ASH-SHAMĀʾIL AN-NABAWIYYAH (الشمائل المحمدية) DE VOORTREFFELIJKE EIGENSCHAPPEN VAN AN-NABAWĪ (صلى الله عليه وسلم).
İmâm Tirmidzî
Vertaling naar Turks en uitleg door Prof. Dr. Mehmet Yaşar Kandemir
Voor de leesbaarheid van deze tekst wordt gekozen voor het gebruik van mannelijke voornaamwoorden (hij, hem, zijn) als generieke verwijzing naar een persoon, ongeacht het geslacht. Waar hij gebruikt wordt, geldt dit tevens voor zij/haar. Deze conventie heeft geen invloed op de betekenis of interpretatie van de inhoud.
De honorificaties (groetenisformules) worden vaak gebruikt na het noemen van anbiyā en ṣaḥābah als uiting van respect en du`ā’ voor hen.Hier is een lijst van de honorificaties in het Arabisch met de Nederlandse vertaling:صلى الله عليه وسلم : “Sallallahu alaihi wa sallam” (Allahs zegeningen en vrede zij met hem): vaak gebruikt na het noemen van de naam van an-Nabī Muhammed
رضي الله عنه : “Radiallahu anhu” (Moge Allāh tevreden zijn met hem): voor mannelijke ṣaḥābah
رضي الله عنها : “Radiallahu anha” (Moge Allāh tevreden zijn met haar): voor vrouwelijke ṣaḥābah
رضي الله عنهما : “Radiallahu anhuma” (Moge Allāh tevreden zijn met beiden): voor twee ṣaḥābah
رضي الله عنهم : “Radiallahu anhum” (Moge Allāh tevreden zijn met hen): voor een groep ṣaḥābah
عليه السلام : “`Alayhissalam” (Vrede zij met hem): vaak gebruikt voor anbiyā en boodschapper
عليها السلام: “`Alayhassalam” (Vrede zij met haar): gebruikt voor dochters van Rasûlullāh en vrouwelijke personen die in de Qur’ān worden genoemd.
( رَحِمَهُ اللهُ) raḥimahu Allāh: moge Allāhu hem genadig zijn (man)
رَحِمَهَا اللهُ (raḥimahā Allāh): moge Allāhu haar genadig zijn (vrouw)
رَحِمَهُمَا اللهُ (raḥimahumā Allāh): moge Allāhu twee personen genadig zijnرَحِمَهُم اللهُ (raḥimahum Allāh): moge Allāhu hun genadig zijn
Voorwoord vertaler naar het Nederlands
بسم الله الرحمن الرحيمإِنَّ الْحَمْدَ لِلَّهِ، نَحْمَدُهُ، وَنَسْتَعِينُهُ، وَنَسْتَغْفِرُهُ، وَنَعُوذُ بِاللَّهِ مِنْ شُرُورِ أَنْفُسِنَا، وَمِنْ سَيِّئَاتِ أَعْمَالِنَا.
مَنْ يَهْدِهِ اللَّهُ فَلاَ مُضِلَّ لَهُ، وَمَنْ يُضْلِلْ فَلاَ هَادِيَ لَهُ.
وَأَشْهَدُ أَنْ لاَ إِلَهَ إِلاَّ اللَّهُ وَحْدَهُ لاَ شَرِيكَ لَهُ، وَأَشْهَدُ أَنَّ مُحَمَّدًا عَبْدُهُ وَرَسُولُهُ.
يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا اتَّقُوا اللَّهَ حَقَّ تُقَاتِهِ، وَلَا تَمُوتُنَّ إِلَّا وَأَنْتُمْ مُسْلِمُونَ.
يَا أَيُّهَا النَّاسُ اتَّقُوا رَبَّكُمُ الَّذِي خَلَقَكُمْ مِنْ نَفْسٍ وَاحِدَةٍ، وَخَلَقَ مِنْهَا زَوْجَهَا، وَبَثَّ مِنْهُمَا رِجَالًا كَثِيرًا وَنِسَاءً، وَاتَّقُوا اللَّهَ الَّذِي تَسَاءَلُونَ بِهِ وَالْأَرْحَامَ، إِنَّ اللَّهَ كَانَ عَلَيْكُمْ رَقِيبًا.
يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا اتَّقُوا اللَّهَ وَقُولُوا قَوْلًا سَدِيدًا، يُصْلِحْ لَكُمْ أَعْمَالَكُمْ وَيَغْفِرْ لَكُمْ ذُنُوبَكُمْ وَمَنْ يُطِعِ اللَّهَ وَرَسُولَهُ فَقَدْ فَازَ فَوْزًا عَظِيمًا.
أَمَّا بَعْدُ: فَإِنَّ خَيْرَ الْحَدِيثِ كِتَابُ اللَّهِ، وَخَيْرَ الْهُدَى هَدْيُ مُحَمَّدٍ (صلى الله عليه وسلم)، وَشَرَّ الْأُمُورِ مُحْدَثَاتُهَا، وَكُلُّ بِدْعَةٍ ضَلَالَةٌ، وَكُلُّ ضَلَالَةٍ فِي النَّارِ.
De lofprijzing is aan Allāh. Wij prijzen Allāh en vragen Zijn hulp en vergiffenis. Wij zoeken onze toevlucht bij Allāh voor al het kwade dat van de shaytān (satan) en van onze nafs (ego) komt. Als Allāh iemand op het rechte pad leidt, is niemand in staat hem te misleiden. Als Allāh iemand misleidt, is niemand in staat hem op het rechte pad te krijgen. Wij getuigen dat er geen godheid is dan Allāh en wij getuigen ook dat Muhammed (صلى الله عليه وسلم: Allāhs vrede en zegeningen zij met hem) Zijn dienaar en Zijn Boodschapper (Rasûl) is
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ ٱتَّقُواْ ٱللَّهَ حَقَّ تُقَاتِهِۦ وَلَا تَمُوتُنَّ إِلَّا وَأَنتُم مُّسۡلِمُونَ ١٠٢
O jullie die geloven! Vrees Allāh zoals Hij gevreesd behoort te worden en sterf niet, behalve als oprechte moslims (in volledige onderwerping aan Allāh’s éénheid). (Aal-i-Imrān, 4:102)
يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّاسُ ٱتَّقُواْ رَبَّكُمُ ٱلَّذِي خَلَقَكُم مِّن نَّفۡسٖ وَٰحِدَةٖ وَخَلَقَ مِنۡهَا زَوۡجَهَا وَبَثَّ مِنۡهُمَا رِجَالٗا كَثِيرٗا وَنِسَآءٗۚ وَٱتَّقُواْ ٱللَّهَ ٱلَّذِي تَسَآءَلُونَ بِهِۦ وَٱلۡأَرۡحَامَۚ إِنَّ ٱللَّهَ كَانَ عَلَيۡكُمۡ رَقِيبٗا ١
O mensheid! Wees plichtsgetrouw ten aanzien van jullie Rab, die jullie uit één enkele ziel heeft geschapen en (vervolgens) daaruit zijn vrouwelijke wederhelft schiep.
En uit hun beide heeft Hij vele mannen en vrouwen voortgebracht. En vrees Allāh in wiens Naam jullie elkaar (om hulp) vragen en (verbreek) de familiebanden niet. Voorzeker, Allāh is altijd en overal oplettend over jullie (daden). (Nisā’, 3:1)
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ ٱتَّقُواْ ٱللَّهَ وَقُولُواْ قَوۡلٗا سَدِيدٗا ٧٠
يُصۡلِحۡ لَكُمۡ أَعۡمَٰلَكُمۡ وَيَغۡفِرۡ لَكُمۡ ذُنُوبَكُمۡۗ وَمَن يُطِعِ ٱللَّهَ وَرَسُولَهُۥ فَقَدۡ فَازَ فَوۡزًا عَظِيمًا ٧١
O jullie die geloven! Vrees Allāh en spreek de waarheid. Hij (Allāh) zal voor jullie jullie goede daden aanvaarden en jullie je zonden vergeven. En wie Allāh en Zijn Rasûl gehoorzaamt, die heeft een geweldige triomf behaald. (Ahzāb, 33:70-71)
Daarna: “Voorwaar, de meest waarheidsgetrouwe woorden zijn de woorden van Allāh, de beste van de wegen is de weg van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Het slechtste van de daden zijn die welke nieuw zijn geïntroduceerd.
Alles wat als innovatie (bid`ah) in de Islām wordt toegevoegd, is dwaling, en iedere dwaling leidt naar het Hellevuur.”Deze bekende preek, die bekend staat als ‘Khutbatu’l-Hajah’, werd door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) voorgedragen tijdens vrijdagpreken en andere toespraken. Hij leerde deze preek ook direct aan de metgezellen.
Moge lof en dank aan onze Rab zijn, die ons uit het niets heeft geschapen, ons vervolgens bewust heeft gemaakt van Zijn bestaan, ons heeft geleerd wat we niet wisten en ons heeft begiftigd en vereerd met de hoogste zegen van alle zegeningen, het geloof (īmān).As-salaat en as-salām is aan het beste voorbeeld, onze leider en gids, an-Nabī Muhammed Mustafa ( صلى الله عليه وسلم) evenals zijn familieleden en metgezellen.
Alle Arabische namen zijn getranslitereerd en cursief weergegeven om ze voor de lezer gemakkelijk herkenbaar te maken. De verzen uit de Qurʾān en de sahīh ahadīth zijn in vette letters gezet voor extra nadruk. De schrijver heeft bij elke hadîth, naast de vertaling en de uitleg, ook twee vaste onderdelen opgenomen: “Wat wij uit deze ahādīth leren” en “De overleveraars van de hadîth”. Deze twee laatste paragrafen heb ik bewust niet vertaald, en eveneens heb ik de bronvermeldingen en referenties weggelaten. Op deze manier komt de inhoud van de shamāʾil van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zo helder mogelijk naar voren. Mijn doel was om de lezer een zo zuiver en samenhangend mogelijk beeld te geven van de volledige shamāʾil van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).
De schrijver gebruikt verschillende Ottomaans-Turkse eretitels en bijnamen voor an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), zoals: Resûl-i Ekrem, Resûl-i Kibriyâ, Fahr-i Âlem, Fahr-i Cihân, Fahr-i Kâinât, Server-i Enbiyâ, Nebiyy-i Ekrem, Peygamberler Sultanı, Peygamber-i Zîşân, Nebiyy-i Muhterem, Sultân-ı Enbiyâ, âlemlere rahmet olan Efendimiz…
Hoewel deze benamingen niet allemaal letterlijk synoniem zijn aan “Rasûlullāh” of “an-Nabī”, heb ik ervoor gekozen deze eretitels consequent te vertalen als óf Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) óf an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).
Hierdoor gaat weliswaar een deel van de stilistische nuance en de oorspronkelijke betekenis van deze eretitels verloren, maar deze keuze voorkomt verwarring en bevordert de leesbaarheid. Bovendien maakt zij het mogelijk om één vaste vertaalmethode te hanteren en de tekst eenvoudiger en consistenter te houden. Op die manier begrijpt de lezer direct over wie gesproken wordt, zonder telkens met verschillende eretitels geconfronteerd te worden.
In deze vertaling wordt daarom de volgende tweedeling aangehouden:
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): Peygamber, Efendimiz, Nebiyy-i Ekrem, Server-i En, âlemlere rahmet olan Efendimiz biyâ, Peygamberler Sultanı, Peygamber-i Zîşân, Nebiyy-i Muhterem, Sultân-ı Enbiyâ en vergelijkbare benamingen.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): Allah’ın Elçisi, Allah’ın Resûlü, Resûl-i Ekrem, Resûl-i Kibriyâ en vergelijkbare benamingen.
De letterlijke of inhoudelijke vertaling van deze eretitels is als volgt:
Resûl-i Ekrem : De Edelste Boodschapper
Resûl-i Kibriyâ : De Boodschapper van de Goddelijke Majesteit
Fahr-i Âlem : De Trots van de Wereld
Fahr-i Cihân : De Trots van de Schepping
Fahr-i Kâinât : De Trots van het Heelal
Allah’ın Elçisi : Rasûlullāh
Allah’ın Resûlü : Rasûlullāh
En de andere eretitels die je eerder noemde:
Server-i Enbiyâ : De Leider van de Profeten
Nebiyy-i Ekrem : De Edelste Profeet
Peygamberler Sultanı : De Sultan van de Profeten
Peygamber Efendimiz : Onze Edele Profeet
Efendimiz : Onze Meester
Peygamber-i Zîşân : De Verheven Profeet
Nebiyy-i Muhterem : De Geëeran-Nabī
Sultân-ı Enbiyâ : De Sultan van de Profeten
Heer der barmhartigheid voor de werelden : âlemlere rahmet olan Efendimiz.
Zowel de oorspronkelijke Arabische tekst van de Qurʾān als de Nederlandse vertaling zijn ntleend aan de website hoop dat deze vertaling van nut mag zijn voor Nederlandstalige lezers en een bijdrage levert aan een beter begrip de shamāʾil van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) Tawfīq en hidāyah komen van Allāh. As-salāh en as-salām zij met degenen die de Qur'ān en de Sunnah volgen.
VOORWOORD VAN DE SCHRIJVER
Nadat ik de uitleg van Shifā-i Sharīf van Qadi `Iyād, heb voltooid, prijs ik Rabbu’l `Âlamīn (Heer der Werelden) met ontelbare lofuitingen en eindeloze dankbaarheid, Die Zijn gunst heeft geschonken aan deze nederige dienaar door ook de uitleg van Shamāil-i Sharīf te voltooien. Moge ṣalāt en salām worden gezonden aan onze geliefde sayyidinā Muḥammad Muṣṭafā (صلى الله عليه وسلم), wiens karakter en shamâil voor ons een leidraad vormen, zo talrijk als de zandkorrels op aarde en de sterren aan de hemel.
Wij zijn naar deze wereld gekomen om ons voor te bereiden op het Hiernamaals. De levensduur die ons voor deze voorbereiding is gegeven, is uiterst kort, terwijl onze terugkeer tot Allāh is. Tijdens dit korte wereldse leven rust op ons de plicht om onze godsdienst op de juiste wijze te leren kennen en haar te beleven zoals onze Rab van ons verlangt. Dit kan alleen door de aḥādīth van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), die deze verheven godsdienst heeft gebracht en aan ons heeft overgeleverd, te bestuderen en zijn verheven Sunnah te volgen. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft ons namelijk niet alleen de Edele Qurʾān gebracht, maar deze ook door middel van zijn aḥādīth toegelicht en verklaard. Bovendien heeft hij met zijn Sunnah duidelijk gemaakt hoe deze godsdienst in de praktijk dient te worden toegepast en nageleefd.
Onze Rabbu (تعالى) heeft immers bekendgemaakt dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) voor ons een voortreffelijk voorbeeld is. Hij heeft ons opgedragen hem lief te hebben en ons meegedeeld dat Hij ons eveneens zal liefhebben en tevreden met ons zal zijn wanneer wij zijn weg/Sunnah volgen. Het volgen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en het liefhebben van hem is slechts mogelijk door kennis te nemen van zijn shamâil en zijn karakter.
Vanuit deze gedachte heeft Imām Tirmizī de onderwerpen van de shamâil, die voorheen verspreid waren over verschillende ḥadīthverzamelingen, samengebracht in zijn werk dat hij ash-Shamâilu’n-Nabawiyyah noemde. In dit werk, dat bekendstaat als het eerste zelfstandige boek over de šemâil, verzamelde hij 415 overleveringen in 56 hoofdstukken. Deze behandelen onderwerpen zoals het karakter van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), zijn vormen van aanbidding, zijn eten en drinken, zijn rust en slaap, zijn spreken, lachen en huilen, zijn nederigheid, zijn omgang met de mensen om hem heen en met zijn familie, zijn namen, zijn leeftijd, zijn overlijden, zijn nalatenschap, het zien van hem in dromen en het belang van het volgen van zijn Sunnah.
Dat er meer dan honderd boeken zijn geschreven om dit waardevolle werk van Imām Tirmizī te verklaren of samen te vatten, en dat het vertaald is in verschillende talen, waaronder Turks, Perzisch en Urdu, toont de grote waardering die ash-Shamâilu’n-Nabawiyyah, in de islamitische wereld heeft genoten.
Om de lezer hierover inzicht te geven, heb ik enkele van de belangrijkste studies vermeld die islamitische geleerden hebben verricht over de šemâil in het algemeen en over dit werk van Imām Tirmizī in het bijzonder.
Bij het voorbereiden van deze uitleg van Shamâil-i Sharīf heb ik gebruikgemaakt van talrijke ḥadīthwerken en hun commentaren, in het bijzonder de belangrijke verklaringen op ash-Shamâilu’n-Nabawiyyah, zoals Jamʿu’l-Wasâil van ʿAliyyu’l-Qārī en Ashrafu’l-Wasâil van Ibn Ḥacjar al-Haythamī. Om ervoor te zorgen dat de lezer nog meer profijt heeft van de woorden van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), heb ik naast de vertalingen ook de Arabische teksten van de aḥādīth opgenomen en tevens de bronnen van alle overleveringen vermeld.
Aan het einde van iedere ḥadīth heb ik de onderwerpen die in de ḥadīth en de uitleg ervan aan bod komen, samengevat onder de titel: “Wat wij uit deze ḥadīth leren”.
Aangezien ash-Shamâilu’n-Nabawiyyah een ḥadīthboek is, heeft Imām Tirmizī de aḥādīth met hun volledige overleveringsketens (isnāds) vermeld. Om de lezer inzicht te geven in deze onmisbare onderdelen van de ḥadīthwetenschap en in de overleveraars die daarin voorkomen, heb ik hen bij hun eerste vermelding kort voorgesteld en bij latere vermeldingen verwezen naar de eerste plaats waar zij genoemd werden.
Hoewel er vele uitgaven van ash-Shamâilu’n-Nabawiyyah bestaan, heb ik voor de teksten in deze uitleg de overleveringsketens en teksten gevolgd van de uitgave van de vooraanstaande geleerde Muḥammad ʿAwwāmah, die bekendstaat om zijn nauwkeurige edities en zijn grote diensten aan de ḥadīthwetenschap.
Deze uitgave verscheen samen met al-Mawāhibu’l-Ladunniyyah ʿala’sh-Shamâili’l-Muḥammediyyah van Ibrāhīm al-Bājūrī (overl. 1277 H./1860).
…………………………………………..
………………………………………….
………………………………………….
Ik smeek mijn Rab ons de gunst te schenken om Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op de meest juiste wijze te leren kennen, in deze wereld te leven overeenkomstig zijn gezegende Sunnah, en in het Hiernamaals zijn voorspraak (shafāʿah) te mogen verkrijgen.
Mehmet Yaşar Kandemir
April 2015, Üsküdar.
IMĀM TIRIDZĪ ZIJN LEVEN EN ZIJN WERKEN
Imām Tirmidzī ( رَحِمَهُ اللهُ) werd waarschijnlijk in 209 (842) geboren in Tirmidzī, een gebied dat tegenwoordig in Oezbekistan ligt, dicht bij de grens met Afghanistan. Daarom staat hij bekend als “Tirmidzī”. Volgens sommige overleveringen zou hij geboren zijn in het dorp Būgh, op ongeveer zeven farsakh van Tirmidz, en daarom wordt hij ook “Būghī” genoemd.
Op ongeveer 25-jarige leeftijd begon hij met het bestuderen van de ḥadīth. hij leerde eerst in Tirmiz zelf, en reisde daarna naar onder andere Khurāsān, Irak en de Ḥijāz om kennis op te doen bij geleerden van de ḥadīth.
Hij was lange tijd een leerling van Imām al-Bukhārī en leerde van hem vele overleveringen en veel kennis over de overleveraars van ḥadīth. Tegelijkertijd zag Imām al-Bukhārī ook de grote waarde van Tirmidzī’s kennis en profiteerde hij van zijn inzicht. Imām Al-Bukhārī zei hierover tegen zijn leerling Tirmidzī: “Wat ik van jou heb geprofiteerd is eigenlijk meer dan wat jij van mij hebt geprofiteerd.”
Tirmidzī beschikte over zowel een uitzonderlijke intelligentie als een zeer sterk geheugen. Een bekend voorbeeld daarvan is het volgende: Tijdens zijn reis naar Makkah ontmoette hij onderweg een ḥadīthgeleerde van wie hij eerder overleveringen in twee kleine boekjes (jûz’) had opgeschreven. Een jûz’ is een klein werkje met ongeveer 100 tot 200 ḥadīth. Zijn bedoeling was om naar de woonplaats van deze geleerde te gaan, zijn overleveringen voor te lezen en vervolgens toestemming (ijāzah) te krijgen om deze aḥadīth door te geven. Toen hij deze persoon echter onderweg tegenkwam, werd hij erg blij en opgewonden. In plaats van de twee boekjes die hij dacht te hebben, nam hij blanco papier uit zijn tas en ging naar de geleerde om hem zijn aḥadīth opnieuw voor te laten lezen.
De geleerde las hem vervolgens de aḥadīth voor waarvoor Tirmidzī toestemming wilde verkrijgen. Daarna zei hij tegen Tirmidzī: “Laat die twee boekjes zien waarvan je zei dat je ze hebt opgeschreven, zodat ik ze kan controleren.”
Imām Tirmidzī gaf hem de papieren, maar daarop stond niets geschreven. De geleerde dacht dat Tirmidzī met hem de spot dreef. Op dat moment kwam Tirmidzī in een moeilijke positie terecht. Om het misverstand op te lossen legde hij uit dat hij absoluut niet aan het spotten was en dat hij de aḥadīth die zojuist waren voorgelezen uit zijn hoofd kende. Vervolgens reciteerde hij ze foutloos uit het geheugen opnieuw.
De geleerde twijfelde echter nog steeds en zei: “Misschien heb je deze aḥadīth nooit opgeschreven en heb je ze al uit je hoofd geleerd voordat je hier kwam.”
Tirmidzī antwoordde: “Als u wilt, kan ik u ook andere aḥadīth voorlezen die u aan uw studenten heeft overgeleverd; u kunt mij testen zoals u wilt.”
De geleerde stelde hem vervolgens op de proef met veertig gharīb aḥadīth uit zijn eigen overleveringen. Tirmidzī gaf aan dat hij deze ook kende en reciteerde ze volledig uit het geheugen. De geleerde was diep onder de indruk en zei: “Ik heb nog nooit iemand gezien met een zo sterk geheugen als jij.”
Een van zijn leraren zei: “Na het overlijden van Imām al-Bukhārī is er in de regio Khurāsān niemand overgebleven die zo bekend stond om zijn kennis en sterke geheugen als Tirmidzī.”
Imām Tirmidzī was een vrome en godvrezende geleerde. hij hechtte geen waarde aan wereldse rijkdom en streefde er volledig naar om zijn hiernamaals te verbeteren. Naar verluidt heeft hij uit vrees voor Allah zó veel gehuild dat hij zijn gezichtsvermogen verloor en jarenlang blind leefde.
Zijn belangrijkste werk is al-Jāmiʿ al-Ṣaḥīḥ, beter bekend als Sunan at-Tirmidhī, een van de zes grote ḥadīthverzamelingen.
Over dit werk zei hij zelf: “Wie dit boek in zijn huis heeft, heeft als het ware de sprekende Nabī in zijn huis.” Hij zei dit niet uit trots, maar om de betrouwbaarheid en het belang van zijn werk aan te geven.
Naast al-Jāmiʿ al-Ṣaḥīḥ is zijn bekendste werk as-Shamā’il an-Nabawiyyah. hij schreef ook onder andere al-ʿIlal al-Kabīr, al-ʿIlal al-Ṣaghīr, Tasmiyat aṣḥāb an-Nabī, Kitāb at-Tārīkh, Kitāb al-Asmāʾ wal-Kunā en Kitāb az-Zuhd.
Imām Tirmidzī overleed op 13 Rajab 279 (9 oktober 892), in het dorp Būgh dat bij Tirmidz hoort; er wordt ook gezegd dat hij in de stad Tirmidz zelf is overleden.
Moge Allah hem genadig zijn.
IMĀM TIRMIDZĪ – AS-SHAMĀ’IL AN-NABAWIYYAH
De volledige titel van dit werk is as-Shamā’il an-Nabawiyyah wal-Khaṣā’il al-Muṣṭafawiyyah. In sommige bronnen komt het ook voor onder de naam as-Shamā’il al-Muḥammadiyyah.
Dit werk is de eerste systematische studie binnen het genre van de shamā’il (beschrijvingen van het uiterlijk, karakter en de eigenschappen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Het bestaat uit 56 hoofdstukken. In verschillende edities varieert het aantal aḥadīth tussen 394, 395, 415 of 424, afhankelijk van de manier waarop sommige overleveringen als aparte overleveringen worden geteld.
Hoewel dit het eerste werk in dit vakgebied is, wordt het algemeen beschouwd als het meest complete en best gestructureerde werk over de shamā’il. Imām Tirmidzī heeft veel aḥadīth uit zijn bekende werk al-Jāmiʿ aṣ-Ṣaḥīḥ (één van de zes boeken van de Kutub as-Sittah) letterlijk overgenomen, en een deel ervan samengevat in deze compilatie.
De meeste aḥadīth in as-Shamā’il an-Nabawiyyah worden als ṣaḥīḥ beoordeeld, een aanzienlijk deel als ḥasan, en slechts een klein aantal als ḍaʿīf.
Verschillende geleerden die werken over de shamā’il hebben geschreven, hebben grote lof uitgesproken over dit werk. Onder hen is de bekende geleerde Ibn Kathīr ( رَحِمَهُ اللهُ), die zelf een werk schreef over de eigenschappen van an-Nabī. Hij verklaarde dat er veel boeken over dit onderwerp bestaan, maar dat het werk van Imām Tirmidzī tot de mooiste en meest waardevolle behoort. Hij gaf aan dat hij bij zijn eigen werk veelvuldig heeft geput uit as-Shamā’il an-Nabawiyyah en daar aanvullingen op heeft gemaakt.
De bekende Hanafitische jurist, muhaddith, mufassir en qirā’at-geleerde ʿAlī al-Qārī heeft de beste bekende commentaar op dit werk geschreven. Hij stelt dat wie dit boek leest, het gevoel krijgt alsof hij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) met eigen ogen ziet, en dat hij in elk hoofdstuk zijn prachtige eigenschappen aanschouwt.
Ook de geleerde Muḥammad ʿAbd al-Raʾūf al-Munāwī Al-Munawi zei dat as-Shamā’il an-Nabawiyyah een van de belangrijkste, meest perfect gestructureerde en mooiste werken in dit vakgebied is die Allah aan deze gemeenschap heeft geschonken, zonder gelijke in zijn opbouw en inhoud.
WAT BETEKENT DE SHAMÂİL?
Shamâil is de meervoudsvorm van het woord “shimâl”, dat “karakter, natuur, aanleg, gezindheid, moraal” en ook “linkerzijde” betekent.
Als religieuze term betekent shamâil: “de menselijke kant van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), zijn uiterlijke verschijning, zijn privéleven en zijn morele karakter.”
In werken over de shamâil, met name in het boek ash-Shamâilu’n-nabawiyyah van Imām Tirmidzī, worden vooral de volgende onderwerpen behandeld:
de algemene lichaamsbouw van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), de vorm van het zegel van het profeetschap op zijn rug, de toestand van zijn haar en baard, het aanbrengen van kohl in zijn ogen, zijn kleding en levensstijl, zijn schoenen, zijn zegelring, zijn zwaard, zijn harnas, zijn helm en tulband, zijn manier van lopen en zitten, hoe hij at, wat en hoe hij at en dronk, hoe hij wudu verrichtte, wat hij zei en hoe hij duʿā maakte vóór en na het eten, zijn gebruik van parfum, zijn spreken, lachen en slapen, zijn aanbidding, zijn vasten, zijn recitatie van de Qur’ān, zijn huilen, zijn nederigheid (tawādu), zijn algemene karakter, zijn sterke schaamtegevoel (ḥayā’), zijn namen, zijn levenswijze, zijn leeftijd, zijn overlijden en zijn erfenis.
DE EERSTE BRON VAN DE SHAMÂİL
De shamâil van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn ons in eerste instantie door Allāhu (تعالى) bekendgemaakt.
In de Qur’ān worden de mu’mins aangespoord om hem te gehoorzamen samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), hem te volgen, hem meer lief te hebben dan zichzelf, zijn gezegende persoon in al zijn aspecten te leren kennen, zijn eigenschappen over te nemen en hem als voorbeeld te nemen in zijn edele karakter. Dit wordt duidelijk in de volgende verzen:
“Wij hebben jou slechts als brenger van goed nieuws en als waarschuwer naar alle mensen gezonden. Maar de meeste mensen weten dat niet.”1
“Zeg: O mensen! Ik ben Rasûlullāh tot jullie allen.”2
“En voorwaar, jij bezit een zeer groots karakter.”3
“En Wij hebben jou slechts als een barmhartigheid voor de werelden gezonden.”4
“Voorzeker, er is tot jullie een Boodschapper gekomen uit jullie eigen midden. Het doet hem pijn dat jullie in moeilijkheden verkeren; hij is zeer begaan met jullie en zeer zacht en barmhartig tegenover de mu’mins.”5
“Zeg: Gehoorzaam Allah en gehoorzaam de Boodschapper.”6
“Voor wie Allah en de Laatste Dag hoopt te ontmoeten en Allah veel gedenkt, is er in Rasûlullāh een prachtig voorbeeld.”7
“an-Nabī is dichter bij de mu’mins dan zij zichzelf zijn.”8
“Voorwaar, Allah en zijn engelen zenden zegeningen over an-Nabī. O jullie die geloven, zegen hem en groet hem met volledige overgave.”9
[1] Saba’ 34:28.
[2] Al-Aʿrāf 7:158.
[3] Al-Qalam 68:4.
[4] Al-Anbiyāʾ 21:107.
[5] At-Tawbah 9:128.
[6] An-Nūr 24:54.
[7] Al-Aḥzāb 33:21.
[8] Al-Aḥzāb 33:6.
[9] Al-Aḥzāb 33:56. De ṣalāh van Allāhu (تعالى) over an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) betekent dat Hij hem Zijn barmhartigheid schenkt. De ṣalāh van de engelen en de mu'mins over hem betekent dat zij voor hem om barmhartigheid smeken.
ENKELE ANDERE EIGENSCHAPPEN VAN DE BOODSCHAPPER IN DE QUR’ĀN
In de Qur’ān worden nog meer eigenschappen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) genoemd. Zo wordt vermeld dat hij zeer begaan is met de mu’mins, zeer zacht en barmhartig voor hen is, en dat het hem zwaar valt wanneer zijn gemeenschap in moeilijkheden verkeert.Ook wordt vermeld dat hij hen het Boek en de wijsheid onderwijst en hen zuivert van zonden.Verder leert Allāhu (تعالى) hem de meest volmaakte moraal, waaronder nederigheid, het niet opdringen van goedheden, geen verlangen naar wereldse rijkdom, vergeving en het negeren van onwetenden, standvastigheid in waarheid, geduld met wat mensen zeggen en doen, steun geven aan mu’mins, en vriendelijke en oprechte woorden spreken tegen mensen.
DE TWEEDE BRON VAN DE SHAMÂİL
De tweede bron van de shamâil zijn de aḥadīth. De muhaddithūn (ḥadīthgeleerden) behandelen de shamâil meestal in hoofdstukken van ḥadīthwerken zoals: Faḍā’il, Manāqib, Adab, Libās, Atʿima, Ashriba, Zīna, Dhikr en Duʿā.
De ḥadīth omvat in totaal acht hoofdonderwerpen. Werken die deze samenbrengen worden jāmiʿ genoemd. De al-Jāmiʿ al-Ṣaḥīḥ van Imām al-Bukhārī, Imām Muslim en Imām Tirmidzī behoren tot de bekendste voorbeelden hiervan.
Zo heeft Imām Muslim in het hoofdstuk Faḍā’il van zijn al-Jāmiʿ al-Ṣaḥīḥ aḥadīth opgenomen over de moed, vrijgevigheid, nederigheid, schaamte, geur, reinheid van zweet, haar, schoonheid van het gezicht, mond, ogen en het zegel van het profeetschap op zijn rug van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
Imām Mālik heeft in zijn al-Muwaṭṭaʾ in het hoofdstuk Ṣifat an-Nabī en op andere plaatsen ook aandacht besteed aan shamâil-onderwerpen.
De geleerden die werken hebben geschreven over de shamâil behandelen deze eigenschappen meestal onder titels zoals Ṣifat an-Nabī, Manāqib, Faḍā’il en as-Safar wa-l-qiyām wa-l-quʿūd.
Imām Tirmidzī heeft in het 46e boek van zijn al-Jāmiʿ al-Ṣaḥīḥ (hoofdstukken 1–16), onder de titel Manāqib, de menselijke kant, uiterlijke verschijning, privéleven en moraal van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) samengebracht. Daarnaast heeft hij de shamâil uitgebreid behandeld in zijn werk ash-Shamâilu’n-nabawiyyah, dat hieronder in detail zal worden besproken.
De verschillende eigenschappen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn ook bestudeerd in vakgebieden zoals Dalā’il an-Nubuwwha, Khaṣā’iṣ an-Nabī en Ḥilya, elk vanuit een eigen invalshoek.
ANDERE BRONNEN VAN DE SHAMÂİL
Naast de eerder genoemde bronnen worden de shamâil ook behandeld in diverse andere soorten werken, waaronder:
Historische en biografische werken zoals at-Ṭabaqāt al-Kubrā van Ibn Saʿd
Sīraen maghāzī-literatuur zoals ʿUyūn al-Athar fī Funūn al-Maghāzī wa-sh-Shamā’il wa-s-Siyar van Ibn Sayyid an-Nās
Stadshistorische werken zoals Tārīkh Madīnat Dimashq van Ibn ʿAsākir
Algemene historische werken zoals al-Bidāya wa-n-Nihāya van Ibn Kathīr
Werken over spiritualiteit en ethiek zoals Iḥyāʾ ʿUlūm ad-Dīn van al-Ghazālī
Deze uiteenlopende bronnen laten zien dat de beschrijving van de shamâil van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) niet beperkt is tot ḥadīthverzamelingen, maar ook diep verweven is met geschiedenis, biografie, spiritualiteit en islamitische ethiek.
1STE Hadīth
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), hij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was niet uitzonderlijk lang en ook niet zo klein dat dit opviel; hij had een middelmatige lengte die dichter bij lang dan bij kort lag.
Zijn huidskleur was noch nūrānī / melkwit, noch donkergetint.
Zijn haar was niet sterk golvend of krullend, maar ook niet volledig steil.
Toen hij de leeftijd van veertig jaar bereikte, stelde Allāhu (تعالى) hem aan als an-Nabī.
Hij verbleef tien jaar in Makkah en tien jaar in Madīnah.
Toen hij zestig jaar bereikte, liet Allāhu (تعالى) hem overgaan naar de eeuwige verblijfplaats.
Toen hij naar het Hiernamaals vertrok, bevonden zich in zijn haar en baard nog geen twintig grijze haren.”
Anas (رضي الله عنه) vermeldt dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) niet uitzonderlijk lang was. Daarmee geeft hij aan dat zijn gezegende lengte boven het gemiddelde lag. Ook Abū Hurayrah (رضي الله عنه) beschreef Rasûlullāh als iemand met een middelmatige lengte die dichter bij lang dan bij kort lag.
De lengte van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم)
Volgens verschillende metgezellen die de lichamelijke kenmerken (ḥilyah) van Rasûlullāh beschreven, was Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), van middelmatige lengte; hij was niet uitzonderlijk lang en ook niet opvallend klein. Wanneer hij echter naast een lange man liep, leek hij langer dan die persoon.
Dit behoort zonder twijfel tot de wonderen van Rasûlullāh.
Hoe was zijn huidskleur?
De uitspraak: “zijn gezegende lichaam was noch melk / nūrānī wit noch donkergetint,” wordt verduidelijkt door de volgende ḥadīth, waarin staat: “zijn huidskleur was stralend wit met een lichte roze gloed.”
In het negende jaar na de hidjrah kwam Dimām ibn Tha‘labah (رضي الله عنه) met een delegatie van zijn stam naar Madīnah. hij wilde vaststellen of Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werkelijk een nabī was en de grondbeginselen van de islam leren. Toen hij de Masjid an-Nabawī binnenging, vroeg hij: “Wie van jullie is de zoon van ‘Abd al-Muṭṭalib?” of: “Wie van jullie is Muḥammad?”
De metgezellen wezen hem an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) aan en zeiden: “Dat is die man met de witte huidskleur die een lichte roze gloed heeft.”
Ook de beschrijving die verderop in de zevende ḥadīth voorkomt, “zijn huidskleur was stralend wit (azhar al-lawn)” laat zien dat de witheid van zijn huid geen bleke, kalkachtige kleur was die afkeer oproept, maar een heldere en stralende schoonheid bezat.
De duur van zijn profeetschap
De geleerden zijn het erover eens dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) na zijn zending als nabī dertien jaar in Makkah en tien jaar in Madīnah verbleef. Waarom wordt er dan in deze ḥadīth gezegd: “hij verbleef tien jaar in Makkah en tien jaar in Madīnah”
De volgende uitleg helpt dit te begrijpen: Aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd op veertigjarige leeftijd de openbaring geschonken en hij werd een nabī. Daarna ontving hij echter gedurende drie jaar geen openbaring. Deze periode wordt fatrat al-waḥy genoemd, oftewel de onderbreking van de openbaring.
Drie jaar later werd an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) belast met de taak van zowel nabī als rasûl, waarna de openbaring zonder onderbreking voortduurde.
Volgens degenen die de periode van fatrat al-waḥy niet tot de periode van het profeetschap rekenen, heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dus tien jaar in Makkah verbleven.
Een andere verklaring luidt als volgt: An-Nabī (عليهم السلام) verkondigde de islam gedurende drie jaar in het geheim en vervolgens gedurende tien jaar openlijk in Makkah. Degenen die zeggen dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tien jaar in Makkah verbleef, doelen op de periode waarin hij de islam openlijk verkondigde.
Op welke leeftijd overleed hij?
In deze ḥadīth wordt vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op zestigjarige leeftijd overleed.
Toch is de volgende overlevering van ‘Abdullāh ibn ‘`Abbās (رضي الله عنهما), waarin wordt vermeld dat hij op drieënzestigjarige leeftijd overleed, door vrijwel alle geleerden als authentiek aanvaard: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd op veertigjarige leeftijd tot nabī aangesteld. Daarna ontving hij gedurende dertien jaar openbaring in Makkah. Vervolgens kreeg hij de opdracht om de hidjrah te verrichten welk hij verrichtte. Daarna leefde hij tien jaar in Madīnah en overleed hij op drieënzestigjarige leeftijd.”
Wanneer men hieraan ook nog de opvatting toevoegt dat hij op vijfenzestigjarige leeftijd overleed, ontstaan er drie verschillende overleveringen over zijn leeftijd bij zijn overlijden.
Deze overleveringen zijn als volgt verklaard:
Degenen die zeggen dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op vijfenzestigjarige leeftijd overleed, hebben zowel het jaar van zijn geboorte als het jaar van zijn overlijden meegerekend.
Degenen die zeggen dat hij op drieënzestigjarige leeftijd overleed, hebben het geboortejaar en het sterfjaar niet meegerekend.
En degenen die, zoals in de ḥadīth die wij hier bespreken, zeggen dat hij op zestigjarige leeftijd overleed, hebben geen rekening gehouden met de bijkomende jaren en maanden boven de zestig. Zij hebben zich beperkt tot een afgerond getal, zoals men ook zegt: “veertig”, “vijftig”, “zestig” of “zeventig”.
Men dient hierbij ook te bedenken dat in het Tijdperk van Gelukzaligheid (‘Aṣr as-Sa‘ādah) niet, zoals tegenwoordig, de christelijke of de hidjrī-kalender werd gebruikt. Men hanteerde verschillende tijdrekeningen die gebaseerd waren op bekende gebeurtenissen, zoals een bepaald aantal jaren vóór de bouw van de Ka‘bah of een bepaald aantal jaren na het Jaar van de Olifant. Zulke gebeurtenissen vormden voor de mensen van die tijd belangrijke ijkpunten voor het bepalen van de tijd.
Het onderwerp van de leeftijd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zal in hoofdstuk 53 uitgebreider worden behandeld.
Hoeveel grijze haren had hij?
In deze ḥadīth wordt ook vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), toen hij naar het Hiernamaals vertrok, nog geen twintig grijze haren in zijn haar en baard had.
Volgens de overlevering van zijn leerling Sābit al-Bunānī vroeg men aan Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): “Was het haar van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) grijs geworden?”
Hij antwoordde: “Nee, in zijn haar en baard waren slechts zeventien of achttien haren wit geworden.”
Anas heeft op andere momenten ook gezegd dat hij in het haar en de baard van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) slechts veertien witte haren had geteld.
De kleine verschillen tussen de aantallen die door Anas en andere metgezellen zijn genoemd, zijn te verklaren doordat zij deze informatie op verschillende tijdstippen hebben doorgegeven. Daarom komen er lichte verschillen in de genoemde aantallen voor.
Dit onderwerp zal verder worden behandeld in het vijfde hoofdstuk van dit boek, getiteld: “Het grijs worden van het haar van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).”
2de Ḥadīth
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), hij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had een middelmatige lengte; hij was noch uitzonderlijk lang noch klein.
Zijn gezegende lichaam was in elk opzicht mooi gevormd.
Zijn haar was noch krullend noch steil.
Zijn huidskleur was stralend wit met een lichte roze gloed.
Wanneer hij liep, liep hij licht voorovergebogen.”
Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) vertelt dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) van middelmatige lengte was.
De maatstaf voor middelmatige lengte
Over lengte en kortheid wordt de volgende maatstaf genoemd:
Iemand wiens lengte zeven handspannen van zijn eigen hand bedraagt, wordt beschouwd als iemand van middelmatige lengte. Wie langer is dan zeven handspannen wordt als lang beschouwd, en wie korter is dan dat wordt als klein beschouwd.
Om een mooi en evenredig lichaam te hebben, is middelmatige lengte alleen niet voldoende; ook moeten alle lichaamsdelen met elkaar in harmonie zijn. Bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) waren alle lichaamsdelen van zijn indrukwekkende en hartveroverende gestalte volledig met elkaar in evenwicht.
De uitspraak: “zijn gezegende lichaam was in elk opzicht mooi,” wijst erop dat zijn uiterlijk, zijn lengte en de verhouding tussen zijn lichaamsdelen volmaakt in balans waren.
Stralend wit
De uitdrukking: “zijn huidskleur was stralend wit met een lichte roze gloed” laat zien dat zijn gezegende gezicht niet kalkachtig wit en kil was, maar ook niet donker van kleur.
Met het woord “donkergetint” in de voorgaande overlevering wordt gedoeld op de licht gebruinde kleur die ontstaat door blootstelling aan de zon. Met “wit” wordt de kleur bedoeld van de huid die door kleding wordt bedekt.
Anas ibn Mālik, die gedurende tien jaar de unieke schoonheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) van nabij heeft aanschouwd, wilde met zijn beschrijving van een “stralend witte huidskleur met een lichte roze gloed” benadrukken dat zijn huidskleur geen fletse, kalkachtige witheid bezat.
In de achtste ḥadīth, die later zal worden behandeld, zullen wij zien dat Hind ibn Abī Hālah (رضي الله عنه) de hals van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) als volgt beschrijft:
“zijn hals was buitengewoon sierlijk, zuiver en helder als zilver.”
Verder blijkt dat de uitdrukking “asmara’l lawn” (donkergetint) alleen door Anas is gebruikt, terwijl vijftien andere metgezellen, wanneer zij de huidskleur van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beschreven, het woord “wit” gebruikten.
Ook zullen wij in de achtste ḥadīth, overgeleverd door Hind ibn Abī Hālah (رضي الله عنه), een andere formulering aantreffen: in plaats van ‘asmaral’lawn’ is ‘azhara’l lawn’ gebruikt. De meest nauwkeurige Nederlandse weergave daarvan is niet “donkergetint” in de betekenis van een bruine of donkere huid, maar eerder: “stralend wit”.
Dat wordt eveneens bevestigd door een andere overlevering van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), opgenomen in het werk Dalā’il an-Nubuwwah van al-Bayhaqī, waarin staat:
“zijn huidskleur was blank met een lichte donkere gloed.”
Ook deze formulering ondersteunt de betekenis die hierboven is genoemd, namelijk dat zijn huidskleur een stralende witheid bezat met een subtiele natuurlijke tint, en niet een bleke, kleurloze witheid.
Licht voorovergebogen tijdens het lopen
Met de uitspraak: “Wanneer hij liep, liep hij licht voorovergebogen,” wordt bedoeld dat zijn manier van lopen leek op een schip dat soepel over het water glijdt terwijl het licht naar voren helt.
Deze beschrijving geeft aan dat hij zich voortbewoog met de tred van een vastberaden en doelgericht persoon: met ruime, zelfverzekerde passen en in een vlot tempo naar zijn bestemming.
Hiermee wordt ook aangegeven dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) niet heen en weer slingerde tijdens het lopen, zoals sommige mensen doen, noch liep hij op een hoogmoedige wijze.
3de Ḥadīth
Van Abū Isḥāq as-Sabī‘ī, van al-Barā’ ibn ‘Āzib (رضي الله عنه), hij zei: “Het gezegende haar van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was noch sterk golvend noch volledig steil.
Hij had een middelmatige lengte.
Zijn borst en de ruimte tussen zijn beide schouders waren breed.
Zijn volle haar reikte van zijn hoofd tot aan zijn oorlellen.
Ik heb Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) eens gezien in een rood kledingstuk. In mijn hele leven heb ik nooit iemand gezien die mooier was dan hij.”
4de Ḥadīth
Van Al-Barā’ ibn ‘Āzib (رضي الله عنه), hij zei: “Ik heb nooit iemand gezien die mooier was dan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), terwijl hij een rood kledingstuk droeg en zijn haar tot voorbij zijn oorlellen reikte.
Zijn gezegende haar raakte zijn schouders.
De ruimte tussen zijn borst en zijn beide schouders was breed.
Hij was noch lang noch klein; hij had een middelmatige lengte.”
Uitleg van de 3e en 4e ḥadīth
In deze ḥadīth zullen wij ingaan op het haar van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en op de kwestie van het dragen van rode kleding.
Zijn haar
Het volle haar van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), dat vanaf zijn hoofd naar zijn schouders viel, reikte tot aan zijn oorlellen.
Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn haar liet knippen, werd het op de hoogte van zijn oren afgeknipt. Naarmate het groeide, reikte het eerst tot halverwege zijn oren en vervolgens tot aan zijn oorlellen.
Wanneer hij gedurende langere tijd geen knipbeurt had gehad, kwam zijn gezegende haar tot aan zijn schouders.
De verschillende overleveringen over de lengte van het haar van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn het gevolg van het feit dat de metgezellen hem op verschillende momenten hebben gezien en beschreven wat zij op dat moment waarnamen.
De bijzonderheden met betrekking tot het gezegende haar van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zullen verder worden behandeld in hoofdstuk 3, bij de aḥadīth 24 tot en met 31.
Mag men rode kleding dragen?
Al-Barā’ ibn ‘Āzib (رضي الله عنه) heeft eens Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gezien terwijl hij een rood kledingstuk droeg. Hij zei dat de rode kleding zeer goed stond bij de geliefde Nabī (صلى الله عليه وسلم) en dat hij daarom in zijn leven nooit een schepsel had gezien dat mooier was dan hem.
Over het dragen van rode kleding bestaan verschillende meningen onder de geleerden.
Deze meningen kunnen in drie punten worden samengevat:
Eerste mening
Sommige geleerden, gebaseerd op deze en soortgelijke overleveringen, stellen dat het toegestaan is om rode kleding te dragen. Zij leggen echter uit dat de ḥadīth waarin wordt vermeld dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) “rode kleding” droeg niet noodzakelijk betekent dat het volledig rood was. In de Arabische taal werd namelijk ook kleding met rode strepen op een andere (bijvoorbeeld zwarte) achtergrond “rode kleding” genoemd.
In de ḥadīth die onder nummer 63 zal worden besproken, vermeldt Abū Juḥayfah (رضي الله عنه) dat hij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ook in een rood kledingstuk zag.
Ook Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) vermeldt in ḥadīth nummer 62 dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een Yemeni kledingstuk met groene stof en rode strepen zeer waardeerde.
Tweede mening
Andere geleerden stellen daarentegen dat het dragen van volledig rode kleding niet toegestaan is. Zij baseren zich op een ḥadīth in Ṣaḥīḥ Muslim: Van ‘Abdullāh ibn ‘Amr ibn al-‘Āṣ (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zag hem met een met saffloer (asfūr) rood geverfde mantel (ridā) en lendendoek (izār), en toen zei: “Dit zijn kledingstukken van de kāfirs; draag ze niet.”
Volgens een andere overlevering vroeg an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hem bij het zien van met een met saffloer rood geverfde kleding: “Wat is dit voor kleding?”
‘Abdullāh ibn ‘Amr (رضي الله عنهما) begreep dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dit niet prettig vond. Toen hij terugkeerde naar huis en zag dat de vrouwen de tandoor (is een traditionele kleiof lemen oven) aan het aansteken waren. Hij trok zijn kleding uit en wierp die in de tandoor, waarna deze werd verbrand.
De volgende dag, toen hij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ontmoetten, vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem wat hij met zijn kleding had gedaan. Hij antwoordde dat hij die had verbrand. Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Als je die aan een familielid had gegeven, was dat beter geweest; want voor vrouwen is er geen bezwaar in het dragen van rode kleding.”
Volgens een andere overlevering van ‘Abdullāh ibn ‘Amr ibn al-‘Āṣ (رضي الله عنهما) zag an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hem met een met asfūr rood geverfde kleding en vroeg: “Heeft je moeder jou dit laten dragen?”
Toen ‘Abdullāh zei: “Ik zal ze wassen,” antwoordde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم):
“Nee, was ze niet, maar verbrand ze.”
Asfūr, ook wel vals saffraan genoemd, is een plant die in de verfproductie wordt gebruikt en bloemen heeft in witte, oranje, crème, gele en rode tinten. Textiel dat hiermee wordt geverfd krijgt een rode kleur. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) keurde het verven van kleding met asfūr niet goed.
Derde mening
Het dragen van donkerrode kleding wordt als afkeurenswaardig (makrūh) beschouwd. Lichtrode kleding of kleding waarin ook zwarte of witte tinten gemengd zijn, wordt daarentegen niet als problematisch gezien.
Hanafitische geleerden hebben op basis van overleveringen die aangeven dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het dragen van volledig rode kleding afkeurde, geoordeeld dat het dragen van rode kleding makrūh is.
Een van de aḥadīth die aangeeft dat Rasûlullāh het dragen van rode kleding afkeurde, luidt als volgt:
Volgens ‘Abdullāh ibn ‘Amr ibn al-‘Āṣ (رضي الله عنهما) liep er op een dag een man langs an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) terwijl hij een rood kledingstuk droeg. Hij gaf an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) salām, maar zijn salām werd niet beantwoord door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
Volgens de overlevering van Al-Barā’ ibn ‘Āzib (رضي الله عنه) droeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zelf een rood kledingstuk. Waarom werd dan de salām van deze metgezel niet beantwoord?
Ḥadīth-geleerden hebben de overlevering van Al-Barā’ ibn ‘Āzib op twee manieren uitgelegd:
Volgens de eerste uitleg was het geen volledig rood kledingstuk, maar een kledingstuk met rode strepen.
Volgens de tweede uitleg: als het wel volledig rood was geweest, dan moet dit vóór de tijd zijn geweest waarin het dragen van volledig rode kleding werd verboden.
Andere meningen over dit onderwerp
De verschillende meningen over het dragen van rode kleding kunnen als volgt worden samengevat:
Het dragen van rode kleding met de bedoeling om zich opvallend of sierlijk te tonen wordt als makrūh beschouwd. Rode kleding binnenshuis dragen vormt echter geen probleem. Als iemand geen andere kleding heeft dan een rode kledingstuk, dan mag hij dat ook buitenshuis dragen.
Als het garen vóór het weven rood geverfd is, dan is het dragen van de stof geen probleem. Als de stof echter eerst geweven wordt en daarna rood wordt geverfd, wordt dit als makrūh beschouwd.
Het dragen van kleding die met asfūr rood is geverfd wordt als makrūh beschouwd.
Het dragen van volledig rood geverfde kleding wordt als makrūh beschouwd. Kleding waarin naast rood ook andere kleuren zoals wit of zwart voorkomen, wordt daarentegen niet als problematisch gezien.
Waarom werd het dragen van rode kleding niet gepast gevonden?
De voornaamste reden waarom rode kleding niet passend werd geacht, is dat het in die tijd vooral werd gedragen door mensen van andere religies. Er is bezwaar gemaakt tegen het dragen van rode kleding om niet op de aanhangers van andere religies te lijken.
Voor vrouwen is er echter geen bezwaar in het dragen van rode kleding.
Een andere reden waarom rode kleding voor mannen minder passend werd geacht, is dat men in kleding en uiterlijke verschijning niet op vrouwen mag lijken. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) benadrukte sterk dat mannen zich moeten kleden op een manier die bij mannen past en dat vrouwen zich moeten kleden op een manier die bij vrouwen past.
Hij verbood strikt dat mannen op vrouwen lijken en dat vrouwen op mannen lijken. Voor degenen die deze verbodsbepaling niet naleven, sprak hij een smeekbede (duʿā’) uit waarin hij zei dat zij ver van de genade van Allāhu (تعالى) verwijderd zouden zijn.
Het onderwerp van de kleding van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zal in hoofdstuk 8, ḥadīth 54–70, verder worden behandeld.
De inhoud die in de vierde ḥadīth werd genoemd, komt ook in de tweede en derde ḥadīth voor en is daar reeds toegelicht.
5de Ḥadīth
Van ‘Alī ibn Abī Ṭālib (رضي الله عنه), hij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was van gemiddelde lengte: hij was niet lang, maar ook niet kort; Zijn handpalmen en voetzolen waren breed.
Zijn hoofd was enigszins groot en zijn botten waren stevig en krachtig.
Het haar op zijn lichaam van zijn borst tot zijn navel liep als een rechte lijn.
Hij liep alsof hij van een hellend vlak afdaalde.
Ik heb niemand gezien die zo mooi was als hij, noch tijdens zijn leven, noch na zijn overlijden.
Moge de ṣalāh en vrede van Allah met hem zijn.”
In deze ḥadīth wordt vermeld dat de handpalmen en voetzolen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) breed waren.
Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) beschreef zijn handen en voeten als volgt:
“De handen en voeten van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) waren stevig en vlezig.”
Zijn handen waren zo zacht als zijde
Ook Anas (ibn Mālik) (رضي الله عنه) beschreef, toen hij sprak over de handen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), hoe zacht zijn handen waren. Hij zei het als volgt:
“Ik heb nooit iets aangeraakt dat zachter was dan de hand van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), zelfs geen brokaat of zijde.”
Muʿādh ibn Jabal (رضي الله عنه) vertelde ook dat hij zo’n gelukzalige toestand had ervaren. Hij zei dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem tijdens een expeditie achterop zijn rijdier liet zitten en dat hij in zijn hele leven nooit iets had aangeraakt dat zachter was dan zijn huid.
Zijn hoofd was enigszins groot en zijn botten waren stevig
Met de uitdrukking “zijn hoofd was enigszins groot” wordt bedoeld dat dit duidt op de volmaaktheid van zijn intellectuele vermogens en de perfectie van zijn verstandelijke capaciteiten.
Met “zijn botten waren stevig” wordt aangegeven dat zijn schouders, knieën en polsen sterk en stevig gebouwd waren.
Wanneer ‘Alī (رضي الله عنه) zegt: “Ik heb vóór hem en na hem nooit iemand zoals hem gezien.” Hiermee bedoelde hij dat hij, zowel tijdens het leven als na het overlijden, niemand heeft gezien die in schoonheid en volmaaktheid leek op Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
In de vorige overlevering had Berā’ ibn ʿĀzib (رضي الله عنه) gesproken over de schoonheid van de an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zei hij het volgende: “Ik heb nooit iemand mooier gezien dan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), in een rood kledingstuk, met haar dat zijn oorlellen bereikte.”
In deze ḥadīth lezen we ook datʿAlī (رضي الله عنه) over hetzelfde onderwerp het volgende zei: “Ik heb tijdens zijn leven noch na zijn overlijden iemand gezien die zijn schoonheid evenaarde.”
Unieke en ongeëvenaarde eigenschappen
Hier herinneren we ons ook de woorden van Abdullah ibn ʿUmar (رضي الله عنهما), die na het overlijden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) brandde van verlangen naar hem. Ibn ʿUmar zei het volgende:
“Ik heb in mijn leven niemand gezien die dapperder, vrijgeviger, moediger, stralender van gezicht en mooier was dan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
Sinds eeuwen hebben onze dichters geprobeerd in hun gedichten de schoonheid van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), te bezingen.
Een van de beroemdste qaṣīdahs (een klassieke Arabische dichtvorm: een vaak lang, metrisch opgebouwd gedicht met één doorlopend rijm) die zijn geschreven om zijn verheven eigenschappen en schoonheid te beschrijven, is de Qaṣīdat al-Burdah van Muḥammad al-Būṣīrī (overl. 696 H/1296), die bekendstaat onder de titel al-Kawākib ad-Durriyyah fī Madḥi Khayr al-Bariyyah.
In een van de verzen van deze qaṣīdah, die getuigt van zijn liefde voor an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), zegt hij:
“Hij is degene die geen gelijke heeft in zijn schoonheid. Ook is de essentie van zijn schoonheid niet verdeeld onder anderen.”
Mijn gewaardeerde dichter-vriend prof. dr. Maḥmūd Kaya heeft dit vers in zijn prachtige werk als volgt verwoord:
In heel de wereld is er geen gelijke aan jouw schoonheid,Zo heeft de eeuwige voorbeschikking het bepaald;De laatste Rasûlullāh moest de mooiste van allen zijn!Alle schoonheden ontvangen hun uitstraling van jou,Naast jou verbleekt alle schoonheid.
Het volgende dichtwerk, dat wordt toegeschreven aan de dichter van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), Ḥassān ibn Thābit (رضي الله عنه) (overl. 60 H/680), brengt de liefde voor an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op prachtige wijze tot uitdrukking:
Onze vaderlandse dichter Mehmed Âkif Ersoy heeft deze verzen als volgt vertaald:
Mijn ogen hebben nooit een edeler lichaam gezien dan het uwe,Geen moeder heeft ooit een mooier kind voortgebracht dan u.O Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), jij bent vrij van iedere tekortkoming en elk gebrek;Het is alsof Allāhu (تعالى) jou heeft geschapen zoals jij zelf gewenst zou hebben.
6. Ḥadīth
Van Sufyân ibn Wakî‘, hij zei tegen ons: “Mijn vader, Wakî‘ ibn Jarrâḥ, heeft ons via dezelfde overleveringsketen (isnād) als die van de vijfde ḥadīth, van Mas‘ûdî deze ḥadīth overgeleverd, waarvan de betekenis overeenkomt met die van de vijfde ḥadīth.”
Imām At-Tirmidhī wilde hiermee aangeven dat de vijfde ḥadīth betrouwbaar is, en daarom vermeldde hij dat deze ook via een andere overleveringsketen is overgeleverd.
De muḥaddithūn (ḥadīthgeleerden) vermelden een ḥadīth eerst met één overleveringsketen. Wanneer zij daarna dezelfde ḥadīth via een tweede overleveringsketen overleveren, herhalen zij de tekst (matn) van de ḥadīth meestal niet, maar gebruiken zij uitdrukkingen zoals “mithluhu” (مثله) of “naḥwuhu” (نحوه) om aan te geven dat deze overeenkomt met de eerder genoemde ḥadīth.
Tussen deze twee uitdrukkingen bestaat een verschil. Wanneer beide overleveringen exact dezelfde bewoordingen hebben, gebruiken zij de term “mithluhu” (مثله). Wanneer de betekenis dezelfde is maar de bewoordingen verschillen, gebruiken zij de uitdrukking “naḥwuhu” (نحوه).
Omdat de vijfde en de zesde ḥadīth met afzonderlijke overleveringsketens zijn vermeld, wordt elke keten beschouwd als een afzonderlijke ḥadīth.
7de Ḥadīth
Van Ibrāhīm ibn Muḥammad, een kleinzoon van ‘Alī (رضي الله عنه) hij zei: ‘Alī (رضي الله عنه) beschreef Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) als volgt:
“Rasûlullāh had een middelmatige lengte; hij was noch uitzonderlijk lang noch opvallend klein.
Zijn gezegende haar was niet sterk krullend en ook niet volledig steil, maar licht golvend.
Zijn gezicht was niet rond en vol, noch ingevallen; het had een lichte ovalen vorm.
Zijn huidskleur was wit met een lichte roze gloed.
Zijn ogen waren groot en zwart.
Zijn wimpers waren vol en lang.
De uiteinden van zijn botten en het gebied tussen zijn schouderbladen waren stevig gebouwd.
Zijn gezegende lichaam was niet overdreven behaard; van zijn borst tot zijn navel liep een fijne lijn van haar.
Zijn gezegende handen en voeten waren stevig en vlezig, en zijn vingers waren lang.
Wanneer hij liep, tilde hij zijn voeten krachtig van de grond, zette ze niet zwaar op de grond, en zette ruime passen terwijl hij liep alsof hij van een hellend vlak afdaalde.
Wanneer hij zich omdraaide, draaide hij niet alleen met zijn hoofd, maar met zijn hele lichaam.
Tussen zijn schouderbladen bevond zich het zegel van het profeetschap. Met zijn komst werd het profeetschap (voltooid en) beëindigd. Hij was de ruimhartigste van alle mensen, de meest waarheidsgetrouwe in spraak, de meest zachtaardige van karakter en degene die het beste met iedereen omging.
Door zijn indrukwekkende uitstraling voelde iemand die hem voor het eerst zag een zekere ontzag; maar wie langere tijd bij hem verbleef en hem leerde kennen, voelde diepe liefde voor hem in zijn hart.
Degenen die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beschreven, eindigden hun woorden met: ‘Samengevat: ik heb vóór hem en na hem niemand zoals hem gezien.’ Moge de ṣalāh en vrede van Allah met hem zijn.”
Een van de meest nauwkeurige beschrijvingen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) is die van ‘Alī (رضي الله عنه). Hij vermeldt dat hij tijdens het lopen zijn voeten krachtig optilde.
Sterk en krachtig in zijn bewegingen
‘Abdullāh ibn ‘`Abbās (رضي الله عنهما) beschreef eveneens dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) sterk en krachtig was, en dat zijn bewegingen vol leven en energie waren. Hij bewoog zich niet loom, vermoeid of slap zoals luie mensen dat doen.
Abū ‘Inabah al-Khawlānī (رضي الله عنه) beschreef de loopstijl van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) door te zeggen dat hij liep “alsof hij een rots uit zijn plaats losmaakte”, zo krachtig en vastberaden was zijn tred.
Met heel zijn lichaam omdraaien
Uit deze ḥadīth leren wij dat wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tot iemand sprak, hij zich niet alleen met zijn hoofd naar die persoon toe draaide, maar zich met zijn hele lichaam naar hem keerde.
Degene die zo handelt, toont daarmee grote waardering en respect voor zijn gesprekspartner en laat tegelijk zijn eigen nederigheid zien. In plaats daarvan is het eenvoudiger om slechts het hoofd licht te draaien en met een zijwaartse blik te spreken, maar die houding kan duiden op afstandelijkheid of zelfs arrogantie.
Het onderwerp van het Zegel van het Profeetschap tussen de schouderbladen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zal in het tweede hoofdstuk (ḥadīth 16–23) worden behandeld.
De ruimsthartige van de mensen Uit deze ḥadīth leren wij ook dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) “de ruimsthartige van de mensen” was. Wat betekent deze uitdrukking?
Uit deze uitdrukking wordt begrepen dat hij het meest verdraagzaam was tegenover zowel de mensen om hem heen als de ruwe en onbeschaafde bedoeïenen die uit de woestijn kwamen. Hij kon hun kwetsende en pijnlijke gedragingen beter verdragen dan wie ook, en hij koesterde nooit wrok of boosheid vanwege het slechte gedrag dat hem werd aangedaan.
Deze betekenis hangt samen met de uitleg dat het woord “ajwadu’n nās” is afgeleid van de stam ‘jawdah’. Als het echter wordt afgeleid van de stam ‘jûd’, betekent het “de meest vrijgevige van alle mensen”: Hij hield niets van de wereldse goederen voor zichzelf, maar gaf alles weg.
“De meest vrijgevige van alle mensen” kan ook betekenen dat hij de kennis en leiding die Allāh in zijn hart had geplaatst, met niemand achterhield.
Want Jibrīl (عليه السلام) had zijn hart geopend, er een bloedklonter uit verwijderd en gezegd: “Dit is het aandeel van de duivel (shaytān) in jou.” Daarna werd zijn hart in een gouden schaal met Zamzam-water gewassen en weer gesloten, waardoor zijn hart volmaakt werd gemaakt.
Indrukwekkende uitstraling
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bezat van nature een door Allāhu (تعالى) geschonken waardigheid, ontzagwekkende uitstraling en statigheid. Daarom voelde degene die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) voor het eerst zag aanvankelijk een zekere ontzagvolle huiver in zijn hart. Maar wanneer men enige tijd met hem doorbracht en hem van nabij leerde kennen, ontstond er een diepe liefde voor hem in het hart. Zo ging iedere mu’min die hem werkelijk kende, hem meer liefhebben dan zijn eigen nafs, zijn moeder, zijn vader, zijn kinderen, kortom meer dan alle andere mensen.
Degenen die spraken over de unieke schoonheid van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zijn onovertroffen karakter, vertelden dat zij nooit iemand hadden gezien die zowel vóór als na het leren kennen van hem zó de harten wist te veroveren; niemand was zo mooi van voorkomen en zo voortreffelijk van karakter als hij.
Daar is niets verwonderlijks aan, want Allāhu (تعالى) heeft geen dienaar geschapen die mooier was dan hij, noch een mens met een voortreffelijker karakter dan het zijne.
8ste. Ḥadīth
Van Al-Ḥasan, de zoon van ‘Alī (رضي الله عنه), hij zei: “Een van de mensen die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het best kon beschrijven was mijn oom Hind ibn Abī Hālah (رضي الله عنه). Ik vroeg hem mij te vertellen wat ik maar kon leren over de kenmerken (de ḥilya) van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en hij zei het volgende:
‘De Nabī (صلى الله عليه وسلم) was stevig gebouwd en had een indrukwekkende uitstraling.
Zijn gezicht straalde als de volle maan op de veertiende nacht.
Hij was middelmatig tot iets bovengemiddeld van lengte en had een enigszins groot hoofd.
Zijn haar was licht golvend. Als zijn haar vanzelf in twee delen viel, dan maakte hij het in het midden scheiding; en als dat niet zo was, liet hij het zoals het was. Wanneer zijn haar langer werd, kwam het tot voorbij de oorlel.
Zijn huidskleur was melk / nūrānī wit.
Zijn voorhoofd was breed.
Zijn wenkbrauwen waren fijn, lang, gebogen en vol, als een maansikkel. Hij had geen gefronste of strenge wenkbrauwen. Tussen zijn wenkbrauwen bevond zich een ader die opzwol wanneer hij boos werd.
Zijn neus was lang, met een fijne punt en een licht gebogen brug. Er straalde een licht van zijn neus uit, en iemand die hem daarna niet opnieuw bekeek, dacht dat zijn neus opvallend hoog was.
Zijn baard was vol en dicht.
Zijn wangen waren glad.
Zijn mond was breed.
Zijn tanden stonden wat uit elkaar, en waren zeer mooi. Van zijn borst tot zijn navel liep een fijne lijn van haar.
Zijn nek was uiterst sierlijk, zuiver en helder als zilver.
Al zijn lichaamsdelen waren in perfecte harmonie; zijn lichaam was stevig, noch te mager noch te zwaar, en zijn borst en buik waren in één lijn.
Zijn borst en de afstand tussen zijn twee schouders waren breed, en zijn gewrichten waren stevig en krachtig.
Wanneer hij zich ontkleedde, straalde zijn lichaam als licht.
Van zijn borst tot zijn navel liep opnieuw die fijne haarlijn.
Op zijn borst en buik was weinig tot geen haar, maar op zijn armen, schouders en het bovenste deel van zijn borst was wel behaard.
Zijn polsen waren lang en zijn handpalmen breed.
Zijn handen en voeten waren vlezig, en zijn vingers waren lang en perfect in verhouding.
De onderkant van zijn voeten was licht hol en de bovenkant was bovendien zeer egaal en glad, zonder oneffenheden. Wanneer er water op zijn voeten viel, bleef er geen druppel achter en verspreidde het zich volledig over zijn voeten.
Wanneer hij liep, tilde hij zijn voeten snel op zonder ze hard neer te zetten. Hij liep met brede en snelle passen, alsof hij van een hellend vlak afdaalde, rustig en waardig.
Wanneer hij zich omdraaide, draaide hij zich met zijn hele lichaam.
Zijn blik was meestal naar beneden gericht; hij keek vaker naar de grond dan naar de hemel en keek vaak vanuit zijn ooghoeken.
Wanneer hij met zijn metgezellen liep, liet hij hen voor zich lopen en liep hij zelf achter hen.
Wanneer hij mensen op straat ontmoette, gaf hij hen altijd als eerste de salām-groet.’
Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overleed, was al-Ḥasan (رضي الله عنه) nog maar zeven jaar oud. Omdat hij op die leeftijd niet alle kenmerken van zijn grootvader kon kennen, vroeg hij zijn oom om hem hierover te vertellen.
Volgens Hind ibn Abī Hālah (رضي الله عنه), die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeer nauwkeurig beschreef, had de Nabī (صلى الله عليه وسلم) een indrukwekkende en ontzagwekkende uitstraling. Wie hem voor het eerst zag, voelde een mengeling van ontzag en respect in zijn hart; zelfs een arrogant persoon werd vanzelf tot respect gebracht.
Tegelijkertijd was het lichaam van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) niet tenger of zwak, maar stevig en goed gebouwd. Naarmate hij ouder werd, nam zijn lichaamsgewicht iets toe.
De schoonheid van zijn gezicht
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was de meest waardevolle, meest volmaakte en meest bekoorlijke van alle schepselen. Daarom zei Hind ibn Abî Hâla (رضي الله عنه) over hem: “Zijn gezicht straalde als de volle maan.”
De veertiende nacht is de nacht waarin de maan op haar helderst is. Dichters vergelijken een mooi gezicht vaak met de maan of de zon, en daarom vergeleek Hind ibn Abī Hālah zijn schoonheid met de volle maan. In werkelijkheid was de schoonheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zo duidelijk en overduidelijk dat deze niet met enig schepsel te vergelijken is.
De metgezel die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) beschreef, wilde met deze vergelijking aangeven dat er van zijn gezegende gezicht licht en uitstraling uitging, en dat zijn gezicht zowel overdag als ’s nachts helder en stralend was.
Volgens Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), die tien jaar dicht bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verbleef en zijn ongeëvenaarde schoonheid aanschouwde, was het gezicht van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het mooiste van alle gezichten.
Waarom werd zijn schoonheid met de maan vergeleken? Omdat men niet rechtstreeks naar de zon kan kijken, maar wel naar de maan.
Abū Hurayrah (رضي الله عنه) zei over de schoonheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم):
“Ik heb nooit iets mooiers gezien dan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Alsof de zon over zijn gezegende gezicht stroomde.”
Abû Hurayrah (رضي الله عنه), die in de laatste drie jaren van het leven van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn schoonheid volop heeft mogen aanschouwen, wilde met deze vergelijking het volgende uitdrukken: zoals de zon in haar baan voortdurend voortbeweegt, zo vloeide ook schoonheid onophoudelijk over het unieke gezicht van de Meest Schone der schepselen.
De dichterlijke metgezel Ka‘b ibn Mālik (رضي الله عنه) zei hierover:
“Wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) blij was, straalde zijn gezicht als een stukje van de maan; zo wisten wij dat hij blij was.”
Degene met dat gezegende gezicht liegt niet
`Abdullah ibn Salām (رضي الله عنه) vertelde dat hij, in de dagen dat hij nog geen moslim was, het volgende zag in het prachtige gezicht van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم):
“Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) Medīnah binnenkwam, renden de mensen naar hem toe roepend: ‘Rasûlullāh is gekomen!’ Ik ging met de menigte mee om hem te zien. Toen ik zijn gezicht zag, wist ik meteen dat degene met dat gezegende gezicht niet liegt.”
Op een dag zag Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in de omgeving van Madīnah een karavaan en vroeg hun of zij iets hadden om te verkopen. Zij wezen op een kameel en zeiden: “Wij verkopen dit voor zoveel dadels.” Zij kwamen tot een overeenkomst.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nam de teugel van de kameel vast en liep ermee richting Madīnah.
Toen kregen de mensen van de karavaan spijt dat zij hun kameel aan een onbekende hadden toevertrouwd. Een vrouw uit hun gezelschap zei tegen hen:
“Als die man de prijs van de kameel niet brengt, zal ik hem voor jullie betalen. Want zijn gezicht straalde als de volle maan in de veertiende nacht. Zo iemand bedriegt niet.”
En inderdaad gebeurde het zo: de volgende dag kwam een man de dadels brengen die de prijs van de kameel waren.
Lengte en huidskleur
Dat hij “middelmatig tot licht bovengemiddeld van lengte” was, wordt als volgt uitgelegd: op het eerste gezicht leek hij middelmatig van lengte, maar bij nauwkeurig kijken bleek hij iets langer te zijn dan gemiddeld. Dit was één van zijn wonderen; wanneer hij zich namelijk tussen lange mensen bevond, ontstond de indruk dat hij langer was dan allen.
De uitdrukking “zijn huidskleur was nūrānī / melk wit” (azhar al-lawn) wordt ook uitgelegd als een wit met een lichte roze gloed. Sommigen verklaren dat dit niet een wit is zoals krijt of melk, maar een meest verfijnde en mooie tint die als de mooiste kleur wordt beschreven.
Zijn wenkbrauwen en zijn boosheid
“Hij had geen gefronste of strenge wenkbrauwen.” De overleveraars beschrijven zijn wenkbrauwen meestal zo. Soms leek hij op het eerste gezicht streng of fronsend, maar bij nadere blik bleek er een kleine ruimte tussen zijn wenkbrauwen te zijn. Ook Ummu Ma‘bad (رضي الله عنها) maakte deze vergissing toen zij hem tijdens de Hijrah zag en hem aanvankelijk als streng beschreef.
Met de uitdrukking “Tussen zijn twee wenkbrauwen zat een ader die opzwol wanneer hij boos werd,” wordt bedoeld dat wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) boos werd, de ader tussen zijn wenkbrauwen zich vulde en opzwol met bloed, zoals een borst die zich met melk vult.
Boosheid behoort tot de eigenschappen van een volmaakt mens.
Hij werd boos wanneer onrecht werd gezien of wanneer hij bepaalde lichtzinnigheden en ongepaste gedragingen in zijn ummah zag.
Zo werd hij ook boos toen zijn metgezellen discussieerden over de voorbeschikking (qadar). Abū Hurayrah (رضي الله عنه) zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam naar ons toe terwijl wij aan het discussiëren waren over de voorbeschikking. Toen hij zag wat wij deden, werd hij zo boos dat het leek alsof er twee granaatappels op zijn gezegende wangen lagen. Hij zei: ‘Is jullie bevolen om over de qadar te discussiëren, of denken jullie dat ik daarvoor naar jullie ben gestuurd? De volken vóór jullie zijn vernietigd omdat zij over qadar discussieerden. Daarom verbied ik jullie dit onderwerp volledig.”
Zijn baard
Hind ibn Abī Hālah beschreef de baard van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) als volgt: “zijn baard was dicht en vol.”
‘Addā ibn Khālid (رضي الله عنه) zei in een overlevering met dezelfde strekking dat de baard van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeer mooi was.
De uitdrukking dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een “brede mond” had, betekent dat zijn spraak helder, correct en effectief was; hij sprak met welsprekendheid en duidelijke betekenis.
Zijn tanden stonden wat uit elkaar, en waren zeer mooi. Hind ibn Abī Hālah vermeldt dat er een kleine ruimte tussen zijn voortanden was en dat dit een mooie uitstraling gaf. ‘Abdullāh ibn ‘`Abbās (رضي الله عنهما) zei hierover:
“De voortanden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) waren wat uit elkaar. Wanneer hij sprak, werd gezien dat er licht uit tussen zijn tanden scheen.”
De schoonheid van zijn nek
Met de woorden “zijn nek was uiterst sierlijk, zuiver en helder als zilver” wordt bedoeld dat zijn nek perfect in verhouding was en een zuivere, lichtgevende uitstraling had die zowel het oog als het hart behaagde.
Zijn waardige manier van lopen
Dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) rustig en waardig liep, toont aan dat zijn manier van lopen overeenkwam met het gedrag van de rechtschapen dienaren van Allah, zoals in de Qurʾān wordt beschreven:
وَعِبَادُ ٱلرَّحۡمَٰنِ ٱلَّذِينَ يَمۡشُونَ عَلَى ٱلۡأَرۡضِ هَوۡنٗا وَإِذَا خَاطَبَهُمُ ٱلۡجَٰهِلُونَ قَالُواْ سَلَٰمٗا ٦٣
En de dienaren van de Erbarmer zijn degenen die nederig en kalm over de aarde lopen, en als de dwazen hen aanspreken antwoorden zij met milde woorden of vriendelijkheid. (Furqān, 25:63)
Hij keek meer naar de grond dan naar de hemelMet de woorden dat hij zijn blik naar de grond richtte en vaker naar de aarde dan naar de hemel keek: hier wordt aangegeven dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een uiterste mate van nederigheid en eerbied (khushū‘) bezat, en dat hij een diep gevoel van ontzag en schaamte tegenover Allāhu (تعالى) had.
Aan de andere kant heeft Abdullah ibn Salām (رضي الله عنه), een van de edele metgezellen, die in 43 H / 663-664 is overleden, het volgende beschreven over waar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar keek wanneer hij zat en sprak:
“Wanneer hij met zijn metgezellen sprak, keek hij vaak naar de hemel.”
Dit wordt uitgelegd als momenten waarop hij de komst van de openbaring verwachtte en verlangde naar Jibrīl (عليه السلام).
In het begin van de islam keek hij tijdens de ṣalāh soms naar de hemel. Toen echter het vers werd geopenbaard: ٱلَّذِينَ هُمۡ فِي صَلَاتِهِمۡ خَٰشِعُونَ ٢
(Dit zijn) degenen die hun gebeden in volle ernst en totale onderwerping verrichten (waardoor hun harten tot rust komen). (Mu’minūn, 23:2), keek hij voortaan niet meer omhoog en hield hij zijn blik naar beneden gericht tijdens de ṣalāh.
Waarom liep hij achteraan?
Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) met zijn metgezellen (رضي الله عنهم) liep, liet hij hen voor zich uit gaan en liep hij zelf achter hen. Dit had een wijsheid.
In werkelijkheid wilden de metgezellen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem juist voor zich laten lopen en zelf achter hem lopen uit respect. Maar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beval hen: “Laat mijn rug aan de engelen over,” beval hij, en hij liet hen naar voren gaan.
Al-‘Allāmah ‘Alī al-Qārī zei dat de bovenstaande ḥadīth kan worden begrepen in het licht van de Qurʾān waarin staat dat de engelen ook zijn helpers zijn.
Zijn manier van groeten
Wanneer hij mensen op straat ontmoette, gaf hij hen altijd als eerste de salām-groet. Hij gaf zelfs de kinderen de salām-groet. Daarmee gaf hij hen zowel een du‘ā’’ als een gewoonte om zelf te leren salām-groet te geven.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) leerde zijn metgezellen:
“Degene die rijdt geeft de salām-groet degene die loopt,degene die loopt geeft de salām-groet degene die zit,de kleine geeft de salām-groet de grote groep,en de jongere geeft de salām-groet de oudere.”
Op een dag vroegen de metgezellen:
“O Rasûlullāh, wanneer twee mensen elkaar ontmoeten, wie van hen geeft de salām-groet dan als eerste?”
Hij antwoordde: “Degene die het dichtst bij Allah (تعالى) staat, begint met de salām-groet.”
Het geven van de salām-groet van de Nabī (صلى الله عليه وسلم) was bovendien een bron van barmhartigheid en zegen voor de ummah.
De metgezellen hielden ervan wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hen de salām-groet gaf. Abū Sa‘īd al-Khudrī (رضي الله عنه) vertelde de volgende gebeurtenis, die in dit opzicht belangrijk is:
Op een dag gingen wij samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar het huis van Saʿd ibn ʿUbādah (رضي الله عنه), die in 14 H / 635 is overleden. Toen wij daar aankwamen, gaf an-Nabī de salām-groet en vroeg om toestemming om binnen te komen. Maar niemand gaf antwoord op zijn salām.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf vervolgens een tweede en zelfs een derde keer salām. Toen hij nog steeds geen antwoord kreeg, zei hij: “Wij hebben onze plicht vervuld,” en hij keerde terug.
Op dat moment kwam Saʿd ibn ʿUbādah snel aanlopen en zei:
“O Rasûlullāh! Bij Allāh Die u als ware Nabī heeft gezonden, ik heb al uw salām-groeten gehoord. Maar ik heb uw salām zacht beantwoord, omdat ik wilde dat u ons nog meer salām zou geven.”
“O Rasûlullāh! Bij hem Die u met de waarheid heeft gezonden, ik heb al uw salāms gehoord. Maar ik wilde dat u en uw familie ons nog meer salām zou geven, daarom heb ik zacht gereageerd.”
De uitgebreide beschrijving van de manier van spreken, de hilyah en het gedrag van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in gezelschap zal later worden behandeld in ḥadīth 225, 338 en 353.
9de. Ḥadīth
Jābir ibn Samurah (رضي الله عنه), hij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had een brede mond.Het wit van zijn ogen had een lichte roodachtige tint.En zijn hielen hadden weinig vlees.”
De overleveraar van de ḥadīth, Shu‘bah ibn al-Ḥajjāj, zei:
Ik vroeg mijn leraar Simāk ibn Ḥarb over de betekenis van de uitdrukking “dalī‘ al-fam”, en hij zei: “dat betekent een brede mond.”
Ik vroeg hem over “ashkal al-‘ayn”, en hij zei: “dat betekent dat er een lichte roodheid in het wit van de ogen was.”
Ik vroeg hem over “manhūs al-‘aqib”, en hij zei: “dat betekent dat de hielen weinig vlees hadden.”
De brede mond van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) duidt op zijn duidelijke, vloeiende en effectieve manier van spreken.
Hij zag wat anderen niet zagen
De ogen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), met hun wit dat een lichte roodachtige tint had. Zijn onovertroffen zwarte ogen zagen wat anderen niet konden zien.
ʿĀ’ishah (رضي الله عنها) legde dit als volgt uit:
“Zoals hij in het licht zag, zo zag hij ook in de duisternis.
Volgens de overlevering van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم):
“Denk je dat ik in de ṣalāh alleen de richting van de qiblah zie? Bij Allah, jullie khushūʿ en jullie rukūʿ blijven mij niet verborgen. Ik zie jullie zelfs van achter mij.”
Dit vermogen om te zien behoort tot de wonderen (muʿjizāt) van an-Nabī. Een muʿjizah i is een gebeurtenis die plaatsvindt wanneer Allāhu (تعالى) daarvoor toestemming en de mogelijkheid geeft.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voorwaar, ik zie wat jullie niet zien en ik hoor wat jullie niet horen.”
Met deze uitspraak geeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aan dat Allah (تعالى) hem kennis gaf door te laten zien wat hij moest zien en te laten horen wat hij moest horen.
10de. Ḥadīth
Van Jābir ibn Samurah (رضي الله عنه), hij zei: “Op een maanverlichte nacht zag ik Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in een rode kleding. Om te vergelijken welke mooier was, keek ik afwisselend naar zijn gezicht en naar de maan. Bij Allah, (ik zweer) voor mij was zijn gezegende gezicht mooier was dan de maan.”
11de. Ḥadīth
Van Barā ibn ʿĀzib (رضي الله عنه): Een man vroeg hem: “Straalde het gezicht van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) als een zwaard?”
Hij antwoordde: “Neen, zijn gezegende gezicht was mooi als de maan.”
Uitleg van ḥādīth 10 en 11
Jābir ibn Samurah (رضي الله عنه) vertelt dat hij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zag terwijl hij een rood kledingstuk droeg. Over het dragen van rode kleding werd reeds informatie gegeven in de uitleg van de derde ḥadīth.
Dat deze metgezel het gezegende gezicht van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) helderder en mooier zag dan de maan, toont aan dat hij beschikte over een volmaakte īmān. Want degenen wier hart verlicht is met het licht van īmān, herkennen het licht op het gezicht van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Degenen die het licht van īmān niet in hun hart hebben, kunnen daarentegen, zoals vermeld wordt in de āyah:
وَإِن تَدۡعُوهُمۡ إِلَى ٱلۡهُدَىٰ لَا يَسۡمَعُواْۖ وَتَرَىٰهُمۡ يَنظُرُونَ إِلَيۡكَ وَهُمۡ لَا يُبۡصِرُونَ ١٩٨
En als jullie hen voor leiding roepen, horen zij niet. En jullie zien hen naar jullie kijken maar zij zien niet. (A’râf, 7:198)
Het licht en de ongeëvenaarde schoonheid die herinneren aan Allāhu (تعالى) op zijn gezicht niet waarnemen, net zoals vleermuizen niet naar de zon kunnen kijken.
Zoals ʿAliyy al-Qārī heeft gezegd: de maan ontvangt haar licht van de zon; daarom neemt haar licht soms af en verdwijnt het soms zelfs volledig. Het licht (nûr) op het gezegende gezicht van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) kwam echter voort uit zijn eigen wezen; daarom verdwijnt dit licht nooit.
Omdat de maan een symbool van schoonheid is, worden mooie dingen vaak met de maan vergeleken. Zoals wij hebben gezien in de uitleg van de achtste ḥadīth, maakte ook de dichter en de wijze metgezel Kaʿb ibn Mālik (رضي الله عنه) dezelfde vergelijking. Hij zei dat het gezicht van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), wanneer hij verheugd was, straalde en op de maan in haar volle pracht leek.
Zoals wij in de vorige ḥadīth zagen, was Jābir ibn Samurah (رضي الله عنه) er niet tevreden mee het unieke gezicht van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) met de maan te vergelijken. Hij zei:
“Bij Allāh, voor mij was zijn gezegende gezicht mooier dan de maan.”
Onder de vrouwelijke metgezellen vertelde Rubayyiʿ bint Muʿawwidh ibn ʿAfrāʾ (رضي الله عنها) aan ʿUbaydah, de kleinzoon van ʿAmmār ibn Yāsir (رضي الله عنه): “Als jij hem had gezien, zou het zijn geweest alsof je de opgaande zon zag!”
Ook dit toont aan dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) mooier was dan de maan.
De elfde edele ḥadīth die wij hier uitleggen, is behalve door Berā ibn ʿĀzib (رضي الله عنه) ook overgeleverd door Jābir ibn Samurah (رضي الله عنه), die overleed in 76 H/695. Toen iemand hem vroeg: “Straalde het gezicht van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) als een zwaard?”
antwoordde hij: “Nee, niet als een zwaard; het straalde als de zon en de maan. Zijn gezegende gezicht was enigszins rond.”
Jābir (رضي الله عنه) wilde hiermee duidelijk maken dat het gezicht van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) niet alleen straalde, maar bovendien mooi was als de zon en de maan. Een zwaard duidt immers slechts op een metaalachtige glans, terwijl de zon en de maan niet alleen licht, maar ook schoonheid symbolioseren. Bovendien verliest een zwaard zijn glans en schoonheid wanneer het roest, en wordt het bot; maar de glans en schoonheid van de zon en de maan verdwijnen nooit.
12de. Hadîth
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) hij zei: an-Nabī (صلى الله عليه وسلم)’s lichaamskleur was alsof deze gevormd was uit zuiver zilver. Zijn haar was noch krullend noch steil.
Uitleg van de hadîthAbū Hurayrah (رضي الله عنه) geeft met zijn uitspraak dat de lichaamskleur van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) leek op zuiver zilver dat gevormd of gegoten was, een aanduiding van de helderheid, stralende witheid en de harmonieuze samenhang van zijn gelaat en lichaamsdelen.
Uit de 1e en 2e hadîth, waarin de uiterlijke verschijning van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) wordt beschreven door Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), hebben wij geleerd dat zijn gezegende huid niet melkwit was, maar een licht rozig, stralend wit. Zo begrepen wij dat dat ongeëvenaarde gezicht niet die koude, kalkachtige witheid had die in het hart van een mens een gevoel van afkeer oproept bij de muʾmins.
Een van de metgezellen, Muḥarrish al-Kaʿbī (رضي الله عنه), zag tijdens de ʿumrah van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) dat zijn iḥrām op zijn rug openging. Hij kon de aanblik van zijn gezegende schouders niet vergeten en beschreef dat tafereel als volgt: “Ik keek toen naar zijn schouder; zijn schouders leken op zuiver zilver.”
Zoals ook in de verzen die het Paradijs beschrijven, wordt de schoonheid van gezichten die stralen van vreugde weergegeven met witheid:يَوۡمَ تَبۡيَضُّ وُجُوهٞ وَتَسۡوَدُّ وُجُوهٞۚ فَأَمَّا ٱلَّذِينَ ٱسۡوَدَّتۡ وُجُوهُهُمۡ أَكَفَرۡتُم بَعۡدَ إِيمَٰنِكُمۡ فَذُوقُواْ ٱلۡعَذَابَ بِمَا كُنتُمۡ تَكۡفُرُونَ ١٠٦
Op de Dag zullen er sommige gezichten wit worden en andere gezichten zwart worden. Tegen degenen wiens gezichten zwart worden (zal gezegd worden): “Hebben jullie het geloof verworpen nadat jullie ertoe zijn over gegaan? Proef dan de bestraffing voor het verwerpen van het geloof.” (Āl ʿImrān, 3:106)
De schoonheid van de ḥūrī’s wordt eveneens vergeleken met witte parels:وَحُورٌ عِينٞ ٢٢ En schonen, met mooie, grote, schitterende ogen.
كَأَمۡثَٰلِ ٱللُّؤۡلُوِٕ ٱلۡمَكۡنُونِ ٢٣ Zoals welbewaarde parels. (Wāqiʿah, 56:22–23)”
Golvend haarIn deze hadîth wordt ook vermeld dat het haar van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) noch krullend noch steil was.
13de. Hadīth
Van Jâbir ibn ʿAbdillāh (رضي الله عنهما), Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “(In de nacht van de miʿrāj) werden mij de anbiyā getoond.Daarbij verscheen Mūsā (عليه السلام) voor mij als iemand die noch zwaar noch mager was, maar een slanke bouw had. Ik dacht dat hij een man was uit de stam van Shanūʾa in Jemen.ʿĪsā ibn Maryam (عليه السلام) vond ik het meest gelijkend op iemand die ik ken: ʿUrwah ibn Masʿūd al-Thaqafī.Ibrāhīm (عليه السلام) zag ik, en ik merkte dat hij sterk leek op jullie metgezel.” (Hierbij wees Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar zichzelf.)Ik zag ook Jibrīl (عليه السلام) en hij leek sterk op Diḥyah ibn Khalīfah al-Kalbī onder de mensen die ik ken.”
Uitleg van de hadîthHet relevante punt van deze hadîth is dat Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zelf verklaart dat Ibrāhīm (عليه السلام) sterk op hem leek.
Waar zag hij de anbiyā?Hoe moet de uitspraak “mij werden de anbiyā getoond” begrepen worden?Waar zag de an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) Ibrāhīm (عليه السلام), op wie hij sterk leek?
Of deze anbiyā hem in een droom werden getoond of als een wonder in wakkere toestand, is volgens de overleveringen als volgt: Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) ontmoette hen tijdens de nacht van de Isrāʾ in al-Masjid al-Aqṣā, of hij zag hen in de hoge hemelen tijdens de miʿrāj. In de miʿrāj-overleveringen wordt vermeld dat hij elk van hen in hun respectieve hemel zag.
Een belangrijk punt hierbij is dat niet de anbiyā aan Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) werden getoond, maar dat hij aan hen werd getoond. Dit duidt op zijn hogere rang en eer boven de overige anbiyā. De overige anbiyā zijn als het ware in de positie van zijn volgelingen; een leider wordt niet aan zijn soldaten getoond, maar de soldaten worden aan hun leider getoond.
De anbiyā in hun ware toestandRasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “De anbiyā zijn levend in hun graven en verrichten ṣalāh.”
Hoewel zij voor ons als gestorven lijken, zijn zij bij Allāhu (تعالى) levend en bevinden zij zich in het barzakh-leven, waarin zij op een wijze die ons onbekend is genieten van de voorzieningen die Allāh hun schenkt.
Aangezien de anbiyā hoger staan dan de martelaren, geldt ook de betekenis van het vers:
وَلَا تَحۡسَبَنَّ ٱلَّذِينَ قُتِلُواْ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ أَمۡوَٰتَۢاۚ بَلۡ أَحۡيَآءٌ عِندَ رَبِّهِمۡ يُرۡزَقُونَ ١٦٩
Denk maar niet dat degenen die om het leven kwamen op het Pad van Allah (omwille van hun godsdienst), daadwerkelijk zijn gestorven. Zeker niet! Hun zielen zijn springlevend bij hun Heer en zij worden voorzien (van hemelse vruchten). (Âl-i İmrân, 3:169) Dit toont aan dat Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) de anbiyā in hun ware toestand heeft gezien.
Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) beschreef Mūsā (عليه السلام) als iemand die niet zwaar of mager was, maar een slanke bouw had, en hij vergeleek zijn gezicht met de mensen van de stam Shanūʾa in Jemen, die bekend stonden om hun nobele afkomst, zuiverheid van lichaam en schoonheid van gezicht en karakter.
Ook ʿĪsā (عليه السلام) beschreef hij dat zijn gezicht leek op het gezicht van ʿUrwah ibn Masʿūd al-Thaqafī (رضي الله عنه), een van de metgezellen.
`Urwah ibn Masʿūd al-Thaqafī was in het 6e jaar na de hidjrah (628 n.Chr.) de vertegenwoordiger die de Makkahnen naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) stuurden om het verdrag van Ḥudaybiyyah te sluiten. Het is opmerkelijk dat hij zijn observatie over hoe de metgezellen Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) eerden, later aan de mensen van Quraysh heeft overgebracht. Destijds was `Urwah nog een polytheïst; hij werd pas in het 9e jaar na de hidjrah moslim.
Als iemand net uit het bad kwamAbū Hurayrah (رضي الله عنه) heeft dezelfde hadîth in meer detail overgeleverd en vermeld dat de an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ʿĪsā (عليه السلام) als volgt beschreef:“Ik zag ʿĪsā, an-Nabī: hij was van middelmatige lengte; op zijn gezicht waren veel moedervlekken; zijn teint was licht roodachtig, alsof hij net uit een bad kwam.”
Hoe moet het begrepen worden dat de an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), terwijl hij sprak over sommige anbiyā die hij tijdens de miʿrāj zag, ook vermeldde dat hij Jibrīl (عليه السلام) had gezien?
De personen met wie Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) in contact kwam, waren de anbiyā onder de mensen. Jibrīl (عليه السلام) is de boodschapper onder de engelen. Allāhu (تعالى) heeft dit principe immers in een vers duidelijk gemaakt:ٱللَّهُ يَصۡطَفِي مِنَ ٱلۡمَلَٰٓئِكَةِ رُسُلٗا وَمِنَ ٱلنَّاسِۚ إِنَّ ٱللَّهَ سَمِيعُۢ بَصِيرٞ ٧٥
Allah heeft Boodschappers uit Engelen en uit de mensen gekozen. Waarlijk, Allah is Alhorend, Alziend. (Haj, 22:75)
Daarom wordt hier over Jibrīl (عليه السلام) gesproken als over een van de boodschappers onder de engelen.
Op wie leek Jibrīl?In onze hadîth zegt an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dat de persoon die het meest op Jibrīl (عليه السلام) leek, Diḥyah ibn Khalīfah al-Kalbī (رضي الله عنه) was. Diḥyah nam niet deel aan de Slag van Badr, maar nam wel deel aan alle andere veldtochten en gaf de eed van trouw bij Ḥudaybiyyah aan Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم).
Diḥyah (رضي الله عنه) was een zeer knappe man en wel bespraakt.
Wanneer Jibrīl (عليه السلام) in menselijke gedaante naar Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam, nam hij meestal zijn uiterlijk aan. Volgens Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) was Diḥyah groot van gestalte en had hij een lichte huidskleur; hij was de knapste onder de metgezellen.
14de. Hadīth
Van Abū Masʿūd Saʿīd ibn Iyās al-Jurayrī (tâbiʿîn muhaddith), hij zei: Abū al-Ṭufayl ʿĀmir ibn Wāthilah al-Laythī (رضي الله عنه) zei op een dag: “Op heel deze aarde is er niemand meer overgebleven van degenen die Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) met eigen ogen hebben gezien, behalve ik.”Daarop zei ik tegen hem: “Beschrijf dan voor mij Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zoals jij hem hebt gezien.”Hij zei: “Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) was licht van huidskleur. Zijn gezegende lichaam bezat een ongeëvenaarde schoonheid. Hij was noch lang noch kort, noch mager noch zwaarlijvig.”
Uitleg van de hadîthOp een dag bevond zich naast Abū al-Ṭufayl ʿĀmir ibn Wāthilah al-Laythī (رضي الله عنه) de betrouwbare overleveraar van de tâbiʿīn, Saʿīd ibn Iyās al-Jurayrī.
“Ik ben de enige die hem heeft gezien”Toen Abū al-Ṭufayl zei: “Op heel deze aarde is er niemand meer overgebleven van degenen die Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) met eigen ogen hebben gezien, behalve ik.”Daarop zei Saʿīd ibn Iyās tegen hem: “Beschrijf mij dan Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zoals jij hem hebt gezien.” Toen beschreef hij in het kort de algemene verschijning van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zoals hierboven is overgeleverd.
Abū al-Ṭufayl werd geboren in het 3e jaar na de hidjrah. Toen Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) overleed, was hij nog maar acht jaar oud. Hij overleed in het jaar 100 na de hidjrah, en volgens sommige overleveringen in 102 of zelfs 110. Islamitische historici zijn het erover eens dat hij de laatste metgezel was die is overleden.Zijn status als laatste overgebleven metgezel toont ook een wonder van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم).
Na honderd jaarVolgens de overlevering van Jābir ibn ʿAbdillāh (رضي الله عنهما) werd aan de an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), ongeveer een maand vóór zijn overlijden, gevraagd wanneer het Uur (Qiyāmah) zou plaatsvinden. Hij antwoordde dat alleen Allāhu (تعالى) dit weet en zei vervolgens:“Er zal niemand van degenen die vandaag op aarde zijn, nog in leven zijn over honderd jaar.”
Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf hiermee aan dat allen die op dat moment leefden binnen honderd jaar zouden sterven, waarmee hij wees op de kleine Qiyāmah (de dood van individuen). De grote Qiyāmah behoort echter uitsluitend tot de kennis van Allāhu (تعالى).
Deze authentieke (sahīh) hadîth toont ook aan dat degenen die eeuwen later beweren Sahābī te zijn terwijl zij na deze periode leefden, onwaar spreken.
Sommige geleerden hebben op basis van deze hadîth gesteld dat Khiḍr (عليه السلام) niet meer in leven is. Anderen hebben echter gesteld dat hij nog leeft, maar dat Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) in deze hadîth alleen sprak over degenen die zich op dat moment op aarde bevonden, terwijl Khiḍr (عليه السلام) zich volgens hen niet op aarde maar op het water bevond ten tijde van deze uitspraak.
15de. Hadīth
Van ʿAbdullāh ibn `Abbās (رضي الله عنهما), hij zei: “De ruimte tussen de voortanden van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) stonden wat uit elkaar. Wanneer hij sprak, leek het alsof er licht (nūr) uitstraalde tussen zijn parelachtige voortanden.”
Uitleg van de hadîthHind ibn Abī Hālah (رضي الله عنه), een van degenen die de fysieke eigenschappen van de an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het best hebben beschreven, zei in de 8e hadîth eveneens over Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم):“Zijn tanden waren heel wit, zijn voortanden waren licht uit elkaar en zeer mooi.”
Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) ontmoette altijd Jibrīl (عليه السلام). Omdat engelen subtiele wezens zijn die hinder ondervinden van onaangename geuren, lette Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) er zeer op om hen niet te storen. Daarom zorgde hij voortdurend voor reinheid van zijn tanden (poetsen met siwāq) en voor een aangename geur uit zijn mond.
Tanden waaruit nūr straaldeIn deze edele hadîth zegt ʿAbdullāh ibn `Abbās (رضي الله عنهما) dat het leek alsof er nūr uit de ruimte tussen de voortanden van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) straalde. Aangezien de Qurʾān, het Woord van Allāhu (تعالى), voor het eerst uit die gezegende mond en tussen die parelachtige tanden werd gereciteerd, is datgene wat als nūr werd waargenomen in werkelijkheid het nūr zelf.
Abū al-Dardāʾ (رضي الله عنه) beschreef de manier van spreken van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei dat een glimlach nooit van zijn gezegende gezicht verdween. Terwijl an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) met een glimlach sprak, werd het nūr dat uit zijn witte tanden straalde met bewondering waargenomen door de metgezellen. Dat ʿAbdullāh ibn `Abbās (رضي الله عنهما) zei niet “ik zag nūr uit zijn tanden komen”, maar “het leek alsof er nūr uitstraalde”, toont aan dat deze schoonheid door iedereen duidelijk werd waargenomen, maar op een wijze die het waarnemingsvermogen van de mensen overstijgt.
TWEEDE DEEL: HET ZEGEL VAN HET PROFEETSCHAP
16. HadīthVan Sāʾib ibn Yazīd (رضي الله عنه), hij zei: “Toen ik een kind was, nam mijn tante mij mee naar de an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zei:‘O Rasūlullāh, deze neef van mij heeft last (aan zijn voet); zou u alstublieft een smeekbede (du`ā’) verrichten opdat hij genezing vindt?’Daarop streek hij (صلى الله عليه وسلم) met zijn gezegende hand over mijn hoofd, en hij smeekte voor mij om zegen, gezondheid en welzijn.Vervolgens verrichtte hij kleine wassing (wuḍūʾ), en ik dronk van het overgebleven water van zijn wuḍūʾ.Daarna ging ik achter hem staan en keek naar het zegel van het profeetschap tussen zijn twee schouders, dat leek op het ei van een patrijs.”
Uitleg van de hadîthWij weten dat de moeder van Sāʾib de dochter was van ʿUlbah ibn Shurayk; echter de naam van zijn tante die hem naar Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) bracht is niet overgeleverd. Waarschijnlijk heeft zij hem naar Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) gebracht omdat zijn moeder reeds was overleden.
Hij streelde de hoofden van kinderenDe tante van Sāʾib vertelde aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dat haar neef last had aan zijn voet. Daarop streelde hij over zijn hoofd en verrichtte een du`ā’ voor zijn genezing. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) besteedde aandacht aan de kinderen die bij hem werden gebracht. Hij streek over hun hoofden en toonde hun zo zijn liefde en genegenheid.
Laten wij hierover nog een andere overlevering bekijken: Volgens ʿAṭāʾ, de dienaar van Sāʾib, was het haar in het midden van Sāʾibs hoofd pikzwart, terwijl de rest van zijn haar en zijn baard spierwit waren. Toen ʿAṭāʾ hem naar de reden daarvan vroeg, antwoordde Sāʾib: “Op een dag waren wij met kinderen aan het spelen terwijl Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) langs ons liep. Ik ging naar hem toe en gaf hem salām. Nadat hij mijn salām had beantwoord, vroeg hij wie ik was. Ik stelde mij aan hem voor. Vervolgens streek hij over mijn hoofd en verrichtte de volgende duʿāʾ: ‘Moge Allāh jou goedheid (khayr) en zegening (barakah) schenken.’ Het haar dat door zijn gezegende hand werd aangeraakt, is nooit grijs geworden.”
Het wuḍūʾ-water dat in de waterkan achterbleefEen van de middelen waardoor Sāʾib van zijn kwaal werd genezen, was dat hij dronk van het wuḍūʾ-water van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Het is echter niet volledig duidelijk uit de hadîth of hij dronk van het water dat in het vat was overgebleven nadat Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn wuḍūʾ had verricht, of van het water dat van zijn gezegende lichaamsdelen was afgevloeid. Wij weten dat de metgezellen met elkaar wedijverden om zelfs maar één druppel te verkrijgen van het water dat de gezegende lichaamsdelen van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) had geraakt. Sommigen wreven zelfs met hun handen over het vocht dat anderen hadden opgevangen om daarvan tabarruk (zegen verkrijgen door middel van iets dat gezegend is). Daarom maakt het geen verschil of Sāʾib dronk van het water dat in het vat was achtergebleven of van het water waarmee de gezegende lichaamsdelen van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) waren gewassen.
Het aanraken van het zegel van het profeetschapHet gedeelte van deze hadîth dat verband houdt met ons onderwerp, is dat deze gelukkige metgezel achter Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) ging staan en keek naar het zegel van het profeetschap dat zich tussen zijn twee schouderbladen bevond. Hieruit blijkt dat niet alleen de metgezellen, maar ook hun kinderen er sterk naar verlangden het zegel van het profeetschap te zien.
Een van de kinderen die het zegel van het profeetschap wilde aanraken en daarin slaagde, was Amah, beter bekend als Ummu Khālid, de jonge dochter van Khālid ibn Saʿīd (رضي الله عنه), (overl. 14/635) die wordt gerekend tot de vijfde moslim.
Toen zij vanuit al-Ḥabashah (Abyssinië) naar al-Madīnah waren teruggekeerd, gingen zij samen haar vader Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) bezoeken.
Tijdens dat bezoek liep Amah achter Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) langs en begon met het zegel van het profeetschap te spelen. Toen haar vader haar wilde tegenhouden, zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Laat het kind met rust.” Zo stond hij haar toe het zegel van het profeetschap aan te raken.
Ook de Ahl al-Kitāb kenden dit zegelOmdat het zegel van het profeetschap in de heilige geschriften van de joden en christenen werd genoemd als een van de kenmerken waaraan de laatste profeet kon worden herkend, waren ook zij ermee bekend. In de Tawrāh wordt hierover vermeld: “Want een kind is ons geboren, een zoon is ons gegeven; en de heerschappij zal op zijn schouder rusten.”In de huidige vertaling van de Tawrāh is deze passage op deze wijze weergegeven. Er wordt echter vermeld dat de Hebreeuwse tekst van de Tawrāh explicieter luidt: “Op zijn schouderblad bevindt zich het teken van het profeetschap.”
Uit deze hadîth begrijpen wij dat Sāʾib (رضي الله عنه) achter an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ging staan om het zegel van het profeetschap te zien. Vervolgens heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) mogelijk zijn rug ontbloot om hem blij te maken en hem te tonen wat hij wilde zien, of zijn rug werd om een andere reden zichtbaar, waarna Sāʾib (رضي الله عنه) het zegel van het profeetschap zag.
Hoe zag het zegel van het profeetschap eruit?Dit stukje vlees dat bekendstaat als het zegel van het profeetschap, werd door sommigen vergeleken met een patrijsei en door anderen met de grote knopen van de bruidsen bruidegomstent die voor pasgehuwden werd opgericht. In de volgende hadîth zal worden vermeld dat het ook werd vergeleken met een duivenei.
Het zegel van het profeetschap, dat ook wel Khātam al-Nubuwwah of Muhr-i Nubuwwah wordt genoemd, is het zegel dat aanduidt dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) een profeet was en dat met hem het profeetschap werd voltooid, zodat er na hem geen profeet meer zou komen.
In de Qurʾān al-Karīm wordt hierover gezegd:مَّا كَانَ مُحَمَّدٌ أَبَآ أَحَدٖ مِّن رِّجَالِكُمۡ وَلَٰكِن رَّسُولَ ٱللَّهِ وَخَاتَمَ ٱلنَّبِيِّـۧنَۗ وَكَانَ ٱللَّهُ بِكُلِّ شَيۡءٍ عَلِيمٗا ٤٠
Mohammed is niet de vader van één van jullie, maar hij is Rasûlullāh, en de laatste van de Profeten (Khātam al-Nabiyyīn). En Allah is Alwetend over alle zaken.” (Aḥzāb, 33:40)
Er wordt vermeld dat alle anbiyā op hun rechterhand een moedervlek hadden die hun profeetschap aanduidde, terwijl het teken van het profeetschap van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) de moedervlek was die zich tussen zijn twee schouderbladen bevond.
Was het zegel van het profeetschap al vanaf de geboorte aanwezig?In sommige overleveringen wordt vermeld dat het zegel van het profeetschap vanaf de geboorte aanwezig was, terwijl in andere overleveringen wordt aangegeven dat het later verscheen. Degenen die van mening zijn dat het later ontstond, baseren zich op de hadîth die door ʿĀʾishahh (رضي الله عنها) is overgeleverd en waarin wordt vermeld dat Jibrīl (عليه السلام) de borst van an-Nabieʾ (صلى الله عليه وسلم) opende en een bloedklonter uit zijn hart verwijderde. Volgens deze overlevering opende Jibrīl (عليه السلام) zijn borst, waste zijn hart met Zamzam-water, plaatste het vervolgens terug, hechtte de opening en verzegelde deze met het zegel van het profeetschap. Over deze gebeurtenis zei Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Vervolgens plaatste hij een zegel op mijn rug; ik voelde de aanraking van dat zegel in mijn hart.”
Ṣāḥib al-KhātamEen van de namen van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) is Ṣāḥib al-Khātam, wat betekent: “de bezitter van het zegel van het profeetschap”.
Met betrekking tot zijn positie als laatste van de anbiyā zei Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Mijn gelijkenis met die van de andere anbiyā is als die van een man die een huis bouwde. Hij voltooide het huis en versierde het op de mooiste wijze, behalve dat hij één steen ontbrak. De mensen begonnen het huis te bewonderen en zeiden: ‘Wat zou dit huis prachtig zijn geweest als ook die ene steen was geplaatst!’ Ik ben die steen in het gebouw van het profeetschap; ik ben de laatste van de anbiyā.”
De vitaliteit die het wuḍūʾ-water schonkToen Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) sprak over vijf bijzondere eigenschappen die aan geen enkele nabie vóór hem waren gegeven, zei hij: “Voorheen werd iedere profeet slechts naar zijn eigen volk gezonden, terwijl ik naar de gehele mensheid ben gezonden.”
De overleveraar van onze hadîth, Sāʾib ibn Yazīd (رضي الله عنه), kreeg nieuwe kracht nadat hij van het wuḍūʾ-water van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had gedronken. Zelfs op vierennegentigjarige leeftijd behield hij zijn vitaliteit. Sāʾib verklaarde dat het feit dat zijn gehoor en gezichtsvermogen niet achteruitgingen, te danken was aan de barakah van de duʿāʾ van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم).
Laten wij hier nog een belangrijke overlevering met betrekking tot het zegel van het profeetschap vermelden.Toen Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) overleed, ontstond er onder sommige metgezellen twijfel. Sommigen zeiden dat hij was overleden, terwijl anderen beweerden dat hij niet was overleden. Daarop plaatste Asmāʾ bint ʿUmays (رضي الله عنها) (overl. 40/661), een van de vooraanstaande vrouwelijke metgezellen, haar hand tussen de twee schouderbladen van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei: “Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) is overleden, want het zegel van het profeetschap dat zich tussen zijn twee schouderbladen bevond, is verdwenen.”
17de. Hadīth
Van Jābir ibn Samurah (رضي الله عنه), hij zei: “Ik heb het zegel van het profeetschap gezien tussen de twee schouderbladen van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم). Dit zegel was een roodachtige moedervlek ter grootte van een duivenei.”
Uitleg van de hadîthIn een aantal van de ahadîth waarvan wij de bronnen hebben vermeld, wordt aangegeven dat deze moedervlek of verhevenheid tussen de twee schouderbladen van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) dezelfde kleur had als zijn gezegende huid. In andere overleveringen wordt vermeld dat deze moedervlek groen was, terwijl weer andere overleveringen aangeven dat zij zwart van kleur was.
Hieruit blijkt dat deze gezegende moedervlek op verschillende momenten verschillende kleuren kon aannemen. Daarom hebben degenen die het zegel van het profeetschap op verschillende tijdstippen zagen, het op uiteenlopende manieren beschreven. Ook degenen die het van dichtbij of van verderaf zagen, gaven verschillende beschrijvingen.
Vergelijkingen met betrekking tot het zegel van het profeetschapDat Sāʾib ibn Yazīd (رضي الله عنه) in de vorige hadîth het zegel van het profeetschap vergeleek met een patrijsei en Jābir ibn Samurah (رضي الله عنه) het in deze overlevering vergeleek met een duivenei, vormt geen tegenstrijdigheid.
Zoals in hadîth 23 wordt vermeld, vergeleek ʿAbdullāh ibn Sarjis (رضي الله عنه) vergeleek het met een vuist en en vertelde dat zich daarop wratachtige vleesbultjes bevonden. Abū Rimthah (رضي الله عنه) vergeleek het met een appel.
Zoals wij zullen zien in hadîth 22, werd aan Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) gevraagd naar het zegel van het profeetschap. Hij antwoordde dat het een verheven stukje vlees was dat zich op de rug van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) onder de huid bevond.
Ook anderen hebben het zegel van het profeetschap vergeleken met een moedervlek of met andere zaken. Zoals de mufassir, muḥaddith en faqīh al-Qurṭubī (overl. 671/1273) heeft opgemerkt, kon deze vleesachtige verhevenheid in grootte toenemen of afnemen en verschillende kleuren aannemen. Daarom beschreef ieder haar zoals hij haar had waargenomen.
18de. Hadīth
Van Rumaysāʾ bint ʿAmr (رضي الله عنها), zij zei: “Ik stond achter Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم). Ik bevond mij zo dicht bij het zegel van het profeetschap tussen zijn twee schouderbladen dat ik het had kunnen kussen als ik dat had gewild. Op dat moment hoorde ik met mijn eigen oren (hoe an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), om de verheven positie van Saʿd ibn Muʿādh (رضي الله عنه) bij Allāhu (تعالى) te benadrukken), zei: “Door het overlijden van Saʿd heeft al-ʿArsh al-Aʿlā gebeefd.”
Uitleg van de hadîthOp een dag bevond Rumaysāʾ zich zeer dicht bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Zij was op dat moment zo dicht bij het zegel van het profeetschap op zijn rug dat zij het, zoals zij zelf zei, had kunnen kussen als zij dat had gewild. Toch werd zij overweldigd door zijn majesteit en eerbiedwaardigheid en durfde zij dat niet te doen.
De nabijheid tussen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en de metgezellenDe uitspraak van Rumaysāʾ: “Als ik het had gewild, had ik het zegel van het profeetschap kunnen kussen,” toont haar geestelijke nabijheid tot Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم). Het laat zien dat zij Sayyid al-Anbiyāʾ (صلى الله عليه وسلم) beschouwde als iemand die haar even dierbaar was als een lid van haar eigen familie.
Tegelijkertijd laat deze uitspraak de nederigheid van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zien, evenals de grote waarde die hij aan mensen hechtte. Vooral tegenover oudere mannen en vrouwen toonde hij begrip, vriendelijkheid en waardering.
De man wiens begrafenis door de engelen werd gedragenMet deze overlevering gaf Rumaysāʾ niet alleen informatie over het zegel van het profeetschap, maar bracht zij ook de uitspraak van Sayyid al-Anbiyāʾ (صلى الله عليه وسلم) over dat bij het overlijden van Saʿd ibn Muʿādh (رضي الله عنه) in het jaar 5 na de hidjrah, al-ʿArsh al-Aʿlā (Verheven Troon) had gebeefd.
Deze hadîth toont aan hoe waardevol Saʿd ibn Muʿādh (رضي الله عنه), een van de vooraanstaande mannen van de Anṣār, was.
Volgens hetgeen Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft meegedeeld, beefde al-ʿArsh al-Aʿlā uit vreugde over de komst van zijn rûh.
De poorten van de hemel werden voor hem geopend, zeventigduizend engelen waren aanwezig bij zijn salāh al-janazah. En de engelen hebben het lichaam van deze edele mens gedragen.
Hoewel al-ʿArsh wordt genoemd in de Qurʾān al-Karīm en in de ahādīth, beschikken wij niet over voldoende kennis omtrent de werkelijke aard en hoedanigheid ervan. Wij weten slechts dat het een manifestatie is van de verheven macht en grootheid van Allāhu (تعالى).
Hoe verheugt de `Arsh zich?De ʿArsh is in wezen een levenloos schepsel; daarom moeten wij niet denken: “Hoe kan iets levenloos zich verheugen?” Want dit is geen kwestie die met het verstand alleen volledig kan worden begrepen. Hier moet men denken aan de hadîth van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) waarin hij Uhud aanwees en zei: “Uhud houdt van ons, en wij houden van Uhud.” Zoals Uhud op een manier “liefde” kan hebben, zo kan ook de ʿArsh zich verheugen op een wijze die ons begrip te boven gaat.
Wij weten niet zeker of de ʿArsh leeft of levenloos is, maar in de Qurʾān al-Karīm wordt vermeld dat zelfs bergen die wij als levenloos beschouwen uit angst voor Allāhu (تعالى) kunnen beven en uiteenvallen:
لَوۡ أَنزَلۡنَا هَٰذَا ٱلۡقُرۡءَانَ عَلَىٰ جَبَلٖ لَّرَأَيۡتَهُۥ خَٰشِعٗا مُّتَصَدِّعٗا مِّنۡ خَشۡيَةِ ٱللَّهِۚ وَتِلۡكَ ٱلۡأَمۡثَٰلُ نَضۡرِبُهَا لِلنَّاسِ لَعَلَّهُمۡ يَتَفَكَّرُونَ ٢١
Hadden Wij deze Koran op een berg neergezonden, dan had jij deze zeker zien onderwerpen en splijten uit vrees voor Allah. Zo zijn de vergelijkingen die Wij aan de mensheid geven, zodat zij kunnen nadenken. (Ḥashr, 59:21)
Ook wordt in het Boek van Allāhu (تعالى) tegen de Banī Isrāʾīl gezegd:
ثُمَّ قَسَتۡ قُلُوبُكُم مِّنۢ بَعۡدِ ذَٰلِكَ فَهِيَ كَٱلۡحِجَارَةِ أَوۡ أَشَدُّ قَسۡوَةٗۚ وَإِنَّ مِنَ ٱلۡحِجَارَةِ لَمَا يَتَفَجَّرُ مِنۡهُ ٱلۡأَنۡهَٰرُۚ وَإِنَّ مِنۡهَا لَمَا يَشَّقَّقُ فَيَخۡرُجُ مِنۡهُ ٱلۡمَآءُۚ وَإِنَّ مِنۡهَا لَمَا يَهۡبِطُ مِنۡ خَشۡيَةِ ٱللَّهِۗ وَمَا ٱللَّهُ بِغَٰفِلٍ عَمَّا تَعۡمَلُونَ ٧٤
Daarna verhardden jullie harten zich en werden als steen of nog harder.
En waarlijk er zijn stenen waaruit rivieren ontspringen en er zijn (stenen) die splijten zodat het water over hen heen stroomt en waarlijk, er zijn (stenen) die neervallen uit vrees voor Allah. En Allah is niet onachtzaam over jullie daden. (Baqarah, 2:74)
De waarde van Saʿd ibn Muʿādh (رضي الله عنه)Hier is het passend om enige informatie te geven over Saʿd ibn Muʿādh (رضي الله عنه), over wie Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zulke hoge lof heeft uitgesproken: Net zoals Abū Bakr (رضي الله عنه) de meest vooraanstaande persoon van de Muhājirūn was, was Saʿd (رضي الله عنه) de meest vooraanstaande persoon van de Anṣār. Deze edele metgezel werd moslim via Musʿab ibn ʿUmayr (رضي الله عنه), nog voordat Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) Madīnah met zijn komst eerde.
Saʿd (رضي الله عنه) was de leider van de stam Banū ʿAbd al-Ashhal, en toen hij de islam omarmde, nam zijn hele stam de islam aan. Hij nam deel aan de veldslagen van Badr, Uḥud en al-Khandaq (Greppel) samen met de an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Tijdens de Slag bij de Khandaq werd hij ernstig gewond aan zijn arm. Deze wond ging in het vijfde jaar na de hidjrah weer open, en hij overleed op 37-jarige leeftijd aan de gevolgen van deze bloeding.
19de. Hadīth
Eenmaal begon Ibrāhīm ibn Muhammad, een van de kleinzonen van ʿAlī (رضي الله عنه), met de woorden: “Mijn grootvader ʿAlī (رضي الله عنه) zei, wanneer hij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beschreef, het volgende.” Daarna overleverde hij de hierboven met nummer 7 aangehaalde hadīth.Vervolgens heeft hij deze uitspraak van ʿAlī (رضي الله عنه) overgeleverd: “tussen de twee schouderbladen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bevond zich het zegel van het profeetschap. Het profeetschap is daarmee beëindigd.”
Uitleg van de hadīthʿAlī (رضي الله عنه) had in de eerder door ons gelezen hadīth met nummer 7 de scheppingskenmerken van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beschreven. Hij sprak over het zegel van het profeetschap tussen zijn twee schouderbladen en vermeldde dat het profeetschap met hem tot een einde kwam.
Omdat het onderwerp dat wij hier bestuderen verband houdt met het zegel van het profeetschap van de eer van de wereld, heeft Imām at-Tirmidhī hier opnieuw de twee vaststellingen van ʿAlī (رضي الله عنه) over dit onderwerp vermeld.
Dat het profeetschap met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) is beëindigd, wordt ook door het volgende vers van de Qurʾān bevestigd:
مَّا كَانَ مُحَمَّدٌ أَبَآ أَحَدٖ مِّن رِّجَالِكُمۡ وَلَٰكِن رَّسُولَ ٱللَّهِ وَخَاتَمَ ٱلنَّبِيِّـۧنَۗ وَكَانَ ٱللَّهُ بِكُلِّ شَيۡءٍ عَلِيمٗا ٤٠
Mohammed is niet de vader van één van jullie, maar hij is Rasûlullāh, en de laatste van de Profeten. En Allah is Alwetend over alle zaken. (Aḥzāb, 33:40)
In het vers wordt met “khātam an-nabiyyīn” bedoeld: “de laatste van alle anbiyā”.
20ste. Hadīth
Van Iblā ibn Aḥmar al-Yashkurī,hij zei dat Abū Zayd al-Anṣārī, die onder de ṣaḥāba bekend stond als ʿAmr ibn Akhtab (رضي الله عنه), het volgende tegen hem zei: “Op een dag zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen mij: ‘O Abū Zayd, kom bij mij. Steek je hand in mijn shirt en raak mijn rug aan.’Toen ik zijn rug aanraakte, kwamen mijn vingers in contact met het zegel van het profeetschap.”Iblā vervolgde en zei: “Ik vroeg Abū Zayd: “Hoe zag het zegel van het profeetschap eruit?”Hij antwoordde: “Het waren samengekomen haren.”
Uitleg van de hadīthAbū Zayd al-Anṣārī (رضي الله عنه) verlangde er sterk naar om het zegel van het profeetschap op de rug van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aan te raken, maar hij durfde dit niet rechtstreeks te vragen. Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dit merkte, wilde hij Abū Zayd verheugen en gaf hem de gelegenheid zijn wens in vervulling te laten gaan door hem toe te staan zijn rug aan te raken.
Toen de betrouwbare Tābiʿī-geleerde uit Basra, Iblā ibn Aḥmar een gelukkige ṣaḥābī had gevonden die de eer en het voorrecht had gekregen het zegel van het profeetschap aan te raken, wilde hij van hem vernemen hoe het zegel van het profeetschap eruitzag. Abū Zayd zei dat hij het zegel niet met zijn ogen had gezien, maar het met zijn hand had aangeraakt en dat het bestond uit “samengekomen haren”.
Waarom kon hij het zegel van het profeetschap niet zien?Hoewel Abū Zayd al-Anṣārī het zegel van het profeetschap met zijn handen had aangeraakt, waarom beschreef hij het dan niet, zoals andere ṣaḥābah, als een verheven stukje vlees of een moedervlek van een bepaalde grootte, maar beperkte hij zich tot de opmerking dat het zegel van het profeetschap iets was dat omgeven werd door vele haren?
De reden hiervoor lijkt te zijn dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op dat moment een kledingstuk droeg dat vrij nauw zat. Daardoor kon Abū Zayd het zegel niet volledig zichtbaar zien, maar slechts gedeeltelijk aanraken via de opening van de kleding, waardoor hij vooral de haren eromheen kon voelen en het zo beschreef.
21ste. Hadīth
Van Buraydah ibn al-Ḥuṣayb al-Aslamī (رضي الله عنه), hij zei: “Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar al-Madīnah was geëmigreerd (hijrah), bereidde Salmān al-Fārisī (رضي الله عنه) een maaltijd voor hem. Op de tafel lag een hoeveelheid verse dadels. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg hem: ‘O Salmān, wat is dit?’
Hij antwoordde: ‘Ik heb dit als ṣadaqah voor u en uw metgezellen meegebracht.’
Toen zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): ‘Ruim de tafel af/neem de maaltijd weg! Wij, de anbiyā, eten geen ṣadaqah.’
Daarop ruimde hij de tafel af.
De volgende dag zette Salmān opnieuw een maaltijd voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) neer. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vroeg: ‘Wat is dit, Salmān?’
Hij antwoordde: ‘Ik heb u een geschenk gebracht.’
Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen zijn metgezellen: ‘Kom, schuif aan, laten wij er samen van eten.’
Vervolgens ging Salmān achter Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) staan, keek naar het zegel van het profeetschap en geloofde (īmān) in an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) (accepteerde de Islām).
Salmān al-Fārisī (رضي الله عنه) was een slaaf van een jood. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kocht Salmān vrij door het gevraagde bedrag te betalen en het aantal dadelpalmen te planten dat de jood als voorwaarde had gesteld.
Een van de voorwaarden van de jood was dat Salmān bij hem moest blijven werken totdat de dadelpalmen vruchten zouden dragen. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) plantte de verlangde jonge palmbomen eigenhandig ten behoeve van Salmān.
Eén van de jonge palmbomen werd echter door ʿUmar (رضي الله عنه) geplant. Van alle geplante bomen droegen dat jaar alle bomen vruchten, behalve die ene.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wees naar die palmboom en vroeg: ‘Waarom heeft deze geen vruchten voortgebracht?’
ʿUmar (رضي الله عنه) antwoordde: ‘O Rasûlullāh, die heb ik geplant.’
Daarop trok Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) die jonge palmboom uit de grond en plantte hem opnieuw. Vervolgens droeg ook die palmboom nog in hetzelfde jaar vruchten.”
Uitleg van de hadīth
In deze hadīth wordt verteld hoe Salmān al-Fārisī (رضي الله عنه) moslim werd, hoe hij uit de slavernij werd bevrijd en, voor zover het verband houdt met ons onderwerp, hoe hij het zegel van het profeetschap zag. Voordat wij deze hadīth uitleggen, zullen wij kort beschrijven hoe deze grote persoonlijkheid op zoek ging naar de ware godsdienst en uiteindelijk werd geëerd met de Islām.
Het bijzondere verhaal van Salmān al-Fārisī
Laten wij uit al-Muṣnad van Aḥmad ibn Ḥanbal vernemen hoe Salmān al-Fārisī (رضي الله عنه) de Islām omarmde:
Salmān was afkomstig uit Perzië. Hij was geboren in een dorp nabij de stad Iṣfahān. Zijn vader, die het hoofd van het dorp was, hield zoveel van hem dat hij hem nauwelijks uit het oog liet. Zijn familie was, zoals veel Perzen in die tijd, majūsī; zij aanbaden het vuur.
Op een dag stuurde zijn vader Salmān naar hun landerijen. Onderweg bevond zich een kerk. Toen Salmān geluiden hoorde die hij nooit eerder had gehoord, werd hij nieuwsgierig en ging naar binnen. Daar zag hij christenen die hun eredienst verrichtten. Hun aanbidding maakte diepe indruk op hem en hij bleef er tot de avond.
Hij begreep dat het christendom hem mooier voorkwam dan het majūsisme en hoorde dat de voornaamste geestelijke leiders van die godsdienst in Syrië woonden.
Toen hij ’s avonds thuiskwam, vertelde hij zijn vader wat hij had gezien. Hij voegde eraan toe dat hij veel waardering had gekregen voor het christendom. Zijn vader werd bang dat Salmān zijn geloof zou verlaten. Daarom liet hij hem met kettingen vastzetten en in huis opsluiten.
Salmān vond echter een uitweg en vluchtte naar Syrië. Daar vroeg hij naar de meest geleerde christelijke geestelijke. Men wees hem een priester aan. Salmān ging naar hem toe en zei: “Ik wil uw godsdienst aannemen, haar grondig leren kennen, bij u blijven en u dienen.” De priester stemde hiermee in. Zo werd Salmān christen en begon hij hem te dienen.
Deze priester bleek echter geldzuchtig te zijn. Hij gaf het geld dat in de kerk werd ingezameld niet aan de armen. Daarom hield Salmān niet van hem.
Toen deze priester stierf, werd hij opgevolgd door een oprechte geestelijke. Deze man hechtte weinig waarde aan het wereldse leven en bracht zijn dagen en nachten door in aanbidding. Salmān hield veel van hem, en hij op zijn beurt ook van Salmān. Lange tijd diende Salmān hem. Op een dag vroeg hij: “Mijn meester, wat raadt u mij aan?”
De priester antwoordde dat er nog maar weinig rechtschapen geestelijken waren, maar dat er in Mosul nog een oprechte priester leefde.
Op deze manier diende Salmān nog verschillende andere geestelijken en bezocht hij meerdere steden. De laatste van hen gaf hem de belangrijkste informatie. Hij zei: “De komst van de laatste Nabī is nabij. Hij zal onder de Arabieren verschijnen. Hij zal emigreren naar een stad waar veel dadelboomgaarden zijn.
Die Nabī heeft drie belangrijke kenmerken:
Hij aanvaardt en eet wat hem als geschenk wordt aangeboden.
Maar hij zou ṣadaqah absoluut niet eten.En tussen zijn twee schouderbladen bevindt zich het zegel van het profeetschap.”
Niet lang daarna stierf ook deze priester.
Salmān maakte vervolgens kennis met enkele Arabische handelaren die naar zijn streek kwamen. Hij gaf hun al zijn gespaarde geld op voorwaarde dat zij hem naar een Arabische stad zouden meenemen.
Hij reisde met hen mee, maar deze handelaren bleken slechte mensen te zijn. Zij verkochten hem als slaaf aan een jood. Die jood verkocht hem later weer aan een andere jood die in Madīnah woonde.
Toen de karavaan Madīnah bereikte, dacht Salmān: “Dit moet de plaats zijn die mij beschreven werd.”
De jood uit Madīnah liet hem werken in een dadelboomgaard.
Op een dag was Salmān boven in een dadelpalm aan het werk. Toen hoorde hij enkele joden met elkaar spreken. Zij vertelden dat iemand die beweerde een profeet te zijn, in Qubāʾ was aangekomen, en zij spraken slecht over hem.
Salmān werd zo opgewonden dat hij bijna uit de boom viel. Hij klom snel naar beneden en vroeg wie die profeet was over wie zij spraken.
Zij gaven hem een klap en zeiden: “Dat gaat jou niets aan. Doe je werk!”
Toen het avond werd, nam Salmān wat voedsel mee en ging naar Qubāʾ.
Hij vond Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei: “Ik heb gehoord dat u een goed mens bent. U bent hier een vreemdeling. Daarom heb ik wat ṣadaqah meegebracht zodat u ervan kunt eten.”
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gaf het voedsel aan zijn metgezellen, maar raakte er zelf niets van aan.
Salmān zei in zichzelf: “Dat is één teken!”
Enige tijd later had hij opnieuw wat voedsel verzameld. Daarmee bezocht hij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), die inmiddels naar Madīnah was gekomen.
Hij zei: “De vorige keer zag ik dat u geen ṣadaqah eet. Daarom heb ik dit als geschenk voor u meegebracht.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) at ervan en liet ook zijn metgezellen ervan eten.
Salmān dacht bij zichzelf: “Dat is het tweede teken!”
Na verloop van tijd zag Salmān Rasûlullāh, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), op de begraafplaats al-Baqīʿ. Zij waren daar gekomen om een ṣaḥābī te begraven.
Hij gaf Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de salām en ging achter hem staan. Zou hij het zegel kunnen zien?
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) begreep wat hij verlangde en maakte zijn rug zichtbaar.
Toen Salmān het zegel van het profeetschap zag, begreep hij onmiddellijk wat het betekende. Hij wierp zich erop, begon te huilen en kuste het.
Daarop riep Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem bij zich en luisterde naar zijn bijzondere levensverhaal.
In het vervolg van deze overlevering in al-Muṣnad van Aḥmad ibn Ḥanbal wordt vervolgens, met bewoordingen die sterk lijken op de hierboven genoemde hadīth, verteld hoe Salmān al-Fārisī (رضي الله عنه) zijn vrijheid verkreeg.
Anbiyā eten geen ṣadaqah
Wij zagen dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de ṣadaqah die Salmān al-Fārisī (رضي الله عنه) meebracht niet accepteerde. Dat komt omdat de anbiyā geen ṣadaqah eten en dit ook niet toestaan aan hun naasten.
De volgende gebeurtenis laat dat ook zien:
Op een dag hield Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) toezicht op de verdeling van de dadels die als zakāh waren ingezameld. Zijn kleinzoon al-Ḥasan (رضي الله عنه) zat op zijn schoot. Op een gegeven moment nam al-Ḥasan een van die dadels van de zakāh en stopte die in zijn mond. Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dat zag, haalde hij de dadel uit zijn mond en zei op een voor een kind begrijpelijke manier: “Qaqa (Weg ermee), qaqa (weg ermee)! Gooi dat weg! Weet je niet dat wij, de familie van Muhammad, geen ṣadaqah eten?”
Op een andere keer vond Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een dadel op straat. Hij zei: “Als ik niet bang was dat het ṣadaqah zou kunnen zijn, zou ik hem gegeten hebben.”
Waarom eten de anbiyā geen ṣadaqah?
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) legde uit dat ṣadaqah niet toegestaan is voor zijn familie met de volgende hadīth: “Deze ṣadaqāt zijn namelijk de onzuiverheden/zuivering van het bezit van de mensen. Ze zijn niet toegestaan voor Muhammad, noch voor de familie van Muhammad.”
Met “onzuiverheden van de mensen” wordt bedoeld dat het gaat om een spirituele reiniging van het bezit van de mensen.
Onze geliefde Rasûl at geen ṣadaqah, maar hij accepteerde wel geschenken en gaf ook zelf geschenken.
Wie is de familie van Muhammad?
“Wie is de familie van Muhammad, voor wie het verboden is om ṣadaqah te ontvangen?”
De familie van Muhammad is de Ahl al-Bayt van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), namelijk zijn echtgenotes en zijn overige naaste verwanten.
Wie zijn de naaste verwanten van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم)?
Dit zijn zijn ooms en hun families. Meer specifiek: de families van ʿAlī ibn Abī Ṭālib, ʿAqīl, Jaʿfar en zijn oom al-`Abbās (رضي الله عنهم).
Wanneer Ahl al-Bayt wordt gezegd, worden meestal eerst genoemd: ʿAlī (رضي الله عنه), Fāṭimah (رضي الله عنها), al-Ḥasan en al-Ḥusayn (رضي الله عنهما).
De overeenkomst van Salmān met de jood
Toen Salmān al-Fārisī (رضي الله عنه) de drie kenmerken bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had gevonden, accepteerde hij zonder uitstel de Islām.
Zoals ook in de hadīth over zijn het levensverhaal van Salmān wordt vermeld, spoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem aan om een contract te sluiten met zijn eigenaar om zijn vrijheid te verkrijgen. Dit contract wordt mukātaba genoemd. Volgens deze overeenkomst zou Salmān een bepaald bedrag betalen aan de jood van Banū Qurayẓah. Daarnaast zou hij 300 dadelpalmen planten en deze verzorgen totdat ze vruchten zouden voortbrengen.
Volgens andere overleveringen vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de ṣaḥāba om te helpen met het verzamelen van de 300 palmen voor Salmān, waarna iedereen bracht wat hij had.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) liet de plekken voor de palmen voorbereiden en plantte met zijn gezegende handen 299 bomen.
De drie wonderen
Dat de dadelpalmen in hetzelfde jaar vrucht voortbrachten is een van de wonderen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Dat de door ʿUmar (رضي الله عنه) geplante boom dat jaar geen vrucht voortbrachen en vervolgens door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) opnieuw werd geplant en daarna wel vrucht voortbrachten, is een tweede wonder.
Zoals eerder vermeld vroeg de jood, de eigenaar van Salmān, naast de bomen ook een geldsom om hem vrij te laten. Hoewel het planten van bomen fysiek werk was en de ṣaḥāba hem daarbij hielpen, was het bijeenbrengen van het geld moeilijk.
Op een dag kwam er bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een hoeveelheid goud ter grootte van een kippenei. Hij vroeg: “Waar is de Perzische die een mukātabah-contract heeft gesloten?”
Toen Salmān kwam, gaf hij hem dit goud.
Salmān was daar zeer blij mee, maar het was niet genoeg om zijn schuld te betalen.
Daarop liet Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het goud over zijn gezegende tong gaan en zei:
“Allāhu (تعالى) zal met dit goud jouw schuld betalen, maak je geen zorgen.”
Salmān woog hiervan ongeveer 1,2 kilogram en gaf dat aan zijn eigenaar, terwijl er voor hem ook nog eenzelfde hoeveelheid overbleef.
De uitspraak van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) over Salmān: “Salmān behoort tot ons, tot de Ahl al-Bayt,” laat zijn hoge rang duidelijk zien.
22ste . Hadīth
Van Abû Naḍrah al-Munḏir ibn Mālik al-ʿAwāqī, hij zei: “Ik vroeg Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) naar het zegel van het profeetschap van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Hij zei: ‘Het zegel van het profeetschap was op de rug van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), een verheven stukje vlees onder zijn huid.”
Uitleg van de hadīth
Tot hier hebben wij zes hadīth van zes verschillende ṣaḥābah gelezen over het zegel van het profeetschap. Nu zullen wij enkele aanvullende overleveringen van andere ṣaḥābah bekijken.
In de 43e hadīth zullen wij inshaAllah een overlevering lezen van de ṣaḥābī Abū Rimsah al-Taymī (رضي الله عنه), en daar kort op ingaan. Voor nu volstaat het om het volgende te zeggen: op een dag ging Abū Rimsah samen met zijn jonge zoon Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bezoeken. Volgens sommige overleveringen bracht zijn vader de jonge Abū Rimsah naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
Toen zij bij hem kwamen, zat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in de schaduw van de Kaʿbah. Vader wees naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei tegen zijn zoon: “Zie je mijn zoon, dat is Rasûlullāh.”
De jongen begon te trillen uit diepe eerbied voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
De arts van dat zegel is Degene die het geschapen heeftLater vond er tussen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en Abū Rimsah de volgende dialoog plaats over het zegel van het profeetschap: “O Rasûlullāh,” zei Abū Rimsah, “ik ben arts, en mijn vader was ook arts; wij komen uit een familie van artsen. Laat mij dat wat op uw rug is eens bekijken.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg: “Wat wil je ermee doen?”
Hij antwoordde: “Als het een vetgezwel is, wil ik het wegsnijden en behandelen.”
Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Je zegt dat je arts bent, maar de ware arts is Allāh; jij bent slechts een metgezel. En de arts van het zegel van het profeetschap is Degene die het heeft geschapen.”
Zo herinnerde hij hem eraan dat het niet ging om een ziekte of aandoening, maar dat genezing en schepping alleen aan Allāhu (تعالى) toebehoren.
Het leek op de knie van een geit
Ook wordt overgeleverd van ʿAbbād ibn ʿAmr, een dienaar van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), het volgende: “Op een dag sprak Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) met een jood. Zijn bovenkleed (rida) viel van zijn schouder en het zegel van het profeetschap werd zichtbaar. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hield er niet van dat het zichtbaar was, dus ik bedekte het meteen met zijn bovenkleed.
Hij vroeg: ‘Wie heeft mijn (met mijn) bovenkleed bedekt?’
Ik zei: ‘Ik heb het bedekt.’
Hij zei: ‘Kom bij mij.’
Ik ging voor hem zitten. Hij legde eerst zijn gezegende hand op mijn hoofd en streek vervolgens over mijn gezicht en mijn rug. Daarna zei hij: “Als er goederen binnenkomen, kom dan bij mij.”
Toen er later goederen werden verdeeld, kreeg ik op zijn bevel een kameel.
Het zegel van het profeetschap bevond zich aan de linkerzijde van zijn schouder en leek op de knie van een geit.”
23ste. Hadīth
Van `Abdullah ibn Sarjis (رضي الله عنه), hij zei: “Ik kwam bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) terwijl hij tussen een groep van zijn ṣaḥāba zat. Met het verlangen om het zegel van het profeetschap te zien, stond ik op van mijn zitplaats en ging achter hem staan. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) doorzag mijn bedoeling meteen en opende zijn bovenkleed, zodat ik de plaats van het zegel van het profeetschap kon zien.
Het zegel van het profeetschap bevond zich tussen zijn twee schouderbladen en was zo groot als een vuist; eromheen waren ook huidtekeningen zoals kleine huiduitsteeksels.
Nadat ik het zegel van het profeetschap had gezien, ging ik weer voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) staan en zei tegen hem (als dank voor zijn goedheid): “Allāh vergeef u, o Rasûlullāh.”
Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “En moge Allāh jou ook vergeven.’
(De overleveraar ʿĀṣim al-Aḥwal zei:) De aanwezigen vroegen aan `Abdullah: ‘Heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) om vergeving voor jou gevraagd?’
Hij antwoordde: ‘Ja, hij heeft om vergeving gevraagd voor mij en voor jullie allemaal,’ en hij reciteerde vervolgens het vers:
فَٱعۡلَمۡ أَنَّهُۥ لَآ إِلَٰهَ إِلَّا ٱللَّهُ وَٱسۡتَغۡفِرۡ لِذَنۢبِكَ وَلِلۡمُؤۡمِنِينَ وَٱلۡمُؤۡمِنَٰتِۗ وَٱللَّهُ يَعۡلَمُ مُتَقَلَّبَكُمۡ وَمَثۡوَىٰكُمۡ ١٩
Weet dus dat er geen god is dan Allah, (vertrouw dus alléén op Hem) en vraag om vergiffenis voor jouw zonden en voor (de zonden van) de gelovige mannen en de gelovigen vrouwen. En Allah kent jullie bezigheden (op aarde) en jullie verblijfplaats (in het Hiernamaals). (Muḥammad, 47:19)
Uitleg van de hadīth
`Abdullah ibn Sarjis (رضي الله عنه) kwam naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) met het verlangen om het zegel van het profeetschap te zien. Hij ging achter Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) staan en wachtte op een geschikt moment.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) begreep zijn intentie en maakte zijn bovenkleed open zodat hij het kon zien.
Wanneer hij dit beschreef aan de aanwezigen, zat hij waarschijnlijk in de Masjid an-Nabawi. Daarom heeft hij tegen degenen die naar hem luisterden, terwijl hij in de aanwezigheid/graf van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was, verteld waar hij zelf zat, waar hij zich bevond en hoe hij vanaf daar opstond en achter Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ging staan. Hij zei: “Ik ben van mijn zitplaats zo opgestaan en heb achter hem gestaan.”
Zo groot als een vuist
In deze overlevering beschreef `Abdullah ibn Sarjis het zegel van het profeetschap als zijnde tussen de twee schouderbladen, ter grootte van een vuist, met daaromheen huidtekeningen zoals kleine huiduitsteeksels.
Er wordt echter ook vermeld dat het zegel niet exact in het midden tussen de schouderbladen zat, maar iets meer naar links, ter hoogte van het hart.
De beschrijving als “vuistgroot” staat niet in strijd met andere overleveringen die het vergelijken met een kwartel-ei, duif-ei of een verheven stukje vlees. Dit komt omdat het zegel in sommige omstandigheden iets groter of kleiner kon lijken.
Goedheid met goedheid beantwoorden
`Abdullah ibn Sarjis (رضي الله عنه) wordt gezien terwijl hij zijn dankbaarheid uitte aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) door te zeggen: “Moge Allāh jou vergeven, o Rasûlullāh,” vanwege de soepelheid waarmee hem werd toegestaan zijn nieuwsgierigheid naar het zegel van het profeetschap te vervullen.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde deze ṣaḥābī met: “Moge Allāh jou ook vergeven.” Dit is een duidelijk voorbeeld van de etiquette om goedheid met goedheid te beantwoorden.
Deze etiquette wordt ons geleerd in de volgende Qur’ān-verzen:
“Wanneer jullie een begroeting krijgen, beantwoord die dan met iets beters of met iets gelijkwaardigs
وَإِذَا حُيِّيتُم بِتَحِيَّةٖ فَحَيُّواْ بِأَحۡسَنَ مِنۡهَآ أَوۡ رُدُّوهَآۗ إِنَّ ٱللَّهَ كَانَ عَلَىٰ كُلِّ شَيۡءٍ حَسِيبًا ٨٦
Als je met een groet begroet wordt, groet dan terug met een groet die beter is, of met een gelijkwaardige. Zeker, Allah houdt rekening met alle dingen. (Nisā’, 4,86)
Hij smeekte ook om vergeving voor ons
Deze hadīth heeft ook een betekenis die voor ons van belang is. Toen de aanwezigen aan ‘Abdullah ibn Sarjis vroegen: “Heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) om vergeving voor jou gevraagd?”
Antwoordde deze nobele ṣaḥābī: “Ja, hij heeft zowel voor mij als voor jullie om vergeving gevraagd,” en hij reciteerde vervolgens het vers:
فَٱعۡلَمۡ أَنَّهُۥ لَآ إِلَٰهَ إِلَّا ٱللَّهُ وَٱسۡتَغۡفِرۡ لِذَنۢبِكَ وَلِلۡمُؤۡمِنِينَ وَٱلۡمُؤۡمِنَٰتِۗ وَٱللَّهُ يَعۡلَمُ مُتَقَلَّبَكُمۡ وَمَثۡوَىٰكُمۡ ١٩
Weet dus dat er geen god is dan Allah, (vertrouw dus alléén op Hem) en vraag om vergiffenis voor jouw zonden en voor (de zonden van) de gelovige mannen en de gelovigen vrouwen. En Allah kent jullie bezigheden (op aarde) en jullie verblijfplaats (in het Hiernamaals). (Muḥammad, 47:19)
Niet alleen in dit vers, maar ook in andere verzen is aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) opgedragen om vergeving te vragen voor alle mannelijke en vrouwelijke mu’mins. Het volgende vers is daar een voorbeeld van:
وَٱسۡتَغۡفِرِ ٱللَّهَۖ إِنَّ ٱللَّهَ كَانَ غَفُورٗا رَّحِيمٗا ١٠٦
En zoek Vergiffenis bij Allah, zeker, Allah is de Vergevingsgezinde, de Genadevolle. (Nisā’, 4,106)
In een ander vers wordt dit ook gevraagd voor de vrouwelijke ṣaḥāba die naar hem kwamen om de eed van trouw (bayʿah) af te leggen.
يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّبِيُّ إِذَا جَآءَكَ ٱلۡمُؤۡمِنَٰتُ يُبَايِعۡنَكَ عَلَىٰٓ أَن لَّا يُشۡرِكۡنَ بِٱللَّهِ شَيۡـٔٗا وَلَا يَسۡرِقۡنَ وَلَا يَزۡنِينَ وَلَا يَقۡتُلۡنَ أَوۡلَٰدَهُنَّ وَلَا يَأۡتِينَ بِبُهۡتَٰنٖ يَفۡتَرِينَهُۥ بَيۡنَ أَيۡدِيهِنَّ وَأَرۡجُلِهِنَّ وَلَا يَعۡصِينَكَ فِي مَعۡرُوفٖ فَبَايِعۡهُنَّ وَٱسۡتَغۡفِرۡ لَهُنَّ ٱللَّهَۚ إِنَّ ٱللَّهَ غَفُورٞ رَّحِيمٞ ١٢
O, Profeet! Als de gelovige vrouwen tot jou gekomen zijn om de belofte af te leggen dat zij niemand in de aanbidding met Allah zullen verenigen, dat zij niet zullen stelen, dat zij geen overspel zullen plegen, dat zij hun kinderen niet zullen doden, dat zij niet zullen lasteren, niet zullen liegen en jou niet in het goede ongehoorzaam zullen zijn, accepteer dan hun belofte en vraag Allah hen te vergeven. Waarlijk, Allah is Vergevingsgezind, Genadevol. (Mumtaḥanah, 60:12)
Voorspraak (shafa`ah) voor zijn ummah
Deze verzen leggen de taak van shafāʿah, dat wil zeggen het vragen van vergeving voor de mu’mins, op aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).
Wat is dan het resultaat van shafāʿah?
Het resultaat van shafāʿah is vergiffenis.
Daarop wordt ook gewezen doordat aan het einde van deze edele verzen de Namen van Allāhu (تعالى), “al-Ghafūr” (de Meest Vergevende) en “ar-Raḥīm” (de Meest Barmhartige), worden vermeld.
Nu dit ter sprake komt, laten we ook in herinnering brengen dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dagelijks zeventig keer, en volgens een andere overlevering zelfs honderd keer istighfār deed (met de woorden “astaghfirullāh”: vergeving vragen aan Allāhu (تعالى).
Wie waren degenen die aan Abdullah ibn Sarjis (رضي الله عنه) vroegen:
“Heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) voor jou om vergeving gevraagd?”
Een mogelijkheid die naar voren komt, is dat dit de ṣaḥāba waren.
Een andere mogelijkheid is dat degenen die deze vraag stelden, de leerlingen van Abdullah ibn Sarjis waren; met andere woorden: zij behoorden tot de generatie van de Tābiʿīn, aan wie hij dit voorval op een later tijdstip vertelde.
Een andere overlevering
Er bestaat ook een andere overlevering over Abdullah ibn Sarjis en het zien van het zegel van het profeetschap:
Op een dag kwam hij bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Zij aten samen vlees en brood (of tīrīt*). Daarna deden zij wederzijds duʿā’ om vergeving voor elkaar. Vervolgens ging Abdullah ibn Sarjis achter Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) staan en zag het zegel van het profeetschap.
[Tīrīt is stukjes brood die zacht zijn gemaakt met bouillon of vleessap en vervolgens worden gegeten met vlees.]
DERDE HOOFDSTUK: HET HAAR VAN RASULULLAH (صلى الله عليه وسلم)
24ste. Hadīth
Van Anas ibn Mâlik (رضي الله عنه), hij zei: “De gezegende haren van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) reikten tot halverwege zijn oren.”
De eerste informatie over het gezegende haar van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hadden we al uit de 3e en 4e ḥadīth gehaald. De overleveraar van deze ahadith, al-Barâ ibn Âzib (رضي الله عنه), zei in de 3e ḥadīth dat het weelderige haar van Rasûlullāh van zijn hoofd tot aan de oorlel hing, en in de 4e ḥadīth dat het tot zijn schouders reikte.
Beschrijving van het haar
Bij de uitleg hiervan is eerder gezegd dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wanneer hij zijn haar liet knippen, dit op oorhoogte liet doen en daarbij het volgende is vermeld:
Wanneer het haar groeide, reikte het op een gegeven moment tot halverwege de oren.Daarna kwam het mooie haar tot aan de oorlel.En wanneer er langere tijd niet geknipt werd, bereikte het de schouderhoogte.
Degenen die het geurige haar van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op verschillende momenten en dus in verschillende lengtes zagen, beschreven hem telkens op basis van wat zij toen hadden waargenomen.
Anas ibn Mâlik (رضي الله عنه), die tien jaar in dienst was van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), zei dat de gezegende haren tot halverwege de oren van Rasûlullāh reikten. Uit deze beschrijving kan worden afgeleid dat zijn zwarte haar meestal in deze lengte was.
25ste . HadīthVan ʿĀ’ishah (رضي الله عنها), zij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en ik namen ghusl (grote wassing) met water uit dezelfde teil/kom. In die tijd reikte het haar van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tot voorbij zijn oorlel, ook al kwam het niet tot op de schouders.”
Vandaag de dag kunnen degenen die gemakkelijk in bad of onder de douche gaan niet goed begrijpen hoe men ghusl of wudû’ verrichtte uit een enkele kom water. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zijn metgezellen wasten zich eerst hun handen om wudû’ te verrichten uit het water van zo’n kom, en namen vervolgens met de handen schep na schep water om wudû’ of ghusl te verrichten.
Onze moeder ʿĀ’ishah (رضي الله عنها) heeft in een andere overlevering hun samen wassen met Rasûlullāh als volgt beschreven:
“Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en ik wasten ons uit dezelfde kom die tussen ons in stond.
Soms was hij mij voor, en dan zei ik tegen hem: ‘Laat ook wat voor mij over, laat ook wat voor mij over.’ En soms was ik hem voor, en dan zei hij tegen mij: ‘Laat ook wat voor mij over, laat ook wat voor mij over.”
26ste. Hadīth
Van Barâ bin Âzib (رضي الله عنه), hij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was van middelmatige lengte.Zijn schouders waren breed.Zijn haar dat vanaf zijn hoofd neerhing kwam tot aan de oorlellen.”
Over deze ḥadīth is al uitleg gegeven bij de 3e en 24ste ḥadīth, daarom is hier geen verdere toelichting toegevoegd.
27ste Hadīth
Van Qatādah ibn Diʿāmah as-Sadūsī, hij zei: “Ik had aan Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) gevraagd: ‘Hoe was het haar van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم)?’ Hij antwoordde mij: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was noch krullend noch volledig steil. Zijn haar kwam tot aan de oorlellen.”
Wij hebben eerder in de 1ste ḥadīth gelezen dat Rasûlullāhs (صلى الله عليه وسلم) gezegende haar niet volledig steil was, en ook niet sterk gekruld zoals het haar van bepaalde volkeren. Ook hebben wij in de 3de ḥadīth gelezen en uitgelegd dat het dikke haar van Rasûlullāhs (صلى الله عليه وسلم) van zijn hoofd richting zijn schouders groeide, tot aan de oorlellen reikte.
28ste Hadīth
Van Ummu Hānī, de dochter van zijn oom Abū Tālib) (رضي الله عنها), de oom van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), ze zei: “Op een keer kwam Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar Makkah. Op dat moment had hij zijn gezegende haar in vier vlechten samengebonden.”
In het eerste deel van deze ḥadīth wordt gesproken over een komst van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) naar Makkah. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam na zijn Emigratie (Hijrah) naar Madinah vier keer naar Makkah. Dit waren:
de eerste keer: een jaar na het Verdrag van Hudaybiyya, in het zevende jaar na de hidjrah (629), voor ʿUmrah al-qaḍā’
de tweede keer: in het achtste jaar na de hidjrah (630), voor de verovering van Makkah
de derde keer: in hetzelfde jaar, na de Slag bij Hudaybiyya, om ʿumrah te verrichten
de vierde keer: in het negende jaar na de hidjrah (631), voor de Afscheidsḥaj
Uit deze overlevering blijkt dat Ummu Hānī (رضي الله عنها) spreekt over de komst van de Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tijdens de verovering van Makkah. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ging op die dag naar het huis van Ummu Hānī, nam daar een bad en verrichtte vervolgens de salāh aḍ-ḍuḥā. Waarschijnlijk beschreef zij wat zij op dat moment had gezien.
Waarom waren zijn haar in vlechten?
De reden dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn gezegende haar in vier vlechten droeg, was waarschijnlijk om het tijdens de lange reis van Makkah naar Madinah te beschermen tegen stof en vuil. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hechtte veel waarde aan de reinheid van zijn haar en verzorgde het regelmatig met olijfolie. Dat hij direct na de verovering van Makkah naar het huis van Ummu Hānī ging om zich te wassen, toont zijn grote zorg voor reinheid en hygiëne.
29ste Hadīth
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), hij zei: “Het gezegende haar van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) reikte soms tot halverwege de oorlellen.”
Deze ḥadīth is eerder als 24ste ḥadīth overgeleverd en daar reeds toegelicht.
30ste Hadīth
Van `Abdullāh ibn `Abbās (رضي الله عنهما), hij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) liet in het begin zijn haar aan de voorkant van zijn hoofd over zijn voorhoofd vallen.
Aan de andere kant verdeelden de polytheïsten hun haar: de ene helft naar rechts en de andere helft naar links.
De mensen van het Boek lieten hun haar over hun voorhoofd hangen. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf er de voorkeur aan, in zaken waarin er geen bindend bevel van Allāhu (تعالى) was, om de gewoonte van de mensen van het Boek te volgen (om niet op de polytheïsten te lijken).
Later liet Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deze gewoonte los en begon hij zijn haar in tweeën te verdelen, waarbij hij de ene helft naar rechts en de andere helft naar links liet vallen.”
De Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was uiterst zorgvuldig om niet op de polytheïsten of de mensen van het Boek te lijken. Wanneer de mensen van het Boek, zoals de joden en christenen, zich in een bepaalde zaak onderscheidden van de polytheïstische kāfirs, gaf an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) er de voorkeur aan, om in plaats van op de polytheïstische kāfirs te lijken die hij verafschuwde, te lijken op de mensen van het Boek, omdat hij dat het minst slechte zag.
Want het was mogelijk dat hun gebruiken overblijfselen waren van eerdere anbiyā die niet waren opgeheven.
Zich onderscheiden van alle kāfirs
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) handelde ook vanuit de gedachte dat hij de mensen van het Boek dichter bij de islam kon brengen. Zijn enige maatstaf was dat er geen bindend gebod van Allāhu (تعالى) bestond in een bepaalde kwestie.
Later, na de verovering van Makkah en nadat de polytheïsten de islam hadden aanvaard en er geen polytheïsme meer in Arabië was, volgde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een andere benadering. Hij onderscheide zich van alle kāfirs, inclusief joden en christenen.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) handelde ook zo met betrekking tot zijn haarstijl. In het begin liet hij zijn haar zoals de mensen van het Boek het deden, over het voorhoofd vallen. Later, nadat de polytheïsten moslim waren geworden, nam hij een andere stijl aan en verdeelde hij zijn haar in tweeën, waarbij hij het aan beide kanten liet vallen.
Er wordt ook gezegd dat deze manier van haar verdelen gebaseerd was op openbaring. De geleerden die deze mening aanhangen baseren zich op de uitdrukking in de ḥadīth: “in zaken waarin er geen bindend bevel van Allāhu (تعالى) was”.
Waarom hij het haar in tweeën verdeelde
Sommige geleerden zeggen dat het verdelen van het haar in twee delen niet op openbaring berustte, maar dat deze stijl beter geschikt was voor de reinheid van het haar en meer geschikt om met weinig water te wassen. Daarnaast heeft hij deze gewoonte verlaten omdat het haar over het voorhoofd laten hangen kan leiden tot het imiteren van vrouwen.
Sommige metgezellen droegen hun haar zoals Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het in het begin deed, terwijl anderen het in tweeën verdeelden. Geen van hen zei tegen de ander: “jij zit fout, ik heb gelijk.” Dit toont aan dat beide manieren van haar dragen toegestaan waren.
31ste Hadīth
Van Ummu Hānī (رضي الله عنها), ze zei: “Ik heb Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gezien terwijl hij vier vlechten in zijn haar had.”
Deze ḥadīth is eerder ook overgeleverd in de 28ste ḥadīth, eveneens via Ummu Hānī (رضي الله عنها), met de volgende bewoording:
“Op een keer kwam Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar Makkah. Op dat moment had hij zijn gezegende haar in vier vlechten samengebonden.”
Haarvlechten
Op basis van deze ḥadīth hebben sommige geleerden gezegd dat ook mannen hun haar mogen vlechten. Met dit verschil: vrouwen dragen hun vlechten meestal naar achteren, terwijl mannen, om geen gelijkenis met hen te hebben, deze naar voren zouden laten vallen.
Zoals in de eerste ḥadīth van dit hoofdstuk (24ste ḥadīth) is uitgelegd, liet Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn haar soms tot halverwege de oorlellen groeien, soms tot de oorlellen zelf, en soms zelfs tot tussen de oren en de schouders. Die schone en glanzende haren groeiden soms nog langer, totdat ze zijn gezegende schouders raakten.
Nu leren wij ook dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn haar soms in vier vlechten droeg.
De overleveringen laten zien dat zijn haar varieerde afhankelijk van tijd en situatie. Wanneer hij het kort liet knippen, kwam het tot ongeveer de helft van de oren, en wanneer hij het langere tijd liet groeien, reikte het tot zijn schouders.
In de 28ste ḥadīth van Ummu Hānī (رضي الله عنها), die we eerder besproken hebben, werd ook vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) na de hidjrah vier keer naar Makkah kwam. Bij twee van deze gelegenheden verrichtte hij ʿumrah, bij één de Afscheidsḥadjdj, en liet hij zijn haar toen afscheren.
Zijn haar was gitzwart
In Tirmidhī’s Shamā’il vinden wij geen overlevering over de haarkleur van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Volgens een overlevering in al-Jāmiʿ van de Jemenitische muḥaddith Maʿmar ibn Rāshid (overl. 153 H./770 n.Chr.), een van de eerste samenstellers van hadithverzamelingen, antwoordde Abū Hurayrah (رضي الله عنه) degenen die vroegen naar de lichamelijke kenmerken van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) als volgt: “Zijn haar was gitzwart.”
Ook Abū al-Ṭufayl ʿĀmir ibn Wāthilah, de laatste overlevende metgezel, heeft een observatie over zijn haar gemaakt.
Hij zag Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) als kind van zeven jaar tijdens de verovering van Makkah. Zijn stralende gezicht en zijn gitzwarte haar maakten een onvergetelijke indruk op hem, waarna hij aan zijn moeder vroeg: “Moeder, wie is dat?” Zij antwoordde: “Mijn zoon, dat is Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).”Abū al-Ṭufayl (رضي الله عنه), die zei dat hij dit tafereel nooit had kunnen vergeten, antwoordde op de vraag: “Hoe zag zijn kleding eruit?,” dat hij zich zijn kleding helemaal niet meer kon herinneren.
Hij had een volle haardos
Hoewel hier informatie is verkregen over de vorm van het gezegende haar van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), is er geen informatie gegeven over hoe dik en vol het was. Deze informatie leren wij van Jābir ibn ‘Abdillāh (رضي الله عنهما), een van de zeven metgezellen die veel overleveringen van ahādith hebben overgeleverd. Dit weten wij uit een overlevering van Jābir ibn ʿAbdillāh (رضي الله عنهما), een van de zeven sahābah die veel ahādīth hebben overgeleverd. Toen iemand vroeg hoeveel water nodig is voor ghusl, zei hij dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) drie handscheppen water over zijn hoofd goot om zijn haar te wassen. Toen de man zei dat zijn eigen haar veel dikker en voller was en dat dit niet genoeg zou zijn, antwoordde Jābir (رضي الله عنهما): “Het was voldoende voor iemand wiens haar dikker en voller was dan dat van jou en die beter is dan jij, waarom zou het dan niet genoeg voor jou zijn?”
VIERDE HOOFDSTUK: DE HAAR- EN BAARD-VERZORGING VAN RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم)
32ste Hadīth
Van ʿĀ’ishah (رضي الله عنها), ze zei: “Ik waste het haar van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ook wanneer ik ongesteld was.”
Uitleg van de ḥadīthImām at-Tirmidhī vermeldt in dit hoofdstuk de overleveringen over het kammen van het haar van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), zijn aandacht voor haarverzorging en hoe hij zorgde dat zijn haar er verzorgd uitzag. Haarverzorging behoort immers tot reinheid, en reinheid is een pijler van de dīn.
Allāhu (تعالى) wil dat Zijn dienaren een mooie uitstraling hebben en zegt in de Qur’ān:
يَٰبَنِيٓ ءَادَمَ خُذُواْ زِينَتَكُمۡ عِندَ كُلِّ مَسۡجِدٖ وَكُلُواْ وَٱشۡرَبُواْ وَلَا تُسۡرِفُوٓاْۚ إِنَّهُۥ لَا يُحِبُّ ٱلۡمُسۡرِفِينَ ٣١
O Kinderen van Adam, kleedt jullie goed en mooi voor het gebed (en bij de rondgang van de Ka’ba). En eet en drink (wat jullie maar willen), maar verspil niet door buitensporigheid. Voorzeker, Hij houdt niet van de verkwisters. (Aʿrāf, 7:31)
Want uiterlijke reinheid weerspiegelt innerlijke reinheid.
Wie haar heeft, laat hem er zorg voor dragenRasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft met betrekking tot haarverzorging gezegd:“Wie haar heeft, laat hem zorg dragen voor zijn haar.”
Op een dag zat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in de Masjid an-Nabawī toen een man binnenkwam met verward haar en een onverzorgde baard. Alsof Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wilde dat hij na het netjes maken van zijn haar en baard zou terugkomen, gaf hij hem met zijn hand een teken: “Ga naar buiten.”
De man ging zijn haar en baard netjes maken en kwam terug. Daarna zei hij tegen de aanwezige metgezellen: “Is het beter dat iemand van jullie naar jullie toe komt alsof hij lijkt op een shayṭān met verward haar en baard, of dat hij in een nette toestand komt?”
De maat van haarverzorgingan-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft de moslims in alles gewaarschuwd voor extremen. Hij raadde aan dat het haar schoon, verzorgd en gekamd moest zijn, maar keurde overmatige obsessie met haarverzorging en het voortdurend kammen ervan af.
‘Abdullāh ibn Mughaffal (رضي الله عنه) (overl. 59/679) zei hierover: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verbood het vaak kammen van het haar; hij vond om de dag kammen passend.”
In de volgende ḥadīth zal worden vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn haar bij elke gelegenheid kamde, maar in ḥadīth 35 wordt ook duidelijk dat hij overmatige bezigheid met haarverzorging en het invetten van de baard afkeurde.
De reinheid van het lichaam van de menstruerende vrouwIn onze ḥadīth zegt de moeder van de moslims,ʿĀ’ishah (رضي الله عنها), dat ze an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn haar zelfs waste terwijl zij ongesteld was. Want het lichaam van een menstruerende vrouw is rein; zelfs haar zweet is rein.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verbleef in iʿtikāf in de Masjid an-Nabawī en stak zijn edele hoofd uit naar de kamer van ʿĀ’ishah (رضي الله عنها), waarna zij, zelfs terwijl zij ongesteld was, zijn hoofd waste.
De houding van de joden tegenover menstruerende vrouwenDe joden verbleven niet in hetzelfde huis met een menstruerende vrouw, en aten en dronken niet met haar. Toen de metgezellen dit aan an-Nabī vroegen, werd het vers 2:222 van Sūrat al-Baqarah geopenbaard. Daarin wordt vermeld dat menstruatie een toestand van ongemak is en dat men geen intieme relaties met vrouwen mag hebben totdat zij gereinigd zijn.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) legde uit dat alle omgang met menstruerende vrouwen toegestaan is, behalve geslachtsgemeenschap.
Islamitische geleerden concludeerden op basis van deze verzen en overleveringen dat er geen bezwaar is dat een menstruerende vrouw is kookt, wast, brood maakt of het water gebruikt dat door een menstruerende vrouw is aangeraakt.
33ste Hadīth
Van Anas ibn Mâlik (رضي الله عنه), hij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) oliede zijn gezegende haar vaak en kamde zijn edele baard bij elke gelegenheid. Wanneer hij olie in zijn haar deed, legde hij vaak een doek onder zijn tulband om te voorkomen dat zijn tulband geolied zou raken. Daardoor werd die doek als het ware als de kleding van een oliebrenger.”
Uitleg van de ḥadīthIn deze ḥadīth wordt vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn haar regelmatig met olie verzorgde om het goed te onderhouden. Tegelijkertijd blijkt uit een andere overlevering (zoals in ḥadīth 35) dat hij waarschuwde tegen overdrijving hierin, zodat iemand niet zijn hele tijd besteedt aan haarverzorging.
Het klaarleggen van de kamIn een overlevering over het kammen van het haar van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wordt vermeld dat wanneer hij ’s nachts ging rusten, zijn vrouwen zijn siwāk, het water voor de wuḍū’ en zijn kam klaarlegden. Wanneer hij ’s nachts wakker werd, gebruikte hij de siwāk om zijn tanden te poetsen, verrichtte wuḍū’ en kamde zijn haar.
In een andere overlevering wordt vermeld dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op de plaats waar hij ṣalāh verrichtte altijd zijn siwāk en kam bij zich had. Tijdens het kammen keek hij soms in de spiegel en hij gaf de opdracht om dit op die manier te doen.
De smeekbede bij schoonheidRasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei wanneer hij naar zijn gezicht in de spiegel keek:
“Alle lof behoort toe aan Allāh. O Allāh, zoals U mij mooi heeft geschapen, maak ook mijn karakter mooi.”
Het feit dat hij, wanneer hij olie in zijn haar deed, een doek onder zijn tulband plaatste om deze te beschermen tegen vuil, toont hoe zorgvuldig an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was in reinheid. Want omdat Allāhu (تعالى) hem heeft gezegd:
وَثِيَابَكَ فَطَهِّرْ “En reinig je kleding.” (Muddaththir, 74:4)
was Rasûlullāhs (صلى الله عليه وسلم) kleding schoner, netter en mooier dan die van iedereen.
Hij hield niet van rommeligheid en vuilOp een keer zag hij een man met verward haar en zei: “Kon deze man niets vinden om zijn haar netjes te maken?”
Op een ander moment zag hij iemand met vuile kleding en zei: “Kon deze man geen water vinden om zijn kleding te wassen?”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hechtte veel waarde aan het uiterlijk van de moslims en adviseerde hen: “Jullie gaan naar jullie moslim broeders; zet mooie zadels op jullie rijdieren, let erop dat jullie kleding mooi en schoon is, zozeer zelfs dat jullie, zoals ik die een toonbeeld van schoonheid in het gezicht ben en de aandacht van mensen trek, ook zo de aandacht trekken. Want Allāh houdt niet van een lelijk uiterlijk en van een slechte woordkeuze.”
34ste HadīthBovenkant formulier
Van ʿĀ’ishah (رضي الله عنها), ze zei: “Rasûlullah (صلى الله عليه وسلم) hield ervan om bij alles met de rechterkant te beginnen. Wanneer hij de wudū’ (kleine wassing) en de gusl (grote wassing) verrichtte, begon hij met de rechterkant; wanneer hij zijn haar en baard kamde, begon hij aan de rechterkant; en bij het aantrekken van zijn schoenen begon hij met de rechtervoet.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beperkte zich niet tot de bovengenoemde drie zaken, maar hij hield er in het algemeen van om (bij goede en zuivere handelingen) met rechts te beginnen. ʿĀ’ishah (رضي الله عنها) heeft dit als volgt verwoord: “an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hield ervan om, waar mogelijk, bij elke handeling met de rechterkant te beginnen.”
Er zijn situaties waarin de linkerhand gebruikt wordt De woorden van ʿĀ’ishah (رضي الله عنها) “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hield ervan om met bij elke handeling met de rechterkant te beginnen” slaan op alle goede en zuivere handelingen. Handelingen zoals reiniging na het toiletgebruik: istibrā (ervoor zorgen dat alle restjes urine volledig zijn verdwenen na het plassen) en istinjā (het reinigen van de intieme delen met water, of iets vergelijkbaars dat reinigt, na het plassen of ontlasten) en het snuiten van de neus deed Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) met de linkerhand. Dit is ook als Sunnah voor de ummah overgeleverd.
Eveneens werd het passend geacht om met de linker voet de moskee te verlaten en met de linker voet het toilet te betreden, evenals het uittrekken van schoenen of kleding te beginnen met de linkervoet.
In de Qur’ān worden de “Ashāb al-Maymanah” (de mensen van rechts) en de “Ashāb al-Mash’amah” (de mensen van links) genoemd, waarbij wordt vermeld dat de mensen van het Paradijs hun registratieboek aan de rechterkant zullen ontvangen, terwijl de ongelovigen en zondaren het van links of achter zullen krijgen. In andere verzen wordt ook vermeld dat het licht van de gelovige mannen en vrouwen hen van voren en van hun rechterzijde zal verlichten.
In een andere overlevering van onze moeder ʿĀ’ishah (رضي الله عنها) wordt vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn rechterhand gebruikte voor reinheid en eten, en zijn linkerhand voor reiniging na het toiletgebruik en soortgelijke handelingen.Onze moeder, Hafsa (رضي الله عنها) heeft eveneens overgeleverd dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn rechterhand gebruikte bij eten, drinken en zich aankleden, en zijn linkerhand voor andere handelingen.
Bij het aantrekken van schoenen
Zoals we in de 84ste ḥadīth zullen lezen, heeft Abû Hurayrah (رضي الله عنه) een advies van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), over het aantrekken van schoenen als volgt overgeleverd:
“Wanneer iemand van jullie zijn schoenen aantrekt, laat hem dan eerst de rechter aantrekken; en wanneer hij ze uittrekt, laat hem dan eerst de linker uittrekken. Zo wordt de rechtervoet zowel als eerste aangetrokken als als laatste uitgetrokken.”
Het belang van zaken van rechts beginnen
Uit de eerste zin van onze ḥadīth, namelijk: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hield ervan om een handeling vanaf de rechterkant te beginnen,” en uit andere verwante overleveringen wordt begrepen dat men er een gewoonte van moet maken om bij het binnengaan van de moskee of het huis, bij het aannemen en geven van iets, bij het eten en drinken, bij het tandenpoetsen en zelfs bij het knippen van de nagels, met rechts te beginnen.
In een andere overlevering van ʿĀ’ishah (رضي الله عنها) staat hierover een detail:
“Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gebruikte zijn rechterhand voor reinheid en eten, en zijn linkerhand voor het reinigen in het toilet en soortgelijke handelingen.”
35ste Hadīth
Van ʿAbdullāh ibn Mughaffal (رضي الله عنه), hij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verbood zich voortdurend bezig te houden met het kammen van het haar en het insmeren van de baard met olie; maar hij vond het wel passend dat dit af en toe gedaan werd”.
Deze ḥadīth zal samen met de volgende ḥadīth worden uitgelegd.
36ste Hadīth
Van een van de metgezellen (Ashâb-ı kirâm) zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kamde af en toe zijn haar en bracht soms olie aan in zijn haar en baard.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hechtte veel waarde aan reinheid en zorgde ervoor dat hij netjes en verzorgd was. Net zoals hij mensen waarschuwde tegen overdrijving in alle zaken, vond hij het ook niet juist dat iemand zijn tijd zou verspillen door voortdurend voor de spiegel bezig te zijn met haaren baardverzorging.
De maatstaf in haarverzorging
Het woord “ghibban” dat in de ḥadīth voorkomt, hebben we vertaald als “af en toe”. Sommige geleerden hebben uitgelegd dat dit woord “om de dag” betekent, en dat iemand die zich dagelijks intensief met zijn haar bezighoudt, eigenlijk tijd verspilt; zij beschouwden dit als een vorm van overmatige aandacht voor uiterlijk en versiering.
Sommige metgezellen hebben overgeleverd dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het dagelijks kammen en voortdurend bezig zijn met haarverzorging heeft verboden.
Volgens de tâbiʿī-muhaddith ʿAbdullāh ibn Shaqīq uit Basra (overl. 108/726) bezocht een metgezel (van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in Egypte, die daar gouverneur was, zijn vriend. Toen hij hem zag, merkte hij op dat zijn haar onverzorgd was en zei verbaasd:
“Jij bent gouverneur; waarom is je haar zo onverzorgd?”
Hij antwoordde: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft ons verboden om ons dagelijks met haarverzorging bezig te houden.”
Volgens een andere overlevering was deze gouverneur de commandant en metgezel Fadālah ibn ʿUbayd (overl. 53/673). Een metgezel die hem bezocht zei tegen hem:
“Ik ben niet gekomen om je enkel te bezoeken. Jij en ik hebben ooit een ḥadīth van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gehoord; ik ben naar je gekomen in de hoop dat jij die nog kent.”
Fadālah ibn ʿUbayd vroeg: “Welke ḥadīth bedoel je?”
Toen noemde zijn vriend de ḥadīth die hij wilde verifiëren en vroeg hem vervolgens waarom zijn haar zo onverzorgd was, zoals eerder beschreven. Daarop antwoordde hij dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het dagelijks bezig zijn met haarverzorging had verboden.
Beoordeling van deze ahadith
Sommige van onze geleerden hebben de ahadith waarin het dagelijks bezig zijn met haarverzorging wordt afgeraden als volgt uitgelegd:
“Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verbood degenen onder de metgezellen die van nature zeer steil en verzorgd haar hadden om hun haar elke dag te kammen.
Mensen met golvend, lang haar dat meer verzorging nodig heeft, vallen echter niet onder dit verbod.
Zo had Abû Qatādah al-Anṣārī (رضي الله عنه) dik en lang haar dat tot zijn schouders reikte. Hij vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wat hij daarmee moest doen. Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen hem dat hij zijn haar dagelijks moest verzorgen, schoon moest houden en moest kammen.
VIJFDE HOOFDSTUK: HET GRIJS WORDEN VAN RASULULLAHS (صلى الله عليه وسلم) HAREN
37ste Hadīth
Van Qatādah ibn Diʿāmah as-Sadûsî hij zei: “Ik had aan Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) gevraagd: ‘Heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn haar met henna geverfd?’
Hij antwoordde mij: ‘Het gezegende haar van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was niet zó grijs geworden dat het geverfd hoefde te worden. Slechts enkele haren bij de slapen waren grijs geworden. Abû Bakr (رضي الله عنه) daarentegen verfde, toen zijn haar en baard grijs werden, deze met henna en katam (een plant die vroeger in het Arabische Schiereiland, met name in Jemen, werd gebruikt als natuurlijke haarverf.)”
Aan Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), de dienaar van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), werd gevraagd of Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn haar en baard met henna of iets dergelijks had geverfd.
Hij antwoordde dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) slechts op enkele plaatsen grijs was geworden en dat dit niet in die mate was dat verven noodzakelijk was.
In de volgende ahadith van dit hoofdstuk zal worden besproken hoeveel haren van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) grijs waren geworden en op welke plaatsen van zijn hoofd deze grijze haren zich bevonden.
Met de uitdrukking “de slapen” wordt in deze ḥadīth het gebied tussen het oog en het oor bedoeld.
De voorkeur van Abû Bakr en ʿUmar (رضي الله عنهما)
Abû Bakr (رضي الله عنه) verfde zijn haar en baard met een mengsel van henna en de plant katam. Katam is een plant die in Jemen groeit en waarvan de bladeren lijken op die van de mirte.
Wit haar dat uitsluitend met henna wordt geverfd, krijgt een rode kleur.
Haar dat uitsluitend met katam wordt geverfd, krijgt een zwarte kleur.
Haar dat wordt geverfd met een mengsel van henna en katam krijgt een kastanjebruine of lichtbruine kleur.
Er wordt overgeleverd dat ʿUmar (رضي الله عنه) zijn haar en baard uitsluitend met henna verfde.
De handelwijze van Abû Bakr (رضي الله عنه) komt overeen met de volgende ḥadīth:
“De grijze haren in het haar en de baard worden het best bedekt met een mengsel van henna en katam.”
Welke kleur is het mooist?
Van ʿAbdullāh ibn `Abbās (رضي الله عنهما) leren wij welke kleur Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het meest waardeerde voor geverfd haar en een geverfde baard:
Op een dag liep er een man langs Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) die zijn haar of baard met henna had geverfd. Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Wat is dit mooi geworden!”
Vervolgens kwam er een andere man voorbij die zijn haar of baard met een mengsel van henna en katam had geverfd. Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Dit is nog mooier dan dat!”
Daarna kwam er een man voorbij die zijn haar of baard geel had geverfd.Toen zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Dit is mooier dan al die andere!”
Uit deze ḥadīth leren wij twee zaken:
Dat het verven van grijs geworden haar iets goeds en aanbevelenswaardigs is.
Welke kleuren het meest geschikt worden geacht voor het verven van haar en baard.
Uit de inhoud van de ḥadīth blijkt dat de meest aanbevolen kleur geel is. Op de tweede plaats komt de kastanjebruine of bruine kleur die ontstaat door een mengsel van henna en katam. Op de derde plaats staat de kleur die uitsluitend door henna wordt verkregen.
De gele kleur die geschikt wordt geacht voor het verven van haar en baard herinnert ons aan de koe die de Banū Isrā’īl bevolen werden te slachten. In de Nobele Qur’ān staat:
قَالُواْ ٱدۡعُ لَنَا رَبَّكَ يُبَيِّن لَّنَا مَا لَوۡنُهَاۚ قَالَ إِنَّهُۥ يَقُولُ إِنَّهَا بَقَرَةٞ صَفۡرَآءُ فَاقِعٞ لَّوۡنُهَا تَسُرُّ ٱلنَّٰظِرِينَ ٦٩
Zij zeiden: “Roep je Heer voor ons aan om duidelijkheid te krijgen over haar kleur.” Hij zei: “Hij zegt, het is een gele koe, helder van kleur, een plezier voor de eigenaars.” (Baqarah 2:69)
Mannen dienen hun haar niet zwart te verven
Hoewel de geleerden geen bezwaar zagen tegen het zwart verven van het haar door vrouwen, beschouwden zij het zwart verven van grijs geworden haar en baard door mannen als makrūh.
Waarschijnlijk baseerden zij dit oordeel op de volgende ḥadīth:
Toen de Verovering van Makkah plaatsvond, bracht Abû Bakr (رضي الله عنه) zijn vader, Abû Quḥāfah, naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Abû Quḥāfah, die tot dan toe de islam nog niet had aangenomen, werd daar moslim. Het haar en de baard van deze oude man waren zo wit als een katoenveld. Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem zag, wees hij naar zijn haar en zei: “Verander deze witte haren door ze te verven, maar vermijd absoluut de zwarte kleur!”
Het zwart verven van het haar door mannen werd alleen tijdens oorlogen toegestaan geacht, om op de vijand een indrukwekkendere en meer ontzagwekkende indruk te maken.
De beoordeling van Ṭabarānī De beroemde hadithgeleerde Al-Tabarani heeft de verschillende ahadith over het verven of niet verven van het haar als volgt beoordeeld:
“Alle ahadith die van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn overgeleverd over het verven en niet verven van grijs haar zijn authentiek en er bestaat geen enkele tegenstrijdigheid tussen hen.
Personen van wie het haar grotendeels grijs is geworden, zoals Abû Quḥāfah, werd aangeraden hun haar te verven.
Voor degenen bij wie het haar en de baard pas beginnen te vergrijzen, werd het verven niet als passend beschouwd.
De verschillende handelwijzen van de vroege moslims waren het gevolg van hun verschillende omstandigheden.
Er bestaat consensus (ijmāʿ) dat de bevelen en verboden betreffende haarverf niet duiden op een verplichting (wujûb). Daarom hebben moslims elkaar in het verleden nooit bekritiseerd met de vraag of iemand zijn haar wel of niet verfde.”
Traditie is leidend
Hierbij dient ook te worden vermeld dat sommige geleerden, zoals Qādī ʿIyāḍ, die alle overleveringen over het verven van haar en baard in aanmerking namen, hebben geadviseerd om de lokale gebruiken en gewoonten als uitgangspunt te nemen.
Als het in een bepaalde plaats gebruikelijk is om het haar en de baard te verven, dan dient men zich daarbij aan te sluiten; het afwijken van die gewoonte wordt daar als makrūh beschouwd.
Wanneer het in een gebied/land daarentegen geen gewoonte is om het haar en de baard te verven, dan wordt het juist als makrūh gezien om dit wel te doen.
Als iemands grijze haar er helder en verzorgd uitziet en moslims in die samenleving grijs/wit haar als iets moois en acceptabels beschouwt, dan is het in zo’n context niet passend om het haar te verven.
38ste Hadīth
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), hij zei: “Van het gezegende haar en de baard van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heb ik slechts veertien witte haren geteld.”
39ste Hadīth
Jābir ibn Samurah (رضي الله عنه) werd gevraagd hoeveel grijze haren Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had. Hij antwoordde: “Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn gezegende haar met olie insmeerde, waren de grijze haren niet zichtbaar. Maar wanneer hij geen olie in zijn haar had, waren de witte haren wel zichtbaar.”
Omdat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) slechts zeer weinig witte haren had, werden deze niet zichtbaar wanneer hij zijn gezegende haar met olie insmeerde. Wanneer het haar met olie werd verzorgd, werden de haren bovendien bij elkaar gehouden en over elkaar gelegd, waardoor de witte haren niet zichtbaar waren.
In de overlevering van Ṣaḥīḥ Muslim wordt toegevoegd:“Wanneer zijn haar loshing, werden zijn grijze haren zichtbaar.”
Met de uitdrukking “wanneer zijn haar loshing” wordt waarschijnlijk bedoeld: wanneer zijn haar niet geolied was. Zoals ook in deze ḥadīth wordt gezegd door Jābir ibn Samurah (رضي الله عنه): “Wanneer hij geen olie in zijn haar had, waren de witte haren zichtbaar.”
In de genoemde overlevering van Imām Muslim wordt ook vermeld dat het haar van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zeer dicht en vol was.
Deze overlevering van Jābir ibn Samurah (رضي الله عنه) zal in ḥadīth 44 opnieuw in een andere vorm terugkomen.
40ste Hadīth
Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما), hij zei: “Op het hoofd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) waren ongeveer twintig grijze haren.”
Uitleg van ḥadīth 38 en 40
In de eerste ḥadīth van ons boek hadden we gelezen dat Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) zei:
“Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar het Hiernamaals verhuisde, waren er nog niet eens twintig witte haren in zijn haar en baard.”
In ḥadīth nummer 38 zagen we opnieuw dat Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) zei:
“Ik telde slechts veertien witte haren in het gezegende haar en de baard van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).”
Uit deze overleveringen wordt het volgende afgeleid: Anas (رضي الله عنه) werd op verschillende momenten gevraagd naar de grijze haren vanRasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Soms zag en telde hij veertien witte haren, op een ander moment zeventien of achttien, en uiteindelijk zei hij dat het er ongeveer twintig waren.
In werkelijkheid is er geen echte tegenstrijdigheid tussen deze uitspraken. De reden is dat deze trouwe dienaar van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) telkens rapporteerde wat hij op verschillende momenten had waargenomen.
Zelfs werd Anas eens gevraagd of het haar van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) überhaupt wel grijs werd, waarop hij antwoordde: “Allah heeft zijn haar niet met witheid aangetast.”
41ste HadīthVan Abdullah ibn ‘`Abbās (رضي الله عنهما), hij zei: Abû Bakr (رضي الله عنه)zei tegen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “O Rasûlullāh! Ik zie tekenen van ouderdom bij u; ook uw baard is grijs geworden!”
Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Sūrat Hūd, al-Wāqi‘ah, al-Mursalāt, ‘Amma Yatasā’alūn (Sūrah an-Naba’) en Idhā ash-Shamsu Kuwwirat (Sūrah at-Takwīr) hebben mij oud gemaakt en mijn haren grijs doen worden.”
In deze vijf sūrāt, waarvan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) over heeft, die hem oud hebben gemaakt en zijn haren deden vergrijzen, worden de ontzagwekkende gebeurtenissen van de Dag der Opstanding beschreven en de rampen vermeld die vroegere volkeren hebben getroffen. Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de berichten over de Opstanding (Qiyamah) in deze sūrāt reciteerde, werden diepe sporen van verdriet en bezorgdheid zichtbaar op zijn gezegende gezicht en verschenen er grijze haren in zijn haar.
Hij vreesde niet voor zichzelf
Deze diepe droefheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was niet vanwege zijn eigen persoon. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wist immers welke geweldige gunsten Allāhu (تعالى) hem op die ontzagwekkende Dag van de Opstanding zou schenken. Hij wist dat Allāhu (تعالى) hem de grote positie van voorspraak, al-Maqām al-Maḥmūd, zou schenken; dat wanneer de mensen op de Verzamelplaats (Mahshar) vóór het begin van de afrekening in grote benauwdheid zouden verkeren, Allāhu (تعالى) hem de banier genaamd Liwā’ al-Ḥamd zou geven; en dat hij nog vele andere gunsten zou ontvangen. Want hij is an-Nabī.
De volgende āyah verkondigde hem dat hij geen enkele zonde had waarvoor hij rekenschap moest afleggen en dat hem ontelbare gunsten zouden worden geschonken:
لِّيَغۡفِرَ لَكَ ٱللَّهُ مَا تَقَدَّمَ مِن ذَنۢبِكَ وَمَا تَأَخَّرَ وَيُتِمَّ نِعۡمَتَهُۥ عَلَيۡكَ وَيَهۡدِيَكَ صِرَٰطٗا مُّسۡتَقِيمٗا ٢
Opdat Allah jouw vroegere zonden zal vergeven en ook de latere. En Hij vervolmaakt Zijn gunst aan jou en Hij leidt jou op het rechte Pad. (Fatḥ, 48:2)
Zijn zorg was zijn ummah
De grootste zorg van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was wat zijn zwakke en zondige ummah zou doen op “die Dag van de Opstanding die de kinderen grijs doet worden”. Daarom brachten de beschrijvingen van de Opstanding in deze sūrāt hem tot diep nadenken; zij drukten zwaar op hem en deden zijn haren vergrijzen.
In de ḥadīth die wij hebben gelezen, zien wij dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), terwijl hij de sūrāt opsomde die hem deden verouderen, begon met sūrah Hūd en vervolgens de andere vier sūrāt uit de Qur’ān één voor één noemde.
Een andere versie van deze ḥadīth zullen wij in de volgende ḥadīth aantreffen. Uit die volgende ḥadīth zal blijken dat de sūrāt die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deden verouderen en zijn haren deden vergrijzen, niet beperkt waren tot slechts deze vijf sūrāt.
42ste Hadīth
Van Abû Juḥayfah (رضي الله عنه), hij zei: “De metgezellen zeiden tegen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “O Rasûlullāh! Wij zien dat u ouder bent geworden.”
Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Sūrah Hūd en soortgelijke sūrāt hebben mij doen verouderen.”
Op welke sūrāt doelde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) met zijn uitspraak: “Sūrah Hūd en soortgelijke sūrāt hebben mij doen verouderen”?
In de vorige ḥadīth werden naast Sūrat Hūd ook Sūrat al-Wāqi‘ah, al-Mursalāt, an-Naba’ en at-Takwīr genoemd. In andere overleveringen van deze ḥadīth worden eveneens sūrahs al-Ḥāqqah, al-Ghāshiyah, al-Qāri‘ah, al-Ma‘ārij en al-Qamar vermeld; sūrāt waarin de ontzagwekkende gebeurtenissen van de Dag der Opstanding en de toestand van de gelukzaligen en de ongelukkigen in het Hiernamaals worden beschreven.
Wees jij en jouw ummah oprecht en standvastig!
Wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de sūrāt opsomde die hem deden verouderen, noemde hij in het bijzonder sūrah Hūd. De reden hiervoor is de 112de āyah uit Sūrat Hūd:
فَٱسۡتَقِمۡ كَمَآ أُمِرۡتَ وَمَن تَابَ مَعَكَ وَلَا تَطۡغَوۡاْۚ إِنَّهُۥ بِمَا تَعۡمَلُونَ بَصِيرٞ ١١٢
Wees standvastig, zoals jou en wie met jou berouw toont is bevolen en overtreed (Allah’s grenzen) niet. Waarlijk, Hij is Alziende van wat jullie doen.
Met andere woorden zegt deze āyah: “Jij dient eveneens oprecht en standvastig te zijn, en de mu'mins dienen eveneens oprecht en standvastig te zijn!
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wist dat hijzelf in staat zou zijn om volledig standvastig en oprecht te zijn, omdat Allāhu (تعالى) hem daartoe de kracht had gegeven. Maar hoe zouden de mu'mins daartoe in staat zijn? Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kende de zwakheid en tekortkomingen van zijn ummah op dit gebied zeer goed. Juist daarom maakte hij zich zorgen.
Hij dacht diep na over hoe zijn ummah hierin zou slagen, en daardoor werden zijn gezegende haren grijs.
Anders gezegd: de gezegende haren van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn vanwege ons vergrijsd.Nu is het onze beurt
Onze geliefde Nabī dacht gedurende zijn hele leven aan ons en vergoot tranen omwille van ons. Nu is het onze beurt. Wij behoren zijn Sunnah, zijn levenswijze, grondig te leren kennen en ons in te spannen om die tot een leidraad voor ons leven te maken. Daarom dienen wij de ahādīth van dan-Nabī (صلى الله عليه وسلم) veelvuldig te lezen, zodat wij goed leren begrijpen wat hij van ons verlangt. Wij moeten zijn bevelen hoogachten, ze tot een kroon op ons hoofd maken. Kortom, wij moeten ons inspannen om goede moslims te worden.
43ste Hadīth
Vani Abū Rimsah at-Taymī (رضي الله عنه), hij zei: “Samen met mijn zoon waren we voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verschenen.”
De zoon van Abū Rimsah beschreef zijn indruk van die dag als volgt:
“Enkele mensen wezen mij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aan (of mijn vader wees mij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aan). Zodra ik hem zag, zei ik: ‘Deze persoon is zonder twijfel an-NabieAllāh.’
Hij droeg een groen, tweedelig kledingstuk (met strepen). Zijn haar was licht grijs geworden. De kleur van zijn grijze haren had een roodachtige tint.”
Abū Rimsah was als vertegenwoordiger van zijn stam naar Madinah gekomen. Samen met zijn zoon, die Kurt of Kurayt heette, ging hij bijn Rasûl-i Ekrem (صلى الله عليه وسلم) binnen. Hij wees zijn zoon Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en vroeg: “Mijn zoon! Weet jij wie deze persoon is?”
Toen het kind zei dat hij het niet wist, zei hij: “Hij is Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).”
Omdat het kind een diepe eerbied voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had, raakte hij in grote opwinding.
Is dit jouw zoon?
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) toonde belangstelling voor Kurt. Hij liet hem op zijn knie zitten, streelde over zijn hoofd en verrichtte duʿā’ voor hem.
Dit gelukkige kind vertelde later wat hij bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had meegemaakt:
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg mijn vader: ‘Is dit jouw zoon?’
Mijn vader antwoordde: ‘Bij de Rab van de Kaʿbah, ja, hij is mijn zoon.’
Toen vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) (speels): ‘Is hij werkelijk jouw zoon?’
Mijn vader zei: ‘Ik heb geen enkele twijfel dat hij mijn zoon is.’
Ondanks dat ik zo sterk op mijn vader leek, en mijn vader zwoer dat ik zijn zoon was, glimlachte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hierom. Daarna zei hij tegen mijn vader:
‘Zeker, jouw zoon is niet verantwoordelijk voor jouw zonden en fouten; en jij bent niet verantwoordelijk voor de zonden en fouten van jouw zoon.’”
Toen Kurt, die destijds nog een klein kind was, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zag, werd hij diep geraakt. Door de majesteit en het ontzag van het profeetschap en door de diepe eerbied voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) begon hij te beven van angst.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zette hem vervolgens op zijn knie, waarschijnlijk om zijn angst weg te nemen, en stelde hem gerust.
Volgens dezelfde overleveraar droeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op dat moment een groen, gestreept tweedelig kledingstuk. Dit trok de aandacht van het kind. De Arabieren droegen namelijk meestal een tweedelig kledingstuk, vergelijkbaar met de mannen die iḥrām aantrekken tijdens de ḥajj. Het ene deel is de izār (het onderste deel rond de taille) en het andere is de ridāʾ (het bovenste deel dat men over de schouders draagt).
Groene kleding
Wij weten dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) soms kleding droeg met rode strepen en soms met groene strepen. Het kledingstuk dat in deze ḥadīth wordt genoemd, blijkt een groen geverfd kledingstuk te zijn. Ook wordt gezegd dat het niet volledig groen was, maar dat er groene strepen op zaten, waardoor het als groen werd beschreven. In sommige overleveringen wordt namelijk niet “twee kledingstukken” gezegd, maar “twee burdah” (mantel, bovenkleed of omslagdoek), en een burdah is meestal gestreept.
Zoals in de volgende āyah van de Qur’ān wordt vermeld, wordt ook gezegd dat de bewoners van het Paradijs groene kleding zullen dragen:
عَٰلِيَهُمۡ ثِيَابُ سُندُسٍ خُضۡرٞ وَإِسۡتَبۡرَقٞۖ وَحُلُّوٓاْ أَسَاوِرَ مِن فِضَّةٖ وَسَقَىٰهُمۡ رَبُّهُمۡ شَرَابٗا طَهُورًا ٢١
Hun kleding zal van fijne groene zijde en goud borduursel zijn. Zij zullen versierd worden met zilveren armbanden en hun Heer zal hen een zuivere drank geven. (Insān, 76:21)
In het Paradijs zal iedereen kleding dragen in de kleur en vorm die hij of zij wil. Wie rood wil, zal rood dragen; wie paars wil, paars; en wie groen wil, zal groene kleding dragen.
Roodachtige haren
Aan het einde van de ḥadīth vermeldt de overleveraar van deze ḥadīth, zoon van Abū Rimsah, nog iets: hij zag enkele licht grijze haren in het haar en de baard van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei dat deze een roodachtige kleur hadden.
ʿAlīyy al-Qārī zegt dat haar eerst een roodachtige tint krijgt voordat het wit wordt.
Als dat zo is, dan toont de roodheid in het haar van Rasûl-i Ekrem aan dat zijn haar net te grijs begon te worden.
In 37ste ḥadīth wordt overgeleverd door Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) dat het haar en de baard van Rasûl-i Ekrem nog niet voldoende grijs waren om te verven, behalve enkele witte haren.
Toen Abū Rimsah of zijn zoon Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bezocht, zag hij volgens een overlevering dat de Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn baard met henna had geverfd, en volgens een andere overlevering met geel.
ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما) zag ook dat an-Nabī zijn baard geel kleurde en zei zelfs dat hij de gele kleur erg mooi vond en ook zijn kleding en tulband ermee kleurde.
De opvatting dat hij niet verfdeAan de andere kant hebben veel geleerden, zoals Imām Mālik, gezegd dat an-Nabī zijn haar en baard niet verfde. Dit wordt als volgt uitgelegd:
Abdurraḥmān ibn al-Aswad ibn ʿAbdiyagūth, de neef van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), leefde in de tijd van an-Nabī maar had niet de eer om hem te ontmoeten. ʿĀʾishahh waardeerde deze persoon zeer, omdat hij ook door het volk zeer werd gerespecteerd.
Zijn haar en baard waren volledig grijs geworden. ʿĀʾishahh stuurde haar dienares naar hem en liet hem verzoeken zijn haar te verven, verwijzend naar het feit dat ook Abū Bakr dit deed.
Imām Mālik concludeerde uit deze overlevering dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn haar en baard niet verfde. Want als Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn haar en baard had geverfd, zou ʿĀʾishahh tegen Abdurraḥmān ibn al-Aswad hebben gezegd dat an-Nabī dat eerder deed dan zijn vader.
Een soortgelijke overlevering als die van Abū Rimsah zal hieronder onder hadithnummer 45 komen.
ZESDE HOOFDSTUK: HET VERVEN VAN RASULULLAHS (صلى الله عليه وسلم) HAREN
45ste Hadīth
Van Abû Rimsah at-Taymî (رضي الله عنه), hij zei: “Ik was samen met mijn zoon bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gekomen. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg mij: ‘Is dit jouw zoon?’Ik zei: ‘Ja, dit is zeker mijn zoon.’
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:‘Weet dat jouw zoon niet verantwoordelijk is voor jouw zonden en fouten, en jij niet verantwoordelijk bent voor zijn zonden en fouten.’
Abû Rimsah vervolgde: “Op dat moment zag ik een roodachtige tint in het haar van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).”
De samensteller van het boek, Imām Tirmidhī, beoordeelde deze overlevering als volgt:“Dit is de meest betrouwbare en duidelijke overlevering met betrekking tot het verven van het haar van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Want authentieke overleveringen laten zien dat het haar van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) niet zó grijs was dat het geverfd moest worden.”
Tirmidhī voegt daaraan toe: “De naam van Abû Rimsah is Rifâ’a ibn Yasribî at-Taymî.”
Uitleg van de ḥadīthIn de tijd van de jāhiliyyah (onwetendheid) werd niet alleen de dader van een misdaad verantwoordelijk gehouden, maar ook zijn vader, zoon of andere familieleden. Deze ḥadīth heft dat verkeerde idee op: een vader draagt niet de zonde van zijn zoon, en een zoon niet die van zijn vader.
Waarom stelde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deze vraag?Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stelde deze vraag om uit te leggen dat in de islam niemand verantwoordelijk is voor de zonden van een ander.
Abû Rimsah dacht vanuit de gebruiken van de jāhiliyyah en wilde de verantwoordelijkheid voor zijn zoon op zich nemen en daarom zwoer hij dat het kind van hem was.
De persoonlijke verantwoordelijkheid voor zondenRasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bevestigde dit principe door de volgende āyah te reciteren:… وَلَا تَكۡسِبُ كُلُّ نَفۡسٍ إِلَّا عَلَيۡهَاۚ وَلَا تَزِرُ وَازِرَةٞ وِزۡرَ أُخۡرَىٰۚ ……En niemand bedrijft iets of het rust op hemzelf en geen enkele drager zal een last van een ander dragen. … (An‘ām, 6:164)
Daarmee werd duidelijk gemaakt dat in de islam verantwoordelijkheid persoonlijk is en dat straf alleen de dader treft.
Dit principe weerlegt ook het christelijke idee van de “erfzonde”, waarbij Jezus (عليه السلام) de zonden van de mensheid zou hebben gedragen.
In de islam draagt niemand de zonden van een ander, behalve wanneer iemand een ander tot zonde aanzet of eraan bijdraagt. In dat geval worden beiden verantwoordelijk gehouden.
Zoals Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie in de islam een goede gewoonte introduceert, ontvangt de beloning daarvan én de beloning van degenen die hem daarin volgen, zonder dat hun beloning vermindert. En wie een slechte gewoonte introduceert, draagt zijn eigen zonde én een deel van de zonden van degenen die hem volgen, zonder dat hun zonden verminderen.” Ook wordt herinnerd aan de woorden van Hābil tegen zijn broer Qābil:
إِنِّيٓ أُرِيدُ أَن تَبُوٓأَ بِإِثۡمِي وَإِثۡمِكَ فَتَكُونَ مِنۡ أَصۡحَٰبِ ٱلنَّارِۚ وَذَٰلِكَ جَزَٰٓؤُاْ ٱلظَّٰلِمِينَ ٢٩
Waarlijk, ik wil dat je mijn zonden en jouw zonden op je neemt, zodat jij één van de bewoners van het Vuur wordt, en dat is de vergelding voor de” onrechtvaardigen.”
(Mā’idah, 5:29)
De kwestie van rood haarImām Tirmidhī heeft aan het einde van onze ḥadīth zowel deze overlevering als de andere overleveringen over dit onderwerp beoordeeld en het volgende gezegd:
De overleveraar van deze ḥadīth, Abû Rimsah, zegt dat hij een roodachtige tint in het haar van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zag. Zoals we ook in de uitleg van de 43ste ḥadīth hebben vermeld, krijgt haar voordat het grijs wordt eerst een roodachtige kleur; deze roodachtige tint wordt na verloop van tijd vervangen door wit haar.
Daarom laten de paar rode haarstrengen die Abû Rimsah op het hoofd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zag zien dat zijn haar nog niet zodanig grijs was dat het geverfd moest worden.
Tirmidhī vermeldt bovendien dat er authentieke overleveringen zijn die aangeven dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn haar niet verfde, terwijl andere overleveringen juist het tegenovergestelde vermelden. De volledige uitleg hierover komt later.
46ste Hadīth
Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), hij werd gevraagd: “Verfde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn gezegende haar?”
Hij antwoordde: “Ja, hij verfde het.”
Imām Tirmidhī zei: De ḥadīth-ḥāfiẓ Abū ‘Awānah (overl. 176 H./792 n.Chr.) heeft deze ḥadīth overgeleverd van de tābi‘īn-muḥaddith ‘Uthmān ibn ‘Abdillāh ibn Mawhab (overl. 120 H./738 n.Chr.), hij vertelde dat hij dezelfde ḥadīth had overgeleverd van Ummu Salamah (رضي الله عنها).
Een technische toelichting
Laten we nu de informatie toelichten die Imām Tirmidhī heeft gegeven over de isnād van deze ḥadīth: De ḥadīth-ḥāfiẓ Abū ‘Awānah Waḍḍāḥ ibn ‘Abdillāh al-Wāsiṭī, die deze ḥadīth heeft overgeleverd van de vierde overleveraar, ‘Uthmān ibn ‘Abdillāh ibn Mawhab, is een betrouwbare ḥadīth-ḥāfiẓ wiens overleveringen zijn opgenomen in de Kutub as-Sittah. Abū ‘Awānah was oorspronkelijk afkomstig uit Jurjān. Toen zijn familie tijdens de verovering van Jurjān in het jaar 22 H. (643 n.Chr.) krijgsgevangen werd gemaakt, werd Abū ‘Awānah als slaaf geboren. Toen zijn meester zag dat hij belangstelling had voor de studie van ḥadīth, gaf hij hem toestemming om deze kennis te verwerven. Vervolgens groeide hij uit tot een van de vooraanstaande muḥaddithūn van zijn tijd.
Een opmerkelijke gebeurtenis rond zijn vrijlating
De vrijlating van Abū ‘Awānah uit de slavernij kent een opmerkelijk verhaal:
Abū ‘Awānah werkte in de stoffenwinkel van zijn meester. Op een dag vroeg een arme man zijn meester om financiële hulp, maar deze schonk er geen aandacht aan. Abū ‘Awānah kreeg medelijden met de arme man en gaf hem twee dirham als ṣadaqah.
De arme man zei tegen hem: “Ik zal jou ook een goede daad bewijzen.”
Daarna vertrok hij en ging langs de vooraanstaande personen van de stad om het nieuws te verspreiden dat de geleerde slaaf Abū ‘Awānah door zijn meester was vrijgelaten.
De bekende persoonlijkheden van de stad bezochten daarop zijn meester en begonnen hem te feliciteren met deze mooie daad. Omdat de man niet in staat was te zeggen dat dit bericht onwaar was, zag hij zich genoodzaakt Abū ‘Awānah daadwerkelijk vrij te laten.
De andere ṣaḥābiyyah-overleveraar van deze ḥadīth is Ummu Salamah (رضي الله عنها) (overl. 62 H./681 n.Chr.), wier naam Hind bint Abī Umayyah al-Qurashiyyah was. Haar afstamming komt samen met die van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bij hun zevende voorvader Murrah.
Onze moeder Ummu Salamah (رضي الله عنها) behoorde tot de twaalfde persoon die de Islām omarmde. Toen haar echtgenoot Abū Salamah (رضي الله عنه) overleed doordat een verwonding die hij tijdens de Slag van Uḥud had opgelopen opnieuw opspeelde, bleef zij als weduwe achter met haar vele kinderen. Daarna huwde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) haar en nam haar onder zijn bescherming.
Ummu Salamah (رضي الله عنها) beschikte over treffende en juiste inzichten met betrekking tot verschillende gebeurtenissen. Daarom maakte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), van tijd tot tijd gebruik van haar adviezen en inzichten.
Van alle echtgenotes van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was Ummu Salamah (رضي الله عنها) degene die het laatst overleed. Toen het bericht haar bereikte dat Ḥusayn (رضي الله عنه) als martelaar was gevallen in Karbalā’ (61 H./681 n.Chr.), viel zij flauw vanwege het diepe verdriet dat haar overviel.
Onder de echtgenotes van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was Ummu Salamah (رضي الله عنها), na ‘Ā’ishah (رضي الله عنها), degene die de meeste aḥādīth heeft overgeleverd. Zij heeft 378 aḥādīth overgeleverd. Daarnaast behoorde Ummu Salamah (رضي الله عنها) tot de ongeveer dertig ṣaḥābah die de Qur’ān volledig uit het hoofd kenden (ḥuffāẓ enkelvoud ḥāfiẓ).
Niet alleen Abū Hurayrah (رضي الله عنه), maar ook onze moeder Ummu Salamah (رضي الله عنها) heeft bericht dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn haar verfde.
Dit bericht luidt als volgt: Volgens een overlevering in Ṣaḥīḥ al-Bukhārī bezocht de betrouwbare tābi‘īn-muḥaddith ‘Uthmān ibn ‘Abdillāh ibn Mawhab op een dag Ummu Salamah (رضي الله عنها). Onze moeder Ummu Salamah (رضي الله عنها) haalde toen een roodkleurige haarlok van het geverfde haar van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tevoorschijn en liet deze zien aan hem en aan de anderen die daar aanwezig waren.
De gezegende baard die in water werd gedompeld
‘Uthmān ibn ‘Abdillāh ibn Mawhab heeft nog een andere opmerkelijke gebeurtenis overgeleverd. Zijn familie gaf hem eens een beker gevuld met water en stuurde hem daarmee naar Ummu Salamah (رضي الله عنها).
Wanneer iemand getroffen werd door een aandoening zoals het boze oog, stuurde men een beker met water naar onze moeder Ummu Salamah (رضي الله عنها). Zij haalde dan een klein zilveren (of met zilver bekleed) houdertje tevoorschijn, ongeveer ter grootte van drie vingers, waarin zich enkele haren van de baard van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bevonden. Vervolgens dompelde zij deze baardharen in het meegebrachte water. Daarna liet men de zieke dat water drinken, dat gezegend (barakah) was geworden door het aanraken van de gezegende baard van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).
‘Uthmān ibn ‘Abdillāh ibn Mawhab vertelde dat de baardharen die zich in dat zilveren houdertje bevonden rood van kleur waren.
Volgens de overleveringen in Sunan Ibn Mājah en de Musnad van Aḥmad ibn Ḥanbal was het haar van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), dat door Ummu Salamah (رضي الله عنها) werd getoond, geverfd met henna en katam.
Hoewel in deze ḥadīth wordt vermeld dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn haar verfde, bestaan er ook verschillende aḥādīth waarin wordt vermeld dat hij zijn haar niet verfde.
Uit deze overleveringen kan worden afgeleid dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), in zijn eerdere levensperiode zijn haar, zij het slechts zelden, verfde, maar daar later van afzag.
Hoewel in deze ḥadīth wordt vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn haar verfde, zal de achtergrond van deze haarkleuring en meer uitgebreide informatie hierover worden behandeld in de uitleg van de 48ste ḥadīth.
47ste Hadīth
Van Jahdamah (رضي الله عنها), de echtgenote van één van de ṣaḥābah Bashīr ibn al-Khaṣāṣiyyah (رضي الله عنه), zij vertelde: “Op een dag zag ik Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn huis verlaten. Hij had de ghusl verricht en veegde met zijn hand het water weg dat van zijn gezegende hoofd droop. Op zijn hoofd bevonden zich resten van henna (of sporen van hennaverf).”
Volgens Tirmidhī twijfelde zijn leraar Ibrāhīm ibn Hārūn bij het overleveren van hetgeen Jahdamah (رضي الله عنها) had gezien. Hij wist niet zeker of zij had gezegd: “Op het hoofd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bevonden zich resten van henna,” of: “Op zijn hoofd bevonden zich sporen van hennaverf.”
In deze ḥadīth vertelt Jahdamah (رضي الله عنها) dat zij op het hoofd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) resten van henna (of sporen van hennaverf) heeft gezien.
Ook Abū Rimthah (رضي الله عنه) beschreef een situatie waarin hij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zag. Hij vertelde dat diens gezegende haren tot aan de oorlellen reikten en dat er op zijn haar sporen van henna zichtbaar waren.
Soms bracht an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) een ruime hoeveelheid aangename geurstoffen aan op zijn gezegende hoofd. Daarom hebben sommige geleerden gezegd dat hetgeen Jahdamah (رضي الله عنها) zag mogelijk de sporen waren van de geurstof die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), op zijn hoofd had aangebracht.
Uitgebreidere informatie over de vraag of an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn haar wel of niet verfde, zal in de volgende ḥadīth worden besproken.
48ste hadith
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), hij zei: “Ik heb Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gezien met geverfd haar.”
Een van de overleveraars van deze ḥadīth, Ḥammād ibn Salamah ibn Dīnār (overl. 167 H./784 n.Chr.), vertelde dat hij deze ḥadīth van twee personen heeft overgeleverd.
De eerste was de tābi‘īn-muḥaddith en ḥadīth-ḥāfiẓ Ḥumayd aṭ-Ṭawīl (overl. 143 H./760 n.Chr.), van wie hij de overlevering heeft ontvangen in de vorm zoals hierboven vermeld.
De tweede was de tābi‘īn-muḥaddith ‘Abdullāh ibn Muḥammad ibn ‘Aqīl (overl. 142 H./759 n.Chr.), een kleinzoon van ‘Aqīl, de zoon van ‘Alī (رضي الله عنه). Deze vertelde:
“Ik heb (enkele) geverfde haren van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), die zich bij Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) bevonden, gezien.”
In deze ḥadīth hebben wij gelezen dat enkele geverfde haren van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zich bevonden bij Anas ibn Mālik (رضي الله عنه).
Ook lazen wij in de 46ste ḥadīth dat onze moeder Ummu Salamah (رضي الله عنها) aan degenen die haar kwamen bezoeken (een plukje roodkleurig) geverfde haar van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), liet zien.
Deze twee overleveringen wekken de indruk dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn haar heeft geverfd.
Toch wordt er van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) ook het tegenovergestelde overgeleverd, namelijk dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn haar niet heeft geverfd.
De overlevering dat hij zijn haar niet verfde
Laten we deze aḥādīth kort bekijken:
Zoals wij in de 37ste ḥadīth hebben gelezen, werd aan Anas (رضي الله عنه) gevraagd:
“Heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn haar met henna geverfd?”
Hij antwoordde dat de gezegende haren van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nog niet zodanig grijs waren geworden dat verven noodzakelijk was. Slechts enkele haren bij de zijkanten van zijn gezegende baard waren wit geworden.
Bij een andere gelegenheid werd aan Anas (رضي الله عنه) gevraagd: “Verfde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn haar?”
Hij antwoordde dat het aantal grijze haren op het hoofd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zo gering was dat hij ze desgewenst had kunnen tellen. Vervolgens zei hij: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft zijn haar niet geverfd.”
Hoe kreeg zijn haar een rode kleur?
De geleerden hebben de volgende verklaringen gegeven om deze overleveringen, die op het eerste gezicht tegenstrijdig lijken, met elkaar te verzoenen:
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hield veel van aangename geurstoffen en bracht daarom bij elke gelegenheid parfum aan op zijn haar en baard. In die tijd gebruikte men een geelgekleurde geurstof. Wanneer deze in ruime hoeveelheid op het haar en de baard werd aangebracht, gaf zij het haar een roodachtige kleur.
De roodkleurige haren van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), die zich bij Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) bevonden, hadden deze kleur dus niet gekregen doordat zij met henna waren geverfd, maar doordat er veel geurstof op was aangebracht.
Volgens een overlevering in Ṣaḥīḥ al-Bukhārī zei Rabī‘ah ibn Abī ‘Abdir-Raḥmān (overl. 136 H./753 n.Chr.), een betrouwbare muḥaddith uit Madīnah en tevens een leerling van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), die ook bekend stond als Rabī‘at ar-Ra’y:
“Ik zag een roodachtige kleur in het haar van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Toen ik vroeg wat daarvan de oorzaak was, werd mij verteld dat zijn haar deze kleur had gekregen door de geurstof die hij gebruikte.”
Deze overlevering toont aan dat de roodachtige kleur in het haar van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), niet het gevolg was van het verven van zijn haar, maar van het gebruik van geurstoffen.
Volgens een overlevering van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) hebben degenen die na het overlijden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) enkele van zijn gezegende haren als herinnering bewaarden, deze rood geverfd om ze tegen de tand des tijds te beschermen.
‘Alī al-Qārī vermeldt bovendien dat afgeknipte haren na verloop van lange tijd vanzelf een roodachtige kleur kunnen aannemen.
Samenvattend kunnen we zeggen dat de overlevering van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), waarin hij verklaart dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn haar niet verfde en dat zijn gezegende haren niet voldoende grijs waren geworden om verven noodzakelijk te maken, voorkomt in de meest betrouwbare ḥadīth-verzamelingen. Deze overlevering vormt daarom de belangrijkste basis voor dit onderwerp.
De geverfde haren die Anas bewaarde
Aan het einde van deze ḥadīth lezen wij dat ‘Abdullāh ibn Muḥammad ibn ‘Aqīl, een kleinzoon van ‘Alī (رضي الله عنه), enkele geverfde haren van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezien die door Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) werden bewaard.
Deze overlevering dient te worden begrepen in het licht van de bovenstaande informatie. De geverfde haren die Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) als herinnering bewaarde, waren waarschijnlijk de haren die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) aan zijn moeder Ummu Sulaym (رضي الله عنها) of aan zijn stiefvader Abū Ṭalḥah (رضي الله عنه) had gegeven. Zij zouden deze haren vervolgens hebben geverfd om ze beter te bewaren.
Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) zag deze haren later en vertelde daarom dat zij geverfd waren.
Imām Māliks beoordeling van deze kwestie
De beoordeling van Imām Mālik met betrekking tot deze kwestie is van groot belang. Deze beroemde ḥadīthgeleerde vermeldt in zijn werk al-Muwaṭṭa’, een van de vroegste ḥadīthverzamelingen, eerst de volgende overlevering:
‘Ā’ishah (رضي الله عنها) stuurde haar dienares naar ‘Abdur-Raḥmān ibn al-Aswad ibn Yaghūth, een tābi‘ī van wie het haar en de baard grijs waren geworden. Zij adviseerde hem nadrukkelijk zijn haar te verven en verwees daarbij naar het voorbeeld van haar vader, Abū Bakr (رضي الله عنه), die zijn haar verfde.
Imām Mālik gaf vervolgens de volgende beoordeling:
“Het is niet bezwaarlijk als men zijn haar niet verft. Het verven van het haar is niet verplicht. Deze overlevering van ‘Ā’ishah (رضي الله عنها) toont aan dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn haar niet verfde. Als Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn haar had geverfd, dan zou ‘Ā’ishah (رضي الله عنها) voor ‘Abdur-Raḥmān ibn al-Aswad niet het voorbeeld van Abū Bakr (رضي الله عنه) hebben genoemd, maar dat van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).”
Wat moet de Ummah van Muḥammad doen?
Omdat niet met zekerheid vaststaat of Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn haar wel of niet verfde, hebben de geleerden hierover verschillende opvattingen naar voren gebracht.
Allereerst dient te worden vermeld dat er onder de geleerden geen meningsverschil bestaat over de toelaatbaarheid van het verven van het haar door vrouwen. Het verschil van mening betreft uitsluitend de vraag of mannen hun haar mogen verven.
Een van de aḥādīth waarop de geleerden zich baseren die het verven van het haar door mannen aanbevelen, luidt: “De Joden en de Christenen verven hun haar en baard niet; handel daarom anders dan zij.”
De geleerden hebben uitgelegd dat dit bevel niet duidt op een verplichte (farḍ of wājib) handeling, maar op iets dat aanbevolen en wenselijk is (mandūb).
Wanneer het in een bepaald land als vreemd of ongepast wordt beschouwd dat mannen hun haar of baard verven, en men van iemand die dat doet zegt dat hij de jeugd probeert na te bootsen of zich jonger wil voordoen dan hij is, dan dient men daar het haar niet te verven.
Een van de aḥādīth waarop degenen zich baseren die het verven van het haar door mannen niet aanbevelen, luidt:
“Wanneer iemands baard grijs wordt in de Islām, dan zal dat grijze haar voor hem op de Dag der Opstanding een licht zijn.”
Om deze reden keurde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het niet goed om grijze haren uit te trekken of uit te plukken.
49ste Hadith
Van `Abdullah ibn `Abbās (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Breng ithmid (een specifieke, hoogwaardige minerale variant van kohl) aan in jullie ogen, want ithmid geeft het oog helderheid en zorgt ervoor dat de wimpers sterker en voller groeien.”
`Abdullah ibn `Abbās vervolgde: “an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had een kuḥl-doos. Elke nacht, voordat hij ging slapen, bracht hij daaruit drie keer kuḥl aan in zijn rechteroog en drie keer in zijn linkeroog.”
Deze ḥadīth zal samen met de 53e ḥadīth worden toegelicht.
50ste Hadith
Van `Abdullah ibn `Abbās (رضي الله عنهما), hij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bracht elke nacht voordat hij ging slapen drie keer kuḥl met ithmid aan in beide ogen.”
Een van de overleveraars van deze ḥadīth, Yazīd ibn Hārûn, vertelde na het overbrengen van de woorden van Ibn ‘`Abbās het volgende: “an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had een kuḥl-doos. Elke nacht voordat hij ging slapen bracht hij daaruit driemaal kuḥl aan in beide ogen.”
51ste Hadith
Van Jābir ibn `Abdullah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer jullie naar bed gaan, adviseer ik jullie om kuḥl met ithmid in jullie ogen aan te brengen; want het geeft het oog helderheid en helpt de wimpers voller te groeien.”
52ste Hadith
Van `Abdullah ibn `Abbās (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De beste kuḥl voor het beschermen van de gezondheid van de ogen is ithmid. Want kuḥl met ithmid geeft het oog helderheid en zorgt ervoor dat de wimpers voller groeien.”
53ste Hadith
Van Abdullah ibn Umar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik adviseer jullie om kuḥl met ithmid in jullie ogen aan te brengen, want kuḥl met ithmid geeft het oog helderheid en zorgt ervoor dat de wimpers voller groeien.”
Uitleg van de aḥadīth (49–53)
Rasûlullāhs (صلى الله عليه وسلم), ogen zijn prachtig van nature met kuḥl versierd’. Hij gebruikte zelf de steen genaamd ithmid en adviseerde zijn ṣaḥābah (رضي الله عنهم) om dit eveneens te doen.
Wat is ithmid?
Ismid is een zwarte steen met een lichte roodachtige tint die veel voorkomt in de regio al-Ḥijāz. Er wordt vermeld dat de beste kwaliteit ithmid uit Iṣfahān komt en daarom ook wel “Iṣfahān-kuḥl” wordt genoemd.
Van ithmid wordt gezegd dat het: overmatige tranenvloed vermindert, oogontstekingen kan helpen genezen, de wimpers en oogzenuwen versterkt, de gezondheid van de ogen beschermt, het oog helderheid geeft, helpt om vreemde deeltjes uit het oog te verwijderen en zowel voor kinderen als ouderen nuttig is.
Wanneer kuḥl ’s nachts voor het slapen wordt aangebracht, blijven de ogen beter beschermd tijdens de slaap, waardoor het effect van de kuḥl beter inwerkt.
Kuḥl werd bewaard in speciale houders van hout, bot, goud of zilver. Deze werden “kuḥl-doos” of “kuḥl-houder” genoemd.
Hoe bracht hij kuḥl aan?
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), nam kuḥl uit zijn kuḥl-doos en bracht dit eerst drie keer aan in zijn rechteroog en vervolgens op dezelfde manier in zijn linkeroog.
Het driemaal aanbrengen hangt samen met zijn gewoonte om handelingen in oneven aantallen te verrichten. Hij zei hierover: “Allah is Eén en Hij houdt van het oneven.”
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft hierover de volgende verduidelijking gegeven:: “Wie kuḥl aanbrengt in zijn ogen, laat dit in een oneven aantal doen. Als hij dat doet, is dat goed. Doet hij het niet zo, dan is er geen zonde.”
Eén enkele keer kuḥl aanbrengen levert niet altijd het volledige effect op, daarom wordt drie keer aanbrengen aanbevolen.
Zelfs tijdens reizen liet an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het niet na om kuḥl te gebruiken. Hiermee wordt duidelijk dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) preventieve zorg en het voorkomen van ziekte belangrijk vond.
Wat zat er in de mand?
Onder de geschenken die de gouverneur van Egypte, Muqawqis, samen met Māriyah aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) stuurde, bevond zich ook een mand uit Alexandrië.
In deze mand zaten een spiegel, een ivoren kam, een kuḥl-doos, een schaar en een siwāk.
Hier kan de vraag worden gesteld waarom Imām Tirmidhī met betrekking tot het gebruik van kuḥl met ithmid voor de ogen niet volstaat met één enkele ḥadīth, maar hetzelfde onderwerp via drie verschillende ṣaḥābah overlevert: namelijk via Abdullah ibn Abbas, Jabir ibn Abdullah en Abdullah ibn Umar (رضي الله عنهم), elk met een aparte isnād.
Dit deed hij omdat de betreffende overlevering, vanwege enkele zwakke overleveraars in de keten, mogelijk bekritiseerd kon worden. Door dezelfde ḥadīth via drie verschillende ṣaḥābah en drie onafhankelijke ketens te brengen, versterkte hij deze overlevering en bevestigde hij de betrouwbaarheid van de boodschap van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
ACHTSTE HOOFDSTUK: DE KLEDING EN UITRUSTING VAN RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم)
54ste Hadith
Van onze moeder Ummu Salamah (رضي الله عنها), ze zei: “De kleding die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het meest geliefd was, was het hemd (qamīṣ).”
55ste Hadith
Van onze moeder Ummu Salamah (رضي الله عنها) overleverde via een andere keten:
Zij zei: “De kleding die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het meest geliefd was, was het hemd (qamīṣ).”
56ste Hadith
Van Ummu Salamah (رضي الله عنها), via een derde overleveringsketen: Zij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hield er het meest van om een hemd (qamīṣ) te dragen.”
Technische toelichting
Imām Tirmidhī geeft aan het einde van deze ḥadīth een technische uitleg over de overleveringsketen:
“Mijn leraar Ziyād ibn Ayyūb overleverde deze ḥadīth, waarbij hij van zijn leraar Abd al-Mu’min ibn Khālid overleverde dat deze zei: ‘Ik heb deze ḥadīth geleerd van de tābi‘ī-ḥadīthgeleerde ‘Abdullāh ibn Buraydah; hij hoorde het van zijn moeder, en zijn moeder hoorde het van Umm Salamah (رضي الله عنها).’
Andere ḥadīthgeleerden hebben deze overlevering ook overgeleverd met de toevoeging ‘an ummihī’ (van zijn moeder), net zoals de leraar van Ziyād ibn Ayyūb, Abū Tumaylah. En dat is de juiste versie.”
(Het verschil tussen de 56ste en de 54ste –55ste overleveringen is dat in de de 54ste –55ste wordt vermeld dat ‘Abdullāh ibn Buraydah deze ḥadīth direct van Ummu Salamah hoorde, zonder zijn moeder te noemen. In deze versie wordt juist vermeld dat hij het via zijn moeder hoorde, en zijn moeder het rechtstreeks van Ummu Salamah leerde.)
Uitleg van 54–56ste aḥadīth
Imām Tirmidhī heeft hier een ḥadīth met vrijwel identieke tekst via drie verschillende ketens overgeleverd. Ḥadīthgeleerden beschouwen een ḥadīth met meerdere ketens als meerdere overleveringen, zelfs als de tekst gelijk is.
De reden hiervoor is dat zij willen onderzoeken of kleine verschillen of toevoegingen in de overlevering (zoals één extra woord of een ontbrekend woord) invloed hebben op de betrouwbaarheid van de ḥadīth. Hier wilde Tirmidhī aantonen dat de toevoeging “yalbasuhū (hij droeg het)” die in de 56e ḥadīth voorkomt en niet in de twee eerdere overleveringen, correct en terecht is overgeleverd.
Zijn meest geliefde kleding
Nu komen we bij ons hoofdonderwerp: De Arabieren droegen meestal kleding die uit twee delen bestond, zoals de pelgrims in iḥrām. Het kledingstuk dat zij voor het onderlichaam gebruikten werd “izār” genoemd, en het kledingstuk dat de schouders bedekte “ridā’”. Daarnaast droegen zij ook een hemd (qamīṣ), meestal gemaakt van katoen of linnen, met twee mouwen.
Omdat het één geheel vormde en het lichaam beter bedekte dan kleding uit twee delen, hield Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) van het dragen van een hemd.
Aangezien het hemd onder de bovenkleding werd gedragen, werd het meestal niet van wol gemaakt. Een wollen hemd zou in warme gebieden meer transpiratie veroorzaken, ongemak geven en een onaangename geur kunnen veroorzaken.
Een andere reden waarom an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) van het hemd hield, was dat het licht, eenvoudig en goedkoop was, waardoor het geen aanleiding gaf tot hoogmoed of trots bij degene die het droeg.
Hier dient ook een overlevering vermeld te worden: volgens Aisha bint Abi Bakr (رضي الله عنها) had Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in zijn huis nooit twee exemplaren van hetzelfde ding; daarom had hij ook slechts één hemd.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) droeg soms een hemd waarvan de mouwen tot de polsen reikten, en soms een hemd waarvan de mouwen tot de vingertoppen reikten.
Soms droeg onze geliefde Nabī ook een mantel (ḥirqah). Deze werd vooral tijdens reizen gedragen, omdat deze nauwere mouwen had en beter bescherming bood tegen de kou.
57ste Hadith
Van Asma bint Yazid (رضي الله عنها), ze zei: “De mouw van het hemd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) reikte tot aan zijn pols.”
Een mouw die langer is dan de pols maakt het dragen, bewegen en het vastpakken van dingen moeilijk. Daarom is de meest geschikte lengte dat de mouw de pols niet overschrijdt.
Aan de andere kant wordt een te korte mouw die de pols niet bedekt als onpraktisch gezien, omdat deze de pols niet beschermt tegen zon en kou.
Daarom is de Sunnah in kleding dat de mouw van het hemd niet voorbij de pols reikt.
Bij bovenkleding zoals een mantel (jubbah) is het volgens de Sunnah dat de mouw niet voorbij de vingertoppen komt.
Wat hier vooral opvalt, is hoe nauwkeurig de ṣaḥābah elk detail van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) observeerden. Omdat Allah Zijn geliefde boodschapper als voorbeeld voor de gelovigen heeft gestuurd, hebben de gelovigen recht om alles over hem te kennen. Dankzij ṣaḥābah hebben wij deze kennis ontvangen. Daarom zijn wij de nobele ṣaḥābah veel verschuldigd. رضي الله عنهم: Moge Allah tevreden met hen zijn.
58ste Hadith
Van Muawiyah ibn Qurra, van zijn vader Qurra ibn Iyas (رضي الله عنه), hij zei:
“Met een groep uit de stam Muzaynah kwam ik naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) om de eed van trouw (bay‘ah) af te leggen. Omdat de kraag van zijn hemd niet was dichtgeknoopt in een andere overlevering: omdat de kraag niet dichtgeknoopt was), stak ik mijn hand door zijn kraag en raakte ik het zegel van het profeetschap aan.”
Qurrah ibn Iyās kwam samen met zijn stamgenoten naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), terwijl hij nog een jong kind was. Hij had waarschijnlijk al iets gehoord over het zegel van het profeetschap op de rug van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), waardoor hij zijn hand door de opening van zijn hemd stak om het zegel aan te raken.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم), die een toonbeeld van nederigheid was, verhinderde dit niet. Integendeel, hij streek over zijn hoofd en verrichtte du`ā’ voor hem.
Volgens een andere overlevering vroeg Qurrah ibn Iyās aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم):
“Laat mij het zegel van het profeetschap zien.”
Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hem toestemming gaf, stak hij zijn hand door de kraag van zijn hemd en raakte hij het zegel aan.
Het is niet bekend of hij dit deed omdat sommigen hem hadden gezegd dat het aanraken van het zegel zegen (barakah) brengt, of omdat hij uit nieuwsgierigheid de vorm en grootte ervan wilde zien.
Gezamenlijk deden ze de kraag van hun overhemd niet dicht.
Deze ḥadīth die wij hebben geleerd van de tābiʿī-muḥaddith Muawiyah ibn Qurrah wordt ook doorgegeven door `Urwah ibn `Abdullah, die vertelt een mooi voorbeeld van de gehechtheid aan de Sunnah die in het gezin van zijn leraar in praktijk werd gebracht:
De ṣaḥābī-rāwī (overleveraar) van onze ḥadīth, Qurrah ibn Iyas (رضي الله عنه), had gezien dat de kraag van het hemd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) niet was dichtgeknoopt. Zowel hijzelf, zijn zoon Muawiyah ibn Qurrah, als zijn kleinzoon Iyās ibn Muʿāwiyah, die later rechter (qāḍī) van Baṣrah werd, hielden deze Sunnah vervolgens als een soort familie-Sunnah aan. Zowel in de zomer als in de winter droegen zij hun hemden zonder de kraag dicht te maken, gebaseerd op wat hun voorvader had gezien van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
In werkelijkheid was de kraag van het hemd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) meestal wel gesloten. Wat Qurrah ibn Iyas zag, kan een moment zijn geweest waarop hij door warmte of een andere reden zijn kraag niet gesloten had.
Aan het zegel van het profeetschap dat Qurrah ibn Iyas had aangeraakt, hebben ook andere ṣaḥābah hun hand opgelegd.
Voor meer details hierover wordt verwezen naar het hoofdstuk over “het zegel van het profeetschap van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم)”.
Aan wie komt de voorzichtige formulering in de hadith toe?
Nu zullen we de uitdrukking “volgens een andere overlevering”, die wij gebruikten om de twijfel over het al dan niet dichtgeknoopt zijn van de kraag van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) aan te geven, verder toelichten.
De leraar van Imām Tirmidhī, Abū ‘Ammār, had bij het overleveren van deze ḥadīth enige twijfel. Hij kon zich niet met zekerheid herinneren of zijn leraar Abū Nu‘aym zei dat “de kraag van het hemd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) geen knopen had”, of dat hij zei dat “de knopen niet vastgemaakt waren”.
Volgens een andere mening is deze twijfel niet van Abū ‘Ammār, maar van Muawiyah ibn Qurrah zelf, de zoon van de sahabī Qurrah ibn Iyās (رضي الله عنه). Hij zou hebben vermeld dat hij niet zeker wist hoe zijn vader dit detail precies had overgeleverd.
In sommige andere overleveringen wordt ook vermeld dat de hemden vanan-Nabī (صلى الله عليه وسلم) soms geen knopen hadden.
59ste Hadith
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), hij zei: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was ziek geworden. Hij kwam naar buiten uit zijn huis, leunend op Usāma ibn Zayd (رضي الله عنهما), en kwam naar al-Masjid an-Nabawī. Op dat moment droeg hij een kledingstuk dat “thawb al-qitrī” wordt genoemd (een in Qatar vervaardigde mantel), dat hij over zijn schouder had geslagen en zich ermee had bedekt. In die toestand leidde hij de ṣalāh voor de gemeenschap.
Imām at-Tirmidhī zegt: Mijn leraar, de ḥadīth-hafiz ‘Abd ibn Ḥumayd (overl. 249/863), zei tegen mij: Mijn leraar (de onder de naam Ārim bekende) Muḥammad ibn Faḍl (overl. 224/838) zei tegen mij: De beroemde ḥadīth-hafiz en criticus Yaḥyā ibn Ma‘īn (overl. 233/847) vroeg mij tijdens onze eerste ontmoeting van wie ik deze ḥadīth had gehoord. Ik zei tegen hem dat ik deze had gehoord van (de geleerde in ḥadīth en fiqh) Ḥammād ibn Salama (overl. 167/784). Daarop zei Yaḥyā ibn Ma‘īn: “Had je deze ḥadīth maar uit zijn eigen boek aan mij laten opschrijven (dat zou betrouwbaarder zijn geweest).”
Toen ik vervolgens opstond om mijn boek uit huis te halen zodat ik de ḥadīth daaruit kon voorlezen, pakte Yaḥyā mijn kleding vast en verhinderde mij om op te staan, en hij zei tegen mij: “Schrijf de ḥadīth voor mij uit je geheugen op; ik ben bang dat ik jou niet nog eens zal zien.”
Daarop liet ik hem eerst de ḥadīth uit mijn geheugen opschrijven; daarna haalde ik mijn boek en las het daaruit voor, precies zoals ik het eerder had opgeschreven.
De auteur van ons boek, Imām at-Tirmidhī, heeft na het overleveren van deze ḥadīth bovenstaande informatie gegeven om de betrouwbaarheid van de overleveringsketen te tonen. Deze overlevering laat de nauwkeurigheid van de muḥaddithūn in de overdracht van ḥadīth zien en het grote belang dat zij hechtten aan het leren van ḥadīth.
De liefde voor het leren van ḥadīth
De beroemde ḥadīthen fiqh-geleerde, en goede vriend van Aḥmad ibn Ḥanbal, Yaḥyā ibn Ma‘īn, is een van de belangrijkste figuren in de geschiedenis van de ḥadīthwetenschap.
De uitspraak van Aḥmad ibn Ḥanbal: “Een ḥadīth die Yaḥyā niet kent, is geen ḥadīth” is voldoende om zijn positie in de ḥadīthwetenschap te tonen.
Yaḥyā wilde deze ḥadīth leren van Muḥammad ibn Faḍl. Hoewel hij wist dat diens geheugen sterk was, vond hij het toch betrouwbaarder dat de ḥadīth rechtstreeks uit diens eigen geschreven boek werd voorgelezen en opgeschreven. Toen Muḥammad ibn Faḍl zijn boek ging halen, werd hij bang dat hij misschien zou sterven voordat hij de ḥadīth van hem had geleerd, of dat de ander zou sterven, en daarom vroeg hij hem dringend om de ḥadīth uit zijn geheugen te dicteren.
Deze situatie toont de grote ijver en nauwkeurigheid van de muḥaddithūn in het leren van ḥadīth. Vervolgens laat het brengen van het boek van Muḥammad ibn Faḍl, waarin de overleveringen stonden die hij van zijn leraren had opgeschreven, zien dat ḥadīth al vanaf een vroege periode schriftelijk werden overgeleverd.
Na deze technische toelichting kunnen we overgaan tot de uitleg van onze ḥadīth.
Verlangen om de ṣalāh in gemeenschap te verrichten
De ḥadīth laat ons een toestand zien uit de laatste ziekteperiode van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). De Geliefde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was zeer ziek, waardoor hij enkele dagen niet naar al-Masjid an-Nabawī kon gaan. Ondanks de moeilijkheden met lopen voelde hij zich die dag iets beter en ging hij, leunend op Usāma ibn Zayd (رضي الله عنهما), naar de moskee.
De vader van Usāma was Zayd ibn Ḥāritha (رضي الله عنه), de geadopteerde zoon van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), en zijn moeder was Ummu Ayman (رضي الله عنها), de voedster die voor hem zorgde. An-Nabī (عليهم السلام) hield veel van deze twee personen en daarom hield hij ook veel van hun zoon. Daarom werd Usāma “Ḥibbu Rasûlillāh”, wat “de geliefde van Rasûlullāh” betekent, genoemd.
Bij het vertalen van onze ḥadīth hebben wij vermeld dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het kledingstuk dat “thawb al-qitrī” wordt genoemd over zijn schouder had geslagen. Er wordt ook overgeleverd dat hij het niet simpelweg over zijn schouders droeg, maar dat hij, zoals de muḥrim bij de ḥaj, één uiteinde onder zijn rechterarm door liet gaan en het over zijn linker schouder sloeg, en in die toestand de ṣalāh leidde.
Het kledingstuk dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) die dag over zijn schouders droeg, in de ḥadīth “thawb al-qitrī” genoemd, was een soort mantel of gewaad dat ook burdah werd genoemd. Dit soort kleding werd gemaakt in Jemen of in Qatar in Bahrein. Het was een dikke katoenen stof met rode strepen en had daardoor een stevige structuur.
Deze ḥadīth zal opnieuw worden vermeld in ḥadīth nummer 135.
60ste Hadith
Van Abû Sa‘īd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei wanneer hij een nieuw kledingstuk aantrok, waarbij hij het kledingstuk bij naam noemde, “dit is de turban, dit is het overhemd, dit is de mantel,” dat hij de volgende du‘ā’ verrichtte:
“Allah, alle lof behoort U toe. U bent het die mij dit heeft laten dragen. Ik vraag U om het goede ervan en het goede waarvoor het is gemaakt. En ik zoek toevlucht bij U tegen het kwaad ervan en het kwaad waarvoor het is gemaakt.”
Onze Geliefde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), sprak, om de gunst van Allāhu (تعالى) jegens hem te erkennen en Hem te prijzen, wanneer hij een turban voor het eerst droeg na het zeggen van de basmala: “Deze tulband heeft Allah mij aangedaan.” Wanneer hij een overhemd voor het eerst droeg zei hij: “Dit overhemd heeft Allah mij aangedaan.” En wanneer hij een mantel voor het eerst droeg zei hij eveneens: “Deze mantel heeft Allah mij aangedaan.”
Nadat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deze woorden zei en vervolgens, bijvoorbeeld na het aantrekken van een overhemd, verrichtte hij zijn du‘ā’ met: “(O Allah, alle lof zij U omdat U mij dit overhemd hebt gegeven)” en hij reciteerde vervolgens de volledige du‘ā’ zoals hierboven vermeld, waarin hij vroeg om het goede ervan.
Onze geliefde Nabī (صلى الله عليه وسلم) had de gewoonte om nieuwe kleding bij voorkeur op vrijdag voor het eerst te dragen.
Het goede en het kwade van kleding
Het “goede” van kleding is dat het lang gedragen wordt, schoon is, niet uit ijdelheid maar uit noodzaak wordt gedragen, en dat het een middel wordt om Allāhu (تعالى) te aanbidden.
Het “kwade” van kleding is dat het snel verslijt, dat het met harām geld is gekocht waardoor de drager daarvoor rekenschap zal moeten afleggen, dat het gedragen wordt tijdens zonden, of dat het leidt tot hoogmoed, arrogantie en zonde.
Een andere du‘ā’ bij het dragen van kleding
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte ook andere du‘ā’’s wanneer hij nieuwe kleding aantrok. Eén daarvan is:
“Alle lof behoort Allah toe Die mij dit heeft gegeven en mij dit heeft laten dragen zonder enige macht of kracht van mijzelf.”
An-Nabī (عليهم السلام) zei dat degene die deze du‘ā’ uitspreekt bij het aantrekken van nieuwe kleding, vergeven wordt voor zijn eerdere zonden.
Wat er met versleten kleding gedaan wordt
Na het aantrekken van een nieuw kledingstuk en het verrichten van de du‘ā’ die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft geleerd, gaan we nu luisteren naar wat er wordt overgeleverd van ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه).
Volgens de overlevering van Abū Umāma al-Bāhilī (overl. 86/705) (رضي الله عنه) trok ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه) op een dag een nieuw kledingstuk aan en zei hij:
“Alle lof behoort Allah toe Die mij een kledingstuk heeft gegeven dat mijn schaamdelen bedekt en mij een verzorgde uitstraling geeft.”
Daarna gaf hij zijn versleten kledingstuk aan een behoeftige, en zei vervolgens:
“Ik heb Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) horen zeggen: ‘Degene die na het aantrekken van een nieuw kledingstuk zegt: “Alle lof behoort Allah toe Die mij een kledingstuk heeft gegeven dat mijn schaamdelen bedekt en mij een verzorgde uitstraling geeft”, en vervolgens zijn oude kledingstuk aan een behoeftige geeft, zal zowel in deze wereld als in het Hiernamaals onder de bescherming, hoede en zorg van Allāhu (تعالى) zijn.”
Volgens sommige overleveringen in de genoemde bronnen heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aan het einde de woorden “in deze wereld en in het Hiernamaals” drie keer herhaald.
Du‘ā’ voor iemand die een nieuw kledingstuk draagt
Het is ook Sunnah om een du‘ā’ te verrichten voor iemand die nieuwe kleding draagt. Zo zag Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) eens ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه) met een helder witte mantel en vroeg hem: “Heb je je mantel gewassen of is deze nieuw?”
ʿUmar zei: “Ik heb hem niet nieuw gekocht, ik heb hem gewassen.”
Daarop deed Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de volgende du‘ā’ voor hem:
“Moge jij nieuw dragen, Allah dankbaar leven en als shahīd sterven!”
In sommige overleveringen wordt eraan toegevoegd:
“En moge Allah je ogen verblijden in deze wereld en in het Hiernamaals.”
Moge het op je rug verslijten
Ook wordt overgeleverd dat Ḥālid ibn Saʿīd (رضي الله عنه), een van de muhājirūn naar Abessinië, samen met zijn jonge dochter Ummu Khālid Amā an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bezocht. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) sprak met het meisje, complimenteerde haar met haar gele kleding en maakte haar blij. Vervolgens deed hij drie keer de du‘ā’:
“Moge het op je rug verslijten, en moge je daarna een nieuw kledingstuk dragen, in shā’ Allāh.”
61. HadithVan Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) is een vergelijkbare ḥadīth overgeleverd. Imām at-Tirmidhī heeft het echter via een andere isnād overgeleverd.
Deze overlevering, die Imām at-Tirmidhī heeft aangehaald ter ondersteuning van de voorgaande ḥadīth, verschilt weliswaar in bewoordingen, maar de betekenis ervan is dezelfde.
62. HadithVan Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), hij zei: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hield van de kleding die hij droeg het meest van een kledingstuk dat was gemaakt van Jemenitische stof met groene kleur en rode strepen.
In de 54ste ḥadīth hadden wij gelezen dat het favoriete kledingstuk van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het overhemd was. Hier lezen wij echter dat hij veel hield van de Jemenitische stof met groene kleur en rode strepen. Tussen deze twee aḥadīth bestaat geen tegenstrijdigheid. Het overhemd is namelijk een kledingstuk dat onder andere kleding wordt gedragen. De “ḥibarah”, die werd vervaardigd van deze groengekleurde Jemenitische stof met rode strepen, was daarentegen een soort bovenkleed dat over het overhemd werd gedragen.
Deze Jemenitische stof met groene kleur en rode strepen was in werkelijkheid een fraaie stof met een eenvoudig patroon, geweven van katoen of linnen, en bovendien bijzonder zacht. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf aan deze stof de voorkeur vanwege haar eenvoudige patroon en zachte structuur.
Omdat in de Qurʾān al-Karīm wordt vermeld: … وَيَلۡبَسُونَ ثِيَابًا خُضۡرٗا مِّن سُندُسٖ وَإِسۡتَبۡرَقٖ…
… zij (de bewoners van het Paradijs) zullen groene kleding dragen van fijne zijde en zwaar brocaat…(Kahf, 18:31), hield ook Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) van groene kleding.
Volgens de overlevering van onze moeder ʿĀʾishahh (رضي الله عنها) werd, toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), overleed, nadat zijn kleding was verwijderd, deze stof die “ḥibarah” werd genoemd over hem gelegd en werd hij daarmee bedekt.
63. HadithVan Abū Juḥayfah (رضي الله عنه), hij zei: “Ik heb an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gezien terwijl hij een rood kledingstuk droeg. De witheid van zijn gezegende onderbenen staat mij nog steeds helder voor ogen.”
Sufyān (waarschijnlijk Sufyān ath-Thawrī), die voorkomt in de overleveringsketen van deze ḥadīth, gaf bij de woorden van Abū Juḥayfah: “Ik heb hem gezien terwijl hij een rood kledingstuk droeg” de volgende uitleg: “Ik denk dat het kledingstuk dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) droeg niet volledig rood was, maar een rood-zwart gestreept kledingstuk vervaardigd uit de Jemenitische stof die ‘ḥibarah’ wordt genoemd.”
Volgens Mīrak Shāh (overl. ca. 840/1436), één van de commentatoren van ash-Shamāʾil ash-Sharīfah, zag Abū Juḥayfah (رضي الله عنه) an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op een plaats genaamd Baṭḥāʾ-i Makkah tijdens de Afscheidshaj.
Uit de overlevering van Abū Juḥayfha (رضي الله عنه) in Ṣaḥīḥ al-Bukhārī en Ṣaḥīḥ Muslim leren wij echter dat hij deze gelukzalige ontmoeting meemaakte tijdens één van de reizen die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar Makkah maakte.
Er werd voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een tent van rood gelooid leer opgezet in al-Abṭaḥ regio (tussen Makkah en Mina). Rond het middaguur kwam an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) uit zijn tent en begaf zich naar zijn metgezellen. Bilāl al-Ḥabashī (رضي الله عنه) bracht hem water voor de wuḍūʾ, waarna hij wuḍūʾ begon te verrichten.
De metgezellen snelden toe en namen het overgebleven wuḍūʾ-water om zich ermee te zegenen (tabarruk); zij wreven het over hun gezichten, hun hoofden en hun lichamen. Degenen die geen deel van dit water van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) konden bemachtigen, probeerden toch iets van de zegen te verkrijgen door de vochtigheid aan de handen van hun metgezellen aan te raken.
Eén van de personen die die dag niet van het wuḍūʾ-water van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had kunnen bemachtigen, was Abū Juḥayfah (رضي الله عنه). In plaats van genoegen te nemen met het vocht dat zich nog op de handen van anderen bevond, verkoos hij om naar de bron zelf te gaan. Hij beschreef wat hij deed als volgt:
“Toen pakte ik de gezegende hand van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vast en drukte die tegen mijn gezicht. En wat zag ik? Zijn gezegende hand was koeler dan sneeuw en geurde aangenamer dan muskus.” Wij zouden deze handeling van Abū Juḥayfah (رضي الله عنه) als kinderlijk kunnen beschouwen. En dat was in zekere zin ook zo, want toen hij deze unieke eer te beurt viel, had hij de puberteit nog niet bereikt. Toen hij zag dat iedereen op de een of andere manier profiteerde van het wuḍūʾ-water van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), terwijl hijzelf daarvan verstoken bleef, bedacht hij deze slimme manier.
In deze overlevering vertelt Abū Juḥayfah dat an-Nabī (عليهم السلام) die dag een rood kledingstuk droeg. Hij vermeldt tevens dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) uit zijn tent kwam terwijl hij zijn kleding tot ongeveer halverwege zijn knieën had opgetrokken. Wat hij zag beschreef hij met de woorden: “De witheid van zijn onderbenen staat mij nog steeds helder voor ogen.”
Een andere metgezel die verklaarde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in een rood kledingstuk te hebben gezien, was al-Barāʾ ibn ʿĀzib (رضي الله عنه). Zoals wij reeds hebben gelezen in de derde ḥadīth, zei hij: “Ik zag Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in een rood kledingstuk, en ik heb in mijn leven nooit iemand gezien die mooier was dan hij.”
In de uitleg van de derde ḥadīth is reeds informatie gegeven over de vraag of het toegestaan is rode kleding te dragen. Volgens Sufyān ath-Thawrī is het dragen van een volledig rood kledingstuk, waarin geen andere kleur voorkomt, verboden. Daarom verklaarde hij deze ḥadīth met de woorden: “Ik denk dat het kledingstuk dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) droeg een rood-zwart gestreept kledingstuk was, vervaardigd uit de Jemenitische stof die ‘ḥibarah’ wordt genoemd.”
De rode kledingstukken die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) droeg worden in de overleveringen aangeduid als “ḥullah ḥamrāʾ” of “burd Yamānī”. Ibn al-Qayyim al-Jawziyyah heeft dergelijke kleding beschreven als “een kledingstuk met afwisselend rode en zwarte strepen”. Hij vermeldde dat dit kenmerkend was voor kleding die in Jemen werd vervaardigd. Ook hij was van mening dat een kledingstuk dat volledig uit effen rode stof bestaat zonder andere kleuren, absoluut verboden is.
64. HadithVan Al-Barāʾ ibn ʿĀzib (رضي الله عنه), hij zei: “Ik heb niemand gezien die mooier was dan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) terwijl hij een rood kledingstuk droeg. Zijn gezegende haar was zo lang dat het bijna zijn beide schouders bereikte.”
Eén van de metgezellen die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het mooiste heeft beschreven, is al-Barāʾ ibn ʿĀzib (رضي الله عنه).
Wij hadden in ḥadīth nummer 3 gelezen dat hij zei: “Ik zag Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in een rood kledingstuk; in mijn hele leven heb ik nooit iemand gezien die mooier was dan hij.”
Bij de uitleg van die ḥadīth hebben wij ook de opvattingen van de geleerden vermeld over de vraag of het toegestaan is rode kleding te dragen.
In ḥadīth nummer 26 beschreef al-Barāʾ ibn ʿĀzib (رضي الله عنه) een andere verschijningsvorm van het gezegende haar van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei: “Het haar van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), dat vanaf zijn hoofd neerhing, reikte tot aan zijn oorlellen.”
De overleveringen betreffende het gezegende haar van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn uitvoerig behandeld in het derde hoofdstuk, waarin de ḥadīths 25 tot en met 31 zijn opgenomen.
65. Hadith
Van Abū Rimthah (رضي الله عنه), hij zei: “Ik zag an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gekleed in een tweedelig kledingstuk met groene strepen.”
Een uitgebreidere versie van deze ḥadīth hebben wij eerder, onder nummer 43, eveneens uit de mond van Abū Rimthah (رضي الله عنه) vernomen.
Volgens de overlevering in Sunan an-Nasāʾī zag Abū Rimthah (رضي الله عنه) an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) terwijl hij een preek (khuṭbah) hield voor de metgezellen.
Het woord “burdān” dat in deze ḥadīth voorkomt, hebben wij vertaald als “een tweedelig kledingstuk”. De Arabieren noemen een kledingstuk dat vervaardigd is van gestreepte stof een “burd”.
Deze ḥadīth hebben wij reeds uitvoerig toegelicht bij ḥadīth nummer 43, en de conclusies die daaruit werden afgeleid, hebben wij daar eveneens vermeld.
66. HadithVan Kaylah bint Makhramah (رضي الله عنها), ze zei: “Ik zag an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gekleed in een oud gewaad dat zijn hele lichaam bedekte. Dit kledingstuk was geverfd met saffraan (zaʿfarān) en de kleur ervan was sterk verbleekt.”
Dit gedeelte van de ḥadīth maakt deel uit van een langere overlevering die door Kaylah bint Makhramah is overgeleverd.
Het gewaad dat Kaylah bint Makhramah op de rug van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zag en dat zijn gehele lichaam bedekte, was een uit één stuk geweven stof. Deze stof was geverfd met saffraan, maar doordat het gedurende lange tijd was gedragen, was de kleur vervaagd. De gele en rode tinten waren vrijwel verdwenen en het kledingstuk was geheel verbleekt en vergeeld.
In deze ḥadīth wordt vermeld dat het kledingstuk van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeger met saffraan was geverfd. Van de plant die de Arabieren zaʿfarān noemen en wij saffraan noemen, worden de stampers verzameld en gedroogd om een gele kleurstof te verkrijgen.
Mag men kleding dragen die met saffraan is geverfd?
De geleerden hebben hierover verschillende meningen geuit.
Degenen die van mening zijn dat dit toegestaan is, baseren zich op de volgende ḥadīth die is overgeleverd door ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما): “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft degene die zich in de staat van iḥrām bevindt verboden kleding te dragen die geverfd is met wars (rode kleurstof gewonnen uit een plant (vaak Flemingia of Memecylon-achtige planten) of saffraan.”
Omdat zowel wars als saffraan een aangename geur hebben en het voor iemand in iḥrām verboden is zich met geurstoffen te parfumeren, werd ook het dragen van kleding die met deze planten was geverfd verboden.
Degenen die menen dat saffraangeverfde kleding gedragen mag worden, baseren zich eveneens op dezelfde ḥadīth. Volgens hen geldt het verbod uitsluitend voor personen die zich in de staat van iḥrām bevinden. Dit wijst er dus op dat mensen die niet in iḥrām zijn dergelijke kleding wel mogen dragen.
Het woord “wars” dat voorkomt in de hierboven genoemde ḥadīth van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما) wordt in het Turks weergegeven als “cehri”. Dit is een plant waarvan uit de vruchten, schors of het hout een mooie rode kleurstof wordt verkregen.
De kleur van zijn kleding was verbleekt en vergeeld
Laten wij hier ook stilstaan bij het feit dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een zeer eenvoudig kledingstuk droeg waarvan de kleur sterk was verbleekt en vergeeld.
Op een dag spraken de metgezellen in aanwezigheid van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) over wereldse zaken. Daarop zei hij tegen hen: “Horen jullie het niet? Horen jullie het niet? Eenvoudig leven behoort tot het īmān; ja, eenvoudig leven behoort tot het īmān.”
De Geliefde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) maakte hiermee duidelijk dat degene die zegt: “Ik ben een muʾmin”, zich zowel in eten en drinken als in kleding en uiterlijke verzorging dient te onthouden van luxe en verspilling.
Door zelf een oud kledingstuk te dragen waarvan de kleur sterk verbleekt was, bracht hij in praktijk wat hij zijn ummah aanbeval. Daarmee liet hij zien dat een eenvoudig en bescheiden leven, ver verwijderd van pronkzucht en uiterlijk vertoon, één van de duidelijkste kenmerken van een muʾmin is.
Mag men dure kleding dragen?
Een muʾmin dient, wanneer de gelegenheid dat vereist, ook mooie kleding te dragen. Zo droeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bij ontmoetingen met buitenlandse delegaties fraaie kleding en zei hij: “Allāhu (تعالى) ziet graag dat de sporen van de gunsten die Hij aan Zijn dienaar heeft geschonken, zichtbaar zijn op hem.”
Hieruit blijkt dat het dragen van schone en mooie kleding een vorm van dankbaarheid is tegenover Allāhu (تعالى) voor de gunsten die Hij heeft geschonken. Het belangrijkste is echter dat men de juiste maat niet overschrijdt. Wanneer men kostbare kleding draagt, mag dit niet leiden tot hoogmoed, arrogantie of een gevoel van superioriteit. Mensen laten zich immers gemakkelijk misleiden door uiterlijke schijn en bewonderen wat mooi lijkt. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft duidelijk gemaakt dat Allāhu (تعالى) niet naar uiterlijke verschijningen kijkt: “Allāhu (تعالى) kijkt niet naar jullie uiterlijkheden en bezittingen, maar Hij kijkt naar jullie harten en jullie daden.”
Het verhaal van Kaylah bint Makhramah (رضي الله عنها)
Aan het einde van de 66ste ḥadīth die wij bespreken, vermeldt Imām at-Tirmidhī dat deze ḥadīth deel uitmaakt van een langere overlevering van de ṣaḥābiyyah Kaylah bint Makhramah.
De bekende ḥadīthgeleerde aṭ-Ṭabarānī heeft dit uitgebreide verhaal opgenomen in zijn werk al-Muʿjam al-Kabīr. Wij zullen deze gebeurtenis samenvattend weergeven.
Kaylah bint Makhramah was getrouwd met een man uit de stam Banū Janāb genaamd Ḥabīb ibn Azhar. Uit dit huwelijk werden enkele dochters geboren. Nadat haar echtgenoot was overleden, nam de oom van de meisjes, Athwab ibn Azhar, hen onder zijn bescherming.
Intussen had Kaylah bint Makhramah de Islām aanvaard en besloot zij naar al-Madīnah te reizen om Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) te bezoeken.
Toen haar jongste dochter hoorde dat haar moeder de stam zou verlaten, begon zij te huilen en zei: “Neem mij ook mee!”
Daarna nam ze haar dochter mee, stegen op een kameel en gingen snel op weg.
Toen haar zwager vernam dat ze samen met haar dochter was vertrokken, zette hij de achtervolging in. Hij haalde hen onderweg in, nam het kind met geweld van haar moeder af en keerde terug.
Ze ging vervolgens naar haar zuster die bij de stam Banū Shaybān woonde.
Daar hoorde zij dat Ḥurays ibn Ḥassān van de stam Bakr ibn Wāʾil als gezant naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zou gaan. Zij reisde samen met hem naar al-Madīnah.
Toen zij daar aankwamen was het nog donker voor de dageraad. Ze ging rechtstreeks naar al-Masjid an-Nabawī. Omdat het nog donker was, konden mannen en vrouwen niet duidelijk van elkaar worden onderscheiden. Daarom sloot zij zich aan bij de eerste rij en begon de ṣalāh te verrichten.
De man naast haar merkte dat zij een vrouw was en vertelde haar dat de vrouwen achteraan moesten staan. Daarop ging zij naar achteren en bleef daar zitten tot zonsopgang. Vervolgens wilde zij naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaan, maar zij wist niet wie hij was. Daarom wachtte zij nog enige tijd. Toen zij iemand hoorde zeggen:
“As-salāmu ʿalayka yā Rasûlallāh!”, begreep zij wie Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was. Zij ging naar hem toe en bleef achter hem staan.
Een houding die ontzag inboezemdeDaarna vertelde zij zelf wat er gebeurde: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had een ontbladerde dadeltak in zijn hand. Hij zat op zijn zitvlak, met opgetrokken knieën, zijn dijen tegen zijn buik gedrukt en zijn handen om zijn knieën geslagen.
Toen ik hem in die buitengewone nederige houding zag zitten, begon ik te beven van ontzag. Een van de metgezellen die naast hem zat, zag mijn toestand en zei tegen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): ‘O Rasûlallāh, deze arme vrouw beeft van ontzag voor uw majesteit.’
Omdat ik achter hem zat, draaide hij zich niet naar mij om, maar zei: ‘O arme vrouw, wees gerust!’
Toen hij dit zei, verdween al mijn angst en beven volledig.”
Het is in deze overlevering dat Kaylah bint Makhramah (رضي الله عنها) het kledingstuk beschrijft dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) droeg.
Deze ḥadīth zal opnieuw worden behandeld bij ḥadīth nummer 127.
67.
HadithVan ʿAbdullāh ibn `Abbās (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik raad jullie aan witte kleding te dragen. Laat degenen onder jullie die in leven zijn witte kleding dragen, en wikkel degenen die overlijden in een witte doodskleed (kafan). Want witte kleding behoort tot de beste van jullie kledingstukken.”
68. HadithVan Samurah ibn Jundub (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Draag witte kleding, want zij is schoner en geeft een mooiere uitstraling. En wikkel jullie overledenen in een witte kafan.”
Uitleg van ḥadīth 67 en 68
Wit is een oorspronkelijke, zuivere kleur zonder vermenging. Daarom symboliseert zij zuiverheid, reinheid en nederigheid. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft aanbevolen witte kleding te dragen. Een witte kleding toont immers vlekken onmiddellijk, waardoor men gedwongen wordt vuil snel te wassen en te verwijderen. Gekleurde kleding daarentegen verbergt vuil en onreinheden gemakkelijker. Bovendien wordt witte kleding vaker gewassen om haar helder wit te houden, waardoor zij doorgaans schoner blijft. Bij gekleurde kleding ligt dat anders. In tijden waarin natuurlijke kleurstoffen werden gebruikt, kon men kleding juist minder vaak wassen om te voorkomen dat de kleur zou vervagen.
De schoonheid van de witte kleur
De “schoonheid” van witte kleding ligt zowel in haar grotere reinheid, doordat zij vaker wordt gewassen, als in de bescheiden uitstraling die zij geeft.
Op een dag zag Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), een man met vuile kleding. Om hem niet rechtstreeks in verlegenheid te brengen zei hij niets tegen hem persoonlijk, maar sprak tegen de aanwezigen zodat zij hem op gepaste wijze konden wijzen op zijn toestand:
“Heeft deze man geen mogelijkheid gevonden om zijn kleding te wassen en schoon te maken?”
Omdat wit beter helpt om rein en verzorgd te blijven, adviseerde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ook om onze overledenen in een witte kafan te wikkelen.
Wanneer iemand zijn rûh teruggeeft aan zijn Schepper, verschijnt hij niet voor de mensen maar voor de engelen. Daarom behoort hij in de meest reine en zuivere kleding gehuld te zijn.
Doordat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft aanbevolen overledenen in een witte kafan te wikkelen, is het gebruik van een witte kafan Sunnah geworden. In het tijdperk van de gezegende tijd (asr as-saʿādah) werden overledenen vanwege bepaalde omstandigheden soms ook in een gekleurde kafan gewikkeld. De volgende ḥadīth toont dit aan: “Van de kleding waarmee jullie voor Allāhu (تعالى) verschijnen in jullie graven en in jullie masājid, is de witte de beste.”
Uit de uitdrukking “de beste” blijkt dat ook niet-witte kleding gedragen mag worden en dat overledenen eveneens in een gekleurde kafan gewikkeld kunnen worden.
Op feestdagen en bijzondere gelegenheden werd het passend geacht om gekleurde en waardevolle kleding te dragen, omdat men daarmee verzorgder en representatiever voor de dag kon komen.
Onze Nabī (صلى الله عليه وسلم) droeg ook witte kleding
Imām at-Tirmidhī heeft in dit hoofdstuk aḥādīth overgeleverd waaruit blijkt dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), groene en rode kleding droeg. Hij heeft echter geen ḥadīth opgenomen waaruit blijkt dat hij witte kleding droeg.
Desondanks zijn er metgezellen die hebben gezien dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) witte kleding droeg. Zo vertelde Abū Dharr al-Ghifārī (رضي الله عنه) dat hij op een dag in de aanwezigheid van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) kwam en zag dat hij een wit kledingstuk droeg.
In werkelijkheid is bekend dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) meestal niet de mogelijkheid had om uitgebreid tussen verschillende kleuren kleding te kiezen. Daarom droeg hij doorgaans wat beschikbaar was.
Waarom is witte kleding het beste?
In de 68ste ḥadīth hebben wij gelezen dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Witte kleding behoort tot de beste van jullie kledingstukken.” Waarom witte kleding als de beste wordt beschouwd, leren wij uit deze ḥadīth. An-Nabī (عليهم السلام) heeft namelijk verklaard dat wit “schoner en mooier” is. Daarmee heeft hij tevens de reden aangegeven waarom witte kleding de voorkeur verdient.
Daarnaast wijst ook de eenvoud van de witte kleur en het feit dat zij weinig ruimte laat voor hoogmoed, pronkzucht en zelfverheffing erop dat zij tot de beste kleding behoort.
69. HadithVan ʿĀʾishah (رضي الله عنها), zij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam op een ochtend naar buiten terwijl hij een kledingstuk droeg dat geweven was van zwarte wol, met daarop patronen, lang en wijd.”
De metgezellen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) droegen kleding die varieerde afhankelijk van hun materiële situatie; sommigen droegen goedkope kleding, terwijl anderen, omdat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had gezegd: “Allāhu (تعالى) houdt ervan dat de tekenen van Zijn gunst zichtbaar zijn bij Zijn dienaar”, juist mooiere kleding wanneer zij daartoe in staat waren.
De eenvoudige kleding van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم)
An-Nabī (عليهم السلام) gaf alles wat hij ontving weg aan behoeftigen. Daarom droeg hij wat hij maar kon vinden. Soms droeg hij kleding van wol of katoen, en soms kleding die geweven was van geitenhaar. Toch droeg hij bij feestdagen en wanneer hij buitenlandse gezanten ontving, als hij de mogelijkheid had, nettere en waardevollere kleding. Maar meestal was hij, vanwege zijn nederigheid, zeer eenvoudig gekleed, zoals ook in deze ḥadīth zichtbaar is.
Wat ons in deze context betreft, is dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) een kledingstuk droeg dat geweven was van zwarte wol. Hoewel hij witte en groene kleuren liefhad, droeg hij soms, afhankelijk van de situatie, ook zwarte, (gele) en rode kleding. ʿĀmir ibn ʿAbdillāh (رضي الله عنهما) vermeldt dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op de dag van de verovering van Makkah, Makkah binnenging met een zwarte tulband op zijn hoofd.
Wie werden onder zijn kleding opgenomen?
De uitdrukking in onze ḥadīth dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op een ochtend naar buiten ging terwijl hij een zwart wollen kledingstuk droeg, roept de vraag op wat er daarna gebeurde.
Imām Muslim beantwoordt deze nieuwsgierigheid opnieuw met de woorden van onze moeder ʿĀʾishah (رضي الله عنها): “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ging op een ochtend naar buiten met een kledingstuk geweven van zwarte geitenwol, met daarop patronen, lang en wijd. Toen kwam zijn kleinzoon Ḥasan (رضي الله عنه) naar hem toe en hij nam hem onder zijn kleding. Daarna kwam Ḥusayn (رضي الله عنه) en ook hij ging bij hem onder de kleding. Vervolgens kwam Fāṭima (رضي الله عنها) en Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nam ook haar onder zijn kleding. Daarna kwam ʿAlī (رضي الله عنه) en hij nam ook hem daaronder op. Vervolgens reciteerde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de volgende āyah:
إِنَّمَا يُرِيدُ ٱللَّهُ لِيُذۡهِبَ عَنكُمُ ٱلرِّجۡسَ أَهۡلَ ٱلۡبَيۡتِ وَيُطَهِّرَكُمۡ تَطۡهِيرٗا ٣٣ …
…(O Ahl al-Bayt) Allah wenst slechts de onreinheid van jullie weg te nemen, o Lieden van het huis, en jullie schoon en zuiver te maken. (Aḥzāb, 33:33)
70. HadithVan Mugīra ibn Shuʿba (رضي الله عنه), hij zei: Op een keer droeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een Shamī-toga met nauwe mouwen.
In sommige ḥadīth-werken wordt vermeld dat het kledingstuk van an-Nabī (عليهم السلام), zoals in deze ḥadīth genoemd, een “Rûmī-toga” was. In betrouwbare verzamelingen zoals Ṣaḥīḥ al-Bukhārī en Ṣaḥīḥ Muslim wordt ditzelfde kledingstuk echter aangeduid als een “Shāmī-toga”.
In wezen verwijzen beide benamingen naar hetzelfde, omdat Shām in die tijd onder het bestuur van het Byzantijnse (Rûm) rijk viel. Arabische handelaren reisden naar Shām, kochten daar kleding die door niet-mu’mins werd vervaardigd, en brachten die naar de Ḥijāz om te verkopen.
De jas met nauwe mouwen
Nu bekijken we de volledige ḥadīth zoals die in Ṣaḥīḥ al-Bukhārī en Ṣaḥīḥ Muslim is overgeleverd:
Van Mugīrah ibn Shuʿbah (رضي الله عنه): Hij vertelt over deze gebeurtenis tijdens de Tabūk-expeditie: “Wij waren samen met an-Nabaie (صلى الله عليه وسلم) op reis. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tegen mij: ‘O Mugīrah, neem de waterzak.’ Ik nam de waterzak en liep achter hem aan. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ging zo ver dat hij niet meer zichtbaar was, waarna hij zijn behoefte deed en terugkwam. Hij droeg een Shāmī-toga. Hij probeerde zijn nobele hand door de mouw van zijn jas te halen, maar omdat de mouw te nauw was, lukte dat niet. Toen haalde hij zijn hand onder de jas vandaan. Ik goot water over zijn handen en hij verrichtte de wuḍūʾ zoals voor de ṣalāh, wreef over zijn leren sokken (khuffayn), en verrichtte daarna de ṣalāh.”
Volgens de overlevering van Abū Dāwūd vond deze gebeurtenis plaats tijdens de salāh al-fajr.
Mag een moslim kleding van niet-mu’mins dragen?
Uit deze ḥadīth wordt afgeleid dat kleding die door niet-moslims is geproduceerd gedragen mag worden, zonder te hoeven wassen en dat men er de ṣalāh in kan verrichten, zolang er geen zichtbare onreinheid op zit. Sommige geleerden hadden hierover twijfel vanwege de mogelijkheid dat de kāfirs urine door de verf mengden die werd gebruikt voor garens en stoffen, om levendigere kleuren en een beter blijvende kleuring te verkrijgen. Dit was in oude tijden bekend in de textielindustrie.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zag er echter geen probleem in om zulke kleding te dragen, ook al wist hij dat deze uit het land van de Rûm kwam en door niet-moslims was vervaardigd. Laten we hier ook vermelden dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) een jas met nauwe mouwen uitsluitend tijdens reizen droeg, omdat die beter bescherming bood tegen de kou. Tijdens de Expeditie van Tabūk droeg hij eveneens zo'n jas. De edele metgezellen (رضي الله عنهم) droegen buiten reizen om gewoonlijk kleding met wijde mouwen.
Wat voor soort kleding droeg hij?
Daarnaast is bekend dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) doorgaans de voorkeur gaf aan stevige en duurzame kleding die van grove stof was geweven. Hij hechtte er geen belang aan of zijn kleding oud of versleten was. Zijn kleding was vaak van wol gemaakt. Toch droeg hij soms, vooral wanneer hij buitenlandse gezanten zou ontvangen, ook kleding die van fijnere stof was vervaardigd.
De grote geleerden en vromen van de islam volgden hierin eveneens het voorbeeld van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en gaven meestal de voorkeur aan eenvoudige en niet-duur geprijsde kleding.
NEGENDE HOOFDSTUK: DE LEVENSWIJZE VAN RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم)
In dit werk is het onderwerp van de levenswijze van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op twee plaatsen behandeld: hier in het kort, en uitgebreid in het tweeënvijftigste hoofdstuk. Het is niet met zekerheid bekend of het feit dat dit onderwerp op twee verschillende plaatsen is opgenomen, afkomstig is van Imām at-Tirmidhī of van de kopiisten (mustaʿnishīn).
In dit korte hoofdstuk zijn slechts twee ḥadīths vermeld. In de eerste ḥadīth wordt vermeld dat Abū Hurayrah (رضي الله عنه) in de beginjaren van de islam moeite had om rond te komen, en later in welvaart leefde. In de tweede ḥadīth wordt beschreven dat dan-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gedurende zijn hele profetische leven moeite had om rond te komen
71.HadithVan Muḥammad ibn Sīrīn (رحمه الله), hij zei: “Op een keer waren wij in het gezelschap van Abū Hurayrah (رضي الله عنه). Hij droeg een kledingstuk dat uit twee delen bestond, geweven van linnen en geverfd met rode aarde. Met een van deze stoffen veegde hij zijn neus af en zei toen: ‘Wee mij, kijk eens naar deze situatie! Abū Hurayrah veegt zijn neus af aan linnen stof. Terwijl er een tijd was dat ik tussen de preekstoel (minbar) van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en het huis van ʿĀʾishah zo voelde alsof ik mezelf bijna verloor en neerviel in sujūd-achtige toestand. Iemand die mij zag dacht dat ik een epilepsische aanval had en drukt zijn voet op mijn nek (om mijn lijden weg te nemen). Maar ik had geen epilepsie; mijn enige probleem was honger.”
Hier zullen we drie punten uit deze ḥadīth verduidelijken:
Het eerste punt: het kledingstuk dat uit twee delen bestond dat Abū Hurayrah (رضي الله عنه) droeg.
De uitdrukking “twee delige kleding” kan op twee manieren worden begrepen: ofwel droeg Abū Hurayrah een izār (onderkleding voor onder het middel) en een ridāʾ (bovenkleding voor boven het middel), of hij droeg een hemd met daaroverheen een bovenkleding.
Het tweede punt: het feit dat Abū Hurayrah (رضي الله عنه) zijn neus afveegde aan linnen stof en en dat hij dit deed voorkomen alsof het iets uitzonderlijks was.
De Arabieren droegen meestal kleding die van katoen was geweven, dat goedkoper was (dan wollen of andere stoffen). Abū Hurayrah was in de tijd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) een arme man en behoorde tot de Ashāb al-Ṣuffah. Toen de grenzen van de islamitische staat zich uitbreidden en de moslims in welvaart leefden, kreeg ook hij deel aan deze rijkdom.
In het incident dat hier wordt beschreven wilde Abū Hurayrah zijn omgeving een les geven. Hij wilde laten zien hoe onbelangrijk wereldse bezittingen zijn en dat het dragen van dure kleding, iets wat men eerder niet kende, geen reden tot hoogmoed is. Daarom veegde hij zijn neus af aan zijn linnen kleding, en zei op een speelse manier: “Kijk eens aan, wat een verandering! Abū Hurayrah (رضي الله عنه) die vroeger arm was, leeft nu in zoveel welstand dat hij zich kan veroorloven een kostbaar kledingstuk als een zakdoek te gebruiken.”
Het derde punt: de kwestie van mensen die Abū Hurayrah in een bewusteloze toestand zagen en op zijn nek drukten. De Arabieren geloofden dat het drukken op de nek van iemand met een epileptische aanval hem sneller bij bewustzijn kon brengen.
Abū Hurayrah (رضي الله عنه) zelf vertelt, zoals hij ook aangeeft, dat hij om de islam te leren en vooral de aḥadīth van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) te memoriseren nooit hem verliet. Hij at slechts genoeg om overeind te blijven, daarom kwam het vaak voor dat hij hevig leed onder de honger en erdoor werd gekweld.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) begreep zijn verdriet/leed
Het volgende voorval, dat hij zelf heeft verteld, is eveneens bijzonder leerzaam en vol lering: Op een dag had ik hevige honger. Op de weg kwam ik ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه) tegen en ik vroeg hem mij een āyah voor te dragen die aanspoort tot het helpen van de armen.
ʿUmar begreep niet wat ik bedoelde; hij ging zijn huis binnen, haalde die āyah op en las die voor mij voor. Terwijl ik hem die āyah over het helpen van armen vroeg, was het eigenlijk mijn bedoeling dat ʿUmar (رضي الله عنه) mijn toestand zou begrijpen en mij iets te eten zou geven om mijn honger te stillen.
Kort nadat ik daar wegging, viel ik door de honger op de grond. Toen ik mijn ogen opende, zag ik Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bij mijn hoofd staan.Ik hoorde hem zeggen: “O Abū Hurayrah!”
Ik zei: “Tot uw dienst, O Rasûlullāh! Ik ben tot uw beschikking.”
Hij nam mijn hand beet en hielp mij overeind. Hij had mijn toestand begrepen. Hij nam mij mee naar zijn huis en gaf de mensen in huis opdracht mij een grote kom melk te geven. Ik dronk die melk. Daarna zei hij: “Drink nog eens, O Abū Hurayrah!”
Ik dronk opnieuw. Hij zei: “Drink nog eens!” Ik dronk weer. Hij zei opnieuw: “Drink nog eens!” Ik dronk opnieuw. Mijn buik, die door de honger ingevallen was, werd door die melk weer helemaal recht en verzadigd.
Op een andere dag ontmoette ik ʿUmar. Ik vertelde hem wat er die dag was gebeurd en zei tegen hem: “Na dat ik bij jou was weggegaan, bracht Allāhu (تعالى) iemand op mijn pad die mij voedde en beter in staat was mij te helpen dan jij. Weet je nog dat ik je die dag vroeg om mij een āyah voor te lezen en te onderwijzen? Terwijl ik die āyah eigenlijk zelf beter kon reciteren dan jij.”
Toen zei ʿUmar (رضي الله عنه) tegen mij: “O Abū Hurayrah! Ik zou het verkiezen jou die dag mee naar mijn huis te nemen en jou te voeden boven het bezit van de kostbaarste rijkdom van deze wereld.”
Over de ontberingen die Abū Hurayrah (رضي الله عنه) door honger heeft doorgemaakt zijn er nog andere overleveringen.
Zou (an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn Abū Hurayrah ooit hongerig laten?
Al deze gebeurtenissen laten in wezen zien dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zelf ook moeite had om rond te komen. Als Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) materiële middelen in handen had gehad, zou hij zijn Abū Hurayrah zeker niet in zo’n hongerige en ellendige toestand hebben gelaten. Allāhu (تعالى) heeft hem immers opgedragen:
وَٱصۡبِرۡ نَفۡسَكَ مَعَ ٱلَّذِينَ يَدۡعُونَ رَبَّهُم بِٱلۡغَدَوٰةِ وَٱلۡعَشِيِّ يُرِيدُونَ وَجۡهَهُۥۖ وَلَا تَعۡدُ عَيۡنَاكَ عَنۡهُمۡ تُرِيدُ زِينَةَ ٱلۡحَيَوٰةِ ٱلدُّنۡيَاۖ وَلَا تُطِعۡ مَنۡ أَغۡفَلۡنَا قَلۡبَهُۥ عَن ذِكۡرِنَا وَٱتَّبَعَ هَوَىٰهُ وَكَانَ أَمۡرُهُۥ فُرُطٗا ٢٨
En blijf geduldig (door te zijn) met degenen die hun Heer in de ochtend en de avond aanroepen, zodoende (slechts) Zijn aangezicht zoekend. En wend jouw ogen niet van hen af, omdat je de pracht en praal van het leven op aarde verlangt. Gehoorzaam niet degenen wiens harten Wij achteloos voor Onze overdenking hebben gemaakt. Hij, die zijn eigen lusten volgt in buitensporige zaken. (Kahf, 18:28)
Daarom deelde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), wanneer hem iets bereikte, dit onmiddellijk uit aan zijn arme metgezellen, zodat hij een dankbare ‘rijke’ werd. Op andere dagen kon hij noch zijn familie noch zijn arme metgezellen voeden; op die dagen was hij een geduldige ‘arme’.
De opoffering van de metgezellen
De metgezellen zoals Abū Hurayrah (رضي الله عنه) die armoede leden, waren niet weinig in aantal. Zij namen genoegen met slechts genoeg voedsel om hun rug recht te houden, bleven in het gezelschap van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), leerden zo de Islām rechtstreeks van hem, en droegen wat zij leerden over aan anderen.
Indien nodig namen zij hun plaats in binnen de legers van de islam om de dīn te verspreiden, onderwezen zij de nieuwe mu’mins in de veroverde gebieden onze mooie religie, en droegen zij met deze grenzeloze toewijding de dīn van Allāhu (تعالى) over aan Zijn dienaren. Moge Allāhu (تعالى) tevreden over hen zijn.
72. Hadith
Van Mālik ibn Dīnār (رحمه الله), hij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft in zijn leven nooit tot verzadiging gegeten /zijn buik gevuld met brood of vlees. Alleen wanneer hij samen met anderen at, werd hij verzadigd.”
Ook zei Mālik ibn Dīnār: Ik vroeg aan een bedoeïen naar de betekenis van het woord “daff” dat in een ḥadīth voorkomt. Hij antwoordde dat dit woord betekent: “samen met anderen eten.”
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) at wanneer hij alleen was nooit brood en vlees tot volledige verzadiging. Daarmee leerde hij ons dat men het wereldse leven en de genietingen ervan niet te belangrijk moet maken. Zoals hij in een ḥadīth zei, herinnerde hij er voortdurend aan dat “het ware leven het hiernamaals is”.
De betekenis van “tot verzadiging eten”
Wanneer hij alleen at, at Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) niet tot volledige verzadiging brood en vlees. Maar bij gastmaaltijden en bruiloften, wanneer hij samen met anderen at, at hij wel “tot verzadiging”.
Hoe moet “tot verzadiging eten” worden begrepen? An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft ons dit zelf uitgelegd: het betekent dat men de maag voor één derde vult met voedsel.
Laten we deze bekende ḥadīth hier nogmaals herinneren:
Van al-Miqdād ibn Maʿdīkarib (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:
“De zoon van Ādam heeft geen gevaarlijker vat gevuld dan zijn maag. Het is voldoende voor de mens om enkele happen te nemen waarmee hij overeind blijft. Maar als hij per se meer moet eten, laat hij dan een derde voor voedsel, een derde voor drank en een derde voor ademruimte.”
Waarom is de maag een gevaarlijk vat?
Waarom noemde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de maag een gevaarlijk vat? Omdat overmatig eten iemands gezondheid in gevaar brengt. De mens moet juist matigheid betrachten in eten en drinken om gezond te blijven, zijn kracht te behouden en zo zijn aanbiddingen op de juiste manier te kunnen verrichten.
De tien voordelen van weinig eten
Imām al-Ghazālī heeft hierover de volgende adviezen gegeven:
Wanneer de mens hongerig is, stroomt er niet te veel bloed naar hart en hersenen, waardoor het denkvermogen toeneemt en het begrip en de intuïtie zich ontwikkelen. Voortdurende verzadiging brengt luiheid voort en verdooft het hart; het leidt tot verlies van snelle begripsen verwerkingscapaciteit.
Weinig eten en honger zorgen voor zachtheid van het hart en innerlijke rust/ gemoedsrust. Het genieten van het gedenken (dhikr) van Allāhu (تعالى),het plezier beleven, het geraakt worden en het voortzetten van de dhikr worden daardoor mogelijk.
De mens keert zich in tijden van honger oprechter tot zijn Rab, beseft zijn dienaarschap, herkent zijn zwakte, richt zich op de aanbidding (ʿibādah) van Allāhu (تعالى), verwijdert zich van trots en arrogantie, en begrijpt de grootheid, genade en oneindige barmhartigheid van zijn Rab.
Een hongerig mens begrijpt de toestand van behoeftigen, armen en kansarmen. Een verzadigd mens begrijpt de hongerige niet. Daarom waarderen degenen die honger ervaren de gunsten van Allāhu (تعالى) meer en vergeten zij Zijn beproeving en bestraffing niet. Want sommige mensen worden beproefd met overvloedige voorzieningen, anderen met honger.
De ziel (nafs) is datgene wat de mens naar alle vormen van kwaad aanzet. Beheersing van de nafs wordt bereikt door weinig eten en honger, omdat ongehoorzaamheid aan het gebod van Allāhu (تعالى) voortkomt uit kracht en begeerte, en de bron daarvan is (verzadigd) eten en drinken. Minder eten verzwakt begeerte en kracht.
Honger voorkomt overmatig slapen, want wie veel eet, slaapt veel. Veel slaap maakt het hart donker, belemmert het denken/ de werking van de geest en verhindert activiteit. Wie veel slaapt, kan zijn dienaarschap tegenover Allāhu (تعالى) niet naar behoren vervullen. Onze geleerden beschouwen overmatig slapen als de oorzaak van vele rampen.
Weinig eten maakt het gemakkelijker om ʿibādāt voort te zetten en zorgt voor waakzaamheid van hart en ziel. Het voorkomt verspilling van tijd. Toen aan de grote zāhid ʿAlī al-Jurjānī werd gevraagd waarom hij voortdurend soep dronk, zei hij: “Tegen de tijd dat ik een droog stuk brood kauw en doorslik, gedenk ik zeventig keer Allāhu (تعالى). Daarom heb ik al veertig jaar niet de moeite genomen om brood te kauwen.”
Weinig eten en honger helpen het lichaam gezond te houden en sommige ziekten te voorkomen. Veel ziekten ontstaan door gulzigheid. Overmatig eten speelt vooral een grote rol bij maag-, darm-, harten vaatziekten, en kan ook zowel lichamelijke als geestelijke ziekten veroorzaken.
Wie weinig eet en honger leert verdragen, leeft gemakkelijker, omdat hij leert rond te komen met weinig en overdaad tot gewoonte niet maakt.
Zorgen voor armen, wezen en behoeftigen en in hun noden voorzien behoort tot de belangrijke bevelen en aanbevelingen van onze dīn. Wie weinig eet, kan daardoor beter anderen helpen en bereikt geluk in zowel deze wereld als het hiernamaals. Het geluk voelen van het verblijden van een arme of wees is het grootste geluk.
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), heeft zijn leven altijd in armoede en moeite doorgebracht. Hij zag zelden brood van tarwemeel. Zijn geliefde echtgenote, ʿĀʾishah (رضي الله عنها), beschreef dit als volgt: “Vanaf de dag dat Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) Madinah eerde tot aan zijn overlijden, heeft zijn familie nooit drie dagen achter elkaar hun buik gevuld met tarwebrood.”
Hij werd zelfs niet verzadigd met gerstebrood
Tarwebrood werd beschouwd als een luxe voedsel naast gerstebrood. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) kon soms zelfs gerstebrood niet vinden. Laten we hierover luisteren van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Op een keer zaten sommige mensen samen en aten geroosterd schapenvlees. Toen zij Abū Hurayrah (رضي الله عنه) zagen, nodigden zij hem uit om mee te eten; maar hij ging niet aan tafel zitten en vervolgde zijn weg, terwijl hij de volgende woorden zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) is uit deze wereld heengegaan zonder zelfs verzadigd te zijn van gerstebrood.”
Het feit dat hij geen vlees en brood tot verzadiging at, kwam niet voort uit het niet hebben van deze voorzieningen, maar juist uit zijn afstand nemen van wereldse bezittingen. Terwijl hem zelfs “de sleutels van de schatten van de aarde” waren gegeven, keek hij niet naar wereldse rijkdom; hij benadrukte steeds dat het hiernamaals belangrijker is.
De taal van de bedoeïenen
Aan het einde van deze ḥadīth wordt een technische linguïstische toelichting gegeven.
Mālik ibn Dīnār, de overleveraar van deze ḥadīth, vroeg de betekenis van het woord “daff” aan een bedoeïen. In die tijd spraken de Arabieren die in de woestijn leefden het Arabisch zeer zuiver; zij kenden ook zeldzame woorden en ongebruikelijke woordenschat (gharīb) bijzonder goed. Daarom kwamen de meest bekende taalkundigen vaak uit de bedoeïenen. Om deze reden vroeg Mālik ibn Dīnār de betekenis van dit zeldzame woord aan een bedoeïen.
Een vergelijkbare versie van deze ḥadīth zullen we later onder nummer 377 lezen.
TIENDE HOOFDSTUK: DE LEREN SOKKEN ( KHIFÂF) VAN RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم)
73. ḥadīth
Van Burayda ibn al-Ḥuṣayb al-Aslamī (رضي الله عنه), hij zei: “De Negus (Najāshī) van Abessinië, Ashama, schonk aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een paar zwarte leren sokken zonder enige versiering. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) droeg ze terwijl hij wuḍūʾ had, en later, wanneer hij wuḍūʾ verrichtte, wreef hij eroverheen.”
Zoals de Perzische heersers kisrā werden genoemd, de Romeinse heersers qayṣar, de Syrische koningen Hirakl, de Jemenitische heersers tubbaʿ en de Egyptische koningen firʿawn, zo werden de heersers van Abessinië aangeduid als najāshī.
De najāshī die in deze ḥadīth wordt genoemd, was Ashama (رحمه الله), (overl.9/630).
De heerser die niemand onrecht aandoet (rechtvaardige heerser)
In het vijfde jaar van de islam, toen de onderdrukking van de mu’mins in Makkah ondraaglijk werd, zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dat er in Abessinië een rechtvaardige heerser was die niemand onrecht aandeed, en hij stond toe dat wie wilde daarheen kon emigreren.
In dat jaar migreerden vijftien moslims, waaronder vier vrouwen, naar Abessinië. Het jaar daarop vertrok een nog grotere groep moslims daarheen.
Najāshī Ashama behandelde deze moslim emigranten zeer goed en zorgde ervoor dat zij in vrede konden leven.
Dertien jaar later, toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de heersers uitnodigde tot de islam, stuurde hij in het zevende jaar van de hidjrah via de metgezel ʿAmr ibn Umayya ad-Ḍamrī (رضي الله عنه) een brief en een geschenk naar Ashama. Hij nodigde hem uit tot de islam en vroeg hem tevens de moslims uit Abessinië naar Madīnah te sturen. Ashama accepteerde de islam toen hij de brief van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ontving en stuurde de moslims terug met twee zeilschepen. Tegelijkertijd schonk hij aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een paar leren sokken, een Egyptisch kledingstuk, een tulband, onderkleding, drie korte speren, een ring en een muilezel.
Om ervoor te zorgen dat de terugkeer van de moslims uit Abessinië naar Madīnah zonder problemen zou verlopen, begeleidde de zoon van de najāshī Ashama hen met zestig mannen in een apart schip. Daarnaast kwam een delegatie van zeventig Abessijnen samen met de emigranten naar Madīna.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) diende deze delegatie persoonlijk als teken van waardering voor de warme gastvrijheid die de Abessijnen aan de emigranten hadden getoond.
Ashama’s begrafenisgebed (salāh al-janazah)
Twee jaar na deze gebeurtenis overleed Ashama. Allāhu (تعالى) toonde zijn begrafenis aan de ogen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), waarna hij vóór het verrichten van de ṣalāh al-janāzah tegen de metgezellen zei: “Vandaag is in Abessinië een rechtschapen man, Ashama, overleden. Kom en verricht de ṣalāh al-janāzah voor hem en vraag vergeving voor hem.”
Daarna ging hij zelf voor en verrichtte de ṣalāh al-janāzah voor de Najāshī.
De door Ashama gezonden leren sokken
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) droeg de leren sokken die Ashama had gestuurd meteen. Dat an-Nabī direct deze gift droeg, laat zien dat hij het geschenk accepteerde en het waardeerde.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) onderzocht niet uit welk materiaal de leren sokken gemaakt waren, maar droeg deze meteen aan zijn gezegende voeten. Met deze houding liet hij ook het uitgangspunt zien dat dingen in principe als rein worden beschouwd. Hij liet met dit gedrag zien dat kleding of soortgelijke voorwerpen die uit een vreemd land komen en waarvan niet bekend is dat ze onrein zijn, zonder aarzeling of twijfel over rein of onrein gedragen kunnen worden.
De ḥadīth waarin vermeld wordt dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) leren sokken droeg en eroverheen wreef bij wuḍūʾ is door meer dan zestig metgezellen overgeleverd en wordt beschouwd als een van de mutawātir-aḥadīth (overleveringen die door zóveel overleveraars in elke schakel van de keten is doorgegeven dat het normaal gesproken onmogelijk is dat ze samen een leugen verzonnen hebben).
74. Hadith
Van Mugīra ibn Shuʿba (رضي الله عنه), hij zei: “Dihya ibn Khalīfa al-Kalbī schonk aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) een paar leren sokken; Rasûlullāh droeg deze leren sokken onmiddellijk.”
Imām at-Tirmidhī zei: de ḥadīthgeleerde Isrāʾīl ibn Yūnus (overl. 160/777) heeft deze ḥadīth overgeleverd van de tābiʿī Jābir al-Juʿfī (overl. 128/746), die op zijn beurt overleverde van de tābiʿī geleerde ʿĀmir ash-Shaʿbī (overl. 104/722) dat hij zei:
“Dihya ibn Khalīfa al-Kalbī schonk aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ook een toga. Rasûlullāh droeg die leren sokken (en die toga) totdat ze volledig versleten en gescheurd waren. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hoefde bij het dragen van de leren sokken niet te onderzoeken of het leer van de sokken rein was of niet.”
Imām at-Tirmidhī vermeldt dat Abū Isḥāq, die deze overlevering van ash-Shaʿbī overleverde, niet Abū Isḥāq as-Sabīʿī is, maar Abū Isḥāq Sulaymān ash-Shaybānī.
Hier hebben we twee overleveringen van onze ḥadīth gelezen.
In de eerste overlevering wordt vermeld dat Dihya (رضي الله عنه) aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) een paar leren sokken schonk; in de tweede overlevering wordt vermeld dat hij naast een paar leren sokken ook een toga schonk.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) droeg deze leren sokken zowel in reizende als in niet-reizende situaties. Nadat hij wuḍūʾ had verricht, droeg hij de leren sokken aan zijn gezegende voeten, en wanneer hij opnieuw wuḍūʾ verrichtte, waste hij zijn voeten niet, maar wreef hij over de leren sokken.
Het wrijven over leren sokken (masḥ ʿalā al-khuffayn) door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) is volgens Ahl as-Sunnah met mutawātir aḥadīth vastgesteld. We lazen ook dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bij het dragen van deze leren sokken niet de moeite nam om te onderzoeken of ze rein of onrein leer was vervaardigd. Dat wil zeggen dat hij niet onderzocht van welk dier het leer afkomstig was, noch of het afkomstig was van een op islamitische wijze geslacht dier of van een dood dier, noch of het leer gelooid was of niet.
Dit gedrag van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) toont aan dat zaken waarvan de onreinheid niet bekend is als rein worden beschouwd.
Er wordt overgeleverd van ʿAbdullāh ibn `Abbās (رضي الله عنهما) dat wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn behoefte moest doen, hij zich zo ver verwijderde dat niemand hem kon zien. Op een dag ging hij opnieuw ver weg om die reden. Hij verrichtte wuḍūʾ en trok daarna één van zijn leren sokken aan. Op dat moment kwam er een groene vogel die de andere leren sok oppakte en ermee de lucht in ging. Nadat hij hoog was opgestegen, liet hij de leren sok vallen, en uit de leren sok kwam een pikzwarte slang tevoorschijn.
Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dit zag, zei hij: “Ook dit is voor mij een van Allahs gunsten (karāmah).”
Daarna verrichtte hij de du`ā’:“O Allāhu! Ik zoek mijn toevlucht bij U tegen het kwaad van alles wat op zijn buik kruipt; tegen het kwaad van alles wat op twee benen loopt; en tegen het kwaad van alles wat op vier benen loopt.”
ELFDE HOOFDSTUK: DE SCHOENEN VAN RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم)
75. ḥadīth
Van Qatāda ibn Diʿāmah as-Sadūsī, hij zei: “Ik vroeg aan Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):
‘Hoe waren de sandalen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم)?’
Hij antwoordde: “De sandalen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hadden twee riemen in de band, waarin de tenen van de voet werden geplaatst.”
76. Hadith
Van ʿAbdullāh ibn `Abbās (رضي الله عنهما), hij zei: “De sandalen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hadden in de band twee riemen waarin de tenen van de voet werden geplaatst. De band van zijn sandalen was ook dubbel.”
77.Hadith
Van ʿĪsā ibn Taḥmān (رحمه الله), hij zei: “Wij waren in het gezelschap van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه). Hij haalde twee (onthaarde leren) sandalen tevoorschijn en liet ze aan ons zien. Aan de band van deze sandalen zaten twee vastgenaaide riempjes waar de tenen doorheen konden.”
ʿĪsā ibn Taḥmān vervolgde zijn woorden: “Later ontmoetten wij Sābit al-Bunānī, en hij vertelde mij de overlevering die hij van zijn leraar Anas ibn Mālik had geleerd: Die sandalen die onze leraar Anas ons liet zien (zonder te zeggen van wie ze waren), dat waren de sandalen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).”
Imām at-Tirmidhī heeft in dit hoofdstuk elf aḥadīth vermeld.
Uit deze overleveringen worden de volgende eigenschappen van de sandalen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) opgenoemd:
De sandalen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) waren gemaakt van gelooid leer.
Deze sandalen hadden twee banden.
In deze banden waren twee riemen bevestigd waarin de tenen werden geplaatst.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) trok bij het dragen van sandalen eerst de rechtervoet aan, en bij het uittrekken begon hij met de linkervoet.
Hij keurde het af om slechts één sandaal te dragen en adviseerde of beide tegelijk te dragen of blootsvoets te lopen.
In deze ḥadīth wordt vermeld dat de sandalen twee riemen hadden: één tussen de grote teen en de naastliggende teen, en één tussen de middelste teen en de naastliggende teen.
De term “na`l / na`layn” in de teksten zou eventueel kunnen worden vertaald als ‘klomp’, maar omdat de sandalen van de Ḥijāz anders waren dan de klomp die wij kennen, is gekozen voor de vertaling “sandaal”.
Volgens Eyüp Sabri Paşa verschilt de na`l van de Ḥijāz duidelijk van de Turkse na`l, omdat zij volledig van leer waren gemaakt en daardoor meer op sandalen dan op klompen leken. Bovendien hadden deze na`layn in tegenstelling tot schoenen, geen zijkanten om de voet te beschermen, en ook geen band zoals gewone sandalen.”
Eyüp Sabri Paşa beschrijft ook de situatie in de 19e eeuw en vermeldt dat de na`layn die gebruikt werde in de Ḥijāz, gemaakt werden van leer in Rûm-stijl, versierd met kleurrijke banden en met bevestigingen voor de tenen. Omdat de grond van de Ḥijāz uit zand bestond, waren gewone schoenen onpraktisch: ze raakten snel vol zand en veroorzaakten ongemak. Daarom waren sandalen of na`layn praktischer in die omgeving.
Ḥadīth 77 laat bovendien zien dat deze banden uit dubbele lagen leer bestonden om ervoor te zorgen dat ze stevig waren en niet snel zouden scheuren.
78. Hadith
Van ʿUbayd ibn Jurayj, hij zei tegenʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما): “Ik zie dat u steeds sandalen draagt die van gelooid leer zijn gemaakt. Wat is daarvan de reden?”
Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما) antwoordde hem: “Ik heb gezien dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) sandalen droeg die van gelooid leer waren gemaakt, en dat hij wuḍūʾ verrichtte terwijl deze sandalen nog aan zijn voeten waren. Daarom draag ik zelf ook liever sandalen van gelooid leer, in nauwgezette navolging van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), droeg sandalen van leer waar het haar van verwijderd was, dus gelooid leer. Dit wordt ons overgeleverd doorʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما).
Ibn ʿUmar was de broer van onze moeder Ḥafṣa, een van de vrouwen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), waardoor hij hem zeer vaak kon zien. ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما) stond bekend om zijn nauwgezette navolging van alles wat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deed, waardoor zijn uitspraken voor ons van groot belang zijn.
De overleveraar ʿUbayd ibn Jurayj vroeg Ibn ʿUmar: “Ik heb gezien dat jij deze sandalen van gelooid leer draagt, terwijl andere metgezellen dit niet deden. Waarom draag jij ze?”
Ibn ʿUmar antwoordde: “Niet uit luxe of liefde voor dure kleding draag ik deze sandalen, maar alleen omdat ik Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ze heb zien dragen, en ik hem wil volgen in alles wat hij deed.”
Daarna wordt de vraag gesteld: zoals we in de bovenstaande ahadith zien, waarom droeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) die altijd eenvoudige kleding verkoos, dan zulke dure sandalen? Het korte antwoord is: hij droeg die dure sandalen omdat hij die als geschenk werden gekregen.
`Abdullah Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما) vermeldt verder dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deze gelooide sandalen droeg terwijl hij wuḍūʾ verrichtte. Dat onze Nabī (صلى الله عليه وسلم) na de wassing de leren schoen aantrok terwijl zijn gezegende voeten nog nog vochtig waren, laat ons het volgende zien: Sandalen die van gelooid leer zijn gemaakt, waarbij het haar is verwijderd en het leer is behandeld, zijn rein en mogen gedragen worden. Sandalen van onbehandeld leer met haar erop zijn daarentegen minder schoon omdat zij vuil gemakkelijker vasthouden.
79. Hadith
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), hij zei: “De sandalen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hadden twee riemen in de band.”
Deze ḥadīth is reeds eerder in vergelijkbare bewoordingen overgeleverd door Anas ibn Mālik en ʿAbdullāh ibn `Abbās (رضي الله عنهم) in de ḥadīths 75, 76 en 77, en is daar reeds toegelicht. Een overlevering met dezelfde inhoud zal opnieuw terugkomen onder nummer 86, met aanvullende informatie.
80. Hadith
Van as-Suddī, hij zei: De overleveraar die aḥadīth overlevert van ʿAmr ibn Ḥurayth (رضي الله عنه) (overl. 85/704), namelijk ʿAṭāʾ ibn Sāʾib, heeft mij bericht dat hij zei: “Ik heb Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gezien terwijl hij ṣalāh verrichtte met sandalen aan zijn voeten die van dubbel leer waren genaaid.”
Deze ḥadīth laat zien dat het toegestaan is om de ṣalāh te verrichten met schone sandalen. Er wordt ook gezegd dat de ṣalāh die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte terwijl hij deze dubbele leren sandalen droeg, een ṣalāh al-janāzah was.
Van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) is bovendien het volgende voorval bekend: Op een dag leidde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh voor zijn metgezellen. Zowel hij als de metgezellen droegen sandalen tijdens de ṣalāh.
In die tijd trokken de joden hun schoenen en leren sokken uit tijdens het aanbidden, omdat zij geloofden dat men niet met schoenen mocht bidden. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم), die hen in vele zaken tegen hen inging, maakte duidelijk dat ṣalāh met schoenen toegestaan is, mits ze rein/schoon zijn.
De metgezellen zagen dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tijdens de ṣalāh zijn sandalen uittrok en ze aan zijn linkerzijde neerlegde. Ook zij trokken, net als hij, hun sandalen uit.
Na afloop van de ṣalāh vroeg hij: “Waarom hebben jullie jullie sandalen uitgedaan tijdens de ṣalāh?”
Zij antwoordden:”Wij zagen dat u uw sandalen uittrok, dus hebben wij hetzelfde gedaan.”
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) legde de zaak uit en zei: “Tijdens de ṣalāh kwam Jibrīl naar mij en vertelde mij dat er onreinheid op mijn sandalen zat. Daarom was ik genoodzaakt ze uit te trekken.”
81. hadith
Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Laat niemand van jullie ooit rondlopen met één voet geschoeid en de andere ongeschoeid. Hij dient óf beide schoenen te dragen, óf ze allebei uit te trekken en zo te lopen!”
Met aan de ene voet een schoen, een leren sok of een sok lopen terwijl de andere voet blootvoets is, is allereerst een belachelijk gezicht. Bovendien wekt zulk gedrag de indruk dat iemand niet goed bij zijn verstand is. Hetzelfde geldt voor iemand die één mouw van zijn overhemd of jas aantrekt en de andere niet.
Deze regel geldt in feite voor alle kledingstukken die als paar worden gedragen, zoals slippers, klompen, laarzen, rijlaarzen en sandalen.
Er zijn verschillende redenen waarom het afkeurenswaardig wordt geacht om met slechts één schoen te lopen. De bekende Mālikitische faqīh en muḥaddith Abû Bakr Ibn al-ʿArabī (overl. 543/1148) noemde deze manier van lopen zelfs “de gang van de shayṭān” om de afkeurenswaardigheid ervan duidelijk te maken.
Lopen met één schoen aan en één blote voet kan ertoe leiden dat iemand zijn evenwicht verliest en valt, waardoor hij lichamelijke schade oploopt. Daarnaast kan het ertoe leiden dat mensen hem uitlachen, waardoor zowel zij als hijzelf in zonde vervallen en zo geestelijke schade ondervinden.
Om welke reden dan ook verbood onze Nabī (عليه الصلاة والسلام) een toestand die zowel het lichaam als de waardigheid van een mens kan aantasten. Daarom zei hij:
“Als de veter van een van jullie breekt, laat hem dan niet op één schoen lopen totdat hij die heeft gerepareerd. Laat hem ook niet op één leren sok lopen. En laat hem niet met zijn linkerhand eten.”
82. hadith
Imâm at-Tirmidhī heeft deze hadith, zoals hier te zien is, via een andere keten van overleveraars (isnād) overgeleverd dan de voorgaande overlevering.
83. hadith
Van Jābir ibn ʿAbdillāh (رضي الله عنه), hij zei :An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft verboden met de linkerhand te eten en te lopen terwijl één voet geschoeid is en de andere ongeschoeid.
In deze hadith heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) twee zaken verboden:
eten met de linkerhand;
lopen met één schoen aan en de andere blootvoets.
De aard van het tweede verbod hebben wij reeds uitgelegd bij hadith nr. 81. Laten wij nu het verbod op eten met de linkerhand bespreken.
Waarom an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het eten met de linkerhand verbood, leren wij uit de volgende hadith: “Wanneer iemand van jullie eet, laat hem dan met zijn rechterhand eten; en wanneer hij drinkt, laat hij dan met zijn rechterhand drinken. Want de shayṭān eet met zijn linkerhand en drinkt met zijn linkerhand.”
Hieruit blijkt dat het verbod op eten en drinken met de linkerhand is ingesteld om niet op de shayṭān te lijken.
Onze Nabī (عليه الصلاة والسلام), die bij elke gelegenheid zijn toevlucht zocht bij Allāhu (تعالى) tegen de shayṭān, waarschuwde degenen die met hun linkerhand aten of dronken. Hij adviseerde de moslims zich ervoor te hoeden op de shayṭān te lijken.
Zo zag hij eens een man genaamd Busr ibn Rāʿī, die met zijn linkerhand at. Hij waarschuwde hem: “Eet met je rechterhand!”
Maar de man antwoordde hoogmoedig: “Ik kan het niet.”
Hij loog daarmee. Hoewel Allāhu (تعالى) de mu'mins in de Qur'ān herhaaldelijk heeft bevolen:
مَّن يُطِعِ ٱلرَّسُولَ فَقَدۡ أَطَاعَ ٱللَّهَۖ وَمَن تَوَلَّىٰ فَمَآ أَرۡسَلۡنَٰكَ عَلَيۡهِمۡ حَفِيظٗا ٨٠
Hij, die de Boodschapper gehoorzaamt, heeft zeker Allah gehoorzaamd. Maar degene die zich afkeert, Wij hebben jou niet als toezichthouder naar hen gestuurd. (Nisā, 4:80) , negeerde deze man de aanwijzing van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) niet omdat hij er werkelijk niet toe in staat was, maar vanwege zijn arrogantie.
Toen hij zich op deze respectloze wijze niets aantrok van het bevel van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen hem: “Moge je het dan niet kunnen!
Na die vervloeking kon de man zijn hand nooit meer naar zijn mond brengen.
Dat kinderen al op jonge leeftijd moeten worden opgevoed om met de rechterhand te eten, heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ook met zijn eigen voorbeeld duidelijk gemaakt.
Aan zijn stiefzoon ʿUmar ibn Abī Salamah (رضي الله عنه), die bij het overlijden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nog maar negen jaar oud was, leerde hij hem, toen hij nog een klein kind was, hoe hij moest eten: “Mijn zoon! Kom dichter bij de eetkleed.
Zeg: Bismillāh. Eet met je rechterhand. En eet steeds van wat zich vóór je bevindt!”
Waarom mogen wij niet met de linkerhand eten?
Onze Nabī (عليه الصلاة والسلام) legde de reden daarvan uit met de woorden:
“Eet niet met jullie linkerhand, want de shayṭān eet met zijn linkerhand.”
84. hadith
Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer iemand van jullie zijn schoenen aantrekt, laat hem dan eerst zijn rechtervoet aantrekken. En wanneer hij zijn schoenen uittrekt, laat hem dan eerst zijn linkervoet uit de schoen halen. Laat de rechtervoet dus de voet zijn die het eerst wordt geschoeid en als laatste wordt ontbloot.”
85.hadith
Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها) ze zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hield ervan om, voor zover mogelijk, bij het kammen van zijn haar en baard, bij het aantrekken van zijn schoenen en bij het verrichten van de wuḍūʾ met de rechterzijde te beginnen.”
Wij leren van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hoe wij onze dīn moeten beleven en toepassen. Van de principes van ādab (goede manieren) en akhlāq (karakter) tot aan de vraag voor welke handelingen wij onze rechterof linkerhand dienen te gebruiken: wij leren dit alles van hem.
Onze Nabī (صلى الله عليه وسلم) adviseerde ons om bij het eten, drinken, aankleden en verrichten van de wuḍūʾ de rechterhand te gebruiken. Zo adviseerde hij bijvoorbeeld om bij het aantrekken van schoenen met de rechtervoet te beginnen en bij het uittrekken eerst de linkerschoen uit te doen. Zelf handelde hij eveneens op deze wijze.
Hij verbood nadrukkelijk om bij het urineren het geslachtsdeel met de rechterhand vast te houden en om de rechterhand te gebruiken bij het reinigen na de grote behoefte. Zulke handelingen dienden met de linkerhand te worden verricht. Ook adviseerde hij de neus met de linkerhand te reinigen. Zelf deed hij dat eveneens zo.
Wij omarmen de zaken die hij deed en die hij ons heeft aanbevolen als de Sunnah van onze geliefde Nabī (صلى الله عليه وسلم), en wij proberen deze uit te voeren zoals wij ze van hem hebben geleerd.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) achtte het passend om bij het binnengaan van de masjid met de rechtervoet naar binnen te stappen en bij het verlaten met de linkervoet. Bij het betreden van het toilet diende men eerst de linkervoet naar binnen te zetten (en bij het verlaten eerst rechtervoet naar buiten te zetten). Bij het aantrekken van een overhemd, pyjama of broek diende men rechts te beginnen, en bij het uittrekken te beginnen met de linkermouw of het linkerbeen.
Ook dient men iets met de rechterhand aan te nemen en te geven. Men dient met de rechterhand de hand te schudden en bij het knippen van de nagels rechts te beginnen.
De uitdrukking “voor zover mogelijk” in de hadith betekent: “voor zover jullie daartoe in staat zijn”. Allāhu (تعالى) houdt de mens immers niet verantwoordelijk voor wat buiten zijn vermogen ligt.
فَٱتَّقُواْ ٱللَّهَ مَا ٱسۡتَطَعۡتُمۡ وَٱسۡمَعُواْ وَأَطِيعُواْ وَأَنفِقُواْ خَيۡرٗا لِّأَنفُسِكُمۡۗ وَمَن يُوقَ شُحَّ نَفۡسِهِۦ فَأُوْلَٰٓئِكَ هُمُ ٱلۡمُفۡلِحُونَ ١٦
Vrees daarom Allah volgens jullie vermogen; luister en gehoorzaam en geef in liefdadigheid, dat is beter voor jullie. En wie van zijn eigen hebzucht wordt gered, is succesvol. (Taghābun, 64:16), deze āyah wijst hierop.
Ook zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Wanneer ik jullie iets opdraag, voer het dan uit voor zover jullie daartoe in staat zijn.”
Deze āyah en deze hadith tonen aan dat gemak een fundamenteel beginsel van de Islām is en dat onze prachtige dīn ons niet verplicht tot zaken die buiten ons vermogen liggen.
Wie werkelijk niet in staat is om de handelingen die met de rechterof linkerhand worden aanbevolen op die wijze uit te voeren, mag deze zonder bezwaar met de andere hand worden verrichten. De bekende fiqh-regel luidt immers:
“Noodzaak maakt het verboden geoorloofd”
Een soortgelijke hadith is eerder reeds vermeld onder nummer 34, waar de noodzakelijke toelichting daarop is gegeven.
86. hadith
Van ʿĪsā ibn Ṭahmān (رحمه الله) hij zei:”De sandalen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), van Abû Bakr (رضي الله عنه) en van ʿUmar (رضي الله عنه) hadden in de riem twee bandjes waardoor de tenen werden gestoken. De eerste wiens sandaal slechts één bandje had, was ʿUthmān (رضي الله عنه).”
In de ahadith 75 tot en met 77 werd reeds vermeld dat de sandalen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) twee bandjes hadden die aan de riem waren bevestigd zodat de tenen erdoorheen konden worden gestoken. De benodigde uitleg hierover werd gegeven bij hadith nr. 77.
Hier leren wij dat ook de sandalen van Abû Bakr (رضي الله عنه) en ʿUmar (رضي الله عنه) op dezelfde wijze waren gemaakt, terwijl de sandaal van ʿUthmān (رضي الله عنه) slechts één bandje had.
Heeft ʿUthmān (رضي الله عنه) de Sunnah niet gevolgd?
Men zou zich kunnen afvragen: terwijl de twee intieme vrienden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), namelijk Abû Bakr (رضي الله عنه) en ʿUmar (رضي الله عنه), hetzelfde type sandalen droegen als onze Nabī (صلى الله عليه وسلم) en daarmee zijn Sunnah volgden, heeft ʿUthmān (رضي الله عنه) deze Sunnah dan niet gevolgd?
Dit is echter geen juiste vraag. De vorm van de riem van de sandaal van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) behoort namelijk niet tot de Sunnah in religieuze zin; het was eenvoudigweg een gebruikelijke gewoonte van die tijd. Dat ʿUthmān (رضي الله عنه) een sandaal met één bandje droeg, laat juist zien dat dit geen Sunnah was, maar een gewoonte, en dat het ook op een andere manier gedaan kon worden.
Deze ummah is ʿUthmān (رضي الله عنه) hiervoor dank verschuldigd. Als hij geen andere sandaal had gedragen dan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), Abû Bakr (رضي الله عنه) en ʿUmar (رضي الله عنه), dan zouden de mensen wellicht hebben gedacht dat een sandaal met twee bandjes Sunnah was en dat een andere uitvoering makrûh zou zijn. Moge Allāhu (تعالى) tevreden met hem zijn. Door zijn handelwijze heeft ʿUthmān (رضي الله عنه) duidelijk gemaakt dat dit niet het geval is. Hij liet zien dat het dragen van een ander type schoeisel dan dat van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) geen strijdigheid met de Sunnah inhoudt.
Daarom kunnen wij gerust zeggen dat het dragen van dergelijke sandalen in die tijd een gewoonte was, terwijl het dragen van de schoenen die wij tegenwoordig gebruiken eveneens een gewoonte van onze tijd is.
Wat wij hier moeten begrijpen, is dat de handelingen van onze Nabī (صلى الله عليه وسلم) in vier categorieën worden onderverdeeld:
mubāḥ (toegestane) handelingen;
mustaḥab (aanbevolen) handelingen;
wājib (verplichte) handelingen;
farḍ (verplichte) handelingen.
Het dragen van schoenen behoort tot de mubāḥ handelingen.
TWAALFDE HOOFDSTUK: HET GEZEGENDE ZEGEL VAN RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم)
87.Hadith
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) hij zei: “Het gezegende zegel van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was van zilver; de steen van het zegel was een Ethiopische steen die ʿaqīq (agaat of chalcedoon) wordt genoemd.”
In dit hoofdstuk zullen wij acht ahadith lezen over de zegelring waarmee Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn brieven verzegelde.
In vroegere tijden bestond de gewoonte van het ondertekenen van officiële documenten niet. In plaats van een handtekening gebruikte men een zegel.
De inscriptie op de zegelsteen
Zoals wij zullen lezen in hadith nr. 90, besloot onze Nabī (صلى الله عليه وسلم) in het zevende jaar na de Hijrah (629 n.Chr.) brieven te sturen naar de omringende heersers om hen uit te nodigen tot de Islām. Een van de Ṣaḥābah vertelde hem toen dat buitenlandse vorsten ongezegelde brieven niet lazen. Daarop liet an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) een zilveren zegel vervaardigen. Zoals wij ook zullen zien in hadith nr. 91, liet Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op de steen van de ring die hij als zegel zou gebruiken de woorden:
‘Muḥammad-Rasûl-Allāh’, graveren, waarbij de tekst van onder naar boven gelezen werd en ieder woord op een afzonderlijke regel stond.
De zilveren ring
Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) vermeldt in de hadith die wij nu bespreken dat de zegelring van onze Nabī (عليه الصلاة والسلام) van zilver was vervaardigd. Zoals wij zullen lezen in hadith nr. 104 had Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) eens een gouden ring gedragen. Toen hij zag dat ook de Ṣaḥābah hem daarin navolgden en gouden ringen begonnen te dragen, deed hij zijn ring af en wierp deze weg. Daarna droeg hij nooit meer een gouden ring.
Onze geliefde Nabī (صلى الله عليه وسلم) achtte het voor mannen niet passend om andere ringen dan zilveren ringen te dragen. De volgende hadith toont dit aan:
Op een dag kwam een man met een messing ring aan zijn vinger naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tegen hem: “Waarom ruik ik bij jou de geur van afgodsbeelden?”
Daarop deed de man zijn messing ring af en wierp deze weg.
Later verscheen dezelfde man opnieuw bij onze Nabī (صلى الله عليه وسلم), ditmaal met een ijzeren ring aan zijn vinger.
Toen zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Waarom zie ik bij jou de versiering van de bewoners van de Hel?”
Daarop deed de man ook zijn ijzeren ring af en wierp deze weg.
Vervolgens vroeg hij: “O Rasûlullāh, van welk materiaal moet ik dan een ring dragen?”
Onze Nabī (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Draag een zilveren ring, maar laat het gewicht ervan niet een mithqāl bereiken!”
Een mithqāl is een gewichtseenheid van iets minder dan vijf gram. Om precies te zijn bedraagt één mithqāl 4,80 gram.
De geur van afgodsbeelden
Omdat afgodsbeelden doorgaans van messing werden vervaardigd, zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen de man met de messing ring: “Waarom ruik ik bij jou de geur van afgodsbeelden?”
En omdat de kāfirs bewoners van de Hel zijn en zij daar met ijzeren boeien zullen worden vastgeketend, gebruikte onze Nabī (صلى الله عليه وسلم) tegenover de ṣaḥābī met de ijzeren ring de beeldende uitdrukking: “Waarom zie ik bij jou de versiering van de bewoners van de Hel?”
Er is ook gezegd dat onze Nabī (صلى الله عليه وسلم) het dragen van een ijzeren ring afkeurde vanwege de onaangename geur ervan.
Zelfs al is het een ijzeren ring
Hier kan men zich een gebeurtenis herinneren die tijdens het Tijdperk van Geluk (ʿAṣr as-Saʿādah) plaatsvond in de aanwezigheid van onze Nabī (صلى الله عليه وسلم) en die betrekking had op een ijzeren ring. Daardoor zou men kunnen denken dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het dragen van een ijzeren ring heeft toegestaan.
Een vrouw kwam eens naar onze Nabī (صلى الله عليه وسلم) en vroeg hem met haar te trouwen. Toen een arme man merkte dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) niet op dit voorstel inging, zei hij tegen hem: “Als u geen behoefte hebt aan deze vrouw, huw haar dan met mij.”
Daarop vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aan die man of hij in staat was een bruidsschat (mahr) te geven, aangezien een huwelijk een mahr vereist. Toen de man antwoordde dat hij daartoe niet in staat was, zei onze Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Ga en zoek iets, al is het maar een ijzeren ring.”
Volgens onze geleerden bewijst deze gebeurtenis niet dat het dragen van een ijzeren ring toegestaan is. Mogelijk vond dit voorval plaats voordat het verbod op het dragen van ijzeren ringen werd uitgesproken.
Volgens een andere uitleg bedoelde onze Nabī (صلى الله عليه وسلم) met de woorden:
“Ga en zoek iets, al is het maar een ijzeren ring,” niet dat een ijzeren ring gedragen mocht worden, maar dat men hoe dan ook een mahr moest geven, zelfs als deze slechts de waarde van een ijzeren ring had.
Volgens de overlevering in Sunan at-Tirmidhī verscheen diezelfde man later voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) met een gouden ring. Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen hem: “Doe de versiering van de bewoners van het Paradijs van je af!”
Hiermee maakte hij duidelijk dat het voor mannen in deze wereld verboden is gouden ringen te dragen en dat zij goud als sieraad pas in het Paradijs zullen dragen.
De ʿaqīq-steen (agaat/chalcedoonsteen)
De overleveraar van onze hadith, Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), vertelt dat de steen van de ring waarop “Muḥamma- Rasûl-Allāh” gegraveerd stond, een ʿaqīq-steen was.
In die tijd werd ʿaqīq meestal uit Ḥabashah (Ethiopië) of uit Yemen ingevoerd. Omdat ʿaqīq een harde steensoort is, was deze zeer geschikt om als zegelsteen te gebruiken.
Volgens een overlevering van ʿĀʾishah (رضي الله عنها) moedigde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het dragen van een ring met een ʿaqīq-steen aan en zei: “Draag ringen van ʿaqīq, want deze steen is gezegend.”
In hadith nr. 89 zullen wij lezen dat onze Nabī (صلى الله عليه وسلم) nog een andere zilveren ring bezat, waarvan de zetting eveneens van zilver was.
Het is ook nuttig hier te vermelden dat in de overleveringen over de ring van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) geen beschrijving wordt gegeven van de vorm ervan.
Er wordt geen informatie verstrekt over de vraag of de steen rond, driehoekig of vierkant was.
88. hadith
Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما), hij zei: “An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) liet een zilveren zegelring maken. Hij gebruikte deze ring wanneer hij een document wilde verzegelen, maar hij droeg haar niet voortdurend aan zijn vinger.”
Imām at-Tirmidhī vermeldde dat Abû Bishr, die in de overleveringsketen voorkomt, in werkelijkheid Jaʿfar ibn Abī Waḥshiyyah heette.
In de maand Dhû al-Qaʿdah van het zesde jaar na de Hijrah (maart/april 628 n.Chr.) besloot Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de heersers van zijn tijd uit te nodigen tot de Islām en hun daarvoor brieven te sturen. De zegelring die in deze hadith wordt genoemd, liet hij vervaardigen om juist die brieven te verzegelen. In shāʾ Allāh zullen wij deze gebeurtenis uitgebreider bespreken bij hadith nr. 90.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) liet deze brieven vervolgens in de maand Muḥarram van het zevende jaar na de Hijrah (mei/juni 628 n.Chr.) verzegelen en naar de verschillende vorsten sturen. Er wordt vermeld dat hij vóór die tijd zijn brieven en documenten verzegelde met de afdruk van zijn nagel.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) droeg deze zegelring niet voortdurend aan zijn vinger.
De hadithgeleerde en ḥāfiẓ Abû Sulaymān al-Khaṭṭābī (رحمه الله) (overl. 388/998), evenals andere geleerden, verklaarden dit door te wijzen op de nederigheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en op het feit dat hij een ring ook als een vorm van sieraad beschouwde.
Mīrek Shāh, een van de commentatoren van ash-Shamāʾil al-Muḥammadiyyah, zei hierover: “Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een brief wilde verzegelen, deed hij de ring van zijn vinger af, verzegelde hij de brief en deed hij de ring vervolgens weer om. Terwijl de ring aan zijn vinger zat, gebruikte hij deze niet als zegel.
Dit betekent echter niet dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nooit een ring droeg.
Dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de ring niet voortdurend aan zijn vinger hield, was een uiting van zijn nederigheid (tawāḍuʿ), zijn afkeer van uiterlijk vertoon en zijn afstand tot hoogmoed. Want bij iemand die voortdurend een ring draagt, bestaat altijd het gevaar dat hij door trots en zelfingenomenheid wordt getroffen.”
89. hadith
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), hij zei: “An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had een zilveren zegelring, en ook de zetting van deze ring was van zilver.” [450]
In de hadith nr. 87 leerden wij de beschrijving van het gezegende zegel van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Daar zagen wij dat de steen van die ring van een Ethiopische ʿaqīq-steen was. Uit deze hadith leren wij dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) nog een tweede ring bezat, waarvan zowel de ring zelf als de zetting volledig van zilver waren.
Uit een andere overlevering leren wij dat de ring van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) oorspronkelijk een ijzeren ring was die met zilver was bedekt.
De gebeurtenis waarbij de zilveren ring van Rasûlullāh verloren ging, zal worden besproken in hadith nr. 94.
90. hadith
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), hij zei: “Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) buitenlandse heersers wilde uitnodigen tot de Islām en hun daarom brieven wilde sturen, zei een van de Ṣaḥābah tegen an-Nabī (عليه الصلاة والسلام) dat buitenlandse heersers geen waarde hechtten aan brieven zonder zegel. Daarop liet Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een zegelring maken.”
Anas ibn Mālik vervolgde: “Het is nog steeds voor mijn ogen alsof ik de manier zie waarop die zegelring aan de gezegende vinger van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) schitterde.”
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had in het zevende jaar na de Hijrah het Verdrag van Ḥudaybiyyah met de Mekkanen gesloten. Hij maakte gebruik van de rust die dit verdrag bracht om brieven te sturen naar buitenlandse heersers en vooraanstaande personen, met de uitnodiging tot de Islām.
In deze hadith wordt deze gebeurtenis aangeduid met de woorden dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) “de niet-Arabieren (ʿajam) wilde aanschrijven”. In onze taal gebruiken wij “ʿajam” vaak specifiek voor Perzen, maar bij de Arabieren verwijst het naar iedereen die geen Arabier is.
Zij lezen geen ongezegelde brieven
Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn Ṣaḥābah vertelde dat hij deze koningen wilde uitnodigen tot de Islām, zei een ṣaḥābī die hiervan kennis had dat buitenlandse heersers geen waarde hechtten aan ongezegelde brieven. In die tijd beschouwden koningen een brief zonder zegel als een teken van gebrek aan respect, en daarom vertrouwden zij zulke brieven niet.
Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) vermeldt dat de zilveren ring van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) helder en opvallend glansde aan zijn gezegende vinger. Die glans kwam doordat de ring van zilver was gemaakt.
De ring zat aan zijn pink
In Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, eveneens overgeleverd door Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), leren wij dat deze glanzende ring zich aan de pink van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bevond.
Omdat de ring van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) van zilver was, hebben de geleerden van de Islām geconcludeerd dat het voor mannen passend is om een zilveren ring te dragen.
Over de positie van de steen van de ring
Er is geen authentieke overlevering die expliciet aangeeft of de steen van de ring naar binnen (richting de handpalm) of naar buiten gericht was.
Sommige geleerden hebben gezegd dat wanneer de steen naar buiten gericht is, dit kan doen denken aan pronkzucht; daarom gaven zij de voorkeur aan het naar binnen dragen ervan, zodat het niet zichtbaar is.
Als iemand de ring echter niet uit ijdelheid of pronkzucht draagt, dan is het geen probleem of de steen naar binnen of naar buiten gericht is.
91. hadith
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), hij zei: “Op de zegelring van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stond in drie regels geschreven: ‘Muḥammad-Rasûl-Allāh’. Op de eerste regel stond Muḥammad, op de tweede regel Rasûl, en op de derde regel Allāh.”
De inscriptie “Muḥammad Rasûlullāh” op het gezegende zegel van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was dus verdeeld over drie regels. Er zijn ook overleveringen waarin andere teksten op de zegel worden genoemd, maar de sterkere en authentiekere mening is wat in deze hadith is overgeleverd.
Volgens een andere overlevering van Anas (رضي الله عنه) liet Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een zilveren ring maken en liet hij op de steen “Muḥammad Rasûlullāh” graveren. Daarna waarschuwde hij zijn Ṣaḥābah:
“Ik heb een zilveren ring genomen en daarop ‘Muḥammad Rasûlullāh’ laten graveren. Niemand mag voortaan zo’n inscriptie op zijn ring laten zetten.”
Er is ook een overlevering over de zilveren ring van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم):
Toen ʿAmr ibn Saʿīd ibn ʿĀṣ, een van de emigranten naar Ḥabashah, terugkeerde uit Ḥabashah, zag Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een ring aan zijn vinger en vroeg wat erop stond. Toen ʿAmr zei dat er “Muḥammad Rasûlullāh” op stond, nam Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de ring van hem af en droeg deze zelf.
Na het overlijden van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) werd deze zegelring gebruikt door de eerste drie kaliefen. Toen ʿUthmān (رضي الله عنه) hem in de put van `Arīs in Madīnah liet vallen, liet hij een vergelijkbare zegelring maken.
Het officiële zegel van de Rechtgeleide Kaliefen was dus deze ring. Daarnaast hadden zij ook persoonlijke zegels. Zowel de vier kaliefen als andere grote geleerden lieten op hun zegels hun naam graveren of wijsheden schrijven.
Laten wij enkele opmerkelijke inscripties op de persoonlijke zegels van de Rechtgeleide Kaliefen bekijken:
Op de zegel van Abû Bakr (رضي الله عنه) stond: “Niʿma al-Qādiru Allāh” (Allah is de beste Machtige).
Op de zegel van ʿUmar (رضي الله عنه) stond de hadith: “Kafâ bi’l-mawti wāʿiẓan” – “De dood is voldoende als vermaning.” Dit weerspiegelt hoe ʿUmar (رضي الله عنه) zelf en anderen herinnerde aan de woorden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Denk veel aan de vernietiger van genoegens: de dood.”
Op de zegel van ʿUthmān (رضي الله عنه) stond: “Āmantu billāhi mukhliṣan” – “Ik geloof oprecht in Allāh.”
En ʿAlī (رضي الله عنه) liet op zijn zegel de woorden graveren: “Lillāhi al-mulk”, “Het koningschap behoort aan Allāh.”
92. hadith
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wilde een brief schrijven aan de Kisrā van Perzië, de Caesar van Rome en de Negus van Ḥabashah. Toen zei een van de Ṣaḥābah tegen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dat buitenlandse heersers geen vertrouwen stelden in ongezegelde brieven en deze niet lazen. Daarop beval Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dat er een zegelring zou worden gemaakt waarvan de ring van zilver was, en op de zetting werd “Muḥammadun Rasûlullāh” gegraveerd.
Yaʿlā ibn Murrah, een van de Ṣaḥābah, verklaarde dat hij degene was die deze zegelring voor onze Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft vervaardigd en dat hij er “Muḥammad Rasûlullāh” op heeft geschreven.
Moge zijn koninkrijk vernietigd worden!
In het zevende jaar na de Hijrah (628 n.Chr.) stuurde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zes brieven met dit zegel naar zes staatsleiders en nodigde hen uit tot de Islām.
Onder hen bevond zich de Kisrā van Perzië, Khusraw Parwīz. De metgezel ʿAbdullāh ibn Ḥudhāfah as-Sahmī werd naar hem gestuurd. De Kisrā scheurde de brief van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in stukken.
Daarop smeekte an-Nabī(صلى الله عليه وسلم): “Moge Allāh zijn koninkrijk in stukken verscheuren.”
En inderdaad: diezelfde jaar werd hij door zijn eigen zoon Parwīz gedood en zijn dynastie kwam volledig ten einde. Zo werd zijn macht en rijk vernietigd.
Het bijzondere van Ashamah
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stuurde ook een brief naar de Negus van Ḥabashah, Ashamah, via de metgezel ʿAmr ibn Umayyah ad-Ḍamrī (رضي الله عنه). Ashamah nam de brief van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) met respect aan en accepteerde de Islām. In het negende jaar na de Hijrah (630 n.Chr.) overleed hij.
Volgens de overlevering van Jābir ibn ʿAbdillāh (رضي الله عنهما) kondigde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op die dag het overlijden van Ashamah aan de Ṣaḥābah (رضي الله عنهم) als volgt aan: “Vandaag is in Ḥabashah een rechtschapen man overleden, Ashamah.
Verricht voor hem de ṣalāh al-janazah en vraag Allāh om vergeving voor hem.” Daarna verrichtte hij zelf de ṣalāh al-janāzah voor de Negus.
Het bijzondere voorval van Heraclius
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stuurde ook een brief naar de Caesar van Rome, de Byzantijnse keizer Heraclius, via Dihyah ibn Khalīfah al-Kalbī (رضي الله عنه), die bekend stond om zijn knappe uiterlijk. De gebeurtenis rond Heraclius is zeer bijzonder, daarom wordt deze uitgebreider beschreven.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf Dihyah twee brieven mee: één was aan keizer Heraclius gericht en de andere aan de christelijke patriarch Daghātir. Dihyah vertrok en moest de brieven aan de gouverneur van de stad Buṣrā afleveren, die in het gebied van het huidige Palestina lag. In die periode had Heraclius net een oorlog tegen de Perzen gewonnen en Jeruzalem heroverd. Herakleios, die een vrome christen was, had vóór het uitbreken van de oorlog een gelofte afgelegd: als hij de Perzen zou verslaan, zou hij voor Allāh wandelen van Ḥimṣ (Homs) naar Jeruzalem. Toen Dihyah in Buṣrā aankwam, was Heraclius onderweg om die gelofte te vervullen en bereikte hij te voet Jeruzalem.
Wat deed Heraclius toen hij de brief ontving?
De gouverneur van Bosra voegde Adî ibn Hâtim, die destijds voor de islamitische troepen was gevlucht en bij hem zijn toevlucht had gezocht, aan Dihyah toe en stuurde hen samen naar Jeruzalem; hij vond het passend dat hij de brief van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) persoonlijk aan de keizer overhandigde.
“Dihyah en Adî trokken vanuit Bosra naar Jeruzalem. Daar verschenen zij voor keizer Heraklius en gaven hem de brief van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Heraklius, die goed bekend was met het christendom, stuurde na het lezen van die brief een bode naar zijn vertrouweling, patriarch Daghâtır, om hem te vragen naar de verwachte profeet die in het Evangelie wordt genoemd.
Tegelijkertijd beval hij zijn mannen om iedereen uit Makkah die zij konden vinden, naar hem toe te brengen.”
Op dat moment bevond zich een handelsgroep van 30 personen onder leiding van Abū Sufyān in de regio Shām. Toen zij Gaza bereikten, werden zij door de dienaren van de keizer meegenomen naar Jeruzalem, naar Heraclius.
Heraclius ontving de handelaren uit Makkah in de kerk van Jeruzalem. Geestelijke en staatslieden stonden eveneens rondom de keizer opgesteld. Toen de keizer zei dat hij wilde spreken met degene die qua afkomst het nauwst verwant was aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), wezen zij hem op Abû Sufyān.
Tussen Heraclius en Abû Sufyān vond een lang gesprek plaats. De keizer stelde zeer belangrijke vragen aan Abû Sufyān, die op dat moment nog een mushrik was. Hoezeer hij het ook tegen zijn zin vond, Abû Sufyān vertelde de waarheid. Hij gaf betrouwbare informatie over Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Toen begreep Heraclius de waarheid en zei tegen Abû Sufyān:”De eigenschappen die jij van hem hebt genoemd, zijn kenmerken die bij de anbiyā voorkomen. Ik wist al dat hij zou komen, maar ik had niet verwacht dat hij uit jullie volk zou voortkomen. Als wat jij over hem hebt verteld waar is, dan zal hij spoedig heersen over de gebieden waarop mijn voeten nu staan. Als ik wist dat ik hem kon bereiken, zou ik elke moeilijkheid verdragen om hem te ontmoeten. Als ik bij hem zou zijn, dan zou ik met mijn eigen handen zijn voeten wassen.”
De verbazingwekkende uitnodiging aan de christenen
In die dagen kwam ook de antwoordbrief van patriarch Daghâtır. In de brief werd meegedeeld dat de verwachte an-Nabī was verschenen. Hierdoor ontstond in het hart van Heraclius een genegenheid voor deze nieuwe godsdienst.
Nu was de belangrijkste kwestie hoe hij de uitnodigingsbrief van de Laatste an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op een gepaste manier aan de vooraanstaande christenen kon bekendmaken.
Met deze gedachte nodigde hij alle christenen met aanzien en gezag in de stad uit naar zijn paleis. Nadat iedereen aanwezig was, gaf hij zijn dienaren in het geheim opdracht alle deuren van het paleis te sluiten. Vervolgens verscheen hij voor de aanwezigen. Hij vertelde dat hij een brief van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had ontvangen en liet de brief voorlezen die door Dihyah was meegebracht.
Toen de brief volledig was voorgelezen, keek de keizer de aanwezigen één voor één aan en sprak vervolgens woorden die niemand had verwacht: “Vertel mij nu wat jullie ervan vinden! Willen jullie niet zijn uitnodiging aanvaarden, redding verkrijgen en in vrede leven in jullie land?” Niemand had zo'n uitspraak van de keizer verwacht. Iedereen raakte diep verbijsterd. In de grote zaal ontstond plotseling paniek. Alsof iemand hen met geweld deze godsdienst wilde laten aannemen, begonnen zij naar de deuren te rennen. Toen zij zagen dat de deuren gesloten waren, wisten zij van verbazing niet meer wat zij moesten doen.
De keizer, die hun reactie al had voorzien, zag zich genoodzaakt het tweede deel van zijn plan uit te voeren De keizer, die al van tevoren had voorzien hoe deze onverstandige mensen zouden reageren, zag zich genoodzaakt het tweede bedrijf van het door hem opgezette toneelstuk op te voeren.
Hij liet de mensen, die niet meer wisten wat zij moesten doen, opnieuw voor zich verzamelen en zei: “Wat ik zojuist zei, was slechts bedoeld om jullie op de proef te stellen. Ik heb met eigen ogen gezien hoe sterk jullie aan jullie religie vasthouden.”
Toen haalden zij opgelucht adem en wierpen zich voor de keizer op de grond om hun dankbaarheid en waardering te tonen.
Dihyah gaat naar Daghâtır
De volgende dag riep Heraclius Dihyah bij zich. Hij zei dat hij geen twijfel had dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) door Allāh was gezonden, maar dat hij bang was dat de christenen hem kwaad zouden doen. Vervolgens sprak hij over Daghâtır en zei dat de Romeinen hem zeer liefhadden en veel waarde hechtten aan zijn woorden.
Dihyah nam afscheid van Heraclius en na een lange reis bereikte hij Daghâtır en overhandigde hem de brief van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Daghâtır, een oprechte religieuze geleerde, werd zeer geraakt toen hij de brief van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ontving. Hij verklaarde dat hij geen twijfel had dat hij door Allāh was gezonden en dat alle eigenschappen, zelfs zijn naam, in hun geschriften vermeld stonden. Daghâtır gaf gewoonlijk alleen op zondag preken voor het volk en trok zich daarna een week lang terug zonder met iemand te spreken. De christenen hielden zeer veel van zijn preken.
Sinds die Arabier kwam, is er iets met hem gebeurd
Op die zondag verzamelden de mensen zich zoals gewoonlijk om naar hem te luisteren, maar Daghâtır kwam niet naar buiten. Daghâtır, die verwikkeld was geraakt in diepgaande gesprekken met Dihyah, hem vragen stelde over de islam en over an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en van hem hierover kennis opdeed, verscheen niet voor de christenen en voerde aan dat hij ziek was. Dit herhaalde zich meerdere keren, waardoor het volk ongeduldig werd en zei: “Of hij komt naar ons, of wij gaan naar hem toe. Sinds die Arabier is gekomen, is er iets met hem gebeurd.”
Daghâtır begreep dat hij zijn gemeenschap niet langer kon ontwijken. Wat hij had geleerd moest hij doorgeven; dat was immers de taak van een religieus geleerde. Voordat hij naar buiten ging, zei hij tegen Dihyah: “Breng mijn salām over aan je meester (sayyid) en zeg hem dat ik geloof dat er geen godheid is dan Allāh en dat Muḥammad Zijn dienaar en boodschapper is. En ik geloof dat ʿĪsā de dienaar van Allāh is en Zijn Woord dat Hij in de kuise Maryam heeft gelegd, en een geest van Hem.”
Daarna ging hij naar zijn kamer, trok zijn zwarte kleding uit en deed een witte ceremoniële gewaad aan. Met zijn staf in de hand verscheen hij waardig voor de verzamelde Romeinen in de kerk.
De brief van ‘an-Nabī Ahmad’
Die dag had hij (Daghâtır) een heel andere uitstraling dan normaal.
Hij begroette de mensen die hem met vreugde hadden ontvangen en zei rustig: “O gemeenschap van de Romeinen! Er is een brief tot ons gekomen van an-Nabī Aḥmad. Hij nodigt ons allemaal uit om in Allāh te geloven. Ik zeg zonder enige twijfel dat er geen godheid is dan Allāh en dat Ahmad Zijn dienaar en boodschapper is.
Hoe konden ze Daghâtır zo behandelen?
De boodschap van verlossing waarvoor zij hun patriarch al weken verwachtten, werkte in die grote kerk als een explosie. Zijn volgelingen werden plotseling vervuld van woede en haat. Als pijlen die uit een boog worden geschoten, stonden ze op en vielen Daghâtır aan. In een regio ver verwijderd van het licht van de Islām, werd Daghâtır, die nieuw leven had gevonden door een brief van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), op brute wijze doodgeslagen.
Dihyah vertrok in diepe droefheid en keerde terug naar Heraclius. Hij vertelde hem wat de fanatieke christenen Daghâtır hadden aangedaan. De keizer werd zeer bedroefd door wat zijn vriend was overkomen. Hij kon niet begrijpen hoe zij zo’n groot en gerespecteerd man, wiens woorden zij normaal zo hoog achtten, zo konden doden. Daarna stuurde hij Dihyah terug met een brief gericht aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en met kostbare geschenken die hij hem wilde aanbieden.
Nu terug naar de hadith: De woorden in de hadith: “Hij beval dat een zegelring van zilver moest worden gemaakt” laten zien dat de ring zelf van zilver was, maar dat de zetting niet van zilver was. Waarschijnlijk gaat het hier om dezelfde zegelring die we in hadith 87 hebben besproken, waarvan de steen van een Ethiopische ʿaqīq-steen was.
93. hadith
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), hij zei: “Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar het toilet wilde gaan, deed hij zijn zegelring van zijn gezegende vinger af.”
De reden dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn zegelring afdeed wanneer hij naar het toilet ging, was dat op de ring de naam van Allāh (lafẓ al-jalālah) gegraveerd stond.
Wie moet zijn ring afdoen?
Wie op zijn ring de Naam van Allāh, de naam van een van de anbiyā (عليهم السلام), of een woord uit de Qurʾān heeft gegraveerd, dient het als makrūh te beschouwen om daarmee de toiletruimte binnen te gaan. Daarom is het beter dat hij zijn ring vóór het verrichten van de behoefte afdoet.
Sommige geleerden beschouwden het zelfs als ḥarām om een ring met de naam van Allāh mee het toilet in te nemen. Daarom wordt aanbevolen dat iemand die zijn natuurlijke behoefte gaat doen, of dit nu in een gesloten ruimte of in de open lucht is, zijn ring afdoet voordat hij naar het toilet gaat.
Iemand die de naam Muḥammad draagt en zijn eigen naam op zijn ring heeft laten graveren, hoeft zijn ring niet af te doen.
Het is ook belangrijk om te vermelden dat er geen probleem is in het schrijven van “Allāh” op een ring. Zoals in hadith nr. 91 werd vermeld, hadden Abū Bakr, ʿUthmān en ʿAlī (رضي الله عنهم) ringen met inscripties waarin de naam van Allāh voorkwam. Later volgden ook andere grote islamitische geleerden deze praktijk.
Muḥammad al-Bāqir, de vijfde van de twaalf imams, liet op zijn ring schrijven: “al-ʿIzzatu lillāh” (eer (en glorie) behoren aan Allāh).
De bekende jurist Ibrāhīm an-Nakhaʿī liet op zijn ring graveren: “al-Thiqatu bi’llāh” (vertrouwen is in Allāh).
94. hadith
Van `Abdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما) hij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) liet een zegelring van zilver vervaardigen. Hij droeg deze ring zelf aan zijn vinger. Na zijn ontmoeting met zijn Heer werd de ring in de periode van het kalifaat achtereenvolgens gedragen door Abū Bakr, ʿUmar en ʿUthmān (رضي الله عنهم). Deze ring bleef bij ʿUthmān totdat hij in de put van``Arīs viel.
Op de zetting van de zegelring stond ‘Muḥammad Rasûlullāh’.
In deze hadith wordt de geschiedenis van de gezegende zegelring van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) beschreven. Na het overlijden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) droegen de eerste drie kaliefen deze ring, hetzij om officiële documenten te verzegelen, hetzij uit zegen (tabarruk).
De put van `Arīs
Uit deze hadith leren wij dat deze zegelring, die de eerste drie kaliefen heeft geëerd, door ʿUthmān (رضي الله عنه) in de put van `Arīs viel.
De put van `Arīs, gelegen in een tuin nabij de Qubā-moskee in Madīnah, was eigendom van een jood, genaamd `Arīs. Daarom werd deze put zo genoemd. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bezocht deze put vaak wanneer hij naar de Qubā-moskee ging; hij dronk er water, verrichtte er de wuḍūʾ en rustte met zijn voeten in de put.
“Ik zal de poortwachter van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn”
Abū Mūsā al-Ashʿarī (رضي الله عنه) beschreef in een lange overlevering dat hij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bij deze put zag zitten met zijn voeten in het water, terwijl hij rustte. Hij besloot niemand toe te laten die hem zou kunnen storen en zei: “Vandaag zal ik de poortwachter van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn.”
Daarna kwamen Abū Bakr, ʿUmar en ʿUthmān (رضي الله عنهم) één voor één aan. Abū Mūsā bracht hen telkens bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), en telkens zei hij: “Geef hem toestemming binnen te komen en breng hem het goede nieuws van het Paradijs.”
Toen ʿUthmān (رضي الله عنه) kwam, zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Waarschuw hem eerst dat hij met beproevingen geconfronteerd zal worden, en breng hem daarna het goede nieuws van het Paradijs.” Zo gaf hij daarmee een aanwijzing dat ʿUthmān (رضي الله عنه) door opstandige en gewelddadige oproerkraaiers als martelaar zou worden gedood.
De put van `Arīs werd de “Put van de zegelring (Bi’r al-Khātam)
Nadat de ring van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in de put van `Arīs viel, werd deze put ook wel de Put van de zegelring (Bi’r al-Khātam) genoemd.
Volgens een andere overlevering viel de ring in de put van `Aris als volgt:Een van de klerken van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), aan wie hij zijn politieke brieven liet schrijven, was Muaykib ibn Abī Fāṭima (overleden in 40 H/660 n.Chr.) van de stam Daws. Muaykib behoorde tot de eerste moslims en was tevens de zegelbewaarder van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Deze metgezel nam deel aan de tweede emigratie naar Abessinië en was ook aanwezig bij de eed van al-Hudaybiyyah (Bayʿat al-Riḍwān).
Wanneer een brief was geschreven, gaf an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hem zijn zegelring om het document te verzegelen, waarna Muʿayqīb de ring weer teruggaf aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Deze taak bleef hij vervullen in de tijd van Abū Bakr, ʿUmar en ʿUthmān (رضي الله عنهم). Tijdens het kalifaat van ʿUthmān (رضي الله عنه) viel de ring uit de handen van Muʿayqīb in de put van `Arīs en ging verloren.
Hoe viel de ring in de put?
Volgens een andere hadith die in Sahîh al-Bukhârî van Anas ibn Mâlik (رضي الله عنه) wordt overgeleverd, draaide ʿUthmān de genoemde zegelring in zijn hand rond en liet deze vervolgens in de put van Arīs vallen. Men zocht er drie dagen lang naar, onder toezicht van ʿUthmān (رضي الله عنه), en liet zelfs al het water van de put leegpompen, maar hij niet teruggevonden. Dit gebeurde in het zesde jaar van het twaalfjarige kalifaat van ʿUthmān (رضي الله عنه).
Terwijl hij die ring in gedachten verzonken in zijn hand draaide, of hem aan zijn vinger deed en weer afnam, liet hij hem in de put vallen.
In de laatste deel van de hadith wordt vermeld dat op de steen van de zegelring “Muḥammad Rasûlullāh” stond.
Bijzondere inscriptie voor de zegelring van an-Nabī
Zoals we in de uitleg van hadith nr. 91 hebben gezien, keurde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het maken van ringen door zijn metgezellen niet af. Wel maakte hij duidelijk dat de inscriptie “Muḥammad Rasûlullāh” uitsluitend voor zijn eigen zegelring bestemd was. Hij zei: “Ik heb een zilveren ring laten maken en daarop ‘Muḥammad Rasûlullāh’ laten graveren. Niemand mag voortaan zo’n inscriptie op zijn eigen ring laten zetten.”
Zoals in de uitleg van hadith nr. 90 is vermeld, bevond deze ring zich aan de pink van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).
De overlevering van deze hadith in Ṣaḥīḥ al-Bukhārī zal worden besproken in de uitleg van hadith nr. 104.
DERTIENDE HOOFDSTUK: HET DRAGEN VAN DE ZEGELRING DOOR RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم) AAN ZIJN RECHTERHAND
95.Hadith
Van ʿAlī ibn Abī Ṭālib (رضي الله عنه), hij zei: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) droeg zijn ring aan zijn rechterhand.
In deze hadith en in de hierop volgende ahadith met de nummers 97, 98, 99, 100, 103 en 104 wordt vermeld dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn ring aan zijn rechterhand droeg. Dat Imām Tirmidhī dit hoofdstuk begint met een overlevering waarin staat dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn ring aan zijn rechterhand droeg, is door sommige geleerden opgevat als een aanwijzing dat hij deze praktijk verkoos boven de overleveringen waarin wordt vermeld dat de ring aan de linkerhand werd gedragen. Omdat er verschillende overleveringen bestaan over aan welke hand de ring gedragen werd, hebben de geleerden hierover ook uiteenlopende opvattingen gehad.
Droeg hij zijn ring aan de linkerhand?
Zo vermeldt al-Baghawī in zijn werk Sharḥ as-Sunnah dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn ring aanvankelijk aan zijn rechterhand droeg, maar later aan zijn linkerhand, waarna dit zijn vaste gewoonte werd. Ook al-Bayhaqī brengt in Shuʿab al-Īmān deze overleveringen met elkaar in overeenstemming door te zeggen: “De gouden ring die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) droeg, bevond zich aan zijn rechterhand; later deed hij deze af en wierp hij haar weg. Wat hij aan zijn linkerhand droeg, was een zilveren ring.”
Imām an-Nawawī stelde daarentegen dat de geleerden het er unaniem over eens waren dat een ring zowel aan de rechterals aan de linkerhand gedragen mag worden en dat zij geen van beide boven de andere hebben verkozen.
Over de vraag welke hand meer verdienstelijk is voor het dragen van een ring zijn verschillende opvattingen naar voren gebracht. Een aanzienlijk aantal van de salaf droeg hun ring aan de rechterhand, terwijl een even groot aantal deze aan de linkerhand droeg.
Imām Mālik beschouwde het dragen van de ring aan de linkerhand als meer in overeenstemming met de Sunnah en achtte het dragen ervan aan de rechterhand makrūh.
Aan welke hand dient men de ring te dragen?
ʿAliyy al-Qārī, die de kwestie vanuit het standpunt van de Ḥanafi-geleerden beoordeelde, zei hierover: “In onze wetschool (madhhab) bestaan hierover eveneens twee opvattingen. De sterkste daarvan is dat het verdienstelijker is de ring aan de rechterhand te dragen. Het dragen van een ring is immers een vorm van versiering, en de rechterhand is eervoller dan de linkerhand en daarom meer geschikt voor versiering.”
De beroemde Shāfiʿī-geleerde Ibn Ḥajar al-ʿAsqalānī verwoordde zijn mening hierover als volgt: “Het antwoord op de vraag of het beter is een ring aan de rechterof aan de linkerhand te dragen, hangt af van het doel waarvoor men de ring draagt. Wordt de ring gedragen als versiering, dan is de rechterhand geschikter. Wordt de ring gedragen om ermee te zegelen, dan is de linkerhand geschikter.”
ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما), een jonge metgezel die bekend stond om zijn inspanning om Rasûlullāhs (صلى الله عليه وسلم) levenswijze nauwgezet te volgen, droeg zijn ring aan zijn linkerhand.
De kleinkinderen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), Ḥasan en Ḥusayn (رضي الله عنهما), droegen, zoals we zullen zien in hadith 102, eveneens hun ringen aan hun linkerhand.
ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) daarentegen droeg zijn ring aan zijn rechterhand en zei dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hetzelfde deed.
Zoals blijkt, is het niet eenvoudig om in deze kwestie één van beide mogelijkheden te verkiezen. Mogelijk daarom gaf ook Abū Dāwūd aan het betreffende hoofdstuk in as-Sunan de titel: “Het dragen van de ring aan de rechterof linkerhand.”
96. Hadith
Een andere overlevering van de voorgaande hadith, met dezelfde betekenis.
97. Hadith
Ḥadīth-geleerde en faqīh Ḥammād ibn Salamah zei: “Ik zag ʿUbaydullāh, de zoon van Abū Rāfiʿ (رضي الله عنه), de vrijgelaten dienaar van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), zijn ring aan zijn rechterhand dragen. Ik vroeg hem naar de reden daarvan, waarop hij zei: ‘Ik zag ʿAbdullāh ibn Jaʿfar aṭ-Ṭayyār (رضي الله عنها), zijn ring aan zijn rechterhand dragen. Toen ik hem vroeg naar de reden daarvan, antwoordde hij: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) droeg zijn ring aan zijn rechterhand.”
Bij zijn beoordeling van deze hadith, waarin wordt vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn ring aan zijn rechterhand droeg, heeft Imām Tirmidhī gezegd dat zijn leermeester Imām al-Bukhārī het volgende zei: “Dit is de meest authentieke hadith die over dit onderwerp van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) is overgeleverd.”
98. Hadith
Van ʿAbdullāh ibn Jaʿfar aṭ-Ṭayyār (رضي الله عنها), hij zei: An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) droeg zijn ring aan zijn rechterhand.”
99. Hadith
Van Jābir ibn ʿAbdillāh (رضي الله عنهما): “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) droeg zijn ring aan zijn rechterhand.”
100. Hadith
Van Salṭ ibn ʿAbdillāh, die behoorde tot de nakomelingen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), zei:
“Ik zag ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) zijn ring aan zijn rechterhand dragen. En ik meen dat hij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) droeg zijn ring aan zijn rechterhand.”
101. Hadith
Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما), hij zei: “An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) liet een ring van zilver maken en droeg deze zo aan zijn vinger dat de zetting naar de binnenkant van zijn handpalm was gericht. Op de zetting van deze ring liet hij de inscriptie ‘Muḥammad Rasûlullāh’ graveren. Hij verbood anderen om eveneens de inscriptie ‘Muḥammad Rasûlullāh’ op hun zegelring te laten graveren. De ring die uit de hand van Muʿayqīb in de Bron van `Arīs viel, was deze zegelring.”
Uit deze overlevering leren wij dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn ring zo droeg dat de zetting naar de binnenkant van zijn handpalm was gericht. Hij heeft zijn ummah echter niet opgedragen dit eveneens te doen.
Naar welke kant dient de zetting van de ring gericht te zijn?
Daarom hebben onze geleerden zowel toegestaan dat men de zetting van de ring naar binnen, richting de handpalm, draagt als dat men deze naar buiten draagt zodat anderen hem kunnen zien. De metgezellen en de tābiʿūn droegen hun ringen immers op beide manieren.
Zo droeg ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) de zetting van zijn ring niet naar de binnenkant van zijn handpalm, maar juist naar buiten gericht.
Desondanks hebben onze geleerden, rekening houdend met de praktijk van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), verklaard dat het verdienstelijker is de zetting van de ring naar de binnenkant van de handpalm te richten. Zoals Imām an-Nawawī ook opmerkte, wordt de zetting daardoor beter beschermd tegen invloeden van buitenaf en voorkomt men bovendien dat zij aanleiding geeft tot hoogmoed.
Wie dus vreest zich te beroemen op de schoonheid van zijn ring, doet er goed aan de zetting naar de binnenkant van zijn handpalm te dragen. Voor degenen die een dergelijke vrees niet hebben, is er geen bezwaar om hun ring te dragen zoals zij wensen.
Rasûlullāh’ (صلى الله عليه وسلم) liet de inscriptie ‘Muḥammad Rasûlullāh’ op de zetting van zijn ring graveren om officiële documenten en brieven te verzegelen. Wanneer anderen dezelfde inscriptie op hun zegels zouden gebruiken, zou dit tot grote verwarring kunnen leiden. Daarom stond Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dit niet toe.
Over Muʿayqīb (رضي الله عنه) die de gezegende zegelring in de put liet vallen en over de wijze waarop deze ring in de put terechtkwam, is reeds informatie gegeven bij hadith nr. 94.
102. Hadith
Van Jaʿfar aṣ-Ṣādiq, van zijn vader Muḥammad al-Bāqir, hij zei: “Ḥasan en Ḥusayn (رضي الله عنهما) droegen hun ringen aan hun linkerhand.”
De overleveraar van deze hadith, Abū Jaʿfar Muḥammad al-Bāqir, behoorde tot de vooraanstaande geleerden van de generatie van de tābiʿūn. Zijn vader, ʿAlī Zayn al-ʿĀbidīn, was een zoon van Ḥusayn (رضي الله عنه). Deze voortreffelijke geleerde stond bekend om zijn grote toewijding aan de aanbidding van Allāhu (تعالى) en werd daarom aangeduid met twee eretitels. De eerste was “Zayn al-ʿĀbidīn”, wat “de sieraad der aanbidders” betekent. De tweede was “as-Sajjād”, wat “degene die veel sujūd verricht” betekent.
Wanneer wij hen noemen volgens hun plaats in de keten van de twaalf imāms, dan was Ḥusayn (رضي الله عنه) de derde van de twaalf imāms, zijn zoon Zayn al-ʿĀbidīn ʿAlī de vierde, diens zoon Imām al-Bāqir de vijfde en de zoon van Imām al-Bāqir, Jaʿfar aṣ-Ṣādiq, de zesde van de twaalf imāms.
Volgens andere overleveringen die dit onderwerp ondersteunen, waren het niet alleen Ḥasan en Ḥusayn (رضي الله عنهما) die hun ringen aan de linkerhand droegen; ook Abū Bakr, ʿUmar en ʿAlī (رضي الله عنهم) droegen hun ringen aan hun linkerhand.
Bij hadith nr. 95 hebben wij reeds de overlevering van ʿAlī (رضي الله عنه) behandeld waarin wordt vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn ring aan zijn rechterhand droeg. Daar hebben wij ook de overleveringen besproken waarin wordt vermeld dat hij deze aan zijn linkerhand droeg.
Een Technische Toelichting
De overleveraar van deze hadith, Muḥammad al-Bāqir, heeft zijn grootvader Ḥusayn (رضي الله عنه) en zijn oudoom Ḥasan (رضي الله عنه) niet ontmoet. Desondanks gaf hij informatie over hen door. Daarom hebben de hadithgeleerden deze overlevering als munqaṭiʿ beschouwd, oftewel als mursal (er ontbreekt een schakel in de keten van overleveraars, namelijk de metgezel tussen de tābiʿī en an-Nabī (صلى الله عليه وسلم)) Om die reden is zij als zwakker beoordeeld dan de ahadith waarin wordt vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn ring aan zijn rechterhand droeg.
103. Hadith
De dienaar van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), hij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) droeg zijn zegelring aan zijn rechterhand.”
104. Hadith
Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما), hij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) liet een gouden ring vervaardigen en droeg die aan zijn rechterhand. Toen de Ṣaḥābah dit zagen, schaften ook zij gouden ringen aan. Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hun gedrag zag, deed hij de ring van zijn vinger af en wierp hem weg. Vervolgens zei hij: ‘Hierna zal ik nooit meer een gouden ring dragen.’ Daarop deden ook de Ṣaḥābah hun ringen af en wierpen deze weg.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had een gouden ring laten maken en deze aan zijn gezegende vinger gedragen. Dit gebeurde vóórdat Allah Taʿālā het dragen van gouden ringen voor mannen had verboden. Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zag dat mensen, door naar hem te kijken, verlangen kregen om gouden ringen te dragen, wilde hij dit voorkomen.
Deze twee zaken zijn verboden voor de mannen van de ummah
Volgens overleveringen van ʿAlī, ʿAbdullāh ibn ʿUmar, Abū Mūsā al-Ashʿarī en ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهم), nam Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een stuk goud in zijn rechterhand en een zijden kledingstuk in zijn linkerhand. Vervolgens hief hij beide omhoog zodat de mensen ze goed konden zien en zei: “Deze twee zaken zijn verboden voor de mannen van mijn ummah, maar toegestaan voor haar vrouwen.”
In een ḥadīth waarin al-Barāʾ ibn ʿĀzib (رضي الله عنه) (overleden 71 H./690 n.Chr.) vertelde dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hun zeven zaken had bevolen en zeven zaken had verboden, noemde hij de gouden ring als eerste onder de verboden zaken.
Ik zal niet oppakken wat Rasûlullāh heeft weggegooid
In Ṣaḥīḥ Muslim wordt het volgende overgeleverd: Volgens ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) zag Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een man met een gouden ring aan zijn hand. Hij trok deze af en wierp hem weg. Daarna zei hij: “Een van jullie begeeft zich naar een gloeiende kool van het vuur en probeert die met zijn hand vast te pakken.”
Nadat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was weggegaan, werd tegen die man gezegd: “Neem je ring terug en gebruik hem dan op een passende manier.”
Maar hij antwoordde: “Nee, bij Allah! Ik zal nooit iets oprapen dat door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op de grond is geworpen.”
Door de ring van de vinger van zijn metgezel af te nemen en weg te werpen, had Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem duidelijk gemaakt dat hij deze ring niet meer mocht dragen. Dat deze ṣaḥābī vervolgens zei: “Nadat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem heeft weggegooid, zal ik hem nooit meer oppakken”, toont hoe zorgvuldig de Ṣaḥābah waren in het naleven van de bevelen en verboden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
ʿAlī al-Qārī zei: “Zowel de geleerden van de eerste generaties als de latere ʿulamāʾ waren het er vrijwel unaniem over eens dat het dragen van een gouden ring toegestaan is voor vrouwen, maar verboden voor mannen.” Ook de imāms van de vier grote madhāhib hebben allen verklaard dat het dragen van een gouden ring voor mannen ḥarām is.
VEERTIENDE HOOFDSTUK: DE ZWAARDEN VAN RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم)
105.Ḥadīth
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), hij zei: “De pareerstang van het handvat van het zwaard van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was van zilver.”
Imām at-Tirmidhī behandelde in dit werk eerst het onderwerp van het zegel van de ring van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Vervolgens behandelde hij over zijn zwaarden. Met deze volgorde wilde hij de lezer het volgende duidelijk maken: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wilde de heersers van de omringende landen eerst uitnodigen tot de Islām. Om de brieven die hij naar hen stuurde te verzegelen, liet hij een zegelring maken. Toen deze heersers zijn uitnodiging niet accepteerden, greep hij vervolgens naar het zwaard en vocht hij tegen hen.
Het Arabische woord dat wij in deze ḥadīth hebben vertaald als “de pareerstang van het handvat van het zwaard” is qabīʿah. In het Nederlands wordt dit onderdeel “pareerstang” genoemd. Deze bescherming wordt aan het handvat van het zwaard bevestigd zodat de hand niet wegglijdt.
De unieke zwaard Dhū al-Fiqār
Het zwaard dat in deze ḥadīth wordt genoemd, is het zwaard van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), bekend als Dhū al-Fiqār. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verkreeg dit tweesnijdende zwaard als oorlogsbuit tijdens de Slag van Badr. Dit zwaard, dat ongeveer zeven handspannen lang was, verliet vanaf die dag nooit meer van zijn zijde. Op de dag van de verovering van Makkah droeg hij Dhū al-Fiqār aan zijn middel. Later gaf hij het aan ʿAlī (رضي الله عنه).
Met betrekking tot Dhū al-Fiqār bestaat onder het volk een bekende uitspraak:
“Een ware held is zoals ʿAlī, en een ware zwaard is zoals Dhū al-Fiqār.
De ḥadīth geleerden hebben verklaard dat deze uitspraak geen ḥadīth is, hoewel velen haar daarvoor hebben gehouden.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bezat naast Dhū al-Fiqār ook andere zwaarden:
Het eerste zwaard dat hij van zijn vader had geërfd, heette Maʾthūr.
Zijn andere zwaarden heetten Qadīb, Qulaʿī (Qalaʿī), Battār, Ḥatf, Mikhdham, Rasūb, Samsāmah en Laḥīf.
Van deze zwaarden waren Qulaʿī (Kalaʿī), Battār en Ḥatf afkomstig uit de oorlogsbuit die werd verkregen van de joden van Banū Qaynuqāʿ nadat zij uit Madīnah waren verdreven.
Twee van deze zwaarden worden tegenwoordig tentoongesteld in de Hırka-i Saʿādah-afdeling van het Topkapı-paleismuseum.
De an-Nabī die met het zwaard werd gezonden
Om aan te geven dat hem de jihād was opgedragen, werd Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ook aangeduid als Ṣāḥib al-Qadīb en Ṣāḥib as-Sayf, wat “de bezitter van het zwaard” betekent.
In een ḥadīth zei hij: “Ik ben kort vóór het aanbreken van de Qiyāmah met het zwaard gezonden, opdat Allah alleen wordt aanbeden en er geen deelgenoten aan Hem worden toegekend.” Volgens deze ḥadīth was de pareerstang van het handvat van het zwaard van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) van zilver. Dit toont aan dat het toegestaan is om zwaarden en vergelijkbare oorlogsinstrumenten met een kleine hoeveelheid zilver te versieren.
Het versieren van oorlogsinstrumenten met goud is daarentegen volgens de geleerden niet toegestaan. Deze ḥadīth laat namelijk zien dat niet de overige delen van het zwaard van de an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) van zilver waren, maar uitsluitend de pareerstang van het handvat.
106. Hadith
Van Saʿīd ibn Abī al-Ḥasan, hij zei: “De pareerstang van het handvat van het zwaard van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was van zilver.”
De tekst van deze ḥadīth is identiek aan die van de voorgaande ḥadīth en de uitleg ervan is daar reeds gegeven.
Deze ḥadīth is mursal, omdat hij niet door een ṣaḥābī maar door Saʿīd ibn Abī al-Ḥasan, die tot de Tābiʿīn behoort, is overgeleverd.
Imām at-Tirmidhī heeft deze overlevering desondanks opgenomen, omdat alle overleveraars in de keten als betrouwbaar werden beschouwd.
107. Hadith
Van de grootvader van Hūd ibn ʿAbdullāh ibn Saʿd, de ṣaḥābī Mazīdah ibn Jābir (of Mālik) (رضي الله عنه), hij zei: “Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op de dag van de Verovering van Makkah de stad binnenging, bevonden zich goud en zilver op het zwaard dat hij droeg.”
Ṭālib ibn Ḥujayr, één van de overleveraars van deze ḥadīth, zei: “Ik vroeg mijn leraar Hūd ibn ʿAbdullāh: ‘Op welk deel van het zwaard van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bevond zich de zilveren bekleding?’
Mijn leraar antwoordde: “Op de pareerstang van het handvat van zijn zwaard.”
Kritische muḥaddithūn zoals Yaḥyā ibn Saʿīd al-Qaṭṭān, Abū Ḥātim ar-Rāzī en adh-Dhahabī hebben verklaard dat de overleveringsketen van deze ḥadīth zwak is. Omdat de ḥadīth zwak is, kan uit de vermelding dat er goud op het zwaard van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aanwezig was, niet worden afgeleid dat het toegestaan is om goud op zwaarden te gebruiken. De aḥādīth die aangeven dat goud verboden is voor mannen zijn immers authentiek, en bovendien vond het verbod op goud voor mannen plaats vóór de verovering van Makkah.
Men zou kunnen veronderstellen dat dit zwaard reeds met goud was bekleed voordat het in het bezit van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) kwam. Echter, Marzūq aṣ-Ṣayqal, een vrijgelatene van de Anṣār die bekend stond als “de zwaardpolijster” en die het gezelschap van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had verkeerd (met andere woorden hij was een ṣaḥābī) , verklaarde dat hij de pareerstang van Dhū al-Fiqār met goud had gepolijst.
Dat Ṭālib ibn Ḥujayr aan zijn leraar Hūd ibn ʿAbdullāh niet vroeg waar het goud zich op het zwaard bevond, maar uitsluitend waar het zilver was aangebracht, wijst er eveneens op dat het zwaard een gouden bekleding had en dat hij dit als iets vanzelfsprekends beschouwde.
Volgens de Shāfiʿiyyah is het toegestaan om zowel een Muṣḥaf als een zwaard met goud te bekleden.
108. Hadith
Van Muḥammad ibn Sīrīn, hij zei: “Ik liet voor mijzelf een zwaard maken dat precies leek op het zwaard van Samurah ibn Jundub (رضي الله عنه). Samurah placht te vertellen dat hij voor zichzelf een zwaard had laten maken dat leek op het zwaard van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Het zwaard van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) leek op de zwaarden die door Banū Ḥanīfah werden vervaardigd.”
In deze ḥadīth wordt vermeld dat het zwaard van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) leek op de zwaarden die werden vervaardigd door Banū Ḥanīfah. De stam Banū Ḥanīfah was de stam van Musaylimah al-Kadhdhāb, die na het overlijden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beweerde zelf een nabī te zijn. Een andere bijzonderheid van deze stam was dat zij bekwame zwaardsmeden voortbracht.
Dat het zwaard van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) leek op de zwaarden van Banū Ḥanīfah, kan erop wijzen dat de smid die het vervaardigde afkomstig was uit deze stam. Zelfs als de smid die het zwaard van Samurah ibn Jundub (رضي الله عنه) vervaardigde niet tot Banū Ḥanīfah behoorde, had Samurah hem waarschijnlijk opgedragen een zwaard te vervaardigen volgens het model van de zwaarden van Banū Ḥanīfah, waarna de smid dat verzoek uitvoerde.
109. Hadith
Imām at-Tirmidhī heeft een ḥadīth met dezelfde betekenis eveneens via zijn leraar ʿUqbah ibn Mukram en met een andere overleveringsketen van Muḥammad ibn Sīrīn overgeleverd.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK: DE HARNASSEN VAN RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم)
110. Ḥadīth
Van Az-Zubayr ibn al-ʿAwwām (رضي الله عنه), hij zei: “Op de dag van de Slag van Uḥud droeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) twee harnassen. Hij wilde op een rots klimmen, maar door deze harnassen kon hij er niet op komen. Daarop zette hij zijn voet op de rug van Ṭalḥah ibn ʿUbaydillāh (رضي الله عنه) en slaagde erin de rots te beklimmen. Toen hoorde ik Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Ṭalḥah heeft het Paradijs verdiend.”
Voordat wij deze ḥadīth bespreken, zullen wij eerst iets vertellen over Ṭalḥah ibn ʿUbaydillāh (رضي الله عنه), die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hielp door hem een steunpunt te bieden zodat hij op de rots kon klimmen.
De moedige Ṭalḥah
Ṭalḥah ibn ʿUbaydillāh (رضي الله عنه) behoorde tot de eerste acht personen die de Islām omarmden. Tijdens een handelsreis naar Buṣrā hoorde hij van een monnik dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) als nabī zou verschijnen. Toen hij naar Makkah terugkeerde, ontmoette hij Abū Bakr (رضي الله عنه) en werd via hem moslim.
Ṭalḥah (رضي الله عنه) behoorde, net als az-Zubayr (رضي الله عنه), tot de tien die de blijde tijding van het Paradijs hebben gekregen (al-ʿAsharah al-Mubashsharah bi’l-Jannah). Omdat hij vermogend was, diende hij de Islām niet alleen met zijn leven, maar ook met zijn bezit. Vanwege zijn vrijgevigheid noemde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem:
Ṭalḥat al-Khayr (Ṭalḥah van het Goede),
Ṭalḥat al-Jūd (Ṭalḥah van de Vrijgevigheid),
en Ṭalḥat al-Fayyāḍ (Ṭalḥah van de Overvloedig Schenkende).
De opoffering van Ṭalḥah (رضي الله عنه) tijdens de Slag van Uḥud bestond niet alleen uit het bieden van zijn schouder zodat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op de rots kon klimmen. Toen de kāfirs dicht bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwamen, behoorde hij tot de weinige moedige mannen die hun leven op het spel zetten om hem te beschermen. Hij ving een zwaardslag op die tegen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was gericht en beschermde hem met zijn arm, waardoor zijn arm blijvend verminkt raakte.
Tijdens deze slag liep hij bovendien meer dan tachtig verwondingen op. Ṭalḥah ibn ʿUbaydillāh (رضي الله عنه) heeft achtendertig aḥādīth van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overgeleverd.
De harnassen van Rasûlullāh
In deze ḥadīth wordt vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tijdens de Slag van Uḥud twee harnassen droeg. Zoals andere anbiyā (عليهم السلام) die strijd voerden, droeg ook Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tijdens belangrijke veldslagen een harnas. Omdat hij wist dat de Slag van Uḥud zwaar zou worden, droeg hij bij deze gelegenheid twee harnassen.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bezat zeven harnassen. Hun namen waren:
Dhāt al-Fuḍūl: Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar de Slag van Badr vertrok, werd dit harnas hem geschonken door Saʿd ibn ʿUbādah (رضي الله عنه). Omdat het een lang harnas was, kreeg het een naam die verwant was aan het begrip “extra” of “overtollig”.
Dit was ook het harnas dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vóór zijn overlijden als onderpand gaf aan een joodse handelaar in ruil voor dertig maat eenheden gerst.
Fiḍḍah: Dit harnas behoorde tot de wapens die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verkreeg toen Banū Qaynuqāʿ uit al-Madīnah werden verdreven.
As-Sughdiyyah: Dit harnas, dat volgens de overlevering door Dāwūd (عليه السلام) werd gedragen toen hij Jālūt doodde, bevond zich eveneens in het bezit van Banū Qaynuqāʿ en werd van hen verkregen.
De overige harnassen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heetten Dhāt al-Wishāḥ, Dhāt al-Ḥawāshī, al-Batrāʾ en al-Ḥirniq.
Waarom wilde Rasûlullāh op de rots klimmen?
De gebeurtenis waarbij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tijdens Uḥud op een rots wilde klimmen, verliep als volgt: Tijdens de Slag van Uḥud verspreidden de munāfiqūn het gerucht: “Muḥammad is gedood.” Hiermee wilden zij het moreel van de moslims breken. Sommige moslims, die dachten dat dit bericht waar was, verloren hun moed en zeiden als het ware:
“Wat heeft het nog voor zin om te leven of te vechten nadat Rasûlullāh er niet meer is?”
Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dit merkte, wilde hij een hoger gelegen plaats aan de voet van de berg Uḥud bereiken, zodat de Ṣaḥābah hem konden zien, zouden beseffen dat hij nog leefde, het valse gerucht niet zouden geloven en met hernieuwde kracht om hem heen zouden verzamelen.
Maar hij droeg twee zware harnassen. Bovendien had de kāfir ʿAbdullāh ibn Qamiʾah hem met een steen geraakt, waardoor het bovenste gedeelte van zijn gezegende wang gewond was geraakt. Twee ringen van zijn helm waren afgebroken en in de wond gedrongen, waardoor hij veel bloed verloor.
Abū ʿUbaydah ibn al-Jarrāḥ (رضي الله عنه), die eveneens behoorde tot al-ʿAsharah al-Mubashsharah bi’l-Jannah, probeerde de ringen met zijn tanden uit de wond van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) te verwijderen. Daarbij braken twee van zijn voortanden.
Ook zijn gezegende tand was gebroken
Op die dag vond nog een andere pijnlijke gebeurtenis plaats voor de Leider van de Schepping (صلى الله عليه وسلم). Een steen die werd gegooid door ʿUtbah ibn Abī Waqqāṣ, de broer van Saʿd ibn Abī Waqqāṣ (رضي الله عنه), brak een van de gezegende tanden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), gelegen tussen zijn voortanden en kiezen aan de rechterzijde van zijn onderkaak.
Door al deze beproevingen kon Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) niet zelfstandig op de rots klimmen en slaagde hij daarin pas nadat hij op de rug van Ṭalḥah ibn ʿUbaydillāh (رضي الله عنه) had gesteund.
Ṭalḥah die het Paradijs verdiende
De uitspraak: “Ṭalḥah heeft het Paradijs verdiend” is buitengewoon betekenisvol.
Op die dag hielp Ṭalḥah (رضي الله عنه) niet alleen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) om de rots te beklimmen. Terwijl hij tegen de kāfirs vocht en Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beschermde tegen hun aanvallen, werd zijn lichaam getroffen door meer dan tachtig slagen van zwaarden, speren en pijlen. Hij toonde daarmee dat hij bereid was zijn leven op te offeren voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Daarom verdiende hij het Paradijs. Moge Allah tevreden met hem zijn.
111.Hadith
Van Sāʾib ibn Yazīd (رضي الله عنه), hij zei: “Tijdens de Slag van Uḥud droeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op zijn rug twee harnassen die hij over elkaar had aangetrokken om elkaar te versterken.”
Sāʾib ibn Yazīd (رضي الله عنه) was één van de gelukkigen die reeds op jonge leeftijd (de aandacht en) gunst van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had mogen ontvangen. Deze bijzondere gebeurtenis hebben wij reeds gelezen bij de uitleg van de zestiende ḥadīth.
Aangezien Sāʾib ibn Yazīd op zevenjarige leeftijd samen met zijn vader of moeder deelnam aan de Afscheidshaj, kan worden afgeleid dat hij geboren werd in hetzelfde jaar waarin de Slag van Uḥud plaatsvond.
Hoe kon hij zien dat Rasûlullāh een harnas droeg?
Hier kan de volgende vraag worden gesteld: Als Sāʾib ibn Yazīd (رضي الله عنه) geboren werd in het jaar van de Slag van Uḥud, hoe kon hij dan gezien hebben dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tijdens deze veldslag een harnas droeg?
Deze vraag herinnert ons aan een belangrijk principe uit de grondslagen van de hadithwetenschap (Uṣūl al-Ḥadīth). De Ṣaḥābah hebben namelijk niet iedere ḥadīth die zij van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overleverden persoonlijk van hem gehoord. Zij vertelden elkaar de aḥādīth die zij van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hadden vernomen en achtten het niet noodzakelijk om telkens de volledige overleveringsketen te noemen door te zeggen: “Ik hoorde deze ḥadīth van die en die Ṣaḥābī.” Daarom konden zij soms een ḥadīth overleveren alsof zij deze rechtstreeks van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hadden gehoord.
De reden hiervoor was dat de Ṣaḥābah uiterst eerlijke mensen waren die niet logen. Wanneer zij informatie doorgaven over Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), spraken zij nooit bewust onwaarheid.
De leugenaars die aḥādīth overleverden alsof zij deze van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hadden gehoord terwijl dit niet zo was, verschenen pas in latere generaties. De muḥaddithūn hebben overleveringen waarbij een ṣaḥābī een andere ṣaḥābī overslaat aangeduid als mursal aṣ-ṣaḥābī (de mursal-overlevering van een Ṣaḥābī) en zij hebben dergelijke overleveringen als betrouwbaar beschouwd.
Hoe droeg hij twee harnassen?
Nadat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) één harnas had aangetrokken, droeg hij daarover een kledingstuk van stof en vervolgens trok hij het tweede harnas aan.
Sommigen zouden kunnen denken: “Is het dragen van een harnas tijdens een veldslag, en zelfs het dragen van twee harnassen over elkaar, niet in strijd met tawakkul (het vertrouwen op Allāh, terwijl men tegelijkertijd de toegestane middelen benut)?”
Wie deze gedachte heeft, dient zich te herinneren dat het juist Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) is die ons heeft geleerd wat tawakkul is en hoe wij tawakkul behoren te praktiseren.
Dit toont aan dat men eerst de noodzakelijke maatregelen moet nemen en daarna zijn vertrouwen op Allah moet stellen.
De volgende ḥadīth bevestigt dit: Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), hij zei: “Een man kwam naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en vroeg: “O Rasûlullāh! Moet ik eerst mijn kameel vastbinden en vervolgens op Allah vertrouwen, of moet ik haar loslaten en dan op Allah vertrouwen?”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Bind eerst je kameel vast en stel daarna je vertrouwen op Allah!”
ZESTIENDE HOOFDSTUK: DE HELM VAN RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم)
112. Ḥadīth
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), hij zei: “Op de dag waarop Makkah werd veroverd, ging Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) Makkah binnen terwijl hij een helm op zijn hoofd droeg. Men vertelde hem dat Ibn Khaṭal uit angst voor zijn leven de bedekking van de Kaʿbah had vastgegrepen en daar stond. Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Dood hem.”
Uit deze ḥadīth leren wij dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op de dag van de Verovering van Makkah (8 H./630 n.Chr.) een helm op zijn gezegende hoofd droeg.
Een helm is een beschermende metalen hoofdbedekking die het hoofd volledig bedekt. … De ringen die tot aan de schouders en de nek reiken, beschermen deze delen van het lichaam tegen zwaardslagen.
De volgende ḥadīth laat zien dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op de dag van de Verovering van Makkah naast zijn helm ook een zwarte tulband droeg:
“Op de dag van de Verovering ging an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) Makkah binnen terwijl hij een zwarte tulband droeg.”
De overleveringen vermelden echter niet duidelijk of an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deze zwarte tulband onder de helm droeg om zijn gezegende hoofd te beschermen tegen het ijzer en de roest ervan, of juist boven de helm.
Wie was ʿAbdullāh ibn Khaṭal?
De in deze ḥadīth genoemde ʿAbdullāh ibn Khaṭal behoorde tot de vijanden van de Islām wier bloed door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) als verbeurd was verklaard, wat betekende dat hij gedood moesten worden zodra hij werd aangetroffen.
Zijn geschiedenis is als volgt: Vóór hij moslim werd, heette hij ʿAbd al-ʿUzzā, wat “dienaar van al-ʿUzzā” betekende, verwijzend naar een afgod. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم), die slechte namen veranderde, wijzigde zijn naam nadat hij vereerd werd met de Islām in ʿAbdullāh, wat “dienaar van Allah” betekent. Vervolgens stelde hij hem aan als functionaris voor de zakāh. Ook wees hij een saḥābī van de Anṣār (رضي الله عنه) aan om hem bij zijn taak te ondersteunen. Daarnaast had Ibn Khaṭal een moslimslaaf die hem diende.
Tijdens een reis hielden zij ergens halt. Ibn Khaṭal gaf zijn slaaf opdracht een geitenbok te slachten en eten te bereiden. Daarna ging hij slapen.
Toen hij wakker werd en zag dat zijn bevel niet was uitgevoerd, werd hij woedend en doodde hij zijn slaaf. Vervolgens beging hij een nog ernstiger misdaad: hij verzaakte de Islām en keerde terug naar zijn vroegere religie.
Deze moordenaar en afvallige koesterde zo'n grote vijandschap tegen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en de moslims, dat hij twee slavinnen bij zich hield die liederen zongen waarin zij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en de Ṣaḥābah bespotten. Hij luisterde daar met genoegen naar.
Zelfs als zij zich aan de bedekking van de Kaʿbah vastklampen
Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hiervan hoorde, beval hij dat Ibn Khaṭal en zijn twee slavinnen gedood moesten worden als zij gevangen zouden worden genomen, zelfs als zij zich aan de bedekking van de Kaʿbah zouden vastklampen.
Op de dag van de Verovering kwam een saḥābī (رضي الله عنه) naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en meldde dat Ibn Khaṭal, in een poging zijn leven te redden, de bedekking van de Kaʿbah had vastgegrepen en daar stond.
In de tijd van de Jāhiliyyah bestond namelijk de gewoonte dat iemand, ongeacht de ernst van zijn misdaad, niet werd lastiggevallen wanneer hij zich aan de bedekking van de Kaʿbah vastklampte. Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), die de gebruiken van de Jāhiliyyah vernietigde, zei: “Dood hem!” De Ṣaḥābah (رضي الله عنهم) namen hem gevangen en doodden hem tussen Maqām Ibrāhīm en Zamzam.
Andere redenen voor de terechtstelling van Ibn Khaṭal
De muḥaddith en faqīh Abū ʿUmar Ibn ʿAbd al-Bar (overl. 463 H./1071 n.Chr.) verklaarde dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) Ibn Khaṭal liet doden als vergelding (qiṣāṣ) voor het onrechtmatig doden van een moslim. Sommige geleerden waren van mening dat hij werd terechtgesteld vanwege zijn riddah (afvalligheid van de Islām).
Hier kan de volgende vraag opkomen: “Op de dag van de Verovering van Makkah had Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) toch verklaard dat iedereen die de Kaʿbah binnenging veilig zou zijn. Waarom werd Ibn Khaṭal dan gedood terwijl hij daar zijn toevlucht had gezocht?”
Nog voordat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) Makkah binnenging, had hij bekendgemaakt dat het bloed van tien vijanden van de Islām verbeurd was verklaard: zes mannen en vier vrouwen. Tevens had hij bevolen dat zij gedood moesten worden, zelfs wanneer zij zich aan de bedekking van de Kaʿbah zouden vastklampen. Ibn Khaṭal behoorde tot deze groep. Daarom bood zijn toevlucht tot de Kaʿbah hem geen bescherming.
Was het niet verboden wapens te dragen in de Ḥaram?
Het gebied binnen de grenzen van Makkah wordt Ḥaram genoemd. Allah Taʿālā heeft sinds de schepping van de wereld het vergieten van bloed in al-Masjid al-Ḥarām, bij de Kaʿbah, verboden. Daarom wordt dit gebied Ḥaram genoemd: een plaats die veiligheid biedt.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verbood het dragen van wapens in Makkah met de volgende woorden: “Voor niemand is het toegestaan wapens te dragen in Makkah.”
Hier rijst de vraag: Als Makkah een gebied van veiligheid is, waarom droegen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en de Ṣaḥābah dan wapens op de dag van de Verovering van Makkah?
Inderdaad, zonder noodzaak zoals strijd tegen een vijand was het dragen van wapens in Makkah verboden.
Op de dag van de verovering vochten echter sommige afgodendienaars (mushriqûn) van Makkah tegen de moslims. Daarom hief Allah Taʿālā deze beperking gedurende een bepaald deel van die dag speciaal voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verduidelijkte dat deze toestemming uitsluitend gold voor de dag van de Verovering van Makkah met de woorden: “Allah Taʿālā heeft het verbod op het dragen van wapens slechts gedurende een gedeelte van de dag van de verovering voor mij opgeheven.”
113.Hadith
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), hij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ging, in het jaar van de Verovering, Makkah binnen terwijl hij een helm op zijn hoofd droeg. Anas vervolgde: “Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn helm afdeed, kwam er een saḥābī naar hem toe en zei: “Ibn Khaṭal houdt zich vast aan de bedekking van de Kaʿbah en staat daar roerloos.”Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Dood hem.”
Een van de overleveraars, Muḥammad ibn Shihāb az-Zuhrī, zei: “Volgens informatie die mij via de Ṣaḥābah heeft bereikt, was Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) die dag niet in iḥrām.”
Makkah werd veroverd in het jaar 8 H./630 n.Chr. Zoals in de vorige ḥadīth wordt ook hier vermeld dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op die dag een helm droeg. De uitleg over de helm is reeds eerder gegeven.
Wie heeft Ibn Khaṭal gedood?
Net als in de vorige ḥadīth zien wij dat toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) Makkah had veroverd en zijn helm had afgezet, een saḥābī naar hem toe kwam en zei: “Ibn Khaṭal houdt zich vast aan de bedekking van de Kaʿbah en staat daar roerloos.”
De naam van de saḥābī die dit meldde wordt ook in deze overlevering niet expliciet genoemd. Volgens een overlevering was dit Abū Barzah Nadlah ibn ʿUbayd al-Aslamī (رضي الله عنه) (overleden 65 H./685 n.Chr.). Deze moedige sahabi, een van de eerste moslims, vocht mee in vele veldslagen, waaronder Khaybar, de Verovering van Makkah en Ḥunayn. Het waren de voornaamste veldtochten waarbij hij aanwezig was. Hij stond ook aan de zijde van ʿAlī (رضي الله عنه) in de Slag van Ṣiffīn en nam deel aan de veroveringen van Khurāsān. Abū Barzah al-Aslamī (رضي الله عنه) overleverde 47 aḥādīth.
Er wordt ook gezegd dat de saḥābī die dit bericht doorgaf Saʿīd ibn Ḥurayth (رضي الله عنه) was.
Toen Abū Barzah of Saʿīd ibn Ḥurayth (رضي الله عنهما) meldden dat Ibn Khaṭal, die tot de kāfirs behoorde, zich aan de Kaʿbah had vastgeklampt, beval Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn Ṣaḥābah om hem te doden. ʿAmmār ibn Yāsir en Saʿīd ibn Ḥurayth snelden zich om hem te doden, maar de 15 jarige jonge Saʿīd ibn Ḥurayth was sneller en doodde hem. Volgens een andere overlevering zou Abū Barzah hem hebben gedood.
Hier kan de volgende vraag opkomen: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had op de dag van de Verovering van Makkah veiligheid (amān) verleend aan de inwoners van Makkah. Hij zei bijvoorbeeld: “Wie het huis van Abū Sufyān binnengaat, is veilig; wie zijn eigen huis binnengaat en de deur op slot doet, is veilig; wie de moskee (de Kaʿbah) binnengaat, is veilig.” Waarom werd Ibn Khaṭal dan niet in deze veiligheid opgenomen, terwijl hij zich in de Kaʿbah bevond?
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had op die dag echter bepaalde vijanden van de Islām uitgesloten van deze algemene amān. Ibn Khaṭal behoorde tot deze groep, zoals in de vorige ḥadīth uitgebreid is uitgelegd.
Het onderwerp iḥrām bij het binnengaan van Makkah
De overleveraar Muḥammad ibn Shihāb az-Zuhrī vermeldde op basis van een saḥābī dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) Makkah binnenging zonder iḥrām. Deze informatie is van belang omdat een moslim die Makkah binnengaat normaal gesproken in iḥrām dient te zijn.
Hier kan de vraag worden gesteld: Moet iemand die Makkah binnengaat altijd in iḥrām zijn, ook als hij niet van plan is ḥaj of ʿumrah te verrichten?
Volgens Imām ash-Shāfiʿī is het niet verplicht om in iḥrām te zijn wanneer iemand Makkah binnengaat voor een bepaalde taak of handel en geen intentie heeft voor ḥaj of ʿumrah.
De andere drie imāms (Abū Ḥanīfah, Mālik en Aḥmad ibn Ḥanbal) zijn echter van mening dat iedere moslim die Makkah binnengaat in iḥrām moet zijn, ongeacht het doel van zijn reis. Hierop bestaan echter enkele uitzonderingen:
Volgens de Ḥanbalī-geleerden hoeft iemand die regelmatig de Ḥaram binnengaat vanwege zijn werk niet telkens in iḥrām te zijn.
Volgens de Ḥanafi-geleerden hoeven inwoners die binnen de mīqāt-grenzen wonen en geen ḥaj of ʿumrah verrichten, niet in iḥrām te gaan wanneer zij Makkah binnengaan.
Hier kan de volgende vraag opkomen: Als Makkah een heilig gebied (ḥaram) is waar geen oorlog gevoerd mag worden, waarom droeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dan een helm bij zijn binnenkomst tijdens de Verovering van Makkah?
Het antwoord op deze vraag heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zelf gegeven tijdens de Verovering van Makkah: “Niet de mensen, maar Allahu Taʿālā heeft Makkah van oudsher tot een heilig (en veilig) gebied (ḥaram) gemaakt. Wie in Allah en de Laatste Dag gelooft, mag in Makkah geen bloed vergieten en geen bomen kappen. Als iemand probeert voor zichzelf een houvast te zoeken en zou zeggen: ‘Rasûlullāh heeft hier gevochten, (dus wij mogen dat ook),’ zeg dan: ‘Dit was een uitzondering die Allah alleen aan Zijn Boodschapper heeft toegestaan.’ Allah heeft mij slechts op een bepaald moment van de dag toestemming gegeven om te vechten. Daarna werd Makkah weer zoals het altijd al een ḥaram was.”
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK: DE TULBAND VAN RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم)
114.Ḥadīth
Van Jābir ibn ʿAbdullāh al-Anṣārī (رضي الله عنه), hij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ging op de dag van de Verovering, Makkah binnen met een zwarte tulband op zijn gezegende hoofd.”
Het Arabische woord voor tulband is ʿimāmah …An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) droeg de tulband niet rechtstreeks op zijn hoofd, maar over een hoofddeksel dat de Arabieren kalansuwah noemden, zoals een muts of een soort kap. Een tulband kan ook over een fez worden gedragen. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei dat het verschil tussen moslims en mushrikūn hierin lag dat moslims hun tulband over de kalansuwah droegen, terwijl de mushrikūn deze rechtstreeks op hun hoofd droegen.
De grootte van zijn tulband
Ibn al-Qayyim al-Jawziyyah (overl. 751 H./1350 n.Chr.), een geleerde met grote autoriteit in vele islamitische wetenschappen, vermeldt over de grootte van de tulband van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het volgende: De tulband van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was niet zo groot dat het zwaar op het hoofd drukte, maar ook niet zo klein dat hij het hoofd niet kon beschermen tegen warmte en kou.
Volgens overleveringen had Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) twee tulbanden: een korte en een lange. De korte bestond uit ongeveer zes of zeven dhirāʿ (ongeveer 4 meter), en de langere uit ongeveer twaalf dhirāʿ (ongeveer 8 meter).
Wat droeg hij op zijn hoofd op de dag van de Verovering?
Hier kan de vraag worden gesteld: In de vorige hoofdstukken lazen wij dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op de dag van de Verovering Makkah binnenging met een helm op zijn hoofd. In deze ḥadīth lezen wij echter dat hij een zwarte tulband droeg. Hoe kunnen deze twee overleveringen met elkaar worden verenigd?
Een mogelijke verklaring is dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de helm droeg en daaroverheen een tulband had gewikkeld. De tweede verklaring die Qāḍī ʿIyāḍ geeft is dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) eerst Makkah binnenging met een helm, deze vervolgens afzette en daarna een zwarte tulband om zijn hoofd wikkelde. Overleveringen dat hij later diezelfde dag met een zwarte tulband sprak in de Masjid al-Ḥarām ondersteunen deze uitleg.
In de 116e ḥadīth zal, als Allah wil, worden vermeld dat hij die dag na zijn binnenkomst in de Ḥaram bij de deur van de Kaʿbah een toespraak hield met die zwarte tulband op zijn hoofd.
115.Hadith
Van ʿAmr ibn Ḥureys (رضي الله عنه) hij zei: “Ik zag een zwarte tulband op het gezegende hoofd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).”
Volgens de overlevering in Sunan an-Nasāʾī gaf ʿAmr ibn Ḥureys (رضي الله عنه) meer detail over de kleur van de tulband die hij op het hoofd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zag, en zei:
“Ik zag op het gezegende hoofd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een zwarte tulband met een kleur zoals iets dat door vuur is aangetast (d.w.z. diep zwart).”
In deze overleveringen wordt niet expliciet vermeld wanneer ʿAmr ibn Ḥureys (رضي الله عنه) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezien.
Volgens de overlevering in Ṣaḥīḥ Muslim gaf hij echter ook informatie over waar hij hem zag:
“Het beeld van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) terwijl hij op de minbar stond, met zijn zwarte tulband waarvan de twee uiteinden tussen zijn twee schouderbladen hingen, staat nog steeds voor mijn ogen.”
Hij preekte (khuṭbah) met een zwarte tulband
Een andere overlevering van dezelfde saḥābī in Ṣaḥīḥ Muslim luidt als volgt: \
“Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hield een toespraak tot de mensen met een zwarte tulband op zijn hoofd.”
De tijd waarop ʿAmr ibn Ḥureys (رضي الله عنه) an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) met een zwarte tulband zag, wordt in de overlevering van al-Ḥumaydī in zijn Musnad als volgt vermeld:
“Op de dag van de Verovering van Makkah zag ik Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) met een zwarte tulband op zijn hoofd.”
Wanneer deze overleveringen samen worden beschouwd, wordt duidelijk dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op de dag van de Verovering van Makkah een toespraak hield met zijn zwarte tulband op. Hoewel bekend is dat de beroemde toespraak van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op de dag van de Verovering van Makkah niet op een minbar plaatsvond, maar bij de deur van de Kaʿbah.
De commentator van as-Şemāʾil al-Muḥammadiyyah, al-Bājūrī (overleden 1277 H./1860 n.Chr.), vermeldt bij de uitleg van de 116e ḥadīth dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op die dag zowel bij de Kaʿbah als op de minbar een toespraak hield tot de mensen van Makkah.
Aangezien er bij de Kaʿbah geen minbar in de gebruikelijke zin bestond, verklaart al-Bājūrī dat hiermee de drempel van de Kaʿbah bedoeld kan zijn. In taalkundige zin kan deze ook “minbar” worden genoemd als een verhoogde plaats.
Ṣaḥābah (رضي الله عنهم) droegen soms ook een zwarte tulband
Het dragen van een zwarte tulband was niet iets dat uitsluitend was voorbehouden aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Ook de Ṣaḥābah droegen soms een zwarte tulband.
Hoewel Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) meestal witte kleding droeg, een witte tulband omwikkelde en heeft gezegd dat witte kleding het meest verdienstelijk is, was er geen bezwaar tegen het dragen van een zwarte tulband of zwarte kleding, bijvoorbeeld tijdens een preek (khuṭbah).
Zo wordt overgeleverd dat op de dag waarop ʿUthmān (رضي الله عنه) tde marteldood stierf, ʿAlī (رضي الله عنه) en anderen een zwarte tulband droegen.
Ḥasan (رضي الله عنه) droeg eveneens zwarte kleding en hield de khuṭbah met een zwarte tulband.
Ook ʿAbdullāh ibn az-Zubayr (رضي الله عنه) droeg, toen hij emir van Kūfa was, en ook ʿAmmār ibn Yāsir (رضي الله عنه) hielden elke vrijdag de khuṭbah met een zwarte tulband.
De islamitische geleerden hebben op basis van het feit dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op de dag van de Verovering van Makkah een zwarte tulband droeg, gezegd dat het aanbevolen (mustaḥab) is om bij een overwinning op de vijand een zwarte tulband te dragen.
116.Hadith
Van ʿAmr ibn Ḥureys (رضي الله عنه) hij zei: “an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hield een toespraak tot de mensen terwijl hij een zwarte tulband op zijn gezegende hoofd had.”
117.Hadith
Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما), hij zei: “Wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) een tulband omwikkelde, liet hij het uiteinde ervan tussen zijn twee schouderbladen naar beneden hangen.”
Nāfiʿ, die deze ḥadīth van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما) overleverde, zei: “Ibn ʿUmar droeg zijn tulband ook op deze manier.”
En ʿUbaydullāh ibn ʿUmar, die het van Nāfiʿ overleverde, zei: “Ik zag al-Qāsim ibn Muḥammad (de kleinzoon van Abū Bakr) en Sālim ibn ʿAbdullāh (de zoon van Ibn ʿUmar) ook hun tulband zo dragen, waarbij het uiteinde over hun schouders hing.”
In deze ḥadīth worden twee belangrijke geleerden uit de Tābiʿīn genoemd die de manier van de tulband van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) volgden.
De eerste is al-Qāsim ibn Muḥammad (overl. 107 H./725 n.Chr.), de kleinzoon van Abū Bakr (رضي الله عنه), een van de zeven beroemde faqīh-geleerden van Madīnah.
De tweede is Sālim ibn ʿAbdullāh, de zoon van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما), eveneens een van de grote geleerden van de Tābiʿīn. Hij volgde, net als zijn vader, nauwgezet de levenswijze van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
De uiteinden van de tulband
Hoe handelde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) met de uiteinden van zijn tulband?
Uit deze ḥadīth leren wij dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) soms het uiteinde van zijn tulband tussen zijn schouderbladen liet hangen. Dit is door meerdere Ṣaḥābah overgeleverd. Zoals wij in de 115e ḥadīth hebben gezien, verwoordde ʿAmr ibn Ḥurayth (رضي الله عنه), zijn waarneming hierover als volgt: “Het beeld van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), terwijl hij op de minbar stond met de uiteinden van zijn zwarte tulband tussen zijn twee schouderbladen hangend, staat mij nog altijd helder voor de geest.”
Ook ʿAbd ar-Raḥmān ibn ʿAwf (رضي الله عنه), een van de al-ʿAsharah al-Mubashsharah en overleden in 32 H./652 n.Chr., heeft aangegeven dat de uiteinden van de tulband ook op een andere manier konden worden gedragen: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wikkelde een tulband om mijn hoofd. Eén uiteinde van de tulband liet hij vóór mij hangen en het andere uiteinde achter mijn rug.”
De vraag rijst of an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dit altijd op deze wijze deed.
Nee. Soms liet hij, zoals wij in deze twee aḥādīth hebben gezien, de uiteinden van zijn tulband over zijn schouders naar beneden hangen, en soms deed hij dat niet.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) liet de uiteinden van zijn tulband over zijn schouders hangen om een verzorgde en fraaie uitstraling te geven. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deed echter alles op de juiste plaats en op het juiste moment. Zo vermelden de ooggetuigen die zijn tulband beschreven toen hij op de dag van de Verovering Makkah binnenging, niet dat hij de uiteinden van zijn tulband over zijn schouders liet hangen. Dat was namelijk een dag van strijd, en tijdens een gevecht diende men zich ordelijk en praktisch te kleden.
Het laten hangen van één uiteinde van de tulband tussen de twee schouderbladen wordt als een Sunnah beschouwd. Vooraanstaande moslims, onder wie ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما), Qāsim ibn Muḥammad, de kleinzoon van Abū Bakr (رضي الله عنه) en Sālim ibn ʿAbdullāh ibn ʿUmar, brachten deze Sunnah eveneens in praktijk.
Verschillende praktijken bij de soefi’s
Hoewel het laten hangen van het uiteinde van de tulband tussen de twee schouderbladen als het meest passend wordt beschouwd, hebben sommige geleerden de voorkeur gegeven aan het laten hangen vanaf de rechterzijde, omdat de rechterzijde in het algemeen boven de linker wordt gesteld.
Toch is de praktijk vaak anders uitgekomen. Zo hebben de soefi’s er de voorkeur aan gegeven om het uiteinde van de tulband richting het hart te laten hangen, en daarom vonden zij het beter om het vanaf de linkerzijde te laten vallen.
Sommige geleerden hebben gezegd dat het uiteinde van de tulband slechts ongeveer vier vingers of een handspan over de schouder mag hangen, en dat meer dan dat kan leiden tot hoogmoed (kibr).
118.Hadith
Van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), hij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hield een toespraak tot de mensen terwijl hij een zwarte tulband op zijn hoofd had.”
De toespraak die in deze ḥadīth wordt genoemd, was volgens de overlevering de laatste toespraak die Rasulullahn (صلى الله عليه وسلم) in de Masjid an-Nabawī tot de Ṣaḥābah hield.
In Ṣaḥīḥ al-Bukhārī wordt deze gebeurtenis uitvoerig beschreven als volgt:
Abū Bakr (رضي الله عنه) en ʿAbbās (رضي الله عنه), de oom van an-Nabī, zagen in de laatste dagen van het leven van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), hoe de mensen van Madīnah in groepen bijeen zaten en huilden.
Zij vroegen hen: “Waarom huilen jullie?”
Zij antwoordden: “We huilen als we terugdenken aan de dagen dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) met ons samen zat en ons toesprak.”
Toen Abū Bakr (رضي الله عنه) en ʿAbbās (رضي الله عنه), of een van hen, dit aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vertelden, ging Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar buiten met een grote ridāʾ om zijn schouders en met een zwarte tulband op zijn hoofd, en beklom de minbar.
Hij prees en loofde Allah Taʿālā en zei daarna: “O mensen, kom dichterbij.”
Toen de Ṣaḥābah zich rondom hem verzamelden, zei hij: “Ik draag jullie op de Anṣār goed te behandelen. Zij zijn mijn vertrouwelingen en mijn naaste/trouwe metgezellen. Zij hebben mij beschermd en hun belofte gehouden. Nu rest hen slechts hun beloning bij Allah en hun hoge graden in het Paradijs. In de toekomst zullen andere mensen in Madīnah toenemen en zullen de Anṣār steeds minder worden, totdat zij worden als het zout in het voedsel. Wie uit de ummah van Muḥammad een positie van bestuur of verantwoordelijkheid krijgt over mensen, laat hem het goede van de Anṣār accepteren en hun fouten vergeven.”
Daarna is Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nooit meer op de minbar gestegen.
ACHTTIENDE HOOFDSTUK: DE IZĀR VAN RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم)
119. Ḥadīth
Van Abū Burdah ibn Abī Mūsā al-Ashʿarī, hij zei: “ʿĀ’ishah (رضي الله عنها) liet ons een gerepareerde ridāʾ en een grove izār zien die geweven was van dik garen, en zei:
“Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn zuivere rûh (aan Allah) overdroeg, bevond zijn gezegende lichaam zich in deze twee (nl. ridāʾ en izār).”
Laten wij eerst herinneren wat bedoeld wordt met izār en ridāʾ. De Arabieren droegen doorgaans kleding uit twee delen: de izār, die het onderste deel van het lichaam bedekt, en de ridāʾ, die het bovenste deel van het lichaam bedekt.
Volgens de Tābiʿī-geleerde Abū Burdah toonde ʿĀ’ishah (رضي الله عنها) op een dag de ridāʾ en izār van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aan haar leerlingen, zodat zij deze konden zien en ervaren hoe eenvoudig zijn kleding was. Vervolgens zei zij dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in deze uiterst eenvoudige kleding was overleden.
Het water van zijn toga
ʿĀ’ishah (رضي الله عنها) bewaarde niet alleen zijn izār en ridāʾ, maar ook zijn toga om er de zegen (barakah) van te ontvangen.” Toen ʿĀ’ishah (رضي الله عنها) overleed, nam haar zus Asmā’ (رضي الله عنها) deze toga over. Zij liet aan bezoekers de toga van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zien en zei: “Deze toga droeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Nu wassen wij hem voor zieke mensen en laten hen het water ervan drinken voor genezing.”
ʿUrwah ibn az-Zubayr, de zoon van Asmā’ (رضي الله عنها) en een van de zeven tabi`īn faqīh-geleerden van Madīnah, zei dat de ridāʾ van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ongeveer vier dhirāʿ lang was en twee dhirāʿ en een span breed.
De dienaar-Nabī
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) nam afscheid van deze wereld in uiterst eenvoudige kleding. In die tijd leefden de moslims niet meer in zware armoede; er kwamen rijkdommen en buit naar Madīnah en het leven was comfortabeler geworden. Desondanks bleef Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) niet gericht op de wereld of op werelds bezit en liet zich niet meeslepen door uiterlijk vertoon.
Hij koos ervoor om een dienaar-Nabī te zijn, niet een koning-Nabī.
Terwijl de wereld met al haar rijkdommen en gunsten zich naar hem leek te haasten, keerde hij telkens terug naar zijn eenvoudige woning van lemen stenen, met een hart vervuld van tevredenheid.
Hij toonde in de praktijk aan dat de mens altijd eenvoud moet omarmen en, vooral in de latere fase van zijn leven, dient te leven in een staat van zuhd (wereldverzaking en soberheid). De met goud geborduurde kaftans die koningen hem als geschenk aanboden, evenals de zijden stoffen uit de buit, gaf hij doorgaans aan zijn metgezellen om naar zijn echtgenotes te brengen.
Waarom werd hij boos op zijn echtgenotes?
Toen zijn echtgenotes ook, net als andere vrouwen, verlangden om van deze mogelijkheden te profiteren en de wereldse sier te bezitten, nam hij daar afstand van en werd hij gekrenkt door hun houding. Toen werd de volgende verzen geopenbaard:
يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّبِيُّ قُل لِّأَزۡوَٰجِكَ إِن كُنتُنَّ تُرِدۡنَ ٱلۡحَيَوٰةَ ٱلدُّنۡيَا وَزِينَتَهَا فَتَعَالَيۡنَ أُمَتِّعۡكُنَّ وَأُسَرِّحۡكُنَّ سَرَاحٗا جَمِيلٗا ٢٨
“O Profeet! Zeg tegen jouw vrouwen: “Als jullie het leven van deze wereld wensen, en haar schijn, - Kom dan! Ik zal jullie een geschenk geven en jullie op een mooie manier bevrijden.
وَإِن كُنتُنَّ تُرِدۡنَ ٱللَّهَ وَرَسُولَهُۥ وَٱلدَّارَ ٱلۡأٓخِرَةَ فَإِنَّ ٱللَّهَ أَعَدَّ لِلۡمُحۡسِنَٰتِ مِنكُنَّ أَجۡرًا عَظِيمٗا ٢٩
Maar als jullie (het welbehagen van) Allah en Zijn Boodschapper wensen en het Huis in het hiernamaals” dan waarlijk, Allah heeft voor weldoensters onder jullie een geweldige beloning voorbereid.” (Ahzâb, 33:28-29)
Toen deze verzen werden geopenbaard, gaf an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn echtgenotes, de Moeders van de gelovigen (رضي الله عنهن), de keuze. Zij kozen voor Allah, Zijn Rasûl en het Hiernamaals.
Wat de mens werkelijk nodig heeft
In werkelijkheid wenste Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dat zijn ummah niet meer waarde zou hechten aan de wereld dan noodzakelijk is. In een hadith zei hij: “De zoon van Adam heeft geen recht op meer dan deze zaken:- een woning om in te verblijven,- kleding om zijn lichaam te bedekken,- brood om te etenen een vat om water in te bewaren.”
Het goud dat zijn hart bezighield
Laten we dit onderwerp afsluiten met nog een voorbeeld van de ascetische levenshouding van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zijn zorgvuldigheid ten aanzien van wereldse bezittingen.
Op een dag, nadat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de salāh al-`Asr had geleid, stond hij haastig op en liep bijna over de schouders van de aanwezige metgezellen heen toen hij de kamer van één van zijn echtgenotes binnenging. De metgezellen raakten hierdoor verontrust en maakten zich zorgen over zijn toestand.
Kort daarna kwam an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) naar buiten en keerde terug naar zijn metgezellen. Toen hij hun bezorgde blikken zag, legde hij de situatie uit: “Tijdens de salāh herinnerde ik mij dat er in huis nog een hoeveelheid goudstaven lag. Ik vreesde dat het nog één nacht in huis zou blijven en mijn hart zou bezighouden, daarom heb ik opgedragen dat het onder de armen moest worden verdeeld.”
120.Hadith
Van Ashʿath ibn Sulaym, hij zei: “Ik hoorde van mijn tante, en zij vertelde dat zij het van haar oom, ʿUbayd ibn Khālid (رضي الله عنه), had gehoord: Op een dag liep ik in Madīnah terwijl mijn izār over de grond sleepte. Toen hoorde ik iemand achter mij zeggen: 'Trek je izār omhoog, want dat je izār niet over de grond sleept, past zowel bij vroomheid (taqwā) als bij het schoonhouden (en het langer meegaan) van je kleding.'
Toen ik mij omdraaide, zag ik dat degene die mij opdroeg mijn izār omhoog te trekken niemand minder was dan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Ik antwoordde: 'O Rasûlullāh! Mijn izār is slechts een eenvoudig stuk stof!'
Daarop antwoordde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): 'Wil jij mij ook hierin niet als voorbeeld nemen?'
Toen zag ik dat de izār van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tot halverwege zijn kuiten reikte.”
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zag ʿUbayd ibn Khālid (رضي الله عنه), terwijl hij liep met zijn over de grond slepend. Hij herinnerde hem aan de nadelen van het slepen van zijn kleding. Hij legde uit dat dit een vorm van pronkzucht en een teken van hoogmoed (kibr) is. Een kledingstuk dat over de grond sleept, kan iemand tot trots en zelfingenomenheid brengen, en een dergelijke houding is in strijd met de taqwā. De uitdrukking (fa innahoe atqā) in deze hadith verwijst naar deze betekenis.
Vervolgens herinnerde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hem aan nog iets anders: een kledingstuk waarvan de zoom over de grond sleept, wordt vuil door het vuil op straat en blijft daardoor niet schoon. De uitdrukking (wa anā khātamoe) die in sommige overleveringen van deze hadith voorkomt, verwijst hiernaar. Daarmee maakte hij duidelijk dat een izār die niet over de grond sleept, beter geschikt is om schoon te blijven.
Met deze raad wees Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) erop dat voor een mu'min niet alleen de zuiverheid van het hart belangrijk is, maar ook de lichamelijke reinheid. Door tevens te spreken over het “langer meegaan” van kleding, spoorde hij aan zorgvuldig met bezittingen om te gaan en verspilling te vermijden.
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) als voorbeeld nemen
Na deze vermaning van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) antwoordde ʿUbayd ibn Khālid (رضي الله عنه) niet eenvoudigweg: “Ik gehoorzaam, o Rasûlullāh, dan zal ik het zo doen!”, maar bracht hij een verontschuldiging naar voren.
Hij probeerde zichzelf te verdedigen door te zeggen dat zijn izār niet opvallend was, niet van dure stof was gemaakt en slechts uit een eenvoudig stuk doek bestond. Daarom, zo meende hij, zou het slepen ervan hem niet tot hoogmoed of trots brengen.
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vond deze verdediging niet juist en zei tegen hem: “Wil jij mij, zoals op andere gebieden, ook wat betreft je kleding niet als voorbeeld nemen?”
Met andere woorden: “Ben ik voor jou geen goed voorbeeld?”
Daarmee herinnerde hij hem eraan wat werkelijk van hem verwacht werd. Zoals moslims an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op alle andere terreinen volgen, behoren zij hem ook in hun kleding en uiterlijk tot voorbeeld te nemen.
Zo ging hij met zijn metgezellen om
Zoals uit deze hadith blijkt, hield an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zich bezig met alle aspecten van het leven van zijn metgezellen. Hij streefde ernaar dat zij in ieder opzicht het beste zouden nastreven.
Een van de mooiste voorbeelden hiervan is zijn aandacht voor de kleding van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما). Ibn ʿUmar vertelde: “Op een dag verscheen ik voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) terwijl de zoom van mijn kleding onder mijn enkels hing.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tegen mij: 'O ʿAbdullāh! Trek de zoom van je kleding omhoog.'
Ik deed dat onmiddellijk.
Daarna zei hij: 'Trek hem nog iets verder omhoog.'
Ook dat deed ik.
Vanaf die dag heb ik er altijd op gelet dat mijn kleding de lengte had die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wenste.”
Iemand die daarbij aanwezig was, vroeg hem: “Tot waar had je je kleding opgetrokken?”
Ibn ʿUmar antwoordde: “Tot halverwege mijn kuiten.”
Zo luidt het bevel van Allah
Nu dit onderwerp ter sprake is gekomen, is het goed eraan te herinneren dat het volgen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een bevel van Allah is. Allahu T`ala zegt in de Qur’ān:
“Voor degenen die hopen op Allah en de Laatste Dag en Allah veel gedenken, is er in Rasûlullāh een voortreffelijk voorbeeld.
لَّقَدۡ كَانَ لَكُمۡ فِي رَسُولِ ٱللَّهِ أُسۡوَةٌ حَسَنَةٞ لِّمَن كَانَ يَرۡجُواْ ٱللَّهَ وَٱلۡيَوۡمَ ٱلۡأٓخِرَ وَذَكَرَ ٱللَّهَ كَثِيرٗا ٢١
Voorzeker, Rasûlullāh is (in elk opzicht) een lichtend voorbeeld voor (zowel de gelovigen als de hypocrieten onder) jullie, voor wie op (de veelbelovende ontmoeting met) Allah en de Laatste Dag hoopt. En voor wie Allah veelvuldig gedenkt. (Ahzâb, 33:21)
In een andere āyah zegt Allah:
قُلۡ إِن كُنتُمۡ تُحِبُّونَ ٱللَّهَ فَٱتَّبِعُونِي يُحۡبِبۡكُمُ ٱللَّهُ وَيَغۡفِرۡ لَكُمۡ ذُنُوبَكُمۡۚ وَٱللَّهُ غَفُورٞ رَّحِيمٞ ٣١
Zeg (O Mohammed: “Als jullie (echt) van Allah houden, volg mij dan, Allah zal van jullie houden en jullie zonden vergeven. En Allah is de Barmhartige, de Genadevolle. (Âl-i İmrân, 3:31)
Nog een āyah die het belang van het volgen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) benadrukt luidt:
قُلۡ يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّاسُ إِنِّي رَسُولُ ٱللَّهِ إِلَيۡكُمۡ جَمِيعًا ٱلَّذِي لَهُۥ مُلۡكُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِۖ لَآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ يُحۡيِۦ وَيُمِيتُۖ فَـَٔامِنُواْ بِٱللَّهِ وَرَسُولِهِ ٱلنَّبِيِّ ٱلۡأُمِّيِّ ٱلَّذِي يُؤۡمِنُ بِٱللَّهِ وَكَلِمَٰتِهِۦ وَٱتَّبِعُوهُ لَعَلَّكُمۡ تَهۡتَدُونَ ١٥٨
Zeg: “O, Mensheid! Waarlijk, ik ben tot jullie gestuurd als Rasûlullāh – aan wie het rijk van de hemelen en aarde toebehoort. Geen god is er dan Hij; Hij doet leven en Hij doet sterven. Geloof dus in Allah en in Zijn Boodschapper, an-Nabī die niet kan lezen of schrijven, die in Allah gelooft en in Zijn woorden, volg hem, zodat jullie geleid zijn. (A’râf , 7:158)
De eerste voorwaarde om een ware mu'min te zijn, is Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tot voorbeeld te nemen en je zonder enige innerlijke weerstand te onderwerpen aan zijn oordelen:
فَلَا وَرَبِّكَ لَا يُؤۡمِنُونَ حَتَّىٰ يُحَكِّمُوكَ فِيمَا شَجَرَ بَيۡنَهُمۡ ثُمَّ لَا يَجِدُواْ فِيٓ أَنفُسِهِمۡ حَرَجٗا مِّمَّا قَضَيۡتَ وَيُسَلِّمُواْ تَسۡلِيمٗا ٦٥
Bij jullie Heer, zij kunnen geen geloof hebben tot zij jou voor al hun geschillen tot hun rechter maken en bij zichzelf geen weerstand voelen in jouw beslissingen en zij aanvaarden (het dan) volledig. (Nisâ, 4:65)
Wat betekent het om an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) als voorbeeld te nemen?
Volgens de islamitische geleerden betekent het volgen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم):
de godsdienst die hij heeft gebracht accepteren;
zijn Sunnah volgen;
niet handelen in strijd met zijn woorden en daden.
Laten wij dit onderwerp afsluiten met een uitspraak van ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه), die het verdient blijvend in herinnering te worden gehouden. Over het kussen van al-Ḥajar al-Aswad zei hij: “Ik weet dat jij slechts een steen bent. Je kunt niemand voordeel brengen en niemand schade berokkenen. Als ik Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) jou niet had zien kussen, dan zou ik jou ook niet hebben gekust.”
In deze hadith heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) duidelijk gemaakt hoe lang de kleding van mannen behoort te zijn.
Ook de gezegende hadith waarin wordt vermeld dat van een vrouw slechts haar handen, gezicht en voeten zichtbaar mogen zijn, geeft daarmee de grens aan voor de kleding van vrouwen.
121.Hadith
Salamah ibn al-Akwaʿ (رضي الله عنه), hij zei: “ʿUthmān ibn ʿAffān (رضي الله عنه) droeg een izār dat tot halverwege zijn kuiten reikte. Daarbij verwees hij naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei: “Ook mijn geliefde vriend droeg zijn izār op deze wijze.”
ʿUthmān (رضي الله عنه) (overleden in 35 H./655 n.Chr.) behoorde tot de metgezellen die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in alle opzichten tot voorbeeld namen. Daarom droeg ook hij zijn izār, net als Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), tot halverwege zijn kuiten.
ʿUthmān (رضي الله عنه) was Dhū an-Nūrayn
Dat ʿUthmān (رضي الله عنه) zo handelde, is heel vanzelfsprekend. Hij behoorde immers tot de al-ʿAsharah al-Mubashsharah, de tien die de blijde tijding van het Paradijs hadden ontvangen. Omdat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn karakter zo waardeerde, huwde hij hem eerst met zijn dochter Zaynab (رضي الله عنها). Na haar overlijden huwde hij hem vervolgens met zijn dochter Ruqayyah (رضي الله عنها). Vanwege deze bijzondere eer werd ʿUthmān (رضي الله عنه) Dhū an-Nūrayn genoemd, wat “de bezitter van de twee lichten” betekent.
Hier kan de vraag opkomen: Salamah ibn al-Akwaʿ (رضي الله عنه) had toch zelf gezien hoe Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn izār droeg. Waarom vertelt hij dat niet rechtstreeks, maar spreekt hij over de lengte van het izār van ʿUthmān (رضي الله عنه)?
Deze vooraanstaande metgezel van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wilde benadrukken dat het Sunnah is het izār tot halverwege de kuiten te laten reiken en dat een langere lengte in strijd is met de Sunnah. Tevens wilde hij duidelijk maken dat ook de khalīfah van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deze Sunnah nauwgezet naleefde.
De voortreffelijkheid van de Khulafāʾ ar-Rāshidūn
De eerste vier khalīfahs van de islam namen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in elk opzicht tot voorbeeld. Zij probeerden alles op dezelfde wijze te doen als an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).
Daarom droeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn ummah op om ook de Khulafāʾ ar-Rāshidūn tot voorbeeld te nemen en zei: “Ik raad jullie aan je stevig vast te houden aan mijn Sunnah en aan de Sunnah van de rechtgeleide Khulafāʾ ar-Rāshidūn, alsof jullie je er met jullie kiezen aan vastbijten.” Om deze reden worden de vier khalīfahs van de islam de Khulafāʾ ar-Rāshidūn genoemd, oftewel de rechtgeleide khalīfahs die zich onwrikbaar aan de waarheid en het recht vasthielden.
De lengte van het izār
Deze hadith, die door at-Tirmidhī is overgeleverd in zijn Shamāʾil, komt niet voor in de bekende hadithverzamelingen zoals de Kutub as-Sittah. In betrouwbare hadithwerken zoals Sunan Abī Dāwūd en al-Muwaṭṭaʾ van Imām Mālik wordt echter via Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) overgeleverd dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het kledingstuk van een mu'min behoort tot halverwege zijn kuiten te reiken.”
Volgens deze overleveringen zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) over izārs die langer zijn dan de enkels: “Dat deel van het izār dat onder de enkels komt, bevindt zich in het Vuur.”
Het woord sāq dat in de tekst van deze hadith voorkomt, verwijst naar het gedeelte tussen de knie en de enkel. Daarom hebben wij deze uitdrukking vertaald als: “tot halverwege zijn kuiten.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beschreef de toestand van degenen die uit hoogmoed hun kleding over de grond laten slepen als volgt: “Allah zal op de Dag der Opstanding niet kijken naar degene die uit trots zijn kleding over de grond sleept.”
Er zijn ook andere overleveringen van verschillende metgezellen met dezelfde strekking over de voorgeschreven lengte van het izār.
122.Hadith
Van Ḥudhayfah ibn al-Yamān (رضي الله عنه), hij zei: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) pakte de spier van mijn kuit (of: de spier van zijn eigen kuit) vast en zei: “De voorgeschreven lengte van het izār (de onderzoom van het kledingstuk) is tot halverwege het onderbeen. Als je de zoom iets langer wilt dragen, dan is de grens iets onder de kuit, maar nog boven de enkel. En als je hem nóg langer wilt maken, weet dan dat het beslist niet toegestaan is dat de zoom onder de enkels uitkomt.”
In deze hadith staat de uitdrukking: “Hij pakte de spier van mijn kuit vast (of: de spier van zijn eigen kuit).” Dit is een twijfelachtige formulering. In de hadithwetenschap wordt dit een shakkun min ar-rāwī genoemd, oftewel een onzekerheid van de overleveraar.
Deze onzekerheid behoort toe aan Muslim ibn Nuzayr, die deze hadith van Ḥudhayfah (رضي الله عنه) overleverde. Hij kon zich niet met zekerheid herinneren of Ḥudhayfah (رضي الله عنه) had gezegd: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) pakte mijn kuit vast”, of: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) pakte zijn eigen kuit vast.” Daarom heeft hij de hadith met deze onzekerheid overgeleverd.
Ook het toegestane kent een grens
Met de woorden: “Als je de zoom iets langer wilt dragen”, maakte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) aan Ḥudhayfah ibn al-Yamān duidelijk: “Wanneer je deze raad van mij niet opvolgt en de door mij aanbevolen grens van deze Sunnah niet wilt aanhouden, weet dan dat zelfs het toegestane een grens heeft. Die grens zijn de enkels.”
In deze woorden ligt tevens de volgende waarschuwing besloten: “Wanneer je je kleding nog verder verlengt en haar onder de enkels laat hangen, dan heb je geen acht geslagen op mijn Sunnah.”
In een overlevering in Ṣaḥīḥ al-Bukhārī beschouwde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het laten hangen van de kleding onder de enkels als een teken van hoogmoed. Over zulke hoogmoedigen zei hij: “Dat deel van het kledingstuk dat onder de enkels hangt, bevindt zich in het Vuur.” Met deze woorden bedoelde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) uiteraard niet dat het kledingstuk zelf in de Hel zal zijn, maar gebruikte hij een beeldspraak waarmee hij bedoelde dat degene die het kledingstuk op die wijze uit hoogmoed draagt, in de Hel zal zijn.
Het gevaar van twijfelachtige zaken
Een moslimman zou zich niet voortdurend moeten afvragen of zijn kleding of zijn overhemd, wanneer het tot een bepaalde hoogte onder zijn enkels komt, makrūh of ḥarām is.
In plaats daarvan dient hij zich de volgende hadith van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) over het vermijden van twijfelachtige zaken te herinneren en de grenzen van de Sunnah niet te overschrijden:
“Wie de twijfelachtige zaken vermijdt, beschermt zijn dīn en zijn eer. Maar wie zich niet onthoudt van twijfelachtige zaken, zal uiteindelijk in het ḥarām vervallen; zoals een herder die zijn kudde laat grazen rondom een terrein dat aan een ander toebehoort en die ieder moment het gevaar loopt dat zijn kudde dat terrein zal binnengaan.”
NEGENTIENDE HOOFDSTUK: DE WIJZE WAAROP RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم) LIEP
123.Hadith
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), hij zei: “Ik heb nooit iemand gezien die mooier was dan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Het was alsof het zonlicht over zijn gezegende gezicht stroomde.
Ook heb ik nooit iemand gezien die sneller liep dan hij. Het was alsof de aarde vóór hem werd opgerold. Terwijl hij heel gemakkelijk en zonder enige inspanning liep, hadden wij moeite om hem bij te houden.”
Terwijl Abū Hurayrah (رضي الله عنه) de schoonheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beschrijft, zegt hij dat hij nooit een mooier mens heeft gezien. Hij vergelijkt de schittering van zijn gezegende gezicht met de glans van de zon die zich langs haar baan voortbeweegt. Met andere woorden: zoals de zon haar licht verspreidt, zo straalde de schoonheid van zijn gezegende gezicht.
Had jij hem maar eens gezien!
Laten wij hier ook de treffende beschrijving van de vrouwelijke metgezel Rubayyiʿ bint Muʿawwidh (رضي الله عنها) in herinnering brengen. ʿUbaydah, de kleinzoon van ʿAmmār ibn Yāsir (رضي الله عنه), vroeg haar naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zijn schoonheid. Daarop antwoordde Rubayyiʿ (رضي الله عنها): “Als jij hem had gezien, zou het zijn geweest alsof je de opgaande zon zag.”
Bij de beschrijving van de Geliefde van Allah heeft de dichter treffend gezegd:
“Door het licht van zijn gezichtwerden donkere nachten verlicht,en heldhaftige mannenvonden hun weg.”
Zo liep hij
In deze hadith beschrijft Abū Hurayrah (رضي الله عنه) de manier waarop an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) liep. Hij zegt: “Ik heb nooit iemand gezien die sneller liep dan hij. Het was alsof de aarde vóór hem werd opgerold. Terwijl hij heel gemakkelijk liep, hadden wij moeite hem bij te houden.”
De metgezellen die de manier van lopen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) beschreven, gebruikten onder andere de volgende bewoordingen:
“Hij liep licht voorovergebogen.”
“Hij liep alsof hij een helling afdaalde.”
“Tijdens het lopen tilde hij zijn voeten krachtig van de grond op, zonder ze hard neer te zetten. Hij zette ruime passen.”
“Hij liep met ruime en vlotte passen, terwijl hij tegelijkertijd rustig en waardig bleef.”
Het was alsof de aarde vóór hem werd opgerold
In deze hadith komt de uitdrukking voor: “Het was alsof de aarde vóór hem werd opgerold.”
Met deze woorden bedoelde de metgezel dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn voeten niet over de grond sleepte, maar met ruime passen liep, alsof hij een lichte afdaling afging.
Voor degene die hem zag, wekte dit de indruk dat de aarde zich als het ware onder zijn voeten opvouwde.
De manier waarop Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) liep, deed op geen enkele wijze afbreuk aan de waardigheid van een mens. Zijn manier van lopen was volkomen natuurlijk.
Terwijl de metgezellen zich moesten inspannen om hem bij te houden, liep Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zonder enige haast of moeite verder. Dit toont aan dat hij over een sterk en krachtig lichaam beschikte. Tegelijkertijd laat zijn manier van lopen zien hoe volmaakt hij de woorden van Allah in praktijk bracht:
وَٱقۡصِدۡ فِي مَشۡيِكَ وَٱغۡضُضۡ مِن صَوۡتِكَۚ إِنَّ أَنكَرَ ٱلۡأَصۡوَٰتِ لَصَوۡتُ ٱلۡحَمِيرِ ١٩
En wees gematigd in jullie (manier van) lopen en spreek zacht. Waarlijk, de meest onaangename stem is de stem van een ezel. (Luqmān, 31:19)
124.Hadith
Van Ibrāhīm ibn Muḥammad, een van de kleinzonen van ʿAlī ibn Abī Ṭālib (رضي الله عنه), hij zei: “Wanneer ʿAlī ibn Abī Ṭālib (رضي الله عنه) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beschreef, zei hij:
“Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) liep alsof hij een licht aflopende helling afdaalde. Hij tilde zijn voeten krachtig van de grond op.”
125.Hadith
Van ʿAlī ibn Abī Ṭālib (رضي الله عنه), hij zei eveneens: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) liep alsof hij een licht aflopende helling afdaalde.”
Uitleg van de hadiths
Zowel in deze hadith als in de voorgaande wordt de manier beschreven waarop Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) liep. Ook in de hadiths 5, 7 en 8 werd hierover gesproken.
In die ahadith werd de manier van lopen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) als volgt beschreven:
Tijdens het lopen tilde hij zijn voeten krachtig van de grond op, zonder ze hard neer te zetten.
Hij zette ruime passen.
Hij liep met een vlot tempo, alsof hij een licht aflopende helling afdaalde, maar tegelijkertijd rustig en waardig.
Hoe behoort een moslim te lopen?
Hieruit blijkt dat onze geliefde Nabī (صلى الله عليه وسلم) niet liep zoals hoogmoedige mensen, die zich opgeblazen gedragen en pronkend heen en weer bewegen. Allahu (تعالى) heeft een dergelijke manier van lopen verboden in de volgende āyāt:
وَلَا تُصَعِّرۡ خَدَّكَ لِلنَّاسِ وَلَا تَمۡشِ فِي ٱلۡأَرۡضِ مَرَحًاۖ إِنَّ ٱللَّهَ لَا يُحِبُّ كُلَّ مُخۡتَالٖ فَخُورٖ ١٨
En keer jullie gezichten niet af van de mensen, en wandel niet vol hoogmoed over de aarde. Want Allah houdt van geen "enkele verwaande opschepper.
وَٱقۡصِدۡ فِي مَشۡيِكَ وَٱغۡضُضۡ مِن صَوۡتِكَۚ إِنَّ أَنكَرَ ٱلۡأَصۡوَٰتِ لَصَوۡتُ ٱلۡحَمِيرِ ١٩
En wees gematigd in jullie (manier van) lopen en spreek zacht. Waarlijk, de meest onaangename stem is de stem van een ezel. (Luqmān, 31:18-19)
وَلَا تَمۡشِ فِي ٱلۡأَرۡضِ مَرَحًاۖ إِنَّكَ لَن تَخۡرِقَ ٱلۡأَرۡضَ وَلَن تَبۡلُغَ ٱلۡجِبَالَ طُولٗا ٣٧
En loop niet hoogmoedig op de aarde. Waarlijk, jullie kunnen de aarde niet doen splijten en niet de hoogte van een berg bereiken. (İsrâ, 17:37)
Het einde van de man die hoogmoedig rondliep
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم), die altijd nederig liep en licht voorovergebogen was alsof hij een helling afdaalde, vertelde eens wat er gebeurde met een man die hoogmoedig rondliep:
“Er leefde eens een man die zeer zelfingenomen was. Hij had zijn mooie kleding aangetrokken, zijn haar verzorgd en liep trots en zelfvoldaan rond. Daarop liet Allahu (تعالى) hem in de aarde wegzinken. Tot aan de Dag der Opstanding zal hij al worstelend steeds verder de aarde in wegzakken.”
TWINTIGSTE HOOFDSTUK: HET GEBRUIK VAN EEN DOEK ONDER DE TULBAND VAN RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم) WANNEER HIJ ZIJN HAAR MET OLIE VERZORGDE
126.Hadith
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), hij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verzorgde zijn gezegende haar regelmatig met olie. Om te voorkomen dat zijn tulband vettig werd, legde hij een dunne doek onder zijn tulband. Die doek werd uiteindelijk zo doordrenkt met olie dat hij op de kleding van een olieverkoper leek.”
Deze hadith is eerder, met dezelfde overleveringsketen en vrijwel dezelfde tekst, vermeld bij hadith nummer 33. Daar is zij reeds uitvoerig toegelicht.
Ook daar was Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) de overleveraar. Hij vertelde:
“Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verzorgde zijn gezegende haar regelmatig met olie en kamde zijn gezegende baard telkens wanneer zich daarvoor een gelegenheid voordeed. Nadat hij olie op zijn haar had aangebracht, legde hij een dunne doek onder zijn tulband om te voorkomen dat de tulband met olie werd bevlekt. Uiteindelijk zag die doek eruit als de kleding van een olieverkoper.”
Het is nuttig hier een woord uit deze hadith nader toe te lichten.
Het gebruik van een dergelijke doek wordt in het Arabisch taqannuʿ genoemd. Dit woord wordt ook gebruikt voor het bedekken van het hoofd met een doek om bescherming te bieden tegen warmte of kou.
Zo beschrijven de biografie van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) (sīrah-boeken) met hetzelfde woord dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), toen hij naar het huis van Abū Bakr (رضي الله عنه) ging om hem op de hoogte te brengen van de Hijrah naar Madīnah, zijn hoofd bedekte om niet herkend te worden. Eveneens wordt met dit woord beschreven dat hij tijdens de Hijrah zijn gezegende hoofd bedekte om zich tegen de zon te beschermen.
In deze hadith wordt het woord taqannuʿ echter in een specifiekere betekenis gebruikt. Het verwijst naar het feit dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), nadat hij zijn gezegende haar met olijfolie had verzorgd om het schoon en verzorgd te houden, een dunne doek onder zijn tulband legde om te voorkomen dat de olie zijn tulband zou bevlekken. Daarom is ook hier het woord taqannuʿ gebruikt.
EENENTWINTIGSTE HOOFDSTUK: DE WIJZE WAAROP RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم) ZAT
127.Hadith
Van Kaylah bint Makhramah (رضي الله عنها), zij zag op een dag Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in al-Masjid an-Nabawī. Op dat moment zat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op zijn zitvlak, met zijn knieën opgetrokken, zijn dijen tegen zijn buik gedrukt en zijn handen om zijn knieën gevouwen. Over wat zij op dat moment voelde, zei Kaylah (رضي الله عنها):
“Toen ik Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op zo'n buitengewoon nederige wijze zag zitten, begon ik te beven van ontzag.”
Kaylah bint Makhramah (رضي الله عنها), die deze hadith heeft overgeleverd, is reeds geïntroduceerd bij hadith nummer 66. Zoals daar ook is vermeld, raakte Kaylah (رضي الله عنها) diep onder de indruk toen zij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) rustig, stil en uiterst nederig zag zitten. Zij werd zelfs bevangen door ontzag en vrees.
Later vertelde zij wat er vervolgens gebeurde: “Een van de metgezellen die naast Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zat, zag dat ik van ontzag beefde en zei tegen hem: 'O Rasûlullāh! Deze vrouw beeft uit ontzag voor u.'
Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), zonder zich naar mij om te draaien, omdat ik achter hem zat: 'Arme vrouw, wees gerust.'
Toen hij dit zei, verdwenen mijn angst en mijn beven volledig.”
Voor de beschrijving van het kledingstuk dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op dat moment droeg, kan de uitleg van hadith nummer 66 opnieuw worden geraadpleegd.
Wie hem voor het eerst zag, werd door zijn indrukwekkende uitstraling geraakt
In hadith nummer 7, waarin ʿAlī ibn Abī Ṭālib (رضي الله عنه) zei: “Wie hem voor het eerst zag, werd getroffen door zijn indrukwekkende uitstraling. Maar wie enige tijd met hem doorbracht en hem werkelijk leerde kennen, kreeg een diepe liefde voor hem in zijn hart.”
Bij een andere gelegenheid werd iemand die zich in de aanwezigheid van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bevond eveneens bevangen door angst. Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen hem: “Wees gerust. Ik ben geen koning. Ik ben slechts de zoon van een vrouw uit Quraysh die gedroogd vlees at.”
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) nam vermoedelijk deze uiterst nederige zithouding aan wanneer hij de verheven Majesteit van Allahu (تعالى) in gedachten had en zich bijzonder dicht bij zijn Rab voelde.
Hoe mooi zou het zijn als ook wij ons af en toe zijn ontzagwekkende houding voor de geest halen, onszelf niet belangrijk achten en, net als hij, met nederigheid en bescheidenheid leren zitten.
128.Hadith
Van ʿAbdullāh ibn Zayd ibn ʿĀṣim al-Anṣārī (رضي الله عنه): Hij zag Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) eens in de volgende houding: Hij lag in Al-Masjid an-Nabawī op zijn rug, terwijl hij het ene been over het andere had gelegd.
Betekent deze overlevering dat ʿAbdullāh ibn Zayd (رضي الله عنه) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in het bijzijn van zijn metgezellen op zijn rug zag liggen, met het ene been over het andere?
Dat is uitgesloten. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم), die een toonbeeld van bescheidenheid en schaamte (ḥayāʾ) was, strekte in het bijzijn van zijn metgezellen zelfs zijn benen niet in hun richting uit. Daarom kan worden aangenomen dat er, toen hij op de in de hadith beschreven wijze lag uit te rusten, geen van zijn metgezellen bij hem aanwezig was.
Hij lag niet uitgestrekt in het bijzijn van zijn metgezellen
Geleerden die het leven en de gewoonten van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) grondig hebben bestudeerd, onder wie Qāḍī ʿIyāḍ, hebben verklaard dat hij zich in het bijzijn van anderen nooit languit neerlegde. In het gezelschap van zijn metgezellen zat hij altijd met waardigheid (waqār) en nederigheid (tawāḍuʿ). Alleen wanneer hij vermoeid was of behoefte had aan rust, nam hij een liggende houding aan.
Van enkele vooraanstaande metgezellen, onder wie Abū Bakr aṣ-Ṣiddīq, ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb, ʿUthmān ibn ʿAffān, ʿAbdullāh ibn ʿUmar, ʿAbdullāh ibn Masʿūd en Anas ibn Mālik (رضي الله عنهم), is eveneens overgeleverd dat zij zich soms in al-Masjid an-Nabawī op vergelijkbare wijze neerlegden om uit te rusten.
Wie een lang gewaad draagt, dient voorzichtig te zijn
In de tijd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), evenals tegenwoordig in veel Arabische landen, droegen veel mensen een lang gewaad (jalabah, qamīṣ of thawb).
Wie een dergelijk gewaad draagt en op zijn rug gaat liggen terwijl hij het ene been over het andere slaat, loopt het risico dat zijn ʿawrah (de te bedekken lichaamsdelen) zichtbaar wordt. Daarom dient iemand die zulke kleding draagt erop bedacht te zijn dat zijn intieme lichaamsdelen niet worden ontbloot.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) waarschuwde degenen die achteloos op deze wijze lagen met de woorden: “Laat niemand van jullie op zijn rug gaan liggen en vervolgens het ene been over het andere leggen.”
Voor iemand die een broek draagt, geldt dit bezwaar vanzelfsprekend niet.
Aangezien het niet verboden is om zich in de moskee op de rug neer te leggen, is er evenmin bezwaar tegen om:
tegen iets aan te leunen;
op de zij te zitten;
met gekruiste benen te zitten.
De houding die daarentegen wel is afgeraden, is het liggen op de buik. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft namelijk verklaard dat dit een manier van liggen is die Allahu (تعالى) niet liefheeft.
129.Hadith
Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه), hij zei: “Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in de moskee zat, trok hij zijn benen op naar zijn buik en sloeg hij zijn armen om zijn knieën.”
In sommige overleveringen van deze hadith staat, zoals hier: “wanneer hij in de moskee zat”, terwijl in andere overleveringen de woorden voorkomen: “wanneer hij ergens zat.”
Soms zat hij op deze manier
Ook ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما), een van de metgezellen die ernaar streefde alles precies zo te doen als an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), beschreef deze manier van zitten op praktische wijze. Terwijl hij dit vertelde, ging hij zelf op zijn zitvlak zitten, trok zijn knieën op tegen zijn buik en sloeg zijn armen om zijn knieën. Vervolgens zei hij: “Ik heb Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op de binnenplaats van de Kaʿbah op deze wijze zien zitten, terwijl hij met zijn armen zijn knieën vasthield.”
Hoewel Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zelf soms op deze manier zat, op zijn zitvlak, met zijn knieën opgetrokken en zijn armen eromheen — verbood hij deze zithouding tijdens de khuṭbah op vrijdag, wanneer de imām de preek houdt. Een dergelijke houding kan namelijk slaperigheid veroorzaken, waardoor men niet aandachtig naar de khuṭbah luistert. Bovendien kan zij er zelfs toe leiden dat de wuḍūʾ wordt verbroken.
Hij zat ook met gekruiste benen
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zat soms ook met gekruiste benen. Een van degenen die deze zithouding heeft beschreven, is de metgezel Jābir ibn Samurah (رضي الله عنهما), de zoon van een metgezel (overl. 70 H./689 n.Chr.).
Op een dag werd hem gevraagd: “Placht jij samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) te zitten?”
Hij antwoordde dat hij die eer vele malen had gehad en vertelde: “Nadat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de fajr-ṣalāh had verricht, bleef hij op zijn plaats met gekruiste benen zitten totdat de zon goed was opgekomen.”
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hield van deze manier van zitten en zat zelfs vaak zo. Deze zithouding is immers zowel comfortabel als geschikt om, bij kleding zoals de Arabieren die droegen, te voorkomen dat de ʿawrah zichtbaar wordt. Daarom past deze houding ook bij de islamitische normen van bescheidenheid en goed gedrag.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zat niet alleen in al-Masjid an-Nabawī op deze wijze, maar ook tijdens andere bijeenkomsten zat hij vaak met gekruiste benen.
Omdat de metgezellen deze gewoonte van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hadden overgenomen, gaven ook zij de voorkeur aan deze zithouding. In feite is dit in islamitische samenlevingen de meest gebruikelijke manier van zitten geworden.
Samenvattend: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zat in zijn gezegende moskee niet steeds op dezelfde manier. Om zijn ummah gemak te bieden, nam hij verschillende zithoudingen aan.
Soms zat hij met gekruiste benen.
Soms zat hij, zoals in deze hadith is beschreven, met zijn knieën opgetrokken tegen zijn buik en zijn armen om zijn knieën geslagen.
Soms zat hij op beide knieën.
En soms lag hij achterover.
TWEEËNTWINTIGSTE HOOFDSTUK: WAAR RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم) OP STEUNDE WANNEER HIJ ZAT
130.Hadith
Van Jābir ibn Samurah (رضي الله عنه, hij zei: “Ik zag Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zitten terwijl hij tegen een kussen leunde dat zich aan zijn linkerzijde bevond.”
Volgens de overlevering in Sunan Abī Dāwūd bezocht Jābir ibn Samurah (رضي الله عنه) op een dag Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in zijn woning. Daar zag hij dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zat terwijl hij tegen een kussen leunde.
Volgens een andere overlevering, die voorkomt in gezaghebbende hadithverzamelingen, zag Jābir ibn Samurah (رضي الله عنه) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tijdens de gebeurtenis van Māʿiz ibn Mālik (رضي الله عنه), die vanwege zijn bekentenis van zinā veroordeeld werd tot de rajm-straf. Volgens deze overlevering zat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), leunend tegen een kussen aan zijn linkerzijde, toen Māʿiz bij hem werd gebracht.
Māʿiz verklaarde in de aanwezigheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dat hij zich schuldig had gemaakt aan zinā. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) probeerde hem ertoe te bewegen zijn bekentenis niet voort te zetten/in te trekken en hem zo voor de straf wegens zinā te behoeden. Daarom noemde hij enkele minder vergaande handelingen die met zinā verband houden en zei: “Nee toch, je hebt geen zinā gepleegd. Misschien heb je haar alleen gekust, of haar aangeraakt, of slechts naar haar gekeken.”
Hij herhaalde deze woorden meerdere malen, in de hoop dat Māʿiz een minder zware verklaring zou afleggen. Māʿiz bleef echter viermaal nadrukkelijk herhalen dat hij daadwerkelijk zinā had gepleegd. Daarop gaf Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) opdracht de voorgeschreven straf ten uitvoer te brengen.
Vervolgens stond hij op en sprak de aanwezigen toe met de volgende woorden:
“Telkens wanneer wij ten strijde trekken op weg van Allah, blijven er mensen achter die, als een door lust gedreven bok, hun begeerten volgen. Zij verleiden vrouwen van wie de echtgenoten afwezig zijn door hun iets van wereldse goederen aan te bieden. Als Allah mij ooit de gelegenheid zou geven zo iemand in handen te krijgen, dan (zweer ik) bij Allah dat ik hem een straf zou geven die voor iedereen een afschrikwekkend voorbeeld zou zijn.”
131.Hadith
Van Abū Bakrah Nufayʿ ibn al-Ḥārith (رضي الله عنه), hij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg: ‘Zal ik jullie vertellen wat de zwaarste van de grote zonden zijn?’
Hij stelde deze vraag driemaal.
Wij zeiden: ‘Ja, vertel het ons, o Rasûlullāh!’
Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): ‘Dat zijn: aan Allāh shirk toekennen en ongehoorzaam zijn aan de ouders.’
Vervolgens kwam hij overeind uit zijn leunende houding, ging rechtop zitten en voegde eraan toe: ‘Luister goed! En ook het afleggen van een valse getuigenis (of: het vertellen van een leugen).’
Deze woorden bleef hij zo vaak herhalen dat wij onder elkaar dachten: ‘Was Hij maar gestopt.’
De Ṣaḥābah (رضي الله عنهم) wisten welke daden tot de grote zonden behoorden. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wilde hun echter leren welke daarvan de zwaarste waren. Daarom vroeg Hij op een dag: ‘Zal ik jullie vertellen wat de zwaarste van de grote zonden zijn?’
Zij werden nieuwsgierig en antwoordden: ‘Ja, vertel het ons, o Rasûlullāh!’
Daarop vroeg an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) opnieuw: ‘Willen jullie dat ik jullie vertel wat de zwaarste van de grote zonden zijn?’
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) herhaalde deze vraag driemaal. Daarmee wilde hij de nieuwsgierigheid van zijn metgezellen vergroten, hun duidelijk maken hoe belangrijk zijn woorden waren en ervoor zorgen dat zij aandachtig zouden luisteren.
Zo was de gewoonte van Rasûlullāh. Wanneer hij wilde dat de Ṣaḥābah (رضي الله عنهم) zijn woorden goed onthielden, stelde hij eerst zulke vragen om hen als het ware wakker te schudden en hun volledige aandacht te trekken.
Wat is een grote zonde?
Allereerst dient men te weten dat zonden in twee categorieën worden verdeeld: grote zonden en kleine zonden. Een grote zonde is een zonde die degene die haar pleegt de Hel doet verdienen.
Maar wat is de maatstaf van een grote zonde?
Er zijn verschillende criteria genoemd, maar volgens de meeste geleerden is de juiste maatstaf de volgende: Wanneer in de Qur'ān of de Sunnah wordt vermeld dat op een bepaalde zonde een zware bestraffing rust, dan is dat een grote zonde.
Sommigen hebben een grote zonde ook als volgt omschreven:
Wanneer op een bepaalde overtreding een voorgeschreven straf (ḥad) staat, dan behoort die overtreding tot de grote zonden.
Van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) is de volgende uitspraak overgeleverd:
“Een kleine zonde die men voortdurend blijft begaan, houdt op een kleine zonde te zijn; en een grote zonde waarvoor men tawbah verricht en om vergeving vraagt, houdt op een grote zonde te zijn.”
Laten we het eerste gedeelte van deze belangrijke uitspraak nader toelichten.
Wanneer een moslim uit vrees voor Allāh een kleine zonde begaat doordat hij door begeerte of woede wordt overweldigd, terwijl hij het verbodene niet als toegestaan beschouwt, dan bedekt Allāhu (تعالى) zijn zonde. Maar wanneer iemand zondigt met de gedachte:
‘Ach, zo'n kleine zonde kan toch geen kwaad,’ dan wordt die zonde, hoe klein zij ook lijkt, een grote zonde.
Soorten grote zonden
Er zijn zeer veel grote zonden. Tot de voornaamste behoren:
shirk toekennen aan Allāh;
ongehoorzaam zijn aan de ouders;
iemand doden;
zinā plegen;
ribā consumeren;
alcohol drinken;
stelen;
iemand vals beschuldigen;
een valse getuigenis afleggen;
weigeren te getuigen wanneer dat verplicht is;
het bezit van een ander onrechtmatig afnemen;
het bezit van een wees onrechtmatig gebruiken;
steekpenningen aannemen;
de familiebanden verbreken;
de zakāh niet afdragen;
woorden die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) nooit heeft uitgesproken als hadith toeschrijven;
een Ṣaḥābī (رضي الله عنه) beledigen…
In het werk Kitāb al-Kabāʾir, dat wordt toegeschreven aan de beroemde muḥaddith en historicus al-Dhahabī, worden zeventig grote zonden genoemd.
Ook de Shāfiʿī-faqīh en muḥaddith Ibn Ḥajar al-Haythamī (overl. 974/1567) noemt in zijn tweedelige werk al-Zawājir ʿan Iqtirāf al-Kabāʾir maar liefst 476 grote zonden.
Kleine zonden daarentegen zijn zo talrijk dat zij nauwelijks te tellen zijn.
Laten we nu terugkeren naar onze hadith.
Nadat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de aandacht van Zijn metgezellen had gevestigd op de zwaarste zonden, noemde hij drie grote zonden. De eerste daarvan was:
‘Shirk toekennen aan Allāh.’
Shirk toekennen aan Allāh
Shirk betekent dat men beweert dat er naast Allāh nog een andere godheden bestaat.
Dat shirk de zwaarste van alle zonden is, wordt in de Edele Qur'ān als volgt vermeld:إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَغۡفِرُ أَن يُشۡرَكَ بِهِۦ وَيَغۡفِرُ مَا دُونَ ذَٰلِكَ لِمَن يَشَآءُۚ وَمَن يُشۡرِكۡ بِٱللَّهِ فَقَدِ ٱفۡتَرَىٰٓ إِثۡمًا عَظِيمًا ٤٨
Waarlijk, Allah vergeeft het niet als er met Hem deelgenoten worden aanbeden, maar daarnaast vergeeft Hij wat Hij wil, en iedereen die Allah deelgenoten toekent, heeft zeker een afschuwelijke zonde begaan. (Nisāʾ, 4:48)
In een ḥadīth al-qudsī zegt Allāhu (تعالى):
“Wie tot Mij komt zonder Mij ook maar iets als deelgenoot toe te kennen, al zou hij met zonden komen die de hele aarde vullen, die zal Ik met een even grote hoeveelheid vergeving tegemoetkomen.”
Ongehoorzaamheid aan de ouders
Volgens Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) is de tweede van de zwaarste zonden ongehoorzaam zijn aan de ouders. Zelfs wanneer men slechts één van beide ouders ongehoorzaam is of één van hen met woorden of daden kwetst, behoort dat tot de grootste zonden.
Hierover zegt Allāhu (تعالى):
وَقَضَىٰ رَبُّكَ أَلَّا تَعۡبُدُوٓاْ إِلَّآ إِيَّاهُ وَبِٱلۡوَٰلِدَيۡنِ إِحۡسَٰنًاۚ إِمَّا يَبۡلُغَنَّ عِندَكَ ٱلۡكِبَرَ أَحَدُهُمَآ أَوۡ كِلَاهُمَا فَلَا تَقُل لَّهُمَآ أُفّٖ وَلَا تَنۡهَرۡهُمَا وَقُل لَّهُمَا قَوۡلٗا كَرِيمٗا ٢٣
En jullie Heer heeft bepaald dat jullie niets dan alleen Hem aanbidden, en dat jullie plichtsgetrouw (en gehoorzaam) zullen zijn aan jullie ouders. En als één van hen of beiden in jouw aanwezigheid een hoge ouderdom bereiken, zeg dan nooit een oneerbiedig woord tegen hen (en vooral niet als zij in nood zijn aan jouw hulp, verzorging of ondersteuning). En snauw hen niet af (door jouw stem tegen hen te verheffen), maar spreek hen aan met respectvolle woorden. (İsrâ, 17:23)
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft uitgelegd dat het dienen van de ouders een middel is om het Paradijs te verkrijgen:
“Ellendig is degene die zijn vader en moeder, of één van hen, tijdens hun ouderdom meemaakt en desondanks het Paradijs niet binnengaat. Ellendig is hij, ellendig is hij, ellendig is hij.”
Wie de tevredenheid van Allāh wil verkrijgen, moet zijn ouders tevreden stellen, want Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De tevredenheid van Allāh ligt in de tevredenheid van de ouders, en de toorn van Allāh ligt in hun ontevredenheid.”
Uiteraard vallen ook grootvader en grootmoeder onder deze eerbied; ook zij dienen met dezelfde zorg en eerbied behandeld te worden.
Leugen en valse getuigenis
Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de derde van de zwaarste zonden noemde, deed hij iets wat hij daarvoor niet had gedaan.
Hij kwam overeind uit zijn leunende houding, ging rechtop zitten en vestigde de aandacht op het feit dat, ook al hechten mensen er weinig waarde aan, zowel liegen als het afleggen van een valse getuigenis zeer zware zonden zijn.
Hij zei: “Luister goed! En ook het vertellen van een leugen of het afleggen van een valse getuigenis.”
In de overlevering van Shamāʾil ash-Sharīf is deze derde zonde weergegeven als: “een valse getuigenis afleggen (of: een leugen vertellen),” waarbij de overleveraar twijfelde over de precieze bewoording.
In Ṣaḥīḥ al-Bukhārī is die twijfel echter afwezig en luidt de tekst: “Luister goed! En ook het vertellen van een leugen en het afleggen van een valse getuigenis; het vertellen van een leugen en het afleggen van een valse getuigenis.”
In werkelijkheid is het afleggen van een valse getuigenis immers niets anders dan liegen.
Het verdriet en de vrees van de Ṣaḥābah
Volgens de overlevering van Abū Bakrah (رضي الله عنه) bleef Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de woorden: “het vertellen van een leugen en het afleggen van een valse getuigenis”, zo vaak herhalen dat de Ṣaḥābah (رضي الله عنهم), die het niet konden verdragen dat hij vermoeid of bedroefd zou raken, onder elkaar wensten: ‘Ach, was hij maar stil.’
Dit toont hoeveel liefde en genegenheid zij voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hadden.
Een andere reden waarom de Ṣaḥābah wensten dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zou zwijgen, kan zijn geweest dat zij vreesden dat zijn toorn ook de toorn van Allāhu (تعالى) zou opwekken.
Deze beste generatie (Ṣaḥābah) hoorde immers de geboden en verboden van Allāhu (تعالى) rechtstreeks uit de gezegende mond van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Zij wisten dat alles wat de an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vertoornde, ook de toorn van Allāhu (تعالى) kon veroorzaken.
Daarom kan het zijn dat zij wensten: ‘Moge Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zwijgen voordat de toorn van Allāhu (تعالى) over ons neerdaalt.’
Shirk toekennen aan Allāh is zonder twijfel de zwaarste van alle zonden. Het hart van een moslim houdt zich daar ver van. Maar in het dagelijkse leven kan iemand die een ander haat, jaloers is of steekpenningen geeft of aanneemt, gemakkelijk een leugen vertellen of een valse getuigenis afleggen.
132.Hadith
Van Abū Juḥayfah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik eet beslist niet terwijl ik ergens tegenaan leun.”
In deze hadith zegt an-Nabī: “Ik eet beslist niet terwijl ik ergens tegenaan leun.”
Hiermee leert hij hoe men tijdens het eten behoort te zitten.
Hoe aten de niet-moslims?
Zoals bekend heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) niet alleen de slechte gewoonten uit de tijd van de Jāhiliyyah verboden, maar ook de gebruiken van niet-islamitische volken die in strijd waren met de geest van de Islām. Leunend eten was zowel een gewoonte uit de Jāhiliyyah als van niet-moslimvolken.
De vooraanstaande personen uit de tijd van de Jāhiliyyah en uit andere volkeren waren hoogmoedige mensen. Zelfs tijdens het eten brachten zij hun hoogmoed tot uiting. Sommigen leunden op hun zij, anderen plaatsten één hand op de grond om daarop te steunen. Weer anderen aten terwijl zij tegen een kussen of iets anders aanleunden. Sommigen aten zelfs liggend op de grond.
Mensen die veel eten en gulzig zijn, hebben de gewoonte hun maaltijd over een lange tijd uit te spreiden en al pratend te eten. Voor hen bestaat het leven slechts uit eten, drinken en vermaak.
De geliefde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) liet zien dat zowel hijzelf als degenen uit zijn ummah die zijn Sunnah volgen, eten zonder ergens tegenaan te leunen. Hij toonde persoonlijk dat moslims licht voorovergebogen behoren te zitten en leerde zijn ummah daarmee hoe men volgens de Sunnah behoort te eten.
Hoe zat hij tijdens het eten?
De volgende gebeurtenis verduidelijkt onze hadith nog verder. Volgens de overlevering van ʿAbdullāh ibn Busr (رضي الله عنه) had Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een grote eetketel die "gharrāʾ" werd genoemd. Deze ketel kon alleen door vier personen worden gedragen.
Op een dag, nadat de ṣalāh aḍ-ḍuḥā was verricht, brachten zij deze ketel, die gevuld was met tharīd, naar de plaats waar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn metgezellen vaak te eten gaf.
De Ṣaḥābah verzamelden zich rondom de ketel. Toen er steeds meer mensen kwamen en er nauwelijks nog plaats was om te zitten, ging Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op zijn knieën zitten. Een bedoeïen die dit zag, keek verbaasd op. Hij vond het vreemd dat iemand zo groot als Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op dezelfde eenvoudige manier zat als gewone mensen. Daarom vroeg hij verbaasd: “Wat is dit voor een manier van zitten?”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Allāhu (تعالى) heeft mij niet geschapen als een koppige tiran, maar als een eervolle dienaar.”
Met deze woorden maakte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het volgende duidelijk: Wanneer Allāhu (تعالى) een dienaar eer schenkt, dan behoort die dienaar zich nederig op te stellen tegenover Degene Die hem deze eer heeft geschonken.
Er zal een tijd komen waarin de basmalah niet meer wordt uitgesproken
Vervolgens richtte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zich tot de Ṣaḥābah en zei: “Eet vanaf de randen van de schaal en eet niet uit het midden, zodat er barakah in het eten zal zijn.”
In sommige hadithverzamelingen is aan deze overlevering nog het volgende toegevoegd:
“Kom, eet. (Ik zweer) bij Allāh, in Wiens Hand de rûh van Muḥammad is, dat jullie de gebieden van Perzië en Byzantium zullen veroveren. Dan zal er overvloedig voedsel zijn, maar tijdens het eten zal de basmalah niet meer worden uitgesproken.”
Ook ʿAbdullāh ibn ʿAmr ibn al-ʿĀṣ (رضي الله عنهما) heeft hierover gezegd: “Er is nooit gezien dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) at terwijl Hij ergens tegenaan leunde.”
Welke van de twee wil jij zijn?
De volgende overlevering werpt nog meer licht op dit onderwerp.
Op een dag bevond Jibrīl (عليه السلام) zich bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Op dat moment verscheen een engel die nog nooit eerder bij hem was gekomen en zei: “Allāhu (تعالى) geeft jou de keuze tussen een koning-an-Nabī en een dienaar-an-Nabī. Welke van de twee verkies jij?”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) keek naar Jibrīl (عليه السلام), alsof hij wilde vragen welke keuze hij moest maken. Jibrīl (عليه السلام) gaf hem met een gebaar te kennen dat nederigheid de beste keuze was.
Daarop zei an-Nabī: “Ik verkies een dienaar-an-Nabī te zijn.”
Vanaf die dag heeft niemand meer gezien dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) at terwijl hij ergens tegenaan leunde.
Vanwege zijn buitengewone nederigheid tegenover zijn Rab zat dan-Nabī tijdens het eten soms op beide knieën, waarbij hij de bovenkant van zijn rechtervoet in de holte van zijn linkervoet plaatste.
Soms zette hij zijn rechtervoet rechtop en zat hij op zijn linkervoet.
Men dient echter ook te weten dat wanneer iemand wegens ziekte of lichamelijke ongemakken genoodzaakt is om tijdens het eten ergens tegenaan te leunen, daar geen enkel bezwaar tegen bestaat.
133.Hadith
Van Abū Juḥayfah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:“Ik eet nooit terwijl ik ergens tegenaan leun.”
De tekst van deze hadith is vrijwel gelijk aan die van hadith 132. De noodzakelijke toelichting is daar reeds gegeven.
Imām al-Tirmidhī heeft deze overlevering, die via een andere overleveringsketen (isnād) is overgeleverd, hier opgenomen ter ondersteuning en versterking van hadith 132.
134.Hadith
Van Jābir ibn Samurah (رضي الله عنه), hij zei: “Ik zag Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zitten terwijl hij tegen een kussen leunde.”
De auteur, Abū ʿĪsā al-Tirmidhī, zei: Een van de overleveraars van deze hadith, Wakīʿ ibn al-Jarrāḥ (overl. 197/813), vermeldde in zijn overlevering dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar zijn linkerzijde leunde, maar hij vermeldde niet dat hij daarbij tegen een kussen leunde.
Ook vele andere overleveraars hebben deze hadith van Wakīʿs leermeester, Isrāʾīl ibn Yūnus (overl. 160/777), op dezelfde wijze overgeleverd, namelijk zonder melding te maken van een kussen.
Dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tegen een kussen aan zijn linkerzijde leunde, is van Isrāʾīl ibn Yūnus uitsluitend overgeleverd door Isḥāq ibn Manṣūr (overl. 204/819), de leermeester van al-Tirmidhī.
Deze hadith is eerder, onder nummer 130, via een andere overleveringsketen en met een gering verschil in de bewoordingen, door dezelfde Ṣaḥābī overgeleverd en daar reeds toegelicht. Daar lazen wij de volgende overlevering van Jābir ibn Samurah (رضي الله عنه):
“Ik zag Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zitten terwijl hij tegen een kussen aan zijn linkerzijde leunde.”
DRIEËNTWINTIGSTE HOOFDSTUK: DEGENEN OP WIE RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم) STEUNDE
135.Hadith
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), hij zei:“ Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was ziek geworden. Hij kwam zijn huis uit terwijl hij op Usāmah ibn Zayd (رضي الله عنه) steunde. Vervolgens ging hij naar al-Masjid an-Nabawī. Op dat moment droeg hij een gewaad dat bekendstond als een ‘thawb qiṭrī’ (een gewaad afkomstig uit Qaṭar), dat hij over zijn schouders had geslagen. In die toestand leidde hij de mensen in de ṣalāh.”
Deze hadith is dezelfde als hadith 59, die eerder is behandeld in het hoofdstuk over de kleding van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). De uitleg ervan is daar reeds gegeven.
136.Hadith
Van Faḍl ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), hij zei: “Toen ik Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bezocht tijdens zijn laatste ziekte, de ziekte waaraan hij zou overlijden, zag ik dat er een gele doek op zijn gezegende hoofd lag.
Ik gaf hem de salām. Nadat hij mijn salām had beantwoord, riep hij mij: ‘O Faḍl!’
Ik zei: ‘Tot uw dienst, o Rasûlullāh!’
Hij zei: ‘Bind deze doek stevig om mijn hoofd!’
Ik bond de doek om zijn hoofd zoals hij had bevolen.
Daarna stond hij op en ging zitten, plaatste zijn gezegende hand op mijn schouder en stond op. Vervolgens ging hij, steunend op mijn schouder, de al-Masjid an-Nabawī binnen.
Dit gedeelte maakt deel uit van een langere overlevering.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) leed tijdens zijn laatste ziekte aan hevige hoofdpijn. hij hoopte dat het stevig ombinden van een doek om zijn gezegende hoofd de pijn zou verlichten, aangezien dit een vorm van behandeling was. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) liet met deze handeling in de praktijk zien dat hij behoefte had aan de genezing die Allāhu Ta`ala uit Zijn gunst schenkt.
Toen Faḍl (رضي الله عنهما) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bezocht, lag hij nog te rusten. Nadat de doek om zijn hoofd was gebonden, kwam hij overeind, ging zitten en legde zijn gezegende hand op de schouder van Faḍl om op te staan.
Het relevante punt van deze hadith is dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) naar ] al-Masjid an-Nabawī wilde gaan om zijn metgezellen nog één laatste keer te adviseren, maar niet in staat was om alleen te lopen. Daarom nam hij steun bij de jonge Ṣaḥābī, zijn neef Faḍl ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), en ging zo onder de mensen, waar hij de toespraak hield die in de uitleg van hadith 118 is vermeld.
Een van de meest blijvende aspecten van deze toespraak is dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) benadrukte dat iedereen met een recht bij hem dit in deze wereld moest opeisen en niet moest uitstellen naar het hiernamaals, en dat hij met sommige Ṣaḥābah verzoening zocht.
Het vervolg van deze lange overlevering zal worden besproken in hadith 396, waar de dood van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wordt behandeld.
VIERENTWINTIGSTE HOOFDSTUK: HOE AT RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم)?
Hadith 137
Van Kaʿb ibn Mālik (رضي الله عنه), hij zei: “Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had gegeten, likte hij zijn vingers elk driemaal af.”
Abū ʿĪsā al-Tirmidhī zei: “Deze hadith is ook door anderen dan mijn leermeester Muḥammad ibn Bashshār overgeleverd. In hun overlevering luidt de tekst als volgt:
‘Nadat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had gegeten, likte hij zijn drie vingers af.”
Hadith 138
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), hij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) likte na het eten zijn drie vingers af.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) at met drie vingers, namelijk met de duim, de wijsvinger en de middelvinger. In die tijd bestonden eetgerei zoals lepels en vorken immers nog niet.
Nadat hij klaar was met eten, likte hij eerst zijn drie vingers af voordat hij zijn handen waste of afdroogde.
Waarom niet tijdens het eten?
Een andere hadith verduidelijkt dit: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) at met drie vingers en likte deze af voordat hij zijn hand afveegde.”
Wanneer er anderen aan tafel zitten en iedereen met de vingers eet, kan het aflikken van de vingers tijdens de maaltijd terecht afkeer opwekken bij de overige aanwezigen. Daarom likte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn vingers niet tijdens het eten, maar pas nadat de maaltijd was beëindigd.
Het begrip barakah
De reden waarom Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) na de maaltijd zijn vingers aflikte, was dat hij geen enkele zegen (barakah) van het voedsel verloren wilde laten gaan.
Daarom zei hij ook: “Jullie weten niet waarin de barakah van het voedsel zich bevindt.”
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) waarschuwde ons hierover eveneens met de volgende woorden:
“Voorwaar, de shayṭān is aanwezig bij ieder van jullie in alles wat hij doet, zelfs tijdens het eten. Wanneer daarom een hap voedsel op de grond valt, laat hem die oppakken, het vuil ervan verwijderen en vervolgens opeten. Laat die niet aan de shayṭān over. Wanneer hij klaar is met eten, laat hij dan zijn vingers aflikken, want hij weet niet in welk deel van zijn voedsel de barakah zich bevindt.
De hap niet aan de shayṭān overlaten
Een hap die op de grond is gevallen niet aan de shayṭān overlaten, betekent dat men beseft dat deze hap een gunst van Allāhu (تعالى) is, haar niet minacht en deze gunst niet verloren laat gaan.Doen alsof men die ene hap niet nodig heeft, kan voortkomen uit zelfverheffing en hoogmoed. Hoogmoed is echter één van de duidelijkste eigenschappen van de shayṭān.
Op een keer zag Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een dadel op de grond liggen. hij zei:
“Als ik niet wist dat deze dadel tot de ṣadaqah behoorde, zou ik hem hebben opgeraapt en opgegeten.”
Wie met de vingers eet, behoort na de maaltijd, net zoals an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deed, de handpalm naar zich toe te draaien en eerst de middelvinger af te likken, omdat daaraan doorgaans het meeste voedsel blijft kleven, vervolgens de wijsvinger en tenslotte de duim.
In onze traditie bestaat de uitdrukking “de maaltijd volgens de Sunnah beëindigen”. Daarmee wordt bedoeld dat men geen voedsel op het bord achterlaat. Achter deze mooie gewoonte schuilt de wens om de barakah van het voedsel niet verloren te laten gaan.
Waar bevindt zich de barakah?
Maar waar bevindt de barakah zich eigenlijk? In het deel dat reeds is gegeten? Op de vingers? Of in het voedsel dat op het bord is achtergebleven? Dat weten wij niet.
Juist daarom wordt een hap die op de grond valt niet weggegooid, maar na het schoonmaken opgegeten, in de hoop dat de barakah zich daarin bevindt.
Voor mensen die het besef van barakah zijn kwijtgeraakt, heeft deze gedachte uiteraard geen betekenis meer. Daarom dient men geen waarde te hechten aan de opvattingen van degenen die geen belang hechten aan barakah en ook niet vanuit hun denkwijze naar deze zaak te kijken.
Barakah betekent immers dat een gunst toeneemt en dat het goede wordt vermeerderd.
De beroemde muḥaddith al-Khaṭṭābī (overl. 388/998) bekritiseerde degenen die bezwaar maakten tegen het eten met de hand en het aflikken van de vingers met de volgende woorden:
“Sommige mensen keuren het af om de vingers af te likken. Hun overvloed en welvaart hebben hun verstand aangetast, en hun voortdurende verzadiging heeft hun aard veranderd. Zij beseffen niet dat de voedselresten aan hun vingers deel uitmaken van hetgeen zij hebben gegeten. Daarom beschouwen zij het aflikken van de vingers als iets onsmakelijks en afstotelijks. Alleen hoogmoedige en welgestelde mensen die de Sunnah verlaten, onthouden zich daarvan.”
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) moedigde niet alleen aan om de vingers af te likken, maar zelfs om het bord schoon te maken. hij zei: “Wanneer iemand uit een bord eet en het daarna schoonmaakt, vraagt dat bord Allāhu (تعالى) om vergeving voor hem.”
Allāhu (تعالى) heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) kennis gegeven van de geheimen van de schepping. Daarvan heeft hij ons meegedeeld wat hij geschikt achtte en waarvan hij wilde dat wij er profijt van zouden hebben.
Zie ook hadith 141, die dezelfde betekenis behandelt.
139.HadithVan Abū Juḥayfah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik eet beslist niet terwijl ik ergens tegenaan leun.”
Deze hadith is eerder behandeld als hadith 132 in hoofdstuk 22, waarin de zaken werden besproken waarop Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) steunde. Daar is deze hadith reeds toegelicht.
Imām al-Tirmidhī heeft deze hadith in dit hoofdstuk opnieuw opgenomen om duidelijk te maken dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tijdens het eten nergens tegenaan leunde.
In deze hadith zegt Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Ik eet niet terwijl ik ergens tegenaan leun.”
Volgens Qāḍī ʿIyāḍ betekent het woord “leunen” hier dat iemand zich tijdens het eten gemakkelijk installeert, stevig gaat zitten en bijvoorbeeld in kleermakerszit plaatsneemt.
Wie tijdens het eten in kleermakerszit of een vergelijkbare houding zit, laat zijn lichaam volledig op de ondergrond rusten. Zo'n zithouding nodigt uit om meer te eten.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zat tijdens het eten daarentegen alsof hij ieder moment weer zou opstaan. hij zat op zijn knieën of zette één knie omhoog terwijl de andere onder hem gevouwen was. Daarbij zei hij: “Ik ben slechts een dienaar; ik eet zoals een dienaar eet en ik zit zoals een dienaar zit.”
140.Hadith
Een technische toelichting
Imām al-Tirmidhī heeft deze hadith, die qua inhoud overeenkomt met de voorgaande hadith, via een andere overleveringsketen (isnād) overgeleverd om de eerdere overlevering te versterken. Omdat in deze overlevering echter de naam van de Ṣaḥābī (رضي الله عنه) niet wordt vermeld, wordt deze hadith als mursal beschouwd.
141.Hadith
Van Kaʿb ibn Mālik (رضي الله عنه), hij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) at met drie vingers en likte na de maaltijd die vingers af.”
Aangezien deze hadith dezelfde betekenis heeft als hadith 138, is de uitvoerige uitleg daar reeds gegeven.
Hieraan kunnen nog de volgende opmerkingen worden toegevoegd:
Wie met de vingers eet, behoort, zoals Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deed, met drie vingers te eten en dient de vierde en vijfde vinger alleen te gebruiken wanneer dat noodzakelijk is.
Er is ook overgeleverd dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Eten met één vinger is de manier waarop de shayṭān eet. Eten met twee vingers is de manier waarop tirannen en onderdrukkers eten. Eten met drie vingers is de manier waarop de anbiyā (عليهم السلام) eten.”
Met andere woorden: eten met drie vingers behoort tot de Sunnah.
Afhankelijk van de aard van het voedsel mag men, wanneer dat nodig is, ook met vijf vingers eten. Maar wanneer voedsel dat gemakkelijk met drie vingers gegeten kan worden, met vijf vingers wordt gegeten, kan dat wijzen op gulzigheid.
Wie met alle vijf vingers eet, neemt vaak zoveel voedsel tegelijk in de mond dat het nauwelijks goed gekauwd kan worden. Hierdoor kan de slokdarm verstopt raken en kan de maag overbelast worden doordat er meer voedsel in terechtkomt dan zij kan verwerken.
In zulke gevallen kan zelfs plotseling overlijden het gevolg zijn.
Waarschijnlijk is dat de betekenis van het gezegde:
“Het leven komt niet door de keel binnen, maar gaat er juist door verloren.”
142.Hadith
Musʿab ibn Sulaym heeft gezegd dat hij Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) het volgende hoorde zeggen: “Er werd eens dadels naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gebracht. Omdat hij door honger extreem verzwakt was, at hij die dadels terwijl hij tegen zijn rug steun zocht.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) at normaal gesproken niet terwijl hij ergens tegenaan leunde. Zoals wij in hadith 139 hebben gezien, zei hij: “Ik eet beslist niet terwijl ik ergens tegenaan leun.”
In deze overlevering vertelt Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) dat de toestand van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) die dag uitzonderlijk was. hij had ernstige honger en was daardoor erg verzwakt.
Daarom leunde hij met zijn rug tegen een muur om te zitten en at hij de aangeboden dadels terwijl hij die steun gebruikte.
Dit betekent dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zich op dat moment in een uitzonderlijke situatie bevond, waarin hij door zwakte en uitputting was overmand. Bovendien stond er toen geen maaltijd of gedekte tafel voor hem.
Daarom betekent deze hadith niet dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gewoontegetrouw leunend at, maar dat hij in deze specifieke situatie slechts enkele dadels at om zijn zwakte te verlichten.
VIJFENTWINTIGSTE HOOFDSTUK: WAT VOOR BROOD AT RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم)
143. Hadith
Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها), ze zei: “De familie van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) heeft tot het moment dat hij Allāh ontmoette nooit twee dagen achter elkaar hun buik gevuld met gerstbrood.”
Met de uitdrukking “de familie van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم)” wordt bedoeld: de echtgenotes van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), wier onderhoud hij op zich nam.
Deze hadith werpt licht op een belangrijk deel van het tienjarige leven in Madīnah en laat zien dat zij zelfs geen twee opeenvolgende dagen hun buik konden vullen met gerstbrood.
Wat aten en dronken zij dan?
Als zijn familie in zo’n toestand van ontbering leefde, wat at en dronk Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zelf dan? Zoals in hadith 149 zal worden vermeld, heeft de Geliefde van Allāh tot aan zijn overlijden, net als zijn familie, nooit twee opeenvolgende dagen zijn buik gevuld met gerstbrood.
In een andere overlevering zegt onze moeder ʿĀʾishah (رضي الله عنها) over die periode:
“De familie van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) heeft tot het moment dat hij Allāh ontmoette nooit drie opeenvolgende dagen hun buik gevuld met tarwebrood.”
Wat aten en dronken zij dan in die dagen waarin zij geen twee of drie dagen achter elkaar een volledige maaltijd hadden? De moeder der gelovigen ʿĀʾishah (رضي الله عنها) zegt hierover:
“De familie van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) heeft nooit op één dag twee maaltijden gegeten. En als zij aten, dan was één van die maaltijden slechts droge dadels.”
Af en toe
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zijn familie hadden dus geen vaste gewoonte om twee dagen achter elkaar met gerstbrood of drie dagen achter elkaar met tarwebrood hun buik te vullen. Toch kregen zij af en toe giften van welvarende metgezellen.
Soms verbeterde ook de situatie van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), en dan gaf hij zijn familie goed eten. Maar hij spaarde geen rijkdom op terwijl zijn arme metgezellen in moeilijkheden verkeerden; wat hij ontving, deelde hij direct uit, zodat er de volgende dag vaak niets in huis overbleef.
Als hij goud had zo groot als de berg Uḥud
Dit wordt ook duidelijk uit de woorden die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen Abū Dharr (رضي الله عنه) zei: “Het zou mij niet verheugen als ik goud had zo groot als de berg Uḥud. Ik zou niet willen dat er bij mij zelfs maar één dīnār blijft na drie dagen, behalve wat ik heb gereserveerd om schulden te betalen. Ik zou het willen uitdelen aan de dienaren van Allāh, zo en zo.”
Met deze levenswijze herinnert Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn ummah aan een fundamentele waarheid: Wij zijn niet naar deze wereld gekomen om te eten en te genieten, maar om ons voor te bereiden op het Hiernamaals. De echte plaats van eten, drinken en genieten is het Hiernamaals.
De maatstaf voor eten en drinken
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft ons met de volgende eervolle hadith de maatstaf voor eten en drinken duidelijk gemaakt:
“De mens heeft geen gevaarlijker vat gevuld dan zijn maag. Voor de mens zijn enkele happen voldoende om zichzelf overeind te houden. Als hij per se meer moet eten, dan moet hij één derde van de maag voor voedsel gebruiken, één derde voor drank en één derde voor ademhaling.”
144.Hadith
Sulaym ibn ʿĀmir zei: Ik hoorde Abū Umāmah al-Bāhilī (رضي الله عنه) zeggen: “In het huishouden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bleef zelfs geen gerstbrood over op tafel.”
Gerst was in die tijd ook een van de goedkoopste graansoorten. Toch was het voor de familie van an-Nabiet (صلى الله عليه وسلم) zelfs moeilijk om dit te verkrijgen. Wanneer zij met gerstbrood hun honger hadden gestild, bleef er op tafel niets over. Vaak waren zij zelfs niet in staat om hun buik volledig te vullen met gerstbrood.
De toestand van het huis van an-Nabī
Zo was de gewoonte in het huis van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Wat er ook aanwezig was, zij aten het en gaven het weg, zonder te denken aan de volgende maaltijd. Omdat zij waren opgevoed volgens de tarbiyah van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), wisten zij dat Allāh Taʿālā de Voorziener is. Zij geloofden dit met heel hun hart en stelden daarom voortdurend hun vertrouwen op de Rab van de Werelden (tawakkul).
De moeder der gelovigen ʿĀʾishah (رضي الله عنها) beschreef de toestand van het huis van an-Nabī met de volgende woorden: “Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overleed, was er in mijn kast alleen nog een beetje gerst over, en niets anders dat gegeten kon worden.”
Zij zei ook: “Tot aan het overlijden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bleef er nooit een broodkruimel van zijn tafel over.”
145.Hadith
Van Abdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), hij zei: “Het gebeurde dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zijn gezin meerdere nachten achter elkaar met een lege maag gingen slapen, zonder een avondmaaltijd te hebben gegeten. Hun dagelijkse voedsel bestond meestal uit gerstebrood.
Uit deze hadith leren wij dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zijn echtgenotes sommige avonden met een lege maag gingen slapen, omdat er in hun huis niets te eten was. Toch vertelden zij niemand over hun situatie en vroegen zij niemand om iets.
Als de aṣḥāb al-kirām (رضي الله عنهم) hadden geweten dat er in het huis van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) geen voedsel aanwezig was, zouden zij zelf niet zijn gaan eten voordat zij hem en zijn gezin van voedsel hadden voorzien. Vooral de welgestelde ṣaḥābah (رضي الله عنهم) beschouwden het als een ongeëvenaarde eer en een groot voorrecht om Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zijn familie gastvrijheid te mogen verlenen en voor hen te zorgen.
Met deze levenswijze gaf Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn ummah een diepgaande les. Hij maakte duidelijk dat het niet passend is om mensen om hulp of bezit te vragen en leerde zijn ummah tegelijkertijd de waardigheid en eer van een leven waarin men zich onthoudt van bedelen.
146.Hadith
Aan Sahl ibn Saʿd (رضي الله عنه) werd het volgende gevraagd: “Heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ooit brood gegeten dat was gemaakt van fijn gezeefd meel, waarvan de zemelen waren verwijderd?”
Hij antwoordde: “Tot aan zijn overlijden heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nooit gezeefd fijn meel gezien.”
Vervolgens werd aan Sahl ibn Saʿd (رضي الله عنه) gevraagd: “Gebruikten jullie in de tijd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een meelzeef?”
Hij antwoordde: “Nee, wij wisten niet eens wat een zeef was.”
Daarop vroeg men hem: “Hoe maakten jullie dan brood van ongezeefd gerstemeel?”
Hij antwoordde: “Wij wierpen het gerstemeel in de lucht. Het deel van de zemelen dat kon wegwaaien, waaide weg; van het meel dat overbleef kneedden wij vervolgens deeg.”
In de eerste jaren van de Islām maalden de moslims gerst of tarwe met een handmolen. Daarna verwijderden zij een deel van de zemelen door het meel op te werpen, waarna zij van het overgebleven meel brood bakten en aten. Zij gebruikten geen meelzeef.
Later brak een tijd van overvloed en voorspoed aan. Sommige jongeren, die waren opgegroeid met smakelijk witbrood van fijn meel, vroegen aan Sahl ibn Saʿd (رضي الله عنه), een jonge ṣaḥābī van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), of ook hij dergelijk heerlijk brood had gegeten.
Niet iedereen kon witbrood krijgen
Sahl ibn Saʿd (رضي الله عنه) antwoordde dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) niet alleen nooit brood van fijn gezeefd meel had gegeten, maar dat hij zelfs tot aan zijn overlijden dergelijk meel niet had gezien. Met andere woorden: hij wilde duidelijk maken dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) geen verlangen had naar brood van wit meel en zich ook niet inspande om dit te verkrijgen.
Als Sahl ibn Saʿd met zijn woorden letterlijk bedoelde dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gedurende zijn hele leven nooit witbrood zonder zemelen had gezien, dan kan worden gezegd dat daarin enige overdrijving ligt.
Op de tafels van de welgestelden uit die tijd werd immers brood van fijn meel geserveerd. Bovendien was an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), voordat hij zijn profeetschap ontving, tweemaal voor handelsdoeleinden naar Syrië gereisd, waar brood van wit meel in ruime mate beschikbaar was en dus ook door hem gezien was.
Waarschijnlijk bedoelde Sahl ibn Saʿd met zijn uitspraak: “Tot aan zijn overlijden heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) geen gezeefd fijn meel gezien,” de periode ná zijn zending als Nabī. In de beginjaren van de Islām hadden namelijk niet alleen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), maar ook het merendeel van de ṣaḥābah met armoede en schaarste te kampen.
Om de kwestie verder te verduidelijken vroegen de aanwezigen aan Sahl ibn Saʿd (رضي الله عنه): “Gebruikten jullie in de tijd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een meelzeef?”
Hij antwoordde: “Nee, wij wisten niet eens wat een zeef was.”
Daarna legde hij uit dat zij het gerstemeel opwierpen om een deel van de zemelen te verwijderen en vervolgens van het overgebleven meel deeg kneedden.
147.Hadith
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), hij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) at nooit op een tafel (dienblad) noch uit een komachtige schaal. Ook werd er voor hem nooit brood van fijn gezeefd meel gebakken.”
Yūnus al-Iskāf, één van de overleveraars van deze hadith, zei: “Ik vroeg aan Qatādah: ‘Waarop aten Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zijn aṣḥāb dan hun voedsel?’
Hij antwoordde: “Op de eenvoudige eetmat die jij ook kent.”
Het woord “khiwān”, dat in deze hadith voorkomt, is een van oorsprong Perzisch woord dat “tafel” betekent en later in de Arabische taal is opgenomen.
In de tijd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) werd er, wanneer men ging eten, meestal een ronde leren eetmat op de grond uitgespreid. De schaal met eten werd daarop geplaatst en men at daarvan terwijl men voorovergebogen op de grond zat. In die tijd bestond de gewoonte niet om op een stoel aan een tafel te eten. Zelfs van verhoogde dienbladen of grote schalen werd gewoonlijk niet gegeten. Alleen welgestelde mensen of degenen die veel waarde hechtten aan lekker eten, gebruikten tafels of tafelachtige voorwerpen.
De voordelen van eten op de grond
Wie op een grondkleed zit en licht voorovergebogen eet, oefent vanzelf enige druk uit op de maag. Daardoor wordt overmatig eten bemoeilijkt. Wie daarentegen rechtop aan een tafel zit, oefent geen druk op de maag uit, waardoor men gemakkelijker meer kan eten.
De vroegere geleerden beschouwden het eten aan een tafel als een teken van hoogmoed. ʿAliyy al-Qārī verklaarde bovendien dat eten aan een tafel weliswaar een bidʿah (vernieuwing) is, maar desondanks toegestaan.
Met de woorden in deze hadith dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) “niet uit een komachtige schaal at”, wordt bedoeld dat hij niet at uit schalen waarin smaakopwekkende gerechten, zoals salades, ingelegde groenten, augurken of gekruide bijgerechten werden geserveerd.
Omdat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) pas at wanneer hij werkelijk honger had en bovendien ophield met eten voordat hij volledig verzadigd was, voelde hij nooit behoefte aan eetlustopwekkende gerechten.
In deze hadith wordt ook kort verwezen naar het onderwerp dat in de vorige hadith uitvoerig werd besproken: voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd geen brood van fijn gezeefd wit meel gebakken. Dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zijn gezin uitsluitend brood van gerstemeel aten en zelfs daarvan niet voldoende hadden om zich geheel te verzadigen, is reeds uitvoerig behandeld in de hadiths 143 en 144.
Laten wij hier ook de volgende uitspraak van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) in herinnering brengen: “Voor zover ik weet heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), tot het moment waarop Allah zijn rûh tot Zich nam, nooit brood gezien dat van fijn gezeefd meel was gemaakt.”
Hadith 150 behandelt hetzelfde onderwerp.
148.Hadith
Masrūq zei: “Op een dag bezocht ik ʿĀʾishah (رضي الله عنها). Zij gaf haar dienares opdracht om eten voor mij klaar te maken. Daarna zei zij: ‘Nadat ik gegeten heb, krijg ik altijd de neiging om te huilen, en dan huil ik ook werkelijk.’
Ik vroeg haar: ‘Waarom huilt u na iedere maaltijd?’
Zij antwoordde: “Dan herinner ik mij de toestand waarin Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deze wereld heeft verlaten, en daarom huil ik. Bij Allah, hij heeft zich nooit op één dag tweemaal achter elkaar verzadigd met brood en vlees.”
Van deze hadith bestaan verschillende overleveringen. Elk daarvan belicht een ander aspect van het leven van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dat verband houdt met dit onderwerp.
Volgens de overlevering van Abū Yaʿlā al-Mawṣilī in zijn al-Musnad legde ʿĀʾishah (رضي الله عنها) de reden van haar tranen als volgt uit: “Totdat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn Rab ontmoette, heeft hij zich nooit op één dag tweemaal kunnen verzadigen met tarwebrood.”
In een andere overlevering verklaarde ʿĀʾishah (رضي الله عنها) haar verdriet met de volgende woorden: “Naar ik heb vernomen zijn er onder jullie mensen die verschillende soorten voedsel eten en vervolgens medicijnen gebruiken om hun eten te verteren. Toen ik dat hoorde, dacht ik aan jullie Nabī (صلى الله عليه وسلم) en begon ik te huilen.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verliet deze wereld zonder zelfs maar twee volledige maaltijden op één dag te hebben gegeten. W Als hij van dadels had gegeten, was hij nog niet verzadigd van brood; en als hij brood had gegeten, was hij nog niet verzadigd van dadels. Dat is de toestand van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) die mij aan het huilen maakt.”
149.Hadith
Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها), ze zei: “Tot het moment waarop Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) Allah ontmoette, heeft hij zich nooit gedurende twee opeenvolgende dagen met gerstebrood kunnen verzadigen.”
150.Hadith
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), hij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) at zijn maaltijden niet op een verhoging, zoals een tafel. Ook heeft hij, tot aan zijn overlijden, nooit brood gegeten dat van fijn gezeefd meel was gemaakt.”