As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Aḥadīthi’l Qudsiyyah — Hoofdstuk 38: De mu’mins die hun Rab zullen zien en de toespraak van Allāhu (تعالى) tot de bewoners van Jannah

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

43. De mu’mins die hun Rab zullen zien en de toespraak van Allāhu (تعالى) tot de bewoners van Jannah

De hadīth over het bewijs dat de mu’mins hun Rab in het Hiernamaals zullen zien.

Deze ḥadīth is door Imām Muslim (رحمه الله) overgeleverd (volgens de voetnoot van al-Qasṭallānī, deel 2, blz. 107):

391. Van … Shuhaib (رضي الله عنه) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer de bewoners van Jannah, de Jannah binnengaan, zal Allāh تَبَارَكَ وَتَعَالَى zeggen: ‘Willen jullie nog iets dat Ik voor jullie kan vermeerderen?’ Zij zullen zeggen: ‘Hebt U onze gezichten niet verlicht, ons niet de Jannah binnengebracht en ons niet gered van de bestraffing van Jahannam?’Daarna zal de sluier worden opgeheven.Er is de paradijsbewoners geen grotere gunst geschonken dan het aanschouwen van (het Aangezicht van) hun Rab

392. Muslim heeft deze ḥadīth ook met dezelfde isnād in een andere overlevering vermeld, met de toevoeging dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) toen de volgende āyah reciteerde:۞ لِّلَّذِينَ أَحۡسَنُواْ ٱلۡحُسۡنَىٰ وَزِيَادَةٞۖ وَلَا يَرۡهَقُ وُجُوهَهُمۡ قَتَرٞ وَلَا ذِلَّةٌۚ أُوْلَٰٓئِكَ أَصۡحَٰبُ ٱلۡجَنَّةِۖ هُمۡ فِيهَا خَٰلِدُونَ ٢٦Voor degenen die het goede hebben gedaan is er het beste en zelfs nog meer. Grauwheid noch vernedering zal hun gezichten bedekken. Zij zijn de bewoners van de Jannah, en zij zullen daarin voor altijd verblijven. (Yūnus, 10:26)

Ibn Mājah heeft ook een ḥadīth overgeleverd die het zien van Allāh door de gelovigen bevestigt, met een andere bewoording: 393. Van Jābir ibn ‘Abdullāh (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:“Terwijl de bewoners van Jannah zich in de zegeningen bevinden die hun zijn gegeven, verschijnt er plotseling een licht.

Zij heffen hun hoofden op en zien dat hun Rab (تعالى) zich aan hen openbaart.Allāhu (تعالى) zegt: ‘As salamu `alaykum, o bewoners van Jannah.’Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Dit is wat bedoeld wordt in de woorden van Allāhu (تعالى):سَلَٰمٞ قَوۡلٗا مِّن رَّبّٖ رَّحِيمٖ ٥٨(Er wordt hen gezegd:) “Vrede zij met u.” Een woord van een Meest Barmhartige Heer. (Yāsīn, 36:58)Daarna vervolgde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Hij kijkt naar hen en zij kijken naar Hem. Zolang zij naar Hem kijken, schenken zij geen aandacht aan iets van de zegeningen om hen heen, totdat er een sluier wordt geplaatst. Daarna blijft Zijn licht en zegen over hen en over hun verblijfsplaatsen.”

Deze ḥadīth is ook door Ibn Mājah overgeleverd:394. Van Shuhaib (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) reciteerde de woorden van Allāhu (تعالى):۞ لِّلَّذِينَ أَحۡسَنُواْ ٱلۡحُسۡنَىٰ وَزِيَادَةٞۖ وَلَا يَرۡهَقُ وُجُوهَهُمۡ قَتَرٞ وَلَا ذِلَّةٌۚ أُوْلَٰٓئِكَ أَصۡحَٰبُ ٱلۡجَنَّةِۖ هُمۡ فِيهَا خَٰلِدُونَ ٢٦Voor degenen die het goede hebben gedaan is er het beste en zelfs nog meer. Grauwheid noch vernedering zal hun gezichten bedekken. Zij zijn de bewoners van de Jannah, en zij zullen daarin voor altijd verblijven. (Yūnus, 10:26)Daarna zei hij: “Wanneer de bewoners van Jannah, de Jannah zijn binnengegaan en de bewoners van Jahannam, de Jahannam, zal een roeper roepen: ‘O bewoners van Jannah, bij Allāh is er voor jullie een belofte die Hij wil vervullen.’De bewoners van Jannah zullen zeggen: ‘Wat is die belofte?

Heeft Allāh onze Weegschaal niet zwaar laten wegen met goede daden, onze gezichten niet verlicht, ons niet de Jannah binnengebracht en ons niet gered van de bestraffing van Jahannam?’Op dat moment zal de sluier worden weggenomen, en zij zullen naar hun Rab kijken. Bij Allāh, Allāhu (تعالى) heeft de bewoners van de Jannah geen gunst geschonken die geliefder voor hen is en hun ogen meer vreugde en licht geeft dan het aanschouwen van Hem.”

De auteur van de commentaar (marginale aantekening) op Sunan Ibn Mājah zegt: hieruit blijkt dat Allāhu (تعالى) alle begeerte uit de harten van de bewoners van Jannah verwijdert. Hij geeft hen bovendien iets wat zij niet eens hadden verlangd als extra gunst, en Hij maakt hen tevreden met Zijn genade.

Deze ḥadīth is ook door at-Tirmidhī, an-Nasā’ī en anderen overgeleverd via de keten van Ḥammād ibn Salamah, van Thābit, van Ibn Abī Laylā, van Shuhaib, van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).

Uitleg van de aḥadīth 391 - 394

Imām an-Nawawī (رحمه الله) zegt in zijn uitleg van de ḥadīth over het zien van Allāhu (تعالى) (Ruʾyatullāh) Weet dat de geleerden twee benaderingen hebben met betrekking tot de teksten over de eigenschappen van Allāh.De eerste benadering is die van de meeste of alle geleerden van de salaf. Zij zeggen dat men in deze teksten moet geloven zoals zij zijn overgeleverd, zonder zich bezig te houden met het zoeken naar een diepere interpretatieve uitleg van de betekenis. Men moet geloven dat zij een betekenis hebben die past bij de majesteit en verhevenheid van Allāhu (تعالى), terwijl men tegelijk absoluut zeker is dat niets op Hem lijkt en dat Hij verheven is boven alle eigenschappen van de schepping. Deze benadering is ook door sommige theologen (mutakallimūn) aanvaard, en zij beschouwen dit als de veiligste weg voor het geloof.

De tweede benadering is die van de meerderheid van de kalāmgeleerden (mutakallimūn). Volgens hen worden de teksten over de eigenschappen van Allāh soms geïnterpreteerd (ta’wīl), in overeenstemming met de fundamentele geloofsprincipes en met inachtneming van de regels van de Arabische taal. (Over dit onderwerp is eerder al uitvoerige uitleg gegeven.) Imām an-Nawawī (رحمه الله) in zijn Sharḥ Ṣaḥīḥ Muslim.

De hadīth over de toespraak van Allāhu (تعالى) tot de bewoners van Jannah

Deze ḥadīth is door al-Bukhārī overgeleverd (deel 8, en volgens al-Qasṭallānī deel 9, blz. 319) in Kitāb ar-Riqāq, in het hoofdstuk “De eigenschappen van Jannah en Jahannam”.

395. Van … Abū Sa‘īd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) zal de bewoners van Jannah toespreken en zeggen: ‘O bewoners van Jannah!’ Zij zullen zeggen: ‘Wij antwoorden U, onze Rab, en wij gehoorzamen U, onze Rab.’Allāhu (تعالى) zal zeggen: “Zijn jullie tevreden?”Zij zullen zeggen: “Waarom zouden wij niet tevreden zijn, terwijl U ons gegeven hebt wat U niemand van Uw schepping heeft gegeven?”Allāhu (تعالى) zal zeggen: “Ik zal jullie iets geven dat nog beter is dan dat.”Zij zullen zeggen: “O onze Rab, wat kan beter zijn dan dit?”Hij zal zeggen: “Ik schenk jullie Mijn welbehagen (ridā’). Daarna zal Ik nooit meer boos op jullie zijn.”

Deze ḥadīth is door al-Bukhārī ook overgeleverd in Kitāb at-Tawḥīd, in het hoofdstuk “De toespraak van de Rab met de bewoners van Jannah”.

396. In Ṣaḥīḥ al-Bukhārī (deel 9, blz. 151; volgens al-Qasṭallānī deel 10, blz. 251) wordt deze ḥadīth eveneens van Abū Sa‘īd al-Khudrī (رضي الله عنه) overgeleverd, en de bewoording is vrijwel dezelfde als in de eerder genoemde versie.Alleen staat daar in plaats van de uitspraak “Ik zal jullie iets geven dat nog beter is”, de formulering: “Willen jullie niet dat Ik jullie iets geef dat nog beter is?”Deze ḥadīth is ook door Muslim overgeleverd in zijn Ṣaḥīḥ in het hoofdstuk “De zegeningen van Jannah en zijn bewoners”.At-Tirmidhī heeft deze ḥadīth eveneens vermeld in deel 2, blz. 91 en verklaard dat het een ḥadīth is die ḥasan ṣaḥīḥ is. De tekst bij at-Tirmidhī komt eveneens dicht in de buurt van de versie van al-Bukhārī in Kitāb ar-Riqāq, en bevat ook de formulering: “Willen jullie niet dat Ik jullie iets geef dat nog beter is?”

Uitleg van de aḥadīth 395-396

In al-Fatḥ wordt gezegd dat in deze ḥadīth een verwijzing zit naar de āyah:

وَعَدَ ٱللَّهُ ٱلۡمُؤۡمِنِينَ وَٱلۡمُؤۡمِنَٰتِ جَنَّٰتٖ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهَا ٱلۡأَنۡهَٰرُ خَٰلِدِينَ فِيهَا وَمَسَٰكِنَ طَيِّبَةٗ فِي جَنَّٰتِ عَدۡنٖۚ وَرِضۡوَٰنٞ مِّنَ ٱللَّهِ أَكۡبَرُۚ ذَٰلِكَ هُوَ ٱلۡفَوۡزُ ٱلۡعَظِيمُ ٧٢Allāh heeft de gelovige mannen en vrouwen Tuinen beloofd waar rivieren onderdoor stromen, om daarin voor altijd te verblijven. En goede verblijfplaatsen in de Tuinen van Eden (‘Adn). Maar het genoegen van Allāh is beter en machtiger. Een overweldigend succes. (Tawbah, 9:72)

Want het welbehagen van Allāhu (تعالى) is de oorzaak van alle redding en geluk. Wanneer iemand weet dat zijn meerdere tevreden over hem is, dan geeft dat hem innerlijke verlichting en wordt dat voor zijn hart geliefder dan alle andere zegeningen. Dit komt doordat het welbehagen van de meerdere een vorm van eer en gunst is die hem wordt geschonken.

Imām at-Ṭayyibī (رحمه الله) zegt ook: de hoogste vorm van karāmah (eer en wonderlijke gunst) is het zien van Allāhu (تعالى).

De auteur van al-Miftāḥ zegt dat het gebruik van het woord riḍwān (welbehagen) in onbepaalde vorm (nakirah) in de ḥadīth erop duidt dat zelfs een klein deel van het welbehagen van Allāh groter is dan alle paradijzen en al hun zegeningen.

At-Ṭayyibī (رَحِمَهُ اللهُ) legt vervolgens uit dat deze uitdrukking het best kan worden opgevat als een verwijzing naar verhevenheid en grootsheid. Daarmee wordt bedoeld dat de grote riḍwān, die in verband wordt gebracht met de Naam van Allāhu (تعالى), de Meest Gulle, wordt voorgesteld als de hoogste, meest verheven en meest voortreffelijke gave.

Het feit dat Allāhu (تعالى) Zichzelf aan Zijn geliefde dienaren toont, behoort tot Zijn grootste gunsten, en dit is de hoogste vorm van karāmah. Zo komt de betekenis van deze ḥadīth overeen met de betekenis van de āyah.

Allāhu (تعالى) schrijft de riḍwān toe aan Zichzelf, maar drukt dit uit in de vorm van een metaforische uitdrukking door te zeggen: “Ik schenk jullie Mijn welbehagen.” Hiermee wordt Zijn welbehagen vergeleken met geschenken die een grote heerser aanbiedt aan zijn gasten.

O Allāh, schenk ons te midden van de genietingen van de Jannah, de gunst om Uw Edel Aangezicht te aanschouwen. Āmīn, yā Rabba’l-‘Ālamīn.

De ḥadīth over het verzoek van sommige bewoners van de Jannah aan hun Rab om te mogen zaaien.

Deze ḥadīth is door al-Bukhārī (رحمه الله) overgeleverd in deel 9, blz. 151, in Kitāb at-Tawḥīd, in het hoofdstuk “De toespraak van de Rab met de bewoners van Jannah”.

397. Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een man uit de bewoners van Jannah vroeg zijn Rab toestemming om te mogen zaaien. Allāhu (تعالى) zei: ‘Ben je niet al in alles voorzien wat je wenst?’Hij zei: ‘Ja, maar ik houd van zaaien.’Toen kreeg hij haastig toestemming en hij wierp zijn zaad uit. In korte tijd begon het te groeien, te rijpen en werd het geoogst, tot het als bergen werd.Toen zei Allāhu (تعالى): ‘Neem het, o zoon van Ādam, want niets kan jou ooit verzadigen.’Een bedoeïen die erbij aanwezig was zei daarop: “O Rasūlullāh, dit moet wel iemand uit de Quraysh of de Anṣār zijn, want zij houden zich bezig met landbouw. Wij zijn geen mensen van landbouw.”Daarop lachte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).

Deze ḥadīth is ook door al-Bukhārī (رحمه الله) overgeleverd in Kitāb al-Muzāra‘a, na het hoofdstuk “Het verhuren van land voor goud”, in een afzonderlijk hoofdstuk.

Uitleg van de 397ste ḥadīth

In de ḥadīth worden uitdrukkingen gebruikt zoals “hij vroeg toestemming” en “Hij zei”. Het gebruik van werkwoorden in de verleden tijd (fi‘l māḍī) heeft hier de betekenis van bevestiging en zekerheid. Het is een stijlfiguur die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gebruikt wanneer hij spreekt over de zegeningen van Jannah, alsof alles reeds werkelijkheid is geworden. Dergelijke formuleringen komen ook in andere aḥādīth voor. In betekenis komt het neer op: “hij zal vragen” of “Hij zal zeggen”.

Deze ḥadīth laat ook zien dat de mens, zelfs wanneer hij volledig onafhankelijk en verzadigd is, toch een vorm van verlangen kan hebben naar ervaringen die hij eerder kende in het wereldse leven.

De hadīth over de markt van Jannah

Deze ḥadīth is door Imām at-Tirmidhī (رحمه الله) overgeleverd in zijn Jāmi‘, deel 2, blz. 89–90, in het hoofdstuk “Over de overleveringen betreffende de markt van Jannah”.

398. Van Sa‘īd ibn al-Musayyib: hij ontmoette eens Abū Hurayrah (رضي الله عنه), hij zei tegen Saʿīd ibn al-Musayyib: “Ik hoop dat Allāhu (تعالى) mij en jou samenbrengt op de markt van de Jannah.”Sa‘īd vroeg: “Is er daar ook een markt?”Abū Hurayrah antwoordde: “Ja. Rasûlullāh heeft mij verteld dat wanneer de bewoners van Jannah, de Jannah zijn binnengegaan, zij de overblijfselen van hun goede daden naar die markt brengen. Daarna wordt hen toestemming gegeven om daar te verblijven gedurende een tijd die overeenkomt met de dag van vrijdag in de wereld.”

Rab wordt door hen bezocht, en de ‘Arsh (Troon) wordt aan hen zichtbaar gemaakt. De ‘Arsh wordt geplaatst in een van de tuinen van Jannah. Voor hen, de bewoners van Jannah, worden minbars (verhoogde zetels) gemaakt van licht, goud en zilver.

Onder hen is niemand van geringe rang. Zelfs degenen die de laagste positie innemen, verblijven op zetels van misk en kāfūr. Zij zullen niet merken dat anderen een hogere rang of een verhevener plaats hebben dan zijzelf.Abū Hurayrah zei: Ik vroeg: “O Rasūlullāh, zullen wij onze Rab zien?” Hij antwoordde: “Ja. Twijfelen jullie eraan dat jullie de zon zien wanneer er geen wolken zijn, of de maan op de veertiende nacht?”Wij zeiden: “Nee.”Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Zo zullen jullie ook jullie Rab zien, zonder twijfel.”Er zal niemand aanwezig zijn in die bijeenkomst of Allāh zal rechtstreeks met hem spreken. Hij zal zeggen: “O zoon van zo-en-zo, herinner je je die en die dag?” en Hij zal hem enkele van zijn overtredingen in de wereld herinneren.De dienaar zal zeggen: “O mijn Rab, hebt U mij dat niet vergeven?”Allāhu (تعالى) zal zeggen: “Ja. De wijdheid van Mijn vergeving heeft jou tot deze plaats gebracht die jij nu hebt.”Terwijl zij zich in deze toestand bevinden, worden zij bedekt door een wolk, en er wordt een aangename geur op hen neergelaten waarvan zij nooit eerder een gelijke hebben geroken.Daarna zegt onze Rab تَبَارَكَ وَتَعَالَى: “Ga naar de zegeningen die Ik voor jullie heb voorbereid en neem wat jullie verlangen.”Zij gaan naar een markt omringd door engelen. Ogen hebben zoiets nog nooit gezien, oren hebben er nooit over gehoord en harten hebben zich zoiets nooit kunnen voorstellen.

Alles wat zij wensen wordt hun gegeven. In die markt is er geen kopen of verkopen (handel).De bewoners van Jannah ontmoeten elkaar daar. Iemand met een hoge rang ontmoet iemand met een lagere rang, en ondanks het verschil in positie is er geen jaloezie of verdriet. Wanneer zij elkaar ontmoeten en spreken, wordt hun kleding nog mooier en verfijnder.De reden hiervoor is dat er in Jannah geen verdriet of leed past. Daarna keren zij terug naar hun woningen.Hun echtgenotes ontvangen hen en zeggen: “Welkom, je bent teruggekomen met een mooier uiterlijk dan toen je vertrok.”De persoon antwoordt: “Vandaag hebben wij onze Rabbu’l Jabbār ontmoet, en daarom is deze verandering in ons een recht dat ons toekomt.”

Abū ‘Īsā at-Tirmidhī (رحمه الله) zegt: deze ḥadīth is gharīb. Wij kennen geen andere overleveringsketen dan deze. Suwayd ibn ‘Amr overlevert een deel van deze ḥadīth van al-Awzā‘ī.

Opmerking: Suwayd ibn ‘Amr behoort niet tot de personen die in deze isnād worden genoemd, terwijl de naam van al-Awzā‘ī wel in de keten voorkomt.

Deze ḥadīth is ook door Ibn Mājah overgeleverd in zijn Sunan (deel 2, blz. 307) van Abū Hurayrah (رضي الله عنه). Daar wordt een extra toevoeging vermeld:

399. “Voor hen worden minbars geplaatst van licht, parels, robijn, smaragd, goud en zilver.”

En op een andere plaats staat: “Allāhu (تعالى) zal ieder afzonderlijk aanspreken, zonder dat iemand van de aanwezigen wordt overgeslagen. Hij zal tegen een persoon zeggen: ‘O zo-en-zo, herinner je je de dag waarop jij dit en dat deed?’ en Hij zal hem enkele van zijn overtredingen in de wereld laten herinneren.De dienaar zal zeggen: ‘O mijn Rab, hebt U mij niet vergeven?’Allāhu (تعالى) zal zeggen: ‘Ja. Door de wijdheid van Mijn vergeving heb jij deze rang bereikt.’ Daarna gaat de ḥadīth verder zoals eerder vermeld.

In de overlevering van Ibn Mājah staat ook dat in plaats van “alles wat wij wensen wordt ons gegeven” de uitdrukking wordt gebruikt: “wij dragen alles wat wij wensen met ons mee.”

Uitleg van de aḥadīth 398-399

Met de term “markt van Jannah” wordt een plaats bedoeld waar de mu’mins in het Hiernamaals samenkomen. Daar zullen zij zaken zien die geen oog ooit heeft gezien, geen oor ooit heeft gehoord en die nooit in het hart van een mens zijn opgekomen. Deze voorstelling wordt vergeleken met markten in de wereld, omdat mensen daar elkaar ontmoeten.

Daar ontmoeten de bewoners van Jannah elkaar in een toestand van vreugde, vanwege wat hen en hun broeders aan zegeningen is gegeven.

De uitdrukking “zij bezoeken hun Rab, en de ‘Arsh wordt aan hen zichtbaar gemaakt; de ‘Arsh wordt geplaatst in een tuin van Jannah” behoort tot de aḥadīth over de goddelijke eigenschappen (ṣifāt). Dit zijn teksten die tot de mutashābih (meerduidige) teksten behoren. Eerder is al uitvoerig uitgelegd welke methode de geleerden volgen bij dergelijke teksten.

De latere geleerden (khalaf) hebben deze uitdrukkingen geïnterpreteerd en zeggen dat hier bedoeld wordt: er verschijnt een engel van Allāh aan hen, of dat in die tuin de genade en gunsten van Allāhu (تعالى) aan hen worden getoond. Allāhu (تعالى) is verheven boven elke gelijkenis met Zijn schepping.

De uitspraak “Er zal niemand aanwezig zijn of Allāh zal rechtstreeks met hem spreken,” betekent dat Allāhu (تعالى) ieder afzonderlijk zal aanspreken en met hem zal spreken over zijn daden. Hij zal hem herinneren aan wat hij in de wereld heeft gedaan en dat Hij deze daden heeft vergeven door Zijn barmhartigheid en vergeving.

Sommige grote zonden worden hem ook herinnerd, vooral die betrekking hebben op het schenden van toevertrouwde verantwoordelijkheden (amānah), en dat Allāhu (تعالى) deze heeft vergeven.

In deze markt ontmoeten de mu’mins elkaar. Zij maken kennis met elkaar, feliciteren elkaar en ervaren vreugde om elkaar. In Jannah is er voor niemand verdriet, en niemand zal zich verheven voelen boven een ander.

Allen zijn tevreden met wat hen gegeven is. Zij bevinden zich in rust en vreugde. Allāhu (تعالى) zegt in de Qur’ān: وَنَزَعۡنَا مَا فِي صُدُورِهِم مِّنۡ غِلٍّ إِخۡوَٰنًا عَلَىٰ سُرُرٖ مُّتَقَٰبِلِينَ ٤٧En Wij zullen alle wrok uit hun hart uitroeien, (dus het zal zijn alsof) broeders tegenover elkaar op rustbanken zitten. (Ḥijr, 15:47)

Na deze ‘markt’ keren zij terug naar hun echtgenotes. Zij zullen een schoonheid hebben die door niemand beschreven kan worden.

O Allāh, schenk ons Uw Jannah en Uwq zegeningen, eer ons met het aanschouwen van Uw edele Aangezicht, en brengen ons samen met de anbiyā, de ṣiddīqīn, de shuhadā en de salihûn. Zij zijn de beste metgezellen. Āmīn. En alle lof behoort aan Allāh, de Rab der werelden.

De ḥadīth over de uitspraak van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) betreffende degenen die deelnamen aan Badr: “Doe wat jullie willen, Allāh heeft jullie vergeven” 137

Uitleg van de 181ste ḥadīth 138

De ḥadīth over de toespraak met Jābir (رضي الله عنه) na de martelaarschap van zijn vader `Abdullah 140

Uitleg van de aḥadīth 182-183 141

De ḥadīth over: De vraag van Allāh: “Wensen jullie iets?”, aan de shuhadā’ 142

Uitleg van de 188ste ḥadīth 143

De ḥadīth: “Wie de familie van een strijdende persoon verraadt...” 144

Uitleg van de 189ste ḥadīth 144

De ḥadīth: “Een man zal komen terwijl hij een andere man bij de hand vasthoudt en zal zeggen: ‘O mijn Rab, hij heeft mij gedood.’” 145

Uitleg van de 190ste ḥadīth 145

De ḥadīth: Allāh’s bewondering voor de strijder op Zijn weg 146

Uitleg van de 191ste ḥadīth 146

De ḥadīth: “De verwondering van onze Rab over een groep die met ketens naar Jannah wordt gebracht” 147

Uitleg van de 192ste ḥadīth 147

19. Het velevoudig belonen van de goede daden van de ummah van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) 147

De ḥadīth: Verhouding tussen de ummah van Muhammad (صلى الله عليه وسلم), de joden en de christenen 147

Uitleg van de aḥadīth 193-194 148

20.

De ḥadīth over de eigenschappen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in de Tawrāh 150

Uitleg van de aḥadīth 195-196 150

21. Over de beloning van geduld bij de beproeving 152

De ḥadīth over de beloning van geduld bij de beproeving: het verliezen van het gezichtsvermogen 152

Uitleg van de aḥadīth 197-199 152

De ḥadīth over de beloning wanneer Allāhu (تعالى) iemands kind tot Zich neemt 153

Overlevering betreffende degene die getroffen wordt door het verlies van een miskraam 154

De ḥadīth over de beloning bij het overlijden van een kind 154

Uitleg van de 204ste ḥadīth 155

De ḥadīth over de verdienste van de zieke die zijn Rab prijst (ḥamd) 155

De ḥadīth: “Koorts is Mijn vuur; Ik laat het neerdalen over Mijn mu’min dienaar in de wereld...” 156

Hadith “Lees en stijg op (in rang)” 156

De ḥadīth: “De rang van een persoon in Jannah wordt verhoogd doordat zijn kind voor hem om vergeving vraagt” 156

De ḥadīth over de mier die een nabī (عليه السلام) beet 156

Uitleg van de 209 ḥadīth 157

Uitleg van de aḥadīth 210-215 158

22. De barmhartigheid van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) voor zijn ummah en zijn duʿā’ voor hen. 159

De ḥadīth over het duʿā van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) voor zijn ummah en het huilen uit medeleven met hen 159

Uitleg van de 217ste hadīth 160

De hadīth: “Allāh liet voor mij de aarde samenvouwen en ik zag haar oosten en westen” 161

Uitleg van de ahadīth 218-222 163

23.

De ahadith over dat de barmhartigheid (raḥmah) van Allāhu (تعالى) Zijn toorn (ghaḍab) heeft overtroffen en dat Allāhu (تعالى) de berouw (tawbah) van zondaars aanvaardt 164

De ahadith over “Mijn barmhartigheid (raḥmah) heeft Mijn toorn/woede (ghaḍab) overtroffen” 164

Uitleg van de ahadīth 225–227 165

De ḥadīth: “Een dienaar pleegde een zonde en zei: ‘O mijn Rab ik heb een zonde begaan....” 166

Uitleg van de ahadīth 228–229 167

De ḥadīth: “Bij Allāh, Allāh voelt vreugde en opluchting over de tawbah van Zijn dienaar…” 169

Uitleg van de 230ste hadīth 169

De ḥadīth: “Twee mannen onder de bewoners van Jahannam begonnen luid te schreeuwen.” 170

Uitleg van de 231ste hadīth 171

25. Overleveringen betreffende het afdwingen van een gelofte (naḏr), het nemen van bezit van een gierig persoon, en het feit dat de beschikking van Allāhu (تعالى) niet kan worden teruggedraaid. 172

De ḥadīth waarin staat dat het niet correct is dat iemand zegt: “Ik ben beter dan die en die persoon.” 172

232–234. Uitleg van de ahadīth 172

De ḥadīth: Een dienaar die zegt (dat) ik beter ben dan Yūnus ibn Mattā” behoort dat niet te zeggen. 173

235 - 237. Uitleg van de aḥadīth 174

26. Ahadith over het aanzetten tot goedheid en het weerhouden van slechtheid 174

De ḥadīth over de verdienste van het uitstellen van een schuld bij iemand die in moeilijkheden verkeert 174

238 - 243. Uitleg van de ḥadīth 176

De ḥadīth: “Wie de schuld van iemand in moeilijkheden uitstelt” 177

244 - 248. Uitleg van de aḥadīth 178

De ḥadīth over ‘het weerhouden van het kwaad’ 178

249 - 257. Uitleg van de aḥadīth 181

De ḥadīth over degenen die elkaar omwille van Allāh liefhebben 182

Uitleg van de aḥadīth 260 - 263 183

De ḥadīth over de uitspraak van Allāhu (تعالى): “Ik was ziek, maar jij hebt Mij niet bezocht” 185

Uitleg van de 264ste ḥadīth 186

De ḥadīth over de uitspraak van Allāhu (تعالى): “O Mijn dienaren, Ik heb onrecht voor Mijzelf verboden gemaakt” 186

Uitleg van de ahadīth 265–268 188

In de ḥadīth wordt gezegd: “Grootheid is Mijn ridāʾ (bovenkleed) en verhevenheid is Mijn izār (onderkleed).” 189

Uitleg van de aḥadīth 269–272. 190

27. De ontmoeting van Mûsā (عليه السلام) met Khiḍr (عليه السلام) 191

274–275. Uitleg van de aḥadīth 192

28. Zelfmoord plegen heeft als straf Jahannam 196

Uitleg van de 276ste ḥadīth 196

29. Niemand kan onafhankelijk zijn van de gunst (faḍl) van Allāhu (تعالى).” 197

De ḥadīth over het wassen van Ayyūb (عليه السلام) en dat er een gouden sprinkhaan op hem neerdaalde. 197

Uitleg van de aḥadīth 277 - 279 198

30. De Aslam-stam werd door Allāh in veiligheid gebracht 198

Uitleg van de aḥadīth 280 – 281 199

31. Aḥadīth over het vergemakkelijken van het reciteren van de Qurʾān, het zonder moeite en op een gemakkelijke manier de Qurʾān kunnen lezen. 199

Uitleg van de 282ste ḥadīth 200

De ḥadīth: “Er zijn drie personen die Allāhu عز وجل liefheeft” 201

Uitleg van de 283ste ḥadīth 202

De reden voor de nederdaling van Sūrah al-Kawthar 202

Uitleg van de 284ste ḥadīth 203

De ḥadīth over: “De voortreffelijkheid van de ṣalāh en het uitspreken van salām (ṣalawāt) over Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم)” 203

Uitleg van de 285ste ḥadīth 203

De ḥadīth over het verheugende nieuws dat aan de Moeder van de mu’mins, Khadījah (رضي الله عنها), een huis in Jannah werd gegeven. 204

Uitleg van de 286-287 ahadith 204

Het verheugende nieuws dat aan Khadījah (رضي الله عنها) werd verkondigd 204

32. Ahadith betreffende oprechtheid in daden, de afkeuring van pronken (riyāʾ) en het nalaten van de plicht om van het kwaad af te houden. 206

De ḥadīth: “Ik ben Degene Die het verst verwijderd is van deelgenoten” 206

Uitleg van de 288 – 290 ahadith 207

De ḥadīth met betrekking tot de uitspraak van Allahu Ta`ala: إِنَّ ٱلۡمُنَٰفِقِينَ يُخَٰدِعُونَ ٱللَّهَ وَهُوَ خَٰدِعُهُمۡ Waarlijk, de hypocrieten proberen Allāh te misleiden en Hij vergeldt hun (misleiding)… (Nisā’, 4:142) 207

Uitleg van de 291 - 292 ahadith 208

Uitleg van de 293ste ḥadīth 209

De ḥadīth: “De eerste mens over wie op de Yawm al-Qiyāmah geoordeeld zal worden” 210

Uitleg van ahadith 294 – 296 212

De ḥadīth over het feit dat Allāhu (تعالى) de dienaar op de Yawmu’l Qiyamah ter verantwoording zal roepen met de woorden: “Wat hield jou tegen om op te treden toen jij het kwaad zag?” 214

De ḥadīth: “Allāh geeft op de Yawm al-Qiyāmah toestemming aan de ummah van Muḥammad om neder te knielen (sajdah).” 215

Uitleg van de ahadith 297 – 299 215

33.

Wie verlangt naar de ontmoeting met Allāh, voor hem verlangt Allāh eveneens naar de ontmoeting. 216

Het sturen van de Engel des Doods naar Mūsā (عليه السلام). 216

Uitleg van de ahadith 302–306 218

De ḥadīth over het sturen van de Engel des Doods naar Mūsā (عليه السلام) 220

Uitleg van de ahadith 307 – 309 222

34. Opwekking (hashr) en de angstige toestanden (op de Yawm al-Qiyāmah) 225

De ḥadīth: “Jullie zullen blootsvoets, naakt en onbesneden worden verzameld” 225

Uitleg van de aḥādīth 310–313 226

De hadīth: “De dienaren zullen verzameld worden, waarna hun Rab zal roepen: ‘Ik ben al-Malik” 227

Uitleg van de ḥadīth 314 228

De hadīth over het bevel aan Ādam (عليه السلام) op de Yawm al-Qiyāmah: “Scheid de bewoners van Jahannam onder jouw nakomelingen af.” 230

Uitleg van de aḥādīth 315–317 232

35. De hadīth: “Allāhu (تعالى) zal de aarde oprollen… daarna zal Hij zeggen: ‘Ik ben al-Malik’ 235

Uitleg van de aḥādīth 318–326 237

36. Aḥādīth over de voorspraak (ash-Shafā‘ah) 242

Uitleg van de 327ste ḥadīth 244

Uitleg van de 328ste ḥadīth 249

Uitleg van de 329ste ḥadīth 250

Uitleg van de 330ste ḥadīth 253

Uitleg van de 331ste ḥadīth 258

De aḥādīth over ash-Shafāʿah die voorkomen in al-Bukhārī 259

Uitleg van de ḥadīth 332 en 333 261

Uitleg van de 334ste ḥadīth 266

Uitleg van 335ste ḥadīth 270

Uitleg van de 336ste ḥadīth 272

Uitleg van de 337ste ḥadīth 275

De ahadith over de shafāʿah zoals vermeld in Ṣaḥīḥ Muslim 276

Uitleg van de 338ste ḥadīth 278

Uitleg van de 340ste ḥadīth 282

Uitleg van de 341ste ḥadīth 285

Uitleg van de 342ste ḥadīth: 287

Uitleg van de 343–344 aḥadīth: 288

Uitleg van de 345ste ḥadīth: 290

Uit de Sunan van an-Nasāʾī – Ḥadīth over de shafāʿah 291

Uitleg van de 346ste ḥadīth: 291

Sunan at-Tirmidhī – Ḥadīth over de shafāʿah 292

Uitleg van de 347ste ḥadīth 293

De hadīth van shafāʿah uit Sunan Ibn Mājah 294

Uitleg van de 348ste ḥadīth 294

Uitleg van de 349ste ḥadīth 295

37. Over de overleveringen betreffende de dienaar die op de Yawmu’l Qiyamah voor zijn Rab zal staan 296

En over het ondervragen van de anbiyā over de verkondiging. 296

Uitleg van de aḥadīth 350–351: 297

Ḥadīth: “De mu’min nadert zijn Rab zo dicht dat Hij Zijn bedekking of Zijn genade over hem legt” 298

Uitleg van de 352ste ḥadīth 299

De hadīth: “De dienaar ontmoet zijn Rab en Allāh vraagt: O die-en-die, heb Ik jou geen gunsten gegeven…” 299

Uitleg van de aḥadīth 353–355 301

De hadīth: “Op de Yawm al-Qiyāmah wordt de zoon van Ādam voorgeleid en voor Allāhu (تعالى) geplaatst…” 302

Uitleg van de 356ste ḥadīth: 302

De hadīth: “Iemand die (zo bezig wordt gehouden door) de Qur’ān en het gedenken van Mij (dhikr), dat hij daardoor niet toekomt aan (het verrichten van duʿā’) aan Mij...” 303

De hadīth: “Het ondervragen van Nūḥ (عليه السلام): heb jij de boodschap (van Allāh) overgebracht?” 303

Uitleg van de aḥadīth 358–360 304

38. De Jannah is verboden gemaakt voor de kāfirs, en zelfs hun nabijheid/familiebanden zal hen niet baten. 305

De ḥadīth: Ibrāhīm (عليه السلام) ontmoet (zijn vader) Āzar op de Yawmu’l Qiyamah 305

Uitleg van de 361ste ḥadīth 305

Uitleg van de aḥadīth 362–366 307

39. De discussie tussen Jannah en Jahannam, de klacht van Jahannam 309

De ḥadīth “De Jannah en Jahannam discussiëren met elkaar…” 309

Uitleg van de 367–376 aḥādīth 311

De ḥadīth: “de Jahannam klaagde bij haar Rab…” 315

Uitleg van de 377ste ḥadīth 315

40. De overleveringen over de Waterbassin (Ḥawḍ) van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) 315

Uitleg van de aḥādīth 378–383 317

Enkele toelichtingen over de Ḥawḍ: 318

Aanvullende informatie over de Ḥawḍ 321

41. Het slachten van de dood op de Dag der Opstanding 322

Uitleg van de aḥadīth 384 - 385 323

De ḥadīth waarin Allāhu (تعالى) zegt: “Degene in wiens hart zich een mosterdzaadje aan gewicht van īmān bevindt, haal hem eruit.” 324

Uitleg van de aḥadīth 386 - 387 324

42. Jannah en Jahannam en wat hen omringt, en het voedsel van de bewoners van Jahannam 326

De ḥadīth “Jannah is omgeven door zaken die de ego (nafs) niet prettig vindt, en Jahannam is omgeven door zaken die de ego verlangt…” 326

Uitleg van de aḥadīth 388 - 389 327

De ḥadīth: “Er zal honger te zien zijn bij de bewoners van Jahannam…” 328

Uitleg van de 390ste ḥadīth 329

43.

De mu’mins die hun Rab zullen zien en de toespraak van Allāhu (تعالى) tot de bewoners van Jannah 331

De hadīth over het bewijs dat de mu’mins hun Rab in het Hiernamaals zullen zien. 331

Uitleg van de aḥadīth 391 - 394 332

De hadīth over de toespraak van Allāhu (تعالى) tot de bewoners van Jannah 333

Uitleg van de aḥadīth 395-396 333

De ḥadīth over het verzoek van sommige bewoners van de Jannah aan hun Rab om te mogen zaaien. 334

Uitleg van de 397ste ḥadīth 335

De hadīth over de markt van Jannah 335

Uitleg van de aḥadīth 398-399 336