As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Aḥadīthi’l Qudsiyyah — Hoofdstuk 3: Goede gedachten (ḥusn aẓ-ẓan) hebben over Allāhu (تعالى)

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

Het onderwerp: 'Goede gedachten (ḥusn aẓ-ẓan) hebben over Allāhu (تعالى)

Deze ḥadīth is overgeleverd door al-Bukhārī in het boek Kitāb at-Tawḥīd, onder het hoofdstuk: "Allāh waarschuwt jullie voor Zichzelf"en bij de uitleg van de āyah: تَعۡلَمُ مَا فِي نَفۡسِي وَلَآ أَعۡلَمُ مَا فِي نَفۡسِكَۚ…U weet wat in mijn binnenste is, terwijl ik niet weet wat in U is...( Mā'idah, 5:116)(Saḥīḥ al-Bukhārī, deel 9, blz. 120; uitleg van al-Qastalānī, deel 10, blz. 381)

45. Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه), dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: "Allāhu (تعالى) zegt: “Ik ben zoals Mijn dienaar over Mij denkt. En wanneer hij Mij gedenkt, dan ben Ik met hem. Als hij Mij in zichzelf gedenkt, dan gedenk Ik hem in Mijzelf. En als hij Mij in een gezelschap gedenkt, dan gedenk Ik hem in een beter gezelschap. En als hij een handbreedte naar Mij toekomt, kom Ik een armlengte naar hem toe. En als hij een armlengte naar Mij komt, kom Ik een vadem (omhelzing) naar hem toe. “En wie zich lopend tot Mij begeeft, tot hem kom Ik rennend.”

al-Bukhārī heeft deze ḥadīth ook in verkorte vorm overgeleverd in Kitāb at-Tawḥīd.

Muslim heeft in zijn Ṣaḥīḥ drie verschillende ketens van overlevering van deze ḥadīth van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) opgenomen.

De eerste overlevering is bijna identiek aan die van al-Bukhārī, behalve dat bij Muslim staat:“Wanneer hij Mij gedenkt, dan ben Ik met hem. Als hij Mij in zichzelf gedenkt, dan gedenk Ik hem in Mijzelf. En als hij Mij in een gezelschap gedenkt, dan gedenk Ik hem in een gezelschap dat beter is dan het zijne.” (Er zijn kleine tekstuele verschillen, maar zonder betekenisverandering.)

In de tweede en derde overlevering ontbreken de woorden:“Als hij een armlengte naar Mij komt, kom Ik een vadem naar hem toe.”

De derde overlevering luidt als volgt: Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overleverde van Zijn Rab: "Wanneer Mijn dienaar een handbreedte naar Mij toekomt, kom Ik een armlengte naar hem toe. En als hij een armlengte naar Mij komt, kom Ik een vadem naar hem toe.

En als hij een vadem naar Mij komt, dan kom Ik sneller dan dat naar hem toe."

48. Over hetzelfde onderwerp heeft at-Tirmidhī in zijn Jāmiʿ onder het hoofdstuk 'Goede gedachten hebben over Allāh' de volgende ḥadīth overgeleverd:Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) is overgeleverd dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Allāhu (تعالى) zegt: 'Ik ben zoals Mijn dienaar over Mij denkt. En wanneer hij tot Mij duʿāʾ verricht, dan ben Ik met hem.” At-Tirmidhī heeft gezegd dat deze ḥadīth ḥasan en ṣaḥīḥ is.

49. Op een andere plaats vermeldt at-Tirmidhī een overlevering van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), waarin Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Allāh, Die Zichzelf van alles en iedereen onafhankelijk heeft verklaard, zegt: 'Ik ben zoals Mijn dienaar over Mij denkt. En wanneer hij Mij gedenkt, dan ben Ik met hem. Als hij Mij in zichzelf gedenkt, dan gedenk Ik hem in Mijzelf. En als hij Mij in een gezelschap gedenkt, dan gedenk Ik hem in een beter gezelschap. Als hij een handbreedte naar Mij komt, dan kom Ik een armlengte naar hem toe. En als hij zich lopend tot Mij begeeft, tot hem kom Ik rennend.”At-Tirmidhī (رحمه الله) heeft ook van deze ḥadīth gezegd dat hij ḥasan en ṣaḥīḥ is.

Ibn Mājah heeft in zijn Sunan, deel 2, blz. 218, in het hoofdstuk 'De Deugdzaamheid van Dhikr' de volgende ḥadīth overgeleverd: 50. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Allāh عَزَّ وَجَلَّ zegt: 'Wanneer Mijn dienaar Mij gedenkt en zijn lippen voor Mij bewegen, dan ben Ik met hem.”

51.

Eveneens heeft Ibn Mājah in deel 2, blz. 223, onder het hoofdstuk 'De Deugdzaamheid van Daden' de volgende ḥadīth overgeleverd: Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: "Allāh, Die Zichzelf van alles en iedereen onafhankelijk heeft verklaard, zegt: 'Ik ben zoals Mijn dienaar over Mij denkt. En wanneer hij Mij gedenkt, dan ben Ik met hem. Als hij Mij in zichzelf gedenkt, dan gedenk Ik hem in Mijzelf. En als hij Mij in een gezelschap gedenkt, dan gedenk Ik hem in een beter gezelschap. Als hij een handbreedte naar Mij komt, dan kom Ik een armlengte naar hem toe. En als hij naar Mij lopend toekomt, dan kom Ik rennend naar hem toe.'

Uitleg van de 45–51 aḥadīth"Ik ben zoals Mijn dienaar over Mij denkt," dat betekent: als Mijn dienaar gelooft dat Ik zijn daden zal accepteren, dat Ik hem beloning zal geven in ruil daarvoor, en dat Ik hem zal vergeven wanneer hij berouw toont, dan zal Ik hem behandelen overeenkomstig die verwachting. Maar als hij denkt dat Ik dat allemaal niet zal doen, dan behandel Ik hem overeenkomstig die gedachte. Hierin zit een aanwijzing dat de kant van hoop (rajā’) de voorkeur geniet boven die van vrees khawf ().

Sommige geleerden met diepgaande kennis hebben gesteld dat deze goede verwachting vooral betrekking heeft op het moment van het sterven. Wat betreft de periode vóór de dood bestaan er drie opvattingen, waarvan de meest juiste is dat men een evenwichtige middenweg dient te bewandelen tussen hoop (rajā’) en vrees (khawf).

Het past de dienaar om oprecht te geloven dat Allāhu (تعالى), overeenkomstig Zijn belofte, zijn daden zal aanvaarden en hem zal vergeven, mits hij zich inspant om Zijn geboden naar behoren na te leven. Allāhu (تعالى) verbreekt immers Zijn beloften niet.

Wie daarentegen gelooft of vermoedt dat Allāh hem niet zal vergeven, die heeft de hoop op de barmhartigheid van Allāh opgegeven, en dat is een van de grote zonden (kabā’ir).

Degene die met zo’n overtuiging sterft,wordt aan dat geloof/aan zijn voorbeschikking (qadar) overgelaten. Daarentegen is de gedachte dat men vergeving zal verkrijgen terwijl men blijft volharden in opstandigheid en zonden niets anders dan pure onwetendheid en zelfbedrog.

De uitspraak: "Wanneer Mijn dienaar Mij gedenkt, ben Ik met hem, " verwijst naar een bijzondere nabijheid, namelijk: nabijheid met Mijn barmhartigheid (raḥmah), Mijn leiding naar succes in het goede (tawfīq) en Mijn leiding (hidayah),

وَهُوَ مَعَكُمۡ أَيۡنَ مَا كُنتُمۡۚ ٤ …En Hij is met jullie, waar jullie ook zijn…(Ḥadīd 57:4), Met deze ayah wordt bedoeld: “Mijn riwāyah (heerschappij/voorziening) en mijn ʿināyah (zorg en bescherming) ben Ik met hem”. Deze “met-jullie” duidt echter op iets anders dan een fysieke of persoonlijke nabijheid. De betekenis van het “met-jullie” in de āyah is namelijk nabijheid in kennis en alomvattende omvattendheid.

De uitspraak: " dan gedenk Ik hem in een beter gezelschap (dan de zijne)" duidt niet op een superioriteit van de engelen ten opzichte van de mensenkinderen (Banū Ādam), maar bedoelt met die betere gezelschap het verheven gezelschap (al-mala’ al-aʿlā). Tot dat gezelschap behoren anbiyāʾ) martelaren (shuhadāʾ) en die beter zijn dan degenen die enkel aanwezig zijn in gezelschap waar Allahs gedenken (dhikr) plaatsvindt. Het betreft dus niet enkel een gezelschap van engelen.

Daarnaast omvat de hier genoemde goedheid zowel degene die de gedenking verricht als de aanwezige groep samen. De zijde waar Rab (تعالى)) wordt vermeld, is zonder twijfel beter dan de andere zijde. Zo wordt voor de gehele groep een verhevenheid en superioriteit in goedheid gerealiseerd.

Hāfiẓ Ibn Ḥajar merkt op dat de term "betere gezelschap" in deze overlevering uitsluitend betrekking heeft op de gezelschap zelf en niet noodzakelijk op degene die er deel van uitmaakt.

Al-Khaṭṭāb is van mening dat het onwaarschijnlijk is dat zowel degene die gedenkt als het gezelschap beide zijn bedoeld. En Allāh weet het het beste.

Met “En als hij zich lopend tot Mij begeeft, tot hem kom Ik rennend” wordt bedoeld dat een persoon zich met een kleine daad van gehoorzaamheid tot Allāh nadert. Allāh maakt vervolgens duidelijk dat Hij dit met een veelvoud aan beloning zal vergelden door te zeggen: “Dan kom Ik rennend naar hem toe.” Naarmate de dienaar zijn gehoorzaamheid vergroot, neemt de beloning van Allāh toe. Hoewel de dienaar zijn daden geleidelijk vermeerdert, vermeerdert Allāh de beloning daarvan snel en overvloedig. Hierin zit geen letterlijke betekenis: de termen ‘lopen’ en 'rennen' zijn metaforisch bedoeld. Anders gezegd: in werkelijkheid worden dergelijke termen in hun letterlijke betekenis niet toegepast op Allāhu (تعالى), omdat zulke zaken onmogelijk (muḥāl) zijn met betrekking tot Allāhu (تعالى).

Qāḍī ʿIyāḍ zei dat de betekenis van de uitspraak "Ik ben zoals Mijn dienaar over Mij denkt" is: Als hij hoopt dat Ik hem zal vergeven, dan vergeef Ik hem. Als hij berouw toont, accepteer Ik zijn berouw. Als hij tot Mij du`â’ verricht, verhoor Ik zijn du`â’. En als hij iets van Mij vraagt, geef Ik het hem.

(Daarom is het juiste begrip van deze overlevering): het betreft de hoop (rajâ’), het vragen om vergiffenis en het vertrouwen op de barmhartigheid van Allāh. En dat is de meest correcte opvatting.