As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Aḥadīthi’l Qudsiyyah — Hoofdstuk 36: Het slachten van de dood op de Dag der Opstanding

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

41. Het slachten van de dood op de Dag der Opstanding

De ḥadīth waarin wordt vermeld dat op de Yawm al-Qiyāmah de dood ophoudt op de Ṣirāṭ. (het geslacht worden van de dood op de Ṣirāṭ)

Deze ḥadīth is door Ibn Mājah overgeleverd in zijn Sunan (deel 2, blz. 305) in het hoofdstuk “De Eigenschap van Jahannam”, waarin hij het als volgt overlevert:

384. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op de Yawm al-Qiyāmah wordt de dood op de Ṣirāṭ geplaatst.Er wordt geroepen: ‘O bewoners van Jannah!’De bewoners van Jannah kijken toe, uit angst dat zij uit hun toestand verwijderd zullen worden.Daarna wordt geroepen: ‘O bewoners van Jahannam!’

De bewoners van Jahannam kijken met vreugde en opluchting, in de hoop uit hun toestand verwijderd te worden.Dan wordt gezegd: ‘Kennen jullie dit?’Zij zeggen: ‘Ja, dat is de dood.’Vervolgens wordt bevel gegeven en wordt hij op de Ṣirāṭ geslacht.Daarna wordt tegen beide groepen gezegd: ‘Jullie zullen voor eeuwig blijven in wat jullie verkeren; er is geen dood meer.’

De kwestie van het “opheffen van de dood” komt eveneens voor in een ḥadīth die al-Tirmidhī heeft overgeleverd in het hoofdstuk: “Overleveringen over de eeuwigheid van de bewoners van Jannah en Jahannam”.

385. De slotpassage van de ḥadīth luidt: “Allāh plaatst de bewoners van Jannah in Jannah en de bewoners van Jahannam in Jahannam. Daarna wordt de dood gebracht en geplaatst op de muur tussen Jannah en Jahannam.Er wordt geroepen: ‘O bewoners van Jannah!’ Zij kijken angstig toe.Daarna wordt geroepen: ‘O bewoners van Jahannam!’Zij kijken met hoop en verwachting van voorspraak.Dan wordt tegen beide groepen gezegd: ‘Kennen jullie dit?’Zij zeggen: ‘Wij kennen hem; het is de dood die over ons was aangesteld.’Daarna wordt de dood op zijn zij gelegd en geslacht op de muur tussen Jannah en Jahannam.Vervolgens wordt gezegd: ‘O bewoners van Jannah, jullie hebben eeuwig leven; er is geen dood meer. O bewoners van Jahannam, jullie hebben eeuwig leven; er is geen dood meer.’Al-Tirmidhī ( رَحِمَهُ اللهُ) verklaarde dat dit ḥadīth ḥasan ṣaḥīḥ is.

Uitleg van de aḥadīth 384 - 385

In deze Aḥadīth wordt de gebeurtenis beschreven van het “ophouden van de dood”. Volgens het uiterlijke begrip van de aḥadīth zal dit werkelijk plaatsvinden. Dat Allāhu (تعالى) de dood schept zoals Hij ook een dier schept, en dat deze vervolgens op een bepaalde plaats wordt gestopt en “geslacht”, is iets wat ook intellectueel niet onmogelijk is. Omdat Allāhu (تعالى) Almachtig is over alles, vallen al dit soort zaken binnen de sfeer van het mogelijke.

Daarnaast zijn de zaken van het hiernamaals anders dan de zaken van deze wereld. Ook het wegen van de daden (a‘māl) is hiervan een voorbeeld. In de ḥadīth is gezegd: “De boeken (kutub) of de daden (a‘māl) worden gewogen.” Dit staat in alle opzichten haaks op wat in deze wereld gebruikelijk is en op de gewone gewoonte (‘āda).

Tegelijkertijd is het ook mogelijk dat de gebeurtenis van het “ophouden van de dood” symbolisch bedoeld is. Op die manier zouden de mensen van Jannah, doordat zij volledig tevreden zijn met de zegeningen waarin zij zich bevinden, geen enkele zorg meer hebben over de dood. En de mensen van Jahannam zouden volledig de hoop verliezen om daaruit te worden gehaald of te ontsnappen. Want iedereen zal dan definitief weten dat de dood niet meer zal plaatsvinden; men zal als het ware zien dat de eigenschap van sterfelijkheid verdwenen is.

Wij geloven in wat authentiek is overgeleverd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en vinden het niet nodig om te diep in te gaan op de exacte aard ervan, want al deze zaken vallen binnen de macht van Allāhu (تعالى). Ook de opvatting van alle rechtgeleide madhhaib (rechtsscholen) gaat in dezelfde richting.

De ḥadīth waarin Allāhu (تعالى) zegt: “Degene in wiens hart zich een mosterdzaadje aan gewicht van īmān bevindt, haal hem eruit.”

Deze ḥadīth is overgeleverd door al-Bukhārī (رحمه الله) in deel 8, blz. 116, in Kitāb ar-Riqāq, in het hoofdstuk getiteld “De eigenschappen van Jannah en Jahannam”.

386. Van … Abū Sa‘īd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer de bewoners van Jannah Jannah zijn binnengegaan en de bewoners van Jahannam Jahannam zijn binnengegaan, zal Allāhu (تعالى) zeggen: “Haal degene in wiens hart zich een mosterdzaadje aan gewicht van īmān bevindt, haal hem (uit de Jahannam). Zij worden dan naar buiten gebracht, terwijl zij als verkoolde kolen zijn. Daarna worden zij in de rivier van het leven geworpen. Zij zullen daar weer groeien zoals een zaadje groeit dat door een vloed wordt meegevoerd en in aanslibbing terechtkomt.” Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei vervolgens: “Zien jullie niet hoe het geel en zacht opkomt?”

Deze ḥadīth is eveneens door al-Bukhārī overgeleverd in Kitāb al-Īmān, in het hoofdstuk “De onderlinge superioriteit van de mensen van īmān in hun daden”.

387. Van … Abū Sa‘īd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De bewoners van Jannah gaan Jannah binnen en de bewoners van Jahannam gaan Jahannam binnen. Daarna zal Allāhu (تعالى) zeggen: “Haal degene in wiens hart zich een mosterdzaadje aan īmān bevindt (uit Jahannam). Zij worden naar buiten gebracht terwijl zij zwart verkoold zijn. Vervolgens worden zij in de rivier, of de rivier van het leven (hier twijfelde Imām Mālik), geworpen. Zij zullen daarin groeien zoals een zaadje groeit dat door een stroom wordt meegevoerd en aan de oever terechtkomt. Zien jullie niet hoe het geel en fris opkomt?”

Uitleg van de aḥadīth 386 - 387

“Degene in wiens hart zich een mosterdzaadje aan īmān bevindt…” wil zeggen: iemand die naast het fundamentele tawḥīd-geloof ook enige vorm van goedheid en īmān heeft. Omdat īmān geen materiële substantie is, kan het niet gewogen worden in termen van gewicht of volume. Wat hier bedoeld wordt, zijn de goede daden (a‘māl). Daden worden voorgesteld als substanties (jawāhir).

Volgens deze benadering verschijnen de daden in de Weegschaal: de daden in de schaal van goedheid worden gezien als witte, glanzende substanties, terwijl de daden in de schaal van zonden verschijnen als zwarte, duistere substanties.

Uit de uitspraak “Haal degene eruit in wiens hart een mosterdzaadje aan īmān bevindt…” heeft Imām al-Ghazālī (رحمه الله) de conclusie getrokken dat mensen uit Jahannam worden gehaald die de waarheid van īmān hebben begrepen, maar door de dood verhinderd werden om de shahāda uit te spreken.

Imām al-Ghazālī zegt verder dat wanneer iemand in staat is om de shahāda uit te spreken maar dit tot aan zijn dood niet doet, terwijl hij wel in zijn hart gelooft, dit wordt beschouwd als nalatigheid zoals het nalaten van de ṣalāh. Zo iemand blijft niet eeuwig in Jahannam. Tegelijkertijd bestaat ook een tegenovergestelde opvatting: volgens anderen buiten al-Ghazālī leidt het niet uitspreken van de shahāda tot eeuwig verblijf in Jahannam. Volgens deze opvatting moet de uitdrukking “in zijn hart” in de ḥadīth allegorisch worden opgevat, namelijk: “mits hij in staat was om wat in zijn hart is ook met zijn tong uit te spreken.”

Deze twee mogelijke interpretaties ontstaan doordat er meningsverschil is over de vraag of het uitspreken van de īmān met de tong tot de īmān zelf behoort, en dus noodzakelijk is voor de volledigheid ervan. Een groep geleerden accepteert deze opvatting, waaronder Imām Shamsuddīn en Fakhr al-Islām.

Anderen zeggen daarentegen dat het uitspreken met de tong slechts nodig is voor wereldlijke juridische oordelen. Dit is de mening van de meerderheid van de verifieerde geleerden. Shaykh Abū Manṣūr is ook van deze mening. De teksten van ḥadīth en Qur’ān zijn in dit onderwerp enigszins indirect (mutashābih). Ook al-Taftāzānī behoort tot degenen die dit zo uitleggen.

Bu ḥadīth is ook door Muslim overgeleverd in Kitāb al-Īmān. Echter, de keten (isnād) in de overlevering van al-Bukhārī is korter dan die van Muslim (dus er zitten minder overleveraars tussen de verteller en Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم)).

Dit wordt ‘uluw (hoogte van de isnād) genoemd, omdat in zo’n geval de graad van authenticiteit sterker wordt. Ook al-Nasā’ī heeft deze ḥadīth overgeleverd.

Deze ḥadīth weerlegt de opvatting van de Murji’ah, omdat hierin wordt duidelijk gemaakt dat zonden wél schadelijk zijn voor iemand, zelfs als hij īmān heeft. De Murji’ah stellen juist dat zonden geen schade veroorzaken zolang er īmān is.

De ḥadīth weerlegt ook de bewering van de Mu‘tazilah en anderen die zeggen dat iemand die grote zonden (kabā’ir) begaat eeuwig in Jahannam zal blijven.

O Allāh, bescherm ons met Uw genade tegen de Jahannam en breng ons samen met de rechtschapenen in de Jannah. Āmīn.