38. De Jannah is verboden gemaakt voor de kāfirs, en zelfs hun nabijheid/familiebanden zal hen niet baten.
De ḥadīth: Ibrāhīm (عليه السلام) ontmoet (zijn vader) Āzar op de Yawmu’l Qiyamah
Deze ḥadīth is door al-Bukhārī ( رَحِمَهُ اللهُ) overgeleverd in deel 4, blz. 139, in Kitābu Bad’i’l-Khalq, in de bab over het vers, zoals vermeld in de āyah:وَٱتَّخَذَ ٱللَّهُ إِبۡرَٰهِيمَ خَلِيلٗا En Allāh heeft Ibrahim als boezemvriend genomen. (Nisāʾ, 4:125)
361. Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Ibrāhīm (عليه السلام) zal op de Yawmu’l Qiyamah zijn vader Āzar ontmoeten. Op het gezicht van Āzar zal zwartheid en stof te zien zijn. Ibrāhīm zegt tegen hem: ‘Heb ik jou niet gezegd dat je mij niet moest tegenspreken?’ Zijn vader zegt: ‘Vandaag zal ik jou niet tegenspreken.’Ibrāhīm (عليه السلام) zegt: “O mijn Rab, U hebt mij beloofd dat U mij niet zou beschamen op de dag waarop de mensen worden opgewekt. Wat kan er beschamender zijn dan een vader die zeer ver van de barmhartigheid is verwijderd?”Allāhu (تعالى) zegt: ‘Ik heb Jannah verboden (harâm) gemaakt voor de kāfirs.’Daarna wordt gezegd: ‘O Ibrāhīm, wat is er onder jouw voeten?’ Hij kijkt en ziet plots een hyena bedekt met bloed. Deze hyena wordt bij zijn poten gegrepen en in Jahannam geworpen.”Deze ḥadīth is door al-Bukhārī eveneens op dezelfde wijze overgeleverd, in deel 6, blz. 141, en volgens al-Qasṭallānī in deel 7, blz. 378, in Kitābu’t-Tafsīr, in het gedeelte over de tafsīr van Sūrat ash-Shu‘arā’, in een kortere versie.
Uitleg van de 361ste ḥadīth
In de woorden van Ibrāhīm (عليه السلام): “Heb ik jou niet gezegd dat je mij niet moest tegenspreken?” zit een verwijzing naar het volgende vers waarin Ibrāhīm (عليه السلام) tegen zijn vader Āzar zei:يَٰٓأَبَتِ إِنِّي قَدۡ جَآءَنِي مِنَ ٱلۡعِلۡمِ مَا لَمۡ يَأۡتِكَ فَٱتَّبِعۡنِيٓ أَهۡدِكَ صِرَٰطٗا سَوِيّٗا ٤٣O mijn vader! Waarlijk! Er is tot mij kennis gekomen die niet tot jou is gekomen. Volg mij dus. Ik zal je op het Rechte Pad leiden.
يَٰٓأَبَتِ لَا تَعۡبُدِ ٱلشَّيۡطَٰنَۖ إِنَّ ٱلشَّيۡطَٰنَ كَانَ لِلرَّحۡمَٰنِ عَصِيّٗا ٤٤O mijn vader! Aanbidt Sheitan niet. Waarlijk! Sheitan is opstandig tegen de Barmhartige. (Maryam, 19:43–44)
Zijn vader zegt op die dag: “Vandaag zal ik jou niet tegenspreken.” Ibrāhīm (عليه السلام) zegt daarop: “O mijn Rab, U hebt mij beloofd dat U mij niet zou beschamen op de dag waarop de mensen worden opgewekt.” Dit is een vorm van du‘ā’, waarin hij hoopt op de vervulling van de belofte van zijn Rab, zonder dat er sprake is van ongehoorzaamheid.
“Wat kan er beschamender zijn dan een vader die zeer ver van de barmhartigheid is verwijderd?” Hiermee wordt bedoeld dat een zondaar ver van de genade staat, en een kāfir volledig verwijderd en beroofd is van Allāhs genade. Allāhu (تعالى) zegt in de āyah: وَلَا تُفۡسِدُواْ فِي ٱلۡأَرۡضِ بَعۡدَ إِصۡلَٰحِهَا وَٱدۡعُوهُ خَوۡفٗا وَطَمَعًاۚ إِنَّ رَحۡمَتَ ٱللَّهِ قَرِيبٞ مِّنَ ٱلۡمُحۡسِنِينَ ٥٦En sticht geen onheil op aarde, nadat het geordend is en roep Hem met angst en hoop aan. Zeker, Allāh’s genade is dichtbij (en binnen handbereik van) de weldoeners (die hun best doen in het zuiveren van hun intenties en daden). (Aʿrāf, 7:56)
Allāhu (تعالى) antwoordt Ibrāhīm (عليه السلام): “Ik heb Jannah verboden gemaakt voor de kāfirs.” Dat wil zeggen: jouw vader is een kāfir, en Jannah is voor hem verboden.
“Daarna wordt gezegd: “O Ibrāhīm, wat is er onder jouw voeten?” Dit wordt zo gevraagd om zijn aandacht van Āzar af te leiden en hem naar een andere richting te wenden.
In de overlevering van Ibn al-Mundhir wordt gezegd: Toen hij zijn vader in die toestand zag (namelijk dat hij onder zijn voeten keek en een hyena zag, bedekt met bloed…), verbrak hij toen de band met hem en zei: “Jij bent mijn vader niet.”
De reden dat hij werd veranderd in een hyena en niet in een ander dier is volgens de uitleg dat de hyena tot de meest dwaze dieren behoort. Door zijn dwaasheid blijft hij onoplettend op momenten waarop men juist waakzaam zou moeten zijn. Zo werd Āzar, omdat hij de vermaning van iemand die hem het meest genadig was niet accepteerde, met dit dier vergeleken.
Deze ḥadīth laat zien dat wanneer de vader een kāfir is, de voortreffelijkheid van de zoon geen enkel voordeel voor de vader oplevert. Hetzelfde geldt omgekeerd, zoals in het geval van de zoon van Nūḥ (عليه السلام). (Qasṭallānī, Sharḥ, deel 5, blz. 343)
De ḥadīth “Tegen degene met de lichtste bestraffing in Jahannam wordt gezegd…”: deze ḥadīth is door al-Bukhārī ( رَحِمَهُ اللهُ) overgeleverd in deel 4, blz. 134, en volgens de uitleg van al-Qasṭallānī in deel 5, blz. 324 en verder, in Kitābu Bad’i’l-Khalq, in de bab “De schepping van Ādam (عليه السلام)”:
362. Van …
Anas (رضي الله عنه) als marfū‘: “Allāhu (تعالى) zal tegen degene met de lichtste bestraffing in Jahannam zeggen: ‘Als alles op aarde van jou zou zijn, zou je het dan afstaan om van deze bestraffing gered te worden?’ Hij zegt: ‘Ja.’ Dan zegt Allāhu (تعالى): ‘Terwijl jij als nakomeling van Ādam werd geschapen, heb Ik van jou iets nog eenvoudigers gevraagd: dat je Mij niets als deelgenoot zou toekennen (shirk), maar jij hebt geweigerd dit te aanvaarden.’
Deze ḥadīth is ook door al-Bukhārī ( رَحِمَهُ اللهُ) overgeleverd, volgens al-Qasṭallānī in deel 9, blz. 321, in Kitābu’r-Riqāq, in de bab “De eigenschappen van Jannah en Jahannam”, met de volgende tekst:
363. Van … Abū ‘Imrān, namelijk al-Jawnī, zei: Ik hoorde Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) de volgende ḥadīth van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Allāhu (تعالى) zal tegen degene met de lichtste bestraffing in Jahannam op de Yawmu’l Qiyamah zeggen: ‘Als alles op aarde van jou zou zijn, zou je het dan afstaan?’ Hij zegt: ‘Ja.’ Dan zegt Allāhu (تعالى): “Terwijl jij uit de lendenen van Ādam kwam, heb Ik van jou iets nog eenvoudigers gevraagd: dat je naast Mij niets als deelgenoot zou toekennen, maar je hebt afgezien van de verantwoordelijkheid om iemand naast Mij als deelgenoot te erkennen (shirk).”
Deze ḥadīth is door Imām Muslim ( رَحِمَهُ اللهُ) overgeleverd, volgens de Marginale aantekening van al-Qasṭallānī, deel 10, blz. 264, in de bab over de kaffārāt:
364. Van …
Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh zal tegen degene van de bewoners van Jahannam die de lichtste bestraffing ontvangt zeggen: ‘Als de wereld en alles wat daarin is van jou zou zijn, zou jij het dan als boetedoening (kaffârah) geven?’ De man zegt: ‘Ja.’Dan zegt Allāhu (تعالى): “Toen jij nog in de lendenen van Ādam was, vroeg Ik van jou iets dat nog geringer was dan dit: dat jij naast Mij niets als deelgenoot zou toekennen.”De overleveraar zei: “Ik denk dat hier ook werd gezegd: ‘Als jij dat had aanvaard, zou Ik jou niet in Jahannam hebben geworpen. Maar jij weigerde iets anders te accepteren dan shirk en je overtrad Mijn andere verboden.”
365. Muslim heeft via een andere keten van overleveraars van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Tegen de kāfir zal op de Yawmu’l Qiyamah gezegd worden: ‘Wat denk jij? Als jij de hele aarde vol goud zou bezitten, zou jij het allemaal afstaan als boetedoening (kaffarah)?’Hij zegt: ‘Ja.’Dan wordt tegen hem gezegd: ‘Er werd van jou in het wereldse leven iets gevraagd dat veel geringer was dan dit.’
366. In een andere overlevering van Muslim wordt gezegd: “Daarop zal tegen hem gezegd worden: “Jij liegt. Er werd van jou iets gevraagd dat geringer was dan dit.”
Uitleg van de aḥadīth 362–366
Dat Allāhu (تعالى) hier zegt: “Ik vroeg van jou”, betekent: “Ik beval jou” en “Ik verlangde van jou”.
Volgens de madhhab van Ahlu’l Haq gebeurt alles wat Allāhu (تعالى) wil onvermijdelijk. Daarom wordt het woord “irādah” hier opgevat in de betekenis van bevel en opdracht.
Volgens Ahlu’l Haq mathhab is de wil (irādah) van Allāhu (تعالى) alles wat zich in het universum voordoet, zowel het goede als het slechte. Zowel īmān als kufr vinden plaats met Zijn wil. Zoals Allāhu (تعالى) de īmān van de mu’min wil, zo wil Hij ook de kufr van de kāfir.
De Mu‘tazilah zeggen dit echter niet. Volgens hen heeft Allāhu (تعالى) de īmān van de kāfir gewild, maar niet diens kufr. Allāhu (تعالى) is Verheven boven hun onjuiste uitspraken. Hun bewering impliceert onmacht ten aanzien van Allāhu (تعالى), en betekent tevens dat gebeurtenissen binnen het koninkrijk van Allāhu (تعالى) kunnen plaatsvinden zonder Zijn wil. Dit is een verkeerde overtuiging.
Over de interpretatie van deze ḥadīth werd eerder reeds voldoende uitleg gegeven. De uiterlijke betekenis van de uitspraak: “Jij liegt” is als volgt: Tegen de persoon wordt gezegd:“Als jij zou worden teruggestuurd naar het wereldse leven en de gehele wereld van jou zou zijn, zou jij die dan afstaan?”Wanneer hij antwoordt: “Ja,”dan wordt tegen hem gezegd: “Nee, jij liegt. Want toen er van jou iets veel geringers werd gevraagd, weigerde jij het.”Over dit onderwerp zegt Allāhu (تعالى) in de Qur’ān:
بَلۡ بَدَا لَهُم مَّا كَانُواْ يُخۡفُونَ مِن قَبۡلُۖ وَلَوۡ رُدُّواْ لَعَادُواْ لِمَا نُهُواْ عَنۡهُ وَإِنَّهُمۡ لَكَٰذِبُونَ ٢٨Nee, het is hen duidelijk geworden wat zij hiervoor verborgen hebben. Maar als zij zouden terugkeren, dan zouden zij zeker terugkeren naar datgene wat hen verboden was. En zij zijn waarlijk leugenaars. (Anʿām, 6:28)
In een andere āyah zegt Allāhu (تعالى):لِلَّذِينَ ٱسۡتَجَابُواْ لِرَبِّهِمُ ٱلۡحُسۡنَىٰۚ وَٱلَّذِينَ لَمۡ يَسۡتَجِيبُواْ لَهُۥ لَوۡ أَنَّ لَهُم مَّا فِي ٱلۡأَرۡضِ جَمِيعٗا وَمِثۡلَهُۥ مَعَهُۥ لَٱفۡتَدَوۡاْ بِهِۦٓۚ أُوْلَٰٓئِكَ لَهُمۡ سُوٓءُ ٱلۡحِسَابِ وَمَأۡوَىٰهُمۡ جَهَنَّمُۖ وَبِئۡسَ ٱلۡمِهَادُ ١٨Voor degenen die de Roep van hun Heer beantwoorden is er de Jannah. Maar voor degenen die Zijn Roep niet beantwoorden, al zouden zij alles hebben wat op aarde bestaat en nog eens zoveel daarbij, zij zouden zich daarmee willen vrijkopen. Voor hen zal er een verschrikkelijke afrekening volgen. Hun verblijfplaats zal de Jahannam zijn – en dat is zeker een slechte rustplaats.
(Raʿd, 13:18)En in een andere āyah: وَلَوۡ أَنَّ لِلَّذِينَ ظَلَمُواْ مَا فِي ٱلۡأَرۡضِ جَمِيعٗا وَمِثۡلَهُۥ مَعَهُۥ لَٱفۡتَدَوۡاْ بِهِۦ مِن سُوٓءِ ٱلۡعَذَابِ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِۚ وَبَدَا لَهُم مِّنَ ٱللَّهِ مَا لَمۡ يَكُونُواْ يَحۡتَسِبُونَ ٤٧Als aan degenen die zondigden alles zou toebehoren wat op aarde is, en nog eens zoveel erbij, dan zouden zij een losprijs op de Dag des Oordeels aanbieden om henzelf van de kwade bestraffing te bevrijden. En er zullen voor hen (bestraffingen) van Allāh verschijnen, waar zij nooit rekening mee gehouden hebben. (Zumar, 39:47)
De betekenis van deze āyāt wordt als volgt samengebracht: Wanneer zij op de Yawmu’l Qiyamah de bestraffing met eigen ogen zien, dan zouden zij, als zij over zulke bezittingen beschikten, alles als losprijs geven om eraan te ontsnappen.
Maar als zij zouden worden teruggestuurd naar het wereldse leven, en zelfs als de gehele wereld hun bezit zou zijn, en van hen gevraagd werd een gehoorzaam leven te leiden, dan zouden zij opnieuw terugkeren naar hun vroegere toestand, de shayṭān volgen en hun belofte vergeten.
In deze ḥadīth zit het bewijs dat het toegestaan is om over Allāhu (تعالى) te zeggen: “Allāh zegt”. Sommige salaf-geleerden vonden het niet gepast om op die manier over Allāhu (تعالى) te spreken. Zij vonden dat men de verleden tijd moest gebruiken en dus moest zeggen: “Allāh zei”. Dat deze opvatting niet juist is, en dat het toegestaan is om te zeggen: “Allāh zegt”, werd eerder al uitvoerig uitgelegd. De meerderheid van de salaf-geleerden en ook het merendeel van de khalaf-geleerden zijn van mening dat dit toegestaan is.Ook in de Qur’ān al-Karīm wordt deze uitdrukking gebruikt. Allāhu (تعالى) zegt:وَٱللَّهُ يَقُولُ ٱلۡحَقَّ وَهُوَ يَهۡدِي ٱلسَّبِيلَ…Maar Allāh spreekt de Waarheid en Hij leidt naar de (juiste) Weg. (Aḥzāb, 33:4)
In de Ṣaḥīḥ van al-Bukhārī en Muslim bevinden zich eveneens vele aḥādīth die aantonen dat dit toegestaan is. (Uit de Sharḥ van Ṣaḥīḥ Muslim van an-Nawawī)