42. Jannah en Jahannam en wat hen omringt, en het voedsel van de bewoners van Jahannam
De ḥadīth “Jannah is omgeven door zaken die de ego (nafs) niet prettig vindt, en Jahannam is omgeven door zaken die de ego verlangt…”
Deze ḥadīth is overgeleverd door Imām at-Tirmidhī in zijn Jāmi‘, deel 2, blz. 92, in het hoofdstuk “De Jannah is omgeven door zaken die de nafs niet prettig vindt”.
388. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Toen Allāhu (تعالى) Jannah en Jahannam had geschapen, stuurde Hij Jibrīl (عليه السلام) naar Jannah en zei tegen hem: “Kijk ernaar en naar wat Ik voor zijn bewoners heb voorbereid”. Jibrīl kwam en keek naar Jannah en naar wat voor zijn bewoners was voorbereid. Hij keerde terug naar Allāhu (تعالى) en zei: ‘Bij Uw Eer (`Izzah), iedereen die ervan hoort zal erin willen binnengaan.’
Toen beval Allāhu (تعالى) dat Jannah werd omgeven met zaken die de nafs niet prettig vindt. Daarna zei Hij tegen Jibrīl: “Ga er opnieuw naartoe.” Jibrīl ging terug en zag dat het omgeven was door zaken die de nafs niet prettig vindt. Hij keerde terug en zei: “Bij Uq Eer (`Izzah), ik vrees dat niemand erin zal binnengaan.”
Vervolgens zei Allāhu (تعالى) tegen Jibrīl (عليه السلام): “Ga naar Jahannam en kijk naar haar en naar wat Ik daarin voor haar bewoners heb voorbereid.”Jibrīl (عليه السلام) ging en zag dat het vuur van Jahannam zich in elkaar verhief en delen ervan over andere delen heen sloegen. Daarna keerde hij terug en zei: “Bij Uw Eer (`Izzah), niemand die erover hoort zal daarin binnengaan.”Vervolgens beval Allāhu (تعالى) dat Jahannam werd omgeven met zaken die de nafs aantrekkelijk vindt en begeert.Daarna zei Hij tegen Jibrīl (عليه السلام): “Ga er opnieuw naartoe.”Jibrīl (عليه السلام) ging opnieuw kijken. Toen hij terugkeerde zei hij: “Bij Uw Eer (`Izzah), ik vrees dat niemand eraan zal ontsnappen en dat allen erin zullen binnengaan.”Abū ʿĪsā at-Tirmidhī (رحمه الله) zei dat deze ḥadīth ḥasan ṣaḥīḥ is.
Deze ḥadīth wordt door Abū Dāwūd vermeld in zijn Sunan, deel 4, blz. 185, in het hoofdstuk “De schepping van de Jannah en de Jahannam”:389.
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Toen Allāhu (تعالى) de Jannah schiep, zei Hij tegen Jibrīl (عليه السلام): ‘Ga erheen en bekijk het.’ Hij ging erheen, keek ernaar en kwam vervolgens terug. Toen zei hij: ‘Mijn Rab, bij Uw Eer (`Izaah), niemand die erover hoort zal nalaten het binnen te gaan.’ Daarop omringde Allāhu (تعالى) het met zaken die onaangenaam zijn voor de nafs, en Hij zei: ‘Ga opnieuw kijken.’ Jibrīl (عليه السلام) ging, bekeek het en kwam daarna terug. Hij zei: ‘Mijn Rab, ik vrees dat niemand het zal binnengaan.’ Toen Allāhu (تعالى) de Jahannam schiep, zei Hij tegen Jibrīl (عليه السلام): ‘O Jibrīl, ga erheen en bekijk haar.’ Jibrīl (عليه السلام) ging, keek ernaar en kwam vervolgens terug. Hij zei: ‘Bij Uw Eer (`Izaah), wie daar zal binnengaan, moet er geen enkel bericht over hebben gehoord.’ Daarop omringde Allāhu (تعالى) haar met zaken die aantrekkelijk zijn voor de nafs en zei: ‘O Jibrīl, ga er opnieuw naar kijken.’ Jibrīl (عليه السلام) ging, bekeek haar en zei deze keer: ‘Mijn Rab, bij Uw Eer (`Izaah), ik vreesde dat niemand zou overblijven die er niet binnenging.’Deze ḥadīth is ook door Ibn Mājah overgeleverd in zijn Sunan, in het hoofdstuk “Zweren bij de Eer van Allāh” (bijna dezelfde bewoordingen als de overlevering van at-Tirmidhī en Abū Dāwūd), via Abū Hurayrah (رضي الله عنه).
Uitleg van de aḥadīth 388 - 389
“De Jannah is omgeven door zaken die de nafs niet prettig vindt,” dat wil zeggen: Jannah is van alle kanten omgeven door handelingen waar de nafs geen genoegen in vindt. Wanneer iemand deze handelingen verricht, blijft hij ver verwijderd van de Jannah.Hier heeft de uitdrukking een beeldende, figuurlijke betekenis. Het betekent dat iemand Jannah niet kan bereiken zonder deze verplichtingen volledig en correct na te leven. Zaken zoals geduld bij beproevingen, rampen en moeilijkheden, en het verdragen van zware geboden voor de nafs, worden vergeleken met muren die vol zitten met doornen, roofdieren en gevaarlijke dieren zoals schorpioenen en slangen.
Die muren omringen een grote tuin van alle kanten. Niemand kan die tuin bereiken zonder deze angstaanjagende muren te overwinnen en zonder de pijn van doornen, beten en aanvallen van wilde dieren te verdragen tijdens het oversteken ervan. Zo is het ook met het bereiken van Jannah: het vereist een zware strijd en voortdurend geduld en volharding. Zo is de Jannah.
Men moet de strijd aangaan tegen de nafs en tegen de vijanden van Allāh, geduldig zijn met wat hem overkomt, tevreden zijn met het besluit van Allāh, en de geboden (en verboden) van de Islām op de beste manier uitvoeren. Hij zal de eeuwige, ononderbroken zegeningen van de Jannah nooit bereiken zonder de wereldse moeilijkheden te overwinnen door stand te houden tegenover alle soorten beproevingen die hem tegemoet zullen komen, door alle offers te brengen die vereist zijn door datgene wat hij verlangt, en door zijn leven en bezit op te offeren op de weg van zijn doel.
Dit eeuwige Jannah is de beloning die Allāhu (تعالى) heeft “gekocht” van de mu’mins door hun levens en bezittingen in ruil daarvoor te nemen.
Zoals Allāhu (تعالى) in Zijn Boek zegt:۞ إِنَّ ٱللَّهَ ٱشۡتَرَىٰ مِنَ ٱلۡمُؤۡمِنِينَ أَنفُسَهُمۡ وَأَمۡوَٰلَهُم بِأَنَّ لَهُمُ ٱلۡجَنَّةَۚ يُقَٰتِلُونَ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ فَيَقۡتُلُونَ وَيُقۡتَلُونَۖ وَعۡدًا عَلَيۡهِ حَقّٗا فِي ٱلتَّوۡرَىٰةِ وَٱلۡإِنجِيلِ وَٱلۡقُرۡءَانِۚ وَمَنۡ أَوۡفَىٰ بِعَهۡدِهِۦ مِنَ ٱللَّهِۚ فَٱسۡتَبۡشِرُواْ بِبَيۡعِكُمُ ٱلَّذِي بَايَعۡتُم بِهِۦۚ وَذَٰلِكَ هُوَ ٱلۡفَوۡزُ ٱلۡعَظِيمُ ١١١
Waarlijk, Allāh heeft van de gelovigen hun levens en hun bezittingen gekocht omdat er voor hen de Jannah is. Zij vechten voor de Zaak van Allāh, dus doden zij en worden gedood. Het is een belofte waar Hij Zich aan heeft verbonden, een Waarheid die (staat vermeld) in de Thora en de Indjiel en de Koran. En wie is trouwer aan Zijn verbond dan Allāh? Verheugt jullie daarom over jullie koop die jullie met Hem gesloten hebben. En dat is de geweldige overwinning. (Tawbah, 9:111)
De Jahannam is daarentegen omgeven door zaken waartoe de menselijke nafs van nature geneigd is, en waarin zij geen moeite of zware inspanning ervaart, maar die zij eerder met verlangen en plezier verricht. De Jahannam is een zeer slechte verblijfplaats en een slechte woonplaats. Rondom haar bevinden zich echter dingen die de nafs begeert en waar het oog van geniet. De nafs neigt naar deze zinnelijke verlangens.
Vervolgens volgt zij deze begeerten, in de veronderstelling dat zij ver verwijderd is van het in de Jahannam vallen, en geniet zij ervan.
De genoegens die de nafs ervaart door haar verlangens te volgen, wekken in haar het verlangen naar steeds grotere genoegens. Zodra zij een bepaald genoegen heeft verkregen, gaat zij op zoek naar iets dat nog meer voldoening geeft. De nafs neemt geen genoegen met wat zij al heeft bereikt; telkens wanneer zij een begeerd genoegen verkrijgt, richt zij zich op iets dat zij nog aantrekkelijker en begeerlijker acht.
Op deze manier wordt de nafs niet wakker uit haar achteloosheid (ghaflah) totdat zij alle muren van genoegens heeft doorbroken. Wanneer zij deze muren doorbreekt, valt zij zonder het te beseffen in het vuur van de Jahannam. Daarna wil zij eruit ontsnappen, maar niemand heeft de kracht om dat te bewerkstelligen.
Elke mens neigt van nature naar deze begeerten. Vooral iemand die zich in een corrupte omgeving bevindt en in een slechte samenleving leeft, volgt zijn verlangens tot aan zijn dood en stort zich erin zonder te beseffen dat zijn ware redding īmān en goede daden zijn. Zo valt hij in Jahannam.
Daarom zei Jibrīl (عليه السلام), toen hij zag dat Jahannam omgeven was door zaken die de nafs aantrekkelijk vindt: “Bij Uw Eer (`Izzah), ik vrees dat niemand eraan zal ontsnappen en erin zal vallen, ” dat wil zeggen: als iemand van de ongelovige mushrikīn is, zal hij er eeuwig in verblijven. En als iemand met īmān is maar Allāh ongehoorzaam is door het begaan van verboden daden die de nafs aantrekkelijk vindt, zal hij er binnengaan om gezuiverd te worden van zijn zonden en daarna op termijn eruit worden gehaald.
O Allāh, beschermen ons tegen de Jahannam en breng samen met de godvrezenden in Uw Jannah. Āmīn. Alle lof behoort aan Allāh, de Heer der werelden.
De ḥadīth: “Er zal honger te zien zijn bij de bewoners van Jahannam…”
Deze ḥadīth is door at-Tirmidhī (رحمه الله) overgeleverd in deel 2, blz. 96–97, in het hoofdstuk “De eigenschappen van het voedsel van de bewoners van Jahannam”.
390. Van Abū ad-Dardā’ (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De bewoners van Jahannam worden door honger overvallen. Deze honger is gelijk aan de bestraffing waarin zij zich bevinden.Zij vragen om hulp en krijgen voedsel dat bestaat uit een stinkende doornige plant. Dit verzadigt noch hun honger noch is het nuttig voor hun lichaam.Zij vragen opnieuw om voedsel. Deze keer krijgen zij voedsel dat in de keel blijft steken. Zij herinneren zich dat zij in de wereld bij verstikking in hun keel met drinken plachten te verhelpen. Daarom vragen zij om water. In ijzeren boeien geklemd krijgen zij een kokende, brandende drank te drinken.Wanneer deze hun gezicht nadert, verschroeit het hun gezichten. Wanneer het in hun buik komt, verscheurt het wat zich in hun buik bevindt.Zij zeggen: ‘Roep de wachters van Jahannam.’ Zij antwoorden: ‘Zijn jullie niet door jullie boodschappers met duidelijke bewijzen tot jullie gekomen?’ Zij zeggen: ‘Ja.’ Zij (de wachters) zeggen: ‘Roep dan maar; het roepen van de kāfirs leidt slechts tot niets.’Daarna zeggen de bewoners van Jahannam: ‘Roep Mālik (de bewaker van Jahannam).’ Vervolgens zeggen zij: ‘O Mālik, laat jullie Rab ons sterven.’ Hij antwoordt: ‘Jullie zullen blijven zoals jullie zijn.’Al-A‘mash zei: mij is overgeleverd dat er duizend jaar verstrijkt tussen hun roep en de reactie van Mālik.Dan zeggen zij: ‘Roep jullie Rab aan (verricht du`ā’); er is niemand hoger dan jullie Rab.’ Vervolgens zeggen zij: ‘Onze Rab, onze eigen overtredingen hadden ons overweldigd en wij waren een dwalend volk geworden. Onze Rab, haal ons hieruit; als wij terugkeren naar het kwaad, zullen wij zeker tot de onrechtplegers behoren.’Allāhu (تعالى) antwoordt: ‘Blijf daarin en spreek niet meer tot Mij.’ Daarna beginnen zij te schreeuwen, te zuchten en ‘wee ons!’ te roepen.”
‘Abdullāh ibn ‘Abdurraḥmān zei: “De mensen geven deze ḥadīth niet door met zijn volledige isnād.” Abū ‘Īsā at-Tirmidhī zegt: “Wij kennen deze ḥadīth via al-A‘mash.” ‘Abdullāh ibn ‘Abdurraḥmān is de eerste in de keten, wat betekent dat at-Tirmidhī deze ḥadīth van hem heeft overgenomen.
Uitleg van de 390ste ḥadīth
“De bewoners van Jahannam worden door honger overvallen,” dat wil zeggen: Allāhu (تعالى) laat hen honger lijden, en door die honger raken zij in grote benauwdheid en pijn.”
“Deze (honger) is gelijk aan de bestraffing waarin zij zich bevinden,” dat wil zeggen: de pijn en het leed dat zij door honger ervaren is gelijk aan de pijn en het leed van de bestraffing waarin zij al verkeren.
“Zij vragen om hulp,” dat wil zeggen: zij vragen om iets dat hun honger en lijden kan wegnemen, namelijk voedsel.
“Zij vragen om hulp en krijgen voedsel dat bestaat uit een stinkende doornige plant. Dit verzadigt noch hun honger noch is het nuttig voor hun lichaam”, dat wil zeggen: het is geen voedsel zoals in de wereld, dat kracht geeft of honger stilt. Het heeft geen enkel voordeel voor het menselijk lichaam. Toch worden zij ertoe gedwongen, omdat zij door extreme honger en lijden niet anders kunnen.
Wanneer zij opnieuw om hulp vragen, krijgen zij voedsel dat hun keel verstikt. Zij herinneren zich dat zij in de wereld verstikkingen in de keel met drinken plachten op te lossen, en daarom vragen zij om water. In ijzeren boeien geklemd krijgen zij een kokende, brandende drank te drinken. Wanneer het hun gezicht nadert, verschroeit het hun gezicht; wanneer het in hun buik komt, verbrandt het hun ingewanden.
Allāhu (تعالى) zegt hierover in de Qur’ān: ۞ هَٰذَانِ خَصۡمَانِ ٱخۡتَصَمُواْ فِي رَبِّهِمۡۖ فَٱلَّذِينَ كَفَرُواْ قُطِّعَتۡ لَهُمۡ ثِيَابٞ مِّن نَّارٖ يُصَبُّ مِن فَوۡقِ رُءُوسِهِمُ ٱلۡحَمِيمُ ١٩Deze twee tegenstanders redetwisten met elkaar over hun Heer.
Voor degenen die ongelovig zijn zal er kleding van vuur uitgesneden worden, kokend water zal over hun hoofden uitgegoten worden.يُصۡهَرُ بِهِۦ مَا فِي بُطُونِهِمۡ وَٱلۡجُلُودُ ٢٠Daarmee zal alles wat in hun buiken is smelten of verdwijnen, en ook (hun) huiden.وَلَهُم مَّقَٰمِعُ مِنۡ حَدِيدٖ ٢١En voor hen zijn er kromme ijzeren staven.كُلَّمَآ أَرَادُوٓاْ أَن يَخۡرُجُواْ مِنۡهَا مِنۡ غَمٍّ أُعِيدُواْ فِيهَا وَذُوقُواْ عَذَابَ ٱلۡحَرِيقِ ٢٢Iedere keer als zij daarvan weg proberen te komen, uit leed, worden zij daartoe terug gedreven en (er zal) tegen hen gezegd worden: “Proef de bestraffing van het branden!” (Ḥaj, 22:19–22)
Zij zeggen: “Roep de wachters van Jahannam,” dat wil zeggen: zij roepen elkaar toe en zeggen dat zij de wachters van Jahannam moeten oproepen om Allāhu (تعالى) te vragen hen van deze bestraffing te verlossen. De wachters van Jahannam antwoorden hen echter om hen te berispen en hen te laten erkennen dat zij het verdiend hebben. Zij zeggen: “Zijn jullie niet door jullie boodschappers met duidelijke bewijzen tot jullie gekomen?”Zij antwoorden: “Ja.” Dan zeggen de wachters: “Roep dan maar, ” dat wil zeggen: als jullie willen, vraag zelf aan Allāh; jullie zijn niet in de positie van degenen voor wie voorspraak wordt aanvaard.
“Het roepen van de kāfirs is niets anders dan vergeefs,” dat wil zeggen: het gaat verloren, het brengt geen enkel voordeel en wordt niet in aanmerking genomen.Daarna roepen de bewoners van Jahannam Mālik, de hoofdwachter van Jahannam, en zeggen: “O Mālik, laat jouw Rab ons sterven,” dat wil zeggen: “Vraag aan jouw Rab voor ons dat onze dood wordt beslist, zodat wij sterven en van deze pijnlijke bestraffing worden bevrijd.”
Maar Mālik antwoordt: “Jullie zullen blijven zoals jullie zijn.” Allāhu (تعالى) zegt hierover in de Qur’ān:وَٱلَّذِينَ كَفَرُواْ لَهُمۡ نَارُ جَهَنَّمَ لَا يُقۡضَىٰ عَلَيۡهِمۡ فَيَمُوتُواْ وَلَا يُخَفَّفُ عَنۡهُم مِّنۡ عَذَابِهَاۚ كَذَٰلِكَ نَجۡزِي كُلَّ كَفُورٖ ٣٦Maar degenen die ongelovig zijn, voor hen zal het vuur van de Jahannam zijn. En er is geen beschikking (om dood te gaan) voor hen bepaald, zodat zij zullen sterven, noch zal de bestraffing voor hen verlicht worden. Dus Zo vergelden Wij elke ongelovige! (Fāṭir, 35:36)Wanneer de bewoners van de Jahannam de hoop verliezen op iedereen van wie zij verwachtten dat hun smeekbeden hun voordeel zouden kunnen brengen, wenden zij zich tot Allāhu (تعالى) en zoeken zij hun toevlucht bij Hem. Zij zeggen: “Roep jullie Rab aan; er is niemand die hoger staat dan jullie Rab.” Daarna erkennen zij hun zonden en zeggen: ‘Onze Rab, onze eigen overtredingen hadden ons overweldigd en wij waren een dwalend volk geworden.
Onze Rab, haal ons hieruit; als wij terugkeren naar het kwaad, zullen wij zeker tot de onrechtplegers behoren.’Allāhu (تعالى) zal hun daarop antwoorden: “Blijf daar vernederd en verworpen zitten en spreek niet tot Mij,” dat wil zeggen: blijf stil en onderworpen in de Jahannam zolang zij jullie vasthoudt; onderwerp jullie zoals honden zich onderwerpen. Spreek niet met Mij om te vragen uit de Jahannam te worden gehaald.Op dat moment verliezen zij alle hoop op enig goed. Daarna beginnen zij te schreeuwen, te jammeren en te weeklagen.O Allāh, beschermen ons tegen de bestraffing van de Jahannam. Āmīn.