عنه) luidt als volgt: Ismāʿīl ibn Khālid zei: “Ik vroeg aan ʿAbdullāh ibn Abī Awfā: ‘Heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) Khadījah (رضي الله عنها) verheugd nieuws gegeven?’ Hij antwoordde: ‘Ja, van een huis van parels waarin geen lawaai en geen vermoeidheid is.”
Al-Qasṭallānī zegt dat deze ḥadīth in de hoofdstukken over de ʿumrah uitgebreider wordt overgeleverd.