5. Het onderwerp: “de genietingen die Allāh voor zijn rechtschapen dienaren heeft voorbereid”
De ḥadīth: “Ik heb voor Mijn rechtschapen dienaren genietingen voorbereid die geen enkel oog ooit heeft gezien...”
In Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, in het hoofdstuk “De Eigenschappen van de Bewoners van Jannah”, deel 4, p. 118, 52. Van …Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh heeft gezegd: ‘Ik heb voor Mijn rechtschapen dienaren zulke genietingen voorbereid die geen enkel oog heeft gezien, geen enkel oor heeft gehoord en die in geen menselijk hart zijn opgekomen.’ Als jullie willen, lees dan de āyah:فَلَا تَعۡلَمُ نَفۡسٞ مَّآ أُخۡفِيَ لَهُم مِّن قُرَّةِ أَعۡيُنٖ جَزَآءَۢ بِمَا كَانُواْ يَعۡمَلُونَ ١٧Niemand weet wat voor hen verborgen blijft voor plezier, als een beloning voor wat zij plachten te doen. (Sajdah, 32:17)
Een andere overlevering in het boek van de uitleg van de Qur’ān, Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, dl. 6, blz. 115: Met betrekking tot de aanleiding voor de openbaring van Sūrat as-Sajdah heeft hij de volgende ḥadīth overgeleverd: 53. Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh تبارك وتعالى zei: ‘Ik heb voor Mijn rechtschapen dienaren datgene voorbereid wat geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen.”Daarna zei Abū Hurayrah (رضي الله عنه): “Als jullie willen, reciteer dan: Niemand weet wat voor hen verborgen blijft voor plezier, als een beloning voor wat zij plachten te doen.(Sajdah, 32:17, zie hierboven.)
Een andere versie in Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, dl. 6, blz. 116:
54. Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh heeft gezegd: ‘Ik heb voor Mijn rechtschapen dienaren datgene voorbereid wat geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen, schatten en gunsten die voor jullie verborgen zijn gehouden en die jullie nog nooit eerder hebben gezien.”Vervolgens reciteerde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): Niemand weet wat voor hen verborgen blijft voor plezier, als een beloning voor wat zij plachten te doen.(Sajdah, 32:17, zie hierboven.)55. In een andere overlevering van al-Bukhārī staat de toevoeging: “Laat hen, Ik heb hen nog nooit van deze gunsten op de hoogte gesteld.”
Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, in Kitāb at-Tawḥīd, deel 9, p. 144, heeft een overlevering genoteerd die lijkt op de eerder genoemde eerste overlevering.
Imām Muslim vermeldt in zijn Ṣaḥīḥ (Boek: De Jannah, zijn genoegens en de eigenschappen van haar bewoners), volgens de marginale aantekening van al-Qasṭallānī, dl. 40, blz. 282: 56. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) zei dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh عَزَّ وَجَلَّ heeft gezegd: ‘Ik heb voor Mijn rechtschapen dienaren datgene voorbereid wat geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen.’En het bewijs daarvoor is het vers in het Boek van Allāh: Niemand weet wat voor hen verborgen blijft voor plezier, als een beloning voor wat zij plachten te doen.(Sajdah, 32:17, zie hierboven.)
57. In een tweede overlevering (bij Muslim) is de volgende toevoeging vermeld na de woorden ‘geen mensenhart is opgekomen’: “...verborgen zegeningen die Allāh jullie niet heeft bekendgemaakt.”
58. In een derde overlevering (bij Muslim) wordt er, na de toevoeging “...verborgen zegeningen die Allāh jullie niet heeft bekendgemaakt”, ook vermeld dat: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vervolgens het vers reciteerde: Niemand weet wat voor hen verborgen blijft voor plezier, als een beloning voor wat zij plachten te doen.(Sajdah, 32:17, zie hierboven.)
59.
In een vierde overlevering (bij Muslim) wordt vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de volgende verzen reciteerde:تَتَجَافَىٰ جُنُوبُهُمۡ عَنِ ٱلۡمَضَاجِعِ يَدۡعُونَ رَبَّهُمۡ خَوۡفٗا وَطَمَعٗا وَمِمَّا رَزَقۡنَٰهُمۡ يُنفِقُونَ ١٦Hun zijden verzaken hun bedden, Zij roepen hun Rab aan vol hoop en vrees, en geven uit (aan liefdadigheid) van hetgeen waarmee Wij hen hebben voorzien.
فَلَا تَعۡلَمُ نَفۡسٞ مَّآ أُخۡفِيَ لَهُم مِّن قُرَّةِ أَعۡيُنٖ جَزَآءَۢ بِمَا كَانُواْ يَعۡمَلُونَ ١٧Niemand weet wat voor hen verborgen blijft voor plezier, als een beloning voor wat zij plachten te doen. (Sajah: 32:16-17)
Imām at-Tirmidhī vermeldt in zijn Sunan (dl. 2, blz. 225), in het hoofdstuk over surah al-Wāqiʿah, de volgende overlevering: 60. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh heeft gezegd: ‘Ik heb voor Mijn rechtschapen dienaren gunsten voorbereid die geen oog ooit heeft gezien, geen oor ooit heeft gehoord en die bij geen mens ooit in het hart zijn opgekomen.’ Lees desgewenst het vers: Sajdah, 32:17, zie hierboven: Hun zijden verzaken hun bedden, Zij roepen hun Rab aan vol hoop en vrees, en geven uit (aan liefdadigheid) van hetgeen waarmee Wij hen hebben voorzien.In Jannah is er een boom waaronder een ruiter honderd jaar kan rijden en toch de rand van zijn schaduw niet bereikt. Lees desgewenst het vers waarin gezegd wordt:
وَظِلٍّ مَّمْدُودٍ "En een uitgestrekte schaduw.” Wāqiʿah (56), āyah 30
Een plaats in Jannah ter grootte van een zweep is beter dan de wereld en wat deze bevat. Lees desgewenst het vers:فَمَن زُحۡزِحَ عَنِ ٱلنَّارِ وَأُدۡخِلَ ٱلۡجَنَّةَ فَقَدۡ فَازَۗEn al wie van het (angstaanjagende en allesverterende) vuur wordt weggehouden en (de" begeerlijke tuinen van) Jannah wordt toegewezen, zal (met absoluut succes) slagen. (Āl ʿImrān: 3:185)
Abū ʿĪsā at-Tirmidhī zei: “Deze ḥadīth is ḥasan en ṣaḥīḥ.”
Ibn Mājah vermeldt in zijn Sunan (dl. 2, blz. 305), in het hoofdstuk Ṣifat al-Jannah, de volgende overlevering: 61. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh عَزَّ وَجَلَّ heeft gezegd: ‘Ik heb voor Mijn rechtschapen dienaren gunsten voorbereid die geen oog ooit heeft gezien, geen oor ooit heeft gehoord en die bij geen mens ooit in het hart zijn opgekomen.’”Abū Hurayrah zei: “Dit zijn zaken waarmee Allāh jullie niet bekend heeft gemaakt. Lees desgewenst het vers: Sajdah, 32:17, zie hierboven.: “Niemand weet wat voor hen verborgen blijft voor plezier, als een beloning voor wat zij plachten te doen.”