As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Aḥadīthi’l Qudsiyyah — Hoofdstuk 30: De hadīth: “Allāhu (تعالى) zal de aarde oprollen… daarna zal Hij zeggen: ‘Ik ben al-Malik’

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

35. De hadīth: “Allāhu (تعالى) zal de aarde oprollen… daarna zal Hij zeggen: ‘Ik ben al-Malik’

Sahîh al-Bukhârî overlevert deze ḥadīth in deel 6, pagina 326, in Kitābu’t-Tafsīr, bij de uitleg van de āyah uit Sūrah az-Zumar:

وَمَا قَدَرُواْ ٱللَّهَ حَقَّ قَدۡرِهِۦ وَٱلۡأَرۡضُ جَمِيعٗا قَبۡضَتُهُۥ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ وَٱلسَّمَٰوَٰتُ مَطۡوِيَّٰتُۢ بِيَمِينِهِۦۚ سُبۡحَٰنَهُۥ وَتَعَٰلَىٰ عَمَّا يُشۡرِكُونَ ٦٧Zij achten Allāh niet met de achting die Hem toekomt, terwijl Hij op de Yawm al-Qiyāmah de aarde volledig in Zijn greep heeft, en de hemelen in Zijn rechterhand opgerold zullen zijn. Verheerlijkt is Hij, en Verheven boven alles wat zij als deelgenoten aan Hem toekennen! (Zumar, 39:67)

318. Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), dat hij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hoorde zeggen: “Allāhu (تعالى) zal de aarde samenrollen en de hemelen met Zijn Rechterhand oprollen. Vervolgens zal Hij zeggen: “Ik ben al-Malik. Waar zijn de koningen van de aarde?” al-Bukhārī overlevert deze ḥadīth eveneens van Abû Hurayrah (رضي الله عنه) in Kitābu’r-Riqāq.

al-Bukhārī overlevert deze ḥadīth ook in Kitābu’t-Tawḥīd:319. Van ‘Abdullāh ibn ‘Umar (رضي الله عنهما). De tekst van die overlevering luidt: “Allāhu (تعالى) zal de aarde, of de aardes, samenrollen. En de hemelen zullen zich in Zijn Rechterhand bevinden. Daarna zal Hij zeggen:‘Ik ben al-Malik.”

al-Bukhārī vermeldt in Kitābu’t-Tawḥīd eveneens twee andere overleveringen van deze ḥadīth via ‘Abdullāh ibn Mas‘ūd (رضي الله عنه). In één van die overleveringen staat:

“…daarna zal Hij hen schudden en zeggen: ‘Ik ben al-Malik, Ik ben al-Malik.”

In Kitābu’t-Tafsīr, bij de uitleg van Sūrah az-Zumar, staat bovendien een langere overlevering dan de voorgaande.

320.

Van … ‘Abdullāh (رضي الله عنه) zei: “Een joodse geleerde kwam naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei: ‘O Muḥammad, wij lezen dat Allāhu de hemelen op één vinger zal plaatsen, de aardes op één vinger, de bomen op één vinger, het water en de aarde op één vinger en de overige schepselen op één vinger. Vervolgens zal Hij zeggen: “Ik ben al-Malik.”

Toen glimlachte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zodanig dat zijn voortanden zichtbaar werden, als bevestiging van wat de joodse-geleerde zei. Daarna reciteerde hij de āyah:وَمَا قَدَرُواْ ٱللَّهَ حَقَّ قَدۡرِهِۦ وَٱلۡأَرۡضُ جَمِيعٗا قَبۡضَتُهُۥ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ وَٱلسَّمَٰوَٰتُ مَطۡوِيَّٰتُۢ بِيَمِينِهِۦۚ سُبۡحَٰنَهُۥ وَتَعَٰلَىٰ عَمَّا يُشۡرِكُونَ ٦٧Zij achten Allāh niet met de achting die Hem toekomt, terwijl Hij op de Yawm al-Qiyāmah de aarde volledig in Zijn greep heeft, en de hemelen in Zijn rechterhand opgerold zullen zijn. Verheerlijkt is Hij, en Verheven boven alles wat zij als deelgenoten aan Hem toekennen! (Zumar, 39:67)

321. Sahîh Muslim overlevert de ḥadīth van de joodse-rabbijn eveneens in het hoofdstuk:

“De eigenschappen van de Qiyāmah, Jannah en Jahannam.”

In die overlevering staat: “De rabbijn zei tegen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم):

‘O Muḥammad’ of: ‘O Abû’l-Qāsim, Allāhu zal op de Yawm al-Qiyāmah de hemelen op één vinger houden…”

Daarna vervolgt de ḥadīth tot aan de woorden: “…vervolgens zal Hij hen schudden en zeggen: ‘Ik ben al-Malik, Ik ben al-Malik.”

322.Vervolgens vermeldt Muslim nog een andere overlevering van deze ḥadīth.

Daarin komt de uitdrukking: “Daarna zal Hij hen schudden”, niet voor. Daarna geeft hij andere overleveringen met teksten die dicht bij elkaar liggen.

In sommige overleveringen wordt, na de woorden: “Ik zag an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) lachen totdat zijn kiezen zichtbaar werden,”, de volgende toevoeging vermeld: “als bevestiging van zijn woorden en uit verbazing over wat hij zei.”Daarna vermeldt Muslim opnieuw de ḥadīth van Abû Hurayrah (رضي الله عنه) in dezelfde vorm als die door al-Bukhārī werd overgeleverd en hierboven genoemd werd.

Vervolgens vermeldt Muslim verschillende andere overleveringen van deze ḥadīth met aanvullende formuleringen. Deze overleveringen komen van ‘Abdullāh ibn Mas‘ūd (رضي الله عنه).

323. Van … ‘Abdullāh ibn ‘Umar (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:

“Allāhu (عَزَّ وَجَلَّ) zal op de Yawm al-Qiyāmah de hemelen oprollen en hen vervolgens in Zijn Rechterhand nemen. Daarna zal Hij zeggen: “Ik ben al-Malik. Waar zijn de tirannen? Waar zijn de hoogmoedigen?”

Daarna zal Hij de aarde met Zijn linkerhand oprollen en opnieuw zeggen: “Ik ben al-Malik. Waar zijn de tirannen? Waar zijn de hoogmoedigen?”

Opnieuw vermeldt Sahîh Muslim het volgende:

324. Van … ‘Ubaydullāh ibn Muqsam zei: “`Ubaydullāh ibn Muqsam keek naar ‘Abdullāh ibn ‘Umar (رضي الله عنهما) om te zien hoe Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dit beschreef.”

Toen zei hij: “Allāhu (تعالى) zal de hemelen en de aarde met Zijn beide Handen oprollen. Vervolgens zal Hij zeggen: ‘Ik ben Allāh.’”

(Terwijl Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn vingers samenkneep en weer opende.)

Daarna zal Hij zeggen: ‘Ik ben al-Malik.’”

‘Abdullāh ibn ‘Umar (رضي الله عنهما) zei: “Toen keek ik naar de minbar, en die schudde van onder tot boven. Zozeer zelfs dat ik begon te denken: ‘Zal deze minbar samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) omvallen?”

De tweede ḥadīth van ‘Abdullāh ibn ‘Umar (رضي الله عنهما), die ook door Muslim is overgeleverd, wordt door Sunan Ibn Majah met de volgende tekst vermeld:

325. Van ‘Abdullāh ibn ‘Umar (رضي الله عنهما), hij zei: “Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen, terwijl hij zich op de minbar zat: ‘Allāhu (تعالى), de Bezitter van absolute heerschappij, zal de hemelen en de aarde met één Hand nemen en hen daarin vasthouden.”

Daarop begon hij zijn hand te openen en te sluiten en (Allāh) zei: ‘Ik ben de Bezitter van absolute heerschappij. Waar zijn degenen die macht uitoefenden op aarde? Waar zijn de hoogmoedigen?”

De overleveraar Ibn ‘Umar zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beeldde dit uit met zijn rechts en links (rechteren linkerhand).

Toen keek ik naar de minbar, en die schudde tot onderaan toe. Zó zelfs dat ik zei:

“O Rasûlullāh, zal deze minbar instorten?”

(Uit Sunan Ibn Mājah, deel 1, p. 45, uit het hoofdstuk: “Over hetgeen de Jahmiyyah ontkennen.”)

Ook Sunan Abi Dawud overlevert deze ḥadīth in zijn Sunan, deel 4, pagina 183, in het hoofdstuk over ar-Ru’yah:

326. Van Ibn ‘Umar (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) zal op de Yawm al-Qiyāmah de hemelen oprollen en hen vervolgens in Zijn Rechterhand nemen. Daarna zal Hij zeggen: ‘Ik ben al-Malik. Waar zijn de tirannen? Waar zijn de hoogmoedigen?’”

Daarna zal Hij de aardes oprollen en hen nemen.”

Ibn al-‘Alā (een van de overleveraars) zei: “Hier zei hij: ‘met Zijn andere Hand.”

Daarna zal Hij zeggen: ‘Ik ben al-Malik. Waar zijn de tirannen? Waar zijn de hoogmoedigen?”

Uitleg van de aḥādīth 318–326

Uitleg van de ḥadīth over de joodse-geleerde die naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam:

Al-Ḥāfiẓ Ibn Ḥajar vermeldt dat hij geen vermelding heeft gevonden van de naam van deze geleerde.

De woorden: “Wij lezen dat…”, betekenen: “Wij lezen dit in de Tawrāh.”

De reden waarom Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de betreffende āyah aan de joodse-geleerde reciteerde, was dat die āyah een bevestiging bevatte van wat hij gezegd had.

Eveneens betekende zijn glimlach een bevestiging van diens woorden. (Sharḥ van al-Qasṭallānī, deel 7, p. 320)

Met betrekking tot de vraag van de joodse-geleerde over het vasthouden van de hemelen op één vinger en de aarde op één vinger, geeft al-Qasṭallānī de volgende uitleg: “Hier bevindt zich een moeilijk te begrijpen kwestie. Sommigen hebben deze woorden opgevat als een aanwijzing dat de jood Allāh met een lichaam vergelijkt en dat zij de geopenbaarde teksten interpreteren als uitspraken die tashbīh bevatten, (dus het vergelijken van Allāhu (تعالى) met de schepping), en dat zij niet zeggen/bedoelen zoals de moslims zeggen/bedoelen. Al-Khaṭṭābī behoort tot degenen die deze uitleg gaven. Al-Khaṭṭābī zegt: “Meerdere mensen hebben deze ḥadīth van ‘Abdullāh ibn Mas‘ūd (رضي الله عنه) via de keten van ‘Ubaydah overgeleverd, maar zij hebben de uitdrukking: ‘als bevestiging van de woorden van de joodse-geleerde’, niet vermeld.”

Het kan dus zijn dat deze toevoeging gebaseerd is op de persoonlijke veronderstelling en interpretatie van de overleveraar.

Het lachen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) betekende volgens hem verwondering over de onwaarheid van de joodse-geleerde. De overleveraar dacht echter dat dit lachen een bevestiging van diens woorden betekende, terwijl dat in werkelijkheid niet zo was.

Al-Qasṭallānī verwijst in Kitābu’t-Tawḥīd, in het hoofdstuk over de uitspraak van Allāhu (تعالى): هُوَ ٱللَّهُ ٱلۡخَٰلِقُ ٱلۡبَارِئُ ٱلۡمُصَوِّرُۖ لَهُ ٱلۡأَسۡمَآءُ ٱلۡحُسۡنَىٰۚ يُسَبِّحُ لَهُۥ مَا فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِۖ وَهُوَ ٱلۡعَزِيزُ ٱلۡحَكِيمُ ٢٤Hij is Allāh, de Schepper, de Ontdekker van alle zaken, de Vormer. Aan Hem behoren de Beste (Schone) Namen. Alles wat in de hemelen en op aarde is verheerlijkt Hem. En Hij is de Almachtige, de Alwijze. (Ḥashr, 59:24)

naar de uitleg van al-Khaṭṭābī en zegt: “Al-Khaṭṭābī bespreekt de kwestie van de Vingers en zegt dat dit noch in de Qur’ān noch in een ḥadīth voorkomt waarvan de authenticiteit met absolute zekerheid vaststaat.”

Daarna zegt hij: “Het staat vast dat de Hand die aan Allāhu (تعالى) wordt toegeschreven, geen lichamelijke hand is zoals een lichaamsdeel, zodat uit de toeschrijving van een Hand aan Allāhu (تعالى) zou volgen dat Hij ook Vingers heeft.”

Integendeel, het gaat om iets dat door de Sharīʿah is vastgesteld. De wijze waarop het is (kayfiyyah) is niet te bevatten, en het wordt niet vergeleken met de eigenschappen van lichamen. De vermelding van Vingers behoort tot de vermenging van de joden, die de weg van tashbīh (het vergelijken van Allāhu (تعالى) met een lichaam) hebben gekozen.

Wat betreft de uitspraak van de overleveraar: “als bevestiging van zijn woorden,”

dat is volgens al-Khaṭṭābī slechts zijn eigen veronderstelling. Want meerdere leerlingen van ‘Abdullāh ibn Mas‘ūd (رضي الله عنه) hebben deze ḥadīth overgeleverd zonder die toevoeging.

Al-Qasṭallānī vermeldt vervolgens in hetzelfde hoofdstuk een uitspraak van al-Qurṭubī bij de uitleg van deze ḥadīth.

Al-Qurṭubī zegt in al-Mufhim: “Het lachen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was vanwege zijn verwondering over de onwetendheid van de joodse-geleerde.”

Daarom reciteerde hij de āyah:وَمَا قَدَرُواْ ٱللَّهَ حَقَّ قَدۡرِهِۦ وَٱلۡأَرۡضُ جَمِيعٗا قَبۡضَتُهُۥ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ وَٱلسَّمَٰوَٰتُ مَطۡوِيَّٰتُۢ بِيَمِينِهِۦۚ سُبۡحَٰنَهُۥ وَتَعَٰلَىٰ عَمَّا يُشۡرِكُونَ ٦٧Zij achten Allāh niet met de achting die Hem toekomt, terwijl Hij op de Yawm al-Qiyāmah de aarde volledig in Zijn greep heeft, en de hemelen in Zijn rechterhand opgerold zullen zijn. Verheerlijkt is Hij, en Verheven boven alles wat zij als deelgenoten aan Hem toekennen! (Zumar, 39:67)De overlevering van deze gebeurtenis is zonder twijfel authentiek (sahīh). Maar de woorden van de overleveraar: “als bevestiging van zijn woorden,” behoren niet tot de tekst van de ḥadīth zelf; het betreft slechts zijn eigen uitleg. Daarom hebben zij geen bewijskracht en zijn zij niet doorslaggevend. Want Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bevestigt geen onmogelijke zaken.

Deze eigenschappen die aan Allāhu (تعالى) worden toegeschreven in de woorden van de joodse-geleerde, zijn volgens hem onmogelijk. Want als Allāhu (تعالى) werkelijk Vingers, Handen en lichaamsdelen zou hebben zoals geschapen wezens, dan zou Hij op ons lijken. En indien dat zo was, zou Zijn goddelijkheid onmogelijk zijn. Daarom is de uitspraak van de joodse-geleerde volgens hem onmogelijk en vals. (Hier eindigt het citaat uit al-Mufhim.)

Daarna zegt al-Qasṭallānī: “Sommigen hebben bezwaar gemaakt tegen zijn uitleg, omdat in bepaalde aḥādīth eveneens Vingers genoemd worden.”

Eén van die aḥādīth wordt door Sahîh Muslim overgeleverd: “Het hart van de zoon van Ādam bevindt zich tussen twee Vingers van ar-Raḥmān.”

Maar dit vormt volgens hem geen weerlegging van al-Khaṭṭābī, want hij ontkent slechts dat hier absolute zekerheid uit afgeleid kan worden.

Ja, Shaykh Abû ‘Amr Ibn aṣ-Ṣalāḥ was van mening dat de aḥādīth die gezamenlijk door al-Bukhārī en Muslim zijn overgeleverd, de graad van tawātur bereiken, en dat het niet juist is betrouwbare overleveraars te bekritiseren of authentieke berichten af te wijzen.

Indien de zaak werkelijk was zoals de overleveraar dacht, dan zou dat betekenen dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de joodse-geleerde bevestigd had in zijn onjuiste overtuiging, of had gezwegen tegenover zijn valse bewering.

En wij zoeken bescherming bij Allāhu (تعالى) tegen het toeschrijven van zoiets aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).

Ibn Khuzaymah verzet zich krachtig tegen degenen die het lachen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) uitleggen als een teken van afkeuring van hetgeen gezegd werd.

Nadat hij deze ḥadīth heeft overgeleverd in het hoofdstuk Kitābu’t-Tawḥīd van zijn Ṣaḥīḥ, zegt hij: “Allāhu (تعالى) is te Verheven om toe te laten dat Zijn Nabī (صلى الله عليه وسلم) Hem zou beschrijven met een eigenschap die niet passend is voor Hem, en daarna, wanneer zo’n onjuiste beschrijving gedaan wordt, daarop niet met afkeuring en toorn te reageren, maar met een glimlach.

Niemand die gelooft in het profeetschap van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kan zoiets over hem denken.” (al-Qasṭallānī, Kitābu’t-Tawḥīd, deel 10, p. 388)

Al-Qasṭallānī zegt vervolgens in Kitābu’t-Tafsīr, nadat hij de uitspraken van al-Khaṭṭābī en al-Qurṭubī heeft aangehaald: “Er bestaat geen twijfel over dat de Ṣaḥābah zeer goed wisten wat zij overleverden. Zij hebben expliciet vermeld dat het lachen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een bevestiging van hetgeen gezegd werd betekende. Daarnaast staat in Sahîh Muslim authentiek vast dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er is geen enkel hart behalve dat het zich tussen twee vingers van ar-Raḥmān bevindt.”

Ook wordt in de ḥadīth van Ibn ‘Abbās (رضي الله عنهما), die begint met: “Mijn Rab kwam deze nacht tot mij in de mooiste gedaante…”, vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:

“Hij plaatste Zijn Hand tussen mijn schouders.”

Eveneens wordt in de overlevering van Mu‘ādh (رضي الله عنه) vermeld: “Ik voelde de koelte van Zijn vingers tussen mijn borst.” Deze overleveringen ondersteunen elkaar wat betreft de vermelding van vingers.

Hoe kan men kritiek leveren op een ḥadīth die gezamenlijk door Ṣaḥīḥ al-Bukhārī en Ṣaḥīḥ Muslim is overgeleverd en opgenomen, terwijl deze boeken zijn samengesteld door geleerden die de wetenschap van ḥadīthkritiek volledig beheersten en daarin de hoogste nauwkeurigheid betrachtten?

Vooral wanneer men bedenkt dat Ibn aṣ-Ṣalāḥ verklaarde dat de aḥādīth waarover al-Bukhārī en Muslim overeenstemming hebben, de graad van tawātur bereiken.

Hoe zou men dan kunnen denken dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zou lachen wanneer zijn Rab op een ontoelaatbare wijze beschreven wordt, zonder dat hij dat krachtig zou afwijzen?

Wij zoeken bescherming bij Allāhu (تعالى) tegen het uitspreken van zoiets.

Nadat de authenticiteit van deze ḥadīth vaststaat, behoren dergelijke uitdrukkingen tot de mutashābih (meerduidige)-teksten, net zoals andere overleveringen waarin sprake is van het Gezicht, de Handen, de Voet, het Onderbeen of de Zijde van Allāhu (تعالى).

Ook in de Qur’ān wordt vermeld dat de menselijke nafs zal zeggen:أَن تَقُولَ نَفۡسٞ يَٰحَسۡرَتَىٰ عَلَىٰ مَا فَرَّطتُ فِي جَنۢبِ ٱللَّهِ وَإِن كُنتُ لَمِنَ ٱلسَّٰخِرِينَ ٥٦Zodat niemand zegt: “Wat een spijt heb ik dat ik niet plichtsgetrouw jegens Allāh was en ik was zeker onder degenen die spotten.” Zumar, 39:56)

Onze geleerden verschilden van mening over zulke moeilijke teksten: “Moeten zij geïnterpreteerd worden (ta’wīl), of moeten wij zwijgen over de precieze betekenis en de ware bedoeling ervan aan Allāhu (تعالى) overlaten?

Zij waren het er echter unaniem over eens dat ons ontbreken van gedetailleerde kennis over deze zaken geen afbreuk mag doen aan ons geloof in wat ermee bedoeld wordt.

Het overlaten van de ware betekenis aan Allāhu (تعالى) is de weg van de Salaf, en dat is de veiligste weg. De weg van de interpretatie (ta’wīl) is de weg van de Khalaf, de latere geleerden, en deze vereist diepgaande kennis. Hier wordt “Vinger” bijvoorbeeld geïnterpreteerd als een aanduiding van de macht en de kracht (qudrah) van Allāhu (تعالى). Dat hiermee letterlijke ledematen bedoeld zouden zijn, is onmogelijk.

“De meest welsprekende van de Arabieren glimlachte en verwonderde zich, omdat hij uit deze woorden iets anders begreep dan hetgeen de geleerden van de retorica eruit begrepen.

Hij stelde zich hiermee geen bekende vingers of lichamelijke ledematen voor. Daar is niets wonderlijks aan. Alleen heeft hij aan het begin van de uitspraak de betekenis verduidelijkt die wijst op de almacht die boven alles staat.”

Ibn Fawrak zegt eveneens: “Met vingers kunnen ook de vingers van bepaalde geschapen wezens bedoeld zijn.”

Uitleg van de ḥadīth die door al-Bukhārī en Muslim van Abû Hurayrah en ‘Abdullāh ibn ‘Umar (رضي الله عنهم) is overgeleverd: “Allāhu (تعالى) zal de aarde samenrollen en de hemelen oprollen met Zijn Rechterhand,” hier kan “oprollen” betekenen: samenvouwen en opvouwen, zoals oprollen of papier vouwen.

In de āyah staat immers:يَوۡمَ نَطۡوِي ٱلسَّمَآءَ كَطَيِّ ٱلسِّجِلِّ لِلۡكُتُبِۚ كَمَا بَدَأۡنَآ أَوَّلَ خَلۡقٖ نُّعِيدُهُۥۚ وَعۡدًا عَلَيۡنَآۚ إِنَّا كُنَّا فَٰعِلِينَ ١٠٤En (gedenk) de Dag wanneer Wij de hemelen zullen oprollen zoals een schrijver zijn geschriften oprolt; zoals Wij de eerste schepping begonnen, Wij zullen het herhalen (het is) een belofte die Ons bindt. Waarlijk, Wij zullen het doen. (Anbiyāʾ, 21:104)

Het kan ook de betekenis hebben van vernietigen. De Arabieren zeggen namelijk: “Ik heb die persoon met mijn zwaard opgerold,” waarmee bedoeld wordt: “Ik heb hem vernietigd.”

Qāḍī ‘Iyāḍ zegt: “Dit betekent dat Allāhu (تعالى) de schaduwplaatsen en beschuttingen zal doen verdwijnen en dat Hij door Zijn absolute kracht (qudrah) deze zaken zal onttrekken aan hun functie als toevluchtsoord en verblijfplaats voor de mensen.”

Alle grote zaken zijn voor de verheven kracht van Allāhu (تعالى) uiterst gemakkelijk.

Tegenover Zijn macht verdwijnen alle andere krachten en vermogens. Verstand en gedachten raken hierover verbijsterd wanneer zij het proberen voor te stellen en te verbeelden.

Daarna zal Allāhu (تعالى) zeggen: “Ik ben al-Malik. Waar zijn de koningen van de aarde?”

In de ḥadīth die door Sahîh Muslim als marfû‘ van Ibn ‘Umar (رضي الله عنهما) is overgeleverd, wordt ook gewezen op het verschil in rang en graad tussen de hemelen en de aarde om dit duidelijk te maken: “Hij zal de hemelen oprollen en hen vervolgens in Zijn Rechterhand nemen. Daarna zal Hij zeggen: ‘Ik ben al-Malik. Waar zijn de tirannen? Waar zijn de hoogmoedigen?”

Daarna zal Hij de aarde oprollen met Zijn Linkerhand en opnieuw zeggen: “Ik ben al-Malik. Waar zijn de tirannen? Waar zijn de hoogmoedigen?”

Uitleg van de ḥadīth van Ibn ‘Umar (رضي الله عنهما), overgeleverd door Muslim en Sunan van Ibn Majah, waarin de minbar schudde. Deze uitleg is afkomstig uit het Sharḥ van Imām an-Nawawī op Ṣaḥīḥ Muslim. (In de marginale aantekening van al-Qasṭallānī, deel 10, p. 548)

De geleerden zeggen: “Met de woorden:“Hij opende en sloot zijn vingers,”

wordt Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bedoeld”.

Daarom werd gezegd: “Ibn Muqassim keek naar Ibn ‘Umar (رضي الله عنهما) om te leren hoe hij van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dit heeft overgeleverd.”

Het toeschrijven van twee Handen aan Allāhu (تعالى) werd door hen uitgelegd als een verwijzing naar Zijn macht en kracht. Zijn macht en kracht werden beschreven met “twee Handen”, omdat onze handelingen met onze handen verricht worden.

De zaak werd dus op een manier uitgelegd die voor ons begrijpelijk wordt, zodat een duidelijker en krachtiger voorstelling in de geest ontstaat.

Om de betekenis nog duidelijker te maken, werden bovendien de Rechteren Linkerhand genoemd. Want bij ons worden waardevolle zaken gewoonlijk met de rechterhand uitgevoerd, terwijl minder waardevolle zaken met de linkerhand. Ook verricht de rechterhand bij ons dingen waartoe de linkerhand niet in staat is.

Zoals bekend zijn de hemelen verheven boven de aarde. Daarom werden de hemelen verbonden met de rechterhand en de aardes met de linkerhand.

Dit werd zo gezegd om de vergelijking in de metaforische uitdrukking volledig begrijpelijk te maken. In werkelijkheid kan over Allāhu (تعالى) echter niet gezegd worden dat iets voor Hem zwaarder of lichter is dan iets anders. Dit is een samenvatting van de uitleg van al-Māzarī over deze ḥadīth.

“De minbar schudde”, betekent, de minbar bewoog van onder naar boven door de bewegingen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).

Qāḍī ‘Iyāḍ zegt: “Wij geloven in Allāhu (تعالى) en in Zijn eigenschappen. Wij vergelijken niets met Hem, en vergelijken Hem evenmin met iets anders.”

“Niets is aan Hem gelijk. Hij is de Alhorende en de Alziende.”

Wat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd is de waarheid en juist. Alleen begrijpen wij de ware werkelijkheid ervan niet volledig.

Door de goedheid (iḥsān) van Allāhu (تعالى) geloven wij ook in hetgeen voor ons verborgen is gebleven. De kennis daarvan laten wij over aan Allāhu (تعالى).

Wij begrijpen de bewoordingen volgens betekenissen die in de Arabische taal mogelijk en gebruikelijk zijn, nadat wij Allāhu (تعالى) hebben verheven boven gelijkenis met de geschapenen, zeggen wij niet met zekerheid dat één van de mogelijke betekenissen absoluut bedoeld wordt. En Allāhu (تعالى) weet het best wat juist is.

Kortom: “Wij moeten geloven in alle āyāt en aḥādīth die betrekking hebben op de eigenschappen van Allāhu (تعالى), en geloven dat de betekenis die Allāhu (تعالى) ermee bedoelt zonder enige twijfel waar is.

Hierover volgen wij óf de weg van de Salaf, namelijk geloven dat Allāhu (تعالى) verheven is boven gelijkenis met de geschapenen, terwijl wij de uiteindelijke betekenis van zulke teksten aan Allāhu (تعالى) overlaten.

Óf wij volgen de weg van de Khalaf, de latere geleerden:, namelijk deze uitdrukkingen interpreteren op een wijze die past bij de majesteit en verhevenheid van Allāhu (تعالى).

Weet echter dat het volgen van de weg van de Khalaf zeer uitgebreide kennis vereist.

De mooiste en veiligste weg is die van de Salaf, omdat die veiliger is tegen dwaling en gevaar.

Deze teksten/termen uitleggen op een manier die onmogelijk door Allāhu (تعالى) bedoeld kunnen zijn, vormt daarentegen een enorm gevaar.

O Allāh, moge U ons succes (tawfīq) schenken om in U en Uw eigenschappen te geloven, ons te beschermen tegen dwalingen en misstappen, en ons vrijwaren van twijfel en verwarring. Āmīn, yā Rabbu’l-‘Ālamīn.