39. De discussie tussen Jannah en Jahannam, de klacht van Jahannam
De ḥadīth “De Jannah en Jahannam discussiëren met elkaar…”Deze ḥadīth is door al-Bukhārī ( رَحِمَهُ اللهُ) overgeleverd in deel 6, blz. 138, in Kitābu’t-Tafsīr, in het gedeelte over de tafsīr van Sūrat Qāf.
367. Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De Jannah en Jahannam discussiëren met elkaar.De Jahannam zegt: ‘Aan mij werden de hoogmoedigen en de tirannen gegeven.’De Jannah zegt: ‘Waarom is het dat juist de zwakken en behoeftigen van de mensen steeds naar mij komen?’Daarop zegt Allāhu تَبَارَكَ وَتَعَالَى tegen Jannah: “Jij bent Mijn genade (rahmah). Met jou toon Ik genade aan wie Ik wil van Mijn dienaren.”En tegen Jahannam zegt Hij: “Jij bent slechts Mijn bestraffing (adhāb). Met jou straf Ik wie Ik wil van Mijn dienaren. Beiden ontvangen volop hun aandeel”.De Jahannam zal niet vol raken totdat Allāhu (تعالى) Zijn Voet daarop plaatst. Dan zal zij zeggen: ‘Genoeg, genoeg, genoeg.’Op dat moment zal zij gevuld zijn, en degenen die erin geworpen worden zullen over elkaar heen samengedrukt worden. Allāhu (عَزَّ وَجَلَّ) doet geen onrecht aan ook maar één van Zijn dienaren. Wat Jannah betreft: Allāhu (تعالى) schept uit Zijn schepselen een groep daarvoor.
Deze ḥadīth is door al-Bukhārī eveneens overgeleverd in deel 9, blz. 134, in Kitābu’t-Tawḥīd, in de bab over de āyah:وَلَا تُفۡسِدُواْ فِي ٱلۡأَرۡضِ بَعۡدَ إِصۡلَٰحِهَا وَٱدۡعُوهُ خَوۡفٗا وَطَمَعًاۚ إِنَّ رَحۡمَتَ ٱللَّهِ قَرِيبٞ مِّنَ ٱلۡمُحۡسِنِينَ ٥٦En sticht geen onheil op aarde, nadat het geordend is en roep Hem met angst en hoop aan. Zeker, Allāh’s genade is dichtbij (en binnen handbereik van) de weldoeners (die hun best doen in het zuiveren van hun intenties en daden). (Aʿrāf, 7:56)
368.
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De Jannah en Jahannam wenden zich beiden tot hun Rab over elkaar.De Jannah zegt: ‘O mijn Rab, waarom is het dat juist de zwakken en behoeftigen van de mensen steeds naar mij komen?’De Jahannam zegt: ‘Voor mij zijn de hoogmoedigen uitgekozen.’Daarop zegt Allāhu (تعالى) tegen Jannah: ‘Jij bent Mijn genade (rahmah).’En tegen Jahannam: ‘Jij bent Mijn bestraffing (adhāb). Met jou straf Ik wie Ik wil.’Daarna zegt Hij: “Beiden ontvangen volop hun aandeel.”Daarna zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم):‘Wat Jannah betreft: Allāhu (تعالى) doet geen onrecht aan ook maar één van Zijn dienaren. Hij laat wie Hij wil Jannah binnengaan. En wat Jahannam betreft: de mensen zullen erin geworpen worden, waarna zij driemaal zeggen: “Is er nog meer?”Totdat Allāhu (تعالى) Zijn Voet daarin plaatst. Dan raakt zij gevuld en zullen degenen die erin zijn over elkaar heen gedrukt worden”.Daarop zegt Jahannam: “Genoeg, genoeg, genoeg.”
Deze ḥadīth is door Muslim overgeleverd in zijn Ṣaḥīḥ, in de bab over Jahannam. Muslim vermeldt verschillende overleveringen van deze ḥadīth via Abū Hurayrah (رضي الله عنه).
369. De eerste overlevering:Deze is gelijk aan de eerste overlevering die door al-Bukhārī werd genoemd in de tafsīr van Sūrat Qāf.
In de overlevering van Muslim is echter de volgende toevoeging opgenomen:“De Jannah zegt: ‘Waarom word ik gevuld met de zwakken, de behoeftigen en de hulpelozen onder de mensen?’In deze overlevering van Muslim staat ook: “Voor ieder van jullie beiden is er een aandeel waarmee jullie gevuld zullen worden.”
370. De tweede overlevering is gelijk aan de eerste. Alleen wordt hier in plaats van het woord “taḥājjat” voor “zij discussieerden met elkaar”, het woord “iḥtajjāt” gebruikt.
371. De derde overlevering komt eveneens van Abū Hurayrah (رضي الله عنه). Het verschil met de andere overleveringen zit in de volgende extra zin: “De Jannah zegt: ‘Waarom is het zo dat alleen de zwakken, de behoeftigen en de ellendigen onder de mensen mij binnengaan?’
372. De vierde overlevering die Muslim vermeldt komt van Abū Sa‘īd al-Khudrī (رضي الله عنه). Deze overlevering is gelijk aan de overleveringen van Abū Hurayrah (رضي الله عنه). Er is slechts een verschil in enkele woorden dat geen verandering in betekenis veroorzaakt.
373. Daarna overlevert Muslim deze ḥadīth met een keten die teruggaat via Qatādah, op Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Rabbu الْعِزَّةِ تَبَارَكَ وَتَعَالَى (De Heer van Glorie en Majesteit, Gezegend en Verheven is Hij) blijft Zijn Voet in Jahannam plaatsen terwijl zij blijft zeggen: ‘Is er nog meer?’Daarna worden degenen die erin zitten tegen elkaar aangedrukt.de Jahannam zegt dan: ‘Genoeg, genoeg! Bij Uw Eer (`Izzah) (zweer ik)!’ De bewoners ervan worden tussen elkaar samengedrukt.”
374.
Vervolgens vermeldt Muslim nog een andere overlevering van deze ḥadīth van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De Jahannam blijft mensen daarin werpen, totdat Rabbu’l `Izzah Zijn voet erop zet, terwijl zij blijft zeggen: ‘Is er nog meer?’ Daarna worden zij tegen elkaar aangedrukt.Dan zegt Jahannam: ‘Genoeg, genoeg, bij Uw Macht en Uw Edelheid!’De Jannah blijft met een overschot over. Allāhu (تعالى) schept voor die plaats een gemeenschap en laat hen wonen in dat overblijvende deel van de Jannah. In een andere overlevering vermeldt Muslim:
375. Van Anas (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er zal een overschot van Jannah overblijven zoveel als Allāhu (تعالى) wil, totdat Allāhu (تعالى) voor dat deel een gemeenschap zal doen ontstaan uit wie Hij wil.”
Ook at-Tirmidhī heeft deze ḥadīth overgeleverd met zijn keten van overleveraars, in de bab met de titel: “De discussie tussen Jannah en Jahannam”, waarin hij zegt:
376. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “De Jannah en Jahannam discussiëren met elkaar.De Jannah zegt: ‘Tot mij komen steeds de zwakken en de armen.’de Jahannam zegt: ‘Tot mij komen de tirannen en de hoogmoedigen.’Daarop zegt Allāhu (تعالى) tegen Jahannam: ‘Jij bent Mijn bestraffing. Met jou neem Ik wraak op wie Ik wil.’En tegen Jannah zegt Hij: ‘Jij bent Mijn genade. Met jou schenk Ik genade aan wie Ik wil.’
Uitleg van de 367–376 aḥādīth
“De Jannah en Jahannam discussiëren met elkaar,” dat wil zeggen: zij spreken door middel van hun toestandstaal (lisān al-ḥāl: hun eigen stille, innerlijke uitdrukking). Dat Allāhu (تعالى) dit door Zijn Macht werkelijk laat plaatsvinden, is niet onmogelijk.
“Mutakabbir” (degene die hoogmoedig is): iemand die zich groot maakt met iets dat hem in werkelijkheid niet toebehoort, en die neerziet op de mensen.
“De tiran”: degene die zijn omgang met anderen afhankelijk maakt van moeilijke formaliteiten en afstandelijkheid, of degene die zich totaal niet bekommert om de toestand van de zwakken en behoeftigen.
“De Jannah zegt: ‘De zwakken en behoeftigen onder de mensen komen tot mij,’ dat wil zeggen: degenen aan wie de mensen weinig aandacht schenken, die onder de mensen worden geminacht, en degenen die worden onderschat vanwege hun nederigheid, ootmoed tegenover hun Rab, zij zijn degenen die Jannah binnengaan.
Allāhu (تعالى) zegt tegen Jannah: “Jij bent Mijn genade (rahmah),” want door hem komen de sporen van de genade van Allāhu (تعالى) tot uiting.Eveneens zegt Hij: “Met jou schenk Ik genade aan wie Ik wil van Mijn dienaren.” De genade van Allāhu (تعالى) behoort tot Zijn eigenschappen die zonder begin (azalī) en zonder einde (abadī) zijn. Het zichtbaar worden van de uitwerkingen van deze eigenschap wordt in overdrachtelijke zin eveneens “genade” genoemd. En tegen Jahannam zegt Allāhu (تعالى): “Jij bent Mijn bestraffing. Met jou straf Ik wie Ik wil van Mijn dienaren.”
“De Jahannam raakt niet gevuld totdat Hij Zijn Voet daarin plaatst,” en volgens de overlevering van Muslim: “totdat Allāhu (تعالى) Zijn Voet daarin plaatst.”
Ibn Fūrak heeft de uitdrukking “Voet” in deze ḥadīth niet aanvaard. Ook Ibn al-Jawzī zei: “Deze uitdrukking is een vervorming van sommige overleveraars,” dat wil zeggen: volgens hem zou het een toevoeging van bepaalde overleveraars zijn geweest. Hun beweringen worden echter weerlegd door de overleveringen die voorkomen in Ṣaḥīḥ al-Bukhārī en Ṣaḥīḥ Muslim. De meerderheid van de geleerden heeft deze uitspraak geïnterpreteerd (ta`wīl) door te zeggen: “Allāhu (تعالى) zal als laatste een bijzondere groep in Jahannam plaatsen, toegevoegd aan degenen die er reeds waren.”
Er werd ook gezegd dat de woorden “Voet” en “Been” in deze ḥadīth behoren tot de eigenschappen van Allāhu (تعالى), zonder gelijkenis en zonder dat men vraagt naar de hoedanigheid ervan. Het verwijst naar enkele van Zijn eigenschappen die boven elke tekortkoming verheven zijn.
Men dient hierin te geloven en zich te onthouden van het spreken over het “hoe”. Degene die leiding heeft gevonden, is degene die de weg van overgave kiest. Wie zich te diep begeeft in zulke moeilijke kwesties raakt in dwaling; degene die niet gelooft dwaalt af, en degene die een specifieke hoedanigheid toeschrijft vervalt in tashbīh, het vergelijken van Allāhu (تعالى) met de schepping.Allāhu (تعالى) zegt: لَيۡسَ كَمِثۡلِهِۦ شَيۡءٞۖ …‘Niets is aan Hem gelijk… Shūrā, 42:11)“Allāh doet geen onrecht aan ook maar één van Zijn dienaren, ” dat wil zeggen: Hij bestraft niemand die geen kwaad heeft verricht.
“Van Jannah blijft een overschot over. Allāhu (تعالى) schept uit Zijn schepselen een groep daarvoor,” dat wil zeggen: Hij zal daarin mu’mins plaatsen die geen goede daden hebben verricht. Beloning is niet uitsluitend beperkt tot daden. (Tot hier de uitleg uit de Sharḥ van al-Qasṭallānī, deel 7, blz. 354.)
Al-Qasṭallānī legt deze ḥadīth in Kitābu’t-Tawḥīd, deel 10, blz. 413, in de bab over de āyah:وَلَا تُفۡسِدُواْ فِي ٱلۡأَرۡضِ بَعۡدَ إِصۡلَٰحِهَا وَٱدۡعُوهُ خَوۡفٗا وَطَمَعًاۚ إِنَّ رَحۡمَتَ ٱللَّهِ قَرِيبٞ مِّنَ ٱلۡمُحۡسِنِينَ ٥٦En sticht geen onheil op aarde, nadat het geordend is en roep Hem met angst en hoop aan. Zeker, Allāh’s genade is dichtbij (en binnen handbereik van) de weldoeners (die hun best doen in het zuiveren van hun intenties en daden).
(Aʿrāf, 7:56), als volgt uit:De discussie tussen Jannah en Jahannam kan een overdrachtelijke discussie zijn, omdat zij tegenover elkaar staan alsof zij twee tegenstanders zijn. Het is echter ook mogelijk dat zij werkelijk spreken, doordat aan hen leven en het vermogen tot spreken wordt gegeven.Abū al-‘Abbās al-Qurṭubī zei: “Het is mogelijk dat Allāhu (تعالى) spraak schept in een deel van Jannah en Jahannam. Want voor geluiden is het niet noodzakelijk dat datgene waaruit het geluid voortkomt verstand bezit of levend is.
Zelfs als men zou aannemen dat dit noodzakelijk is, dan nog is Allāhu (تعالى) in staat om aan sommige levenloze schepselen leven te geven. Sommige Qur’ān-excegeten (mufassirūn) zeggen namelijk bij de uitleg van de āyah:وَمَا هَٰذِهِ ٱلۡحَيَوٰةُ ٱلدُّنۡيَآ إِلَّا لَهۡوٞ وَلَعِبٞۚ وَإِنَّ ٱلدَّارَ ٱلۡأٓخِرَةَ لَهِيَ ٱلۡحَيَوَانُۚ لَوۡ كَانُواْ يَعۡلَمُونَ ٦٤En dit wereldse leven is slechts vermaak en spel! Waarlijk, het Huis van het Hiernamaals, dat is het echte leven, als zij dat maar wisten. (ʿAnkabūt, 29:64), dat alles wat zich in Jannah bevindt leven zal hebben. Daarnaast is het ook mogelijk dat deze “spraak” plaatsvindt via de toestands-taal. De eerste uitleg verdient echter de voorkeur.
Dat Jannah en Jahannam met elkaar discussiëren betekent dat ieder van hen zich beroept op degenen die zich erin bevinden.
De Jahannam denkt dat Allāhu (تعالى) haar boven Jannah heeft verkozen doordat Hij de groten en hoogmoedigen van de wereld daarin heeft geplaatst. De Jannah daarentegen denkt dat Allāhu (تعالى) haar boven Jahannam heeft verkozen doordat de geliefden van Allāh haar binnengaan. In Zijn antwoord aan Jannah en Jahannam maakt Allāhu (تعالى) niet duidelijk dat één van beide beter is dan de ander. Hij verbindt hun toestand aan Zijn goddelijke wil (mashī’ah).
De uitdrukking: “Hij plaatst Zijn Voet,” betekent volgens deze uitleg: tegenhouden en bedwingen. In sommige overleveringen van deze ḥadīth wordt gezegd: “De Jahannam wordt gevuld. Allāhu (تعالى) doet geen onrecht aan ook maar één van Zijn dienaren. En voor Jannah zal Allāhu (تعالى) een volk doen ontstaan.” Zo luidt ook de overlevering in Ṣaḥīḥ Muslim.
In de eerder genoemde paragraaf wordt echter overgeleverd: “Allāhu (تعالى) doet geen onrecht aan ook maar één van Zijn schepselen, en Hij voert wie Hij wil naar Jahannam.” Sommige geleerden zeiden dat hier sprake is van een omwisseling in de formulering. Ibn al-Qayyim al-Jawziyyah zei: “Dit is een vergissing en een verwarring,” en hij gebruikte als bewijs de āyah van Allāhu (تعالى):وَلَوۡ شِئۡنَا لَأٓتَيۡنَا كُلَّ نَفۡسٍ هُدَىٰهَا وَلَٰكِنۡ حَقَّ ٱلۡقَوۡلُ مِنِّي لَأَمۡلَأَنَّ جَهَنَّمَ مِنَ ٱلۡجِنَّةِ وَٱلنَّاسِ أَجۡمَعِينَ ١٣En als Wij wilden, zeker! Dan zouden Wij iedere ziel haar Leiding geven, Maar het Woord is door Mij bepaald: dat Ik de Jahannam met zowel Djinn als mensen zal vullen. (Sajdah, 32:13)
Eveneens verzette al-Balqīnī zich tegen deze wijziging en gebruikte als bewijs de āyah: وَلَا يَظۡلِمُ رَبُّكَ أَحَدٗا ٤٩…en jullie Heer behandelt niemand onrechtvaardig. (Kahf, 18:49)
Abū al-Ḥasan al-Qābisī zei: “Voor zover bekend zal Allāhu (تعالى) een volk doen ontstaan voor Jannah. Buiten deze ḥadīth ken ik geen enkele overlevering die erop wijst dat Allāhu (تعالى) een volk speciaal voor Jahannam zal doen ontstaan om haar daarmee te vullen, (dat wil zeggen: om de Jahannam met hen te vullen).” Hij gebruikte tevens als argument dat het niet past bij de Edelmoedigheid van Allāhu (تعالى) om iemand zonder zonde te bestraffen. Dat iemand die geen gehoorzaamheid heeft verricht toch begunstigd wordt, is echter een andere kwestie.
Al-Balqīnī zei ook: Het is beter om deze uitdrukking zo te begrijpen dat levenloze stenen (voorwerpen zonder rûh) in Jahannam worden geworpen, dan dat men ervan uitgaat dat onschuldige, zondeloze levende wezens daarin worden geworpen.
In al-Fatḥ wordt gezegd: “Het is ook mogelijk dat hiermee levende wezens bedoeld worden. Zij zouden zich dan in Jahannam bevinden zoals de bewakers van Jahannam zich daarin bevinden, zonder zelf bestraft te worden.”
Hier kan het woord inshā’ (doen ontstaan) ook betekenen: “naar Jahannam voeren.”
De uitspraak: “Zij worden erin geworpen en Jahannam zegt: ‘Is er nog meer?,’ vormt hiervoor een aanwijzing.Wat betreft de uitleg van de aḥādīth die Muslim heeft overgeleverd: Deze uitleg is ontleend aan de Sharḥ van Ṣaḥīḥ Muslim van an-Nawawī (volgens de marginale aantekening van al-Qasṭallānī, deel 10, blz. 297).
Dat Jannah en Jahannam met elkaar discussiëren toont aan dat Allāhu (تعالى) aan beiden onderscheidingsvermogen zal geven. Daardoor verkrijgen zij begrip en kunnen zij spreken en discussiëren. Dit betekent echter niet dat dit onderscheidingsvermogen voortdurend aanwezig hoeft te blijven.
Met “de hulpelozen” worden degenen bedoeld die in het wereldse leven niet in staat waren macht, rijkdom, status en wereldse zaken te verkrijgen.Met “de zwakken” worden de geringe en geminachte mensen bedoeld.Met “de ellendigen” worden degenen bedoeld die weinig begrip hebben van wereldse zaken en door de mensen als dwaas worden beschouwd.Ook de ḥadīth: “De meeste bewoners van Jannah zijn degenen die als dwaas worden beschouwd, ” wijst op deze betekenis.
Qāḍī ‘Iyāḍ zegt: “Met deze mensen worden de gewone mu’mins bedoeld, de eenvoudige massa onder de mensen die weinig kennis bezitten. Want zij kennen de sunnah meestal niet diepgaand genoeg om in fitan, bid`i (m.v. van bid‘ah) en soortgelijke zaken te vervallen. Daarom blijven zij op een correcte ‘aqīdah en standvastig in hun īmān.Zoals zij de meerderheid van de mu’mins vormen, zo vormen zij ook de meerderheid van de bewoners van Jannah.
Wat betreft de mensen van kennis en inzicht, de geleerden die handelen naar hun kennis, de rechtschapen dienaren en vroom ingestelde mensen/aan hun aanbidding gehecht: zij vormen een minderheid. Zij zullen echter bij Allāhu (تعالى) verheven rangen bezitten.
Er werd ook gezegd dat met de ḥadīth: “De bewoners van Jannah zijn de zwakken en degenen die zich zwak opstellen, ” bedoeld wordt dat hun “zwakheid” inhoudt dat zij, in tegenstelling tot de hoogmoedige tiran, hun nafs nederig maken tegenover Allāhu (تعالى) en deze dwingen tot gehoorzaamheid.
“Rabbu’l-‘Izzah تَبَارَكَ وَتَعَالَى blijft zeggen: ‘Is er nog meer?’ totdat Hij Zijn Voet in Jahannam plaatst.” Deze uitspraak behoort tot de bekende overleveringen over de eigenschappen van Allāhu (تعالى). Over dit onderwerp werd eerder reeds uitvoerig uitleg gegeven. Zoals bekend bestaan er hierover twee benaderingen:De salaf kozen ervoor om geen interpretatie (ta’wīl ) , maar te geloven in de bedoelde betekenis zonder in te gaan op het “hoe”.De meeste de speculatieve theologen (mutakallimūn) en een deel van de khalaf-geleerden kozen ervoor zulke uitdrukkingen te interpreteren op een wijze die passend is bij de eigenschappen van Allāhu (تعالى).
Over de interpretatie (ta’wīl) van het woord “Voet” in deze ḥadīth zijn verschillende meningen genoemd. Volgens één uitleg betekent “Voet” hier: “degene die vooropgaat’; die betekenis komt ook veel voor in het Arabische taalgebruik.De betekenis zou dan zijn: “Allāhu (تعالى) blijft Jahannam vullen met degenen die daarvoor bestemd en vooruitgezonden zijn.” Al-Māzarī en Qāḍī ‘Iyāḍ zeggen dat deze uitleg een ta’wīl is die door Naḍr ibn Shamīl en anderen van Ibn al-A‘rābī is overgeleverd.Volgens een tweede mening wordt hiermee de Voet van bepaalde mensen bedoeld.Volgens een derde mening kunnen er onder de schepselen wezens zijn die op deze wijze, namelijk als “Voet” worden aangeduid.Abū Bakr ibn Fūrak beweerde dat de overlevering waarin het woord “Voet” voorkomt niet authentiek is vastgesteld. Deze overlevering is echter door Muslim en anderen overgeleverd. De tekst is dus authentiek vastgesteld en kan, zoals eerder genoemd, geïnterpreteerd worden.
Met “Been” kan ook een groep mensen bedoeld zijn. In het Arabisch wordt bijvoorbeeld met de uitdrukking “de poot van een sprinkhaan” een groep sprinkhanen bedoeld.
Qāḍī ‘Iyāḍ zegt: “Volgens de meest juiste interpretatie (ta’wīl) wordt hiermee een groep bedoeld die Jahannam heeft verdiend en daarvoor geschapen is. Deze uitdrukking moet dus niet letterlijk volgens de uiterlijke betekenis worden opgevat, omdat met duidelijke bewijzen vaststaat dat Allāhu (تعالى) geen lichamelijke ledematen bezit.
De ḥadīth: “de Jahannam klaagde bij haar Rab…”
Deze ḥadīth is door al-Bukhārī overgeleverd in deel 4, blz. 140, in Kitābu Bad’i’l-Khalq, in de bab “De eigenschappen van Jahannam”.
377. Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “de Jahannam klaagde bij haar Rab en zei: ‘O mijn Rab, een deel van mij verteert een ander deel.’Daarop gaf Allāhu (تعالى) haar toestemming voor twee ademhalingen: één ademhaling in de winter en één ademhaling in de zomer. Dat zijn de hevigste hitte die jullie ervaren en de hevigste koude die jullie ervaren.”
Uitleg van de 377ste ḥadīth
“De Jahannam klaagde bij haar Rab,” dat wil zeggen: Allāhu (تعالى) gaf haar leven zodat zij werkelijk sprak, of haar toestand zelf vormde een klacht door middel van haar toestandstaal (lisān al-ḥāl). Haar klacht was vanwege het hevige koken binnenin haar, en doordat het ene deel het andere deel verteerde en verbrandde.
“Allāhu (تعالى) gaf haar toestemming voor twee ademhalingen.” Al-Bayḍāwī beschouwde deze “ademhaling” als een overdrachtelijke uitdrukking, terwijl anderen het letterlijk als een werkelijke ademhaling opvatten. Hiermee wordt bedoeld: iets dat uit haar naar buiten komt en zich met de lucht vermengt. Allāh is in staat om uit vuur een ijskoude vorst voort te brengen. En Allāhu (تعالى) weet het het beste.