Algemene inleiding: Tawhîd (Islamitische monotheïsme)
In de naam van Allaah de Erbarmste de Barmhartigste
De lof is aan Allahu Ta`ālā. Wij prijzen Allahu Ta`ālā en vragen Zijn hulp en vergiffenis. Wij zoeken onze toevlucht bij Allahu Ta`ālā voor al het kwade die van de shaytan (satan) en onze nafs (ego) komt. Als Allahu Ta`ālā iemand op de rechte weg leidt, is niemand in staat hem te misleiden. En als Allahu Ta`ālā iemand misleidt, is niemand in staat hem op de rechte pad te krijgen. Wij getuigen dat er geen godheid is dan Allahu Ta`ālā en wij getuigen ook dat Muhammad (صلى الله عليه وسلم ) Zijn dienaar en Zijn Gezant is.
As-salaat (gebeden) en as-salaam (groetenis) zijn aan de laatste der Rasoel (Boodschapper) en de Nabie (Nabie) van Allahu Ta`ālā , Muhammad Mustafa (صلى الله عليه وسلم ). As-salaam is aan hem die na eeuwen lange leegte weer de band tussen de mensen en hun Schepper gesloten heeft, die de mensheid uit de duisternis van ongeloof, onrecht en onzedelijkheid gehaald heeft. Allahu Ta`ālā's zegeningen en groetenis zijn ook aan zijn familie en zijn metgezellen (ashab) (rahum), aan de metgezellen van de ashab (tabi'in) en degene die hen op het rechte pad gevolgd hebben.
Het is een gewoonte onder de mutakallimoen (theologen) het Iemaan principes in drie categorieën te onderverdelen:
-1) ilaahiyyaat: het geloven in Allahu Ta`ālā als de enige Schepper is en de enige die aanbeden moet worden.
-2) nubuwwaat: het geloven in de profeten als verkondigers van Allahu Ta`ālā's Woord en Allahu Ta`ālā's gezanten en dienaren.
-3) sam'iyyaat: het geloven in het hiernamaals (akhirah).
Deze drie punten zijn de fundamenten van het Iemaan. In de bekende hadith-i Djibril (overlevering van an-Nabie Muhammad (صلى الله عليه وسلم ) waarin de aardsengel Gabriel ( عليه السلام) hem vragen stelt) worden deze drie andere punten aangevuld met het geloven in de engelen, de geopenbaarde Boeken, het raadsbesluit (qadar) en de beschikking (qada). Deze drie punten zitten in de boven beschreven principes: het geloven in qada en qadar worden in de ilaahiyyat behandeld, het geloven in geopenbaarde Boeken wordt in de nubuwwaat behandeld en het geloven in de engelen wordt in de sam'iyyaat behandeld.
Inleiding
Het woord "tawhîd" betekent letterlijk één maken of verenigen.
In de Shari`ah (Islâmitische wetgeving) betekent het: Allâhu Ta`ala's eenheid erkennen (monotheïsme) en geloven dat Allâhu Ta`ala noch deelgenoten heeft in Zijn wezen (zât), noch in Zijn eigenschappen (sifât) en noch in Zijn werken (fi`il). In de Islâm is `Ilmu-t-Tawhîd of 'Ilmu-l `aqîdah (de wetenschap van de geloofsleer) de wetenschap die zich bezig houdt met de ongeziene zaken (ghayb) zoals Allâhu Ta`alas Zijn, Zijn Eenheid, Zijn Eigenschappen en Zijn Werken, Nabieschap, openbaring, engelen, hiernamaals, raadsbesluit, etc. Het doel van deze wetenschap is de mensen hier op aarde en in het hiernamaals tot het eeuwige geluk te leiden. Het is het belangrijkste onderwerp in de Islâm, het omvat zelfs de gehele Islâm. Het vormt de basis en de essentie voor alle zaken in de Islâm, zoals Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) gezegd heeft:" De tawhîd is het hart van alle goede dingen ". Zelfs elk twijfel over de onderwerpen van deze wetenschap kan een muslim in de afgrond van het ongeloof (kufr) brengen. Daarom hebben de 'ulamâ'(Islamitische geleerden) door de eeuwen heen met uiterst aandacht en voorzichtigheid op dit onderwerp stilgestaan.
De essentie en het fundament van alle monotheïstische godsdiensten, dus ook van de Islâm, is het geloven in Allâhu Ta`ala. Dit wordt zowel door de Qur'ân als de ahadîth (e.v. hadîth: overlevering) van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) duidelijk bevestigd.
Het geloven aan al de overige zuilen van het geloof (îmân), zoals het geloven aan Allâhu Ta`alas engelen (malâika, e.v. malak), aan Zijn Boeken (kutub, e.v. kitâb), aan Zijn Gezanten (rusul, e.v. rasûl), aan de Laatste Dag (yawmu'l akhirah) en aan de Beschikking (qadar), m.a.w. het feit dat het goede en het slechte van Allah komt, is het gevolg van het geloven aan Allah.
Tawhîdu-r- Rububiyyah en Tawhîdu-l -`Uluhiyyah
Volgens Imâm Shah Waliyullâh Dahlawî, een islamitische geleerde die in de achttiende eeuw in de voormalige India leefde, bestaat tawhîd uit vier niveaus:
1) Allâhu Ta`ala als "Wâdjibu'l Wudjûd " erkennen (m.a.w. Allâhu Ta`alas Bestaan is alleen door Zichzelf en Hij is van niemand afhankelijk).
2) Geloven dat Allâhu Ta`ala de Schepper van het gehele heelal is, en van alles wat daarin is.
3) Geloven dat Allâhu Ta`ala alle schepselen die zich op aarde en de hemelen bevinden regelt en continueert.
Hieronder zullen we het vierde punt behandelen die Imâm Shah Waliyullâh Dahlawî, Imâm Ahmad Ibni Taymiyyah en zijn leerling Ibnu-l Qayyîm over tawhîd zeggen.
Tawhîd is volgens deze drie imâms in twee gradaties te onderscheiden:
1) Tawhîdu-r- Rububiyyah: het erkennen van Allâhu Ta`ala als Rab (de Meester, de Opvoeder, de Heer van de schepping en de Instandhouder van het geschapene) en het belijden van de éne, Almachtige Rab.
2) Tawhîdu-l -`Uluhiyyah: het belijden en dienen van Allâhu Ta`ala als de Enige Godheid (Ilâh) aan wie we om hulp vragen.
De eerste eenheid (tawhîdu-r- Rububiyyah) beleden ook de arabieren uit de tijdperk der onwetendheid (djahiliyyah). Maar de tweede eenheid is alleen voor de Islâm kenmerkend. Volgens Ibni Taymiyyah behoren de bovengenoemde eigenschappen aan Allâhu Ta`ala maar ze zijn wel twee van elkaar gescheiden termen: er is een onderscheid tussen Rab (Heer) en Ilâh (godheid). Allâhu Ta`ala is de Rab van de werelden, m.a.w. Hij is de Heer van de muslims, joden, christenen, atheïsten, alle levende en levenloze dingen; kortom de Heer van alles. Hij is tegelijkertijd ook Ilâh maar dan wel van de muslims. Immers alleen de muslims vereren en dienen Allâhu Ta`ala als hun Godheid (Ilâh) op de manier zoals Allâhu Ta`ala het werkelijk wil en de rest van de mensheid niet. Daarom moeten de muslims alles in naam van Allâhu Ta`ala vragen, alleen op Hem vertrouwen en Hem vrezen.
Het feit dat Allâhu Ta`alas dienaren alleen Hem dienen, bewijst dat Hij de Enige is die aanbeden moet worden, m.a.w. uit Tawhîdu-l `uluhiyyâh ontstaat de tawhîdu-r rububiyyah en niet andersom. In de Qur'ân worden de beide soorten tawhîds uitgebreid behandeld.
We kunnen zelfs zeggen dat de gehele Qur'ân van begin tot eind om deze twee soorten tawhîds draait: de Qur'ân is één lange prediking over Allâhu Ta`alas Wezen (Zât), Zijn Namen (Asmâ'), Zijn Eigenschappen (Sifât) en Zijn werken (Fi'îl). De Qur'ân nodigt de mensen uit tot aanbidding van de enige godheid, die geen deelgenoten, noch overeenkomstige, noch gelijkende, noch tegengestelde, en noch tegenstander heeft, en tot de verwerping van cultus aan afgodsbeelden, zowel in de letterlijke zin van het woord als in de figuurlijke zin. Deze tawhîd wordt ook wel de "tawhîdi iradi-i talabi" genoemd.
In de Qur'ân staan de goddelijke geboden en verboden die handelen over de noodzakelijkheid Allâhu Ta`ala te gehoorzamen. Ze gaan ook over de tawhîd met dien verstande dat ze de tawhîd voltooien tot één geheel. Aan de andere kant vermeldt de Qur'ân de weldaden die Allâhu Ta`ala aan de belijders van de ware tawhîd geeft, hier op aarde en in het hiernamaals. Het vermeldt ook de vreselijke toestanden van degenen die de ware tawhîd de rug toekeren. Zowel de beloning als de bestraffing worden uitgebreid in de Qur'ân beschreven.
In de Qur'ân komen we twee soorten wetten van Allâhu Ta`ala tegen:
1) de "kawni" wetten, die overeenkomen met de zogenaamde natuurwetten. Ze komen tot stand door Zijn Rab zijn. Aan deze wetten kan niets en niemand ontkomen en ze maken geen onderscheid tussen muslim en niet-muslim, b.v. Allâhu Ta`ala voedt zowel de muslims als de niet-muslims.
2) de "shari`" wetten (godsdienstige wetten), die tot stand komen door Zijn Ilâh (God) zijn. Deze wetten kunnen de mensen accepteren dan worden ze muslim genoemd of ze kunnen ze verwerpen dan worden ze niet-muslim (kâfir) genoemd. Als men deze wetten accepteert dan is men daaraan ook onderhevig. Dus onderscheid tussen een muslim en een niet-muslim ligt niet in het feit of men de kawni wetten van Allâhu Ta`ala accepteert dan wel verwerpt maar in de acceptatie van de shari' wetten.
Zo zijn alle levenden en levenlozen, die geen verantwoordelijkheid kunnen dragen (dus mensen en djins ("geesten") uitgezonderd) "muslim" omdat ze zich onderwerpen aan Allâhu Ta`alas kawni wetten. Muslims onder de mensen en de djins hebben zich bovendien ook aan de shari' wetten van Allâhu Ta`ala onderworpen terwijl de niet-muslims deze hebben ontkend.
In Qur'ân sûrat-i Yunus (10), 31 beveelt Allâhu Ta`ala an-Nabie de afgodsdienaars (mushrikûn) van toen en nu te vragen (i.p.v. de Arabische tekst van de onderstaande en verder te volgen ayat (verzen van de Qur’ān) geven we alleen de Nederlandse uitleg ervan):
" Wie verzorgt jullie uit de hemel en van de aarde? . Wie is de bezitter (de schepper en de leider) van het gehoor en het gezicht? . Wie brengt het levende uit het dode voort, en het dode uit het levende? . Wie bestuurt deze zaken (schepping)?". Dan zullen de ze (afgodsdienaars) zeggen: " ALLAAH". Zeg dan:" Vrezen jullie dan niet (voor Allâhu Ta`alas bestraffing)".
Ilahiyyat
1.1.1) Bewijzen voor Allahu Ta`ālā's bestaan.
De mensen hebben al vanaf hun schepping de behoefte gehad in een bovennatuurlijke wezen te geloven. Zij onderwerpen zich aan Hem, vragen Hem hulp en inspiratie, schrijven de schepping van goede en minder goede dingen aan Hem toe, bidden tot Hem in vooren tegenspoed, zoeken toevlucht bij Hem in tijden van gevaar, tonen respect voor Hem, gehoorzamen Hem in al Zijn bevelen, houden het meest van Hem, offeren alles op voor Hem etc.
Het is ondenkbaar dat en mens niet het bestaan van zijn schepper kan beredeneren. Iemand die over het ontstaan van allerlei natuurkundige, chemische, biologische en sociale gebeurtenissen of wat voor een ander gebeurtenis dan ook kan denken, is ook in staat over zijn Schepper, over zijn doel in het leven en over zijn eindbestemming te denken. Als we naar een mooi kunstwerk kijken weten we dat het gemaakt is door een kunstenaar. Waarom kan de mens zich dan niet afvragen wie de Kunstenaar is van al datgene dat om hem heen is?. Iedereen weet dat een schip die midden op zee in storm zijn koers voortzet door een kapitein bestuurd wordt. Is het dan niet logisch dat er ook een Kapitein moet zijn om dit gehele heelal te besturen zodat er geen ongeregeldheden zich voor kunnen doen?.
Daarom is het volgens de Islam het geloven in de Schepper een erfelijke/natuurlijke aanleg, die ieder mens bij de geboorte met zich mee krijgt. Vanwege deze aanleg zoekt ieder mens naar de Almachtige als hij in ernstige nood zit. Vandaar dat elk mens verplicht in zijn Schepper te geloven als hij adolescent en verstandelijk is geworden, zelfs voor iemand die nog nooit van de Schepper heeft gehoord. Hij moet het bestaan van zijn Schepper beredeneren door naar zichzelf, naar het natuur, naar de zon, de maan en de sterren te kijken en zich dan af te vragen:" Wie is de schepper van al deze wonderen?". Net als an-Nabie Ibrahiem (Abraham
En toen Ibrahiem (Abraham) tegen zijn vader Aazar zei: "Neemt u afgodsbeelden tot aaliha (goden)?. Waarlijk, ik zie dat u en uw volk in klareblijkende dwaling zijn." En aldus toonden Wij Ibrahiem de Koningsmacht van de hemelen en de aarde, opdat hij tot de vastsverzekerden (in het geloof) zou behoren. Toen de nacht hem omhulde zag hij een ster. Hij zei: "Deze is mijn heer". Maar toen het onderging zei hij: "Ik houd niet van de ondergaanden". Toen hij de maan zag opkomen zei hij: "Deze is mijn heer". Maar toen het onderging zei hij: "Indien mijn Heer mij niet rechtleidt, zal ik tot de dwalende lieden behoren". Toen hij de zon zag opkomen zei hij: "Deze is mijn heer, deze is groter".
Maar toen het onderging zei hij: "O mijn volk, ik ben vrij van al datgene jullie aanhangen als bondgenoten (in de aanbidding met Allahu Ta`ālā). Ik heb mijn gezicht gewend naar Hem die de hemelen en de aarde geschapen heeft, als Hanief (Islamitische monotheist, die alleen Allahu Ta`ālā aanbidt). En ik behoor niet tot de mushrikoen (polytheisten)."
Een verstandige mens zal dan meteen door hebben dat er maar één Schepper mogelijk is die alles schept, onderhoudt en continueert. Tot deze redenering moet men komen als men adolescent en verstandelijk is. Kinderen kunnen dit nog niet, daarom is elk kind volgens de Islaam een muslim.
Op de vraag of het mogelijk is bewijzen te zoeken naar Allahu Ta`ālā's bestaan verschillen de 'ulama (Islamitische geleerden) van mening. 'Ulama zoals Imaam Ghazaalie en Imaam Shahristaanie vinden het geloven in Allahu Ta`ālā een natuurlijke instinct, net zoals eten en drinken. Daarom heeft het geen zin het bestaan van Allahu Ta`ālā te bewijzen. Dit vergelijken ze met de aantrekkende eigenschap van een magneet. Een magneet trekt een stukje metaal naar zichzelf als het in de buurt komt. Zonder metaal heeft de magneet nog steeds deze eigenschap. Zo gelooft een mens ook in het bestaan en eenheid van Allahu Ta`ālā zonder naar bewijzen te zoeken of te vragen.
Volgens andere 'ulama kan een mens pas achter Allahu Ta`ālā's bestaan komen als hij nadenkt over Allahu Ta`ālā's schepping en Zijn namen en Zijn eigenschappen, die in de Qur’ān en ahadith (berichten over alles wat Rasul'lullah (Boodschapper van Allaah) (صلى الله عليه وسلم ) heeft gezegd, gedaan en stilzwijgend heeft goedgekeurd) vermeld zijn. Het is niet mogelijk met menselijke zintuigen Allahu Ta`ālā's Wezen te beredeneren:
(Nederlandse uitleg): "Hem bereiken de blikken niet, maar Hij bereikt de blikken wel."(An'am 6/103).
Maar we kunnen onze zintuigen en de gehele schepping als middel gebruiken om Allahu Ta`ālā te leren kennen, want elk onderdeel van de schepping leidt naar Allahu Ta`ālā's bestaan:
"Wij zullen hun Onze tekenen in het heelal en in henzelf laten zien zodat het (de Qur’ān) voor hen duidelijk wordt dat het de waarheid is.
En is het soms niet voldoende dat uw Rab (Heer) voor alle dingen getuige is?." (Fussilat 41/53).
Het is niet mogelijk de wegen die leiden naar ma'rifatullah (het kennen van Allahu Ta`ālā en de bewijzen voor Zijn bestaan) te begrenzen. We zullen hieronder de bekendste bewijzen opsommen die door de Islamitische theologen en filosofen aangevoerd worden voor het bewijzen van Allahu Ta`ālā's bestaan.
1) Bewijzen in de Qur'ān voor Allahu Ta`ālā's bestaan (isbaat-i waadjib).
In geen van de goddelijke Boeken is zoveel aandacht besteed aan het bewijzen van Allahu Ta`ālā's bestaan en eenheid (tawhied) als in de Qur’ān. Want de hele Qur’ān draait om Zijn bestaan en eenheid.
Isbaat-i waadjib betekent het bewijzen van het bestaan van een Wezen dat door zichzelf bestaat en niemand nodig heeft bij Zijn bestaan, namelijk Allahu Ta`ālā. De enige bron die we kunnen raadplegen over de bewijzen van het bestaan van Allahu Ta`ālā is ongetwijfeld het Woord van Allahu Ta`ālā zelf, de Qur’ān en de ahadieth. We hoeven buiten deze twee niet naar andere bronnen te zoeken.
In de Qur’ān wordt in het algemeen de nadruk op Allahu Ta`ālā's eigenschappen gelegd om de tawhied (Islamitische monotheisme) te verduidelijken: buiten Allahu Ta`ālā is geen ander godheid die aanbeden mag worden, Allahu Ta`ālā heeft geen deelgenoten, noch gelijkenis. Daarom is het geloven in Allahu Ta`ālā's bestaan iets dat zowel een natuurlijke als een verplichte plicht is voor de mensen. Immers elk mens weet wie zijn Schepper is. Dit kan alleen door onverschilligheid , hoogmoed en koppigheid belemmerd worden.
Alles wat zich in de hemelen en hier op aarde bevindt heeft zich goedschiks en kwaadschiks aan hem overgegeven (zie Qur’ān 3/83). Allahu Ta`ālā heeft Adam ( عليه السلام) (en daarmee de hele mensheid) alle namen (van de geschapenen) onderwezen (zie Qur’ān 2/31), m.a.w. Allahu Ta`ālā heeft de mensen alle wetenschappen onderwezen. Hij onderwees hem de uiteenzetting (zie Qur’ān 55/4), hoe is het mogelijk dat de mens Hem niet erkent als de enige godheid?.
Het is een feit dat de mens in grote moeilijkheden of bij onverdraaglijke pijnen Allahu Ta`ālā aanroept voor bevrijding en hulp. Als de mens vrij zou zijn van hoogmoed en koppigheid dan zou hij oog in oog staan met zijn natuurlijke ik, die hij tijdens zijn geboorte had meegekregen, en Allahu Ta`ālā automatisch erkennen als Zijn Ilaah (God) en (Rab (Heer).
"Zeg: Hoe lijkt het jullie, als Allaahs bestaffing tot jullie komt of het Uur (de Dag des Oordeels) tot jullie komt, zullen jullie dan anderen dan Allaah aanroepen?. Als jullie het gelijk hebben (doe het dan). Welneen, dan zullen jullie Hem aanroepen. Hij zal dan dat (de deelgenoten), waarom jullie tot Hem roepen, wegnemen, als Hij het wil, en wat jullie als deelgenoten (aan Hem) hebben toegevoegd zullen jullie vergeten". (Qur’ān 6/40-41).
Het is algemeen bekend dat de arabieren ten tijde van en voor de openbaring van de Qur’ān polytheist (mushrik) waren. Buiten een groep arabieren die we aanduiden met de benaming 'dahriyyah', geloofden de arabieren destijds in een godsdienst.
"Ze (de dahriyyieten) zeiden: Er is alleen maar ons tegenwoordige leven, wij sterven hier en wij leven hier en alleen door de tijd worden wij omgebracht..." (Qur’ān 45/24).
De andere arabieren hadden meerdere goden. Uit de Qur’ān verzen (āyāt) kunnen we opmaken dat Allahu Ta`ālā hun "oppergodheid" was:
"Behoort de zuivere godsdienst (ad dinu-l khaalis) (vrij van polytheisme ) niet Allaah toe?. Zij die zich in plaats van Hem geliefden nemen (zeggen): "Wij dienen hen (de afgoden) slechts opdat zij ons nader tot Allaah brengen". Allaah zal tussen hen oordelen over dat waarover zij het oneens zijn. Allaah wijst niet, wie een ongelovige en een leugenaar is, de goede richting". (Qur’ān: 39/3)
Naast deze twee groepen zien we dat er een derde groep is die in de zuivere Islamitische tawhied geloofde (Hanief). Tot deze laatste groep behoorde de beroemde dichter van hoog aanzien, Quss bin Sa'idah. Tijdens een van zijn voordrachten benadrukte hij de wonderbaarlijke gebeurtenissen in de natuur en de tekenen hier op aarde en in de hemelen, die allen leiden naar de eenheid van Allahu Ta`ālā , het leven na de dood en zelfs de komst van de enige ware godsdienst en de zegel der profeten (Muhammad (صلى الله عليه وسلم )).
Toen de Islaam kwam, was er geen enkele uitweg die het geloven in de eenheid van Allahu Ta`ālā op een dwaalspoor kon brengen. De Qur’ān spreekt over ondubbelzinnige bewijzen voor de eenheid van Allahu Ta`ālā. De Qur’ān nodigt de mensen uit hun hersenen te gebruiken en hun ongeschonden instincten te volgen bij het zoeken naar hun Schepper:
"Waarlijk, als jij hun (de ongelovigen) vraagt wie de hemelen en de aarde heeft geschapen, zeggen zij: "Allaah". Zeg: "Lof zij Allaah".
Maar de meeste van hen weten het niet (Qur’ān: 31/25).
Uit de āyāt die handelen over Allahu Ta`ālā's eigenschappen, alsmede de āyāt die handelen over de gebeurtenissen, die zich voor (de schepping van de aarde, hemelen, mensen en andere schepselen), tijdens en na de Oordeelsdag zullen afspelen, kunnen we niet zozeer directe, maar indirecte bewijzen vinden, die het bestaan van Allahu Ta`ālā benadrukken.
De āyāt die handelen over isbaat-i waadjib kunnen we in zeven categorieën onderverdelen:
-1) De schepping van de mens is het werk van de Almachtige. De schepping is met wijsheid en kennis verricht. Er wordt gesproken over de wonderbaarlijke lichaamsbouw van de mens, zijn ledematen, de manier waarop zijn zintuigen functioneren en de oneindig veel gunsten van Allahu Ta`ālā. Allahu Ta`ālā noemt al deze dingen als de tekenen van Hemzelf.
"Hebben Wij jullie niet uit verachtelijk water geschapen, die Wij toen in een solide verblijfplaats legden, tot een vastgestelde duur?. Wij hebben die bepaald en een voortreffelijke bepaler zijn Wij". (al-Mursalât: 70/20-23)
"De mens kan doodvallen, ondankbaar dat hij is. Waaruit heeft Hij hem geschapen?. Uit een druppel heeft Hij hem geschapen en toen heeft Hij zijn maat bepaald. Dan heeft Hij de weg voor hem gebaand. dan laat Hij hem sterven en begraaft hem. Dan wanneer Hij wil, wekt Hij hem op. Welnee, hij heeft nog niets uitgevoerd van wat Hij hem geboden heeft. (`Abasah: 17-23)
"Prijs de naam van jouw Heer, de hoogste die geschapen heeft en gevormd en die geordend heeft en de goede richting heeft gewezen en die het weidegras laat opkomen en daarna dor en grauw maakt. ( al-A`lâ: 87/1-6)
"Lees voor in de naam van jouw Heer die geschapen heeft. Geschapen heeft Hij de mens uit "`alaq". (al-`Alaq: 96-1-2)
"Heeft de mens dan niet gezien dat Wij hem uit een druppel geschapen hebben?. Toch is hij een duidelijke tegenstander.
Hij maakt een vergelijking met Ons en vergeet hoe hij geschapen is. Hij zegt: "Wie maakt de beenderen levend als zij gruis zijn?". Zeg: "Hij die ze de eerste maal heeft laten ontstaan zal ze weer levend maken. En Hij kent alles wat geschapen is, Hij die voor jullie uit groene bomen vuur gemaakt heeft zodat jullie er meteen een vuur mee kunnen ontsteken". Is Hij die de hemelen en de aarde geschapen heeft niet bij machte iets te scheppen wat aan hen gelijk is?. Ja zeker, Hij is de Schepper, de Wetende. Wanneer Hij iets wenst, is Zijn bevel dat Hij ertegen zegt: "Wees" en het is." (Yâsîn: 36/77-82)
(zie verder o.a. 77/20 en verder; 80/17 en verder; 87/1-5; 96/1-2; 36/77-83; 25/54; 75/36 en verder).
-2) De schepping van de organismen, die op twee of meer poten lopen, vliegen, kruipen, enz. Al deze organismen zijn in dienst van de mensheid gesteld:
En hebben zij niet gezien dat Wij van wat Onze Hanaden gewrochten hebben voor hen kuddedieren geschapen hebben waar zij over beschikken kunnen?. Wij hebben die aan hen dienstbaar gemaakt, sommige dienen hen als rijdier en andere kunnen zij eten. (Yaasien 36/70-71) (zie verder o.a. 35/27 en verder; 39/6)
-3) De perfect schepping van het heelal met daarin de sterren, de zon, de maan, de aarde, de bergen, de zeeën die het herbergt, de goddelijke natuurwetten die ze bij elkaar houden en hun banen laten beschrijven, de aarde die van de ene jaar getijde naar de andere gaat, het leven en de dood herbergt, de mensheid voorziet van al zijn behoeften, met bergen, zeeën, rivieren, bossen, steppen en woestijnen versierd is en met de beschermende atmosfeer omgeven is. Dit alles is wederom in dienst van de mensheid geschapen.
Kijken zij dan niet naar de hemel boven hen, hoe Wij die gebouwd hebben en hoe Wij die versierd hebben en hoe die geen enkele scheur heeft?
En hoe wij de aarde uitgespreid hebben en Wij daarop stevige bergen bergen geplaatst hebben en Wij daar op allerlei mooie gewassen deden groeien? Als lering en herinnering voor iedere brouwvolle dienaar ... (Qaaf 50/6-8)
(zie verder o.a. 77/25 en verder; 50/6 en verder)
-4) De schepping van water, dat het levenskiem is van al datgene wat leeft, van de wolken die dit water dragen en m.b.v. de wind dode aarde tot leven doen veranderen, van planten en bomen die met dat water voeding aan de mensen geven, van vuur, die vele noodzaken van de mens vervult, dit alles zijn tekenen voor Allahu Ta`ālā's bestaan (zie o.a. 77/27; 58/9 en verder; 86/24-32; 36/33 en verder; 35/3,9.12.27 en verder).
-5) De loop van de aarde de zon en de sterren, die bepaald worden door goddelijke natuurwetten, de nacht als rust en slaap periode en de dag als wektijd en de vele voordelen en de diensten die de zon, de maan en de sterren met zich meebrengen, zijn tekenen van Allahu Ta`ālā (zie o.a. 36/37 en verder; 25/45 en verder; 35/13; 10/4 en verder; 57/6; 30/23)
-6) De zeeën, die de mensheid van voedsel en kostbaarheden voorziet, de schepen die mensen en vracht vervoeren over zeeën en voedingsmiddelen zijn tekenen van Allahu Ta`ālā ( zie o.a. 35/12; 27/62; 43/11 en verder 14/32; 16/14).
-7) De momenten waarop de mens geen uitweg meer ziet dan zijn Heer aanroepen voor hulp en verlossing (zie o.a. 7/134 en verder; 10/12,98; 39/38; 14/32).
In deze zeven categorieën van āyāt zien we dat in de Qur’ān twee methodes worden gehanteerd:
-1) We worden uitgenodigd door de geschapenen de Schepper te vinden, door het kunstwerk de Kunstenaar te erkennen. En door de conclusies die uit de āyāt getrokken worden tot de rede te komen. We kunnen hieruit opmaken dat het bestaan van het gehele heelal niet noodwendig is, zoals dit wel het geval is met het bestaan van Allahu Ta`ālā , maar het bestaan van het gehele heelal mogelijk is, m.a.w. het bestaan van het heelal is gelijk aan zijn niet-bestaan. Immers alles buiten Allahu Ta`ālā is later ontstaan, dus het bestaan van al het bestaande is afhankelijk van en vanwege zijn Schepper.
-2) Alle dingen en gebeurtenissen die ons verstand doen verbijsteren, zijn onderhevig aan goddelijke wetten en ordening (de zogenaamde natuurwetten). Daarom is het logisch dat Allahu Ta`ālā deze wetmatigheden en ordening hierin brengt. Want wie anders zou dit kunnen dan de Schepper zelf.
Al deze āyāt geven indirect bewijzen voor Allahu Ta`ālā's eenheid en grootheid. Als we naar de periode van openbaring kijken zien we dat de meeste van de bovenstaande āyāt in Makkah zijn openbaard. Het doel van deze āyāt is dan ook hel duidelijk: de mensen uitnodigen voor de eenheid en het bestaan van Allahu Ta`ālā . Hoe kan de mensheid na zulke bewijzen toch nog zijn Schepper verloochenen?.
Tegenwoordig is een van de grootste geestelijke ziekte, die de mens weerhoudt Allahu Ta`ālā's bestaan te erkennen en Zijn Boek, de Qur’ān als de ware leidraad te accepteren, hoogmoed en koppigheid. Iblis (de duivel) werd door deze twee eigenschappen dan ook verdoemd en voor altijd verdreven uit het paradijs. Pas als de mens zich distantieert van deze slechte eigenschappen en naar zijn natuurlijke instinct luistert zal hij zijn Rab (Heer) vinden. Want door zijn hoogmoed kleineert hij één of meer of zelfs alle godsdienstige principes en door zijn koppigheid sluit hij zijn ogen voor de waarheid. Hij concurreert als het ware met Allahu Ta`ālā in Zijn grootheid en Zijn vorstelijkheid.
En doordat de mens zich als deelgenoot met Allahu Ta`ālā plaatst zal hij in het hiernamaals en/of hier op aarde gestraft worden.
Concluderend kunnen we zeggen dat de Qur’ān, die gezonden is de mensheid hier op aarde op het rechte pad te leiden en in het hiernamaals tot de eeuwige geluk te brengen, nooit de geestelijke gesteldheid van zijn toehoorder uit het oog verliest, en hen met duidelijke bewijzen overtuigt over het bestaan en de eenheid van hun Schepper. De bewijzen zijn zodanig geselecteerd dat ze in de belevingswereld van elk mens past in alle tijden en alle plaatsen.
Een ander belangrijke karakter van de isbaat-i waadjib āyāt is het feit dat ze de materialistische filosofie, dat het bestaan van leven uit materie en toeval accepteert, verwerpt. In de Qur’ān lezen we dat Allahu Ta`ālā zelf uit de dood leven voortbrengt en dat Allahu Ta`ālā degene is die de materie schept en verordent.
2) Isbat-i waadjib in de ahadith.
In de hadith boeken komen we veelvuldig isbaat-i wudjoed bewijzen tegen. Hieronder zullen we enkele ervan beschrijven.
Op een ochtend, toen Ibn-i 'Abbas ((رضي الله عنهما) bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) logeerde, liep Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) naar buiten, keek naar de hemel en reciteerde de volgende aayah:
"In de schepping van de hemelen en de arde en het verschil van nacht en dag zijn tekenen voor mensen die hun verstand gebruiken. Zij gedenken Allaah staand, zittend en op hun zij liggend. En zij denken over de schepping van de hemelen en de aarde en zeggen dan:" Onze Rab (Heer) , U heeft dit niet voor niets geschapen, U zij geprezen!. En behoed ons voor de bestraffing van het vuur" (3/190-191).
Vervolgens keerde hij naar zijn kamer, poetste zijn tanden met miswaq (een natuurlijke tandenborstel), deed wudu (kleine wassing), verrichtte salaat en ging weer slapen. Na een tijdje stond hij weer op en herhaalde wat hij hiervoor deed (Sahih-i Muslim: kitabu-t Taharah).
Een van de du'ah's (smeekbedes) die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) aanraadde op te zeggen voor het slapen gaan was: "O mijn Heer, U bent het beginloze en voor U was er niets. U bent het eindloze en na U zal er ook niets zijn (die eindeloos en blijfend zal zijn) (Sahih-i Muslim: kitabu-l Thikr wa-d Du'ah)
Op een dag kwam een groep muslims uit Yemen en vroegen:" O Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) we zijn naar u gekomen om de godsdienstige zaken van u te leren en naar het begin van deze zaak (de schepping van het heelal) te vragen." Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) antwoordde: "Allaah was en er was niets anders..." (Sahihu-l Bukhari: kitabu-t Tawhid).
Er zijn vele andere ahadith over de isbaat-i wudjoed. Hieruit kunnen we opmaken dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) de sahaaba (metgezellen) (rahum) over de bewijzen die gaan over het bestaan van Allahu Ta`ālā vertelde.
De 'ulama hebben in hun boeken vele bewijzen aangevoerd naar isbaat-i wudjoed. Met de opkomst van de positieve wetenschappen (natuurkunde, biologie, scheikunde etc.) worden meer bewijzen voor isbaat-i wudjoed aangevoerd. We zullen hier niet op ingaan zie hiervoor "Een korte leidraad om de Islaam beter te begrijpen".
Uit het hierboven gehouden betoog kunnen we opmaken dat er twee wegen zijn die leiden naar ma'rifatu'llah:
1) Denken over Allahu Ta`ālā's schepping.
2) Kennen van Allahu Ta`ālā's schone namen (al asmaa ul husna) en eigenschappen.
De eerste weg hebben we al besproken laten we naar de tweede kijken.1.1.2) De Schone Namen van Allaah (al Asmaa ul Husna).
De tweede weg die leidt naar marifat'ullah zijn de Schone Namen van Allahu Ta`ālā die we in de Qur’ān tegen komen.
In de Qur’ān komen ongeveer honderd namen van Allahu Ta`ālā voor. In een hadieth (Sunan-i Tirmithie (Da`awaat, 83) worden 99 namen van Allahu Ta`ālā beschreven. Er zijn kleine verschillen tussen de namen die in de Qur’ān worden genoemd en die in de hadieth.
Allahu Ta`ālā's werken verwijzen naar Zijn namen, elk van Zijn namen verwijzen naar Zijn eigenschappen en deze eigenschappen verwijzen op hun beurt naar Zijn wezen. Allahu Ta`ālā's namen en eigenschappen had Hij al in het oneindige. Zijn eigenschappen zijn noch hetzelfde als Zijn wezen noch iets anders als Zijn wezen. Daar we Allahu Ta`ālā's wezen niet kunnen beredeneren, kennen we Hem door Zijn werken en Zijn eigenschappen.
Een groep 'ulama zijn van mening dat alle namen van Allahu Ta`ālā even groot en verheven zijn. Men kan de ene niet van de andere scheiden. Anderen baseren zich op de ahadith waar gesproken wordt over Allahu Ta`ālā's "Ism-i 'Adham" (de grootste naam) (zie Abu Dawud: kitabu-l Witr Tirmithi: kitabu-d Da'awat ; Nasa'i: kitabu-s Sahw). Er is echter onenigheid welke naam het grootste is: "Allaah ", "al-Hayyu-l Qayyum" (de Levende en de Instandhouder van de schepselen) of "Thuldjalal-i wa-l Iqram" (de Verhevene en de Eervolle).
Imam Tirmithi heeft in zijn "Sunan-i Tirmithi" (Da`awaat,83) de volgende hadith van Abu Hurayra (رضي الله عنه overleverd: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) heeft het volgende gezegd:
"Allaah heeft honderd minus één, negenennegentig, namen. Degene die deze opzegt zal in het paradijs komen.
1.
Hu wa'llahu'llathi la ilaha illahuwa : AllahDe Enige die de Rububiyyah (Godheid) eigenschap heeft en ook het Enige is die het vermogen heeft al het bestaande te scheppen.
2. Ar-Rahman :de Barmhartige (1/3; 17/110)
De Enige die onuitputtelijke barmhartigheid heeft tegenover een ieder, al dan niet de mu'mins, hier op aarde en uitsluitend voor de mu'mins in het hiernamaals.
3. Ar-Rahim: de Genadevolle (1/3; 17/110)De Enige die onuitputtelijke genade heeft tegenover de mu'mins.
4. Al-Malik : de Absolute Heerser 20/114Hij heeft noch in Zijn Wezen en noch in Zijn eigenschappen behoefte aan het bestaande, echter alles heeft behoefte aan Hem. Alle het bestaande behoort aan Hem toe.
Een les:
Een heerser vroeg eens aan een goede mu'min:
- Wens wat je van mij wilt.
- Hoe kan ik iets aan jou wensen, immers ik heb twee slaven, die jouw heer zijn.
- Vertel mij wie het zijn.
- De eerste is je hebzucht (naar het aardse) en de andere is je eigen wil. Ik heb deze twee verslagen en heb ze onder controle, terwijl jij van hen hebt verloren. Zij beheersen jou in plaats van jij hen.
5. Al-Quddus: de Heilige 59/23De Enige die vrij is van elk soort imperfectie.
6. As-Salam: De Enige die vrij is van onvolkomenheid, de Bron van Vrede, de Redder, deVredestichter
7. Al-Mu'min : de Beschermer van geloof, de Schepper van veiligheid en bescherming, de Schenker van geloof, de Betrouwbare. De Enige die getuigt voor Zichzelf, dat er geen godheid is dan Allahu Ta`ala Zelf en Hij getuigt ook voor de mu'mins dat zij oprecht zijn in hun geloof (iemaan) dat er geen godheid is dan Allahu Ta`ala Zelf.
8. Al-Muhaymin: de Beschermer en Beheerder, de Schenker van de daden, onderhoud, levensduur van al Zijn schepselen.
9.
Al-`Aziz: de Machtige, de Sterke, de onvergelijkbare en Ongeevenaarde, de Overwinnaar die niet te overwinnen is.
10. Al-Jabbar: de Onweerstaanbare, de Enige die Zijn schepselen dwingt te doen wat Hij wil, de Absolute, de Enige voor wie niets gebeurt in Zijn heerschappij dan datgene wat Hij wil.
11. Al-Mutakabbir: de Majesteuze, de Enige die verheven is in trots en grootheid, de Schenker van grootheid, de Trotse, de Enige die vrij is van de eigenschappen van Zijn schepselen en van gelijken op hen.
12. Al- Khaliq : de Schepper die al het bestaande uit het niets schiep.
13. Al-Bari': de Schepper die het vermogen heeft al het bestaande van ene de toestand naar de andere te veranderen.
14. Al-Musawwir: de Vormgever, de Enige die zijn schepselen in verschillende gedaanten vormt.
15. Al-Ghaffar: de Vergever van de zonden van Zijn dienaren weer en weer 38/66
16. Al-Qahhar : de Onderwerper, de Dominerende, de Wreker machtig over alles 12/39
17. Al-Wahhab: de Gever, Degene die vrijelijk geeft zonder vergoeding te vragen 3/8
18. Ar-Razzaq : de Schenker van onderhoud 51/58
19. Al-Fattah : de Opener, Degene die alle zaken opent 34/26
20. Al-`Alim: de Alwetende 2/32
21-22. Al-Qabid, : de Samentrekker, de Beperker indirect in 2/245
Al-Basit: de Verruimer, Degene die de middelen van bestaan verstrekt net zoals Hij wil indirect in 13/14
23-24. Al-Khafid : de Vernederaar, Degene die de ongelovigen vernederd indirect in 56/3
Ar-Rafi``: de Verheffer indirect in 56/3
25-26. Al-Mu`iz: de Scenker van eer indirect in 3/26
Al-Mudhill: de Onteerder, Degene die op alles neerkijkt indirect in 3/26
27.
As-Sami` `: de Alhorende 3/35
28. Al-Basir: de Alziende 17/1
29. Al-Hakam: de Rechter indirect in 40/48
30. Al-`Adl : de Rechtvaardige (niet in de Qur’ān genoemd)
31. Al-Latif: de Subtiele, de Goedertierende 6/103
32. Al-Khabir: de Bewuste 6/18
33. Al-Halim: de Verdraagzame, de Bezonnene, de Zachtaardige 2/225
34. Al-`Adhim: de Grote 2/255
35. Al-Ghafur: de Meest Vergevensgezinde 12/98
36. Ash-Shakur: de Waarderende, de dank Aanvaardende, Degene die Zijn dankbaarheid toont door overvloedige gaven 35/30
37. Al-`Aliyy: de Allerhoogste 2/255
38. Al-Kabir : de Bezitter van grootheid 13/9
39. Al-Hafidh : de Instandhouder, de Beschermer 11/57
40. Al-Muqit: de Onderhouder, Degene die op de hoogte is en in staat is om Zijn schepping al het benodigde te verschaffen, de Voorziener in de behoeften 4/85
41. Al-Hasib : de Opsteller van de rekening, Degene die de behoefte van de gehele schepping bevredigt 4/6
42. Al-Jalil: de Sublieme, de Schone, de Majestueuze (niet in de Qur’ān genoemd)
43. Al-Karim : de Edelmoedige 82/6
44. Ar-Raqib: de Waakzame, Degene die alles gadeslaat, de Naijverige 4/1
45. Al-Mujib: de Verhoorder, Degene die gehoor geeft aan elke behoefte 11/61
46. Al-Wasi` `: de Alomvattende, Degene die een grensloze capaciteit bezit 2/115
47. Al-Hakim: de Wijze 2/32
48. Al-Wadud: de Liefhebbende, Degene die op objectieve wijze liefheeft 11/90
49. Al-Majid: de Luisterrijke 11/73
50. Al-Ba`ith: de Opwekker, Degene die de dood opwekt, Degene die tot leven brengt indirect in 22/7
51. Ash-Shahid: de Getuige, Degene die van alles Getuige is en alles weet 3/98
52. Al-Haqq : de Wezenlijke, de Waarheid, de Ware, de Realiteit 2/26
53. Al-Wakil: de Gevolmachtigde, de uiteindelijke en trouwe Zaakbezorger, Degene die alles onder Zijn hoede heeft 3/173
54. Al-Qawiyy: de Sterke 11/66
55. Al-Matin: de Standvastige 51/58
56. Al-Waliyy: de Beschermende Vriend 2/107
57. Al-Hamid: de Prijzenswaardige 22/64
58. Al-Muhsi: de Optekenaar (indirect in 58/6)
59. Al-Mubdi': de Voortbrenger, de Beginner (indirect in 85/13)
60. Al-Mu`id: de Hersteller, Degene die de wederopstanding bewerkstelligt (indirect in 85/13)
61. Al-Muhyi: de Levengevende (indirect in 2/28)
62. Al-Mumit: de Levenontnemer, de Schepper van de dood, de Vernietiger, de Doder (indirect in 2/28)
63. Al-Hayy: de Eeuwiglevende 2/255
64. Al-Qayyum: de Zelfbestaande 2/255
65. Al-Wajid: de Vinder, Degene die geen behoeften heeft (niet in de Qur’ān genoemd)
66. Al-Majid : de Nobele, de Glorieuze 11/73.
67. Al-Wahid : de Unieke 2/163
68. As-Samad: de Onafhankelijke 112/2
69. Al-Qadir : de Machtige, Degene die handelt zoals Hij wil 6/37
70. Al-Muqtadir: de Meest Machtige, de Schenker van macht 18/45
71-72. Al-Muqaddim: degene die bevordert, Degene die veroorzaakt dat mensen in Zijn nabijheid komen (indirect in 50/28)
Al-Mu'akhkhir: de Vertrager, Degene die veroorzaakt dat mensen ver van Hem zijn, de Uitsteller (indirect in 11/8)
73. Al-'Awwal: de Eeerste 57/3
74. Al-'Akhir: de Laatste 57/3
75-76. Adh-Dhahir: de Openlijke 57/3
Al-Batin: de Verborgene 57/3
77. Al-Wali : de Regeerder (niet in de Qur’ān)
78. Al-Muta`ali: de Meest Verhevene 13/9
79. Al-Barr: de Bron van alle goedheid, de Plichtgetrouwe, de Welwillende 52/28
80. At-Tawwab: de Berouwenaanvaarder, Degene die de mens konstant richt op berouw 2/37
81. Al-Muntaqim: de Vergelder indirect in 32/22
82. Al-`Afuww: de Schenker van vergiffenis, de Uitwisser van zonden 22/60
83. Ar-Ra'uf: de Milde 2/207
84. Malikul-Mulk: de Bezitter van soeverniteit, de Heerser van het koninkrijk 3/26
85. Dhul-Jalal Wal-'Ikram: de Heer van glorie en eer 55/27
86. Al-Muqsit : de Billijke, de Onpartijdige (niet in de Qur’ān genoemd)
87. Al-Jami``: de Verzamelaar, Degene die alles in het heelal combineert om Zijn doel te berijken 3/988. Al-Ghaniyy : de Zelftoereikende, de Rijke 10/68
89. Al-Mughni : de Verrijker indirect in 9/28
90. Al-Mani``: de Verhinderaar, Degene die dingen afweert welke schadelijk zijnvoor Zijn schepselen (niet in de Qur’ān genoemd)
91-92. Ad -Darr: de Brenger van nood (niet in de Qur’ān genoemd)
An-Nafi``: de begunstiger (niet in de Qur’ān genoemd)
93. An-Nur: het Licht 24/35
94. Al-Hadi: de Gids 25/31
95. Al-Badi``: de Onvergelijkbare, de Beginner 2/117
96. Al-Baqi : de Blijvende (niet in de Qur’ān genoemd; de betekenis is in 28/88 te vinden)
97. Al-Warith: de Erfgenaam 15/23
98. Ar-Rashid : de Gids naar het juiste pad, de feilloze Leider 11/87
99. As-Sabur: de Geduldige (niet in de Qur’ān).
1.1.3) De eigenschappen van Allahu Ta`ālā
Imam Abu Hanifa onderscheidt drie zaken over het geloven in Allahu Ta`ālā : Allahu Ta`ālā's wezen, Allahu Ta`ālā's eigenschappen en Allahu Ta`ālā's werken. Het geloven aan Allahu Ta`ālā kan pas compleet zijn als we in Allahu Ta`ālā's eigenschappen geloven. Deze eigenschappen kunnen noodwendig (wadjib), ongerijmd (mustahil) en mogelijk (dja'iz) zijn . Al Zijn eigenschappen zijn azali (beginloos) en abadi (eindeloos). Ze lijken niet op de eigenschappen van de bestaande dingen. Omdat we Allahu Ta`ālā's wezen niet kunnen weten en vatten, kennen we Hem d.m.v. Zijn namen en Zijn eigenschappen. Allahu Ta`ālā de Schepper van alles wat bestaat. Daarom behoren de schoonste namen en eigenschappen aan Allahu Ta`ālā toe (zie Fiqhu'l akbar).
Allahu Ta`ālā's eigenschappen kunnen we in vijf categorieën verdelen:
-1) Sifat-i nafsiyyah of sifat-i wudjudiyyah
-2) Sifat-i salbiyyah of tanzihat
-3) Sifat-i subutiyyah
-4) Sifat-i djaizah of sifat-i fi`iliyyah
-5) Sifat-i habariyyah
ad 1) Sifat-i nafsiyyah of sifat-i wudjudiyyah:
Allahu Ta`ālā bestaat en Zijn bestaan is door Zichzelf (nafs) of Zijn Wezen (Zat) en niet door middel van iets anders. Zijn bestaan is noodwendig (wadjib), het is niet mogelijk dat niet-bestaan (adam) daaraan zou kunnen overkomen.
ad 2) Sifat-i salbiyyah of tanzihat (vrij zijn van ongerijmde eigenschappen):
Geloven dat Allahu Ta`ālā voorzien is met alle eigenschappen van de volkomenheid en dat Hij vrij is van alle eigenschappen van de onvolkomenheid. De ongerijmde eigenschappen ten aanzien van Allahu Ta`ālā zijn die eigenschappen die Allahu Ta`ālā onmogelijk kan bezitten. Deze zijn: niet-zijn, het geworden zijn, het te niet gaan, het gelijken op de geworden dingen, het behoeven van een ander dan Hij, het bestaan van een deelgenoot, het onmachtig zijn, het niet-willen ( gebeuren van dingen zonder zijn wil), het niet-weten, bestaan uit materie, begrensd zijn door plaats en tijd etc. De volgende vijf zijn de belangrijkste sifat-i salbiyyah:
- a) Qidam (beginloos): Allahu Ta`ālā s bestaan is beginloos, dit betekent dat Hij is vóór alle dingen, en dat Hij niet-bestaande is geweest te eniger tijd en dat aan Zijn bestaan geen eerder is voorafgegaan.
- b) Baqa' (eindeloos): Allahu Ta`ālā's bestaan is eindeloos, Zijn eindeloosheid heeft geen einde en zij zal nimmer ophouden. Het niet-zijn zal Zijn eindeloosheid niet te eniger tijd overkomen. (zie 57/3, 28/88, 55/26-27)
- c) Muhalafatu'l li'l hawadith (ongelijk aan de geschapenen): geen van de geschapen dingen lijkt op Allahu Ta`ālā , niet t.a.v. Zijn Wezen (Zat), niet t.a.v. Zijn Eigenschappen (Sifat) en niet t.a.v. Zijn Werken (Fi`il). Allahu Ta`ālā lijkt niet op iets van de geschapen dingen, op enigerlei wijze, zodat alles wat we zien of wat in ons opkomt, lijkt niet op Hem: "Niets is als Zijn gelijke" (32/11). Geen van Allahu Ta`ālā s eigenschappen ( Zijn weten, Zijn macht, Zijn wil, Zijn leven, Zijn horen, Zijn zien, Zijn spreken etc.) lijkt op die van de geschapenen. (zie 42/11)
-d) Qiyam bi Nafsihi/Zatihi: Allahu Ta`ālā s bestaan is door Zichzelf. Hij behoeft niets van de dingen die geschapen zijn, ruimte noch plaats, dus is Hij de Samad (Genoegzame) tegenover alle dingen, maar alle dingen hebben Hem nodig. (zie 112/1-2, 35/15)
- e) Wahdaniyah (eenheid): Allahu Ta`ālā is één en er is geen ander godheid dan Hem. Hij heeft geen deelgenoten, noch overeenkomstige, noch gelijkende, noch tegengestelde, noch tegenstander. Hij is één in Zijn Wezen (Zat), Zijn Eigenschappen (Sifat) en Zijn Werken (Fi`il). (zie 39/4, 112/1-4, 23/91, 17/42-43, 21/22)
ad 3) Sifat-i subutiyyah
De eigenschappen die noodwendig zijn bij Allahu Ta`ālā's bestaan worden Sifat-i subutiyyah genoemd:
-1) Hayat (het leven van Allahu Ta`ālā ): Allahu Ta`ālā is levend, en het leven van Hem is niet zoals ons leven, want ons leven is d.m.v. de bloedsomloop, de ademhaling en andere lichamelijke functies. Maar het leven van Allahu Ta`ālā is niet d.m.v. enig ding, het is beginloos, eindeloos, niet zijn en verandering zullen het nimmer overkomen. (zie 25/58, 20/111)
-2) `Ilm (het weten van Allahu Ta`ālā ): Allahu Ta`ālā weet alle dingen, het uitwendige ervan en het inwendige ervan, en Hij weet alle gebeurtenissen in het heelal. "Hij weet het heimelijk gesprokene en wat nog meer verborgen is" (20/7). Niets is voor Hem verborgen. Zijn weten is niet verworven, als die van ons. Hij weet de dingen al in de eeuwigheid voor hun bestaan. (zie 6/59, 58/7)
-3) Iradah (de wil van Allahu Ta`ālā ): Allahu Ta`ālā is willend, niets gebeurt dan met Zijn wil, zodat welk ding Hij wil, is, en welk ding Hij niet wil, het is niet mogelijk dat het is. (zie 3/26, 42/49)
-4) Qudrah (de macht van Allahu Ta`ālā ): Allahu Ta`ālā's machtig over alle dingen. (zie 24/44-45)
-5) Sam` (het horen van Allahu Ta`ālā ): Allahu Ta`ālā hoort alle dingen, zij het heimelijk of luid. Maar Allahu Ta`ālā's horen is niet zoals ons horen, want ons horen is d.m.v. lucht trillingen, het oor en de hersenen. Maar Allahu Ta`ālā's horen is niet door enig middel.
-6) Basar (het zien van Allahu Ta`ālā): Allahu Ta`ālā ziet alle dingen. Allahu Ta`ālā ziet zelfs de zwarte mier in de duistere nacht, en dingen die kleiner zijn dan dat. Niets in het heelal is voor Hem verborgen. Maar Allahu Ta`ālā zien is niet als ons zien, want ons zien is d.m.v. licht, het oog en de hersenen, maar Zijn zien is niet door middel van iets. (zie 14/19-20)
-7) Kalam (het spreken van Allahu Ta`ālā ): Allahu Ta`ālā's spreken is niet gelijk op ons spreken, want ons spreken wordt in ons geschapen en het is d.m.v. lichaamsorganen (stembanden, tong, lippen, hersenen) en lucht, maar Zijn spreken is niet aldus. (zie 18/109)
-8) Takwin (het scheppen van Allahu Ta`ālā ): Allahu Ta`ālā's scheppen lijkt niet op de werken van de bestaande dingen.
Hij schept de dingen zonder middel en zonder werktuig: (Nederlandse uitleg):
"Zijn bevel wanneer Hij iets wil, is slechts dat Hij zegt tot dat (iets): Wees, en het is (36/82).
Allahu Ta`ālā schept niets omdat Hij behoefte eraan heeft. En Hij schept niets zonder een nut, omdat Hij Wijs is. Wij zijn niet altijd in staat deze nut te beredeneren. Het is geen verplichting voor Allahu Ta`ālā iets te scheppen. Hij is vrij te doen wat Hij wil.
ad 4) Sifat-i djaizah of sifat-i fi`iliyyah: dingen die mogelijk zijn dat zij van Allahu Ta`ālā komen.
Allahu Ta`ālā kan de mogelijke dingen scheppen of nalaten. Deze eigenschappen kunnen we in vijf categorien onderverdelen:
-1) Tahliq (scheppen): Allahu Ta`ālā is de schepper van alles. Allahu Ta`ālā kan alles scheppen die Hij wil en nalaten wat Hij wil. Niemand is in staat zich ermee te bemoeien. Hij is de schepper van het goede en het slechte. Maar Hij is tevreden als we het goede kiezen en Hij is niet tevreden als we het kwade kiezen.
-2) Hidayah (op het goede pad brengen) en dalalah (tot dwaling brengen): het is mogelijk dat Allahu Ta`ālā degene tot de dwaling brengt wie Hij wil en Hij kan degene op het rechte pad brengen wie Hij wil, m.a.w. Hij schept zowel de weg naar de dwaling als de weg naar het rechte pad en niemand is in staat dit te weerhouden. Niemand kan Allahu Ta`ālā iets verplichten. Alles wat Allahu Ta`ālā doet, doet Hij vanwege Zijn Eigen Wil.
-3) (In het verleden) profeten sturen en Heilige Boeken openbaren. Als Allahu Ta`ālā wilde kon Hij de mensen ook zonder profeten of boeken Zijn godsdienst bekend maken. Het was dus voor Allahu Ta`ālā geen verplichting profeten of boeken te sturen. Omdat Allahu Ta`ālā erbarmen heeft met Zijn dienaren heeft Hij profeten en boeken gestuurd.
-4) Op de Dag des Oordeels zal Allahu Ta`ālā Zijn dienaren uit de dood doen opstaan (ba`th) en hen op een bepaalde plaats samendrijven (hashr). Dit is wederom geen verplichting voor Allahu Ta`ālā .
-5) Tan`im (gunsten verlenen) en ta'thib (straffen): Allahu Ta`ālā kan een ieder wie Hij wil belonen en een ieder wie Hij wil straffen. Hij kan grote zondes (buiten deelgenoot toekennen en ongeloof) vergeven terwijl Hij de kleine niet kan vergeven. Zowel gunsten verlenen, als straffen is geen verplichting voor Allahu Ta`ālā .
ad 5) Sifat-i habariyyah: eigenschappen van Allahu Ta`ālā die we alleen via berichtgeving (Qur’ān en ahadith) kennen. Als we de letterlijke betekenis van deze eigenschappen nemen dan is dat antropomorfisme. Dit wordt niet door de Ahl-i Sunnah geaccepteerd. (zie "De grenzen tussen iemaan en kufr"). De volgende eigenschappen zijn habariyyah:
-1) Yad ("hand")
-2) Wadjh ("gelaat"):
-3) `Ayn ("ogen"): 20/39
-4) Istiwa ("gezeten" ): 20/5
-5) Mardji ( "Allahu Ta`ālā's komen"): 89/22
-6) Ityan ("Allahu Ta`ālā's komen"): 2/210
-7) Nuzul ("nederdalen")
In de Qur’ān en ahadith wordt vermeld over de volgende eigenschappen van Allahu Ta`ālā :
-een "hand" (yad) aan Allahu Ta`ālā toegekend: (Nederlandse uitleg): "De "hand" van Allahu Ta`ālā's boven hun hand" (48/10),
-twee "handen" (yadday): (Nederlandse uitleg): "O,Iblis, wat heeft jou weerhouden dat je je nederwerpt voor hetgene (Adam ( عليه السلام) Ik geschapen heb met mijn twee "handen" (38/75),
-"ogen" (`ayn): (Nederlandse uitleg): "En wacht op het oordeel van uw Heer, want je bent in Onze "ogen" (52/48),
-"gelaat" (wadjh): (Nederlandse uitleg): "Een ieder die er op de aarde is zal vergaan, maar jouw Heers "gelaat" van majesteit en eer blijft bestaan" (55/27),
-istiwa ("gezeten"): (Nederlandse uitleg): "De Erbarmer is op de troon (`arsh) "gezeten" (20/5),
-mardji ("Allahu Ta`ālā's komen"): (Nederlandse uitleg): "...en jouw Heer komt en de engelen in rij na rij opgesteld zijn" (89/22),
-ityan ("Allahu Ta`ālā's komen"): (Nederlandse uitleg): "Kunnen zij dan iets anders verwachten dan dat Allahu Ta`ālā in de schaduwen van de wolken tot hen komt en ook de engelen?' (2/210)
-en nuzul ("nederdalen"): (Nederlandse uitleg): "Na het einde van de nacht ( letterlijk: laatste derde deel van de nacht) daalt jullie Heer neder op aarde" (Bukhari en Muslim).
Maar het is niet geoorloofd dat aan Allahu Ta`ālā iets anders wordt toegekend dat wat Hij aan Zichzelf heeft toegekend in de Qur’ān of Zijn Nabie Hem heeft toegekend in zijn ahadieth.
Hoewel de eigenschappen van Allahu Ta`ālā zoals "hand" (yad), twee "handen" (yadday), "ogen" (`ayn), "gelaat" (wadjh), "gezeten" (istiwa) etc. bekend zijn, is het hoe ervan onbekend. De bedoeling met deze eigenschapppen is een begrip dat past bij Allahu Ta`ālā's grootheid, want al wat toegekend wordt aan Hem is niet gelijk op iets van de geschapen dingen. En wie gelooft dat Hij een hand etc. heeft zoals onze ledematen en onze handelingen, dan behoort hij tot degenen over wie de verbeelding heeft gezegevierd, omdat hij Allahu Ta`ālā gelijk gemaakt heeft aan Zijn schepselen, terwijl het vast staat in de rede en in de Qur’ān dat niets aan Allahu Ta`ālā gelijk is. Zoals Zijn wezen niet lijkt op het wezen van iets van de geschapen dingen, zo lijkt hetgeen tot Hem wordt herleid, niet op iets hetgeen tot die geschapen dingen wordt herleid: "... niets is Zijn gelijke..." (42/11)
De geleerden van het voorgeslacht (Salaf) hebben deze eigenschappen nooit uitgelegd of geinterpreteerd. Ze geloofden in deze eigenschappen zonder naar hoe te vragen of vergelijking te maken met iets anders. En de meeste geleerden van het nageslacht ( Khalaf) leggen "gezeten" (istiwa) uit met: "macht", en "hand" (yad) met: "gunstbewijs" of "macht", en "ogen" (`ayn) met: "bewaken" en "hoeden".
Hoewel de Khalaf op dezelfde manier in deze eigenschappen geloven als de Salaf vinden ze het noodzakelijk deze eigenschappen te interpreteren. Als die eigenschappen niet overdrachtelijk uitgelegd worden aan het gewone volk, en vervreemd van hun uitwendige betekenis, dan weten ze dat bij het gewone volk de gedachten opkomt Allahu Ta`ālā gelijkenis toe te kennen met de geschapen dingen. Beide groepen zijn het eens dat degene die Allahu Ta`ālā met de geschapen dingen gelijkmaakt dwalende is. Daarom hebben de Khalaf geleerden de rede en de overlevering gebruikt bij het vrijhouden van Allahu Ta`ālā van gelijkmaking.
In het algemeen is het zo dat de richting van de Salaf door de muslims aangehangen wordt, omdat het gezonder en beter gefundeerd is. Wat betreft de richting van de Khalaf, het is geoorloofd zich daaraan te houden ingeval van nooddwang. Dat doet zich voor wanneer er sprake is van sommige mensen dat zij, indien voor hen deze eigenschappen niet overdrachtelijk worden uitgelegd, vallen in de afgrond van de gelijkmaking van Allahu Ta`ālā aan geschapen dingen, daarom is het overdrachtelijk uitgelegd, met een passende uitleg, in bekende taal.
3 Sam`iyyaat
3.1) HET GELOVEN IN DE ENGELEN.
Engelen zijn fijne lichamen, geschapen uit licht. Zij eten niet, zij drinken niet en zij zijn "geëerde dienaren" (21/26), "zij zij niet ongehoorzaam aan Allahu Ta`ālā wat Hij hun bevolen heeft, maar zij doen wat hun bevolen wordt" (66/6).
De mensen, behalve de profeten, kunnen de engelen , wanneer ze in hun oorspronkelijke vormen zijn, niet zien, omdat zij fijne lichamen zijn, zoals men de lucht niet kan zien, ofschoon deze uit atomen bestaat en de ledige ruimte vult. Maar als de engelen de vorm van een dicht lichaam aannemen, zoals een mens, dan ziet men hen wel. Dat de profeten hen konden zien in hun oorspronkelijke vormen, is een privilege waarmee zij in het bijzonder door Allahu Ta`ālā begiftigd zijn, omdat zij de godsdienstige vraagstukken en de bepalingen van de Shari`ah vernemen.
We verbazen ons niet dat microscopisch kleine voorwerpen bestaan. Wij zien ze niet met het blote; gewoonlijk kunnen zulke voorwerpen niet gevat worden door het verstand. Want voor ons bevinden zich vele levenden en niet levenden, welke het gezichtsvermogen niet vat, en als er geen vergrootglas of microscoop was, zouden wij waarlijk menen, dat zij niet bestonden en geen werking hadden. Zo is het ook niet verwonderlijk, dat sommigen in het bijzonder begiftigd zijn met het zien van dingen die de andere gezichtsvermogens niet vatten, want in het onderling verschillen van de gezichtsvermogens ten aanzien van de sterkte en de zwakte van het vatten ligt ,,een voorbeeld voor de lieden van inzicht".
Sommige Engelen zijn gezanten tussen onze Rab (Heer)- Die geprezen en verheven is-en Zijn Profeten en Zijn Gezanten, zoals Djabrail ( عليه السلام) , sommigen zijn ,,wakers" over de mensen, sommigen schrijven de daden van de mensen op goed of kwaad, sommigen zijn belast met het Paradijs en zijn heerlijkheid, en sommigen zijn belast met de Hel en haar straf, sommigen zijn de dragers van de Troon, en sommigen zorgen voor de belangen en voordelen der mensen, en zo voort, alles wat hun bevolen is.
HET GELOVEN IN DE GODDELIJKE BOEKEN
Allaah heeft Boeken doen nederdalen op Zijn Profeten waarin Hij uiteengezet heeft wat Zijn bevelen en Zijn verboden, Zijn belofte en Zijn bedreiging. Zij zijn het Woord van Allaah in Werkelijkheid, zij zijn voortgekomen uit Hem zonder hoedanigheid t.a.v. het spreken. Hij heeft ze doen nederdalen als openbaring. Tot die Boeken behoren: de Tauraat (Thora), de Zaboer (Boek der Psalmen), de Indjiel (Evangelieen) en de Qur’ān.
De Tauraat is een Boek uit de Boeken van Allaah. Hij heeft de Tauraat doen nederdalen op hem die met Hem gesproken heeft, namelijk Moesa ( عليه السلام) . Hij bevat de verklaring van de bepalingen van de Heilige Wet (Shari`ah), de ware leerstukken van Zijn welbehagen, de blijde aankondiging van het verschijnen van een Nabie uit de zonen van Isma`iel ( عليه السلام) , onze Nabie (صلى الله عليه وسلم ) en de aanwijzing dat Hij een nieuwe Shari`ah zou brengen, die de mensheid tot het verblijf van de heil zou leiden.
In de Qur’ān wordt vermeld dat de Tauraat die thans aanwezig is, onderhevig was geweest aan verdraaiing. Eén van de belangrijkste zaken in het geloof, het geloven in het Hiernamaals (het Paradijs, de Hel, wederopstanding etc.) wordt niet in de huidige Tauraat genoemd. In het laatste hoofdstuk wordt gesproken over de dood van Moesa ( عليه السلام) , terwijl hij aan Moesa ( عليه السلام) zelf is geopenbaard.
De Zaboer is een Boek uit de Boeken van Allaah. Hij heeft de Zaboer doen nederdalen aan Daawoed ( عليه السلام) . Hij is een ontvouwing van de gebeden en lofprijzingen en vermaningen en wijsheiden. Er komen geen bepalingen van de Sharia`ah in voor omdat aan Daawoed ( عليه السلام) bevolen was de Shari`ah van Moesa ( عليه السلام) te volgen.
De Indjiel is een Boek uit de Boeken van Allaah. Hij heeft de Indjiel doen nederdalen aan Masieh `Iesa ( عليه السلام) . Hij bevat verklaring van de werkelijkheden, de oproep aan de schepping tot de belijdenis van de eenheid van de Schepper, de afschaffing van sommige afgeleide bepalingen van de Tauraat, naar gelang van de behoefte en de blijde verkondiging van de zegel der Profeten.
Net als de Tauraat en Zaboer is de Indjiel verdraaid. De Indjiel die we tegenwoordig kennen bestaat uit vier Evangeliën, Mattheus, Marcus, Lucas en Johannes, genoemd naar hun schrijvers. Sommige van hen hebben an-Nabie `Iesa nooit gezien. De Evangelie van elk van deze schrijvers heft de ander op t.a.v. vele vraagstukken.
De christenen hebben honderden Evangeliën gehad behalve deze vier, maar meer dan 200 jaar na `Iesa ( عليه السلام) ten hemel was opgenomen, hebben christelijke geleerden besloten hetgeen buiten deze vier valt te verwerpen, om zich te bevrijden van de veelheid van de onderlinge opheffingen en om te ontkomen aan de overvloed van strijdigheden en tegenspraken.
De Qur’ān is het Edelste Boek dat Allaah heeft doen nederdalen op de edelste van Zijn Profeten, Muhammad (صلى الله عليه وسلم ). Hij is het laatst nedergedaalde Boek van de Goddelijke Boeken.
De Qur’ān is het grootste van de wonderen omdat hij een verstandelijke teken is dat blijven zal zolang de tijd duurt. (zie verder 'Een korte leidraad om de Islaam beter te leren begrijpen'.)
HET GELOOF AAN DE LAATSTE DAG
De oordeelsdag (Yawm ad-dien) is een van de voornaamste punten van de Qur’ān verkondiging. Hij ligt in het perspectief van de verrijzenis (qiyamah) of samendrijving (al ba`th), welke uitvoerig beschreven wordt. De drie namen, yawm ad-dien, yawm al qiyamah en yawm al-ba'th zijn in zekere zin synoniem. Dan zal de verzameling ( hashr) plaats hebben van heel Adams ( عليه السلام) geslacht: iedereen zal geoordeeld worden en vergelding ontvangen voor alle eeuwigheid. De gelovigen aan de rechterzijde zullen toegelaten worden tot de geneugden van het paradijs; de ongelovigen zullen veroordeeld worden tot de kwellingen van de hel. Wij zouden hele soera's kunnen aanhalen met uitvoerige beschrijvingen van het oordeel en de eeuwige verblijfplaatsen. Meer dan 300 verzen (ayaat) spreken over goede en slechte daden van de mens en over de vergelding die ervoor te verwachten is.
De verkondiging van de oordeelsdag klinkt zonder aarzelen, fors en doordringend. Vele voorafgaande tekenen worden in de Qur’ān opgenoemd. De aarde zal ervan schudden en beven, het hemelgewelf zal splijten, de bergen zullen ronddwarrelen als vlokken gekaarde wol (101/5 ), de zon zal opgaan in het westen, een luid geschal zal weerklinken (79/6) wanneer er op de bazuin geblazen wordt (74, 8). Dan zal de grote fana` komen: de 'vernietiging' van alle creatuur, behalve van datgene wat Allaah volgens zijn soevereine wil besluit te laten voortbestaan. Bij de tweede bazuinstoot zullen, in een oogwenk, de doden de voorbije tijd te samen met de pas vernietigenden ten leven herrijzen.
Dit heeft bedoeling om Allaahs overweldigende almacht te doen uitkomen en om in de harten van de gelovigen een heilzame vrees op te wekken voor dat ontzagwekkende uur, waarin "alles bloot zal komen liggen". Allahs transcendentie straalt helder tegen de achtergrond van deze fanaa' waar, letterlijk, "alles vergaat behalve zijn aangezicht" (28, 88), en waar Allaah, de Zijnde, het enig overblijvende Wezen is, majestueus en alleen, als voor de schepping. Zijn rechtvaardigheid straalt in volle glorie bij deze reusachtige rechtszitting, waar alle herrezenen gedaagd zijn om hun daden aan het licht gebracht te zien en het vonnis van de eeuwige Rechter (al Hakiem) te vernemen.
Wat betreft de Laatste Dag, dat is een Dag, groot van verschrikkingen, waarop kleine kinderen witte haren zullen krijgen (73/17), waarop de mensen zullen opstaan uit hun graven en samengedreven worden naar een hoogland voor de Afrekening; vervolgens zal hun zaak uitlopen op de beloning of op de straf. En wat betreft ons geloof daaraan, dat is, voor waar te houden dat hij zeker zal komen. en dat dan zal verschijnen al wat in de Qur’ān en in de Overleveringen terzake is overgeleverd.
Wij geloven in het hiernamaalsleven:
aan verhoor in het graf,
aan de geneugden of de straffen in het graf,
aan de Samendrijving van de menselijke lichamen, en dat de mensen opgewekt zullen worden zoals zij aanvankelijk geschapen zijn,
aan de Afrekening en de Weegschaal,
aan het gegeven worden van het boek, hetzij in de rechterhand, hetzij in de linkerhand (69/19,25 ),
aan de Brug,
aan het binnengaan van het Paradijs door de gelovigen, het verblijf der heerlijkheid, en het binnengaan van de Hel door de ongelovigen, het verblijf der kwelling.
De ondervraging van het graf.
Wij geloven dat, wanneer de dode is gelegd in zijn graf, zijn geest wordt teruggebracht in zijn lichaam, in een mate dat hij het toespreken begrijpt en het antwoord geven kan, vervolgens komen tot hem twee Engelen, die hem vragen naar zijn Rab (Heer), naar zijn dien (gods-dienst) waarbij hij geleefd heeft, en naar de plichten die Allah hem bevolen had na te komen.
Indien de dode behoord heeft tot degenen die geloofd hebben en de goede werken gedaan hebben, antwoordt hij op de ondervraging door de hulp van Allaah op de beste wijze, zonder voor hen beiden te vrezen, of ontsteld te worden. En dan ontsluit Allah zijn gezichtsvermogen en opent voor hem een poort van de poorten van het Paradijs, zodat hij de grote heerlijkheid verkrijgt, en er wordt tot hem gezegd: "Dit is de beloning van hem die in zijn aardsleven leven op de rechte weg is geweest."
Indien de dode een ongelovige is geweest of een wankelmoedige, wordt hij verbijsterd en weet hij niet wat hij zeggen zal in de beantwoording, en dan straffen zij hem met een hevige straf: zijn gezichtsvermogen wordt ontsloten en hem wordt geopend een poort van de poorten der Hel, en voor hem worden vermenigvuldigd de soorten van straf en van pijn. En zij zeggen tot hem: "Dit is de vergelding van hem die ongelovig is geweest aan zijn Rab, en zijn hartstocht en zijn lust gevolgd is."
Iedereen die gestorven is wordt ondervraagd, vervolgens wordt hij gestraft, of hem wordt de heerlijkheid gegeven. Er is geen onderscheid tussen degene begraven is in een graf, of b.v. in de buik van een roofdier of in de diepte van de zee zit. Want "Allaah is over alle ding machtig" en "alle dingen wetende en wijs"
De beloning of de straf in het graf.
Wanneer in de dode zijn geest teruggebracht, ondervraagd en beloond/gestraft wordt zien we er niets van. Allah sluit onze ogen van af, om ons te beproeven, opdat zal blijken wie het geheimenis gelooft, en wie er niet aan gelooft. Als de mensen dat zouden zien, zouden zij allen geloven en er zou geen verschil tussen de mensen zijn, en de boze zou niet te onderscheiden zijn van de goede, en de slechte van de brave.
Het leven in het graf kunnen we vergelijken met een slapende die in zijn slaap dingen ziet waardoor hij blij wordt en zich aangenaam voelt, of dingen ziet waarvan hij bedroefd wordt en zich droevig voelt. Degene die naast hem zit, kijkt hem aan, maar weet niet wat de slapende voelt. En evenzo wordt de dode ondervraagd in zijn graf en antwoordt en voelt zich aangenaam of droevig, terwijl niemand van de levenden het weet of kent.
Samendrijving (hashr).
Wij geloven dat Allaah de mensen, allen, na hun dood zal scheppen met een "...andere schepping.."(53/47) die lijkt op "de eerste schepping" (56/62); zij zullen vervolgens opstaan uit hun graven en samengedreven worden naar een plaats, die de Standplaats genoemd wordt.
Afrekening (hisaab)
Wij geloven dat Allah, nadat Hij de mensen samengebracht heeft naar de Plaats der Samendrijving, met iedereen afrekening houdt en hem doet bekennen wat hij gedaan heeft aan goed of aan kwaad. De engelen zullen iedereen zijn boek (kitaab) overhandigen. Als de schuldigen zouden willen ontkennen wat er in hun boek staat, zullen hun eigen ledematen, hun tong, hun handen en hun voeten, tegen hen getuigen.(24/24) Van allen zullen hun schanden blijken, de bewijzen zullen tegen hen opstaan en hun zal geen verontschuldiging overblijven als bewijsvoering. "En wie goed gedaan heeft, het gewicht van een stofje, zal het zien, en wie kwaad gedaan heeft, het gewicht van een stofje, zal het zien" (99/7)
De Weegschaal (miezaan)
Wij geloven dat, nadat Allah af heeft gerekend met de mensen en nadat ze hun werken hebben bekend, hun daden zullen worden gewogen, opdat van elk van hen opengelegd wordt de maat van zijn werken: wiens goed meer weegt dan zijn kwaad, hem zal zijn boek gegeven worden in zijn rechterhand: "hij heeft verworven, een grote verwerving" (30/71), en wiens kwaad meer weegt dan zijn goed, hem zal zijn boek gegeven worden in zijn linkerhand: "hij heeft verlies geleden, een duidelijk verlies" (4/119). De uitverkorenen van het Paradijs zullen het in de rechterhand krijgen en de rampzaligen die naar de Hel worden gestuurd verbergen het achter hun rug (84/7-10). Als Allaahs barmhartigheid het wil, zullen de rechtse zwaarder wegen dan de linkse. Iedereen zal in elk geval zich met eigen ogen kunnen overtuigen dat zijn vonnis rechtvaardig is.
De Brug (siraat)
Na de weging zullen allen, zowel muslims als niet-muslims, zowel rechtvaardigen als veroordeelden, over de Brug passeren (36/66; 37/23-24), die zo 'smal is als een hoofdhaar' en zo 'scherp is als een zwaard'. De Brug is uitgestrekt over de rug van de Hel, opdat de mensen daarover voorbij zullen gaan. Voor de muslim zal Allaah de overtocht vergemakkelijken naargelang hun goede daden of naargelang zijn eigen barmhartigheid. De voeten van de gehoorzame mu'mins en zij die vergeving gevonden hebben staan er vast op, en zij gaan ongedeerd erover naar het Paradijs, sommigen van hen gaan erover als de bliksem, anderen gaan erover als een paard, en anderen zijn langzaam van gang. De voeten van de ongelovigen en de ongehoorzamen uit de gelovigen glijden er van af, en zij vallen in het Vuur. En niet verwonderlijk is het, dat Hij de zaligen gemakkelijk doet overgaan.
De voorspraak (shafa`ah)
Voorspraken zullen zijn de Profeten en en de goede werken verrichtende Godgeleerden en de Geloofsgetuigen. Zij zullen voorspraken zijn voor enige van de ongehoorzame muslims.
Niemand uit de Profeten, laat staan uit de anderen, zal tot Allaah kunnen spreken ten aanzien van iemand uit de ongelovigen, omdat zij weten, dat het woord van de straf reeds vaststaat over hen en dat Allaah daartoe geen verlof geeft. Hij heeft gezegd: (Nederlands uitleg) "Wie is het die voorspraak is bij hem, anders dan met Zijn verlof?" 2/255), en "Op die dag zal het voorspreken van geen nut zijn, behalve van hem wien de Erbarmer verlof heeft gegeven en aan wiens woorden Hij welgevallen heeft gehad" (20/109)
Al-Kawthar
Hij heeft erop gewezen met Zijn woorden: (Nederlands uiteg) "Wij hebben u gegeven Al-Kawthar"(108/1). Al-Kawthar is een rivier in het Paradijs, waarvan bet water witter is dan melk en zoeter dan honig. Wie van haar water een dronk gedronken heeft, zal daarna nimmer dorst hebben. Het oordeel over de gehoorzame na de Afrekening is, dat hij het Paradijs binnengaat, om eeuwig te verblijven in zijn welaangename heerlijkheid.
Het oordeel over den ongelovige of de wankelmoedige na de Afrekening is, dat hij het Vuur binnengaat om daarin eeuwig te verblijven, terwijl de smart en de straf niet van hem aflaten.
Het oordeel over de ongehoorzame muslim na de Afrekening is, indien Allaah hem vergeven heeft, dat hij het Paradijs binnengaat, van het begin af, om daarin eeuwig te verblijven, maar, indien Hij hem niet vergeven heeft, dat hij gestraft wordt in het Vuur, voor een tijd naar de mate van zijn zonde, vervolgens zal hij eruit komen en het Paradijs binnengaan om daarin eeuwig te verblijven. In elk geval: het geloof is de beslissende factor bij de vraag of iemand het Paradijs zal binnengaan of niet. "Wie in zijn hart een grijntje geloof bezit, zal niet tot de bewoners van de hel behoren' (Bukhaarie). En toch zullen alle daden op de laatste dag aan het licht komen en vergolden worden volgens Allaahs rechtvaardigheid en vrije keus. 'Wie een greintje goeds verricht heeft, zal vergelding vinden; wie een greintje kwaad gedaan heeft, eveneens' (99/7-8).
Het Paradijs (djannah)
Het is het verblijf van de bestendige heerlijkheid, een verblijf, "daarin is wat de zielen begeren en waarvan de ogen genieten" (43/71)73), een verblijf waarin is, wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in het hart van het mensdom niet is opgekomen.
De Hel (djahannam)
Het is het verblijf van de bestendige straf, een verblijf waarin alle soorten straffen zijn, die niet opkomen in de verstanden.
NUBUWWAH (Nabieschap)
2.1) HET GELOVEN IN DE PROFETEN.
Allahu Ta`ālā heeft het gehele heelal en alles wat zich daarin bevindt uit het niets geschapen. Alle levende organismen, die geen verantwoordelijkheid kunnen dragen (dus de mens en de djien ("geest") uitgezonderd) en levenloze dingen hebben zich onderworpen aan Allahu Ta`ālā's wetten. Door verstand, intelligentie en eigen wil heeft de mens een niet te evenaren positie ingenomen onder de levende organismen. Daarom heeft Allahu Ta`ālā de mens dan ook vele plichten en verantwoordelijkheden opgelegd:
Voorwaar, Wij hebben de Amaanah (godsdienstige verplichtingen) aan de hemelen en de aarde en de bergen aangeboden, maar zij weigerden deze te dragen en zij waren er beducht voor, maar de mens nam deze op zich. Voorwaar, hij (de mens) is onrechtvaardig en onwetend. (Nederlandse betekenis van surati'l Ahzaab33/72)
De Qur’ān heeft de grenzen van deze plichten en verantwoordelijkheden als volgt samengevat:
Bij de tijd. De mens is waarlijk in verlies. Behalve degenen die geloven (in de Islamitische monotheïsme) en goede daden verrichten en elkaar aansporen tot de Waarheid en elkaar aansporen tot geduld. (Nederlandse betekenis van Suratu'l `Asr (Qur’ān 103/1-3)
De mensheid heeft de plicht en de verantwoordelijkheid tegenover zijn Schepper deze vier principes na te leven.
- Maar hoe weten we wat deze vier principes inhouden?.
- Hoe moeten we geloven?.
- Hoe moeten we goede werken verrichten?.
- Hoe moeten we waarheid en rechtvaardigheid grondvesten?.
- En hoe moeten we geduld opbrengen tegen alle tegenslagen in ons leven?.
De geschiedenis heeft ons geleerd dat het onmogelijk is juiste antwoorden op deze vragen te vinden zonder een leidraad en een voorbeeld.
Allahu Ta`ālā heeft de mens met een bepaald doel geschapen: (Nederlndse betekenis): En Ik heb de Djiens en de mens slechts geschapen om Mij te dienen (surati'dz Dzaariyaat 51/56). Vervolgens heeft Hij hen de rechtgeleide weg gewezen door Zijn leidraad (Zijn geopenbaarde Boeken: (voor de komst van de Islaam) de Tora (Tawraat), de Psalmen (Zaboer), en het Nieuwe Testement (Indjiel) en met de komst van de Islaam, de Qur’ān) en Zijn gidsen (profeten, van Adam ( عليه السلام) tot en met Muhammad (صلى الله عليه وسلم ) Allahu Ta`ālā heeft dus niet alleen Zijn Woord maar ook Zijn uitverkoren dienaren naar de mensheid gestuurd als perfecte voorbeelden om hen hier op aarde en in het hiernamaals gelukkig te maken.
Een van de fundamenten van het geloof (iemaan) is het geloven in die profeten (e.v. nabie, m.v. anbiyaa').
De eerste betekenis van de stam van "nabie" is: aankondigen, gebeuren; in de tweede verbale vorm: een tijding melden. Een Nabie is dus iemand die Allahu Ta`ālā's wege aan de mensen een tijding brengt.
In de Islamitische theologie is een onderscheid gemaakt tussen an-Nabie die alleen maar Nabie is, in de beperkte zin van het woord, en an-Nabie die tegelijkertijd gezant (rasoel) is.
Een Nabie is iemand die een Goddelijke boodschap ontvangt die niet noodzakelijk voor een volk bestemd is. Aan hem wordt geen Goddelijke Wet (Shari`ah) geopenbaard maar hij handelt in overeenstemming met de Shari`ah van de voorgaande gezant. Ook al is hem dan niet bevolen om dit aan mensen over te brengen, hij moet de mensen wel bekend maken dat hij een Nabie is. De reden hiervan is dat de mensen naar hem moeten luisteren en hem eren en erkennen als Allahu Ta`ālās Nabie.
Als Allahu Ta`ālā een Nabie een Goddelijk Boek heeft geopenbaard, waarin de Shari`ah verwoord is, en hij wordt bevolen om het aan de mensen over te brengen, dan is hij naast een Nabie ook een gezant (e.v. Rasoel, m.v. Rusul). Dus elk rasoel is een nabie maar niet elk nabie is een rasoel. Alle profeten zijn zelf ook onderworpen aan de boodschappen die ze aan de mensen verkondigen, zodat ze een voorbeeld en een gids voor de muslims zullen worden. Ze waren het hoofd en gids van hun gemeenschap (`ummah).
Het is dus voor elke muslim verplicht (fardh) in alle profeten te geloven:
(O, Mijn Rasoel) zeg:"Wij geloven in Allahu Ta`ālā , in wat naar ons is nedergezonden (Qur’ān), in wat naar Ibrahiem ( عليه السلام) , Isma`iel ( عليه السلام) , Ishaaq, Ya`qoeb ( عليه السلام) en hun kleinkinderen is nedergezonden, in wat aan Moesa ( عليه السلام) en `Isa ( عليه السلام) (resp.
Tawaat (Tora) en Indjiel (Evangelie) is gegeven en in wat aan (alle andere) profeten door hun Rab gegeven is. Wij maken geen verschil tussen één van hen en wij zijn muslims (die zich aan Hem hebben overgegeven)". (Nederlandse betekenis van Suratu'l Baqarah (2)/136).
"Goedheid is niet dat jullie je gezichten naar het oosten en het westen wendt, maar goedheid is wie gelooft in Allahu Ta`ālā , in de Laatste Dag, in de engelen, in het Boek (Qur’ān) en in de profeten..." (Nederlandse betekenis van Suratu'l Baqarah (2)/177).
Een muslim gelooft in elke Nabie zonder onderscheid tussen hen te maken:
Zij (de ongelovigen (kafiroen, e.v. kaafir) die niet in Allahu Ta`ālā en Zijn gezanten geloven en die tussen Allahu Ta`ālā en Zijn gezanten onderscheid willen maken en zeggen:" Wij geloven in sommige (profeten) maar in anderen niet", en die een tussenweg willen nemen (tussen geloof en ongeloof (iemaan en kufr), dat zijn de ware ongelovigen. Voor de ongelovigen hebben Wij een vernederende bestraffing klaargemaakt. Zij (de gelovigen, muslimoen, e.v. muslim) die gelovin in Allahu Ta`ālā en (al) Zijn gezanten (en profeten) en tussen hen geen enkel onderscheid maken; dat zijn zij aan wie Hij hun loon (hier op aarde en in het hiernamaals) geeft. Allahu Ta`ālās vergevend en barmhartig". (Nederlandse betekenis van Suratu'n Nisaa' (4)/150-152).
Geloof in en gehoorzaamheid aan Allahu Ta`ālā en al Zijn profeten is immers een onderdeel van ons geloof: "Dit zijn door Allaah vastgestelde bepalingen en hij die Allah en Zijn Boodschapper gehoorzaamt: Hij (Allah) zal hem het Paradijs binnenleiden, waar onder door de rivieren stromen. Zij zijn eeuwig levenden daarin. En dat is de geweldige overwinning.. En hij die Allah en Zijn Boodschappper ongehoorzaam is en Zijn bepalingen overtreedt, Hij (Allah) zal hem de Hel binnenleiden. Zij zijn eeuwig levenden daarin.
En voor hem is er een vernederende bestaffing." (Nederlandse betekenis van surati'n Nisaa (4/13-14)
2.1.1 DE REDEN VAN HET ZENDEN VAN PROFETEN.
Mensen hebben een behoefte aan leidinggevenden. De profeten, die door Allahu Ta`ālā uitverkorenen zijn onder de mensen (zie Aal-i Imraan (3)/33), zijn boodschappers tussen Allahu Ta`ālā en Zijn dienaars. Ze zijn een voorbeeld en een gids voor de mensen. Want zonder hen zouden de mensen niet de rechtgeleide weg kunnen vinden. Hoewel de mensen het bestaan en eenheid van Allahu Ta`ālā zouden kunnen beredeneren, zijn ze niet in staat Allahu Ta`ālā's eigenschappen, geboden en verboden, het leven in het hiernamaals, rituele handelingen, goddelijke waarden en normen te begrijpen. Kortom, ze zouden het doel van hun leven niet kunnen weten. Daarom heeft Allahu Ta`ālā profeten gezonden om hen al dit soort dingen te vertellen en te onderwijzen. Dit heeft Allahu Ta`ālā alleen gedaan bij wijze van barmhartigheid ("En Wij hebben jou slechts als barmhartigheid voor de wereldbewoners (mensen en geesten) gezonden". (Nederlandse betekenis van surati'l Anbiyaa' (21)/107) en gunst Zijnerzijds.
Waarom zijn er profeten getuurd?.
1- de gelovigen de blijde aankondiging van de beloning, hier op aarde en in het hiernamaals (djannah: paradijs) te brengen en de ongelovigen te waarschuwen met de bestraffing in de hel (djahannam), indien zij halsstarrig zijn boodschappen blijven verloochenen (zie surati'n Nisaa' 4/165).
2- de mensheid en de geesten (djinn) op te roepen tot geloof en aanbidding van Zichzelf en de godsdienst in zijn geheel na te leven ("En Wij hebben voor jouw tijd geen gezant gezonden zonder dat Wij hem geopenbaard hebben dat er geen godheid is dan Ik, dien Mij dus".(Nederlandse betekenis van surati'l Anbiyaa' (21)/25)
3- hen te herinneren aan hun belofte die ze in de voor-eeuwigheid (azal), voor de schepping van de lichamen, aan hun Schepper hebben gedaan: "Ben Ik niet jullie Rab?. Daarop antwoordden zij: "Ja, wij getuigen". (Nederlandse betekenis van surati'l A`raaf 7/172),
4- hen te herinneren aan de Laatste Dag en het hiernamaals,
5- hen te berichten over de dingen die verborgen zijn voor hun blikken en over de dingen die ze niet kunnen bereiken met hun gedachten
6- hen te verlossen van alle twijfels, ongeloof, onrecht en onzedelijkheid
7- hen de beslissende bewijs (Goddelijke Boek) te bevestigen
8- en hen in alle facetten van hun leven hier op aarde en in het hiernamaals te leiden op de rechtgeleide pad naar de waarheid en de verlossing.
2.1.2 TAKEN VAN PROFETEN.
Door de profeten hebben mensen onderscheid kunnen maken tussen geloof en ongeloof, tussen het goede en het kwade, tussen de waarheid en de leugen, tussen redelijkheid en onredelijkheid, en tussen vriend en vijand. Alle profeten hebben als de belangrijkste taak de mensen van de duisternis (ongeloof) naar het licht (geloof) te leiden. Ze hebben de mensen altijd naar het goede opgeroepen en hen van het slechte weerhouden. Ze waren een perfecte voorbeeld van rechtvaardigheid, barmhartigheid, standvastigheid en van alle ander goede deugden. Elk van hen heeft de draad van degene voor hem opgepakt en een steentje bijgedragen in de vervolmaking van Allahu Ta`ālā's godsdienst. Deze godsdienst heeft zijn perfectie bereikt met de komst van de zegel (laatste) der profeten, Muhammad (صلى الله عليه وسلم )
Zou Allahu Ta`ālā geen profeten hebben gestuurd dan zou de toestand van de mensheid veel slechter zijn geweest. De mensheid zou zijn Schepper niet hebben gekend om Hem te kunnen aanbidden. Ze zouden ook het doel van hun schepping niet kunnen weten. Ze zouden niet alleen in ongeloof en dwaling hebben geleefd maar de maatschappij waarin ze leven zou zijn vervallen. Juist die profeten hebben harten naar de goddelijke leiding (hidayah) getrokken. Wat noch de moderne maatschappijen noch de klassieke maatschappijen hebben kunnen bereiken wat door hen in een zeer korte tijdsbestek is gerealiseerd. Zij zijn het die de harten van miljarden mensen door de eeuwen heen hebben gezuiverd. Ze hebben de mensen zowel geestelijk als materieel tot in de sterren verheven. Ze hebben ook op politiek, sociaal en economisch terrein orde op zaken gesteld, teneinde tot een harmonieuze en duurzame samenleving te komen. Dit ging niet van een leien dakje. Ze hebben verdriet, uitputting, ontberingen en tegenslagen moeten trotseren. Ze hebben hun hoop en toevertrouwen op Allahu Ta`ālā gevestigd en weerstad geboden tegen al deze onrechtvaardigdheden en hun boodschappen tot het einde verkondigd. Uiteindelijk heeft Allahu Ta`ālā's partij gezegevierd.
En als dankbetuigen voor dit, hebben hun volgelingen al hun liefde, gehoorzaamheid en eerbied aan Allahu Ta`ālā en aan Zijn profeten gegeven. Door hun boodschappen hebben hun volgelingen de mensheid een les geleerd over rechtvaardigheid, geluk en welvaart. Verder hebben ze het leven van profeten als voorbeeld genomen in hun manier van leven, zelfs tot in de kleinste details. Door het volgen van de uitgestippelde rechtgeleide weg hebben ze ideale beschavingen opgebouwd. En door het verlaten van deze weg zijn deze beschavingen tot in het diepste van het diepste gedaald. Als we de zaak objectief bekijken, zullen we waarschijnlijk tot de volgende conclusie komen: Zonder de profeten zou noch de mensheid noch de wereld hebben kunnen bestaan.
Allahu Ta`ālā's hulp en uiteindelijke overwinning behoort toe aan Allahu Ta`ālā's profeten en de muslims die hen helpen.
Als we in de geschiedenis boeken kijken, is er dan iemand, die zo'n uitwisbaar stempel op de geschiedenis heeft nagelaten als de profeten en hun ware volgelingen?. Welk wereldlijk leider is het gelukt zo'n invloed op de mensheid uit te oefenen als zij?. Wie van hen mag zich gelukkig prijzen als een perfecte voorbeeld voor de gehele mensheid?. Wie van hen is in al zijn doen en laten eerlijk, oprecht en betrouwbaar?. Wie van hen wordt zelfs na zijn aftreden of dood nog steeds door miljarden mensen gehoorzaamd, geëerd en als voorbeeld genomen?. Het antwoord op al deze vragen is en blijft: niemand.
De profeten zijn verkondigers van goed nieuws (voor de gelovigen) en als waarschuwers (voor de ongelovigen), opdat de mensen tegen Allahu Ta`ālā geen argument zouden hebben na (het optreden van) de gezanten (in het hiernamaals) (zie Nisaa' (4)/165). Ze hebben alles aan de mensen verkondigen wat ze van hun Rab hebben ontvangen op het gebied van godsdienst en hen medegedeeld waarmee zij de hoogste niveau's in het hiernamaals en hier op aarde kunnen bereiken. Ze hebben altijd dezelfde waarheid afgekondigd en verklaard: de mensheid en de geesten oproepen tot geloven en aanbidden van Allahu Ta`ālā , de Enige Godheid die alleen dienst en aanbieding (`ibadah) verdient. Allahu Ta`ālā alleen moet liefgehad en gevreesd worden. Alle andere zijn valse goden die in dienst van de satan werken.
We kunnen de profeten ook als geestelijke doktoren zien: ze hervormen en herstellen de zieke maatschappijen. Zij die van het rechtgeleide pad zijn geweken kunnen door hun leiding en boodschappen hun weg weer terug vinden. Ze hebben zich ingespannen alle slechte elementen in de maatschappij met huid en haar te verbannen. Ze hebben de mensheid laten zien hoe dit het effectiefst kan, namelijk door geloof, goede werken, rechtvaardigheid, waarheid en geduld.
Allahu Ta`ālā heeft de profeten uitverkoren boven de werelden en hen tot de mensen en geesten gezonden. De profeten zijn onderling niet verschillend ten aanzien van de godsdienst, want ze verkondigden één godsdienst.
De geloofsprincipes zijn vanaf de schepping tot in het oneindig onveranderd hetzelfde en het laat geen dubbelzinnigheid en verandering toe. Zij verschilden onderling slechts in enkele bepalingen van de Shari`ah, die tot hen werd geopenbaard.
Het geloof is de wortel van de godsdienst en de Shari`ah de tak ervan. De Shari`ah heeft betrekking op de godsdienstige handelingen. Allahu Ta`ālā heeft in Zijn oneindige Wijsheid onderlinge verschillen in de Shari`ah opgelegd naar gelang van de verschillende godsdienstige gemeenschappen, verschillen in tijd plaats en toestand waarin de mensen zich bevonden.
2.1.3 TEKENEN EN WONDEREN VAN PROFETEN.
Allahu Ta`ālā heeft al Zijn profeten, die Zijn godsdienst en Zijn wetten aan de mensen hebben geleerd en verkondigd, versterkt met zichtbare tekenen (`ayaat) en wonderen (mu`djizaat). Een wonder is een bovennatuurlijke en een de gewoonte verbrekende gebeurtenis, die niet te verklaren is met onze wetenschappelijke denken. Het verschijnt door bemiddeling van iemand die aanspraak maakt op het Nabieschap, met Allahu Ta`ālā's Wil en Hulp. Zo'n wonder kan niet en is nimmer door iemand anders verricht dan een Nabie. De profeten hebben de mensen verkondigd dat ze door Allahu Ta`ālā naar hen zijn verzonden om hen weer op het rechte pad te brengen. Allahu Ta`ālā weet dat ze de mensen tot Allahu Ta`ālā's weg hebben uitgenodigd, Hij ziet hen en Hij hoort hen. Wanneer zij dan Allahu Ta`ālā hebben verzocht, wonderen te doen verschijnen, die de grenzen van het normale overschrijdt en het onmogelijke doorbreekt, dan heeft Allahu Ta`ālā hen daarin geholpen en hen daartoe in staat gesteld. Deze wonderen konden door iemand anders voortgebracht worden. Door wonderen konden de profeten de mensen overtuigen van de waarheid die ze verkondigden, bovendien was een wonder ook een onderscheid tussen de ware en de valse Nabie.
Elk Nabie heeft wonderen vertoond. deze wonderen waren afgetemd op de toestand van de mensen. In de tijd van Moesa ( عليه السلام) had toverij zijn hoogtepunt bereikt. Vandaar dat Allahu Ta`ālā hem met toverij vernietigende wonder gaf. In de tijd van `Isa ( عليه السلام) was het bedrijven van geneeskunde erg populair . `Isa ( عليه السلام) 's wonderen waren daarop gericht. Tenslotte was in de tijd van Rasoel'lullah (صلى الله عليه وسلم ) Arabische literatuur erg in. Allahu Ta`ālā ondersteunde Rasoel'lullah (صلى الله عليه وسلم ) met de Qur’ān.
2.1.4 VERSCHIL TUSSEN WONDEREN VAN PROFETEN EN "BOVENNATUURLIJKE" ZAKEN VAN GEWONE MENSEN.
Toverij, goochelarij, illusionisme, hypnose, magnetisme etc. is op het eerste gezicht een bovennatuurlijke gebeurtenis. In tegenstelling tot wonderen zijn deze "bovennatuurlijke" zaken niet een gewoonte verbrekende zaken maar werken van mensen die door veelvuldig oefening zulke dingen verrichten. Elk persoon kan in principe deze zaken leren. Het zijn dingen die altijd al onder de mensen bekend zijn geweest. We kunnen niet zeggen dat deze dingen werkelijk zo zijn als ze uit zien: Hij (Moesa ( عليه السلام) zei (tegen de tovenaars van de farao):Werpt maar. En plotseling werd hem door hun toverij de indruk gegeven dat hun trouwen en staven voortbewegen". Oorzaak van sommige van deze zaken is duidelijk voor meeste van ons terwijl anderen alleen voor de verrichter bekend zijn. Naast behendigheid en technische vernuf spelen psychische invloeden een grote rol hierin.
Laatste tijd worden "bovennatuurlijke" zaken via geesten, waarzeggers, astrologen etc. erg populair. Bepaalde mensen hebben contacten met zielen van overleden personen, geesten, reïncarneerde personen, levende en zelfs levenloze voorwerpen. Dit soort zaken zijn niet nieuw. Een moslim mag in geen van deze zaken geloven of bevestigen. Het zijn satanische influisteringen die niets anders dan leugen en verderf is. Als we al dit soort onzin naast de wonderen van profeten zetten, zijn het niets anders dan belachelijke vertoningen. Moesa ( عليه السلام) spleet de zee, `Isa ( عليه السلام) deed een dode weer leven, Saalih ( عليه السلام) bracht een kameel uit een rots en Rasoel'lullah (صلى الله عليه وسلم ) spleet de maan in tweeen. Is een gewone mens in staat één van deze wonderen te verrichten in deze moderne tijd?.
2.1.5 VERSCHIL TUSSEN WONDEREN VAN PROFETEN EN WONDERGAVE (KARAAMAH) VAN "HEILIGEN".
Een wondergave hoeft niet altijd een de gewoonte verbrekende zaak te zijn. Het verschijnt door bemiddeling van een "walie" ("heilige"). Een "heilige" is een muslim die door zijn kennis van Allahu Ta`ālā en Zijn eigenschappen een standvastig geloof heeft, die volhardend is in `ibadah (daden waarvan Allahu Ta`ālā houdt en tevreden over is) en gehoorzaamheid aan Allahu Ta`ālā , die zich zo veel mogelijk weerhoudt van slechte daden, en die Allahu Ta`ālā's godsdienst onder de mensen verspreidt. Het verschijnen van de wondergave door zijn bemiddeling is een eerbewijs van zijn Rab (Heer) en een aanwijzing dat hij aangenomen is onder Zijn geliefde dienaren en in Zijn Nabijheid: ...Telkens als Zakariyya bij haar in het heiligdom binnenkwam vond hij proviand bij haar (Maryam (رضي الله عنه. Hij zei: Maryam, waar heb jij dit vandaan?. Zij zei: Het komt van Allahu Ta`ālā . Allahu Ta`ālā geeft levensonderhoud aan wie, zonder afrekening. (Nederlandse betekenis van surati Aal-i Imraan (3)/37). Het feit dat iemands geloof zo standvastig is, Allahu Ta`ālā en Zijn Nabie (صلى الله عليه وسلم ) gehoorzaamd, volhardend is in goede daden en de Islaam onder de mensen versprijdt is op zich zelf al een wondergave.
Een "heilige" is pas een heilige als hij de Islaam erkent als de enige ware godsdienst, volledige gehoorzaamheid aan Allahu Ta`ālā en Zijn Nabie (صلى الله عليه وسلم ) en aan hun bevelen toont en zijn wondergaven verbergt van de gewone mensen, in tegenstelling tot een wonder die juist wel openbaar gemakt moet worden. En mocht zo iemand beweren dat hij onafhankelijk is van Allahu Ta`ālā en zich niet schikt naar de Islamitische principes, dan verschijnt er geen wondergave door zijn bemiddeling. Hij is dan geen "heilige" voor Allahu Ta`ālā maar een vijand van Allahu Ta`ālā , dus een 'heilige" van de satan.
2.1.6 AANTAL PROFETEN.
De eerste van de profeten is Adam ( عليه السلام) en de laatste van hen is Nabie Muhammad (صلى الله عليه وسلم ) Allahu Ta`ālā heeft zelf de profeten onder de mensen uitgekozen: "Dat is Allahu Ta`ālā's goedgunstigheid die Hij geeft aan wij Hij wil; Allahu Ta`ālā's vol van geweldige goedgunstigheid". (Nederlandse betekenis van surati'l Djum`a (62)/4). Allahu Ta`ālā heeft aan alle volkeren van de wereld profeten gestuurd: Bij Allahu Ta`ālā , Wij hebben tot (alle) gemeenschappen voor jouw tijd gezanten gezonden, maar de satan maakte voor hen hun daden aantrekkelijk". (Nederlandse betekenis van Suratu'n Nahl (16)/63) (Zie verder ook Fatir (35)/24 en Yoenoes (10)/47; Ra`ad/7).
Hun aantal is niet met zekerheid te zeggen alleen Allahu Ta`ālā weet hun aantal ( zie Nisaa'(4)/164). Volgens een hadith waren er 124000 geweest en volgens een andere 224000, (Musnad van Imaam Ahmad bin Hambal deel 5/266). Hoe uitgestrekt de aarde ook is de boodschappen van de profeten is tot in de verste hoeken te horen geweest. Er is geen volk die deze boodschappen heeft gehoord. Daarom is het beter hun aantal niet te beperken tot een bepaald getal (40/78). Daarentegen worden in de Qur’ān vijfentwintig Rusul (Boodschappers) bij name genoemd; 18 ervan worden in En`aam (6)/83-86) vermeld, en de rest op andere plaatsen (zie Aal-i Imraan (3)/33-34; A`raaf (7)/65; Hoed (11)/61 en 84; Anbiyaa'(21)/85-86; Ahzaab (33)/40) Deze zijn:
1 Aadam ( عليه السلام) (Adam)
2 Idries ( عليه السلام) (Henoch)
3 Noeh ( عليه السلام) (Noach)
4 Hoed ( عليه السلام) (niet bekend in christelijke literatuur)
5 Saalih ( عليه السلام) (niet bekend in christelijke literatuur)
6 Ibrahiem ( عليه السلام) (Abraham)
7 Loet ( عليه السلام) (Lot)
8 Isma`iel ( عليه السلام) (Ismael)
9 Ishaaq ( عليه السلام) (Isaak)
10 Ya`qoeb ( عليه السلام) (Jacob)
11 Yoesuf ( عليه السلام) (Josef)
12 Ayyoeb ( عليه السلام) (Job)
13 Shu`ayb ( عليه السلام) (Jethro)
14 Moesaa ( عليه السلام) (Moses)
15 Haaroen ( عليه السلام) (Aaron)
16 Dhoe'l Kifl ( عليه السلام) (niet bekend in christelijke literatuur)
17 Dawoed ( عليه السلام) (David)
18 Sulaymaan ( عليه السلام) (Salamo)
19 Ilyaas ( عليه السلام) (Elia)
20 Al Yasa` ( عليه السلام) (Elisa)
21 Yoenus ( عليه السلام) (Jonas)
22 Zakariya ( عليه السلام) (Zacharia)
23 Yahyaa (Johannes)
24 `Isaa ( عليه السلام) (Jesus)
25 Muhammad (صلى الله عليه وسلم )
[Sommige profeten zijn in graad hoger dan anderen: (2/253)
Vijf van deze profeten worden in de Qur’ān als "ulu-l Adhm" Gezanten genoemd (Gezanten die begiftigd zijn met standvastigheid en geduld): dit zijn Noeh ( عليه السلام) , Ibrahiem ( عليه السلام) , Moesa ( عليه السلام) , `Isa ( عليه السلام) en Muhammad ( عليه السلام) (zie Ahzaab, 7 en Sura, 13)
2.1.7 DE EIGENSCHAPPEN VAN DE PROFETEN.
De profeten hebben een grote verantwoordelijke, eervolle en moeilijke taak te vervullen. Daarom bezitten ze devolgende vijf eigenschappen:
- 1) Sidq (waarheid spreken); dat wil zeggen dat alles wat ze zeggen, doen of denken overeen komt met de werkelijkheid en het wezen van de zaak, zodat uit hen volstrekt geen leugen voorkomt. Ze waren, zowel voor als na hun Nabieschap, oprecht in hun woorden, handelen, denken en intentie. Als ze niet alleen maar de waarheid spraken dan zouden ze niet overtuigend overkomen bij de mensen aan wie ze een boodschap brachten. Ze hebben noch voor noch na hun Nabieschap gelogen (Maryam (19)/41).
- 2) Amanah (betrouwbaar); dat wil zeggen dat alles van hen, uiterlijk en innerlijk, behoed is tegen het vallen in datgene dat Allahu Ta`ālā , Die hen verkoren heeft boven alle andere schepselen, niet behaagt. Ze waren, zowel voor als na hun Nabieschap, op alle gebieden betrouwbaar (Aal-i Imraan (3)/161). Ze waren trouw in het onderhouden van hun Shari`ah.
- 3) Tabliegh (overbrenging); dat wil zeggen dat zij op de beste en juiste wijze de mensen verkondigen alles wat Allahu Ta`ālā hun bevolen heeft, zodat zij daarvan niets verbergen, toevoegen of weghalen (Maa`idah (5)/67). Het is niet mogelijk dat profeten hun boodschap niet volledig hebben verkondigd.
- 4) Fataanah (scherpzinnigheid); dat wil zeggen dat zij de volmaakte schepselen zijn in scherpzinnigheid in het begrip en in het weerleggen van tegenstanders. Het is ondenkbaar dat profeten dom of verstandelijk gehandicapt konden zijn.
- 5) `Ismah (vrij van zondes en slechtheden); dat wil zeggen dat zij vanaf hun geboorte onder Allahu Ta`ālā's controle en opvoeding stonden en dat Allahu Ta`ālā's ze behoedde voor alle zondes en slechtheden, die hun boodschap in discrediet hadden kunnen brengen (Taahaa (20)/39 en Anbiyaa' (21)/73),.
2.1.8 PROFETEN ZIJN SLECHTS MENSEN.
Profeten waren net als ons mensen: Zeg: "Ik ben slechts een mens als jullie, aan mij wordt geopenbaard dat jullie God één God is. (Nederlandse betekenis van Suratu'l Kahf (18)/110)
[De profeten zijn geen godheden: "En Hij beveelt jullie niet de engelen en de profeten als Heren te nemen. Zou Hij jullie opdragen ongelovig te zijn, nadat jullie je overgegeven hebben?." (Nederlandse betekenis van Suratu' Aali `Imraan 3/80)
Profeten hebben dan ook nooit in hun leven, zelfs voor hun Nabieschap opzettelijk zondes begaan; ze zijn nimmer ongelovig geweest, gelogen, ongehoorzaam geweest aan Allahu Ta`ālā , iets dat wat van Allahu Ta`ālā's gekomen verborgen gehouden voor de mensen, veronachtzaam geweest etc. In principe heeft Allahu Ta`ālā Zijn profeten gereinigd van alle onvolkomenheden en van kleine en grote zondes (Aal-i Imraan, 161; Maryam, 41; Taha, 39; Toer,48; Yoesoef,6; Baqarah, 253). Verder kwamen de profeten uit deugdzame families, ze waren noch lichamelijk noch geestelijk gehandicapt, zij bedreven ook geen lage beroepen. Ze hebben net als andere mensen gegeten, gedronken, gewerkt (Foerqaan (25)/20) en een gezin gesticht (Ra`ad (13)/38). Ze zijn onderhevig geweest aan ziektes (Anbiyaa' (21)/83-84), droefenis, blijdschap, zwakte, gezondheid en de dood. Ze hebben eervolle beroepen uitgeoefend en al het menselijke handelingen gedaan wat hen niet tot onvolkomenheid, zowel innerlijk als uiterlijk, in hun Nabieschap heeft geleid.
Allahu Ta`ālā heeft alleen onder de mannen Zijn profeten uitverkoren: " En Wij hebben voor jouw tijd slechts mannen uitgezonden aan wie Wij een openbaring gegeven hadden - vraag de mensen van de vermaning maar, als jullie het niet weten". (Nederlandse betekenis van Suratu'l Anbiyaa' (21)/7).
Profeten kunnen niets zonder Allahu Ta`ālā's wil: " Zeg: "Ik heb geen macht om over mijzelf tot nut of schade te zijn, afgezien van wat Allahu Ta`ālā wil. Als ik het verborgene, nl. de toekomst, zou kennen dan zou ik veel goeds verworven hebben en geen kwaad zou mij overkomen zijn. Ik ben slechts een verkondiger van goed nieuws voor mensen die geloven." (Nederlandse betekenis van Suratu'l A`raaf (8)/188).
Allahu Ta`ālā heeft hen uitverkoren boven de werelden en hen tot Zijn dienaren gezonden opdat zij zouden weten van Zijn bevelen en Zijn oordelen.
2.1.9 DE BIJZONDERE PLAATS VAN RASOEL'LULLAH (صلى الله عليه وسلم ) ONDER DE PROFETEN.
Muslims geloven in alle profeten, zonder onderscheid tussen hen te maken. In surati-l Baqarah (2)/253 wordt naar Rasoel'lullah (صلى الله عليه وسلم ) verwezen. Want Rasoel'lullah (صلى الله عليه وسلم ) heeft onder de profeten een aparte plaats ingenomen, niet alleen omdat hij de laatste der profeten (zie Ahzaab (33)/40) is maar ook de voortreffelijkste onder de profeten (zie Aal-i Imraa (3)/81). De godsdienst die hij heeft verkondigd kunnen we zien als een samenvatting en een verperfectionering van de boodschappen van alle profeten voor hem. Hoewel de boodschap van de profeten voor hem gericht waren tot een bepaalde gemeenschap voor een bepaalde tijd, is zijn boodschap voor alle volkeren en voor alle tijden. Zijn boodschap zal onveranderd tot de laatste dag zijn geldigheid en toepasbaarheid behouden; ...Heden heb Ik jullie godsdienst voor jullie voltooid, Mijn genade aan jullie volledig bewezen en de Islaam als godsdienst voor jullie goedgevonden... (Nederlandse betekenis van Suratu'l Maa`idah (5)/3). Hij is onderscheiden van de andere profeten door vier eigenschappen:
1- Hij is de voortreffelijkste van alle profeten (Aal-u Imraan (3)/110).
2- Hij is gezonden aan geesten (djinn) en mensen ongeacht hun kleur of afkomst (Saba` (34)/28).
3- Hij is de zegel der profeten, zodat na hem geen Nabie meer zal komen. Zijn Nabieschap zal dus tot de dag des Oordeels aanhouden, hoewel an-Nabieschap van voorgaande profeten beperkt waren. (Ahzaab (33)/40)
4- Allahu Ta`ālā heeft de Qur’ān gezonden aan Zijn Nabie (صلى الله عليه وسلم ) Beide, Qur’ān en Sunnah, hebben alle zaken die te maken hebben met het leven hier op aarde en in het hiernamaals verduidelijkt. Er is geen ander godsdienst of systeem dat op zo'n onvoorstelbare manier een revolutie in het menselijk bestaan heeft gebracht dan de Islaam, zo zelfs dat deze godsdienst past bij alle volkeren en plaatsen en omstandigheden. Dus heeft de mensheid geen behoefte aan noch een boek/systeem noch een Nabie na hem (صلى الله عليه وسلم ) Met de komst van de Islaam heeft Allahu Ta`ālā's godsdienst (dien) haar volmaaktheid en uiterste grens bereikt. Hieruit blijkt het geheimenis van zijn zending tot alle schepselen, vandaar dat hij het volmaaktste van alle schepselen is, zowel in schepping als in aard (Maa`idah (5)/3).
2.1.10 DE VOORSPRAAK (SHAFA`AH) VAN RASOEL'LULLAH (صلى الله عليه وسلم ) .
De voorspraak van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) op de oordeelsdag is een algemeen geaccepteerd feit onder de muslims. Er moet hier zorgvuldig onderscheid gemaakt worden tussen twee begrippen: voorspreker en bemiddelaar. De beslissing ligt alleen bij Allaah. De Wil van de Soevereine Rechter (al Hakiem) alleen beslist over aanname of weigering van de boodschap van de profeten, over scheiding van gelukzaligen, die het Paradijs binnengaan en verdoemden, die de Hel binnengaan, van uitverkorenen ter rechterzijde en rampzaligen die bestemel zijn voor de kwellingen (want Allaah heeft hun harten verzegeld) ter linkerzijde. De gezant (Rasoel) wordt wel gezonden tot een bepaalde groep mensen, maar het worden niet 'zijn' mensen: ze zijn hem niet toevertrouwd. "Alleen de duidelijke verkondiging is de taak van de gezant" (27/18). "Al keren de mensen zich ook van u af: uw werk is het slechts, duidelijk te verkondigen" (46/19). "Wij hebben u slechts gezonden als waarschuwer en als verkondiger van de waarheid: rekenschap zal van u niet gevraagd worden" (2,11). Op de oordeelsdag zal de waarachtige gezant getuigen tegen de ongelovigen (4/41; 16/89). "En dan zal de voorspraak van bemiddelaars tevergeefs zijn" (74/48).
Op de grote dag van rekenschap "zullen de profeten ondervraagd worden" (7/6) en Allaah zal uit iedere gemeenschap een getuige oproepen (16/84-89) die zijn getuigenis van de ene God herhalen zal en de ongelovigen beschamen. En Rasoelullaah (صلى الله عليه وسلم ), het 'zegel der profeten', Nabie van heel het mensheid, en eerstverrezene van allen, zal geldig getuigen tegen iedereen die geweigerd heeft naar de waarschuwing te luisteren en de rechte pad (siraatal mustaqiem) te bewandelen.
An-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) is echter geen bemiddelaar. Ieder mens staat alleen voor Allaah. "De ziel die een last draagt, zal niet die van een ander dragen: slechts wat iemand verricht heeft, is het zijne' (53/38-39; vgl. 6/164 en 39/70), "Geen enkele ziel zal beloond worden voor een ander, geen voorspraak in haar voordeel zal aanhoord worden" (2/48 en 123).
Evenwel an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) is evenzeer getuige voor de muslims als tegen de ongelovigen. Muslims die gezondigd hebben een tijdelijke straf in de hel zullen ondergaan, doch dat ze allen bestemd zijn om eenmaal definitief in het Paradijs te worden opgenomen.
Die straf kan verzach, verkort of kwijtgescholden worden op voorspraak van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ). (zie verder Shafa`ah)
2.1.11 DE WONDEREN VAN RASOEL'LULLAH (صلى الله عليه وسلم )
Rasoel'lullah (صلى الله عليه وسلم ) heeft vele wonderen verricht.
- De grootste, het schitterendste, het schoonste en het machtigste wonder is ongetwijfeld de Qur’ān. De Qur’ān, die onovertrefbaar en onevenaarbaar is, is een altijd blijvend teken dat het van Allahu Ta`ālā afkomstig is en niet van an-Nabie of van iemand anders.
- Het opwellen van water tussen zijn vingers, tijdens een veldtocht, toen de dorst hevig werd bij zijn Ashaab (Metgezellen), en er slechts weinig water was. Toen heeft hij water in zijn handpalm goot, stroomde water tussen zijn vingers, waarbij iedereen zijn dorst leste. Dit is meer malen gebeurd.
- Het vermenigvuldigen van weinig voedsel, totdat het voldoende was voor vele mensen, en ook dit is meermaal gebeurd.
- Het splijten van de maan in twee stukken, om de polytheïsme van Makkah te overtuigen van Rasoel'lullah (صلى الله عليه وسلم ) boodschap.
- De Nachtreis (`Isra), van Masdjid-i Haraam (in Makkah) naar Masdjid-i Aqsa (in Qoedus), en Hemelreis (Miradj) (zie `Isra (17)/1), die zich in een dag heeft afgespeeld.
- Er zijn in de ahadieth nog meer wonderen van Rasoel'lullah (صلى الله عليه وسلم ) beschreven, zoals dieren, boomstammen of kiezelstenen die met Rasoelullaah (صلى الله عليه وسلم ) spraken of de Ene God en het boodschap van Rasoel'lullah (صلى الله عليه وسلم ) verkondigden. Eveneens de ogenblikkelijke genezing van een gewonde in de slag bij Uhud, het oog van `Ali (رضي الله عنه etc.
2.1.12 KORTE BESCHRIJVING VAN RASOELULLAAH (صلى الله عليه وسلم )
Rasoel'lullahs (صلى الله عليه وسلم ) biografie is tot in alle details terug te vinden in de Qur’ān, Ahadieth boeken, boeken over de veldtochten van Rasoelullaah (صلى الله عليه وسلم ) en biografische boeken. In al deze bronnen is zijn levensloop in al zijn bijzonderheden en zonder hiaten vermeld.
Zijn levensloop was volstrekt de schoonste en zuiverste die men maak kan bedenken. Zelfs de ongelovigen van nu en toen hebben dit moeten erkennen. Hoe kan het anders, hij is als de zon op het midden van de dag. Hij is de edelste van de mensen in afkomstig en de hoogste van hen in manieren en opvoeding. Hij was goed voor zijn familieleden, hielp de behoeftigen, anderen eerbiedigend, tolerant, vergeefsgezind, geduldig, edelmoedig, barmhartig, vriendelijk en geduldig. Hij wreekte zich niet op anderen, behalve in die dingen waarin Allahu Ta`ālā's recht of het recht van andere mensen betrokken was. Hij was zwijgzaam, omdat hij nadacht over de geheimnissen van Goddelijke schepping, en wanner hij sprak, herhaalde hij een aantal maal en gebruikte bondige woorden, m.a.w. woorden die veel schitterende wijsheden en begrippen omvatten. Hij praatte op zo'n manier dat het voor een ieder klaar duidelijk was. Soms maakte hij een grapje, maar in zijn grappen sprak hij niet anders dan de waarheid. Hij was vast vertrouwd in de bescherming van Allahu Ta`ālā in elke omstandigheid. In tijden van oorlog ging hij voorwaarts als de beste helden terugweken van angst en hij bleef op zijn post bij alle verschrikkingen. Hij was uitermate nederig, maar ondanks zijn nederigheid en vriendelijkheid werd hij geëerbiedigd door zijn Metgezellen zoals niemand anders van de mensheid geëerbiedigd is geweest. Zijn Metgezellen eerden hem zodanig dat ze niet eens strak in zijn gelaat hebben aangekeken. Ze waren in zijn gezelschap van uiterst goede manieren, "alsof er vogels op hun hoofd zaten": niemand van hen sneed de woorden van een ander af en in zijn gezelschap werd gewag gemaakt van smadelijke dingen.
De afgodendienaars (mushrikoen) hebben, ondanks hun hevige vijandschap tegen hem en hun felle begeerte naar Nabieschap, hem van zijn jeugd af de bijnaam gegeven van de Betrouwbare (al Amien). Zelfs toen hij aanspraak had gemaakt op an-Nabieschap, hebben zijn vijanden geen gelegenheid gevonden om afbreuk te doen aan zijn goede naam of een weg gevonden hem te belasteren. Hij leerde de mensen de Islaam te accepteren en na te leven.
2.1.13 RASOELULLAAH (صلى الله عليه وسلم ) IS ONS VOORBEELD EN GIDS.
De levenswijze van Rasoelullaah (صلى الله عليه وسلم ) was een levende voorbeeld van de leer van de Qur’ān. Zijn overgave aan Allahu Ta`ālā en Zijn bevelen was oneindig. Hij gaf volledige en onfeilbare gehoorzaamheid hieraan. Niemand heeft de Qur’ān beter begrepen dan hij, net zoals niemand zich ooit zo naar de Qur’ān heeft geschikt en Zijn wetten beter heeft toegepast. Allahu Ta`ālā's de Wetgever, die door Rasoelullaah (صلى الله عليه وسلم ) en de muslims hebben gehoorzaamd en in praktijk hebben gebracht.
Rasoelullaah (صلى الله عليه وسلم ) is ons voorbeeld in standvastig geloof (iemaan), in alle rituele zaken (`ibadaat), in zedelijkheid (`ahlaaq), op politiek, sociaal en cultureel terrein, kortom in al ons doen en laten.
Hij geloofde in Allahu Ta`ālā met heel zijn hart en ziel. Hij heeft altijd de oorlog verklaard aan de godsdienst van de afgoden. Zelfs voor zijn Nabieschap verachtte hij alle vormen van afgoderij. Zijn opdracht is altijd eenvoudig en duidelijk geweest: het grondvesten van TAWHIED, er is geen godheid, die aanbeden moet worden, dan Allahu Ta`ālā , de Rab (Heer) der werelden.
Door zijn geloof in en vertrouwen op Allahu Ta`ālā , was hij ervan overtuigd dat Allahu Ta`ālā hem zou helpen bij het vervullen van zijn taak. Tijdens de Migratie (Hidjrah) naar Madinah, werd hij en zijn beste vriend en later zijn schoonvader Aboe Bakr (رضي الله عنه gevolgd door de polytheïsme. Zij schuilden in een grot. Aboe Bakr (رضي الله عنه zei: "Rasoelullaah (صلى الله عليه وسلم ) zij zijn vlak in de buurt." Rasoelullaah (صلى الله عليه وسلم ) zei: "Wees niet bekommerd; Allahu Ta`ālā's met ons". (9/40). De achtervolgers gingen inderdaad terug zonder hen gezien te hebben. Toen hij en de muslims uittrokken om de vijand te Badr tegemoet te treden, bracht hij de nacht in `ibadah door. Hij wendde zich in volledige overgave tot Allahu Ta`ālā en zei: "O, mijn Rab, als dit handjevol mensen vernietigt, zal er niemand op aarde overblijven om U te dienen". Hierop heeft Allahu Ta`ālā Zijn Nabie en de muslims geholpen en ze hebben de polytheïsme verpletterd.
Hij geloofde met heel zijn hart en ziel in de Qur’ān als het Woord van Allahu Ta`ālā die tot einde van het bestaan zijn geldigheid en ongeschondenheid zal bewaren (zie Qur’ān 15/9). Met aan de ene hand de Qur’ān en de andere hand zijn perfecte levenswijze probeerde hij vastberadenheid zijn doel te bereiken.
Voortdurend riep hij hen die in zijn boodschappen geloofden en hen die het verwierpen op tot de Islaam. Zonder angst en aarzelen verkondigde hij aan vriend en vijand de boodschappen van Allahu Ta`ālā in zijn totaliteit. Terwijl er een gracht werd gegraven rond Madinah om het binnendringen van de polytheïsme te vorkomen, stuitten ze op een rots. Rasoelullaah (صلى الله عليه وسلم ) werd erbij gehaald. Hij brak de rots in drie slagen doormidden. Bij elke houweel slag kwam een vonk. Hij zei dat hij bij de eerste vonk het paleis van Byzantium zag, bij de tweede het paleis van Perzie en bij de derde Jemen. Rasoelullaah (صلى الله عليه وسلم ) zag zodoende de heldere toekomst van de Islaam en schonk de muslims het goede nieuws dat deze gebieden in hun handen zou vallen. Hij zei dit op een moment dat het bestaan van de muslim gemeenschap op het punt stond van leven en dood. Zijn vastberadenheid, volharding en doorzettingsvermogen geven ons de kracht in ons geloof en zaak. Alleen Rasoelullaah (صلى الله عليه وسلم ) kon dit met Allahu Ta`ālā's hulp aan zijn gemeenschap vertellen. Het is uitgesloten dat er een betere voorbeeld en gids voor ons is in ons standvastige geloof in Allahu Ta`ālā en alles wat van Hem komt dan Rasoelullaah (صلى الله عليه وسلم ).
Rasoelullaah (صلى الله عليه وسلم ) voerde op de beste en juiste manier zelf eerst elk bevel van Allahu Ta`ālā uit en vervolgens droeg hij het aan zijn gemeenschap uit. In al onze `ibadaat, politieke, economische en culturele aangelegenheden is Rasoelullaah (صلى الله عليه وسلم ) ons voorbeeld en gids. Elke beweging elk woord elk gebaar die hij deed worden door zijn gehele gemeenschap letterlijk overgenomen. Hij prees Allahu Ta`ālā constant en hij was nimmer achteloos. Naast het verplichte `ibadaat verrichtte hij vele vrijwillige, welk ook door ons overgenomen zijn. Zijn voeten zwollen op van het staan in het nacht salaat. `Aisha (رضي الله عنه, moeder van de muslims zei eens tegen hem: "O Rasoelullaah (صلى الله عليه وسلم ), Allahu Ta`ālā heeft al uw zonden in het verleden en in de toekomst vergeven.
Waarom spant u zich zo in en put u zich uit (om `ibadaat te verrichten)?. Rasoelullaah (صلى الله عليه وسلم ) antwoordde: "Moet ik dan geen dankbaar dienaar van Allahu Ta`ālā zijn?."
Er zijn voor de muslims geen verplichte vastentijden voorgeschreven dan het vasten in de maand Ramadaan. Maar er waren weinig dagen dat Rasoelullaah (صلى الله عليه وسلم ) niet vastte. Hij vastte zo vaak dat de Sahaba dacht dat hij er nooit mee zou ophouden.
2.1.14 De afscheidsbedevaart preekIn het begin van de maand Dhu'l-Qa`da in het jaar 10 na Hidjrah [632] trof Rasoelullaah (صلى الله عليه وسلم ) voorbereidingen voor de Hadj (bedevaart naar Mekka) en droeg de mu'mins (gelovigen) op, hetzelfde te doen.
Rasoelullaah (صلى الله عليه وسلم ) vervolgde zijn bedevaart en onderwees de mu'mins de ceremonien van de Hadj. Hij hield een toespraak voor meer dan 100.000 mu'mins, waarin hij vele dingen uiteenzette. Na de lofprijzing te hebben uitgesproken zei hij (صلى الله عليه وسلم ):
O, mensen, luistert naar mijn woorden, want ik weet niet of ik u na dit jaar ooit nog op deze plaats zal ontmoeten.
O, mensen, uw bloed, uw bezit en uw eer zijn heilig, zoals deze dag en deze maand heilig zijn, totdat u uw Rab (Heer) zult ontmoeten.
Uw Rab zult u zeker ontmoeten. Hij zal u vragen naar uw daden; dat heb ik u verkondigd.
Wie een onderpand heeft, laat die het teruggeven aan degene die het hem heeft toevertrouwd.
Alle gebruiken die tot de Djahiliyyah (voor-islamitische heidentijd) behoren zijn onder mijn voeten (m.a.w. zijn door mij afgeschaft).
Alle soorten van rente is afgeschaft, slechts uw kapitaal is van u. Doet geen onrecht en u zal geen onrecht worden aangedaan. Allaah heeft (in de Qur’ān) beschikt dat er geen rente is; al de rente van Abbas ibn Abdu'l Muttalib (oom van Rasoelullaah (صلى الله عليه وسلم ) is afgeschaft.
Iedere bloedschuld uit de voor-islamitische heidentijd is afgeschaft.
De eerste bloedschuld die ik afschaf is die van Rabi`a ibn Harith ibn Abdu'l-Muttalib (neef van Rasoelullaah (صلى الله عليه وسلم ) die, terwijl hij gezoogd werd door een vrouw uit de klan van de zonen van Lays, door de leden van de Huzayl klan werd vermoord. Dit is de bloedschuld uit de voor-islamitische heidentijd die ik afschaf.
O, mensen, weet dat de satan geen hoop meer heeft, in dit land ooit nog aanbeden te worden, maar hij is al tevreden als hij gehoorzaamd wordt in andere zaken, die jullie misschien onbeduidend achten. Hoedt u dus voor hem om uw godsdienst te beschermen !
O, mensen, de gewoonte (van de voor-islamitische heidentijd) om de plaats en de volgorde van de heilige maanden te veranderen, is een overmaat aan kufr (ongeloof). Zij die ongelovig zijn worden daardoor nog meer misleid. De heilige maand verklaren zij het ene jaar voor niet heilig en het andere jaar voor heilig, om gelijk te komen met het aantal dat Allaah heilig heeft verklaard. Hiermee maken zij datgene wat Allaah halaal (geoorloofd) verklaart haraam (ongeoorloofd) en datgene wat Allaah haraam maakt halaal.
De tijd gaat rond zoals op de dag dat Allaah de hemelen en de aarde heeft geschapen. Bij Allaah is het aantal maanden twaalf, waarvan er vier heilig zijn: drie opeenvolgende (Dhi'l Qa`ada, Dhi'l Hidjdja, Muharram) en Radjab die bij de klan Mudar heilig is, en tussen Djum`ada en Sha'ban is.
O, mensen, u hebt rechten tegenover uw vrouwen en zij hebben rechten tegenover u. U recht op hen is dat zij niemand in uw woningen toelaten van wie u niet houdt en zich niet overgeven aan kennelijke ontucht. Als zij dat toch doen staat Allaah u toe, haar bed te mijden en haar te slaan, maar niet te hard. Doen zij echter zulke dingen niet, dan hebben zij recht op levensonderhoud en kleding in redelijke mate.
Let op het recht die ze op u hebben is dat u hen goed behandelt, hen kleedt en hen van levensonderhoud voorziet. Hebt het goede met hen voor, want zij zijn aan u (door Allaah) toevertrouwd. Zij bezitten niets van zichzelf. U hebt hen ontvangen van Allaah, als een toevertrouwd goed, en ze zijn geoorloofd voor u krachtens de woorden van Allaah.
O, mensen, slaat acht op mijn woorden, want ik heb het u verkondigd. Ik laat u iets na waardoor u nooit zult afdwalen, wanneer u daaraan vasthoudt: een duidelijk bevel, het Boek van Allaah (Qur’ān) en de Sunnah (gewoonte) van Zijn Nabie (صلى الله عليه وسلم ).
O, mensen, luistert naar mijn woorden en slaat er acht op: weet dat de ene moslim een broeder (in de Islaam) is voor de andere; ja, alle moslims zijn elkaars broeders. Een man mag van zijn broeder slechts nemen wat deze hem gaarne geeft. Dus doet uzelf geen onrecht.
O mijn Allaah, heb ik het verkondigd ?
Voor Allaah, u hebt het verkondigd, (zeiden de mensen).
(En Rasoelullaah (صلى الله عليه وسلم ) besloot met de woorden):
O mijn Allaah, wees U getuige !
(uit: "As siratu'n Nabawiyya" van Abdulmalik bin Hishaam (213/828)
O, mensen Allaah heeft waarlijk een ieder zijn rechtmatige deel gegeven. Vandaar dat een erfgenaam (buiten zijn voorgeschreven erfdeel) geen erfenis kan ontvangen. Een kind behoort alleen aan de rechtmatige vader toe in wiens bed het geboren is. Voor de ontucht pleger is er voorgeschreven straf. Een ieder die zijn rechtmatige vader ontkent of een onrechtmatig iemand tot zijn slaaf maakt, moge Allaahs verdoemenis en de verdoemenis van de engelen en van de gehele mensheid op hem zijn. Allaah zal noch een tussenpersoon noch een vergoeding accepteren om de staf (in het hiernamaals) te verminderen.
Een vrouw mag van haar mans bezittingen geen liefdadigheid geven zonder zijn toestemming.
Rasoelullaah (صلى الله عليه وسلم ), mag ze ook geen etenswaren geven, (zeiden de mensen)
(Neen), dat is het waardevolste onder onze bezittingen. Wie een onderpand heeft, laat die het teruggeven aan degene die het hem heeft toevertrouwd. Dieren die gemelkt worden, moeten teruggegeven worden. Schulden moeten terugbetaald worden. Iemand die borg staat voor een ander neemt de schuld op zich. (uit "Sunnani't Tirmithie")
(Rasoelullaah (صلى الله عليه وسلم ) vroeg:) Als men u over mij vragen, wat zult u dan zeggen?
Wij getuigen dat u hebt verkondigd, dat u uw taak met volle overtuiging hebt volbracht, (hebben zij geantwoord).
Rasoelullah (صلى الله عليه وسلم ) heeft zijn wijsvinger in de lucht geheven en wees vervolgens naar de menigte en zei:
O mijn Allaah wees U getuige. O mijn Allaah wees U getuige. O mijn Allaah wees U getuige.
(uit: "As Sieyar" van Ibnu Kethier)
2.1.15 PERSOONSBESCHRIJVlNG VAN AN-NABIE MUHAMMAD (صلى الله عليه وسلم )
Rasoelullaah (صلى الله عليه وسلم ) was van middelbare gestalte, hij was niet te lang en ook niet te kort.
Zijn handen en voeten waren groot.
Zijn vingers en tenen waren dik en lang.
Hij had brede behaarde voeten, zonder eelt of andere oneffenheden.
Als hij water over zijn voeten goot, stroomde het alle kanten op.
Hij had een krachtig hoofd.
Hij had een open voorhoofd.
Zijn schouders, knieën en polsen waren bottig.
Hij was stevig vierkant gebouwd.
Hij had veel haren op zijn armen schouders en borst, en de haren groeiden in een dunne streep tot zijn navel.
Hij had een hooggekleurd, rood tot blank, gelaat, gladde wangen, een lang gevulde baard en golvend goudbruin haar tot aan zijn oorlellen.
Zijn haar kamde hij naar links en rechts in een scheiding of liet het zoals het was.
Tot zijn dood had hij niet meer dan twintig grijze haren.
Zijn hoofdharen en baardharen waren tussen krulen stijlhaar in.
Als hij liep, liep hij snel en krachtig met grote stappen en zijn gezicht naar beneden gericht, alsof hij een berg afdaalde.
Als het niet nodig was keek hij niet om zich heen.
Hij keek vaker naar de hemel dan naar de grond.
Als hij toch ergens naar moest kijken deed hij dat met zijn ooghoek.
Als hij met zijn metgezellen liep, liep hij achteraan.
En als hij mensen tegen kwam gaf hij hen de salaam.
Zijn gezicht glom als de volle maan.
Een ader, die bij ontevredenheid opzwol, liep over het voorhoofd van het begin van zijn arendsneus tussen de wenkbrauwen, die zuiver gebogen waren en zeer dicht bijeen stonden.
De appels van zijn grote ogen, door lange wimpers ingesloten, waren diep zwart met enige rode weerschijn, en zijn blik was van ongemene scherpte.
Zijn mond was groot, zoals dat behoort bij de welsprekendheid.
Zijn parel witte tanden stonden voor in zijn mond enigszins uiteen.
De palm van zijn langvingerige handen was breed en zacht bij het aanraken, als een stof van fijne zijde.
Het Zegel der Profetie, bevond zich onder zijn hals tussen zijn schouders. Deze moedervlek was roodachtig, door enige haartjes omgeven, ter grootte van een tortelei.
Hij had een mooie nek die niet te lang en niet te kort was.
Hij had brede schouders.
Allaah had de verhouding van al zijn ledematen en organen perfect op elkaar afgestemd.
Al zijn spieren waren in goede conditie, zonder overtollige vetranden.
Hij had geen buikje; zijn buik en zijn borst waren op een lijn.
Hij was niet te dik en ook niet te dun.
An-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) bewoog zich met een ernstige en statige afgemetenheid.
Onder alle omstandigheden behield hij zijn tegenwoordigheid van geest en wanneer hij zich omwendde deed hij dat met geheel het lichaam en niet zoals onnadenkende mensen, die slechts de hals draaien door het hoofd boven de schouders te bewegen.
Wees hij iets aan, dan deed hij dat met de volle hand, en niet met één of twee vingers.
Toonde hij zijn verwondering voor iets, dan loofde hij Allah, wendde zijn handpalmen ten hemel, schudde het hoofd, en beet zich op de lippen.
Wanneer hij iets bevestigde, tikte hij met de duim van zijn rechterhand tegen zijn geheel geopende linkerhand, om zijn verzekering kracht bij te zetten.
Was hij kwaad, dan werd zijn gelaat purper; hij streek met de hand over de baard en over het aangezicht, haalde diep adem, en riep uit: "Ik verlaat mij op Allah, de beste der lastgevers."
Hij sprak met weinig woorden, maar elk woord droeg verschillende betekenissen, sommige klaarblijkelijk, andere verborgen.
Wat de bekoring van zijn uitspraak betreft, die was van bovenmenselijke aard en ging recht naar het hart. Niemand kon haar weerstaan. Als hij iets zei, sprak hij langzaam met handgebaren en tussenpozen en hij herhaalde het tot zelfs drie maal, zodanig dat de luisteraar zijn woorden uit het hoofd kon leren.
De lach van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) ging nooit boven een glimlach uit waarbij soms zijn parel witte tanden te zien waren. En als hij toch breeduit lachte bedekte hij zijn mond met de hand.
Hij was gelijkmatig van karakter, zonder koelte of stugheid.
Niemand van zijn metgezellen riep hem aan, of hij antwoordde onmiddellijk: "Hier ben ik".
Hij vermaakte zich met hun kinderen, die hij aan zijn borst drukte. Hij zette de zoons van zijn oom `Abbaas (رضي الله عنه op een rij, en loofde een beloning uit aan degene die hem het eerst zou bereiken, waarop allen zich in zijn armen wierpen en op zijn knieën gingen zitten
Voor alle aangelegenheden had hij belangstelling, voor die van de slaven en armen evengoed als voor die van de voornamen en rijken, en de begrafenis van de nederigste mu'mins woonde hij bij.
Eens was hij woedend omdat men verzuimd had, hem op de hoogte te stellen van de dood van een arme neger, die de Moskee van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) aanveegde, en hij liet zich zijn graf wijzen, waarop hij ging bidden.
Als een verzoeker hem iets in het oor wilde fluisteren om hem iets in het geheim te vertellen, boog hij zich tot over hem, tot hij was uitgesproken.
En nimmer trok hij zijn hand het eerst terug, als een bezoeker die genomen had. Hij wachtte, tot deze zijn hand uit eigen beweging terugtrok.
Hij heeft gezegd: " Men is slechts een goede muslim, wanneer men anderen toewenst, wat men zichzelf toewenst."
Nimmer, met zijn gezegende hand sloeg hij een vrouw of één van zijn slaven. Anas bin Maalik (رضي الله عنه, die hem tien jaar lang bediende, heeft gezegd: "Nimmer berispte hij mij. Nimmer zelfs vroeg hij mij: "Heb je dit gedaan, of waarom heb je dat niet gedaan ?"
Aboe Dharr (رضي الله عنه heeft Rasoellullaah (sa) horen zeggen: "Zij zijn jullie broeders, de dienaren, die Allah onder uw gezag heeft gesteld. Wie de meester is van zijn broeder, moet hem geven van wat hij zelf eet en hem kleden, zoals hij zich zelf kleedt."
Eén van de Arabieren, die deel nam aan het gevecht bij Hunayn, heeft verteld: "Ik had dikke sandalen aan, en bij het gevecht trapte ik onopzettelijk op de voet van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ), die uitriep: "Bij Allah, je hebt mij bezeerd!" en hij gaf mij een slag met de zweep, die hij in zijn hand hield. De gehele nacht bracht ik door met mij te verwijten, dat ik Rasoellullaah (صلى الله عليه وسلم ) bezeerd had. De volgende dag in alle vroegte liet hij mij roepen, en geheel ontdaan kwam ik voor hem te staan. Hij zei: "Ben jij het die op mijn voet had getrapt, en die ik een slag met mijn zweep heb geslagen? Welnu, zie hier tachtig schapen. Neem ze mee, ik schenk ze jou."
Met zijn liefhebbend hart had hij bitter er onder geleden, zo jong reeds van moederlijke tederheid te zijn beroofd.
De verhouding tussen kinderen en moeders hield hem dan ook doorloopend bezig: "Het paradijs voor de zoon (en de dochter) wordt aan de voeten van zijn (haar) moeder gewonnen." En hoorde hij gedurende zijn salaats een kind huilen, dan verhaastte hij het gebed, om de moeder gelegenheid te geven, het te gaan troosten, want hij wist, wat een moeder doormaakt, die haar kind hoort huilen.
Hij hield van een grapje, echter nimmer met leugens. Eens zei zijn tante Safiyah (رضي الله عنها); O Rasoelullaah, bidt tot Allaah opdat Hij mij tot het Paradijs binnenlaat. Hij zei: "O moeder van die en die (tante), waarlijk oude vrouwen komen niet in het paradijs." Safiyyah (رضي الله عنها), die reeds van gevorderde leeftijd was, barste in tranen uit en vertrok. Toen voegde hij daaraan toe: " Vertel haar dat oude vrouwen niet het Paradijs binnen gaan terwijl ze oud zijn, maar als jonge vrouwen. Allahu Ta`ālā zegt: (Nederlandse uitleg) "Waarlijk zullen Wij hun (de vrouwen in het Paradijs) in tegenstelling tot aardse leven in een andere leven veranderen". ( m.a.w. maar allen zullen worden heropgewekt met het uiterlijk van vrouwen van drie-en-dertig jaar oud, alsof zij allen op dezelfde dag waren geboren.)
De drie zaken, die in deze wereld zijn voorkeur hadden, waren de salaat, de vrouwen en de reukwerken. Hij hield zoveel van de nachtsalaat, dat zijn voeten opzwollen door het lange rechtop staan gedurende de salaat. Maar het recht, zo lang te bidden, beschouwde hij als één van de voorrechten van zijn Nabieschap, en hij gedoogde niet, dat zijn metgezellen zijn voorbeeld navolgden. Op dit punt waarschuwde hij `Abdullah bin Amr (رضي الله عنه: "Heeft men mij niet gezegd, dat je de hele nacht opblijft om te bidden, en dat je dagelijks vast? Als je zo doorgaat, zul je je ogen verliezen en je lichaam verslijten. Je plicht, voor je zelf en je gezin, is te vasten en de vasten te verbreken, 's nachts op te staan, maar ook te slapen."
Na het gebed, hield Rasoellullah (صلى الله عليه وسلم ) het meest van de vrouwen, en de vijanden van de Islaam hebben hem dat vaak verweten.
Hij was mannelijk in de volle betekenis van het woord, zedelijk en lichamelijk, maar met een volstrekte kuisheid. Hij was met twaalf vrouwen tegelijk gehuwd. Eén van de redenen van zijn huwelijken was vanwege staatkundige overwegingen. Alle stammen hoopten door één van hun vrouwen aan hem te binden familie banden met hem (صلى الله عليه وسلم ) aan te binden. Hij werd door huwelijksaanzoeken overstroomd, en één van zijn vrouwen, Azza (رضي الله عنه, zuster van Dihja el-Kelbl, stierf van blijdschap bij de tijding, dat an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) haar als echtgenote had aangenomen.
Bij elke gelegenheid trachtte de Islaam, het lot van de vrouwen te verbeteren. Vooreerst schafte de Islaam de afschuwelijke gewoonte af van de "Wa'd al-Benaat" (levend begraven van meisjes). Vervolgens beperkte de Islaam de polygamie, door het aantal wettige echtgenoten tot vier te begrenzen. En dan nog beval de Islaam de muslims dit vers van de Qur’ān aan: "... Indien jullie vrezen onrechtvaardig te zijn, neemt dan slechts één enkele echtgenote...." (Surati'n Nisaa, 3) Rasoellullah (صلى الله عليه وسلم ) zei: "Onder alle wettig toegestane zaken is degene, die Allah het minst aangenaam is, de echtscheiding," Hiermee kende de vrouw het recht toe, die te eisen, wanneer de man in zijn huwelijksverplichtingen te kort schoot.
Eindelijk werd door de Islaam een maagd niet meer tegen haar zin uitgehuwelijkt. De bruidsgift, die tot dusver door de echtgenoot aan de vader van de bruid werd gegeven, moest nu aan de bruid zelf gegeven worden. Vanwege de bruidsgift hebben de vijanden van de Islaam, de Islaam belasterd met het kopen van een vrouw. Zij zijn kennelijk vergeten dat in bepaalde landen deze bruidsgift door de bruid aan de bruidegom wordt gegeven!. Daarenboven moet de muslim echtgenoot in de kosten van het huishouden voorzien, zonder te raken aan het vermogen zijn vrouw, op welk vermogen hij geen enkel recht bezit.
Ook de verdeling in de erfenissen verleende de Islaam aan de vrouw. Dit recht is slechts tot een half deel van wat de man krijgt, men moet er wel rekening mee houden, dat de vrouw compensatie heeft in de bruidsgift en in de onderhoudskosten van het huis.
An-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) hield van reukwerken, omdat het de aanvulling van de hygiëne is. En omdat degene die een aangename geur verspreidt, waardiger zal zijn en zijn eer beter zal weten te doen eerbiedigen dan degene, wiens geur afschuw wekt. Hij parfumeerde zich met muskus, en liet santal, kamfer en amber branden.
Hij zalfde zijn haardos met haarzalf, en liet het langs zijn oren hangen.
Hij onderhield zijn haar en baard met een ivoren of schildpadden kam. Echter het veelvuldig kammen en zalven raadde hij af.
Hij verfde zijn haar en baard met henna.
Hij maakte zijn ogen zwart met kohl (antimonium), dat de blik verscherpt en de wimpers versterkt.
Hij verzorgde zijn tanden door ze veelvuldig te poetsen met de ,,Miswak" (een stuk zacht Arak hout), waarvan de vezels, als men er het uiteinde van kauwt, als borstel dienst kunnen doen.
Zijn kleding bestond in het algemeen uit een katoenen, al dan niet geverfd, overhemd met lange mouwen en kort van pasvorm, en uit een mantel, die vier el lang en twee el breed was, in Oman geweven. Hij had ook een groene mantel uit Jemen, die zes el lang en drie el breed was, die hij op vrijdag en op feestdagen droeg. Hij had ook een Romeinse mantel. En tenslotte had hij de Groene Mantel, die de Khalifa's erfden, en een tulband, es-Sa'b genaamd, die aan Ali (رضي الله عنه, zijn schoonzoon toeviel. Hij keek niet of de kleding die hij droeg nieuw of oud was, maar hij lette op de reinheid van zijn kleding. Hij hield het meest van witte kleding. Hij droeg lederen binnenschoenen en sandalen. Hij hield er niet van met één schoen over straat te lopen. In alles hield hij ervan met rechts te beginnen: kleding aantrekken, kammen, eten, drinken, woedoe verrichten.
Bij het aantrekken van iets deed hij eerst de rechter voet/been/arm dan de linker. Bij het uittrekken net andersom.
Hij droeg aan zijn rechter ringvinger een zegelring met daarop "Muhammadu'r Rasoellullah", die de Khalifa's erfden, waarmee hij officiele brieven zegelde.
An-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) besteedde bijzondere zorg voor aan persoonlijk uiterlijk, dat van een zeer eenvoudige maar zeer verfijnde keurigheid was. Hij bekeek zich in een spiegel, of als hij geen spiegel had in een kom water, om zijn haar te kammen of de plooien recht te schikken van zijn tulband, waarvan hij één van de punten tussen zijn schouders liet afhangen.
Hij was gewoon te zeggen: "Door ons uiterlijk te verzorgen, doen wij een werk, dat welgevallig is aan Hem, Wiens dienaren wij zijn." Daarentegen veroordeelde hij scherp overdreven weelde bij de kleding, en in het bijzonder het gebruik van zijde, die voor de rijken een aanleiding is tot hoogmoed tegenover de armen. Maar hij stond het wel toe voor hen, bij wie het voor de gezondheid nodig was.
Zijn zin voor rechtvaardigheid en weldadigheid strekte zich zelfs uit tot de dieren. Hij heeft gezegd: "Een man zag een hond, die zo dorstig was, dat hij modder oplikte. Hij nam één van zijn pantoffels en bediende zich daarvan, om water te scheppen, dat hij de hond bood, en hij herhaalde die handelwijze, tot de hond geen dorst meer had. Allah was die man welbevallen, voor wat hij gedaan had, en nam hem op in het Paradijs.'' Deze goedheid en de geheimzinnige straling, die van de persoonlijkheid van Rasoellullah (صلى الله عليه وسلم ) uitging, maakte indruk; op de dieren, ja zelfs op de levenloze voorwerpen, evenzeer als op de mensen. Toen hij de pas vervaardigde trap van een preekgestoelte besteeg in de Moskee van Medina, begon de nederige palmstam, waarop hij gewoon was geweest, voor de prediking (khutba) te klimmen, geluid van een kameel te uiten, en kwam slechts tot bedaren, na oplegging van zijn gezegende vingers.
An-Nabie verrichtte zelf handenarbeid.
Men zag hem zijn schapen melken, zijn sandalen herstellen, zijn kleren verstellen, zijn kamelen voederen, zijn tent spannen etc., zonder iemands hulp te aanvaarden.
Zelf bracht hij zijne inkopen van de markt naar huis, en een mu'min, die zich daarmee wilde belasten, gaf hij ten antwoord: "Het is de taak van de koper om zijn aankopen te dragen." Zo doende veroordeelde hij door zijn voorbeeld de gewoonte van bepaalde rijke lieden, die allerlei voorwerpen inkopen en hun dienaren daarmee belasten, zonder zich om het gewicht te bekreunen.
Tot het uiterste dreef hij de minachting voor de goederen van deze wereld, luister wat hij volgens `Aisha (رضي الله عنها) hierover heeft gezegd: "Allah stelde mij voor, alle stenen in de omgeving van Mekka voor mij in goud te veranderen, en ik antwoordde hem: "0 Allah, vergun mij slechts, een dag te hongeren en de volgenden dag verzadigd te worden. De dag, dat ik honger heb, zal ik U aanroepen, en de dag, dat ik verzadigd ben, zal ik U danken." Wat moet ik doen met de goederen van deze wereld? Ik ben als een reiziger, die zich uitstrekt in de schaduw van een boom. Bij haar draaiing bereikt hem de zon, en hij verlaat die boom, om er niet terug te keren. O Allah, laat mij arm sterven, en wek mij weder op in de gelederen van de armen!"
An-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) was buitengewoon sober in alles wat om wereldse zaken ging. Nimmer nam hij twee soorten voedsel bij dezelfde maaltijd. At hij vlees, dan nam hij geen dadels, en at hij dadels, dan at hij geen vlees. Hij had een voorkeur voor melk, die honger en dorst gelijktijdig stilt. Voor en na het eten waste hij zijn handen. Hij at altijd voor zich met zijn rechter hand en hij begon in naam van Allaah (Bismillaah) en eindigde met de lof aan Allaah (Alhamulillaah). Hij at met drie vingers en na het eten likte hij deze drie vingers schoon.
Als hij at dan zat hij op de grond zonder ergens aan te leunen
Herhaaldelijk geschiedde het, dat maanden lang in geen enkel huis van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) vuur werd aangelegd, om brood of enig ander voedsel te bereiden. Gedurende die tijd voedden hijzelf en zijn gezin zich met gedroogde dadels, en dronk hij slechts water. Folterde de honger al te zeer zijn ingewanden, dan legde hij een steen op zijn buik, die hij met een gordel vastbond. Als er niets te eten viel dan zei hij: "Ik vast vandaag". Hij is uit deze wereld gescheiden zonder dat enig gerecht hem was gaan tegenstaan, zelfs geen gerstebrood. Hij heeft geen eens twee dagen aaneengesloten maagvullend gerstebrood gegeten. Hij zei: "Wat is azijn een mooie brood beleg". Hij gebruikte olijfolie als brood beleg. Hij hield van couchettes. Maar hij verafschuwde rauwe uien en knoflook. Zijn lievelingskost was gebraden vlees van de voorpoten en vleesbouillon soep.
Om zijn lichaam, dat hij door onophoudelijke wassingen in een staat van volmaakte reinheid hield, bekommerde hij zich weinig, wat het komfort betreft. Vaak sliep hij op een ruwe mat, waarvan het litteken soms diep zin zijn vlees bleef afgedrukt. Zijn hoofdkussen was gemaakt van palmvezels, en zijn bed van een dubbel gevouwen mantel. Toen `Aisha (رضي الله عنها) 's nachts zijn mantel in vieren had gevouwen, werd hij boos, daar hij zijn ligplaats te zacht vond, en hij gaf bevel, het in de gebruikelijke staat terug te brengen.
Voor hij stierf, had hij al zijn slaven bevrijd, en het weinige goed, dat hij nog bezat, verdeeld. Hij achtte het onbehoorlijk, voor zijn Rab te verschijnen met goud in zijn bezit. Men trof in zijn huis slechts dertig maten gerst aan, en om dat te kopen had hij zijn borstharnas bij een woekeraar moeten verpanden.
Dit zijn de voornaamste beschrijvingen van het beeld van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ), zoals het door de hadieth (overlevering) is bewaard. Wij aanvaarden het als de waarheid, maar voor ons valt het slechts te vergelijken bij het beeld van een ster, dat door het water teruggekaatst wordt.
Het twinkelende schijnsel is tot onder het bereik van de hand afgedaald, maar het blijft ongrijpbaar, en hoe bleek is het niet, in verhouding tot het hemellicht, dat het uitzendt, en dat in schitterende praal hoog aan de hemel straalt!.