As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Aḥadīthi’l Qudsiyyah — Hoofdstuk 5: Dat Allāh van Zijn dienaren verlangt dat zij Hem smeken/du`ā’ verrichten en op Hem hopen

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

6. Het onderwerp: Dat Allāh van Zijn dienaren verlangt dat zij Hem smeken/du`ā’ verrichten en op Hem hopen

De ḥadīth: “Onze Rab daalt neer naar de hemel van de wereld…”Ṣaḥīḥ al-Bukhārī (Kitāb ad-Daʿwāt, hoofdstuk: Het smeekgebed midden in de nacht, dl. 8, blz. 71)

62. Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Onze Rab daalt elke nacht neer naar de hemel van de wereld, wanneer het laatste derde deel van de nacht is aangebroken. Dan zegt Hij:‘Wie verricht Mij du`ā’ zodat Ik hem verhoor? Wie vraagt Mij iets zodat Ik het hem geef? Wie vraagt Mij om vergeving zodat Ik hem vergeef?’”

63. Eveneens overgeleverd door Bukhārī in Kitāb aṣ-Ṣalāh (laatste gedeelte) en Kitāb at-Tawḥīd (dl. 9, blz. 143), onder het hoofdstuk dat begint met het vers:يُرِيدُونَ أَن يُبَدِّلُواْ كَلَٰمَ ٱللَّهِۚ …Zij willen Allāh’s woorden veranderen…(Fatḥ, 48:15)met een soortgelijke tekst.Imām Mālik heeft deze ḥadīth ook overgeleverd in al-Muwaṭṭaʾ, in dezelfde bewoording als al-Bukhārī.

64. Ṣaḥīḥ Muslim heeft deze ḥadīth in zijn Ṣaḥīḥ in verschillende overleveringen vermeld. De eerste overlevering is: Zoals de overlevering die bij Ṣaḥīḥ al-Bukhārī hierboven is vermeld. In deze versie wordt echter zowel het woord “yatanazzalu” (يتنزّل – “daalt geleidelijk neer”) als het woord “yanzilu” (ينزل – “daalt neer”) gebruikt. In één van de manuscripten van al-Bukhārī komt eveneens deze vorm voor.

De tweede ḥadīth:

65. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer het eerste derde deel van de nacht voorbij is, daalt Allāh neer naar de laagste hemel van de wereld en zegt: ‘Ik ben de Heerser over alles, Ik ben de Heerser over alles. Wie roept Mij aan, zodat Ik zijn smeekbede kan beantwoorden? Wie vraagt Mij, zodat Ik hem kan geven wat hij vraagt? Wie vraagt Mij om vergeving, zodat Ik hem kan vergeven?”Hij blijft in deze toestand tot het aanbreken van de fajr-tijd (ochtendstond).

De derde ḥadīth:

66.

Wanneer de helft van de nacht of twee derde van de nacht is verstreken, daalt Allāh (تعالى) neer naar de laagste hemel van de wereld en zegt: “Is er geen verzoeker die Mij iets wil vragen, zodat Ik hem kan geven tot het aanbreken van de fajr-tijd (ochtendstond)? Is er geen smekende wiens duʿāʾ zal worden verhoord? Is er niemand die om vergeving vraagt, zodat Ik hem kan vergeven?”

De vierde ḥadīth:

67. Allāh (تعالى) daalt neer naar de laagste hemel van de wereld en zegt: “Wie roept Mij aan, zodat Ik zijn duʿāʾ kan verhoren? Wie vraagt Mij, zodat Ik hem kan geven wat hij wil?” Vervolgens zegt Hij: “Wie leent aan iemand die noch arm noch onderdrukt is?”

De vijfde ḥadīth, er is hierin een toevoeging: 68. Vervolgens strekt Allāhu (تعالى), Wiens verhevenheid en majesteit buitengewoon groot zijn, Zijn Handen uit: ‘Wie leent aan iemand die noch arm noch onderdrukt is?”

De zesde ḥadīth:

69. “Allāh geeft uitstel totdat het eerste derde deel van de nacht is verstreken en daalt vervolgens neer naar de laagste hemel van de wereld en zegt: ‘Is er niemand die om vergeving vraagt? Is er niemand die tawbah verricht? Is er niemand die duʿāʾ doet?’ En Hij blijft zo tot het aanbreken van de fajr-tijd (ochtendstond).”

Sunan Abū Dāwūd heeft deze ḥadīth in deel 1, p. 364, in het hoofdstuk “Welke tijd van de nacht het meest verheven is” en in deel 4, p. 183, in het hoofdstuk “Ruʾyah (het zien van Allāh)” overgeleverd met dezelfde bewoordingen als in de overlevering van Ṣaḥīḥ al-Bukhārī.

Jāmiʿ at-Tirmidhī heeft deze ḥadīth in deel 1, p. 90, in het hoofdstuk “Allāh (عز وجل) daalt elke nacht neer naar de laagste hemel” als volgt overgeleverd: “Wanneer het eerste derde deel van de nacht is verstreken, daalt Allāh neer naar de laagste hemel van de wereld en zegt: ‘Ik ben de Heerser.Wie roept Mij aan, zodat Ik zijn duʿāʾ verhoor? Wie vraagt Mij, zodat Ik hem geef wat hij vraagt? Wie vraagt Mij om vergeving, zodat Ik hem vergeef?’ En Hij blijft in deze toestand tot het aanbreken van de dageraad” Abū ʿĪsā at-Tirmidhī heeft gezegd dat deze ḥadīth ḥasan ṣaḥīḥ is.

Uitleg van de ahādīth 52–71

Imām an-Nawawī heeft in zijn uitleg van deze ahādīth geschreven: “Deze hādīth behoren tot de ahādīth van de eigenschappen (ṣifāt)”. Over deze teksten bestaan twee bekende opvattingen, waarvan de uitleg reeds is vermeld in Kitāb al-Īmān. Samengevat kan men hier het volgende zeggen:

De eerste opvatting is die van de meerderheid van de salaf en van enkele theologen. Volgens deze opvatting is het juist dat de uiterlijke (ẓāhir) betekenis van de hier genoemde handelingen niet op Allāhu (تعالى) van toepassing is. Zelfs wanneer deze woorden met betrekking tot ons worden gebruikt, is niet hun letterlijke, uiterlijke (ẓāhir) betekenis bedoeld. Wij geloven dat Allāhu (تعالى) verheven is boven alle eigenschappen van de schepping, zoals verplaatsing, beweging en andere kenmerken van geschapen wezens. Tegelijkertijd onthouden wij ons ervan om uitspraken te doen over de ta’wīl (interpretatie) van dergelijke teksten.

De tweede opvatting is die van de meerderheid van de theologen en een groep van de salaf. Deze opvatting, die ook overgeleverd is van imâm Mālik en al-Awzāʿī, stelt dat de handelingen die met betrekking tot Allāh onmogelijk zijn, worden geïnterpreteerd naar gelang hun context. Binnen dit kader zijn de bovengenoemde ahādīth op twee manieren geïnterpreteerd (taʾwīl).

Eerste interpretatie: Mālik ibn Anas en anderen hebben het als volgt uitgelegd. Volgens hen betekent het “neerdalen van Allāh” dat Zijn genade, Zijn bevel of Zijn engelen neerdalen.

Tweede interpretatie: volgens deze uitleg is het “neerdalen” een metaforische (majāzī) uitdrukking. De betekenis daarvan is dat Allāh degenen die Hem aanroepen tegemoet treedt met het beantwoorden van hun duʿāʾ en met Zijn genade en gunst.

In de verschillende overleveringen van de ḥadīth wordt ook vermeld dat dit in het laatste derde deel van de nacht resteert, plaatsvindt. Qāḍī ʿIyāḍ vermeldt eveneens dat het mogelijk is dat zowel het neerdalen als de oproep “Wie roept Mij aan…” plaatsvindt wanneer het laatste derde deel van de nacht is aangebroken.

Imām an-Nawawī vervolgt zijn uitleg en schrijft: “Volgens mij is het ook mogelijk dat Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) op een bepaald moment een van de twee situaties heeft vermeld en dat hij die heeft doorgegeven (het eerste derde deel van de nacht), en op een ander moment de tweede situatie (de helft van de nacht of twee derde van de nach) heeft vermeld en die eveneens heeft doorgegeven aan de Ṣaḥābah. Abū Hurayrah (رضي الله عنه) heeft beide overleveringen uit het hoofd geleerd en doorgegeven.

Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) heeft eveneens de overlevering gehoord die betrekking heeft op het eerste derde deel van de nacht en die overgeleverd. In de laatste overlevering van Ṣaḥīḥ Muslim wordt vermeld dat Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) deze ḥadīth samen met Abū Hurayrah (رضي الله عنه) heeft overgeleverd. Dit is de meest voor de hand liggende verklaring.

In deze uitleg ligt een weerlegging van Qāḍī ʿIyāḍ, die de overlevering betreffende het eerste derde deel van de nacht als zwak beschouwde. Hoe kan hij die als zwak beschouwen, terwijl Ṣaḥīḥ Muslim deze met een authentieke keten (isnād) van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) en Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) heeft overgeleverd?

“En Hij blijft in deze toestand tot het aanbreken van de fajr-tijd (ochtendstond).” duidt erop dat de tijd van barmhartigheid en goddelijke gunst/weldaad voortduurt tot het aanbreken van de fajr-tijd (ochtendstond). Hierin ligt een aansporing om op elk moment binnen deze periode tot duʿāʾ en istighfār te verrichten. Tegelijk wordt ermee gewezen dat de ṣalāh, duʿāʾ en istighfār en andere vormen van ʿibādah die in het laatste deel van de nacht worden verricht, verdienstelijker zijn dan die in het eerdere of latere deel van de nacht.

Wat in de ḥadīth met “lening” wordt bedoeld, omvat in algemene zin elke vorm van ʿibādah en taʿah (gehoorzaamheid aan Allāh), zoals ṣadaqah (liefdadigheid), ṣalāh, ṣawm (vasten), dhikr en andere goede daden. Allāh (تعالى) noemt deze handelingen “lening” vanwege Zijn mooie omgang met Zijn dienaren en om hen aan te moedigen tot het goede.

Een lening is iets waarvan de lener weet dat hij het zal moeten teruggeven. Tussen de lener en de uitlener ontstaat daardoor een band van vertrouwdheid en genegenheid.

Wanneer er om een lening wordt gevraagd, voelt degene aan wie dit verzoek wordt voorgelegd zich vereerd dat hij als geschikt wordt gezien om te kunnen uitlenen, en daarom geeft hij de lening. Met de woorden “vervolgens strekt Allāh Zijn Handen uit” wordt verwezen naar de uitbreiding van Zijn barmhartigheid, de overvloed van Zijn goedheid en de vermeerdering van Zijn zegeningen.

De ḥadīth: “O zoon van Ādam, zolang jij Mij aanroept en op Mij hoopt, zal Ik jou vergeven”

Jāmiʿ at-Tirmidhī heeft in het hoofdstuk “De verdienste van tawbah en istighfār” de volgende ḥadīth overgeleverd:

72. Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), hij zei: “Ik hoorde Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: Allāh heeft gezegd: ‘O zoon van Ādam, zolang jij Mij aanroept en je hoop op Mij vestigt, zal Ik jouw zonden vergevenn ogacht met welke intentie jij dat hebt gedaan.O zoon van Ādam, al zouden jouw zonden zich opstapelen tot aan de hemel en jij daarna Mijn vergeving vraagt, dan zal Ik je vergeven en geen acht slaan op je zonden.” O zoon van Ādam, als jij tot Mij komt met zonden die de gehele aarde zouden vullen, maar Mij ontmoet zonder iets of iemand als deelgenoot aan Mij toe te kennen (zonder shirk), dan zal Ik jou tegemoetkomen met een even grote hoeveelheid vergeving.”

Uitleg van de 72ste ḥadīth

O zoon van Ādam, zolang jij tawbah blijft verrichten voor je zonden, Allāh om vergeving blijft vragen en een goede verwachting (ḥusn al-ẓan) van Allāh behoudt, zoals Hij Zijn dienaren heeft beloofd dat Hij de tawbah van degenen die berouw tonen accepteert, en jij blijft duʿāʾ doen, om vergeving smeken voor je zonden en hoop houdt op de aanvaarding van je duʿāʾ, zal Allāhu (تعالى) al jouw zonden vergeven.“Ongeacht in welke toestand jij de zonde hebt begaan, of het nu uit onachtzaamheid (ghaflah) of uit vergeetachtigheid is geweest. Ik geef geen aandacht aan iemand die Mij ter verantwoording roept en vraagt: ‘Waarom hebt U die persoon vergeven?’ Want Ik word niet ter verantwoording geroepen over wat Ik doe.Zoals Allāh (تعالى) zegt in de Qurʾān:لَا يُسۡـَٔلُ عَمَّا يَفۡعَلُ وَهُمۡ يُسۡـَٔلُونَ ٢٣Hij kan niet ondervraagd worden over wat Hij doet, terwijl zij ondervraagd zullen worden. (Anbiyāʾ 21:23)Allāh zegt ook dat Hij in Zijn Boek heeft vermeld: إِنَّ ٱلۡحَسَنَٰتِ يُذۡهِبۡنَ ٱلسَّيِّـَٔاتِۚ Waarlijk, de goede daden verwijderen de slechte daden. (Hūd 11:114)En wanneer jij zonden begaat en daarna niet tot Mij terugkeert om vergiffenis te vragen (istighfār), dan is juist het terugkeren tot Mij en het vragen om vergeving op zichzelf al de beste vorm van goede daad, en het wist de slechte daden uit.

Zoals Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Wanneer je een slechte daad verricht, volg die dan onmiddellijk op met een goede daad die haar uitwist.”“O zoon van Ādam, zelfs als jouw zonden, in omvang en aantal, zich zouden uitstrekken tussen de hemel en de aarde en tot aan de uiteinden van de hemel zouden reiken, en jij daarna om vergeving vraagt, spijt hebt van wat je hebt gedaan en tawbah verricht, dan zal Ik daar geen acht op slaan, en niemand kan Mij daarin tegenhouden; Ik zal jouw zonden vergeven. Want Ik doe wat Ik wil.

Dit heb Ik uit Mijn eigen gunst (faḍl) en barmhartigheid beloofd, en Ik verbreek Mijn belofte niet.O zoon van Ādam, als jij tot Mij komt met zonden en fouten die de aarde zouden vullen, maar standvastig blijft op het pad van de tawḥīd en Mij niets of niemand als deelgenoot toekent (geen shirk pleegt), dan zal Ik jou tegemoetkomen met een even grote vergeving, of met een hoeveelheid vergeving die al jouw fouten en zonden uitwist. Mijn vergeving zal op de weegschaal zwaarder wegen dan jouw zonden en ze volledig bedekken, zodat er geen enkele zonde overblijft die een bestraffing noodzakelijk maakt.In deze ḥadīth is er een grote hoop, een blijde tijding voor degenen die tawbah verrichten, en een aansporing om mensen aan te moedigen tot tawbah, een goede hoop en het vasthouden aan het geloof in de tawḥīd.Voor de mu’min is het in de regel het beste dat de kant van vrees (khawf) zwaarder weegt dan de kant van hoop (rajā’). Wanneer echter de ouderdom aanbreekt of ziekte zich aandient, is het beter dat de hoop (rajā’) (op de barmhartigheid en vergeving van Allāh) de overhand krijgt boven de vrees (khawf).

Overleveringen met betrekking tot de nacht van de vijftiende van de maand Shaʿbān

Ibn Mājah heeft in zijn Sunan, deel 1, blz. 217, in het hoofdstuk “Overleveringen met betrekking tot de nacht van de vijftiende van Shaʿbān”, de volgende ḥadīth overgeleverd: 73. VanʿAlī ibn Abī Tālib (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Wanneer de nacht van de vijftiende van Shaʿbān aanbreekt, verricht dan in die nacht de ṣalāh en vast gedurende de daaropvolgende dag. Want Allāh (تعالى) daalt op die dag vanaf zonsondergang neer naar de hemelse wereld en zegt, totdat de dageraad aanbreekt: ‘Is er iemand die om vergeving vraagt, zodat Ik hem kan vergeven? Is er iemand die om voorziening (rizq) vraagt, zodat Ik hem daarvan kan voorzien? Is er iemand die getroffen is door een beproeving, zodat Ik hem welzijn kan schenken? Is er zo iemand (die dit vraagt?), is er zo ieman (die dit vraagt?)”

In al-Zawāʾid is gesteld dat de keten (isnād) van deze ḥadīth zwak is, omdat een van de overleveraars, namelijk Abū Busrah ibn ʿAbdullāh ibn Muḥammad Abī Busrah, een zwakke overleveraar is. Aḥmad ibn Ḥanbal en Yaḥyā ibn Maʿīn hebben verklaard dat deze persoon ḥadīths placht te verzinnen.

Uitleg van de 73ste ḥadīth

Deze ḥadīth toont de verdienste van de nacht van de vijftiende van Shaʿbān, van het verrichten van de ṣalāh in die nacht en vast gedurende de daaropvolgende dag. Het is mustaḥab (aanbevolen) om te vasten op de dag die volgt op die nacht.Deze ḥadīth laat tevens zien hoe overvloedig de barmhartigheid, goedgunstigheid en weldaden van Allāhu (تعالى) zijn jegens Zijn dienaren die duʿāʾ verrichten, om vergeving (maghfirah) vragen en tawbah tonen.

Deze gezegende nacht behoort tot de tijden van goedheid. In deze nacht verspreiden de golven van barmhartigheid zich. Het meest gepaste voor de dienaar is om deze golven van barmhartigheid van Allāhu (تعالى) tegemoet te treden met duʿā’, istighfār (het vragen om vergeving) en tawbah van zijn zonden.O Allah, schenk ons succes schenken in datgene waarmee U tevreden bent. Āmīn.