As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Aḥadīthi’l Qudsiyyah — Hoofdstuk 27: Ahadith betreffende oprechtheid in daden, de afkeuring van pronken (riyāʾ) en het nalaten van de plicht om van het kwaad af te houden.

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

32. Ahadith betreffende oprechtheid in daden, de afkeuring van pronken (riyāʾ) en het nalaten van de plicht om van het kwaad af te houden.

De ḥadīth: “Ik ben Degene Die het verst verwijderd is van deelgenoten”

Deze ḥadīth is door Muslim ibn al-Ḥajjāj overgeleverd in zijn Ṣaḥīḥ, volgens de verwijzing van Al-Qasṭallānī, deel 10, p. 443, in het hoofdstuk: “Het verbod op riyāʾ.”

288. Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh تبارك وتعالى zegt: ‘Ik ben Degene Die het verst verwijderd is van deelgenoten. Wie een daad verricht voor Mij, maar daarin iemand anders naast Mij als deelgenoot neemt, dan laat Ik hem alleen achter met degene die hij als deelgenoot heeft genomen.”

Deze ḥadīth is door Ibn Mājah in zijn Sunan, deel 2, p. 285, in het hoofdstuk: “Het verlangen naar uiterlijk vertoon en gehoord worden”, via twee verschillende overleveringen vermeld:

289. De eerste: Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh عز وجل zegt: ‘Ik ben Degene Die het verst verwijderd is van deelgenoten. Wie een daad verricht voor Mij, maar daarin iemand anders naast Mij als deelgenoot neemt, distantieer Ik mij van hem. Zijn daad behoort toe aan degene die hij als deelgenoot heeft genomen.”

290.Tweede overlevering: Van een van de Ṣaḥābah, Abū Saʿd ibn Abī Faḍālah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer Allāh (تعالى) op de Yawm al-Qiyāmah, waarvan de komst ongetwijfeld zal plaatsvinden, de eersten en de laatsten bijeenbrengt, zal een omroeper uitroepen: ‘Wie in een daad die hij voor Allāh verrichtte iemand anders naast Allāh als deelgenoot nam, laat hem zijn beloning dan zoeken bij diegene naast Allāh. Want Allāh is Degene Die het verst verwijderd is van deelgenoten.”

Uitleg van de 288 – 290 ahadith

De betekenis van het feit dat Allāhu (تعالى) geen deelgenoot accepteert in de daad van een dienaar, is het volgende: wanneer iemand een daad verricht voor Allāh én tegelijkertijd voor iemand anders, dan accepteert Allāh die daad niet. Hij laat hem over aan degene die hij als deelgenoot heeft genomen. Zoals gezegd wordt: “Laat hem de beloning van zijn daad dan zoeken bij iemand anders dan Allāh.” Hiermee wordt bedoeld dat de daad van degene die handelt uit riyāʾ (pronken/uiterlijk vertoon) waardeloos is. Hij krijgt er geen beloning voor. Integendeel, hij begaat daarmee een zonde. Want hij verricht zijn daad niet met oprechtheid (ikhlāṣ). Terwijl ikhlāṣ een voorwaarde is voor ʿibādah. Allāhu (تعالى) zegt in de Qurʾān al-Karīm:وَمَآ أُمِرُوٓاْ إِلَّا لِيَعۡبُدُواْ ٱللَّهَ مُخۡلِصِينَ لَهُ ٱلدِّينَ حُنَفَآءَ وَيُقِيمُواْ ٱلصَّلَوٰةَ وَيُؤۡتُواْ ٱلزَّكَوٰةَۚ وَذَٰلِكَ دِينُ ٱلۡقَيِّمَةِ ٥En hen werd niets anders bevolen dan Allāh met zuivere aanbidding te aanbidden, oprecht zijnde in gehoorzaamheid jegens Hem. En (ook) het gebed te verrichten en de zakaat te geven en dat is de juiste godsdienst (dīn). (al-Bayyinah 98:5)

Riyāʾ in daden is verborgen polytheïsme (shirk) . De shayṭān vindt daardoor een weg om de daad ongeldig te maken en de persoon van beloning te beroven.

Ikhlāṣ is de rûh van de ʿibādah. Een daad van aanbidding zonder ikhlāṣ is als een lichaam dat zijn rûh verloren heeft. En een lichaam zonder rûh brengt geen enkel nut voort behalve dat het een stinkend karkas wordt dat mensen hindert met zijn walgelijke geur.

Een daad wordt gezuiverd en gereinigd door ikhlāṣ. Daardoor ziet de eigenaar van die daad de vruchten ervan. Een daad kan zelfs een licht worden dat straalt op het gezicht van een persoon. De zoetheid ervan wordt gevoeld in zijn woorden. Zijn woorden beïnvloeden degenen die luisteren. De luisteraars handelen naar wat hij zegt en de afgedwaalde mensen vinden daardoor de juiste weg. Want wanneer de woorden uit het hart van degene die spreekt komen, bereiken zij de harten van degenen die luisteren. Maar wanneer zij slechts van de tong komen uit verlangen naar uiterlijk vertoon, bereiken zij vanuit de oren het hart niet.

Zij blijven dan slechts beperkt tot de plaats die overeenkomt met hun uiterlijke oorsprong.

De oren bevinden zich immers op hetzelfde niveau als de tong. Dat wil zeggen: wat van de tong komt, bereikt slechts de oren. Maar wat uit de harten komt, bereikt de harten. Want de oorsprong ervan is het hart en daarom reikt het tot de plaats die daarmee overeenkomt.

Vanuit het punt dat op gelijke hoogte ligt met de plaats van uitgang kan men alleen omhoog komen via een andere verheffende factor. (Uit de Sharḥ van An-Nawawī op Ṣaḥīḥ Muslim.)

O Allāh, schenk ons ikhlāṣ in woorden en in daden. Āmīn.

De ḥadīth met betrekking tot de uitspraak van Allahu Ta`ala: إِنَّ ٱلۡمُنَٰفِقِينَ يُخَٰدِعُونَ ٱللَّهَ وَهُوَ خَٰدِعُهُمۡ Waarlijk, de hypocrieten proberen Allāh te misleiden en Hij vergeldt hun (misleiding)… (Nisā’, 4:142)

Deze ḥadīth is door At-Tirmidhī overgeleverd in zijn Sunan, deel 2, p. 65, in Kitāb al-Fitan, zonder hoofdstuktitel.

291. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Vlak vóór de Qiyāmah zullen er mensen verschijnen die de dīn gebruiken om wereldse voordelen te verkrijgen. Tegenover de mensen dragen zij zachte schapenvachten, hun tongen zijn zoeter dan suiker, maar hun harten zijn als de harten van wolven. Allāh عز وجل zegt over hen:

‘Proberen zij Mij te misleiden of durven ze zich tegen Mij te verzetten? (Ik zweer) bij Mijn Eigen Wezen (Dhāt): Ik zal hen zeker treffen met een fitnah uit hun eigen midden, zó hevig dat zelfs een zachtaardig mens daardoor in verwarring/verbijsterd raakt.”

At-Tirmidhī geeft over de authenticiteit van deze ḥadīth geen verdere uitleg.

At-Tirmidhī vermeldt ook een andere overlevering van deze ḥadīth via ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما), en zegt:

292. Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) zegt: “Ik heb mensen geschapen wier tongen zoeter zijn dan honing, maar wier harten bitterder zijn dan aloë vera (ṣabr-kruid). Ik heb bij Mijn Eigen Wezen (Dhāt) gezworen dat Ik hen zeker zal treffen met een fitnah waardoor zelfs de zachtaardigen onder hen verbijsterd/verward zullen raken. Proberen zij Mij te misleiden of durven ze zich tegen Mij te verzetten?”At-Tirmidhī vermeldt dat deze ḥadīth ḥasan gharīb is.

Uitleg van de 291 - 292 ahadith

Met de woorden: “Zij dragen tegenover de mensen zachte schapenvachten” wordt bedoeld dat deze mensen uiterlijk heel vriendelijk en zachtmoedig uitzien. Er wordt vermeld dat hun innerlijk gevuld zal zijn met gedachten van slechtheid.

Deze mensen dragen in hun hart geen liefde voor de dienaren van Allāh. Zij houden slechts van hun eigen nafs. Met vriendelijkheid en zachtheid proberen zij de mensen te misleiden. Hun doel daarbij is het verkrijgen van wereldse belangen. Tegelijkertijd proberen zij met hun fraaie uiterlijk en verzorgde voorkomen respect en aanzien bij de mensen te verkrijgen.

De betekenis van de woorden: “Proberen zij Mij te misleiden?” is het volgende:

“Worden zij moedig doordat Ik uit barmhartigheid hun bestraffing uitstel?”

Terwijl Ik al-Jabbār ben, Mijn bestraffing is zwaar en Ik neem wraak; ik laat het kwaad van de kwaadwillenden niet zomaar voorbijgaan, en als Ik straf, dan straf Ik hard.Het feit dat Ik hun in deze wereld uitstel geeft en hun bestraffing vertraagt, mag hen niet misleiden. Hun schaamteloze brutaliteit en het onrecht dat zij daardoor plegen, zullen niet ongestraft blijven.

De woorden van Allāhu (تعالى): “(Ik zweer) bij Mijn Eigen Wezen (Dhāt)” betekenen:

“Ik zweer bij Mijn Eigen Eenheid. Deze eed komt alleen Mij toe; niemand anders is daaraan waardig.” Daarom is het niet toegestaan dat iemand zweert bij iets anders dan Allāh, zelfs al is datgene volgens de mensen eerbiedwaardig of heilig.

Zo zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “O mensen! Zweer niet bij jullie vaders. Wie wil zweren, laat hem dan in naam van Allāh zweren of dat hij afziet van zweren.”

Volgens de tweede overlevering maakt Allāhu (تعالى) bekend dat Hij de genoemde mensen wegens hun slechte daden zal treffen met een fitnah die zelfs de zachtaardigen onder hen verbijsterd/verward zal achterlaten. Dat wil zeggen: vanwege de hevigheid en de schokkende aard van die fitnah zullen mensen met gevoelige harten in verwarring raken.

Er wordt duidelijk gemaakt dat Allāhu (تعالى) hen vanwege hun slechte daden in dwaling zal laten en dat zij zo de vruchten van hun eigen daden zullen oogsten. Als zij oprecht (ikhlāṣ) voor Allāh waren geweest, dan zou Allāhu (تعالى) hen naar de juiste weg hebben geleid.

En Allāh weet het het beste.De ḥadīth betreffende de Woorden van Allāhu (تعالى):وَمَا يَذۡكُرُونَ إِلَّآ أَن يَشَآءَ ٱللَّهُۚ هُوَ أَهۡلُ ٱلتَّقۡوَىٰ وَأَهۡلُ ٱلۡمَغۡفِرَةِ ٥٦En zij trekken er geen lering uit, tenzij Allāh het wil. Hij is het Die vrees toekomt en Hij is het Die het toekomt om te vergeven. (al-Muddaththir 74:56)

Deze ḥadīth is door Ibn Mājah overgeleverd in zijn Sunan, in het hoofdstuk: “Degenen die op de Yawm al-Qiyāmah hopen op de barmhartigheid van Allāh.”

293. Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) reciteerde eerst de āyah:وَمَا يَذۡكُرُونَ إِلَّآ أَن يَشَآءَ ٱللَّهُۚ هُوَ أَهۡلُ ٱلتَّقۡوَىٰ وَأَهۡلُ ٱلۡمَغۡفِرَةِ ٥٦En zij trekken er geen lering uit, tenzij Allāh het wil. Hij is het Die vrees toekomt en Hij is het Die het toekomt om te vergeven. (al-Muddaththir 74:56)Daarna zei hij:“Allāh عز وجل zegt:”Ik ben Degene Die het meest waard is om gevreesd te worden. Naast Mij mag geen andere godheid (ilāh) genomen worden. Wie zich ervoor behoedt naast Mij een andere ilāh te nemen, voor hem ben Ik de Vergevende.”

Uitleg van de 293ste ḥadīth

Volgens hetgeen in de ḥadīth vermeld wordt, reciteerde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) eerst de āyah: “En zij trekken er geen lering uit, tenzij Allāh het wil. Hij is het Die vrees toekomt en Hij is het Die het toekomt om te vergeven.” (zie hierboven: al-Muddaththir 74:56)

Dat wil zeggen: Allāhu (تعالى) is de Bezitter van de zware bestraffing, al-Jabbār en al-Qahhār. Hij is machtig over alles wat Hij wil. Daarom is Hij Degene Die het meest waard is om gevreesd te worden en voor Wie men zich het meest behoort te behoeden.

Zich beschermen tegen de bestraffing en de toorn van Allāh gebeurt door handelingen die de mens behoeden voor Zijn straf en Zijn toorn/woede. Deze bescherming bestaat uit het geloven in de Tawḥīd, het aanbidden van Allāh met ikhlāṣ en het hart uitsluitend op Hem te richten.

Zoals in deze ḥadīth wordt vermeld, zegt Al-Ḥaqqu (تعالى): “Ik ben Degene Die het meest waard is om gevreesd te worden. Naast Mij mag andere geen godheid (ilāh) genomen worden.”

Bescherming tegen de bestraffing van Allāh wordt slechts verkregen door te geloven in de Eenheid van Allāh (Tawḥīd) en dit geloof te bevestigen (met het hart).

Allāh vergeeft niet dat er deelgenoten (shirk) aan Hem worden toegekend, maar andere zonden dan deze kan Hij vergeven wanneer Hij wil.

Daarom zegt Allāhu (تعالى): …Hij is het Die vrees toekomt en Hij is het Die het toekomt om te vergeven. (zie hierboven: al-Muddaththir 74:56)Dat wil zeggen: “Wie zichzelf beschermt tegen de bestraffing door naast Mij geen andere godheid (ilāh) te nemen, die heeft Mijn vergeving verdiend. Ik ben voor hem de Vergevende.”

Want Hij is de Bezitter van goedheid en edelmoedigheid. In Zijn Boek heeft Hij immers gezegd:هَلۡ جَزَآءُ ٱلۡإِحۡسَٰنِ إِلَّا ٱلۡإِحۡسَٰنُ ٦٠Is er een beloning voor het goede anders dan het goede? (ar-Raḥmān 55:60)

Allāh vergeeft de zonden van degenen die zondigen. Vergevingsgezindheid behoort tot de Eigenschappen van Allāh. Want vergeving is een van de hoogste vormen van goedheid en barmhartigheid. Zijn barmhartigheid (raḥmah) heeft Zijn toorn (ghaḍab) overwonnen.

O Allāh, Wij vragen U onze zonden te vergeven, onze fouten te bedekken en onze slechte daden te verhullen. Tevens vragen wij U ons leven te laten eindigen met geloof (īmān), zodat wij samen mogen zijn met de anbiyā (عليهم السلام), de ṣiddīqīn, de shuhadāʾ, de ṣāliḥīn en degenen aan wie U Uw gunsten heeft geschonken.

O Allāh, alle lof behoort aan U toe, U bent de Rab van de werelden. Ṣalāh en salām zij over sayyidinā Muḥammad (صلى الله عليه وسلم), over zijn familie en zijn ashāh.

De ḥadīth: “De eerste mens over wie op de Yawm al-Qiyāmah geoordeeld zal worden”

Deze ḥadīth is door Muslim ibn al-Ḥajjāj overgeleverd in zijn Ṣaḥīḥ, in Kitāb al-Jihād, in het hoofdstuk: “Wie jihād verricht voor uiterlijk vertoon en om gehoord te worden, verdient de Jahannam.”

294. Van … Sulaymān ibn Yasār: De mensenmenigte rondom Abū Hurayrah (رضي الله عنه) ging uiteen (nadat zij naar hem hadden geluisterd). Daarna trad een man uit de bevolking van Shām naar voren, en zei: “O Shaykh, vertel mij een ḥadīth die jij van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hebt gehoord.”

Daarop zei Abū Hurayrah (رضي الله عنه): “Ja, ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: ‘De eerste persoon over wie op de Yawm al-Qiyāmah geoordeeld zal worden, is een man die als martelaar (shahīd) werd gedood. Allāhu (تعالى) zal hem Zijn gunsten laten zien en hij zal ze herkennen.

Allāhu (تعالى) zal zeggen: “Wat heb jij gedaan met (al) deze gunsten?”

Hij zal antwoorden: “Ik streed op Uw weg totdat ik als shahīd werd gedood.”

Daarop zal Allāhu (تعالى) zeggen: “Jij liegt. Jij vocht slechts zodat men zou zeggen: ‘Wat een moedige man.’ En dat werd inderdaad gezegd.”

Daarna zal bevolen worden dat hij op zijn gezicht wordt voortgesleept totdat hij in Jahannam wordt geworpen.

Ook een man die kennis (`ilm) heeft vergaard en onderwezen en de Qurʾān heeft gereciteerd, behoort ook tot de eersten die ter verantwoording worden geroepen. Ook hij zal gebracht worden.

Allāhu (تعالى) zal hem Zijn gunsten laten zien en hij zal ze herkennen.

Daarop zal Allāh zeggen: “Wat heb jij hiermee gedaan?”

Hij zal antwoorden: “Ik vergaarde kennis, onderwees die en reciteerde de Qurʾān omwille van Uw welbehagen.”

Daarop zal Allāhu (تعالى) zeggen: “Jij liegt. Jij vergaarde kennis zodat men jou een geleerde zou noemen. En jij reciteerde de Qurʾān zodat men zou zeggen: ‘Die man reciteert veel Qurʾān.’ En dat werd inderdaad gezegd.”

Daarna zal bevolen worden dat hij op zijn gezicht wordt voortgesleept en vervolgens in Jahannam wordt geworpen.

Daarna zal een man gebracht worden aan wie Allāhu (تعالى) in het wereldse leven ruime voorzieningen en allerlei soorten bezittingen/rijkdom had geschonken.

Allāhu (تعالى) zal hem Zijn gunsten laten zien en hij zal ze herkennen.

Al-Ḥaqq (تعالى) zal zeggen: “Welke daden heb jij hiermee verricht?”

Hij zal antwoorden: “Ik heb gespendeerd op al de manieren waarop U graag ziet dat er wordt uitgegeven, zonder er ook maar één van over te slaan.”

Daarop zal Allāhu (تعالى) zeggen: “Jij liegt. Jij gaf slechts uit zodat men zou zeggen: ‘Wat een vrijgevig man.’ En dat werd inderdaad gezegd.”

Daarna zal bevolen worden dat hij op zijn gezicht wordt voortgesleept en vervolgens in Jahannam wordt geworpen.”

Muslim ibn al-Ḥajjāj heeft ook een andere overlevering van deze ḥadīth via Sulaymān ibn Yasār vermeld. In deze tweede overlevering wordt echter, in plaats van de woorden “de mensenmenigte rondom Abū Hurayrah (رضي الله عنه) ging uiteen”, een woord gebruikt dat de betekenis heeft van “zij weken uiteen” of “zij trokken zich terug”.

Daarnaast wordt in plaats van de uitdrukking “Naṭīlu ahli’sh Shām” gezegd: “Naṭīl ash-Shām”. De overige gedeelten zijn hetzelfde.

An-Nasāʾī heeft deze ḥadīth in zijn Sunan overgeleverd in het hoofdstuk:“De toestand van degene die strijdt zodat men zegt: ‘Deze man is moedig.’”

295. Van Sulaymān ibn Yasār van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), met een tekst die sterk lijkt op de versie van Muslim ibn al-Ḥajjāj.

In zijn overlevering gebruikt hij echter, in plaats van de uitdrukking “Naṭīlu ahli’sh Shām”, de woorden “een man uit de mensen van Shām”, wat vrijwel dezelfde betekenis heeft.

Daarnaast begint de ḥadīth in de overlevering van An-Nasāʾī met:

“De eersten onder de mensen die op de Yawm al-Qiyāmah ter verantwoording zullen worden geroepen zijn drie personen: de eerste is een man die als shahīd gestorven is...” waarna de ḥadīth verdergaat.

An-Nawawī zegt: Met “een man uit de bewoners van Shām kwam naar voren en vroeg” wordt Naṭīl ibn Qays al-Hudhāmī ash-Shāmī bedoeld. Hij behoorde tot de bewoners van Palistina. Hij behoorde tot de Tābiʿīn, terwijl zijn vader tot de Ṣaḥābah behoorde. Naṭīl was een van de vooraanstaanden van zijn volk.

Ook At-Tirmidhī heeft deze ḥadīth in zijn Sunan overgeleverd in het hoofdstuk:“Riyāʾ en het verlangen om gehoord te worden.”

296. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer de Yawm al-Qiyāmah aanbreekt, zal Allāh تبارك وتعالى (met de eigenschap van Rechtvaardigheid) nederdalen om tussen Zijn dienaren te oordelen. Iedere ummah zal geknield zijn.

De eersten die voor de afrekening geroepen worden, zijn:- een man die de Qurʾān heeft verzameld (uit het hoofd geleerd),- een man die gedood werd op weg van Allāh,- en een man aan wie veel rijkdom gegeven was.

Allāhu (تعالى) zal tegen degene die veel Qurʾān reciteerde zeggen: ‘Heb Ik jou niet het Boek geleerd dat Ik aan Mijn Nabī heb geopenbaard?’

De man zal antwoorden: ‘Jawel, mijn Rab.’

Allāhu (تعالى) zal zeggen: ‘Wat heb jij gedaan met wat jij geleerd hebt?’

De man zal antwoorden: ‘Mijn Rab, ik verrichtte ermee ṣalāh gedurende de nacht en de dag, met wat ik van de Qur’ān had geleerd.’

Daarop zal Allāhu (تعالى) zeggen: ‘Jij liegt.’

Ook de engelen zullen zeggen: ‘Jij liegt.’

Allāhu (تعالى) zal zeggen: ‘Jij verlangde er slechts naar dat men over jou zou zeggen: “Deze man reciteert veel Qurʾān.” En dat werd inderdaad gezegd.’

Daarna wordt degene gebracht aan wie overvloedige rijkdom was gegeven.

Allāhu (تعالى) zal tegen hem zeggen: ‘Heb Ik jouw levensonderhoud niet zó ruim gemaakt dat jij niemand nodig had?’

Hij zal antwoorden: ‘Jawel, mijn Rab.’

Daarop zal Al-Ḥaq (تعالى) zeggen: ‘Welke goede daden verrichtte jij met hetgeen Ik jou gaf?’

De man zal antwoorden: ‘Ik onderhield de familiebanden en gaf ṣadaqah.’

Daarop zal Allāhu (تعالى) zeggen: ‘Jij liegt.’

Ook de engelen zullen tegen hem zeggen: ‘Jij liegt.’

Allāhu (تعالى) zal zeggen: ‘Integendeel, jij wilde slechts dat men zou zeggen: “Deze man is vrijgevig.” En dat werd inderdaad gezegd.’

Vervolgens wordt degene gebracht die op de weg van Allāh werd gedood.

Al-Ḥaq (تعالى) zal hem vragen: ‘Waarom werd jij gedood?’

De man zal antwoorden: ‘Mij werd bevolen jihād op Uw weg te verrichten, daarom streed ik totdat ik gedood werd.’

Daarop zal Allāhu (تعالى) zeggen: ‘Jij wilde slechts dat men over jou zou zeggen: “Deze man is moedig.” En dat werd inderdaad gezegd.”

Abū Hurayrah (رضي الله عنه) zei: “Daarna sloeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op mijn knieën en zei: ‘O Abū Hurayrah, deze drie mensen zullen op de Yawm al-Qiyāmah de eersten zijn onder de schepselen van Allāh waarmee de Jahannam zal worden aangewakkerd.”

At-Tirmidhī vermeldt dat deze ḥadīth ḥasan gharīb is.

Uitleg van ahadith 294 – 296

In deze ḥadīth wordt de toestand beschreven van degene die strijdt om gezien en geprezen te worden.

In het boek Ḥayāt al-Qulūb staat: “Weet dat de kern van riyāʾ bestaat uit het verlangen om door middel van daden van aanbidding en goede werken een positie/plaats in de harten van de mensen te verkrijgen. Dit behoort tot de slechte eigenschappen van het hart. Wanneer deze gedachte/intentie aanwezig is in de ʿibādah, komt het erop neer alsof men Allāh daarmee bespot.”Het tegenovergestelde van riyāʾ, dus van uiterlijk vertoon, is ikhlāṣ. Dat betekent dat iemand met zijn daden uitsluitend het welbehagen van Allāh zoekt.In het boek Sharḥ al-Ashbāh van Al-Ḥamawī staat:“Ikhlāṣ is een geheim tussen jou en jouw Rab. Geen engel krijgt er kennis van zodat hij het kan opschrijven. Geen shayṭān kent het evenmin zodat hij het kan vernietigen. Ook de begeerten van de nafs kennen deze zaken niet en worden er daarom niet toe aangetrokken.

Sommige van de vrome voorgangers zeiden: “Een oprecht mens is degene die er niet naar verlangt dat mensen hem prijzen voor zijn daden.”

An-Nawawī (رَحِمَهُ اللهُ) zegt ook: “In de ḥadīth bevindt zich een bewijs dat riyāʾ streng verboden (harām) is. En dat de ernst van de bestraffing ervan op de Yawm al-Qiyāmah duidelijk zal worden. Eveneens bevat de ḥadīth een aansporing tot ikhlāṣ in daden. Allāhu (تعالى) zegt immers:وَمَآ أُمِرُوٓاْ إِلَّا لِيَعۡبُدُواْ ٱللَّهَ مُخۡلِصِينَ لَهُ ٱلدِّينَ حُنَفَآءَ وَيُقِيمُواْ ٱلصَّلَوٰةَ وَيُؤۡتُواْ ٱلزَّكَوٰةَۚ وَذَٰلِكَ دِينُ ٱلۡقَيِّمَةِ ٥En hen werd niets anders bevolen dan Allāh met zuivere aanbidding te aanbidden, oprecht zijnde in gehoorzaamheid jegens Hem. En (ook) het gebed te verrichten en de zakaat te geven en dat is de juiste godsdienst. (Bayyinah, 98:5)

Uit deze ḥadīth blijkt dat de algemene beloften die genoemd zijn betreffende de voortreffelijkheid van jihād, bestemd zijn voor degenen die in hun daden verrichten met ikhlāṣ en enkel voor het welbehagen van Allāh.

Evenzo geldt dat alle lof voor de mensen van kennis en voor degenen die hun bezittingen (en hun lkeven) besteden aan verschillende vormen van goedheid alleen van toepassing is op hen die hun daden verrichten met ikhlāṣ en uitsluitend om het welbehagen van Allāh.

Al-Ghazālī zegt in Iḥyāʾ ʿUlūm ad-Dīn: “Weet dat riyāʾ (uiterlijk vertoon) harām is, en dat degene die handelt om te pronken iemand is die de toorn van Allāh verdient. Dat dit zo is wordt aangetoond door verschillende āyāt, ahādīth en uitspraken van de vrome voorgangers.

Het bewijs uit de Qurʾān is de uitspraak van Allāhu (تعالى):فَوَيۡلٞ لِّلۡمُصَلِّينَ ٤ O wee, voor diegenen die bidden (salāh).

ٱلَّذِينَ هُمۡ عَن صَلَاتِهِمۡ سَاهُونَ ٥ Degenen die onachtzaam zijn met hun salāh.

ٱلَّذِينَ هُمۡ يُرَآءُونَ ٦ Degenen die er een vertoning van maken.

وَيَمۡنَعُونَ ٱلۡمَاعُونَ ٧ En de levensbenodigdheden weigeren. (Māʿūn, 107: 4–7)

Het bewijs uit de ahādīth is dat toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een man werd gevraagd: “O Rasûlullāh, wat is redding?”, antwoordde hij: “Dat de dienaar Allāh gehoorzaamt zonder de aandacht van mensen te willen, (dat wil zeggen: dat hij in zijn aanbidding en goede daden uitsluitend het welbehagen van Allāh zoekt en niet de goedkeuring van mensen).”

Wat betreft de uitspraken van de vrome voorgangers:

Er wordt overgeleverd dat ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه) een man zag die zijn nek gebogen hield om zich nederig te tonen. Hij zei tegen hem: “O jij met die nek, houd je

nek recht. Nederigheid (khushû’) zit niet in de nek, maar in het hart.”

En ʿAlī ibn Abī Ṭālib (رضي الله عنه) zei: “De tekenen van een persoon die riyāʾ verricht zijn: - wanneer hij alleen is, is hij lui;

- wanneer hij onder mensen is, wordt hij actief;

- wanneer hij geprezen wordt, vermeerdert hij zijn daden; en

- wanneer hij bekritiseerd wordt, vermindert hij zijn daden.”

Sommige wijzen hebben gezegd: “Riyāʾ is dat iemand het verrichten van (goede) daden nalaat uit angst dat mensen hem een vertoner zullen noemen.”

En: Daden verrichten voor mensen, dus handelingen die eigenlijk uitsluitend voor Allāh bestemd zijn, maar gedaan worden om de goedkeuring van mensen te verkrijgen, is shirk.

De ḥadīth over het feit dat Allāhu (تعالى) de dienaar op de Yawmu’l Qiyamah ter verantwoording zal roepen met de woorden: “Wat hield jou tegen om op te treden toen jij het kwaad zag?”

Deze ḥadīth is door Ibn Mājah overgeleverd in het hoofdstuk dat verband houdt met de āyah:يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ عَلَيۡكُمۡ أَنفُسَكُمۡۖ لَا يَضُرُّكُم مَّن ضَلَّ إِذَا ٱهۡتَدَيۡتُمۡۚ إِلَى ٱللَّهِ مَرۡجِعُكُمۡ جَمِيعٗا فَيُنَبِّئُكُم بِمَا كُنتُمۡ تَعۡمَلُونَ ١٠٥

O jullie die geloven! Aan jullie (de hoede over) jullie zelf. Als jullie de juiste leiding volgen, kunnen jullie niet gekwetst worden door degenen die dwalen. De terugkeer van jullie allen is tot Allāh, dan zal Hij jullie vertellen over alles wat jullie plachten te doen. (Māʾidah, 5:105)

297. Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) hij zei: “Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: ‘Allāhu (تعالى) zal op de Yawm al-Qiyāmah de dienaar ter verantwoording roepen en zeggen: “Wat hield jou tegen om op te treden toen jij het kwaad zag?”

Wanneer Allāhu (تعالى) de dienaar zijn bewijs inspireert, zal de dienaar zeggen: “O mijn Rab, ik verlangde naar U en ik trok mij terug van de mensen, dat wil zeggen: ik vreesde de mensen.”

298. Ook van Abū Saʿīd (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Laat niemand van jullie zichzelf vernederen.”

De aanwezigen vroegen: “O Rasûlullāh, hoe vernedert iemand zichzelf?”

Hij zei: “Wanneer hij een situatie ziet waarin Allāhu (تعالى) een bevel heeft gegeven om iets te zeggen of recht te zetten, en hij zegt niets.”

Daarna zal Allāhu (تعالى) op de Yawm al-Qiyāmah zeggen: “Wat heeft je ervan weerhouden om hierover zó en zó te spreken?”

Hij zal antwoorden: “Ik werd tegengehouden door mijn angst voor de mensen.”

Daarop zal Allāhu (تعالى) zeggen: “Het was beter geweest dat jij Mij vreesde.”

Deze ḥadīth is eveneens door Ibn Mājah overgeleverd.

De ḥadīth: “Allāh geeft op de Yawm al-Qiyāmah toestemming aan de ummah van Muḥammad om neder te knielen (sajdah).”

299. Van Abū Burdah, van zijn vader (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:“Wanneer Allāhu (تعالى) op de Yawm al-Qiyāmah alle schepselen bijeenbrengt, zal Hij de ummah van Muḥammad toestemming geven om neder te knielen (sajdah). Zij zullen lange tijd in sajdah blijven voor Allāh. Daarna zal tegen hen gezegd worden: ‘Heft jullie hoofden op, Wij hebben jullie (sajdah)-tijd tot losprijs (fidyah) gemaakt (om jullie) te verlossen uit de Jahannam.”

Uitleg van de ahadith 297 – 299

Uit deze ahādīth blijkt dat iemand die het bevel tot het goede (al-amr bi-l-maʿrūf) en het verbieden van het slechte (an-nahy ʿani-l-munkar) nalaat uit angst voor mensen, terecht zal worden berispt. Allāhu (تعالى) is Degene voor Wie men het meest behoort te vrezen, omdat Zijn bestraffing ernstig is. Daarom is het niet correct dat de dienaar zijn plicht om het goede te bevelen en het slechte te verbieden nalaat uit angst voor mensen. Integendeel, hij behoort Allāh te vrezen en juist daarom het goede te bevelen en het slechte te verbieden.

Op die manier blijft hij beschermd tegen de bestraffing die beloofd is voor de onrechtvaardigen. Allāhu (تعالى) zegt immers:وَٱتَّقُواْ فِتۡنَةٗ لَّا تُصِيبَنَّ ٱلَّذِينَ ظَلَمُواْ مِنكُمۡ خَآصَّةٗۖ وَٱعۡلَمُوٓاْ أَنَّ ٱللَّهَ شَدِيدُ ٱلۡعِقَابِ ٢٥En vrees de beproeving die niet alleen degenen die fouten maakt onder jullie zal treffen. En weet dat Allāh streng in de bestraffing is. (Anfāl, 8:25)

En Hij zegt ook:يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ عَلَيۡكُمۡ أَنفُسَكُمۡۖ لَا يَضُرُّكُم مَّن ضَلَّ إِذَا ٱهۡتَدَيۡتُمۡۚ إِلَى ٱللَّهِ مَرۡجِعُكُمۡ جَمِيعٗا فَيُنَبِّئُكُم بِمَا كُنتُمۡ تَعۡمَلُونَ ١٠٥O jullie die geloven! Aan jullie (de hoede over) jullie zelf. Als jullie de juiste leiding volgen, kunnen jullie niet gekwetst worden door degenen die dwalen. De terugkeer van jullie allen is tot Allāh, dan zal Hij jullie vertellen over alles wat jullie plachten te doen.

(Māʾidah, 5:105)

Echter: wanneer men daadwerkelijk het bevel tot het goede en het verbieden van het slechte uitvoert, zal de dwaling van degene die is afgedwaald ons geen schade toebrengen. En Allāh weet het het beste.