As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Aḥadīthi’l Qudsiyyah — Hoofdstuk 9: Overleveringen met betrekking tot de schepping van Ādam (عليه السلام). De ḥadīth: “Allāh schiep Ādam (عليه السلام)…”

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

10. Overleveringen met betrekking tot de schepping van Ādam (عليه السلام). De ḥadīth: “Allāh schiep Ādam (عليه السلام)…”

al-Bukhārī heeft deze ḥadīth overgeleverd in Kitāb Badʾ al-Khalq, deel 4, blz. 131, in het hoofdstuk “De schepping van Ādam (عليه السلام)”:

91. Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Allāhu (تعالى) heeft Ādam (عليه السلام) geschapen met een lengte van zestig el (dhirāʿ) (rond 30 meter).Daarna zei Hij tegen hem: ‘Ga en geeft salām aan die engelen, en luister naar hoe zij jouw salām terugnemen. Dat zal jouw salām zijn en die van jouw nakomelingen.’Ādam (عليه السلام) ging en zei: ‘As-salāmu ʿalaykum.’Zij antwoordden: ‘As-salāmu ʿalayka wa raḥmatullāh’, en voegden ‘wa raḥmatullāh’ toe.Iedereen die Jannah zal binnengaan, zal de gedaante/lengte van Ādam (عليه السلام) hebben. Daarna zijn de schepselen geleidelijk aan kleiner geworden.”

Nog een ḥadīth van al-Bukhārī in Kitāb al-Istiʾdhān, deel 8, blz. 50, in het hoofdstuk “Het begin van de adhān”:

92. Van …Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Allāhu (تعالى) heeft Ādam (عليه السلام) geschapen naar zijn eigen gedaante/vorm. Zijn lengte was zestig el (dhirāʿ).

Toen Hij hem had geschapen, zei Hij tegen hem: ‘Ga en geeft salām aan die groep engelen die daar zit, en luister hoe zij jou zullen salām terugnemen, want dat zal jouw salām zijn en die van jouw nageslacht.’

Ādam (عليه السلام) zei: ‘As-salāmu ʿalaykum.’

De engelen antwoordden: ‘As-salāmu ʿalayka wa raḥmatullāh’, en zij voegden ‘wa raḥmatullāh’ toe.

Iedereen die Jannah binnengaat, zal de gedaante/lengte van Ādam (عليه السلام) hebben. Daarna zijn de schepselen geleidelijk aan kleiner geworden.”

Imām Muslim heeft deze ḥadīth ook in zijn Ṣaḥīḥ overgeleverd, volgens de marginale aantekening van al-Qasṭallānī, deel 10, blz. 294, in het hoofdstuk “De beschrijving van Jannah”:

93. Van …

Abū Hurayrah (رضي الله عنه) van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft overgeleverd, en hij noemde enkele ahādīth, waaronder de volgende: “Allāhu (تعالى) heeft Ādam (عليه السلام) geschapen in Zijn vorm/gedaante. Zijn lengte was zestig el.

Toen Hij hem schiep, zei Hij tegen hem: ‘Ga en geeft salām aan die groep engelen die daar zit. Zij zijn een zittende groep engelen. Luister ook hoe zij jou zullen salām terugnemen, want dat zal jouw salām zijn en die van jouw nageslacht.’

Ādam (عليه السلام) zei: ‘As-salāmu ʿalaykum.’

De engelen antwoordden: ‘As-salāmu ʿalayka wa raḥmatullāh’, en voegden ‘wa raḥmatullāh’ toe.

Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Iedereen die Jannah binnengaat, zal in de vorm/gedaante van Ādam (عليه السلام) zijn, met een lengte van zestig el. Daarna zijn de schepselen steeds kleiner geworden tot op de dag van vandaag.”

Uitleg van de ahādīth 91-93

In de ḥadīth die ʿAbd al-Razzāq, van Maʿmar komt de uitdrukking “in zijn vorm/gestalte” (ʿalā ṣūratihi) voor. Hiermee wordt bedoeld dat Allāhu (تعالى) Ādam (عليه السلام) rechtstreeks heeft geschapen in de vorm waarin hij werd voortgebracht, zonder hem eerst te laten doorgaan door veranderingen en ontwikkelingsstadia in de baarmoeder zoals bij zijn nakomelingen. De nakomelingen van Ādam ondergaan deze stadia wel en bereiken pas daarna hun uiteindelijke vorm, terwijl Ādam (عليه السلام) in een volledige en volmaakte staat werd geschapen.

In een andere ḥadīth staat: “Allāhu (تعالى) schiep Ādam in de vorm van ar-Raḥmān.” Het toevoegen van “van ar-Raḥmān” wordt hier gebruikt om eer en verhevenheid aan te duiden. Allāhu (تعالى) heeft immers niets geschapen dat qua schoonheid en volmaaktheid hoger of volmaakter is dan de schepping (van de mens).

De salām van Ādam (عليه السلام) aan de engelen en hun wederantwoord vormt het begin van de sharʿī instelling van de salām. Het feit dat deze gebeurtenis specifiek in de ḥadīth wordt genoemd, komt doordat de salām een middel is dat de deur naar liefde opent, een oorzaak is voor onderlinge verbondenheid (ulfah) tussen de harten van broeders, en een element is dat bijdraagt aan de volmaking van de īmān. Zoals in een door Muslim overgeleverde ḥadīth van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Jullie zullen Jannah niet binnengaan totdat jullie geloven (īmān) en jullie zullen niet werkelijk geloven totdat jullie elkaar liefhebben. Zal ik jullie iets laten zen waardoor jullie elkaar zullen liefhebben? Verspreid de salām onder elkaar.”

Iedereen die Jannah binnengaat, zal in de vorm van Ādam (عليه السلام) zijn, zowel qua schoonheid als qua lengte. Degene die Jannah binnengaat in zijn vorm zal geen donkerte of enige lichamelijke gebreken hebben. Dat de mensen na Ādam (عليه السلام) voortdurend in omvang zijn afgenomen, betreft eveneens hun schoonheid en lengte.

Het gebruik van de woorden “tot nu toe” in de ḥadīth betekent dat deze afname tot een einde komt bij deze ummah. Wanneer zij Jannah binnengaan, zullen hun schoonheid en lengte gelijk zijn aan die van Ādam (عليه السلام).

In het werk Musīr al-Gharām fī Ziyārat al-Quds wal-Khalīl van Tāj al-Dīn al-Tadmurī wordt, met verwijzing naar het boek al-Maʿārif van Ibn Qutaybah, het volgende overgeleverd: “Ādam (عليه السلام) was zonder baard en zonder snor; de baard verscheen pas bij zijn nakomelingen na hem. Ādam (عليه السلام) was bovendien zeer lang, had heel krullend haar en was de mooiste van alle schepselen.”

In dit hoofdstuk heeft al-Bukhārī ook een andere overlevering opgenomen in Kitāb al-Istiʾdhān, en Muslim heeft deze eveneens vermeld in Kitāb Ṣifat al-Jannah. Ibn Ḥibbān heeft deze ḥadīth als ṣaḥīḥ verklaard. Dezelfde ḥadīth is ook overgeleverd door al-Bazzār, al-Tirmidhī en al-Nasāʾī via de keten van Saʿīd al-Maqburī:Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) heeft Ādam (عليه السلام) uit aarde geschapen. Hij maakte hem eerst tot klei, daarna liet Hij die klei liggen totdat deze veranderde in donkere, bewerkbare aarde. Toen vormde Hij hem en liet hem daarna liggen totdat hij werd als gebakken klei.Iblīs liep langs hem en zei: ‘Jij bent geschapen voor een groot doel.’Daarna blies Allāhu (تعالى) de rûh in hem.Het eerste deel van zijn lichaam dat leven kreeg door de rûh was het gebied tussen zijn neus en zijn ogen. Daarop niesde hij en zei: ‘Al-ḥamdu lillāh.’Allāhu (تعالى) zei daarop: ‘Yarḥamuka Rabbuka’ (moge jouw Rab jou genadig zijn)...” en de ḥadīth gaat verder.

Abū Dāwūd heeft van Abū Mūsā (رضي الله عنه) een ḥadīth als marfūʿ (een ḥadīth die uiteindelijk teruggaat tot Rasulullah (صلى الله عليه وسلم), niet slechts tot een metgezel of tabiʿī) overgeleverd, en Ibn Ḥibbān heeft deze ook als ṣaḥīḥ verklaard:“Allāhu (تعالى) heeft Ādam (عليه السلام) geschapen uit een handvol aarde die Hij van alle delen van de wereld bijeen had genomen. De kinderen van Ādam zijn daarom verspreid over de gehele wereld ontstaan.” Volgens deze uitleg heeft Allāhu (تعالى), toen Hij Ādam wilde scheppen en hem van niet-bestaan naar het bestaan wilde brengen, hem door drie fasen laten gaan:- de fase van aarde, - de fase van vorming (waarin droge klei werd verhard en daaruit botten, vlees en bloed werden geschapen), - en de fase van het inblazen van de rûh.

Allāhu (تعالى) heeft de mens op vier manieren geschapen:

Zonder vader en zonder moeder: zoals de schepping van Ādam (عليه السلام).

Alleen uit een vader zonder moeder: zoals de schepping van Ḥawwāʾ (رضي الله عنها).

Alleen uit een moeder zonder vader: zoals de schepping van ʿĪsā (عليه السلام).

Uit een vader en een moeder via geslachtsgemeenschap: zoals de schepping van alle andere mensen.

Deze mensen ontstaan uit het lendengebied van de man en uit het gebied tussen de ribben van de moeder. Degenen die op deze laatste wijze worden geschapen, doorlopen eveneens zes fasen: - de nutfah (de bevruchtende vloeistof), - de ʿalaqah (embryo), - de muḍghah (een stukje vlees waarvan de vorming nog niet duidelijk zichtbaar is)- daarna het zichtbaar worden van botten, - het bekleden van de botten met vlees, - en uiteindelijk het inblazen van de rûh.

Allāhu (تعالى) heeft de mens boven de overige schepselen geëerd/verheven. De mens is de kern, de samenvatting en de vrucht van de schepping.

Allāhu (تعالى) zegt in de Qurʾān: وَلَقَدۡ كَرَّمۡنَا بَنِيٓ ءَادَمَ ٧٠ Voorzeker, Wij hebben de kinderen van Adam geëerd…(Isrāʾ (17:70)

En in een andere āyah zegt Hij:وَسَخَّرَ لَكُم مَّا فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَمَا فِي ٱلۡأَرۡضِ جَمِيعٗا مِّنۡهُۚ إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَأٓيَٰتٖ لِّقَوۡمٖ يَتَفَكَّرُونَ ١٣En Hij heeft voor jullie alles wat zich van Hem in de hemelen en de aarde bevindt dienstbaar gemaakt. Voorwaar, daarin zijn Tekenen voor een volk dat nadenkt. (Jāthiyah (45:13)

Er bestaat geen twijfel over dat alles wat geschapen is, verheven of nederig, in dienst van de mens is gesteld. De mens is geschapen om het gewaad van superioriteit over alle andere schepselen te dragen en om met zijn handen de bloemen van de sterren te plukken. Omdat Allāhu (تعالى) de mens als een middelste rang heeft geplaatst tussen de verheven engelen en de lagere dierenwereld, heeft Hij hem eigenschappen van beide groepen gegeven. Daarom bevinden zich onder de mensen degenen die naar Jannah zullen gaan en degenen die naar Jahannam zullen gaan. De mens is in zijn begeerten als de dieren, maar in verstand, kennis en aanbidding is hij als de engelen. Ook heeft Allāhu (تعالى) de rang van profeetschap (profeetschap) uitsluitend aan de mens toegekend. De goddelijke wijsheid vereiste dat de klasse van de anbiyā een afzonderlijke categorie zal vormen tussen mens en engel, een soort die kenmerken van beide bezit. an-Nabī is in kennis van de geheimen van de hemelen en de aarde als de engelen, maar in zaken als eten, drinken en soortgelijke menselijke behoeften is hij als de mensen.

Zodra de mens bevrijd is van zijn lage begeerten en lichamelijke onzuiverheden en de nabijheid van Allāhu (تعالى) bereikt, bereikt hij een hoogste positie boven de engelen.Allāhu (تعالى) zegt in de Qurʾān:جَنَّٰتُ عَدۡنٖ يَدۡخُلُونَهَا وَمَن صَلَحَ مِنۡ ءَابَآئِهِمۡ وَأَزۡوَٰجِهِمۡ وَذُرِّيَّٰتِهِمۡۖ وَٱلۡمَلَٰٓئِكَةُ يَدۡخُلُونَ عَلَيۡهِم مِّن كُلِّ بَابٖ ٢٣Eeuwige tuinen van het ‘Adn (Jannah), waar zij zullen binnentreden en (ook) degenen van hun vaders, en hun vrouwen en hun kinderen die rechtvaardig handelen. En de Engelen zullen door elke poort tot hen binnentreden.سَلَٰمٌ عَلَيۡكُم بِمَا صَبَرۡتُمۡۚ فَنِعۡمَ عُقۡبَى ٱلدَّارِ ٢٤(Zeggend:) “Vrede zij met jullie” (omdat jullie in geduld hebben volgehouden) Het is de beste eindbestemming. (Raʿd (13:23-24)En in een ḥadīth wordt gezegd: “De engelen zijn de dienaren van de bewoners van Jannah.”

Ibn Kathīr zegt: “Er is meningsverschil over de vraag of Ādam (عليه السلام) in Jannah kinderen had. Sommigen zeggen dat hij geen kinderen had. Anderen zeggen dat zijn zonen Qābīl en zijn zuster in Jannah zijn geboren. Er wordt ook overgeleverd dat er telkens een jongen en een meisje werden geboren.”In de geschiedenis van Ibn Jarīr al-Ṭabarī wordt ook vermeld: “Ḥawwāʾ (رضي الله عنها) baarde in twintig zwangerschappen veertig kinderen. Er wordt ook gezegd dat zij honderdtwintig keer een tweeling baarde, telkens een jongen en een meisje. De eerstgeborenen waren Qābīl en zijn zus Iqlīmā.”

De laatste kinderen waren ʿAbd al-Mughīth en zijn zuster Amat al-Mughīth.

Er wordt gezegd dat Ādam (عليه السلام) niet is gestorven voordat hij zijn eigen kinderen en kleinkinderen had gezien, in totaal ongeveer vierhonderdduizend personen. Allāhu (تعالى) weet het het beste.

Al-Suddī heeft, via overlevering van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) en anderen, het volgende verteld: “Wanneer er een geboorte plaatsvond, trouwde een jongen die uit een bepaalde geboorte werd geboren met een meisje uit een andere geboorte.

Hābīl wilde trouwen met de zus van Qābīl, maar Qābīl weigerde dat toe te staan.

Daarop beval Ādam (عليه السلام) hen beiden om een offer aan Allāhu (تعالى) te brengen. Zij deden dat. Een vuur daalde neer uit de hemel en verteerde het offer van Hābīl, maar liet dat van Qābīl ongemoeid. Qābīl zei tegen Hābīl: ‘Ik zal jou doden zodat jij niet met mijn zus kunt trouwen.’

Hābīl antwoordde: “Allāh neemt alleen de goede daden aan van hen die Hem vrezen (taqwā bezitten)

Daarop sloeg Qābīl Hābīl en doodde hem.

Dit verhaal wordt ook in de Qurʾān vermeld.

Ādam (عليه السلام) heeft een levensduur gehad van duizend jaar. Ibn Jarīr heeft via ʿAṭāʾ al-Khurāsānī overgeleverd dat, toen Ādam (عليه السلام) overleed, alle schepselen zeven dagen om hem rouwden. (Deze uitleg tot hier is overgenomen uit de commentaar van al-Qasṭallānī, deel 4, blz. 320-321.)

Al-Qasṭallānī zegt in zijn uitleg van Kitāb al-Istiʾdhān, hoofdstuk “Het begin van de salām” (deel 9, blz. 130): Wanneer er wordt gezegd: “Allāhu (تعالى) heeft Ādam geschapen in zijn vorm/gedaante”, dan verwijst het woord “zijn” naar Ādam (عليه السلام) zelf.

Dat wil zeggen: Allāhu (تعالى) heeft Ādam rechtstreeks geschapen in een volledige en volmaakte vorm, zonder dat hij de stadia van een nutfah, `alaqah (embryo), muḍghah, stuk vlees en foetale ontwikkeling heeft doorlopen, en zonder dat hij is opgegroeid van kind tot volwassen man. Hij werd vanaf het begin volledig en perfect geschapen, terwijl zijn nakomelingen die ontwikkelingsfasen wel doorlopen.

Hierin ligt ook een weerlegging van de Dahrīyyah (materialistische of atheïstische denkers die het bestaan van Allāhu (تعالى) ontkenden en alles toeschreven aan de tijd en materie), die beweerden dat een mens alleen uit een nutfah ontstaat en dat een nutfah alleen uit een mens voortkomt. (Ibn Baṭṭāl)

In al-Adab al-Mufrad van al-Bukhārī en in Musnad Imām Aḥmad wordt via de overlevering van Ibn ʿAjlān van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) een marfūʿ ḥadīth overgeleverd:“Zeg niet: ‘Moge Allāh jouw gezicht en de gezichten van degenen die op jou lijken lelijk maken’, want Allāhu (تعالى) heeft Ādam geschapen in zijn vorm.” Hiermee wordt bedoeld dat iemands gezicht lijkt op dat van Ādam (عليه السلام). Deze betekenis blijkt duidelijk uit de context van het voornaamwoord.

Sommigen hebben gezegd dat in de uitdrukking “Allāhu (تعالى) heeft Ādam geschapen in Zijn vorm” het voornaamwoord verwijst naar Allāh. Zij hebben als bewijs enkele overleveringen gebruikt waarin staat “in de vorm van ar-Raḥmān”. In dat geval betekent de uitleg dat, hoewel niets in eigenschappen gelijk is aan de eigenschappen van Allāhu (تعالى), Ādam (عليه السلام) is geschapen met eigenschappen zoals kennis, leven, zien en horen, en dat hij in die zin een bijzondere en geëerde schepping is.

Al-Ṭurbushṭī zegt dat de mensen van de waarheid in deze kwestie in twee groepen verdeeld zijn: De eerste groep bestaat uit degenen die geloven dat niets aan Allāhu (تعالى) gelijk is, maar die geen poging doen tot taʾwīl (interpretatieve uitleg).

Zij leggen de ware aard van de kwestie voor aan Allāhu (تعالى), Die met Zijn kennis alles omvat. Dit is volgens hen de veiligste en meest correcte weg.De tweede groep zegt dat de toevoeging “zijn vorm” een uitdrukking is van eer en verheffing. In dat geval betekent de zin dat Allāhu (تعالى) Ādam (عليه السلام) heeft geschapen in een vorm die in schoonheid, verhevenheid en bijzondere eigenschappen niet geëvenaard wordt door enige eerdere schepping.

Al-Ṭayyibī zegt dat het beter is om hier wel tot taʾwīl over te gaan. Volgens hem verduidelijkt de vermelding van “lengte” de uitdrukking “zijn vorm”. Alsof ermee bedoeld wordt: Allāhu (تعالى) heeft Ādam geschapen met de eigenschappen van vorm, schoonheid, verhevenheid en lengte zoals beschreven. Er wordt in de ḥadīth specifiek zijn lengte genoemd omdat er onder de mensen niemand was die langer was dan hij. Hier eindigt de uitleg van al-Qasṭallānī.

Ik zeg: Deze interpretatie wordt ook ondersteund door de uitspraak van Allāhu (تعالى) in de Qurʾān, waarin Hij Zijn gunst aan de mensheid vermeldt:خَلَقَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضَ بِٱلۡحَقِّ وَصَوَّرَكُمۡ فَأَحۡسَنَ صُوَرَكُمۡۖ وَإِلَيۡهِ ٱلۡمَصِيرُ ٣Hij heeft de hemelen en de aarde in Waarheid geschapen en Hij heeft jullie gevormd en heeft jullie vorm nauwkeurig gemaakt. En tot Hem is de uiteindelijke terugkeer. (Taghābun (64:3)Allāhu (تعالى) weet het beste wat het meest correct is.

At-Tirmidhī heeft deze ḥadīth in zijn Jāmiʿ op drie plaatsen overgeleverd, waaronder in deel 2, blz. 180 in het hoofdstuk “Sūrah al-Aʿrāf”.

94.

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Toen Allāhu (تعالى) Ādam (عليه السلام) schiep, streek Hij over zijn rug en uit zijn rug vielen al zijn nakomelingen die tot de Yawmu’l Qiyamah zouden komen. Allāhu (تعالى) heeft ieder van hen die tot de kinderen van Ādam behoren tot aan de Yawmu’l Qiyamah geschapen.

En van die mensen (de nakomelingen van Ādam) plaatste Hij tussen de twee ogen van ieder van hen een lichtstraal.Daarna bracht Hij hen voor Ādam.

Ādam vroeg: ‘O mijn Rab, wie zijn ze?’

Allāhu (تعالى) zei: ‘Dit zijn jouw nakomelingen.’

Toen zag Ādam één van hen en hij werd getroffen door de lichtstraal tussen diens ogen.

Hij vroeg: ‘O mijn Rab, hoe lang hebt U zijn levensduur bepaald?’

Allāhu (تعالى) zei: ‘Zestig jaar.’

Daarop zei Ādam: ‘Geef hem veertig jaar van mijn levensduur erbij.’

Toen de levensduur van Ādam voltooid was en de Engel des Doods tot hem kwam, vroeg Ādam: ‘Zijn er niet nog veertig jaren van mijn leven over?’

De engel antwoordde: ‘Heb je die niet aan jouw zoon Dāwūd (عليه السلام) gegeven?’

Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: Ādam maakte een vergissing, en zijn nakomelingen maakten een vergissing; Ādam vergat, en zijn nakomelingen vergaten; Ādam beging een fout, en zijn nakomelingen begingen een fout.”

Imām at-Tirmidhī heeft gezegd dat deze ḥadīth ḥasan ṣaḥīḥ is.

95.

In een andere overlevering wordt ook nog toegevoegd:

“Daarna voltooide Allāhu (تعالى) de levensduur van Ādam tot duizend jaar en die van Dāwūd tot honderd jaar.”

At-Tirmidhī vermeldt eveneens in hetzelfde hoofdstuk de volgende overlevering:

96. Van Muslim ibn Yasār al-Juhanī :ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه) werd op een dag gevraagd over de uitspraak van Allāhu (تعالى):وَإِذۡ أَخَذَ رَبُّكَ مِنۢ بَنِيٓ ءَادَمَ مِن ظُهُورِهِمۡ ذُرِّيَّتَهُمۡ وَأَشۡهَدَهُمۡ عَلَىٰٓ أَنفُسِهِمۡ أَلَسۡتُ بِرَبِّكُمۡۖ قَالُواْ بَلَىٰ شَهِدۡنَآۚ أَن تَقُولُواْ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ إِنَّا كُنَّا عَنۡ هَٰذَا غَٰفِلِينَ ١٧٢En (gedenk) toen jullie Rab het nageslacht van de Kinderen van Adam uit hun lendenen nam, en hen deed getuigen over zichzelf (zeggende): “Ben Ik niet jullie Rab?” Zij zeiden: “Ja! Wij getuigen” zodat jullie op de Yawm al-Qiyāmah niet zullen zeggen: “Waarlijk, wij wisten dit niet.” (Aʿrāf (7:172)

Hij antwoordde: “Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) werd hierover gevraagd en hij zei:

‘Allāhu (تعالى) schiep Ādam (عليه السلام), daarna streek Hij met Zijn Rechterhand over zijn rug. Daaruit bracht Hij een nakomelingschap voort en zei: “Ik heb hen voor Jannah geschapen; zij zullen de daden verrichten van de mensen van Jannah.”

Daarna streek Hij opnieuw over zijn rug en bracht een ander nageslacht voort en zei: “Ik heb hen voor Jahannam geschapen; zij zullen de daden verrichten van de mensen van Jahannam.”

Een man vroeg: “O Rasûlullāh, waarvoor worden de daden dan verricht?”

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Wanneer Allāh een dienaar voor Jannah heeft geschapen, leidt Hij hem naar de daden van de mensen van Jannah, totdat hij sterft terwijl hij die daden verricht, waarna Allāh hem Jannah doet binnentreden.

En wanneer Hij een dienaar voor Jahannam heeft geschapen, vergemakkelijkt Hij voor hem de daden van de mensen van Jahannam, totdat hij sterft terwijl hij die daden verricht, waarna Allāh hem Jahannam doet binnentreden.”

Abū ʿĪsā at-Tirmidhī zei dat deze ḥadīth ḥasan is. Muslim ibn Yasār heeft deze ḥadīth echter niet rechtstreeks van ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه) gehoord. Sommige ḥadīthgeleerden hebben vermeld dat er tussen hen een onbekende (majhūl) overleveraar zit.

Abū ʿĪsā at-Tirmidhī zei: “Ik zeg dat deze ḥadīth leidt tot ḥasan li-ghayrihi .(Met andere woordem, Muslim ibn Yasār heeft de ḥadīth niet rechtstreeks gehoord van ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه), maar in andere overleveringsketens wordt een andere overleveraar ertussen vermeld; en omdat deze overleveraar onbekend (majhūl) is, wordt de ḥadīth als ḥasan li-ghayrih* beschouwd.)Allāhu (تعالى) weet het beste wat correct is.

[ḥasan li-ghayrih *: een zwakke overlevering wordt “opgewaardeerd” omdat er meerdere vergelijkbare overleveringen bestaan die elkaar ondersteunen, waardoor de inhoud als geheel acceptabel wordt voor gebruik in Islāmitische wetgeving en geloofspraktijk.]

Deze ḥadīth is door at-Tirmidhī eveneens aan het einde van Kitāb at-Tafsīr overgeleverd, in deel 2, blz. 241, in een hoofdstuk zonder titel. De overlevering na de isnād luidt als volgt:

97.

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Toen Allāhu (تعالى) Ādam (عليه السلام) schiep en in hem de rûh inblies, niesde Ādam en zei: ‘al-Ḥamdu lillāh’, waarmee hij, met de toestemming van Allāh, Allāh prees.

Zijn Rab antwoordde hem: ‘Raḥimaka Allāhu yā Ādam (Allāh heeft je genadig behandeld, o Ādam)’.

Daarna zei Hij: ‘Ga naar die engelen, naar de zittenden daar onder hen, en zeg: as-salāmu ʿalaykum.’

(Ādam deed dit), en de engelen antwoordden: ‘wa ʿalayka as-salām wa raḥmatullāh’.

Daarna keerde Ādam terug naar zijn Rab, en zijn Rab zei tegen hem: ‘Dit is jouw salām en de salām van jouw nakomelingen onder elkaar.’

Allāhu (تعالى) bood hem vervolgens twee gesloten handen aan en zei: ‘Kies welke van de twee je wilt.’

- ‘Ik kies de rechterhand van mijn Rab, (immers) beide handen van mijn Rab zijn rechts en gezegend.’

Daarna vroeg Ādam: ‘O mijn Rab, wat is dit?’

Allāhu (تعالى) zei: ‘Dit zijn jouw nakomelingen.’

(Ādam zag dat) tussen de ogen van ieder van hen hun levensduur geschreven was. Onder hen zag hij een man wiens licht het meest opviel.

- ‘O mijn Rab, wie is dit?’

- ‘Dit is jouw zoon Dāwūd. Voor hem heb Ik een levensduur van veertig jaar bepaald.’

- ‘O mijn Rab, verleng zijn leven.’

- ‘Dat is wat voor hem bepaald is.’

- ‘O mijn Rab, ik geef hem zestig jaar van mijn eigen levensduur.’

- ‘Dat is aan jou toegestaan.’

Daarna liet Allāhu (تعالى) Ādam in Jannah verblijven zolang Hij wilde. Vervolgens werd Ādam eruit gehaald, en hij begon zijn levensduur te berekenen.

De Engel des Doods kwam tot hem. Ādam zei tegen hem: ‘Je bent te vroeg gekomen; mij was duizend jaar levensduur bepaald.’

De engel zei: ‘Je hebt gelijk, maar je hebt zestig jaar van je levensduur aan je zoon Dāwūd gegeven.’

Ādam diende bezwaar in, en zijn nakomelingen dienden ook bezwaar in. Ādam vergat het, en zijn nakomelingen vergaten het ook.

Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: Vanaf die dag werd het opschrijven van overeenkomsten en het laten getuigen ervan bevolen.”

At-Tirmidhī heeft gezegd dat deze ḥadīth ḥasan gharīb is.

De uitleg van de overleveringen van at-Tirmidhī over de schepping van Ādam (عليه السلام) (aḥadīth nr. 94-97)

De uitspraak “Allāhu (تعالى) streek over de rug van Ādam (عليه السلام) toen Hij hem schiep” is door de geleerden op twee manieren uitgelegd.

Eerste mening: Sommigen hebben de handeling van “strijken (mash)” uitgelegd op een manier die past bij de majesteit van Allāhu (تعالى) en die Hem toekomt op een wijze die bij Zijn verheven Wezen (Dhât) past. Zij zeggen dat de betekenis is dat Allāhu (تعالى) beveelt “Wees”, en dat het onmiddellijk werkelijkheid wordt. Dat Allāhu (تعالى) Zijn aangewezen engelen (muwakkal) heeft opgedragen om de arwāḥ (mv van rûh) van de kinderen van Ādam (عليه السلام) te brengen, waarna die engelen over de rug van Ādam (عليه السلام) zullen “strijken (mash)” en uit hem de arwāḥ van zijn volledige nageslacht zullen laten voortkomen.

Al-ʿAllāmah Abū as-Suʿūd zegt in zijn tafsīr van de ayah: En (gedenk) toen jullie Rab het nageslacht van de Kinderen van Adam uit hun lendenen nam … (zie hierboven Aʿrāf (7:172),

Deze uitdrukking is opgevat in de letterlijke betekenis (ḥaqīqī). Zo wordt van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) een ḥadīth overgeleverd (hier wordt de eerder genoemde ḥadīth aangehaald). Vervolgens zegt hij: Dit betekent niet dat Allāh (تعالى) alle nakomelingen van Ādam (عليه السلام) daadwerkelijk fysiek uit zijn rug heeft gehaald. In plaats daarvan heeft Hij uit zijn rug de arwāḥ van zijn nakomelingen die uit zijn eigen nageslacht zullen voortkomen genomen, en dit proces heeft zich zo voortgezet tot het einde.Ook de bovengenoemde ayah Aʿrāf (7:172):“En toen jouw Heer uit de kinderen van Ādam, uit hun lendenen, hun nakomelingen nam…” wijst hierop.Daarna zegt Abū as-Suʿūd (رحمه الله): Omdat de oorsprong van de voortbrenging bij de rug van Ādam (عليه السلام) ligt, worden in de aḥadīth beide zaken samengevat genoemd zonder alle tussenliggende oorzaken te vermelden. Het doel is om aan te geven dat alle afstamming uiteindelijk teruggaat naar Ādam (عليه السلام).

De āyah is aangevoerd als bewijs tegen de kāfirs die leefden in de tijd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en om duidelijk te maken dat het hen niets baat om hun shirk toe te schrijven aan hun voorouders. Daarom is hun toestand zo weergegeven alsof zij uit de ruggen van hun vaders zijn voortgebracht.

Het feit dat in de ḥadīth van ʿUmar (رضي الله عنه) de wijze van het “nemen van het woord” niet wordt uitgelegd, vormt geen bewijs dat dit niet heeft plaatsgevonden, en is evenmin bindend (in die zin dat het een bepaalde interpretatie verplicht stelt).

Het doel van het nemen van dit verbond (“nemen van het woord”) is dat zij geen excuus kunnen aanvoeren door te zeggen dat zij onwetend waren over de werkelijkheid van de zaak. Het is tevens bedoeld om hun beweringen te weerleggen.

In de ayah wordt gezegd:وَإِذۡ أَخَذَ رَبُّكَ مِنۢ بَنِيٓ ءَادَمَ مِن ظُهُورِهِمۡ ذُرِّيَّتَهُمۡ وَأَشۡهَدَهُمۡ عَلَىٰٓ أَنفُسِهِمۡ أَلَسۡتُ بِرَبِّكُمۡۖ قَالُواْ بَلَىٰ شَهِدۡنَآۚ أَن تَقُولُواْ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ إِنَّا كُنَّا عَنۡ هَٰذَا غَٰفِلِينَ ١٧٢En (gedenk) toen jullie Rab het nageslacht van de Kinderen van Adam uit hun lendenen nam, en hen deed getuigen over zichzelf (zeggende): “Ben Ik niet jullie Rab?” Zij zeiden: “Ja! Wij getuigen” zodat jullie op de Yawm al-Qiyāmah niet zullen zeggen: “Waarlijk, wij wisten dit niet.”

أَوۡ تَقُولُوٓاْ إِنَّمَآ أَشۡرَكَ ءَابَآؤُنَا مِن قَبۡلُ وَكُنَّا ذُرِّيَّةٗ مِّنۢ بَعۡدِهِمۡۖ أَفَتُهۡلِكُنَا بِمَا فَعَلَ ٱلۡمُبۡطِلُونَ ١٧٣Of dat jullie niet zullen zeggen: “Het waren slechts onze vaders vroeger die anderen als deelgenoot in de aanbidding bij Allāh namen en wij waren (slechts) hun afstammelingen; zult U ons dan vernietigen vanwege de daden van mannen die de leugen praktiseerden?” (Aʿrāf, 7:172-173)

Deze āyah (Aʿrāf, 7:172-173) is niet geopenbaard als een bewijs tegen de mushriks in de zin dat zij daarmee in deze wereld aangesproken of gewaarschuwd moesten worden; Want in de wereld van verantwoordelijkheid (taklīf) bestaat er geen noodzaak om hen hiermee te vermanen, aangezien niemand onder de mensen zich die verbintenis herinnert die ooit van hem is afgenomen.

Tegen deze bewering is ook bezwaar gemaakt op basis van de zinsstructuur van de āyah. Daarbij is gesteld dat zowel het laten getuigen als het getuigen zelf tot de beschermde zaken behoort, en dat deze als verborgen handeling een bindend karakter hebben.

De betekenis hiervan is: “Wij hebben dit gedaan om jullie te herinneren aan de verbintenis die jullie hebben afgelegd en om die bij jullie in herinnering te brengen.

In het Boek dat Wij aan onze an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hebben geopenbaard, hebben Wij deze zaak voor jullie verduidelijkt. Dit hebben Wij gedaan opdat de kāfirs op de Dag der Opstanding niet zullen zeggen: “Wij waren hiervan, namelijk van deze verbintenis, niet op de hoogte. Ook in de wereld van verantwoordelijkheid (ʿālam al-taklīf) was er niemand die ons hieraan herinnerde. Als er iemand was geweest die ons hieraan had herinnerd, dan zouden wij overeenkomstig die verplichting hebben gehandeld.” Daarom hebben Wij deze waarheid aan jullie bekendgemaakt en verduidelijkt.

Tweede mening: Allāmah Abū al-Suʿūd zegt hierover, voorafgaand aan de betekenis van de āyah: “Deze uitleg is gegeven om voor de mensen het principe van de natuurlijke aanleg (fiṭrah) in de schepping van Allāhu (تعالى) te verduidelijken. De Verhevene wil dat mensen uit de vele tekenen in henzelf en in hun omgeving begrijpen dat deze hen leiden tot het begrip van tawḥīd en tot het geloof van de Islām.”

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft dit ook duidelijk gemaakt in de uitspraak: “Ieder kind wordt geboren op de natuurlijke aanleg (fitrah)…”

Ook in de volgende ayah wordt naar deze fitrah verwezen:فَأَقِمۡ وَجۡهَكَ لِلدِّينِ حَنِيفٗاۚ فِطۡرَتَ ٱللَّهِ ٱلَّتِي فَطَرَ ٱلنَّاسَ عَلَيۡهَاۚ لَا تَبۡدِيلَ لِخَلۡقِ ٱللَّهِۚ ذَٰلِكَ ٱلدِّينُ ٱلۡقَيِّمُ وَلَٰكِنَّ أَكۡثَرَ ٱلنَّاسِ لَا يَعۡلَمُونَ ٣٠(O Muhammed) keer je gezicht dus in de richting van de (zuivere) godsdienst als een rechtzinnige (samen met jouw volgelingen). (Volg) De natuurlijke aanleg waarmee Allāh de mensheid heeft geschapen. De schepping van Allāh kent geen verandering. Dat is de juiste godsdienst, maar de meeste (kāfir) mensen weten het niet! (Rūm (30:30)

Dat wil zeggen: verander niet de zuivere fitrah waarmee jullie zijn geschapen, en ga niet in tegen de mooie natuurlijke aanleg die Allāhu (تعالى) in de schepping heeft gelegd.

Abū as-Suʿūd (رحمه الله) zegt vervolgens:

Met dit voorbeeld wordt bedoeld dat Allāhu (تعالى), door de arwāḥ van de mensen in een juiste en gezonde toestand te laten blijven, hen voldoende mogelijkheid heeft gegeven om Zijn Rab zijn (Rubūbiyyah) te herkennen.

Zo heeft Allāhu (تعالى) de mensen verstand (ʿaql) en inzicht (baṣīrah) gegeven om de waarheid te kunnen begrijpen. Vervolgens heeft Hij, zodat zij met hun verstand en inzicht de waarheid kunnen bereiken, zowel in henzelf als in de wereld om hen heen Zijn tekenen en bewijzen laten zien.

Het vervolg van de ḥadīth komt overeen met de betekenis van de volgende ayah: وَلَقَدۡ ذَرَأۡنَا لِجَهَنَّمَ كَثِيرٗا مِّنَ ٱلۡجِنِّ وَٱلۡإِنسِۖ لَهُمۡ قُلُوبٞ لَّا يَفۡقَهُونَ بِهَا وَلَهُمۡ أَعۡيُنٞ لَّا يُبۡصِرُونَ بِهَا وَلَهُمۡ ءَاذَانٞ لَّا يَسۡمَعُونَ بِهَآۚ أُوْلَٰٓئِكَ كَٱلۡأَنۡعَٰمِ بَلۡ هُمۡ أَضَلُّۚ أُوْلَٰٓئِكَ هُمُ ٱلۡغَٰفِلُونَ ١٧٩Voorzeker, Wij hebben velen van de Djinn’s en de mensen voor Jahannam geschapen. Zij hebben harten waarmee zij (de waarheid) niet begrijpen, zij hebben ogen waarmee zij niet zien en zij hebben oren waarmee zij (de verzen) niet horen. Zij zijn zoals het vee! Neen, hun dwaling is zelfs erger (want) zij zijn de achtelozen! (Aʿrāf (7:179)

Al-ʿAllāmah Abū as-Suʿūd zegt in zijn tafsīr over deze ayah:

Dat wil zeggen: Hij heeft hen geschapen met bestemming voor Jahannam, maar niet als gevolg van dwang buiten hun eigen wil om. Allāhu (تعالى) wist echter vooraf dat zij gedurende hun leven nooit de waarheid zouden kiezen en, zonder enige externe dwang, hardnekkig op de dwaling zouden blijven. In die zin heeft Allāhu (تعالى) hen geschapen als mensen die in Jahannam terecht zullen komen.

In een āyah wordt gezegd:

وَمَا خَلَقۡتُ ٱلۡجِنَّ وَٱلۡإِنسَ إِلَّا لِيَعۡبُدُونِ ٥٦En Ik (Allāh) heb de Djinn en de mens slechts tot Mijn aanbidding geschapen. (datgene waartoe alle anbiyā hebben opgeroepen). (Dhāriyāt (51:56)

Hadith uit de Muwaṭṭaʾ van Imām Mālik over de schepping van Ādam (عليه السلام)

Imām Mālik heeft deze ḥadīth overgeleverd in het hoofdstuk: “Het verbod op het spreken over al-Qadar.”

98. Van ʿAbdulḥamīd ibn ʿAbdurraḥmān ibn Zayd ibn al-Khaṭṭāb, van ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه), werd hem op een dag gevraagd naar de āyah:

Aʿrāf, 7:172-173 (zie hierboven)ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه) zei: “Ik hoorde dat deze āyah ook in aanwezigheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd genoemd, waarna an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hierover zei,” waarna hij de volgende ḥadīth overleverde:

“Allāhu (تعالى) schiep Ādam (عليه السلام), daarna streek Hij met Zijn Rechterhand over zijn rug. Daaruit bracht Hij een nakomelingschap voort en zei: “Ik heb hen voor Jannah geschapen; zij zullen de daden verrichten van de mensen van Jannah.”

Daarna streek Hij opnieuw over zijn rug en bracht een ander nageslacht voort en zei: “Ik heb hen voor Jahannam geschapen; zij zullen de daden verrichten van de mensen van Jahannam.”

Een man vroeg: ‘O Rasûlullāh, waarvoor worden de daden dan verricht?’

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: ‘Wanneer Allāh een dienaar voor Jannah heeft geschapen, leidt Hij hem naar de daden van de bewoners van Jannah, totdat hij sterft op een daad van de bewoners van Jannah, waarna Allāh hem Jannah doet binnentreden.

En wanneer Hij een dienaar voor Jahannam heeft geschapen, maakt Hij voor hem de daden van de bewoners van Jahannam gemakkelijk, totdat hij sterft op een daad van de bewoners van Jahannam, waarna Allāh hem Jahannam doet binnentreden.”