As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Aḥadīthi’l Qudsiyyah — Voorwoord & inleiding

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

AHADITHI’L QUDSIYYAH BETEKENIS EN TOELICHTING

(UIT SAHîH BUKHÂRî, SAHîH MUSLIM, SUNAN IBN MĀJAH, SUNAN ABU DĀWUD, JAMI`TIRMITHî, SUNAN NASÂ`Î EN MUWATTA)

Voor de leesbaarheid van deze tekst wordt gekozen voor het gebruik van mannelijke voornaamwoorden (hij, hem, zijn) als generieke verwijzing naar een persoon, ongeacht het geslacht. Waar hij gebruikt wordt, geldt dit tevens voor zij/haar. Deze conventie heeft geen invloed op de betekenis of interpretatie van de inhoud.

De honorificaties (groetenisformules) worden vaak gebruikt na het noemen van anbiyā en ṣaḥābah als uiting van respect en du`ā’ voor hen.Hier is een lijst van de honorificaties in het Arabisch met de Nederlandse vertaling:صلى الله عليه وسلم : "Sallallahu alaihi wa sallam" (Allahs zegeningen en vrede zij met hem): vaak gebruikt na het noemen van de naam van an-Nabī Muhammed

رضي الله عنه : "Radiallahu anhu" (Moge Allāh tevreden zijn met hem): voor mannelijke ṣaḥābah

رضي الله عنها : "Radiallahu anha" (Moge Allāh tevreden zijn met haar): voor vrouwelijke ṣaḥābah

رضي الله عنهما : "Radiallahu anhuma" (Moge Allāh tevreden zijn met beiden): voor twee ṣaḥābah

رضي الله عنهم : "Radiallahu anhum" (Moge Allāh tevreden zijn met hen): voor een groep ṣaḥābah

عليه السلام : "`Alayhissalam" (Vrede zij met hem): vaak gebruikt voor anbiyā en boodschapper

عليها السلام: “`Alayhassalam” (Vrede zij met haar): gebruikt voor dochters van Rasûlullāh en vrouwelijke personen die in de Qur’ān worden genoemd.

( رَحِمَهُ اللهُ) raḥimahu Allāh: moge Allāhu hem genadig zijn (man)

رَحِمَهَا اللهُ (raḥimahā Allāh): moge Allāhu haar genadig zijn (vrouw)

رَحِمَهُمَا اللهُ (raḥimahumā Allāh): moge Allāhu twee personen genadig zijnرَحِمَهُم اللهُ (raḥimahum Allāh): moge Allāhu hun genadig zijn

Voorwoord van de uitgever

Oneindige lof zij aan de Rab der Werelden, en صلى الله عليه وسلم over onze meester van het universum, an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Wij zijn verheugd dat een dergelijke bron via onze uitgeverij aan u beschikbaar wordt gesteld. Zoals u weet, heeft Madve Uitgeverij zich ten doel gesteld om kwalitatieve en blijvende boeken aan zijn lezers aan te bieden.

In dit kader zal ook de verzameling Aḥadîthi’l-Qudsiyyah die u nu in handen heeft, in de bibliotheek van zowel geïnteresseerde lezers als geleerden een bijzondere plaats innemen, zo Allāh het wil.

Zoals bekend zijn de Aḥadîthi’l-Qudsiyyah de tweede bron van de Islāmitische wetgeving. De betekenis ervan komt van Allāhu (تعالى) terwijl de bewoordingen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn. Daarom behoren zij, na de Qur’ān , tot de meest gezaghebbende teksten; de andere aḥadîth (Aḥadîth an-Nabawī) worden na de Aḥadîthi’l-Qudsiyyah genoemd.

Tot op heden zijn er wel verzamelingen verschenen met bijvoorbeeld 40 of 75 Aḥadîthi’l-Qudsiyyah, maar zover wij weten is er nog nooit een complete verzameling geweest die alle Aḥadîthi’l-Qudsiyyah uit as-Ṣiḥāḥ as- Sittah (de zes betrouwbare aḥadîth-boeken) en de Muwaṭṭaʾ van Imām Mālik bijeenbrengt. Met de publicatie van dit boek over Aḥadîthi’l-Qudsiyyah willen wij, zo Allāh het wil, aan deze nood voorzien en een belangrijke bijdrage leveren aan ons culturele leven.

Tevens moeten we vermelden dat in dit werk sommige aḥadîth door verschillen in overlevering meerdere keren zijn opgenomen. Deze herhaling is tweeledig van reden. Ten eerste hebben wij de originele indeling van het boek volledig gehandhaafd, omdat onze publicatieen vertaalvisie dit vereiste. Anders zou u als lezer kunnen zeggen: "Als jullie zo veel weten, schrijf het dan zelf en zeg niet dat jullie dit boek vertaald hebben." Madve Uitgeverij streeft al jaren naar een dergelijke transparantie. Ten tweede was het in een gebied waar zelfs Bukhārī, Muslim en andere bronnen verschillende overleveringen vermelden zonder te selecteren, een kwestie van respect en bescheidenheid om niet zelf te oordelen welke variant beter is. Want wat op het eerste gezicht kleine verschillen lijken, kunnen binnen een bepaalde juridische opinie (ijtihād) of school (madhhab) als bewijs dienen.

Het zelf uitzoeken en wegstrepen van overleveringen zou onverstandig en respectloos zijn, moge Allāh ons ervoor behoeden.

Er zijn nog andere belangrijke punten die we niet willen bespreken, omdat we u willen uitnodigen om het boek zelf te bestuderen en te beoordelen.

Wat wij willen benadrukken is het volgende. Naar onze mening is het essentieel voor het begrip van dit boek dat dit werk door een commissie van "Daru’l-Kutub al-‘Umiyyah" (Het Huis van de Wetenschappelijke Boeken: een bekende Libanese islamitische uitgeverij gevestigd in Beirut) is samengesteld, bevat 399 genummerde aḥadîth. Het is uitgegeven in twee delen. Onze uitgeverij publiceert de vertaling van de gerespecteerde imām Ahmed Varol, zonder enige selectie of toevoeging, in de originele vorm. De bronnen zijn wel door hem gecontroleerd en waar nodig zijn verschillen in voetnoten vermeld om met de ‘Concordance’ om de originele teksten te waarborgen. Zo zijn de ḥadîth-bronnen in de voetnoten aangepast aan zowel het originele werk als aan het wereldwijd gebruikte ‘Concordance systeem: al-Muʿjam al-Mufahras li-Alfāẓ al-Ḥadīth an-Nabawī: "Geïndexeerd woordenboek van de woorden van de profetische ḥadīth."

……………..

Alleen Allāh kent de harten het beste. Wij hopen dat dit werk zeer nuttig zal zijn. De leiding en de inspanning is van Allāh.

Voorwoord vertaler naar het Nederlands

بسم الله الرحمن الرحيمإِنَّ الْحَمْدَ لِلَّهِ، نَحْمَدُهُ، وَنَسْتَعِينُهُ، وَنَسْتَغْفِرُهُ، وَنَعُوذُ بِاللَّهِ مِنْ شُرُورِ أَنْفُسِنَا، وَمِنْ سَيِّئَاتِ أَعْمَالِنَا.

مَنْ يَهْدِهِ اللَّهُ فَلاَ مُضِلَّ لَهُ، وَمَنْ يُضْلِلْ فَلاَ هَادِيَ لَهُ.

وَأَشْهَدُ أَنْ لاَ إِلَهَ إِلاَّ اللَّهُ وَحْدَهُ لاَ شَرِيكَ لَهُ، وَأَشْهَدُ أَنَّ مُحَمَّدًا عَبْدُهُ وَرَسُولُهُ.

يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا اتَّقُوا اللَّهَ حَقَّ تُقَاتِهِ، وَلَا تَمُوتُنَّ إِلَّا وَأَنْتُمْ مُسْلِمُونَ.

يَا أَيُّهَا النَّاسُ اتَّقُوا رَبَّكُمُ الَّذِي خَلَقَكُمْ مِنْ نَفْسٍ وَاحِدَةٍ، وَخَلَقَ مِنْهَا زَوْجَهَا، وَبَثَّ مِنْهُمَا رِجَالًا كَثِيرًا وَنِسَاءً، وَاتَّقُوا اللَّهَ الَّذِي تَسَاءَلُونَ بِهِ وَالْأَرْحَامَ، إِنَّ اللَّهَ كَانَ عَلَيْكُمْ رَقِيبًا.

يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا اتَّقُوا اللَّهَ وَقُولُوا قَوْلًا سَدِيدًا، يُصْلِحْ لَكُمْ أَعْمَالَكُمْ وَيَغْفِرْ لَكُمْ ذُنُوبَكُمْ وَمَنْ يُطِعِ اللَّهَ وَرَسُولَهُ فَقَدْ فَازَ فَوْزًا عَظِيمًا.

أَمَّا بَعْدُ: فَإِنَّ خَيْرَ الْحَدِيثِ كِتَابُ اللَّهِ، وَخَيْرَ الْهُدَى هَدْيُ مُحَمَّدٍ (صلى الله عليه وسلم)، وَشَرَّ الْأُمُورِ مُحْدَثَاتُهَا، وَكُلُّ بِدْعَةٍ ضَلَالَةٌ، وَكُلُّ ضَلَالَةٍ فِي النَّارِ.

De lofprijzing is aan Allāh. Wij prijzen Allāh en vragen Zijn hulp en vergiffenis. Wij zoeken onze toevlucht bij Allāh voor al het kwade dat van de shaytān (satan) en van onze nafs (ego) komt. Als Allāh iemand op het rechte pad leidt, is niemand in staat hem te misleiden. Als Allāh iemand misleidt, is niemand in staat hem op het rechte pad te krijgen. Wij getuigen dat er geen godheid is dan Allāh en wij getuigen ook dat Muhammed (صلى الله عليه وسلم: Allāhs vrede en zegeningen zij met hem) Zijn dienaar en Zijn Boodschapper (Rasûl) is

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ ٱتَّقُواْ ٱللَّهَ حَقَّ تُقَاتِهِۦ وَلَا تَمُوتُنَّ إِلَّا وَأَنتُم مُّسۡلِمُونَ ١٠٢

O jullie die geloven! Vrees Allāh zoals Hij gevreesd behoort te worden en sterf niet, behalve als oprechte moslims (in volledige onderwerping aan Allāh’s éénheid). (sûrah Aal-i-Imrān: 102)

يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّاسُ ٱتَّقُواْ رَبَّكُمُ ٱلَّذِي خَلَقَكُم مِّن نَّفۡسٖ وَٰحِدَةٖ وَخَلَقَ مِنۡهَا زَوۡجَهَا وَبَثَّ مِنۡهُمَا رِجَالٗا كَثِيرٗا وَنِسَآءٗۚ وَٱتَّقُواْ ٱللَّهَ ٱلَّذِي تَسَآءَلُونَ بِهِۦ وَٱلۡأَرۡحَامَۚ إِنَّ ٱللَّهَ كَانَ عَلَيۡكُمۡ رَقِيبٗا ١

O mensheid! Wees plichtsgetrouw ten aanzien van jullie Rab, die jullie uit één enkele ziel heeft geschapen en (vervolgens) daaruit zijn vrouwelijke wederhelft schiep.

En uit hun beide heeft Hij vele mannen en vrouwen voortgebracht. En vrees Allāh in wiens Naam jullie elkaar (om hulp) vragen en (verbreek) de familiebanden niet. Voorzeker, Allāh is altijd en overal oplettend over jullie (daden). (sûrah An-Nisā’: 1)

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ ٱتَّقُواْ ٱللَّهَ وَقُولُواْ قَوۡلٗا سَدِيدٗا ٧٠

يُصۡلِحۡ لَكُمۡ أَعۡمَٰلَكُمۡ وَيَغۡفِرۡ لَكُمۡ ذُنُوبَكُمۡۗ وَمَن يُطِعِ ٱللَّهَ وَرَسُولَهُۥ فَقَدۡ فَازَ فَوۡزًا عَظِيمًا ٧١

O jullie die geloven! Vrees Allāh en spreek de waarheid. Hij (Allāh) zal voor jullie jullie goede daden aanvaarden en jullie je zonden vergeven. En wie Allāh en Zijn Rasûl gehoorzaamt, die heeft een geweldige triomf behaald. (sûrah Al-Ahzāb: 70-71)

Daarna:

“Voorwaar, de meest waarheidsgetrouwe woorden zijn de woorden van Allāh, de beste van de wegen is de weg van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Het slechtste van de daden zijn die welke nieuw zijn geïntroduceerd.

Alles wat als innovatie (bid`ah) in de Islām wordt toegevoegd, is dwaling, en iedere dwaling leidt naar het Hellevuur.”Deze bekende preek, die bekend staat als ‘Khutbatu’l-Hajah’, werd door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) voorgedragen tijdens vrijdagpreken en andere toespraken. Hij leerde deze preek ook direct aan de metgezellen. (Muslim (867), an-Nasā`ī (1387)

Moge lof en dank aan onze Rab zijn, die ons uit het niets heeft geschapen, ons vervolgens bewust heeft gemaakt van Zijn bestaan, ons heeft geleerd wat we niet wisten en ons heeft begiftigd en vereerd met de hoogste zegen van alle zegeningen, het geloof (īmān).As-salaat en as-salām is aan het beste voorbeeld, onze leider en gids, an-Nabī Muhammed Mustafa ( صلى الله عليه وسلم) evenals zijn familieleden en metgezellen.

Alle Arabische namen zijn getranslitereerd en cursief weergegeven om ze voor de lezer gemakkelijk herkenbaar te maken. De verzen uit de Qurʾān en de sahīh ahadīth zijn in vette letters gezet voor extra nadruk. Hoewel de schrijver bij de meeste aḥādīth de volledige overleveringsketen (sanad) heeft opgenomen, heb ik ervoor gekozen uitsluitend de ṣaḥābah als overleveraars te vermelden en de overige overleveraars achterwege te laten.

Zowel de oorspronkelijke Arabische tekst van de Qurʾān als de Nederlandse vertaling zijn ontleend aan de website hoop dat deze vertaling van nut mag zijn voor Nederlandstalige lezers en een bijdrage levert aan een beter begrip voor de het geloven in het Hiernamaals volgens de Qur’ān en ahadīth.Tawfīk en hidāyah komen van Allāh. As-salāh en as-salām zij met degenen die de Qur'ān en de sunnah volgen.

Voorwoord

Alle lof is voor Allāh, de Rab der werelden. Een goed einde is voor degenen die Allāh werkelijk vrezen. Zegeningen en vrede zij met onze sayyid en onze Nabī Muhammed (صلى الله عليه وسلم), de laatste der anbiyā, zijn zuivere familie, zijn met voortreffelijke eigenschappen gezegende ṣaḥābah, en allen die zich met goedheid an-Nabī volgen tot aan de Yawmu’l Qiyamah.

Dit boek bevat de 'Aḥadîthi’l-Qudsiyyah ' die voorkomen in de hieronder genoemde ḥadîth-verzamelingen:

De Sahīh van Muhammad ibn Ismail Bukhārī, de leider der muhaddithīn (overleveraars van ḥadîth),

De Sahīh van Abû'l-Husayn Muslim ibn al-Hajjaj al-Qushayrī al-Naysaburī,

De Jami' van Abû Isa at-Tirmidhī,

De Sunan van Imam Abû Dawud al-Sijistanie,

De Sunan van Imam Abû Abdurrahman Ahmad ibn Shu'ayb al-Nasa`ī,

De Sunan van Imam Ibn Mājah al-Qazwinī,

De Muwaṭṭaʾ van Imām Mālik.

Verzameling en ordening van de Aḥadîthi’l-Qudsiyyah

De commissie die dit boek samenstelde, heeft bij het verzamelen van de Aḥadîthi’l-Qudsiyyah uit de genoemde bronnen de ḥadîth die identiek in de verschillende overleveringen voorkomen slechts één keer vermeld. Echter, wanneer een andere overlevering, toevoeging, weglating, tekstuele wijziging of verandering in de naam van de overleverende metgezel bevatte, is die andere overlevering geheel vermeld of is met een aanwijzing op die wijziging volstaan.

Werkwijze bij de verklaring van de aḥadîth

Het overleg (istisharah) die wij hebben gehouden en de istikharah (salāh waarin een mu’min Allāh vraagt om leiding bij het maken van een keuze) die wij hebben verricht, hebben we besloten de commentaren op de aḥadîth uit Ṣaḥīḥ Bukhārī over te nemen uit de uitleg van Allama al-Qastallan. Deze wordt door zowel tijdgenoten als latere geleerden als gezaghebbend beschouwd. Voor de aḥadîth uit Ṣaḥīḥ Muslim hebben we gekozen voor de uitleg van Imam an-Nawawī, de imām der imāms, een voorbeeld voor geleerden. Zijn uitleg wordt door de geleerden beschouwd als een gezaghebbende bron en een solide onderbouwing die tegenstanders overtuigt.

Bij de uitleg van sommige aḥadîth was het noodzakelijk naar tafsier-boeken, grammatica, enzovoorts te verwijzen. Bij de citaten uit al-Qastallani hebben we soms de tekst letterlijk weergegeven en soms samengevat. Bij samenvattingen werden soms specifieke delen of de afzonderlijke verklaringen bij herhaalde ḥadîth in Ṣaḥīḥ Bukhārī gecombineerd.

Bij de meeste verklaringen van an-Nawawī hebben we de tekst onverkort overgenomen, omdat zijn uitleg helder en beknopt is.

Werkwijze bij de indeling van de aḥadîth

Na het schrijven van de verklaringen wilden we de aḥadîth in een duidelijke indeling plaatsen. We zagen echter dat de verzamelde aḥadîth verspreid waren, waardoor het moeilijk zou zijn om ze terug te vinden. Met Allahs leiding besloten we de aḥadîth te groeperen naar hun onderlinge samenhang. Bij elke groep plaatsten we als titel het eerste deel van de eerste ḥadîth, zodat de lezer het gezochte ḥadîth binnen een gerichte groep kan vinden.

Het boek bevat, inclusief herhalingen, ongeveer vierhonderd aḥadîth. Herhalingen zijn opgenomen wanneer er een tekstuele wijziging was of wanneer de overleverende metgezel verschilde.

We zijn begonnen met een inleiding over de betekenis van Aḥadîthi’l-Qudsiyyah . Daarna hebben we enkele gegevens gegeven over het verschil tussen de Qur’ān en de Aḥadîthi’l-Qudsiyyah , gevolgd door het verschil tussen de Aḥadîthi’l-Qudsiyyah en de gewone (Nabawiyyah) aḥadîth. Vervolgens hebben we kort informatie gegeven over de auteurs van de ḥadîth-bronnen (muhaddithûn) waarin we de ḥadîth hebben verzameld.

Wij vragen Allāh ons op het rechte pad te leiden dat deze grote geleerden hebben gevolgd. Zij zijn de sterren van het pad der leiding en de lampen van de wereld. Zij zijn dienaren van de sunnah van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ), hebben hun leven aan die dienst gewijd en hun tijd besteed aan het in stand houden van de sunnah van Muhammed, (صلى الله عليه وسلم ), het verdedigen tegen aanvallen en het beschermen tegen bedrog en zwakke overleveringen.

Moge Allāh tevreden zijn met hen, hen zegeningen geven waar zij tevreden mee zullen zijn, en de moslims in staat stellen te profiteren van de kennis die zij hebben nagelaten. Amin.

Wij vragen Allāhu (تعالى) ons te helpen, ons te leiden tot het rechte pad en ons werk uitsluitend te wijden aan Zijn welbehagen. Hij is gul en een bron van goedheid. Hij hoort onze smeekgebeden het beste en Hij is onze genoegdoening, de beste Beschermer.

Hadîthi’l-Qudsiyyah

De betekenis van Aḥadîthi’l-Qudsiyyah

Het verschil tussen de Qur’ān en Aḥadîthi’l-Qudsiyyah

Enkele punten over de verschillen tussen Aḥadîthi’l-Qudsiyyah, aḥadîthi’n Nabawiyyah, de Qur’ān al-Karîm en de boeken van de vroegere anbiyā

Bij onze toelichtingen over deze onderwerpen hebben we gebruikgemaakt van het boek el-İthafatu's-Sunniye fi'l-Aḥadîthi'l-Qudsiyyay van al-Munawî en het boek Qawâidu't-Tahthies min Funûni Mustalâhi'l-Hadîth van Jamâlu'ddîn al-Qasîmî al-Dimashqî.

Deze twee geleerden behandelen het onderwerp in hun boeken tot in de fijnste details. Bij het onderzoek van de commissie was het niet mogelijk om andere bronnen te bestuderen dan deze twee boeken. Gezien de hoge wetenschappelijke status van de auteurs werd geacht dat de informatie in deze twee boeken voldoende moet zijn.

Natuurlijk zouden we, indien we gebruik hadden kunnen maken van andere bronnen, aanvullingen kunnen toevoegen aan de informatie in deze twee boeken. Daarover zullen we aan het einde van dit boek enkele toelichtingen geven, zo Allāh wil.

Onze auteurs beginnen dit onderwerp met de uitleg van de auteur van el-İthafatu's-Sunniye fî'l Aḥadîthi'l-Qudsiyyah. In het slothoofdstuk met de titel “Uitleg van de betekenis van Aḥadîthi’l-Qudsiyyah ” zegt hij: “Het woord Quds betekent letterlijk ‘reinheid’. De uitdrukking el-Ardu'l-Mukaddasah (het Heilige Land) betekent ook ‘de reine/zuivere grond’. Baytu'l-Maqdis is bekend. De uitdrukking Taqaddas Allāh betekent ‘Allāh is vrij van elke gelijkenis die Hem niet waardig is’. Eén van de namen van Allāh (تعالى) is ook al-Quddûs (Allāh is absoluut heilig en perfect zuiver, zonder enige tekortkoming). Dit wordt ook zo uitgelegd in al-Misbah.

De reden dat sommige al-aḥadîthi’l-Qudsiyyah genoemd worden, is dat de betekenis van deze aḥadîth uitsluitend aan Allāh (تعالى) wordt toegeschreven. Volgens wat er staat in at-Tarifât , is ‘aḥadîthi’l-Qudsiyyah’: “Een ḥadîth waarvan de betekenis door Allāhu (تعالى) aan an-Nabī, (صلى الله عليه وسلم ), is geopenbaard door inspiratie of in een droom. Rasûlullāh, (صلى الله عليه وسلم ), drukt die betekenis uit in zijn eigen bewoordingen.”

De Qur’ān al-Karîm heeft een hogere status, omdat ook de bewoording ervan door openbaring is, dat wil zeggen dat het rechtstreeks van Allāh (تعالى) is neergezonden.

Mawlâna `Alî al-Qarî (رَحِمَهُ اللهُ) zegt ook: “Aḥadîthi’l-Qudsiyyah is dat wat an-Nabī , (صلى الله عليه وسلم ), soms via de engel Jibr’îl عليه السلام , soms door openbaring, soms door inspiratie of in een droom van Allāh (تعالى) ontvangt en dan in zijn eigen woorden aan de mensen overbrengt.”

Dit is een verschil met de Qur’ān, want die werd neergezonden via de betrouwbare geest Jibr’îl عليه السلام en de woorden daarvan zijn bewaard in de Lawh al-Mahfûdh. De overdracht aan de mensen geschiedde op een manier van tawâtur (overlevering door grote aantallen die alle twijfel uitsluit) en dat gebeurt in elk tijdperk.

Wetenschappers hebben diverse kenmerken van Aḥadîthi’l-Qudsiyyah genoemd, waarvan de bekendste zijn:

De salāh verricht met Aḥadîthi’l-Qudsiyyah wordt niet geldig geacht.

Het is niet verboden dat iemand die onrein is (in staat van janâbah), menstruatie of na de kraamtijd een schrift of papier met Aḥadîthi’l-Qudsiyyah aanraakt of het leest.

Aḥadîthi’l-Qudsiyyah bezit niet de miraculeuze taalen stijlvolheid (i‘jâz) die in de Qur’ān aanwezig is.

Iemand die Aḥadîthi’l-Qudsiyyah ontkent wegens twijfel aan de echtheid ervan, kan niet beschuldigd worden van ongeloof (kufr).

Het verschil tussen Qur’ān al-Karîm en ḥadîthi’l-Qudsiyyah

Al-Mawlâ al-Kirmânî schrijft aan het begin van zijn boek Kitabu’s-Savm:“De woorden van de Qur’ān hebben de eigenschap van i‘jâz (onvergelijkbaarheid), dat wil zeggen dat zelfs als alle mensen zich zouden verenigen, zij geen tekst kunnen voortbrengen die op de woorden van de Qur’ān lijkt of dezelfde hoge eigenschappen bezit. Het werd geopenbaard via Jibr’îl عليه السلام. Daarnaast bestaat er kennis die niet deze i‘jâz eigenschap bezit, maar waarvan de betekenis rechtstreeks door openbaring is overgeleverd. Dit wordt aangeduid als een goddelijke overlevering of ḥadîthi’l-Qudsiyyah.”

Hij vervolgt: “Eigenlijk bezitten alle aḥadîth deze eigenschap, want hoe zou het anders kunnen, aangezien an-Nabī, (صلى الله عليه وسلم ), nooit iets zegt uit zijn eigen verlangen zegt. Het verschil is dat Aḥadîthi’l-Qudsiyyah aan Allāh wordt toegeschreven en, in tegenstelling tot andere aḥadîth, rechtstreeks van Allāh (تعالى) wordt overgeleverd.”

Het verschil tussen de Qur’ān en Aḥadîthi’l-Qudsiyyah kan ook worden gezien aan het feit dat Aḥadîthi’l-Qudsiyyah geen uitspraken doet over dat Allāh totaal vrij is van alles wat niet bij Zijn volmaaktheid past (tanzih) en Zijn eigenschappen van majesteit/verhevenheid (Jalāl) en schoonheid/goedheid (Jamāl).

At-Tayyibî schrijft: De woorden van de Qur’ān zijn de woorden die Jibrīl (عليه السلام) aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft overgebracht. Hadithi’l-Qudsiyyah is een ḥadîth waarvan Allāh (تعالى) de betekenis via inspiratie of in een droom aan an-Nabī heeft geopenbaard. an-Nabī, (صلى الله عليه وسلم ), heeft deze betekenis in zijn eigen woorden aan zijn gemeenschap overgebracht. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) schreef zijn andere aḥādīth niet aan Allāh toe en vermeldde ze niet als rechtstreeks van Hem overgeleverd. Dit wordt ook zo vermeld in het boek el-Fawā`id dat geschreven is door de kleinzoon van at-Taftazânî.

Andere Verschillen tussen de Qur’ān en Aḥadîthi’l-Qudsiyyah

Sheikh Muhammed Ali al-Farûkî schrijft in zijn boek Kashshâfu’l-Istılâhât wa’l-Funûn bij het benoemen van de soorten ḥadîth: “Een ḥadīth is ofwel nabawiyyah (profetisch) ofwel ilahiyyah (goddelijk). Het tweede type wordt ook wel ḥadîthi’l-Qudsiyyah genoemd. Hadithi’l-Qudsiyyah is een ḥadîth die an-Nabī , (صلى الله عليه وسلم ), van zijn Rab heeft overgeleverd maar dit is niet het geval met ḥadîthi’n nabawiyyah.”

Deze betekenis blijkt ook uit de uitleg die Ibn Hajar geeft in zijn boek Fathu’l-Mubîn bij de uitleg van de 24ste ḥadîth. Al-Halabi zegt in het eerste deel van zijn boek Hashiyatu’t-Talwîh bij de uitleg van de betekenis van de Qur’ān: “Al aḥadîthu ilahiyyah zijn aḥadîth die Allāhu (تعالى) op de nacht van de Mi`rāj aan an-Nabī , (صلى الله عليه وسلم ), heeft geopenbaard. Deze worden ‘geheimen van de openbaring’ genoemd.”

Een belangrijk punt: Ibn Hajar schrijft: “Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen al wahyu’l matluw (de Qur’ān) en de openbaring die an-Nabī , (صلى الله عليه وسلم ), via zijn Rab doorvertelt. De tweede categorie omvat de Aḥadîthi’l-Qudsiyyah. Er zijn er meer dan honderd van, en sommigen hebben zelfs een groot deel ervan verzameld.”

Ibn Hajar vervolgt zijn uitleg als volgt: “Weet dat de woorden die aan Allāh worden toegeschreven verschillend zijn. De belangrijkste en meest verheven is de Qur’ān. Deze bezit het kenmerk van i‘jâz (onvergelijkbaarheid), is eeuwenlang ongewijzigd en onaangetast bewaard gebleven, en het is verboden voor iemand die onrein is (janâbah) om het aan te raken of te lezen. Het kan niet zomaar worden overgeleverd qua betekenis. Het wordt tijdens de salāh voorgedragen, het wordt Qur’ān genoemd, en volgens een overlevering van Ahmad ibn Hanbal is het niet toegestaan om het te verkopen (hoewel wij het als makruh beschouwen). Daarnaast worden de delen van de Qur’ān āyāt (verzen) en suwar (hoofdstukken) genoemd.”

Andere boeken en Aḥadîthi’l-Qudsiyyah bezitten deze eigenschappen niet. Een onreine persoon mag deze aanraken en lezen, het is toegestaan om de betekenis ervan over te leveren, het mag niet in de salāh worden voorgedragen in plaats van de Qur’ān (dat zou de salāh ongeldig maken), het wordt niet Qur’ān genoemd. Voor het reciteren ervan is geen specifieke beloning per letter beloofd.

Het mag zonder bezwaar worden verkocht, en de afzonderlijke delen ervan worden niet aangeduid als āyāt of suwar. Op al deze punten is er overeenstemming onder de geleerden.

De tweede categorie van woorden die aan Allāh worden toegeschreven zijn de ongewijzigde en niet-vervalste boeken die vóór an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) aan eerdere anbiyā zijn gegeven.

De derde categorie zijn de Aḥadîthi’l-Qudsiyyah. Dit zijn aḥadîth die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) overbrengt door ze aan zijn Rab toe te schrijven. Deze worden ook tot de woorden van Allāhu (تعالى) gerekend. Volgens een sterke opvatting worden deze aḥadîth rechtstreeks aan Allāh toegeschreven. Want degene die ze als eerste heeft uitgesproken, is Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Deze woorden kunnen ook aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) worden toegeschreven, omdat het Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) is die ze van Allāhu (تعالى) aan ons heeft overgeleverd. Bij de Qur’ān is zoiets echter niet het geval. De Qur’ān wordt zowel qua betekenis als qua bewoording uitsluitend aan Allāhu (تعالى) toegeschreven."Bovenkant formulier

Onderkant formulier

Wanneer er een vers uit de Qur’ān wordt geciteerd, zegt men: “Allāhu (تعالى) zegt…” Maar bij Aḥadîthi’l-Qudsiyyah zegt men: “an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft overgeleverd van zijn Rab dat Hij zei…” Volgens de ayah:مَا ضَلَّ صَاحِبُكُمۡ وَمَا غَوَىٰ ٢

Jullie metgezel (de Profeet) dwaalt niet en hij is niet misleid.

وَمَا يَنطِقُ عَنِ ٱلۡهَوَىٰٓ ٣

Noch spreekt hij uit eigen verlangen. (Najm 53:3–4) en de ḥadîth waarin an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zegt: “Mij is de Qur’ān en iets gelijkwaardigs gegeven,” is er discussie over de vraag of de rest van de sunnah ook volledig op openbaring gebaseerd is.

Men mag niet aannemen dat de sunnah uitsluitend in een bepaalde vorm van openbaring is overgeleverd.

Openbaring kan zich op diverse manieren manifesteren, zoals dromen tijdens slaap, inspiratie in het hart, spreken via de engel enzovoorts.

Bij het overleveren van Aḥadîthi’l-Qudsiyyah gebruiken de overleveraars twee uitdrukkingen:

“an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei, overgeleverd van zijn Rab…” – dit is de uitdrukking die vooral de vroege overleveraars (salaf) gebruikten.

“Volgens de overlevering van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei Allāhu (تعالى) …”

Beide uitdrukkingen betekenen eigenlijk hetzelfde.

Amîr Hamîduddîn schrijft in zijn boek Fawâ`id:

De Qur’ān bezit het kenmerk van i‘jâz, Aḥadîthi’l-Qudsiyyah niet.

De salāh kan slechts geldig zijn met de Qur’ān, niet met Aḥadîthi’l-Qudsiyyah.

Wie de Qur’ān ontkent, verzaakt het geloof (m.a.w. wordt ongelovig (kāfir), maar dat geldt niet voor degene die Aḥadîthi’l-Qudsiyyah ontkent.

Bij de openbaring van de Qur’ān aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) is de engel Jibr’îl عليه السلام bemiddelaar tussen Allāh en an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), dat is niet zo bij Aḥadîthi’l-Qudsiyyah.

De woorden van de Qur’ān zijn van Allāh zelf, terwijl de woorden van Aḥadîthi’l-Qudsiyyah de woorden van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn (die ze van Allāh heeft ontvangen).

Alleen de reine mensen mogen de Qur’ān aanraken, terwijl ook onreine mensen de Aḥadîthi’l-Qudsiyyah mogen aanraken.

Amîr Hamîduddîn vervolgt: “Met deze verschillen wordt ook het onderscheid duidelijk tussen Aḥadîthi’l-Qudsiyyah en die Qur’ān-verzen waarvan de recitatie is afgeschaft (oftewel verzen die ook in hun vorm van recitatie als afgeschaft worden beschouwd: tilâwat’in nash).

Uit al-`Itqān fī ‘Ulūm al-Qur’ān (geschreven door de beroemde Islāmitische geleerde Jalāl ad-Dīn as-Suyūṭī) blijkt dat die afgeschaafde verzen ook Qur’ān en āyāt worden genoemd.”

De bovenstaande toelichtingen zijn overgenomen uit het laatste hoofdstuk van het boek al-Îthâfatu’s-Sunniyyah.

Toelichtingen overgenomen uit het boek "Qawâʿidu’t-Taḥdîs" van Jamâladdîn el-Qâsimî ad-Dimashqî: Uitleg over de ḥadîthi’l-Qudsiyyah De grote geleerde ash-Shihâb Ibn Hajar el-Haythamî zegt in het boek dat hij heeft geschreven als commentaar op de veertig Aḥadîth van Imâm Nawawî, bij de uitleg van de vierentwintigste ḥadîth – overgeleverd door Abû Zar al-Ghifârî (رضي الله عنه) het volgende:

“Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) zei, overgeleverd van zijn Rab: ‘O Mijn dienaren, Ik heb onrecht voor Mijzelf verboden, en Ik heb het ook onder jullie verboden. Pleeg daarom geen onrecht tegenover elkaar...”

Bij de uitleg van deze ḥadîth zegt hij:“Er is een belangrijk en voor iedereen relevant verschil tussen de geopenbaarde woorden die ‘Wahy Matluw’ (oftewel de Qur’ân) worden genoemd, en de goddelijke overleveringen die bekendstaan als al-ḥadîthi’l-Qudsiyyah. Het verschil zit hem in de aard van de openbaring die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) van zijn Rab overlevert. Er zijn meer dan honderdal ḥadîthi’l-Qudsiyyah, en sommigen hebben deze in afzonderlijke verzamelingen bijeengebracht. Ook de ḥadîth van Abû Dhar (رضي الله عنه) behoort hiertoe.”

Weet dat de woorden die aan Allāhu (تعالى) worden toegeschreven, in drie categorieën kunnen worden onderverdeeld:(De daaropvolgende uitleg is identiek aan wat eerder door Ibn Hajar is uiteengezet over de verschillende vormen van woorden die aan Allāh worden toegeschreven.)

In het werk Kulliyyât van Abû’l-Baqâ wordt het verschil tussen de Qur’ân en al-ḥadîthi’l-Qudsiyyah als volgt uitgelegd:“De Qur’ân is zowel qua formulering als qua betekenis afkomstig van Allāh, en is geopenbaard via duidelijke openbaring. De ḥadîthi’l-Qudsiyyah daarentegen is een overlevering waarvan de betekenis door Allāh aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) werd overgebracht via inspiratie of een droom, en waarvan de bewoording afkomstig is van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم zelf.”

Sommigen hebben hierover gezegd: “De bewoording van de Qur’ân bezit het kenmerk van iʿjâz en is via de engel Jibrîl (Gabriël) overgebracht. De al-ḥadîthi’l-Qudsiyyah daarentegen heeft niet het kenmerk van iʿjâz en is zonder tussenkomst van een bemiddelaar (direct) overgebracht. Daarom wordt al-ḥadîthi’l-Qudsiyyah ook wel aangeduid als al-Hadîth Ilâhîiyyah of al-Hadîth Rabâniyyah.”

Ook at-Tayyibî schrijft: “De Qur’ân is de openbaring die Jibrîl aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) heeft overgebracht. De ḥadîthi’l-Qudsiyyah is de overlevering waarvan de betekenis door Allāhu (تعالى) via inspiratie of droom aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) werd meegedeeld, en die hij vervolgens in zijn eigen bewoording aan de gemeenschap heeft overgebracht. De overige aḥadîth zijn niet aan Allāh toegeschreven, noch heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) gezegd dat hij deze van Allāh heeft overgeleverd.” Tot zover de overlevering van Ibn Hajar el-Haythamî.

Vervolgens citeert Jamâladdîn el-Qâsımî een soefistische uitleg uit het boek al-İbrîz van Ahmad ibn al-Mubârak, waarin vragen en antwoorden staan die aan zijn meester `Abdulazîz ad-Dabbâgh zijn voorgelegd. Wie geïnteresseerd is, kan zich tot dat werk wenden.

Imâm Mâlik (رَحِمَهُ اللهُ)

Zijn volledige naam is Abû ʿAbdillâh Mâlik ibn Anas al-Aṣbaḥî. Hij staat bekend als de Imâm van Dâr al-Hijrah, dat wil zeggen: de vooraanstaande geleerde van Madīnah. Hij werd geboren in het jaar 95 na de Hidjra en overleed in 179 H. op 84-jarige leeftijd in Madīnah.

Imâm Mâlik wordt beschouwd als een van de grootste imāms in de Islāmitische geschiedenis, vooral op het gebied van fiqh en ḥadîth. Zijn gezag en kennis werden erkend in de hele Islāmitische wereld. Het feit dat Imâm ash-Shâfiʿî ( رَحِمَهُ اللهُ) tot zijn leerlingen behoorde, volstaat als bewijs van zijn hoge status.

Hij vergaarde kennis bij vooraanstaande geleerden zoals:

Ibn Shihâb az-Zuhrî,

Yaḥyâ ibn Saʿîd al-Anṣârî,

Nāfiʿ, de vrijgelatene van ʿAbdullâh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما)en vele anderen.

Van zijn kennis profiteerden talloze geleerden, onder wie:

Imâm ash-Shâfiʿî,

Muḥammad ibn Ibrâhîm ibn Dînâr,

ʿAbd al-Raḥmân al-Maḥzûmî,

ʿAbd al-ʿAzîz ibn Abî Ḥâzim.

Daarnaast studeerden ook de volgende grote hadith geleerden (muhaddithûn) bij hem:

Imâm al-Bukhârî,

Imâm Muslim,

Abû Dâwûd,

at-Tirmidhî,

Aḥmad ibn Ḥanbal,

Yaḥyâ ibn Maʿîn,

Yaḥyâ ibn Yaḥyâ al-Andalusî,

ʿAbdullâh ibn Wahb,

en Asbaʿ ibn al-Faraj, naast vele anderen.

In de Jâmiʿ van at-Tirmidhî wordt de volgende overlevering van Abû Hurayrah (رضي الله عنه) vermeld:

Rasûlullāh(صلى الله عليه وسلم ) zei: “Mogelijk zullen mensen reizen maken op zoek naar kennis, maar ze zullen niemand vinden die meer kennis bezit dan de geleerde van Madīnah.”At-Tirmidhî kwalificeerde deze ḥadîth als ḥasan, en ʿAbd ar-Razzâq en Sufyân ibn ʿUyaynah verklaarden dat met de ‘geleerde van Madīnah’ Imâm Mâlik werd bedoeld.

Imâm Mâlik zei zelf: “Van degenen van wie ik kennis heb genoteerd, is er nauwelijks iemand die niet later bij mij kwam om een fatwa te vragen.”

Zijn respect voor kennis was uitzonderlijk.

Wanneer hij een ḥadîth wilde overleveren: verrichtte hij eerst wudûʾ, nam plaats met ernst en waardigheid en geurde zich als uiting van eerbied.

Hij had een indrukwekkende verschijning. Een dichter beschreef hem als volgt:

“Met zijn waardige houding beantwoordt hij vragen, terwijl de vragers in eerbied voor hem buigen.Zijn waardigheid en ingetogenheid weerspiegelen de majesteit van een koning.Hoewel hij geen wereldlijke macht bezit, gehoorzamen mensen hem alsof hij een heerser is.”

De grote muhaddith Yaḥyâ ibn Saʿîd al-Qaṭṭân zei: “Onder de ḥadîth-geleerden is er niemand betrouwbaarder in zijn woorden dan Mâlik.”

En Imâm ash-Shâfiʿî noemde hem: “De ster onder de geleerden.”

Er is overgeleverd dat Mansûr (de tweede Abbasidische kalief (754–775) ) verhinderde Imâm Mâlik dat hij een overlevering doorgaf over een man die zijn vrouw onder dwang (bijvoorbeeld onder druk van zijn echtgenote of een ander) verstootte, alsook een spion stuurde om hierover navraag te doen. Tijdens een openbare bijeenkomst verklaarde Imâm Mâlik: “De verstoting van een vrouw onder dwang is niet rechtsgeldig.”Daarop liet Mansûr hem geselen. Toch hield Imâm Mâlik niet op met het overleveren van ḥadîth.

Toen Hârûn ar-Rashîd ( khaliefah uit de Abbasidische dynastie, geboren rond 766 in Ray en overleden op 24 maart 809 in Toes. Hij regeerde van 786 tot 809) op bedevaart (Haj) ging, hoorde hij over de Muwaṭṭaʾ' van Imâm Mâlik.

Hij gaf hem drieduizend dinar en zei: “Het zou goed zijn als je met ons meeging, zodat ik, zoals ʿUthmân (رضي الله عنه) de mensen rondom de Qur’ān verzamelde, het volk rondom de Muwaṭṭaʾ' kan verenigen.”Maar Imâm Mâlik antwoordde: “Het is niet nodig dat de mensen zich verzamelen rond de Muwaṭṭaʾ', want de ṣaḥābah van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) verspreidden zich na zijn dood over verschillende landen. Ook het volk van Egypte bezit kennis. Rasûlullāh(صلى الله عليه وسلم ) heeft gezegd: ‘Verschil van mening binnen mijn gemeenschap is een bron van barmhartigheid.’

Vervolgens zei hij: “Ik zie geen reden om met u mee te reizen, want an-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) zei: ‘Als zij het wisten, zouden zij begrijpen dat Madīnah beter voor hen is.’ Deze dinars geef ik terug zoals ik ze heb ontvangen. Ik zou de stad van Rasûlullāh nooit inruilen voor de wereld.”

Imâm ash-Shâfiʿî vertelt: “Bij de woning van Mâlik zag ik rijpaarden uit Khurāsān en muildieren uit Egypte staan, zulke prachtige dieren had ik nog nooit gezien. Toen ik tegen hem zei: ‘Wat zijn dit voor prachtige dieren!’, antwoordde hij: ‘Ze zijn allemaal voor jou, als geschenk.’Ik zei: ‘Bewaar er één voor jezelf als rijdier.’ Hij antwoordde: ‘Ik schaam mij voor Allāh om in de stad van Rasûlullāh op een dier te rijden.’

Zijn levensverhaal en zijn verheven eigenschappen zijn ontelbaar.Moge Allāh Zijn genade over hem uitstorten.

Imâm Bukhârî ( رَحِمَهُ اللهُ)

Zijn volledige naam is Abû ʿAbdillâh Muhammed ibn Ismâʿîl ibn al-Mughîrah ibn Bardizbah al-Juʿfî Bukhârî. Hij wordt ook al-Kâfî genoemd. De reden hiervoor is dat zijn overgrootvader al-Mughîrah, oorspronkelijk een magiër was, maar later de Islām aannam via Yamân Bukhârî al-Juʿfî, het stamhoofd van een stam uit Jemen.

Hij werd geboren op een vrijdagavond, de dertiende van de maand Shawwâl in het jaar 194 H, en overleed op de avond van ʿĪd al-Fitr in het jaar 256 H, op 62-jarige leeftijd. Hij liet geen mannelijke nakomelingen na.

Voor zijn zoektocht naar kennis reisde hij naar alle steden waar ḥadīth-vertellers zich bevonden. Hij verzamelde overleveringen van vooraanstaande ḥadīth-geleerden zoals:

Makkî ibn Ibrâhîm al-Balkhî,

ʿAbdullâh ibn ʿUthmân al-Marwazî,

ʿUbaydullâh ibn Mûsâ al-ʿAbbâsî,

Abû Nuʿaym al-Fadl ibn Dakkîn,

ʿAlî ibn al-Madînî,

Ahmad ibn Hanbal,

en Yahyâ ibn Maʿîn.

Van hemzelf namen eveneens vele mensen kennis over. Firabrî zei: “Negentigduizend mensen hebben het boek as-Sahîh van Imām Bukhârî beluisterd. Behalve ikzelf is niemand van hen als overleveraar overgebleven.”

Hij begon al op tienjarige leeftijd met het zoeken naar kennis en op elfjarige leeftijd begon hij vragen van geleerden te beantwoorden.

Imâm Bukhârî (رضي الله عنه) zei: “Mijn werk as-Sahîh stelde ik samen door te kiezen uit zeshonderdduizend aḥadîth. Ik schreef geen enkele ḥadîth op zonder eerst twee rakʿa’s salāh te hebben verricht.”

Toen hij in Bagdâd arriveerde, wilden de ḥadīth-geleerden hem beproeven. Ze verwisselden de teksten (matn) en ketens (isnâd) van ongeveer honderd aḥadîth en verdeelden die onder tien personen. Elke persoon vroeg hem tien verwisselde aḥadîth. Op alle vragen antwoordde Imâm Bukhârî: “Ik weet het niet.”

De ware geleerden begrepen aan zijn antwoord dat hij de echte versies kende. De anderen begrepen dit niet.

Toen iedereen zijn vraag had gesteld, keerde Imâm Bukhârî terug naar de eerste vraagsteller en zei: “Jij vroeg mij over die en die ḥadîth, dit is de correcte versie.”Zo corrigeerde hij alle honderd aḥadîth met hun juiste ketens en teksten.

Iedereen was onder de indruk van zijn geheugen en erkende zijn superioriteit.

Moge Allāh Zijn genade over hem uitstorten.

Imâm Muslim ( رَحِمَهُ اللهُ)

Zijn volledige naam is Abū’l-Ḥusayn Muslim ibn al-Ḥajjāj ibn Muslim al-Qushayrī an-Naysābūrī.Hij werd geboren in het jaar 204 H en overleed in het jaar 261 H op 57-jarige leeftijd.

Voor het vergaren van kennis reisde hij door vele landen. Hij nam overleveringen van onder andere:

Yahyā ibn Yahyā,

Qutaybah ibn Saʿīd,

Isḥāq ibn Rāhawayh,

Aḥmad ibn Ḥanbal,

al-Qaʿnabī,

en Ḥarmalah ibn Yaḥyā.

Hij bezocht Baghdâd meerdere keren en gaf daar ḥadīth-lessen. Veel mensen leerden van hem.Hij behoorde tot de meest vooraanstaande geleerden van zijn tijd op het gebied van authentieke aḥadīth.Hij zei: "Mijn Musnad stelde ik samen uit 300.000 mondeling ontvangen overleveringen."

al-Khaṭīb al-Baghdādī zei over hem: "De methode van Muslim is gebaseerd op die van Bukhârî. Hij keek naar diens kennis en volgde zijn lijn."

Moge Allāh hen beiden genadig zijn.

Imâm Abū Dāwūd ( رَحِمَهُ اللهُ)

Zijn volledige naam is Sulaimān ibn al-Ashʿath ibn Isḥāq al-Asadī as-Sijistānī.Hij reisde veel op zoek naar kennis, bezocht talloze steden en verzamelde kennis van verschillende geleerden. Hij schreef veel boeken. Hij noteerde aḥadīth van geleerden uit onder andere Irak, Syrië, Egypte en de regio Khurāsān.

Hij werd geboren in het jaar 202 H en overleed op de vijftiende nacht van Shawwāl, 275 H, in Basra.

Hij nam overleveringen van de leermeesters van onder andere:

Bukhârî,

Muslim,

Aḥmad ibn Ḥanbal,

ʿUthmān ibn Shaybah,

en Qutaybah ibn Saʿīd.

Van hem namen onder anderen zijn zoon ʿAbdullāh, Abū ʿAbd ar-Raḥmān an-Nasāʾī, Abū ʿAlī al-Luʾluʾī, en vele anderen kennis over.

Hij presenteerde zijn werk "as-Sunan" aan Aḥmad ibn Ḥanbal, die het waardeerde en prees.

Abū Dāwūd zei: "Ik schreef 500.000 aḥadīth van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم ). Daaruit selecteerde ik 4.000 voor dit boek. Ik nam alleen die ahadith in mijn boek op die sahīḥ zijn, of waarvan de sahīḥ-status sterk mogelijk is. Een moslim heeft genoeg aan vier van deze overleveringen om zijn geloof goed te leven." Deze vier aḥadīth zijn:

“De daden worden beoordeeld op basis van intenties.”

“Het achterwege laten van wat je niet aangaat, is een teken van goed Islāmitisch gedrag.”

“Geen van jullie is een ware mu’min totdat hij voor zijn broeder wenst wat hij voor zichzelf wenst.”

“Het toegestane is duidelijk en het verboden is duidelijk, en tussen beide liggen twijfelachtige zaken die veel mensen niet kennen. Wie zich onthoudt van het twijfelachtige, beschermt zijn geloof en eer…”

Hij eindigt met de overlevering over het hart als het centrale stuk van het lichaam, waarvan het welzijn of verderf het hele lichaam beïnvloedt.

Abū Dāwūd (رضي الله عنه) blonk uit in kennis, toewijding aan de godsdienst (dīn) en het vermijden van slechte daden.

al-Khaṭṭābī zei: “Er is geen werk geschreven in de godsdienst wetenschappen dat gelijk is aan de Sunan van Abū Dāwūd. Zijn boek is geaccepteerd door alle madhāhib.”

Abū Dāwūd zei: “In mijn boek heb ik geen ḥadīth opgenomen waarover alle geleerden het eens waren dat deze verworpen moest worden.”

Ibn al-Aʿrabi zei: “Als iemand niets anders uit de kennis verkrijgt dan de Qur’ān en dit boek (d.w.z. de Sunan van Abū Dāwūd), dan is dat voor hem voldoende. Hij heeft niets anders nodig.”

Voor Abū Dāwūd schreven de ḥadīth-geleerden boeken die Musnad of Jāmiʿ werden genoemd. Deze boeken bevatten overleveringen over onder andere:

de Sunnah,

juridische voorschriften (fiqh),

verhalen,

vermaningen,

berichten over vroegere anbiyā,

en ethiek en gedragsregels.

Toen Abū Dāwūd zijn Sunan schreef, bracht hij al deze onderwerpen samen op een wijze die nog niet eerder zo systematisch en overzichtelijk was gedaan.

Ibrāhīm al-Ḥarbī zei: “Zoals het ijzer voor Dāwūd(صلى الله عليه وسلم ) zacht werd gemaakt, zo werd de ḥadīth voor Abū Dāwūd verzacht toen hij zijn Sunan schreef.”

Moge Allāh zijn rang verheffen. Āmīn.

Imām at-Tirmidhī ( رَحِمَهُ اللهُ)

Zijn volledige naam is Abū ʿĪsā Muḥammad ibn ʿĪsā ibn Sawrah at-Tirmidhī.Hij werd geboren in het jaar 200 H en overleed op de nacht van maandag, de 13e van de maand Rajab, 279 H, in Tirmidh.

Hij ontmoette vooraanstaande ḥadīth-huffad (geleerden die de aḥadīth uit het hoofd reciteerden), waaronder:

Qutaybah ibn Saʿīd,

Muḥammad ibn Bashshār,

ʿAlī ibn al-Jaʿd, en anderen.

Velen hebben ḥadīth van hem overgeleverd. Hij schreef meerdere werken over de ḥadīth-wetenschap.Zijn beroemdste boek is as-Sunan (ook wel bekend als Ṣaḥīḥ at-Tirmidhī), dat tot de waardevolste, meest bruikbare en minst herhalende boeken in zijn vakgebied behoort.

At-Tirmidhī zei: “Ik heb dit boek voorgelegd aan de geleerden van al-Ḥijāz, ʿIrāq en Khurāsān. Ze keurden het goed en prezen het. Wie dit boek in huis heeft, is als iemand die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in zijn huis hoort spreken. Moge Allāh tevreden over Imām at-Tirmidhī zijn. Āmīn.

Imām Ibn Mājah al-Qazwīnī ( رَحِمَهُ اللهُ)

Zijn naam is Abū ʿAbdullāh Muḥammad ibn Yazīd ibn Mājah.Hij is de auteur van het beroemde boek Sunan Ibn Mājah.

Dit werk laat zien hoe groots zijn inspanning was, hoe diepgaand zijn kennis, en hoe zorgvuldig hij was in het volgen van de Sunnah, zowel in hoofdzaken als in detailkwesties.

Zijn Sunan bestaat uit 33 boeken (kutub), 500 hoofdstukken (abwāb) en ongeveer 4.000 aḥadīth.Behalve enkele uitzonderingen zijn de meeste aḥadīth ḥasan (goed van kwaliteit).

Naast zijn Sunan schreef hij ook een Tafsīr (Qur’ān commentaar) en een geschiedenisboek dat de gebeurtenissen van de tijd van de ṣaḥābah tot aan zijn eigen periode beschrijft.

Vele bekende geleerden hebben overleveringen van hem overgenomen, onder wie:

Ibn Sibawayh,

Muḥammad ibn ʿĪsā aṣ-Ṣaffār,

Isḥāq ibn Muḥammad,

en ʿAlī ibn Ibrāhīm.

Imām Ibn Mājah( رَحِمَهُ اللهُ) overleed op 22 Ramaḍān, 273 H, op 64-jarige leeftijd.

Imam Abû Abdurrahman an-Nasa’ī ( رَحِمَهُ اللهُ)

Zijn volledige naam is Abû Abdurrahman Ahmad ibn Shu’ayb ibn Ali ibn Bahr an-Nasa’ī.Hij werd geboren in het jaar 215 en overleed in het jaar 303 in Makkah.Hij was een van de ḥāfiẓ al-ḥadīth (hadith uit het hoofd kennende) en vooraanstaande imāms op het gebied van de ḥadîthwetenschap.

Hij heeft kennis opgedaan bij bekende ḥadîthgeleerden zoals:

Kutaybah ibn Sa’id,

Ali ibn Hashram,

Ishaq ibn Ibrahim,

Muhammad ibn Bashshar,

Abû Dawud as-Sijistani,en nog vele andere geleerden.

Hij schreef veel boeken over ḥadîth.Hij behoorde tot de Shafi'i wetschool en stond bekend om zijn godsvrucht (taqwa); hij vermeed zonden in hoge mate.

Ali ibn Umar al-Hafid zei over hem: “Abû Abdurrahman an-Nasa’ī stak op het gebied van de ḥadîth uit boven alle bekende geleerden van zijn tijd.”

Er was een bijeenkomst van geleerden in Tarsus, onder wie Ahmad ibn Hanbal,en zij kwamen unaniem tot de beslissing om Imam an-Nasa`ī als uitblinker te verkiezen.

Sommige machthebbers vroegen hem of alle aḥadîth in zijn boek sahīh (authentiek) waren.Hij antwoordde: “Er zijn sahīh aḥadîth in, er zijn ḥasan aḥadîth (goede, maar iets zwakkere), en ook aḥadîth die daartussenin zitten.”

Zij zeiden toen: “Schrijf alleen de sahīh aḥadîth voor ons op.”Daarop selecteerde hij alle aḥadîth zonder gebreken in de overleveringsketen en stelde uit de overgebleven sahīh aḥadîth zijn bekende werk samen: "al-Mujtaba min as-Sunan" (ook bekend als Sunan an-Nasa’ī).

Moge Allāh tevreden met hem zijn.

De schrijver van het boek Taysir al-Wusul, waaruit deze biografieën van ḥadîth imāms zijn overgenomen, zegt hierover: “Wat hierboven is geschreven, is slechts een klein deel van hun levensverhalen. Dit alleen al volstaat om de verhevenheid van hun rang en de omvang van hun status binnen de ḥadīthwetenschap aan te tonen.”

Moge Allāh met hen allen tevreden zijn. Amin.

Al Aḥadîthi’l-Qudsiyyah:1 – Over de deugd van het gedenken van Allāh en de deugd van de kalimah at-tawḥīd

Een overlevering uit Ṣaḥīḥ Bukhārī over de deugd van dhikr:

1. Van … Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voorwaar, Allāh heeft engelen die over de wegen rondtrekken op zoek zijn naar mensen die Allāh gedenken (dhikr). Wanneer zij een groep vinden die Allāh gedenkt, roepen zij elkaar: ‘Komt, hier is wat jullie zoeken!’Dan omringen zij hen met hun vleugels tot aan de hemel van deze wereld.Hun Rab vraagt de engelen, hoewel Hij hun toestand beter kent dan zijzelf: ‘Wat zeggen Mijn dienaren?’De engelen zeggen: ‘Zij verheerlijken U (tasbīḥ), zij zeggen Allāh is de grootste (takbīr), zij prijzen U (taḥmīd) en zij roemen U (tamjīd).’- ‘Hebben zij Mij gezien?’- ‘Nee, bij Allāh, zij hebben U niet gezien.’- ‘Hoe zou het zijn als zij Mij zouden zien?’- ‘Als zij U zouden zien, zouden zij U nog meer aanbidden, U nog meer roemen, U nog meer prijzen en U nog meer verheerlijken.’-‘Wat vragen zij van Mij?’- ‘Zij vragen U om Jannah (Paradijs)).’- ‘Hebben zij de Jannah gezien?’- ‘Nee, bij Allāh. O onze Rab, zij hebben haar niet gezien.’- ‘Hoe zou het zijn als zij haar zouden zien?’- ‘Als zij haar zouden zien, dan zou hun verlangen en streven ernaar nog groter zijn.’- ‘Waartegen zoeken zij bescherming?’- ‘Tegen de Jahannam (Hellevuur)).’- ‘En hebben zij haar gezien?’- ‘Nee, bij Allāh. O onze Rab zij hebben haar niet gezien.’- ‘Hoe zou het zijn als zij haar gezien hadden?’- ‘Dan zouden zij er nog meer voor vrezen en er nog meer voor op hun hoede zijn.’- ‘Ik neem jullie tot getuigen dat Ik hen allen vergeven heb.’- ‘Onder hen is iemand die er eigenlijk niet bij hoort; hij kwam alleen maar om een bepaalde reden.’- ‘Zij zijn een gezelschap; wie zich bij hen voegt, wordt niet uitgesloten.”

De overlevering uit Ṣaḥīḥ Muslim over de deugd van dhikr(Uit de aantekening in de marge van al-Qasṭallānī, hoofdstuk: De deugd van dhikr-bijeenkomsten)2. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Voorwaar, Allāh heeft op aarde engelen die rondgaan op zoek naar dhikr-bijeenkomsten.Wanneer zij een bijeenkomst aantreffen waarin Allāh wordt herdacht, gaan zij bij hen zitten en omsluiten hen met hun vleugels, waarbij zij elkaar overlappen, totdat zij de ruimte tussen hen en de hemel van de wereld vullen.Wanneer de bijeenkomst ten einde komt, keren zij terug naar de hemel.

Allāhu (تعالى), Die beter dan zij weet wat er heeft plaatsgevonden, vraagt hun vervolgens: ‘Vanwaar komen jullie?’De engelen antwoorden: ‘Wij komen van Uw dienaren op aarde die U verheerlijken (tasbīḥ), U groot verklaren (takbīr), de eenheid van U erkennen (tahlīl), U prijzen (taḥmīd) en U smeekbeden richten.’- ‘Wat vragen zij van Mij?’- ‘Zij vragen U om de Jannah.’- ‘Hebben zij de Jannah gezien?’- ‘Nee, o onze Rab.’- ‘Hoe zou het zijn als zij haar zouden zien?’- ‘Zij zoeken hun toevlucht tot U.’- ‘Waartegen zoeken zij hun toevlucht bij Mij?’- ‘Tegen Uw Jahannam, o onze Rab.’- ‘En hebben zij Mijn Jahannam gezien?’- ‘Nee.’- ‘En hoe zou het zijn als zij het zouden zien?’- ‘Zij vragen U om vergeving.’- ‘Ik heb hen vergeven. Ik heb hun gegeven wat zij vroegen en heb hen beschermd tegen datgene waarvoor zij hun toevlucht tot Mij zochten.’- ‘O onze Rab, onder hen is een bepaalde persoon die zondig is. Hij liep daar slechts langs en ging toevallig bij hen zitten.’- ‘Ook hem heb Ik vergeven. Zij zijn een gezelschap, en wie zich bij hen aansluit, wordt niet uitgesloten.”

De overlevering uit de Ṣaḥīḥ van Tirmidhī over de deugd van dhikr(Hoofdstuk: “Over de engelen van Allāh die op aarde ronddwalen”, dl. 2, blz. 280)

3. Van Abū Hurayrah en Abū Saʿīd al-Khuḍrī (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Naast de engelen die de daden van de mensen registreren, heeft Allāhu (تعالى) ook andere engelen die over de aarde ronddwalen.

Wanneer zij een gezelschap aantreffen die Allāhu (تعالى) gedenkt, roepen zij elkaar toe: ‘Kom hierheen, hier is wat jullie zoeken!’ Zij verzamelen zich dan en omsluiten die mensen met hun aanwezigheid, tot aan de hemel van de wereld.Dan zegt Allāhu (تعالى) tegen hen: ‘In wat voor toestand hebben jullie Mijn dienaren achtergelaten?’De engelen zeggen: ‘Wij hebben hen achtergelaten terwijl zij U prijzen (taḥmīd), U verheerlijken (tamjīd) en U gedenken (dhikr).’- ‘Hebben zij Mij gezien?’- ‘Nee.’- ‘En hoe zou het zijn als zij Mij hadden gezien?’- ‘Als zij U hadden gezien, zouden zij U nog meer prijzen, nog meer verheerlijken en nog meer gedenken.’- ‘Wat vragen zij van Mij?’- ‘Zij vragen om Uw Jannah.’- ‘Hebben zij die gezien?’- ‘Nee.’- ‘En hoe zou het zijn als zij haar hadden gezien?’- ‘Als zij haar hadden gezien, zouden hun verlangen en hun drang ernaar toenemen.’- ‘Waarvoor zoeken zij bescherming bij Mij?’- ‘Tegen Uw Jahannam.’- ‘Hebben zij die gezien?’- ‘Nee.’- ‘En hoe zou het zijn als zij haar hadden gezien?’- ‘Als zij haar hadden gezien, zouden zij er nog meer voor wegvluchten, er nog meer angst voor voelen en er nog zorgvuldiger afstand van houden.’- ‘Ik laat jullie getuigen dat Ik hen heb vergeven.’- ‘Onder hen is iemand, een bepaalde zondaar, die eigenlijk niet met hen (dhikr) wilde verrichten, maar er toevallig was vanwege een bepaalde behoefte.’- ‘Ook hem heb Ik vergeven. Zij zijn een gezelschap, en wie zich bij hen aansluit, wordt niet uitgesloten.’ (At-Tirmidhī zei over deze ḥadīth: ḥasan en ṣaḥīḥ.)

Wanneer zij een gezelschap aantreffen die Allāhu (تعالى) gedenkt, roepen zij elkaar toe: ‘Kom hierheen, hier is wat jullie zoeken!’ Zij verzamelen zich dan en omsluiten die mensen met hun aanwezigheid, tot aan de hemel van de wereld.Dan zegt Allāhu (تعالى) tegen hen: ‘In wat voor toestand hebben jullie Mijn dienaren achtergelaten?’De engelen zeggen: ‘Wij hebben hen achtergelaten terwijl zij U prijzen (taḥmīd), U verheerlijken (tamjīd) en U gedenken (dhikr).’- ‘Hebben zij Mij gezien?’- ‘Nee.’- ‘En hoe zou het zijn als zij Mij hadden gezien?’- ‘Als zij U hadden gezien, zouden zij U nog meer prijzen, nog meer verheerlijken en nog meer gedenken.’- ‘Wat vragen zij van Mij?’- ‘Zij vragen om Uw Jannah.’- ‘Hebben zij die gezien?’- ‘Nee.’- ‘En hoe zou het zijn als zij haar hadden gezien?’- ‘Als zij haar hadden gezien, zouden hun verlangen en hun drang ernaar toenemen.’- ‘Waarvoor zoeken zij bescherming bij Mij?’- ‘Tegen Uw Jahannam.’- ‘Hebben zij die gezien?’- ‘Nee.’- ‘En hoe zou het zijn als zij haar hadden gezien?’- ‘Als zij haar hadden gezien, zouden zij er nog meer voor wegvluchten, er nog meer angst voor voelen en er nog zorgvuldiger afstand van houden.’- ‘Ik laat jullie getuigen dat Ik hen heb vergeven.’- ‘Onder hen is iemand, een bepaalde zondaar, die eigenlijk niet met hen (dhikr) wilde verrichten, maar er toevallig was vanwege een bepaalde behoefte.’- ‘Ook hem heb Ik vergeven. Zij zijn een gezelschap, en wie zich bij hen aansluit, wordt niet uitgesloten.’ (At-Tirmidhī zei over deze ḥadīth: ḥasan en ṣaḥīḥ.)

Uitleg (sharh) van de aḥadīth 1,2 en 3 over de deugd van dhikrIn de versie van deze ḥadīth die overgeleverd is in Ṣaḥīḥ Muslim wordt vermeld: “afgezien van de engelen die de daden van de mensen registreren.” Daarmee wordt bedoeld: de engelen die de dhikr-bijeenkomsten afgaan, zijn andere dan de ‘katabah’-engelen die aangesteld zijn om goede en slechte daden van een persoon te registreren. Ook zijn zij niet dezelfde als de ‘ḥafazah -engelen die belast zijn met het beschermen van mensen tegen verschillende gevaren. De enige taak van deze specifieke engelen is het rondgaan om dhikr-bijeenkomsten op te sporen en eraan deel te nemen.

De wijsheid achter het feit dat Allāh, hoewel Hij beter dan wie dan ook op de hoogte is van de toestand van Zijn dienaren, aan de engelen vraagt naar hun toestand, is dat Hij op deze manier de deugd en verhevenheid van de kinderen van Ādam onder de aandacht van de engelen wil brengen. Want zoals vermeld in de Qurʾān, zeiden de engelen tegen Allāh toen Hij aankondigde dat Hij een plaatsvervanger (khalīfah) op aarde zou scheppen:وَإِذۡ قَالَ رَبُّكَ لِلۡمَلَٰٓئِكَةِ إِنِّي جَاعِلٞ فِي ٱلۡأَرۡضِ خَلِيفَةٗۖ قَالُوٓاْ أَتَجۡعَلُ فِيهَا مَن يُفۡسِدُ فِيهَا وَيَسۡفِكُ ٱلدِّمَآءَ وَنَحۡنُ نُسَبِّحُ بِحَمۡدِكَ وَنُقَدِّسُ لَكَۖ قَالَ إِنِّيٓ أَعۡلَمُ مَا لَا تَعۡلَمُونَ ٣٠

En (gedenk) toen jullie Rab tegen de Engelen zei: “Ik zal op de aarde een gevolmachtigde aanstellen” Zij zeiden: “Zult U daar iemand plaatsen die misdaden pleegt en bloed laat vloeien terwijl wij U verheerlijken, U prijzen en danken en U heiligen?” Hij (Allāh) zei: “Voorwaar, Ik weet wat jullie niet weten.” (Baqarah, 2:30)

Door de toestand van de mensen in de dhikr-bijeenkomsten te vernemen, zullen de engelen getuigen dat ook de kinderen van Ādam Allāh prijzen en verheerlijken, zelfs al hebben zij Hem niet gezien.

De engelen verrichten hun taken terwijl zij geheel vrij zijn van elke vorm van begeerlijke, en egoistische verlangens.

De kinderen van Ādam daarentegen hebben wél neigingen en verlangens, en toch doen zij dezelfde daden als de engelen: Allāh verheerlijken, prijzen en gedenken. Dat de engelen dit waarnemen, is een reden voor hun erkenning van de bijzondere status van de mens.

Wat betreft de uitspraak in de ḥadīth: “Zij zijn een gezelschap; niemand van hen wordt uitgesloten”, betekent: zelfs wie zich enkel vanwege een bepaalde behoefte bij hen bevond en niet met de intentie van dhikr was gekomen, wordt ook door Allāh vergeven. Want het bijwonen van dhikr-bijeenkomsten wekt het leven in dode harten. Ook al was de persoon niet gekomen met de bedoeling om aan dhikr deel te nemen, de zegen en de spirituele uitwerking van die bijeenkomst kunnen ook zijn hart tot leven brengen. En de gunst van Allāh is groots.

Deze ḥadīth wijst duidelijk op de grote deugd van dhikren aanbiddingsbijeenkomsten, dat wil zeggen: het samenkomen in gemeenschap voor daden van aanbidding. Dit omvat alle vormen van aanbidding: het onderwijzen van kennis, het leren van de Qurʾān, dhikr, tahlīl (het zeggen van “lā ilāha illā Allāh”) en alles wat daarmee verband houdt. Dergelijke bijeenkomsten zijn bijeenkomsten van licht en leven. En Allāh weet het het best. (Uit de uitleg van al-Qastallānī)

2. De hadīth: “Zeg: Lā ilāha illā Allāh” en wanneer hij dat zegt, zegt Allāh: “Mijn dienaar heeft de waarheid gesproken.”

Deze ḥadīth is overgeleverd door Ibn Mājah in zijn Sunan, in het hoofdstuk “De Deugd van Lā ilāha illā Allāh” (deel 2, blz. 219).

4. Van … zowel Abū Hurayrah als Abū Saʿīd al-Khuḍrī (رضي الله عنها), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer een dienaar zegt: ‘Lā ilāha illā Allahu wa-Allāhu akbar’, dan zegt Allāhu (تعالى) : ‘Mijn dienaar heeft de waarheid gesproken; er is geen godheid buiten Mij en Ik ben Allāh .’Wanneer hij zegt: ‘Lā ilāha illā Allahu waḥdah’, dan zegt Allāh: ‘Mijn dienaar heeft de waarheid gesproken; Ik ben de Enige, er is geen godheid buiten Mij.’Wanneer hij zegt: ‘Lā ilāha illā Allahu waḥdahu lā sharīka lah’, dan zegt Allāh: ‘Mijn dienaar heeft de waarheid gesproken; er is geen godheid buiten Mij en Ik heb geen deelgenoot.’Wanneer hij zegt: ‘Lā ilāha illā Allahu lahu ’l-mulku wa lahu ’l-ḥamdu’, dan zegt Allāh: ‘Mijn dienaar heeft de waarheid gesproken; er is geen godheid buiten Mij, het koninkrijk behoort Mij toe en alle lof komt Mij toe.’Wanneer hij zegt: ‘Lā ilāha illā Allahu wa lā ḥawla wa lā quwwata illā billāh’, dan zegt Allāh: ‘Mijn dienaar heeft de waarheid gesproken; er is geen kracht en geen macht behalve bij Mij.”

Abū Isḥāq zegt: “Daarna zei al-Aghar Abū Muslim nog een paar dingen die ik niet goed begreep. Dus vroeg ik aan Abū Jaʿfar: ‘Wat zei hij?’ Hij antwoordde: “Wie de mogelijkheid krijgt om deze woorden te zeggen op het moment van zijn dood, zal gevrijwaard blijven van de bestraffing van Jahannam.”

Uitleg van de 4e ḥadīth: Deugd van Lā ilāha illā Allāh

De algemene betekenis van deze ḥadīth is dat Allāhu (تعالى) tevreden is over de dienaar die de hier vermelde adhkār (m.v. van dhikr) uitspreekt, en bevestigt wat de dienaar zegt. De vrucht van deze goddelijke bevestiging is dat Allāh tevreden over hem is en hem daarvoor een grote beloning en verdienste schenkt.

Wat betreft de uitspraak: “Wie deze woorden de mogelijkheid krijgt te zeggen op het moment van zijn dood, zal gevrijwaard blijven van de bestraffing van Jahannam”, wordt het volgende mee bedoeld: Als de dienaar oprecht in de betekenis van deze uitspraken blijft geloven gedurende zijn leven, en als zijn geloof tot het einde standhoudt en deze woorden ook werkelijk op zijn sterfbed uitspreekt, dan zal Allāh hem beschermen tegen de bestraffing van de Jahannam. Want het uitspreken van deze adhkār was voor hem een gewoonte geworden tijdens zijn leven. De zinnen die in deze ḥadīth genoemd worden, behoren tot de adhkār die veelvuldig herhaald zouden moeten worden.

3 – De ḥadīth over de deugd van degenen die Allāh prijzen

Deze ḥadīth is overgeleverd door an-Nasāʾī in zijn Sunan, in het hoofdstuk “De deugd van degenen die Allāh prijzen”. Deel 2, p. 220.

5. Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنها): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Een dienaar onder de dienaren van Allāh zei: ‘O mijn Rab, ik prijs U met een lofprijzing die U toekomt, overeenkomstig de majesteit van Uw Aangezicht en de grootsheid van Uw Heerschappij.’ Daarop raakten twee engelen in twijfel en wisten niet wat zij als beloning voor deze uitspraak moesten opschrijven. Zij stegen daarop op naar de hemel en zeiden: ‘O onze Rab, Uw dienaar heeft een uitspraak gedaan, maar wij weten niet hoe wij die moeten noteren.’ Allāh عَزَّ وَجَلَّ (Verheven en Majestueus), Die beter weet wat Zijn dienaar heeft gezegd, vroeg: ‘Wat heeft Mijn dienaar gezegd?’ Zij antwoordden: ‘O onze Rab, hij zei: O mijn Rab, ik prijs U met een lofprijzing die U toekomt, overeenkomstig de majesteit van Uw Aangezicht en de grootsheid van Uw Heerschappij.’ Daarop zei Allāh عَزَّ وَجَلَّ: ‘Schrijf het op zoals Mijn dienaar het heeft gezegd. Wanneer hij Mij ontmoet, zal Ik hem zijn beloning geven.”

Uitleg van de 5e ḥadīth over de deugd van degenen die Allāh prijzen

De reden dat de twee engelen in twijfel raakten over wat zij moesten registreren, was omdat de lofprijzing die deze dienaar uitsprak voor hen zeer groot leek, en zij wisten niet hoeveel beloning zij daarvoor moesten opschrijven. De beloning voor deze lof is immers zo groots dat alleen Allāh die kent. Allāh heeft de engelen niet kenbaar gemaakt wat de specifieke beloning is.

4 – De ḥadīth over het veelvuldig reciteren van “Subḥānallāhi wa bi ḥamdihi, astaghfirullāha wa atūbu ilayh” door an-Nabī (صلى الله عليه وسلم)

Overgeleverd door Imām Muslim in Ṣaḥīḥ Muslim, “Het boek van de salāh”, hoofdstuk “Wat men zegt in de rukūʿ en sajdah”. Deel 3, p. 128. Ook aangehaald in de aantekening in de marge van al-Qasṭallānī.

6. Van … ʿĀʾishah (رضي الله عنها), ze zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) reciteerde vaak: Subḥānallāhi wa bi ḥamdihi, astaghfirullāha wa atūbu ilayh. Hij zei: ‘Mijn Rab, عَزَّ وَجَلَّ, heeft mij laten weten dat ik in mijn ummah een teken zou zien. Toen ik dat teken zag, ben ik de woorden: ‘Subḥānallāhi wa bi ḥamdihi, astaghfirullāha wa atūbu ilayh’ veelvuldig gaan reciteren.’ Ik zag dat teken in de openbaring (Qu’aan): إِذَا جَآءَ نَصۡرُ ٱللَّهِ وَٱلۡفَتۡحُ ١ Als de hulp van Allāh en de overwinning zijn gekomen.

وَرَأَيۡتَ ٱلنَّاسَ يَدۡخُلُونَ فِي دِينِ ٱللَّهِ أَفۡوَاجٗا ٢ En jij (O Muhammed) ziet dat (van heinde en verre) de mensen in grote groepen tot de godsdienst van Allāh toetreden.

فَسَبِّحۡ بِحَمۡدِ رَبِّكَ وَٱسۡتَغۡفِرۡهُۚ إِنَّهُۥ كَانَ تَوَّابَۢا ٣ Prijs dan de Glorie van jouw Rab en vraag Hem om vergeving. Voorwaar, Hij is Berouwaanvaardend. (Sūrah an-Naṣr: 1-3)

In de overlevering van Muslim komt aanvullend voor: ”Allāhumma-ghfir lī (O Allāh vergeef mij) interpreteert de Qurʾān”.

5 – De ḥadīth over degene die sterft terwijl hij getuigt dat er geen godheid is behalve Allāh

Deze ḥadīth is overgeleverd door at-Tirmidhī in zijn Jāmiʿ, in het hoofdstuk “Over de toestand van degene die sterft terwijl hij getuigt dat er geen godheid is behalve Allāh”.

7. Van ʿAbdullāh ibn ʿAmr ibn al-ʿĀṣ (رضي الله عنها): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Op de Yawm al-Qiyāmah zal Allāh van boven de schepselen één man uit mijn ummah redden. Hij zal negenennegentig registers aan zonden hebben, elk zover reikend als het oog kan zien. Allāh zal hem vragen: ‘Ontken je iets hiervan? Hebben Mijn daden-registrerende engelen je onrecht aangedaan?’ De man zal zeggen: ‘Nee, o mijn Rab.’ - ‘Heb je dan een excuus?’ - ‘Nee, o mijn Rab.’ - ‘Jawel, jij hebt wel een goede daad bij je, en vandaag zal jou geen onrecht worden aangedaan.’ Vervolgens zal een kaartje tevoorschijn worden gebracht waarop staat geschreven: Ash-hadu al lā ilāha illallāh wa ash-hadu anna Muḥammadan ʿabduhū wa rasūluh (Ik getuig dat er geen godheid is behalve Allāh en ik getuig dat Muḥammad Zijn dienaar en boodschapper is). - ‘Breng dit naar de weegschaal.’ - ‘O mijn Rab, wat kan dit kleine kaartje betekenen tegenover al die registers?’ - ‘Jou zal geen onrecht worden aangedaan.’ Dan worden de (99-zonden) registers op één schaal gelegd en de kaart (met de twee getuigenissen) op de andere, en de schaal met het kaartje zal zwaarder zijn. Want niets weegt zwaarder dan de Naam van Allāh.” (Abū ʿĪsā at-Tirmidhī zei: “Deze ḥadīth is ḥasan en gharīb.)

[Een gharīb ḥadīth is een overlevering waarbij in een deel van de keten slechts één overleveraar voorkomt. Als die overleveraars betrouwbaar zijn qua geheugen en betrouwbaarheid, dan maakt deze ene overleveraar de ḥadīth niet zwak.]

Deze ḥadīth is ook overgeleverd door Ibn Mājah in zijn Sunan, in het hoofdstuk “De hoop op de Barmhartigheid van Allāh op de Yawm al-Qiyāmah”.

8. De ḥadīth is ook overgeleverd door ʿAbdullāh ibn ʿAmr ibn al-ʿĀṣ (رضي الله عنهما).

De bewoordingen in zijn versie zijn gelijk aan die van at-Tirmidhī, In de overlevering van Ibn Mājah is de volgende toevoeging opgenomen:“Heb jij daar tegenover een goede daad?” De man werd bang en zei: ‘Nee.’ Allāh zei: ‘Integendeel, jij hebt enkele goede daden, en vandaag zal jou geen onrecht worden aangedaan.’ En de rest van de overlevering gaat verder zoals hiervoor is vermeld.

6 – De ḥadīth: “Ik getuig voor jullie dat Ik de zonden van Mijn dienaar die tussen de twee zijden van zijn bladzijde staan, heb vergeven.”

Deze ḥadîth is overgeleverd door Imām at-Tirmidhī in zijn Jāmiʿ, in de hoofdstukken over de begrafenis). Deel 1, p. 183.

9. Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: Welke bewakers(ḥafaẓah)-engelen dragen wat zij overdag of ’s nachts hebben opgeschreven naar Allāh, en als Allāhu (تعالى) aan het begin en einde van het blad met goede daden aantreft: ‘Ik neem jullie tot getuige dat Ik de zonden van Mijn dienaar die zich tussen het begin en het einde van dit blad bevinden, heb vergeven.”

7 – De ḥadīth over de deugdzaamheid van het gedenken van Allāh en het vrezen van Hem

Deze ḥadîth is overgeleverd door Abū ʿĪsā at-Tirmidhī in Jāmiʿu at-Tirmidhī, deel 2, p. 98.

10. Van Anas (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Allāh عَزَّ وَجَلَّ heeft gezegd: ‘Ik zal degene die Mij op een dag gedenkt, of op een plaats Mij vreest, uit de Jahannam bevrijden.” Abū ʿĪsā at-Tirmidhī zei dat deze ḥadîth ḥasan en gharīb is.

8 – De ḥadīth over het zuiveren van het hart voor de aanbidding van Allāh en het op Hem vertrouwen (tawakkul)

Deze ḥadîth is eveneens overgeleverd door at-Tirmidhī in zijn Jāmiʿ.11. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Allāh عَزَّ وَجَلَّ zei: ‘O zoon van Ādam! Zuiver je hart voor Mijn aanbidding, en Ik zal het vullen met rijkdom die je vrijwaart van behoeftigheid. En als je dat niet doet, zal Ik je handen bezighouden (met wereldse zorgen) en je armoede niet wegnemen.”

Abū ʿĪsā at-Tirmidhī (رحمه الله) heeft gezegd dat deze ḥadîth ḥasan en gharīb is.

9 – De ḥadīth over Allahs uitspraak: “Kijk naar deze dienaar van Mij: hij roept de adhān op en verricht de salāh en vreest Mij!”

Deze ḥadîth is overgeleverd door an-Nasā’ī in zijn Sunan, in het hoofdstuk adhān verricht door iemand die individueel bidt, deel 2, p. 20.

12. Van ʿUqbah ibn ʿĀmir (رضي الله عنه), hij zei: “Ik hoorde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zeggen: ‘Jouw Rab verwondert zich over de herder op de top van een berg die de adhān voor de salāh oproept, daarna de salāh verricht. Allāh عَزَّ وَجَلَّ zegt dan: “Kijk naar Mijn dienaar, hij roept de adhān op en verricht de salāh, hij vreest Mij! Ik heb deze dienaar vergeven en hem in Jannah geplaatst.”

Uitleg van de aḥadîth 6 t/m 12

In de overlevering van Muslim staat de uitspraak: “Allāhummaġfir lī”, wat door de geleerden wordt opgevat als de praktische toepassing (ta’wīl) van de woorden van de Qur’ān waarin Allāh zegt:فَسَبِّحۡ بِحَمۡدِ رَبِّكَ وَٱسۡتَغۡفِرۡهُۚ إِنَّهُۥ كَانَ تَوَّابَۢا ٣ Prijs dan de Glorie van jouw Rab en vraag Hem om vergeving. Voorwaar, Hij is Berouwaanvaardend. (sûrah an-Naṣr, 110:3)

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) paste dit gebod van Allāh toe door veelvuldig te zeggen: “Allāhummaġfir lī” (O Allāh, vergeef mij). Hij sprak deze smeekbede ook tijdens de rukūʿ (buiging) en sajdah (neerknieling), omdat deze houdingen binnen de salāh tot de meest deugdzame behoren.

an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) koos er dan ook voor om deze woorden juist in de rukūʿ en sajdah te uiten, om de opdracht van Allāh op de mooiste wijze na te leven. Bovendien komt in deze twee houdingen de nederigheid (khushūʿ) tegenover Allāh het duidelijkst tot uiting dan in andere houdingen (in de salāh).

De betekenis van “Subḥān-Allāh” is: het verheerlijken van Allāh en het verklaren en verheffen dat Hij vrij is van alle tekortkomingen die aan geschapen wezens worden toegeschreven.

De betekenis van “wa-bi-ḥamdihī” is: ‘O Allāh, ik prijs U. Het is slechts door Uw leiding, Uw gunst en de kracht die U mij hebt geschonken dat ik U kan verheerlijken, niet door mijn eigen macht of vermogen.’ Hierin ligt tevens de erkenning van de gunsten van Allāhu (تعالى) en het betonen van dankbaarheid daarvoor.

Hoewel alle zonden van Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم vergeven waren, vroeg hij toch om vergiffenis aan Allāh, dit was om zijn plicht van dienaarschap jegens Allāh te vervullen en zijn afhankelijkheid van Hem tot uiting te brengen.

10. De hadīth: “Ik heb al Mijn dienaren als ḥunafā’ (op het rechte pad) geschapen.”

Ṣaḥīḥ Muslim, Boek over de kenmerken waarmee de mensen van Jannah en de mensen van Jahannam in deze wereld te herkennen zijn, deel 10, p. 314 e.v.

13. Van ….ʿIyāḍ ibn Ḥimār al-Mujāshiʿī (رضي الله عنه), die overlevert dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op een dag tijdens een khuṭbah zei: “Weet dat mijn Rab mij vandaag heeft opgedragen jullie iets te leren van hetgeen Hij mij heeft onderwezen en waarvan jullie voordien geen kennis hadden.

Hij zei: ‘Elke vorm van bezit/rijkdom dat Ik een dienaar heb geschonken, is ḥalāl. Ik heb al Mijn dienaren geschapen als ḥunafā’ (oprechte monotheïsten die zich tot de Waarheid wenden). Vervolgens kwamen de shayāṭīn, die hen van hun godsdienst (dīn) deden afdwalen. Zij verboden hun wat Ik voor hen ḥalāl had gemaakt en zetten hen ertoe aan Mij deelgenoten toe te kennen (shirk) in zaken waarvoor Ik geen enkel bewijs heb neergezonden.’

Allāhu (تعالى) keek neer op de bewoners van de aarde en werd vertoornd op hen, zowel op de Arabieren als op de niet-Arabieren, met uitzondering van een klein aantal Lieden van het Boek.

Daarop zei Hij: “O Muḥammad, Ik heb jou gezonden om jou te beproeven en om door middel van jou anderen op de proef te stellen. En Ik heb jou een Boek (de Qur’ān) gegeven dat niet door water kan worden uitgewist, een Boek dat je zowel in je slaap als in wakende toestand kunt reciteren.”

En Allāh gebood mij: “Verbrand (in de betekenis van: breng hen onder controle en onderwerp hen) de Quraysh.” - “O mijn Rab, dan zullen ze mijn hoofd in stukken splijten, zoals een brood wordt doorgesneden.”- “Zoals zij jou uit jouw land hebben verdreven, zo zul jij hen verdrijven. Voer de strijd tegen hen; Wij zullen jou bijstaan. Besteed op de Weg van Allāh en Wij zullen jou voorzien. Stel een leger samen, en Wij zullen jou versterken met een hulpmacht die vijfmaal zo groot isStrijd, samen met degenen die jou gehoorzamen, tegen degenen die jou ongehoorzaam zijn.”

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei vervolgens: “De bewoners van de Jannah behoren tot drie groepen: - Degene die over enig goed werk beschikt, hoe klein of groot ook, die schenkt (uit liefdadigheid) en daarin door Allāh tot succes is gebracht; - Degene die barmhartig, zachtmoedig en welwillend is tegenover al zijn verwanten en tegenover elke moslim; - Degene die een gezin heeft, zich verre houdt van het verwerpelijke, bescheiden is en zich gematigd gedraagt.”En de mensen van de Jahannam behoren tot vijf groepen:- Degene die (geen eigen inzicht heeft) en zich slechts laat meeslepen door de woorden van degene die hij volgt; - Degene die geen (zorg en) genegenheid voelt voor zijn gezin of zijn bezit; - De zwakke en onverstandige persoon die zijn verstand niet gebruikt; - Vervolgens de verrader, die zijn hebzucht niet openlijk toont maar bij iedere gelegenheid verraad pleegt;- En dan degene die de nacht niet ingaat of de ochtend niet bereikt zonder jou in jouw gezin of jou bezit een streek te leveren.De overleveraar zei: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) noemde vervolgens ook de gierigaard, of de leugenaar, en de grove, onbeschaafde persoon die zich schaamteloos en obsceen uitdrukt (ash-shanṭīr al-faḥḥāsh)

In de versie van overleveraar Abū Ghassān wordt het gedeelte: “Besteed op de Weg van Allāh; Wij zullen jou voorzien” niet vermeld.

14. Van … Qatādah, via dezelfde keten, ontbreekt het begin van de uitspraak: “Elke vorm van bezit/rijkdom dat Ik aan een dienaar geschonken heb, is ḥalāl.”

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei vervolgens: “De bewoners van de Jannah behoren tot drie groepen: - Degene die over enig goed werk beschikt, hoe klein of groot ook, die schenkt (uit liefdadigheid) en daarin door Allāh tot succes is gebracht; - Degene die barmhartig, zachtmoedig en welwillend is tegenover al zijn verwanten en tegenover elke moslim; - Degene die een gezin heeft, zich verre houdt van het verwerpelijke, bescheiden is en zich gematigd gedraagt.”En de mensen van de Jahannam behoren tot vijf groepen:- Degene die (geen eigen inzicht heeft) en zich slechts laat meeslepen door de woorden van degene die hij volgt; - Degene die geen (zorg en) genegenheid voelt voor zijn gezin of zijn bezit; - De zwakke en onverstandige persoon die zijn verstand niet gebruikt; - Vervolgens de verrader, die zijn hebzucht niet openlijk toont maar bij iedere gelegenheid verraad pleegt;- En dan degene die de nacht niet ingaat of de ochtend niet bereikt zonder jou in jouw gezin of jou bezit een streek te leveren.De overleveraar zei: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) noemde vervolgens ook de gierigaard, of de leugenaar, en de grove, onbeschaafde persoon die zich schaamteloos en obsceen uitdrukt (ash-shanṭīr al-faḥḥāsh)

In de versie van overleveraar Abū Ghassān wordt het gedeelte: “Besteed op de Weg van Allāh; Wij zullen jou voorzien” niet vermeld.

14. Van … Qatādah, via dezelfde keten, ontbreekt het begin van de uitspraak: “Elke vorm van bezit/rijkdom dat Ik aan een dienaar geschonken heb, is ḥalāl.”

Imām Muslim heeft deze ḥadîth ook via een andere keten overgeleverd, namelijk van ʿAbdur-Raḥmān Bishr al-Ādwī, van Yahyā ibn Saʿīd, van Hishām, de metgezel van ad-Dustuwā’ī, van Qatādah, van Muṭarrif, van ʿIyāḍ ibn Ḥimār (رضي الله عنه), waarin an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tijdens een khuṭbah soortgelijke uitspraken deed.

15. Van …ʿIyāḍ ibn Ḥimār al-Mujāshiʿī (رضي الله عنه), de broer van de Banū Mujāshiʿ, die het volgende vertelde: Op een dag hield Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een khutbah en zei: “Mijn Rab heeft mij opgedragen dat…”

Daarna citeerde hij de ḥadîth die Hishām van Qatādah overleverde volledig, en voegde er het volgende aan toe: “Allāhu (تعالى) heeft mij geopenbaard dat jullie nederigheid moeten betrachten, zodat niemand zich boven een ander verheft en niemand een ander hoogmoedig behandelt”.

In diezelfde overlevering staat bovendien (dat een van de overleveraars vroeg): “En toen Hij zei: “Degene die (geen eigen inzicht heeft) en zich slechts laat meeslepen door de woorden van degene die hij volgt, degene die geen (zorg en) genegenheid voelt voor zijn gezin of zijn bezit, vroeg ik: ‘Kan zo iemand ook bestaan, o Abā ʿAbdullāh?’ Hij zei: “Ja, bij Allāh, ik heb zulke mensen gezien in de tijd van de jahiliyyah, een man die in ruil voor het bewaken van een wijk of het hoeden van vee, een slavin kreeg om met haar samen te zijn.”

Uitleg bij de aḥadîth 13 t/m 15

In de ḥadîth staat: “Elke vorm van bezit/rijkdom dat Ik een dienaar heb geschonken, is ḥalāl”: Hiermee wordt bedoeld dat het niet is toegestaan dat mensen uit eigen beweging bepaalde gunsten en zegeningen van Allāhu (تعالى) voor zichzelf verbieden. Zo hadden de Arabieren in de tijd van de jāhiliyyah, zonder enig bevel van Allāhu (تعالى), bepaalde zaken als verboden verklaard. Zij onthielden zich bijvoorbeeld van het gebruik van kamelen waarvan het oor was ingesneden, kamelen die vanwege een gelofte waren vrijgelaten, kamelen die mannelijke en vrouwelijke tweelingen hadden geworpen, of kamelen die tienmaal hadden gekalfd.

Allāhu (تعالى) maakt hiermee duidelijk dat dergelijke verboden in werkelijkheid geen geldige verboden zijn. Dat iemands bezit of rijkdom voor hem ḥalāl is, geldt echter onder de voorwaarde dat anderen daarop geen recht hebben.

Als Allāhu (تعالى) zegt: “En Ik heb al Mijn dienaren als ḥunafā’ (rechtgeleide, oprechte monotheïsten) geschapen,” betekent dit dat Hij hen onschuldig en puur heeft geschapen. Met andere woorden: de mens is van nature op het rechte pad en ontvankelijk voor de leiding.

Dat Allāhu (تعالى) Zijn dienaren toornig wordt, verwijst naar de periode vóór de komst van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), namelijk de tijd van de jahiliyyah waarin mensen afdwaalden en verkeerde overtuigingen hadden.

Met de uitdrukking “behalve op een klein aantal Lieden van het Boek” wordt bedoeld degenen onder hen die hun religie zonder vervalsing hebben behouden.

De zin: “Daarop zei Hij: “O Muḥammad, Ik heb jou gezonden om jou te beproeven en om door middel van jou anderen op de proef te stellen.” betekent dat Allāh Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezonden om de profetische taken uit te voeren: (Wij beproeven jou) met het uitvoeren van wat jou is opgedragen en met het overbrengen van de boodschappen wat jou is geopenbaard aan de mensen, met het strijden op weg van Allāh, met het tonen van geduld en standvastigheid op weg van Allāh, en met soortgelijke taken. Sommigen van hen brengen hun geloof (īmān) openlijk tot uiting en zijn oprecht in hun gehoorzaamheid aan Allāh, anderen daarentegen verzetten zich, treden je tegemoet met vijandigheid en ongeloof (kufr), en een deel van hen vertoont huichelarij (nifāq).

Allāhu (تعالى) houdt de mensen verantwoordelijk voor de daden die zij daadwerkelijk hebben verricht en niet op grond van Zijn voorkennis van die daden voordat zij plaatsvonden.Deze betekenis komt ook terug in de Qur’ān waar staat:

وَلَنَبۡلُوَنَّكُمۡ حَتَّىٰ نَعۡلَمَ ٱلۡمُجَٰهِدِينَ مِنكُمۡ وَٱلصَّٰبِرِينَ وَنَبۡلُوَاْ أَخۡبَارَكُمۡ ٣١Voorzeker, Wij zullen jullie beproeven totdat Wij toetsen wie van jullie de strijders en de geduldigen zijn. En Wij zullen jullie (daadwerkelijke) feiten onthullen. (Muhammad, 34: 31)

Dit betekent dat degenen die deze eigenschappen daadwerkelijk bezitten, herkend zullen worden en daarvoor beloond zullen worden.

De zin: “En Ik heb jou een Boek (Qur’aan) gegeven dat onuitwisbaar is met water,” verwijst naar het feit dat de openbaring in het hart van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verankerd is en niet kan worden verwijderd. Dit Boek is door de generaties heen onveranderd overgeleverd.

Geleerden verklaren dat de uitdrukking “dat je kunt reciteren in je slaap en wanneer je wakker bent” betekent dat de woorden en betekenissen van het Boek beschermd zijn, zowel in bewust als onbewuste toestand. Ook wordt uitgelegd dat hiermee bedoeld kan zijn dat het lezen gemakkelijk en zonder moeite gaat.