37. Over de overleveringen betreffende de dienaar die op de Yawmu’l Qiyamah voor zijn Rab zal staan
En over het ondervragen van de anbiyā over de verkondiging.
Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, deel 2, p. 109, Kitāb az-Zakāh, hoofdstuk “Voor het afwijzen van sadaqah”
350. Van … ʿAdiy ibn Ḥātim (رضي الله عنه) zei: “Ik was bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) toen er twee mannen kwamen. De één klaagde over armoede en de ander over het afsnijden van handelsroutes (onveiligheid op de wegen).Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: wat betreft de onveiligheid van de wegen, ik zeg dat er niet veel tijd zal verstrijken voordat er een karavaan zonder bewakers richting Mekka zal vertrekken.Wat de armoede betreft: er zal een tijd aanbreken dat iemand van jullie met zijn ṣadaqah rondgaat, maar niemand vindt die deze wil aannemen. Vervolgens zal Yawm al-Qiyāmah aanbreken, waarop ieder van jullie voor Allāh zal staan zonder enig gordijn en zonder enige tussenpersoon/vertaler.Dan zal Allāhu (تعالى) zeggen: ‘Heb Ik jou geen rijkdom gegeven?’ De dienaar zegt: ‘Jawel, U hebt het mij gegeven.’Allāh zegt: ‘Heb Ik jou geen Rasûl (Boodschapper) gestuurd?’ De dienaar zegt: ‘Jawel, U hebt hem gestuurd.’Dan kijkt hij naar rechts en ziet hij niets anders dan vuur. Hij kijkt naar links en ziet hij niets anders dan vuur.Laat ieder van jullie zichzelf beschermen tegen het Vuur, al is het met een halve dadel. En als hij dat niet vindt, dan met een goed woord.”
Deze ḥadīth wordt door al-Bukhārī overgeleverd in Kitāb Badʾ al-Khalq, in het hoofdstuk “Tekenen van het profeetschap in de Islâm”:
351. Van …ʿAdiy ibn Ḥātim (رضي الله عنه) zei: “Terwijl ik bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was, kwam er een man naar hem die klaagde over armoede.
Daarna kwam een andere man die klaagde over het afsnijden van handelsroutesRasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘O ʿAdiy, heb jij al-Ḥīrah (was een beroemde oude Arabische stad in het huidige Irak, gelegen ten zuiden van Kufa en nabij het huidige Najaf) gezien?’Ik zei: ‘Ik heb het niet gezien, maar ik heb erover gehoord.’Hij zei: ‘Als jouw leven lang genoeg is, zul je zien dat een vrouw alleen op een overdekte draagstoel van een kameel van Ḥīrah zal vertrekken en zonder angst voor iemand anders dan Allāh naar Kaʿbah zal komen en ṭawāf zal verrichten.’Ik zei bij mezelf: waar zijn dan de rovers die de wegen met kwaad en vuur vullen?Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) vervolgde: ‘Als jouw leven lang genoeg is, zul je zien dat de schatten van Kisrā zullen worden geopend (d.w.z. in handen van de moslims zullen vallen).’Ik zei: ‘De zoon van Hurmuz, Kisrā?’Hij zei: ‘Ja, de zoon van Hurmuz, Kisrā.’Hij zei verder: ‘Als jouw leven lang genoeg is, zul je ook zien dat een man naar buiten komt met een handvol goud of zilver en iemand zoekt die het van hem wil aannemen, maar hij vindt niemand die het accepteert.’En hij zei: “Ieder van jullie zal op de dag dat hij Allāh ontmoet, voor Allāh verschijnen, zonder dat er tussen hen een tolk is die hem de woorden van Allāh (جل وعلا: Majestueus en Hoogverheven) overbrengt.” Dan zal Allāhu (تعالى) zeggen: “Heb Ik jou niet een Rasûl gestuurd die Mijn bevelen aan jou heeft overgebracht?” De dienaar zal zeggen: “Ja.”Dan zal Allāh zeggen: “Heb Ik jou geen rijkdom en kinderen gegeven en Mijn gunsten aan jou geschonken?” De dienaar zal zeggen: “Ja.”Dan zal hij naar rechts kijken en niets anders dan het vuur zien, en naar links kijken en niets anders dan het vuur zien.”ʿAdiy zei: “Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen:“Bescherm jezelf tegen het Vuur, al is het met de helft van een dadel.
Daarna kwam een andere man die klaagde over het afsnijden van handelsroutesRasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘O ʿAdiy, heb jij al-Ḥīrah (was een beroemde oude Arabische stad in het huidige Irak, gelegen ten zuiden van Kufa en nabij het huidige Najaf) gezien?’Ik zei: ‘Ik heb het niet gezien, maar ik heb erover gehoord.’Hij zei: ‘Als jouw leven lang genoeg is, zul je zien dat een vrouw alleen op een overdekte draagstoel van een kameel van Ḥīrah zal vertrekken en zonder angst voor iemand anders dan Allāh naar Kaʿbah zal komen en ṭawāf zal verrichten.’Ik zei bij mezelf: waar zijn dan de rovers die de wegen met kwaad en vuur vullen?Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) vervolgde: ‘Als jouw leven lang genoeg is, zul je zien dat de schatten van Kisrā zullen worden geopend (d.w.z. in handen van de moslims zullen vallen).’Ik zei: ‘De zoon van Hurmuz, Kisrā?’Hij zei: ‘Ja, de zoon van Hurmuz, Kisrā.’Hij zei verder: ‘Als jouw leven lang genoeg is, zul je ook zien dat een man naar buiten komt met een handvol goud of zilver en iemand zoekt die het van hem wil aannemen, maar hij vindt niemand die het accepteert.’En hij zei: “Ieder van jullie zal op de dag dat hij Allāh ontmoet, voor Allāh verschijnen, zonder dat er tussen hen een tolk is die hem de woorden van Allāh (جل وعلا: Majestueus en Hoogverheven) overbrengt.” Dan zal Allāhu (تعالى) zeggen: “Heb Ik jou niet een Rasûl gestuurd die Mijn bevelen aan jou heeft overgebracht?” De dienaar zal zeggen: “Ja.”Dan zal Allāh zeggen: “Heb Ik jou geen rijkdom en kinderen gegeven en Mijn gunsten aan jou geschonken?” De dienaar zal zeggen: “Ja.”Dan zal hij naar rechts kijken en niets anders dan het vuur zien, en naar links kijken en niets anders dan het vuur zien.”ʿAdiy zei: “Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen:“Bescherm jezelf tegen het Vuur, al is het met de helft van een dadel. En als je dat niet vindt, dan met een goed woord.”ʿAdiy (رضي الله عنه) zei: “Ik zag een vrouw die op haar kameel, in haar overdekte draagstoel, van Ḥīrah vertrok en zonder angst voor iemand anders dan Allāh naar de Kaʿbah reisde en ṭawāf verrichtte.
Daarna kwam een andere man die klaagde over het afsnijden van handelsroutesRasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘O ʿAdiy, heb jij al-Ḥīrah (was een beroemde oude Arabische stad in het huidige Irak, gelegen ten zuiden van Kufa en nabij het huidige Najaf) gezien?’Ik zei: ‘Ik heb het niet gezien, maar ik heb erover gehoord.’Hij zei: ‘Als jouw leven lang genoeg is, zul je zien dat een vrouw alleen op een overdekte draagstoel van een kameel van Ḥīrah zal vertrekken en zonder angst voor iemand anders dan Allāh naar Kaʿbah zal komen en ṭawāf zal verrichten.’Ik zei bij mezelf: waar zijn dan de rovers die de wegen met kwaad en vuur vullen?Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) vervolgde: ‘Als jouw leven lang genoeg is, zul je zien dat de schatten van Kisrā zullen worden geopend (d.w.z. in handen van de moslims zullen vallen).’Ik zei: ‘De zoon van Hurmuz, Kisrā?’Hij zei: ‘Ja, de zoon van Hurmuz, Kisrā.’Hij zei verder: ‘Als jouw leven lang genoeg is, zul je ook zien dat een man naar buiten komt met een handvol goud of zilver en iemand zoekt die het van hem wil aannemen, maar hij vindt niemand die het accepteert.’En hij zei: “Ieder van jullie zal op de dag dat hij Allāh ontmoet, voor Allāh verschijnen, zonder dat er tussen hen een tolk is die hem de woorden van Allāh (جل وعلا: Majestueus en Hoogverheven) overbrengt.” Dan zal Allāhu (تعالى) zeggen: “Heb Ik jou niet een Rasûl gestuurd die Mijn bevelen aan jou heeft overgebracht?” De dienaar zal zeggen: “Ja.”Dan zal Allāh zeggen: “Heb Ik jou geen rijkdom en kinderen gegeven en Mijn gunsten aan jou geschonken?” De dienaar zal zeggen: “Ja.”Dan zal hij naar rechts kijken en niets anders dan het vuur zien, en naar links kijken en niets anders dan het vuur zien.”ʿAdiy zei: “Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen:“Bescherm jezelf tegen het Vuur, al is het met de helft van een dadel. En als je dat niet vindt, dan met een goed woord.”ʿAdiy (رضي الله عنه) zei: “Ik zag een vrouw die op haar kameel, in haar overdekte draagstoel, van Ḥīrah vertrok en zonder angst voor iemand anders dan Allāh naar de Kaʿbah reisde en ṭawāf verrichtte. Ik was zelf een van degenen die aanwezig waren toen de schatten van Kisrā, de zoon van Hurmuz, werden geopend (veroverd).En als jullie levens lang genoeg zijn, zullen jullie ook het voorval zien dat an-Nabī Abū al-Qāsim (صلى الله عليه وسلم) heeft aangekondigd: dat een man met een handvol goud of zilver naar buiten zal komen en niemand zal vinden die het van hem wil aannemen.”
Uitleg van de aḥadīth 350–351:
Met “het afsnijden van handelsroutes,” wordt bedoeld dat rovers en struikrovers de reizigers opwachtten en hun de doorgang belemmerden. Zij legden hinderlagen langs de wegen om mensen van hun bezittingen te beroven, hen te doden of angst en onveiligheid onder de bevolking te verspreiden. Omdat de reizigers zich ver van plaatsen bevonden waar hulp beschikbaar was, maakten deze rovers misbruik van hun positie en vertrouwden zij op hun eigen macht en kracht om hun misdaden te plegen.
De uitspraak: “Daarna zal ieder van jullie voor Allāh staan zonder dat er een gordijn of tussenpersoon is” is een vergelijking (tamthīl). Want niets kan Allāhu (تعالى) omvatten, en er is niets dat Hem bedekt. Hij is niet verborgen omdat er iets is dat Hem bedekt, maar omdat onze ogen in deze wereld niet in staat zijn Hem waar te nemen. In het Hiernamaals zullen de sluiers van onze ogen worden weggenomen en zal ons gezichtsvermogen worden versterkt.
Zoals Allāhu (تعالى) zegt:لَّقَدۡ كُنتَ فِي غَفۡلَةٖ مِّنۡ هَٰذَا فَكَشَفۡنَا عَنكَ غِطَآءَكَ فَبَصَرُكَ ٱلۡيَوۡمَ حَدِيدٞ ٢٢(Er wordt hem gezegd:) “Voorwaar, hiervoor was jij achteloos, toen hebben Wij de bedekking van jouw (hart) verwijderd, toen was jouw waarneming op deze Dag scherp.” (Qāf, 50:22)
Ḥīrah was in die tijd een stad die onder het Perzische rijk viel en werd bestuurd door de Arabische koningen.De uitspraak: “Als jullie levens lang genoeg zijn, zullen jullie ook dit zien: een man die met een handvol goud of zilver naar buiten komt en niemand vindt die het van hem wil aannemen.” Dit komt omdat er een tijd zal komen waarin er geen armoede meer onder de mensen zal zijn. Er wordt gezegd dat dit de tijd is van ʿĪsā (عليه السلام) wanneer hij opnieuw naar de aarde zal afdalen.
Al-Bayhaqī schrijft ook dat dit zich heeft voorgedaan in de tijd van khaliefah ʿUmar ibn ʿAbd al-ʿAzīz. ʿUmar ibn ʿUbayd ibn ʿAbd ar-Raḥmān ibn Zayd ibn al-Khaṭṭāb zei dat ʿUmar ibn ʿAbd al-ʿAzīz dertig maanden khaliefah was. Vóór zijn dood bracht iemand hem een grote hoeveelheid bezit en zei: “Geef dit aan wie je wilt onder de armen.” Maar de man moest het uiteindelijk terug meenemen omdat er geen armen te vinden waren aan wie het kon worden gegeven.
Zij overlegden onderling over wie het zou kunnen ontvangen, maar vonden niemand. ʿUmar (رحمه الله) had de levensomstandigheden van de mensen zodanig verbeterd dat er nauwelijks nog sprake was van nood. Dit wordt overgeleverd door al-Bayhaqī. Deze overlevering bevestigt ook de betekenis van de ḥadīth van ʿAdiy ibn Ḥātim.
Ḥadīth: “De mu’min nadert zijn Rab zo dicht dat Hij Zijn bedekking of Zijn genade over hem legt”
Deze ḥadīth is door al-Bukhārī overgeleverd, deel 6, p. 74, in Kitāb at-Tafsīr, in het hoofdstuk over de tafsīr van sūrah Hūd:
352. Van … Ṣafwān ibn Muḥriz, hij zei: Terwijl Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما) de ṭawāf verrichtte, riep een man hem en zei: “O Abū ʿAbd ar-Raḥmān, of Ibn ʿUmar, heb jij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) iets horen zeggen over de manier waarop de mu’mins op de Yawm al-Qiyāmah met hun Rab zullen spreken?”Ibn ʿUmar antwoordde: “Ik heb an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het volgende horen zeggen: De mu’min zal zo dicht bij zijn Rab worden gebracht (Hishām zei: ‘zo dicht gebracht’) dat Hij Zijn bedekking (of Zijn genade) over hem zal omhullen. Hij zal hem zijn zonden laten erkennen.Allāh zal zeggen: ‘Weet jij deze zonde?’De mu’min zal zeggen: ‘Ik weet het.’ Vervolgens zal hij twee keer zeggen: ‘Ja, ik weet het, o mijn Rab.’Allāhu (تعالى) zal zeggen: ‘Ik heb het voor jou in de wereld bedekt/verborgen gehouden, en vandaag vergeef Ik het je.’Daarna zal zijn boek met goede daden geopend worden.Wat betreft de kāfirs, voor hen zal worden uitgeroepen: “Zij zijn degenen die over hun Rab hebben gelogen. De vloek van Allāh rust op de onrechtvaardigen.”
al-Qastallānī (رحمه الله) schrijft: Al-Bukhārī heeft deze ḥadīth ook overgeleverd in Kitāb al-Maẓālim, Kitāb al-Adab en Kitāb at-Tawḥīd. Daarnaast heeft Muslim hem overgeleverd in Kitāb at-Tawḥīd, an-Nasāʾī in Kitāb at-Tafsīr en Kitāb ar-Raqāʾiq, en Ibn Mājah in Kitāb as-Sunnah.
Uitleg van de 352ste ḥadīth
De uitleg van deze ḥadīth is overgenomen uit de Sharḥ van al-Qastallānī, Kitāb al-Maẓālim (deel 4, p. 354) en Kitāb at-Tafsīr, tafsīr van sūrah Hūd (deel 7, p. 181).
De uitspraak dat de mu’min zijn Rab nadert en dat Allāh Zijn bedekking over hem omhult, wordt hier in figuurlijke/ overdrachtelijke zin (majāzī) opgevat. Wat hiermee bedoeld wordt, is dat Allāhu (تعالى) zijn fouten bedekt en hem met Zijn genade omhult, dat wil zeggen, Hij verbergt zijn zonden zodat de aanwezigen op de Yawm al-Qiyāmah ze niet zien. Allāhu (تعالى) zegt hem dat Hij hem in de wereld al bedekt heeft en hem daar ook vergeeft.
Uit deze ḥadīth blijkt dat de bedekking van Allāh op de Yawm al-Qiyāmah vooral geldt voor degenen die hun zonden in de wereld verborgen hielden en de bedekking van Allāh als een gunst accepteerden. Maar degene die zijn zonden openlijk beging of ze publiek maakte, zal op die Dag niet waardig zijn voor deze bedekking van Allāh.
O Allāh, wij vragen U om, met Uw genade (fadl) en vrijgevigheid (karam), onze zonden te bedekken in deze wereld en in het Hiernamaals. Āmīn, yā Karīm.
De hadīth: “De dienaar ontmoet zijn Rab en Allāh vraagt: O die-en-die, heb Ik jou geen gunsten gegeven…”
Overgeleverd door Imām Muslim in zijn Ṣaḥīḥ, in Kitāb az-Zuhd, deel 10, pagina 342, in de marginale aantekening van al-Qasṭallānī.
353. Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه), zei: “De metgezellen vroegen: O Rasūlullāh, zullen wij onze Rab zien op de Yawm al-Qiyāmah?Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Hebben jullie moeite om de zon midden op de dag te zien wanneer er geen wolken zijn?’Zij zeiden: ‘Nee.’Hij zei: ‘Hebben jullie moeite om de maan in de veertiende nacht te zien wanneer er geen wolken zijn?’Zij zeiden: ‘Nee.’Daarop zei hij: ‘Bij Degene in Wiens hand mijn ziel is, zoals jullie geen moeite hebben om deze twee te zien, zo zullen jullie ook geen moeite hebben om jullie Rab te zien.’De dienaar zal zijn Rab ontmoeten. Zijn Rab zal zeggen: ‘O die-en-die, heb Ik jou geen gunsten gegeven? Heb Ik jou geen positie onder de mensen gegeven? Heb Ik jou geen huwelijk gegeven? Heb Ik jou geen paarden en kamelen gegeven? Heb Ik jou niet tot leider over anderen gemaakt? Heb jij door deze positie niet bezit en gehoorzaamheid verkregen?’De dienaar zal zeggen: ‘Ja.’Dan zal Allāh zeggen: ‘Dacht jij dat je Mij zou ontmoeten en voor Mij zou worden gebracht?’Daarna zal Allāhu (تعالى) zeggen: ‘Zoals jij Mij vergeten bent, zo vergeet Ik jou vandaag.’Dan wordt de tweede persoon voor Allāhu (تعالى) gebracht. Allāh zal ook tegen hem zeggen: “O die-en-die, heb Ik jou geen gunsten gegeven? Heb Ik jou niet tot een leider onder de mensen gemaakt? Heb Ik jou geen huwelijk geschonken? Heb Ik jou geen paarden en kamelen gegeven? Heb Ik jou niet tot gezagdrager over anderen gemaakt? Heb jij door deze positie niet bezit en gehoorzaamheid verkregen?”De dienaar zal zeggen: “Ja, o mijn Rab.”Dan zal zijn Rab zeggen: “Dacht jij dat je Mij zou ontmoeten en voor Mij zou worden gebracht?”Hij zal zeggen: “Nee.”Dan zal Allāhu (تعالى) zeggen: “Zoals jij Mij bent vergeten, zo vergeet Ik jou vandaag.”Daarna wordt de derde persoon voor Allāhu (تعالى) gebracht.
Hij zal zeggen: “O mijn Rab, ik heb in U geloofd, in Uw Boek en in Uw anbiyā, ik heb ṣalāh verricht, gevast en sadaqah (zakāh) gegeven,” en hij zal met al zijn vermogen proberen zijn goede daden op te sommen.Daarop zal Allāh (تعالى) zeggen: “Wacht jij!”Vervolgens wordt tegen hem gezegd: ‘Wij sturen onze getuige over jou uit.”De man zal in zichzelf zeggen: “Wie zal tegen mij getuigen?”Op dat moment wordt zijn mond verzegeld. Aan zijn dij, zijn spieren en zijn botten wordt gezegd: “Spreek.” En zijn dij, spieren en botten zullen spreken over wat hij heeft gedaan.Zij zullen zeggen: “Wij zeggen dit zodat hij geen excuus voor zichzelf kan vinden. Dit is een munāfiq. Dit is iemand op wie Allāh Zijn toorn heeft laten neerdalen.”
Deze ḥadīth is ook door Muslim overgeleverd van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):
354. Van … Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) zei: “Wij waren bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) toen hij plots begon te lachen. Hij zei: ‘Weet jullie waarom ik lach?’Wij zeiden: ‘Allāh en Zijn Rasûl weten het het beste.’Hij zei: ‘Vanwege het gesprek van de dienaar met zijn Rab (عز وجل) De dienaar zal zeggen: “O mijn Rab, hebt U mij niet beschermd tegen onrecht?”Allāhu (تعالى) zal zeggen: “Ja.”De dienaar zal zeggen: “Vandaag neem ik geen andere getuige tegen mezelf dan mezelf.”Allāhu (تعالى) zal zeggen: Vandaag zijn je eigen zelf en de eerwaardige engelen die je daden registreren voldoende als getuigenis.Daarop zal de mond van de dienaar verzegeld worden. Aan zijn ledematen wordt gezegd: “Spreek.” En zijn ledematen zullen spreken over zijn daden.Daarna zal hem de mogelijkheid worden gegeven om zelf met zijn ledematen te spreken. Dan zal hij tegen zijn ledematen zeggen: “Wee jullie, jullie ellende! Ik verdedigde jullie en probeerde jullie te beschermen.”
Deze ḥadīth is door at-Tirmidhī ook in zijn Jāmiʿ overgeleverd van Abū Hurayrah en Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنهما).
Zijn versie is echter korter dan de twee overleveringen die hier bij Muslim zijn vermeld. De versie van at-Tirmidhī luidt:
355. Van Abū Hurayrah en Abū Saʿīd (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op de Yawm al-Qiyāmah wordt de dienaar gebracht. Allāhu (تعالى) zal tegen hem zeggen: ‘Heb Ik jou niet ogen en oren gegeven? Heb Ik jou geen rijkdom en kinderen gegeven? Heb Ik jouw dieren en akkers niet tot jouw dienst gesteld? Heb Ik jou niet tot een leider over anderen gemaakt, zodat mensen jou gehoorzaamden en jij bezit kon verzamelen? Heb jij er ooit aan gedacht dat jij op deze Dag voor Mij zou worden gebracht en rekenschap zou moeten afleggen?’De dienaar zal zeggen: ‘Nee.’Dan zal Allāh zeggen: ‘Zoals jij Mij bent vergeten, zo vergeet Ik jou vandaag.”at-Tirmidhī zegt over deze ḥadīth dat deze ṣaḥīḥ en gharīb is.
Uitleg van de aḥadīth 353–355
De uitspraak “zoals jij Mij bent vergeten, zo vergeet Ik jou vandaag” betekent: Zoals jij in het wereldse leven naliet Allāh te gehoorzamen, zo word je vandaag verstoken van Zijn genade en barmhartigheid. Wie Allāh niet gehoorzaamt, zal op die Dag ver verwijderd zijn van Zijn raḥmah en ontferming.
De betekenis van de uitspraak dat Allāhu (تعالى) tegen de hypocriet zegt: “Wacht jij” terwijl hij zegt dat hij geloofde, in het Boek en de anbiyā geloofde en ṣalāh verrichtte, is dat hij in werkelijkheid liegt en denkt dat zijn leugen hem zal redden.
Voor deze hypocrieten (munāfiqs) zegt Allāhu (تعالى) in Zijn Edele Qurʾān:يَوۡمَ يَبۡعَثُهُمُ ٱللَّهُ جَمِيعٗا فَيَحۡلِفُونَ لَهُۥ كَمَا يَحۡلِفُونَ لَكُمۡ وَيَحۡسَبُونَ أَنَّهُمۡ عَلَىٰ شَيۡءٍۚ أَلَآ إِنَّهُمۡ هُمُ ٱلۡكَٰذِبُونَ ١٨Op de Dag waarop Allāh hen allen zal doen herrijzen, zullen zij tot Hem zweren zoals zij tot jullie zweren. En zij denken dat zij iets hebben (dat hen baat). Waarlijk, zij zijn leugenaars. (Mujādilah, 58:18)
Over zulke hypocrieten zal Allāhu (تعالى) zeggen: “Wacht jij”, dat wil zeggen: wacht totdat jouw eigen ledematen getuigen over jouw ongeloof (kufr) en over wat jij werkelijk was.
Wanneer Allāhu (تعالى) zegt: “Wij roepen nu onze getuigen tegen jou,” dan zal die persoon zich afvragen: “Wie zal tegen mij getuigen?” omdat hij niet wist dat zijn eigen ledematen tegen hem zouden getuigen.
Daarna wordt zijn mond verzegeld en beginnen zijn ledematen te spreken. Zoals Allāhu (تعالى) in de Qurʾān zegt: ٱلۡيَوۡمَ نَخۡتِمُ عَلَىٰٓ أَفۡوَٰهِهِمۡ وَتُكَلِّمُنَآ أَيۡدِيهِمۡ وَتَشۡهَدُ أَرۡجُلُهُم بِمَا كَانُواْ يَكۡسِبُونَ ٦٥Deze Dag zullen Wij hun monden verzegelen en hun handen zullen tot Ons spreken, en hun benen zullen getuigen over wat zij plachten te verrichten. (Yā-Sīn, 36:65)
Dan zal de persoon tegen zijn ledematen zeggen: “Ik verdedigde jullie, ik probeerde jullie te beschermen.” Dat wil zeggen: ik probeerde jullie te redden door ontkenning, hoe kunnen jullie nu tegen mij getuigen? Maar juist zij zullen het zijn die de straf dragen. Toch is het Allāh die alles laat spreken, en Hij is tot alles in staat.
O, Allah, wij vragen U om onze fouten te bedekken, onze zonden te vergeven en ons met Uw genade en Uw goedheid Jannah binnen te laten. Āmīn.
De hadīth: “Op de Yawm al-Qiyāmah wordt de zoon van Ādam voorgeleid en voor Allāhu (تعالى) geplaatst…”
Deze ḥadīth is door at-Tirmidhī in zijn Jāmiʿ vermeld in deel 2, p. 69, in het hoofdstuk “Overleveringen betreffende de Ḥashr (de Opstanding)”:
356. Van Anas (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op de Yawm al-Qiyāmah wordt de zoon van Ādam voorgeleid, alsof hij een lam is. Hij wordt voor Allāhu (تعالى) geplaatst. Allāh zal tegen hem zeggen: ‘Ik heb het jou gegeven, Ik heb jou gunsten geschonken en jou gezegend; wat heb jij met (al deze gunsten) gedaan?’De dienaar zal zeggen: ‘O mijn Rab, ik heb ze verzameld, vermeerderd en wat ik ervan verkreeg heb ik achtergelaten voor degenen na mij. Laat mij terugkeren zodat ik het naar U kan brengen.’Als deze dienaar niets van zijn goede daden heeft vooruitgestuurd, zal hij in Jahannam worden geworpen.”at-Tirmidhī (رحمه الله) zegt over deze ḥadīth: “Deze ḥadīth is door meerdere overleveraars overgeleverd van al-Ḥasan, maar zij hebben het niet aan hem toegeschreven. Eén van de overleveraars van al-Ḥasan is Ismāʿīl ibn Muslim, en vanwege zijn zwakke geheugen wordt deze ḥadīth als ḍaʿīf beschouwd.
Uitleg van de 356ste ḥadīth:
Deze ḥadīth laat zien dat wanneer een dienaar niets van zijn daden vooruitstuurt voor het Hiernamaals, alles wat hij in de wereld heeft verzameld geen waarde heeft bij Allāh. Zoals Allāhu (تعالى) zegt:إِنَّآ أَنذَرۡنَٰكُمۡ عَذَابٗا قَرِيبٗا يَوۡمَ يَنظُرُ ٱلۡمَرۡءُ مَا قَدَّمَتۡ يَدَاهُ وَيَقُولُ ٱلۡكَافِرُ يَٰلَيۡتَنِي كُنتُ تُرَٰبَۢا ٤٠Waarlijk, Wij hebben jullie gewaarschuwd voor een naderende bestraffing op de Dag dat de mens zal zien wat zijn handen voeger bedreven (goed en slecht). En de ongelovige zal zeggen: “Wee mij! Was ik maar tot aarde.” (Nabaʾ, 78:40)
De verstandige persoon behoort er niet trots op te zijn dat hij veel bezit heeft verzameld. Echte rust vindt men alleen in wat men uitgeeft op weg van het goede, zodat men geen spijt krijgt op de Dag waarop spijt geen nut meer heeft. Allāhu (تعالى) zegt:حَتَّىٰٓ إِذَا جَآءَ أَحَدَهُمُ ٱلۡمَوۡتُ قَالَ رَبِّ ٱرۡجِعُونِ ٩٩Maar wanneer de dood tot één van hen komt, zegt hij: “Mijn Heer! Stuur mij terug,لَعَلِّيٓ أَعۡمَلُ صَٰلِحٗا فِيمَا تَرَكۡتُۚ كـَلَّآۚ إِنَّهَا كَلِمَةٌ هُوَ قَآئِلُهَاۖ وَمِن وَرَآئِهِم بَرۡزَخٌ إِلَىٰ يَوۡمِ يُبۡعَثُونَ ١٠٠Zodat ik goed kan doen in datgene wat ik heb achtergelaten!” Nee! Het is slechts een woord dat hij spreekt, en achter hem een scheiding tot de Dag dat zij zullen herrijzen. (Muʾminūn (23:99–100)
O, Allah, maak ons succesvol in het verrichten van goede zaken voor het Hiernamaals. Āmīn.
De hadīth: “Iemand die (zo bezig wordt gehouden door) de Qur’ān en het gedenken van Mij (dhikr), dat hij daardoor niet toekomt aan (het verrichten van duʿā’) aan Mij...”
Deze ḥadīth is door at-Tirmidhī (رحمه الله) in zijn Jāmiʿ overgeleverd, deel 2, p. 152, in de hoofdstukken van Kitāb at-Tafsīr:
357. Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Rabbu عز وجل zegt: ‘Degene die door de Qurʾān en Mijn dhikr wordt afgeleid van het vragen aan Mij, zal Ik hem beter geven dan wat Ik aan de vragenden geef.’En de voortreffelijkheid van de Woorden van Allāh boven andere woorden is zoals de verhevenheid/ voortreffelijkheid van Allāh boven Zijn schepping.” at-Tirmidhī schrijft over deze ḥadīth dat deze ḥasan en gharīb is.
De hadīth: “Het ondervragen van Nūḥ (عليه السلام): heb jij de boodschap (van Allāh) overgebracht?”
Deze ḥadīth is door al-Bukhārī (رحمه الله) overgeleverd, deel 4, p. 134 (volgens al-Qastallānī deel 5, p. 338), in Kitāb al-Anbiyāʾ, in het hoofdstuk over de āyah:إِنَّآ أَرۡسَلۡنَا نُوحًا إِلَىٰ قَوۡمِهِۦٓ أَنۡ أَنذِرۡ قَوۡمَكَ مِن قَبۡلِ أَن يَأۡتِيَهُمۡ عَذَابٌ أَلِيمٞ ١Waarlijk, Wij hebben Noah tot zijn volk gestuurd (zeggende): “Waarschuw jouw volk voordat er een pijnlijke bestraffing tot hen komt.” (Nūḥ 71:1)
358. Van … Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Nūḥ en zijn gemeenschap (ummah) zullen komen. Allāhu (تعالى) zal tegen Nūḥ zeggen: ‘Heb jij de boodschap (van Allāh) overgebracht?’Nūḥ (عليه السلام) zal zeggen: ‘Ja, o mijn Rab.’Dan zal aan zijn gemeenschap worden gevraagd: ‘Heeft hij jullie de boodschap overgebracht?’Zij zullen zeggen: ‘Nee, er is geen Nabī tot ons gekomen.’Dan zal aan Nūḥ worden gevraagd: ‘Wie zal voor jou getuigen?’Hij zal zeggen: ‘Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) en zijn ummah.’En wij zullen getuigen dat hij de boodschap heeft overgebracht. Dit is wat Allāhu (تعالى) bedoelt in Zijn uitspraak:وَكَذَٰلِكَ جَعَلۡنَٰكُمۡ أُمَّةٗ وَسَطٗا لِّتَكُونُواْ شُهَدَآءَ عَلَى ٱلنَّاسِ وَيَكُونَ ٱلرَّسُولُ عَلَيۡكُمۡ شَهِيدٗاۗ Dus hebben Wij van jullie een rechtvaardig volk gemaakt (de oemmah van Mohammed), opdat jullie getuigen zullen zijn voor de mensheid en opdat de Boodschapper (Mohammed) een getuige zal zijn voor jullie… (Baqarah, 2:143)
Deze ḥadīth is door al-Bukhārī ( رَحِمَهُ اللهُ) op dezelfde wijze overgeleverd, in deel 6, blz. 31, in het hoofdstuk van Kitābu’t-Tafsīr, in de bab over de tafsīr van Sūrat al-Baqarah, met een tekst die dicht bij deze overlevering ligt.
459.
Ook at-Tirmidhī heeft deze van Abū Sa‘īd al-Khudrī (رضي الله عنه) overgeleverd, waarvan de tekst vrijwel gelijkluidend is aan deze overlevering. Daarin is echter het volgende verschil:
Het volk van Nūḥ (عليه السلام) zegt: “Er is geen waarschuwer tot ons gekomen, er is niemand tot ons gekomen.” En tot Nūḥ (عليه السلام) wordt gezegd: “Wie zijn jouw getuigen?”… en de ḥadīth gaat verder op dezelfde manier als hierboven. At-Tirmidhī schrijft dat deze ḥadīth ḥasan en ṣaḥīḥ is.
Deze ḥadīth is ook door Ibn Mājah overgeleverd in deel 2, blz. 297, in de bab met de titel “De eigenschap van de ummah van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم)”.
360. Van Abū Sa‘īd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een Nabī komt met één of twee personen aan zijn zijde als getuigen, en een Nabī komt ook met drie of minder of meer personen aan zijn zijde.
Tegen hem wordt gezegd: ‘Heb jij aan jouw volk de boodschap (van Allāh) overgebracht?’ Hij zegt: ‘Ja.’ Zijn volk wordt geroepen en hen wordt gevraagd: ‘Heeft hij de boodschap aan jullie overgebracht?’ Zij zeggen: ‘Nee.’ Tegen an-Nabī wordt gezegd: ‘Wie is jouw getuige?’ Hij zegt: ‘Muḥammad en zijn ummah.’ Muḥammad en zijn ummah worden geroepen en er wordt gevraagd: ‘Heeft deze Nabī de boodschap overgebracht?’ Zij zeggen: ‘Ja.’ Er wordt hen gevraagd: ‘Waar weten jullie dat van?’ Zij zeggen: ‘Onze Nabī heeft ons verteld dat de vorige anbiyā hun boodschap aan hun volk hebben overgebracht, en wij hebben hem daarin geloofd.’Daarna zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Dit is wat Allāhu (تعالى) vermeldt in Zijn woord: (zie hierboven surah al-Baqarah, (2:143)”: Dus hebben Wij van jullie een rechtvaardig volk gemaakt (de oemmah van Mohammed), opdat jullie getuigen zullen zijn voor de mensheid en opdat de Boodschapper (Mohammed) een getuige zal zijn voor jullie…
Uitleg van de aḥadīth 358–360
De vraag “Heb jij de boodschap (van Allāh) overgebracht?” is niet alleen specifiek voor Nūḥ (عليه السلام). Alle anbiyā (عليهم السلام) zullen met deze vraag geconfronteerd worden over hun volkeren. Hun volkeren zullen ontkennen, en dan zal gevraagd worden om getuigen. Onze Nabī (صلى الله عليه وسلم) zal de getuigenis van zijn ummah vragen.
De ummah van onze Nabī (صلى الله عليه وسلم) zal getuigen, en an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zal hun getuigenis bevestigen. In de Qur’ān wordt gezegd: “an-Nabī zal getuige over jullie zijn.” (zie hierboven surah al-Baqarah, (2:143), dat wil zeggen: hij bevestigt de waarheid van jullie getuigenis en verklaart dat zijn ummah rechtvaardige getuigen is.
O Allāh, laat ons omgaan met de ummah van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) zoals U het beste omgaat met de ummah van elk ander Nabī, en moge U hem voor ons tot bemiddelaar maken. Āmīn. Al-ḥamdu lillāhi Rab al-‘ālamīn.