36. Aḥādīth over de voorspraak (ash-Shafā‘ah)
Sahîh al-Bukhârî overlevert in deel 4, pagina 134, in Kitābu Bad’i’l-Khalq, bij het hoofdstuk over de āyah:إِنَّآ أَرۡسَلۡنَا نُوحًا إِلَىٰ قَوۡمِهِۦٓ أَنۡ أَنذِرۡ قَوۡمَكَ مِن قَبۡلِ أَن يَأۡتِيَهُمۡ عَذَابٌ أَلِيمٞ ١Waarlijk, Wij hebben Noah tot zijn volk gestuurd (zeggende): “Waarschuw jouw volk voordat er een pijnlijke bestraffing tot hen komt. (Nūḥ: 71:1)het volgende:
327. Van … Abû Zur‘ah, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd vleesmaaltijd aangeboden, het deel van de schenkel werd aan hem gepresenteerd, want hij hield van dit deel van het vlees. Hij beet een stuk van het vlees af, en zei vervolgens: “Ik ben de meester/heer (sayyid) van de mensen op de Yawmu’l Qiyamah. Weten jullie waarom? Allāh zal zowel de vroegere als de latere generaties, de hele mensheid, bijeenbrengen op één uitgestrekt veld, waar de oproeper zijn stem zal kunnen laten horen en waar iedereen zichtbaar is. De zon zal zo dichtbij genaderd worden dat de mensen het niet kunnen verdragen en in wanhoop verkeren. Dan zullen de mensen zeggen: “Zien jullie niet wat jullie zal overkomen? Kijken jullie niet naar degene die bij onze Rab voorspraak (shafa`ah) gaat doen?'Op dat moment zal een groep mensen tegen een andere groep zeggen: 'Ga naar Adam (عليه السلام).' Ze zullen naar Adam عليه السلام gaan en zeggen: 'U bent de vader van de mensheid, Allāh heeft u met Zijn hand geschapen, Hij heeft Zijn geest in u geblazen en de engelen geboden om voor u neer te buigen. Doe voorspraak voor ons bij uw Rab. Ziet u onze toestand niet? Ziet u niet wat er met ons gebeurt?' Adam عليه السلام zal zeggen: 'Waarlijk, mijn Rab is vandaag zo boos dat Hij nog nooit zo boos is geweest en Hij zal dat ook nooit weer zijn. Ik werd verboden om van de boom te eten, maar ik heb tegen Hem gezondigd. Ik denk aan mezelf, ik denk aan mezelf, ik vrees voor mijzelf (nafsī). Ga naar Nûh.'Ze zullen naar Nûh (عليه السلام) gaan en zeggen: 'O Nûh, waarlijk u bent de eerste van de boodschappers die naar de aarde werd gezonden. Allāh noemde u 'Een zeer dankbare dienaar', doe voorspraak voor ons bij uw Rab.
Ziet u niet in wat voor een toestand we verkeren?' Nûh (عليه السلام) zal zeggen: ''Waarlijk mijn Rab is vandaag zo boos dat Hij nog nooit zo boos is geweest en Hij zal dat ook nooit weer zijn. Ik had een recht om te bidden, maar die heb ik gebruikt tegen mijn volk. Ik vrees voor mijzelf, ik vrees voor mijzelf, ik vrees voor mijzelf, (nafsī). Ga naar Ibrāhīm.'Ze zullen naar Ibrāhīm عليه السلام gaan en zeggen: 'O Ibrāhīm, u bent Rasûlullāh en de innige vriend (khalīl) van Allāh op aarde, doe voorspraak voor ons bij uw Rab Ziet u niet in wat voor een toestand we verkeren?' Ibrāhīm (عليه السلام) zal zeggen: ''Waarlijk, mijn Rab is vandaag zo boos dat Hij nog nooit zo boos is geweest en Hij zal dat ook nooit weer zijn. En ik heb drie leugens verteld in mijn leven. Ik vrees voor mijzelf, ik vrees voor mijzelf, ik vrees voor mijzelf (nafsī). Ga naar Mûsā.'Ze zullen naar Mûsā (عليه السلام) gaan en zeggen: 'O Mûsā, u bent Rasûlullāh en u hebt met Hem gesproken. Hij heeft u verheven boven de mensen. doe voorspraak voor ons bij uw Rab. Ziet u niet in wat voor een toestand we verkeren?' Mûsā (عليه السلام) zal zeggen: ''Waarlijk, mijn Rab is vandaag zo boos dat Hij nog nooit zo boos is geweest en Hij zal dat ook nooit weer zijn. En ik heb een ziel gedood die ik niet mocht doden. Ik vrees voor mijzelf, ik vrees voor mijzelf, ik vrees voor mijzelf (nafsī). Ga naar `Īsā.'Ze zullen naar `Īsā عليه السلام gaan en zeggen: 'O `Īsā, u bent Rasûlullāh en het woord dat Hij naar Maryam stuurde en geest uit Hemzelf inblies. U sprak met mensen toen u nog een kindje in de wieg was. Doe voorspraak voor ons bij uw Rab, ziet u niet in wat voor een toestand we verkeren?' `Īsā (عليه السلام) zal zeggen: 'Mijn Rab is vandaag zo boos dat Hij nog nooit zo boos is geweest en Hij zal dat ook nooit weer zijn.
Ik vrees voor mijzelf, ik vrees voor mijzelf, ik vrees voor mijzelf (nafsī). Ga naar Muhammad (صلى الله عليه وسلم). Ze zullen naar Muhammed (صلى الله عليه وسلم) gaan en zeggen: “O Muhammed! U bent Rasûlullāh. U bent de laatste der anbiyā. Zeker, Allāh heeft uw eerdere en latere zonden vergeven. Doe voorspraak bij uw Rab! Ziet u niet in wat voor een toestand we verkeren?' “Daarop ga ik onmiddellijk onder de Troon (`Arsh) en buig ik neer (sajdah) in aanbidding voor mijn Almachtige en Majestueuze Rab. Dan zal Allāh mij lof en prijzen inspireren die voor niemand anders dan mij zijn bestemd. En nadat ik Hem met deze lofprijzingen in aanbidding ter aarde val, zal Hij tegen mij zeggen: 'O Muhammad! Hef je hoofd op. Zeg en je woorden zullen worden gehoord. Vraag en het zal je gegeven worden Doe voorspraak en je voorspraak zal worden geaccepteerd. Ik zal mijn hoofd opheffen en zeggen: 'O mijn Rab! Mijn ummah! O mijn Rab! Mijn ummah!' Hij zal zeggen: “Laat degenen die zonder afrekening Jannah zullen binnengaan, via de rechterpoort van Jannah binnenkomen. Zij zullen ook door andere poorten naar binnen gaan.'Bij Hem in Wiens hand mijn ziel is, de ruimte tussen de poorten van Jannah is zo groot als de afstand tussen Makkah en Himyar, of tussen Makkah en Busra.”
De overleveraar Muḥammad ibn ‘Ubayd zei:
“Het resterende deel van de ḥadīth ken ik niet meer uit mijn hoofd.”
Uitleg van de 327ste ḥadīth
Deze uitleg is ontleend aan het Sharḥ van al-Qasṭallānī:
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hield van het vlees van de schenkel, omdat dit deel snel gaar wordt, de maag niet belast, snel verteert en bovendien een aangename smaak heeft.“Ik ben op de Yawm al-Qiyāmah de meester/heer (sayyid) van de mensen,” betekent: Ik ben degene tot wie de mensen zich zullen wenden om verlost te worden van de moeilijkheden en verschrikkingen die zij op die dag zullen meemaken.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) noemt hier specifiek zijn sayyid zijn op de Yawm al-Qiyāmah, omdat zijn voortreffelijkheden op die dag duidelijker zichtbaar zullen worden en alle mensen zijn verheven positie zullen erkennen. Wanneer hij op de Yawm al-Qiyāmah de sayyid van de mensen is, dan geldt dat des te meer voor deze wereld.
In een andere ḥadīth zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Maak geen onderscheid tussen de anbiyā,” de betekenis hiervan is: “Maak geen onderscheid op een manier waarbij men tekortkomingen aan één van de anbiyā toeschrijft.” In zijn uitspraak hier ligt geen enkele tekortdoening van de andere anbiyā (عليهم السلام).
Of de betekenis van: “Maak geen onderscheid,” kan zijn: “Maak geen onderscheid wat betreft het profeetschap zelf.” Het profeetschap is immers een gunst die Allāhu (تعالى) schenkt aan wie Hij wil onder Zijn dienaren, als beproeving.Allāhu (تعالى) beschermt Zijn anbiyā tegen zonden en verheft hen door middel van waḥy.
Daarom kan geen enkel menselijk ambt of wereldse positie verheven worden boven het profeetschap. Vervolgens legt an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) uit waarom hij de sayyid van de mensen op de Yawm al-Qiyāmah zal zijn.
“Degene die kijkt zal hen zien”, betekent dat de plaats waarop zij zich bevinden volledig vlak zal zijn en dat er geen enkele bedekking of hindernis tussen hen aanwezig zal zijn.
“Degene die roept zal hen laten horen”, want op die dag zullen het gezichtsvermogen van de ogen en het gehoor van de oren versterkt worden.
In een āyah zegt Allāhu (تعالى):لَّقَدۡ كُنتَ فِي غَفۡلَةٖ مِّنۡ هَٰذَا فَكَشَفۡنَا عَنكَ غِطَآءَكَ فَبَصَرُكَ ٱلۡيَوۡمَ حَدِيدٞ ٢٢(Er wordt hem gezegd:) “Voorwaar, hiervoor was jij achteloos, toen hebben Wij de bedekking van jouw (hart) verwijderd, toen was jouw waarneming op deze Dag scherp.”(Qāf, 50:22)In een andere āyah zegt Hij:يَوۡمَ يَسۡمَعُونَ ٱلصَّيۡحَةَ بِٱلۡحَقِّۚ ذَٰلِكَ يَوۡمُ ٱلۡخُرُوجِ ٤٢Op die Dag zullen zij het blazen (op de bazuin) in werkelijkheid horen. Dat is de Dag van de Opwekking. (Qāf, 50:42)En in een andere āyah:مُّهۡطِعِينَ إِلَى ٱلدَّاعِۖ يَقُولُ ٱلۡكَٰفِرُونَ هَٰذَا يَوۡمٌ عَسِرٞ ٨Zich tot de oproeper haastend. De ongelovigen zullen zeggen: “Dit is een moeilijke dag.” (Qamar, 54:8)Dat wil zeggen: zij zullen haastig voortsnellen terwijl zij hun halzen richten naar degene die roept.
“Sommige mensen zullen zeggen: ‘Zien jullie niet wat ons is overkomen?,” dat wil zeggen: Allāhu (تعالى) zal hun dit ingeven.
Hierin ligt namelijk een grote wijsheid, aangezien daardoor de verheven status zichtbaar wordt van degene die voor hen de voorspraak (shafāʿah) zal verrichten, evenals zijn hoge positie, leiderschap (sayyid) en de verheven rang van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).
Daarna zullen zij zeggen: “Zoeken jullie niet iemand die voor jullie voorspraak zal doen bij jullie Rab?”, dat wil zeggen: zij hopen dat die voorspraak hen zal verlossen van het lange wachten, dat hun afrekening zal worden afgerond en dat zij gered zullen worden van de verschrikkingen van die dag.
De verschrikkingen van die dag zijn immers buitengewoon zwaar. In een āyah zegt Allāhu (تعالى):إِنَّا نَخَافُ مِن رَّبِّنَا يَوۡمًا عَبُوسٗا قَمۡطَرِيرٗا ١٠Waarlijk, wij vrezen van (onze Heer een moeilijke en pijnlijke Dag.” (Insān, 76:10)Daarna zal Allāhu (تعالى) hun ingeven om naar Ādam (عليه السلام) te gaan.Sommigen zullen zeggen: “Jullie vader is Ādam”, dat wil zeggen: hij kan wellicht voor jullie voorspraak doen bij jullie Rab.Zij zullen naar Ādam (عليه السلام) gaan en zeggen: “O Ādam, jij bent de vader van de mensheid,” dat wil zeggen: jouw voorspraak kan aanvaard worden.Vervolgens noemen zij de gunsten die Allāhu (تعالى) hem geschonken heeft en waardoor gehoopt wordt dat zijn shafā‘ah geaccepteerd zal worden.“Allāhu (تعالى) schiep jou met Zijn Hand,” dat wil zeggen: Hij schiep jou rechtstreeks met Zijn qudrah, zonder vader of moeder.“En Hij blies van Zijn rûḥ in jou”, terwijl andere schepselen deze bijzondere gunst niet gekregen hebben. Allāhu (تعالى) beveelt immers de aangewezen engel (malak), waarna die malak de rûḥ in het lichaam van het kind blaast terwijl het zich nog in de baarmoeder bevindt.
“En Hij beval de engelen (malā’ikah) waarna zij voor jou neerbogen”, dat wil zeggen: zij maakten jou tot hun qiblah en verrichtten sajdah naar jou bij hun sajdah tot Allāhu (تعالى). Dat zij jou als qiblah namen was een vorm van eerbetoon en verheffing van jouw positie.
“En Hij liet jou wonen in Zijn Paradijs,” dat wil zeggen: vóórdat jij van de verboden boom at, had Allāhu (تعالى) jou deze gunst al geschonken als een bijzondere gunst van Zijn zijde.
Toen Ādam (عليه السلام) vervolgens van de verboden boom at, liet Allāhu (تعالى) hem uit de Jannah vertrekken vanwege een grote wijsheid.
Dat de rûḥ die in Ādam (عليه السلام) geblazen werd aan Allāhu (تعالى) toegeschreven, is vanwege de eer, verhevenheid en bijzondere toekenning ervan. Dat wil zeggen: dit is een rûḥ die Allāhu (تعالى) rechtstreeks geschapen heeft en waarvan Hij de kennis van haar verborgen geheimen voor Zichzelf heeft voorbehouden.
Daarna zeggen de mensen tegen Ādam (عليه السلام): “Wil jij niet voor ons voorspraak doen bij jouw Rab? Zie je niet in welke toestand wij verkeren en wat ons is overkomen?”
Zij zeggen dit omdat zij hopen dat Ādam (عليه السلام) medelijden met hen zal hebben en misschien hun verzoek zal accepteren en shafā‘ah voor hen zal doen.
Ādam (عليه السلام) noemt vervolgens de reden waarom hij zich van shafā‘ah onthoudt: “Mijn Rab is vandaag zó vertoornd geworden als nooit tevoren.”
Want de dagen van de wereld waren dagen van uitstel voor de mensen, zodat zij misschien van hun zonden zouden terugkeren en tawbah zouden verrichten.
“En hierna zal Hij nooit meer op dezelfde wijze vertoornd worden.”
Want nadat er tussen de mensen geoordeeld is, zal iedere groep haar uiteindelijke verblijfplaats hebben bereikt. Een groep zal zich in Jannah bevinden en een groep in Jahannam.
Met het toeschrijven van woede (ghadāb) aan Allāhu (تعالى) wordt bedoeld wat daaruit voortvloeit, namelijk de bestraffing van degene op wie de woede rust.
Yahya ibn Sharaf al-Nawawi zei: Het betreft de toestanden die Allāhu (تعالى) ter vergelding zal laten plaatsvinden, evenals de ontzagwekkende verschrikkelijke gebeurtenissen die nooit eerder zijn gezien en ook daarna nooit meer zullen worden gezien, maar die op die Dag wel zullen worden aanschouwd.
“Allāhu (تعالى) verbood mij van de boom”, dat wil zeggen: van het eten van de vruchten ervan.
“Maar ik was Hem ongehoorzaam,” daarom kan ik niet naar voren treden voor shafā‘ah. Integendeel, ik verlang ernaar dat Allāhu (تعالى) mij vergeeft en deze fout van mij kwijtscheldt.
“Mijn nafs, mijn nafs”, dat wil zeggen: ik ben bezig met de redding van mijn eigen nafs.
Wij zeggen: “Allāhu (تعالى) noemde het eten van de boom door Ādam (عليه السلام) een daad van ongehoorzaamheid, zoals Hij zei:فَأَكَلَا مِنۡهَا فَبَدَتۡ لَهُمَا سَوۡءَٰتُهُمَا وَطَفِقَا يَخۡصِفَانِ عَلَيۡهِمَا مِن وَرَقِ ٱلۡجَنَّةِۚ وَعَصَىٰٓ ءَادَمُ رَبَّهُۥ فَغَوَىٰ ١٢١Toen aten zij beiden van de boom, zodat hun schaamte zichtbaar werd en zij begonnen zichzelf met de bladeren van Jannah te bedekken: en zo was Adam ongehoorzaam aan zijn Heer, en dwaalde hij. (Ṭā Hā 20:121)Maar vervolgens zegt Allāhu (تعالى) in het vervolg van dezelfde āyah:ثُمَّ ٱجۡتَبَٰهُ رَبُّهُۥ فَتَابَ عَلَيۡهِ وَهَدَىٰ ١٢٢Daarna koos zijn Heer hem uit en Hij aanvaardde zijn berouw en gaf hem Leiding. (Ṭā Hā 20:121)En in Sûrah al-Baqarah zegt Allāhu (تعالى):فَتَلَقَّىٰٓ ءَادَمُ مِن رَّبِّهِۦ كَلِمَٰتٖ فَتَابَ عَلَيۡهِۚ إِنَّهُۥ هُوَ ٱلتَّوَّابُ ٱلرَّحِيمُ ٣٧Toen ontving Adam van zijn Heer (nieuwe) woorden. Daarop aanvaardde Hij zijn berouw. Waarlijk, Hij is Degene Die vergeeft, de Genadevolle.
(Baqarah, 2:37)Het is mogelijk dat met deze woorden de woorden bedoeld worden die vermeld staan in Sûrah al-A‘rāf, 7:23:قَالَا رَبَّنَا ظَلَمۡنَآ أَنفُسَنَا وَإِن لَّمۡ تَغۡفِرۡ لَنَا وَتَرۡحَمۡنَا لَنَكُونَنَّ مِنَ ٱلۡخَٰسِرِينَ ٢٣Zij zeiden: “O Heer, wij hebben onszelf onrecht aangedaan. Als U ons niet vergeeft en ons Uw genade niet schenkt, dan zullen wij zeker tot de verliezers behoren.”Hoewel Allāhu (تعالى) de tawbah van Ādam (عليه السلام) heeft aanvaard, hem heeft verkozen en hem heeft geëerd met het profeetschap, zal hij op Yawm al-Qiyāmah toch een enorme vrees voor Allāhu (تعالى) hebben.Zo zullen ook de nabije dienaren van Allāhu (تعالى), de muqarrabûn, op die dag enorme vrees voor Hem hebben. Vanwege zijn intense angst zal Ādam (عليه السلام) niet naar voren willen treden voor de shafā‘ah en zal hij zeggen: “Mijn nafs, mijn nafs.”, dat wil zeggen: mijn eigen nafs heeft zelf meer behoefte aan de shafā‘ah.Zoals authentiek is overgeleverd door Sa‘īd ibn Manṣûr, zal Ādam (عليه السلام) zeggen: “O mijn Rab, ik maakte een fout terwijl ik in Jannatu’l-Firdaws verbleef. Als U mij vandaag vergeeft, dan is dat voor mij voldoende.”
Over de uitspraak van Ādam (عليه السلام) betreffende Nûḥ (عليه السلام): “Hij is de eerste van degenen die als rasûl naar de bewoners van de aarde werden gezonden”, bestaat een ogenschijnlijke moeilijkheid. Want Ādam (عليه السلام) was zelf een nabī die naar zijn kinderen gezonden werd. Eveneens was Idrīs (عليه السلام) een nabī, en beiden leefden vóór Nûḥ (عليه السلام).
Over deze kwestie is gezegd: De voorrang van gezantschap (risālah) van Nûḥ (عليه السلام) is verbonden aan de woorden: “naar de bewoners van de aarde,” dat wil zeggen: hij was de eerste Rasûl die Allāhu (تعالى) zond naar een volk dat afgoderij bedreef, om hen van de shirk naar de tawḥīd te brengen. De kinderen van Ādam (عليه السلام) waren namelijk nog niet in shirk vervallen. Het zenden van Ādam (عليه السلام) als nabī had als doel hun de regels van de dīn te onderwijzen. Na de zondvloed (ṭûfān) bleef niemand over behalve de nakomelingen van Nûḥ (عليه السلام).
In een āyah zegt Allāhu (تعالى):وَنَجَّيۡنَٰهُ وَأَهۡلَهُۥ مِنَ ٱلۡكَرۡبِ ٱلۡعَظِيمِ ٧٦En Wij redden hem en zijn familie van de grote ramp. (Ṣāffāt, 37:77)ذُرِّيَّةَ مَنۡ حَمَلۡنَا مَعَ نُوحٍۚ إِنَّهُۥ كَانَ عَبۡدٗا شَكُورٗا ٣O Nageslacht van degenen die Wij (in de ark) van Noah hebben gedragen! Waarlijk, hij was een dankbare dienaar.
(Isrāʾ, 17:3), dat wil zeggen: een dienaar die Allāhu (تعالى) voortdurend dankte voor Zijn gunsten en langdurig in qiyām (rechtop staat en Qur’ān reciteert in de salāh) stond uit dankbaarheid (ḥamd) jegens Hem.“Ga naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم)”, dat wil zeggen: ga naar Muḥammad (صلى الله عليه وسلم).Volgens de bekende en beroemde overleveringen verwees Ādam (عليه السلام) de mensen naar Nûḥ (عليه السلام), Nûḥ (عليه السلام) verwees hen naar Ibrāhīm (عليه السلام), Ibrāhīm (عليه السلام) naar Mûsā (عليه السلام), Mûsā (عليه السلام) naar ‘Īsā (عليه السلام), en ‘Īsā (عليه السلام) verwees hen vervolgens naar Muḥammad (صلى الله عليه وسلم).De overige anbiyā worden hier echter niet genoemd, omdat één van de overleveraars van de ḥadīth, Muḥammad ibn ‘Ubayd, verklaarde dat hij niet de volledige ḥadīth uit het hoofd kende. Het gedeelte over hen kan dus behoren tot het deel dat hij niet onthouden had. En Allāhu (تعالى) weet het het beste.
Sahîh al-Bukhârî overlevert in deel 6, pagina 17–18, in Kitābu’t-Tafsīr, in het hoofdstuk over de uitleg van de āyah:
وَعَلَّمَ ءَادَمَ ٱلۡأَسۡمَآءَ كُلَّهَا ثُمَّ عَرَضَهُمۡ عَلَى ٱلۡمَلَٰٓئِكَةِ فَقَالَ أَنۢبِـُٔونِي بِأَسۡمَآءِ هَٰٓؤُلَآءِ إِن كُنتُمۡ صَٰدِقِينَ ٣١En Hij onderwees Adam de namen van alle dingen en toen liet Hij deze aan de Engelen zien en zei: “Vertel Mij hiervan de namen, als jullie waarachtig zijn.” (Baqarah, 2:31)
328. Van …
Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: (In een andere overlevering overlevert al-Bukhārī van Khalīfah, van Yazīd ibn Zuray‘, van Sa‘īd, van Anas (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) zal de mensen (moslims) verzamelen op de Yawmu’l Qiyamah, en zij zullen zeggen: 'Was het ons maar toegestaan om voorspraak (shafa`ah) te doen bij onze Rab, zodat Hij ons van onze plaats verlost voor een comfortabele/rustige plek.'Dan zullen zij naar Adam (عليه السلام) gaan en zeggen: U bent degene die door Allāh met Zijn Hand is geschapen; Hij blies Zijn geest in u en beval de engelen zich voor u neer te buigen.
Wees daarom onze voorspraak bij onze Rab.Maar hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en hij zal zijn zonde opsommen.Dan zullen zij naar Nûh (عليه السلام) gaan, de eerste boodschapper (rasûl) die Allāh zond, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en zal zijn zonde opsommen.Dan zullen zij naar Ibrāhīm (عليه السلام) gaan, die Allāhu (تعالى) tot Zijn vriend heeft genomen, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en zal zijn zonde opsommen.Dan zullen zij naar Mûsā (عليه السلام) gaan, die met Allāhu (تعالى) sprak, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en zal zijn zonde opsommen.Dan zullen zij naar `Īsā (عليه السلام) gaan, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor.'Dan zullen zij naar Muhammed (صلى الله عليه وسلم) gaan, want aan hem is al zijn voorgaande en komende zonden vergeven.Zij zullen naar mij komen en ik zal toestemming vragen aan mijn Rab Wanneer ik Hem zie, zal ik neerbuigen (sajdah) in aanbidding.Hij zal mij laten gaan zoals Hij wil, en dan zal er gezegd worden: 'Heft jullie hoofd op, vraag dan zal je (toestemming) gegeven worden (om voorspraak te doen), spreek dan zal er naar je geluisterd worden, en doe dan voorspraak, want jouw voorspraak zal geaccepteerd worden.'Dan zal ik mijn hoofd opheffen en mijn Rab prijzen met lof die Hij mij leert.Vervolgens zal ik voorspraak doen en er zal voor mij een grens gesteld worden.Daarna zal ik hen uit het Vuur halen en hen Jannah binnendragen.Daarna zal ik weer neerbuigen (sajdah) in aanbidding, net zoals de derde of vierde keer, totdat er niemand meer in het Vuur overblijft behalve degenen die de Qur’ān gevangen houdt.”
Wees daarom onze voorspraak bij onze Rab.Maar hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en hij zal zijn zonde opsommen.Dan zullen zij naar Nûh (عليه السلام) gaan, de eerste boodschapper (rasûl) die Allāh zond, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en zal zijn zonde opsommen.Dan zullen zij naar Ibrāhīm (عليه السلام) gaan, die Allāhu (تعالى) tot Zijn vriend heeft genomen, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en zal zijn zonde opsommen.Dan zullen zij naar Mûsā (عليه السلام) gaan, die met Allāhu (تعالى) sprak, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en zal zijn zonde opsommen.Dan zullen zij naar `Īsā (عليه السلام) gaan, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor.'Dan zullen zij naar Muhammed (صلى الله عليه وسلم) gaan, want aan hem is al zijn voorgaande en komende zonden vergeven.Zij zullen naar mij komen en ik zal toestemming vragen aan mijn Rab Wanneer ik Hem zie, zal ik neerbuigen (sajdah) in aanbidding.Hij zal mij laten gaan zoals Hij wil, en dan zal er gezegd worden: 'Heft jullie hoofd op, vraag dan zal je (toestemming) gegeven worden (om voorspraak te doen), spreek dan zal er naar je geluisterd worden, en doe dan voorspraak, want jouw voorspraak zal geaccepteerd worden.'Dan zal ik mijn hoofd opheffen en mijn Rab prijzen met lof die Hij mij leert.Vervolgens zal ik voorspraak doen en er zal voor mij een grens gesteld worden.Daarna zal ik hen uit het Vuur halen en hen Jannah binnendragen.Daarna zal ik weer neerbuigen (sajdah) in aanbidding, net zoals de derde of vierde keer, totdat er niemand meer in het Vuur overblijft behalve degenen die de Qur’ān gevangen houdt.”
Abu ʿAbdullāh al-Bukhārī ( رَحِمَهُ اللهُ) zegt dat met “degenen die de Qur’ān gevangen houdt” bedoeld word, degenen over wie Allāh (تعالى) heeft gezegd:إِلَّا بَلَٰغٗا مِّنَ ٱللَّهِ وَرِسَٰلَٰتِهِۦۚ وَمَن يَعۡصِ ٱللَّهَ وَرَسُولَهُۥ فَإِنَّ لَهُۥ نَارَ جَهَنَّمَ خَٰلِدِينَ فِيهَآ أَبَدًا ٢٣(Mij is) slechts de verkondiging van Allāh's Boodschap opgedragen.” En wie ongehoorzaam is aan Allāh en Zijn Boodschapper:voor hem is de Jahannam, hij zal daarin voor altijd verblijven.
(Jinn, 72:23)
Uitleg van de 328ste ḥadīth
De uitleg van deze ḥadīth is genomen uit de sharḥ van al-Qasṭallānī.
“Allāhu (تعالى) zal de mensen (moslims) verzamelen op de Yawmu’l Qiyamah,”, dit duidt erop dat het juist de moslims zijn die zich de shafāʿah zullen herinneren. Ook degenen die naar de anbiyā gaan met het verzoek om shafāʿah zullen de mu’mins zijn.
“Zodat Hij ons van onze plaats verlost voor een comfortabele/rustige plek.” duidt erop dat deze shafāʿah wordt gevraagd om het oordeel tussen de mensen te verlichten en hen rust te geven.
Nūḥ (عليه السلام) herinnert eraan dat hij een verzoek deed aan Allāhu (تعالى) zonder volledige kennis. Dit betreft het verzoek dat in de Qur’ān is vermeld:
وَنَادَىٰ نُوحٞ رَّبَّهُۥ فَقَالَ رَبِّ إِنَّ ٱبۡنِي مِنۡ أَهۡلِي وَإِنَّ وَعۡدَكَ ٱلۡحَقُّ وَأَنتَ أَحۡكَمُ ٱلۡحَٰكِمِينَ ٤٥En Noah riep zijn Heer aan en zei: “O mijn Heer! Waarlijk, mijn zoon behoort tot mijn gezin; Uw belofte is de Waarheid en U bent de meest Rechtvaardige onder de Rechters.”
قَالَ يَٰنُوحُ إِنَّهُۥ لَيۡسَ مِنۡ أَهۡلِكَۖ إِنَّهُۥ عَمَلٌ غَيۡرُ صَٰلِحٖۖ فَلَا تَسۡـَٔلۡنِ مَا لَيۡسَ لَكَ بِهِۦ عِلۡمٌۖ إِنِّيٓ أَعِظُكَ أَن تَكُونَ مِنَ ٱلۡجَٰهِلِينَ ٤٦Hij (Allāh) zei: “O Noah! Zeker behoort hij niet tot jouw gezin, zijn werk was onrechtmatig, vraag dus niet van Mij waar jij geen kennis van hebt! Ik waarschuw jou zodat je niet tot de onwetenden zal behoren.” (Hūd, 11:45–46)
Hieruit blijkt dat gezin (ahl) bedoeld is als degenen die goede daden verrichten. Wat jouw zoon betreft, hij geloofde niet in wat jij als Nabī (en Rasûl) verkondigde en verrichtte geen goede daden, maar zijn werk was onrechtmatig (hij was een kāfir).
De uitspraak “want aan hem is al zijn voorgaande en komende zonden vergeven” is een indirecte aanduiding op het feit dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beschermd was tegen het begaan van zonden (de ʿiṣmah eigenschap van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
“Doe dan voorspraak, want jouw voorspraak zal geaccepteerd worden,” dit betekent dat Allāh bepaalde groepen aanwijst, zoals degenen die tekortschoten in de ṣalāh of de ṣalāh uitstelden, en andere soortgelijke groepen in het algemeen.
Al-Qasṭallānī zegt: “Binnen de context van deze ḥadīth bestaat er een moeilijkheid in de samenhang tussen de gevraagde shafāʿah en hetgeen daarop volgt. De shafāʿah wordt namelijk gevraagd om de mensen te verlossen van de lange wachttijd en de ontberingen van Yawm al-Qiyāmah, en niet specifiek om hen uit Jahannam te laten halen.
Als antwoord daarop is gezegd dat het gedeelte van verlichting eindigt bij de uitspraak “dan zal je (toestemming) gegeven worden (om voorspraak te doen)”, waarna een ander onderwerp apart wordt vermeld. Dit is de uitleg van al-Kirmānī.
In Futūḥ al-Ghayb wordt gezegd dat één verhaal op verschillende plaatsen, met verschillende uitdrukkingen en vanuit verschillende invalshoeken wordt behandeld. Er is in deze kwestie geen sprake van tegenstrijdigheid of conflict. Deze manier van uiteenzetten is een teken van de voortreffelijke vaardigheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in welsprekendheid en en unieke retorische kracht. Om dit te begrijpen is een regel nodig waarop men zich kan baseren. Die regel is dat in een uiteenzetting verschillende zaken samenvattend in uiteenlopende vormen worden weergegeven. Daarvoor bestaat een grondslag. De betekenissen van de uitdrukkingen die daarmee verbonden zijn, doen daar niets aan af. Allāhu (تعالى) weet het beste.
Deze ḥadīth is door al-Bukhārī overgeleverd in Kitāb al-Riqāq, in de bab over “De eigenschap Paradijs en Jahannam”. Daar zegt Abu ʿAbdullāh al-Bukhārī ( رَحِمَهُ اللهُ):
329. Van …
Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh zal de mensen verzamelen op de Yawmu’l Qiyamah, en zij zullen zeggen: 'Was het ons maar toegestaan om voorspraak (shafa`ah) te doen bij onze Rab, zodat Hij ons van onze plaats verlost voor een comfortabele/rustige plek.'Dan zullen zij naar Adam (عليه السلام) gaan en zeggen: U bent degene die door Allāh met Zijn Hand is geschapen; Hij blies Zijn geest in u en beval de engelen zich voor u neer te buigen.
Wees daarom onze voorspraak bij onze Rab.Maar hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en hij zal zijn zonde opsommen.Dan zullen zij naar Nûh (عليه السلام) gaan, de eerste boodschapper (rasûl) die Allāhu (تعالى) zond, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en zal zijn zonde opsommen.Dan zullen zij naar Ibrāhīm (عليه السلام) gaan, die Allāhu (تعالى) tot Zijn vriend heeft genomen, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en zal zijn zonde opsommen.Dan zullen zij naar Mûsā (عليه السلام) gaan, die met Allāhu (تعالى) sprak, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en zal zijn zonde opsommen.Dan zullen zij naar `Īsā (عليه السلام) gaan, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor.'Dan zullen zij naar Muhammed (صلى الله عليه وسلم) gaan, want aan hem is al zijn voorgaande en komende zonden vergeven.Zij zullen naar mij komen en ik zal toestemming vragen aan mijn Rab Wanneer ik Hem zie, zal ik neerbuigen (sajdah) in aanbidding.Hij zal mij laten gaan zoals Hij wil, en dan zal er gezegd worden: 'Heft jullie hoofd op, vraag dan zal je gegeven worden, spreek dan zal er naar je geluisterd worden, en doe dan voorspraak, want jouw voorspraak zal geaccepteerd worden.'Dan zal ik mijn hoofd opheffen en mijn Rab prijzen met lof die Hij mij leert.Vervolgens zal ik voorspraak doen en er zal voor mij een grens gesteld worden.Daarna zal ik hen uit het Vuur halen en hen Jannah binnendragen.Daarna zal ik weer neerbuigen (sajdah) in aanbidding, net zoals de derde of vierde keer, totdat er niemand meer in het Vuur overblijft behalve degenen die de Qur’ān gevangen houdt.”
Abu ʿAbdullāh al-Bukhārī ( رَحِمَهُ اللهُ) zegt: Qatādah zei over de laatste groep, namelijk over “degenen die de Qur’ān gevangen houdt.”, “Zij zijn degenen over wie het oordeel is gegeven dat zij eeuwig in Jahannam zullen verblijven.”
Uitleg van de 329ste ḥadīth
In deze ḥadīth wordt vermeld dat an-Nabī Ibrāhīm (عليه السلام) de shafāʿah niet zal accepteren. Hij zal zeggen: “Ik bevind mij niet in de positie die jullie zoeken,” en hij zal zijn eigen fout herinneren.
In een andere overlevering wordt vermeld dat an-Nabī Ibrāhīm (عليه السلام) zal zeggen: “Ik heb drie uitspraken gedaan die als ‘leugens’ worden genoemd.” In de toevoeging van Sufyān worden deze drie uitspraken als volgt uitgelegd:
Hij zei tegen de mushriks dat hij ziek was om niet aan hun feest deel te nemen: “Ik ben ziek”
Hij vernietigde hun afgodsbeelden en zei, toen zij vroegen wie dit had gedaan: “Nee, dit heeft de grootste van hen gedaan”
Dat hij tegen zijn vrouw zei: ‘De engel heeft mij meegedeeld dat jij mijn zuster bent.’
Deze drie uitspraken hadden allemaal een islamitisch-juridisch (sharʿī) reden en een geldige bedoeling. Toch beschouwde an-Nabī Ibrāhīm (عليه السلام) ze vanuit zijn eigen bescheidenheid als iets waarover hij vrees zou hebben voor zichzelf, waardoor hij terughoudend is in het aannemen van de positie van shafāʿah.
Al-Qasṭallānī zegt: Allāh inspireert de mensen eerst om naar Ādam (عليه السلام) te gaan, en niet rechtstreeks naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), hoewel onder hen ook mu’mins zijn die deze ḥadīth van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hebben gehoord.
Hiermee wordt duidelijk dat de superioriteit, hoge rang en nabijheid tot Allāh van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zichtbaar wordt, en dat de shafāʿah uiteindelijk specifiek aan hem wordt toegewezen. (Al-Qasṭallānī, Kitāb al-Riqāq, deel 9, p. 317)al-Bukhārī ( رَحِمَهُ اللهُ), c. 8, p. 118 en verder, in Kitāb al-Riqāq, in de bab getiteld “De Ṣirāṭ is de brug over Jahannam (gespannen)”, overlevert de volgende ḥadīth:
330. al-Bukhārī (رَحِمَهُ اللهُ) overlevert deze ḥadīth ook via een andere isnād overgeleverd:
Van …
Abū Hurayrah (رضي الله عنه), hij zei: “Sommige mensen vroegen: ‘O Rasûlullāh, zullen wij op de Yawm al-Qiyāmah onze Rab zien?’ - ‘Word je gehinderd bij het zien van de zon op een wolkenloze dag?’ - ‘Nee.’ - ‘Word je gehinderd bij het zien van de volle maan in een heldere nacht zonder wolken?’ - ‘Nee, o Rasûlullāh.’ - ‘Zo zullen jullie jullie Rab zien op de Yawm al-Qiyāmah.’
Allāh zal de mensen verzamelen en zeggen: ‘Laat iedereen die iets diende/aanbad, diegene volgen die hij diende.’ Dan zullen de zonaanbidders de zon volgen, de maanaanbidders de maan volgen, en degenen die de ṭāghūt* dienden zullen hun volgen. Alleen deze ummah blijft over, waarin ook de munāfiqs aanwezig zijn.
Allāh zal zich voor hen manifesteren in een vorm die zij niet herkennen en zal zeggen: ‘Ik ben jullie Rab.’ Zij zullen zeggen: ‘Wij zoeken toevlucht bij Allāh tegen jou; wij blijven hier totdat onze Rab tot ons komt. Wanneer onze Rab komt, zullen wij Hem herkennen.’
Daarna zal Allāh zich in de vorm tonen die zij kennen en zeggen: ‘Ik ben jullie Rab.’ Zij zullen zeggen: ‘U bent onze Rab,’ en zij zullen Hem volgen.
Er zal een brug (Ṣirāṭ) boven Jahannam worden gespannen. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Ik zal de eerste zijn die deze brug oversteekt.’ Op die dag zal de duʿāʾ van de anbiyā zijn: ‘Allāhumma sallim, sallim (O Allāh, red ons, schenk veiligheid).’
(Op de Ṣirāṭ) bevinden zich haken die lijken op de doornen van de saʿdān-plant. Hebben jullie de saʿdān-doorn gezien? Zij zeiden: ‘Ja, o Rasûlullāh.’ Hij zei: ‘Zij zijn zoals die doornen, maar hun grootte kent alleen Allāhu (تعالى).
(De doornen) zullen de mensen vanwege hun daden grijpen en vasthouden.
Onder hen zullen er zijn die door hun daden volledig ten onder gaan, en er zullen er zijn die getroffen en bestraft worden. Wanneer deze laatsten hun bestraffing hebben ondergaan, zullen zij gered worden. Wanneer Hij uit degenen die getuigen dat er geen godheid is dan Allāh (lā ilāha illa Allāh), wie Hij wil uit Jahannam wil laten komen, beveelt Hij Zijn engelen (malāʾikah) hen uit Jahannam te halen.
De malāʾikah zullen hen herkennen aan de sporen van de sujūd op hun gezichten. Allāhu (تعالى) heeft Jahannam namelijk verboden de plekken van sujūd van de zonen van Ādam te verteren, (dat wil zeggen: te verbranden).
Zij zullen zwartgeblakerd en verbrand uit Jahannam worden gehaald. Vervolgens zal er water over hen worden gegoten.
Aan dat water wordt de naam “levens (ḥayāt)-water” gegeven. Daarna zullen zij groeien zoals zaadkorrels groeien op de aarde die door een overstroming is meegevoerd.
Dan zal er één man overblijven wiens gezicht nog naar Jahannam gericht is. Hij zal zeggen: “O mijn Rab, Jahannams hete wind heeft mij hevig gekweld en haar vlammen hebben mij verbrand. Wend mijn gezicht af van de richting van Jahannam.”
Hij zal hiermee blijven smeken, totdat Allāhu (تعالى) uiteindelijk zal zeggen:
“Als Ik jou geef waar jij om vraagt, zul jij dan niet opnieuw iets anders vragen?”
De man zal antwoorden: “Nee, bij Uw Eer (ʿIzzah), ik zal niets anders meer vragen.”
Daarna zal Allāhu (تعالى) zijn gezicht van Jahannam wegdraaien.
Vervolgens zal de man zeggen: “O mijn Rab, breng mij dicht bij de poort van Jannah.”
Allāhu (تعالى) zal zeggen: “Dacht jij niet dat jij Mij niets anders meer zou vragen? Wee jou, o zoon van Ādam, hoe ontrouw ben jij toch en hoe weinig houd jij je aan je woord!”
Maar de man zal blijven smeken.
Uiteindelijk zal Allāhu (تعالى) zeggen: “Als Ik jou dit geef, zul jij dan niet opnieuw iets anders vragen?”
Hij zal antwoorden: “Nee, bij Uw ʿIzzah, ik zal niets anders meer vragen.”
Daarop zal hij Allāhu (تعالى) plechtige beloften en sluit een verbond dat hij niets anders meer zal vragen. Vervolgens zal Allāhu (تعالى) hem dicht bij de poort van Jannah brengen.
Wanneer hij ziet wat zich daarin bevindt, zal hij zwijgen zolang Allāhu (تعالى) wil. Daarna zal hij zeggen: “O mijn Rab, laat mij Jannah binnengaan.”
Dan zal Allāhu (تعالى) zeggen: “Dacht jij niet dat jij Mij niets anders meer zou vragen? Wee jou, o zoon van Ādam, hoe weinig houd jij je aan je woord!”
De man zal zeggen: “O mijn Rab, maak mij niet de ellendigste van Uw schepselen.”
Hij zal blijven smeken totdat Allāhu (تعالى) uiteindelijk om hem zal lachen. En wanneer Allāhu (تعالى) om hem lacht, zal Hij hem toestemming geven Jannah binnen te gaan.
Wanneer hij Jannah binnengaat, zal tegen hem gezegd worden: “Wens wat jij maar wilt.”
Daarop zal hij wensen uitspreken, totdat uiteindelijk al zijn wensen ophouden. Dan zal Allāhu (تعالى) tegen hem zeggen: “Dit en nog eens hetzelfde erbij is voor jou.”
Abū Hurayrah zei: “Deze man zal de laatste persoon zijn die Jannah binnengaat.”
De auteur zegt: Terwijl Abū Hurayrah deze ḥadīth overleverde, zat Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنهما) naast hem. Abū Saʿīd maakte geen bezwaar tegen iets van de overlevering van Abū Hurayrah, totdat hij bij de woorden kwam: “Dit en nog eens hetzelfde erbij is voor jou.”
Toen zei Abū Saʿīd: “Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: ‘Dit en tienmaal zoveel erbij is voor jou.”
Daarop zei Abū Hurayrah: “Ík heb het onthouden als: ‘nog eens hetzelfde erbij.”
[*: Tāghūt is alles wat aanbeden, gevolgd of gehoorzaamd wordt in plaats van Allahu (تعالى), terwijl dat niet het recht heeft om aanbeden te worden]
Uitleg van de 330ste ḥadīth
De uitleg van deze ḥadīth is overgenomen uit het commentaar van al-Qastallānī, deel 8, blz. 330 en verder:
“…hebben jullie moeite om te zien?”, dat wil zeggen: wanneer jullie de zon en de maan zonder enige belemmering zien, belemmert iemand dan jullie zicht daarop of blokkeert iemand jullie zicht of blokkeren jullie het zicht van anderen? Ontstaan er tijdens het zien onderlinge discussies, meningsverschillen, ontkenningen, benauwdheid of enige moeilijkheid?
In een andere overlevering wordt in plaats van het woord “hal tudârrûna” , het woord “hal tudâmmûna” gebruikt: dan betekent het: “vormen jullie een mensenmassa, een gedrang?”, dat wil zeggen: zoals het in het wereldse leven zeer gemakkelijk is voor mensen om de zon en de maan te zien en er geen mensenmassa’s ontstaat, iedereen ziet de zon en de maan moeiteloos vanaf zijn eigen plaats, zo zal het ook zijn bij het zien van Allāhu (تعالى) in het Hiernamaals.
In een andere overlevering wordt het uitgesproken als “hal tudâmûna”, zonder verdubbelde mīm. Dit betekent: “vernederen jullie elkaar?”, dat wil zeggen: jullie raken niet in discussie en vernederen elkaar niet over het zien daarvan.
In een andere overlevering komt het in de ontkennende vorm voor als “lâ tudâhûna”, met de letter hā’. Dit betekent: “jullie zullen niet in twijfel raken over het zien en geen bezwaar tegen elkaar maken. Jullie zullen allen met volledige zekerheid geloven dat jullie jullie Rab hebben gezien.”
Ook is er een overlevering waarin gezegd wordt: “hal tumârrûna”, wat betekent: “gaan jullie met elkaar in discussie of debat?”
Met de uitspraak: “Jullie zullen jullie Rab op de Yawm al-Qiyāmah op deze wijze zien”, wordt niet bedoeld dat jullie Hem zullen zien zoals jullie de zon en de maan zien. Niets kan met Allāhu (تعالى) vergeleken worden. Zoals in de āyah gezegd wordt:لَيۡسَ كَمِثۡلِهِۦ شَيۡءٞۖ وَهُوَ ٱلسَّمِيعُ ٱلۡبَصِيرُ ١١… niets is aan Hem gelijk. En Hij is de Alhorende, de Alziende.Shūrā (42:11)
Wat hiermee bedoeld wordt, is dat het zien zelf op een heldere wijze zal plaatsvinden, volledig vrij van twijfel en aarzeling.
Hieruit volgt dat het zien van Allāhu (تعالى) een werkelijk zien (ru’yah) zal zijn. Zoals men niet twijfelt aan het zien van de zon en de maan wanneer er geen belemmering aanwezig is, zo zal er ook geen plaats zijn voor twijfel of aarzeling bij het zien van Allāhu (تعالى).
Tot de groep van de ṭāġûts behoren de shayāṭīn, afgodsbeelden en dwalende mensen die anderen oproepen om hen te aanbidden.
Wat betreft de uitspraak: “Allāhu (تعالى) komt en manifesteert/openbaart Zich (tajallī)”, en soortgelijke uitspraken: hierover verschillen de meningen van de salaf-ʿulamā en de khalaf-ʿulamā, zoals eerder vermeld.
De weg van de salaf is veiliger. Zij geloven dat Allāhu (تعالى) verheven is boven gelijkenis met eigenschappen van de schepping en vrij is van zulke kenmerken. Tegelijk geloven zij in hetgeen vermeld is in de mutashābih āyāt en aḥādīth, zonder zich bezig te houden met het bepalen van de precieze betekenis ervan. Zij laten de ware kennis daarvan over aan Allāhu (تعالى) en zeggen: “Allāhu (تعالى) weet het het best wat de ware werkelijkheid hiervan is.”
De khalaf-ʿulamā daarentegen interpreteren (ta’wīl) de letterlijke betekenis die zou kunnen leiden tot tashbīh*, en leggen deze uit op een wijze die passend is bij de verhevenheid en majesteit van Allāhu (تعالى).[*: Tashbīh Allāhu (تعالى) vergelijken met Zijn schepping, of Zijn eigenschappen voorstellen alsof zij lijken op de eigenschappen van mensen of andere schepselen.]
Met het komen van Allāhu (تعالى) wordt volgens hen bedoeld dat Hij Zich openbaart (tajallī) zodat de dienaren Hem kunnen zien, zonder Zijn Wezen (Dhāt) in werkelijkheid te omvatten of de ware hoedanigheid ervan te begrijpen. Dit is de ru’yah die de muwaḥḥid mu’min-dienaren kennen.
Dan zullen de mu’mins zeggen: “U bent onze Rab.”
Over de eerste ru’yah die de mu’mins volgens de ḥadīth niet zullen accepteren, zegt Qāḍī ʿIyāḍ: “Hier is sprake van een iḍāfah-constructie (een bezitsof verbindingsconstructie tussen twee zelfstandige naamwoorden, b.v. het boek van de student) waarbij het mudāf (eerste woord) is weggelaten.”
De betekenis van de uitdrukking wordt dan: “Eén van de engelen van hun Rab komt.”
Daarom wordt gezegd: “Hij manifesteert/openbaarde Zich aan hen in een andere gedaante dan zij kennen”, dat wil zeggen: met andere eigenschappen dan de eigenschappen waarmee zij Hem in het wereldse leven kenden. De mu’mins zullen dit dan niet accepteren. Op dat moment zullen de munāfiqs zichtbaar worden, degenen die beweerden samen met de mu’mins te zijn. Zo dient de eerste tajallī om de munāfiqs openbaar te maken. Want de munāfiqs verdienen het niet om de gunst te verkrijgen Allāhu (تعالى) te zien. Zoals in de āyah staat:كـَلَّآ إِنَّهُمۡ عَن رَّبِّهِمۡ يَوۡمَئِذٖ لَّمَحۡجُوبُونَ ١٥Nee! Waarlijk, zij zullen zeker op die Dag van hun Heer afgescheiden zijn. (Muṭaffifīn, 83:15)
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zal de eerste zijn die over aṣ-Ṣirāṭ gaat. an-Nawawī (رحمه الله) wijst op de uitspraak van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Ik en mijn ummah zullen de eersten zijn die over aṣ-Ṣirāṭ zullen gaan.”
“In Jahannam zullen harde doornen zijn,” deze doornen zijn de begeertes/lusten (shahawāt) die Jahannam omringen. Zoals in de ḥadīth vermeld wordt: “Jahannam is omgeven door shahawāt.”
Deze doornen, dat wil zeggen de shahawāt, grijpen de mensen vast overeenkomstig hun daden. Wie zich in het wereldse leven aan deze shahawāt heeft overgegeven, zal daar door die doornen gegrepen worden en in Jahannam vallen.
Hoe groot deze doornen zijn, weet alleen Allāhu (تعالى).
“Onder hen zijn er die vanwege hun daden vernietigd worden,” dat wil zeggen: zij gaan volledig ten onder wegens hetgeen zij in het wereldse leven verricht hebben. Dit zijn de kāfirs.
“En er zijn er die getroffen worden,” dat wil zeggen: degenen die na een bepaalde periode van bestraffing gered zullen worden. Dit zijn de zondige mu’mins.
In een marfūʿ-overlevering die door Ibn Mājah is overgeleverd staat: “Daarna zullen de mensen proberen over te steken.
Er zijn moslims die gered worden zonder enige (bestraffing) te ondergaan; er zijn moslims die gered worden nadat zij enige bestraffing hebben ondergaan en er zijn moslims die gered worden nadat zij enige tijd bestraft zijn geweest. En tenslotte zijn er die in Jahannam geworpen zijn en die daarin achtergelaten worden.”
“Het levenswater” betekent: water dat levenskracht schenkt aan degene over wie het wordt uitgegoten. Zoals in de ḥadīth vermeld wordt, zullen degenen die uit Jahannam worden gehaald en over wie het levenswater wordt uitgegoten, opgroeien als een zuiver en gereinigd zaadje. Zij worden vergeleken met een zaadje dat groeit tussen het aangespoelde materiaal dat door een overstroming wordt meegevoerd. Tussen de hopen die de vloed aanvoert bevindt zich een zaadje dat zich aan de rand van een vallei vastzet. Vervolgens begint het nog diezelfde dag uit te lopen en snel te groeien. Door de snelle groei en het frisse, mooie uiterlijk van dit zaadje wordt hiermee de toestand vergeleken van degenen over wie het levenswater wordt uitgegoten.
Dat de betreffende persoon bij de poort van Jannah naar binnen kan kijken en Jannah van binnen kan zien, kan worden verklaard doordat de muur die ertussen staat transparant is, zodat de binnenzijde van buitenaf zichtbaar is en de buitenzijde van binnenuit kan worden gezien.
Of met dit “zien” wordt “weten” bedoeld. Bijvoorbeeld doordat een heerlijk geurende wind waait en de verlichtende licht (nūr) zichtbaar wordt, waardoor hij kennis krijgt van de gunsten die zich in Jannah bevinden. Net zoals hij eerder, ondanks dat hij zich buiten Jahannam bevond, toch last ondervond van de hete winden die eruit voortkwamen.
“Hij zwijgt zolang Allahu (تعالى) het wil,” dat wil zeggen: Hij zwijgt gedurende een lange tijd, waarvan alleen Allāhu (تعالى) de duur en grens kent. Het zwijgen van deze persoon komt voort uit schaamte tegenover Allāhu (تعالى). Want hij had aan Allāhu (تعالى) beloofd dat hij Hem nooit meer om iets zou vragen en hij had daarover sterke beloften afgelegd. Vervolgens komt hij echter terug op zijn woord en vraagt hij opnieuw aan Allāhu (تعالى).
Want zijn hoop op de vergiffenis, de iḥsān en de faḍl van Allāhu (تعالى) overheerst.
Daarom zegt hij: “O mijn Rab, maak mij niet tot de meest ellendige van Uw schepselen.” Met de woorden bedoelt hij: “de meest ellendige van Uw dienaren die U Jannah hebt laten binnengaan.” Deze uitspraak is een algemene formulering waarmee een specifieke betekenis wordt bedoeld. Want zolang hij buiten Jannah blijft terwijl anderen Jannah binnengaan, verkeert hij in de meest beklagenswaardige toestand van allen die uiteindelijk Jannah zullen binnengaan. Zijn ellende is immers duidelijk zichtbaar zolang de anderen zich in Jannah bevinden en hij nog buiten blijft.
Over de uitspraak: “Uiteindelijk lacht Allāhu (تعالى)”, zegt al-Qastallānī: “Dit heeft een metaforische betekenis. Daarmee wordt bedoeld hetgeen uit lachen voortvloeit, namelijk dat Allāhu (تعالى) tevreden met hem wordt.” Dat wil zeggen: uiteindelijk wordt Allāhu (تعالى) tevreden met hem. En wanneer Hij tevreden met hem wordt, geeft Hij hem toestemming om Jannah binnen te gaan.
Met de uitspraak: “Wens dit en dat,” wordt bedoeld dat Allāhu (تعالى) hem de verschillende soorten gunsten (ni`am, m.v. van ni`mah)) van Jannah toont. Vervolgens blijft hij deze wensen uitspreken, terwijl zijn Rab hem eraan blijft herinneren. Uiteindelijk blijft er niets meer over wat hij nog zou kunnen wensen; alles waarnaar hij verlangde is dan volledig uitgeput.
Volgens een overlevering van Aḥmad ibn Ḥanbal van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) wordt gezegd: “De man zal wensen en verlangens uitspreken gedurende een periode gelijk aan drie dagen van het wereldse leven.”
Toen Abū Hurayrah (رضي الله عنه) deze ḥadīth (de ḥadīth die in dit hoofdstuk vermeld werd) overleverde, zat Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) naast hem. Tot aan de woorden: “Dit en nog eens evenveel is voor jou”, maakte hij geen bezwaar.
Maar bij deze uitspraak herinnerde hij eraan dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gezegd had: “Dit en tienmaal zoveel is voor jou.”
Daarop zei Abū Hurayrah (رضي الله عنه): “Ik heb het onthouden als: ‘nog eens evenveel.”
Om deze verschillende overleveringen met elkaar te verenigen is gezegd:
Abū Hurayrah (رضي الله عنه) kan deze ḥadīth eerder van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gehoord hebben. Vervolgens heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dezelfde ḥadīth later overgeleverd zoals Abū Saʿīd (رضي الله عنه) die gehoord heeft. In deze latere overlevering heeft Allāhu (تعالى) aan Zijn Rasûl (صلى الله عليه وسلم) uit Zijn genade (faḍl) geinformeerd over de overvloed van de hoeveelheid. En Allāhu (تعالى) weet het best wat juist is.
al-Bukhārī vermeldt deze in deel 9, blz. 121, in Kitāb at-Tawḥīd, in het hoofdstuk over de uitspraak van Allāhu (تعالى):قَالَ يَٰٓإِبۡلِيسُ مَا مَنَعَكَ أَن تَسۡجُدَ لِمَا خَلَقۡتُ بِيَدَيَّۖ أَسۡتَكۡبَرۡتَ أَمۡ كُنتَ مِنَ ٱلۡعَالِينَ ٧٥(Allāh) zei: O Iblies! Wat weerhoudt je om voor degene die Ik met Mijn beide handen geschapen heb, neer te knielen? Ben jij te trots of ben jij één van hen die hoog verheven is?” (Ṣād, 38:75), als volgt:
331. Van … Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op de Dag der Opstanding zal Allāhu (تعالى) de mu’mins op deze wijze bijeenbrengen. Zij zeggen: “Zullen wij bij onze Rab niet iemand als bemiddelaar nemen, zodat hij ons van deze plaats verlichting geeft?”
Daarop zullen zij naar Ādam ( عليه السلام) gaan en zeggen: ‘O Ādam! Zie je de mensen niet? Allāhu (تعالى) heeft jou met Zijn Eigen Hand geschapen, Zijn malāʾikah voor jou laten neerknielen en jou de namen van alle dingen geleerd.
Wees voor ons een voorspreker bij onze Rab, zodat hij ons van deze plaats verlichting geeft?”
Ādam (عليه السلام) zal zeggen: ‘Ik ben niet geschikt voor deze positie,’ en hij zal aan de fout herinneren die hij heeft begaan. Daarna zal hij zeggen: ‘Maar ga naar Nūḥ; hij is de eerste Boodschapper (Rasūl) die Allāhu (تعالى) als naar de bewoners van de aarde heeft gezonden.’
Dan zullen zij naar Nūḥ (عليه السلام) gaan. Hij zal eveneens zeggen: ‘Ik ben niet geschikt voor deze positie,’ en hij zal aan de fout herinneren die hij heeft begaan. Vervolgens zal hij zeggen: ‘Maar ga naar Ibrāhīm; hij is de khalīl (intieme vriend) van ar-Raḥmān.’
Daarna zullen zij naar Ibrāhīm (عليه السلام) gaan. Hij zal zeggen: ‘Ik ben niet geschikt voor deze positie,’ en hij zal aan de fout herinneren die hij heeft begaan. Vervolgens zal hij zeggen: ‘Maar ga naar Mūsā; hij is een dienaar aan wie Allāhu (تعالى) de Tawrah gaf en met wie Hij sprak.’
Dan zullen zij naar Mūsā (عليه السلام) gaan. Hij zal zeggen: ‘Ik ben niet geschikt voor deze positie,’ en hij zal aan de fout herinneren die hij heeft begaan. Vervolgens zal hij zeggen: ‘Maar ga naar ʿĪsā; hij is de dienaar van Allāh, Zijn Rasūl, Zijn Woord en een rûḥ van Hem.’
Daarna zullen zij naar ʿĪsā (عليه السلام) gaan. Hij zal zeggen: ‘Ik ben niet geschikt voor deze positie. Maar ga naar Muḥammad (صلى الله عليه وسلم); hij is een dienaar van wie Allāhu (تعالى) de voorgaande en latere zonden heeft vergeven.’
Dan komen zij naar mij. Ik zal naar voren treden en toestemming vragen om mijn Rab in smeekbede aan te roepen. Mij zal toestemming worden gegeven. Wanneer ik mijn Rab zie, zal ik in sajdah neervallen. Allāhu (تعالى) laat mij zolang in die toestand als Hij wil.
Daarna zal tegen mij gezegd worden: “Sta op, o Muḥammad.
Spreek, jouw woorden zullen gehoord worden. Vraag, jou zal gegeven worden. Doe voorspraak (shafāʿah), jouw voorspraak zal aanvaard worden.”
Dan zal ik mijn Rab prijzen en Hem loven met lofprijzingen die Allāhu (تعالى) mij heeft geleerd. Allāhu (تعالى) zal mij tonen voor wie ik voorspraak mag doen, en ik zal hen Jannah laten binnengaan.
Daarna zal ik opnieuw terugkeren. Wanneer ik mijn Rab zie, zal ik opnieuw in sajdah neervallen. Mijn Rab laat mij zolang in die toestand als Hij wil. Vervolgens zal gezegd worden: “Hef je hoofd op, o Muḥammad. Spreek, jouw woorden zullen gehoord worden. Vraag, jou zal gegeven worden. Doe shafāʿah, jouw voorspraak zal aanvaard worden.”
Dan zal ik Allāhu (تعالى) prijzen en loven met de lofprijzingen die mijn Rab mij heeft geleerd. Vervolgens zal ik voorspraak doen, en Allāhu (تعالى) zal mij tonen voor wie ik voorspraak mag doen.Vervolgens zal ik hen Jannah laten binnengaan. Daarna zal ik opnieuw terugkeren. Wanneer ik mijn Rab zie, zal ik in sajdah neervallen. Allāhu (تعالى) zal mij zolang in die toestand laten als Hij wil.
Daarna zal gezegd worden: “Sta op, o Muḥammad. Spreek, jouw woorden zullen gehoord worden. Vraag, jou zal gegeven worden. Doe shafāʿah, jouw voorspraak zal aanvaard worden.”
Dan zal ik mijn Rab prijzen en Hem loven met de lofprijzingen die mijn Rab mij heeft geleerd. Vervolgens zal ik voorspraak doen. Allāhu (تعالى) zal mij tonen voor wie ik voorspraak mag doen, en ik zal hen Jannah laten binnengaan.
Daarna zal ik terugkeren en zeggen: ‘O mijn Rab, er is in Jahannam niemand meer over behalve degenen over wie de Qur’ān heeft bepaald dat zij daarin voor altijd zullen verblijven.”
Daarop zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Iedereen die ‘Lā ilāha illa Allāh’ heeft gezegd en in zijn hart een hoeveelheid goedheid bezit ter grootte van een gerstkorrel, zal uit Jahannam worden gehaald.”
Daarna zal iedereen die ‘Lā ilāha illa Allāh’ heeft gezegd en in zijn hart een hoeveelheid goedheid bezit ter grootte van een atoom, uit Jahannam worden gehaald.”
Uitleg van de 331ste ḥadīth
De uitspraak: “Allāhu (تعالى) brengt de mu’mins op de Yawm al-Qiyāmah op deze wijze bijeen”, verklaart de overlevering die voorkomt in Kitāb at-Tafsīr: “Op de Yawm al-Qiyāmah worden de mu’mins op deze wijze samengebracht.”
Dit verduidelijkt eveneens de overlevering in Kitāb ar-Riqāq: “Allāhu (تعالى) verzamelt de mensen op de Yawm al-Qiyāmah”. Dan zeggen zij: ‘Laten wij een shafāʿah-gever zoeken bij onze Rab,”de betekenis die uit al deze overleveringen begrepen wordt, is het volgende: Allāhu (تعالى) zal op de Yawm al-Qiyāmah alle mensen bijeenbrengen, zowel mu’mins als kāfirs. Vervolgens zullen de mu’mins zeggen: “Laten wij iemand zoeken die voor ons shafāʿah doet bij onze Rab.”
Want de mu’mins beschikken over inzicht en verstand. Daarom denken zij na over hoe de redding van de mensen mogelijk kan zijn zonder het lange wachten op de Yawm al-Qiyāmah en over het middel waardoor het proces van rechtspreken tussen de mensen kan beginnen.”
Daarna gaan zij naar de genoemde anbiyā en vragen hen om shafāʿah te doen zodat Allāhu (تعالى) tussen de mensen een oordeel zal vellen en zij zelf van de last van het wachten worden bevrijd.
De anbiyā voeren de genoemde excuses aan. Het noemen van die “fouten” die aan de anbiyā worden toegeschreven, is een uiting van nederigheid (tawāḍuʿ). Bovendien worden de goede daden van de rechtschapenen onder het gewone volk, in de ogen van degenen die dicht bij Allāhu (تعالى) staan (muqarrabīn, zie surah Wāqiʿah(56:88):
فَأَمَّا إِنْ كَانَ مِنَ الْمُقَرَّبِينَ “Als hij behoort tot degenen die dicht bij Allāh staan...”), beschouwd als zonde. Of anders gezegd: de anbiyā (عليهم السلام) zijn bewaard voor het begaan van zonden en vergissingen. Want zij moeten de eigenschap van oprechtheid (amānah) bezitten. Dat houdt in dat zowel hun uiterlijk als innerlijk beschermd zijn tegen ḥarām, makrūh en zelfs de kleinste vorm van ongehoorzaamheid.
De eerste toestemming die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vraagt, is om shafāʿah te doen zodat het oordeel tussen de mensen kan beginnen. Deze vorm van shafāʿah is specifiek toegekend aan onze Nabī Muḥammad (صلى الله عليه وسلم).
Dit is de geprezen/prijzenswaardige rang (al-maqām al-maḥmūd) die Allāhu (تعالى) aan Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) heeft beloofd.
Daarna zal an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) nog andere vormen van shafāʿah doen. Eveneens zullen de andere anbiyā (عليهم السلام) shafāʿah doen.
In de ḥadīth wordt erop gewezen dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) shafāʿah zal doen om iedereen die zegt: “Lā ilāha illallāh; Muḥammadan `abduhu wa rasûluhu” (er is geen godheid dan Allāh en Muḥammad is Zijn dienaar en Zijn rasûl)”, en daarin gelooft, uit Jahannam te laten halen.
Eerst wordt een bepaalde groep aangewezen. Dit zijn degenen in wier harten īmān aanwezig is ter grootte van een gerstekorrel.
Daarna doet hij een tweede keer shafāʿah. Dan wordt een groep aangewezen die minder īmān bezit dan de eersten. Dit zijn degenen die īmān bezitten ter grootte van een tarwekorrel.
Vervolgens verricht hij een derde keer shafāʿah. Dan wijst Allāhu (تعالى) een groep aan die īmān bezit ter grootte van een dharrah, dat wil zeggen: ter grootte van het gewicht van de poot van een kleine mier.
De ḥadīth toont de superioriteit van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en van zijn ummah aan.
Deze ḥadīth vormt tevens een weerlegging van de Muʿtazilah, die beweerden dat er geen shafāʿah zal zijn voor degenen die grote zonden hebben gepleegd.
O Allāh, maak onze Nabī Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) voor ons tot een bemiddelaar (shāfiʿ). Āmīn.
De aḥādīth over ash-Shafāʿah die voorkomen in al-Bukhārī
Abū ʿAbdillāh al-Bukhārī (رحمه الله) vermeldt in deel 9, blz. 127, in Kitāb at-Tawḥīd, in het hoofdstuk over de āyah:
وُجُوهٞ يَوۡمَئِذٖ نَّاضِرَةٌ ٢٢ Sommige gezichten zullen op die Dag verlicht zijn.إِلَىٰ رَبِّهَا نَاظِرَةٞ ٢٣ Naar hun Heer kijkend. (Qiyāmah, 75:22–23)
332. Van … Jarīr al-Bajalī (رضي الله عنه), hij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam naar ons in de nacht van de volle maan en zei: ‘Jullie zullen op de Yawm al-Qiyāmah jullie Rab zien zoals jullie deze maan zien. Jullie ondervinden geen moeilijkheid bij het zien ervan.”
Opnieuw vermeldt al-Bukhārī (رحمه الله):
333. Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Een aantal mensen vroegen aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “O Rasûlullāh, zullen wij onze Rab zien op de Yawm al-Qiyāmah?”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg: “Hebben jullie moeite om de maan te zien in de nacht van de volle maan?”
Zij antwoordden: “Neen, o Rasûlullāh.”
Daarop vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Hebben jullie moeite om de zon te zien wanneer er geen wolken voor staan?”
Zij antwoordden opnieuw: “Neen, o Rasûlullāh.”
Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Zo zullen jullie Hem ook zien.
Allāhu (تعالى) zal op de Yawm al-Qiyāmah de mensen bijeenbrengen en zeggen: ‘Wie iets aanbad, laat hem datgene volgen.’
Daarop zullen degenen die de zon aanbaden de zon volgen, degenen die de maan aanbaden de maan volgen, en degenen die de afgodsbeelden aanbaden zullen de afgodsbeelden volgen.
Dan blijft deze ummah over, met onder hen ook degenen wie shafa`ah verlenen of de munāfiqs; want Ibrāhīm ibn Saʿd, een van de overleveraars, twijfelde of Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) “degenen wie shafa`ah verleners” of “de munāfiqs” had gezegd, daarom vermeldde hij: “of de munāfiqs.
Vervolgens manifesteert/openbaarde Allāhu (تعالى) Zich aan hen en zegt: ‘Ik ben jullie Rab.’
Zij zeggen: ‘Wij blijven op onze plaats totdat onze Rab Zich aan ons manifesteert. Wanneer onze Rab Zich manifesteert, zullen wij Hem herkennen.’
Daarop manifesteert Allāhu (تعالى) Zich aan hen in de vorm die zij kennen en zegt: ‘Ik ben jullie Rab.’
Dan zeggen zij: ‘U bent onze Rab’, en volgen Hem.
Daarna wordt aṣ-Ṣirāṭ over Jahannam gespannen. Ik en mijn ummah zullen de eersten zijn die eroverheen gaan.
Op die Dag zal niemand spreken behalve de anbiyā. De smeekbede van de anbiyā zal zijn: ‘O Allāh, red! O Allāh, schenk veiligheid!’
In Jahannam bevinden zich doornen zoals de doornen van een kameeldoorn. Maar niemand kent de grootte van die doornen behalve Allāhu (تعالى).
Zij grijpen de mensen overeenkomstig hun daden.
Onder hen zijn er die volledig vernietigd worden vanwege hun daden.
Onder hen zijn er die vastgehouden worden om gedurende een bepaalde tijd bestraft te worden.
En onder hen zijn er die getroffen worden, dat wil zeggen: zij ondergaan de vergelding voor hun daden of iets dergelijks. Nadat zij hun bestraffing ondergaan hebben, worden zij gered.
Wanneer Allāhu (تعالى) het oordeel tussen Zijn dienaren voltooid heeft en degenen van de bewoners van Jahannam die Hij wil eruit wil halen, zal Hij de engelen bevelen degenen eruit te halen aan wie Allāhu (تعالى) genade heeft geschonken onder degenen die niets naast Allāhu (تعالى) deelgenoten hebben toegekend en getuigden dat er geen godheid (ilāh) is behalve Allāh.
De engelen zullen hen herkennen aan de sporen van sajdah op hun gezichten.
Het vuur van Jahannam verteert (verbrandt) alles van de zoon van Ādam behalve de plekken van sajdah.
Zij worden uit Jahannam gehaald terwijl hun huid verschrompeld en verbrand is door de hitte van het vuur.
Daarna wordt het levenswater over hen gegoten en groeien zij eruit voort zoals een zaadje groeit in de aarde die door een overstroming wordt meegevoerd.
Wanneer Allāhu (تعالى) het oordeel tussen alle dienaren voltooid heeft, blijft er één man over met zijn gezicht richting Jahannam.
Hij zal de laatste van de bewoners van Jahannam zijn, die Jannah binnengaat.
Deze man zegt: ‘O mijn Rab, wend mijn gezicht af van Jahannam. Haar hete wind heeft mij verbrand en haar vlammen hebben mij verschroeid.’
Hij blijft Allāhu (تعالى) zo smeken zolang Allāhu (تعالى) wil.
Daarna zegt Allāhu (تعالى): ‘Als Ik jou dit geef, zul je dan nog iets anders vragen?’
De man antwoordt: ‘Neen, bij Uw Majesteit! Ik zal niets anders van U vragen.’
Hij geeft Allāhu (تعالى) beloften en verbonden zoals Allāhu (تعالى) wil.
Daarop wendt Allāhu (تعالى) zijn gezicht af van Jahannam.
Wanneer de man zich vervolgens naar Jannah richt en het ziet, blijft hij stil zolang Allāhu (تعالى) wil.
Daarna zegt hij: ‘O mijn Rab, breng mij dichter bij de poort van Jannah.’
Allāhu (تعالى) zegt: ‘Heb jij niet beloofd en verbonden gesloten dat je niets anders meer zou vragen dan hetgeen jou reeds gegeven was? Wee jou, zoon van Ādam, hoe trouweloos ben jij en hoe slecht houd jij je aan je woord.’
De man zegt: ‘O mijn Rab…’, en blijft smeken.
Uiteindelijk zegt Allāhu (تعالى): ‘Als Ik jou dit geef, zul je dan nog iets anders vragen?’
De man antwoordt: ‘Neen, bij Uw Majesteit! Ik zal niets anders vragen.’
Hij geeft Allāhu (تعالى) opnieuw beloften en verbonden zoals Hij wil.
Daarop brengt Allāhu (تعالى) hem dichter bij de poort van Jannah.
Wanneer hij de poort van Jannah bereikt, worden de wonderlijke aanblikken van Jannah zichtbaar voor hem. Zo ziet hij de vreugde en welbehagen die zich daarin bevinden.
Vervolgens blijft hij stil zolang Allāhu (تعالى) wil.
Daarna zegt hij: ‘O mijn Rab, laat mij Jannah binnengaan.’
Allāhu (تعالى) zegt: ‘Heb jij niet beloofd en verbonden gesloten dat je niets anders meer zou vragen dan hetgeen jou reeds gegeven was? Wee jou, zoon van Ādam, hoe trouweloos ben jij en hoe slecht houd jij je aan je woord.’
De man zegt: ‘O mijn Rab, laat mij niet de meest ellendige van Uw schepselen zijn.’
Hij blijft smeken totdat Allāhu (تعالى) om hem lacht.
En wanneer Allāhu (تعالى) om hem lacht, zegt Hij: ‘Ga Jannah binnen.’
Wanneer de man Jannah binnengaat, zegt Allāh Jalla wa ʿAlā: ‘Wens.’
Daarop vraagt de man aan zijn Rab en spreekt zijn verlangens uit.
Uiteindelijk brengt Allāhu (تعالى) hem Zelf zaken in herinnering en zegt: “Wens dit en dit.”
Totdat alles wat hij maar zou kunnen wensen ten einde komt.
Daarop zegt Allāhu (تعالى): “Dit en nog eens evenveel zal voor jou zijn.”
Overleveraar ʿAṭā ibn Yazīd zei: “Toen Abū Hurayrah (رضي الله عنه) deze ḥadīth overleverde, bevond Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) zich naast hem. Tot aan de woorden:
“Dit en nog eens evenveel zal voor jou zijn”, maakte Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) geen bezwaar tegen iets uit de ḥadīth.
Maar op dit punt zei Abū Saʿīd (رضي الله عنه): “O Abū Hurayrah, tienmaal zoveel!”
Daarop zei Abū Hurayrah (رضي الله عنه): “Ik heb niets anders onthouden dan: ‘Dit en nog eens evenveel zal voor jou zijn.’”
Toen zei Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه): “Ik getuig dat ik van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heb onthouden: ‘Dit en tienmaal zoveel zal voor jou zijn.’”
Abū Hurayrah (رضي الله عنه) zei daarnaast ook: “Deze man zal de laatste zijn die Jannah binnengaat.”
Uitleg van de ḥadīth 332 en 333
De overlevering die begint met: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam naar ons in de nacht van de volle maan en zei: ‘Jullie zullen jullie Rab zien zoals jullie deze maan zien”, laat zien dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zelf begon te spreken over de ru’yah. Dat wil zeggen: hij begon hierover uitleg te geven zonder dat hem eerst een vraag werd gesteld.
In andere overleveringen wordt echter vermeld dat de ṣaḥābah vragen stelden en dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) daarop antwoord gaf zoals beschreven is.
Deze overleveringen tonen aan dat er op meerdere momenten en bij verschillende gelegenheden gesproken is over de ru’yah (zien van Allāhu (تعالى).
Soms stelden de ṣaḥābah hierover vragen aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en antwoordde hij daarop. En soms gaf hij zelf hierover uitleg zonder dat er een vraag gesteld werd.
Er bestaat geen bezwaar tegen het feit dat beide situaties hebben plaatsgevonden.
En Allāhu (تعالى) weet het best wat juist is.
“Jullie ondervinden geen enkele moeilijkheid bij het zien ervan”, dat wil zeggen: jullie vormen geen verdringing of grote menigten om het te kunnen zien. Het is niet zoals bij het waarnemen van de eerste maansikkel, waarbij mensen elkaar duwen en verdringen door hun sterke aandacht daarvoor.
Wanneer het de nacht van de volle maan is, verschijnt de maan immers volledig duidelijk en zichtbaar, zodat iedereen haar vanaf zijn eigen plaats kan zien.
“Zo zullen jullie ook Allāhu (تعالى) zien.”, dat wil zeggen: jullie zullen Hem op een volkomen duidelijke wijze zien, zonder moeite, zonder verdringing en zonder enige ruimte voor twijfel. Zoals er geen moeilijkheid zal zijn in het zien, zal er ook geen meningsverschil bestaan over het feit of hij gezien is of niet.
De vergelijking hier betreft de duidelijkheid van het zien zelf. Er wordt dus een vergelijking gemaakt met de Jahannamderheid en zekerheid van het zien van de maan.
Want Allāhu (تعالى) is verheven boven gelijkenis met de geschapen zaken. Niets is aan Hem gelijk. Hij is as-Samīʿ, al-Baṣīr.
“Dan blijft deze ummah achter”, dat wil zeggen: zelfs al is het slechts uiterlijk, de ummah blijft bestaan die wordt gevormd door degenen die op de oproep (van an-Nabī) reageren. “Onder hen bevinden zich degenen wie shafa`ah verleners of de munāfiqs.”
Met “degenen wie shafa`ah verlenen” worden degenen bedoeld aan wie binnen de ummah toestemming zal worden gegeven om shafāʿah te doen.
De overleveraar twijfelde over welke van deze twee woorden genoemd werd.
Ibn Ḥajar zegt dat de eerste overlevering “degenen wie shafa`ah verleners” sterker en betrouwbaarder is als overlevering.
“Allāhu (تعالى) manifesteert Zich aan hen”, dat wil zeggen: Hij manifesteert Zich aan hen met andere eigenschappen dan de eigenschappen waarmee zij Hem in het wereldse leven kenden.
Of, wanneer men het woord in overdrachtelijke betekenis opvat, kan hiermee bedoeld zijn dat één van de engelen van Allāhu (تعالى) zichtbaar wordt.
Bijvoorbeeld wanneer men zegt: “De heerser heeft de hand van de dief afgehakt.”
In werkelijkheid is het degene die door de heerser aangesteld is die de hand afhakt. Maar omdat het bevel van de heerser afkomstig is, wordt de handeling in overdrachtelijke zin aan hem toegeschreven.
Daarom zeggen de mu’mins: “Wij zullen op deze plaats blijven totdat onze Rab Zich aan ons manifesteert. Wanneer onze Rab Zich aan ons manifesteert, zullen wij Hem herkennen.”
Dat wil zeggen: “Jij bent onze Rab niet. Wanneer onze Rab Zich aan ons manifesteert met Zijn verheven eigenschappen die niet lijken op de eigenschappen van de schepping, dan zullen wij Hem herkennen.”
“Allāhu (تعالى) manifesteert Zich aan hen in de vorm die zij kennen,” dat wil zeggen: Hij manifesteert Zich aan Zijn geliefde dienaren met de eigenschappen waarmee zij Hem in het wereldse leven kenden. Dat is Zijn verhevenheid boven enige gelijkenis met de schepping. Dit is het teken waardoor zij hun Rab herkennen, dat wil zeggen: Allāhu (تعالى) maakt Zich aan hen bekend op deze wijze en neemt de hindernissen van hun ogen weg.
In al-Maṣābīḥ wordt gezegd: “in de vorm die zij kennen”, betekent:“met het teken en bewijs waardoor de dienaren Allāhu (تعالى) herkennen en waardoor het onderscheid tussen Zijn Wezen en de schepping duidelijk wordt.”
Datgene wat hier als bewijs en teken dient, is in overdrachtelijke zin “ṣūrah” genoemd.
De Arabieren gebruiken dit woord ook op deze manier. Zij zeggen bijvoorbeeld:
“De ṣūrah van jouw zaak is zo” of: “De ṣūrah van jouw uitspraak is zo.”
In werkelijkheid heeft een zaak of uitspraak geen letterlijke ṣūrah. Met deze uitdrukkingen bedoelen zij de ware aard en werkelijkheid ervan.
Ook bij de fuqahā wordt dit woord vaak op deze manier gebruikt. Zo zeggen zij bijvoorbeeld:
“De ṣūrah van deze kwestie is als volgt.” (Tot hier de uitleg uit het commentaar van al-Qastallānī.)
“Laat mij niet de meest ellendige van Uw schepselen zijn,” dat wil zeggen: “Laat mij niet de meest ellendige van de mensen van at-Tawḥīd zijn.”
aṭ-Ṭayyibī zegt: Deze man zegt als het ware: “O mijn Rab, hoewel ik U beloften en sterke verbonden heb gegeven, hoop ik nog steeds op Uw iḥsān, Uw vergeving en Uw raḥmah.
U hebt immers gezegd:يَٰبَنِيَّ ٱذۡهَبُواْ فَتَحَسَّسُواْ مِن يُوسُفَ وَأَخِيهِ وَلَا تَاْيۡـَٔسُواْ مِن رَّوۡحِ ٱللَّهِۖ إِنَّهُۥ لَا يَاْيۡـَٔسُ مِن رَّوۡحِ ٱللَّهِ إِلَّا ٱلۡقَوۡمُ ٱلۡكَٰفِرُونَ ٨٧O mijn zonen! Ga en informeer over Yoesoef en zijn broeder en wanhoop niet aan de Genade van Allāh. Voorzeker, niemand wanhoopt aan Allāh’s (verlichtende) Genade behalve de mensen die niet geloven (kāfirs).” (Yūsuf, 12:87)
Ik weet dus dat ik niet behoor tot het volk van de kāfirs dat wanhoopt aan Uw raḥmah. Ik verlang naar Uw iḥsān en Uw raḥmah en daarom heb ik dit van U gevraagd.”
Daarop wordt Allāhu (تعالى) tevreden met hem vanwege deze woorden en maakt Hij Zijn welbehagen kenbaar.
Met de uitspraak: “Hij blijft smeekbeden verrichten totdat Allāhu (تعالى) lacht”, wordt bedoeld dat Allāhu (تعالى) Zijn welbehagen kenbaar maakt.
En Allāhu (تعالى) weet het best wat juist is.
al-Bukhārī’den andere aḥādīth over ash-Shafāʿah
al-Bukhārī (رحمه الله) vermeldt in deel 9, blz. 129 en verder, opnieuw in Kitāb at-Tawḥīd, in het hoofdstuk over de āyah:
وُجُوهٞ يَوۡمَئِذٖ نَّاضِرَةٌ ٢٢ Sommige gezichten zullen op die Dag verlicht zijn.إِلَىٰ رَبِّهَا نَاظِرَةٞ ٢٣ Naar hun Heer kijkend. (Qiyāmah, 75:22–23)de volgende overlevering:
334. Van … Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) zei: “Wij vroegen aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): ‘O Rasûlullāh, zullen wij onze Rab zien op de Yawm al-Qiyāmah?’Hij zei: ‘Hebben jullie moeite om de zon of de maan te zien wanneer de hemel helder is?’Wij antwoordden: ‘Neen.’Daarop zei hij: ‘Zoals jullie geen moeite hebben met het zien van de zon en de maan, zo zullen jullie op die Dag geen moeite hebben met het zien van jullie Rab.’Daarna zei hij: ‘Een omroeper zal uitroepen:“Laat iedere groep volgen wat zij aanbaden.”Daarop zullen de kruisaanbidders het kruis volgen. De afgodendienaars zullen hun afgoden volgen. Iedereen die naast Allāhu (تعالى) iets anders als godheid (ilāh) nam, zal volgen wat zij aanbaden.Uiteindelijk blijven alleen degenen over die Allāhu (تعالى) aanbaden, zowel de rechtschapenen als de zondaren, evenals degenen van Ahl al-Kitāb die overgelaten zijn.Daarna wordt Jahannam gebracht en zichtbaar gemaakt alsof het een luchtspiegeling is.Tegen de joden worden gezegd: “Wat aanbaden jullie?”Zij zeggen: “Wij aanbaden ʿUzayr, de zoon van Allāh.”Daarop wordt tegen hen gezegd: “Jullie hebben gelogen. Allāh heeft noch een echtgenote noch een zoon.”Daarna wordt gevraagd: “Wat verlangen jullie?”Zij zeggen:“Wij willen dat U ons te drinken geeft.”Er wordt gezegd:“Drink.”Daarop vallen ook de joden één voor één Jahannam binnen.Vervolgens wordt tegen de christenen gezegd: “Wat aanbaden jullie?”
Zij antwoorden: “Wij aanbaden al-Masīḥ, de zoon van Allāh.”
Daarop wordt tegen hen gezegd: “Jullie hebben gelogen. Allāh heeft noch een echtgenote noch een zoon.”
Daarna wordt gevraagd: “Wat verlangen jullie?”
Zij zeggen: “Wij willen dat U ons te drinken geeft.”
Er wordt gezegd: “Drink.”
Daarop vallen ook de christenen één voor één Jahannam binnen.
Dan blijven alleen degenen over die uitsluitend Allāhu (تعالى) aanbaden, zowel de zondaren als de rechtschapenen.
Tegen hen wordt gezegd: ‘De mensen zijn vertrokken; waarom blijven jullie hier?’
Zij antwoorden: ‘Wij hebben hen verlaten op een dag waarop wij hen harder nodig hadden dan vandaag. Bovendien hebben wij een omroeper horen zeggen: “Laat iedere groep volgen wat zij aanbaden.”
En wij wachten op onze Rab.’
Daarop manifesteert Allāhq Jalla wa ʿAlā Zich aan hen in een andere vorm dan de eerste keer waarin zij Hem zagen en zegt: ‘Ik ben jullie Rab.’
Zij zeggen: ‘U bent onze Rab.’
Alleen de anbiyā spreken dan met Hem.
Allāhu (تعالى) zegt: ‘Hebben jullie een teken waardoor jullie jullie Rab herkennen?’
Zij antwoorden: ‘De sāq.’
Daarop onthult Hij de sāq.
Iedere mu’min valt dan in sajdah voor Hem neer.
Maar degenen die sajdah verrichtten uit riyā’ en om door de mensen gezien en gehoord te worden, blijven zoals zij zijn. Zij zullen willen neerknielen, maar hun ruggen zullen verstijfd zijn zodat zij geen sajdah kunnen verrichten.
Daarna wordt aṣ-Ṣirāṭ gebracht en boven Jahannam gespannen.”
De overleveraar zei: Wij vroegen: “O Rasûlullāh, wat is die brug?”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:“Het is een gladde, wankelende doorgang waarop haken, tangen en doornige planten zijn zoals de doornen van de kameeldoorn.
De mu’mins zullen overeenkomstig hun niveaus eroverheen gaan. Sommigen zullen passeren als een oogopslag, sommigen als de bliksem, sommigen als de wind en sommigen als snel rennende paarden.
Sommigen zullen veilig oversteken, sommigen zullen met lichte verwondingen gered worden en sommigen zullen in het vuur van Jahannam vallen.
Uiteindelijk zal de laatste van hen zich voorttrekkend en slepend een weg eroverheen banen.
Jullie zoeken de waarheid niet vuriger van mij dan degene die werkelijk gelooft in Allāh al-Jabbār dat op die Dag zal doen.
Wanneer de mu’mins die Jannah binnengaan zich in hun verblijfplaatsen gevestigd hebben, zullen zij sommige van hun moslimbroeders missen. Dan zullen zij zeggen:
‘O onze Rab, zij verrichtten samen met ons de ṣalāh, zij vastten en zij waren samen met ons.’
Daarop zal Allāhq zeggen: ‘Ga en haal degenen uit Jahannam in wier hart īmān aanwezig is ter grootte van een dīnār.’
Allāhu (تعالى) maakt de lichamen van deze mu’mins verboden voor Jahannam.
De mu’mins zullen vervolgens naar hun brandende broeders in Jahannam gaan. Zij zullen zien dat sommigen tot aan hun hielen en anderen tot aan hun kuiten in het vuur verzonken zijn. Daarop zullen zij degenen herkennen die zij kennen en hen eruit halen. Vervolgens keren zij terug.
Daarna zegt Allāhu (تعالى): ‘Ga terug en haal degenen eruit in wier hart een halve dīnār aan īmān aanwezig is.’
De mu’mins van Jannah zullen opnieuw gaan en degenen die zij herkennen eruit halen.
Daarna zegt Allāhu (تعالى): ‘Ga terug en haal degenen eruit in wier hart een dharrah (atoom) aan īmān aanwezig is.’
Daarop zullen zij opnieuw gaan en degenen die zij herkennen eruit halen.”
De overleveraar Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) zei: “Als jullie mij niet geloven, lees dan deze āyah:إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَظۡلِمُ مِثۡقَالَ ذَرَّةٖۖ وَإِن تَكُ حَسَنَةٗ يُضَٰعِفۡهَا وَيُؤۡتِ مِن لَّدُنۡهُ أَجۡرًا عَظِيمٗا ٤٠Zeker! Allāh doet zelfs geen kwaad ter grote van een atoom, maar als er iets goeds gedaan wordt,verdubbelt Hij het en geeft Hij een grote beloning. (Nisā’, 4:40)
De anbiyā, de engelen en de mu’mins zullen shafāʿah doen.
Daarna zal Allāh al-Jabbār zeggen: “Nu is het Mijn beurt om shafāʿah te doen.”
Vervolgens neemt Hij een handvol uit Jahannam en haalt daar mensen uit wier lichamen volledig verbrand zijn.
Daarna worden zij ondergedompeld in een rivier buiten Jannah. Deze rivier wordt “het levenswater” genoemd.
Zij zullen daaruit groeien zoals wilde rayḥān-zaden snel groeien tussen de hopen aarde die door een overstroming zijn meegevoerd.
Jullie hebben zulke planten gezien tussen een rots en een boom. De zijde die naar de zon gericht is, is groen en de zijde in de schaduw is wit.
Zo zullen deze mensen die uit de rivier gehaald worden glanzen in witheid en helderheid alsof zij parels of koralen zijn.
Aan hun halzen worden halskettingen gehangen waarna zij Jannah binnengaan.
De bewoners van Jannah zullen over hen zeggen: “Dit zijn de vrijgelaten dienaren van ar-Raḥmān. Allāhu (تعالى) heeft hen Jannah laten binnengaan zonder dat zij een daad verricht hebben of een goedheid vooruit hebben gestuurd.”
Tegen hen wordt vervolgens gezegd: “Wat jullie zien is voor jullie, en nog eens evenveel erbij.”
Uitleg van de 334ste ḥadīth
Toen de joden zeiden: “Wij aanbaden ʿUzayr, de zoon van Allāh,”werd tegen hen gezegd:
“Jullie hebben gelogen,” dat betekent: “Jullie hebben gelogen in jullie bewering dat ʿUzayr de zoon van Allāh is en dat hij het verdient aanbeden te worden.”
“Jullie hebben dus in werkelijkheid geen ware aanbidding (ʿibādah) verricht. Integendeel, jullie verkeerden in een duidelijke dwaling.”
De uitspraak: “Wij verlieten hen op een dag waarop wij hen meer nodig hadden dan vandaag”
wordt in de overlevering in Tafsīr Sūrah an-Nisā als volgt vermeld: “Wij verlieten de mensen in het wereldse leven op een moment waarop wij hen het hardst nodig hadden.”
De betekenis hiervan is: “In het wereldse leven verlieten wij onze familieleden en vrienden, terwijl wij hen voor levensonderhoud en wereldse zaken juist hard nodig hadden, o onze Rab, vanwege hun vijandschap tegenover U. Daarom namen wij afstand van hen.”
Onze behoefte aan hen in het wereldse leven was groter dan vandaag.
Zoals wij hen in het wereldse leven niet als geliefden namen vanwege afkeer van hun overtuigingen, zo nemen wij hen vandaag in het Hiernamaals ook niet als geliefden.
Bovendien hebben wij vandaag geen behoefte meer aan hen. Er is geen enkel voordeel meer van hen te verwachten, voor eeuwig niet. (Samengevat uit het commentaar van al-Qastallānī.)
“Allāhu (تعالى) zegt: ‘Hebben jullie een teken waardoor jullie jullie Rab herkennen?’Zij antwoorden: ‘De sāq (onderbenen).’”
Het verheven en heilige Wezen van Allāhu (تعالى) manifesteert Zich.
Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) zei over de uitleg van de āyah:يَوۡمَ يُكۡشَفُ عَن سَاقٖ وَيُدۡعَوۡنَ إِلَى ٱلسُّجُودِ فَلَا يَسۡتَطِيعُونَ ٤٢(Gedenk) de dag waarop de onderbenen (sāq) ontbloot zullen worden en zij opgeroepen worden om te knielen, maar zij zullen daartoe niet in staat zijn. (Qalam, 68:42)
dat hiermee bedoeld wordt: “de hevigheid en verschrikking van die situatie.”
De Arabieren zeggen wanneer een oorlog hevig wordt: “De oorlog heeft de sāq bereikt.”
De oorsprong van deze uitdrukking ligt daarin dat ongetrouwde vrouwen die normaal hun bedekking zorgvuldig bewaren, wanneer zij plotseling geconfronteerd worden met een enorme angst of zware situatie, hun onderbenen ontbloten om sneller weg te kunnen vluchten.
Het ontbloten van de sāq (onderbeen) werd daardoor een teken en beeldspraak voor ernst, hevigheid en grote moeilijkheid.
Abū Mūsā al-Ashʿarī (رضي الله عنه) zei eveneens: “De sāq verwijst naar nūr en naar de voortdurend terugkerende Rabbānī gunsten en weldaden voor de mu’mins.”
Ook Ibn Fūrak gaf deze uitleg.
Of, zoals al-Muhallab zei: “Voor de mu’mins betekent het raḥmah, terwijl het voor anderen ghadāb betekent.” (Uit het commentaar van al-Qastallānī.)
Uit deze ḥadīth blijkt dat de niveaus van de mu’mins bij het oversteken van aṣ-Ṣirāṭ verschillend zullen zijn.
Sommigen zullen oversteken als een oogopslag, sommigen als de bliksem, enzovoort.
Daarnaast zullen sommigen zonder enige verwonding gered worden, terwijl anderen lichte verwondingen oplopen doordat de doornen van de brug hen raken.
Anderen zullen vanwege hun daden in Jahannam vallen.
De laatsten van degenen die uiteindelijk gered worden, zullen zich voorttrekkend en kruipend over aṣ-Ṣirāṭ bewegen.
De uitspraak: “Jullie zoeken de waarheid niet vuriger dan ik. Degene die werkelijk gelooft in Allāh al-Jabbār zal dat op die Dag zien,” betekent: “O mu’mins, jullie spannen je in het wereldse leven niet méér in voor de waarheid dan ik. Wanneer jullie toestand in het Hiernamaals zichtbaar wordt, zullen jullie Allāhu (تعالى) vragen om jullie broeders die bestraft worden in Jahannam te redden.
Zoals ik in het wereldse leven meer bezorgd en zorgvuldiger was dan jullie in deze zaak, zo zal ik in het Hiernamaals ook meer zorg tonen voor de redding van de moslims.”
Wanneer sommige mu’mins zien dat zij gered zijn terwijl hun broeders nog bestraft worden in Jahannam, zullen zij Allāhu (تعالى) vragen hun broeders eveneens te redden.
Zij zullen zeggen: “O onze Rab, deze broeders van ons verrichtten samen met ons de ṣalāh, zij vastten samen met ons en verrichtten samen met ons goede daden,” dat wil zeggen:
“O onze Rab, zoals U ons gered hebt, vragen wij U door Uw faḍl en Uw iḥsān ook hen uit Jahannam te redden.”
Daarop zal tegen hen gezegd worden: “Ga en haal degenen uit Jahannam in wier hart īmān aanwezig is ter grootte van een dīnār.”
Hieruit blijkt dat Allāhu (تعالى) hun shafāʿah voor hun broeders aanvaardt en hun beveelt hun broeders in drie fasen uit Jahannam te halen.
In de eerste fase halen zij degenen eruit in wier hart īmān aanwezig is ter grootte van een dīnār.
In de tweede fase halen zij degenen eruit in wier hart īmān aanwezig is ter grootte van een halve dīnār.
In de derde fase halen zij degenen eruit in wier hart īmān aanwezig is ter grootte van een dharrah.
Allāhu (تعالى) heeft hun gezichten en hun vormen verboden gemaakt voor Jahannam. Daardoor herkennen zij hen aan hun uiterlijke kenmerken.
Van sommigen zijn de voeten in het vuur verzonken en bij anderen reikt het vuur tot aan hun onderbenen.
Toen vermeld werd dat de laatsten die uit Jahannam gehaald zullen worden degenen zijn in wier hart slechts een dharrah aan īmān aanwezig is, bracht Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) hiervoor een bewijs uit al-Qurʾān al-Karīm.
Hij zei: “Lees desgewenst deze āyah:
إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَظۡلِمُ مِثۡقَالَ ذَرَّةٖۖ وَإِن تَكُ حَسَنَةٗ يُضَٰعِفۡهَا وَيُؤۡتِ مِن لَّدُنۡهُ أَجۡرًا عَظِيمٗا ٤٠Zeker! Allāh doet zelfs geen kwaad ter grote van een atoom, maar als er iets goeds gedaan wordt,verdubbelt Hij het en geeft Hij een grote beloning. (Nisā’, 4:40)Deze ḥadīth toont aan dat ook de daden van het hart zichtbaar en waarneembaar gemaakt zullen worden zoals tastbare zaken die gewogen en gemeten kunnen worden.
Īmān zal vastgesteld kunnen worden als een dīnār, een halve dīnār of een dharrah aan gewicht. En Allāhu (تعالى) weet het best.
“De anbiyā, de engelen en de mu’mins doen shafāʿah.
Vervolgens zegt Allāh al-Jabbār:‘Nu is het Mijn shafāʿah, ” de betekenis hiervan is: Nadat Allāhu (تعالى) de shafāʿah van Zijn dienaren die bij Hem een verheven rang en positie hebben aanvaard heeft, zegt Hij: “Nu blijft Mijn shafāʿah over.”
Dat het uit Jahannam halen van degenen die daarin gevallen zijn op bevel van Allāhu (تعالى) “shafāʿah” genoemd wordt, bevat een subtiele betekenis.
Wat hiermee bedoeld wordt, is dat Allāhu (تعالى) zonder tussenkomst van enige geschapene sommige bewoners van Jahannam eruit haalt. Daarnaar wordt verwezen met de woorden: “Hij neemt een handvol uit Jahannam, ” dat wil zeggen: Hij neemt een groep van de moslims die nog steeds bestraft worden in Jahannam.
Dit zijn groepen mu’mins die naast īmān geen enkele andere goede daad bezitten.
Voor hen is aan niemand toestemming gegeven om shafāʿah te doen.
Daarom haalt Allāhu (تعالى) hen uit Jahannam enkel door Zijn eigen faḍl, zonder de shafāʿah van iemand anders.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beschreef vervolgens het gebeuren van degenen die als laatsten uit Jahannam gehaald worden en buiten Jahannam in een rivier geworpen worden waar zij opnieuw groeien.
Hij verduidelijkte dit door een vergelijking met zichtbare zaken uit het wereldse leven en zei:
“Jullie hebben de wilde rayḥān-planten gezien tussen een rots en een boom…”
“Er worden halskettingen aan hun halzen gehangen,” dat wil zeggen: Dit zal een teken zijn waardoor zij herkend worden. Daarom zullen de bewoners van Jannah over hen zeggen:
“Dit zijn de vrijgelaten dienaren van ar-Raḥmān.”
Wanneer zij Jannah binnengaan en daar talloze gunsten zien, zal tegen hen gezegd worden: “Wat jullie zien is voor jullie, en nog eens evenveel erbij.” (Uit het commentaar van al-Qastallānī.)
Allāhu (تعالى) weet het best wat juist is.
O Allāh, laat ons door Uw vergeving en Uw raḥmah Jannah binnengaan. Āmīn.
Imām Abū ʿAbdillāh al-Bukhārī (رحمه الله) vermeldt in zijn Ṣaḥīḥ, deel 9, blz. 131 en verder, opnieuw in Kitāb at-Tawḥīd, in het hoofdstuk over de āyah:
وُجُوهٞ يَوۡمَئِذٖ نَّاضِرَةٌ ٢٢ Sommige gezichten zullen op die Dag verlicht zijn.إِلَىٰ رَبِّهَا نَاظِرَةٞ ٢٣ Naar hun Heer kijkend. (Qiyāmah, 75:22–23)
de volgende overlevering:
335. Van … Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op de Yawm al-Qiyāmah zullen de mu’mins wachten, totdat zij onrustig en bezwaard worden door het lange wachten.
Daarop zullen zij zeggen: ‘Laat ons iemand zoeken die voor ons shafāʿah doet bij onze Rab, zodat onze Rab ons van deze plaats verlost.’
Dan gaan zij naar Ādam (عليه السلام) en zeggen: ‘U bent Ādam, de vader van de mensheid. Allāhu (تعالى) heeft u met Zijn Hand geschapen, u in Zijn Paradijs laten wonen, de engelen bevolen sajdah voor u te verrichten en u de namen van alle dingen geleerd. Doe voor ons shafāʿah bij uw Rab zodat Hij ons van deze plaats verlost.’
Ādam (عليه السلام) zal zeggen: ‘Ik ben niet geschikt voor deze positie.’
Daarop herinnert hij zich zijn fout, namelijk dat hij gegeten had van de boom die hem verboden was.
Vervolgens zegt hij: ‘Ga naar Nūḥ. Hij is de eerste nabī die Allāhu (تعالى) naar de bewoners van de aarde zond.’
Daarop gaan zij naar Nūḥ (عليه السلام).
Hij zegt: ‘Ik ben niet geschikt voor deze positie.’
Daarna herinnert hij zich zijn fout, namelijk dat hij zonder kennis iets van zijn Rab gevraagd had.
Vervolgens zegt hij: ‘Ga naar Khalīl ar-Raḥmān.’
Daarop gaan zij naar Ibrāhīm (عليه السلام).
Hij zegt: ‘Ik ben niet geschikt voor deze positie.’
Daarna herinnert hij zich de drie uitspraken die als onwaarheid genoemd zijn.
Vervolgens zegt hij: ‘Ga naar Mūsā, de dienaar aan wie Allāhu (تعالى) at-Tawrāh gaf, met wie Hij sprak en die Hij nabij liet komen voor vertrouwelijke samenspraak.’
Daarop gaan zij naar Mūsā (عليه السلام).
Hij zegt: ‘Ik ben niet geschikt voor deze positie.’
Daarna herinnert hij zich zijn fout, namelijk dat hij een man gedood had.
Vervolgens zegt hij: ‘Ga naar ʿĪsā, de dienaar van Allāh, Zijn Rasûl, Zijn Woord en een rûh van Hem.’
Daarop gaan zij naar ʿĪsā (عليه السلام).
Hij zegt: ‘Ik ben niet geschikt voor deze positie. Maar ga naar Muḥammad (صلى الله عليه وسلم), van wie Allāhu (تعالى) de eerdere en latere zonden vergeven heeft.’
Daarop komen zij naar mij.
Ik vraag toestemming om in de maqām (positie) van mijn Rab met Hem in smeekbede te treden.
Wanneer ik Hem zie, val ik onmiddellijk in sajdah neer.
Allāhu (تعالى) laat mij zolang in die toestand als Hij wil.
Daarna zegt Hij: ‘Sta op, o Muḥammad. Spreek, want er zal naar je geluisterd worden. Doe shafāʿah, want jouw shafāʿah zal aanvaard worden. Vraag, jij zult krijgen wat je vraagt.’
Daarop hef ik mijn hoofd op en prijs ik mijn Rab met lofprijzingen die Hij mij geleerd heeft, en ik dank Hem.
Vervolgens doe ik shafāʿah.
Mijn Rab bepaalt dan een groep mensen voor wie ik shafāʿah mag doen.
Daarna vertrek ik en laat hen Jannah binnengaan.”
De overleveraar Qatādah zei: “Ik hoorde hem ook zeggen:
‘Daarna haal ik hen uit Jahannam en laat ik hen Jannah binnengaan.’”
Vervolgens zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Daarna keer ik terug en vraag opnieuw toestemming om in de maqām (positie) van mijn Rab te verschijnen.
Wanneer ik Hem zie, val ik onmiddellijk in sajdah neer.
Allāhu (تعالى) laat mij zolang in die toestand als Hij wil.
Daarna zegt Hij: ‘Sta op, o Muḥammad. Spreek, er zal naar je geluisterd worden.
Doe shafāʿah, jouw shafāʿah zal aanvaard worden. vraag, jij zult krijgen wat je vraagt.’
Daarop doe ik opnieuw shafāʿah.
Allāhu (تعالى) bepaalt voor mij opnieuw een groep voor wie ik shafāʿah mag doen.
Ik haal hen uit Jahannam en laat hen Jannah binnengaan.
Daarna keer ik voor de derde keer terug en vraag toestemming om in de maqām (positie) van mijn Rab te verschijnen.
Wanneer ik Hem zie, val ik onmiddellijk in sajdah neer.
Allāhu (تعالى) laat mij zolang in die toestand als Hij wil.
Daarna zegt Hij: ‘Sta op, o Muḥammad. Spreek, er zal naar je geluisterd worden. Doe shafāʿah, jouw shafāʿah zal aanvaard worden. Vraag, wat je vraagt zal gegeven worden.’
Daarop hef ik mijn hoofd op en prijs ik mijn Rab met de lofprijzingen die Hij mij geleerd heeft en ik dank Hem opnieuw.
Vervolgens doe ik shafāʿah.
Allāhu (تعالى) bepaalt dan opnieuw een groep voor wie ik shafāʿah mag doen.
Ik vertrek en laat hen Jannah binnengaan.”
De overleveraar Qatādah zei: “Ik hoorde hem ook zeggen: “Ik vertrek, haal hen uit Jahannam en laat hen Jannah binnengaan.”
Uiteindelijk blijft er niemand meer in Jahannam behalve degenen die door al-Qurʾān vastgehouden worden.”
Dat wil zeggen: degenen over wie het eeuwige oordeel van bestraffing uitgesproken is.
Daarna reciteerde hij de āyah:
وَمِنَ ٱلَّيۡلِ فَتَهَجَّدۡ بِهِۦ نَافِلَةٗ لَّكَ عَسَىٰٓ أَن يَبۡعَثَكَ رَبُّكَ مَقَامٗا مَّحۡمُودٗا ٧٩Reciteer je gebeden (ook) tijdens bepaalde delen van de nacht.(Want o Mohammed), het zou (best) kunnen zijn dat jouw Heer jou (hierdoor op de Dag der Opstanding) in status zal verheffen (Maqām Maḥmūd) (waardoor jij wél als bemiddelaar mag optreden voor jouw volgelingen). (Isrā’, 17:79)
En dit is de “Maqām Maḥmūd” die aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) beloofd werd.
Uitleg van 335ste ḥadīth
Ādam (عليه السلام) herinnert zich dat hij van de verboden boom heeft gegeten. Dit verbod wordt in de Qurʾān als volgt vermeld:وَقُلۡنَا يَٰٓـَٔادَمُ ٱسۡكُنۡ أَنتَ وَزَوۡجُكَ ٱلۡجَنَّةَ وَكُلَا مِنۡهَا رَغَدًا حَيۡثُ شِئۡتُمَا وَلَا تَقۡرَبَا هَٰذِهِ ٱلشَّجَرَةَ فَتَكُونَا مِنَ ٱلظَّٰلِمِينَ ٣٥En Wij zeiden: “O Adam! Verblijf tezamen met jouw vrouw in Jannah en eet beiden vrijelijk met plezier en genot van de zaken daarvan zoals jullie willen, maar kom niet bij deze boom of jullie beiden zullen tot de zondaren behoren.” (Baqarah, 2:35)
Dat Nūḥ (عليه السلام) zonder kennis iets aan zijn Rab vroeg, betreft zijn uitspraak:وَنَادَىٰ نُوحٞ رَّبَّهُۥ فَقَالَ رَبِّ إِنَّ ٱبۡنِي مِنۡ أَهۡلِي وَإِنَّ وَعۡدَكَ ٱلۡحَقُّ وَأَنتَ أَحۡكَمُ ٱلۡحَٰكِمِينَ ٤٥En Noah riep zijn Heer aan en zei: “O mijn Heer! Waarlijk, mijn zoon behoort tot mijn gezin; Uw belofte is de Waarheid en U bent de meest Rechtvaardige onder de Rechters.” (Hūd, 11:45)
Dat Ibrāhīm (عليه السلام) op drie plaatsen “onwaarheid” sprak, betreft het volgende:
De eerste keer was toen hij zei: “Ik ben ziek,”( zie Ṣāffāt, 37:89) om niet deel te nemen aan het feest van de mushriks.
De tweede keer was nadat hij de afgodsbeelden had vernietigd en zei:
“Misschien heeft hun grootste dit gedaan.” (zie Anbiyā’, 21:63)
De derde keer was toen hij over zijn vrouw Sārah zei:
“Zij is mijn zuster.”
Deze uitspraken waren in werkelijkheid geen directe leugens. Het betrof woorden met een andere bedoeling of dubbele betekenis, gebruikt om zichzelf te beschermen tegen het kwaad van anderen. Toch leken zij uiterlijk op leugens. Omdat zij uiterlijk de schijn van onwaarheid hadden, vreesde Ibrāhīm (عليه السلام) voor zichzelf.
Hoe beter een dienaar zijn Rab kent, des te groter is zijn vrees voor Hem vergeleken met anderen.
Met de uitspraak: “Ik vraag toestemming om in de maqām van mijn Rab met Hem in vertrouwelijk gesprek te treden,” wordt bedoeld: in Jannah dat Allāhu (تعالى) als verblijfplaats heeft bestemd voor Zijn geliefden. Deze maqām wordt aan Allāhu (تعالى) toegeschreven vanwege zijn eer en verhevenheid. (Uit de uitleg van al-Qastallānī.)
Dit is vergelijkbaar met het noemen van de masjid als “het Huis van Allāh” en de Kaʿbah als “het Huis van Allāh”. Deze uitdrukking wordt gebruikt om de eer en verhevenheid van die plaatsen aan te geven. Allāhu (تعالى) zegt in de Qurʾān al-Karīm:
وَإِذۡ جَعَلۡنَا ٱلۡبَيۡتَ مَثَابَةٗ لِّلنَّاسِ وَأَمۡنٗا وَٱتَّخِذُواْ مِن مَّقَامِ إِبۡرَٰهِـۧمَ مُصَلّٗىۖ وَعَهِدۡنَآ إِلَىٰٓ إِبۡرَٰهِـۧمَ وَإِسۡمَٰعِيلَ أَن طَهِّرَا بَيۡتِيَ لِلطَّآئِفِينَ وَٱلۡعَٰكِفِينَ وَٱلرُّكَّعِ ٱلسُّجُودِ ١٢٥En (gedenk) dat Wij het Huis (de Ka’ba in Mekka) tot een plaats van toevlucht en tot een veilige plaats gemaakt hebben. En neem voor jouw (mensen) de plek van Abraham als een gebedsplaats en Wij hebben Abraham en Ismaël bevolen dat zij Mijn huis moeten reinigen voor degenen die daar om heen lopen of daar verblijven of daar buigen en neerknielen. (Baqarah (2:125)
Omdat Allāhu (تعالى) in de Qurʾān al-Karīm zegt:مَن ذَا ٱلَّذِي يَشۡفَعُ عِندَهُۥٓ إِلَّا بِإِذۡنِهِ
…Wie kan bij Hem bemiddelen zonder Zijn toestemming? …
(Baqarah (2:255), zal Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) toestemming vragen aan Allāhu (تعالى) om shafāʿah te mogen doen. Daarom zal an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), nadat hem toestemming voor shafāʿah is verleend, in sajdah vallen voor Allāhu (تعالى), Hem prijzen (thanā’) en Hem loven (ḥamd). Dit doet hij vóórdat hij shafāʿah verricht.
“Daarna wordt mij toestemming gegeven,” betekent: toestemming wordt mij gegeven om shafāʿah te doen.
Zoals in de Qurʾān al-Karīm staat: “Wie kan bij Hem shafāʿah doen zonder Zijn toestemming?” (zie hierboven (Baqarah (2:255)En in een andere āyah staat:وَكَم مِّن مَّلَكٖ فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ لَا تُغۡنِي شَفَٰعَتُهُمۡ شَيۡـًٔا إِلَّا مِنۢ بَعۡدِ أَن يَأۡذَنَ ٱللَّهُ لِمَن يَشَآءُ وَيَرۡضَىٰٓ ٢٦En er zijn vele Engelen in de hemel wier bemiddeling niets baat, behalve nadat Allāh toestemming geeft voor wie Hij wil en voor wie Hem behaagt. (Najm, 53:26),
Met de woorden: “Degenen die door de Qurʾān zijn vastgehouden,” worden degenen bedoeld voor wie een eeuwig verblijf in Jahannam is vastgesteld. Dit zijn de kāfirs.Over hen zegt Allāhu (تعالى) in de Qurʾān:إِلَّا طَرِيقَ جَهَنَّمَ خَٰلِدِينَ فِيهَآ أَبَدٗاۚ وَكَانَ ذَٰلِكَ عَلَى ٱللَّهِ يَسِيرٗا ١٦٩Behalve naar de weg van Jahannam, om daarin voor altijd te verblijven en dit is zeer gemakkelijk voor Allāh. (Nisā’, 4:169)
Zij verdienen ook geen vergeving.
Want Allāhu (تعالى) zegt in de Qurʾān:إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَغۡفِرُ أَن يُشۡرَكَ بِهِۦ وَيَغۡفِرُ مَا دُونَ ذَٰلِكَ لِمَن يَشَآءُۚ وَمَن يُشۡرِكۡ بِٱللَّهِ فَقَدِ ٱفۡتَرَىٰٓ إِثۡمًا عَظِيمًا ٤٨Waarlijk, Allāh vergeeft het niet als er met Hem deelgenoten worden aanbeden, maar daarnaast vergeeft Hij wat Hij wil, en iedereen die Allāh deelgenoten toekent, heeft zeker een afschuwelijke zonde begaan. (Nisā’, 4:48)
Daarom durft niemand shafāʿah te doen voor de kāfirs. Want voor hen bestaat geen shafāʿah.Allāhu (تعالى) zegt in de Qurʾān:وَأَنذِرۡهُمۡ يَوۡمَ ٱلۡأٓزِفَةِ إِذِ ٱلۡقُلُوبُ لَدَى ٱلۡحَنَاجِرِ كَٰظِمِينَۚ مَا لِلظَّٰلِمِينَ مِنۡ حَمِيمٖ وَلَا شَفِيعٖ يُطَاعُ ١٨
En waarschuw hen (O Mohammed) voor de Dag die nadert, wanneer de harten treurig in de kelen blijven kloppen. Er zal voor de onrechtvaardigen geen vriend of bemiddelaar zijn die wordt gehoord. (Ghāfir, 40:18)
Dit ontkent in oorsprong de shafāʿah voor hen (kāfirs). Zelfs als, hypothetisch gesproken, iemand voor hen zou willen bemiddelen, zou dat hun geen nut brengen.
Want aan zo iemand zou geen toestemming voor shafāʿah worden gegeven.Allāhu (تعالى) zegt over hen in de Qurʾān:فَمَا تَنفَعُهُمۡ شَفَٰعَةُ ٱلشَّٰفِعِينَ ٤٨Dus is geen bemiddeling of geen bemiddelaar voor hen van enig nut. (Muddaththir, 74:48)
De woorden: “Daarna reciteerde hij deze āyah,” betekent dat degene die deze āyah reciteerde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zelf was. (Uit de uitleg van al-Qastallānī.)
Imām Muhammad al-Bukhari (رحمه الله) vermeldt in zijn Ṣaḥīḥ, deel 9, blz. 146 en verder, in het hoofdstuk: “Het spreken van de Rab op de Yawm al-Qiyāmah met de anbiyā en anderen”, de volgende overlevering:
336. Van … Anas (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer de Yawm al-Qiyāmah aanbreekt, zal mij de bevoegdheid tot shafāʿah worden gegeven. Dan zal ik zeggen: ‘O mijn Rab, laat degene in Jannah binnengaan die een mosterdzaadje aan īmān in zijn hart heeft.’
Zij zullen dan binnengaan.
Daarna zal ik zeggen: ‘O mijn Rab, laat degene in Jannah binnengaan die zelfs de kleinste hoeveelheid īmān in zijn hart heeft.’
Anas zei: ‘Het is alsof ik nu nog kijk naar de vingers van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم)
Uitleg van de 336ste ḥadīth
Met “de kleinste hoeveelheid īmān” wordt bedoeld dat de overtuiging in het hart van een mens aanwezig is in een mate die hem tot een muʾmin maakt. Dat wil zeggen: er bevindt zich in zijn hart voldoende īmān om hem binnen de grenzen van het geloof te brengen.
Anas zei: ‘Het is alsof ik nu nog kijk naar de vingers van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), dat betekent: terwijl Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) sprak over “de kleinste hoeveelheid”, wees hij met het topje van zijn vinger om de uiterste geringheid daarvan aan te duiden.
al-Qastallānī zegt: In andere overleveringen van deze ḥadīth wordt vermeld dat Allāhu (تعالى) aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zal bevelen om degenen uit Jahannam te halen die een hoeveelheid īmān bezitten ter grootte van een gerstkorrel, een mosterdzaadje enzovoort.
Hier wordt echter vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zelf om dit zal vragen.
Om deze verschillen met elkaar te verenigen, is gezegd: Eerst zal Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het verzoek doen zoals het hierboven is vermeld, waarna Allāhu (تعالى) hem zal antwoorden zoals in de andere overleveringen is vermeld. Allāhu (تعالى) weet het het best.
(Uit de uitleg van al-Qastallānī.)
Imām Muhammad al-Bukhari (رحمه الله) vermeldt in zijn Ṣaḥīḥ, deel 9, blz. 146, in het hoofdstuk: “Het spreken van de Rab, عز وجل, met de anbiyā en anderen op de Yawm al-Qiyāmah”, de volgende ḥadīth:
337. Van … Maʿbad ibn Hilāl al-ʿAnazī, zei: “Enkele mensen van de bewoners van Basra kwamen bijeen en wij gingen naar Anas ibnu Mālik (رضي الله عنه). Wij namen ook Sābit al-Bunānī met ons mee naar hem toe. Hij zou voor ons vragen naar de ḥadīth over de shafāʿah. Wij troffen hem aan in zijn woning. Toen wij aankwamen, verrichtte hij de ṣalāh aḍ-ḍuḥā. Wij vroegen toestemming om binnen te komen en hij gaf ons toestemming terwijl hij op zijn rustbed zat. Wij zeiden tegen Sābit: ‘Vraag hem eerst niets anders vóór de ḥadīth van de shafāʿah.’ Daarop zei Sābit: ‘O Abū Ḥamzah, dit zijn jouw broeders uit Basra; zij vragen jou naar de ḥadīth over de shafāʿah.’
Toen zei Anas (رضي الله عنه): ‘Muḥammed (صلى الله عليه وسلم) vertelde ons het volgende:
“Wanneer de Yawm al-Qiyāmah aanbreekt, zullen de mensen door elkaar heen raken. Dan zullen zij naar Ādam (عليه السلام) gaan en tegen hem zeggen: ‘Doe voor ons shafāʿah bij uw Rab.’ Hij zal zeggen: ‘Ik ben niet degene voor deze positie, maar ga naar Ibrāhīm (عليه السلام), want hij is de intieme vriend van ar-Raḥmān.’
Dan gaan zij naar Ibrāhīm (عليه السلام), maar hij zal zeggen: ‘Ik ben niet degene voor deze positie, maar ga naar Mūsā (عليه السلام), want hij is degene met wie Allāh gesproken heeft.’
Vervolgens gaan zij naar Mūsā (عليه السلام), maar hij zal zeggen: ‘Ik ben niet degene voor deze positie, maar ga naar ʿĪsā (عليه السلام), want hij is de rûh van Allāh en Zijn woord.’
Daarna gaan zij naar ʿĪsā (عليه السلام), maar hij zal zeggen: ‘Ik ben niet degene voor deze positie, maar ga naar Muḥammed (صلى الله عليه وسلم).’
Dan komen zij naar mij en ik zal zeggen: ‘Ik ben degene voor deze positie.’
Vervolgens vraag ik toestemming om voor mijn Rab te verschijnen.
Op dat moment worden mij bepaalde woorden van lofprijzing ingegeven die ik nu nog niet ken. Met die lofprijzingen prijs ik mijn Rab.
Daarna werp ik mij neer in sajdah.
Dan wordt er gezegd: ‘O Muḥammed, hef jouw hoofd op, spreek, jouw woorden zullen worden gehoord; vraag, jij zult krijgen wat je vraagt; verricht shafāʿah, jouw shafāʿah zal worden aanvaard.’
Dan zeg ik: ‘O mijn Rab, mijn ummah! Mijn ummah!’
Daarop zegt Allāhu (تعالى): ‘O Muḥammed, ga en haal iedereen daaruit, dat wil zeggen uit Jahannam, in wiens hart īmān aanwezig is ter grootte van een gerstekorrel.’
Ik zal dan gaan en uitvoeren wat mij bevolen is. Vervolgens keer ik terug en prijs ik Hem opnieuw met dezelfde woorden van lofprijzing. Daarna werp ik mij opnieuw neer in sajdah. Dan wordt gezegd: ‘O Muḥammed, hef jouw hoofd op, spreek, jouw woorden zullen worden gehoord; vraag, jij zult krijgen wat je vraagt; doe shafāʿah, jouw shafāʿah zal worden aanvaard.’
Dan zeg ik: ‘O mijn Rab, mijn ummah! Mijn ummah!’
Allāhu (تعالى) zal zeggen: ‘Ga en haal iedereen daaruit, uit Jahannam, in wiens hart een hoeveelheid īmān aanwezig is ter grootte van een atoomdeeltje of ter grootte van een mosterdzaadje.’
Ik zal dan gaan en uitvoeren wat mij bevolen is. Daarna keer ik opnieuw terug en prijs ik Hem met dezelfde woorden van lofprijzing. Vervolgens werp ik mij neer in sajdah. Dan zegt Allāhu (تعالى): ‘O Muḥammed, hef jouw hoofd op; spreek, jouw woorden zullen worden gehoord; vraag, jij zult krijgen wat je vraagt; doe shafāʿah, jouw shafāʿah zal worden aanvaard.’
Dan zeg ik: ‘O mijn Rab, mijn ummah! Mijn ummah!’
Daarop zegt Allāh Celle ve ʿAlā: ‘Ga en haal iedereen eruit bij wie īmān aanwezig is, al is het nog veel, veel, veel kleiner dan een mosterdzaadje. Haal hen uit Jahannam.’
Ik zal dan gaan en dit uitvoeren.”
De rāwī zei: Toen wij bij Anas (رضي الله عنه) vandaan gingen, zei ik tegen enkele van mijn metgezellen: ‘Laten wij ook langs al-Ḥasan (al-Baṣrī) gaan; hij verblijft teruggetrokken in het huis van Abū Khalīfah. Dan kunnen wij hem de ḥadīth vertellen die Anas ibnu Mālik (رضي الله عنه) ons heeft overgeleverd.’
Wij gingen naar hem toe, gaven salām en hij gaf ons toestemming binnen te komen. Wij zeiden tegen hem: ‘O Abū Saʿīd, wij komen van jouw broeder Anas ibnu Mālik (رضي الله عنه), en wij hebben nog nooit iets dergelijks gehoord over de shafāʿah als wat hij ons heeft verteld.’
Hij zei: ‘Lees het mij voor.’
Wij vertelden hem de ḥadīth en lazen tot aan het gedeelte dat hierboven genoemd is. Toen zei hij: ‘Lees verder.’
Wij antwoordden: ‘Meer dan dit heeft hij niet verteld.’
Daarop zei hij: ‘Twintig jaar geleden heeft hij mij deze ḥadīth volledig verteld.
Ik weet niet of hij het vergeten is of dat hij het niet volledig wilde vertellen uit vrees dat jullie moe zouden worden.’
Wij zeiden: ‘Vertel jij het ons dan.’
Hij glimlachte en zei: ‘De mens is geschapen als een haastig wezen. Ik herinnerde jullie hier slechts aan omdat ik het jullie wilde overleveren.’
Vervolgens zei hij: ‘Hij heeft het mij overgeleverd zoals hij het aan jullie heeft overgeleverd, en daarna vervolgde hij: “Daarna keer ik voor de vierde keer terug. Ik prijs Hem opnieuw met dezelfde woorden van lofprijzing. Daarna werp ik mij neer in sajdah voor Hem. Dan wordt gezegd: ‘O Muḥammed, hef jouw hoofd op; spreek, jouw woorden zullen worden gehoord; vraag, jij zult krijgen wat je vraagt; doe shafāʿah, jouw shafāʿah zal worden aanvaard.’
Dan zeg ik: ‘O mijn Rab, geef mij toestemming betreffende iedereen die “Lā ilāha illallāh (er is geen godheid behalve Allāh) heeft gezegd.’
Daarop zegt Allāhu (تعالى): ‘Bij Mijn ʿIzzah, Mijn Majesteit, Mijn Verhevenheid en Mijn Grootheid (zweer Ik): “Ik zal iedereen die “Lā ilāha illallāh” heeft gezegd daaruit, uit Jahannam, halen.”
Uitleg van de 337ste ḥadīth
“Wanneer de Yawm al-Qiyāmah aanbreekt, zullen de mensen door elkaar heen raken,” dat wil zeggen: door de hevigheid van die Dag zullen zij in verwarring en chaos met elkaar verstrikt raken.
In deze overlevering wordt vermeld dat Ādam (عليه السلام) zal zeggen: “Ga naar Ibrāhīm (عليه السلام).” In andere overleveringen staat echter dat Ādam (عليه السلام) de mensen naar Nūḥ (عليه السلام) zal sturen. Wij zeggen: het is mogelijk dat Ādam (عليه السلام) zal zeggen: “Ga naar Nūḥ of naar Ibrāhīm.” De overleveraars hebben de ḥadīth samengevat overgeleverd, waardoor de naam van Nūḥ (عليه السلام) hier is weggelaten. Of het kan zijn dat sommige overleveraars Nūḥ (عليه السلام) per vergissing hebben overgeslagen. Allāh (تعالى) weet het het beste.
“Dan vraag ik toestemming om voor mijn Rab te verschijnen,” dat wil zeggen: om toestemming voor shafāʿah te vragen. Deze shafāʿah is bedoeld om het oordeel tussen de mensen te bespoedigen. Hierover is eerder al voldoende uitleg gegeven. Al-Bazzār vermeldt in zijn Musnad dat Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zal zeggen: “O mijn Rab, bespoedig de afrekening van de schepselen.”
Daarna zal elke ummah met datgene meegaan waaraan zij aanbidding verrichtte. Vervolgens zal Jahannam gebracht worden, de Weegschalen (Mīzān) worden opgesteld, de Bladen (Suhûf) worden uitgedeeld en de Brug (Ṣirāṭ) wordt geplaatst; zo gebeuren ook al deze afschrikwekkende gebeurtenissen. De opstandigen zullen Jahannam binnengaan.
Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) legt in de daaropvolgende woorden de overige vormen van shafāʿah uit.
“al is het nog veel, veel, veel kleiner dan een mosterdzaadje īmān.” In sommige versies wordt het woord “veel” twee keer herhaald, en in de overlevering van al-Kushmayhanī zelfs drie keer. Al-Qasṭallānī zegt: de herhaling dient ter benadrukking van de kleinheid. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zelfs voor degene met extreem weinig īmān shafāʿah zal doen. Deze zeer geringe hoeveelheid īmān bestaat enkel uit het bevestigen van wat Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gebracht, zonder dat dit met daden wordt ondersteund.
In de overlevering wordt vermeld dat al-Ḥasan al-Baṣrī (رحمه الله) zich in het huis van Abū Khalīfah terugtrok.
Deze Abū Khalīfah is Abū Khalīfah at-Ṭā’ī. De reden dat al-Ḥasan al-Baṣrī zich daar terugtrok, was uit angst voor al-Ḥajjāj az-Zālim (de tiran).
Wanneer er gezegd wordt: ‘Iedereen die zegt: er is geen godheid dan Allāh,’ dan worden daarmee degenen bedoeld die deze uitspraak samen met de woorden ‘Muḥammed is Zijn Rasūl en Zijn Nabī’ hebben gezegd.
Het verzoek van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم): “O mijn Rab, geef mij toestemming voor iedereen die zegt: er is geen godheid dan Allāh,” wordt beantwoord met de woorden van Allāhu (تعالى): “Bij Mijn ʿIzzah (Eer), Mijn Majesteit, Mijn Verhevenheid en Mijn Grootheid, (zweer Ik): Ik zal iedereen die “Lā ilāha illallāh” heeft gezegd daaruit, uit Jahannam, halen.’
De betekenis hiervan is: “Dit zal jij niet kunnen doen; dat wil zeggen: niet door jouw shafāʿah, maar Ik zal dit uit Mijzelf doen. Ik zal dit doen omwille van de verhevenheid van Mijn Naam en de majesteit van Mijn Tawḥīd.”
Degene die uit Jahannam wordt gehaald vanwege het zeggen van “er is geen godheid dan Allāh”, is degene die deze uitspraak ook met zijn hart bevestigt. De munāfiq die het alleen met zijn tong zegt maar niet met zijn hart gelooft, zal dit weldaad/gunst (ni`mah) niet bereiken. Daarom heeft Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) gezegd: “De meest begunstigde van de mensen door mijn shafāʿah op Yawm al-Qiyāmah is degene die met oprechte overtuiging en vanuit zijn hart zegt: “Lā ilāha illā Allāh.”
Degenen die de goddelijke gunst van Allāhu (تعالى) zullen ontvangen, zijn degenen die deze uitspraak met hun hart geloven (en bevestigen), ook al heeft dit geloof zich niet volledig zichtbaar gemaakt in hun daden. Degene die echter voordeel zal hebben van de shafāʿah van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) is degene wiens geloof (īmān) zich ook heeft geuit in goede daden.
Dit wordt vermeld in Sharḥ al-Mishkāt. Allāh (تعالى) weet het het beste. (Uit de uitleg van al-Qastallānī.)
De ahadith over de shafāʿah zoals vermeld in Ṣaḥīḥ Muslim
Volgens de marginale aantekeningen van al-Qasṭallānī, deel 2, p. 107, in het hoofdstuk: "Het bewijs dat de muʾmins hun Rabb سبحانه وتعالى (Verheven en vrij van alle tekortkomingen is Hij, en Hoogverheven is Hij) in het Hiernamaals zullen zien":
338. Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه), hij zei:
“Enkele mensen vroegen aan Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم): ‘O Rasūlullāh, zullen wij onze Rab op de Yawm al-Qiyāmah zien?’
Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: ‘Hebben jullie moeite om de maan te zien op de veertiende nacht (van de maan-maand?’ Zij zeiden: ‘Nee, o Rasūlullāh.’ Hij zei: ‘Hebben jullie moeite om de zon te zien wanneer er geen wolken voor staan?’ Zij zeiden: ‘Nee.’ Daarop zei hij: ‘Zo zullen jullie Hem zien.’(Dat wil zeggen: zoals jullie geen moeite hebben om de maan en de zon op die momenten te zien, zo zullen jullie ook geen moeite hebben om Allāhu (تعالى) op Yawm al-Qiyāmah te zien.)
Allāhu (تعالى) zal dan zeggen: ‘Laat iedereen zich aansluiten bij datgene (waaraan hij in de wereld) aanbad/diende.’ Degene die de zon aanbad zal de zon volgen, degene die de maan aanbad zal de maan volgen, en degene die de ṭāghūten afgodsbeelden aanbad zal hen volgen. Alleen deze ummah blijft over, samen met de munāfiqs.
Dan zal Allāh (تبارك وتعالى ) (Gezegend en Hoogverheven is Hij) zich aan hen manifesteren/openbaren in een vorm die anders is dan wat zij eerder kenden, en Hij zal zeggen: ‘Ik ben jullie Rab.’ Zij zullen zeggen: ‘Wij zoeken toevlucht bij Allāh tegen jou. Wij blijven hier totdat onze Rab zich aan ons openbaart; wanneer Hij zich openbaart, zullen wij Hem herkennen.’
Daarna zal Allāh zich aan hen openbaren in de vorm die zij kennen en zeggen: ‘Ik ben jullie Rab.’ Zij zullen zeggen: ‘U bent onze Rab,’ en zij zullen Hem volgen.
Dan wordt de ṣirāṭ boven Jahannam geplaatst. Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zijn ummah zullen de eersten zijn die eroverheen gaan. Op die Dag zal niemand spreken behalve de anbiyā, en hun duʿā zal zijn: ‘Allāhumm sallim, sallim (O Allāh, red ons, red ons).’
In Jahannam zijn er grote haken die lijken op de doorns van de saʿdān-plant.
Wanneer hem gevraagd werd: ‘Ziet u de saʿdān-doorns?’ antwoordden zij: ‘Ja, o Rasūlullāh.’ Hij zei: ‘Zo zijn die haken, maar hun grootte kent alleen Allāh.’
De haken grijpen de mensen naar gelang hun daden. Er blijven degenen over die door hun daden worden gevolgd. Er zijn er die vanwege hun daden straf zullen ondergaan en vervolgens worden gered.
Wanneer Allāhu (تعالى) Zijn oordeel tussen Zijn dienaren voltooid heeft en Hij sommige mensen uit Jahannam wil verwijderen door Zijn barmhartigheid, beveelt Hij de engelen om degenen uit Jahannam te halen die geen deelgenoot aan Allāh hebben toegekend (shirk) en over wie Allāh barmhartigheid wil tonen.
Dit zijn degenen die “lā ilāha illallāh” hebben gezegd. De engelen herkennen hen in Jahannam aan de sporen van de sajdah op hun gezicht. Het vuur verbrandt alles van de zoon van Ādam behalve de plaatsen van de sajdah; Allāh heeft het vuur verboden die te verbranden.
Zij worden uit Jahannam gehaald terwijl hun huid verbrand en verschroeid is. Vervolgens wordt er levenswater over hen gegoten en zij groeien weer zoals zaden die groeien in aarde die door een stroom is meegevoerd.
Daarna voltooit Allāh Zijn oordeel onder Zijn dienaren. Er blijft nog één man over met zijn gezicht naar Jahannam gericht; hij is de laatste van de lieden van de Jannah die de Jannah binnengaat.
Hij zegt: ‘O mijn Rab, keer mijn gezicht weg van Jahannam; haar wind heeft mij verbrand en haar vuur heeft mij geraakt.’ Hij blijft Allāh (تعالى) zo smeken zolang Allāh wil.
Dan zegt Allāhu (سبحانه وتعالى ): ‘Als Ik jou dit geef, zul je dan nog iets anders vragen?’ Hij zegt: ‘Nee, bij Uw ʿIzzah, ik zal niets anders vragen,’ en hij geeft zijn eed en belofte aan zijn Rab.
Allāh (تعالى) keert dan zijn gezicht weg van Jahannam. Wanneer hij de kant van de Jannah ziet, blijft hij een tijd zwijgen uit verwondering. Daarna zegt hij: ‘O mijn Rab, breng mij dichter bij de poort van de Jannah.’
Allāh (تعالى) zegt: ‘Heb jij niet gezworen dat je niets anders zou vragen dan wat Ik je gegeven heb? Wee jou, o zoon van Ādam, hoe vaak breek jij je belofte niet!’
Hij blijft smeken totdat Allāhu (تعالى) zegt: ‘Als Ik dit voor jou doe, zul je dan nog iets vragen?’ Hij zegt: ‘Nee, bij Uw ʿIzzah, nee.’ Hij geeft opnieuw zijn belofte.
Daarop brengt Allāh (تعالى) hem tot aan de poort van de Jannah. Wanneer de man bij de poort van de Jannah stildaar staat, worden hem al de schoonheden van de Jannah zichtbaar”
Hij ziet het goede en de vreugde daarin. Vervolgens zwijgt hij zolang Allāhu (تعالى) wil. Daarna zegt hij: “O mijn Rab, laat mij de Jannah binnengaan.”
Dan zegt Allāh (تبارك وتعالى ): “Heb jij Mij niet plechtig beloofd en een verbond met Mij gesloten dat je niets anders meer van Mij zou vragen dan wat Ik je reeds gegeven heb? Wee jou, o zoon van Ādam, hoe weinig houd jij je aan je woord!”
De man zegt: “O mijn Rab, laat mij niet de meest ellendige van Uw schepselen zijn.”
En hij blijft zijn Rab smeken en aanroepen, totdat Allāhu (تعالى) om hem lacht. Wanneer Allāhu (تعالى) om hem lacht, zegt Hij tegen hem: “Ga de Jannah binnen.”
Wanneer hij de Jannah binnengaat, zegt Allāhu (تعالى) tegen hem: “Wens wat je wilt.”
Daarop vraagt hij zijn Rab en uit hij zijn wensen.Allāhu (تعالى) herinnert hem zelfs aan bepaalde zaken door te zeggen: “Vraag ook dit en dit.”
Zo gaat het door totdat zijn wensen uitgeput zijn. Dan zegt Allāh (تبارك وتعالى ): “Dit alles is voor jou, en nog eens evenveel daarbij.”
De overleveraar ʿAṭā’ ibn Yazīd zei: Abū Hurayrah (رضي الله عنه) vertelde deze ḥadīth terwijl Abū Saʿīd (رضي الله عنه) bij hem zat. Totdat Abū Hurayrah de uitspraak bereikte: “en nog eens het dubbele daarvan”, maakte Abū Saʿīd geen bezwaar tegen iets van zijn woorden.
Toen hij dit echter hoorde, zei Abū Saʿīd: “Nee, tienmaal zoveel, o Abū Hurayrah.” Abū Hurayrah zei: “Ik heb alleen onthouden dat er staat: dit en nog eens het dubbele daarvan.”
Abū Saʿīd (رضي الله عنه) zei: “Ik getuig dat ik van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heb onthouden dat Hij zei: ‘dit en tienmaal zoveel is voor jou.”
Abū Hurayrah (رضي الله عنه) zei ook: “Deze man is de laatste van de mensen van Jannah die Jannah zal binnengaan.”
Uitleg van de 338ste ḥadīth
Deze uitleg van de ḥadīth is overgenomen uit de Sharh Sahîh Muslim van an-Nawawī (C.2, p.108).
Over de “ṭāghût” zeggen al-Layth, Abū ʿUbaydah, al-Kisāʾī en enkele taalkundigen: de ṭāghût is alles wat naast Allāhu (تعالى) wordt aanbeden. Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), Muqātil en al-Kalbī zeiden: de ṭāghût is de shayṭān. Er wordt ook gezegd dat de ṭawāghīt afgoden zijn. Allāhu (تعالى) zegt in de Qurʾān:
يُرِيدُونَ أَن يَتَحَاكَمُوٓاْ إِلَى ٱلطَّٰغُوتِ وَقَدۡ أُمِرُوٓاْ أَن يَكۡفُرُواْ بِهِۦۖ…Zij willen een oordeel (in hun geschillen) van de valse rechters, terwijl hun bevolen is deze te verwerpen… (Nisā’, 4:60)
Hier is ṭāghût in enkelvoud gebruikt. Het is ook in meervoud gebruikt. In de āyah met de betekenis:
وَٱلَّذِينَ كَفَرُوٓاْ أَوۡلِيَآؤُهُمُ ٱلطَّٰغُوتُ يُخۡرِجُونَهُم مِّنَ ٱلنُّورِ إِلَى ٱلظُّلُمَٰتِۗ…(En voor) de ongelovigen zijn er bondgenoten van de Thaghōets. Zij leiden hen van het licht naar de duisternis …(Baqarah, 2:257)
is het in meervoud gebruikt.
“Er blijft niemand over behalve deze ummah, waaronder zich ook de munāfiqs bevinden.” De geleerden zeggen: de munāfiqs zullen in het Hiernamaals, vóór de afrekening, zich onder de mu’mins bevinden, omdat zij zich in de wereld ook tussen de mu’mins verborgen hielden. Ook in het Hiernamaals zullen zij zich op dezelfde manier onder de mu’mins verbergen, zij zullen hun weg volgen en zich bij hun groep voegen en hun nûr binnengaan.
Daarna zal er echter een muur tussen hen geplaatst worden met een poort.
De binnenkant daarvan is genade en de buitenkant is bestraffing.
De munāfiqs zullen buiten blijven en hun nûr zal van hen gescheiden worden.
Sommige geleerden zeggen: degenen die van de ḥawḍ van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) worden weggejaagd zijn zij. Er zal tegen hen gezegd worden: “Houd afstand, houd afstand.” En Allāhu (تعالى) weet het het best.
(Over de kwestie van de vorm en manifestatie van Allāhu (تعالى) worden hier de meningen van de salaf en khalaf-geleerden uiteengezet. Omdat dezelfde uitleg al eerder in de commentaren op eerdere aḥadīth is behandeld, wordt het hier niet opnieuw herhaald – vertaler.)
“Zij zeggen: U bent onze Rab, en zij volgen Hem,” dat wil zeggen: zij volgen Zijn bevel om Jannah binnen te gaan. Of zij volgen de engelen die hen naar Jannah zullen leiden.
“Er wordt een brug genaamd Sırât boven Jahannam gespannen.” Uit deze uitspraak blijkt dat de Sırât zeker zal worden geplaatst. De Ahl Allāh (Ahl al-Sunnah) is op dit geloof. De salaf zijn het unaniem eens (ijmāʿ) over het bestaan van de Sırât, een brug die boven Jahannam wordt geplaatst. Alle mensen zullen eroverheen gaan. De mu’mins worden gered naargelang hun toestand; dat wil zeggen, zij worden op verschillende manieren gered in overeenstemming met hunn graden. De anderen vallen in Jahannam. O Allāh bescherm ons door Uw gunst, Uw edelmoedigheid en Uw barmhartigheid tegen het vallen in de Jahannam van de Sırât. Āmīn.
“Op die dag zijn de smeekbeden van de anbiyā: ‘O Allāh, red ons, red ons’.” Dat zij dit zeggen komt door hun uiterste barmhartigheid en mededogen met de mensen. Hieruit blijkt dat smeekbeden (adʿiyah, m.v. van duʿāʾ) verschillen naargelang de plaats (waar ze verricht worden) en situatie; op elke plek wordt een smeekbede verricht die past bij die situatie.
“De haken grijpen de mensen naar gelang hun daden,” dat wil zeggen: zij grijpen hen naar hun slechte daden, of naar de mate van hun daden.
“Het vuur van Jahannam verteert (verbrandt) alles van de zoon van Ādam behalve de sporen van de sajdah.” Volgens de letterlijke betekenis van deze uitspraak verbrandt het vuur van Jahannam niet de zeven lichaamsdelen waarop sajdah wordt verricht. Sommige geleerden hebben dit zo uitgelegd. Qāḍī ʿIyāḍ heeft deze opvatting echter verworpen en gezegd dat met de sporen van sajdah alleen het voorhoofd wordt bedoeld.
“Wanneer Allāhu (تعالى) naar hem lacht.” De geleerden zeggen: het lachen van Allāhu (تعالى) betekent Zijn welbehagen over hem, het schenken van Zijn gunsten en het verhoren van zijn smeekbeden.
“Allāhu (تعالى) herinnert hem zelfs aan bepaalde zaken door te zeggen: “Vraag ook dit en dit,”
dat wil zeggen: Allāhu (تعالى) somt voor hem de verschillende soorten gunsten op en maakt hem duidelijk dat hij hiervan moet vragen.
339.Van …Abū Hurayra (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De laagste positie van iemand in Jannah is dat (Allāhu (تعالى) hem vraagt: ‘Doe een verzoek.’ Hij (de dienaar) vraagt, en blijft vragen. Uiteindelijk vraagt (Allāhu (تعالى): ‘Heb je al een verzoek?’ Hij zegt: ‘Ja.’ Dan zegt Allāhu (تعالى): “Al wat je hebt verzocht is voor jou, en daarboven nog eens zoveel.”
340. Van … Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه), hij zei: Tijdens de tijd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) waren er enkele mensen die vroegen: “O Rasûlullāh, zullen wij onze Rab op Yawm al-Qiyāmah zien?”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ja.”
Hij vroeg: “Hebben jullie moeite om de zon te zien wanneer zij op het middaguur staat, de hemel helder is en er geen wolken zijn?”
Zij zeiden: “Nee, o Rasûlullāh.”
Hij zei: “En hebben jullie moeite om de maan te zien in de veertiende nacht wanneer de hemel helder is?”
Zij zeiden: “Nee.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Zoals jullie geen moeite hebben om één daarvan te zien, zo zullen jullie ook geen enkele moeite hebben om Allāh تبارك وتعالى te zien.”
Op Yawm al-Qiyāmah roept een roeper (munādī): “Laat iedere gemeenschap volgen wat zij (op aarde) aanbaden.”
Allen die iets anders dan Allāh aanbidden, of dat nu afgoden zijn of opgerichte stenen, worden stuk voor stuk in Jahannam geworpen, zonder dat er iemand achterblijft.
Uiteindelijk blijven alleen over degenen die Allāh alleen aanbaden, zowel de muʾmins als de zondaren, samen met de overblijfselen van de Ahl al-Kitāb.
Dan worden de joden geroepen en gevraagd: “Wat aanbaden jullie?”
Zij zeggen: “Wij aanbaden ʿUzayr, de zoon van Allāh.”
Er wordt gezegd: “Jullie hebben gelogen. Allāh heeft geen partner en geen kind. Wat willen jullie?”
Zij zeggen: “Wij hebben dorst, o onze Rab, geef ons te drinken.”
Er wordt gezegd: “Ga daarheen.”
Er wordt naar hen gewezen en men zegt: ‘Zullen jullie daar niet aankomen?’
Dan stormen zij op Jahannam af.
Die is als een luchtspiegeling.
Ze dringen elkaar opzij en vallen achtereenvolgens in Jahannam
Daarna worden de christenen geroepen: “Wat aanbaden jullie?”
Zij zeggen: “Wij aanbaden al-Masīḥ, de zoon van Allāh.”
Er wordt gezegd: “Jullie hebben gelogen. Allāh heeft geen partner en geen kind. Wat willen jullie?”
Zij zeggen: “O onze Rab, wij hebben dorst, geef ons te drinken.”
Er wordt gezegd: “Ga daarheen.”
Er wordt naar hen gewezen en men zegt: ‘Zullen jullie daar niet aankomen?’
Dan stormen zij op Jahannam af.
Die is als een luchtspiegeling.
Ze dringen elkaar opzij en vallen achtereenvolgens in Jahannam
Terwijl de goeden en de zondaars allemaal aanwezig zijn en niemand meer overblijft behalve degenen die niets anders dan Allāh hebben aanbeden, openbaart de Rab der werelden, سبحانه وتعالى, Zich aan hen in de laagste vorm die zij zien, en zegt:
“Waar wachten jullie op? Elke gemeenschap volgt datgene wat zij heeft aanbeden.”
Zij zeggen: “Wij hebben hen in de wereld verlaten toen wij hen het meest nodig hadden.”
Allāhu (تعالى) zegt: “Ik ben jullie Rab.”
Zij zeggen: “Wij zoeken toevlucht bij Allāh tegen jou; wij kennen geen deelgenoot toe met Allāh (shirk).” Dit herhalen zij twee of drie keer.
Aan het einde lijkt het erop dat enkelen onder hen zullen terugdeinzen.
Dan zegt Allāhu (تعالى): “Bestaat er tussen jullie en Hem een teken waardoor jullie Hem kunnen herkennen?”Zij zeggen: “Ja.”Dan onthult Hij Zijn Scheenbeen (as-Sāq). Allāh geeft toestemming aan iedereen die hier op aarde oprecht en van harte sajdah deed, om daar ook neer te buigen; en zo knielen zij allemaal neer. Wat degenen betreft die hier op aarde neerbogen uit vrees voor anderen of om te pronken (riyāʾ): Allāhu (تعالى) maakt hun ruggen tot één geheel, en telkens wanneer zij willen sajdah doen, storten zij op hun nek.”Na sajdah te hebben verrichten, heffen zij hun hoofden op, en dan is de openbaring/ verschijnen (tajallī) van Allāhu (تعالى) verandert naar de vorm die zij eerst hebben gezien. Al-Ḥaqu (تعالى) zegt: “Voorwaar, Ik ben jullie Rab.”Zij zeggen: “U bent onze Rab.”Vervolgens wordt er een Brug (Sirāt) over Jahannam gelegd en wordt het recht tot shafāʿah verleend. (De bemiddelaars) zeggen: “O Allāh, red (ons), red (ons).”Aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) werd gevraagd: “Wat wordt bedoeld met de Brug?”An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het is iets dat los en glibberig is. Daarop bevinden zich haken en klemmen van het soort gereedschap dat op een tang lijkt. Ook zijn er doornen zoals die van de doornige boom die in Nadj groeit en die Sidān wordt genoemd. De mu’mins zullen eroverheen gaan met de snelheid van het knipperen van het oog, of als een bliksemflits, of als de wind, of als een vogel, of als een snelle renpaard, of als een rijdierpaard.
Een deel van hen wordt gered in veiligheid, een deel raakt gewond terwijl zij eroverheen gaan, en een deel valt in het vuur van Jahannam.
Bij Allāh, in Wiens Hand mijn rûh is, de smeekbede en het smeken van iemand van jullie in de wereld om zijn recht terug te krijgen of om een onduidelijke kwestie duidelijk te maken, is niet intenser of hardnekkiger dan zijn smeekbede en smeking op Yawm al-Qiyāmah om shafāʿah te doen voor de muʾmins die in Jahannam zijn beland.”
De mu’mins zeggen over hun broeders: “Onze Rab, zij vastten met ons, verrichtten de ṣalāh met ons en verrichtten de ḥaj met ons.”Dan wordt tegen hen gezegd: “Ga en haal degenen die jullie herkennen eruit.”Hun huiden worden verboden voor het vuur van Jahannam (dat wil zeggen: wanneer zij hun broeders uit Jahannam halen, zal het vuur hen niet aantasten).Veel mensen zullen zij daaruit halen. Het vuur van Jahannam zal hen bereiken tot halverwege hun kuiten en tot aan hun knieën.Daarna zeggen zij: “Onze Rab, er is niemand meer in Jahannam achtergebleven van degenen over wie U ons bevel hebt gegeven.”Al-Ḥaqu (تعالى) zegt: “Ga opnieuw en haal eruit wie in zijn hart het gewicht van een dīnār aan goedheid (khayr) heeft.”Zij halen een grote groep mensen eruit.Dan zeggen zij: “Onze Rab, wij hebben niemand meer achtergelaten van degenen over wie U ons bevel hebt gegeven.”Vervolgens zegt Allāhu (تعالى): “Ga opnieuw en haal eruit wie in zijn hart het gewicht van een halve dīnār aan goedheid (khayr) Zij halen opnieuw een grote menigte eruit.Dan zeggen zij: “Onze Rab, wij hebben geen enkele persoon met goedheid daarin achtergelaten.”Abū Saʿīd (رضي الله عنه) zei: Als jullie mij hierin niet geloven, lees dan de āyah:إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَظۡلِمُ مِثۡقَالَ ذَرَّةٖۖ وَإِن تَكُ حَسَنَةٗ يُضَٰعِفۡهَا وَيُؤۡتِ مِن لَّدُنۡهُ أَجۡرًا عَظِيمٗا ٤٠Zeker!
Allāh doet zelfs geen kwaad ter grote van een atoom, maar als er iets goeds gedaan wordt,verdubbelt Hij het en geeft Hij een grote beloning. (Nisāʾ, 4:40)
Daarna zegt Allāhu (عز وجل) (De Almachtige en Majestueuze): “De malāʾikah hebben shafāʿah verricht, de anbiyāʾ hebben shafāʿah verricht, de muʾmins hebben shafāʿah verricht, en nu blijft alleen de shafāʿah van de Meest Barmhartige der Barmhartigen (Arḥamu r-rāḥimīn) over.”Dan neemt Hij een handvol uit Jahannam en haalt daar een groep uit die nooit enige goedheid (khayr) heeft gekend. Zij zijn in verkoolde staat. Hij werpt hen in een rivier bij de poorten van de Jannah, die de “rivier van het leven” (nahr al-ḥayāh) wordt genoemd. Zij komen eruit zoals een zaad dat door de vloed wordt meegevoerd. Zoals je ziet: de kant van een steen of boom die naar de zon is gericht wordt licht (de plant) geelgroen, en de schaduwzijde wordt (de plant) wit.
De mensen zeiden: “O Rasūlullāh, het lijkt alsof u in de woestijn hebt gehoed.”Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) vervolgde: “Zij komen eruit als parels. Om hun halzen bevinden zich zegels, en de mensen van de Jannah herkennen hen. Dit zijn de vrijgelatenen van Allāh. Zonder enige goede daad (ʿamal as-sālih) die zij verricht hebben en zonder enige goedheid (khayr) die zij vooruitgezonden hebben, heeft Allāh hen in de Jannah gebracht.”Daarna zegt Allāhu hen: “Ga de Jannah binnen; wat jullie zien is van jullie.”Zij zeggen: “Onze Rab, U heeft ons gegeven wat U niemand van de werelden hebt gegeven.”Er wordt gezegd: “Bij Mij is er nog iets dat nog hoger is dan dit.”Zij zeggen: “Onze Rab, wat kan nog hoger zijn dan dit?”Allāhu (تعالى) zegt: “Mijn riḍā (welbehagen). Vanaf nu zal Ik nooit meer toornig op jullie zijn.”In een overlevering is er de toevoeging:“Zonder enige daad te hebben verricht en zonder enig goedheid vooruit te hebben gezonden, heeft Allāh hen in Zijn Jannah gebracht. Tegen hen wordt gezegd: ‘Dit wat jullie zien en nog eens zoveel daarvan is voor jullie.”
Uitleg van de 340ste ḥadīth
“Het is als een luchtspiegeling (sarāb). Zij duwen elkaar,” dat wil zeggen: de kāfirs komen dorstig naar Jahannam en denken dat het water is; zij springen erin. Door de hevigheid van het vuur duwen zij elkaar naar binnen.
“De Rab der werelden openbaart Zich aan hen in de laagste vorm die zij zien.”Hier betekent “vorm” (ṣūrah) een eigenschap (ṣifah). “Wat zij zien” verwijst naar wat zij eerder kenden van de eigenschappen. Allāh wordt nergens mee vergeleken en niets is aan Hem gelijk.
De muʾmins zien op de Qiyāmah eerst een verschijning die niet overeenkomt met de eigenschappen die zij in de wereld kenden (of, zoals eerder vermeld, dat een van Zijn engelen verscheen). Daarom zoeken zij toevlucht bij Allāh en zeggen zij twee of drie keer: “Wij kennen geen deelgenoten toe aan Allāh (shirk).”
“Hij onthult Zijn Scheenbeen (as-Sāq).”: Ibn ʿAbbās en de meerderheid van de taalkundigen hebben as-Sāq hier uitgelegd als “ernst, hevigheid,” dat wil zeggen: er verschijnt een toestand van grote ernst en angst.De Arabieren gebruiken dit als uitdrukking in moeilijke situaties, zoals: “De oorlog werd ernstig (qāmat al-ḥarb ʿalā sāq).” De oorsprong hiervan is dat, als een mens in een zeer zware situatie terechtkomt en het benauwd krijgt, slaat hij de mouwen op en legt hij zijn onderbenen bloot.“Een deel van hen wordt gered in veiligheid, een deel raakt gewond terwijl zij eroverheen gaan, en een deel valt in het vuur van Jahannam,” dat wil zeggen: degenen die over de Brug (aṣ-Ṣirāṭ) gaan, bevinden zich in drie categorieën: sommigen steken hem over in volledige veiligheid zonder iets te ervaren wat zij haten; sommigen raken gewond maar komen uiteindelijk toch veilig aan de overkant en bereiken de redding; en sommigen worden gegrepen en in het vuur van Jahannam geworpen.
“De smeekbede en het smeken van iemand van jullie in de wereld om zijn recht terug te krijgen of om een onduidelijke kwestie duidelijk te maken, is niet intenser of hardnekkiger dan zijn smeekbede en smeking op Yawm al-Qiyāmah om shafāʿah te doen voor de muʾmins die in Jahannam zijn beland,” dat wil zeggen: wanneer iemand van jullie in de wereld met een probleem wordt geconfronteerd of wanneer een situatie onduidelijk wordt, dan smeekt hij tot Allāhu (تعالى) en dringt hij sterk aan zodat de waarheid duidelijk wordt en het recht van de rechtmatige persoon wordt vastgesteld.
Maar op Yawm al-Qiyāmah zal dezelfde persoon nog sterker en intensiever smeken om shafāʿah voor zijn broeders uit de muʾmins die in Jahannam zijn beland.
In sommige andere overleveringen van deze ḥadīth wordt ditzelfde punt weergegeven door het voorbeeld van hoe sterk iemand in de wereld zijn recht opeist. In die versies betekent de zin dat wanneer iemand in de wereld een recht bij een ander heeft, hij uiterst vasthoudend en intens probeert dat recht te verkrijgen. Maar op Yawm al-Qiyāmah zal zijn smeken tot Allāh voor shafāʿah voor zijn broeders die in Jahannam zijn beland nog veel sterker en indringender zijn dan dat. (uit de Sharḥ van Ṣaḥīḥ Muslim van an-Nawawī)
“Hij neemt een handvol uit Jahannam,” dat wil zeggen: hij verzamelt een groep uit degenen die in Jahannam bestraffing ondergaan en haalt hen uit het Vuur. Dit zijn degenen die wel imān hebben, maar geen enkele goede daad hebben verricht.
De mensen zeiden: “O Rasūlullāh, het lijkt alsof u in de woestijn hebt gehoed,” dat wil zeggen: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beschreef de planten en kenmerken van de woestijn zo nauwkeurig en duidelijk, dat het leek alsof hij daar lange tijd was geweest en het gebied goed had bestudeerd.
“Om hun halzen bevinden zich zegels,”: de auteur van at-Taḥrīr zegt: hiermee worden tekenen bedoeld die om hun hals worden gehangen zodat zij herkend worden. Door hun eenvoud, reinheid en de vreugde en schoonheid op hun gezichten worden zij beschreven als “als parels”. Want op hen is geen spoor van vuur of verbranding meer te zien. En Allāh weet het het beste.
“Zij zijn de vrijgelatenen van Allāh,” dat wil zeggen: dit zijn mensen die zonder voorspraak van iemand anders worden vrijgelaten; Allāhu (تعالى) laat hen enkel door Zijn faḍl en iḥsān uit het Vuur komen. De mensen van Jannah noemen hen daarom: “dit zijn de vrijgelatenen van Allāh.”
“Zonder enige goede daad die zij hebben verricht en zonder enig goedheid (khayr) dat zij vooruit hebben gezonden, heeft Allāh hen in Jannah geplaatst,” dat wil zeggen: Allāhu heeft hen uitsluitend vanwege hun imān in Jannah geplaatst, ondanks dat zij geen andere goede daden hadden.
“Dit alles is voor jullie,” dat wil zeggen: alles wat jullie zien behoort jullie toe; het eigendom en het genot ervan zijn voor jullie. Zij zullen alleen de voor hen bestemde zegeningen aanschouwen en ervan genieten.
“Onze Rab, U heeft ons gegeven wat U niemand uit de werelden heeft gegeven,” dat wil zeggen: U heeft ons gegeven wat U niet aan de bewoners van Jahannam heeft gegeven. De bewoners van Jannah zullen echter, nadat zij eerder Jannah zijn binnengegaan, in werkelijkheid nog grotere gunsten hebben dan zij. Deze uitspraak doen zij op basis van hun inschatting (ẓan), omdat hetgeen hun op dat moment wordt gegeven in hun ogen enorm en groot lijkt.
Wanneer zij de woorden horen: “Bij Mij is er iets dat beter is dan dit,” dan raken zij verbaasd hoe er iets dat nog hoger is dan wat zij reeds zien en ervaren, kan bestaan in tastbare zegeningen. Dan maakt Allāhu (تعالى) aan hen bekend dat Hij tevreden over hen is en nooit meer boos op hen zal zijn.
En zeker is het welbehagen (riḍā) van Allāhu(تعالى) de grootste van alle zegeningen.
Zoals ook in de Qurʾān al-Karīm staat: وَعَدَ ٱللَّهُ ٱلۡمُؤۡمِنِينَ وَٱلۡمُؤۡمِنَٰتِ جَنَّٰتٖ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهَا ٱلۡأَنۡهَٰرُ خَٰلِدِينَ فِيهَا وَمَسَٰكِنَ طَيِّبَةٗ فِي جَنَّٰتِ عَدۡنٖۚ وَرِضۡوَٰنٞ مِّنَ ٱللَّهِ أَكۡبَرُۚ ذَٰلِكَ هُوَ ٱلۡفَوۡزُ ٱلۡعَظِيمُ ٧٢Allāh heeft de gelovige mannen en vrouwen Tuinen beloofd waar rivieren onderdoor stromen, om daarin voor altijd te verblijven. En goede verblijfplaatsen in de Tuinen van Eden (‘Adn). Maar het genoegen van Allāh (ridwān) is beter en machtiger. Een overweldigend succes. (Tawbah, 9:72) (Sharḥ Ṣaḥīḥ Muslim van an-Nawawī)
Imām Muslim vermeldt volgens de marginale aantekeningen van al-Qasṭallānī, deel 2, p. 128, in het hoofdstuk: “Het bevestigen van de shafāʿah en het uit de Jahannam bevrijding van de mensen van de Tawḥīd”,
341. Van … Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) zal de bewoners van Jannah in Jannah doen binnengaan, en Hij zal wie Hij wil door Zijn rahmah laten binnengaan. En Hij zal de bewoners van Jahannam in Jahannam doen binnengaan.
Daarna zal Hij bevelen: “Haal degene in wiens hart het gewicht van een mosterdzaadje aan imān zit uit Jahannam.”Zij worden eruit gehaald terwijl zij zwartgeblakerd en verkoold zijn, en zij worden in de rivier van het leven (nahr al-ḥayāh) geworpen.
Zij groeien daar weer op (komen tot leven) zoals een zaad dat door een stroom aan de oever wordt meegevoerd en weer ontkiemt.Zien jullie niet hoe het (plantje) geel en fris tevoorschijn komt?”
Uitleg van de 341ste ḥadīth
Uitleg over de waarheid van de shafāʿah en de bevrijding uit Jahannam van degenen die de tawḥīd-geloofsovertuiging hebben (uitleg uit de Sharḥ van Ṣaḥīḥ Muslim van Imam an-Nawawī ( رَحِمَهُ اللهُ))
Imam an-Nawawī ( رَحِمَهُ اللهُ) zegt: Qāḍī ʿIyāḍ ( رَحِمَهُ اللهُ) zegt dat volgens de madhhab van Ahl as-Sunnah de shafāʿah (bemiddeling) rationeel mogelijk is en met overgeleverde bewijzen (naqlī bewijzen, dus uit de Qurʾān en de Sunnah) staat het onomstotelijk vast dat het de waarheid is.
Dit wordt duidelijk vermeld in de woorden van Allāhu (تعالى): يَوۡمَئِذٖ لَّا تَنفَعُ ٱلشَّفَٰعَةُ إِلَّا مَنۡ أَذِنَ لَهُ ٱلرَّحۡمَٰنُ وَرَضِيَ لَهُۥ قَوۡلٗا ١٠٩Op die Dag zal er geen bemiddeling (shafāʿah) bestaan, behalve die (bemiddeling) voor hem, aan wie de Barmhartige toestemming geeft en wiens woorden Hem welgevallen. (Ṭā Hā, 20:109)
Ook dit vers geeft aan dat de shafāʿah waarheid is: يَعۡلَمُ مَا بَيۡنَ أَيۡدِيهِمۡ وَمَا خَلۡفَهُمۡ وَلَا يَشۡفَعُونَ إِلَّا لِمَنِ ٱرۡتَضَىٰ وَهُم مِّنۡ خَشۡيَتِهِۦ مُشۡفِقُونَ ٢٨Hij weet wat vóór hen is en wat achter hen is en zij kunnen niet bemiddelen voor Hem behalve met degene waar Hij tevreden mee is. En zij hebben ontzag en vrees voor Hem. (Anbiyāʾ, 21:28)
Dit soort bewijzen zijn talrijk. De overleveringen die authentiek en op waarheid berusten van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) geven aan dat de shafāʿah zal plaatsvinden. De aḥādīth die van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn overgeleverd over de shafāʿah bereiken in aantal de graad van tawātur.
De shafāʿah zal plaatsvinden voor de zondige mu’mins van de ummah.
Zowel de salafen de khalafgeleerden als de latere Ahl as-Sunnah geleerden zijn het unaniem (ijmāʿ) eens dat de shafāʿah op waarheid berust.
De Khawārij en sommige van de Muʿtazilah verwerpen echter de shafāʿah. Zij stellen volgens hun madhhab dat de grote zondaren eeuwig in Jahannam zullen verblijven. Zij gebruiken als bewijs de āyah: فَمَا تَنفَعُهُمۡ شَفَٰعَةُ ٱلشَّٰفِعِينَ ٤٨Dus is geen bemiddeling of geen bemiddelaar voor hen van enig nut. (Muddaththir, 74:48)
Ook gebruiken zij als bewijs de āyah: وَأَنذِرۡهُمۡ يَوۡمَ ٱلۡأٓزِفَةِ إِذِ ٱلۡقُلُوبُ لَدَى ٱلۡحَنَاجِرِ كَٰظِمِينَۚ مَا لِلظَّٰلِمِينَ مِنۡ حَمِيمٖ وَلَا شَفِيعٖ يُطَاعُ ١٨En waarschuw hen (O Mohammed) voor de Dag die nadert, wanneer de harten treurig in de kelen blijven kloppen. Er zal voor de onrechtvaardigen geen vriend of bemiddelaar zijn die wordt gehoord. (Ghāfir, 40:18)
Deze verzen gaan echter over de kāfirs. Hun interpretatie van de aḥādīth over de shafāʿah, waarbij zij deze volledig van hun werkelijke betekenis afwenden, is onjuist en vals. De aḥādīth die in dit boek en andere bronnen vermeld worden tonen aan dat hun madhhab fout is, en dat degene die in īmān sterft zonder shirk te begaan, uit de Jahannam zal worden gered.
De shafāʿah is echter in vijf soorten verdeeld:
De eerste: de shafāʿah die uitsluitend is voor onze Nabī Muhammad (صلى الله عليه وسلم). Dit is de shafāʿah op de Dag van de Opstanding (Yawm al-Qiyāmah), wanneer er tussen de mensen geoordeeld wordt, om hen te verlossen van de zware toestand van het lange wachten en om het afrekenen te bespoedigen.
De tweede: de shafāʿah waardoor sommige groepen zonder afrekening Jannah binnengaan. Deze shafāʿah behoort eveneens tot an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en hierover is een ḥadīth vermeld in Ṣaḥīḥ Muslim.
De derde: de shafāʿah voor degenen die reeds veroordeeld zijn om Jahannam binnen te gaan. Hiervoor zal Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) shafāʿah verrichten, en ook sommige rechtschapen dienaren van Allāhu (تعالى) van wie Hij het wil, zullen shafāʿah mogen verrichten.
De vierde: de shafāʿah voor zondige mensen die reeds Jahannam zijn binnengegaan. De overleveringen geven aan dat deze mensen door de shafāʿah van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), de engelen en de rechtschapen mu’min-broeders uit Jahannam zullen worden gehaald. Uiteindelijk zal Allāhu (تعالى) iedereen uit Jahannam halen die “lā ilāha illā Allāh” heeft gezegd en daarin geloofde. Zoals in (de Qur’ān en) de ḥadīth wordt gemeld, zullen daar geen anderen dan de kāfirs daar achterblijven.
De vijfde: de shafāʿah om de graden van de bewoners van Jannah te verhogen. Deze shafāʿah, evenals de shafāʿah tijdens de verzameling (ḥashr), wordt door de Muʿtazilah niet ontkend.
Qāḍī ʿIyāḍ schrijft: uit veel overleveringen van de salaf aṣ-ṣāliḥ blijkt dat zij de shafāʿah van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vroegen en verlangden naar zijn shafāʿah. Daarom wordt de uitspraak van iemand die zegt: “Het is makrūh om van Allāh de shafāʿah van Muḥammad te vragen, omdat deze shafāʿah alleen voor zondaren is,” niet in aanmerking genomen. Want zijn shafāʿah betreft ook het vergemakkelijken van de afrekening en het verhogen van de graden in Jannah.
Bovendien erkent elke verstandige persoon zijn zonden, weet dat hij de vergeving van Allāhu (تعالى) nodig heeft, vertrouwt niet op zijn daden en vreest dat hij tot de verlorenen behoort.
In Ṣaḥīḥ Muslim wordt, volgens de aantekeningen in de marge van al-Qasṭallānī (deel 2, pagina 131) in hetzelfde hoofdstuk, ook de volgende ḥadīth vermeld:
342. Van … Abū Saʿīd (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Wat betreft de blijvende bewoners van Jahannam: zij zullen daarin niet sterven en ook niet leven. Maar degenen die door hun zonden in Jahannam zijn beland, zullen door het vuur worden gedood totdat zij als houtskool worden. Wanneer zij zo zijn geworden, wordt er toestemming gegeven voor de shafāʿah. Zij worden als doden naar buiten gebracht en in de rivieren van Jannah gegooid. Daarna wordt gezegd: ‘O bewoners van Jannah, giet over hen.’ Dan groeien zij zoals een zaad dat door een stroom is meegevoerd en in de modder is achtergebleven en daar begint te ontkiemen. Een man zei: “Terwijl Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dit vertelde, leek het alsof hij zich in de woestijn bevond (hij illustreerde het dus heel beeldend, zoals mensen van de woestijn dingen duidelijk met voorbeelden uitleggen).”
Uitleg van de 342ste ḥadīth:
“De blijvende bewoners van Jahannam zullen daarin niet sterven en ook niet leven.”De betekenis hiervan is dat de bewoners van Jahannam, de kāfirs die daar voor altijd zullen verblijven, niet zullen sterven zodat hun bestaan eindigt, maar ook niet zullen leven op een wijze die hun enig nut, rust of verlichting brengt. Zoals Allāhu (تعالى) in de Qurʾān zegt: وَٱلَّذِينَ كَفَرُواْ لَهُمۡ نَارُ جَهَنَّمَ لَا يُقۡضَىٰ عَلَيۡهِمۡ فَيَمُوتُواْ وَلَا يُخَفَّفُ عَنۡهُم مِّنۡ عَذَابِهَاۚ كَذَٰلِكَ نَجۡزِي كُلَّ كَفُورٖ ٣٦Maar degenen die ongelovig zijn, voor hen zal het vuur van de Jahannam zijn. En er is geen beschikking (om dood te gaan) voor hen bepaald, zodat zij zullen sterven, noch zal de bestraffing voor hen verlicht worden. Dus Zo vergelden Wij elke ongelovige! (Fāṭir, 35:36)En in een andere āyah: ثُمَّ لَا يَمُوتُ فِيهَا وَلَا يَحۡيَىٰ ١٣Waarin hij noch sterven noch leven zal. (Aʿlā, 87:13) Volgens de madhhab van Ahl Allāh zijn de genietingen van de bewoners van Jannah eeuwigdurend en zonder einde. Op dezelfde manier is de bestraffing van degenen die de eeuwige Jahannam verdienen ook blijvend.
“Maar degenen die door hun zonden in Jahannam zijn gevallen…” De betekenis hiervan is dat de zondige mu’mins gedurende een periode zullen worden bestraft zolang Allāhu (تعالى) dat wil. Daarna zal Allāhu (تعالى) hen laten sterven. Dit sterven is een echte dood; hun gevoel en waarneming verdwijnen ermee. Hun bestraffing is overeenkomstig hun zonden. Vervolgens laat Allāhu (تعالى) hen in een toestand zonder bewustzijn in Jahannam verblijven, zolang Hij wil. Daarna worden zij uit Jahannam gehaald als doden, verkoold, in groepen. Zij worden in de rivieren van Jannah gegooid en er wordt over hen het levenswater uitgegoten. Daardoor krijgen zij opnieuw leven, zoals een zaad dat door een overstroming wordt meegevoerd en in een hoop aarde terechtkomt en snel begint te groeien.
Dit plantje groeit zwak en gelig door zijn kwetsbaarheid. Zo zullen ook zij zijn. Daarna neemt hun kracht toe en gaan zij naar hun woningen in Jannah, waarna hun toestand volledig herstelt. Dit is de uiterlijke betekenis van de ḥadīth.
Qāḍī ʿIyāḍ schrijft hierover dat er twee mogelijkheden zijn met betrekking tot deze “dood”. De eerste is dat het een werkelijke dood is in de letterlijke zin; de tweede is dat het geen werkelijke dood is, maar een toestand waarin het gevoel verdwijnt, waardoor pijn niet meer wordt ervaren. Hij schrijft ook dat het mogelijk is dat de pijn daardoor alleen wordt verminderd.
Imam an-Nawawī, in zijn Sharḥ van Ṣaḥīḥ Muslim, schrijft echter dat de eerste opvatting sterker is: namelijk dat het hier gaat om een werkelijke dood.
Imam Muslim ( رَحِمَهُ اللهُ) schrijft, volgens de marginale aantekening van al-Qasṭallānī in de voetnoot, pagina 133, in hetzelfde hoofdstuk:
343. Van … ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik ken de laatste persoon die uit Jahannam zal komen en de laatste persoon die Jannah zal binnengaan. De laatste die uit Jahannam zal komen, zal zich kruipend eruit bewegen. Allāhu (تعالى) zal tegen hem zeggen: ‘Ga en betreed Jannah.’ Hij zal komen en denken dat het vol is, en hij zal terugkeren en zeggen: ‘O mijn Rab, ik vond het vol.’ Allāhu (تعالى) zal opnieuw zeggen: ‘Ga en betreed Jannah; voor jou is er zo veel als de wereld en tien keer zo veel als de wereld, of tien keer de omvang van de wereld.’ De man zal zeggen: ‘Maakt U een grapje met mij, of lacht U om mij? Terwijl U de ware Eigenaar van het koninkrijk bent.”De overleveraar zegt: ik zag dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) glimlachte zodanig dat zijn voortanden te zien waren.” Daarna zei hij: “Dit is de laagste rang van de bewoners van Jannah.”
344. In een andere overlevering van Ibn Masʿūd (رضي الله عنه) wordt gezegd: (na het begingedeelte:) “De laatste persoon die naar buiten komt, zal zich op zijn gezicht kruipend eruit bewegen. Er wordt tegen hem gezegd: ‘Kom naar buiten en betreed Jannah.’ Hij gaat en betreedt Jannah en ziet dat iedereen al zijn verblijfplaats heeft ingenomen.
Er wordt tegen hem gezegd: ‘Herinner je je de tijd dat jij daar was?’ Hij zegt: ‘Ja.’ Dan wordt hem gezegd: ‘Wens.’ Hij wenst, en er wordt tegen hem gezegd: ‘Voor jou is wat jij wenst en tien keer zoveel als de wereld.’ Hij zegt: ‘Maakt U een grap met mij, terwijl U de ware Eigenaar van het koninkrijk bent.”De overleveraar zegt: ik zag dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hierbij lachen zodanig dat zijn kiezen te zien werden.
Uitleg van de 343–344 aḥadīth:
‘Maakt U een grapje met mij, of lacht U om mij? De twijfel in deze woorden komt van de overleveraar (rāwī). Hij twijfelde namelijk welke van deze twee uitdrukkingen precies was gezegd, daarom heeft hij ze allebei vermeld. Beide uitdrukkingen hebben echter dezelfde betekenis. Want degene die spot, lacht ook (op een manier van minachting). Lachen kan in sommige contexten ook de betekenis van spotten hebben.
Over de uitdrukking “Maakt U een grapje met mij / Spot U met mij?” zijn drie meningen overgeleverd:
Ten eerste: Die uitdrukking is zonder omhaal, als een wederwoord, vanzelf over de lippen gekomen (als een directe reactie). Dat komt doordat deze persoon meerdere keren aan Allāhu (تعالى) had beloofd dat hij niets anders zou vragen dan wat hem gegeven zou worden, maar daarna zijn belofte niet nakwam. Het niet nakomen van die belofte werd als een vorm van spot gezien, en de straf voor spot werd zelf ook als “spot” benoemd. Daarom zei de man: “Maakt U een grapje met mij?” oftewel: “Straft U mij door mij te laten verlangen naar uw zegeningen/gunsten?”
Ten tweede: De betekenis hiervan is dat het onmogelijk is om spot toe te schrijven aan Allāhu (تعالى). De man bedoelt eigenlijk: “Ik weet dat U niet met mij spot, want U bent de Heer van de werelden. Alles wat U mij geeft is waarheid. Maar het verwondert mij dat U mij deze gunsten geeft terwijl ik ze niet verdien.”
Ten derde: Deze mening is van Qāḍī ʿIyāḍ. Hij zegt dat deze uitspraak voortkomt uit de overweldigende vreugde van de man. Zijn vreugde is zo groot dat hij niet meer weet wat hij moet zeggen, en in die verbazing en blijdschap deze woorden uitspreekt. Hij gelooft dus niet letterlijk in de betekenis van zijn uitspraak. Het is vergelijkbaar met iemand die in een andere ḥadīth van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) door zijn vreugde niet wist wat hij moest zeggen en zei: “U bent mijn dienaar en ik ben jouw Rab.” En Allāhu (تعالى) weet het beste wat correct is.
De glimlach/lach van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) die in de ḥadīth wordt vermeld, toont aan dat glimlachen/lach in bepaalde situaties toegestaan is. Maar deze glimlach mag niet de eer van iemand aantasten of hem vernederen, en moet binnen redelijke grenzen blijven; hij mag niet overdreven zijn.
De uitdrukking “Voor jou is zo veel als de wereld en tien keer zoveel” komt in een andere overlevering voor als: “Voor jou is wat jij wenst en tien keer zoveel als de wereld.” Beide versies hebben dezelfde betekenis en verklaren elkaar. De bedoeling is om de overvloed van de zegeningen aan te geven.
Zoals taalkundigen zeggen: wanneer men zegt “zoveel keer”, betekent dit meestal simpelweg een zeer grote hoeveelheid.
De overvloed hier, dus de veelheid van de zegeningen, wordt in de andere overleveringen van deze ḥadīth op verschillende manieren uitgedrukt. De betekenis blijft echter dezelfde. (Uit de Sharḥ van Ṣaḥīḥ Muslim van an-Nawawī).
In een andere ḥadīth die een vervolg is op de overleveringen over de shafāʿah en de laatste persoon die Jannah zal binnengaan, schrijft Imam Muslim ( رَحِمَهُ اللهُ):
345. Van … ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “De laatste persoon die Jannah zal binnengaan is een man die soms loopt en soms struikelt en valt. Het Vuur zal hem soms achtervolgen, en wanneer hij het achter zich laat, zal hij omkijken en zeggen: ‘Alle lof behoort aan Allāhu (تعالى), Die mij van jou heeft gered. Allāh heeft mij gegeven wat Hij aan niemand van de eersten en de laatsten heeft gegeven.’Er wordt vervolgens een boom voor hem geplaatst. Hij zegt: ‘O mijn Rab, breng mij dichter bij deze boom zodat ik in zijn schaduw kan schuilen en van zijn water kan drinken.’ Allāhu عز وجل zegt: ‘O zoon van Ādam, als Ik jou dit geef, zul je dan om iets anders vragen?’ Hij zegt: ‘Nee, o mijn Rab,’ en hij belooft Allāhu dat hij niets anders zal vragen.Allāhu (تعالى) vergeeft hem, omdat Hij weet dat hij geen geduld heeft om zich aan die belofte te houden. Hij brengt hem dichter bij die boom, en hij schuilt in zijn schaduw en drinkt van zijn water.Daarna wordt een andere boom voor hem geplaatst, die mooier is dan de eerste. Hij zegt: ‘O mijn Rab, breng mij dichter bij deze boom zodat ik van zijn water kan drinken en in zijn schaduw kan schuilen. Ik zal U verder niets vragen.’Allāhu (تعالى) zegt: ‘Heb je Mij niet beloofd dat je Mij niets anders zou vragen?
Als Ik je dichter bij deze boom breng, zul je dan niet weer iets anders van Mij vragen?’Zijn Rabbu (تعالى) weet echter dat hij geen geduld heeft om zich daaraan te houden, en daarom vergeeft Hij hem en brengt hem dichter bij de boom die hij wenst.”Hij zal in zijn schaduw schuilen en van zijn water drinken.Daarna wordt er een andere boom dicht bij de poort van Jannah voor hem zichtbaar gemaakt. Deze is mooier dan de eerste twee. De man zegt: “O mijn Rab, breng mij dichter bij deze boom, zodat ik in zijn schaduw kan schuilen en van zijn water kan drinken. Ik zal U verder niets vragen.”Allāhu (تعالى) zegt: “O zoon van Ādam, heb Ik niet van jou een verbond genomen dat je Mij niets anders zou vragen?” De man zegt: “Ja, o mijn Rab, maar dit wil ik, en daarna zal ik niets meer vragen.”Zijn Rabbu (تعالى) weet echter dat hij geen geduld heeft om zich daaraan te houden, en daarom verschoont Hij hem en brengt hem dichter bij die boom. Wanneer hij dichterbij komt, hoort hij de stemmen van de bewoners van Jannah. Dan zegt hij: “O mijn Rab, laat mij daar binnengaan.”Allāhu (تعالى) zegt daarop: “Wat wil je nog meer van Mij? Als Ik jou de wereld geef en nog eens zo veel erbij, zou dat jou tevreden stellen?”De man zegt: “O mijn Rab, maakt U een grapje met mij, terwijl U de Rab van alle werelden bent?”Ibn Masʿūd (رضي الله عنه) lachte hierop en zei: “Willen jullie niet vragen waarom ik lachte?” Zij vroegen: “Waarom lach je?”Hij antwoordde: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) lachte ook toen hij dit vertelde. Men vroeg hem: ‘Waarom lacht u, o Rasūlullāh?’ Hij zei: ‘Ik lach om het feit dat de dienaar zegt: “Maakt U een grapje met mij, terwijl U de Rab van alle werelden bent” en dat de Rab van de werelden lacht.”Allāhu (تعالى) zegt dan: “Ik maak geen grapje niet met jou; Ik ben in staat alles te doen wat Ik wil.”
Ik zeg: hiermee heb ik een belangrijk deel van de overleveringen opgenomen die Imam Muslim in zijn Ṣaḥīḥ heeft vermeld.
Er blijven nog vele overleveringen over, maar die bevatten grotendeels geen wezenlijke verschillen met wat hier is overgeleverd. Daarom volsta ik hiermee.
In deze overleveringen zijn wel enkele aanvullingen en stilistische verschillen aanwezig, die niet duidelijk worden als men slechts de andere versies zou noemen. Omdat dit bekend is, heb ik deze overleveringen uitgebreid vermeld.
Er is echter nog een toevoeging in sommige overleveringen die we hier niet hebben vermeld, en die toch vermeld moet worden. Die luidt als volgt:
Hij zei: “Daarna gaat hij zijn huis binnen. Twee echtgenotes uit de ḥūr al-ʿayn komen bij hem binnen en zeggen: ‘Alle lof behoort aan Allāhu (تعالى), Die jou voor ons heeft laten leven en ons voor jou heeft laten leven.’ De man zegt dan: ‘Aan niemand is gegeven wat mij is gegeven.”
Uitleg van de 345ste ḥadīth:
Over het toeschrijven van het “lachen” aan Allāhu (تعالى) is in de uitleg van de vorige aḥādīth al voldoende uitleg gegeven. Zoals bekend betekent dit niet een menselijke eigenschap, maar dat Allāhu (تعالى) genade toont aan wie Hij wil onder Zijn dienaren, tevreden met hem is en hem goedheid wil schenken.
“Alle lof behoort aan Allāhu (تعالى), Die jou voor ons heeft laten leven en ons voor jou heeft laten leven” dat wil zeggen: Alle lof behoort aan Allāhu (تعالى), Die jou voor ons heeft geschapen en ons voor jou heeft geschapen, en Die ons vervolgens samen heeft gebracht in dit huis dat gevuld is met voortdurende vreugde en blijdschap. (Uit de Sharḥ van Ṣaḥīḥ Muslim van an-Nawawī).
Uit de Sunan van an-Nasāʾī – Ḥadīth over de shafāʿah
Hoofdstuk: “De toename van īmān”
346. Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De strijd van een van jullie in deze wereld voor het recht is niet zo intens en aanhoudend als de smeekbeden en nederige verzoeken van de mu’mins bij hun Rab op de Yawm al-Qiyāmah om hun broeders die in Jahannam zijn binnengegaan eruit te laten halen.De mu’mins zullen zeggen: ‘O onze Rab, onze broeders verrichtten met ons ṣalāh, vastten met ons en verrichtten de ḥaj met ons. Toch hebt U hen in Jahannam geplaatst.’Allāhu (تعالى) zal zeggen: ‘Ga en haal degenen eruit die je herkent.’ Zij gaan en herkennen hen aan hun gezichten. Sommigen hebben het Vuur tot halverwege hun schenen bereikt, anderen tot hun enkels. Zij halen hen eruit en zeggen: ‘O onze Rab, wij hebben degenen die U ons hebt opgedragen eruit gehaald.’Allāhu (تعالى) zegt vervolgens: ‘Haal ook degenen eruit in wiens hart het gewicht van een dinār aan īmān zit.’ Daarna zegt Hij: ‘Haal ook degenen eruit in wiens hart het gewicht van een halve dinār aan īmān zit.’ En uiteindelijk zegt Hij: ‘Haal ook degenen eruit in wiens hart zelfs een atoom aan īmān zit.’”Abū Saʿīd (رضي الله عنه) zei: Wie dit niet gelooft, moet deze āya lezen:إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَغۡفِرُ أَن يُشۡرَكَ بِهِۦ وَيَغۡفِرُ مَا دُونَ ذَٰلِكَ لِمَن يَشَآءُۚ وَمَن يُشۡرِكۡ بِٱللَّهِ فَقَدِ ٱفۡتَرَىٰٓ إِثۡمًا عَظِيمًا ٤٨Waarlijk, Allāh vergeeft het niet als er met Hem deelgenoten worden aanbeden, maar daarnaast vergeeft Hij wat Hij wil, en iedereen die Allāh deelgenoten toekent, heeft zeker een afschuwelijke zonde begaan. Nisāʾ (4:48)
Uitleg van de 346ste ḥadīth:
“De strijd van een van jullie in deze wereld voor het recht kan niet zo intens en vastberaden zijn als de smeekbeden en nederige verzoeken van de mu’mins bij hun Rab op de Yawm al-Qiyāmah om hun broeders die in Jahannam zijn binnengegaan daaruit te laten halen,” dat wil zeggen: wanneer iemand in deze wereld een recht heeft dat duidelijk vaststaat, zal hij er zeker alles aan doen om dat recht te verkrijgen. Hij zal zich verdedigen tegen zijn tegenstander en blijven streven totdat hij zijn recht heeft verkregen.Op dezelfde manier zullen de mu’mins in het Hiernamaals, nadat zij zelf al gered zijn van Jahannam, wanneer zij zien dat sommige van hun mu’min-broeders nog in Jahannam achterblijven, hun Rab smeken om ook hun redding. Zij zullen zeggen: “O onze Rab, dit zijn onze broeders; zij waren samen met ons mu’mins, zij verrichtten ṣalāh met ons, vastten met ons en verrichtten samen met ons de ḥaj. O onze Rab, Uw genade omvat alles, wees genadig voor onze broeders.”
Dus zoals de mens in deze wereld met vastberadenheid zijn recht opeist, zo zal de inspanning van de mu’mins in het Hiernamaals om hun broeders uit Jahannam te laten halen nog sterker en dringender zijn. In werkelijkheid zal die inspanning daar nog intenser zijn.
Hieruit blijkt ook de overvloed van de gunst (faḍl) van Allāhu (تعالى) over Zijn mu’min-dienaren. Hij heeft in hun harten een verlangen en vurige hoop geplaatst om ook hun broeders die in de bestraffing zijn, te helpen. Nadat de mu’mins zeker weten dat de deur van hoop (rajā’) open is, beginnen zij pas met deze smeekbeden. Want het is vaststaand dat hun shafāʿah voor hun mu’min-broeders toegestaan zal worden. Zoals Allāhu (تعالى) zegt in de āyah: مَن ذَا ٱلَّذِي يَشۡفَعُ عِندَهُۥٓ إِلَّا بِإِذۡنِهِ…Wie kan bij Hem bemiddelen zonder Zijn toestemming? …(Baqarah, 2:255), in ayah al-Kursī)
Deze ḥadīth wijst ook op de intense onderlinge barmhartigheid tussen de mu’mins. Want degenen die gered zijn van de bestraffing zullen medelijden hebben met degenen die nog in de straf verkeren. (Uit de Sharḥ van Ṣaḥīḥ Muslim van an-Nawawī.)O Allāh, wij vragen U om ons onze Nabī Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) als bemiddelaar aan te stellen en dat U tevreden met ons zult zijn. Āmīn.
Sunan at-Tirmidhī – Ḥadīth over de shafāʿah
Hoofdstuk over overleveringen met betrekking tot de shafāʿah (deel 2, p. 80 en verder)
347. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), hij zei: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd een vleesgerecht voorgeschoteld. Het voorste deel van het dier (schenkel) werd hem aangeboden en hij at ervan. Dit deel beviel hem en hij at het met eetlust.Daarna zei hij: “Ik ben op de Yawm al-Qiyāmah de sayyid (heer) van alle mensen. Weet jullie waarom dat zo is?Allāh zal de eersten en de laatsten, alle mensen, bijeenbrengen op één vlak veld. De oproeper zal zijn stem aan hen laten horen en iedereen zal hen kunnen zien. De zon zal dicht bij hen worden gebracht. Hun zorgen en verdriet zullen een niveau bereiken dat zij niet meer kunnen verdragen.De mensen zullen tegen elkaar zeggen: ‘Zien jullie niet in welke toestand jullie verkeren? Zouden jullie niet iemand zoeken die bij jullie Rab shafāʿah voor jullie kan verrichten?’Zij zullen vervolgens zeggen: ‘Ga naar Ādam (عليه السلام).’Zij komen bij Ādam (عليه السلام) en zeggen: ‘U bent de vader van de mensheid. Allāh heeft u met Zijn eigen Hand geschapen, Hij heeft u van Zijn rūḥ ingeblazen en Hij heeft de engelen bevolen zich voor u neer te buigen (sajdah). Doe shafāʿah voor ons bij uw Rab. Zie u niet in welke toestand wij verkeren?’Ādam (عليه السلام) zal zeggen: ‘Mijn Rab is vandaag in een woede die Hij nooit eerder heeft gehad en nooit meer zal hebben. Hij heeft mij verboden de boom te naderen en ik was Hem ongehoorzaamd. Ik ben bezorgd om mezelf, ik ben bezorgd om mezelf, ik ben bezorgd om mezelf. Ga naar iemand anders, ga naar Nūḥ (عليه السلام).’
Zij gaan naar Nūḥ (عليه السلام) en zeggen: ‘O Nūḥ, u bent de eerste van de boodschappers naar de bewoners van de aarde. Allāh heeft u de naam gegeven van de “zeer dankbare dienaar”. Doe shafāʿah voor ons bij uw Rab. Ziet u niet in welke toestand wij verkeren?’Nūḥ (عليه السلام) zal zeggen: ‘Mijn Rab is vandaag in een woede die Hij nooit eerder heeft gehad en nooit meer zal hebben. Ik heb een smeekbede gedaan tegen mijn volk. Ik ben bezorgd om mezelf, ik ben bezorgd om mezelf, ik ben bezorgd om mezelf. Ga naar Ibrāhīm (عليه السلام).’Zij gaan naar Ibrāhīm (عليه السلام) en zeggen: ‘O Ibrāhīm, u bent de Nabī van Allāh en Zijn Khalīl (intieme vriend) op aarde.
Doe shafāʿah voor ons bij uw Rab. Ziet u niet in welke toestand wij verkeren?’Ibrāhīm (عليه السلام) zal zeggen: ‘Mijn Rab is vandaag in een woede die Hij nooit eerder heeft gehad en nooit meer zal hebben. Ik heb drie keer iets onjuist gezegd (zoals in de overlevering van Abū Ḥayyān vermeld is). Ik ben bezorgd om mezelf, ik ben bezorgd om mezelf, ik ben bezorgd om mezelf. Ga naar iemand anders, ga naar Mūsā (عليه السلام).’Zij gaan naar Mūsā (عليه السلام) en zeggen: ‘O Mūsā, u bent de Rasûl van Allāh. Allāh heeft u verkozen door jou profeetschap te geven en tot jou te spreken, boven de mensen. Doe shafāʿah voor ons bij uw Rab. Ziet u niet in welke toestand wij verkeren?’Mūsā (عليه السلام) zal zeggen: “Mijn Rab is vandaag in een woede die Hij nooit eerder heeft gehad en nooit meer zal hebben. Ik heb, terwijl ik niet was bevolen om te doden, een persoon gedood. Ik ben bezorgd om mezelf, ik ben bezorgd om mezelf, ik ben bezorgd om mezelf. Ga naar iemand anders, ga naar ʿĪsā (عليه السلام).”Zij gaan naar ʿĪsā (عليه السلام) en zeggen: “O ʿĪsā, u bent de Rasūlullāh en Zijn woord dat Hij aan Maryam heeft gegeven, en een rūḥ van Hem. U hebt met mensen gesproken in de wieg. Doe shafāʿah voor ons bij uw Rab. Ziet u niet in welke toestand wij verkeren?”ʿĪsā (عليه السلام) zal zeggen: “Mijn Rab is vandaag in een woede die Hij nooit eerder heeft gehad en nooit meer zal hebben.” Zonder een zonde van zich te noemen, zegt hij: “Ik ben bezorgd om mezelf, ik ben bezorgd om mezelf, ik ben bezorgd om mezelf.
Ga naar iemand anders, ga naar Muḥammad (صلى الله عليه وسلم).”An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vervolgde zijn woorden: “Dan komen zij naar Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) en zeggen: ‘O Muḥammad, u bent Rasūlullāh, de laatste van de anbiyā. Allāh heeft u vergeven wat voorafging en wat nog zal komen. Doe shafāʿah voor ons bij uw Rab. Ziet u niet in welke toestand wij verkeren?’Dan ga ik en kom onder de Troon (ʿArsh). Ik werp mij in sajdah voor mijn Rab. Vervolgens leert Allāhu (تعالى) mij enkele mooie woorden van lof en prijzing, die Hij niemand vóór mij heeft geleerd.Dan wordt gezegd: ‘O Muḥammad, hef je hoofd op; vraag en het zal je gegeven worden; doe shafāʿah en jouw shafāʿah zal geaccepteerd worden.’Ik zal mijn hoofd opheffen en zeggen: ‘O mijn Rab, mijn ummah, mijn ummah, mijn ummah.’Allāh (تعالى) zal zeggen: ‘O Muḥammad, laat een groep van jouw ummah zonder afrekening Jannah binnengaan via de rechterpoort. Er wordt gezegd: ‘Zij delen ook in de andere poorten met alle overige mensen.’(Met andere woorden: sommige leden van zijn gemeenschap zullen ook door deze poorten binnengaan.)Daarna zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Bij Allāh in Wiens hand mijn ziel is, de afstand tussen de twee vleugels van de poorten van Jannah is zo groot als de afstand tussen Makkah en Ḥimyar of tussen Mekka en Buṣrā.” At-Tirmidhī schrijft dat deze ḥadīth ḥasan ṣaḥīḥ is.
Uitleg van de 347ste ḥadīth
In deze ḥadīth wordt vermeld dat Nūḥ (عليه السلام) als verontschuldiging zal zeggen: “Ik heb een smeekbede gedaan tegen mijn volk.” In andere overleveringen wordt echter vermeld dat hij zal zeggen: “Ik heb mijn Rab een verzoek gedaan terwijl ik het niet wist (de gevolgen ervan niet overzag).” Het is mogelijk dat Nūḥ (عليه السلام) beide uitspraken zal doen. Het kan ook zijn dat de overleveraars hier een samenvatting (ikhtiṣār) hebben gemaakt, waarbij de ene overlevering de andere niet tegenspreekt. En Allāhu (تعالى) weet het beste.
De hadīth van shafāʿah uit Sunan Ibn Mājah
Hoofdstuk īmān, deel 1, p. 16
348. Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De inspanning waarmee iemand van jullie in deze wereld zijn recht bij zijn broeder opeist, is niet groter en niet volhardender dan de smeekbeden en nederige verzoeken van de muʾmins aan Allāhu (تعالى) op Yawm al-Qiyāmah. Nadat Allāh de muʾmins heeft gered en hen veilig heeft gesteld voor Jahannam, zullen zij Hem smeken om hun broeders, die vanwege hun zonden in Jahannam zijn geworpen, daaruit te laten halen.”Zij zullen zeggen: ‘O onze Rab, onze broeders verrichtten samen met ons ṣalāh, vastten met ons en verrichtten samen met ons de ḥaj, maar U hebt hen in Jahannam geplaatst.’Allāhu (تعالى) zal zeggen: ‘Ga en haal degenen eruit die jullie herkennen.’ Zij zullen gaan en hen herkennen aan hun gezichten. Het vuur zal hun gezichten niet aantasten. Sommigen van hen zal het vuur tot halverwege hun schenen bereiken, bij anderen tot hun enkels. Zij zullen hen eruit halen en zeggen: ‘O onze Rab, wij hebben degenen eruit gehaald die U ons hebt opgedragen.’Daarna zal Allāhu (تعالى) zeggen: ‘Haal ook degenen eruit in wiens hart het gewicht van een dinār aan īmān zit.’ Vervolgens: ‘Haal ook degenen eruit in wiens hart een halve dinār aan īmān zit.’ En daarna: ‘Haal ook degenen eruit in wiens hart zelfs het gewicht van een mosterdzaadje aan īmān zit.’Abū Saʿīd (رضي الله عنه) zei: wie dit ontkent, moet deze āya lezen:إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَغۡفِرُ أَن يُشۡرَكَ بِهِۦ وَيَغۡفِرُ مَا دُونَ ذَٰلِكَ لِمَن يَشَآءُۚ وَمَن يُشۡرِكۡ بِٱللَّهِ فَقَدِ ٱفۡتَرَىٰٓ إِثۡمًا عَظِيمًا ٤٨Waarlijk, Allāh vergeeft het niet als er met Hem deelgenoten worden aanbeden, maar daarnaast vergeeft Hij wat Hij wil, en iedereen die Allāh deelgenoten toekent, heeft zeker een afschuwelijke zonde begaan. Nisāʾ (4:48)
Uitleg van de 348ste ḥadīth
“Zij zullen hen herkennen aan hun gezichten, en het vuur zal hun gezichten niet aantasten.”De uiterlijke betekenis van deze zin is dat hier het hele gezicht bedoeld wordt, omdat de menselijke “sīma” (uiterlijk, vorm) in feite het gezicht is. Het vuur zal de plaatsen van de sajdah niet aantasten. Het voorhoofd behoort tot die plaatsen.Allāhu (تعالى) zal eer en bescherming geven aan het hele gezicht, waardoor het vuur het gezicht niet zal verbranden. Dit komt doordat het gezicht in zijn geheel zich in sajdah voor Allāhu neerbuigt. Deze ḥadīth, overgeleverd door Ibn Mājah, versterkt de overleveringen die aangeven dat het volledige gezicht beschermd zal worden tegen het vuur.
Ibn Mājah vermeldt in deel 2, pagina 302–303 de volgende overlevering:
349. Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De mu’mins zullen op de Yawm al-Qiyāmah verzameld worden. Zij zullen geïnspireerd worden – of zij zullen denken (Saʿīd twijfelde hierover) – en zij zullen zeggen: ‘Hadden wij maar iemand die voor ons zou bemiddelen (shafāʿah) bij onze Rab dan zou hij ons op onze plek vrede en verlichting schenken?’Zij gaan naar Ādam (عليه السلام) en zeggen: ‘O Ādam, u bent de vader van de mensheid. Allāhu (تعالى) heeft u met Zijn eigen Hand geschapen en de engelen bevolen zich voor jou neer te buigen (sajdah). Doe shafāʿah voor ons bij uw Rab, zodat Hij ons rust geeft in onze plaats.’Ādam (عليه السلام) zal zeggen: ‘Ik ben niet op deze plaats (om dit te doen),’ en hij zal hen herinneren aan zijn fout en zich daarvoor schamen. Hij zal zeggen: ‘Ga naar Nūḥ (عليه السلام), hij is de eerste rasûl die naar de bewoners van de aarde is gestuurd.’Zij gaan naar hem, maar hij zegt: ‘Ik ben niet op deze plaats,’ en hij zal iets noemen dat hij van zijn Rab heeft gevraagd zonder volledige kennis, en hij zal zich daarvoor schamenHij zal zeggen: ‘Ga naar Ibrāhīm (عليه السلام), de geliefde vriend (khalīl) van de ar-Rahmān (de Barmhartige).’Zij gaan naar hem, maar hij zegt: ‘Ik ben niet op deze plaats.
Ga naar Mūsā (عليه السلام), de dienaar met wie Allāh sprak en aan wie Hij de Tawrāt gaf.’Zij gaan naar hem, maar hij zegt: ‘Ik ben niet op deze plaats,’ en hij zal een persoon herinneren die hij zonder recht heeft gedood.Hij zegt: ‘Ga naar ʿĪsā (عليه السلام), de dienaar, an-Nabī, het Woord van Allāh en een rūḥ van Hem.’Zij gaan naar hem, maar hij zegt: ‘Ik ben niet op deze plaats. Ga naar Muḥammad (صلى الله عليه وسلم), de dienaar van Allāh aan wie Allāh de vroegere en latere fouten volledig heeft vergeven.” Zij zullen bij mij komen. Ik zal dan naar buiten gaan en tussen twee rijen van de mu’mins lopen. Daarna vraag ik toestemming om bij mijn Rab aanwezig te zijn (om Hem te smeken op een plaats die daarvoor bestemd is). Er wordt mij toestemming gegeven.Wanneer ik Hem zie, werp ik mij in sajdah. Allāh laat mij in die toestand blijven zolang Hij wil. Daarna wordt gezegd: “Sta op, o Muḥammad, spreek en er zal naar je geluisterd worden; vraag en het zal je gegeven worden; doe shafāʿah en jouw shafāʿah zal worden aanvaard.”Ik zal Hem prijzen zoals Hij het mij heeft geleerd. Daarna zal ik shafāʿah verrichten. Allāhu (تعالى) zal voor mij een groep aanwijzen en hen Jannah binnengaan laten.Daarna ga ik opnieuw terug. Wanneer ik mijn Rab zie, werp ik mij in sajdah. Allāh laat mij opnieuw zo blijven zolang Hij wil. Daarna wordt gezegd: “Sta op, o Muḥammad, spreek en er zal naar je geluisterd worden; vraag en het zal je gegeven worden; doe shafāʿah en jouw shafāʿah zal worden aanvaard.”Ik hef mijn hoofd op en prijs Hem zoals Hij mij heeft geleerd. Daarna verricht ik opnieuw shafāʿah. Mijn Rab zal opnieuw een groep voor mij aanwijzen en hen Jannah binnenbrengen.Daarna keer ik een derde keer terug. Wanneer ik mijn Rab zie, werp ik mij in sajdah. Allāh laat mij zo blijven zolang Hij wil.
Daarna wordt gezegd: “Sta op, o Muḥammad, spreek en er zal naar je geluisterd worden; vraag en het zal je gegeven worden; doe shafāʿah en jouw shafāʿah zal worden aanvaard.”Ik hef mijn hoofd op en prijs Hem zoals Hij mij heeft geleerd. Daarna doe ik shafāʿah. Mijn Rab zal opnieuw een groep voor mij aanwijzen en hen Jannah binnengaan laten.Daarna keer ik een vierde keer terug en zeg: “O mijn Rab, er blijft niemand over behalve degenen die door de Qurʾān worden vastgehouden (degenen die daar definitief in blijven).”
Uitleg van de 349ste ḥadīth
De moeilijke en problematische passages in deze ḥadīth zijn eerder al uitgelegd, daarom is herhaling niet nodig.Het feit dat alle ḥadīth-geleerden (muhaddithûn) de overleveringen over de shafāʿah hebben overgeleverd en erop zijn overeengekomen (ijmāʿ), is een duidelijk bewijs dat de shafāʿah onomstotelijk vaststaat. Men kan zelfs zeggen dat de overleveringen hierover het niveau van tawātur bereiken. Dit grote aantal overleveringen vormt een krachtig antwoord op degene die de shafāʿah ontkent.