40. De overleveringen over de Waterbassin (Ḥawḍ) van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم)
Deze ḥadīth is door al-Bukhārī ( رَحِمَهُ اللهُ) overgeleverd in deel 8, blz. 119, in de bab over de Ḥawḍ:
378. Van … ‘Abdullāh (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik zal jullie voorgaan naar de Waterbassin (Ḥawḍ). Vervolgens zullen enkele mensen van jullie samen met mij verschijnen (en bij mij komen staan.)Daarna zullen sommigen van hen bij mij worden weggehaald.Ik zal zeggen: O mijn Rab, zij behoren tot mijn aṣḥāb.’Dan zal er gezegd worden: ‘Jij weet niet welke veranderingen zij na jou hebben ingevoerd (in de dīn).’Deze ḥadīth is door al-Bukhārī ( رَحِمَهُ اللهُ) ook overgeleverd via een andere keten die teruggaat op Ḥudhayfah (رضي الله عنه).
Ook Muslim heeft deze overgeleverd via de overleveringsketen van Ḥusayn, van Abū Wā’il, van Ḥudhayfah (رضي الله عنه), van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
Tevens heeft al-Bukhārī deze ḥadīth overgeleverd met een keten die teruggaat op Anas ibn Mālik (رضي الله عنه).
379. Van … Anas (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een groep van mijn aṣḥāb zal naar mij komen bij de Ḥawḍ. Wanneer ik hen herken, zullen zij van mij worden weggehaald.Dan zal ik zeggen: ‘Zij behoren tot mijn aṣḥāb.’Daarop zal Allāh (جَلَّ وَعَلَا) zeggen:‘Jij weet niet welke veranderingen zij na jou (in de dīn ) hebben ingevoerd.’Muslim heeft deze ḥadīth overgeleverd in Kitābu’l-Manāqib.
Al-Bukhārī heeft deze ḥadīth eveneens overgeleverd via een keten die teruggaat op Sahl ibn Sa‘d (رضي الله عنه):
380. Van … Sahl ibn Sa‘d (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik zal jullie voorgaan naar de Ḥawḍ. Wie langs mij komt zal eruit drinken, en wie ervan drinkt zal daarna nooit meer dorst krijgen.
Er zullen mensen naar mij komen die ik herken en die mij herkennen, maar daarna zal er een scheiding tussen hen en mij worden geplaatst.”Abū Ḥāzim zei: Nu‘mān ibn Abī ‘Iyāsh hoorde mij deze overlevering vertellen en vroeg:‘Heb jij dit werkelijk zo van Sahl gehoord?’Ik antwoordde: ‘Ja.’Daarop zei hij: “Ik getuig dat ik Abū Sa‘īd al-Khudrī deze ḥadīth eveneens heb horen overleveren. Hij voegde er echter nog het volgende aan toe: Ik zal zeggen: “Zij behoren tot mij.”Dan zal er gezegd worden: “Jij weet niet welke veranderingen zij na jou hebben ingevoerd (in de dîn).”Daarop zal ik zeggen: “Mensen die na mij veranderingen (in de dîn) hebben aangebracht, laat hen verre van mij zijn; laat hen verre van mij zijn.”
Deze ḥadīth is door al-Bukhārī overgeleverd via een keten die teruggaat op Abū Hurayrah (رضي الله عنه).
381. Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op de Yawmu’l Qiyamah zal een groep van mijn aṣḥāb naar mij komen, maar zij zullen van de Ḥawḍ worden weggehouden.Ik zal zeggen: ‘O mijn Rab, zij behoren tot mijn aṣḥāb.’Daarop zal Allāhu (تعالى) zeggen: ‘Jij hebt geen kennis van wat zij na jou hebben ingevoerd. Zij wendden zich af en gingen volledig terug op hun schreden.”
Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه), wanneer hij deze ḥadīth van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overleverde, gebruikte hij de uitdrukking: “fa-yujlawna”, wat betekent: “zij worden van de Ḥawḍ weggehouden of verdreven.”Volgens de overlevering van ‘Uqayl van az-Zuhrī gebruikte hij de uitdrukking: “fa-yuḥalla’ūna”, wat betekent: “zij worden met geweld daarvandaan verdreven.”
Al-Bukhārī ( رَحِمَهُ اللهُ) heeft deze ḥadīth eveneens van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) met een langere tekst overgeleverd. Die overlevering luidt:
382. Van…
Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Terwijl ik stond, kwam er plotseling een groep mensen aan.Toen ik hen herkende, verscheen er tussen mij en hen een man die zei: ‘Kom mee.’Ik vroeg: ‘Waarheen?’Hij zei: ‘Bij Allāh, naar Jahannam.’Ik vroeg: ‘Wat is hun misdaad?’Hij antwoordde: ‘Na jou wendden zij zich af en verlieten hun dīn.’Daarna kwam een andere groep.Toen ik hen herkende, verscheen er opnieuw een man tussen mij en hen die zei:‘Kom mee.’Ik vroeg: ‘Waarheen?’Hij zei: ‘Bij Allāh, naar Jahannam.’Ik vroeg: ‘Wat is hun misdaad?’Hij antwoordde: ‘Na jou wendden zij zich af en verlieten hun dīn.’Ik zie dat slechts zeer weinigen van hen gered worden, zoals slechts enkele verdwaalde kamelen zich uit een verspreide kudde kunnen redden.”
Deze ḥadīth is door al-Bukhārī overgeleverd, volgens al-Qasṭallānī in deel 9, blz. 343, eveneens in dezelfde bab, via een keten die teruggaat op Asmā’ bint Abī Bakr aṣ-Ṣiddīq (رضي الله عنهما).
383. Van … Asmā’ bint Abī Bakr aṣ-Ṣiddīq (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik zal bij de Ḥawḍ staan. Daar zal ik uitkijken naar degenen van jullie die naar mij toe komen. Dan zullen sommige mensen bij mij worden weggehaald.Ik zal zeggen: ‘O mijn Rab, zij behoren tot mij en tot mijn ummah.’Dan zal er gezegd worden: “Heb jij gemerkt wat zij na jou hebben gedaan? Bij Allāh, zij wenden zich onmiddellijk af en gingen terug op hun schreden”.Ibn Abī Mulaykah placht daarna te zeggen: “O Allāh, wij zoeken bescherming bij U tegen het terugkeren op onze schreden en tegen fitnah in onze dīn.”
Uitleg van de aḥādīth 378–383
De uitspraak van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Ik zal jullie voorgaan naar de Ḥawḍ,” bevat een grote blijde tijding voor de ummah van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم).“Zij behoren tot mijn aṣḥāb,” betekent: “zij behoren tot mijn ummah.”
“Jij weet niet wat zij na jou hebben ingevoerd,” dat wil zeggen: jij hebt geen kennis van hun verzaking van de dīn en van de slechte zaken die zij na jou verrichtten. Wat zij na jou invoerden (in de dīn) is de reden waarom zij van de Ḥawḍ worden weggehouden.
“Laat hen verre van mij zijn; laat hen verre van mij zijn, met degenen die veranderingen hebben aangebracht na mij,” dat wil zeggen: degenen die veranderingen aanbrachten in de dīn die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gebracht.
Over degenen die zonden begingen zonder in kufr te vervallen wordt niet gezegd:“Laat hen verre van mij zijn.” Integendeel, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zal voor hen shafā‘ah doen en zich om hun toestand bekommeren. Want hij is buitengewoon meelevend en barmhartig tegenover de mensen met īmān.
In de tweede overlevering van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) betekent de uitspraak van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Terwijl ik stond,” namelijk: “terwijl ik aan de rand van de Ḥawḍ stond.”
En in dezelfde overlevering wordt met:“een man verscheen tussen mij en hen,” een engel bedoeld in de gedaante van een man.
De uitspraak: “Ik zie dat slechts zeer weinigen van hen gered worden, zoals slechts enkele verdwaalde kamelen uit een verspreide kudde gered worden,” wijst erop dat deze mensen uit twee groepen zullen bestaan: kāfirs en zondige mu’mins.
De kāfirs zullen niet gered worden, terwijl de zondige mu’mins gered zullen worden nadat zij hun bestraffing hebben ondergaan.
Enkele toelichtingen over de Ḥawḍ:Ibn al-Qarqūl zegt: “De Ḥawḍ is de plaats waar water verzameld wordt.”
Er bestaat verschil van mening over de vraag of de Ḥawḍ van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zich vóór of ná de Ṣirāṭ bevindt.
Qāḍī ‘Iyāḍ zegt in zijn Tadhkirah: “Uit de overleveringen blijkt dat de mensen dorstig uit hun graven zullen opstaan.”Als bewijs noemt hij de ḥadīth: “Terwijl ik stond kwam plotseling een groep mensen.
Toen ik hen herkende verscheen er tussen mij en hen een man die zei: ‘Kom mee.’Ik vroeg: ‘Waarheen?’Hij zei: ‘Bij Allāh, naar Jahannam.’Al-Qurṭubī zegt eveneens: “Deze ḥadīth toont aan dat de Ḥawḍ zich vóór de Ṣirāṭ bevindt, op de Verzamelplaats (Mahshar) vóór de oversteek.”Want de Ṣirāṭ is een lange brug waarover men zal oversteken. Wie daaroverheen gaat, wordt gered van Jahannam.Sommigen zeggen echter dat de Ḥawḍ zich ná de Ṣirāṭ bevindt.
Dat al-Bukhārī de aḥādīth over de Ḥawḍ heeft geplaatst na de aḥādīth over de shafā‘ah en de Weegschaal (Mīzān), wijst volgens hen daarop.
Daarnaast is er in Ṣaḥīḥ at-Tirmidhī een ḥadīth van Anas (رضي الله عنه) die eveneens als bewijs voor deze mening wordt gebruikt:
Anas (رضي الله عنه) zei: “Ik vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) om voor mij shafā‘ah te doen.- ‘Dat zal ik doen.’- ‘Waar zal ik u zoeken?’- ‘Zoek mij eerst bij de Ṣirāṭ.’- ‘En als ik u daar niet vind?’- ‘Dan zal ik bij de Mīzān zijn.’- ‘En als ik u daar ook niet vind?’- ‘Dan zal ik bij de Ḥawḍ zijn.’
Ook de uiterlijke betekenis van de uitspraak van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Wie er eenmaal van drinkt zal daarna nooit meer dorst hebben,” ondersteunt deze opvatting. Want deze uitspraak wijst erop dat het drinken uit de Ḥawḍ plaatsvindt ná de afrekening en ná redding van Jahannam. Volgens deze uitleg zou iemand die daarna nooit meer dorst heeft, geen bestraffing meer in Jahannam ondergaan.
Wat betreft de ḥadīth van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), die als bewijs wordt aangevoerd dat de Ḥawḍ zich vóór de Ṣirāṭ bevindt, kan men zeggen: “Volgens deze ḥadīth zullen de mensen de Ḥawḍ zien en ernaartoe willen gaan, maar voordat zij het resterende deel van de Ṣirāṭ kunnen oversteken, zullen zij in Jahannam worden geworpen”. Wie wil, kan hierover nadenken. Imām al-Qurṭubī vermeldt dit standpunt.
Wij zeggen echter: Wij hebben deze kwestie zorgvuldig overwogen en onderzocht, en zijn tot de conclusie gekomen dat deze opvatting niet sterk is. Want de ḥadīth van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) geeft duidelijk aan dat de Ḥawḍ zich op de Verzamelplaats (Mahshar) bevindt.An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zal bij de Ḥawḍ staan.Plotseling zal men zien dat de betreffende groep de Ḥawḍ nadert, waarna een man verschijnt die tussen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en hen in gaat staan en hen verhindert de Ḥawḍ te bereiken.De hierboven genoemde interpretatie (taʾwīl) ligt echter ver verwijderd van de betekenis van de ḥadīth.
Wat betreft het argument dat de eigenschap van de Ḥawḍ, zoals verwoord in de uitspraak: “Wie er eenmaal van drinkt, zal daarna nooit meer dorst hebben,” zou aantonen dat de Ḥawḍ zich ná de Ṣirāṭ bevindt, geldt dat deze conclusie daar niet noodzakelijk uit volgt. Want de uiterlijke betekenis van de ḥadīth wijst erop dat de Ḥawḍ zich vóór de Ṣirāṭ bevindt, op de Verzamelplaats (Mahshar).
Het drinken daaruit dient dan om de dorst weg te nemen die veroorzaakt wordt door het lange wachten op die plaats, en om te voorkomen dat men daarna ooit nog dorst zal ervaren. Tegelijkertijd is dit een teken van redding van Jahannam. Want als de Ḥawḍ zich pas ná de Ṣirāṭ, dus in Jannah, zou bevinden, wat zou dan nog het bijzondere nut ervan zijn? In Jannah zal immers geen dorst bestaan.
Degenen die behoefte zullen hebben om uit de Ḥawḍ te drinken, zijn juist degenen die zich op de Verzamelplaats bevinden.
Wie daar op dat moment uit drinkt, zal daarna nooit meer dorst hebben, niet bestraft worden in Jahannam, en gered worden van de angstaanjagende doornen van de Ṣirāṭ.
De interpretatie van de ḥadīth van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), namelijk dat “de genoemde mensen zich op de Ṣirāṭ naar de Ḥawḍ zullen begeven en daarna in Jahannam zullen vallen” is geen interpretatie die bij iemand opkomt die wetenschappelijk onderzoek doet. Bovendien bevat deze ḥadīth uitspraken zoals:Ik vraag: ‘Waarheen?’Er wordt gezegd: ‘Naar Jahannam.’en: “Jij weet niet welke veranderingen zij na jou hebben ingevoerd.”Deze uitspraken tonen duidelijk aan dat de Ḥawḍ zich vóór de Ṣirāṭ zal bevinden, op de Verzamelplaats. En Allāhu (تعالى) weet het het beste.
De auteur van at-Tadhkirah, Qāḍī ‘Iyāḍ zegt: “Blijkbaar zal Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) twee Ḥawḍs hebben: één vóór de Ṣirāṭ op de Verzamelplaats, en één in Jannah. Beide zullen al-Kawthar genoemd worden.”Al-Qasṭallānī, die deze uitspraak citeert, legt echter uit dat al-Kawthar in werkelijkheid een rivier in Jannah is, en dat haar water naar de Ḥawḍ stroomt. De Ḥawḍ krijgt dus de naam “al-Kawthar” omdat zijn water afkomstig is van de rivier al-Kawthar. Vervolgens geeft hij de volgende toelichting: “In Ṣaḥīḥ Muslim staat in een ḥadīth die door Abū Dhar (رضي الله عنه) is overgeleverd: ‘Twee waterstromen uit Jannah stromen in de Ḥawḍ.’”
Zoals eerder vermeld is de Ṣirāṭ een brug die boven Jahannam wordt gespannen, gelegen tussen de Verzamelplaats (Mahshar) en Jannah. Als de Ḥawḍ zich vóór de Ṣirāṭ zou bevinden, dan zou het vuur van Jahannam het doorstromen van het water van de rivier al-Kawthar naar de Ḥawḍ verhinderen.
Wij antwoorden hierop: Deze uitleg is niet erg overtuigend en ook niet echt duidelijk. Want hier worden zaken van het Hiernamaals (Ākhirah) vergeleken met zaken van deze wereld, door te zeggen: “Het vuur van Jahannam zou verhinderen dat het water van de rivier al-Kawthar vanuit Jannah naar de Ḥawḍ stroomt.”Hiermee wordt de onzichtbare wereld (al-ghayb), waarover wij geen bewijs hebben behalve de shar‘ī bewijzen uit de openbaring (waḥy), vergeleken met de zichtbare wereld (ash-shahadah). Terwijl dat eigenlijk iets is dat het verstand nauwelijks kan aanvaarden.Niemand weet met zekere kennis waar Jahannam zich precies bevindt, zodat hij met zekerheid zou kunnen zeggen dat zij een barrière vormt tussen het water van al-Kawthar en de Ḥawḍ.
Bovendien hebben de mensen, zoals eerder vermeld, juist op de Verzamelplaats behoefte aan de Ḥawḍ. Daar zullen zij blootgesteld worden aan een zeer intense dorst. Die hevige dorst zal bestaan op de Verzamelplaats en in Jahannam. De bewoners van Jahannam zullen echter verstoken blijven van alles waarmee zij hun dorst zouden kunnen lessen. Allāhu (تعالى) zegt in de Qur’ān:وَنَادَىٰٓ أَصۡحَٰبُ ٱلنَّارِ أَصۡحَٰبَ ٱلۡجَنَّةِ أَنۡ أَفِيضُواْ عَلَيۡنَا مِنَ ٱلۡمَآءِ أَوۡ مِمَّا رَزَقَكُمُ ٱللَّهُۚ قَالُوٓاْ إِنَّ ٱللَّهَ حَرَّمَهُمَا عَلَى ٱلۡكَٰفِرِينَ ٥٠En de bewoners van het Vuur zullen tegen de bewoners van de Jannah roepen: “Giet over ons wat water of iets waarmee Allāh jullie voorzien heeft.” Zij zullen zeggen “Beiden heeft Allāh voor de ongelovigen verboden.” (Aʿrāf, 7:50)
ٱلَّذِينَ ٱتَّخَذُواْ دِينَهُمۡ لَهۡوٗا وَلَعِبٗا وَغَرَّتۡهُمُ ٱلۡحَيَوٰةُ ٱلدُّنۡيَاۚ فَٱلۡيَوۡمَ نَنسَىٰهُمۡ كَمَا نَسُواْ لِقَآءَ يَوۡمِهِمۡ هَٰذَا وَمَا كَانُواْ بِـَٔايَٰتِنَا يَجۡحَدُونَ ٥١(Zij zijn) Degenen die hun godsdienst als plezier en vermaak beschouwden, en degenen die bedrogen zijn door het wereldse leven. Dus op deze dag zullen Wij hen vergeten, zoals zij de ontmoeting op deze dag vergaten en omdat zij Onze Tekenen verwierpen. (Aʿrāf, 7:51)
De bewoners van Jannah zullen zich daarentegen in een zeer grote weldaad bevinden. Zij zullen drinken van een zuivere, verzegelde drank waarvan de geur als musk is. Ook zullen zij drinken van dranken gemengd met kāfūr en gember. Wat betreft het lessen van de dorst van de mu’mins: buiten de Verzamelplaats zullen zij nergens behoefte hebben aan drinken. En Allāhu (تعالى) weet het het beste.
Indien deze kwestie uitsluitend op basis van onderzoek en verstandelijke redenering kon worden vastgesteld, dan zou een grondige bestudering tot deze conclusie leiden. Het is echter evident dat dit onderwerp tot de samʿiyyāt (de zaken die via overlevering/openbaring zijn vernomen) behoort en derhalve slechts kan worden vastgesteld aan de hand van de waḥy. Deze conclusie wordt bovendien ondersteund door de ḥadīth van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) en door andere overleveringen.
Aanvullende informatie over de Ḥawḍ
In dit gedeelte zullen wij de aḥādīth vermelden die al-Bukhārī ( رَحِمَهُ اللهُ) in zijn Ṣaḥīḥ heeft overgeleverd over de eigenschappen van de Ḥawḍ.
Van Ibn ‘Umar (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voor jullie bevindt zich de Ḥawḍ waarvan de breedte gelijk is aan de afstand tussen Jarbā en Adhruḥ.”(Jarbā en Adhruḥ zijn beide twee plaatsen in de regio van Shām.)
De bedoelde betekenis van deze ḥadīth wordt verduidelijkt door de overlevering die Ḍiyā’ al-Maqdisī van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) heeft overgeleverd: “Zijn breedte is als de afstand tussen Jarbā en Adhruḥ.”Er is overgeleverd dat de hoeken van de Ḥawḍ gelijk zijn, wat erop wijst dat hij een symmetrische vorm heeft.
‘Abdullāh ibn ‘Amr ibn al-‘Āṣ (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De lengte van de Ḥawḍ bedraagt een reis van één maand. Zijn water is witter dan melk. Zijn geur is aangenamer dan musk. Zijn bekers zijn als de sterren aan de hemel. Wie ervan drinkt zal daarna nooit meer dorst hebben.”
In een marfū‘-overlevering die Ibn Abī’d-Dunyā van an-Nawwās ibn Sam‘ān (رضي الله عنه) heeft overgeleverd staat bovendien: “De eerste die daar zal aankomen, na Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), is degene die dorstigen water geeft.”
Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), asûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De breedte van mijn Ḥawḍ is als de afstand tussen Ayla en Ṣan‘ā in Yemen. Het aantal bekers ervan is als het aantal sterren aan de hemel.”
(Ayla was een welvarende stad aan de kust van de Rode Zee in het gebied van Palestina. Tegenwoordig ligt zij in ruïnes. Pelgrims uit Miṣr trokken daarlangs. Zij bevond zich in het noordelijke deel van Miṣr. De bekende doorgang die de mensen van Miṣr de Golf van ‘Aqabah noemen, bevindt zich daar en staat bekend als de doorgang van Ayla.)
Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wat zich tussen mijn huis en mijn minbar bevindt, is een tuin van de tuinen van Jannah. En mijn minbar bevindt zich boven mijn Ḥawḍ.”
Dat wil zeggen: ofwel zal zijn minbar uit deze wereld op de Yawmu’l Qiyamah precies zoals hij is boven zijn Ḥawḍ geplaatst worden; of hiermee wordt bedoeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op de Yawmu’l Qiyamah een minbar zal hebben boven de Ḥawḍ, waarop hij zal staan om de mensen uit te nodigen van zijn Ḥawḍ te drinken. En Allāhu (تعالى) weet het het beste.
Deze ḥadīth staat in Ṣaḥīḥ al-Bukhārī aan het einde van Kitābu’ṣ-Ṣalāh. Imām Muslim heeft dezelfde ḥadīth overgeleverd in Kitābu’l-Ḥajj.
Van ‘Uqbah ibn ‘Āmir ibn ‘Īsā ibn Abī’l-Aswad al-Juhanī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ging op een dag naar de begraafplaats al-Baqī‘. Daar verrichtte hij de ṣalāh aljanāzah over de begraven doden zoals hij de ṣalāh al-janāzah over een overledene verrichtte. Daarna vertrok hij en beklom zijn minbar, (alsof hij afscheid nam van de doden en de levenden), waarna hij zei: “Ik zal jullie voorgaan naar de Ḥawḍ. Ik ben een getuige over jullie. Bij Allāh, ik zie op dit moment mijn Ḥawḍ. Aan mij zijn de sleutels van de schatten van de aarde gegeven.” (In een andere overlevering staat: “Aan mij zijn de sleutels van de aarde gegeven.”)“Bij Allāh, ik vrees niet dat jullie na mij in shirk zullen vervallen. Wat ik echter voor jullie vrees, is dat jullie met elkaar zullen wedijveren om het wereldse leven en dat jullie elkaar daarom zullen bestrijden en doden.”
Van Ḥārithah ibn Wahb (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei, terwijl hij zijn Ḥawḍ beschreef: “Hij is zo groot als de afstand tussen Makkah en Ṣan‘ā.”
In één overlevering wordt vermeld dat al-Mustawrid, één van de overleveraars van de ḥadīth vroeg: “Heb je niets gehoord over de bekers ervan?”Waarop Ḥārithah antwoordde: “Daar zul je bekers zien als de sterren aan de hemel.”
De formulering hier heeft de status van marfū‘. Hoewel niet expliciet vermeld wordt dat het rechtstreeks van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) afkomstig is, toont de wijze van formuleren aan dat het die betekenis heeft.In een ḥadīth die Aḥmad ibn Ḥanbal heeft overgeleverd van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), wordt over de bekers gezegd: “Talrijker dan het aantal sterren aan de hemel.”
In de overlevering van Imām Muslim staat: “Daar bevinden zich bekers als de sterren aan de hemel.”