33. Wie verlangt naar de ontmoeting met Allāh, voor hem verlangt Allāh eveneens naar de ontmoeting.
Het sturen van de Engel des Doods naar Mūsā (عليه السلام).
300. Deze ḥadīth is door al-Bukhārī overgeleverd in Kitāb at-Tawḥīd, via Abū Hurayrah (رضي الله عنه), waarbij de woorden worden toegeschreven aan Allāhu (تعالى):
“Mijn dienaar, als hij verlangt Mij te ontmoeten, verlang Ik ook hem te ontmoeten. En als hij het niet prettig vindt Mij te ontmoeten, dan vind Ik het niet prettig hem te ontmoeten.”
Volgens Al-Qastallani heeft Al-Bukhari deze ḥadīth ook overgeleverd in deel 9, pagina 195, in Kitāb ar-Riqāq, in het hoofdstuk: “Wie ervan houdt Allāh te ontmoeten, van hem houdt Allāh ook om hem te ontmoeten.”:
301. Van `… Ubadah ibn al-Samit (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie het prettig vindt Allāh te ontmoeten, Allāh vindt het prettig hem te ontmoeten. En wie het niet prettig vindt Allāh te ontmoeten, Allāh vindt het niet prettig hem te ontmoeten.”
Toen zei ʿĀʾishah (رضي الله عنها) of een van de vrouwen van an-Nabī: “Maar wij houden allemaal niet van de dood.”
Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Dat is niet wat bedoeld wordt. Wanneer de mu’min sterft, krijgt hij de blijde tijding van Allāh’s welbehagen en gunst, en dan is niets hem liever dan de dood die hem tegemoetkomt.”Daarom verlangt hij naar de ontmoeting met Allāh, en Allāh verlangt naar zijn ontmoeting.
Maar wanneer de kafīr sterft, wordt hem Allāh’s bestraffing en straf aangekondigd, en dan is niets hem meer verafschuwd dan de dood die hem tegemoetkomt. Daarom wil hij Allāh niet ontmoeten, en Allāh wil hem niet ontmoeten.”
Vervolgens zegt al-Bukhārī ( رَحِمَهُ اللهُ) dat Abū Dāwūd en ʿAmr, namelijk İbnu Marzūq, deze ḥadīth eveneens van Shuʿbah hebben overgeleverd, maar in een kortere versie.
Saʿīd vermeldt in zijn overlevering: Qatādah heeft het overgeleverd van Saʿd, hij van ʿĀʾishah (رضي الله عنها), en zij van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
302. al-Bukhārī vermeldt vervolgens deze ḥadīth met een overleveringsketen die teruggaat tot Abū Mūsā al-Ashʿarī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:
“Wie het prettig vindt Allāh te ontmoeten, Allāh vindt het prettig hem te ontmoeten.
En wie het niet prettig vindt Allāh te ontmoeten, Allāh vindt het niet prettig hem te ontmoeten.”
In deze twee overleveringen wordt de uitspraak niet expliciet toegeschreven aan Allāhu (تعالى). Hieruit wordt afgeleid dat de ḥadīth niet als ḥadīth al-qudsī wordt beschouwd.
Ook Muslim ibn al-Ḥajjāj heeft deze ḥadīth in zijn Ṣaḥīḥ overgeleverd in Kitāb ad-Daʿawāt, in het hoofdstuk: “Wie het prettig vindt Allāh te ontmoeten, Allāh vindt het prettig hem te ontmoeten”, via verschillende overleveringswegen.
303. Via de keten die teruggaat tot Abū Mūsā al-Ashʿarī (رضي الله عنه), geeft hij dezelfde verkorte versie weer die ook bij al-Bukhārī voorkomt.
Muslim ibn al-Ḥajjāj heeft daarnaast deze ḥadīth ook overgeleverd via Abū Hurayrah (رضي الله عنه) in dezelfde verkorte vorm.
Ook van ʿĀʾishah (رضي الله عنها) worden drie verschillende overleveringen vermeld. De middelste versie luidt:
Van Shurayḥ ibn Hānī, van ʿĀʾishah (رضي الله عنها), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:
“Wie het prettig vindt Allāh te ontmoeten, Allāh vindt het prettig hem te ontmoeten. En wie het niet prettig vindt Allāh te ontmoeten, Allāh vindt het niet prettig hem te ontmoeten. De dood is vóór de ontmoeting met Allāh.”
304. Muslim ibn al-Ḥajjāj overlevert … van ʿĀʾishah (رضي الله عنها), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie het verlangen heeft Allāh te ontmoeten, Allāh verlangt ook naar zijn ontmoeting. En wie het niet prettig vindt Allāh te ontmoeten, Allāh vindt het niet prettig hem te ontmoeten.”
ʿĀʾishah zei: “Ik vroeg: “O Rasûlullāh, betekent dit dat men de dood niet prettig vindt? Wij houden immers allemaal niet van de dood.”
Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Dat is niet wat er wordt bedoeld.
Maar wanneer de mu’min wordt verheugd met de genade, het welbehagen en Jannah van Allāh, dan verlangt hij naar de ontmoeting met Allāh, en Allāh verlangt naar zijn ontmoeting. En wanneer de kāfir wordt geconfronteerd met de bestraffing en toorn van Allāh, dan heeft hij een afkeer van de ontmoeting met Allāh, en Allāh heeft een afkeer van zijn ontmoeting.”
305. In de derde overlevering van Muslim ibn al-Ḥajjāj, … van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie het prettig vindt Allāh te ontmoeten, Allāh vindt het prettig hem te ontmoeten. En wie het niet prettig vindt Allāh te ontmoeten, Allāh vindt het niet prettig hem te ontmoeten.”
(Een van de overleveraars) Shurayḥ zei:“Toen ik dit hoorde, ging ik naar ʿĀʾishah en zei: O Moeder van de mu’mins, ik heb Abū Hurayrah een ḥadīth horen overleveren van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Als dit waar is, dan zijn wij allen verloren.”
ʿĀʾishah zei: “Wie verloren is gegaan door de woorden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), die is inderdaad verloren gegaan. Wat is er aan de hand?”
Hij zei: “Abū Hurayrah overlevert dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “ Wie Allāh wil ontmoeten, Allāh wil hem ontmoeten; en wie Allāh niet wil ontmoeten, Allāh wil hem niet ontmoeten. Terwijl niemand van ons van de dood houdt.”
Daarop zei ʿĀʾishah: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft dit gezegd, maar niet zoals jij het begrijpt.
Het is zo: Wanneer de ogen opengaan, de borst begint te bewegen, de huid huivert en de vingers zich samentrekken op het moment van de dood, dan, dan geldt: wie op dat moment verlangt naar de ontmoeting met Allāh, naar zijn ontmoeting verlangt Allāh ook; en wie daar een afkeer van heeft, van zijn ontmoeting heeft Allāh eveneens een afkeer.”
Al-Qastallanî ( رَحِمَهُ اللهُ) schrijft: “Deze ḥadīth, die in dit hoofdstuk wordt vermeld, is ook overgeleverd door Muslim in Kitābu’d-Daʿawāt, door at-Tirmidhī in Kitābu’z-Zuhd en Kitābu’l-Janāʾiz, en door an-Nasāʾī eveneens in Kitābu’l-Janāʾiz.
Ṣaḥīḥ Muslim: Kitābu’dh-Dhikr, 17;Jāmiʿ at-Tirmidhī: Kitābu’l-Janāʾiz, 67; Kitābu’z-Zuhd, 6;Sunan an-Nasāʾī: Kitābu’l-Janāʾiz, 10;Ibn Majah in Kitāb az-Zuhd, hoofdstuk 35.)
306. Mālik ibn Anas overlevert in zijn Muwaṭṭaʾ ook een vergelijkbare versie van deze ḥadīth via Abū Hurayrah (رضي الله عنه): “Allāh تبارك وتعالى zei:
“Wanneer Mijn dienaar verlangt Mij te ontmoeten, verlang Ik ook hem te ontmoeten. En wanneer hij een afkeer heeft van Mijn ontmoeting, heb Ik ook een afkeer van zijn ontmoeting.”
Uitleg van de ahadith 302–306
In de ḥadīth staat: “Wie verlangt naar de ontmoeting met Allāh, dan verlangt Allāh ook naar de ontmoeting met hem.”
Al-Khaṭṭābī zegt: “Het verlangen van de dienaar naar de ontmoeting met Allāh”, betekent dat hij het Hiernamaals boven de wereld verkiest, niet verlangt naar lang verblijf in deze wereld en zich voorbereidt op de reis naar het Hiernamaals.
De term “ontmoeting” (liqāʾ) heeft verschillende betekenissen. Het kan onder meer betekenen: het zien (van Allāh), en het kan ook duiden op de opstanding in het Hiernamaals. In de āyah staat: قَدۡ خَسِرَ ٱلَّذِينَ كَذَّبُواْ بِلِقَآءِ ٱللَّهِۖ حَتَّىٰٓ إِذَا جَآءَتۡهُمُ ٱلسَّاعَةُ بَغۡتَةٗ قَالُواْ يَٰحَسۡرَتَنَا عَلَىٰ مَا فَرَّطۡنَا فِيهَا وَهُمۡ يَحۡمِلُونَ أَوۡزَارَهُمۡ عَلَىٰ ظُهُورِهِمۡۚ أَلَا سَآءَ مَا يَزِرُونَ ٣١Degenen die hun ontmoeting met Allāh ontkennen zijn zeker de verliezers, totdat opeens het Uur over hen komt en zij zeggen: “Wee ons voor wat wij (in onze levens) veronachtzaamden” terwijl zij de lasten op hun ruggen zullen dragen; en slecht zijn de lasten die zij dragen! (Anʿām,6:31) betekent liqāʾ de wederopstanding”.
Ibn al-Athīr zegt: “Met liqāʾ wordt bedoeld: zich richten op het Hiernamaals en verlangen naar wat bij Allāh is. Het betekent niet simpelweg de dood zelf, want niemand houdt van de dood. Wie de wereld loslaat en haar niet verkiest, verlangt naar de ontmoeting met Allāh. Wie daarentegen de wereld verkiest en eraan gehecht is, heeft een afkeer van de ontmoeting met Allāh. Wat betreft het feit dat Allāhu (تعالى) de ontmoeting met Zijn dienaar “verlangt”, betekent dit dat Hij goedheid voor hem wil en hem zegent met Zijn gunst”.
In het boek al-Kawākib staat: “Als iemand zegt: “De voorwaarde is niet de oorzaak van de straf, integendeel, het is juist andersom,” dan wordt geantwoord dat zulke overleveringen worden uitgelegd (taʾwīl). Dus: wie verlangt naar de ontmoeting met Allāh, aan hem laat Allāh weten dat Hij ook naar hem verlangt. En hetzelfde geldt voor het niet willen ontmoeten.
ʿĀʾishah (رضي الله عنها), of een van de vrouwen van Rasûlullāh (رضي الله عنهن), zei (Saʿīd ibn Hishām vermeldt in zijn versie zonder twijfel dat het ʿĀʾishah was): “Wij houden allemaal niet van de dood.”
Op het eerste gezicht lijkt het alsof met “ontmoeting met Allāh” de dood bedoeld wordt. Maar in werkelijkheid is dat niet zo, want de ontmoeting met Allāh is iets anders dan de dood.
In een andere overlevering staat: “De dood is vóór de ontmoeting met Allāh,” wat hierop wijst. Maar aangezien de dood een middel is om Allāh te ontmoeten, is de ontmoeting met Allāh ook met de dood aangeduid”.
Hassan ibn al-Aswad zei: “De dood is een brug die de geliefde bij de Geliefde brengt.”
Toen ʿĀʾishah (رضي الله عنها) de eerder genoemde uitspraak aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vertelde, gaf hij als antwoord: “Dat is niet zo. Maar wanneer de dood komt voor de mu’min, wordt hij blij gemaakt met het welbehagen en de goeddoen en weldaad (iḥsān) van Allāh. Op dat moment is niets hem liever dan wat voor hem ligt (namelijk de dood). Dan houdt hij van de ontmoeting met Allāh, en Allāh houdt van zijn ontmoeting.”
In de overlevering van ʿAbdurraḥmān ibn Abī Laylā wordt gezegd: “Wanneer de dood komt bij iemand die tot de dichtbijgebrachten (muqarrabūn) behoort, dan is er voor hem rust, mooie voorziening en Jannah van zegeningen. (Wanneer hij hiermee wordt verblijd), dan verlangt hij naar de ontmoeting met Allāh, en Allāh verlangt meer naar zijn ontmoeting.”
Deze ḥadīth is door Aḥmad ibn Ḥanbal overgeleverd met een sterke overleveringsketen. Het feit dat de naam van de ṣaḥābī in deze specifieke keten niet expliciet wordt genoemd, doet geen afbreuk aan de kracht van de ḥadīth.
(In de overlevering van İbnu Abī Laylā wordt de naam van de ṣaḥābī die de ḥadīth overlevert niet vermeld. Daarin wordt slechts gezegd: “Die-en-die, de zoon van die-en-die, heeft overgeleverd dat hij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het volgende hoorde zeggen.”)
De overlevering vervolgt: “Maar wanneer het een kāfir betreft, dan wordt hij bij de dood bedroefd met de straf en bestraffing van Allāh. Op dat moment is niets hem verafschuwder dan wat voor hem ligt (de dood). Dan heeft hij een afkeer van de ontmoeting met Allāh, en Allāh heeft een afkeer van zijn ontmoeting.”
In een marfūʿ overlevering van ʿAbd ibn Ḥumayd via ʿĀʾishah (رضي الله عنها) staat:
“Wanneer Allāhu (تعالى) goedheid voor een dienaar wil, zendt Hij een helper-engel naar hem een jaar vóór zijn dood. Deze engel helpt hem zijn fouten te verbeteren en hem te laten slagen in goede daden, totdat gezegd wordt: hij is gestorven op het pad van goedheid.
Wanneer de dood hem bereikt en hij zijn beloning ziet, verlangt zijn nafs (naar de dood). Dit is het moment waarop hij verlangt naar de ontmoeting met Allāh, en Allāh verlangt naar zijn ontmoeting.
En wanneer Allāh slechtheid voor een dienaar wil, zendt Hij een jaar vóór zijn dood een shayṭān naar hem. Deze misleidt hem en brengt hem in fitnah, totdat gezegd wordt: hij is gestorven op het pad van slechtheid. Wanneer de dood hem bereikt en hij de straf ziet die voor hem is voorbereid, begint zijn nafs te jammeren. Dit is het moment waarop hij geen verlangen heeft naar de ontmoeting met Allāh, en Allāh geen verlangen heeft naar zijn ontmoeting.” (De uitleg tot hier is overgenomen uit de Sharḥ van al- Qasṭallānī, Kitābu’r-Riqāq, deel 9, blz. 495.)
In de sharḥ van an-Nawawī op Ṣaḥīḥ Muslim wordt eveneens het volgende gezegd (volgens de marginale aantekening van al-Qastallanī, deel 10, blz. 118): “Het einde van deze ḥadīth verduidelijkt het begin ervan en maakt duidelijk wat bedoeld wordt met de aḥadīth die in algemene bewoordingen vermelden: ‘Wie de ontmoeting met Allāh liefheeft…’ en ‘wie de ontmoeting met Allāh verafschuwt…’
Uit de ḥadīth blijkt dat het werkelijk bedoelde afkeer voelen, de afkeer is op het moment waarop de tawbah (terugkeer naar Allāhu (تعالى) door de zonde te verlaten) en de nadāmah (het berouw en de innerlijke spijt) niet meer worden aanvaard, namelijk tijdens het uittreden van de rûh uit het lichaam. Op dat moment wordt iedere mens op de hoogte gebracht van wat hem te wachten staat en van wat Allāhu (تعالى) voor hem heeft voorbereid. De sluier vóór hem wordt weggenomen.
Degenen die tot de mensen van het geluk (saʿādah) behoren, verlangen dan naar de dood en naar de ontmoeting met Allāh, omdat zij uitzien naar de gunsten (iḥsān) die Allāhu (تعالى) voor hen heeft voorbereid. En Allāh verlangt naar hun ontmoeting. Dat wil zeggen: Hij schenkt hun overvloedige goedheid en iḥsān.
De mensen van het ongeluk (shaqāwah), degenen die sterven in de slechtheid, verafschuwen de ontmoeting met Allāh, omdat zij weten hoe slecht hun eindbestemming zal zijn. En Allāh verafschuwt hun ontmoeting. Dat wil zeggen: Hij verwijdert hen van Zijn raḥmah en Zijn iḥsān. Hij wenst voor hen geen barmhartigheid. Dát is de betekenis van het feit dat Allāhu (تعالى) hun ontmoeting niet verlangt.
De betekenis van deze ḥadīth is dus niet dat Allāhs verlangen naar hun ontmoeting of Zijn afkeer daarvan dezelfde betekenis heeft als de verlangens en afkeuren die wij kennen. Zulke toestanden behoren tot de eigenschappen van de mensen.”
Opmerking:In de overleveringen van deze ḥadīth die vermeld zijn in Kitābu’t-Tawḥīd van al-Bukhārī en in de Muwaṭṭaʾ van Imām Mālik, wordt de betekenis rechtstreeks aan Allāhu (تعالى) toegeschreven. Daardoor wordt duidelijk dat het een ḥadīth al-qudsī betreft. In andere overleveringen ontbreekt deze expliciete toeschrijving, waardoor daarin niet duidelijk wordt vermeld dat het een ḥadīth al-qudsī is. Daarom kunnen die overleveringen niet zonder meer als qudsī worden beschouwd. Toch hebben wij het passend geacht ook deze overleveringen te vermelden, zodat het onderwerp volledig duidelijk wordt.
(Bron: de Sharḥ van al-Qasṭallānī, deel 9, blz. 495, Kitābu’r-Riqāq.)
De ḥadīth over het sturen van de Engel des Doods naar Mūsā (عليه السلام)
Deze ḥadīth wordt door al-Bukhārī overgeleverd in Kitāb Badʾ al-Khalq, in het hoofdstuk “Het overlijden van Mūsā (عليه السلام)”:
307. Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه), hij zei: “De Engel des Doods werd naar an-nabī Mūsā (عليه السلام) gestuurd. Toen de engel bij hem kwam, duwde hij hem terug. De engel keerde terug naar Allāhu (تعالى) en zei: ‘U hebt mij gestuurd naar een dienaar die de dood niet wil.’
Allāhu (تعالى) zei: ‘Ga naar hem terug en zeg hem dat hij zijn hand op de rug van een os moet leggen; voor elk haar dat zijn hand bedekt, zal zijn levensduur met één jaar worden verlengd.’
Mūsā (عليه السلام) zei: ‘O mijn Rab, wat is er daarna?’
Allāhu (تعالى) zei: ‘De dood.’
Mūsā (عليه السلام) zei: ‘Laat het dan nu gebeuren.’
Daarna vroeg Mūsā (عليه السلام) aan Allāhu (تعالى) om hem dichter bij het heilige land, dus al-Quds (Jeruzalem), te brengen op een afstand van een steenworp.
Abū Hurayrah (رضي الله عنه) zei: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als ik daar was geweest, zou ik jullie zijn graf tonen. Het bevindt zich aan de rand van de weg, onder een rode zandheuvel.”
Van ʿAbd ar-Razzāq aṣ-Ṣanʿānī, van Maʿmar, van Hammām, zegt dat Abū Hurayrah (رضي الله عنه) ons een soortgelijke overlevering van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft overgeleverd, en in die versie is de ḥadīth expliciet aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) toegeschreven. In alle andere overleveringen wordt de ḥadīth als marfūʿ overgeleverd met de formulering: “Abū Hurayrah zei…”, behalve in het laatste gedeelte waarin staat: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: Als ik daar was geweest, zou ik jullie zijn graf tonen. Het bevindt zich aan de rand van de weg onder een rode zandheuvel.”
Deze ḥadīth is door al-Bukhārī ook afzonderlijk overgeleverd in Kitāb al-Janāʾiz, in het hoofdstuk: “Degene die begraven wil worden in het heilige land (Bayt al-Maqdis).” In die overlevering staat:
Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه), die zei: “De Engel des Doods werd naar an-nabī Mūsā (عليه السلام) gestuurd. Mūsā (عليه السلام) duwde hem weg.
De engel keerde terug naar Allāhu (تعالى) en zei: ‘U hebt mij gestuurd naar een dienaar die de dood niet wil.’
Daarop stuurde Allāhu (تعالى) hem opnieuw en zei: ‘Ga naar hem terug en zeg hem dat hij zijn hand op de rug van een os moet leggen; voor elk haar dat zijn hand bedekt, wordt zijn leven met één jaar verlengd.’
Mūsā (عليه السلام) zei: ‘O mijn Rab, wat daarna?’
Allāhu (تعالى) zei: ‘De dood.’
Mūsā (عليه السلام) zei: ‘Laat het dan nu zijn.’
Daarop vroeg hij Allāhu (تعالى) om hem dichter bij het heilige land (Bayt al-Maqdis) te brengen, op een afstand van een steenworp. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Als ik daar was geweest, zou ik jullie zijn graf tonen. Het bevindt zich aan de rand van de weg onder een rode zandheuvel.”
Deze ḥadīth is door Muslim overgeleverd in de aantekening in de marge van al-Qastallānī, C.9, p.224, in de hoofdstuk getiteld “Enkele deugden van an-Nabī Mūsā (عليه السلام)”. Daar staat het volgende:
308. Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه), hij zei: “De Engel des Doods werd naar an-Nabī Mūsā (عليه السلام) gestuurd. Toen de engel bij hem kwam, duwde hij hem terug en sloeg zijn oog uit. De engel keerde terug naar zijn Rab en zei: “U hebt mij naar een dienaar gestuurd die de dood niet wil.” Allāhu (تعالى) gaf hem zijn oog terug en zei: “Ga opnieuw naar hem en zeg hem dat hij zijn hand op de rug van een os moet leggen; voor elk haar dat zijn hand bedekt, krijgt hij één extra jaar van leven.”
An-Nabī Mūsā (عليه السلام) vroeg: “O mijn Rab, wat komt daarna?” Allāhu (تعالى) zei: “Daarna is er de dood.” Daarop zei Mūsā (عليه السلام): “Laat het dan nu zijn.” Hij vroeg Allāhu (تعالى) om hem één steenworp dichter bij het heilige land (Bayt al-Maqdis) te brengen.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Als ik daar was, zou ik zijn graf aan jullie tonen; het ligt bij de weg onder een rode zandheuvel.”
Muslim vermeldt ook een andere overlevering en zegt:
309. Van … Hammām ibn Munabbih zei, dit is wat Abū Hurayrah (رضي الله عنه) ons heeft overgeleverd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Hij noemde daarbij enkele overleveringen, waaronder de volgende:
“De Engel des Doods kwam naar an-Nabī Mūsā (عليه السلام) en zei: ‘Beantwoord de roep van jouw Rab.’ Mūsā (عليه السلام) sloeg het oog van de engel en sloeg zijn oog uit het. De engel keerde terug naar Allāhu (تعالى) en zei: ‘U hebt mij naar een dienaar gestuurd die de dood niet wil; hij sloeg mijn oog uit.’ Allāhu (تعالى) gaf hem zijn oog terug en zei: “Ga naar Mijn dienaar en vraag hem of hij langer wil leven. Zeg hem dat, als hij daarvoor kiest, hij zijn hand op de rug van een os moet leggen; en voor iedere haar die zijn hand bedekt, zal hem één jaar extra leven worden gegeven.”
Mūsā (عليه السلام) vroeg: “Wat komt daarna?” Allāhu (تعالى) zei: “Daarna is de dood.” Daarop zei Mūsā (عليه السلام): “Laat het dan nu zijn; neem mijn leven dichter bij het heilige land, op een steenworp afstand.” Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Bij Allāh, als ik daar was, zou ik jullie zijn graf tonen; het ligt onder de rode zandheuvel langs de weg.”
Muslim vervolgt: van Abū Isḥāq, van Muḥammad ibn Yaḥyā, van ‘Abdurrazzāq, van Ma‘mar, met een soortgelijke versie.
Dit is ook door an-Nasā’ī overgeleverd in C.4, p.118 in Kitāb at-Taʿziya, en zijn versie komt dicht in de buurt van de tweede versie van Muslim.
Uitleg van de ahadith 307 – 309
“De Engel des Doods werd naar an-Nabī Mūsā (عليه السلام) gestuurd.” Dat wil zeggen: Allāhu (تعالى) stuurde de Engel des Doods naar hem in de gedaante van een mens. An-Nabī Mūsā (عليه السلام) was op dat moment 120 jaar oud. Toen de engel in deze vorm bij hem kwam, dacht Mūsā (عليه السلام) dat het een mens was die zonder toestemming zijn huis probeerde te betreden en mogelijk kwaad wilde doen. Daarom sloeg hij hem, op het oog dat hem in die vorm was gegeven omdat hij in menselijke gedaante verscheen. Dit oog stond los van zijn werkelijke engelvorm. Hij sloeg de oog uit.
In de overlevering van Aḥmad ibn Ḥanbal staat: “De Engel des Doods kwam openlijk naar de mensen. Toen hij naar Mūsā (عليه السلام) kwam, sloeg hij hem en sloeg zijn oog uit. De engel keerde terug naar zijn Rab en zei: ‘O mijn Rab, U hebt mij naar een dienaar gestuurd die de dood niet wil.”
Er wordt ook gezegd dat het “uitslaan van het oog” hier een metaforische betekenis heeft. Dat wil zeggen: Mūsā (عليه السلام) ging een discussie met hem aan, verzette zich tegen hem en won in argumentatie. Bij de Arabieren wordt gezegd dat iemand “het oog van zijn tegenstander heeft uitgestoken” wanneer hij hem in debat overwint met sterkere argumenten. Dat wordt versterkt door de overlevering waarin staat dat Allāhu (تعالى) zijn oog weer aan hem teruggaf.
Zoals in de ḥadīth vermeld, werd de engel daarna opnieuw gestuurd. Uiteindelijk, toen Mūsā (عليه السلام) begreep dat de dood onvermijdelijk was, koos hij ervoor om op dat moment te sterven en wilde hij dichter bij Bayt al-Maqdis (Jeruzalem) gebracht worden.
Mūsā (عليه السلام) bevond zich toen in de woestijn en vroeg niet om naar Bayt al-Maqdis zelf te worden gebracht, maar hij wilde in de buurt van Bayt al-Maqdis zijn.” Hij vreesde namelijk dat als zijn graf (in Bayt al-Maqdis zou zijn) beroemd zou worden en dat mensen daardoor in beproevingen (fitan) zouden vallen.
Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) zei: “Als de joden de plaats van het graf van Mūsā (عليه السلام) en Hārūn (عليه السلام) zouden kennen, zouden zij die als twee goden naast Allāh nemen.”
Het graf van Mūsā (عليه السلام) is bekend geworden als een plaats in Eriḥā (Jericho), bij een rode zandheuvel. Eriḥā ligt in Palestina, in het heilige land. Er zijn overleveringen dat boven dat graf verschillende vormen en koepelachtige verschijnselen werden waargenomen.
Al-Qastallānī zegt: Shaykh al-Islām Burhān al-Dīn Ibn Abī Sharīf vertelde mij dat wanneer er (bij het graf van Mūsā (عليه السلام) iets slechts gebeurt, ontstaat er duisternis en onrust en dit blijft totdat het wordt gestopt, waarna het weer opklaart.
Van Wahb ibn Munabbih wordt overgeleverd dat de engelen Mūsā (عليه السلام) begroeven en ook de ṣalāh al-janazah over hem verrichtten. Tot hier is de uitleg gebaseerd op al-Qastallānī’s Sharḥ, C.5, p.387.
Al-Qastallānī zegt in Kitāb al-Janā’iz, hoofdstuk “Degene die begraven wil worden in het heilige land”: Van Wahb wordt ook overgeleverd dat Mūsā (عليه السلام) op weg ging voor een behoefte en een groep engelen tegenkwam die een graf aan het graven waren. Hij zag niets mooiers dan hen en vroeg: “Voor wie graven jullie dit graf?” Zij zeiden: “Wil je dat het voor jou is?” Hij zei: “Ja.” Toen zeiden de engelen: “Ga erin, lig neer en richt je tot jouw Rab.” Mūsā (عليه السلام) deed dat, daarna haalde hij diep opgelucht adem, en Allāhu (تعالى) nam zijn rûh. Daarna bedekten de engelen hem met aarde.
Ook wordt gezegd dat de Engel des Doods hem een appel uit Jannah bracht. Mūsā (عليه السلام) rook aan die appel en zijn rûh werd genomen.
Al-Qastallānī zegt opnieuw in Kitāb al-Janā’iz: “Allāhu (تعالى) stuurde de Engel des Doods naar an-Nabī Mūsā (عليه السلام) in menselijke gedaante om hem te beproeven. Toen de engel in deze vorm kwam, dacht Mūsā (عليه السلام) dat het een echte mens was die zonder toestemming over de muur van zijn huis klom met de bedoeling hem kwaad te doen. Toen hij dichtbij kwam, sloeg hij hem en trok het oog uit van de menselijke gedaante waarin hij verscheen. Dit stond los van zijn engelvorm.
Het is ook mogelijk dat Mūsā (عليه السلام) wist dat het de Engel des Doods was en zich met die klap alleen verdedigde.
De eerste uitleg is echter sterker. Het feit dat de engel kwam om de rûh te nemen zonder hem keuze te laten, ondersteunt deze betekenis. Want het was Mūsā (عليه السلام) eerder bekendgemaakt dat zijn rûh niet zou worden genomen zonder eerst een keuze te krijgen. Daarom zei hij bij de tweede komst, toen hem de keuze werd voorgelegd: “Neem mij dan nu.” (Einde van de uitleg uit de sharḥ van al-Qastallānī)
Wij zeggen: als dit juist is, dan klopt ook de uitleg van degenen die zeggen dat dit metaforisch is bedoeld en dat er in werkelijkheid geen oog is uitgeslagen, maar dat ermee wordt bedoeld dat Mūsā (عليه السلام) in discussie ging en de overhand kreeg met zijn bewijsvoering. Want Mūsā (عليه السلام) voerde een debat en zei: “Hoe kun je mijn rûh nemen zonder mij keuze te geven?” En omdat de anbiyā vóór hun dood een keuze krijgen, was het bewijs van Mūsā (عليه السلام) sterker. Uitleg van de ḥadīth in de Sharḥ Ṣaḥīḥ Muslim van an-Nawawī (in de aantekening in de marge van al-Qastallānī, C.9, p.224): Mūsā (عليه السلام) vroeg om dichter bij Bayt al-Maqdis gebracht te worden vanwege de eer van die plaats en omdat daar anbiyā en geleerden begraven lagen.
Sommige geleerden zeiden dat Mūsā (عليه السلام), ondanks zijn wens om dichter bij Bayt al-Maqdis te komen, niet in Bayt al-Maqdis zelf wilde, uit angst dat zijn graf beroemd zou worden en mensen daardoor in fitnah zouden vallen.
Hieruit blijkt ook dat het aanbevolen (mustaḥab) is om begraven te worden in heilige en gezegende grond en op plaatsen waar de graven van rechtschapen mensen liggen. Allāh weet het het beste.
Al-Māfarī zegt: sommige atheïsten (mulḥidūn) hebben deze ḥadīth en de betekenis ervan ontkend. Zij zeiden: “Hoe kan Mūsā het oog van de Engel des Doods uitslaan?” Geleerden hebben hierop op verschillende manieren geantwoord:
Ten eerste: het is niet onmogelijk dat Allāhu (تعالى) Mūsā (عليه السلام) toestemming gaf om dit te doen. Dit kan een beproeving zijn voor degene die werd getroffen.
Allāh doet met Zijn schepping wat Hij wil en beproeft hen zoals Hij wil.
Ten tweede: deze handeling is metaforisch bedoeld. De betekenis is dat Mūsā (عليه السلام) met hem in discussie ging en hem met zijn bewijsvoering overtrof. Wanneer iemands argumenten sterker zijn dan die van zijn tegenstander, zeggen de Arabieren: “hij heeft het oog van die persoon uitgestoken.” En wanneer iets verminderd of misvormd wordt, zeggen zij: “ik heb het scheel gemaakt.”
Maar in dat geval ontstaat er een zwakte in de uitspraak: “Allāh gaf hem zijn oog terug.” Want als men zou zeggen dat hiermee bedoeld wordt dat Allāh zijn bewijs of argument teruggaf, dan is dat een vergezochte uitleg.
Ten derde: het is mogelijk dat Mūsā (عليه السلام) niet wist dat hij de Engel des Doods was. Hij dacht wellicht dat het een man was die naar zijn leven stond, waardoor hij zichzelf wilde verdedigen. Het is dan mogelijk dat hij, zonder de bedoeling te hebben zijn oog uit te slaan, dit per ongeluk deed tijdens die verdediging. De uitdrukking: “Hij duwde hem terug” versterkt deze mogelijkheid.
Deze laatste uitleg is ook het antwoord van Abū Bakr Ibn Khuzaymah en van meerdere vroege geleerden. Al-Māzarī en Qāḍī ʿIyāḍ beschouwden deze uitleg eveneens als passend.
In de ḥadīth staat namelijk nergens expliciet vermeld dat Mūsā (عليه السلام) hem sloeg met de bedoeling zijn oog uit te slaan. Als men zegt: “Mūsā (عليه السلام) erkende bij de tweede komst dat hij de Engel des Doods was,” dan luidt het antwoord: bij de tweede komst kwam de engel met een teken waaruit duidelijk bleek dat hij werkelijk de Engel des Doods was. Daarom onderwierp Mūsā (عليه السلام) zich deze keer, in tegenstelling tot de eerste keer.
(Deze uitleg is afkomstig uit de sharḥ van an-Nawawī.)