As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Aḥadīthi’l Qudsiyyah — Hoofdstuk 8: Overleveringen over dat het vrezen van Allāhu Ta`ala en het vermijden van Zijn toorn oorzaak zijn van vergeving van zonden

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

9.Overleveringen over dat het vrezen van Allāhu Ta`ala en het vermijden van Zijn toorn oorzaak zijn van vergeving van zonden

De ḥadīth over “de man die zijn familie vroeg hem te verbranden na zijn dood”

al-Bukhārī heeft deze ḥadīth overgeleverd in zijn Ṣaḥīḥ, Kitāb Badʾ al-Khalq, deel 4, blz. 169, in het hoofdstuk “Wat is gezegd over de zonen van Israël”:

81. Van … Ribʿī ibn Ḥirāsh: aanʿUqbah ibn ʿAmr aan Ḥudhayfah (رضي الله عنه) werd gevraagd: “Zou je ons niet vertellen wat je van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) hebt gehoord?”Hij zei: “Ik hoorde Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zeggen: ‘Wanneer de Dajjāl verschijnt, zal hij met zich water en vuur meebrengen. Wat de mensen als vuur zien, is in werkelijkheid koud (en zoet) water, en wat zij als koud water zien, is in werkelijkheid brandend vuur. Wie van jullie hem tegenkomt, laat hem nemen wat hij als vuur ziet, want dat is zoet en koud water.”Ḥudhayfah zei: “Ik heb ook Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) horen zeggen: ‘Onder degenen die vóór jullie leefden, was een man. Toen de Engel des Dood tot hem kwam om zijn rûh te nemen, werd hem gevraagd: “Heb jij ooit een goede daad verricht?” Hij zei: “Ik weet het niet.” Er werd tegen hem gezegd: “Kijk goed.” Hij zei: “Ik weet niets anders dan dat ik met mensen handel dreef. Bij het innen van schulden stond ik de rijke respijt toe, maar schold ik de arme zijn schuld kwijt.” Allāh liet hem daarop Jannah binnengaan.”Ḥudhayfah heeft ook van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) gehoord dat hij het volgende vertelde: “Een man stond op het punt te sterven en verloor alle hoop op het leven. Hij beval zijn familie: ‘Wanneer ik sterf, verzamel veel hout en steek daar een vuur in aan. Verbrand mij daarin totdat mijn vlees is opgebrand en mijn botten zichtbaar en verbrand zijn. Neem daarna mijn botten, vermaal ze tot poeder en wacht op een winderige dag. (Toen die dag aanbrak) werd zijn wil uitgevoerd: zijn as werd in de wind gestrooid.’Zijn familie deed wat hij had opgedragen.Allāhu (تعالى) bracht die uiteengevallen delen weer bijeen en vroeg: ‘Waarom heb je dit gedaan?’Hij antwoordde: ‘Vanwege mijn vrees voor U.’Daarop vergaf Allāh hem.”ʿUqbah ibn ʿAmr zei: “(Ik herinner mij ook) dat hij zei dat deze man een grafrover was.”

Uitleg van de 81ste ḥadīth

Het feit dat de Dajjāl water laat zien als vuur en als water, komt doordat hij een middel van fitnah (beproeving en misleiding) voor de mensen is. Allāhu (تعالى) zal uiteindelijk zijn onmacht blootleggen en hem vernederen.

Ik zeg: de ahādīth over de Dajjāl zijn authentiek. Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zocht vaak toevlucht bij Allāhu (تعالى) tegen de fitnah van de Dajjāl. Het is niet juist om dit te ontkennen; wij geloven hierin als onderdeel van het onzichtbare (ghayb) en laten de vraag hoe dit precies is en wanneer hij zal verschijnen over aan Allāhu (تعالى).

al-Bukhārī heeft in Kitāb Badʾ al-Khalq, deel 4, blz. 176, verschillende aḥadīth over dit onderwerp vermeld:

82. Van …Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Onder degenen die vóór jullie leefden was een man aan wie Allāh veel rijkdom had gegeven. Toen de dood hem naderde, vroeg hij aan zijn kinderen: ‘Wat voor een vader was ik voor jullie?’Zij zeiden: ‘Je was een goede vader.’Hij zei: “Integendeel, ik heb nooit enige goede daad verricht. Wanneer ik sterf, verbrand/cremeer mij dan, maal mijn verbrande resten fijn en verstrooi ze op een winderige dag.”Zijn kinderen deden wat hij had opgedragen.Allāhu (تعالى) bracht die uiteengevallen delen weer bijeen en vroeg: ‘Wat heeft jou ertoe gebracht dit te doen?’Hij antwoordde: ‘Uit vrees voor U.’Daarop behandelde Allāh hem met Zijn barmhartigheid.”

Nog een andere ḥadīth van al-Bukhārī:83. Van … ʿUqbah (ibn ʿAmr al-Anṣārī) vroeg aan Ḥudhayfah (رضي الله عنه): “Zou je ons niet vertellen wat je van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) hebt gehoord?”Hij zei: “Ik hoorde Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Een man werd door de dood getroffen. Toen hij alle hoop op het leven had verloren, beval hij zijn familie: “Wanneer ik sterf, verzamel veel hout, steek een vuur aan en werp mij daarin, zodat mijn vlees verbrand wordt en mijn botten zichtbaar worden. Vermaal vervolgens mijn botten en verstrooi mij op een hete of winderige dag in de zee.”Zijn familie deed wat hij had bevolen.Allāhu (تعالى) bracht die uiteengevallen delen weer bijeen en vroeg: ‘Waarom heb je dit gedaan?’Hij antwoordde: ‘Uit vrees voor U.’Daarop vergaf Allāh hem.”

Nog een ḥadīth van al-Bukhārī:

84. Van …

Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Er was een man die zichzelf onrecht had aangedaan. Toen zijn dood naderde, zei hij tegen zijn zonen: ‘Wanneer ik sterf, verbrand mij dan, vermaal wat van mij overblijft en verstrooi het in de wind. Bij Allāh, als mijn Rab mij bestraft, zal Hij mij zeker straffen op een wijze waarop Hij niemand anders heeft gestraft.’Toen hij gestorven was, werd gedaan wat hij had bevolen.Allāhu (تعالى) gaf vervolgens de aarde het bevel: ‘Breng de uiteengevallen delen weer bijeen die zich in jou bevinden.’De aarde bracht ze daarop bijeen.Toen de man opstond, vroeg Allāhu (تعالى) hem: ‘Wat heeft jou ertoe gebracht dit te doen?’De man antwoordde: ‘O mijn Rab, vrees voor U heeft mij daartoe gebracht.’Daarop vergaf Allāh hem.”

Een andere overleveraar dan Abū Hurayrah (رضي الله عنه) heeft hier in plaats van het woord “khashyatuka” het woord “makhāfatuka” gebruikt.

Nog een ḥadīth in al-Bukhārī, deel 9, blz. 145, in het hoofdstuk: يُرِيدُونَ أَن يُبَدِّلُواْ كَلَٰمَ ٱللَّهِۚ...Zij willen Allāh’s woorden veranderen...” (Fatḥ, 48:15)

85. Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Een man die tijdens zijn leven nooit enige goede daad had verricht, zei toen hij op het punt stond te sterven dat hij verbrand moest worden en dat de helft van zijn as over het land en de andere helft over de zee moest worden verstrooid. Hij zei dat, als Allāh hem zou bestraffen, Hij hem zou bestraffen op een wijze waarop geen enkel schepsel ooit eerder was bestraft.Allāhu (تعالى) beval de zee om de verspreide delen van die man die daarin waren samen te brengen, en zij bracht ze bijeen.

Vervolgens gaf Hij hetzelfde bevel aan het land, en ook dat bracht de delen samen.Vervolgens vroeg Hij aan de man: ‘Waarom heb je dit gedaan?’De man antwoordde: ‘U weet dat ik dit deed uit vrees voor U.’Daarop vergaf Allāh hem.”

al-Bukhārī heeft ook via een overleveringsketen die teruggaat naar Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) de volgende ḥadīth vermeld:

86. Van … Abū Saʿīd (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Onder de vroegere gemeenschappen was er een man aan wie Allāh rijkdom en kinderen had gegeven. Toen de dood tot hem kwam, vroeg hij aan zijn zonen: ‘Wat voor vader ben ik voor jullie geweest?’

Zij antwoordden: ‘U was een goede vader.’

Hij zei: ‘Integendeel, ik heb geen enkele daad verricht die bij Allāh als goed geldt. Als Allāh deze man grijpt, zal Hij hem bestraffen. Luister: wanneer ik sterf, verbrand mij dan. Wanneer ik tot houtskool ben geworden, maal mijn resten fijn en verstrooi ze op een dag met een hevige wind.’

Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei vervolgens: ‘Bij mijn Rab, hij liet zijn kinderen hierover een plechtige belofte afleggen.’

Zijn kinderen deden wat hij had opgedragen en verstrooiden zijn resten in de wind.

Daarop beval Allāhu (تعالى) hem: ‘Wees!’ en onmiddellijk stonden die verspreide delen weer op als een man.

Allāhu (تعالى) zei: ‘O Mijn dienaar, wat bracht jou ertoe dit te doen?’

De man antwoordde: ‘Uw vrees,’ of: ‘Uw toorn.’

Daarop behandelde Allāh hem uitsluitend met Zijn barmhartigheid.”

En in een andere overlevering zei hij: “Allāh behandelde hem met niets anders dan (barmhartigheid).”

Sulaymān al-Taymī zei: “Toen ik deze ḥadīth aan Abū ʿUthmān ʿAbd al-Raḥmān al-Nahdī vertelde, zei hij: ‘Ik heb deze ḥadīth ook van Salmān (رضي الله عنه) gehoord, behalve dat hij daaraan toevoegde: “zij verstrooiden zijn resten in de zee.”’”

Mūsā gebruikte in zijn overlevering van Muʿtamir de uitdrukking “lam yabtaʾir”, wat betekent: “hij verrichtte geen goede daden”. In de overlevering van Khalīfah van Muʿtamir komt dit woord voor als “lam yabtaʾiz”. Qatādah heeft dit uitgelegd met: “lam yaddakhir”, dat wil zeggen: “hij had vooraf geen beloning of goede daden voor zichzelf voorbereid.”

Muslim heeft deze ḥadīth eveneens in zijn Ṣaḥīḥ overgeleverd, volgens de uitleg van al-Qasṭallānī, deel 10, blz. 184, met zijn overleveringsketen. De overlevering luidt als volgt:

87. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd:

“Een man overschreed de grenzen en deed zichzelf zwaar onrecht aan. Toen de dood hem naderde, gaf hij zijn zonen de volgende opdracht: ‘Wanneer ik sterf, verbrand mij dan, vermaal mijn resten en verstrooi ze in de zee. Want als Allāh mij grijpt, zal Hij mij bestraffen op een wijze waarop Hij niemand anders heeft bestraft.’

Zijn zonen deden wat hij had opgedragen.

Daarop gaf Allāh de aarde het bevel: ‘Geef terug wat je genomen hebt.’

En plotseling stond de man weer op.

Allāhu (تعالى) vroeg hem: ‘Wat bracht jou ertoe dit te doen?’

De man antwoordde: ‘Uw vrees, o mijn Rab!’

(De overleveraar twijfelde hier tussen de woorden “khashyah” en “makhāfah”; beide betekenen “vrees”.)

Daarop vergaf Allāh hem.

Al-Nasāʾī heeft deze ḥadīth ook opgenomen in zijn Sunan, deel 4, blz. 112-113, met twee verschillende overleveringen: één van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) en één van Ḥudhayfah ibn al-Yamān (رضي الله عنه).

88. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), hij hoorde Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Een dienaar overschreed de grenzen en deed zichzelf zwaar onrecht aan. Toen zijn dood naderde, zei hij tegen zijn familie: ‘Wanneer ik sterf, verbrand mij dan en verstrooi vervolgens mijn verbrande resten in de wind boven de zee. Bij Allāh, als Allāh mij onder handen neemt, zal Hij mij bestraffen op een wijze waarop Hij niemand van Zijn schepselen heeft bestraft.’

Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei vervolgens: ‘Zijn familie deed wat hij had opgedragen. Daarop gaf Allāh ieder schepsel dat een deel van hem bij zich had het bevel: “Geef terug wat je genomen hebt.” Meteen stond de man weer op.’

Allāhu (تعالى) vroeg hem: ‘Wat bracht jou ertoe dit te doen?’

Hij antwoordde: ‘Uw vrees.’

Daarop vergaf Allāh hem.”

De ḥadīth van al-Nasāʾī: Vann Ḥudhayfah ibn al-Yamān (رضي الله عنه) luidt als volgt:

89. Van Ḥudhayfah (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Onder degenen die vóór jullie leefden was een man die vanwege zijn daden in wanhoop was geraakt. Toen de dood hem naderde, zei hij tegen zijn familie: ‘Wanneer ik sterf, verbrand mij dan, vermaal wat van het vuur overblijft van mij en verstrooi het daarna in de zee. Want als Allāhu (تعالى) mij onder handen neemt, zal Hij mij niet vergeven.’

Allāhu (تعالى) gaf daarop de engelen bevel zijn rûh naar Zich te brengen.

Allāh vroeg hem: ‘Wat bracht jou ertoe dit te doen?’

De man antwoordde: ‘O mijn Rab, ik deed dit alleen uit vrees voor U.’

Daarop vergaf Allāh hem.”

Ibn Mājah heeft deze ḥadīth in zijn Sunan, deel 2, blz. 292-293, als volgt overgeleverd:

90. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Een man overschreed de grenzen en deed zichzelf zwaar onrecht aan. Toen zijn dood naderde, gaf hij zijn zonen de volgende opdracht: ‘Wanneer ik sterf, verbrand mij dan, maal mijn resten fijn en verstrooi ze vervolgens in de wind boven de zee. Bij Allāh, als Allāh mij onder handen neemt, zal Hij mij op een wijze bestraffen die Hij nooit iemand anders heeft opgelegd.’

Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: Zijn familie deed wat hij had opgedragen.

Daarop beval Allāhu (تعالى) de aarde: ‘Geef terug wat je hebt genomen.’

En plotseling stond de man weer op.

Allāhu (تعالى) vroeg hem: ‘Wat bracht jou ertoe dit te doen?’

Hij antwoordde: ‘Uw vrees.’

(De overleveraar twijfelde hier of het woord “khashyah” of “makhāfah” was gebruikt (beide betekenen vrees).

Daarop vergaf Allāh hem.”

Uitleg van de 90ste ḥadīth

In de ḥadīth, waar wordt gezegd dat de man “Integendeel, ik heb geen enkele daad verricht die bij Allāh als goed geldt”, wordt bedoeld: goede daden buiten de tawḥīd om. Juist vanwege die tawḥīd kon hij vergeving ontvangen. Als hij ook van tawḥīd verstoken was geweest, dan zou bestraffing onvermijdelijk zijn geweest en geen vergeving mogelijk zijn.

Imām Muslim heeft na deze ḥadīth ook de overlevering vermeld over een vrouw die een kat opsloot. Daarna heeft al-Zuhrī een opmerking toegevoegd waarin hij zegt: “Opdat een mens niet alles dient na te laten door te vertrouwen op de vergeving van Allāh, en tegelijkertijd niet in wanhoop dient te vervallen.

De tweede ḥadīth luidt als volgt: Van Az-Zuhrī, van Ḥumayd, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Een vrouw ging Jahannam binnen vanwege een kat die zij had opgesloten. Zij gaf het dier geen voedsel en liet het ook niet vrij zodat het om te eten van aardse (ongedierte). Az-Zuhrī zegt dat deze twee overleveringen bedoeld zijn om te voorkomen dat iemand onverschillig wordt en nalaat te handelen uit vrees voor wat de vrouw overkwam vanwege wat zij de kat had aangedaan, en tegelijk om hem hoopvol te houden in de vergeving van Allāhu (تعالى) door te denken aan hoe Allāh in de eerdere ḥadīth die man vergaf, zodat hij niet in wanhoop vervalt.