34. Opwekking (hashr) en de angstige toestanden (op de Yawm al-Qiyāmah)
De ḥadīth: “Jullie zullen blootsvoets, naakt en onbesneden worden verzameld”
Deze ḥadîth werd overgeleverd door al-Bukhârî, volgens de uitleg van al-Qastallānī (deel 5, p. 342) in Kitâb Bad’ al-Khalq, in de hoofdstuksectie over de uitspraak van Allāhu (تعالى): وَٱتَّخَذَ ٱللَّهُ إِبۡرَٰهِيمَ خَلِيلٗا …Allāh nam Ibrâhîm als Zijn geliefde vriend.” (Nisāʾ, 4:125)
310. Van … Ibn ‘Abbâs (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Jullie zullen blootsvoets, naakt en onbesneden worden verzameld (ḥashr).”
Daarna reciteerde hij de volgende āyah:يَوۡمَ نَطۡوِي ٱلسَّمَآءَ كَطَيِّ ٱلسِّجِلِّ لِلۡكُتُبِۚ كَمَا بَدَأۡنَآ أَوَّلَ خَلۡقٖ نُّعِيدُهُۥۚ وَعۡدًا عَلَيۡنَآۚ إِنَّا كُنَّا فَٰعِلِينَ ١٠٤En (gedenk) de Dag wanneer Wij de hemelen zullen oprollen zoals een schrijver zijn geschriften oprolt; zoals Wij de eerste schepping begonnen, Wij zullen het herhalen (het is) een belofte die Ons bindt. Waarlijk, Wij zullen het doen. (Anbiyāʾ, 21:104)
Vervolgens zei hij: “De eerste die op de Yawm al-Qiyāmah zal worden gekleed is Ibrâhîm (عليه السلام).”
En hij vervolgde: “Sommige mensen van mijn metgezellen zullen naar de linkerkant worden gebracht”. Ik zal dan zeggen: ‘Mijn metgezellen (aṣḥābī), mijn metgezellen (aṣḥābī)!’ Er zal gezegd worden: ‘Nadat jij hen verlaten had, keerden zij steeds op hun schreden terug.’ Daarop zal ik zeggen zoals de rechtschapen dienaar (‘Īsā (عليه السلام)) zei:
وَكُنتُ عَلَيۡهِمۡ شَهِيدٗا مَّا دُمۡتُ فِيهِمۡۖ فَلَمَّا تَوَفَّيۡتَنِي كُنتَ أَنتَ ٱلرَّقِيبَ عَلَيۡهِمۡۚ وَأَنتَ عَلَىٰ كُلِّ شَيۡءٖ شَهِيدٌ ١١٧
Ik heb hen niet anders gezegd, behalve wat U mij bevolen heeft te zeggen: “Aanbidt Allāh, mijn Heer en jullie Heer.” En ik was een getuige van hen, terwijl ik onder hen verbleef, maar toen U mij tot U nam, werd U de Waker over hen, en U bent Getuige van alle zaken.
إِن تُعَذِّبۡهُمۡ فَإِنَّهُمۡ عِبَادُكَۖ وَإِن تَغۡفِرۡ لَهُمۡ فَإِنَّكَ أَنتَ ٱلۡعَزِيزُ ٱلۡحَكِيمُ ١١٨
Als U hen straft, zijn zij Uw dienaren. En als U hen vergeeft, waarlijk U en alleen U bent de Almachtige, de Alwijze. (Māʾidah, 5:117–118)
Allāhu (تعالى) weet het het best.
Deze ḥadīth wordt door Sahîh al-Bukhârî eveneens overgeleverd in Kitābu’r-Riqāq, in het hoofdstuk: “Hoe zal de Ḥashr zijn?”:
311. Van Ibn ‘Abbās (رضي الله عنهما), hij zei: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stond op om ons toe te spreken en zei: “Jullie zullen op blote voeten, naakt en onbesneden verzameld worden...”
(de rest van de ḥadīth is hetzelfde.)
al-Bukhārī vermeldt deze ḥadīth ook in Kitābu’t-Tafsīr en Kitābu’l-Anbiyā.
Deze ḥadīth wordt eveneens door Sahîh Muslim overgeleverd, volgens de marginale aantekening van al-Qasṭallānī, deel 1, pagina 317, in het hoofdstuk over de eigenschappen van de Qiyāmah. Nadat hij de keten (isnād) van overleveraars heeft genoemd, zegt hij:
312. Van Ibn ‘Abbās (رضي الله عنهما) hij zei: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) begon ons te vermanen en zei: “O mensen, jullie zullen waarlijk voor Allāhu (تعالى) verschijnen op blote voeten, naakt en onbesneden...”
Daarna gaat de ḥadīth verder zoals hierboven vermeld.
313.Jami` at-Tirmidhi overlevert deze ḥadīth eveneens in deel 2, pagina 199, met een tekst die sterk lijkt op de overlevering van Muslim. Hij zegt hierover dat de ḥadīth ḥasan ṣaḥīḥ is.
Uitleg van de aḥādīth 310–313
Met “naakt verzameld (ḥashr) worden” kan bedoeld zijn dat sommigen naakt en anderen gekleed verzameld zullen worden. Want in een andere ḥadīth, die door Abû Dāwûd is overgeleverd van Sa‘īd (رضي الله عنه), en die door Ibn Ḥibbān als ṣaḥīḥ is beoordeeld en marfû‘ is overgeleverd, wordt gezegd: “De dode zal worden opgewekt in de kleding waarin hij gestorven is.”
Al-Qasṭallānī zegt na de woorden: “De eerste die op de Yawm al-Qiyāmah bekleed zal worden, is Ibrāhīm (عليه السلام)” het volgende: “Dat wil zeggen: ofwel zullen alle mensen naakt worden verzameld, of sommigen naakt en anderen gekleed. Of het betekent dat zij uit hun graven zullen opstaan in de kleding waarin zij gestorven zijn, waarna zij deze bij het begin van de eerste ḥashr zullen verliezen, zodat uiteindelijk allen naakt verzameld worden. Daarna zal Ibrāhīm (عليه السلام) de eerste zijn die gekleed wordt.
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Hij zal gekleed worden met een gewaad uit Jannah. Vervolgens zal er een zetel gebracht worden die aan de rechterzijde van de ‘Arsh geplaatst zal worden. Daarna zal ik gebracht worden, en mij zal een gewaad uit Jannah worden aangetrokken, een gewaad zoals geen mens ooit zou kunnen verkrijgen.”
In de uitspraak van Allāhu (تعالى):يَوۡمَ نَطۡوِي ٱلسَّمَآءَ كَطَيِّ ٱلسِّجِلِّ لِلۡكُتُبِۚ كَمَا بَدَأۡنَآ أَوَّلَ خَلۡقٖ نُّعِيدُهُۥۚ وَعۡدًا عَلَيۡنَآۚ إِنَّا كُنَّا فَٰعِلِينَ ١٠٤En (gedenk) de Dag wanneer Wij de hemelen zullen oprollen zoals een schrijver zijn geschriften oprolt; zoals Wij de eerste schepping begonnen, Wij zullen het herhalen (het is) een belofte die Ons bindt. Waarlijk, Wij zullen het doen. Anbiyāʾ, 21:104)
ligt het bewijs dat de mensen op blote voeten, naakt en onbesneden verzameld zullen worden. Dat wil zeggen: de mensen zullen worden verzameld in de toestand waarin zij uit hun moedersschoot geboren werden. Ieder kind wordt immers geboren op blote voeten, naakt en onbesneden.
Vervolgens werd gezegd dat de wijsheid achter het feit dat Ibrāhīm (عليه السلام) als eerste gekleed zal worden, gelegen is in het feit dat zijn kleding werd uitgetrokken toen hij in het vuur geworpen werd.
Met andere woorden: het feit dat hij aan een dergelijke behandeling werd blootgesteld, kwam doordat hij de mensen opriep tot Allāh en tot het geloof in at-Tawḥīd.
De geleerden zeiden: “Dat Ibrāhīm (عليه السلام) hier de eerste zal zijn die gekleed wordt, betekent niet dat hij voortreffelijker of hoger in rang is dan onze an-Nabī Muḥammad (صلى الله عليه وسلم). Aan onze Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn vele voortreffelijkheden gegeven die aan niemand vóór hem gegeven werden. Niemand deelt met hem in die verheven kenmerken. Zelfs als hem niets anders gegeven was dan de grootste voorspraak (shafā‘ah), dan zou dat alleen al voldoende zijn geweest.
“Sommigen van mijn metgezellen (aṣḥāb) zullen naar de linkerzijde gebracht worden,” dat wil zeggen: naar de zijde van Jahannam.
“Dan zal ik zeggen: ‘Mijn metgezellen (aṣḥābī), mijn metgezellen (aṣḥābī)!’
Dat wil zeggen: “Dit zijn mijn metgezellen (aṣḥāb).”
In een andere overlevering wordt het woord aṣḥābī weergegeven in de verkleinvorm “uṣayḥābī”, om hun kleine aantal aan te duiden. De herhaling van het woord dient ter bekrachtiging.
Er werd gezegd dat hiermee degenen bedoeld worden die na het overlijden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) afvalligen waren en oorlog voerden tegen Abû Bakr (رضي الله عنه).
Vanwege deze woorden mag men de bekende aṣḥāb van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) niet bekritiseren. Het woord aṣḥāb wordt immers niet alleen gebruikt voor de Muhājirûn en de Anṣār die samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) leefden en hem dienden, maar ook voor degenen die in zijn tijd leefden en hem al was het slechts één keer gezien hebben. Het woord “aṣḥābī” in deze ḥadīth kan daarom volgens deze tweede betekenis begrepen worden.
Van degenen die de tijd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hadden meegemaakt, waren er velen bij wie de īmān zich niet volledig in hun harten had gevestigd.
Na het overlijden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verzaakten zij de Islâm en voerden oorlog tegen Abū Bakr (رضي الله عنه). Sommigen van hen keerden later opnieuw terug naar de Islām en ondersteunden deze dīn, terwijl anderen stierven in ongeloof, dat wil zeggen: in afvalligheid van de dīn. Wij zoeken bescherming bij Allāh tegen zo’n einde.
Met de uitspraak van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Ik zal zeggen zoals de rechtschapen dienaar zei,” wordt bedoeld: ʿĪsā (عليه السلام). (al-Qastallānī, deel 5, p. 342)
De hadīth: “De dienaren zullen verzameld worden, waarna hun Rab zal roepen: ‘Ik ben al-Malik”
Deze ḥadīth wordt door Sahîh al-Bukhârî overgeleverd in Kitābu’t-Tawḥīd, volgens al-Qasṭallānī, deel 10, pagina 249.
Abû ‘Abdillāh Muḥammad ibn Ismā‘īl al-Bukhārī zegt, in het hoofdstuk over de uitspraak van Allāhu (تعالى):وَلَا تَنفَعُ ٱلشَّفَٰعَةُ عِندَهُۥٓ إِلَّا لِمَنۡ أَذِنَ لَهُۥۚ حَتَّىٰٓ إِذَا فُزِّعَ عَن قُلُوبِهِمۡ قَالُواْ مَاذَا قَالَ رَبُّكُمۡۖ قَالُواْ ٱلۡحَقَّۖ وَهُوَ ٱلۡعَلِيُّ ٱلۡكَبِيرُ ٢٣Bemiddeling met Hem brengt geen voordeel behalve voor hem die Hij toestaat. Tot de angst uit hun harten is verbannen, zij vragen: “Wat is dat wat jullie Heer gezegd heeft?” Zij zeiden: “De Waarheid.” En Hij is de Allerhoogste, de Allergrootste. (Sabaʾ, 34:23)
314. Van, Jābir, dat wil zeggen Jābir ibn ‘Abdillāh al-Anṣārī (رضي الله عنه), overlevert dat Ibn Unays (رضي الله عنه) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hoorde zeggen: “Allāhu (تعالى) zal de dienaren verzamelen. Daarna zal Hij hen met een stem toespreken: “Ik ben al-Malik, de Bezitter van absolute heerschappij.”
Die stem zal zowel door degenen die dichtbij zijn als door degenen die ver weg zijn op dezelfde wijze worden gehoord.
Uitleg van de ḥadīth 314
In deze ḥadīth wordt vermeld dat Allāhu (تعالى) zal roepen met een stem. Met deze stem kan een geschapen (makhlûq) stem bedoeld zijn die niet behoort tot het Wezen (Dhât) van Allāhu (تعالى). Het kan ook betekenen dat Allāhu (تعالى) een oproeper opdracht geeft om op te roepen.
Al-Bayhaqī zegt: “Spraak is datgene wat een spreker met zijn tong uitdrukt. Tegelijkertijd kan het begrip ‘spraak’ ook verwijzen naar wat zich reeds in het innerlijk van een persoon heeft gevormd.”
Zo wordt in de ḥadīth van as-Saqīfah over ‘Umar (رضي الله عنه) vermeld dat hij zei:
“Ik had in mijzelf een toespraak voorbereid.” Daarmee bedoelde hij dat er in zijn gedachten reeds woorden gevormd waren voordat zij uitgesproken werden. Daarom noemde hij dat reeds “spraak”. Indien degene die spreekt beschikt over uitspraakorganen waardoor woorden volgens bepaalde klanken uitgesproken worden, dan wordt de spraak gehoord in de vorm van letters en klanken.
Wat betreft de ḥadīth van Ibn Unays (رضي الله عنه): de muḥaddithûn verschilden van mening over het gebruiken ervan als bewijs, vanwege de zwakte in het geheugen (ḥifẓ) van Ibn ‘Uqayl.
In de andere marfû‘ en ṣaḥīḥ overleveringen komt het woord “stem” niet voor.
Indien deze toevoeging authentiek was vastgesteld, zou zij eveneens zijn overgeleverd via de overlevering van Ibn Masʿūd (رضي الله عنه), d at wil zeggen: de engelen (malā’ikah) horen de openbaring (waḥy) tijdens haar neerdaling als een geluid. Dat geluid kan afkomstig zijn uit de hemel, ofwel de stem van de engel (malak) die de waḥy brengt, of het geluid van de vleugels van de malā’ikah.
Volgens deze mogelijkheid vormt de kwestie geen definitieve en ondubbelzinnige naṣ (tekst uit de Qur’ān of de Sunnah) Het kan ook zijn dat de overleveraar, nadat hij zei: “Hij zal roepen”, dit verduidelijkte door eraan toe te voegen: “met een stem”.
In al-Fatḥ wordt gezegd: وَمَا كَانَ لِبَشَرٍ أَن يُكَلِّمَهُ ٱللَّهُ إِلَّا وَحۡيًا أَوۡ مِن وَرَآيِٕ حِجَابٍ أَوۡ يُرۡسِلَ رَسُولٗا فَيُوحِيَ بِإِذۡنِهِۦ مَا يَشَآءُۚ إِنَّهُۥ عَلِيٌّ حَكِيمٞ ٥١Het past de mens niet dat Allāh tot hem spreekt, behalve door middel van een openbaring, of van achter een sluier of door het zenden van een rasûl (Jibrīl) om met Zijn toestemming te openbaren wat Hij wil. Waarlijk, Hij is Verheven, Alwijs. (Shūrā, 42:51)
Volgens deze uitleg heeft Allāhu (تعالى) Zijn woorden niet hoorbaar gemaakt aan één van Zijn malā’ikah of anbiyā, maar heeft Hij die woorden aan hen ingegeven door middel van ilhām (ingeving die Allāhu (تعالى) in het hart van een mens legt).”
Een stem kan ook zonder uitspraakorganen bestaan, net zoals het zien mogelijk is zonder dat lichtstralen het waargenomen object rechtstreeks raken, waarvan vaststaat dat dit mogelijk is. Dit aanvaarden wij, echter de genoemde vergelijking, evenals het vergelijken van de eigenschappen van de Schepper met de eigenschappen van de schepping, accepteren wij niet.
Samengevat: indien in de authentieke aḥādīth het woord “stem” voorkomt, dan is het verplicht daarin te geloven, terwijl de ware aard ervan aan Allāhu (تعالى) wordt overgelaten, of men verricht ta’wīl.
“Die stem zal door degene die dichtbij is gehoord worden op dezelfde wijze als door degene die ver weg is gehoord zal worden”, betekent: zowel degene die dichtbij is als degene die ver weg is, zullen het in gelijke mate horen”. Hierin bevindt zich iets dat buiten het gewone verloop van bekende geluiden valt. Want bij gewone geluiden bestaat er verschil tussen degene die dichtbij is en degene die ver weg is.
Opdat bekend wordt dat hetgeen gehoord wordt de Kalām van Allāhu (تعالى) is: toen Allāhu (تعالى) tot Mūsā (عليه السلام) sprak, hoorde Mūsā (عليه السلام) deze Kalām vanuit iedere richting.
(Deze uitleg wordt vermeld in het commentaar van al-Qasṭallānī, deel 10, p. 429.)
Wij zeggen echter: “In de tijd van al-Qasṭallānī en de geleerden die dicht bij zijn benadering stonden, kon dit als iets wonderlijks beschouwd worden. Maar tegenwoordig, na de uitvinding van radio’s en soortgelijke apparaten, is het niet langer vreemd dat iemand die ver weg is een stem even duidelijk hoort als iemand die dichtbij is.
De eigenschappen van Allāhu (تعالى) kunnen echter niet vergeleken worden met de eigenschappen van de schepping. Dat is eveneens wat de auteur van al-Fatḥ en anderen hebben gezegd.
Men dient te geloven in hetgeen authentiek van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) is overgeleverd. Wat betreft de hoedanigheid daarvan zeggen wij slechts: “Niets is aan Hem gelijk, en Hij is de Alhorende, de Alziende.”
“Ik ben al-Malik”, betekent: “Ik ben de Eigenaar van het gehele koninkrijk en van het volledige universum.”
“En Ik ben ad-Dayyān”, betekent: “Niemand behalve Ik bezit de heerschappij, en niemand, behalve Ik, vergeldt het goede en het slechte.”
Al-Ḥulaymī zegt: “Deze uitspraak is een uitleg van de woorden van Allāhu (تعالى) in de Qur’ān:مَٰلِكِ يَوۡمِ ٱلدِّينِ ٤ De Heerser op de Yawmu’l Qiyamah. (Fatihah, 1:4)
Dat wil zeggen: Ik ben Degene Die vergeldt voor de daden, rekenschap afneemt en geen enkele daad van een handelende verloren laat gaan.”
In al-Kawākib wordt gezegd: “De reden dat deze formulering gekozen werd, is dat hierin een aanwijzing ligt naar de zeven eigenschappen van Allāhu (تعالى).”
Deze eigenschappen zijn:
al-Ḥayāh (het eeuwige leven en bestaan), al-‘Ilm (kennis van alle dingen), al-Irādah (de wil)al-Qudrah (de almacht)as-Sam‘ (het horen), al-Baṣar (het zien) en al-Kalām (het spreken)
Het vergelden van algemene en afzonderlijke zaken, zowel woorden als daden, behoort immers tot Zijn macht.
(Sharḥ van al-Qasṭallānī, dezelfde plaats.)
Een toelichting
De ḥadīth van Ibn Mas‘ūd (رضي الله عنه), waarnaar al-Bayhaqī hierboven verwees betreffende het horen van de waḥy door de malā’ikah, wordt door Sahîh al-Bukhârî vlak vóór deze ḥadīth vermeld. De ḥadīth luidt: Van Masrûq, van Ibn Mas‘ūd (رضي الله عنه), hij zei: “Wanneer Allāhu (تعالى) de waḥy bekendmaakt, horen de bewoners van de hemel iets.”
Al-Bayhaqī zegt hierover: “De bewoners van de hemel horen een licht klingelend geluid, zoals het geluid van een ketting die over een glad oppervlak wordt getrokken. Daarop beginnen zij te roepen en blijven daarmee doorgaan totdat Jibrīl (عليه السلام) naar hen toe komt.
Wanneer Jibrīl (عليه السلام) komt, vervult hun harten met ontzag. “Wanneer de angst uit hun harten verdwijnt en het geluid ophoudt” dan (in een andere versie staat: “wanneer het geluid bevestigd wordt”) begrijpen zij dat dit de Waarheid van hun Rab is.”Dan zeggen zij: “Wat heeft jullie Rab gezegd?”
Want zij hadden wel een geluid gehoord, maar vanwege hun ontzag hadden zij de betekenis ervan niet begrepen.
“Hij heeft de Waarheid gesproken,” antwoorden zij.
(Volgens de overlevering van Aḥmad ibn Ḥanbal vragen zij:
“O Jibrīl, wat heeft jullie Rab gezegd?”
Waarop hij antwoordt: “Hij heeft de Waarheid gesproken.”
Daarna roepen de andere malā’ikah: “De Waarheid! De Waarheid!”
(De gedeelten tussen aanhalingstekens behoren tot de tekst van de ḥadīth; de overige delen zijn uitleg van de commentator. De vertaler)
De hadīth over het bevel aan Ādam (عليه السلام) op de Yawm al-Qiyāmah:“Scheid de bewoners van Jahannam onder jouw nakomelingen af.”
Deze ḥadīth wordt door Sahîh al-Bukhârî overgeleverd in deel 7, pagina 97, in het hoofdstuk over de uitleg (tafsīr) van Sūrah al-Ḥajj, bij de uitleg van de āyah:يَوۡمَ تَرَوۡنَهَا تَذۡهَلُ كُلُّ مُرۡضِعَةٍ عَمَّآ أَرۡضَعَتۡ وَتَضَعُ كُلُّ ذَاتِ حَمۡلٍ حَمۡلَهَا وَتَرَى ٱلنَّاسَ سُكَٰرَىٰ وَمَا هُم بِسُكَٰرَىٰ وَلَٰكِنَّ عَذَابَ ٱللَّهِ شَدِيدٞ ٢Op die Dag zullen jullie het zien; ieder zogende moeder zal haar baby vergeten en iedere zwangere vrouw zal haar vrucht laten vallen. En jullie zullen de mensheid zien alsof zij in een dronken toestand verkeert, toch zullen zij niet dronken zijn," maar zwaar zal de bestraffing van Allāh zijn. (Ḥajj, 22:2)
315. Van … Abû Sa‘īd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op de Yawm al-Qiyāmah zal Allāhu (عَزَّ وَجَلَّ) zeggen: ‘O Ādam!’
Ādam (عليه السلام) zal antwoorden: ‘Tot Uw dienst, onze Rab. Beveelt U!’
Daarop zal Allāhu (تعالى) met verheven stem roepen: ‘Allāh beveelt jou om uit jouw nakomelingen degenen af te zonderen die naar Jahannam zullen gaan.’
Ādam (عليه السلام) zal vragen: ‘Wie zijn degenen die naar Jahannam zullen gaan?’
Daarop zal al-Ḥaq zeggen: ‘Uit iedere duizend...’
De overleveraar twijfelde hier en zei: ‘Ik meen dat hij zei: negenhonderdnegenennegentig.’
Op dat moment zal de zwangere vrouw haar zwangerschap verliezen, het haar van kinderen zal grijs worden en jij zult de mensen zien alsof zij dronken zijn, terwijl zij niet dronken zijn. Maar de bestraffing van Allāhu (تعالى) is zwaar.”
Dit viel de aanwezigen zeer zwaar en de kleur van hun gezichten veranderde.
Toen zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Van Ya’jûj en Ma’jûj zullen er negenhonderdnegenennegentig (naar Jahannam gaan), terwijl van jullie slechts één persoon (naar Jahannam gaat). Jullie zijn als één enkele zwarte haar op de zijde van een witte os, of als één witte haar op de zijde van een zwarte os. Ik hoop dat jullie een vierde van de bewoners van Jannah zullen zijn.”
Daarop riepen wij de takbīr uit.
Vervolgens zei hij: “Een derde van de bewoners van Jannah.”
Wij riepen opnieuw de takbīr uit.
Daarna zei hij: “De helft van de bewoners van Jannah.”
En opnieuw riepen wij de takbīr uit.
Deze ḥadīth wordt door Sahîh al-Bukhârî eveneens overgeleverd in Kitābu’l-Anbiyā, na het verhaal van Ya’jûj en Ma’jûj, en aan het einde van Kitābu’r-Riqāq.
Ook Sahîh Muslim overlevert deze ḥadīth in het hoofdstuk:
“De vermelding dat deze ummah de helft van de bewoners van Jannah zal vormen,”
met een tekst die sterk lijkt op de versie van al-Bukhārī.
Jami` at-Tirmidhi vermeldt eveneens twee verschillende overleveringen van deze ḥadīth in deel 2, pagina 199–200:
316. Van ‘Imrān ibn Ḥuṣayn (رضي الله عنه): “Toen de bovenstaande āyāt werd neergezonden aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), bevond hij zich op reis.”يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّاسُ ٱتَّقُواْ رَبَّكُمۡۚ إِنَّ زَلۡزَلَةَ ٱلسَّاعَةِ شَيۡءٌ عَظِيمٞ ١O mensheid! Vrees jullie Heer en wees Hem plichtsgetrouw! Waarlijk, de aardbeving van het Uur is iets vreselijks.يَوۡمَ تَرَوۡنَهَا تَذۡهَلُ كُلُّ مُرۡضِعَةٍ عَمَّآ أَرۡضَعَتۡ وَتَضَعُ كُلُّ ذَاتِ حَمۡلٍ حَمۡلَهَا وَتَرَى ٱلنَّاسَ سُكَٰرَىٰ وَمَا هُم بِسُكَٰرَىٰ وَلَٰكِنَّ عَذَابَ ٱللَّهِ شَدِيدٞ ٢Op die Dag zullen jullie het zien; ieder zogende moeder zal haar baby vergeten en iedere zwangere vrouw zal haar vrucht laten vallen.
En jullie zullen de mensheid zien alsof zij in een dronken toestand verkeert, toch zullen zij niet dronken zijn," maar zwaar zal de bestraffing van Allāh zijn. (Ḥaj, 22:1-2)
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg: “Weten jullie welke dag dit is?”
De aanwezigen antwoordden: “Allāhu en Zijn Rasûl weten het beter.”
Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Dit is een dag waarop Allāhu (تعالى) tot Ādam (عليه السلام) zal zeggen: ‘Zonder degenen af die naar Jahannam zullen gaan.’
Ādam (عليه السلام) zal vragen: ‘O mijn Rab, wie zijn degenen die naar Jahannam zullen gaan?’
Allāhu (تعالى) zal zeggen: ‘Negenhonderdnegenennegentig zullen naar Jahannam gaan en één naar Jannah.’”
Toen de moslims dit hoorden, begonnen zij te huilen.
Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Vergelijk goed en bereken nauwkeurig. Iedere keer dat een profeetschap kwam, werd zij voorafgegaan door jāhiliyyah-periode. Uit de mensen van de jāhiliyyah zal een groot aantal voortkomen, en als hun aantal niet voldoende is, zal het aangevuld worden met de munāfiqs.”
Jullie verhouding tot de andere umam is als een zwelling aan de poot van een dier, of als een klein vlekje op de zijde van een kameel.”
Daarna zei hij: “Ik hoop dat jullie een derde van de bewoners van Jannah zullen zijn.”
De aanwezigen riepen de takbīr uit.
Vervolgens zei hij: “Ik hoop dat jullie de helft van de bewoners van Jannah zullen vormen.”
Opnieuw riepen ze opnieuw de takbīr uit.
De overleveraar zegt: “Ik weet niet meer of hij daarna ook tweederde genoemd heeft.”At-Tirmidhī zegt dat deze ḥadīth ḥasan ṣaḥīḥ is.
De tweede overlevering van at-Tirmidhī luidt als volgt:
317. Van ‘Imrān ibn Ḥuṣayn (رضي الله عنه): “Wij waren samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op reis. Sommige aṣḥāb begonnen langzamer te lopen. Toen reciteerde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) met verheven stem deze twee āyāt.”
(Hier worden de eerder genoemde āyāt Ḥaj, 22:1-2 bedoeld.)
Toen de aṣḥāb dit hoorden, versnelden zij hun pas en begrepen zij dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) iets belangrijks ging zeggen.
Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “De dag waarover in deze āyāt gesproken wordt, is een dag waarop Allāhu (تعالى) Ādam (عليه السلام) zal aanspreken en zeggen: ‘O Ādam, ‘Zonder degenen af die naar Jahannam zullen gaan.’Ādam (عليه السلام) zal vragen: ‘O mijn Rab, wie zijn degenen die naar Jahannam zullen gaan?’
Allāhu (تعالى) zal zeggen: ‘Van iedere duizend zullen negenhonderdnegenennegentig naar Jahannam gaan en één naar Jannah.’”
Toen de aanwezigen dit hoorden, werden zij diep bedroefd, zodanig dat er geen glimlach meer op hun gezichten zichtbaar was.
Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hun toestand zag, zei hij: “Verricht jullie (goede) daden en verheugt jullie. Bij Degene in Wiens Hand de nafs van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) is: jullie zullen samen zijn met twee groepen die, wanneer zij zich onder een volk mengen, de meerderheid ervan vormen. Dat zijn Ya’jûj en Ma’jûj, en degenen van de kinderen van Ādam die gestorven zijn, evenals degenen van de nakomelingen van Iblīs die gestorven zijn, allen zullen samen verzameld worden.”
De overleveraar zegt: “Daarop verminderde een deel van de droefheid van de mensen.”
Vervolgens zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Bij Degene in Wiens Hand de nafs van Muḥammad is: jullie zijn ten opzichte van de andere umam als een kleine vlek op de zijde van een kameel of als een zwelling aan de poot van een dier.”At-Tirmidhī zegt dat deze ḥadīth ḥasan ṣaḥīḥ is.
Uitleg van de aḥādīth 315–317
In het hoofdstuk “Hoe zal de Ḥashr zijn?” wordt van Abû Hurayrah (رضي الله عنه) een marfû‘ ḥadīth overgeleverd waarin staat: “De eerste die op de Yawm al-Qiyāmah geroepen zal worden, is Ādam (عليه السلام). Zijn nakomelingen zullen naar hem kijken. Dan zal gezegd worden: ‘Dit is jullie vader Ādam.’
Ādam (عليه السلام) zal zeggen: ‘Beveel, o mijn Rab, ik sta tot Uw dienst.’
Daarop zal al-Ḥaq Ta`ala zeggen: ‘Zonder een groep uit jouw nakomelingen af die naar Jahannam zal gaan...’”
De ḥadīth gaat daarna verder.
In de overlevering van Abû Sa‘īd (رضي الله عنه) betreffende het verhaal van Ya’jûj en Ma’jûj komt een extra toevoeging voor. Daarin wordt vermeld dat Ādam (عليه السلام) zei:
“Beveel, o mijn Rab, ik sta tot Uw dienst. Al het goede bevindt zich in Uw Hand.”
Dat hier specifiek wordt vermeld dat al het goede zich in de Hand van Allāhu (تعالى) bevindt, houdt een vorm van toevlucht zoeken tot Zijn raḥmah in en getuigt tevens van eerbied, ontzag en gepaste respectvolle inachtneming tegenover Hem. Want in werkelijkheid ontstaat ook het kwaad slechts door de Wil van Allāhu (تعالى) en Zijn voorbeschikking.
Dat Ādam (عليه السلام) vraagt: “Wie zijn degenen die naar Jahannam zullen gaan?”
betekent: “Hoe groot is hun aantal?”
In deze overleveringen wordt vermeld dat Allāhu (تعالى) antwoordt: “Van iedere duizend zullen negenhonderdnegenennegentig naar Jahannam gaan.”
Volgens hetgeen al-Qasṭallānī vermeldt, staat echter in de marfû‘ ḥadīth van Abû Hurayrah (رضي الله عنه) in het hoofdstuk “Hoe zal de Ḥashr zijn?”: “Van iedere honderd zullen negenennegentig naar Jahannam gaan.”
Volgens die overlevering worden dus tien personen per duizend uitgezonderd. Terwijl in de ḥadīth van dit hoofdstuk slechts één persoon per duizend wordt uitgezonderd.
Het oordeel wordt dan gebaseerd op het grotere aantal. Of het kan zijn dat de ḥadīth in dit hoofdstuk betrekking heeft op alle nakomelingen van Ādam (عليه السلام), terwijl de overlevering van Abû Hurayrah (رضي الله عنه) betrekking heeft op degenen die overblijven nadat Ya’jûj en Ma’jûj eruit verwijderd zijn. (Sharḥ van al-Qasṭallānī, deel 7, p. 245)
Al-Qasṭallānī zegt elders ook: “Met deze aantallen kunnen alle kāfirs bedoeld zijn, samen met degenen die wegens hun ongehoorzaamheid aan Allāhu (تعالى) en het niet uitvoeren van Zijn bevelen in Jahannam geworpen worden.” Volgens deze uitleg behoren de negenhonderdnegenennegentig personen per duizend tot degenen die wegens hun opstandigheid in Jahannam terechtkomen. (Uit Kitābu’r-Riqāq)
Zoals in de ḥadīth wordt vermeld, zijn het verlies van een ongeboren kind door een zwangere vrouw en het grijs worden van het haar van een jong kind voorbeelden die de verschrikkelijke ernst van die situatie illustreren. Hevige angst en diepe droefheid kunnen een mens immers zodanig verzwakken dat het haar voortijdig grijs wordt.
Het is echter ook mogelijk dat deze aḥādīth letterlijk moeten worden opgevat. Iedere mens zal namelijk worden opgewekt in de toestand waarin hij is gestorven. Wanneer een vrouw sterft terwijl zij zwanger is, zal zij als zwangere worden opgewekt. Evenzo zal een zogende vrouw als zogende vrouw worden opgewekt, en een kind als kind.
Wanneer de Qiyāmah plaatsvindt en het genoemde bevel aan Ādam (عليه السلام) gegeven wordt, zullen de mensen in grote angst verkeren. Dan zal de zwangere vrouw haar ongeboren kind verliezen, het haar van kinderen zal grijs worden en de zogende vrouw zal haar kind vergeten. (Al-Ḥāfiẓ Abû’l-Faḍl Ibn Ḥajar geeft deze uitleg.)
De betekenis van de uitspraak van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Van Ya’jûj en Ma’jûj zullen er negenhonderdnegenennegentig (in Jahannam) zijn, terwijl van jullie één persoon (in Jahannam) komt”, is als volgt: Ya’jûj en Ma’jûj, evenals degenen die net als zij in shirk zijn vervallen en de weg van kufr hebben gekozen, zullen negenhonderdnegenennegentig (naar Jahannam gaan). Jullie daarentegen, evenals degenen die zoals jullie tot de mensen van de īmān behoren (moslims), zijn die ene persoon die daarvan uitgezonderd zal zijn. Ook de uitspraak in de ḥadīth van Ibn Masʿūd (رضي الله عنه): “Niemand zal Jannah binnengaan behalve een moslim,” wijst op deze betekenis.
In een andere ḥadīth van Ibn Mas‘ūd (رضي الله عنه), die eveneens in hetzelfde hoofdstuk wordt overgeleverd, staat: “Wij waren met veertig personen samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) onder een schaduwdoek van leer.Toen zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): ‘Zouden jullie tevreden zijn als jullie een vierde (deel) van de bewoners van Jannah vormen?’
Wij zeiden: ‘Ja.’
Daarna zei hij: ‘Zouden jullie tevreden zijn als jullie een derde (deel) van de bewoners van Jannah vormen?’
Wij zeiden: ‘Ja.’
Vervolgens zei hij: ‘Zouden jullie tevreden zijn als jullie de helft van de bewoners van Jannah vormen?’
Wij antwoordden: ‘Ja.’”
As-Safāqusī zegt: “Hier koos an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) voor de vraagvorm om deze blijde tijding dieper in de harten te laten doordringen. Tegelijkertijd koos hij voor geleidelijkheid, zodat de vreugde des te groter zou zijn.”
In de aanvullingen van ‘Abdullāh, de zoon van Imām Aḥmad, en in de overlevering van aṭ-Ṭabarānī van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), komt bovendien de toevoeging voor:
“Jullie vormen tweederde (deel) van de bewoners van Jannah.”
Daarnaast wordt in een ḥadīth die door at-Tirmidhi van Buraydah (رضي الله عنه) als marfû‘ is overgeleverd en die door hem als ṣaḥīḥ is beoordeeld, gezegd: “De bewoners van Jannah zullen honderdtwintig rijen vormen, waarvan mijn ummah tachtig rijen zal vormen.”
Al-Qasṭallānī (رحمه الله) zegt: “Uit deze overleveringen blijkt dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hoopte op de raḥmah van Allāhu (تعالى), namelijk dat zijn ummah de helft van de bewoners van Jannah zou vormen.
Maar Allāhu (تعالى) schonk hem vanuit Zijn iḥsān méér dan waar hij op gehoopt had”, dat wil zeggen: méér dan de helft. De ummah van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) bereikte zelfs de verhouding van tweederde (deel van de bewoners van Jannah).
Dit vormt tevens de vervulling van de belofte van Allāhu (تعالى):وَلَسَوۡفَ يُعۡطِيكَ رَبُّكَ فَتَرۡضَىٰٓ ٥En jouw Heer zal jou zeker gunsten schenken, zodat jij tevreden zult zijn. (Ḍuḥā, 93:5)
Er wordt overgeleverd dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik zal niet tevreden zijn zolang er nog iemand van mijn ummah in Jahannam is.”
O Allāh, oge de ṣalāh en salām van U rusten op sayyidinā (onze heer) en habibinā (onze geliefde) Muḥammad (صلى الله عليه وسلم). O Allāh, moge U hem namens ons belonen op de mooiste wijze waarop een nabī ooit beloond werd vanwege zijn ummah. O Allāhu, moge U ons doen behoren tot degenen die waardig zijn voor zijn shafā‘ah en tot degenen die zijn Ḥawḍ (Waterbekken in Kawthar) zullen bereiken.
En het einde van onze du‘ā is: “Alle lof behoort toe aan Allāhu (تعالى), de Rab van de werelden.”