As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Aḥadīthi’l Qudsiyyah — Hoofdstuk 7: De straf voor vijandigheid tegenover Allahs geliefde dienaren en de meest verheven daden die iemand dichter bij Allāhu Ta`ala brengen

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

8. De straf voor vijandigheid tegenover Allahs geliefde dienaren en de meest verheven daden die iemand dichter bij Allāhu Ta`ala brengen

De ḥadīth: “Wie vijandigheid toont tegenover een vriend van Mij, dan verklaar Ik hem de oorlog.”

al-Bukhārī heeft deze ḥadīth overgeleverd in deel 8, blz. 105, in het hoofdstuk over nederigheid:80. Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Wie vijandigheid toont tegenover een van Mijn awliyā’ (geliefde dienaren), dan verklaar Ik hem de oorlog. Mijn dienaar kan Mij niet benaderen met een handeling dat Mij geliefder is dan de daden die Ik hem verplicht (fard) heb gesteld. En Mijn dienaar blijft Mij naderen met nawāfil -`amāl (vrijwillige daden) totdat Ik van hem houd. Wanneer Ik van hem houd, word Ik zijn gehoor waarmee hij hoort, zijn zicht waarmee hij ziet, zijn hand waarmee hij grijpt en zijn voet waarmee hij loopt.Als hij Mij iets vraagt, zal Ik hem geven; en als hij zijn toevlucht bij Mij zoekt, zal Ik hem beschermen. Voor het leven van Mijn mu’min dienaar aarzel Ik nergens zozeer over als bij het nemen van zijn rûh. En terwijl hij de dood niet wenst, wens Ik evenmin dat hij door (hoge) ouderdom in een slechte toestand terechtkomt”.

Uitleg van de 80ste ḥadīth

Een walī (Allahs geliefde dienaar) is iemand die de aanbidding van Allāh op juiste wijze vervult en die zijn daden van aanbidding consequent verricht, zonder tussendoor in ongehoorzaamheid te vervallen. Om als walī beschouwd te worden, is het noodzakelijk dat iemand zowel zijn dienaarschap vervult als zich onthoudt van zonden.

Zoals het noodzakelijk is dat de anbiyā onfeilbaar (maʿṣūm) zijn, zo geldt dat de awliyā’ beschermd (maḥfūẓ) zijn. Iemand die bezwaar maakt tegen de sharīʿah is in werkelijkheid bedwelmd door hoogmoed en bedriegt zichzelf.

Al-Qushayrī zegt: de bescherming (maḥfūẓ) van de walī betekent dat als hij een misstap of fout begaat, Allāhu (تعالى) hem niet in die toestand laat voortbestaan. Wanneer hij in een fout vervalt, inspireert Allāh hem tot tawbah, waarna hij berouw toont, en dit doet geen afbreuk aan zijn walāyah (zijn behoren tot de geliefde dienaren van Allāh).

Met betrekking tot de uitspraak van Allāhu (تعالى) “Ik verklaar hem de oorlog”, zegt al-Faqihānī: hierin zit een krachtige metaforische betekenis. Want wie een hekel heeft aan iemand die Allāh liefheeft, gaat daarmee in tegen Allāh; en wie tegen Allāh ingaat, komt tegenover Hem te staan. En Allāh richt, degene die tegenover Hem komt te staan, ten onder.

Dit toont ook aan dat vijandschap tegen de awliyā’ van Allāh ertoe leidt dat iemand zich in een toestand plaatst waarin hij Allahs vijandschap over zichzelf afroept. Tegelijkertijd laat het zien dat het liefhebben van de awliyā’ van Allāh een reden is om Allahs liefde te verkrijgen.

De uitspraak van Allāhu (تعالى) “Ik word zijn zicht, zijn gehoor, enz.” heeft een metaforische betekenis. Dit betekent dat Allāhu (تعالى) Zijn dienaar bij elk van zijn ledematen zal bijstaan, en dat die dienaar met al zijn ledematen de hulp van Allāh zal ontvangen.

Er is ook gezegd dat de betekenis als volgt is: die dienaar hoort dan alleen nog datgene wat verband houdt met Mijn herinnering (dhikr). Hij vindt zoetheid in Mijn woorden en in het lezen van Mijn Boek. Hij vindt innerlijke rust alleen in het smeken tot Mij (munājāt), en hij richt zijn blik slechts op de buitengewone tekenen van Mijn koninkrijk (malakūt). Hij strekt zijn hand slechts uit naar datgene waar Ik tevreden mee ben, en met zijn voeten gaat hij alleen naar plaatsen die in overeenstemming zijn met Mijn welbehagen (riḍā). Deze uitleg is door al-Faqihānī naar voren gebracht.

al-Ittiḥādiyyah hebben gezegd dat dit op de werkelijke (ḥaqīqī) manier zo is. Zij hebben als bewijs aangevoerd dat Jibrīl (عليه السلام) in de gedaante van Diḥyah al-Kalbī kwam, en hebben op basis daarvan gesteld dat de Waarheid (al-Ḥaq) het oog van de dienaar is.

Quṭb al-Dīn al-Qasṭallānī heeft een zeer welsprekende verhandeling geschreven om de beweringen van degenen die deze visie aanhangen te weerleggen. Moge Allāhu (تعالى) hem overvloedige beloning schenken.Abû ʿUthmān al-Jīrī, een van de imams van de mensen van het hart (ahl al-qulūb), heeft, zoals door al-Bayhaqī overgeleverd, deze kwestie als volgt uitgelegd: Allāhu (تعالى) bedoelt hiermee dat Hij de behoeften van Zijn dienaar sneller hoort dan zijn oor, sneller ziet dan zijn oog, sneller grijpt dan zijn hand en sneller bereikt en vervult dan zijn voeten hem naar die behoeften kunnen brengen.

Aan het einde van de ḥadīth, waar Allāhu (تعالى) zegt: “Voor het leven van Mijn mu’min dienaar ...”, zegt Junayd: “De benauwdheid van de mu’min verwijst naar de pijn en het lijden dat hij ervaart op het moment van zijn dood. Met deze uitspraak wordt niet bedoeld dat Allāhu (تعالى) de dood voor Zijn mu’min dienaar onaangenaam maakt, want de dood brengt de mens juist over naar de barmhartigheid en vergeving van Allāh.Anderen hebben gezegd dat het gaat om de pijn die ontstaat door het scheiden van de rûh van het lichaam. Allāhu (تعالى) wil niet dat Zijn mu’min dienaar lijden ervaart, en daarom wordt deze toestand beschreven als iets dat Hem niet behaagt.”

Er is ook gezegd dat de afkeer kan worden begrepen met betrekking tot een lang leven, omdat een lang leven iemand kan brengen in een toestand van zwakte, afhankelijkheid en omgang met incapabele en zwakke mensen.In deze ḥadīth ligt eveneens een aanwijzing voor de eer van de awliyā’ van Allāh en de hoge rang die zij bij Hem hebben. Want als Allāhu (تعالى) de dood niet als een vastgestelde beschikking voor Zijn dienaren had bepaald, dan zou Hij Zijn geliefde dienaren niet laten sterven.

De ‘aarzeling (taraddud) (van de dienaar) drukt deze betekenis eveneens uit. Het is zoals een dienaar die verdriet ervaart over iemand van wie hij veel houdt, wanneer hij een noodzakelijke handeling moet verrichten. Wanneer hij naar het verdriet kijkt, zou hij die handeling willen nalaten, maar vanwege het voordeel dat eruit voortkomt, is hij toch verplicht die te verrichten. Hij geeft dan de voorkeur aan de kant van het voordeel. De toestand van zijn hart tegenover zo’n handeling kan worden beschreven als “aarzeling”.

Allāhu (تعالى) heeft tot Zijn dienaren gesproken in een taal die zij kunnen begrijpen, zodat zij de zaken kunnen bevatten. Daarmee heeft Hij ook de hoge eer en de verheven rang van Zijn geliefde dienaren (awliyāʾ) bij Hem verduidelijkt.[Al-Ittiḥādiyyah: een mystieke stroming binnen sommige extreme vormen van sufisme die geassocieerd wordt met het idee van waḥdat al-wujūd (de “eenheid van het bestaan”)]