ASH-SHAMĀʾIL AN-NABAWIYYAH:
DE VOORTREFFELIJKE EIGENSCHAPPEN VAN AN-NABĪ (صلى الله عليه وسلم)
Deel 2
İmâm Tirmidzî
Vertaling naar Turks en uitleg door Prof. Dr. Mehmet Yaşar Kandemir
26. HOOFDSTUK: VOEDINGSMIDDELEN DIE RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم) ALS IDĀM (BIJGERECHT) BIJ BROOD GEBRUIKTE
151. Hadīth
Van ‘Ā'ishah (رضي الله عنها): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Wat is azijn toch een voortreffelijke idām (bijgerecht)!”
Een van de leraren van Imām at-Tirmidhī, namelijk de samensteller van Sunan ad-Dārimī, 'Abdullāh ibn 'Abdirraḥmān ad-Dārimī (overl. 255 AH/869 CE), twijfelde of Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deze ḥadīth uitsprak met het woord al-idām in het enkelvoud, zoals hierboven vermeld, of met de meervoudsvorm al-udm. In beide gevallen hebben de aḥadīth dezelfde betekenis.
Een andere ḥadīth met dezelfde bewoordingen is overgeleverd doorJābir ibn ‘Abdillāh (رضي الله عنها).
Beide aḥadīth hebben hoogstwaarschijnlijk betrekking op dezelfde gebeurtenis. Die gebeurtenis verliep als volgt: De vader van Jābir, 'Abdullāh ibn 'Amr ibn Ḥarām (رضي الله عنها), was tijdens de Slag van Uḥud als martelaar (shahīd) gevallen. Daardoor had Jābir de zorg voor zeven of negen zusters. Om die reden hield Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bijzonder veel van hem en hielp hij hem telkens wanneer zich daarvoor een gelegenheid voordeed.
Op een dag ging Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar het huis van Jābir, riep hem naar buiten en nam hem vervolgens bij de hand. Daarna gingen zij samen naar het huis van een van zijn echtgenotes, waar hij om iets te eten vroeg. Een dienares spreidde een tafelkleed van dadelpalmbladeren voor hen uit en bracht vervolgens drie stukken brood.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) legde één stuk brood voor zichzelf neer, één voor Jābir en verdeelde het derde stuk tussen hen beiden.
Daarna vroeg hij: “Is er geen idām (bijgerecht) voor bij het brood?”
Men antwoordde dat er in huis slechts een beetje azijn aanwezig was.
Daarop zei hij: “Breng het maar. Wat is azijn toch een voortreffelijke idām!”
Nadat Jābir ibn 'Abdillāh deze gebeurtenis had verteld, zei hij:
“Sinds de dag waarop ik Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heb horen zeggen: ‘Wat is azijn toch een voortreffelijke idām’, ben ik van azijn gaan houden.”
Ṭalḥah ibn Nāfi' al-Wāsiṭī, een muḥaddith uit de generatie van de tābi'īn die deze overlevering van Jābir hoorde, zei eveneens: “Sinds ik deze ḥadīth van Jābir heb gehoord, ben ik van azijn gaan houden.”
Hoe leerzaam is het voor ons dat zowel een ṣaḥābī als een tābi'ī, nadat zij een sunnah van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hadden vernomen, deze onmiddellijk omarmden en in praktijk brachten. Ook wij moeten de sunan (m.v. van sunnah) van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) leren en ze tot een vaste uitgangspunt in ons leven te maken.
Een andere overlevering waarin an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) azijn prijst, zullen wij bij 173e ḥadīth tegenkomen. Volgens die ḥadīth ging Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar het huis van de dochter van zijn oom, Ummu Hānī (رضي الله عنها). Omdat er tussen hen geen sprake was van formele afstand, vroeg hij haar of er iets te eten was. Ummu Hānī antwoordde met een beschaamde blik dat zij niets had wat waardig genoeg was om aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) voor te zetten en dat er thuis slechts wat droog brood en een beetje azijn aanwezig waren. Daarop stelde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) haar gerust met de woorden: “Breng het maar! In een huis waar azijn aanwezig is, hoeft men niet naar een ander idām’ (bijgerecht) te zoeken.”
Deze ḥadīth laat zien dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) weinig waarde hechtte aan eten en drinken en tevreden was met een heel eenvoudige maaltijd. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft ons ook geleerd dat iemand die veilig is in zijn leven en bezit, gezond is en voedsel heeft voor die dag, zich moet beschouwen alsof hij de hele wereld heeft gekregen.
152. Hadīth
Van Nu'mān ibn Bashīr (رضي الله عنهما): “Kunnen jullie niet zoveel eten en drinken als jullie maar willen? Ik heb de tijden meegemaakt waarin jullie Nabī (صلى الله عليه وسلم) zelfs geen droge dadel kon vinden om zijn maag mee te vullen.”
Nu'mān ibn Bashīr (رضي الله عنهما) sprak waarschijnlijk tot mensen die grotendeels tot de generatie van de tābi'īn behoorden. Hij wilde hun aandacht vestigen op een belangrijk punt. Hij herinnerde hen eraan dat zij in overvloed en welvaart leefden.
Anders dan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zijn ṣaḥābah, zij leden geen materiële armoede; integendeel, zij beschikten over alles wat zij wensten en konden eten en drinken wat hun hart begeerde.
Vervolgens vertelde hij een werkelijkheid die hij met eigen ogen had aanschouwd. Hij zei dat hij dagen had meegemaakt waarop Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zelfs geen droge dadel kon vinden om zijn honger te stillen.
Zowel an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) als zijn ṣaḥābah leefden meestal onder moeilijke materiële omstandigheden. Nadat de islamitische veroveringen zich na het overlijden van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hadden uitgebreid naar nieuwe gebieden, werden de moslims gezegend met overvloed, voorspoed en rijkdom.
Toen Nu'mān ibn Bashīr tegen zijn toehoorders zei: “Jullie Nabī leefde op deze manier”, spoorde hij hen aan om niet buitensporig veel waarde aan de wereld te hechten en zich niet te laten meeslepen door haar genietingen. Hij herinnerde hen eraan dat zij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) als hun voorbeeld moesten nemen.
De uitdrukking “jullie Nabī” kan op het eerste gezicht vreemd overkomen. Het heeft echter geenszins de betekenis van uitsluiting of minachting voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), zoals het geval was bij Mālik ibn Nuwayrah, die vanwege afvalligheid van de Islām (riddah) ter dood werd gebracht. Het is nuttig om die gebeurtenis kort te vermelden.
Mālik ibn Nuwayrah behoorde tot de stam Tamīm. In het elfde jaar na de hijrah kwam hij met zijn stam naar Madīnah, waar hij de Islām omarmde. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stelde hem vervolgens aan om de zakāh van zijn stam te innen.
Terwijl hij deze taak uitvoerde, bereikte hem het bericht dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was overleden. Daarop verzaakte hij de Islām en keerde terug naar zijn vroegere religie. Hij zei: “Wij zullen ons bezit niet aan anderen geven,” waarna hij de reeds geïnde zakāh teruggaf aan de bezitters ervan.
Nadat Abū Bakr (رضي الله عنه) na het overlijden van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) khalīfah was geworden, droeg hij Khālid ibn al-Walīd (رضي الله عنه), die bekendstond als “het Zwaard van Allah”, op om te strijden tegen degenen die afvallig waren geworden. Khālid ibn al-Walīd nam Mālik ibn Nuwayrah en zijn aanhangers gevangen en begon hen te ondervragen. Tijdens dit gesprek sprak Mālik ibn Nuwayrah over an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), maar in plaats van “Rasûlullāh” of “onze Nabī” te zeggen, gebruikte hij de woorden: “jullie ṣaḥābī.” Hij verklaarde bovendien dat hij wel de ṣalāh zou verrichten, maar geen zakāh zou betalen.
Toen Khālid ibn al-Walīd dit hoorde, begreep hij dat deze man daadwerkelijk afvallig was geworden. Vooral de woorden “jullie ṣaḥābī” maakten hem heel verontwaardigd. Hij zei: “Ja, hij is onze ṣaḥābī, maar niet de jouwe!” Daarop liet hij Mālik ibn Nuwayrah terechtstellen.
Toen de overleveraar van deze ḥadīth, Nu'mān ibn Bashīr, tegen zijn toehoorders zei: “Ik heb de tijden meegemaakt waarin jullie Nabī (صلى الله عليه وسلم) zelfs geen droge dadel kon vinden om zijn maag mee te vullen”, bedoelde hij daarmee: “Neem jullie Nabī (صلى الله عليه وسلم) als voorbeeld en maak zijn levenswijze tot de uwe.”
Hier kunnen wij ook denken aan de woorden van 'Umar (رضي الله عنه), waarin hij de ontberingen beschreef die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) moest doorstaan. Deze ṣaḥābī vertelde dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) soms de hele dag krom lag van de honger en dat hij soms zelfs geen droge dadel kon vinden om zijn maag te vullen.
(Nuʿmân ibn Bashīr (رضي الله عنهما) (overl. 64 AH./684 CE) was het eerste kind dat onder de Anṣār na de hijrah werd geboren, veertien maanden na de emigratie.
Toen Nuʿmân werd geboren, brachten zij hem naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte de taḥnīk door een dadel in zijn gezegende mond fijn te kauwen en daarmee het gehemelte van de baby in te wrijven. Vervolgens verrichtte hij een smeekbede voor hem en vroeg Allah om hem te zegenen.
De vader van Nuʿmân, Bashīr ibn Saʿd al-Khazradjī (رضي الله عنه), was een van de bevelhebbers van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
Tijdens het khalifaat van Muʿāwiyah (رضي الله عنه) bekleedde Nuʿmân ibn Bashīr (رضي الله عنهما) het gouverneurschap van verschillende steden. Hij heeft 124 aḥādīth van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) overgeleverd. Het merendeel daarvan leerde hij van zijn oom van moederszijde, ʿAbdullāh ibn Rawāḥah (رضي الله عنه), de dichter van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), evenals van ʿUmar (رضي الله عنه) en ʿĀʾishah (رضي الله عنها).
153. Hadīth
Van Jābir ibn 'Abdillāh (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wat is azijn toch een voortreffelijke idām (bijgerecht)!”
154. Hadīth
Van Zahdam al-Jarmī ( رَحِمَهُ اللهُ): “Wij bevonden ons in de bijeenkomst van Abū Mūsā al-Ash`arī (رضي الله عنه). Er werd een maaltijd bereid en opgediend. Toen een van de aanwezigen zag dat er kip op tafel werd gezet, stond hij op en ging opzij zitten.
Daarop vroeg Abū Mūsā al-Ash`arī: ‘Wat is er? Waarom ga je opzij zitten?’
Hij antwoordde: ‘Ik heb eens gezien dat een kip iets met een vieze geur at. Daardoor kreeg ik er een afkeer van en ik heb gezworen nooit meer kip te eten.’
Daarop zei Abū Mūsā al-Ash`arī: ‘Kom, ga weer aan tafel zitten. Ik heb Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kip zien eten.’
(Abû Mûsā al-Ashʿarī (رضي الله عنه), wiens eigen naam ʿAbdullāh ibn Qays was, overleed in 42 H./662. Hij had in Jemen de Islām omarmd en kwam in het zevende jaar na de hijrah naar Madīnah. Vóór de Afscheidshadj droeg an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hem op om in verschillende streken van Jemen de zakāh te innen. Tijdens het khalifaat van ʿUmar (رضي الله عنه) was Abû Mûsā gouverneur en rechter (qāḍī) van Basrah. In die periode vervulde hij een belangrijke rol bij de verovering van enkele steden in Perzië. Ook onder het khalifaat van ʿUthmān (رضي الله عنه) was hij gouverneur van zowel Basrah als Kūfah.
Abû Mûsā, die de Edele Qur'ān rechtstreeks van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had geleerd, onderwees in Basrah en Kūfah de Qur'ān en de fiqh. Soms gaf hij tegelijkertijd les aan wel driehonderd studenten.
De tābiʿī-geleerde al-Ḥasan al-Baṣrī zei dat Abû Mûsā, die de inwoners van Basrah de Qur'ān en fiqh onderwees, de mensen buitengewoon veel tot nut was geweest en dat er nooit iemand naar Basrah was gekomen die beter was dan hij.
Met zijn prachtige stem en zijn recitatie van de Qur'ān wist hij iedereen diep te ontroeren. Op een nacht luisterde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) naar zijn Qur'ān-recitatie en zei dat hem een stem was geschonken die leek op de prachtige stem die aan an-Nabī Dāwūd (عليه السلام) was gegeven.
Abû Mûsā spoorde zijn leerlingen aan om een zachtmoedig hart te hebben. Hij raadde hun aan uit vrees voor Allah te huilen en zei: “Als jullie niet kunnen huilen, span je dan in om te huilen. De bewoners van de Hel zullen namelijk huilen totdat hun traanbronnen opdrogen; daarna zullen zij zóveel bloedige tranen vergieten dat er schepen in zouden kunnen varen.”
Over Abû Mûsā (رضي الله عنه) sprak Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de volgende smeekbede uit:
“O Allah, vergeef de zonden van ʿAbdullāh ibn Qays en schenk hem op de Dag der Opstanding de verhevenste verblijfplaats!”)
155. Hadīth
Van Safīnah (رضي الله عنه), dienaar van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): Ik heb samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het vlees van grote trap (ḥubārā: Otis tarda) gegeten.
(Abū ʿAbdir-Raḥmān Safīnah (رضي الله عنه) overleed in 80 AH/699 CE. Hij was van Perzische afkomst en behoorde tot de Ahl aṣ-Ṣuffah. Onze moeder Umm Salamah (رضي الله عنها) kocht hem toen hij nog een slaaf was en schonk hem zijn vrijheid op voorwaarde dat hij tot aan zijn dood in dienst van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zou blijven.
Volgens Safīnah raakten tijdens een van de veldtochten enkele metgezellen uitgeput. Op bevel van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) laadden zij een deel van hun bagage op hem. Omdat hij zo'n grote hoeveelheid goederen droeg, gaf Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem de bijnaam "Safīnah", wat "schip" betekent. Safīnah was zo verheugd met deze bijnaam die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem had gegeven, dat zijn oorspronkelijke naam uiteindelijk in vergetelheid raakte.
Op een dag gaf an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) Safīnah een brief en stuurde hem daarmee naar Muʿādh ibn Jabal (رضي الله عنه), die gouverneur en rechter (qāḍī) in Jemen was. Onderweg werd Safīnah geconfronteerd met een leeuw.
Toen hij de leeuw vertelde dat hij de dienaar van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was en een brief van hem bij zich droeg, leek de leeuw zijn woorden te begrijpen: hij bromde, ging opzij en maakte de weg voor hem vrij. Safīnah vertelde dat hem op de terugreis opnieuw iets dergelijks overkwam.
Volgens een andere overlevering voer Safīnah per schip naar Jemen toen het schip verging. Hij wist zich vast te klampen aan een houten plank en bereikte daarmee een eiland. Daar stond hij oog in oog met een leeuw. Toen hij de leeuw vertelde dat hij de dienaar van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was, begeleidde de leeuw hem en wees hem de weg die hij moest volgen.)
156. Hadīth
Van Zahdam al-Jarmī ( رَحِمَهُ اللهُ): “Wij bevonden ons in de bijeenkomst van Abū Mūsā al-Ash`arī (رضي الله عنه). Er werd een maaltijd opgediend en als eerste werd kip op tafel gezet. Onder de aanwezigen bevond zich een roodkleurige man uit de stam Banū Taym. Aan zijn houding was te merken dat hij het stamhoofd van Banū Taym was.”
Zahdam al-Jarmī vervolgde: “Toen die man de kip zag, wilde hij niet aan tafel gaan zitten. Daarop zei Abū Mūsā al-Ash`arī: ‘Kom, ga aan tafel zitten en eet van de kip. Ik heb Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kip zien eten.’
De man antwoordde: ‘Ik heb eens gezien dat een kip iets met een vieze geur at. Daardoor kreeg ik er een afkeer van en ik heb gezworen nooit meer kip te eten.’
Imām at-Tirmidhī heeft deze aḥadīth opgenomen om aan te tonen dat onder de spijzen die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) at ook grote trap en kip voorkwamen. Over het eten van kip heeft hij zelfs twee aḥadīth overgeleverd.
Dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en de ṣaḥābah kip aten, toont aan dat kip rein (ṭāhir) is en dat er vanuit islamitisch oogpunt geen bezwaar bestaat tegen het eten ervan.
Als het eten van kip verboden zou zijn geweest, dan zou Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) er zelf niet van hebben gegeten en zou hij zijn ummah hebben verboden het te eten.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf geen opdracht om kip, grote trap of vergelijkbare vogelsoorten op tafel te zetten. Wanneer dergelijke gerechten echter werden opgediend, weigerde hij ze niet, maar at hij ze met genoegen. Hoewel het vlees van de grote trap lichter is dan ganzenvlees, is het zwaarder dan kippenvlees en moeilijker te verteren. Toch at an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ook het vlees van deze vogel.
De grote trap is in Turkiye een zeldzaam voorkomende vogel en tevens de zwaarste vogel die kan vliegen. Een mannetje kan een gewicht van ongeveer achttien kilogram bereiken, terwijl een vrouwtje gemiddeld ongeveer acht kilogram weegt.
Tijdens een reis ving Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) eens een konijn, waarna Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) smakelijk van het vlees ervan at. Verder is bekend dat hij het vlees van offerdieren en vis at en dat hij de schouderbout van een schaap bijzonder waardeerde. In ḥadīth 171 zal bovendien blijken dat hij aangaf dat het vlees van de rug het smakelijkste en beste deel van het vlees is.
De gast van Abū Mūsā al-Ash`arī was niet van mening dat kip ḥarām was. Het zou immers ondenkbaar zijn dat iemand uit de generatie van de tābi'īn, die bovendien aan tafel zat bij een vooraanstaande ṣaḥābī, kippenvlees als verboden zou beschouwen. Hij had slechts gezien dat een kip vuiligheid at, waardoor hij er een afkeer van kreeg en zwoer nooit meer kip te eten.
Het vlees van dieren die onreinheden eten
Deze kwestie kent twee aspecten:
Het eerste betreft dieren, zoals de kip, die onreinheden eten. Niet alleen kippen, maar ook kamelen, runderen, schapen en geiten kunnen eraan gewend raken menselijke of dierlijke uitwerpselen te eten. Wanneer de invloed daarvan merkbaar is in hun vlees, melk of zweet, wordt zo'n dier een jallālah genoemd.
De geleerden verschillen hierover van mening. Sommigen noemen een dier jallālah wanneer het grootste deel van zijn voedsel uit onreinheden bestaat.
Anderen gebruiken deze benaming wanneer de kleur, geur of smaak van het vlees door die onreinheden is aangetast.
Wil men van een dergelijk dier het vlees of de melk gebruiken, dan moet het eerst gedurende een bepaalde tijd met schoon voedsel worden gevoed. Daarom wordt het als makrūh beschouwd een jallālah onmiddellijk te slachten zonder eerst een periode van afzondering en rein voedsel in acht te nemen.
Volgens deze opvatting dient een kip drie dagen, een schaap of geit vier dagen en een rund of kameel tien dagen met schoon voedsel te worden gevoed voordat het wordt geslacht.
Het tweede aspect betreft het onnodig afleggen van eden. Het is niet juist om zonder noodzaak te zweren. Daarnaast bestaat de situatie waarin iemand terecht terugkomt op een eerder afgelegde eed. Iemand kan zweren iets niet te doen, maar later inzien dat het juist beter is om het tegenovergestelde te doen. In dat geval verbreekt hij zijn eed en betaalt hij de daarvoor voorgeschreven boetedoening (kaffārah).
Uit een uitgebreidere overlevering van deze ḥadīth leren wij dat Abū Mūsā al-Ash`arī (رضي الله عنه) zijn gast, die had gezworen geen kip meer te eten, een persoonlijke gebeurtenis vertelde die zich tussen hem en Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had afgespeeld.
Volgens de overlevering in Ṣaḥīḥ al-Bukhārī en Ṣaḥīḥ Muslim kwam Abū Mūsā al-Ash`arī eens samen met enkele leden van zijn stam naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei:
“O Rasûlullāh! Wij vragen u om een kameel waarmee wij onze bagage kunnen vervoeren.”
Op dat moment beschikte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) niet over kamelen die hij kon geven. Daarom zwoer hij: “Bij Allah, ik kan jullie geen kamelen geven.”
Later werden er echter enkele kamelen gebracht. Daarop liet Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hen terugroepen en gaf hij hun enkele van die kamelen.
Nadat zij waren vertrokken, zeiden zij tegen elkaar: “Kijk eens, Rasûlullāh heeft eerst gezworen dat hij ons geen kamelen zou geven en vervolgens heeft hij ze toch gegeven. Dan zal er voor ons waarschijnlijk geen zegen in deze kamelen zijn.”
Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hiervan hoorde, liet hij hen terugkomen en legde uit dat niet hij, maar Allah hun deze kamelen had geschonken.
Vervolgens onderwees hij zowel hen als zijn gehele ummah met de volgende ḥadīth:
“Wanneer je over iets een eed hebt afgelegd en je vervolgens inziet dat het beter is om het tegenovergestelde te doen, verricht dan hetgeen beter is en betaal de kaffārah voor je eed.”
Uit deze ḥadīth leren wij tevens een belangrijke etiquette.
Abū Mūsā al-Ash`arī vroeg zijn gast waarom hij geen kip wilde eten. Hieruit blijkt dat een gastheer aandacht behoort te hebben voor zijn gast. Wanneer hij ziet dat zijn gast een bepaald gerecht niet eet, dient hij vriendelijk naar de reden te vragen en vervolgens passend te handelen.
Laten we hier dit punt vooral benadrukken: smakelijke spijzen en dranken zijn gunsten en gaven van Allah voor zijn dienaren. Men behoort daarvan te eten en te drinken en vervolgens Allah dankbaar te zijn voor deze gunsten.
Er werd eens tegen al-Ḥasan al-Baṣrī gezegd: “Er is iemand die zegt: ‘Ik eet geen zoetigheden, omdat ik Allah daarvoor nooit voldoende zou kunnen danken.”
Deze grote islamitische geleerde antwoordde daarop: “Die man lijkt wel een dwaas. Drinkt hij dan ook geen koud water? Hoe denkt hij Allah voor koud water te kunnen bedanken?”
De volgende du'ā’ van Dāwūd (عليه السلام) laat zien hoe groot de gunst van koud water is:
“O Allah! Ik vraag U om liefde voor U, liefde voor degenen die U liefhebben en liefde voor de daden die mij dichter bij Uw liefde brengen.
O Allah! Maak Uw liefde voor mij dierbaarder dan mijn eigen leven, mijn familie en zelfs dan koud water.”
157. Hadīth
Van Abū Asīd (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Eet olijfolie en wrijf jullie lichaam ermee in, want olijfolie is afkomstig van een gezegende boom.”
(Over de identiteit van Abû Asīd (رضي الله عنه) bestaan twee opvattingen.
Volgens sommigen is hij de dienaar van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), Abû Asīd ʿAbdullāh ibn Thābit al-Anṣārī.
Er zijn ook geleerden die van mening zijn dat zijn eigen naam Thābit was.
Volgens een andere opvatting was Abû Asīd al-Anṣārī in werkelijkheid Mālik ibn Rabīʿah as-Sāʿidī (رضي الله عنه), die overleed in 60 AH./680 CE. Deze ṣaḥābī nam deel aan de Slag van Badr en aan de overige veldtochten. Tegen het einde van zijn leven verloor hij zijn gezichtsvermogen. Van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft hij 28 ahadith overgeleverd.
Sommigen spreken zijn kunyah uit als Abû Usayd, maar de uitspraak Abû Asīd wordt als de juiste beschouwd.)
158. Hadīth
Van 'Umar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Gebruik olijfolie als idām (bijgerecht) bij jullie brood en wrijf jullie lichaam ermee in, want olijfolie is afkomstig van een gezegende boom.”
Imām at-Tirmidhī zei: “Een van de overleveraars van deze ḥadīth, 'Abd ar-Razzāq ibn Hammām aṣ-Ṣan'ānī (overl. 211 AH/827 CE), twijfelde bij het overleveren van de overleveringsketen (isnād). Daarom heeft hij de ḥadīth in één overlevering, zoals hierboven, via 'Umar (رضي الله عنه) van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overgeleverd, terwijl hij het in een andere overlevering zonder vermelding van 'Umar (رضي الله عنه), via de tābi'ī Aslam, als een mursal-overlevering heeft doorgegeven.
In deze ḥadīth worden twee zaken benadrukt:
dat olijfolie een gezegend voedingsmiddel is dat afkomstig is van een gezegende boom;
en dat dit gezegende voedingsmiddel de mens veel voordelen brengt.
In de āyah:
۞ ٱللَّهُ نُورُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِۚ مَثَلُ نُورِهِۦ كَمِشۡكَوٰةٖ فِيهَا مِصۡبَاحٌۖ ٱلۡمِصۡبَاحُ فِي زُجَاجَةٍۖ ٱلزُّجَاجَةُ كَأَنَّهَا كَوۡكَبٞ دُرِّيّٞ يُوقَدُ مِن شَجَرَةٖ مُّبَٰرَكَةٖ زَيۡتُونَةٖ لَّا شَرۡقِيَّةٖ وَلَا غَرۡبِيَّةٖ يَكَادُ زَيۡتُهَا يُضِيٓءُ وَلَوۡ لَمۡ تَمۡسَسۡهُ نَارٞۚ نُّورٌ عَلَىٰ نُورٖۚ يَهۡدِي ٱللَّهُ لِنُورِهِۦ مَن يَشَآءُۚ وَيَضۡرِبُ ٱللَّهُ ٱلۡأَمۡثَٰلَ لِلنَّاسِۗ وَٱللَّهُ بِكُلِّ شَيۡءٍ عَلِيمٞ ٣٥
Allah (voorziet) de hemelen en de aarde van licht (d.m.v. de zon en de maan). De gelijkenis van Zijn licht (in het hart van de gelovige) is zoals een nis waarin een lantaarn staat: de lamp bevindt zich in een glas. Het (licht in dit) glas is zoals dat van een stralende ster die werd aangestoken (met olie) van een gezegende olijfboom – die niet van het Oosten, noch van het Westen is. Haar olie lijkt uit zichzelf te willen ontvlammen, hoewel geen vuur het heeft aangeraakt. Licht op licht! Allah leidt naar Zijn licht wie Hij wil. En Allah geeft de mensheid gelijkenissen, en Allah is Alwetend over alle zaken.
(Nûr, 24:35)
wordt, bij de beschrijving van het Licht van Allah, vermeld dat dit wordt ontstoken met de olie van “een gezegende olijfboom.”
Eveneens wordt in sūrah at-Tīn, die begint met de goddelijke eed:
وَٱلتِّينِ وَٱلزَّيۡتُونِ ١
Bij de vijg en de olijf.
Wordt de gezegende status van de olijf en de olijfolie benadrukt.
Ook de volgende āyah wijst op het nut van de olijf voor de mens:
وَشَجَرَةٗ تَخۡرُجُ مِن طُورِ سَيۡنَآءَ تَنۢبُتُ بِٱلدُّهۡنِ وَصِبۡغٖ لِّلۡأٓكِلِينَ ٢٠
En een boom die groeit op de Berg Sinai, die olie en een bijgerecht voor hen die eten levert. (Mu’minûn, 23:20)
Dat olijven als bijgerecht bij brood worden gegeten en dat olijfolie zo belangrijk is voor de gezondheid, is een aanwijzing voor de zegeningen die Allah daarin heeft gelegd.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) adviseerde om olijfolie als idām bij brood te gebruiken en deed dit zelf eveneens.
Bij de uitleg van ḥadīth 126 hebben wij al vermeld dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn gezegende haar regelmatig met olijfolie verzorgde.
Hierbij dient tevens te worden opgemerkt dat het insmeren van het lichaam met olijfolie vooral gunstig wordt geacht in warme streken zoals de Ḥijāz. Men zegt echter dat dit in koudere landen niet noodzakelijk dezelfde voordelen biedt.
(Abû Ḥafṣ ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه) behoorde tot de Banū ʿAdī, een tak van de Quraysh-stam. Zijn afstamming kwam samen met die van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bij Kaʿb ibn Luʾayy, de zevende voorvader van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).
Op de dag dat de om zijn moed bekende ʿUmar (رضي الله عنه) de Islām omarmde, kregen de overige moslims zoveel moed door zijn bekering dat zij voor het eerst openlijk ṣalāh verrichtten bij de Kaʿbah.
Na de hijrah werd ʿUmar (رضي الله عنه) in Madīnah, samen met Abû Bakr (رضي الله عنه), de belangrijkste steunpilaar van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Hij stond an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bij tijdens alle veldtochten waaraan deze deelnam. Toen zijn dochter Ḥafṣah (رضي الله عنها) met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) trouwde, verkreeg hij de eer diens schoonvader te worden.
Zijn liefde voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was zo diep, dat hij bij het vernemen van diens overlijden volledig verbijsterd raakte. Hij trok zijn zwaard en verklaarde dat hij iedereen die zei: "An-Nabī is overleden", in tweeën zou splijten.
ʿUmar (رضي الله عنه) was een man met een uitzonderlijk vooruitziende blik. Over vijftien tot twintig belangrijke kwesties had hij een mening geuit waarover nog geen openbaring was neergezonden. Hij vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) om Allahu Ta`ala te smeken hierover openbaringen te sturen. De kwesties waarover vervolgens Qur'ān-verzen werden geopenbaard, staan bekend als de "Muwāfaqāt van ʿUmar", oftewel: "de opvattingen van ʿUmar die overeenkwamen met de openbaring."
Na het overlijden van Abû Bakr (رضي الله عنه) werd hij de tweede khaliefah van de Islām. Onder zijn leiderschap werden Perzië, Irak, Syrië en Egypte onderdeel van het islamitische rijk. Ook Jeruzalem, Azerbeidzjan, Armenië, Khurāsān en Alexandrië werden tijdens zijn khalifaat veroverd.
Hij stichtte grote steden zoals Basrah, Kūfah en Mawsil (Mosul). Door zijn ongeëvenaarde rechtvaardigheid gaf hij voorbeelden van rechtspraak die in de wereldgeschiedenis nauwelijks hun gelijke kennen.
Hij kende een toelage toe aan iedereen die hulpbehoevend was en voerde belangrijke hervormingen door in het staatsbestuur. Hij richtte bestuurlijke, rechterlijke, financiële en militaire instellingen op. Bovendien had hij over vele vraagstukken van de islamitische rechtspraak eigen, gezaghebbende opvattingen.
Ondanks zijn krachtige en strenge karakter was ʿUmar (رضي الله عنه) een heel bescheiden man. Tijdens zijn khalifaat liep hij 's nachts door de straten om persoonlijk naar de klachten van de mensen te luisteren en oplossingen te bieden voor hun problemen. Hij was een welsprekend spreker en stond bekend om zijn wijze uitspraken.
In het 24ste jaar na de hijrah werd ʿUmar (رضي الله عنه) als martelaar gedood door een zoroastrische slaaf. Hij werd begraven aan de voeten van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
ʿUmar (رضي الله عنه), een van de tien metgezellen aan wie het Paradijs werd beloofd (al-ʿAsharah al-Mubashsharah), heeft 539 ahadith van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) overgeleverd.)
159.Hadīth
De tekst (matn) van deze ḥadīth verschilt enigszins van die van de voorgaande ḥadīth, maar de betekenis is dezelfde. Met de uitdrukking “nahwah: de betekenis is gelijk” doelt Imām at-Tirmidhī hierop. Het verschil tussen beide aḥadīth bevindt zich uitsluitend in de isnād. In de voorgaande ḥadīth was de leraar van Imām at-Tirmidhī Yaḥyā ibn Mūsā, terwijl zijn leraar in deze overlevering Abū Dāwūd Sulaymān ibn Ma'bad al-Marwazī as-Sinjī is. Deze overleveraar werd as-Sinjī genoemd omdat hij afkomstig was uit het dorp Sinj bij Marw.
Daarnaast komt aan het einde van deze ḥadīth de vermelding voor die aangeeft dat de ḥadīth via 'Umar (رضي الله عنه) is overgeleverd. Daarmee wordt duidelijk gemaakt dat deze overlevering een ononderbroken (muttaṣil) isnād bezit.
In de tweede isnād wordt de naam van de ṣaḥābī echter niet genoemd. Daardoor blijkt dat deze overlevering niet muttaṣil maar mursal is.
Hadīth 160
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hield erg van gerechten waarin pompoen was verwerkt. Op een dag werd hem een maaltijd aangeboden waarin zich ook pompoen bevond, of hij was uitgenodigd voor een maaltijd. Omdat ik wist dat hij van pompoen hield, zocht ik de stukken pompoen uit het gerecht en legde die voor hem neer.”
De overleveraar van deze ḥadīth, Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), had tijdens een gezamenlijke maaltijd met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gemerkt dat hij veel van pompoen hield. Deze gebeurtenis zullen wij uitgebreider lezen bij ḥadīth 162.
Wij kunnen ons hier de volgende vraag stellen:
Waarom hield Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zoveel van pompoen?
Was dat eenvoudigweg omdat hij de smaak lekker vond?
Of at hij pompoen omdat Allah hem de bijzondere voordelen ervan had geleerd?
Of hield hij ervan omdat pompoen een bijzondere plaats innam in het leven van zijn broeder Yūnus (عليه السلام)? Het antwoord op deze vragen weten wij niet.
Zoals in de Qur'ān al-Karīm wordt verteld, werd Yūnus (عليه السلام), nadat hij uit de buik van de vis was gekomen, uitgeput en krachteloos op het strand geworpen. Allah liet vervolgens boven hem een plant uit de pompoenfamilie groeien om hem zowel tegen de hitte van de zon als tegen de hinder van insecten te beschermen.
Wanneer meerdere mensen uit één gezamenlijke schaal eten, behoort ieder in beginsel van het gedeelte vóór zich te eten. Bestaat het gerecht echter uit verschillende ingrediënten die gezamenlijk zijn opgediend, en hebben de tafelgenoten of de gastheer daar geen bezwaar tegen, dan mag iemand een stukje dat hij bijzonder lekker vindt voor zichzelf nemen of het aanbieden aan een van de andere eters.
161.Hadīth
Van Jābir ibn Ṭāriq al-Aḥmasī (رضي الله عنه): “Op een dag bezocht ik Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in zijn huis. Ik zag dat hij de pompoen die voor hem lag in heel kleine stukjes aan het snijden was.
Ik vroeg: ‘O Rasûlullāh! Waarom snijdt u de pompoen zo fijn?’
Hij antwoordde: ‘Door de pompoen zo fijn te snijden, vermeerderen wij ons eten.’
Imām at-Tirmidhī gaf over de overleveraars van deze ḥadīth de volgende toelichting:
“Jābir die deze ḥadīth heeft overgeleverd, is Jābir ibn Ṭāriq. Naar zijn grootvader Abū Ṭāriq wordt hij ook wel Jābir ibn Abī Ṭāriq genoemd. Jābir behoort tot de ṣaḥābah van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Voor zover ons bekend heeft hij slechts deze ene ḥadīth overgeleverd.
De vader van de derde overleveraar, Ismā'īl, die bekendstaat als Abū Khālid, heette Sa'd.”
Wie niet weet wat ware zuhd (onthechting van de wereld in het hart) werkelijk inhoudt, zou kunnen denken dat het fijn snijden van de pompoen door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in strijd is met zuhd en taqwā (leven met voortdurend bewustzijn van Allāhu (تعالى)). Zo iemand zou kunnen menen dat een dergelijke handelwijze een teken is van gehechtheid aan de wereld. Maar juist an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft ons geleerd wat ware zuhd is en wat daar niet onder valt.
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft ons onderwezen dat het geen tegenstelling vormt met zuhd of tawakkul om ingrediënten zoals pompoen of vlees fijn te snijden voordat zij in de kookpot worden gedaan, zodat de maaltijd toeneemt en meer mensen ervan kunnen eten.
Met deze ḥadīth leert Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ons nog een belangrijke ethische norm: het helpen van zijn echtgenotes bij de huishoudelijke werkzaamheden.
De mukhadram* al-Aswad ibn Hilāl al-Muḥāribī (overl. 84 AH/703 CE) uit de generatie van de tābi'īn, vroeg eens aan 'Ā'ishah (رضي الله عنها): “Wat deed an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wanneer hij thuis was?”
Onze moeder ('Ā'ishah) (رضي الله عنها) antwoordde: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hielp zijn gezin met de huishoudelijke werkzaamheden. Wanneer het tijd werd voor de ṣalāh, ging hij naar de masjid.”
Wanneer wij de aḥadīth samenbrengen waarin wordt beschreven wat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) thuis deed, leren wij onder meer het volgende:
Hij maakte zijn kleding schoon.
Hij molk zijn schapen.
Hij verstelde zijn kleding.
Hij repareerde zijn sandalen.
Hij gaf voer aan de kameel waarmee water werd vervoerd.
Hij veegde zijn huis.
Hij bond zijn kameel vast.
Hij at samen met zijn dienaar en kneedde samen met hem het deeg.
De boodschappen die hij op de markt had gekocht, droeg hij zelf naar huis.
Kortom, hij verrichtte zijn eigen werkzaamheden zelf.
Dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de pompoen fijn sneed voordat deze in de kookpot werd gedaan, laat eveneens zien dat hij zijn gezin hielp en actief deelnam aan de huishoudelijke werkzaamheden.
[*: Mukhadram: Iemand die zowel de tijd van de Jāhiliyyah (de periode vóór de Islām) als de Islām heeft meegemaakt, maar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) niet heeft ontmoet of niet als moslim heeft ontmoet.]
162.Hadīth
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Een kleermaker nodigde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) uit voor een maaltijd die hij had bereid. Ik ging samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar deze uitnodiging. De kleermaker zette gerstebrood en soep op tafel die was bereid met pompoen en gedroogd vlees.
Anas vervolgde: “Ik zag dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de stukjes pompoen één voor één van de rand van de schaal pakte en opat. Sinds die dag ben ik altijd van pompoen gaan houden.”
Er wordt gezegd dat de kleermaker die in deze ḥadīth wordt genoemd, hoewel zijn naam niet vermeld wordt, een vrijgelaten slaaf van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was.
De soep die de kleermaker aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aanbood, bestond uit twee ingrediënten: pompoen en gedroogd vlees. Vlees dat in de zon of op een andere manier werd gedroogd, behoorde tot de belangrijkste voedingsmiddelen van de Arabieren.
Dat blijkt ook uit de volgende ḥadīth.
Op een dag kwam een man bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Door de indrukwekkende uitstraling van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en uit diep respect voor hem begon de man te beven van ontzag.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nam de angst van deze persoon weg, met de woorden: “Wees gerust. Ik ben geen koning. Ik ben slechts de zoon van een vrouw uit Quraysh die gedroogd vlees at.”
Uit deze ḥadīth leren wij enkele mooie gewoonten van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) met betrekking tot eten.
Vanwege zijn buitengewone nederigheid (tawāḍu`) wees hij uitnodigingen voor een maaltijd niet af. Hoe eenvoudig of bescheiden het eten ook was, hij maakte daar geen punt van. Hij vereerde de huizen van degenen die hem uitnodigden met zijn aanwezigheid, of, zoals in deze ḥadīth, zelfs hun werkplaats.
Daarom behoort een moslim een uitnodiging voor een maaltijd van zijn broeder te aanvaarden, zonder te letten op diens maatschappelijke positie.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) liet zich er niet door weerhouden dat de persoon die hem uitnodigde een slaaf was. Hij accepteerde zijn uitnodiging met waardigheid en ging naar zijn werkplaats.
Anas ibn Mālik, die tien jaar lang Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) diende en door hem werd opgevoed, laat ons met deze ḥadīth tevens zien dat het wenselijk is lief te hebben wat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) liefhad.
Sommigen zouden het eten van de stukjes pompoen van de rand van de schaal door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) moeilijk kunnen rijmen met de eetetiquette die hij zijn stiefzoon 'Umar ibn Abī Salamah (رضي الله عنه) had geleerd.
Hij zei immers tegen de jonge 'Umar (رضي الله عنه): “Mijn zoon! Kom dicht bij de maaltijd. Zeg: 'Bismillāh'. Eet met je rechterhand en eet van wat vóór je ligt.”
Deze ḥadīth, die later bij nummer 190 zal worden behandeld, leert ons dat wanneer meerdere mensen samen eten, ieder behoort te eten van het gedeelte dat zich vóór hem bevindt.
In de ḥadīth die wij nu bespreken weten wij echter dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) óf alleen at, óf slechts samen met Anas ibn Mālik. Wie alleen eet, is niet verplicht uitsluitend van het gedeelte vóór zich te eten.
En wanneer iemand samen eet met een persoon van wie hij weet dat deze er geen bezwaar tegen heeft, is er eveneens geen bezwaar tegen om een stukje van een andere plaats uit de schaal te nemen waarnaar zijn voorkeur uitgaat.
163.Hadīth
Van 'Ā'ishah (رضي الله عنها): An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hield van zoetigheden en van honing.
In deze ḥadīth wordt vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) van zoetigheden en honing hield. Wij weten dat wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een bezoek bracht aan onze moeder Zaynab bint Jaḥsh (رضي الله عنها), hij met genoegen de honingdrank dronk die zij hem aanbood. Omdat hij daar bleef totdat hij die honingdrank had opgedronken, wekte dit de jaloezie van de andere Moeders der Mu'mins op.
De Arabieren gebruikten het woord ḥalwā niet alleen voor zoetigheden die bereid waren van meel, suiker en vet, maar ook voor ieder smakelijk en aangenaam voedsel.
Met deze ḥadīth wordt daarom duidelijk gemaakt dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) niet alleen van ḥalwā hield, maar van alles wat een zoete smaak had.
Nadat eerst in algemene zin over zoete spijzen is gesproken, wordt vervolgens honing afzonderlijk genoemd, omdat deze onder de zoete voedingsmiddelen een bijzondere plaats, waarde en betekenis inneemt.
Wanneer er wordt gezegd dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) van zoetigheden hield, betekent dit niet dat hij er buitensporig op gesteld was. De bedoeling is dat wanneer hem een zoete spijs werd aangeboden, hij deze waardeerde en met genoegen at. Het is immers algemeen bekend dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) niet gehecht was aan wereldse genietingen en nooit de verlangens van zijn nafs vooropstelde.
164.Hadīth
Van Moeder der Mu'mins Ummu Salamah (رضي الله عنها): Op een dag bood Ummu Salamah Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) geroosterd schapenvlees aan. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) at daarvan een hoeveelheid. Vervolgens stond hij op en verrichtte de ṣalāh zonder opnieuw wuḍū' te verrichten.”
Onder de geleerden is de vraag besproken of het eten van vlees dat boven vuur is bereid of geroosterd de wuḍū' verbreekt. De reden daarvoor is dat er aḥadīth bestaan waarin wordt vermeld dat na het eten van vlees dat boven vuur is bereid wuḍū' verricht dient te worden.
Moet men na het eten van vlees wuḍū' verrichten?
Hoewel Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aanvankelijk opdroeg om wuḍū' te verrichten na het eten van voedsel dat boven vuur was bereid, blijkt uit de overleveringen dat deze praktijk betrekking had op de eerste periode van de Islām.
Zoals Imām an-Nawawī eveneens heeft opgemerkt, werd deze praktijk later opgeheven. De vier rechtgeleide khalīfahs en vooraanstaande faqīhs onder de ṣaḥābah hebben overgeleverd dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) na het eten van vlees niet opnieuw wuḍū' verrichtte.
Op grond van deze overleveringen zijn de overgrote meerderheid van de islamitische geleerden en de vier imāms van de madhāhib van oordeel dat het niet verplicht is om na het eten van boven vuur bereid voedsel, en in het bijzonder vlees, opnieuw wuḍū' te verrichten.
Ook in deze ḥadīth zien wij dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), nadat hij een hoeveelheid geroosterd vlees had gegeten, opstond en de ṣalāh verrichtte zonder zijn wuḍū' te vernieuwen. Dit toont aan dat het eten van geroosterd of boven vuur bereid vlees de wuḍū' niet verbreekt.
Dit kan als volgt worden verklaard: In de eerste jaren van de Islām was het juiste begrip van reinheid nog niet volledig ingeburgerd. Daarom droeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op om na het eten van vettig voedsel, en vooral na het eten van vlees, wuḍū' te verrichten.
Later zagen de moslims hoe nauwgezet Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was met betrekking tot reinheid. Daardoor namen zij het wassen van de handen na de maaltijd als sunnah over. Om zijn ṣaḥābah tegemoet te komen en het hun gemakkelijk te maken, maakte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vervolgens duidelijk dat het vanwege het eten van vet voedsel niet langer noodzakelijk was om wuḍū' te verrichten. Door zijn eigen praktijk bevestigde hij deze gewoonte.
Sommige geleerden hebben bovendien opgemerkt dat Imām at-Tirmidhī direct na de ḥadīth waarin wordt vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) van zoetigheden en honing hield, deze ḥadīth over het eten van vlees heeft opgenomen. Op grond daarvan hebben zij gezegd dat deze drie voedingsmiddelen, zoetigheden, honing en vlees, behoren tot de meest heilzame voedingsmiddelen voor het menselijk lichaam.
165.Hadīth
Van 'Abdullāh ibn al-Ḥārith (رضي الله عنه): Wij aten samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) geroosterd vlees in de masjid.
Uit deze ḥadīth leren wij dat 'Abdullāh ibn al-Ḥārith samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) geroosterd vlees heeft gegeten in al-Masjid an-Nabawī.
In deze ḥadīth wordt echter niet vermeld wanneer of bij welke gelegenheid zij deze maaltijd hebben genuttigd.
Waarom werd er in de masjid gegeten?
De commentatoren hebben hierover verschillende verklaringen gegeven.
Waarschijnlijk verrichtte 'Abdullāh ibn al-Ḥārith samen met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) i`tikāf* in al-Masjid an-Nabawī en aten zij tijdens dat verblijf gezamenlijk daar.
Een andere aannemelijke mogelijkheid is dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn gasten in al-Masjid an-Nabawī ontving. De overleveraar van deze ḥadīth behoorde op dat moment tot de aanwezige gasten en at daarom samen met hen.
Nog een andere verklaring luidt dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), die veel van zijn werkzaamheden vanuit de masjid verrichtte, zijn ṣaḥābah wilde laten zien dat het toegestaan is om in de masjid te eten. Daarom at hij daar samen met de moslims.
Welke van deze verklaringen ook juist is, uit deze ḥadīth leren wij dat het toegestaan is om alleen of gezamenlijk in een masjid te eten, zolang de masjid niet wordt bevuild.
Deze ḥadīth is eveneens overgeleverd door Ibn Mājah in zijn Sunan en door Imām Aḥmad ibn Ḥanbal in zijn al-Musnad. Zij vermelden bovendien de volgende aanvullende verklaring van 'Abdullāh ibn al-Ḥārith: “Nadat wij het geroosterde vlees hadden gegeten, werd de adhān opgeroepen. Wij veegden onze handen af aan de kiezelstenen en stonden vervolgens op om de ṣalāh te verrichten zonder opnieuw wuḍū' te verrichten.”
(Abû al-Ḥārith ʿAbdullāh ibn Ḥārith ibn Jazʾ az-Zubaydī (رضي الله عنه), overleden in 86 AH/705 CE, nam deel aan de Slag van Badr. Na het heengaan van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) naar het Hiernamaals nam hij deel aan de verovering van Egypte en vestigde zich daar. Hij was de laatste ṣaḥābī die in Egypte overleed.
Zijn overleveringen zijn opgenomen in de Sunan van Abû Dāwūd, at-Tirmidhī en Ibn Mājah. Er wordt vermeld dat de naam van ʿAbdullāh vóór de Islām ʿĀṣī was, en dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn naam veranderde in ʿAbdullāh.)
[I`tikāf*: Het verblijven in de laatste 10 dagen van de Ramadān in de moskee met de intentie om Allāhu (تعالى) te aanbidden, waarbij men zich afzondert van wereldse bezigheden om zich te wijden aan daden van aanbidding.]
166.Hadīth
Van Mughīrah ibn Shu`bah (رضي الله عنه): “Op een nacht was ik samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) te gast bij iemand.
De gastheer bracht geroosterd vlees op tafel. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nam een groot mes in zijn hand en begon het vlees in stukken te snijden. Vervolgens gaf hij mij een stuk van het vlees dat hij had afgesneden.
Juist op dat moment kwam Bilāl al-Ḥabashī (رضي الله عنه) binnen om mee te delen dat de tijd voor de ṣalāh was aangebroken.
Daarop legde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het mes neer en zei: ‘Moge Allah Bilāl belonen met het goede; hij laat de tijd voor de ṣalāh altijd precies op het juiste moment weten!’
Mughīrah ibn Shu`bah voegde hieraan toe: “Mijn snor was destijds zo lang geworden dat zij over mijn bovenlip hing.
Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen mij: “Ik zal, met de siwāk als maatstaf, het overtollige van je snor afknippen.’ Of hij zei: ‘Knip je snor af door de siwāk als maatstaf te gebruiken.’
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en Mughīrah ibn Shu`bah waren te gast bij een van de ṣaḥābah. Volgens een overlevering was degene die hen ontving Ḍubā'ah (رضي الله عنها), de dochter van az-Zubayr ibn 'Abd al-Muṭṭalib, de oom van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
Volgens de overlevering in Sunan Abī Dāwūd was Mughīrah juist te gast bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
Dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het vlees voor Mughīrah ibn Shu`bah sneed en hem aanbood, kan op twee manieren worden verklaard.
Wanneer de maaltijd plaatsvond in het huis van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), was hij zijn gast aan het bedienen.
Vond de maaltijd echter plaats in het huis van de ṣaḥābī waar zij beiden te gast waren, dan deed Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dit uit zijn grote tawāḍu'. Bovendien wilde hij Mughīrah, die toen pas kort moslim was geworden, voor de Islām winnen en zijn hart versterken.
Het is immers bekend dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) degenen die behoorden tot de mu'allafah al-qulūb (degenen wier harten met de Islām worden verzoend) op verschillende manieren eer bewees om hun harten voor de Islām te winnen.
Terwijl de gasten aan de avondmaaltijd zaten, kwam Bilāl al-Ḥabashī, de mu'adhdhin (oproeper tot de ṣalāh) van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), binnen om mee te delen dat de tijd voor de ṣalāh al-`ishā' was aangebroken.
Een van de taken van Bilāl was immers om Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op de hoogte te brengen van het aanbreken van de ṣalāh-tijd.
Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Moge Allah Bilāl belonen met het goede; hij laat de tijd voor de ṣalāh altijd precies op het juiste moment weten.”
Rasûlullāhs (صلى الله عليه وسلم) uitspraak kan op twee manieren worden uitgelegd.
Volgens de eerste uitleg sprak Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hiermee zijn waardering uit voor Bilāl, omdat hij zijn taak altijd nauwgezet vervulde en onder alle omstandigheden de tijd voor de ṣalāh stipt bekendmaakte.
Volgens een tweede uitleg bevat deze uitspraak een milde terechtwijzing. In dat geval bedoelde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Bilāl zag dat wij met onze gast aan het eten waren. Hij wist bovendien dat er nog voldoende tijd was voordat de ṣalāh al-`ishā' verricht moest worden. Hij had rekening kunnen houden met deze situatie en ons na de maaltijd kunnen komen waarschuwen.”
Hier past het om een andere ḥadīth in herinnering te brengen. Wanneer de tijd voor de ṣalāh al-maghrib is aangebroken en de maaltijd al op tafel staat, zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Wanneer de avondmaaltijd is opgediend, eet dan eerst voordat jullie de ṣalāh al-maghrib verrichten. Haasten jullie niet met de ṣalāh terwijl jullie het eten laat staan.”
Sommige geleerden zijn van mening dat deze aanwijzing specifiek bedoeld is voor degenen die vasten.
Andere geleerden stellen echter dat deze ḥadīth niet alleen betrekking heeft op vastenden, maar op iedereen die zo'n erge honger heeft dat hij de ṣalāh niet met khushū' (diepe nederigheid) kan verrichten.
Deze opvatting wordt ondersteund door de volgende ḥadīth:
“Wanneer de adhān is opgeroepen en de maaltijd is opgediend, eet dan eerst.”
Deze formulering is algemener en omvat ook degenen die niet vasten maar zo hongerig zijn dat hun gedachten tijdens de ṣalāh voortdurend bij het eten zullen blijven.
Ook de volgende ḥadīth bevestigt dit:
“Wanneer één van jullie aan het eten is en de adhān wordt opgeroepen, laat hij zich niet haasten totdat hij zijn honger heeft gestild.”
De overleveraar van deze ḥadīth, 'Abdullāh ibn 'Umar (رضي الله عنهما), stond bekend als een van de ṣaḥābah die de Sunnah het nauwkeurigst volgden. Wanneer er eten voor hem was neergezet en de ṣalāh al was begonnen, liet hij zich niet afleiden. Zelfs als hij de stem van de imām hoorde, stond hij niet op voordat hij zijn maaltijd had voltooid. Op grond van deze ḥadīth at hij eerst en verrichtte daarna de ṣalāh.
Uiteraard behoort de ṣalāh zo vroeg mogelijk binnen de tijd te worden verricht. Toch is het nog belangrijker dat de ṣalāh met innerlijke rust en volledige concentratie wordt verricht. Dit geldt uiteraard zolang er voldoende tijd overblijft. Indien het eten ertoe zou leiden dat de tijd voor de ṣalāh zou verlopen of heel krap zou worden, dan dient men eerst de ṣalāh te verrichten.
Men zou hier kunnen vragen: waarom maakte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn maaltijd niet eerst af toen Bilāl (رضي الله عنه) hem kwam melden dat de tijd voor de ṣalāh was aangebroken?
Het antwoord luidt dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de imām van de moslims was. Om de mu'mins die zich reeds in de masjid hadden verzameld niet te laten wachten, liet hij zijn maaltijd staan en begaf hij zich onmiddellijk naar de masjid.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) adviseerde om goed bereid vlees met de tanden af te bijten in plaats van het met een mes te snijden.
Hij gaf aan dat dit smakelijker, aangenamer en nuttiger is. Bovendien past het eten op deze wijze beter bij tawāḍu'.
Het gebruik van een mes om vlees te snijden is echter toegestaan. Naast de ḥadīth die wij nu behandelen, bevatten ook andere betrouwbare ḥadīthverzamelingen talrijke overleveringen waaruit blijkt dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vlees met een mes sneed.
Hoewel Imām Abū Dāwūd de overlevering heeft opgenomen waarin wordt vermeld dat het snijden van vlees met een mes een gewoonte van de Perzen was, merkt hij tevens op dat deze overlevering niet bijzonder sterk is.
Een ander onderwerp dat in deze ḥadīth aan de orde komt, is het bijknippen van de snor.
Op dat moment was de snor van Mughīrah ibn Shu`bah zo lang geworden dat zij over zijn bovenlip hing.
Omdat Mughīrah nog maar kort moslim was en de islamitische etiquette met betrekking tot de snor nog niet kende, stelde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) voor om het overtollige gedeelte af te knippen. Volgens Imām an-Nawawī keurde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het af wanneer de snor zover groeide dat zij over het rode gedeelte van de bovenlip hing. Daarom gaf hij opdracht om de snor in dat geval af te knippen.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) rekende het verzorgen van de snor bovendien tot de tien kenmerken van de fiṭrah, de natuurlijke aanleg waarmee Allah de mens heeft geschapen.
“Knip jullie snor kort en laat jullie baard groeien!’ heeft hij gezegd, en daarmee spoorde hij de moslims aan zich te onderscheiden van de polytheisten (mushrikīn).
In deze ḥadīth wordt tevens vermeld dat de siwāk als hulpmiddel werd gebruikt bij het bijknippen van de snor. Dit diende als bescherming, zodat de bovenlip niet per ongeluk werd verwond.
Op die dag schonk Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bijzondere aandacht aan zijn ṣaḥābī Mughīrah ibn Shu`bah. Hij bood aan om persoonlijk het overtollige deel van zijn snor af te knippen met behulp van de siwāk, of hij leerde hem hoe hij dit zelf op die wijze kon doen.
167. Hadīth
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): “Op een keer werd er een vleesschotel voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) neergezet. Men zette hem het stuk vlees van de schouderbout van het dier voor, omdat hij juist dat deel van het vlees erg graag at. Hij beet er met zijn voortanden een stuk af en at daarvan.”
Dit gedeelte van onze ḥadīth is afkomstig uit het begin van een vrij lange ḥadīth waarin de grote voorspraak (shafa`ah) van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op de Verzamelplaats (Mahshar), bekend als al-Maqām al-Maḥmūd of ash-Shafāʿah al-Kubrā, wordt beschreven.
Volgens de overlevering van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) was an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) die dag uitgenodigd voor een maaltijd. Nadat hij met zijn voortanden een stuk van het vlees had afgebeten en ervan had gegeten, sprak hij over de moeilijkheden die de mensen zullen ondervinden op die ontzagwekkende Dag waarop de Opstanding zal plaatsvinden. Vervolgens vertelde hij hoe hij voor de mensen voorspraak zal verrichten.
Zoals Abū Hurayrah ook heeft verteld, hield an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bijzonder veel van de schouderbout. Dat kwam doordat dit deel snel gaar wordt, mals en smaakvol is en bovendien gemakkelijk verteerbaar is.
Onze moeder ʿĀʾishah (رضي الله عنها) zei hierover: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hield erg van schouderbout. Omdat vleesgerecht niet altijd beschikbaar was, at hij het slechts af en toe. Een van de redenen waarom an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de schouderbout verkoos, was dat dit deel snel gaar wordt.”
In de vorige eervolle ḥadīth zagen we dat an- Nabī (صلى الله عليه وسلم) het vlees met een mes sneed voordat hij het at. Waarschijnlijk was dat vlees nog niet voldoende gaar. In deze overlevering zien we echter dat het vlees goed gaar was, waardoor hij het zonder mes, al bijtend met zijn voortanden, at.
Imām at-Tirmidhī wilde hiermee duidelijk maken dat er geen bezwaar is tegen het eten van vlees, ongeacht of men het met een mes snijdt of er met de tanden stukken van afbijt.
Daarom heeft hij deze twee overleveringen, waarin wordt beschreven dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het vlees op beide manieren at, direct na elkaar vermeld.
168.Hadīth
Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه): An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hield bijzonder veel van de schouderbout.
Ibn Masʿūd vervolgde: “Degenen die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wilde vergiftigen, maakten eveneens gebruik van gekookte schouderbout.”
ʿAbdullāh ibn Masʿūd was van mening dat deze aanslag door de joden was beraamd.
Net als in de vorige ḥadīth wordt ook hier vermeld dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) schouderbout graag at. De joden wilden van deze voorkeur van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gebruikmaken en beraamden een aanslag door schouderbout van een bereide schaap met vergif in te smeren. Deze vergiftiging, waarin wij een van de wonderen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zien, vond als volgt plaats:
In het zevende jaar na de hijrah (628 CE) werden de vestingen van Khaybar, waar de joden woonden, veroverd. Een van hun bekende strijders, Marḥab, was tijdens deze strijd gedood. Zijn zus, Zaynab bint al-Ḥārith, de echtgenote van Sallām ibn Mishkam, een van de vooraanstaande joden, wilde zowel de dood van haar broer als die van de andere joden wreken. Zij slachtte eerst een schaap en smeerde vervolgens, op advies van andere joden, een ruime hoeveelheid vergif op de schouderbout van het schaap, nadat zij had vernomen dat dit het favoriete deel van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was. Daarna nodigde zij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) uit voor een maaltijd.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wilde deze vrouw niet afwijzen en nam samen met zijn ṣaḥābah plaats aan de maaltijd.
Zodra hij de eerste hap in zijn mond nam, merkte hij dat het vlees vergiftigd was en waarschuwde hij de aanwezigen: “Haal jullie handen van het gebraden vlees af! Die schouderbout heeft mij verteld dat het vergiftigd is.”
Helaas had Bishr ibn al-Barāʾ (رضي الله عنه) zijn hap al doorgeslikt. Hij overleed ter plaatse, (of korte tijd later), als gevolg van het vergif.
Daarop vroeg an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) aan die vrouw: “Waarom heb je geprobeerd ons te vergiftigen?”
Zij bekende haar daad en zei: “Als jij werkelijk een nabī bent, dan zou het vergif jou geen schade toebrengen. En als je geen nabī bent, dan zouden wij van jou verlost zijn.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nam nooit persoonlijk wraak voor het onrecht dat hem werd aangedaan. Daarom ondernam hij aanvankelijk niets tegen deze vrouw. Toen echter Bishr ibn al-Barāʾ door het vergiftigde vlees de marteldood stierf, droeg hij haar over aan diens nabestaanden. Zij voltrokken vervolgens de wederkerige wraak (qiṣāṣ) en doodden haar.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bleef de uitwerking voelen van de vergiftigde hap die hij in Khaybar had gegeten. Zelfs tijdens zijn laatste ziekte zei hij dat deze hem nog steeds pijn bezorgde en sprak hij: “De tijd is gekomen waarop dat vergiftigde vlees mijn levensader zal doorsnijden.”
(ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه), overleden in 32 AH/652 CE, behoorde tot de eerste moslims. Hij aanvaardde de islaam na onze moeder Khadījah (رضي الله عنها) en ʿAlī (رضي الله عنه). an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verkondigde hem het verheugende nieuws van het Paradijs.
Ibn Masʿūd (رضي الله عنه) was de eerste ṣaḥābī die openlijk de Qur'ān reciteerde bij de Kaʿbah.
Omdat hij heel dicht bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) stond en vrijelijk diens huis in en uit ging, dachten vreemdelingen vaak dat hij tot de familie van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) behoorde. Wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ergens naartoe wilde gaan, maakte Ibn Masʿūd (رضي الله عنه) diens schoenen gereed en zette ze voor hem klaar. Wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ergens ging zitten, bewaarde hij diens schoenen. Tijdens het wassen hield hij het gordijn voor hem vast en wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) sliep, maakte hij hem wakker voor de aanbidding.
Hij nam de levenswijze, de houding en kortom alles van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) als voorbeeld voor zichzelf. Daarom beschouwden de ṣaḥābah hem als degene wiens karakter het meest overeenkwam met het karakter van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hield er van om Ibn Masʿūd (رضي الله عنه) de Qur'ān met zijn prachtige stem te horen reciteren. Daarnaast bekleedde hij een heel hoge positie in de wetenschappen van hadith, tafsīr en fiqh.)
169. Hadīth
Van Abū ʿUbayd (رضي الله عنه),de vrijgelaten slaaf (mawlā) van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): Ik had voor an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vlees gekookt in een aardewerken pot.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hield erg van de schouderbout. Omdat ik dat wist, haalde ik één schouderbout en diende die hem voor.
Nadat hij die had gegeten, zei hij: ‘Geef mij nog een schouderbout!’
Ik haalde daarop de andere schouderbout en gaf die aan hem. Nadat hij die ook had gegeten, zei hij opnieuw:
‘Geef mij nog een schouderbout!’
Ik zei: ‘O Rasûlullāh! Hoeveel schouderbouten heeft een schaap eigenlijk?’
Daarop zei hij tegen mij: ‘Bij Allāh, in Wiens Hand mijn leven is, als jij had gezwegen en mijn bevel was blijven opvolgen, dan had je mij telkens wanneer ik daarom vroeg een schouderbout kunnen geven.’
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had Abū ʿUbayd (رضي الله عنه), evenals zijn andere slaven, vrijgelaten. Waarschijnlijk had Abū ʿUbayd een schaap geslacht en het vlees bereid en Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) uitgenodigd om bij hem te komen eten. Om een voor ons onbekende reden wilde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem bij die gelegenheid een wonder laten zien.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vroeg Abū ʿUbayd om een schouderbout. Hij gaf die aan hem, waarna an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ervan at. Vervolgens vroeg hij om een tweede schouderbout en at ook die op. Toen hij daarna om een derde schouderbout vroeg, keek deze ṣaḥābī hem verbaasd aan. Mogelijk dacht hij dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een grap met hem maakte.
Daarom zei hij: “O Rasûlullāh! Hoeveel schouderbouten heeft een schaap, dat ik u een derde zou kunnen geven?”
Het antwoord dat Abū ʿUbayd kreeg, maakte duidelijk dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) geen grap maakte. Naar aanleiding van de woorden van zijn voormalige slaaf sprak hij over een zeer ernstige zaak en zei: “Bij Allāh, in Wiens Hand mijn leven is, als jij had gezwegen en mijn bevel was blijven opvolgen, en mij niet had afgeleid van mijn toewending tot Allāhu (تعالى), waardoor ik jou moest antwoorden, dan had je mij telkens wanneer ik daarom vroeg een schouderbout kunnen geven.”
Hieruit begrijpen wij dat men uiterst zorgvuldig behoort te zijn wanneer men tot Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) spreekt. Men moet vermijden de indruk te wekken dat men daartegen in verzet komt
Abū ʿUbayd zou Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) uiteraard nooit tegenspreken of zich respectloos tegenover hem gedragen.
Toch zou het in deze situatie passender zijn geweest als hij zich volledig had overgegeven aan de wil van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), en in plaats van een antwoord te geven opnieuw zijn hand in de pot had gestoken om naar een schouderbout te zoeken.
Doordat Abū ʿUbayd zijn eigen redenering naar voren bracht met de woorden: “Hoeveel schouderbouten heeft een schaap, dat ik u een derde zou kunnen geven?”, hield de goddelijke ondersteuning op. Daardoor werd hij beroofd van de mogelijkheid getuige te zijn van het wonder waarbij uit één pot steeds opnieuw schouderbouten tevoorschijn zouden zijn gekomen.
(Over Abû ʿUbayd (رضي الله عنه), de vrijgelaten slaaf van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), is nauwelijks iets bekend. Behalve de hierboven aangehaalde overlevering is niet bekend dat hij nog andere ahadith heeft overgeleverd.)
170. Hadīth
VanʿĀʾishah (رضي الله عنها): “De schouderbout was niet het stuk vlees waar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het meest van hield. Bovendien kreeg hij dat vlees slechts af en toe te eten. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf de voorkeur aan de schouderbout, omdat dit het deel van het vlees is dat het snelst gaar wordt. Zo hoefde hij niet veel tijd aan de maaltijd te besteden en kon hij zijn eten snel nuttigen.”
Uit de voorgaande drie aḥadīth blijkt dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de schouderbout van een schaap graag at. Abū Hurayrah, ʿAbdullāh ibn Masʿūd en de vrijgelatene van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), Abū ʿUbayd, hebben hierover hun kennis met ons gedeeld.
In deze ḥadīth verduidelijkt onze moeder ʿĀʾishah (رضي الله عنها) deze aḥadīth door te zeggen dat “de schouderbout niet het stuk vlees was waar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het meest van hield.”
Waarom houden wij van bepaald voedsel? Omdat onze nafs ernaar verlangt en wij het lekker vinden. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was echter niet iemand die zich liet leiden door de verlangens van zijn nafs. De reden waarom hij de schouderbout verkoos, was dat dit deel snel gaar werd, gemakkelijk gegeten kon worden, licht verteerbaar was en, kortom, geen onnodig tijdverlies veroorzaakte.
ʿ Āʾishah (رضي الله عنها) geeft hier aan dat, anders dan uit de eerdere aḥādīth zou kunnen worden afgeleid, de schouderbout niet het favoriete stuk vlees van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was.
In de volgende ḥadīth zullen wij namelijk uit de mond van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zelf vernemen dat “het rugvlees als het smakelijkste deel van het dier is.”
Tussen deze twee uitspraken bestaat geen tegenstrijdigheid. Hoewel het rugvlees het smakelijkste deel van het dier is, kon an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) toch de voorkeur geven aan de schouderbout.
ʿĀʾishah vertelt ons nog een ander feit: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kreeg slechts zelden vlees te eten. Ook de volgende gebeurtenis bevestigt dit.
Op een keer had Dubāʿah (رضي الله عنها), de dochter van de oom van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), az-Zubayr, (die voor zijn profeetschap was overleden) een schaap geslacht. Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hiervan hoorde, liet hij haar, vanwege de hechte familieband en hun oprechte genegenheid, de volgende boodschap sturen: “Stuur ons ook iets van het schaap dat jullie hebben geslacht.”
Dubāʿah zei tegen degene die de boodschap bracht: “Er is alleen nog de nek van het schaap over. Ik schaam mij om die op te sturen.” De nek bevat namelijk weinig vlees en veel bot. Daarom hechtten de Arabieren weinig waarde aan dit deel van het dier.
Om haar bezorgdheid weg te nemen en haar gerust te stellen, zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tegen de boodschapper: “Ga terug naar Dubāʿah en zeg haar dat zij juist de nek moet sturen, want de nek behoort tot de voorzijde van het dier; dat is het meest zuivere deel en het verst verwijderd van de onreine delen, zoals het spijsverteringsstelsel.”
De wijze waarop an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) Dubāʿah geruststelde, doet denken aan een soortgelijke gebeurtenis met Ummu Hāniʾ (رضي الله عنها), de dochter van zijn oom Abū Ṭālib.
Zoals ook in ḥadīth 171 zal worden vermeld, ging an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op een dag naar het huis van Ummu Hāniʾ. Omdat zij nauw aan elkaar verwant waren en er geen formaliteiten tussen hen bestonden, vroeg hij: “O Ummu Hāniʾ, is er iets te eten?”
Volgens Ummu Hāniʾ had zij niets in huis dat waardig was om aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) voor te zetten.
Daarom antwoordde zij oprecht: “Nee, er is niets. Alleen wat droog brood en azijn.”
Om haar van haar schaamte te verlossen dat zij hem geen betere maaltijd kon aanbieden, zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Breng het maar. In een huis waar azijn is, is er geen gebrek aan bijgerecht.”
Hoewel an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de schouderbout graag at, was hij niet bijzonder gesteld op vlees en deed hij geen moeite om het te verkrijgen. Niet alleen vlees ontbrak soms; er waren zelfs weken waarin de familie van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) helemaal geen warme maaltijd had.
Zo vertelde ʿĀʾishah (رضي الله عنها) eens aan haar neef ʿUrwah ibn az-Zubayr (رضي الله عنهما):
“Mijn geliefde neef! Bij Allāh, wij zagen de ene nieuwe maan, daarna de volgende en vervolgens nog een derde (met andere woorden: gedurende twee maanden en drie maanfasen), zonder dat er in de huizen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vuur werd aangestoken om eten te bereiden.”
Daarop vroeg ʿUrwah ibn az-Zubayr: “Hoe leefden jullie dan, tante?”
Zij antwoordde: “Van dadels en water. Wel hadden de buren van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in Madīnah melkgevende dieren. Zij stuurden hem melk, en hij gaf die vervolgens aan ons.”
In deze ḥadīth maakt ʿĀʾishah ook duidelijk dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) niet koste wat kost vlees wilde eten. Hij gaf de voorkeur aan de schouderbout omdat deze snel gaar werd, gemakkelijk gegeten en verteerd kon worden en geen kostbare tijd in beslag nam. Het hart van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was immers voortdurend bezig met Allāhu (تعالى). Zijn voornaamste doel was zich met heel zijn wezen tot Allāhu (تعالى) te wenden en zich bezig te houden met de behoeften van de moslims. Daarom wilde hij ook zijn persoonlijke bezigheden, waaronder het eten, zo snel mogelijk afronden.
Er was nog een belangrijke reden waarom an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vlees waardeerde. Vlees hielp het lichaam sterk en gezond te houden, zodat men de aanbidding van Allāhu (تعالى) op een levendige, actieve manier kon verrichten.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Jouw lichaam heeft recht op jou.”
Hiermee maakte hij duidelijk dat een mens goed voor zijn lichaam behoort te zorgen.
Samenvattend kan worden gezegd dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de schouderbout waardeerde, omdat dit vlees snel gaar was, gemakkelijk gegeten en verteerd kon worden, de maag niet zwaar belastte, geen onnodige tijd in beslag nam en het mogelijk maakte om spoedig aan de behoefte van het lichaam te voldoen.
171. Hadīth
VanʿAbdullāh ibn Jaʿfar (رضي الله عنهما): Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen:
‘Het voortreffelijkste en smaakvolste deel van het vlees is zonder twijfel het rugstuk.’
Uit sommige overleveringen van deze ḥadīth vernemen wij dat er op een dag een kameel werd geslacht. De aanwezige ṣaḥābah begonnen met elkaar te bespreken welk deel van de kameel het smaakvolste was.
Daarop gaf Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hun het juiste antwoord door te zeggen: “Het voortreffelijkste en smaakvolste deel ervan is zonder twijfel het rugstuk.”
Deze uitspraak van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) laat zien dat hij eerder van het rugstuk van een kameel had gegeten en de smaak ervan had gewaardeerd.
Het volgende wijze gezegde brengt dit treffend onder woorden: “Wie het niet heeft geproefd, kan het niet weten.”
172. Hadīth
Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wat is azijn toch een voortreffelijk bijgerecht!”
173. Hadīth
Van Ummu Hāniʾ (رضي الله عنها): “(Op de dag van de verovering van Makkah) kwam an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) mijn huis binnen en vroeg mij: ‘O Ummu Hāniʾ, is er iets te eten?’
Ik antwoordde: ‘Nee, o Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Er is alleen wat droog brood en azijn.’
Daarop zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم):‘Breng het maar, breng het maar! In een huis waar azijn is, is er geen gebrek aan bijgerecht.’
Deze ḥadīth beschrijft een gebeurtenis waarover diep nagedacht dient te worden.
Op de dag van de verovering van Makkah trok an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) met een leger van tienduizend man als overwinnaar de stad binnen. Hij tastte niemands bezit of leven aan. Ook vroeg hij niemand om voedsel om zijn honger te stillen. In plaats daarvan ging hij naar het huis van Ummu Hāniʾ (رضي الله عنها), de dochter van zijn oom Abū Ṭālib, met wie hij in Makkah was opgegroeid. Daar vertelde hij dat hij honger had en vroeg hij of er iets te eten in huis was. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wist dat mensen die in die tijd niet welgesteld waren, met heel beperkte middelen leefden. Daarom vroeg hij eenvoudig of er iets eetbaars in huis aanwezig was.
Ummu Hāniʾ (رضي الله عنها) was uiteraard heel verheugd dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), het hoofd van de islamitische staat en de overwinnaar van Makkah, haar huis met zijn aanwezigheid vereerde. Tegelijkertijd schaamde zij zich dat zij deze eerbiedwaardige gast niets kon aanbieden dat zijn waardigheid paste.
Op zijn vraag of er iets te eten was, antwoordde zij dat er niets anders in huis was dan droog brood en azijn.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was een dergelijk antwoord gewend. Zo vroeg hij eens aan zijn echtgenote ʿĀʾishah (رضي الله عنها): “O ʿĀʾishah, is er iets te eten in huis?”
De Moeder van de Mu'mins antwoordde: “Nee. Er is niets in huis behalve het geschenk dat Ummu ʿAṭiyyah (رضي الله عنها) heeft gestuurd.”
Om te voorkomen dat Ummu Hāniʾ verdrietig zou zijn omdat zij hem geen maaltijd kon aanbieden die zijn positie waardig was, maakte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) haar duidelijk dat ook azijn een bijgerecht is.
Hij zei zelfs: “In een huis waar azijn is, is er geen gebrek aan bijgerecht.”
Zo stelde hij haar gerust en maakte hij duidelijk dat ook droog brood met azijn een gunst van Allāhu (تعالى) is en daarom niet gering moet worden geacht.
174. Hadīth
Van Abū Mūsā al-Ashʿarī (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De voortreffelijkheid van ʿĀʾishah (رضي الله عنها) boven de andere vrouwen is als de voortreffelijkheid van tharīd boven alle andere gerechten.”
175. Hadīth
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De voortreffelijkheid van ʿĀʾishah boven de andere vrouwen is als de voortreffelijkheid van tharīd boven alle andere gerechten.”
Toelichting bij de aḥadīth
Laten we beginnen met een korte technische toelichting.
De tekst van deze ḥadīth is volledig gelijk aan die van de vorige ḥadīth.
Het verschil tussen beide overleveringen is slechts dat Imām at-Tirmidhī de vorige ḥadīth via vier overleveraars en deze ḥadīth via drie overleveraars heeft overgeleverd. Volgens de ḥadīth geleerden wordt een overleveringsketen met slechts drie overleveraars als een ‘hoge’ (ʿālī) isnād beschouwd, terwijl de andere als een ‘lagere’ (nāzil) isnād wordt aangemerkt. Daarom heeft At-Tirmidhī beide aḥadīth direct achter elkaar vermeld om dit verschil te laten zien.
De voortreffelijkheden van ʿĀʾishah (رضي الله عنها)
In deze aḥadīth wordt de bijzondere status en voortreffelijkheid van ʿĀʾishah (رضي الله عنها) beschreven. Onze moeder ʿĀʾishah (overleden in 58 AH / 678 CE) was niet alleen de echtgenote van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), maar ook een van zijn voornaamste leerlingen. Zowel onder de echtgenotes van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) als onder de vrouwelijke ṣaḥābah was zij degene die de meeste aḥadīth heeft overgeleverd.
Gedurende de laatste acht à negen jaren van het leven van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was zij zowel zijn echtgenote als zijn meest oplettende leerlinge. Daardoor heeft zij heel veel kennis over zijn verschillende toestanden en zijn privéleven aan de ummah overgeleverd.
Na het overlijden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) leefde zij nog vele jaren voort en bleef zij de ummah tot het jaar 58 AH (678 CE) onderwijzen in hun godsdienst.
Vanwege deze bijzondere rol behoorde de Moeder van de Mu'mins tot de zeven ṣaḥābah die bekendstaan als de Mukthirūn: degenen die de meeste aḥadīth hebben overgeleverd. Inclusief herhalingen heeft zij 2210 aḥadīth overgeleverd en daarmee stond zij op de vierde plaats onder deze zeven.
Waarom vergeleek an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ʿĀʾishah (رضي الله عنها) met tharīd?
Tharīd is een gerecht dat wordt bereid door stukjes brood te overgieten met vleesbouillon of saus.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hield van dit gerecht omdat het voedzaam en verzadigend was, snel en gemakkelijk bereid kon worden, licht verteerbaar was en bovendien smakelijk en gezond. Hierover is overgeleverd: “Van de gerechten die met brood worden bereid, hield hij het meest van tharīd.”
In een andere ḥadīth wees hij op de zegen van tharīd en zei:
“Barakah bevindt zich in drie zaken: de jamāʿah (moslimgemeenschap), tharīd en de suḥūr (de maaltijd die men nuttigt vóór het aanbreken van de dageraad (fajr) wanneer men gaat vasten).”
Ook ʿĀʾishah was, naast haar diepgaande kennis en verheven karakter, gezegend met een vriendelijk gezicht, een aangename manier van spreken, een uiterst zuivere beheersing van het Arabisch, een scherp inzicht en uitzonderlijke begaafdheid. Daarmee onderwees zij de ṣaḥābah en de tābiʿīn in de zuivere godsdienst en in de aḥadīth van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Zo bewees zij de moslimgemeenschap grote diensten en leidde zij honderden leerlingen op. Daarnaast vormde zij, door haar grote liefde voor haar echtgenoot en de liefde die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) voor haar had, een voorbeeld voor echtparen/gehuwden.
De volledige tekst van de ḥadīth die Imām at-Tirmidhī hier verkort heeft weergegeven luidt: “Vele mannen hebben volmaaktheid bereikt in kennis en voortreffelijkheid. Van de vrouwen hebben alleen Āsiyah, de echtgenote van Firʿawn, en Maryam, de dochter van ʿImrān, die volmaaktheid bereikt. En de voortreffelijkheid van ʿĀʾishah boven de andere vrouwen is als de voortreffelijkheid van tharīd boven alle andere gerechten.”
Hierboven hebben wij vermeld dat tharīd het favoriete gerecht van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was onder de gerechten die met brood worden bereid. Wanneer ook andere gerechten worden meegewogen, kan tharīd een minder vooraanstaande plaats innemen.
Evenzo behoort ʿĀʾishah, vanwege de hierboven genoemde eigenschappen, zonder twijfel tot de meest voortreffelijke vrouwen.
Wanneer wij echter ook letten op de loftuitingen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) over zijn geliefde echtgenote Khadījah (رضي الله عنها) en zijn geliefde dochter Fāṭimah (رضي الله عنها), dan blijkt dat ʿĀʾishah (رضي الله عنها) na hen komt.
Wij volstaan hier met één ḥadīth over Khadījah en Fāṭimah (رضي الله عنهما): Nadat Jibrīl (عليه السلام) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had meegedeeld dat Khadījah (رضي الله عنها) eraan kwam, zei hij: “Wanneer Khadījah bij jou komt, breng haar dan de salām over van haar Rab en van mij.”
En op een andere gelegenheid zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen Fāṭimah (رضي الله عنها):
“Verheugt het jou niet dat jij de voornaamste vrouw van de vrouwen van het Paradijs (of van de vrouwelijke mu'mins) zult zijn?”
De islamitische geleerden hebben Fāṭimah (رضي الله عنها), omdat zij de geliefde dochter van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was, beschouwd als de meest voortreffelijke van alle vrouwen, zelfs boven haar moeder.
176. Hadīth
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Ik zag Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), nadat hij een stuk gedroogde wrongel (aqiṭ / qurūṭ) had gegeten, zijn handen en zijn mond wassen.
Op een ander moment zag hij dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), nadat hij een deel van het schouderstuk van een gebraden schaap had gegeten, ṣalāh verrichtte zonder opnieuw wuḍūʾ (rituele wassing) te verrichten.
In deze ḥadīth hebben wij gelezen dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), nadat hij een stukje gedroogde wrongel (aqiṭ / qurūṭ) had gegeten, zijn handen en mond waste. Dit toont aan dat het wassen van de handen en de mond na het eten behoort tot de sunnah.
Sommige geleerden waren van mening dat men na het eten van voedsel dat boven vuur is bereid, en vooral na het eten van vlees, opnieuw wuḍūʾ moet verrichten. De ḥadīth die wij hierboven hebben aangehaald, is echter een van de belangrijkste bewijzen van degenen die stellen dat het niet noodzakelijk is om opnieuw wuḍūʾ te verrichten alvorens de ṣalāh te verrichten nadat men voedsel heeft gegeten dat boven vuur is bereid.
Dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) na het eten van vlees en soortgelijke gerechten geen nieuwe wuḍūʾ verrichtte, toont aan dat het eten van voedsel dat boven vuur is bereid de wuḍūʾ niet verbreekt. Onder de voorstanders van beide opvattingen bevinden zich vooraanstaande ṣaḥābah en grote fuqahāʾ.
Het lijkt erop dat dit verschil van mening onder de geleerden voortkomt uit de verschillende betekenissen die zij aan het woord “wuḍūʾ” hebben gegeven.
Taalkundig betekent het woord wuḍūʾ het wassen van de handen en de mond, terwijl het in de islamitische wetgeving de rituele wassing vóór de ṣalāh aanduidt.
Er zijn talrijke aḥadīth waaruit blijkt dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zich na het eten van vlees beperkte tot het wassen van zijn handen en mond, waarna hij de ṣalāh verrichtte met de wuḍūʾ die hij al had.
De volgende ḥadīth, overgeleverd door Jābir ibn Samurah (رضي الله عنه), maakt de kwestie definitief duidelijk: “De laatste praktijk van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was dat hij het verrichten van wuḍūʾ na het eten van voedsel dat boven vuur was bereid, achterwege liet.”
Wij kunnen de kwestie daarom als volgt samenvatten:
Het eten van voedsel dat boven vuur is bereid verbreekt de wuḍūʾ niet.
De geleerden die hebben gezegd dat na het eten van dergelijk voedsel wuḍūʾ vereist is, gebruikten het woord wuḍūʾ in de taalkundige betekenis van “het wassen van de handen en de mond”.
Daaruit volgt dat het wassen van de handen en de mond, ongeacht of het voedsel boven vuur is bereid of niet, een handeling is die overeenkomt met de sunnah.
177. Hadīth
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) trouwde met Ṣafiyyah bint Ḥuyay (رضي الله عنها), bood hij als huwelijksmaal (walimah) dadels en sawīq aan.”
Het was het zevende jaar na de hijrah (629 CE). Khaybar was veroverd en er was veel oorlogsbuit op de joden verkregen. Onder de mujahidīn bevond zich Diḥyah ibn Khalīfah al-Kalbī (رضي الله عنه). Hij kwam bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en vroeg hem om een vrouwelijke gevangene/slavin als aandeel uit de oorlogsbuit. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf hem toestemming er één te kiezen, en hij deed dat.
Op dat moment kwam iemand naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en vertelde hem dat de vrouw die Diḥyah had gekozen Ṣafiyyah bint Ḥuyayy was, een afstammelinge van Hārūn (عليه السلام) en de dochter van een van de vooraanstaande leiders van de joden van Banū Naḍīr.
Hij zei: “Het is niet passend dat iemand anders dan u haar krijgt.”
Daarop liet Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) Diḥyah en de vrouw die hij had gekozen bij zich komen. Hij vroeg Diḥyah haar terug te geven en in plaats daarvan een andere vrouwelijke gevangene te nemen.
Vervolgens zei hij tegen Ṣafiyyah dat hij met haar zou trouwen als zij de Islām zou accepteren. Als zij de Islām niet wilde accepteren, zou hij haar vrijlaten.
Ṣafiyyah (رضي الله عنها) omarmde de Islām, waarna Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tijdens de terugreis van Khaybar naar Madīnah met haar trouwde.
De volgende dag wilde hij voor de strijders een walīmah (huwelijksmaal) verzorgen.
Hij vroeg de moslims om het voedsel mee te brengen dat zij nog bij zich hadden. Iedereen bracht iets mee van zijn voorraad en daarvan werd een gerecht bereid dat bij de Arabieren bekend staat als sawīq. Dit werd vervolgens aan de aanwezigen opgediend.
(Sawīq is een gerecht dat wordt bereid van geroosterd meel, ontpitte dadels, olie en gedroogde wrongel.)
Ṣafiyyah was de dochter van Ḥuyay ibn Akhṭab, de leider en een vooraanstaand geleerde van de joden van Banū Naḍīr. Ḥuyay was een vijand van de Islām die betrokken was geweest bij een poging om Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) te vermoorden. Toen de joden van Banū Qurayẓah vanwege hun verraad werden bestraft, werd ook hij gedood.
Ṣafiyyah stond bekend om haar schoonheid. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was haar derde echtgenoot. Uit haar eerdere huwelijken had zij geen kinderen.
Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) met Ṣafiyyah trouwde, zag hij een blauwe plek op haar gezicht en vroeg haar naar de oorzaak. Zij vertelde hem over een droom die zij had gehad. In die droom zag zij dat een maan vanuit de richting van Madīnah in haar schoot neerdaalde. Toen zij deze droom aan haar echtgenoot had verteld, werd hij woedend en zei: “Dus jij wilt trouwen met Muḥammad, de leider van de Ḥijāz?”
Daarop gaf hij haar een klap in het gezicht. De blauwe plek was daarvan het gevolg.
De Moeder van de Mu'mins Ṣafiyyah (رضي الله عنها) was een vrouw die veel aanbidding verrichtte, vrijgevig was en een zachtaardig karakter had.
Op een dag maakten ʿĀʾishah en Ḥafṣah (رضي الله عنهما) een opmerking over haar joodse afkomst en zeiden: “Wij zijn van dezelfde afkomst als Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).”
Hierdoor voelde Ṣafiyyah zich gekwetst. Zij vertelde haar verdriet aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Hij stelde haar gerust door te zeggen: “Waarom heb je hun niet geantwoord: ‘Hoe kunnen jullie beter zijn dan ik?
Mijn echtgenoot is Muḥammad (صلى الله عليه وسلم), mijn vader is Hārūn (عليه السلام) en mijn oom is Mūsā (عليه السلام)”
Ṣafiyyah overleed in het jaar 50 AH (670 CE) in Madīnah en werd begraven op de begraafplaats al-Baqīʿ. Van haar zijn tien aḥadīth overgeleverd.
178. Hadīth
Van ʿUbaydullāh ibn ʿAlī ( رَحِمَهُ اللهُ), de kleinzoon van Abū Rāfiʿ (رضي الله عنه), de dienaar van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), van zijn grootmoeder Ummu Rāfiʿ Salmā (رضي الله عنها):
Op een dag bezochten Ḥasan, ʿAbdullāh ibn ʿAbbās en ʿAbdullāh ibn Jaʿfar, Ummu Rāfiʿ Salmā ( رضي الله عنهم) in haar huis en zeiden tegen haar: ‘Maak voor ons een gerecht dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) graag at en waarvan hij hield.’
Salmā zei tegen deze jonge ṣaḥābah: ‘Mijn kinderen! Jullie zouden tegenwoordig niet met dezelfde smaak eten wat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) met genoegen at.’
De jonge ṣaḥābah antwoordden: ‘Zeker wel. Wat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) graag at, zullen ook wij met genoegen eten. Maak het gerecht maar voor ons.’
Daarop stond Salmā op, maalde wat gerst met een handmolen, deed het meel in een aarden pot en kookte het. Vervolgens goot zij er wat olijfolie overheen en bestrooide het met enkele kruiden, zoals peper, gember en kaneel. Daarna zette zij het hun voor en zei:
‘Dit was een van de gerechten die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) graag at en met smaak nuttigde.’
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) at soms smakelijke gerechten, maar op andere momenten stelde hij zich tevreden met droog brood en azijn. Wanneer hij in zijn eigen huis of bij een ṣaḥābī at, nam hij met waardering het voedsel aan dat hem werd aangeboden en at hij ervan, ongeacht hoe eenvoudig het was.
Degenen die hem uitnodigden, zagen dat hij met genoegen van het eten genoot en dachten daardoor dat het gerecht dat zij hadden aangeboden zijn favoriete voedsel was.
De drie jonge ṣaḥābah die Ummu Rāfiʿ Salmā (رضي الله عنها), de dienares en kokkin van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), bezochten, zijn eerder al geïntroduceerd: Ḥasan bij ḥadīth 8, ʿAbdullāh ibn ʿAbbās bij ḥadīth 15 en ʿAbdullāh ibn Jaʿfar bij ḥadīth 97 (رضي الله عنهم).
Toen Salmā tegen deze jonge ṣaḥābah zei dat zij tegenwoordig niet met dezelfde smaak zouden eten wat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) graag at, bedoelde zij het volgende: De tijd waarin an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) leefde, was een tijd van schaarste. De mensen hadden moeite om voldoende voedsel te vinden om hun honger te stillen. Jullie leven nu echter in een tijd van overvloed en voorspoed, waarin jullie de smakelijke gerechten kunnen eten waarnaar jullie verlangen. Daarom zullen jullie de eenvoudige gerechten die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) destijds met genoegen at, vandaag niet met dezelfde eetlust waarderen.
(Abû Rāfiʿ (رضي الله عنه), de grootvader van ʿUbaydullāh ibn ʿAlī, overleed in 40 H./660. Hij was aanvankelijk de slaaf van de oom van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), ʿAbbās (رضي الله عنه). ʿAbbās schonk hem vervolgens aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Toen Abû Rāfiʿ Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het verheugende nieuws bracht dat ʿAbbās de Islām had aanvaard, bevrijdde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem en liet hem trouwen met zijn dienares Salmā.
Abû Rāfiʿwas bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bij alle veldtochten die na Badr plaatsvonden en diende zijn familie.
De grootmoeder van ʿUbaydullāh ibn ʿAlī, Ummu Rāfiʿ Salmā (رضي الله عنها), die ook de ṣaḥābiyyah is die deze hadith overleverde, was de dienares en kokkin van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Daarnaast was zij de vroedvrouw van de zoon van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), Ibrāhīm, en van zijn kleinzonen al-Ḥasan en al-Ḥusayn (رضي الله عنهم).
179. Hadīth
Van Jābir ibn ʿAbdillāh (رضي الله عنهما): Op een keer vereerde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ons huis met zijn komst, en wij slachtten een schaap om hem te eren.
Daarop zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “De huisgenoten weten dat wij van vlees houden.”
Deze ḥadīth heeft ook een uitgebreider verhaal dat eraan voorafgaat.
Wanneer wij kijken naar de omstandigheden waaronder dit gastmaal plaatsvond, dan moeten wij de woorden van Jābir (رضي الله عنهما) als volgt begrijpen:
Wij hadden Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op een dag uitgenodigd voor een maaltijd. Toen hij onze uitnodiging accepteerde, slachtten wij een schaap om hem te eren.
Deze gebeurtenis vond plaats kort vóór de Slag van de Greppel (Khandak), toen de greppel rond Madīnah werd gegraven.
Laten wij het verhaal in de woorden van Jābir (رضي الله عنهما) zelf horen: “Tijdens het graven van de greppel merkte ik tekenen van honger bij de Nabī (صلى الله عليه وسلم). Ik ging meteen terug naar mijn vrouw en vroeg: ‘Is er iets te eten in huis? Want ik denk dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) erg hongerig is.’
Mijn vrouw gaf mij een zak met ongeveer twee kilo gerst. Wij hadden ook een goed gevoed schaap (in een andere overlevering: een jonge geit). Dat heb ik geslacht, terwijl mijn vrouw het graan maalde. Tegen de tijd dat ik klaar was, was zij ook klaar. Ik sneed het vlees in stukken en deed het in de pot.
Toen ik daarna naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ging om hem uit te nodigen, zei mijn vrouw tegen mij: ‘Maak mij niet te schande tegenover Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zijn ṣaḥābah!’
Daarom vertelde ik het voorzichtig aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): ‘O Rasûlullāh! Wij hadden een kleine geit, die hebben wij geslacht. We hadden ook ongeveer twee kilo gerst, die hebben wij gemalen. Kom alstublieft met enkele personen bij ons eten.’
Daarop riep Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) luid: “O mensen van de Greppel! Jābir heeft een maaltijd bereid, kom allemaal!”
Toen zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tegen mij: “Laat je pot niet van het vuur halen en bak je deeg nog niet tot brood voordat ik kom.”
Ik ging snel naar huis, en Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam vóór de ṣaḥābah aan. Mijn vrouw zei tegen mij: “Wat heb je gedaan!”
Ik antwoordde: “Ik heb precies gedaan wat jij zei.”
Zij haalde het deeg tevoorschijn. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) blies erin en smeekte om zegen (barakah). Daarna ging hij naar de pot, blies erin en smeekte opnieuw om zegen.
Vervolgens zei hij tegen mijn vrouw: “Roep een bakster om samen met jou brood te bakken. Haal het eten met de lepel uit de pot, maar haal de pot niet van het vuur.”
Jābir vervolgde: “Er kwamen duizend mensen eten. Bij Allāh, ik zweer dat het echt zo was!
Iedereen at zich goed verzadigd en vertrok daarna weer. De pot bleef vol koken en ons deeg raakte niet op; twee vrouwen bleven onafgebroken brood bakken zonder dat het minder werd.”
Het feit dat duizend mensen zich verzadigden met slechts een beetje gerst en één schaap, en dat het eten daarna niet verminderde, toont duidelijk aan dat hier een wonder (muʿjizah) van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft plaatsgevonden.
De woorden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “De huisgenoten weten dat wij van vlees houden,” betekenen niet per se alleen dat hij van vlees hield in letterlijke zin.
Hij stelde degenen die hem gastvrij ontvingen vaak gerust met vriendelijke woorden die hun hart blij maakten. Bovendien vond dit gastmaal plaats tijdens de zware dagen van honger en ontbering in Madīnah, ten tijde van het graven van de greppel. Zulke maaltijden waren juist nodig om de kracht van de werkenden te ondersteunen.
Daarom wordt zijn uitspraak ook begrepen als een subtiele aanduiding dat het gastmaal precies op het juiste moment kwam.
180. Hadīth
Van Jābir ibn ʿAbdillāh (رضي الله عنهما) zei: Op een keer ging Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het huis van een vrouw van de Anṣār binnen, nadat hij de Masjid an-Nabawī (of zijn huis) had verlaten, en ik was bij hem.
Deze vrouw slachtte onmiddellijk een schaap om hem te eren, kookte het en bood het aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aan, waarna hij ervan at.
Na de maaltijd bood de gastvrouw hem een schaal met verse dadels aan, waarvan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ook at.
Daarna verrichtte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh aẓ-ẓuhr na wuḍūʾ te hebben verricht. Enige tijd later keerde hij terug naar de plaats waar hij had gezeten.
De gastvrouw bood het overgebleven eten opnieuw aan, waarna hij ervan at. Vervolgens verrichtte hij de ṣalāh al-ʿaṣr zonder opnieuw wuḍūʾ te verrichten.”
De ṣaḥābah nodigden Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) soms uit om hun huizen met zijn aanwezigheid te vereeren. In deze ḥadīth zien wij dat hij door een vrouw van de Anṣār werd uitgenodigd.
Uit een andere overlevering van Jābir ibn ʿAbdillāh (رضي الله عنهما) leren wij dat hij niet alleen naar deze uitnodiging ging.
Op die dag ging Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) eerst samen met Jābir. Terwijl an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in de tuin rustte, werd er een schaap geslacht en het eten bereid.
Voordat men aan tafel ging, zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Zeker zal er nu iemand komen die tot de bewoners van het Paradijs behoort.”
Nauwelijks had hij dit gezegd, of Abū Bakr (رضي الله عنه) kwam binnen. Wij verwelkomden hem.
Daarna zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Zeker zal er nu een man komen die tot de bewoners van het Paradijs behoort.”
En ʿUmar (رضي الله عنه) kwam binnen. Wij verwelkomden hem ook.
Voor de derde keer zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Zeker zal er nu weer iemand komen die tot de bewoners van het Paradijs behoort.”
Daarna zei hij: “O Allāh, als U het passend acht, laat dit ʿAlī zijn.”
En onmiddellijk daarna kwam ʿAlī (رضي الله عنه) binnen.
Daarna ging men aan tafel en werd het eten genuttigd. Na de maaltijd stond an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op en verrichtte, vermoedelijk omdat hij geen wuḍūʾ had, de wuḍūʾ.
Enige tijd later, toen er nog eten over was, gingen zij opnieuw aan tafel en aten daarvan. Daarna verrichtten allen de ṣalāh al-ʿaṣr zonder opnieuw wuḍūʾ te verrichten.
In deze context kan een uitspraak van ʿĀʾishah (رضي الله عنها) herinnerd worden (ḥadīth 148), waarin onze moeder zegt dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nooit twee keer op één dag zijn buik vulde met brood en vlees. Hier lijkt het alsof hij op één dag twee keer vlees at. Is dit niet in tegenspraak?
De woorden van ʿĀʾishah “hij vulde zijn buik niet” dient onze aandacht te trekken. De gewoonte van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was namelijk om van de tafel te gaan zonder zich volledig te hebben verzadigd. In deze ḥadīth wordt wel vermeld dat hij tweemaal at, maar niet dat hij zijn buik volledig vulde.
Ook zien wij dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in deze gebeurtenis tweemaal at en tweemaal ṣalāh verrichtte.
Hij verrichtte vóór de eerste ṣalāh wuḍūʾ, maar niet vóór de tweede. Zoals eerder in ḥadīth 164 is aangetoond, is wuḍūʾ niet verplicht na het eten van voedsel dat boven vuur is bereid. De eerste keer verrichtte hij dus wuḍūʾ, de tweede keer niet, wat aantoont dat het eten van gekookt/gebakken voedsel de wuḍūʾ niet verbreekt.
181. Hadīth
Van Ummu al-Mundhir (رضي الله عنها), een van de tantes van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم):
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam samen met ʿAlī (رضي الله عنه) mijn huis een eer gegeven. In het huis hingen trossen verse dadels aan het plafond.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stond samen met ʿAlī op en begon van die dadels te eten.
Toen draaide Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zich naar ʿAlī en zei: ‘Eet niet, ʿAlī! Je bent net herstellende van een ziekte; verse dadels zouden je kunnen schaden.’
Daarop ging ʿAlī (رضي الله عنه) zitten, terwijl Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) doorging met het eten van dadels.
Ummu al-Mundhir vervolgde: ‘Ik maakte voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zijn gast ʿAlī een gerecht van gerstmeel en snijbiet.
Daarop zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tegen ʿAlī: “ʿAlī! Eet hiervan, dit is beter voor jou.”
Volgens de lokale gewoonte in Madīnah werden trossen dadels geplukt wanneer ze nog de Nabī (صلى الله عليه وسلم) die dag samen met ʿAlī (رضي الله عنه) het huis van zijn tante (van vaderskant) Ummu al-Mundhir binnenging, zag hij de hangende dadeltrossen en begon ervan te eten.
In deze ḥadīth wordt zieken en mensen die nog in de herstelperiode verkeren niet alleen aangeraden een dieet te volgen, maar ook voedingsmiddelen te gebruiken die hun herstel bespoedigen en hen helpen snel weer gezond te worden. Zo wees an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) erop dat de groentesoep die met gerstemeel en gerstewater was bereid, eigenschappen bezat die ʿAlī (رضي الله عنه) zouden helpen spoedig aan te sterken en zijn lichamelijke kracht te herstellen.
In deze ḥadīth wordt er nadruk gelegd op het belang van een goede medische behandeling. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu (تعالى) heeft voor elke ziekte die Hij heeft gegeven ook een genezing geschapen”.
“Voor elke ziekte is een remedie; wanneer de juiste medicatie gevonden wordt, geneest elke ziekte met de toestemming van Allāh.”
“Allāhu (تعالى) heeft, zoals Hij de ziekte heeft geschapen, ook zeker de genezing ervoor geschapen”.
“Voor elke ziekte heeft Hij een geneesmiddel gegeven. Laat je daarom behandelen, maar zoek geen genezing met (een remedie) die verboden (ḥarām) is.”
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd dat de enige kwaal waarvoor geen genezing bestaat, de ouderdom is.
Hieruit volgt dat wanneer een ziekte niet geneest, dit óf komt doordat de juiste diagnose niet is gesteld, óf doordat de behandeling ervoor nog niet bekend is.
Laten we hier een mooie anekdote van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aanhalen die betrekking heeft op het onderwerp dat we behandelen.
Op een dag bezocht Suhayb ar-Rūmī (رضي الله عنه) an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), terwijl hij last had van oogpijn. Op dat moment was an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) brood met dadels aan het eten. Toen Suhayb binnenkwam, zei de geliefde Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Kom dichterbij en eet met ons mee!”
Suhayb ging bij hem zitten en at dadels met hem.
Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) plagend tegen hem: “Dus je eet dadels terwijl je oog pijn doet?”
Suhayb begreep dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een grapje maakte en antwoordde geestig: “Ik kauw de dadels met de kant waar mijn oog geen pijn doet.”
Daarop glimlachte Rasûlullāhu (صلى الله عليه وسلم).
(Ummu al-Mundhir Salmā bint Qays al-Anṣāriyyah (رضي الله عنها) behoorde tot de Banū an-Najjār. Zij was een tante van vaderszijde van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
Salmā, die bekendstond onder haar kunyah "Ummu al-Mundhir", legde de eed van trouw (bayʿah) af aan Rasûlullāhu (صلى الله عليه وسلم) en verrichtte ṣalāh achter hem, zowel in de periode waarin de qiblah richting de Masjid al-Aqṣā was als nadat de qiblah naar de Kaʿbah was veranderd.)
182. Hadīth
Van de moeder van de mu’mins ʿĀʾishah (رضي الله عنها): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam soms ’s ochtends mijn kamer binnen en vroeg: ‘O ʿĀʾishah! Heb je iets om te ontbijten?’
Wanneer ik zei: ‘Nee, er is niets’, dan zei hij: ‘Dan heb ik de intentie (niyyah) voor het (vrijwillig) vasten genomen,’ en hij vastte die dag.”
ʿĀʾishah vervolgde: “Op een andere dag kwam Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) mijn kamer binnen, en ik zei: ‘O Rasûlullāh! Vandaag hebben wij een geschenk gekregen.’
Hij vroeg: ‘Wat is dat geschenk?’
Ik zei: ‘Hays-gerecht.’
Daarop zei hij: ‘Vandaag wilde ik vasten, maar ik had nog geen intentie genomen.’
En toen at hij ervan.”
Deze ḥadīth laat zien dat er in het huis van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) soms dagen voorbij gingen waarop er niets te eten was voor het ontbijt. Door de omstandigheden van armoede was het zelfs zo dat er drie maanden voorbijgingen waarin er geen vuur werd aangestoken om eten te koken.
Wanneer de geliefde Rasûl (صلى الله عليه وسلم) niets te eten vond, koos hij ervoor om te vasten in plaats van honger te lijden zonder doel.
Wanneer er echter voedsel of een geschenk werd gebracht, bracht hij dit naar de huizen van andere mensen die het nodig hadden.
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei anderen niet snel dat er geen eten in zijn huis was. De mensen dachten daarom vaak dat hij geen behoefte had aan iets. Toch werd hem af en toe voedsel of geschenken aangeboden. Ze zorgden vooral ervoor dat zij hun geschenken aanboden op de dag waarop an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bij ʿĀʾishah verbleef.
Uit deze ḥadīth en soortgelijke overleveringen blijkt dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) soms een vrijwillige vastendag begon wanneer er geen voedsel beschikbaar was. Wanneer hij later hoorde dat er een gerecht of ander voedsel als geschenk was gebracht, verbrak hij om een ons onbekende reden zijn vrijwillige vasten, mogelijk omdat hij behoefte had aan voedsel of zich zwak voelde, met de intentie deze vastendag op een ander moment in te halen. Vervolgens at hij van het geschonken voedsel.
Het genoemde hays-gerecht is een mengsel van melk, dadels, boter en geitenkaas. Soms werd in plaats van kaas meel gebruikt. Het wordt beschouwd als een soort zoet gerecht dat lijkt op ʿasīdah (dikke pap of deegachtige massa gemaakt van: meel (vaak tarweof gerstemeel), water of bouillon, soms boter of vet (ghee) en soms honing of dadelsiroop)
Na het aanbreken van de vastendag mag men vóór het middaguur nog de intentie voor een vrijwillig vasten nemen. Wie een vrijwillig vasten begint, mag het vóór zonsondergang verbreken. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De vrijwillige vastende beslist zelf; hij kan zijn vasten voltooien of verbreken.”
In deze ḥadīth is de uitdrukking (amīnu nafsih) ook overgeleverd in de vorm van (amīru nafsih).
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft over degene die een vrijwillig vasten verricht ook gezegd dat hij zijn vasten tot de avond kan voortzetten of kan verbreken:
“De situatie van iemand die een vrijwillig vasten verricht, is te vergelijken met iemand die zijn geld heeft klaargelegd om sadaqah te geven: hij kan ervoor kiezen het te geven, maar hij kan er ook voor kiezen het niet te geven.”
183. Hadīth
Van Yūsuf ibn ʿAbdillāh ibn Salām (رضي الله عنهما): Ik zag Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een stuk gerstbrood in zijn gezegende hand nemen, er een dadel bovenop leggen en zeggen: ‘Dit is het bijgerecht ervan.’ Vervolgens at hij de dadel samen met het brood.
Wij leren van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zelfs wat als bijgerecht geldt. In deze ḥadīth leren wij dat ook dadels als een vorm van bijgerecht kunnen dienen en samen met brood gegeten kunnen worden.
Eerder zagen wij ook dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) azijn als een goed bijgerecht beschouwde en erover zei: “Azijn is een uitstekend bijgerecht.”
Deze ḥadīth herinnert ons opnieuw aan een duidelijke eigenschap van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): tevredenheid en eenvoud. Hij klaagde nooit over zijn situatie en was tevreden met wat Allāh hem gaf. In werkelijkheid is tevredenheid met Allāhu (تعالى) een verheven staat en een hoge rang. Daarom verrichtte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de volgende du`ā’:
“O Allāh, wees tevreden met ons en maak ons tevreden met U.”
184. Hadīth
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hield van het eten dat op de bodem van de kookpot (of schaal) achterbleef.”
De leraar van at-Tirmidhī, ʿAbdullāh ibn ʿAbd ar-Raḥmān ad-Dārimī, legde uit dat het woord sufl in de overlevering van Anas verwijst naar het voedsel dat op de bodem van de kookpot achterblijft.
In deze ḥadīth zien wij opnieuw de uiterste nederigheid (tawāḍuʿ) van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) met zijn familie of gasten at, gaf hij anderen vaak voorrang boven zichzelf. Tijdens het verdelen van het eten gaf hij het bovenste en beste deel van de pan/schaal eerst aan de anderen, terwijl hij zelf het onderste deel van de pot nam.
Zo gaf hij, zoals in alle zaken, zelfs bij het verdelen van voedsel de voorkeur aan anderen boven zichzelf.
Als het gaat om het voedsel dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) liefhad, ging het niet zozeer om wat in de bodem van de pot achterbleef, maar om wat er in de kom achterbleef, iets waar overigens niemand gemakkelijk van houdt. De geliefde Nabī (صلى الله عليه وسلم) leerde ons hiermee opnieuw een regel van goede omgangsvormen, en liet in de praktijk zien dat men geen voedsel op het bord dient achter te laten, maar het volledig dient op te eten.
In de toelichting bij de 138e ḥadīth hebben wij gelezen dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Jullie weten niet in welk deel van het voedsel de barakah zich bevindt.”
Het kan zijn dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de bodem van de kookpot of het bord afschraapte om te voorkomen dat de barakah verloren ging.
Het ‘sunnah maken’ van de maaltijd
Sommigen hebben, bij het verklaren waarom an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de voorkeur gaf aan voedsel dat op de bodem van de pot achterbleef, gezegd dat dit gedeelte beter gaar is, smakelijker en daardoor ook gemakkelijker te verteren is.
Dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) juist de voorkeur gaf aan dit, doorgaans minder gewaardeerde, restje voedsel kan worden verklaard door zijn gewoonte anderen boven zichzelf te stellen.
De uitdrukking “het voedsel dat op de bodem van de kookpot achterblijft” in deze ḥadīth kan ook worden opgevat als “het voedsel dat in een gezamenlijke schaal of pan achterblijft na het eten”. In dat geval kan hiermee worden bedoeld wat men in het Turks “sünnetlemek” noemt: het volledig opeten en schoonmaken van wat op het bord of in de schaal overblijft.
Hier willen wij slechts één voorbeeld herinneren van hoe an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in eten en drinken altijd anderen boven zichzelf verkoos.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) maakte samen met zijn ṣaḥābah een reis. Onderweg hadden veel van de ṣaḥābah dorst en zij klaagden hun situatie aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
Vervolgens vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar de waterzak van Abū Qatādah (رضي الله عنه).
Hij nam deze in ontvangst; er bevond zich nog slechts een kleine hoeveelheid water in.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) goot het water in de beker van Abū Qatādah, waarna deze het aan de reizende groep doorgaf. Iedereen dronk naar hartelust en werd verzadigd. Uiteindelijk bleven alleen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en Abū Qatādah over.
Abū Qatādah zei: “Ik zal niet drinken voordat u drinkt, o Rasûlullāh!”
Hij bleef aandringen. Daarop herinnerde de geliefde Nabī (صلى الله عليه وسلم) hem aan een regel van goede omgangsvormen (ādāb): “Degene die een groep water te drinken geeft, drinkt als laatste.”
27. HOOFDSTUK: RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم) WAST ZIJN HANDEN VÓÓR EN NA HET ETEN
185. Hadīth
VanʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما): Op een keer kwam Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nadat hij zijn behoefte had gedaan, en er werd eten voor hem geserveerd.
Sommigeṣaḥābah vroegen: ‘O Rasûlullāh! Zullen wij water brengen voor de wuḍūʾ?’
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Mij is alleen opgedragen om wuḍūʾ te verrichten wanneer ik de ṣalāh wil verrichten.’
186. Hadīth
Van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما): “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam nadat hij zijn behoefte had gedaan, en er werd eten voor hem geserveerd.
Men vroeg hem: ‘O Rasûlullāh! Verricht u geen wuḍūʾ?’
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Moet ik soms ṣalāh verrichten dat ik wuḍūʾ moet verrichten?’
Op een dag kwam an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) na het verrichten van zijn behoefte bij een tafel waar eten was klaargezet. Een van de ṣaḥābah dacht dat hij wuḍūʾ zou vernieuwen, of dacht dat men vóór het eten wuḍūʾ moest verrichten, en vroeg: “Zullen wij water voor u brengen, o Rasûlullāh?”
Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Wanneer ik de ṣalāh wil verrichten, is mij opgedragen wuḍūʾ te verrichten.”
Hiermee leerde hij hen dat wuḍūʾ verplicht is voor de ṣalāh, niet voor het eten.
Allāh (تعالى) heeft in de Qurʾān duidelijk gemaakt dat wuḍūʾ verplicht is voor de ṣalāh:
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓاْ إِذَا قُمۡتُمۡ إِلَى ٱلصَّلَوٰةِ فَٱغۡسِلُواْ وُجُوهَكُمۡ وَأَيۡدِيَكُمۡ إِلَى ٱلۡمَرَافِقِ وَٱمۡسَحُواْ بِرُءُوسِكُمۡ وَأَرۡجُلَكُمۡ إِلَى ٱلۡكَعۡبَيۡنِۚ
O, jullie die geloven!
Als jullie willen overgaan tot het gebed, was (dan eerst) jullie gezichten en jullie handen (en onderarmen) inclusief de ellebogen, wrijf (met natte handen) over jullie hoofden en (was) jullie voeten, inclusief de enkels…. (Mā’idah, 5:6)
De ṣalāh is een aanbidding (ʿibādah); daarom is wuḍūʾ verplicht vóór het verrichten ervan. Ook tilāwah-sajdah*, Qurʾān-recitatie en ṭawāf om de Kaʿbah zijn ʿibādāt waarvoor wuḍūʾ vereist is.
Deze ḥadīth en de vorige laten zien dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) niet direct wuḍūʾ verrichtte na het verrichten van zijn behoefte wanneer hij niet van plan was de ṣalāh te verrichten. Hij waste alleen zijn gezegende handen vóór en na het eten, zoals in de volgende ḥadīth zal worden uitgelegd.
[tilāwah-sajdah*: de neerwerping (sujūd) die wordt verricht wanneer je een vers van de Qur’ān reciteert of hoort waarin een sajdah-vers voorkomt.]
187.Hadīth
Van Salmān al-Fārisī (رضي الله عنه): “Ik had in de Tawrāh gelezen dat het wassen van de handen na het eten een oorzaak is voor de zegening (barakah) van het voedsel. Ik vertelde dit aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), waarbij ik ook vermeldde dat ik het in de Tawrāh had gelezen. Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): ‘De zegening van het eten bestaat erin dat men zowel vóór als na het eten de handen wast.’
De overleveraar van deze ḥadīth, Salmān al-Fārisī (رضي الله عنه), heeft zijn bijzondere levensverhaal uitgebreid verteld in de 21ste ḥadīth.
Salmān was geboren in een zoroastrische familie. Toen hij de zinloosheid van het vuurvereren begreep, ging hij op zoek naar de ware religie.
Hij maakte kennis met het christendom en dacht dat hij daarin de waarheid had gevonden. In die periode las hij ook de Tawrāh en daaruit leerde hij dat het wassen van de handen na het eten een oorzaak is van zegening in het voedsel.
Gaat het er in de Tawrāh werkelijk alleen om dat men de handen na het eten wast zonder dat er sprake is van het wassen vóór het eten? Als dat zo is, dan heeft de islamitische shari`ah, die het wassen van de handen zowel vóór als na de maaltijd als passend beschouwt, daarmee een tekortkoming in de Tawrāh aangevuld.
Zoals Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Ik ben gezonden om de goede zeden te voltooien.”
In de Tawrāh kan het wassen van de handen niet alleen na het eten, maar ook vóór de maaltijd zijn aanbevolen. Als dat zo is, dan betekent dit dat degenen die de Tawrāh hebben veranderd, de etiquette van het handen wassen vóór het eten uit hun boek hebben verwijderd.
Eten is een gunst en een geschenk van Allāhu (تعالى) aan Zijn dienaren. Het wassen van de handen vóór het eten is een vorm van dankbaarheid voor deze gunst, terwijl het wassen van de handen na het eten dient om de handen te reinigen van eventuele vervuiling die tijdens het eten is ontstaan.
Over het gevaar van het niet wassen van de handen na het eten heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gezegd: “Degene die gaat slapen zonder de voedselresten van zijn handen te wassen, en die ’s nachts schade ondervindt, moet de schuld niet bij een ander zoeken maar bij zichzelf.”
In voedselresten kunnen geuren achterblijven die insecten en ongedierte aantrekken. Zulke dieren kunnen iemand tijdens de slaap schaden door te bijten of te vergiftigen.
Een technische toelichting
In deze ḥadīth komt ook een taalkundig punt naar voren: Het woord “wudū’” wordt hier niet gebruikt in de betekenis van rituele wassing voor de ṣalāh, maar in de oorspronkelijke taalkundige betekenis van “de handen wassen”, zoals ook in de uitleg van de 176ste ḥadīth is vermeld.
28. HOOFDSTUK: DE SMEEKBEDEN (AD`IYAH) DIE RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم) VÓÓR EN NA HET ETEN UITSRAK
Hadīth
Van Abū Ayyūb al-Anṣārī (رضي الله عنه): “Op een dag bevonden wij ons in de aanwezigheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). De maaltijd werd opgediend en wij begonnen gezamenlijk te eten. Ik heb echter in mijn hele leven nooit een maaltijd gezien die aanvankelijk zo gezegend was, maar waarvan de barakah later verdween. Wij vroegen ons af waarom de barakah van het eten was verdwenen en wilden dit van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vernemen.
Wij vroegen: 'O Rasûlullāh! Hoe komt het dat de maaltijd eerst vol barakah was, maar later haar barakah verloor?'
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: 'Wij begonnen de maaltijd met “Bismillāh”; daarom schonk Allāhu (تعالى) barakah aan ons eten. Daarna kwam echter iemand erbij zitten zonder de basmalah uit te spreken. Vervolgens begon ook de shayṭān samen met hem te eten, waardoor de barakah van het eten verdween.'
Op een keer werd voor an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) een maaltijd opgediend. Hij nodigde de aanwezige ṣaḥābah uit om aan tafel plaats te nemen en zij begonnen met de basmalah te eten. Iedereen at tot hij verzadigd was.
Daarna kwam er echter iemand bij de maaltijd zitten en begon te eten zonder de basmalah uit te spreken. Hoewel het eten vóór zijn komst niet leek af te nemen, merkten de ṣaḥābah dat het voedsel vanaf zijn komst snel opraakte. Zij waren hierover verbaasd en vroegen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar de reden hiervan.
Hij legde uit dat dit kwam doordat de man vóór het eten geen basmalah had uitgesproken. Doordat hij de basmalah achterwege liet, schoof de shayṭān samen met hem aan en begon eveneens te eten. Daarom was het eten zo snel opgegaan.
In een andere ḥadīth heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) uitgelegd dat wij de shayṭān zowel uit onze woning als van onze maaltijd kunnen weren door de basmalah uit te spreken:
“Wanneer iemand bij het binnengaan van zijn huis en bij het eten de basmalah uitspreekt, zegt de shayṭān tegen zijn volgelingen: 'Hier kunnen jullie noch overnachten noch eten.'
Maar wanneer hij zijn huis binnengaat zonder de basmalah uit te spreken, zegt de shayṭān tegen zijn volgelingen: 'Jullie hebben een plaats gevonden om de nacht door te brengen.'
En wanneer de bewoner vervolgens ook vóór het eten geen basmalah uitspreekt, zegt de shayṭān tegen zijn volgelingen: 'Nu hebben jullie zowel een verblijfplaats als voedsel gevonden.'
Bij een gezamenlijke maaltijd is het mooi wanneer ieder afzonderlijk de basmalah uitspreekt.
Omdat het uitspreken van de basmalah vóór het eten een sunnah al-kifāyah is, is het echter voldoende wanneer één van de aanwezigen dit doet. Wanneer er ook kinderen aan tafel zitten, is het zelfs goed dat één van de volwassenen de basmalah hardop uitspreekt. Daardoor worden de kinderen eraan herinnerd de basmalah te zeggen en zal de shayṭān, die de basmalah hoort, zich van die maaltijd distancieren.
Men zou de volgende vraag kunnen stellen: hoewel Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zelf bij die maaltijd aanwezig was en de basmalah had uitgesproken, hoe kon de shayṭān dan toch aan tafel aanschuiven?
Het antwoord luidt als volgt: de eerder uitgesproken basmalah gold voor degenen die vanaf het begin aan tafel zaten. Nadat zij klaar waren met eten, kwam er iemand later bij zitten. Ook hij had voor zichzelf de basmalah moeten uitspreken. Omdat hij dit niet deed, kon de shayṭān die hem vergezelde samen met hem aan tafel gaan zitten en mee-eten.
Men kan ook de volgende vraag stellen: als de shayṭān zelfs van richting veranderde wanneer hij ʿUmar (رضي الله عنه) zag*, hoe kon hij dan aanschuiven aan een tafel waaraan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aanwezig was?
Het antwoord is dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn ṣaḥābah op een uiterst aanschouwelijke wijze wilde duidelijk maken dat de shayṭān degene vergezelt die begint te eten zonder de basmalah uit te spreken en vervolgens samen met hem eet. Daarom werd de shayṭān toegestaan die bijeenkomst te betreden en aan de maaltijd deel te nemen.
Sommige geleerden hebben gezegd dat het uitspreken van “Bismillāh” voldoende is om de sunnah van de basmalah te vervullen. Andere geleerden waren van mening dat dit niet voldoende is en dat men volledig “Bismillāhir-Raḥmānir-Raḥīm” dient uit te spreken. Dit verschil van mening laat zien dat men de basmalah op beide manieren kan uitspreken.
(*: Een verwijzing naar de ḥadīth waarin Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “O `Umar!
Bij Degene in Wiens Hand mijn rûh is, telkens wanneer de shayṭān jou op een weg ziet, kiest hij een andere weg.” Overgeleverd door al-Bukhārī en Muslim.)
(De naam van Abū Ayyūb al-Anṣārī (رضي الله عنه) was Khālid ibn Zayd. Hij kwam uit Madīnah en behoorde tot de Banū an-Najjār, een tak van de Khazraj-stam. Twee jaar vóór de hijrah aanvaardde hij samen met de eersten van de Anṣār de Islām.
Na de hijrah ontving hij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zeven maanden als gast in zijn huis. Daarom werd hij "Mihmāndār-i Nabī" genoemd, oftewel "de gastheer van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم)".
Hij nam samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deel aan alle veldtochten. Tijdens de gevechten bleef hij dicht bij hem om ervoor te zorgen dat hem geen kwaad zou overkomen, en sommige nachten hield hij de wacht rondom zijn tent. Hij behoorde zowel tot de schrijvers van de openbaring als tot de geleerden onder de eerbiedwaardige ṣaḥābah.
Na het overlijden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) liet hij geen enkele veldtocht die daarna plaatsvond aan zich voorbijgaan. Zelfs op hoge leeftijd nam Abū Ayyūb al-Anṣārī elk jaar deel aan een veldtocht. In het jaar 49 AH. (669 CE) nam hij deel aan de eerste belegering van Constantinopel. Tijdens het beleg werd hij ziek en overleed. Op basis van zijn testament werd hij begraven op een plaats dicht bij de stadsmuren van Constantinopel.
Hij hechtte grote waarde aan de aḥādīth van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Met betrekking tot het onderwerp "het door de vingers zien van de fout van een mu’min" kende slechts hij en ʿUqbah ibn ʿĀmir (رضي الله عنه) nog een ḥadīth die zij beiden van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hadden gehoord. Omdat er geen andere ṣaḥābī meer was die deze ḥadīth kende, reisde hij vanuit Madīnah naar Egypte om deze met hem te bespreken.)
189.
Hadīth
Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer iemand van jullie begint te eten en vergeet de basmalah uit te spreken, laat hij dan zodra hij het zich herinnert zeggen:
بِسْمِ اللَّهِ أَوَّلَهُ وَآخِرَهُ
'Bismillāhi awwalahū wa ākhirahū' (In de Naam van Allāh, aan het begin en aan het einde).'
Een moslim dient, voordat hij begint te eten, zich Degene te herinneren Die hem deze gunst heeft geschonken, en door de basmalah uit te spreken te tonen dat hij Allāhu (تعالى) gedenkt. Mocht hij echter vergeten de basmalah uit te spreken voordat hij begint met eten, dan dient hij zodra hij het zich herinnert te zeggen:
'Bismillāhi awwalahū wa ākhirahū' ('In de Naam van Allāh, aan het begin en aan het einde.')
Hiermee zegt hij als het ware: “Ik spreek de basmalah uit voor wat ik reeds heb gegeten én voor wat ik nog zal eten.” Op die manier heeft hij zijn verzuim hersteld.
Het uitspreken van de basmalah aan het begin van de maaltijd wordt vanuit islamitisch oogpunt aanbevolen; met andere woorden: het beginnen van de maaltijd met de basmalah is mandūb en mustaḥab. Wanneer men echter vergeet de basmalah uit te spreken, rust daarop geen zonde of aansprakelijkheid. Wel blijft men verstoken van de barakah van de maaltijd.
Dat het zelfs aan het einde van de maaltijd nog nuttig is om de basmalah uit te spreken, blijkt uit de volgende ḥadīth:
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), die zag wat wij niet kunnen zien, zat eens ergens uit te rusten. Naast hem zat een man te eten. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei niets tegen hem, maar volgde zwijgend de opmerkelijke situatie.
De man sprak de basmalah niet uit, totdat hij de laatste hap naar zijn mond bracht. Op dat moment herinnerde hij zich dat hij de basmalah niet had uitgesproken en zei:
'Bismillāhi awwalahū wa ākhirahū'
Daarop glimlachte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en vertelde hij de aanwezige ṣaḥābah:
“Doordat de man was vergeten de basmalah uit te spreken, at de shayṭān samen met hem mee. Toen de man alsnog de basmalah uitsprak, braakte de shayṭān alles uit wat hij tot dat moment had gegeten.”
(Ummu Kulthūm bint ʿUqbah ibn Abī Muʿayṭ al-Umawiyyah (رضي الله عنها), overleden na 32 H./652, behoorde tot de ṣaḥābah. Haar vader was een van de vijanden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en stond bekend om de kwellingen die hij de moslims aandeed.
Ummu Kulthūm (رضي الله عنها) aanvaardde in Makkah de Islām en legde de eed van trouw (bayʿah) af aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Haar familie stond haar echter niet toe om te emigreren totdat het Verdrag van al-Ḥudaybiyyah werd gesloten in het zevende jaar na de hijrah. In dat jaar emigreerde zij alleen en te voet naar Madīnah.
Haar twee broers kwamen naar Madīnah en vroegen, overeenkomstig het Verdrag van al-Ḥudaybiyyah, dat Ummu Kulthūm aan hen zou worden overgeleverd. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gaf haar echter niet aan hen terug.
Ummu Kulthūm heeft tien aḥādīth van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overgeleverd.
Sommige geleerden hebben gezegd dat de overleveraar van onze ḥadīth deze Ummu Kulthūm (رضي الله عنها) is, terwijl anderen van mening zijn dat het gaat om Ummu Kulthūm bint Muḥammad, de kleindochter van Abū Bakr (رضي الله عنه).
190. Hadīth
Van ʿUmar ibn Abī Salamah (رضي الله عنه), de stiefzoon van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): Op een dag kwam hij bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) binnen terwijl de maaltijd al was opgediend. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tegen hem: “Mijn lieve jongen! Kom dichter bij de maaltijd.
Spreek eerst de basmalah uit.
Eet met je rechterhand.
En eet steeds van hetgeen zich vóór je bevindt.”
De versie van deze ḥadīth in Ṣaḥīḥ al-Bukhārī en Ṣaḥīḥ Muslim is iets uitgebreider. Daarin vertelt ʿUmar ibn Abī Salamah (رضي الله عنه): Ik was een jongen die onder de opvoeding van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) opgroeide. Tijdens het eten ging mijn hand over de hele schaal heen en weer. Daarop onderwees Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) mij met de woorden: 'O mijn jongen! Spreek bij het beginnen van de maaltijd de basmalah uit. Eet met je rechterhand en eet steeds van hetgeen zich vóór je ligt.'
Vanaf die dag begon ik, zoals Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) mij had opgedragen, iedere maaltijd met de basmalah, at ik met mijn rechterhand en nam ik alleen van hetgeen vóór mij lag.”
Zoals men aan het begin van de maaltijd de basmalah uitspreekt, zegt men, zoals wij zullen zien in de aḥadīth 192 en 194, aan het einde van de maaltijd ook: “al-ḥamdu lillāh”. Daarmee betuigt men dank aan Allāhu (تعالى) voor de gunst die Hij heeft geschonken.
Met de rechterhand eten behoort tot de islamitische etiquette. Daarom droeg an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn stiefzoon ʿUmar op: “Eet met je rechterhand.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft ook uitgelegd waarom men met de rechterhand dient te eten: “Wanneer iemand van jullie eet, laat hem dan met zijn rechterhand eten. En wanneer hij drinkt, laat hem dan met zijn rechterhand drinken, want de shayṭān eet met zijn linkerhand en drinkt met zijn linkerhand.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) droeg ons niet alleen op om tijdens het eten en drinken de rechterhand te gebruiken, maar ook bij het aannemen en overhandigen van zaken. Hij maakte namelijk duidelijk dat de shayṭān met zijn linkerhand neemt en geeft.
In de Qur'ān worden degenen aan wie hun registratieboek (der daden( in de rechterhand wordt gegeven aangeduid als Aṣḥāb al-Maymanah en Aṣḥāb al-Yamīn, hetgeen “de mensen van de rechterzijde” betekent.
Dit werd reeds toegelicht bij ḥadīth 34.
Bij ḥadīth 83 hebben wij bovendien gelezen en uitgelegd dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) eens een man waarschuwde die met zijn linkerhand at. Toen deze de waarschuwing van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) niet serieus nam, sprak hij een du`ā’ tegen hem uit.
(Abū Ḥafṣ ʿUmar ibn Abī Salamah (رضي الله عنهما), overleden in 83 AH (702 CE). Hij was de zoon van Abū Salamah (رضي الله عنه) uit diens huwelijk met onze moeder Ummu Salamah (رضي الله عنها), voordat zij met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) trouwde.
De vader van ʿUmar, Abū Salamah ʿAbdullāh ibn ʿAbd al-Asad (رضي الله عنه), was de zoon van Barrah, de tante van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) van vaderszijde, en tevens zijn zoogbroer.
Abū Salamah emigreerde samen met zijn echtgenote Ummu Salamah (رضي الله عنها) naar Abessinië. Twee jaar later werd ʿUmar daar geboren. Toen Abū Salamah in het derde jaar na de hijrah overleed, trouwde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) met Ummu Salamah en nam hij haar en haar vier kinderen, onder wie ʿUmar, onder zijn bescherming.
ʿUmar heeft twaalf aḥādīth van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overgeleverd. Tijdens het kalifaat van ʿAlī (رضي الله عنه) was hij gouverneur van Bahrein en hij overleed in Madīnah.)
191. Hadīth
Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه): Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn maaltijd had beëindigd, sprak hij de volgende du`ā’ uit: “Al-ḥamdu lillāh, Die ons heeft gevoed, ons te drinken heeft gegeven en ons heeft geëerd met de Islām.”
Wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) thuis samen met zijn gezin of met zijn gasten had gegeten, sprak hij na de maaltijd een du`ā’ uit.
Soms vroeg een ṣaḥābī, bij wie Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) thuis had gegeten, hem om voor hen een du`ā’ uit te spreken, waarna hij dit deed.
Volgens de overlevering van ʿAbdullāh ibn Busr al-Māzinī (رضي الله عنه) had zijn vader Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) uitgenodigd voor een maaltijd. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nam deze uitnodiging aan en ging naar het huis van zijn ṣaḥābī. Na afloop van de maaltijd, toen zij hem naar buiten begeleidden, vroeg de vader van ʿAbdullāh aan hem om een duʿāʾ voor hen te verrichten. Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم):
“O Allah! Schenk barakah aan de voorziening van de bewoners van dit huis; vergeef hun hun zonden en schenk hun Uw raḥmah!”
Bij deze gelegenheid kunnen wij nog iets vermelden over ʿAbdullāh ibn Busr.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) legde zijn gezegende hand op het hoofd van ʿAbdullāh en zei over hem: “Deze jongeman zal honderd jaar leven.”
En inderdaad overleed ʿAbdullāh ibn Busr op de leeftijd van honderd jaar.
Op een andere dag bezocht Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het huis van Saʿd ibn ʿUbādah (رضي الله عنه). Saʿd bood zijn gast een stuk brood en enkele olijven aan. Nadat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deze gastvrijheid had aanvaard, sprak hij de volgende du`ā’ voor hem uit:
“Moge degenen die vasten steeds in jullie huis hun ifṭār nuttigen; moge jullie voedsel door rechtschapen mensen worden gegeten, en moge de engelen voor jullie smeekbeden verrichten.”
Op een andere dag bood de jonge ṣaḥābī ʿAmr ibn Ḥamiq (رضي الله عنه) melk aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aan. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), die nooit naliet iemand voor diens gastvrijheid te bedanken, verrichtte voor hem de volgende du`ā’:
“O Allah!
(Laat ʿAmr) het goede van zijn jeugd genieten!”
Door de barakah van deze du`ā’ was zelfs toen ʿAmr ibn Ḥamiq tachtig jaar oud was geworden, nog geen enkele haar van hem grijs geworden.
De maaltijdsmeekbede die begint met “Al-ḥamdu lillāh, Die ons heeft gevoed en ons te drinken heeft gegeven...”, en die in ḥadīth 192 opnieuw zal worden vermeld, is een du`ā’ die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) veelvuldig placht uit te spreken.
In deze du`ā’ prijst en dankt an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) Allāhu (تعالى) voor zowel de materiële als de geestelijke gunsten die Hij Zijn dienaren heeft geschonken. Eten en drinken behoren tot de onmisbare materiële gunsten die het leven mogelijk maken.
Moslim zijn, oftewel geëerd zijn met de laatste godsdienst waarmee Allāhu (تعالى) tevreden is, en behoren tot de ummah van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم), de laatste boodschapper die als barmhartigheid voor de werelden werd gezonden, vormt daarentegen de grootste geestelijke gunst.
Na de maaltijd “al-ḥamdu lillāh” zeggen betekent Allāhu (تعالى) danken voor Zijn gunsten. Een mens mag nooit vergeten Wie hem de gunsten van eten en drinken heeft geschonken. Daarom behoort hij zich eraan te wennen Allāhu (تعالى) na iedere maaltijd te prijzen, zodat hij steeds beseft aan Wie zijn dank toekomt.
In vele āyāt van de Qur'ān maakt Allāhu (تعالى) duidelijk dat de mens slechts weinig dankbaarheid toont:
وَلَقَدۡ مَكَّنَّٰكُمۡ فِي ٱلۡأَرۡضِ وَجَعَلۡنَا لَكُمۡ فِيهَا مَعَٰيِشَۗ قَلِيلٗا مَّا تَشۡكُرُونَ ١٠
En zeker, Wij gaven jullie gezag over de aarde en wezen voor jullie daarin levensonderhoud aan. Weinig is de dank die jullie geven. (A`rāf, 7:10)
إِنَّ ٱللَّهَ لَذُو فَضۡلٍ عَلَى ٱلنَّاسِ وَلَٰكِنَّ أَكۡثَرَ ٱلنَّاسِ لَا يَشۡكُرُونَ ٢٤٣
… Waarlijk, Allah is vol gaven voor de mensheid, maar de meeste mensen bedanken niet. (Baqarah, 2:243)
Wanneer iemand na het eten of nadat hij een gunst heeft ontvangen Allāhu (تعالى) prijst en Hem dankt, is dat een oorzaak voor de barakah van die gunst. Daarom heeft Allāhu (تعالى) gezegd:
وَإِذۡ تَأَذَّنَ رَبُّكُمۡ لَئِن شَكَرۡتُمۡ لَأَزِيدَنَّكُمۡۖ وَلَئِن كَفَرۡتُمۡ إِنَّ عَذَابِي لَشَدِيدٞ ٧
En (gedenk) toen jullie Heer verklaarde: “Als jullie dank betuigen, dan geef Ik jullie meer maar als jullie ondankbaar zijn, waarlijk! Mijn bestraffing is zeker zwaar.” (Ibrāhīm,14:7)
192. Hadīth
Van Abū Umāmah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) prees, nadat de maaltijd was beëindigd en de tafel was afgeruimd, Allāhu (تعالى) met de volgende woorden:
الْحَمْدُ لِلَّهِ كَثِيرًا طَيِّبًا مُبَارَكًا فِيهِ، غَيْرَ مَكْفِيٍّ، وَلَا مُوَدَّعٍ، وَلَا مُسْتَغْنًى عَنْهُ، رَبَّنَا
“Onze Rab! Voor U is alle lof: een zuivere, gezegende lof, niet afdoende om Uw gunsten te vergelden, niet verlaten, en niet zonder U (en Uw gunsten voordurend) nodig te hebben.”
Uit deze ḥadīth leren wij op welk moment de maaltijd-du`ā’ wordt verricht.
Bijzonder belangrijk is de uitdrukking van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Nadat de maaltijd was beëindigd en de tafel was afgeruimd.” Hieruit begrijpen wij dat de du`ā’ pas wordt verricht nadat iedereen aan tafel klaar is met eten. Wanneer men eerder zou beginnen met de du`ā’, zouden degenen die later zijn aangeschoven of langzamer eten, zich genoodzaakt kunnen voelen de maaltijd te beëindigen voordat zij voldoende hebben gegeten.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dankt Allāhu (تعالى) met een lof die “niet afneemt, maar blijft toenemen”. De gunsten die onze Edelmoedige Rab schenkt zijn immers ontelbaar, zeer gevarieerd en houden nooit op; Zijn gaven volgen elkaar onophoudelijk op. Voor zulke ontzaglijke gunsten past daarom een dankbetuiging die eveneens voortdurend voortduurt, niet vermindert en steeds toeneemt.
Het is een vaststaand feit dat, zolang smeekbeden (adʿiyah) en lofprijzingen (hamd en thanā) voor de ons geschonken gunsten blijven voortduren, de goddelijke gunsten ook niet van ons zullen weggenomen worden.
Zoals overvloedige regen onafgebroken blijft neerdalen, zo volgen ook Zijn gunsten elkaar voortdurend op. Daarom dient onze dankbaarheid eveneens met zuivere oprechtheid te worden betoond, vrij van riyāʾ (pronkzucht) en sumʿah (de wens door anderen geprezen te worden); met andere woorden: met een zuivere intentie, zonder te verlangen dat mensen onze aanbidding zien of ons daarvoor prijzen.
De meest voortreffelijke du`ā’ is de du`ā’ die “niet wordt afgewezen door Allāhu (تعالى).” Daarom behoren ook wij Allāhu (تعالى) te vragen onze smeekbeden (adʿiyah) te aanvaarden en ze niet af te wijzen.
193. Hadīth
Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zat samen met zes van zijn ṣaḥābah te eten.
Terwijl zij aan tafel zaten, kwam een bedoeïen binnen en nam plaats. Omdat hij de basmalah niet uitsprak, at hij het eten in slechts twee happen op.
Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Als deze bedoeïen de maaltijd met de basmalah was begonnen, dan zou dit eten voor jullie allemaal voldoende zijn geweest.”
Uit deze ḥadīth begrijpen wij dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op een dag in zijn eigen huis een maaltijd aan zijn gasten aanbood en dat ʿĀʾishah (رضي الله عنها) zich eveneens daar bevond. Indien deze gebeurtenis plaatsvond vóór de openbaring van het vers over de ḥijāb, dan was ʿĀʾishah vermoedelijk in dezelfde ruimte aanwezig. Vond deze maaltijd echter plaats ná de openbaring van de ḥijāb-verzen, dan zal zij de aanwezigen van achter een afscheiding hebben gadegeslagen.
Er is ook nog een derde mogelijkheid: dat ʿĀʾishah deze gebeurtenis niet zelf heeft gezien, maar dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) of één van de aanwezige ṣaḥābah haar later heeft verteld wat er was gebeurd.
Het belangrijkste in deze ḥadīth is de wijze waarop an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de gebeurtenis verklaarde. Het eten dat op tafel werd gezet leek ogenschijnlijk weinig te zijn. Doordat de maaltijd echter met de basmalah was begonnen, zou Allāhu (تعالى) er barakah in hebben gelegd, zodat het ruim voldoende zou zijn voor de zes aanwezige personen aan tafel.
De bedoeïenen leefden in de woestijn en waren daarom vaak niet bekend met de islamitische omgangsvormen. Eén van hen kwam binnen, nam aan tafel plaats, maar sprak de basmalah niet uit. Als hij dat wel had gedaan, zou het eten voldoende zijn geweest voor zowel de zes ṣaḥābah als voor hemzelf. Doordat hij de basmalah achterwege liet, verdween de barakah uit het voedsel en was het in slechts twee happen op.
Men moet nooit vergeten dat de shayṭān iedere gelegenheid in zijn voordeel benut.
Wanneer een mens vergeet de basmalah uit te spreken, oftewel Allāhu (تعالى) te gedenken, grijpt de shayṭān die kans onmiddellijk aan, schuift mee aan tafel en zorgt ervoor dat het eten in enkele happen verdwijnt.
Volgens de overlevering van deze ḥadīth in de Sunan van Ibn Mājah voegde ʿĀʾishah (رضي الله عنها) daaraan toe dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) eveneens het volgende advies gaf:
“Wanneer iemand van jullie eet, laat hij dan 'Bismillāh' zeggen. En als hij vergeten is bij het begin van de maaltijd 'Bismillāh' te zeggen, laat hij dan zodra hij het zich herinnert zeggen: 'Bismillāhi fī awwalahī wa ākhirahī' ('In de Naam van Allāh, aan het begin en aan het einde.')”
194. Hadīth
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voorwaar, Allāhu (تعالى) is tevreden met Zijn dienaar wanneer hij, nadat hij iets heeft gegeten, Hem prijst, en wanneer hij, nadat hij iets heeft gedronken, Hem prijst (al-ḥamdu lillāh zegt).”
Deze ḥadīth leert en spoort ons aan om na het eten of drinken “al-ḥamdu lillāh” te zeggen. Wanneer een dienaar door het zeggen van “al-ḥamdu lillāh” Allāhu (تعالى) prijst, verheft hij daarmee zijn eigen eer en rang. Degenen die Allāhu (تعالى) immers voortdurend prijzen en verheerlijken (tasbīḥ) zijn de engelen. Deze werkelijkheid wordt in de Qur'ān als volgt beschreven:
وَتَرَى ٱلۡمَلَٰٓئِكَةَ حَآفِّينَ مِنۡ حَوۡلِ ٱلۡعَرۡشِ يُسَبِّحُونَ بِحَمۡدِ رَبِّهِمۡۚ وَقُضِيَ بَيۡنَهُم بِٱلۡحَقِّۚ وَقِيلَ ٱلۡحَمۡدُ لِلَّهِ رَبِّ ٱلۡعَٰلَمِينَ ٧٥
En jij (O Mohammed) zal de Engelen rondom de Troon (van Allah) zien, hun Heer (Allah) lovend met de roem die Hem toekomt. En zij zullen in Waarheid beoordeeld worden en er zal gezegd worden: “Alle lofprijzing en dankbetuigingen zijn voor Allah, de Heer der Werelden.” (Zumar, 39:75)
Ook de volgende āyah bevestigt dit:
ٱلَّذِينَ يَحۡمِلُونَ ٱلۡعَرۡشَ وَمَنۡ حَوۡلَهُۥ يُسَبِّحُونَ بِحَمۡدِ رَبِّهِمۡ وَيُؤۡمِنُونَ بِهِۦ وَيَسۡتَغۡفِرُونَ لِلَّذِينَ ءَامَنُواْۖ رَبَّنَا وَسِعۡتَ كُلَّ شَيۡءٖ رَّحۡمَةٗ وَعِلۡمٗا فَٱغۡفِرۡ لِلَّذِينَ تَابُواْ وَٱتَّبَعُواْ سَبِيلَكَ وَقِهِمۡ عَذَابَ ٱلۡجَحِيمِ ٧
Degenen (Engelen) die de Troon dragen en wie zich daar omheen bevinden, verheerlijken hun Heer met de lof die Hem toekomt. En zij geloven in Hem en vragen om vergeving voor degenen die geloven (zeggende): “Onze Heer! Uw Barmhartigheid en Kennis omvat alle zaken, vergeef dus degenen die berouw hebben en Uw weg volgen, en redt hen van de bestraffing van het laaiende Vuur! (Mu’min, 40:7)
Daarom krijgt de dienaar die Allāhu (تعالى) prijst een eigenschap die ook de engelen kenmerkt. Hoewel de engelen niet eten of drinken, prijzen zij voortdurend Allāhu (تعالى). Wij daarentegen eten, drinken en worden onophoudelijk voorzien van de ontelbare gunsten van onze Rab. Is het dan niet des te meer aan ons om Degene te prijzen Die ons al deze gunsten heeft geschonken?
Bovendien hebben wij voor geen enkele van deze talloze gunsten een tegenprestatie geleverd of hoeven leveren. Allāhu (تعالى) verlangt daarvoor ook geen vergoeding van ons; Hij vraagt slechts dat wij Hem dankbaar zijn voor de gunsten die wij bezitten.
In deze ḥadīth maakt Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ons nog een andere verheugende werkelijkheid bekend: Allāhu (تعالى) is tevreden met Zijn dienaar wanneer deze Hem na het eten en drinken prijst. Dat Allāhu (تعالى) tevreden is met Zijn dienaar betekent dat Hij hem Zijn Barmhartigheid (raḥmah) schenkt en hem beloont. Voor een dienaar bestaat er geen grotere winst dan zijn Rab tevreden te stellen. Want wie de tevredenheid van Allāhu (تعالى) verkrijgt, heeft het eeuwige geluk verworven.
29. HOOFDSTUK: DE DRINKBEKER VAN RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم)
195. Hadīth
Van Thābit al-Bunānī ( رَحِمَهُ اللهُ), een leerling van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): “Anas ibn Mālik haalde voor ons een drinkbeker tevoorschijn die van hout was gemaakt en waarvan de rand was omgeven door een ijzeren ring”.
Vervolgens zei hij tegen mij: 'O Thābit! De beker die je hier ziet, is de beker waaruit Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) water placht te drinken.'
196. Hadīth
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): “Met deze beker diende ik Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) water, nabīdh (gefermenteerde drank), honingdrank, melk en alle andere dranken die hij placht te drinken.”
Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), die gedurende tien jaar in dienst stond van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), bewaarde enkele persoonlijke bezittingen van an-Nabī als dierbare herinneringen. Mogelijk had hij deze gewoonte van zijn moeder overgenomen, want ook zijn moeder, Ummu Sulaym (رضي الله عنها), bewaarde enkele voorwerpen die aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hadden toebehoord.
Eén van deze kostbare herinneringen was de houten drinkbeker waarvan in de vorige ḥadīth sprake was en waarvan de rand met een ijzeren ring was versterkt. Er wordt vermeld dat deze beker vervaardigd was uit het hout van de nuḍār-boom, die in de streek van Najd groeide (waarschijnlijk agarhout of ʿūd), en dat de mooiste drinkbekers destijds van dit hout werden gemaakt.
Dit moet dezelfde beker zijn waarover Anas ibn Mālik in de vorige ḥadīth vertelde dat hij daarmee allerlei dranken aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aanbood. De volgende overlevering van Anas ibn Mālik laat zien dat zijn familie thuis een vergelijkbare beker bezat: “Mijn moeder Ummu Sulaym had een houten drinkbeker. Zij vertelde dat zij daarmee Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) water, honingdrank, melk en nabīdh aanbood.”
Nabīdh is een drank die wordt bereid door dadels, rozijnen, honing of soms granen zoals tarwe of gerst in water te laten trekken om een zoete drank te verkrijgen.
Over de nabīdh die voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd bereid, vertelt ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما): 's Avonds werd in een leren waterzak een drank bereid die nabīdh werd genoemd. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dronk daarvan gedurende drie dagen.
Wanneer de drank langer bleef staan en bedwelmende eigenschappen begon te krijgen, werd hij onmiddellijk weggegooid.”
Dat aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) alle verschillende dranken in dezelfde beker werden aangeboden, laat tevens zien hoe eenvoudig de levensomstandigheden destijds waren. Blijkbaar beschikte men in huis niet eens over een tweede drinkbeker.
Laten wij nu terugkeren naar deze beker, die een dierbare herinnering aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was. Enkele bevoorrechte ṣaḥābah en tābiʿūn kregen de eer om uit deze beker te drinken.
Volgens de overlevering van al-Ḥajjāj ibn Ḥassān al-Qaysī, één van de leerlingen van Anas ibn Mālik, vroeg Anas op een dag of men de beker van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) met water wilde vullen. Nadat deze was gebracht, dronken de aanwezigen eruit. Het water dat op de bodem overbleef, goten zij vervolgens over hun hoofd en wreven zij over hun gezicht, terwijl zij ṣalawāt en salām uitspraken over Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
Na verloop van geruime tijd wilde Anas ibn Mâlik de ijzeren ring van deze beker vervangen door goud of zilver. De beker, die waarschijnlijk van agarhout was gemaakt en iets langer dan breed was, had deze metalen ring.
Zijn stiefvader, de beroemde ṣaḥābī Abū Ṭalḥah (رضي الله عنه), gaf hem echter het volgende advies: “O Anas! Probeer nooit iets te veranderen aan wat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zo heeft achtergelaten.”
Na deze raad zag Anas (رضي الله عنه) van zijn voornemen af.
Helaas raakte de beker, die ooit door de gezegende lippen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was aangeraakt, na vele jaren versleten en ontstond er een barst. Om te voorkomen dat deze onschatbare herinnering verloren zou gaan, liet Anas ibn Mālik de gebarsten plaats met zilver verstevigen.
Deze beker, waaruit ook Imām al-Bukhārī de eer had te drinken, ging na het overlijden van Anas ibn Mālik over op zijn zoon Naḍr ibn Anas.
Later verkochten diens erfgenamen deze unieke herinnering voor een bedrag van achthonderdduizend dirham.
Laten wij hier ook het volgende in herinnering brengen: de ṣaḥābah bewaarden de bekers waaruit zij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) thuis of elders water hadden aangeboden als een bijzonder dierbare herinnering.
Eén van deze bekers was die van Sahl ibn Saʿd (رضي الله عنه), over wie wij reeds spraken bij ḥadīth 146. Volgens zijn eigen overlevering ging Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op een dag samen met enkele ṣaḥābah naar de ontmoetingsplaats die bekend stond als Saqīfah Banī Sāʿidah. Destijds was Sahl nog geen vijftien jaar oud.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tegen hem: “O Sahl! Breng water, zodat wij kunnen drinken!”
Vele jaren later vertelde Sahl deze dierbare herinnering aan zijn leerlingen. Daarbij liet hij hun de beker zien waarmee hij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) destijds water had aangeboden. Zijn leerlingen dronken vervolgens uit die beker om deel te hebben aan de barakah ervan.
Toen ʿUmar ibn ʿAbd al-ʿAzīz, die bekendstaat als de vijfde van de Khulafāʾ ar-Rāshidūn, gouverneur van Madīnah was, vroeg hij Sahl hem deze beker te schenken. Sahl gaf hem daarop als geschenk.
Ook ʿAbdullāh ibn Salām (رضي الله عنه) bezat een beker waaruit hij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) water had aangeboden. Abū Burdah, de zoon van Abū Mūsā al-Ashʿarī (رضي الله عنه), die behoorde tot de vooraanstaande tābiʿūn en over wie wij reeds spraken bij ḥadīth 119, vertelde de volgende herinnering over die beker: “Toen ik in Madīnah aankwam, ontmoette ik ʿAbdullāh ibn Salām”.
Hij zei tegen mij: “Kom met mij mee naar mijn huis, zodat ik je laat drinken uit de beker waaruit Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gedronken.
Daarna kun je ook de ṣalāh verrichten op de plaats waar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh verrichtte.'
Ik ging met hem mee naar zijn huis. Hij gaf mij sawīq* te drinken, liet mij dadels eten, en vervolgens verrichtte ik de ṣalāh op de plaats waar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh had verricht.”
(*: De sawîq is een gerecht dat wordt gemaakt door geroosterd gerst-, tarweof kikkererwtenmeel te mengen met ontpitte dadels, olie en gestremde melk (tura) en dit vervolgens te bereiden.)
30. HOOFDSTUK: DE VRUCHTEN DIE RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم) AT
197. Hadīth
Van ʿAbdullāh ibn Jaʿfar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) at komkommer samen met verse dadels.
198. Hadīth
Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): asûlullāh (صلى الله عليه وسلم) at watermeloen samen met verse dadels.”
199. Hadīth
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Ik heb Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gezien terwijl hij watermeloen (of honingmeloen) samen met verse dadels at.
200. Hadīth
Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) at watermeloen samen met verse dadels.
Uitleg van de 197–200. aḥadīth
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) at sommige vruchten en voedingsmiddelen samen met verse dadels. Tot deze combinaties behoorden onder andere komkommer, watermeloen, honingmeloen en roomboter.
Deze praktijk van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) laat zien dat er vanuit islamitisch perspectief geen bezwaar bestaat tegen het samen eten van twee soorten voedsel of vruchten. Sommige ascetische geleerden vonden het echter niet passend om twee soorten voedsel tegelijk te eten. Dit deden zij niet om godsdienstige redenen, maar uit vrees dat het een gewoonte van overdaad zou worden en de mens daardoor in luxen welvarend bestaan zou vervallen.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hechtte belang aan het in evenwicht houden van de lichaamstemperatuur vanuit gezondheidsoogpunt en lette daarom op wat hij at.
Wanneer hij iets at dat de lichaamswarmte verhoogde, probeerde hij er indien mogelijk iets naast te eten dat deze warmte verminderde.
De overlevering waarin wordt vermeld dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) watermeloen samen met verse dadels at, is in dit opzicht belangrijk. ʿĀʾishah (رضي الله عنها) verwoordde deze kennis, die zij van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had geleerd, als volgt: “Want de warmte van de één wordt gebroken door de koelte van de ander, en de koelte van de één wordt gebroken door de warmte van de ander.”
Als men kijkt naar deze voedingsmiddelen, ziet men dat verse dadels energie en warmte geven, terwijl komkommer en watermeloen juist verkoelend werken en dorst lessen.
Wanneer verse dadels samen met komkommer of watermeloen worden gegeten, ontstaat een evenwicht in het lichaam; in sommige gevallen kan dit zelfs bijdragen aan gewichtstoename.
ʿĀʾishah vertelde haar ervaring als volgt: “Voordat ik met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) trouwde, wilde mijn moeder dat ik zou aankomen in gewicht, maar ik kon niet aankomen. Toen ik echter verse dadels met komkommer ging eten, kwam ik veel aan.”
VanʿĀʾishah (رضي الله عنها): “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam eens bij ons, en wij boden hem roomboter en droge dadels aan. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hield er erg van om roomboter samen met droge dadels te eten.”
Dit wordt bevestigd door Atiyyah en ʿAbdullāh, de twee zonen van Busr al-Māzinī (رضي الله عنهم), die zeggen: “Op een dag vereerde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ons huis met zijn aanwezigheid. Wij spreidden een kleed voor hem uit en hij ging zitten. Toen kwam de openbaring tot hem. Daarna boden wij hem roomboter en droge dadels aan. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hield van roomboter.”
Het woord (khirbiz) dat in ḥadīth 199 voorkomt is van Perzische oorsprong en wordt uitgesproken als khirbiz. Het wordt meestal gebruikt voor honingmeloen en soms ook voor watermeloen. De uitleggers van de ḥadīth zeggen dat het hier waarschijnlijk niet om honingmeloen gaat maar om watermeloen, vanwege de verkoelende werking ervan.
Er is ook een overlevering van ʿAbdullāh ibn Jaʿfar (رضي الله عنهما) over hoe an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) komkommer met dadels at.
Hij zei: “Ik zag Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) terwijl hij in zijn rechterhand komkommer had en in zijn linkerhand enkele dadels, en hij at van beide afwisselend.”
Sommige geleerden hebben echter aangegeven dat deze overlevering zwak is.
Laten we hier ook een overlevering aanhalen over de manier waarop an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) druiven placht te eten. Deze informatie hebben wij te danken aan ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), de neef van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), hij zei: “Ik zag Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de druiven met zijn mond van de tros afstroopte en ze vervolgens at.”
201. Hadīth
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): “De ṣaḥābah hadden de gewoonte om, zodra de eerste vruchten van het seizoen verschenen, deze te plukken en naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) te brengen. Wanneer hij de vrucht in zijn gezegende hand nam, sprak hij vervolgens de volgende duʿāʾ uit: “O Allah! Zegen onze vruchten, zegen onze stad en zegen onze maten (ṣāʿ en mud)”.
O Allah! Ibrāhīm was Uw dienaar, Uw vriend (khalīl) en Uw Nabī; en ik ben Uw dienaar en Uw Nabī. Ibrāhīm heeft U voor Makkah om zegen gevraagd, en ik vraag U voor Madīnah dezelfde zegen als hij voor Makkah heeft gevraagd, en zelfs meer dan dat.”
Abū Hurayrah (رضي الله عنه) vervolgde: “Daarna riep Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het jongste kind dat hij in de omgeving zag, en gaf hem die eerste (nieuwe) vrucht van het seizoen.”
Wanneer de eerste vruchten van het seizoen verschenen, plukten de ṣaḥābah deze en brachten ze naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), omdat zij verlangden dat hij ervan zou proeven en tegelijk smeekbeden (adʿiyah) zou verrichten voor barakah.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nam die vrucht in zijn gezegende hand en sprak de du`ā’ uit zoals in de ḥadīth vermeld.
Met de woorden “zegen onze vruchten” vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) Allāhu (تعالى) dat de vruchten(bomen) vruchtbaar zijn, beschermd tegen alle rampen en schade.
Met “zegen onze stad” bedoelde hij dat de bewoners van Madīnah leven met overvloedige voorziening, rust en vrede, en dat de Islām daar sterk en levend blijft.
Hij vroeg ook barakah voor de maten (mud en ṣāʿ) die in die tijd gebruikt werden voor het meten van droge goederen zoals graan en peulvruchten.
De mud die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gebruikte stond gelijk aan ongeveer 260 dirham (er zijn ook andere opinies hierover).
De ṣāʿ kwam overeen met vier mud, dus ongeveer 1040 dirham aan tarwe of gerst.
(1 dirham is ongeveer 3 gram)
In deze du`ā’ zegt Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Ibrāhīm was Uw dienaar, Uw vriend en Uw Nabī”, waarna hij zegt: “En ik ben Uw dienaar en Uw Nabī.”
Hoewel hij zelf ook de geliefde vriend van Allāh (khalīlullāh) was, zei hij uit eerbied voor zijn grootvader Ibrāhīm (عليه السلام) niet: “Ik ben ook Uw vriend.”
Waarom waren zowel an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) als Ibrāhīm (عليه السلام) de geliefde vriend van Allāh? Omdat hun vertrouwen in Allāh volledig was; zij legden hun behoeften uitsluitend aan Hem voor; en zij lieten alle oorzaken en tussenpersonen buiten al-Ḥaq achter zich.
Daarbovenop was er nog iets heel belangrijks: Allāhu (تعالى) hield meer van hen dan andere anbiyā. Hij gaf hen meer waardering en ondersteunde hen met al Zijn gunsten.
Ibrāhīm (عليه السلام) wordt aangeduid als Khalīlullāh, de geliefde vriend van Allāh. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wordt aangeduid als Ḥabībullāh, de geliefde van Allāh.
Qāḍī ʿIyāḍ heeft in zijn werk ash-Shifāʾ uitgebreid de rang van khalīlullāh en ḥabībullāh besproken en uitgelegd dat de rang van ḥabībullāh de hogere is.
Wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) spreekt over de du`ā’ van Ibrāhīm (عليه السلام) voor Makkah, doelt hij op de volgende āyah:
رَّبَّنَآ إِنِّيٓ أَسۡكَنتُ مِن ذُرِّيَّتِي بِوَادٍ غَيۡرِ ذِي زَرۡعٍ عِندَ بَيۡتِكَ ٱلۡمُحَرَّمِ رَبَّنَا لِيُقِيمُواْ ٱلصَّلَوٰةَ فَٱجۡعَلۡ أَفۡـِٔدَةٗ مِّنَ ٱلنَّاسِ تَهۡوِيٓ إِلَيۡهِمۡ وَٱرۡزُقۡهُم مِّنَ ٱلثَّمَرَٰتِ لَعَلَّهُمۡ يَشۡكُرُونَ ٣٧
O onze Heer! Ik heb mijn kinderen laten wonen in een dal wonen waar geen landbouw is, bij Uw Heilige Huis (de Ka’ba) O onze Heer, (ik liet hen achter) zodat zij hun gebeden (ṣalawāt) zullen onderhouden, vul dus wat harten onder de mensen met liefde voor hen en voorzie hen van vruchten. Hopelijk zullen zij dankbaar zijn. (İbrâhîm, 14:37)
Allāhu (تعالى) heeft deze du`ā’ van Ibrāhīm (عليه السلام) verhoord en heeft Makkah, zoals in sūrah al-Baqarah (2:126) wordt vermeld, tot een veilige en gezegende stad gemaakt.
Het feit dat mensen door de eeuwen heen naar die gezegende plaats trekken voor ḥaj en ʿumrah, is een duidelijk teken dat deze du`ā’ is aanvaard.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg Allāhu (تعالى) (zegeningen) voor Madīnah die zelfs groter was dan wat Ibrāhīm (عليه السلام) voor Makkah had gevraagd.
Zoals de du`ā’ van Ibrāhīm (عليه السلام) voor Makkah werd verhoord, zo werd ook de du`ā’ van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) voor Madīnah al-Munawwarah verhoord.
Al tijdens zijn leven en later in de tijd van de Khulafāʾ ar-Rāshidūn stroomden de oorlogsbuit en voorzieningen van veroverde landen naar Madīnah. Bovendien blijven tot op vandaag mu’min harten uit de hele wereld verlangen naar Madīnah. Zowel materiële als spirituele zegeningen hebben deze stad voortdurend tot bloei gebracht.
Zoals in de ḥadīth is vermeld, riep Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) na deze du`ā’ telkens het jongste kind dat hij zag bij zich en gaf hem de eerste vruchten van het seizoenom hem blij te maken.
De eer van Makkah en Madīnah
Ongetwijfeld behoren Makkah al-Mukarramah, vanwege de aanwezigheid van de Kaʿbah, en Madīnah al-Munawwarah, vanwege de aanwezigheid van de Rawḍah van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), tot de meest verheven en eervolle plaatsen op aarde.
Volgens de drie grote imams van de madhāhib, Imām Abū Ḥanīfah, Imām ash-Shāfiʿī en Imām Aḥmad ibn Ḥanbal, is Makkah al-Mukarramah superieur aan Madīnah al-Munawwarah. Imām Mālik daarentegen is van mening dat Madīnah al-Munawwarah de meest verheven plaats is.
202. Hadīth
Van Rubayyiʿ bint Muʿawwidh ibn ʿAfrā (رضي الله عنهما): Mijn oom Muʿādh ibn ʿAfrā stuurde mij met een schaal verse dadels naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). In die schaal lagen ook enkele komkommers waarvan de bloesems nog niet eens waren verwelkt.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hield van komkommer.
Ik gaf de schaal aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Daarop gaf (رضي الله عنهما) mij een handvol sieraden die uit Bahrein waren gestuurd.”
(Rubayyiʿ bint Muʿawwidh ibn ʿAfrāʾ an-Najjāriyyah al-Anṣāriyyah (رضي الله عنها), overleden na 70 H./689. Ze aanvaardde op jonge leeftijd de islaam. Zij legde bij al-Ḥudaybiyyah de eed van trouw (bayʿah) af aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en nam samen met hem deel aan verschillende veldtochten. Tijdens deze veldtochten bracht zij de soldaten water en verzorgde zij de gewonden.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bezocht haar van tijd tot tijd in haar huis. Daar verrichtte hij wuḍūʾ en ṣalāh.
Rubayyiʿ heeft ook verteld hoe men in de tijd van de Saʿādah kinderen liet wennen aan Ramadaan vasten. Zij vertelde dat wanneer de kinderen honger kregen en begonnen te huilen, zij hen naar de Masjid an-Nabawī brachten. Daar hielden zij hen bezig met speelgoed dat zij van wol hadden gemaakt, totdat de tijd van ifṭār aanbrak.
De aḥādīth die door Rubayyiʿ (رضي الله عنها) zijn overgeleverd, zijn opgenomen in de Kutub as-Sittah.)
203. Hadīth
Van Rubayyiʿ bint Muʿawwidh ibn ʿAfrā (رضي الله عنهما): Ik bracht naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) een schaal met verse dadels en enkele komkommers waarvan de bloesems nog niet waren verwelkt. Hij gaf mij daarvoor een handvol sieraden (of een handvol goud).”
In ḥadīth 197 hebben wij gelezen dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) komkommer samen met verse dadels at. Het is duidelijk dat Muʿādh ibn ʿAfrā (رضي الله عنه), deze gewoonte van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) kende. Daarom stuurde hij via zijn dochter Rubayyiʿ een schaal met verse dadels en enkele verse komkommers naar hem.
Voor zo’n eenvoudige gift van een schaal dadels en enkele kleine komkommers gaf an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) een handvol goud en zilveren spullen en sieraden terug. Welke andere vrijgevige persoon kan hiermee vergeleken worden?
Hier valt ook nog een fijn detail op te merken. Degene die de gift aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bracht, was een jonge vrouw. Rasûlullāh gaf haar daarom een geschenk dat vooral voor vrouwen zouden waarderen en dat alleen zij zouden gebruiken: een handvol sieraden of een handvol goud.
In een andere overlevering zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen Rubayyiʿ nadat hij haar een handvol sieraden (of goud) had gegeven: “Maak jezelf ermee mooi!”)
Een technische uitleg
Waarom heeft Imām at-Tirmidhī deze twee vrijwel identieke aḥadīth achter elkaar vermeld?
De reden is dat er een klein verschil bestaat tussen de overleveringen. In één versie twijfelt de overleveraar over wat Rubayyiʿ precies zei: gaf an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) haar “een handvol sieraden” of “een handvol goud”? Door beide versies achter elkaar te plaatsen, wil Tirmidhī (رحمه الله) deze nuance duidelijk maken.
31. HOOFDSTUK: DRANKEN DIE RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم) HEEFT GECONSUMEERD
204. Hadīth
Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): “De drank die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het meest liefhad, was zoet en koud water.”
Wanneer men spreekt over een zoete drank, denkt men in de eerste plaats aan aangenaam zoet drinkwater.
Daarnaast bestaat er ook gezoete drank: dranken die zoet gemaakt zijn met dadels, druiven of honing. Dranken zoals druiven-, abrikozenen pruimencompote en honingdrank vallen hieronder.
Wanneer deze dranken gekoeld worden gedronken, verminderen zij de hitte van het lichaam en geven zij een gevoel van verfrissing. Vanwege het feit dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) van koude honingdrank hield, kan het zijn dat met “zoet en koud water” ook honingdrank bedoeld wordt.
Zout water, warm water en dergelijke kunnen nooit de plaats innemen van zoet en koud water; zij geven niet dezelfde verfrissing. Daarom gaf Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de voorkeur aan eenvoudige dranken boven zware en luxe voeding. De ṣaḥābah die dit wisten en daartoe in staat waren, brachten voor an-Nabī koud water uit de plaats Buyūt as-Suqyā, op twee dagen afstand van Madīnah.
Volgens de overlevering van Jābir ibn ʿAbdillāh (رضي الله عنهما) ging Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op een heel hete dag samen met zijn vriend Abū Bakr (رضي الله عنه) naar de tuin van Anṣārī Abū al-Haytham Mālik ibn at-Tayyihān (رضي الله عنه).
Op dat moment was Abū al-Haytham bezig zijn bomen water te geven.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tegen hem: “O Abū al-Haytham! Als je vannacht in een (oude leren) waterzak gekoeld water hebt, kunnen wij daarvan dan drinken. Zo niet, dan drinken wij met onze handen ook wel uit het water dat zich daar bevindt.”
Abū al-Haytham was verheugd dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn tuin had vereerd. Hij zei: “O Rasûlullāh! Ik heb vers gekoeld water.”
Hij ging snel naar zijn huis, kwam terug met water, vulde een beker en mengde er schapenmelk doorheen. Hij bood dit gekoelde water met melk eerst aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aan. Nadat hij gedronken had, bood hij het aan Abū Bakr (رضي الله عنه), die ook dronk.
Hoeveel Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) van koud water hield, blijkt ook uit zijn du`ā’:
“O Allāh! Maak Uw liefde voor mij geliefder bij mij dan mijn eigen leven, mijn familie en koud water!”
In werkelijkheid was melk de drank waar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het meeste van hield. Versgemolken melk is warm en daardoor niet aangenaam om te drinken. Daarom voegde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) koud water toe aan de versgemolken melk, zodat het prettig werd om te drinken.
205. Hadīth
Van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما): Ik en Khālid ibn al-Walīd gingen samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het huis binnen van de Moeder van de mu’mins Maymūnah (رضي الله عنها).
Maymūnah bracht ons een kom met melk. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dronk eerst van de melk. Ik zat aan de rechterkant van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), en Khālid zat aan zijn linkerkant.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wendde zich tot mij en zei: ‘Het is jouw recht om te drinken. Maar als je Khālid boven jezelf verkiest, kun je de melk eerst aan hem geven.’
Ik zei: ‘Niemand kan ik boven mezelf verkiezen met betrekking tot het drinken van wat uw mond heeft aangeraakt.’
Daarna bepaalde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), terwijl hij iets at of dronk, hoe men tot Allāhu (تعالى) behoort te smeken: ‘Wanneer Allāhu (تعالى) iemand voedsel heeft verstrekt, laat hem voordat hij eet zeggen:
اللَّهُمَّ بَارِكْ لَنَا فِيهِ، وَأَطْعِمْنَا خَيْرًا مِنْهُ
“O Allāh, maak dit voedsel gezegend voor ons en schenk ons iets dat beter is dan dit.”
En wie door Allāhu (تعالى) melk te drinken krijgt, laat hem voordat hij het drinkt zeggen:
اللَّهُمَّ بَارِكْ لَنَا فِيهِ، وَزِدْنَا مِنْهُ
“O Allāh, maak deze drank gezegend voor ons en schenk ons meer ervan.”
Daarna zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) over melk: “Niets anders vervult tegelijk de plaats van voedsel en drank behalve melk; want melk verzadigt en lest de dorst.”
…………………………………………
Op een dag ging Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) samen met ʿAbdullāh ibn ʿAbbās en Khālid ibn al-Walīd (رضي الله عنهم) naar het huis van onze moeder Maymūnah (رضي الله عنها). Ibn ʿAbbās en Khālid waren neven van Maymūnah, omdat zij kinderen waren van haar zusters.
Onze moeder bood hen melk aan. Zij bracht een grote kom melk en gaf die eerst aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Hij dronk daarvan en zei daarna tegen ʿAbdullāh ibn ʿAbbās, die rechts van hem zat: “O ʿAbdullāh! Omdat je rechts zit, is het jouw recht om eerst te drinken. Maar Khālid is ouder dan jij; wil je daarom je recht aan hem afstaan?”
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wilde Abdullāh ibn ʿAbbās aan het volgende herinneren: In onze traditie bestaat de gewoonte om ouderen voorrang te geven boven jezelf. Zou jij daarom je oudere broer Khālid voorrang willen geven?
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf in alle zaken voorkeur aan de rechterkant en aan wat rechts was. De ṣaḥābah beschreven dit als volgt: “an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hield ervan om in al zijn zaken, waar mogelijk, met de rechterkant te beginnen.”
Hij zei ook: “Eerst degene aan de rechterkant, daarna degene die rechts van hem zit.”
Khālid ibn al-Walīd had een hoge positie onder de mensen en was bovendien nog maar kort daarvoor moslim geworden. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wilde door te suggereren dat hij eerst mocht drinken waarschijnlijk zijn hart winnen.
Hoewel Abdullāh ibn ʿAbbās nog maar een jongen van ongeveer tien jaar oud was en er minstens dertig jaar leeftijdsverschil bestond tussen hem en Khālid ibn al-Walīd, bekeek hij de kwestie vanuit een ander perspectief. Hij wilde daarmee het volgende zeggen: “Hij zei: Ik zou wat u zegt met alle liefde doen; maar hier gaat het om het verkrijgen van een deugd en het bereiken van een spirituele rang.
Van de plek waar uw gezegende lippen hebben geraakt drinken; die spirituele zegen, barakah en gelegenheid kan ik aan niemand anders geven”.
De ṣaḥābah van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hechtten grote waarde aan het drinken van de plek waar zijn gezegende mond het had aangeraakt. Zij beschouwden dat als een grote eer en een unieke kans. Want zij hechtten waarde aan tabarruk, dus het zoeken van spirituele overvloed en zegen via hem.”
Onder de vooraanstaande vrouwelijke ṣaḥābah, Asmāʾ bint Yazīd (رضي الله عنها), is er een mooie herinnering over dit onderwerp.
Het was in de dagen dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zou trouwen met ʿĀʾishah. Asmāʾ hielp haar voorbereiden en aankleden voor het huwelijk. Daarna nodigde zij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) uit om zijn bruid in haar bruidskleding te zien.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ging naast de bruid zitten. Op dat moment werd er een grote kom melk aangeboden aan an-Nabī ((صلى الله عليه وسلم).) Nadat hij van de melk had gedronken, gaf hij de kom door aan ʿĀʾishah, die naast hem zat. Asmā bint Yazīd merkte dat ʿĀʾishah zich waarschijnlijk schaamde omdat alle ogen op haar gericht waren.
Ze stootte haar zacht aan en zei: “Pak de kom toch aan van Rasûlullāh!”
Want volgens Asmā was het, zoals eerder uitgelegd, een van de grootste gelukzaligheden om iets uit de hand van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) te ontvangen, en te drinken van wat zijn gezegende lippen had aangeraakt. Door haar aandringen nam ʿĀʾishah uiteindelijk verlegen een paar slokken.
Daarna zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Geef de melk aan je vriendin.”
Waarop zij de kom doorgaf aan Asmā.
Asmāʾ (رضي الله عنها) was werkelijk een zeer scherpe en oplettende vrouw. Ze wilde deze kans volledig benutten en zei tegen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Nee, o Rasûlullāh!
Neem de beker, drink er opnieuw uit en geef het mij eigenhandig.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deed wat Asmāʾ had gezegd. Asmāʾ ging op de grond zitten, zette de melkkom op haar knieën en draaide de kom in haar handen totdat ze de plek vond waar de gezegende lippen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de kom hadden aangeraakt, en zij dronk precies van die plaats.
In deze ḥadīth wees Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ook op de eigenschappen van melk: dat het verzadigt en de dorst wegneemt. Hij zei dat niets behalve melk zowel de plaats van voedsel als van drank kan innemen, omdat melk zowel voedt als de dorst lest.
Aan het einde van de ḥadīth vermeldt Imām at-Tirmidhī dat deze overlevering in verschillende versies bestaat. Sommige ketens komen zonder onderbreking bij hem aan, terwijl in andere versies de naam van de ṣaḥābī niet wordt genoemd. Hij legt dit uitgebreid uit. Dit laat zien hoe zorgvuldig en nauwkeurig de ḥadīthgeleerden waren in hun overleveringen.
Voordat we de uitleg van deze ḥadīth afsluiten, stellen we kort twee belangrijke personen voor die in deze ḥadīth genoemd worden: Maymūnah en Khālid ibn al-Walīd.
Onze moeder Maymūnah was de laatste vrouw met wie Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) trouwde. Dit huwelijk vond plaats in het 7e jaar na de hijrah. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wilde de band versterken met de stam ʿĀmir ibn Ṣaʿṣaʿah en hen zo dichter bij de Islām brengen. Na dit huwelijk accepteerde die stam de Islām.
Haar oorspronkelijke naam was Barrah, wat “rechtschapen en gehoorzaam” betekent. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hield niet van namen die zelfverheffing konden suggereren, daarom veranderde hij haar naam in Maymūnah. Zij overleed in het jaar 51 AH (671 CE). ʿĀʾishah prees haar en zei: “Maymūnah was de meest godvrezende onder ons en degene die de familiebanden het best onderhield.”
Maymūnah heeft 76 aḥadīth overgeleverd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
Een korte toelichting over Khālid ibn al-Walīd (رضي الله عنه):
Deze beroemde held stond bekend als “Sayfullāh” (het Zwaard van Allāh). Zijn afstamming komt op de zevende generatie samen met die van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bij hun gemeenschappelijke voorouder Murrah.
Voordat hij de Islām aannam, was hij, net als zijn vader al-Walīd ibn al-Mughīrah, vijand van de Islām. Toen de liefde voor de Islām zijn hart binnendrong, ging hij in het 8ste jaar van de hijrah (629 CE) naar Madinah en sprak in aanwezigheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de geloofsgetuigenis (kalima-i shahādah) uit, waarna hij moslim werd.
Khālid ibn al-Walīd heeft zowel in de laatste drie jaren van het leven van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) als tijdens de afvalligheidsoorlogen (ridda) onder de tijd van Abu Bakr as-Siddieq (رضي الله عنه) grote diensten bewezen aan de Islām.
Hij leverde waardevolle bijdragen als bevelhebber en opperbevelhebber bij de veroveringen van Perzië en Syrië. Daarna overleed hij in het 21ste jaar van de hijrah (642 CE).
32. HOOFDSTUK: HOE RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم) DRANKEN PLACHT TE DRINKEN
206. Ḥadīth
Van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dronk Zamzam terwijl hij stond.
207. Ḥadīth
Van ʿAbdullāh ibn ʿAmr ibn al-ʿĀṣ (رضي الله عنهما): Ik heb Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zowel staand als zittend water zien drinken.
(ʿAbdullāh ibn ʿAmr ibn al-ʿĀṣ (رضي الله عنهما), de overgrootvader van ʿAmr ibn Shuʿayb, overleed in 65 AH/684 CE. Hij behoorde tot de ṣaḥābah die konden lezen en schrijven en stond bovendien bekend om zijn fraaie handschrift. Daarom gaf Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem toestemming om alles wat hij uit zijn gezegende mond hoorde, iedere uitspraak en iedere ḥadīth, op schrift te stellen.
Abū Hurayrah (رضي الله عنه), de beroemde ṣaḥābī die de meeste aḥādīth heeft overgeleverd, zei dat ʿAbdullāh ibn ʿAmr (رضي الله عنهما) meer aḥādīth kende dan hijzelf, omdat hij de aḥādīth die hij van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had gehoord, had opgeschreven.
Een ander kenmerk van ʿAbdullāh ibn ʿAmr was dat hij dagelijks vastte en de Edele Qur'ān iedere dag volledig uitlas (khatm). an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wees hem erop hierin gematigd te zijn en adviseerde hem om om de dag te vasten en de Qur'ān eenmaal per week volledig uit te lezen.)
208. Ḥadīth
Van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما): Ik gaf Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) Zamzam, waarna hij het staand opdronk.
In de 206. en 208. ḥadīth hebben we gelezen dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) Zamzam staand dronk. En in de 207. ḥadīth dronk hij het zowel staand als zittend.
Laten we eerst het onderwerp van de Zamzam behandelen.
Dit gezegende water wordt zowel “Zamzam” als “Zamzam-water” genoemd.
Volgens sommigen zag Hājar (عليها السلام) hoe het water uit de aarde opwelde. Zij raakte zo opgewonden dat zij, om te voorkomen dat het water nutteloos weg zou stromen, uitriep: “Zamī! Zamī!”, wat betekent: “Rustig!
Stroom langzamer!” Daarom zou dit water de naam Zamzam hebben gekregen. Volgens anderen betekent het woord Zamzam eenvoudigweg “overvloedig water”.
Volgens sommigen dronk Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) Zamzam tijdens de Afscheidshaj staand. Door de enorme drukte kon Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) geen plaats vinden om te gaan zitten en dronk hij daarom Zamzam staand.
Van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) is er een mooie herinnering over dit onderwerp: Op een keer stond Ibn ʿAbbās vlak bij de Zamzam-bron. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg hem om Zamzam. Ibn ʿAbbās bracht een emmer Zamzam, waarna Rasûlullāh uit de emmer staand dronk.
Tijdens de Afscheidshaj verrichtte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de ṭawāf rond de Kaʿbah terwijl hij op zijn kameel zat, zodat de mensen hem goed konden zien en hun vragen aan hem konden stellen. Nadat hij de ṭawāf had voltooid, liet hij zijn kameel neerknielen en verrichtte hij twee rakʿāt ṣalāh. Vermoedelijk heeft hij Zamzam op dat moment staand gedronken.
Sommigen zijn van mening dat alleen Zamzam staand gedronken mag worden. Zoals in de volgende ḥadīth zal blijken, dronk Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ook het water dat overbleef in de waterpot waarmee hij wuḍū' had verricht, terwijl hij stond. Waarschijnlijk deed an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dit zowel met Zamzam als met het overgebleven wuḍū'-water, omdat hij wenste dat de barakah ervan zich door zijn gehele lichaam zou verspreiden.
Daartegenover staan andere aḥadīth waarin Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nadrukkelijk verbiedt water staand te drinken. Een van die overleveringen luidt: “Laat niemand van jullie water drinken terwijl hij staat. Wie het uit vergeetachtigheid toch doet, laat hem het weer uitbraken!”
Heffen sommige van deze aḥadīth de andere op? Met andere woorden: hebben de latere overleveringen de eerdere regelgeving buiten werking gesteld?
Imām an-Nawawī verklaarde dat het niet juist is om tussen deze aḥadīth te zoeken naar nāsikh (de vervangende regel) en mansūkh (de afgeschaftte regel). Vervolgens zei hij:
Het feit dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) soms staand water dronk, toont aan dat dit toegestaan is wanneer daar aanleiding toe bestaat. Zoals we in de 207. ḥadīth zagen, dronk Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zowel staand als zittend. Op grond hiervan kan worden geconcludeerd dat staand water drinken niet ḥarām is, maar hoogstens tanzīhan makrūh (het is toegestaan maar zittend drinken is beter en meer in lijn met ādāb)
De geleerden die de wijze waarop Imām al-Bukhārī deze aḥadīth heeft gerangschikt bestudeerden, zijn tot de conclusie gekomen dat hij het staand drinken van water toegestaan achtte.
Volgens Mālik ibn Anas hebben bekende saḥābah, onder wie ʿUmar, ʿUthmān, ʿAlī, ʿĀʾishah, ʿAbdullāh ibn ʿUmar, Saʿd ibn Abī Waqqāṣ en ʿAbdullāh ibn az-Zubayr (رضي الله عنهم), eveneens staand water gedronken en daarin geen enkel bezwaar gezien.
Andere geleerden zijn van mening dat er vanuit islamitisch oogpunt geen bezwaar bestaat tegen staand water drinken en dat het verbod uitsluitend betrekking heeft op de ādāb. Volgens hen verbood Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het drinken van water in staande houding omdat hij dit schadelijk achtte voor de gezondheid.
Over de gezondheidsnadelen van staand water drinken wordt het volgende gezegd:
Wie staand water drinkt, krijgt zijn dorst niet goed gelest.
Koud water dat staand wordt gedronken, komt plotseling in de maag terecht en kan daardoor schadelijk zijn voor de maag.
209. Ḥadīth
Van Nazzāl ibn Sabrah ( رَحِمَهُ اللهُ): “Terwijl ʿAlī (رضي الله عنه) op de voor hem bestemde plaats in het midden van de moskee van Kūfah zat, bracht men hem een grote kom met water. Hij nam een handvol water uit de kom en waste zijn handen.
Vervolgens spoelde hij zijn mond en neus. Daarna streek hij met zijn natte hand over zijn gezicht, zijn armen en zijn hoofd. Vervolgens dronk hij het water dat in de beker was overgebleven terwijl hij stond. Daarna zei hij: 'Wat ik zojuist heb gedaan, is de wuḍū' van iemand wiens wuḍū' niet verbroken is. Ik heb an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) precies op deze wijze wuḍū' zien verrichten.'
ʿAlī (رضي الله عنه) had in de moskee van Kūfah een ruime plaats in het midden van de moskee. Daar zat hij om de mensen onderricht te geven en hen met raad en vermaning toe te spreken. Op een dag, nadat hij de mensen had voorgegaan in de ṣalāh aẓ-ẓuhr, ging hij daar zitten en begon hij de vragen van de aanwezigen te beantwoorden. Deze vraagen antwoordsessie duurde voort tot aan de ṣalāh al-ʿaṣr.
Toen de tijd voor de ṣalāh al-ʿaṣr was aangebroken, bracht men ʿAlī (رضي الله عنه) een grote kom met water. Hij nam een handvol water en streek daarmee over zijn gezicht, zijn armen en zijn hoofd (volgens sommige overleveringen ook over zijn voeten). Vervolgens stond hij op en dronk hij het water dat in de kom was overgebleven terwijl hij stond.
Daarna legde hij uit dat sommige mensen het vreemd vonden om staand water te drinken, terwijl hij zelf Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) staand water had zien drinken. Vervolgens voegde hij eraan toe dat dit de “wuḍū' is van iemand wiens wuḍū' niet verbroken is.”
Met deze uitspraak bedoelde ʿAlī (رضي الله عنه) dat iemand wiens wuḍū' is verbroken, op de bekende manier wuḍū' moet verrichten. Iemand wiens wuḍū' niet is verbroken, kan dit doen als vorm van verfrissing of reiniging.
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) handelde op deze wijze om duidelijk te maken dat zowel het drinken van het overgebleven wuḍū'-water als het staand drinken van water toegestaan is.
Noch het staand drinken van water, noch het drinken van het overgebleven wuḍū'-water behoort echter tot de Sunnah.
Imām at-Tirmidhī heeft deze ḥadīth in dit hoofdstuk opgenomen om aan te tonen dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ook staand water dronk.
210. Ḥadīth
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) water uit een beker dronk, dronk hij het niet in één ademteug, maar in drie keer. Tussen iedere slok haalde hij adem. Daarbij zei hij: 'Water in drie keer drinken, waarbij men tussendoor pauzeert om adem te halen, vergemakkelijkt de spijsvertering, is gunstig voor de maag en lest de dorst sneller.’
211. Ḥadīth
Van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dronk water waarbij hij twee keer tussendoor ademhaalde.
212. Ḥadīth
Van Kabshah (رضي الله عنها): “Op een dag vereerde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) mijn huis met zijn komst. Hij dronk staand water uit de opening van een leren waterzak die aan de muur hing. Ik stond onmiddellijk op en sneed het gedeelte af waar zijn gezegende mond de waterzak had aangeraakt, (om het als aandenken te bewaren).”
213. Ḥadīth
Van Thumāmah ibn ʿAbdullāh ( رَحِمَهُ اللهُ): Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) dronk zelf ook water in drie ademteugen, omdat hij wist dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het water in drie ademteugen placht te drinken.
Uit de laatste drie aḥadīth hebben we geleerd dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dranken in twee of drie ademteugen dronk. Wanneer hij veel dorst had of de hitte hevig was, dronk hij het water in twee ademteugen. Had hij minder dorst, dan dronk hij het in drie ademteugen.
Laten we dit nader toelichten: Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) water, melk, compote of andere dranken dronk, nam hij eerst de beker of het drinkvat in zijn hand en sprak hij de basmalah uit. Nadat hij één of twee slokken had genomen, haalde hij de beker of het vat van zijn gezegende mond en haalde vervolgens adem.
Tijdens het drinken ademde hij nooit in de beker of het drinkvat. Pas nadat hij de beker van zijn mond had verwijderd, ademde hij in en uit. Vervolgens nam hij opnieuw enkele slokken, waarna hij de beker wederom van zijn mond verwijderde. Dit herhaalde hij drie keer.
Ook waarschuwde hij zijn ṣaḥābah om tijdens het drinken niet in het drinkvat te ademen.
Nadat hij zijn drank had opgedronken, zei hij: “Alḥamdulillāh.”
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) waarschuwde degenen die water of andere dranken in één ademteug opdronken en daarbij vergaten Allah vóór en na het drinken te gedenken, met de volgende woorden: “Drink niet zoals een kameel in één ademteug drinkt. Drink in twee of drie ademteugen. Spreek de basmalah uit voordat je drinkt en zeg daarna: 'Alḥamdulillāh.”
In een andere ḥadīth waarin hij onderwees hoe water gedronken dient te worden, zei dan-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Wanneer jullie water drinken, drink het dan langzaam, slok voor slok, alsof je het voorzichtig opzuigt. Drink het niet in één keer achter elkaar op, want water in één ademteug drinken kan leiden tot aandoeningen van de lever.”
Onze geliefde Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft het drinken van water in één ademteug verboden en vermeld dat de shayṭān op die manier drinkt.
Hierbij dient nog op het volgende te worden gewezen. We hebben gezien dat het vanuit gezondheidsoogpunt nadelig is om water in één ademteug te drinken. Daarnaast is er nog een belangrijk punt, vooral wanneer meerdere mensen uit hetzelfde drinkvat water, ayran of een andere drank drinken.
Wie een drank in één ademteug drinkt, zal onvermijdelijk in het drinkvat uitademen. Men dient zich te realiseren dat dit afkeer kan opwekken bij degenen die na hem uit hetzelfde vat willen drinken.
Een man had gehoord dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had verboden om in een drank te blazen. Hij maakte de volgende opmerking: “Maar wat als ik zie dat er een stukje stro of vuil in het drinkvat is gevallen? Mag ik dan ook niet blazen?”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde hem duidelijk: “Verwijder wat in het drinkvat is gevallen door het weg te gieten.”
214. Ḥadīth
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): “Op een dag vereerde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het huis van mijn moeder Ummu Sulaym (رضي الله عنها) met zijn komst. Een leren waterzak hing aan de muur. Terwijl de an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) stond, dronk hij water uit de opening van die waterzak. Toen mijn moeder dit zag, stond zij onmiddellijk op en sneed de opening van de leren waterzak af om deze als aandenken te bewaren.”
Deze ḥadīth en de 212. ḥadīth tonen de liefde van twee (vrouwelijke) ṣaḥābiyyāt voor an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Het gaat om Ummu Sulaym (رضي الله عنها), de moeder van Anas ibn Mālik, en Kabshah al-Anṣāriyyah (رضي الله عنها), de zus van de dichter Ḥassān ibn Thābit.
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hechtte veel waarde aan deze twee vrouwelijke ṣaḥābiyyāt, die de overleveraars van deze aḥadīth zijn. Op verschillende momenten bezocht hij, waarschijnlijk op hun uitnodiging, hun huizen. Tijdens deze bezoeken zag hij de leren waterzak die aan de muur hing, waarna hij daaruit dronk met zijn gezegende mond.
Toen deze twee vrouwen, wier harten vervuld waren van liefde voor an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), zagen dat de mond van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de opening van hun waterzak had aangeraakt, een eer die niemand durfde te verlangen, stonden zij vol vreugde op en sneden zij de opening van de waterzak af om deze als aandenken te bewaren.
Men kan zich afvragen waarom zij de opening van de waterzak hebben afgesneden. Hiervoor zijn hoofdzakelijk twee redenen te noemen:
De eerste reden is, zoals de tābiʿī-muḥaddith ʿAbdurraḥmān ibn Abī ʿAmrah (de kleinzoon van Kabshah) zei, het verlangen naar tabarruk (zegen).
Hij zei: “Zij (mijn oma Kabshah) sneed de opening van de leren waterzak af en bewaarde die om de zegen te verkrijgen van de plaats waar de mond van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had geraakt.” Zegen verkrijgen van die plek betekent dat men die plek aanraakt of gebruikt in de hoop op barakah en genezing.
De tweede reden kan het verlangen zijn geweest om door dit spirituele bezit een bijzondere eer en onderscheid te verkrijgen. Tussen Ummu Sulaym (رضي الله عنها) en Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bestond een melkverwantschap. Hij bezocht haar soms, deed in haar huis de qaylūlah (middagrust) en at van wat zij hem aanbood.
Tijdens een van deze bezoeken zag de an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) nog voordat hij ging zitten de leren waterzak die aan de muur hing. Hij ging ernaartoe en, waarschijnlijk omdat er geen beker aanwezig was, dronk hij staand water uit de opening van de waterzak.
Toen Ummu Sulaym zag dat de opening van de waterzak vereerd was met de gezegende lippen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), verheugde zij zich alsof zij een grote schat had verkregen. Zij nam onmiddellijk een mes en sneed de opening van de waterzak af om deze als aandenken te bewaren.
Zij wilde niet dat iets anders die plek zou aanraken nadat deze door de lippen van de Habībullāh (صلى الله عليه وسلم) was geëerd.
Zij wist dat zij een unieke spirituele rijkdom had verkregen en bewaarde deze daarom als een kostbare schat voor de barakah. Anas ibn Mālik vermeldde dat dit afgesneden deel van de waterzak nog steeds bij hen in huis aanwezig was.
Hier kan de vraag rijzen: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft het drinken uit de opening van een waterzak verboden, maar waarom deed hij het dan zelf?
Het antwoord is als volgt: Toen de an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deze twee vrouwelijke ṣaḥābiyyāt bezocht, zag hij de waterzak aan de muur hangen en kreeg hij dorst. Omdat er geen beker aanwezig was, dronk hij, om niemand tot last te zijn, uit de opening van de waterzak.
Het verbod op drinken uit de opening van een waterzak moet als volgt worden begrepen: het is niet passend om op deze wijze te drinken, omdat er in open velden of op het land schadelijke insecten in de smalle opening kunnen komen die schade kunnen veroorzaken.
Het verbod is niet absoluut (taḥrīmī), daarom is het in noodsituaties toegestaan om op deze manier te drinken. Waarschijnlijk heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dit ook gedaan om dit aan zijn ummah te tonen. Toch geldt: zonder noodzaak dient men niet met de mond rechtstreeks uit dergelijke vaten te drinken.
215. Ḥadīth
Van Saʿd ibn Abī Waqqāṣ (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dronk soms water terwijl hij stond.
……………….
(Abū Isḥāq Saʿd ibn Abī Waqqāṣ (رضي الله عنه), overleden in 55 AH/675 CE, behoorde tot de tien ṣaḥābah al-ʿAsharah al-Mubashsharah. Hij was de vijfde of, volgens een andere overlevering, de zevende persoon die de eer had de Islām te aanvaarden. Hij omarmde de Islām op zeventienjarige leeftijd.
Omdat hij behoorde tot de Banū Zuhrah, een tak van de Quraysh waartoe ook de moeder van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), Āminah (رضي الله عنها), behoorde, sprak Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem liefdevol aan met de woorden: “Hij is mijn oom van moederszijde.”
Saʿd ibn Abī Waqqāṣ staat bekend als de eerste moslim die op weg van Allah een pijl afschoot. Tijdens de Slag bij Uḥud schoot hij duizend pijlen af, waarop Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem eerde met de woorden: “Moge mijn vader en moeder voor jou worden opgeofferd, o Saʿd! Blijf schieten!”
Saʿd nam deel aan alle veldtochten waarbij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) persoonlijk aanwezig was. Hij was de stichter van de stad Kūfah en diende daar later als gouverneur. Hij was de opperbevelhebber tijdens de Slag bij al-Qādisiyyah (15 AH/636 CE), een van de belangrijkste overwinningen in de geschiedenis van de Islām, en was de eerste onder de bevelhebbers die Perzië veroverden.
De smeekbeden én de vervloekingen van Saʿd werden verhoord. Van hem zijn 271 aḥādīth overgeleverd.)
33. HOOFDSTUK: DE GEURIGE PARFUMERING VAN RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم)
216. Ḥadīth
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had een flesje met geurige olie; wanneer hij parfum wilde gebruiken, bracht hij daarvan op zijn lichaam aan.”
Allahu (تعالى) had aan Zijn geliefde Nabī (صلى الله عليه وسلم) alle vormen van schoonheid geschonken. Hij had niet alleen zijn karakter (akhlāq), maar ook zijn gezegende lichaam op de mooiste wijze geschapen.
De overleveraar Anas ibn Mālik beschreef zijn geur en schoonheid als volgt:
“Ik heb in mijn hele leven nooit iets geroken dat aangenamer was dan de geur van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), noch amber, noch musk, noch iets anders. En ik heb nooit iets aangeraakt dat zachter was dan zijde of brokaat dan de huid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).”
Volgens Jābir ibn Samurah (رضي الله عنه) gebeurde het dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op een dag de kinderen die hem begroetten één voor één over hun wangen streek. Toen hij bij Jābir kwam, streek hij ook over zijn wang. Jābir beschreef later wat hij toen voelde:
“Toen hij bij mij kwam, streek hij ook over mijn wang. Zijn hand was zo koel en zo heerlijk geurend, alsof hij zijn gezegende hand in de mand van de parfum verkoper had geduwd en eruit gehaald.”
Niet alleen het gezegende lichaam van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), maar zelfs de huid van degenen op wie hij zijn speeksel aanbracht, rook geurig.
Volgens Ummu ʿĀṣim, de echtgenote van de ṣaḥābī ʿUtbah ibn Farkad (رضي الله عنهما), had ʿUtbah vier echtgenotes. Elk van hen deed haar best om zo aangenaam mogelijk te ruiken. Toch rook ʿUtbah zelf, ondanks dat hij geen parfum gebruikte, beter dan zijn vrouwen. Mensen zeiden dat zij nooit iemand hadden ontmoet die beter rook dan hij.
Op een dag vroeg zijn vrouw hem: “Wij doen ons best om lekker te ruiken, maar jij ruikt beter dan ons allemaal. Wat is daarvan de reden?”
Hij antwoordde: “Ik had een ondraaglijke huidziekte. Ik vertelde mijn klacht aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Hij beval mij om mijn kleding uit te doen. Ik deed dat en bedekte mijn schaamstreek met mijn kleding en ging voor hem zitten. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) spuugde in zijn gezegende hand, bracht dit vervolgens op mijn rug en buik aan. Sinds die dag heb ik deze geur gekregen.”
Ook het zweet van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) rook alsof musk.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), een genade voor de werelden, deed een middagrust (qaylūlah) in het huis van Ummu Sulaym (رضي الله عنها), met wie hij een melkverwantschap had.
De leren onderlaag waarop hij lag maakte hem flink aan het zweten. Op een moment voelde hij iets over zijn gezicht gaan. Toen hij zijn ogen opende, zag hij Ummu Sulaym die zijn zweet van zijn gezicht verzamelde in een parfumflesje. Hij vroeg haar wat zij deed, waarop zij antwoordde: “Wij bewaren uw zweet, dat de mooiste geur (ter wereld is), in een parfumflesje.”
Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) door een straat liep, bleef zijn heerlijke natuurlijke geur daar achter. Wie daarna die straat betrad, wist dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) daar was langsgekomen.
Men kan zich afvragen: heeft iemand die zó heerlijk ruikt dan nog parfum nodig?
Ja, want zijn Rab had hem “de geur (ṭīb) geliefd gemaakt.” Daarom gebruikte hij musk en amber, geurstoffen waarvan de kleur niet zichtbaar is, maar waarvan de geur wél wordt waargenomen.
217. Ḥadīth
Van Sumāmah ibn ʿAbdullāh ( رَحِمَهُ اللهُ): “Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) weigerde nooit een geurige parfum die hem werd aangeboden.
Hij zei: “an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) weigerde ook nooit een geurige parfum die hem werd aangeboden.”
De leerling van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Sumāmah ibn ʿAbdullāh, ging op een dag bij Anas ibn Mālik op bezoek. Anas bood hem geurige parfum aan en vertelde vervolgens dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nooit een hem aangeboden geur weigerde.
Abū Hurayrah (رضي الله عنه) gaat nog een stap verder met betrekking tot het niet weigeren van parfum en overlevert dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) niet alleen parfum niet afwees, maar ook zei: “Weiger geen geurige parfum wanneer die aan jullie wordt aangeboden.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had voortdurend ontmoetingen met Jibrīl (عليه السلام) en met andere engelen.
Omdat deze subtiele wezens zich ongemakkelijk voelen bij onaangename geuren, zorgde de an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) er altijd voor dat zij op geen enkele wijze werden gehinderd. Daarom reinigde hij zijn tanden bij elke gelegenheid en hechtte hij grote waarde aan een schone mond en een aangename lichaamsgeur.
Evenzo spoorde hij zijn ummah aan om aandacht te besteden aan monden lichaamsverzorging, om parfum te gebruiken en om nooit een aangeboden geurige parfum te weigeren.
218. Ḥadīth
Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Drie geschenken worden niet geweigerd: een kussen, geurige parfum en melk.”
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) nam geschenken die hem werden aangeboden altijd aan, en hij gaf in ruil daarvoor vaak een waardevoller geschenk terug. Hij zei dat het uitwisselen van geschenken de liefde tussen mensen versterkt en wrok en haat uit de harten verwijdert.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) achtte het vooral ongepast om drie soorten geschenken te weigeren.
Dit zijn: een kussen dat iemand krijgt om op te leunen of onder zijn hoofd te leggen tijdens het slapen, geurige parfum en melk. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vond het afwijzen van deze geschenken ongepast omdat het eenvoudige giften zijn die de ontvanger niet belasten en de gever geen moeite kosten. Wanneer zulke kleine geschenken worden geweigerd, kan dit de gever verdriet doen. Daarom spoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn ummah aan om elkaar geschenken te geven en om eenvoudige, niet-belastende giften te accepteren die geen moeite of last veroorzaken voor degene die geeft.
219. Ḥadīth
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De geurige parfum die door mannen gebruikt wordt, behoort van een soort te zijn waarvan de kleur niet zichtbaar is, maar waarvan de geur wel wordt waargenomen. De geurige parfum die door vrouwen gebruikt wordt, behoort van een soort te zijn waarvan de geur niet door anderen wordt waargenomen, maar waarvan de kleur wel zichtbaar is.”
Geurige parfum is een goddelijke gave. Zowel mannen als vrouwen mogen het gebruiken.
Volgens an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dient de parfum die door mannen wordt gebruikt geen opvallende kleur te hebben, maar wel een duidelijke geur. De parfum die door vrouwen wordt gebruikt dient daarentegen een zichtbare kleur te hebben, maar geen waarneembare geur voor anderen.
Dit omdat het voor vrouwen van belang is dat zij niet de aandacht trekken van vreemde mannen. Daarom dienen vrouwen, wanneer zij hun huis verlaten, parfums te gebruiken waarvan de geur niet merkbaar is. In aanwezigheid van hun echtgenoten mogen zij echter zowel geurige als zichtbare parfums gebruiken.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vond het passend dat mannen zich op vrijdag, tijdens de ʿĪd-gebeden en wanneer zij naar bijeenkomsten gingen, met parfum dienen te verzorgen. Hij spoorde het gebruik van geur aan, vooral op de vrijdag, de dag van de moslim-gemeenschap.
In de tijd van de gelukzalige generaties (ʿaṣr al-saʿādah) bestond er niet zo’n grote verscheidenheid aan parfums als vandaag. In die tijd werden vooral rozenolie, musk en amber gebruikt. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hield bijzonder veel van musk en gebruikte dit vaak.
220. Ḥadīth
Deze ḥadīth, waarvan hier alleen de isnād wordt vermeld, heeft qua bewoording en betekenis exact dezelfde inhoud als de vorige ḥadīth.
Imām at-Tirmidhī heeft deze ḥadīth aangehaald ter ondersteuning van de voorgaande ḥadīth.
……..
221. Ḥadīth
Van Abū ʿUthmān an-Nahdī ( رَحِمَهُ اللهُ): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer iemand van jullie een geurige basilicum (rayḥān) wordt aangeboden, laat hij die niet weigeren maar aannemen; want rayḥān komt uit het Paradijs.”
Imām Abū ʿĪsā at-Tirmidhī zei: “In de isnād van deze ḥadīth bevindt zich Ḥanān, van wie wij geen andere overlevering kennen dan deze ḥadīth.”…….
In deze ḥadīth wordt echter specifiek de plant rayḥān genoemd, waarvan wordt gezegd dat deze tot de bloemen van het Paradijs behoort.
Vervolgens wordt aanbevolen dat iemand die rayḥān aangeboden krijgt, deze niet weigert maar accepteert.
De Arabieren gebruiken het woord rayḥān voor elke geurige plant. In Irak en Syrië wordt hiermee basilicum bedoeld, terwijl men in de Maghreb de mirteboom zo noemt.
Omdat elke geurige plant rayḥān wordt genoemd, kan deze ḥadīth ook worden begrepen als: “Wie een geurige gift ontvangt, moet deze niet weigeren.”
In sommige overleveringen wordt het woord ook uitgesproken als rayḥānah. In een vergelijking over een mu’min en een hypocriet die de Qurʾān leest of niet leest, zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “De zondaar (fājir) die de Qurʾān reciteert is als rayḥānah: de geur is goed, maar de smaak is bitter.” In de overleveringen van Ṣaḥīḥ al-Bukhārī wordt hij een fājir genoemd, terwijl in andere versies een munāfiq (huichelaar) wordt genoemd.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bedoelde met het feit dat geur uit het Paradijs komt het volgende: De ware oorsprong van geur is het Paradijs. Allahu (تعالى) heeft geur geschapen om ons te herinneren aan de geur van het Paradijs, zodat wij worden aangespoord om onze dienende taken goed te vervullen en het Paradijs te verdienen.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft bericht dat de geur van het Paradijs op een afstand van veertig jaar reizen kan worden waargenomen. Als dat zo is, dan is het duidelijk dat de bloemen van deze wereld niet te vergelijken zijn met de bloemen van het hiernamaals.
…………………….
(Abū ʿUthmān ʿAbdur-Raḥmān ibn Mull an-Nahdī (ook overgeleverd als Mil of Mal), overleed in 100 AH/718 CE. Hij werd geboren in de tijd van de Jāhiliyyah. Hoewel hij tijdens het leven van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de Islām aanvaardde, had hij niet de eer hem te ontmoeten.
Daarom behoorde hij niet tot de ṣaḥābah, maar tot de mukhaḍramūn.
Omdat hij 130 jaar oud werd, wordt hij ook gerekend tot de muʿammarūn (de langlevenden). Hij wijdde zich dag en nacht aan de aanbidding van Allah en vastte onafgebroken.
Een van zijn bekende uitspraken luidt: “Ik heb 130 jaar geleefd. In die tijd heb ik gezien dat alles verouderde en veranderde, maar de verlangens en begeerten van het hart zijn nooit veranderd.”)
222. Ḥadīth
Van Jarīr ibn ʿAbdullāh (رضي الله عنهما): Op een keer werd ik bij ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه) gebracht. (De overleveraar, Qays ibn Abī Ḥāzim, die deze ḥadīth van Jarīr heeft overgeleverd, , of Jarīr zelf zei hierover:) Jarīr ging naar ʿUmar, nadat hij zijn bovenkleed (ridāʾ) had uitgetrokken, alleen gekleed in zijn onderkleed (izār), en liep zo verder.
ʿUmar zei tegen hem: 'Neem je ridāʾ en kleed je aan.'
Vervolgens draaide hij zich om naar de aanwezigen en zei: “Los van wat ons over de schoonheid van Yūsuf (عليه السلام) is overgeleverd, heb ik in mijn leven niemand gezien die mooier is dan Jarīr.”
ʿUmar (رضي الله عنه) wilde graag de mannen die hij in militaire missies wilde aanstellen goed leren kennen. Hij keek daarbij naar hun kracht, moed en geschiktheid voor specifieke taken. Om die reden liet hij Jarīr (رضي الله عنه) bij zich komen om informatie te verkrijgen over zijn kracht en eigenschappen. Jarīr wilde zijn moed en fysieke kracht tonen, en op verzoek van de khaliefah trok hij zijn bovenkleed uit en liep hij op een manier die zijn kracht liet zien. Toen ʿUmar overtuigd was van zijn moed, zei hij dat de test voltooid was en dat hij zich weer mocht aankleden.
Daarna zei hij tegen de aanwezigen dat hij nog nooit iemand had gezien die zo moedig en tegelijk zo knap was als Jarīr, behalve wat er over de schoonheid van Yūsuf (عليه السلام) is overgeleverd.
Er is ook bekend dat ʿUmar (رضي الله عنه) over hem zei: “Hij is de Yūsuf van deze ummah.”
Later stuurde ʿUmar (رضي الله عنه) hem als bevelhebber op verschillende militaire expedities, waarbij hij belangrijke bijdragen leverde aan de veroveringen van verschillende steden.
De vaardigheid van Jarīr ibn ʿAbdullāh al-Bajalī in het paardrijden was het gevolg van de duʿāʾ die hij van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had ontvangen. Toen hij klaagde dat hij niet goed kon paardrijden, raakte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn borst aan en deed een duʿāʾ voor hem. Vanaf dat moment werd Jarīr een van de moedigste en beste ruiters van de Arabieren.
Wat betreft de schoonheid van Yūsuf (عليه السلام): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tijdens zijn Miʿrāj dat hij Yūsuf had gezien en dat hem “de helft van de schoonheid” was gegeven.
Wat wordt bedoeld met “de helft van de schoonheid”? Dit wordt op twee manieren uitgelegd: ofwel de helft van de schoonheid van de mensen van zijn tijd, ofwel dat hem de helft van de schoonheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) is gegeven.
Zonder twijfel is innerlijke schoonheid waardevoller dan uiterlijke schoonheid. Zoals Rabbu’l `Âlamī nover het verheven karakter van de an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei:
وَإِنَّكَ لَعَلَىٰ خُلُقٍ عَظِيمٖ ٤
En waarlijk, jij beschikt over een hoogstaand karakter. (Qalam, 68:4)
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) legde dit zelf als volgt uit: “Ik ben slechts gezonden om de goede moraal (akhlāq) te voltooien.”
Sommigen vonden dat deze ḥadīth geen verband heeft met geur en dat hij daarom niet in dit hoofdstuk geplaatst had moeten worden. Andere geleerden hebben echter verdedigd dat schoonheid verband houdt met geur, waardoor Imām at-Tirmidhī zijn plaatsing gerechtvaardigd is.
Zij die deze ḥadīth toch met geur in verband brengen, stellen het volgende:
Wie een mooi gezicht heeft, behoort ook een mooi karakter te hebben.
Wie zijn karakter niet verbetert terwijl hij uiterlijk mooi is, doet iets verkeerds, net zoals iemand die een gebod van de an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) negeert en geur weigert.
Hier kan de vraag rijzen: moet iemand met een mooi gezicht zijn karakter verbeteren, maar iemand met een lelijk gezicht niet? Hierop is geantwoord:
Er bestaat geen lelijk mens, want Allahu (تعالى) heeft gezegd:
لَقَدۡ خَلَقۡنَا ٱلۡإِنسَٰنَ فِيٓ أَحۡسَنِ تَقۡوِيمٖ ٤
Waarlijk, Wij hebben de mens (Adam en zijn nageslacht) in de beste vorm geschapen. (Tîn 95:4)
Het belangrijkste is innerlijke schoonheid. Degene die zijn karakter net zo mooi maakt als zijn uiterlijk, bereikt de volmaaktheid.
(Abū ʿAmr Jarīr ibn ʿAbdillāh al-Bajalī (رضي الله عنه), overleden in 51 AH/671 CE. Hij was de leider van de Bajīlah-stam in Jemen. Na eigen onderzoek kwam hij tot de overtuiging dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werkelijk de Boodschapper van Allah was. Veertig dagen vóór het overlijden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aanvaardde hij de Islām.
Samen met honderdvijftig leden van de Bajīlah-stam reisde hij naar Madīnah. Toen zij de stad naderden, liet hij zijn kameel neerknielen. Hij haalde zijn schone kleding uit zijn zadeltas, trok die aan en ging vervolgens de Masjid an-Nabawī binnen terwijl Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de khuṭbah hield.
Toen Jarīr binnenkwam, keken de ṣaḥābah aandachtig naar hem. Hij vroeg aan de ṣaḥābī naast wie hij ging zitten:
“O mijn broeder, heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) iets over mij gezegd?”
De ṣaḥābī antwoordde: “Ja. Kort daarvoor sprak hij lovende woorden over jou”.
Hij zei: “ Zo meteen zal door deze deur een van de beste mensen van Jemen binnenkomen, met een gezicht dat de schoonheid van een engel weerspiegelt.”
Nadat Jarīr ibn ʿAbdillāh dit had verteld, zei hij: “Toen ik dit hoorde, prees ik Allah voor de gunst die Hij mij had geschonken.”
Jarīr heeft honderd aḥādīth van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overgeleverd.)
34. HOOFDSTUK: DE SPREEKWIJZE VAN RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم)
223. Hadīth
Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) sprak niet snel en onafgebroken zoals jullie dat doen. Hij sprak rustig en bedachtzaam, op een manier waarbij elk woord duidelijk begrepen kon worden. Degenen die bij hem aanwezig waren, konden zijn woorden uit het hoofd leren.”
224. Hadīth
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): “Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) sprak, herhaalde hij zijn woorden drie keer, zodat ze goed begrepen en onthouden konden worden.”
Onze moeder ʿĀʾishah (رضي الله عنها) vertelde in de vorige hadīth dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op een buitengewoon heldere, duidelijke en begrijpelijke wijze sprak.
Dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) “rustig en zó sprak dat elk woord begrepen kon worden”, betekende niet dat hij zo langzaam sprak dat zijn toehoorders zich zouden vervelen.
Wat mensen gewoonlijk snel en zonder onderbreking al pratend zeggen, zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in dezelfde tijd op een rustige, duidelijke en goed te begrijpen manier.
In een andere hadīth beschreef ʿĀʾishah deze manier van spreken van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) als volgt: “Als iemand de woorden had willen tellen die uit zijn mond kwamen, dan had hij die zonder moeite kunnen tellen.”
In de hadīth die wij hier behandelen, komt de genegenheid en barmhartigheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) voor zijn ummah duidelijk naar voren. Er wordt vermeld dat hij de woorden waarvan hij wilde dat zijn ṣaḥābah deze beslist zouden moeten leren, telkens drie keer herhaalde. Deze manier van spreken van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) laat zien dat mensen zich op drie verschillende niveaus van begrip bevinden. Sommigen begrijpen een uitspraak meteen wanneer zij die voor het eerst horen; anderen begrijpen haar pas bij de tweede keer, terwijl weer anderen behoefte hebben aan een derde herhaling.
Daarom herhaalde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de zinnen en uitdrukkingen waarvan hij het noodzakelijk vond dat zij geleerd werden, telkens drie keer, zodat zijn toehoorders ze gemakkelijk konden begrijpen.
Hierbij moeten wij ook vermelden dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) buitengewoon welsprekend was. Zijn ṣaḥābah, die met bewondering naar zijn woorden luisterden, zeiden hem op een dag dat zij nog nooit iemand zo verzorgd hadden horen spreken als hij.
Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Waarom zou ik niet verzorgd spreken, terwijl de Qurʾān in mijn taal, een heldere en duidelijke Arabische taal, is neergezonden?”
Bij een andere gelegenheid legde hij uit waarom hij zo verzorgd sprak: “Ik ben zonder twijfel degene die het zuiverst Arabisch spreekt. Ik behoor immers tot de Quraysh-stam en ben opgegroeid in het land van Banū Saʿd.”
Met deze uitspraak verbond Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn welsprekendheid aan twee oorzaken: ten eerste zijn afkomst uit de oorspronkelijk Arabische stam van Quraysh, en ten tweede het feit dat hij zijn vroege jeugd doorbracht onder Banū Saʿd, die bekendstonden om hun zuivere en verzorgde Arabisch. Nog belangrijker dan deze beide oorzaken was uiteraard dat hij door de goddelijke openbaring (waḥy) werd ondersteund.
225. Hadīth
Van Ḥasan, de zoon van ʿAlī (رضي الله عنهما): “Mijn oom Hind ibn Abī Hālah behoorde tot degenen die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het beste konden beschrijven.
Ik zei tegen hem:”'Oom, vertel mij hoe Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) sprak, zodat ik dat kan leren.”
Mijn oom vertelde: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was meestal bedroefd.
Hij dacht voortdurend aan Allah en kende geen rust.
Hij sprak meestal weinig en alleen wanneer er behoefte aan was.
Hij begon zijn woorden met het gedenken van Allah en eindigde zijn gesprek eveneens met het gedenken van Allah.
Met weinig woorden bracht hij veel betekenis over.
Hij sprak helder en duidelijk.
In zijn woorden was noch overdaad noch tekort.
Omdat hij vriendelijk en zachtaardig van karakter was, behandelde hij de mensen om hem heen nooit ruw en keek hij op niemand neer.
Hoe gering de gunsten van Allah ook waren, hij toonde er altijd respect voor en kleineerde er nooit één van.
Eten en drinken bekritiseerde hij niet omdat het niet lekker zou zijn, maar hij prees het ook niet overdreven.
Hij werd niet boos om wereldse zaken of om iets dat met deze wereld te maken had. Alleen wanneer een recht (van Allah of Zijn dienaren) werd geschonden, werd hij heel boos, en zijn boosheid bedaarde pas nadat hij had gedaan wat noodzakelijk was.
Hij raakte niet boos wanneer hem persoonlijk grof of onrechtvaardig werd behandeld, en hij zocht ook geen wraak.
Wanneer hij ergens naar wilde wijzen, deed hij dat niet met zijn vinger maar met zijn hand.
Wanneer hij ergens over verwonderd was, hief hij de binnenkant van zijn hand in de richting van de hemel.
Tijdens het spreken bewoog hij zijn hand in overeenstemming met zijn woorden en sloeg hij met zijn rechterhand in de binnenkant van de duim van zijn linkerhand.
Wanneer hij boos werd op iemand, draaide hij zijn hoofd van die persoon weg.
Wanneer hij blij was, liet hij zijn blik naar de grond zakken.
Zijn lach was meestal een glimlach. Wanneer hij glimlachte, waren zijn tanden helder wit als parels.
Hind ibn Abī Hālah, die de manier van spreken van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beschreef, was de oom van Ḥasan (رضي الله عنه). Hij was een zoon uit het huwelijk van Khadījah (رضي الله عنها) met Abū Hālah en was tevens de halfbroer van Fāṭimah (رضي الله عنها), van dezelfde moeder.
Op verzoek van zijn neef vertelde Hind ibn Abī Hālah hoe Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) sprak en hoe hij zweeg. Laten wij nu zijn beschrijvingen één voor één bekijken.
Werd Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) soms bedroefd wanneer hij iets niet kon verkrijgen of wanneer hem een moeilijkheid trof? Nee, hij werd bedroefd omdat hij nadacht over de grootheid en verhevenheid van Allah, over de toestand van zijn ummah in deze wereld en over hun toestand in het hiernamaals. Hij vond een bedroefd hart meer passend bij ware dienaarschap en zei: “Allahu (تعالى), houdt van bedroefde harten.”
In de eerste jaren van de Islām was an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vooral bedroefd omdat de kāfirs en de mushriks niet tot het geloof kwamen. Daarop waarschuwde Allahu (تعالى), hem met de volgende āyāt:
لَعَلَّكَ بَٰخِعٞ نَّفۡسَكَ أَلَّا يَكُونُواْ مُؤۡمِنِينَ ٣
Misschien zou jij jezelf vernietigen van verdriet omdat zij geen gelovigen zijn.
(Shuarâ, 26:3)
فَلَعَلَّكَ بَٰخِعٞ نَّفۡسَكَ عَلَىٰٓ ءَاثَٰرِهِمۡ إِن لَّمۡ يُؤۡمِنُواْ بِهَٰذَا ٱلۡحَدِيثِ أَسَفًا ٦
Misschien zou jij (O Mohammed) je uit droefheid over hun voetstappen vernietigen uit verdriet want zij geloven niet in deze vertelling. (Kahf, 18:6)
en:
وَٱصۡبِرۡ وَمَا صَبۡرُكَ إِلَّا بِٱللَّهِۚ وَلَا تَحۡزَنۡ عَلَيۡهِمۡ وَلَا تَكُ فِي ضَيۡقٖ مِّمَّا يَمۡكُرُونَ ١٢٧
En wees geduldig (O Mohammed), en jij bent slechts geduldig door Allah. En wees niet bedroefd over hen (die zich in ongehoorzaamheid van jou hebben afgewend), en raak niet van streek door de snode plannen die zij smeden. (Nahl, 16:127)
Nadat deze āyāt waren neergezonden, was op zijn gezegende gezicht vaker een glimlach dan droefheid te zien.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was vooral bedroefd wanneer hij alleen was. Wanneer hij zich echter onder de mensen bevond, ontbrak de glimlach niet op zijn gezegende gezicht, omdat hij hen tevreden en op hun gemak wilde stellen.
Mensen proberen verlichting te vinden door hun verdriet met elkaar te delen. De anbiyā daarentegen leggen hun verdriet voor aan Allahu (تعالى). Dat bracht Yaʿqūb (عليه السلام) als volgt onder woorden:
قَالَ إِنَّمَآ أَشۡكُواْ بَثِّي وَحُزۡنِيٓ إِلَى ٱللَّهِ وَأَعۡلَمُ مِنَ ٱللَّهِ مَا لَا تَعۡلَمُونَ ٨٦
Hij zei: “Ik klaag alleen over mijn verdriet bij Allah en ik weet van Allah datgene wat jullie niet weten.” (Yûsuf, 12:86)
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zette zich voortdurend in om de mensen goed te doen en hun wonden te helen. Hij spande zich in om de Islām onder steeds meer mensen te verspreiden. Daarom besteedde hij weinig tijd aan eten, drinken en het genieten van wereldse genoegens.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vond rust en innerlijke vrede vooral in de ṣalāh. Daarom zei hij tegen Bilāl (رضي الله عنه): “O Bilāl! Sta op, verricht de adhān en breng ons tot rust met de ṣalāh.”
Om duidelijk te maken dat hij zijn rust, vrede en vreugde in de ṣalāh vond, zei hij ook:
“Mijn grootste vreugde ligt in de ṣalāh.”
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) sprak alleen wanneer dat nodig was. Hij zweeg vaker dan dat hij sprak. En wanneer hij sprak, uitte hij geen nutteloze woorden.
Als hij de mensen hun dīn moest onderwijzen, deed hij dat. Had hij iets te zeggen dat hun in hun wereldse leven tot nut zou zijn, dan sprak hij daarover. Anders verkoos hij de stilte, zodat hij kon nadenken over Allahu (تعالى), en over de taken die hij diende te vervullen.
Om de waarde van het zwijgen te benadrukken, zei hij: “Wie zwijgt, is gered.”
In een andere hadīth bracht hij de waarde van het zwijgen als volgt onder woorden:
“Wie in Allah en de Laatste Dag gelooft, laat hem het goede spreken of zwijgen.”
Allahu (تعالى), heeft de mu'mins immers gewaarschuwd tegen nutteloos spreken door te zeggen:
وَٱلَّذِينَ هُمۡ عَنِ ٱللَّغۡوِ مُعۡرِضُونَ ٣
En degenen die zich van het oppervlakkige gesprek afkeren. (Mu’minûn, 23:3)
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) begon zijn woorden met het gedenken van Allah, dat wil zeggen met de basmalah, en beëindigde zijn toespraak met het prijzen van Allah (al-hamdulillāhie Rabbi’l `Âlamīn). In de Qurʾān wordt immers over de bewoners van het Paradijs gezegd:
دَعۡوَىٰهُمۡ فِيهَا سُبۡحَٰنَكَ ٱللَّهُمَّ وَتَحِيَّتُهُمۡ فِيهَا سَلَٰمٞۚ وَءَاخِرُ دَعۡوَىٰهُمۡ أَنِ ٱلۡحَمۡدُ لِلَّهِ رَبِّ ٱلۡعَٰلَمِينَ ١٠
Zij smeken daarin: “Verheerlijkt zij U, O Allah” en “vrede’ zal hun groet daarin zijn. En de afsluiting van hun verzoek zal zijn: “Alle lof en dank aan Allah, de Heer der Werelden. (Yûnus, 10:10)
Kortom, een mu’min dient de Naam van Allah voortdurend uit te spreken (en Hem in zijn hart te gedenken.) Waar gepast dient hij woorden als Bismillāh, Subḥānallāh, Mā shāʾ Allāh en Astaghfirullāh uit te spreken en Allah bij elke gelegenheid te gedenken.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) sprak bondig en kernachtig. Deze bijzondere eigenschap wordt aangeduid met de term Jawāmiʿu al-Kalim (bondige woorden met brede en diepe betekenis). An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) omschreef deze bijzondere gave met de volgende woorden: “Ik ben gezonden met Jawāmiʿu al-Kalim.”
En ook: “Aan mij is de eigenschap van Jawāmiʿu al-Kalim geschonken.”
Hier volgen enkele voorbeelden van de kernachtige en diepzinnige uitspraken van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم):
“Een echte dappere man is niet degene die zijn tegenstander in het worstelen verslaat; de ware dappere is degene die zijn woede overwint wanneer hij boos wordt.”
“Het achterwege laten van wat hem niet aangaat, is een teken dat iemand een goede moslim is.”
“Hecht geen waarde aan de wereld, dan zal Allah van je houden; begeer niet wat de mensen bezitten, dan zullen de mensen van je houden.”
“De grootste armoede is onwetendheid.”
“Er zijn woorden die op de luisteraar inwerken als magie.”
“Een mu'min wordt niet twee keer uit hetzelfde slangenhol gebeten.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bezat faṣāḥah (taalkundige zuiverheid en helderheid van taal) en balāghah (welsprekendheid en doelgerichte, effectieve communicatie)
Faṣāḥah; dat wil zeggen dat hem de gave was geschonken om zuiver, correct en verzorgd te spreken.
Balāghah; dat wil zeggen dat hij de gave had om treffend, doeltreffend en op het juiste moment te spreken. Daardoor wist hij moeiteloos door te dringen tot de diepere betekenis van zaken en bracht hij met de hem door Allah ingegeven wijze woorden zijn bedoeling op de meest bondige en krachtige wijze onder woorden.
In deze hadīth wordt vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) helder en duidelijk sprak met de woorden: “Hij sprak helder en duidelijk.” Deze uitdrukking kan ook betekenen: “Hij maakte onderscheid tussen de waarheid en de valsheid” en “Hij sprak altijd de waarheid.”
In de woorden van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was er geen overbodigheid en geen tekort. Met andere woorden: hij sprak altijd in gepaste mate; hij bracht zijn bedoeling volledig en duidelijk tot uitdrukking, en hij sprak nooit meer dan nodig was.
Ook degenen die de mensen kennis en de dīn onderwijzen, dienen deze eigenschappen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), als voorbeeld te nemen. Zij behoren zowel kernachtig te spreken als op een heldere, duidelijke en begrijpelijke wijze, zodat iedereen hen gemakkelijk kan begrijpen.
Omdat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vriendelijk en zachtaardig van karakter was, behandelde hij de mensen om hem heen nooit ruw en keek hij op niemand neer.
Hij was niet alleen vriendelijk en zachtmoedig tegenover zijn familieleden en naasten, maar ook tegenover vreemdelingen. Hij kwetste of beledigde niemand.
De Qurʾān beschrijft hem als volgt
لَقَدۡ جَآءَكُمۡ رَسُولٞ مِّنۡ أَنفُسِكُمۡ عَزِيزٌ عَلَيۡهِ مَا عَنِتُّمۡ حَرِيصٌ عَلَيۡكُم بِٱلۡمُؤۡمِنِينَ رَءُوفٞ رَّحِيمٞ ١٢٨
Waarlijk, er is tot jullie een Boodschapper gekomen uit jullie eigen (gemeenschap). Zwaar voor hem is jullie lijden, vurig wenst hij het goede voor jullie, voor de gelovigen is hij vol medelijden, vriendelijk en genadevol. (Tawbah, 9:128)
Zou Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn doel hebben bereikt als hij hardvochtig en kwetsend met de mensen was omgegaan in plaats van zachtmoedig? Het antwoord op die vraag wordt gegeven in de volgende āyah:
فَبِمَا رَحۡمَةٖ مِّنَ ٱللَّهِ لِنتَ لَهُمۡۖ وَلَوۡ كُنتَ فَظًّا غَلِيظَ ٱلۡقَلۡبِ لَٱنفَضُّواْ مِنۡ حَوۡلِكَۖ فَٱعۡفُ عَنۡهُمۡ وَٱسۡتَغۡفِرۡ لَهُمۡ وَشَاوِرۡهُمۡ فِي ٱلۡأَمۡرِۖ فَإِذَا عَزَمۡتَ فَتَوَكَّلۡ عَلَى ٱللَّهِۚ إِنَّ ٱللَّهَ يُحِبُّ ٱلۡمُتَوَكِّلِينَ ١٥٩
En door de Genade van Allah ging jij vriendelijk (en liefdevol) met hen om. (Maar) als je streng en hardvochtig tegen hen was geweest, dan hadden zij zich (ongetwijfeld in groepjes) van je afgekeerd. Vergeef hen dus (hun fouten op basis van dit verheven karakter) en vraag (Allah vervolgens om) vergiffenis voor hen zodat je hen kunt raadplegen bij het nemen van beslissingen.
En als je een besluit hebt genomen, stel dan je vertrouwen in Allah. (Want) voorzeker, Allah houdt van degenen die (onbeperkt) vertrouwen hebben (in Hem alléén). (Âl-i İmrân 3:159)
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) liet altijd groot respect zien voor de voorzieningen (rizq) die Allahu (تعالى) hem had geschonken, ook al waren die gering. Hij minachtte ze nooit.
Hij loofde Allah voor de zegeningen die Hij hem gaf en besteedde deze zegeningen op de plaatsen waar Allahu (تعالى) dat had voorgeschreven.
Eten en drinken bekritiseerde hij niet vanwege een gebrek of een onvolkomenheid, en hij prees aangename zaken ook niet overdreven. Want alleen arrogante mensen minachten een zegen, terwijl gulzige en op hun maag gerichte mensen juist de dingen die zij lekker vinden overdreven prijzen.
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hechtte geen waarde aan wereldse rang of positie. Als hij geen voordeel verkreeg, werd hij niet boos op iemand en raakte hij niet verontwaardigd of gekwetst. Waar hij waarde aan hechtte waren niet de wereld en haar vergankelijke zaken, maar het Hiernamaals en alles wat daarmee verbonden is. Want Allahu (تعالى) had hem hierover als volgt gewaarschuwd:
وَلَا تَمُدَّنَّ عَيۡنَيۡكَ إِلَىٰ مَا مَتَّعۡنَا بِهِۦٓ أَزۡوَٰجٗا مِّنۡهُمۡ زَهۡرَةَ ٱلۡحَيَوٰةِ ٱلدُّنۡيَا لِنَفۡتِنَهُمۡ فِيهِۚ وَرِزۡقُ رَبِّكَ خَيۡرٞ وَأَبۡقَىٰ ١٣١
En staar niet met je ogen in verlangen naar zaken die Wij aan verschillende groepen voor vermaak hebben gegeven, (het is slechts) de schittering van het leven van deze wereld, dat Wij hen daarmee moge testen. Maar de voorziening van jullie Heer is beter en blijvender. (Tâ Hâ, 20:131)
Daarom moet men niet vergeten dat de wereld vergankelijk is en niemand kwetsen om iets dat slechts tijdelijk is.
Een van de dingen die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) boos maakte, was wanneer het recht (van Allah of Zijn dienaren) werd geschonden. In zo’n geval werd hij heel boos, en zijn boosheid bedaarde pas wanneer het recht hersteld was. Wanneer iemand de grenzen van het recht overschreed, werd hij boos op die persoon. En niemand kon hem tot rust brengen totdat het recht werd teruggegeven aan degene die benadeeld was.
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) raakte niet boos en zocht geen wraak wanneer hijzelf ruw of onrechtvaardig werd behandeld.
Ongemanierde bedoeïenen of hypocrieten kwetsten hem soms met hun woorden of daden. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) beantwoordde dit soort hardheid met mildheid of vergaf het. Hij deed goed aan degene die hem kwaad deed. Want Allahu (تعالى) had hem in zulke situaties het volgende geleerd:
خُذِ ٱلۡعَفۡوَ وَأۡمُرۡ بِٱلۡعُرۡفِ وَأَعۡرِضۡ عَنِ ٱلۡجَٰهِلِينَ ١٩٩
Aanvaard de verontschuldiging (van je medemens), spoor aan tot het goede en keer je af van de dwazen (door bij hen weg te blijven). (A`râf, 7:199)
وَلَا تَسۡتَوِي ٱلۡحَسَنَةُ وَلَا ٱلسَّيِّئَةُۚ ٱدۡفَعۡ بِٱلَّتِي هِيَ أَحۡسَنُ فَإِذَا ٱلَّذِي بَيۡنَكَ وَبَيۡنَهُۥ عَدَٰوَةٞ كَأَنَّهُۥ وَلِيٌّ حَمِيمٞ ٣٤
De goede daad en de slechte daad kunnen niet gelijk zijn. Vervang (het kwaad) met wat beter is, dan zal degene met wie je in vijandschap leefde je hartsvriend worden. (Fussılat, 41:34)
Wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ergens naar wilde wijzen, dan wees hij niet alleen met zijn vinger, maar met zijn hele hand. Want bij het aanwijzen van een persoon of een voorwerp is het gebruiken van de hand in plaats van alleen de vinger een meer nederige houding. Alleen wanneer hij in de tashahhud de getuigenis van geloof uitsprak, hief hij zijn wijsvinger op.
Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ergens verwonderd over was, hief hij de binnenkant van zijn hand omhoog richting de hemel.
Wanneer hij wilde aangeven dat wereldse zaken ingewikkeld waren of zouden worden, draaide hij de handpalm soms omhoog of juist omlaag.
Ook tijdens het spreken bewoog hij zijn hand in overeenstemming met zijn woorden, en sloeg hij met zijn rechterhand in de binnenkant van de duim van zijn linkerhand.
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) keek altijd naar het gezicht van degene met wie hij sprak. Wanneer hij echter boos werd op iemand, draaide hij zijn hoofd van hem weg. En hij antwoordde woede niet met woede, maar met kalmte. Daarmee handelde hij in overeenstemming met de volgende vers:
…
فَٱعۡفُ عَنۡهُمۡ وَٱصۡفَحۡۚ إِنَّ ٱللَّهَ يُحِبُّ ٱلۡمُحۡسِنِينَ ١٣
… Maar vergeef hen, en negeer (hun fouten). Waarlijk, Allah houdt van de weldoeners. (Mâidah, 5:13)
Wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) blij was, richtte hij zijn blik naar de grond. Dit toont zijn nederigheid, want mensen verliezen bij vreugde vaak hun maat en gedragen zich op een overdreven manier.
Ook zijn glimlach was bescheiden; meestal was het een glimlach zonder geluid. Mensen lachen vaak luid, maar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) lachte nooit uitbundig. Zijn lach ging nooit verder dan dat soms zijn achterste tanden zichtbaar werden.
Zoals in de volgende passage zal worden toegelicht, waren zijn tanden wanneer hij glimlachte helder en wit, als parels.
Abu Hurayrah (رضي الله عنه) beschreef de schoonheid en glimlach van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) als volgt: “Ik heb nooit iemand mooier gezien dan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Het leek alsof de zon over zijn gezegende gezicht stroomde; en wanneer hij glimlachte, weerkaatste de zonneschijn op de muur in zijn parelwitte tanden.”
35. HOOFDSTUK: DE GLIMLACH VAN RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم)
226.Hadīth
Van Jābir ibn Samurah (رضي الله عنه): “De kuiten van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) waren niet dik, maar slank. Zijn lachen bestond uit een glimlach. Wanneer ik voor het eerst naar het gezegende gezicht van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) keek, dacht ik dat hij zijn ogen met kuḥl had opgemaakt. Later bleek echter dat zijn ogen van nature donker omlijnd waren; de donkerte die ik zag, was niet afkomstig van kuḥl.”
Jābir ibn Samurah (رضي الله عنه) beschreef op een voortreffelijke wijze onze Nabie. Volgens zijn beschrijving waren alle lichaamsdelen van an-Nabī in volmaakte harmonie met elkaar. Deze evenredigheid en schoonheid waren ook zichtbaar in zijn kuiten: zij waren niet zo dik dat zij de aandacht trokken, maar juist slank en sierlijk.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) lachte nooit luidkeels; zijn lachen bestond uit een vriendelijke glimlach. Hoe zijn glimlach precies was, zal bij hadīth 228 nader worden behandeld.
Telkens wanneer Jābir naar de ogen van an-Nabī keek, leek het hem alsof er kohl was aangebracht rondom zijn ogen. Maar wanneer hij beter keek en nauwkeuriger observeerde, besefte hij dat die diepe, donkere uitstraling niet het gevolg was van kohl, maar een natuurlijke schoonheid die Allāhu (تعالى) hem had geschonken.
Uiteraard wist Jābir ook dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) van tijd tot tijd kuḥl gebruikte om zijn ogen te verzorgen. Met deze woorden wilde hij echter duidelijk maken dat de diepe en bewonderenswaardige donkere uitstraling van de ogen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in werkelijkheid niet voortkwam uit kuḥl, zoals hij aanvankelijk had gedacht, maar dat deze een aangeboren schoonheid was die door Allāhu (تعالى) was geschapen, als het ware getekend door de scheppende wil van de goddelijke macht.
227. Hadīth
Van ʿAbdullāh ibn al-Ḥārith ibn Jazʾ (رضي الله عنه): Ik heb niemand gezien die vaker glimlachte dan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
(Abū al-Ḥārith ʿAbdullāh ibn Ḥārith ibn Jazʾ az-Zubaydī (رضي الله عنه), overleden in 86 AH/705 CE. Hij nam deel aan de verovering van Egypte, vestigde zich daar en onderwees de inwoners van Egypte in de aḥādīth. Hij overleed eveneens in Egypte en staat bekend als de laatste ṣaḥābī die daar overleed.
De aḥādīth die door ʿAbdullāh ibn Ḥārith zijn overgeleverd, zijn opgenomen in de Sunan van Abū Dāwūd, at-Tirmidhī en Ibn Mājah.)
228. Hadīth
Van ʿAbdullāh ibn al-Ḥārith (رضي الله عنه): Het lachen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bestond uit een glimlach.
Imām at-Tirmidhī merkte bij deze hadīth op dat deze hadīth gharīb is die door Layth ibn Saʿd is overgeleverd.
Omdat de gedachten van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) voortdurend op het Hiernamaals (ākhirah) waren gericht, verkeerde hij vaak in een ernstige en bedachtzame stemming. Toch weerhield dit hem er niet van om te glimlachen. Hoe bedroefd hij in zijn hart ook was, tegenover zijn ṣaḥābah was hij altijd vriendelijk en glimlachend. Zo is de gewoonte van de groten: hoe diep hun verdriet ook is, een glimlach verdwijnt niet van hun gezicht.
Zoals al het handelen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was ook zijn lachen evenwichtig en gematigd. Wanneer hij lachte, lachte hij nooit luidkeels.
ʿĀʾishah (رضي الله عنها) zei hierover: Ik heb an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) nooit zo hard zien lachen dat zijn huig zichtbaar werd. Hij glimlachte slechts.
Een glimlach is een stille lach, zonder geluid, en vormt het begin van het lachen. Zoals indommelen de voorfase van slapen is, zo is glimlachen de voorfase van lachen. Anders gezegd: stille lach noemt men tabassum (glimlachen), terwijl luide lach qahqahah (schaterlachen) wordt genoemd.
Omdat luid schaterlachen afbreuk doet aan de waardigheid van een mens, achtte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) overmatig en luid lachen niet gepast. Over de nadelige gevolgen van veel lachen zei hij: “Lach niet te veel, want veel lachen doet het hart sterven.”
Degenen die hebben onderzocht waar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) om lachte en glimlachte, hebben opgemerkt dat hij zich bijzonder verheugde over de blijde tijdingen betreffende het Hiernamaals en daar zichtbaar om lachte.
Wanneer het echter wereldse zaken betrof, beperkte hij zich meestal tot een glimlach.
In dit hoofdstuk worden enkele gebeurtenissen genoemd die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deden lachen. In verband met deze ahadith noemen wij hier drie voorbeelden:
Op een dag, toen de mensen klaagden over droogte (hongersnood) en men zich naar een open plaats had begeven om de ṣalāt al-istisqāʾ (gebed om regen) te verrichten, begon het onmiddellijk na de smeekbede van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) te regenen. Toen hij zag hoe de mensen haastig een schuilplaats zochten, lachte hij zo breed dat zijn kiezen zichtbaar werden.
Op een dag wilde onze moeder ʿĀʾishah (رضي الله عنها) dat Sawdah (رضي الله عنها), de oudste echtgenote van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), ook zou proeven van de pap die zij had bereid. Sawdah, die er niet van hield, weigerde ervan te eten. Daarop zei ʿĀʾishah dat zij de pap anders op haar gezicht zou smeren, en zij deed dat ook. Daarop zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), terwijl hij Sawdah met zijn gezegende hand aanspoorde: “Waarom wacht je? Smeer jij het dan ook op haar gezicht!” Toen Sawdah dat eveneens deed, moest an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hartelijk om hun beider toestand lachen.
Op een andere dag reed an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op zijn ezel Yaʿfūr toen hij Muʿādh ibn Jabal (رضي الله عنه) tegenkwam. Hij zei: “Kom, Muʿādh, stap ook op!” Terwijl Muʿādh achter Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wilde plaatsnemen, vielen zij beiden op de grond. Ook om deze gebeurtenis lachte an-Nabī.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) lachte echter het meest wanneer hij thuis was, in het gezelschap van zijn familie. Eens vroeg men aan onze moeder ʿĀʾishah (رضي الله عنها):
“Wat deed Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wanneer hij thuis alleen met zijn echtgenotes was?”
Zij antwoordde: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was de zachtaardigste van alle mensen en degene die het meeste goed deed. Wat hem van andere mannen onderscheidde, was dat hij thuis, in het gezelschap van zijn familie, veel lachte en veel glimlachte.”
Een technische toelichting
Imām at-Tirmidhī heeft opgemerkt dat de overleveringsketen (isnād) van deze hadīth gharīb is. De reden hiervoor is dat de derde overleveraar in de keten, de bekende hadithgeleerde Layth ibn Saʿd, als enige deze hadīth heeft overgeleverd (tafarrud).
Deze eigenschap van de isnād doet echter geen afbreuk aan de authenticiteit of de betrouwbaarheid van de hadīth.
229. Hadīth
Van Abū Dhar (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik weet heel goed wie als eerste het Paradijs zal binnengaan en wie als laatste de Hel zal verlaten.
Op de Dag der Opstanding zal een man ter verantwoording worden geroepen.
Tegen de engelen zal worden gezegd: ‘Toon hem één voor één zijn kleine zonden.’
Zijn grote zonden zullen daarbij verborgen blijven.
Vervolgens zullen de engelen tegen hem zeggen: ‘Op die en die dag, op die en die plaats en op dat en dat tijdstip heb jij deze en deze zonden begaan. En op een andere dag, op een andere plaats en op een ander tijdstip heb jij die en die zonden verricht.’
De man zal zich al deze daden herinneren, ze niet ontkennen en alles erkennen.
Ondertussen zal hij denken: ‘Mijn kleine zonden worden één voor één genoemd. Wat zal er van mij terechtkomen als straks ook mijn grote zonden aan het licht worden gebracht?’
Dan zal Allāhu (تعالى) tegen de engelen zeggen: ‘Geef hem voor iedere slechte daad die hij heeft verricht één goede daad.’
Door deze beloning, die hij nooit had verwacht, zal de man buitengewoon verheugd raken en zeggen: ‘O mijn Rab! Ik heb nog andere zonden begaan, maar ik zie ze hier niet.’
Nadat Abū Dhar dit had verteld, zei hij: “Ik zag Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), terwijl hij het verhaal van deze man vertelde, zo lachen dat zijn kiezen zichtbaar werden.”
In de eerste zin van deze hadīth zegt Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم):
“Ik weet wie als eerste het Paradijs zal binnengaan.”
In een andere handschriftversie van dit boek luidt deze passage echter:
“Ik weet wie als laatste het Paradijs zal binnengaan.”
Uit authentieke ahadith weten wij immers dat degene die als eerste het Paradijs zal binnengaan niemand anders is dan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
Laten wij hier een hadīth in herinnering brengen die deze kwestie verder verduidelijkt.
Op een dag zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Jibrīl (عليه السلام) kwam naar mij toe, nam mij bij de hand en liet mij de poort van het Paradijs zien waardoor mijn ummah zal binnengaan.”
Daarop zei Abū Bakr (رضي الله عنه): “O Rasûlullāh! Ik had er graag bij willen zijn om de poort van het Paradijs te zien waardoor uw ummah zal binnengaan.”
Toen antwoordde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “O Abū Bakr! Weet dat jij van mijn ummah als eerste het Paradijs zult binnengaan.”
Verderop in de hadīth zegt an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dat hij ook weet wie als laatste de Hel zal verlaten. Omdat hadīth nummer 232 geheel over deze persoon gaat, wordt de nadere toelichting daar gegeven.
Hier volstaat het te zeggen dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) met zijn woorden:
“Ik weet wie als eerste het Paradijs zal binnengaan en wie als laatste de Hel zal verlaten,”
doelt op degene die, nadat hij de Hel heeft verlaten, als eerste van de zondige moslims het Paradijs zal binnengaan.
De hadīth spreekt over iemand die op de Dag der Opstanding ter verantwoording wordt geroepen. Zijn grote zonden blijven verborgen, terwijl alleen zijn kleine zonden aan hem worden getoond.
Hij zal precies te horen krijgen in welk jaar, in welke maand, op welke dag, op welk tijdstip en op welke plaats hij deze zonden heeft verricht.
Of dit gebeurt aan de hand van zijn registratie van de daden of doordat zijn daden als het ware als een film aan hem worden getoond, weten wij niet. De overleveringen geven hierover geen nadere bijzonderheden.
Waar de persoon werkelijk bang voor is, zijn zijn grote zonden. Alleen al de gedachte dat hij daarvoor rekenschap zal moeten afleggen, vervult hem met ontzetting.
Hij denkt: “Als men mijn kleine zonden al zo nauwkeurig onderzoekt, wat zal er dan gebeuren wanneer mijn grote zonden aan de beurt komen?”
Juist daarom zal hij zijn kleine zonden zonder aarzelen erkennen.
Daarop zal Allāhu (تعالى) tegen de engelen zeggen: “Geef mijn dienaar voor iedere slechte daad die hij heeft verricht één goede daad.”
Wij weten niet of deze bijzondere gunst hem ten deel valt omdat hij oprecht berouw (tawbah) heeft getoond, vanwege zijn vele aanbiddingen of om een andere reden.
De volgende āyah werpt echter licht op deze kwestie:
إِلَّا مَن تَابَ وَءَامَنَ وَعَمِلَ عَمَلٗا صَٰلِحٗا فَأُوْلَٰٓئِكَ يُبَدِّلُ ٱللَّهُ سَيِّـَٔاتِهِمۡ حَسَنَٰتٖۗ وَكَانَ ٱللَّهُ غَفُورٗا رَّحِيمٗا ٧٠
Behalve degenen die berouw hebben en geloven en goede daden verrichten. Voor diegenen zal Allah hun zonden in goede daden veranderen, en Allah is Vergevingsgezind, Genadevol. (Furqān, 25:70)
Wanneer de persoon ziet dat voor iedere slechte daad een goede daad wordt toegekend, zal hij volkomen verbaasd zijn over deze goddelijke gunst en uitroepen: “O mijn Rab! Ik heb nog veel grotere zonden begaan, maar ik zie ze hier niet!”
De zondige man trilde van top tot teen terwijl hij nadacht over hoe hij rekenschap zou moeten afleggen voor zijn grote zonden. Toen hij geconfronteerd werd met een afrekening die hij zich zelfs niet had kunnen voorstellen, raakte hij volledig verbijsterd.
Deze keer raakte hij in een sterke drang om nog meer beloningen te verdienen, terwijl hij het onder ogen durfde te zien dat zijn grote zonden zouden worden onthuld.
Daarom zei hij: “Ik heb nog grotere zonden begaan; waarom zie ik die hier niet?”
Volgens Abū Dhar al-Ghifārī (رضي الله عنه), die deze hadīth overlevert, lachte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bij het vertellen van deze gebeurtenis zó breed dat zijn kiezen zichtbaar werden. Deze hadīth laat zien dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heel goed op de hoogte was van de gebeurtenissen van de Dag der Opstanding en van de toestand van de bewoners van het Paradijs en de Hel. Zoals wij in de toelichting hebben gezien, werd Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hierover door Jibrīl (عليه السلام) geinformeerd.
Imām at-Tirmidhī heeft deze hadīth in dit hoofdstuk opgenomen om te laten zien hoe Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) lachte bij het beschrijven van de verbazing van degenen die in het Hiernamaals de overvloedige gunsten van Allah zullen ervaren.
(Abū Dhar Jundub ibn Junādah al-Ghifārī (رضي الله عنه), overleden in 32 AH/653 CE. Hij behoorde tot de eerste moslims. Volgens sommige overleveringen was hij de vierde, volgens andere de vijfde persoon die de Islām aanvaardde.
In de beginperiode van de Islām kwam hij naar Makkah. Op aanwijzing van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) keerde hij vervolgens terug naar zijn stam. Dankzij zijn inspanningen aanvaardde de helft van de Ghifār-stam de Islām.
Na de Slag van al-Khandaq emigreerde Abū Dhar naar Madīnah, waar hij zich aansloot bij de Ahl aṣ-Ṣuffah. Hij verzorgde de melkgevende kamelen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).
Na het overlijden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nam hij deel aan de islamitische veroveringen. Hij sprak zich openlijk uit tegen welgestelde moslims die hun bezit niet ten goede lieten komen aan de armen. Khaliefah ʿUthmān (رضي الله عنه) liet hem daarom naar Madīnah komen en verzocht hem afstand te doen van deze opvattingen.
Toen Abū Dhar daarin volhardde, vroeg ʿUthmān (رضي الله عنه) hem zich te vestigen in ar-Rabadhah, nabij Madīnah, de plaats waar Abū Dhar vroeger ook de kamelen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had gehoed. Daar bracht hij de rest van zijn leven door en overleed hij uiteindelijk.)
230. Hadīth
Van Jarīr ibn ʿAbdullāh (رضي الله عنهما): Sinds ik moslim ben geworden, heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) mij nooit verhinderd om bij hem te komen wanneer ik dat wilde. En telkens wanneer hij mij zag, glimlachte hij naar mij.
231. Hadīth
Eveneens van Jarīr ibn ʿAbdullāh (رضي الله عنهما): Sinds de dag dat ik moslim werd, heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) mij nooit belet bij hem te komen wanneer ik dat wenste. En vanaf die dag heeft hij mij telkens wanneer hij mij zag altijd met een glimlach ontvangen.
Jarīr ibn ʿAbdullāh (رضي الله عنهما) werd ongeveer veertig dagen vóór het overlijden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) moslim. Vanaf dat moment gaf Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem altijd toestemming om binnen te treden wanneer hij dat wilde. Zelfs tijdens momenten waarop enkele van de meest nabije ṣaḥābah zoals Abū Bakr en ʿUmar (رضي الله عنهما) hem kwamen bezoeken, mocht Jarīr ook binnenkomen. Daarnaast ontving Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem altijd met een glimlach vanwege de goede eigenschappen die hij in hem zag.
De reden dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) telkens naar Jarīr glimlachte, was waarschijnlijk dat zijn mooie gezicht hem herinnerde aan de macht van Allāhu (تعالى). Zoals ʿUmar (رضي الله عنه) hem prees als “de Yūsuf van deze ummah”, stond Jarīr ibn ʿAbdullāh bekend om zijn uitzonderlijke schoonheid.
De voorgaande twee ahadith zijn vrijwel identiek, met alleen een verschil in de overleveringsketen en een kleine variatie in formulering: in de ene staat “hij glimlachte naar mij”, in de andere “hij ontving mij met een glimlach”.
232. Hadīth
Van `Abdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik ken de man die als laatste uit het Hellevuur zal komen en als laatste het Paradijs zal binnengaan.
Wanneer deze man uit het Hellevuur komt, zal hij eruitzien als steenkool.
Allāhu (تعالى) zal tot hem bevelen: ‘Ga en treed het Paradijs binnen.’
Hij zal gaan en kijken, en denken dat het Paradijs al vol is.
Hij zal zeggen: ‘O mijn Rab! Het lijkt alsof het Paradijs vol is.’
Allāhu (تعالى) zal opnieuw bevelen: ‘Ga en treed het Paradijs binnen.’
De man zal opnieuw gaan kijken en weer terugkeren en zeggen: ‘O mijn Rab! Het lijkt alsof het Paradijs vol is.’
Daarop zal Allāhu (تعالى) zeggen: ‘Ga en treed binnen. Voor jou is er een plaats ter grootte van de wereld en daarboven nog tienmaal zoveel.’ Of Hij zal zeggen: ‘Ik heb jou tienmaal de wereld gegeven.’
De man zal (uit vreugde en verbazing) zeggen: ‘O mijn Rab! U bent de Bezitter en Rab van alles. Maakt U een grap met mij?’
Terwijl Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dit vertelde, glimlachte hij en sloot af met de woorden: “Dit is de laagste rang en de geringste gunst in het Paradijs.”
Deze hadīth beschrijft de toestand van de laatste zondige moslim die de Hel zal verlaten. Een zondige man die moslim was, maar in het wereldse leven niets naliet aan zonden, zal in de Hel worden geworpen, daar zijn straf ondergaan en vervolgens, nadat hij van zijn zonden is gereinigd, uit de Hel worden gehaald en het Paradijs binnengaan.
Laten we dit voorval nu nemen als basis en de uitgebreide versie bekijken van de hadīth in Ṣaḥīḥ Muslim, waarin deze persoon wordt beschreven nadat hij uit de Hel is gekomen, en de gebeurtenissen die hij daarna meemaakt
De gebeurtenis toont hoe groot de genade van Allāhu (تعالى) is, die zelfs de meest zondige moslim uiteindelijk uit de Hel laat ontsnappen en hem onvoorstelbare gunsten schenkt.
In sommige uitgebreide overleveringen (zoals in Ṣaḥīḥ Muslim) wordt beschreven dat hij, zodra hij uit de Hel wordt gehaald, denkt dat hij de gelukkigste van alle mensen is omdat hij aan die verschrikkelijke straf is ontsnapt.
Van `Abdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een man zal als laatste uit het Hellevuur komen. Hij zal struikelend lopen en soms op het vuur stappen, waardoor hij zich verbrandt, totdat hij uiteindelijk uit het Hellevuur ontsnapt. Wanneer hij eruit is gekomen, zal hij zich omdraaien naar het Hellevuur en de volgende du`ā’ verrichten: ‘Alle lof zij Degene Die mij van jou heeft gered. O Allāh! Wat mij is overkomen, is niemand anders overkomen.’
Vervolgens zal er een boom voor hem verschijnen.
Hij zal zeggen: ‘O mijn Rab! Breng mij dichter bij deze boom, zodat ik in zijn schaduw kan rusten en van zijn water kan drinken.’
Allāhu (تعالى) zal zeggen: ‘O zoon van Ādam! Als Ik jou dit geef, zul je om meer vragen.’
De man zal zeggen: ‘Nee, mijn Rab,’ en hij zal beloven niets anders te vragen.
Allāhu (تعالى) zal hem verontschuldigen en genade schenken, want hij heeft geen geduld meer. Hij zal hem toestaan dichterbij te komen.
De man zal onder de boom komen, rusten, verkoeling vinden en drinken.
Daarna zal hij een nog mooiere boom zien.
Hij zal zeggen: ‘O mijn Rab! Laat mij naar die boom gaan, zodat ik onder zijn schaduw kan rusten en van zijn water kan drinken.’
Allāhu (تعالى) zal opnieuw zeggen: Als Ik jou dit geef, zul je om meer vragen.’
De man zal zweren dat hij niets meer zal vragen.
Allāhu (تعالى) weet dat hij zijn belofte niet zal nakomen, maar Hij zal hem toch verontschuldigen en toestaan dichterbij te komen.
Wanneer hij bij deze boom komt, zal hij een nog veel mooiere boom zien.
Zo zal hij steeds dichter bij het Paradijs komen, totdat hij de geluiden ervan hoort.
De man zal zeggen: ‘O mijn Rab! Mag ik daar binnengaan?’
Allāhu (تعالى) zal zeggen: ‘Had jij Mij niet beloofd niets meer te vragen? Wat als je weer om meer vraagt? Wat als Ik jou een plaats in het Paradijs geef ter grootte van tweemaal de wereld, maar je mag niets meer vragen!’
De man zal (uit vreugde en verbazing) zeggen: ‘U bent de Rab der werelden. Waarom zou U met mij een grap maken?”
Abdullāh ibn Masʿūd lachte toen hij deze hadīth vertelde.
Toen hem werd gevraagd waarom hij lachte, zei hij: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) lachte ook zo. Toen wij hem vroegen: ‘O Rasûlullāh, waarom lacht u?’ zei hij: ‘Ik lach om wat Allāhu (تعالى) doet glimlachen. Allāhu (تعالى) zal tegen deze man zeggen: “Ik maak geen grap met jou. Ik ben in staat alles te doen wat Ik wil.”
Dit doet denken aan een ander voorval dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft verteld:
Een man ging op reis door de woestijn op zijn kameel. Hij had zijn voedsel en water op die kameel geladen. Terwijl hij onder een boom rustte, raakte hij zijn kameel kwijt. Hij wachtte op de dood in die verlatenheid, maar toen hij zijn kameel plots naast zich zag staan, werd hij zó overweldigd door vreugde dat hij, terwijl hij Allah probeerde te danken, uitriep: “O Allah! U bent mijn dienaar en ik ben Uw rab.”
Zoals de overleveraar van deze hadīth, ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه), aan het einde uitlegt: Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vertelde hoe deze man zei: “O mijn Rab! Terwijl U de Rab van de werelden bent, drijft U dan de spot met mij?”, begon hij zacht te lachen, zozeer zelfs dat zijn edele kiezen zichtbaar werden.
233. Hadīth
Van ʿAlī ibn Rabīʿah ( رَحِمَهُ اللهُ): Ik was bij ʿAlī ibn Abī Ṭālib (رضي الله عنه) toen er een rijdier voor hem werd gebracht om op te rijden.
Toen hij zijn voet in de stijgbeugel zette, zei hij: “Bismillāh.”
Toen hij zich op het dier plaatste en rechtop ging zitten, zei hij: “Alḥamdulillāh.”
Daarna reciteerde hij:
سُبۡحَٰنَ ٱلَّذِي سَخَّرَ لَنَا هَٰذَا وَمَا كُنَّا لَهُۥ مُقۡرِنِينَ ١٣
… “Verheerlijkt is Hij die dit voor ons dienstbaar heeft gemaakt, want wij konden dit zelf niet onderwerpen.”
وَإِنَّآ إِلَىٰ رَبِّنَا لَمُنقَلِبُونَ ١٤
En waarlijk, tot Onze Heer zullen wij zeker terugkeren! (Zukhruf, 43:13–14)
Vervolgens zei hij drie keer “alḥamdulillāh” en drie keer “Allāhu akbar.”
Daarna verrichtte hij de du`ā’:
سُبْحَانَكَ اللَّهُمَّ إِنِّي ظَلَمْتُ نَفْسِي، فَاغْفِرْ لِي، فَإِنَّهُ لَا يَغْفِرُ الذُّنُوبَ إِلَّا أَنْتَ
“O Allah, U bent verheven en vrij van iedere onvolkomenheid. Ik heb mijzelf onrecht aangedaan, vergeef mij, want niemand behalve U kan zonden vergeven.”
Daarna begon hij te lachen.
Toen werd hem gevraagd: “O leider van de mu’mins, waarom lacht u?”
Hij antwoordde: “Ik heb Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gezien; hij deed precies hetzelfde als ik deed en daarna lachte hij.
Ik vroeg hem: ‘O Rasûlullāh, waarom lacht u?’
Hij zei: ‘Jouw Rab is verheugd over Zijn dienaar die zo du`ā’ verricht:
“O Allah, vergeef mijn zonden, want niemand behalve U kan zonden vergeven.”
Uit deze gezegende hadīth leren wij opnieuw een sunnah van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): wanneer men op een rijdier of voertuig stapt, zegt men eerst “Bismillāh.”
Daarna dankt men Allah door “alḥamdulillāh” te zeggen, zowel voor de gunst zelf als voor de kracht om erop te kunnen rijden.
Vervolgens reciteert men de bovenstaande āyah.
Daarna zegt men, net als an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), driemaal “alḥamdulillāh” en driemaal “Allāhu akbar”, waarmee wij onze dank en lof aan de Rab der Werelden telkens opnieuw uitspreken voor de gunsten die Hij ons heeft geschonken.
Daarna verricht men de bovengenoemde du`ā’. (zie hierboven)
………
Deze hadīth laat duidelijk zien hoezeer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn ummah liefhad: hij maakte hen bekend met daden die Allah tevreden stellen.
En juist wanneer een dienaar deze eenvoudige woorden van berouw uitspreekt, “O Allah, vergeef mijn zonden, want niemand behalve U kan zonden vergeven.”
Vanwege deze vreugde en het overbrengen van deze genadevolle boodschap lachte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
234. Hadīth
Van Saʿd ibn Abī Waqqāṣ (رضي الله عنه): Op de dag van de Slag bij de Greppel zag ik dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zo hard lachte dat zijn kiezen zichtbaar werden.
De zoon van Saʿd ibn Abī Waqqāṣ, ʿĀmir, die deze overlevering van hem overleverde, zei:
“Toen ik mijn vader vroeg: ‘Wat was de reden dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zo lachte?’, gaf hij het volgende antwoord: ‘Er was een polytheïst in de vijandelijke gelederen die een schild bij zich had. Ik was een vaardige boogschutter. Telkens wanneer ik pijlen naar hem afschoot, hield hij zijn schild afwisselend naar rechts en naar links om zijn gezicht te beschermen. Ik nam een pijl uit mijn koker en plaatste die op mijn boog. Ik wachtte tot hij zijn hoofd vanachter het schild zou uitsteken. Toen hij dat deed, schoot ik de pijl af. De pijl trof hem precies op het voorhoofd en hij viel achterover, met zijn benen omhoog. Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn komische toestand zag, lachte hij totdat zijn kiezen zichtbaar werden.’
ʿĀmir ibn Saʿd ibn Abī Waqqāṣ zei verder: “Toen ik mijn vader vroeg: ‘Wat was het dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zo deed lachen?’, zei hij: ‘Hij lachte om wat ik die man had aangedaan.’”
Deze man die door Saʿd ibn Abī Waqqāṣ werd getroffen, was een vijand van de Islām en van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Hij beschermde zich met zijn schild en beledigde daarbij an- Nabī (صلى الله عليه وسلم) en de mu’mins.
Volgens de overlevering in Ṣaḥīḥ Muslim vond dit incident plaats tijdens de Slag bij Uhud, en niet bij de Greppel. Saʿd ibn Abī Waqqāṣ zei daarover: “Op de dag (van Uhud) had een van de kāfirs de moslims zwaar getroffen. Toen zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tegen mij: ‘Schiet, mijn vader en moeder zij voor jou geofferd.’
Ik schoot een pijl zonder ijzeren kop op die man af en trof hem in zijn zijde. Hij viel neer en zijn schaamdelen kwamen bloot te liggen. Daarop lachte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) totdat zijn kiezen zichtbaar werden.”
Toen Saʿd ibn Abī Waqqās dit voorval vertelde, werd zijn zoon ʿĀmir nieuwsgierig naar een bepaald detail en vroeg hij zijn vader: “Wat was het dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zo deed lachen?”
ʿĀmir wilde daarmee eigenlijk weten of Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) lachte om de dood van die kāfir, of om het feit dat zijn schaamdelen zichtbaar waren geworden en hij daardoor vernederd werd.
Saʿd ibn Abī Waqqāṣ wist dat het verboden is om naar de schaamdelen van een gedode vijand te kijken tijdens de oorlog. Daarom zei hij dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) lachte vanwege de nederlaag en het einde van die vijand van de Islām die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en de mu’mins zwaar had beledigd.
Saʿd ibn Abī Waqqāṣ wilde de lelijke woorden die die vijand van de Islām en an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had uitgesproken niet herhalen.
36. HOOFDSTUK: DE WIJZE WAAROP RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم) GRAPPEN MAAKTE
235. Hadīth
Van Anas ibn Mâlik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) maakte een grap met mij en noemde mij ‘de twee orige’.
De leraar van Tirmidhī, Maḥmūd ibn Ghailān, heeft overgeleverd dat zijn leraar, de beroemde hadithgeleerde Abū Usāmah, zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) noemde Anas bij wijze van grap ‘de twee orige’.”
Mizah betekent dat men met iemand een grapje maakt zonder hem te kwetsen. Daarom is mizah iets anders dan spot, want spotten is een beledigende en vernederende handeling. Iemand bespotten betekent hem kleineren en beledigen.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) maakte soms grappen met de ṣaḥābah al-kirām om hun harten blij te maken en hun vreugde te vergroten. Daardoor voelde iedereen zich dicht bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en dacht hij dat hij het meest geliefd was bij hem.
Grapjes maken in beperkte en gepaste vorm wordt toegestaan, maar overdrijving is verboden. Zoals an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Twist niet met je broeder en maak geen grappen die hem kwetsen.”
Sommige ṣaḥābah waren verbaasd over de humor van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zeiden:
“O Rasûlallāh! U maakt grappen met ons?”
Daarop antwoordde hij: “Maar zelfs wanneer ik een grap maak, spreek ik de waarheid.”
De grappen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) waren nooit kwetsend; integendeel, ze brachten vreugde en genegenheid. Hij maakte zo nu en dan grappen.
Kwetsende grappen zijn die welke overdreven zijn en geen maat kennen. “Dergelijke grappen kunnen leiden tot veel lachen, tot verharding van het hart en tot afleiding van het gedenken van Allah en het verrichten van godsdienstige verplichtingen. Grove (overdreven) grappen kunnen ertoe leiden dat de persoon met wie de grap wordt gemaakt gekwetst raakt of zich gekrenkt voelt.
Een overleveraar van onze hadīth, Abū Usāmah, heeft gezegd dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen Anas “twee orige” zei als een vorm van een grap.
Sommige geleerden hebben de uitdrukking “twee orige” echter op een andere manier uitgelegd. Volgens hen maakte an-Nabī (عليهم السلام) dit niet als een grap tegen Anas, maar wilde hij hem met deze woorden waarschuwen: “Allah heeft je twee oren gegeven, luister dus goed naar mijn woorden en hoor mij aandachtig aan!”
Volgens een andere interpretatie heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) Anas juist geprezen met deze uitspraak. Hij waardeerde hem omdat hij de ahādīth met grote aandacht beluisterde en leerde.
236.Hadīth
Van Anas ibn Mâlik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) maakte zó veel grapjes met ons dat hij op een dag tegen mijn kleine broertje zei: ‘O Abū ʿUmayr! Wat is er gebeurd met de nughayr?’
Abū ʿĪsā at-Tirmidhī zei: Uit deze hadīth worden de volgende punten afgeleid:
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) maakte zelf ook grappen.
Eén van zijn vormen van grapjes maken was dat hij een bijnaam gaf aan een klein kind, zoals “Abū ʿUmayr” (de vader van kleine `Umar), en hem zo aansprak.
De reden dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen het broertje van Anas zei:
“Abū ʿUmayr! Wat is er gebeurd met de nughayr?” is als volgt:
Het broertje van Anas had een vogeltje, een musachtige, waarmee hij speelde en zich vermaakte. Op een dag stierf dit vogeltje, waardoor hij erg verdrietig werd. Daarop zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tegen hem deze woorden als een vriendelijke grap.
Dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tegen het kind zei: “Abū ʿUmayr! Wat is er gebeurd met de nughayr?” toont aan dat het toegestaan is om kinderen een vogel te geven om mee te spelen.
Anas ibn Mâlik (رضي الله عنه) had een jongere broer van dezelfde moeder maar een andere vader, die Abū ʿUmayr werd genoemd. Zijn moeder, Umm Sulaym (رضي الله عنها), was weduwe geworden en was gehuwd met Abū Ṭalḥa al-Anṣārī (رضي الله عنه). Uit dit huwelijk werd Abū ʿUmayr geboren. Zijn werkelijke naam was Kabshah, maar hij werd vooral met zijn kunya aangesproken, waardoor zijn oorspronkelijke naam bijna in de vergetelheid raakte.
Abū ʿUmayr (رضي الله عنه) had een klein vogeltje met een rode snavel, behorend tot de musachtigen. Sommigen zeggen dat het een vogel was die op een mus leek, terwijl anderen menen dat het een soort nachtegaal was. Abū ʿUmayr speelde graag met dit vogeltje in zijn kooitje en vermaakte zich ermee. Op een dag stierf het diertje, wat hem heel verdrietig maakte.
Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het huis van Anas bezocht, zag hij hoe bedroefd Abū ʿUmayr was. Om zijn hart te troosten, zijn verdriet te delen en hem gerust te stellen, vroeg hij: “O Abā ʿUmayr, mā faʿala an-Nughayr?” — “O Abū ʿUmayr, wat is er met het vogeltje gebeurd?”
an-Nabī (عليهم السلام) hechtte door zijn verheven nederigheid niet alleen waarde aan volwassenen, maar ook aan kinderen. Hij informeerde naar hun welzijn en probeerde hun verdriet weg te nemen. Wanneer hij van een reis terugkeerde en kinderen hem tegemoet kwamen, zette hij sommigen vóór zich op zijn rijdier en anderen achter zich, om hen zo vreugde te schenken.
Op een keer kwam Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar de masjid om de ṣalāh al-ʿishā’ te leiden. Hij had daarbij zijn kleinzoon Ḥasan of Ḥusayn (رضي الله عنهما) bij zich. Toen hij de ṣalāh begon, zette hij het kind naast zich neer. Maar toen hij tijdens de ṣalāh in sujūd ging, klom het kind op zijn rug.
Nadat de ṣalāh was beëindigd, spraken de aanwezige mu'mins hun verwondering uit. Zij vertelden dat een van de sujūd veel langer had geduurd dan gewoonlijk. Daarom hadden zij gedacht dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) misschien iets was overkomen of dat er op dat moment waḥy tot hem was neergezonden. Daarop legde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) uit dat daarvan geen sprake was geweest.
Tijdens de sujūd was zijn kleinzoon op zijn rug geklommen en hij had diens spel niet willen onderbreken. Daarom had hij de sujūd verlengd.
Soms kwam hij met zijn kleindochter Umāmah (رضي الله عنها) op zijn schouder naar de masjid. Terwijl zij nog op zijn schouder zat, begon hij de ṣalāh. Wanneer hij in rukūʿ ging, zette hij haar voorzichtig op de grond, en wanneer hij weer opstond, tilde hij haar opnieuw op zijn schouder.
Volgens Imâm Tirmidhī wordt in een overlevering vermeld dat het geven van de kunya “Abū ʿUmayr” aan het kind voor het eerst door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zelf werd gedaan. Een kind aanspreken met “vader van…” is een manier om zijn toekomstige groei, huwelijk en nageslacht te wensen.
Er is nog een tweede overlevering van Anas ibn Mâlik, waarin hij zegt dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de meest voortreffelijke mensen in karakter was. Hij kwam regelmatig bij hun huis en zei dan tegen het kind dezelfde woorden: “Abū ʿUmayr! Wat is er gebeurd met de nughayr?”
Op een andere dag was an-Nabī (عليهم السلام) in het huis van Anas, toen de tijd voor de ṣalāh aanbrak. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf opdracht om de mat waarop hij had gezeten gereed te maken voor de ṣalāh. De mat werd schoongeveegd en licht met water besprenkeld. Vervolgens ging an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) voor als imām, terwijl de aanwezigen zich achter hem in rijen opstelden en gezamenlijk de ṣalāh verrichtten.
Fiqh-betekenis van deze hadīth
Volgens de Shāfiʿī-geleerde Ibn al-Qāṣ (Abū al-ʿAbbās Aḥmad ibn Abī Aḥmad at-Ṭabarī, (overleden 335 AH/ 946 CE) kunnen uit deze hadīth meer dan honderd juridische en praktische lessen worden afgeleid. Hij heeft deze overleveringen samengebracht in een afzonderlijk geschrift (juzʾ) met de titel Sharḥ Ḥadīth Abī ʿUmayr.
Er wordt zelfs gezegd dat sommige geleerden er 250 zelfs meer dan 400 voordelen en lessen uit hebben afgeleid.
237. Hadīth
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): De ṣaḥābah zeiden tegen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم):
‘O Rasûlullāh! U maakt ook grappen met ons.
Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): ‘Ik zeg zelfs wanneer ik een grap maak altijd de waarheid.’
De ṣaḥābah waren verheugd wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zich zo toegankelijk opstelde dat hij met hen een grap maakte. Tegelijkertijd merkten zij dat hij hun weinig ruimte gaf om zelf grappen te maken, zonder de diepere wijsheid daarachter volledig te begrijpen.
Op een dag besloten zij dit aan hem te vragen en zeiden: “O Rasûlallāh, u maakt ook met ons grappen.”
Daarmee bedoelden zij: Allāhu (تعالى) heeft ons bevolen u te volgen; wij mogen doen wat u doet. U maakt zelf grappen met ons, maar u verbiedt ons soms om grappen te maken en zegt zelfs: “Maak geen ruzie met je broeder en maak geen grappen die hem pijn doen. Wat is daar de wijsheid van?
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Ik zeg zelfs wanneer ik een grap maak altijd de waarheid.”
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) maakte hiermee duidelijk: ja, ik maak grappen, maar uit mijn mond komt nooit iets anders dan de waarheid. Zelfs wanneer ik een luchtige opmerking maak, spreek ik alleen waarheid en werkelijkheid. Mijn humor is nooit kwetsend; zij veroorzaakt geen verdriet, maar juist vreugde. Zij brengt mensen dichter bij elkaar en zorgt ervoor dat hun harten worden opgewekt en tot rust gebracht. Jullie doen echter niet zo. Jullie maken grappen die tot buitensporig lachen leiden, die het hart verharden en die mensen kunnen kwetsen. Zolang men niet te ver gaat en de waarheid niet omkeert, is het uiteraard toegestaan dat jullie ook luchtige grappen en humor gebruiken.
Een van de ṣaḥābah, Usayd ibn Ḥuḍayr (رضي الله عنه) (overleden 20 AH/641 CE), nam deel aan belangrijke veldtochten en was aanwezig bij Bayʿat ar-Riḍwān.
Hij was een ṣaḥābī en had, zoals hij zelf aangaf, een humoristisch karakter..
Op een dag zat hij in een bijeenkomst waarin ook Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aanwezig was. Met een grap liet hij zijn ṣaḥābah lachen. Daarop raakte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem met een klein stokje licht in zijn zij.
Door deze genadige en vriendelijke handeling kwam bij Usayd ibn Ḥuḍayr het idee op om ook een grap met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) te maken. Hij wendde zich tot an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zei: “O Rasûlallāh! U hebt mij pijn gedaan, geef mij toestemming zodat ik u ook pijn mag doen!”
Rasûlallāh (صلى الله عليه وسلم) accepteerde dit voorstel onmiddellijk en zei: “Goed, doe mij dan ook pijn.”
Usayd keek heel ernstig.
“Maar,” zei hij, “toen u mij raakte, had ik geen hemd aan. Om een eerlijke vergelding (qiṣāṣ) te kunnen toepassen, moet u ook uw hemd openen.”
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) maakte daar geen enkel bezwaar tegen en deed zijn hemd opzij. Usayd kwam dichterbij, omhelsde hem en begon de ontblote zijde te kussen.
Iedereen keek verbaasd toe en vroeg zich af wat er gebeurde. Toen legde Usayd de situatie uit: “O Rasûlallāh, toen ik om qiṣāṣ vroeg, was dat eigenlijk mijn ware bedoeling.”
238. Hadīth
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Er kwam een man naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en een rijdier (kameel) vroeg om op te rijden. Daarop maakte hij een grap en zei:
“Ik zal je op de kalf van een kameel laten rijden.”
De man zei verbaasd: “O Rasûlullāh! Wat moet ik met de kalf van een kameel?”
Daarop antwoordde hij: “Beste man, brengt niet iedere kameel een andere kameel ter wereld?”
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wilde op een luchtige manier een grap maken met degene die hem om een rijdier vroeg.
Met zijn woorden: “de kalf van een kameel” bedoelde hij eigenlijk een volwassen kameel, want elke kameel is immers zelf ook een nakomeling van een kameel.
De man begreep de subtiele humor niet en dacht dat hij letterlijk een kalf-kameel zou krijgen, waarop hij verbaasd reageerde.
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) maakte geen verwijt zoals “je begrijpt de grap niet”, maar legde het vriendelijk uit op een manier die de ander kon begrijpen.
239. Hadīth
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Er was een bedoeïen genaamd Zāhir ibn Ḥarām. Wanneer hij naar Madīnah kwam, bezocht hij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en bracht hem geschenken uit de woestijn. Wanneer hij terugkeerde naar zijn dorp, voorzag Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem van wat hij nodig had.
Hij schonk hem bijzondere aandacht en zei: “Zāhir is onze dorpsgenoot, en wij zijn zijn stadsgenoten.”
Ondanks dat Zāhir er niet erg knap uitzag, hield hij veel van hem.
Op een dag, terwijl Zāhir zijn waren op de markt verkocht, kwam Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) van achteren naar hem toe, omhelsde hem en hield zijn ogen vast zodat hij niet kon zien wie het was.
Zāhir zei: “Laat me los! Wie is dit?”
Toen hij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) met een ooghoek zag en hem opmerkte, drukte hij zijn rug stevig tegen de borst van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) aan.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), ging verder met zijn grap en vroeg aan de aanwezigen: “Wie wil deze slaaf kopen?”
“O Rasûlullāh! Niemand zal mij voor geld geven; door deze verkoop zult u verlies lijden!” zei hij.
Daarop zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “O Zāhir! Ook al kennen de mensen jouw waarde niet, bij Allah ben jij beslist nooit waardeloos.”
In een andere overlevering zei hij: “Jij bent juist waardevol bij Allah.”
Zāhir ibn Ḥarām (رضي الله عنه) waar in onze hadīth naar wordt verwezen, was een ṣaḥābī die deelnam aan de Slag bij Badr en aanwezig was bij Bayʿat ar-Riḍwān. Hij leefde in de woestijn. Door zijn korte gestalte en vanwege zijn onaantrekkelijke uiterlijk kreeg Zāhir niet veel aandacht van de mensen. Maar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hield juist veel van hem vanwege zijn zuivere hart en hij toonde hem grote genegenheid.
Wanneer Zāhir naar Madīnah kwam, bracht hij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) geschenken mee uit de producten die hij in zijn dorp had verbouwd, zoals fruit, groenten, olie en honing.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) accepteerde de geschenken die hem werden gegeven en gaf in ruil daarvoor zelf ook geschenken.
Hij spoorde de moslims aan om elkaar geschenken te geven en zei: “Geef elkaar geschenken, zodat jullie liefde toeneemt.”
En hij zei ook: “Geef elkaar geschenken, want geschenken verwijderen haat en wrok uit het hart.”
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gebruikte de uitdrukking “Zāhir is onze dorpsgenoot” om aan te geven dat hij de woestijnproducten naar hen bracht. Daartegenover gaf Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem bij zijn terugkeer naar zijn dorp ook enkele stadsbenodigdheden als geschenk.
In dit verband kunnen we ons herinneren aan Nuʿaymān ibn ʿAmr (رضي الله عنه), die bekendstond om het geven van geschenken aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en om zijn komische karakter. Hij was een ṣaḥābī die deelnam aan de Slag bij Badr en aan latere veldtochten.
Wanneer er in Madīnah seizoensfruit verscheen, of wanneer er voedsel zoals olie en honing werd verkocht dat hij geschikt achtte voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), kocht hij het op krediet en bood het vervolgens aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) met de woorden: “Dit is mijn geschenk aan u.”
Wanneer de verkoper later zijn geld kwam opeisen, nam Nuʿaymān de man mee naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei: “Geef hem de prijs van de goederen die hij heeft verkocht.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), die zijn karakter goed kende, glimlachte en zei tegen hem: “Maar heb jij het mij niet als geschenk gegeven?”
Waarop Nuʿaymān antwoordde: “Ja, maar ik had geen geld bij mij.”
Daarop betaalde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de verkoper zelf.
We zien dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) Zāhir heel liefhad, ondanks zijn onaantrekkelijke uiterlijk. Hiermee wordt duidelijk dat niet uiterlijke schoonheid, maar innerlijke schoonheid van doorslaggevend belang is. Zo leren we dat het niet de vorm (ṣūrah), maar het innerlijk (sīra) is dat waarde heeft, met andere woorden: niet de schoonheid van het gezicht, maar de schoonheid van het hart. Zoals Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd om dit te benadrukken: “Voorwaar, Allah kijkt niet naar jullie gezichten en jullie bezittingen, maar Hij kijkt naar jullie harten en jullie daden.”
Nu keren we terug naar de eigenlijke gebeurtenis: de grap die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) met Zāhir maakte. Op een dag was Zāhir op de markt bezig met het verkopen van de goederen die hij uit zijn dorp had meegebracht, zoals olie en honing. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) kwam ongemerkt achter hem staan, omhelsde hem en bedekte met zijn gezegende handen zijn ogen.
Zāhir schrok in eerste instantie van deze onverwachte en heel vertrouwde benadering en probeerde zich los te maken, zeggend: “Laat me los!” Toen hij echter met een zijdelingse blik herkende dat het Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was, werd hij vervuld van vreugde. Vervolgens leunde hij met zijn rug tegen de borst van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en genoot van dit geluksmoment.
Op dat moment vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Wie wil deze slaaf van mij kopen?”
Zāhir begreep dit als een komische verwijzing naar zijn onaantrekkelijke uiterlijk en wees erop dat niemand hem waardevol zou vinden en dat zelfs als iemand hem zou kopen, hij er niet veel voor zou betalen. Daarmee bedoelde hij dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in deze ‘verkoop’ verlies zou lijden. Maar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) maakte duidelijk dat hij helemaal niet waardeloos was, en dat zijn waarde (bij Allah) juist was verhoogd door zijn liefde voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
240. Hadīth
Van Ḥasan al-Baṣrī ( رَحِمَهُ اللهُ): Er kwam een oude vrouw naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei: “O Rasûlullāh! Verricht duʿāʾ tot Allah zodat Hij mij tot het Paradijs zal laten binnengaan.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) maakte daarop een grapje en zei tegen haar:
“O, die-en-die vrouw! Oude mensen gaan het Paradijs immers niet binnen!”
Ḥasan al-Baṣrī vervolgde: De vrouw begreep niet dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een grap maakte. Zij keerde huilend terug.
Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen de aanwezige ṣaḥābah: “Zeg tegen die vrouw dat zij het Paradijs niet als oude vrouw zal binnengaan! Allāhu (تعالى) heeft immers in de Qurʾān gezegd:
إِنَّآ أَنشَأۡنَٰهُنَّ إِنشَآءٗ ٣٥
Waarlijk, Wij hebben hen (vrouwen) tot een wonderlijke schepping gemaakt.
فَجَعَلۡنَٰهُنَّ أَبۡكَارًا ٣٦
En Wij hebben hen maagdelijk gemaakt.
عُرُبًا أَتۡرَابٗا ٣٧
Liefdevol en gelijk in leeftijd. (Wāqiʿah, 56:35–37)
Wie was de vrouw die naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam en zei: “O Rasûlullāh!
Verricht duʿāʾ tot Allah zodat Hij mij tot het Paradijs zal laten binnengaan”?
Er wordt gezegd dat deze vrouw Ṣafiyyah bint ʿAbd al-Muṭṭalib (رضي الله عنها), de tante van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), was. Ṣafiyyah was de moeder van az-Zubayr ibn al-ʿAwwām (رضي الله عنه), die behoorde tot de tien ṣaḥābah aan wie het Paradijs was beloofd.
Indien deze vrouw inderdaad, zoals is overgeleverd, Ṣafiyyah was, dan had Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) haar ongetwijfeld bij haar naam aangesproken. Mogelijk was de overleveraar van de ḥadīth haar naam vergeten en vertelde hij daarom dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) haar aansprak met de woorden: “O, die-en-die vrouw!
Tegen deze vrouw, die vroeg om een duʿāʾ om het Paradijs binnen te mogen gaan, maakte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) een grapje door te zeggen dat oude mensen het Paradijs niet binnengaan. De vrouw dacht dat dit antwoord serieus was. Ze was heel erg bedroefd en vertrok huilend, zonder op een nadere uitleg te wachten. Daarop stuurde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) iemand achter haar aan om haar het blijde nieuws te brengen dat zij opnieuw jong geschapen zou worden en vervolgens in die jeugdige toestand het Paradijs zou binnengaan.
Zoals wordt vermeld in de verzen 35–37 van sūrah Wāqiʿah zullen vrouwen, hoe oud zij in het wereldse leven ook geworden zijn, opnieuw jong geschapen worden. Zoals an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Zelfs wanneer zij oud zijn geworden en de glans uit hun ogen is verdwenen.”
Van Muʿādh ibn Jabal (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De bewoners van het Paradijs zullen het Paradijs binnengaan terwijl hun lichamen haarloos zijn, hun ogen van nature donker omrand zijn alsof er kuḥl op is aangebracht, en zij de leeftijd van dertig (of drieëndertig) jaar zullen hebben.”
De overleveraar van de ḥadīth twijfelde of an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) “dertig” of “drieëndertig” jaar had gezegd. De leeftijd van dertig jaar wordt beschouwd als de leeftijd waarop vrouwen in het wereldse leven hun hoogste mate van volwassenheid en volmaaktheid bereiken.
In het vers wordt vermeld dat de vrouwen als maagden zullen worden geschapen, dat zij ook na de gemeenschap met hun echtgenoten maagd zullen blijven, dat zij innig aan hun echtgenoten gehecht zullen zijn, verliefd op hun zullen zijn en dezelfde leeftijd als hun echtgenoten zullen hebben.
37. HOOFDSTUK: DE HOUDING VAN RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم) TEN OPZICHTE VAN POËZIE
241.Ḥadīth
Aan ʿĀʾishah (رضي الله عنها) werd gevraagd: “Droeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) weleens dichtregels van een dichter voor?”
Zij antwoordde: “Hij droeg soms enkele dichtregels van ʿAbdullāh ibn Rawāḥah voor. Ook reciteerde hij af en toe de versregel van de dichter Ṭarafah ibn al-ʿAbd (overl. 564 CE) die de volgende betekenis heeft: ‘Degene aan wie je geen voedsel geeft en wiens honger je niet stilt, zal je weldra nieuws brengen.’
242. Ḥadīth
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De meest waarachtige uitspraak die ooit door dichters is gedaan, is de uitspraak van Labīd: ‘Weet dat alles behalve Allah zal vergaan.’
Ook de gedichten van `Umayyah ibn Abī aṣ-Ṣalt tonen aan dat hij de Islām zeer dicht was genaderd.”
Wanneer de gelegenheid zich voordeed, reciteerde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) soms een dichtregel of een vers uit de gedichten van dichters die de waarheid onder woorden brachten.
Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): Aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd gevraagd wat zijn opvatting over poëzie was.
Hij antwoordde: “Net als proza bestaat ook poëzie uit goede en slechte woorden: het goede ervan is goed en het slechte ervan is slecht.”
Ook zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Er zijn gedichten die niets anders zijn dan wijsheid.”
Zoals zal blijken uit de 250. ḥadīth, had Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) voor zijn dichter Ḥassān ibn Thābit (رضي الله عنه) een verhoogde plaats laten maken in al-Masjid an-Nabawī. Daar zat Ḥassān en droeg hij zijn gedichten voor waarin hij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) prees.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) moedigde hem aan met de woorden: “O Ḥassān! Geef antwoord aan de kāfirs die tegen ons dichten!”
Ook verrichtte hij de volgende duʿāʾ voor hem: “O Allah! Ondersteun Ḥassān met Rūḥ al-Qudus.”
In de twee bovenstaande overleveringen worden twee dichters genoemd wier poëzie door an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) werd gewaardeerd en hoog geacht.
Een van deze dichters was ʿAbdullāh ibn Rawāḥah al-Anṣārī (رضي الله عنه) (overleden 8 AH/629 CE).
Hij was afkomstig uit al-Madīnah en behoorde tot degenen die aanwezig waren bij de tweede Bayʿat al-ʿAqabah. Daar kozen de moslims van al-Madīnah hem tot een van de twaalf nuqabāʾ (enkelvoud: naqīb), de vertegenwoordigers van hun gemeenschap.
Deze ṣaḥābī behoorde tot de drie beroemde dichters van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). In het achtste jaar na de hijrah (629 CE) was hij de derde bevelhebber tijdens de Slag bij Muʾtah tegen de christelijke Arabieren uit Syrië en het Byzantijnse leger. Tijdens deze veldslag sneuvelde hij als shahīd.
Met zijn gedichten verdedigde Ibn Rawāḥah Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en de Islām tegen de kāfirs. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verklaarde dat hij “geen onwaarheid en geen loze woorden sprak.” Ook zei hij dat de gedichten van Ibn Rawāḥah “meer invloed hadden op de mushriks dan pijlen.”
Een andere dichter van wie an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de poëzie waardeerde en van wie hij af en toe een vers of een dichtregel reciteerde, was een van de dichters van de Muʿallaqāt: Ṭarafah ibn al-ʿAbd (overleden 564 CE).
De volledige dichtregel die in deze ḥadīth wordt aangehaald luidt:
“De dagen zullen je vele dingen tonen die je nog niet kende.
Iemand aan wie jij geen proviand hebt meegegeven, zal je spoedig nieuws brengen.”
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) herkende zichzelf in deze dichtregel. Vooral in de tweede regel, waarin wordt gezegd: “Spoedig zal iemand je nieuws brengen”, zag hij een verwijzing naar zichzelf met het woord “iemand”, terwijl het “nieuws” volgens hem verwees naar de Qurʾān.
Het volgende vers wees op deze boodschapper waarover de dichter sprak:
يَٰقَوۡمِ لَآ أَسۡـَٔلُكُمۡ عَلَيۡهِ أَجۡرًاۖ إِنۡ أَجۡرِيَ إِلَّا عَلَى ٱلَّذِي فَطَرَنِيٓۚ أَفَلَا تَعۡقِلُونَ ٥١
O mijn volk, ik vraag jullie hiervoor geen beloning. Mijn beloning rust slechts bij Degene Die mij geschapen heeft. Zullen jullie het dan niet begrijpen? (Hūd, 11:51)
Een andere beroemde dichter uit de Jāhiliyyah van wie an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de poëzie waardeerde, was Labīd ibn Rabīʿah (رضي الله عنه) (overleden 41 AH/661 CE). Van alle dichters van de Muʿallaqāt was hij de enige die moslim werd.
In het negende jaar na de hijrah (631 CE) kwam Labīd als vertegenwoordiger (naqīb) van zijn stam naar al-Madīnah en aanvaardde de Islām. Nadat hij moslim was geworden en de woorden van Allāhu (تعالى) had gehoord, schaamde hij zich kennelijk om nog langer poëzie te schrijven. Daarom dichtte hij nooit meer.
Hij zei hierover: “Nadat Allah mij de Qurʾān had onderwezen, heb ik geen poëzie meer voorgedragen.” Hij overleed op 140-jarige leeftijd (volgens een andere overlevering op 157-jarige leeftijd): moge Allah tevreden met hem zijn.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) prees een van zijn dichtregels met de woorden:
“De meest waarachtige uitspraak die ooit door dichters is gedaan, is de uitspraak van Labīd: ‘Weet dat alles behalve Allah zal vergaan.’
De tweede regel van dit couplet luidt:
“Iedere gunst zal ongetwijfeld eens eindigen.”
Het is duidelijk dat Labīd zijn versregel:
“Weet dat alles behalve Allah zal vergaan.”
heeft ontleend aan het edele Qurʾān-vers:
وَلَا تَدۡعُ مَعَ ٱللَّهِ إِلَٰهًا ءَاخَرَۘ لَآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَۚ كُلُّ شَيۡءٍ هَالِكٌ إِلَّا وَجۡهَهُۥۚ لَهُ ٱلۡحُكۡمُ وَإِلَيۡهِ تُرۡجَعُونَ ٨٨
En roep geen andere goden naast Allah aan. Er is geen god dan Hij. Alles zal verdwijnen behalve Zijn aangezicht. Bij Hem is het besluit en tot Hem zullen jullie (allen) terugkeren. (Qasas 28/88)
Een van de dichters van wie Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de poëzie waardeerde, was ook `Umayyah ibn Abī aṣ-Ṣalt (overleden 8 AH/630 CE), die bekendstond om zijn wijze woorden en kernachtige uitspraken. Hij bezat verschillende prijzenswaardige eigenschappen:
In de Jāhiliyyah leidde hij een rechtschapen en ascetisch leven.
Hij had de Tawrāh en de Injīl gelezen.
Hij was de eerste die de uitdrukking: “Allāhumma, bismika” (“O Allah! In Uw Naam!”) gebruikte.
Hij geloofde dat er een nabī zou komen en hoopte dat hijzelf die nabī zou zijn.
Toen hij echter zag dat het profeetschap aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was geschonken, aanvaardde hij de Islām niet vanwege de afgunst (ḥasad) die hij jegens hem koesterde.
Zoals zowel in deze ḥadīth als in de 249e ḥadīth naar voren komt, oordeelde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dat ʿUmayyah ibn Abī aṣ-Ṣalt dicht bij het aanvaarden van de islam was gekomen. Dit oordeel was gebaseerd op het feit dat ʿUmayyah in zijn poëzie onderwerpen als de eenheid van Allah (tawḥīd) en het bestaan van het Hiernamaals bezong.
243. Ḥadīth
Van Jundab ibn Sufyān al-Bajalī (رضي الله عنه): De vinger van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd geraakt door een steen en begon te bloeden.
Daarop sprak Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn vinger toe en zei: “O mijn vinger! Waarom blijf je klagen? Jij bent toch slechts een bloedende vinger? Je bent niet zonder reden gewond geraakt; jij hebt dit letsel opgelopen op weg van Allah!”
Waarschijnlijk werd tijdens de Slag bij Uḥud een van de tenen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) geraakt door een steen, waardoor deze begon te bloeden. Toen de pijn toenam, sprak an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn vinger toe alsof hij een levend wezen aansprak en zei:
“O mijn vinger! Waarom klaag je? Je bent niet afgebroken en niet gebroken, je bloedt slechts een beetje. Bovendien is dit gebeurd op weg van Allah, dus je zult hiervoor ook je beloning ontvangen.”
De uitspraak van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) lijkt op poëzie, maar het is geen poëzie. Allāhu (تعالى) heeft immers in een āyah verklaard:
وَمَا عَلَّمۡنَٰهُ ٱلشِّعۡرَ وَمَا يَنۢبَغِي لَهُۥٓۚ إِنۡ هُوَ إِلَّا ذِكۡرٞ وَقُرۡءَانٞ مُّبِينٞ ٦٩
En Wij hebben hem (Mohammed) de dichtkunst niet onderwezen en het past hem niet. Dit is slechts een Waarschuwing en een duidelijke Koran. (Yâsîn, 36:69)
De woorden die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tot zijn vinger sprak, hebben een rijmende en ritmische vorm. In de Arabische literatuur wordt dit echter geen poëzie genoemd, maar rajaz.
(Abū ʿAbdillāh Jundub ibn Sufyān al-Bajalī al-ʿAlaqī (رضي الله عنه), overleden na 60 AH/680 CE), werd naar zijn grootvader genoemd.
Zijn volledige naam luidde: Abū ʿAbdillāh Jundub ibn ʿAbdillāh ibn Sufyān al-Bajalī al-ʿAlaqī. Hij stond ook bekend onder de bijnaam "Jundub al-Khayr" (Jundub de Goede). Tijdens de Tijd van de Saʿādah was hij een sterke en krachtige jongen. Aanvankelijk woonde hij in Kūfah en later vestigde hij zich in Baṣrah.)
244. Ḥadīth
Ook deze ḥadīth, overgeleverd door Jundab ibn Sufyān al-Bajalī (رضي الله عنه), is gelijk aan de vorige ḥadīth. At-Tirmidhī heeft deze ḥadīth versterkt met deze andere keten van overlevering (sanad).
245. Ḥadīth
Van Barāʾ ibn ʿĀzib (رضي الله عنه): “Iemand vroeg mij: ‘O Abū ʿUmārah! Zijn jullie op de dag van de Slag bij Ḥunayn weggelopen en hebben jullie Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) alleen tegenover de vijand achtergelaten?’
Ik antwoordde: “Nee, wij zijn niet allemaal samen gevlucht. Maar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verroerde zich niet eens van zijn plaats. De voorste gelederen raakten uiteengeslagen en trokken zich terug, want de Hawāzin, die bedreven waren in het boogschieten, bestookten hen met een regen van pijlen.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bleef intussen op zijn witte muilezel zitten, waarvan de teugels werden vastgehouden door zijn neef Abū Sufyān ibn al-Ḥārith (رضي الله عنه). Terwijl de strijders zich terugtrokken, riep hij hun toe: “Geen leugen, ik ben an-Nabī. Ik ben de zoon van ʿAbd al-Muṭṭalib.”
Een van de overleveringen in Ṣaḥīḥ al-Bukhārī is uitgebreider dan deze versie. Daarin wordt de vraag als volgt gesteld: “Zijn jullie op de dag van Ḥunayn weggelopen bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم)?”
Barāʾ ibn ʿĀzib antwoordde: “Ja, wij zijn gevlucht, maar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) is niet gevlucht. Onze vijand, de stam van Hawāzin, was heel bedreven in het boogschieten. Toen wij Hawāzin op het slagveld ontmoetten, vielen wij hen aan en zij werden uiteengedreven en sloegen op de vlucht. Toen de moslims zagen dat zij op de vlucht sloegen, begonnen zij de buit te verzamelen. Maar de Hawāzin bestookten ons met een regen van pijlen. Toen sloegen wij op de vlucht, maar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vluchtte niet. Toen ik hem zag, stond hij onbevreesd op zijn witte muilezel. Zijn neef Abū Sufyān ibn al-Ḥārith (رضي الله عنه) hield de teugels van de muilezel vast.
Hij riep: ‘Geen leugen, ik ben an-Nabī. Ik ben de zoon van ʿAbd al-Muṭṭalib.’
De Slag bij Ḥunayn vond plaats in het achtste jaar na de hijrah (630 CE), vijftien dagen na de verovering van Makkah. De strijd vond plaats in de vallei van Ḥunayn, achter de berg ʿArafāt, op ongeveer drie mijl afstand van Makkah.
De stam Hawāzin, die een meedogenloze vijand van de moslims was, en hun bondgenoot, de stam Thaqīf, behoorden tot de meest strijdlustige en talrijkste stammen van de Arabieren. Omdat zij er zeker van waren dat zij de moslims zouden verslaan, waren zij met al hun bezittingen en families naar de vallei van Ḥunayn gekomen.
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was gekomen met een leger van tienduizend man, aangevuld met strijders die de islam pas kort daarvoor hadden aanvaard en bij wie de īmān nog niet volledig in hun hart was geworteld.
Toen de moslims de Hawāzin aanvielen, werden ze aanvankelijk uiteengedreven. Maar toen het leger van de Islām zich op de buit richtte, maakten de Hawāzin-boogschutters die in een hinderlaag lagen gebruik van de situatie en bestookten de moslims met pijlen. Hierdoor raakten de moslims in verwarring en begonnen zij zich terug te trekken.
Slechts negen personen bleven bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Hij riep ondertussen:
“Geen leugen, ik ben an-Nabī. Ik ben de zoon van ʿAbd al-Muṭṭalib!”
Hij spoorde de terugtrekkende moslims aan om terug te keren, terwijl hij zijn muildier “Duldul” richting de vijand stuurde.
Abū Sufyān ibn al-Ḥārith, zijn neef en melkbroeder, hield de teugel van Duldul vast, terwijl ʿAbbās (رضي الله عنه), zijn oom, probeerde te voorkomen dat hij verder naar voren ging. Op bevel van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) riep ʿAbbās met luide stem:
“O Ansār die bij al-ʿAqabah de eed hebben afgelegd! O ṣaḥābah die onder de Boom van Riḍwān hun belofte hebben gegeven!”
Toen de ṣaḥābah hem hoorden, riepen zij: “Labbayk!” en keerden zij terug naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). De strijd laaide opnieuw op en uiteindelijk werden de vijanden verslagen.
Van Salamah ibn al-Akwaʿ (رضي الله عنه): Toen de vijanden Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in Ḥunayn omsingelden, steeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) van zijn muildier af. Hij nam een handvol aarde, wierp die naar de vijand en zei: “Moge deze gezichten veracht worden!”
De aarde kwam in hun ogen terecht, waarna zij zich omdraaiden en vluchtten. Allāhu (تعالى) heeft hen verslagen en bracht hen in de nederlaag.
Over de uitspraak van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), ‘Geen leugen, ik ben an-Nabī. Ik ben de zoon van ʿAbd al-Muṭṭalib.’ die op poëzie lijkt, is in de vorige ḥadīth reeds uitleg gegeven.
246. Ḥadīth
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bij ʿUmrat al-Qaḍāʾ Makkah binnenging, liep zijn dichter ʿAbdullāh ibn Rawāḥah vóór hem uit, terwijl hij de volgende rajaz-dichtregels reciteerde: “O zonen van de kāfirs, maak plaats voor de weg van Rasûlullāh! Allah heeft in de Qurʾān verkondigd dat hij de ware Nabī is. Als jullie hem kwaad willen doen, dan (zweren wij) bij Allah dat wij jullie halzen zullen slaan. Wij zullen jullie treffen met zwaarden die hoofden van lichamen scheiden, zodat iedereen alleen nog om zichzelf zal denken en vriend zijn vriend zal vergeten.”
Toen ʿUmar (رضي الله عنه) deze woorden hoorde, zei hij tegen hem: “O Ibn Rawāḥah! Dicht je in aanwezigheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en in de Ḥaram van Makkah?”
Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dit hoorde, zei hij tegen ʿUmar (رضي الله عنه):
“O ʿUmar! Laat hem, laat hem doorgaan. De poëzie van Ibn Rawāḥah heeft meer invloed op de mushriks dan pijlen.”
In deze ḥadīth wordt de intocht van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in Makkah tijdens ʿUmrah al-Qaḍāʾ beschreven.
Eerst herinneren wij ons de gebeurtenis van ʿUmrah al-Qaḍāʾ:
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vertrok in het zesde jaar na de hijrah (628 CE) met 1400 ṣaḥābah naar Makkah om de ʿumrah te verrichten, maar de Mekkaanse mushriks verhinderden hen om de stad binnen te gaan. Daarop verbleef Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) met zijn ṣaḥābah in al-Ḥudaybiyyah, waar een verdrag werd gesloten dat bekendstaat als het Verdrag van al-Ḥudaybiyyah.
Volgens dit verdrag zouden de moslims dat jaar geen ʿumrah verrichten, maar het jaar daarna de Kaʿbah mogen bezoeken en drie dagen in Makkah mogen verblijven.
In het daaropvolgende jaar (7 H./629 n.Chr.) vertrokken degenen die het jaar daarvoor niet in staat waren geweest de ʿumrah te verrichten, samen met nieuwe pelgrims, opnieuw naar Makkah op bevel van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
Volgens het verdrag hadden de mushriks de stad verlaten en zich teruggetrokken naar de omliggende heuvels.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) betrad Makkah zittend op zijn kameel al-Qaswāʾ, terwijl de takbīrs (Allahu Akbar) werden uitgesproken. ʿAbdullāh ibn Rawāḥah hield de teugel van de kameel vast en liep vóór Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) uit, terwijl hij de genoemde verzen reciteerde.
Toen ʿUmar (رضي الله عنه) dit ongepast vond, keurde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn reactie niet af en zei: “O ʿUmar! Laat hem, laat hem spreken. De poëzie van Ibn Rawāḥah heeft meer effect op de mushriks dan pijlen.”
247. Ḥadīth
Van Jābir ibn Samurah (رضي الله عنه): “Ik heb meer dan honderd keer in het gezelschap van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verkeerd. Zijn ṣaḥābah vroegen elkaar in zijn aanwezigheid om poëzie voor te dragen, en zij bespraken ook enkele gebeurtenissen uit de Jāhiliyyah. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) luisterde aandachtig en kalm naar hen, en soms glimlachte hij samen met hen om wat er werd verteld.”
In deze ḥadīth wordt duidelijk dat de ṣaḥābah al-kirām in de aanwezigheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) soms poëzie aan elkaar voordroegen, en dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) daarnaar luisterde.
Uiteraard ging het hierbij om poëzie die niet in strijd was met ādāb en die geen ongepaste of slechte woorden bevatte.
Waarschijnlijk ging het in deze gedichten om herinneringen aan gebeurtenissen uit de Jāhiliyyah, waarbij ook spijt werd uitgesproken over een leven dat niet in overeenstemming was met de islamitische moraal.
Er kon ook niets anders verwacht worden, want Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wendde zich af van iemand die in zijn aanwezigheid ongepaste of nutteloze woorden sprak. Hij wilde niet dat woorden werden uitgesproken die geen voordeel hadden voor iemands dīn of wereldse leven, en hij zei: “Het behoort tot het goed moslim-zijn van een persoon dat hij zich bezighoudt met wat hem niet aangaat.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was met zijn ṣaḥābah oprecht, zoals een vader met zijn kinderen. Hij sprak niet alleen over godsdienstige zaken, maar nam ook deel aan wereldse gesprekken, luisterde naar hun gesprekken en zat bij hun bijeenkomsten. Wanneer zij grappige verhalen vertelden, glimlachte hij samen met hen.
Op een dag werd in de bijeenkomst van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) door iemand in poëtische vorm het volgende verteld:
“Geen enkele afgod heeft zijn aanbidders zo veel voordeel gebracht als mijn afgod.
Want ik had hem gemaakt van ḥays (traditioneel Arabisch gerecht bestaande uit een mengsel van dadels, meel en boter)
Toen er hongersnood kwam in onze streek, braken wij onze afgod in stukken en verdeelden hem onder ons huishouden en onze verwanten;
Zo heeft onze afgod onze magen gevuld en ons van de hongersnood gered.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) luisterde glimlachend naar dit verhaal.
Een andere ṣaḥābī vertelde: “Op een dag kwam er een vos op onze afgod staan en urineerde op zijn gezicht en ogen. Zelfs het oog van het afgodsbeeld werd blind.
Ik werd daar heel erg verdrietig over en dacht: hoe kan dit een godheid zijn, terwijl een vos erop kan klimmen en het kan bevuilen zonder dat hij zich kan verdedigen?
Daarop heb ik het afgodenaanbidding verlaten en ben ik moslim geworden.”
Ook naar dit verhaal glimlachte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
De verhalen die de ṣaḥābah vertelden over de Jāhiliyyah betroffen dit soort gebeurtenissen. Zij spraken in de aanwezigheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nooit zinloze of nutteloze woorden.
Uit diepe eerbied voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en vanwege hun sterke verbondenheid met zijn sunnah lachten de ṣaḥābah nooit luid in zijn aanwezigheid; zij beperkten zich tot een glimlach.
248. Ḥadīth
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De mooiste poëzie die de Arabieren hebben uitgesproken is de uitspraak van Labīd: ‘Weet dat alles behalve Allah zal vergaan.’
249. Ḥadīth
Van Sharīd ibn Suwayd (رضي الله عنه): Op een dag zat ik achterop (het rijdier) van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Ik reciteerde voor hem honderd dichtregels uit de poëzie van de dichter `Umayyah ibn Abī aṣ-Ṣalt ath-Thaqafī.
Telkens wanneer ik een vers reciteerde, zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): ‘Humm, humm!’ (wat doorgaan betekende).
Toen ik uiteindelijk honderd verzen had gereciteerd, zei hij: ‘Umayyah stond met deze poëzie op het punt om moslim te worden.’
Op een dag liet Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) Sharīd ibn Suwayd achter op zijn rijdier plaatsnemen. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam erachter dat Sharīd veel poëzie uit zijn hoofd kende. Hij vroeg hem of hij ook de poëzie van `Umayyah ibn Abī aṣ-Ṣalt kende. Toen Sharīd bevestigend antwoordde, begon hij deze te reciteren. Bij elke versregel zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) “Humm, humm!”, waarmee hij hem aanspoorde om verder te gaan. Zo reciteerde hij uiteindelijk honderd verzen.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) waardeerde `Umayyah ibn Abī aṣ-Ṣalt meer dan andere dichters uit de Jāhiliyyah, omdat zijn poëzie spirituele diepgang bevatte.
Zoals reeds vermeld in de 242. ḥadīth, zei hij dat deze dichter met zijn poëzie zeer dicht bij de Islām was gekomen.
Volgens een andere overlevering zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) over `Umayyah ibn Abī aṣ-Ṣalt: “Zijn tong heeft geloofd (īmān), maar in zijn hart bleef hij een kāfir.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) keurde het reciteren en uit het hoofd leren van immorele of zinloze poëzie af. Hij zei: “Het is beter dat het binnenste van een van jullie met etter gevuld is dan met poëzie.”
(Sharīd ibn Suwayd (رضي الله عنه) behoorde tot de Thaqīf-stam. Nadat hij iemand van zijn eigen stam had gedood, vluchtte hij naar Makkah en aanvaardde daar de islam.
Deze ṣaḥābī, wiens oorspronkelijke naam Mālik was, werd door an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) aangesproken met de naam "Sharīd", wat "vluchteling" betekent. Daarna begon iedereen hem met deze naam te noemen. Sharīd was aanwezig bij Bayʿat ar-Riḍwān.)
250. Ḥadīth
Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) liet in al-Masjid an-Nabawī een verhoogde plaats maken voor zijn dichter Ḥassān ibn Thābit (رضي الله عنه). Ḥassān zat daar en droeg gedichten voor waarin hij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) prees.
Volgens een overleveraar, ʿUrwah (of ʿĀʾishah), werd de zaak als volgt beschreven:
Ḥassān zat op die verhoogde plaats in al-Masjid an-Nabawī, waar hij antwoord gaf op de poëzie van de mushriks tegen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en de muʾminīn. Hij prees de moslims en bekritiseerde de kāfirs. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte du`ā’ voor hem en zei: “O Allah! Steun Ḥassān met Rūḥ al-Qudus zolang hij de kāfirs bekritiseert en Rasûlullāh verdedigt tegenover hen.”
Het feit dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) voor Ḥassān ibn Thābit (رضي الله عنه) in al-Masjid an-Nabawī een verhoogde plaats liet maken om daarop poëzie te reciteren, kan in onze tijd moeilijk te begrijpen zijn. In werkelijkheid laat dit zien hoe belangrijk poëzie onder de Arabieren in die tijd was.
In de hedendaagse wereld kan een invloedrijk artikel grote weerklank vinden en lange tijd de publieke discussie domineren; zo had in die tijd ook een krachtige dichtregel onder de Arabieren dezelfde impact. Men sprak er dagenlang over, gaf er commentaar op en probeerde erop te reageren.
Daarom liet Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) voor Ḥassān ibn Thābit (رضي الله عنه) in de moskee een plaats maken, zodat hij daar Allah, Rasûlullāh en de Islām kon verdedigen tegen de aanvallen van de kāfirs.
Volgens een overlevering van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen deze voortreffelijke dichter: “O Ḥassān! Geef namens Rasûlullāh antwoord aan de dichters van de kāfirs! Bestrijd hen met satire! O Allah! Ondersteun Ḥassān met Rūḥ al-Qudus!”
Deze duʿāʾ van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) laat zien hoe effectief poëzie in die tijd kon zijn bij het weerleggen van de vijanden van de Islām. Deze ḥadīth laat ook zien dat een van de namen van Jibrīl (عليه السلام) Rūḥ al-Qudus is. Rūḥ al-Qudus: de zuivere geest, vrij van elke verontreiniging. Met deze duʿāʾ vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aan Allāhu (تعالى) dat de engel die hem de openbaring bracht, ook Ḥassān ibn Thābit zou ondersteunen met inspiratie.
251. Hadīth
Ook deze hadīth is overgeleverd door ‘Āʾishah (رضي الله عنها) van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
Zowel de bewoording als de betekenis ervan zijn hetzelfde als die van de voorgaande hadīth. Alleen heeft at-Tirmidhī deze via een andere overleveringsketen (isnād) overgeleverd.
38. HOOFDSTUK: DE AVONDGESPREKKEN VAN RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم) MET ZIJN ECHTGENOTES
252. Hadīth
Van ‘Āʾishah (رضي الله عنها): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vertelde op een avond aan zijn echtgenotes een merkwaardig verhaal. Een van zijn echtgenotes, die zich over dit verhaal verwonderde, zei: “Dit verhaal lijkt op het verhaal van Khurāfah.”
Daarop vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Weten jullie wat Khurāfah is?”
Vervolgens zei hij:
“Khurāfah was een man uit de stam van ‘Udhrah in Yemen. In de tijd van de Jāhiliyyah namen de djinn hem gevangen. Nadat zij hem lange tijd bij zich hadden gehouden, brachten zij hem terug naar zijn stam. Khurāfah vertelde over de wonderlijke gebeurtenissen die hij onder de djinn had meegemaakt. Wanneer de mensen zulke vreemde verhalen hoorden, zeiden zij: “Dat is het verhaal van Khurāfah.”
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) sprak 's avonds met zijn echtgenotes. Bij welke echtgenote hij die nacht ook verbleef, de andere echtgenotes kwamen daar eveneens bijeen. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) onderwees hun soms zaken die zij behoorden te kennen en vertelde hun soms verhalen en historische overleveringen om hun harten te verheugen.
Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op een avond het merkwaardige verhaal vertelde dat in deze hadīth wordt genoemd, zei een van zijn echtgenotes: “Dit verhaal lijkt op het verhaal van Khurāfah.” De Arabieren gebruikten deze uitdrukking wanneer zij een gebeurtenis hoorden waarvan zij de echtheid niet geloofden, of wanneer zij een vreemd of verzonnen verhaal vernamen. Dan zeiden zij dat het op het verhaal van Khurāfah leek.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vond het niet juist dat de moeder der mu'mins het verhaal dat hij die avond had verteld met het “verhaal van Khurāfah” vergeleek. Hij maakte duidelijk dat het verhaal van Khurāfah geen verzinsel was. Volgens een andere overlevering zei hij zelfs: “De gebeurtenis van Khurāfah is waar.”
Hieruit blijkt dat er daadwerkelijk iemand was die Khurāfah heette en dat wat hij had gezien en verteld werkelijk was gebeurd. De mensen hadden echter zijn verhalen over de djinn met hun eigen leven vergeleken en beschouwden ze daarom als ongeloofwaardig.
Deze hadīth laat zien dat het toegestaan en zelfs passend is om na de ṣalāh al-‘ishāʾ als gezin bijeen te zitten en met elkaar te spreken. De handelwijze van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) laat ons bovendien zien dat het hoofd van het gezin zijn huisgenoten met vriendelijkheid dient te behandelen, de onderlinge verbondenheid binnen het gezin moet bevorderen en daarbij oprecht en hartelijk tegenover hen behoort te zijn.
Door leuke verhalen te vertellen en ervoor te zorgen dat de gezinsleden dichter tot elkaar komen, samen lachen en een plezierige tijd met elkaar doorbrengen, is geen verspilling van tijd.
Zoals bekend keurde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het af om na de ṣalāh al-‘ishāʾ langdurig te blijven praten. Wie tot laat in de nacht opblijft en zijn tijd verspilt met nutteloze gesprekken of ontoelaatbaar vermaak, krijgt onvoldoende slaap. Daardoor mist men niet alleen de ṣalāh at-tahajjud, maar soms zelfs de ṣalāh al-fajr. Bovendien kan men overdag de werkzaamheden die men behoort te verrichten niet volledig en niet op een goede wijze uitvoeren.
Maar zoals an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deed, is er niets op tegen om aangenaam tijd door te brengen met de eigen familie of om samen met rechtschapen mensen nuttige gesprekken te voeren.
De hadīth van Ummu Zar‘, die hierna zal volgen, is een van de verhalen die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tijdens zijn avondgesprekken aan zijn echtgenotes vertelde.
253. Hadīth
Van ʿĀishah (رضي الله عنها): Elf vrouwen gingen zitten en spraken af, en bezwoeren elkaar, dat zij niets geheim zouden houden van wat zij over hun echtgenoten zouden vertellen.
De eerste zei: Mijn man is als mager kameelvlees op de top van een hoge berg, niet gemakkelijk te beklimmen. Bovendien is hij niet eens vet, dat je hem daar zomaar vandaan zou halen en opeten.
De tweede zei: Ik kan het nieuws over mijn man niet rondvertellen, want als ik eenmaal over hem begin, ben ik bang dat ik álles zal zeggen, niets, geheim of openbaar, zal ik dan kunnen verzwijgen.
De derde zei: Mijn man is lang van gestalte. Als ik spreek, word ik verstoten, en als ik zwijg, word ik genegeerd.
De vierde zei: Mijn man is als de nacht van Tihamah: noch heet noch koud, noch beangstigend noch saai.
De vijfde zei: Mijn man is als een luipaard als hij thuiskomt (stil en snel), en als een leeuw als hij buitenshuis is, en hij stelt geen vragen over wat hij achterliet.
De zesde zei: Mijn man, als hij eet, verslindt hij; als hij drinkt, slurpt hij; als hij zich neerlegt, rolt hij zich op; en hij reikt nooit met zijn hand om mijn verdriet te begrijpen.
De zevende zei: Mijn man is nutteloos of krankzinnig. Hij heeft alle ziektes die je kunt bedenken. Hij kan je het hoofd inslaan, je botten breken of beide tegelijk doen.
De achtste zei: De aanraking van mijn man is als die van een konijn (zacht), en zijn geur is als die van een geurige plant, zarnab (een soort basilicum of lavendel).
De negende zei: Mijn man heeft hoge pilaren in zijn huis, zijn zwaardriem is lang, zijn haard is altijd warm, en zijn huis is dicht bij degenen die raad zoeken.
De tiende zei: Mijn man is Mālik (bezitter). En wat is een Mālik! Hij is bezitter van alles wat in je opkomt wat beter is. Hij heeft veel kamelen die zelden worden losgelaten om te grazen, en wanneer zij het geluid van de tamboerijn horen, zijn zij ervan overtuigd dat het hun einde is (ze worden geslacht voor gasten).
De elfde zei: Mijn man is Abû Zar`, en wat is Abû Zar`! Hij voorzag mijn oren van sieraden en vulde mijn armen met vlees (ik kwam aan van comfort en voeding). Hij behandelde mij met zoveel liefde dat ik mijzelf mooi vond door zijn bewondering.
Hij vond mij tussen arme mensen met weinig bezittingen en bracht mij naar een huishouden vol edele paarden en kamelen.
Bij hem sprak ik zonder afgewezen te worden. Ik sliep uit tot in de ochtend. En ik dronk tot mijn dorst volledig gelest was. Weet je wat voor iemand zij was. De moeder van Abû Zar`, en weet je wat voor iemand Abû Zar`s moeder was! Haar voorraad was royaal, en haar huis was ruim. De zoon van Abû Dzar, en weet je wat voor iemand Abû Zar`s zoon was! Zijn bed was als een scherp, gepolijst zwaard, en een stuk van een geitenpoot was voor hem al voldoende. De dochter van Abû Zar`, en weet je wat voor iemand Abû Zar`s dochter was! Zij gehoorzaamde haar vader en haar moeder, was goed gevuld en haar buurvrouw kon haar alleen maar benijden.
De dienares van Abû Zar`, en weet je wat voor iemand Abû Zar`s dienaar was! Zij onthulde onze geheimen niet, verspilde ons bezit niet en vulde ons huis niet met rommel.
Toen gebeurde het dat Abû Zar` op een dag het huis verliet, terwijl de melkkuipen werden geschud. Hij ontmoette een vrouw met twee kinderen die speels onder haar taille speelden met twee granaatappels. Daarop scheidde hij van mij en huwde haar.
Na hem huwde ik een voorname man, die op een snel rijdier reed, mij met edele paarden omgaf, mij rijk vee gaf, en van iedere soort geurige gave een paar schonk. Hij zei tegen mij: “Eet, O Ummu Zarʿ, en geef het ook aan jouw familie.”
Maar, zei zij, als ik alles zou verzamelen wat hij mij gegeven heeft, het zou niet opwegen tegen het kleinste vaatwerk van Abû Zar`.
ʿĀishah zei: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tegen mij: “Ik ben voor jou als Abû Zar` voor Ummuu Zar` was.”
Volgens de overlevering van ‘Āʾishah (رضي الله عنها) kwamen in de tijd van de Jāhiliyyah elf vrouwen bijeen. Zij spraken met elkaar af dat zij de goede én de slechte eigenschappen van hun echtgenoten openhartig aan elkaar zouden vertellen, zonder iets te verzwijgen. Volgens de beroemde hadithcommentator al-Kirmānī vond deze gebeurtenis plaats in een streek in Yemen.
De eerste vrouw klaagt over het slechte karakter van haar echtgenoot en over zijn buitensporige zelfingenomenheid. Zij zegt dat hij zo hoogmoedig is dat zij hem niet eens kan benaderen en op geen enkele manier voordeel van hem heeft. Zij vergelijkt haar echtgenoot met het vlees van een magere kameel boven op een berg. Het is immers al moeilijk genoeg om de top van een berg te bereiken. Maar zelfs als men daar aankomt, is de kameel zo mager dat zijn vlees nauwelijks iets waard is. Daarom loont het niet om hem naar beneden te dragen. Met deze vergelijking wil zij zeggen: “Mijn echtgenoot is noch voor mij, noch voor zichzelf van enig nut.”
De tweede vrouw beklaagt zich eveneens over haar echtgenoot. Zij zegt dat zij zijn geheimen niet kan onthullen.
Als zij al zijn tekortkomingen zou opsommen, zou zij ook alle slechte dingen moeten vertellen die hij haar heeft aangedaan en al zijn verborgen en openlijke gebreken moeten blootleggen. Zij wil daarmee duidelijk maken dat zijn slechte eigenschappen ontelbaar zijn. Bovendien vreest zij dat hij haar zal verstoten als hij haar woorden zou horen.
De derde vrouw zegt eveneens dat haar echtgenoot een man met een slecht karakter is. Als zij over hem zou spreken, zou hij haar verstoten. Als zij echter zou zwijgen, zou zij lijken op een vrouw van wie niemand weet of zij getrouwd of weduwe is. Met deze woorden wil zij zeggen: “Ik weet niet eens of ik moet zeggen: ‘Ik heb een echtgenoot’, of: ‘Ik heb geen echtgenoot.’”
De vierde vrouw wil juist de goede eigenschappen van haar echtgenoot beschrijven. De streek rond Makkah al-Mukarramah wordt Tihāmah genoemd. Zij vergelijkt haar echtgenoot met de zachte nachten van Tihāmah. Daarmee bedoelt zij dat hij vriendelijk, zachtmoedig en buitengewoon meelevend is. Daarom is zij nooit bang voor hem, raakt zij nooit op hem uitgekeken en geniet zij altijd van zijn gezelschap.
Uit de woorden van de vijfde vrouw is niet direct op te maken of zij haar echtgenoot prijst of bekritiseert. Waarschijnlijk bedoelt zij, wanneer zij hem vergelijkt met een luipaard dat van de jacht terugkeert, dat hij buitenshuis hard werkt en vermoeid thuiskomt. Eenmaal thuis slaapt hij echter als een kat rustig in zijn bed, waardoor zij niet veel aan hem heeft. Zij probeert hiermee te zeggen dat hij, wanneer hij thuiskomt, als een kat heerlijk rustig in haar schoot slaapt en dat zij daarom niet voldoende profijt van hem kan hebben. Misschien vertelt zij hiermee dat haar echtgenoot, omdat hij heel vrijgevig is, haar zelfs niet vraagt wat zij koopt of verkoopt.
De zesde vrouw wijst op de gulzigheid van haar echtgenoot. Zij zegt dat hij alles opeet wat hij in huis aantreft, alle drinkgerei leegmaakt en daarna, verzadigd door al dat eten en drinken, onder zijn deken gaat liggen. Vervolgens schenkt hij haar geen enkele aandacht en vraagt hij niet eens of zij ergens behoefte aan heeft. Zo klaagt zij over haar echtgenoot.
De zevende vrouw spreekt heel negatief over haar echtgenoot.
Zij zegt dat hij dom, impotent en onbekwaam is en dat hij bovendien allerlei gebreken, zorgen en tekortkomingen heeft. Mocht zij ondanks al deze tekortkomingen toch naar hem toe gaan, dan vreest zij dat hij door zijn hevige woede aanval haar hoofd zal verwonden, een lichaamsdeel zal breken of haar uit huis zal zetten.
De achtste vrouw bekritiseert haar echtgenoot op een verfijnde manier. Zij zegt dat zijn hand zo zacht is als die van een konijn wanneer hij haar aanraakt en dat zijn lichaam heerlijk geurt als welriekende planten. Daarmee lijkt zij hem te prijzen, maar met deze woorden zinspeelt zij erop dat haar echtgenoot haar geen enkel voordeel biedt.
De negende vrouw vertelt over de vrijgevigheid van haar echtgenoot.
Wanneer zij zegt: “Het huis van mijn echtgenoot heeft hoge pilaren en de schede van zijn zwaard is lang,” bedoelt zij dat hij van voorname afkomst is en een lange gestalte heeft.
Met de woorden: “De as van zijn haard is overvloedig,” wijst zij op zijn gastvrijheid en de vele maaltijden die hij voor zijn gasten bereidt.
En wanneer zij zegt: “Zijn huis ligt op een geschikte plaats om gasten te ontvangen,”
bedoelt zij dat zijn woning zich in het midden van de wijk bevindt, waar reizigers onderdak vinden en waar de bewoners bijeenkomen om elkaar te ontmoeten en belangrijke zaken te bespreken.
De tiende vrouw prijst zowel de rijkdom als de vrijgevigheid van haar echtgenoot.
Wanneer zij zegt: “Mijn echtgenoot is Mālik bezitter, en wat voor een Mālik...”
bedoelt zij niet alleen dat zijn naam Mālik is, maar ook dat hij nog rijker is dan de echtgenoot van de negende vrouw.
Hoewel hij ruime omheiningen bezit voor zijn kudden kamelen, zegt zij dat er nauwelijks weidegrond voor hen nodig is. Daarmee wil zij aangeven dat de kamelen zo vaak voor gasten worden geslacht dat zij nauwelijks hoeven te grazen.
Om de gastvrijheid van haar echtgenoot te beschrijven zegt zij: “Wanneer de kamelen het geluid van de tamboerijn horen, weten zij dat zij geslacht zullen worden.”
Hiermee bedoelt zij dat haar gastvrije echtgenoot zo blij is wanneer er gasten arriveren, dat hij hen met muziek op de tamboerijn verwelkomt. Zodra de kamelen dit geluid horen, begrijpen zij dat zij voor de gasten zullen worden geslacht.
De elfde vrouw is Ummu Zarʿ, naar wie deze hadīth is genoemd.
Zij wil duidelijk maken dat haar echtgenoot waarschijnlijk Abū Zarʿ (“de landbouwer”) werd genoemd omdat hij veel landbouwgrond bezat en zich intensief met landbouw bezighield. Zij vertelt dat deze welgestelde echtgenoot haar oorhangers van kostbare edelstenen gaf die zo zwaar waren dat haar oren ze nauwelijks konden dragen. Hij verzorgde haar uitstekend, waardoor zij een gezond en weldoorvoed uiterlijk kreeg. Dankzij de voorzieningen die hij haar bood, leefde zij in rust en tevredenheid.
Door ook te verwijzen naar waar zij vandaan kwam en waar zij terechtgekomen is, zegt Ummu Zarʿ dat haar echtgenoot haar heeft meegenomen uit een gezin dat met moeite rondkwam van een klein aantal schapen en haar naar een welvarend gezin heeft gebracht, “waar de paarden hinniken, de kamelen brullen en de gewassen worden geploegd en geoogst”.
Verder vertelt zij dat Abū Zarʿ haar waardeerde en ook haar woorden op prijs stelde. Zelfs wanneer zij sliep, maakte hij haar niet wakker en hij bemoeide zich niet met wat zij at of dronk. Daarna prijst zij de moeder van Abū Zarʿ om haar vrijgevigheid. Zij vertelt dat haar huis ruim was vanwege het grote aantal bedienden. Ook beschrijft zij zijn zoon als een verfijnde en verzorgde jongeman en zijn dochter als een meisje dat haar vader en moeder gehoorzaamde en met haar mooie gestalte het oog en het hart verheugde. Zijn vrouwelijke dienares prijst zij eveneens als een zuinige en verzorgde vrouw die bovendien de geheimen van het gezin wist te bewaren.
Zij zegt dat haar echtgenoot op een vroege ochtend, of volgens een andere uitleg: tijdens een lentedag, het huis verliet. Hij ontmoette een mooie vrouw wier twee kinderen aan haar volle borsten speelden. Daarop verstootte hij haar en trouwde met die vrouw.
Na deze verdrietige gebeurtenis trouwde Ummu Zarʿ met een edele, welgestelde en moedige man die grote kudden vee bezat en uitmuntend paard reed. Met tevredenheid vertelt zij dat ook deze echtgenoot zijn rijkdom royaal met haar deelde en haar toestond zijn bezit naar eigen inzicht te besteden.
Ondanks al deze gunsten wilde zij duidelijk maken dat haar hart nog steeds bij haar eerste echtgenoot, Abū Zarʿ, lag.
Daarom zei zij dat, zelfs als alle geschenken van haar nieuwe echtgenoot bij elkaar werden gebracht, zij nog niet eens het kleinste vat van Abū Zarʿ zouden vullen.
Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het verhaal hoorde dat ‘Āʾishah (رضي الله عنها) had verteld, prees hij haar en om haar hart te verheugen, sprak hij met de volgende betekenisvolle woorden: “O ʿĀʾishah! Zoals Ummu Zarʿ, de elfde vrouw die je hebt genoemd, vertelde hoe haar echtgenoot Abū Zarʿ goed en weldadig voor haar was, hoe hij goed met haar omging en haar hart wist te winnen, zo ben ik ook goed en weldadig voor jou; ik leef goed met jou samen en win jouw hart.”
Ongetwijfeld is de eer en het voorrecht om de echtgenote van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en de moeder van de mu'mins te zijn een verheven rang die met geen enkele wereldse rijkdom te vergelijken is.
Uit deze versie van de hadīth blijkt dat het verhaal van Ummu Zarʿ door ‘Āʾishah werd verteld, terwijl an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zijn overige echtgenotes luisterden. De slotzin van deze overlevering, namelijk: “Voor jou ben ik zoals Abū Zarʿ voor Ummu Zarʿ,”
zijn de woorden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
Volgens een andere overlevering was het echter Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zelf die dit verhaal vertelde.
De islamitische geleerden hebben grote waarde gehecht aan de hadīth van Ummu Zarʿ. Sommigen hebben zelfs afzonderlijke werken geschreven waarin deze hadīth uitvoerig wordt verklaard. Degene die deze hadīth het meest uitgebreid en op de mooiste wijze heeft toegelicht, is de auteur van ash-Shifāʾash-Sharīf, al-Qāḍī ʿIyāḍ. Hij gaf zijn commentaar de titel: Bughyat ar-Rāʾid fīmā fī Ḥadīthi Umm Zarʿ mina al-Fawāʾid.
Al-Qāḍī ʿIyāḍ leidde ongeveer twintig juridische bepalingen (en opvoedkundige lessen) uit deze hadīth af. De voornaamste daarvan zijn:
Een man behoort zijn gezinsleden met grote zachtheid, liefde en barmhartigheid te behandelen en op een goede wijze met hen samen te leven.
Hij behoort hun van tijd tot tijd geschenken te geven.
Hij behoort hun harten te winnen door mooie beloften en vriendelijke woorden.
Door gepaste humor en vriendelijke grapjes behoort hij ervoor te zorgen dat zijn gezinsleden hem als de meest geliefde persoon beschouwen.
Zoals een man goed behoort te zijn voor zijn echtgenote, behoort een vrouw haar echtgenoot ook dankbaar te zijn voor het goede dat hij haar bewijst.
39. HOOFDSTUK: DE SLAAP VAN RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم)
254. Hadīth
Van Al-Barāʾ ibn ʿĀzib (رضي الله عنه): Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wilde gaan slapen, ging hij op zijn rechterzijde liggen, legde hij de palm van zijn rechterhand onder zijn rechterwang en sprak vervolgens de volgende smeekbede uit:
رَبِّ قِنِي عَذَابَكَ يَوْمَ تَبْعَثُ عِبَادَكَ
“Rabbi qinī ʿadhābaka yawma tabʿathu ʿibādak.
“O mijn Rab! Bescherm mij tegen Uw bestraffing op de Dag waarop U Uw dienaren zult doen herrijzen!”
255. Hadīth
Deze hadīth, overgeleverd door ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه), is qua bewoording en betekenis hetzelfde als de voorgaande hadīth. Alleen bevat de overleveringsketen (isnād) andere overleveraars.
Bovendien luidt de smeekbede in deze overlevering niet:
رَبِّ قِنِي عَذَابَكَ يَوْمَ تَبْعَثُ عِبَادَكَ
“O mijn Rab! Bescherm mij tegen Uw bestraffing op de Dag waarop U Uw dienaren zult doen herrijzen,”
maar:
رَبِّ قِنِي عَذَابَكَ يَوْمَ تَجْمَعُ عِبَادَكَ
“O mijn Rab! Bescherm mij tegen Uw bestraffing op de Dag waarop U Uw dienaren zult verzamelen.”
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gaf in alle zaken de voorkeur aan de rechterkant. Ook wanneer hij ging slapen, ging hij op zijn rechterzijde liggen.
De auteur van ash-Shifāʾ, al-Qāḍī ʿIyāḍ, legt het voordeel van het slapen op de rechterzijde als volgt uit: “De Geliefde Nabie van Allāh sliep op zijn rechterzijde om niet lang te slapen.
Wanneer iemand op zijn linkerzijde slaapt, rusten het hart en de daarmee verbonden organen meer naar links, waardoor het lichaam zich gemakkelijker ontspant. Dat bevordert een diepere en langere slaap.
Wanneer iemand echter op zijn rechterzijde ligt, blijft het hart als het ware meer hangend, waardoor het minder tot rust komt en men gemakkelijker wakker wordt. Daarom is het moeilijker om in een diepe slaap te raken.”
Hier moeten wij het volgende benadrukken: de informatie over het liggen op de rechterof linkerzijde heeft vooral betrekking op ons. Want aangezien het hart van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) nooit sliep, was er voor hem geen verschil tussen het liggen op zijn rechterof linkerzijde. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) leert zijn ummah door deze handelwijze wat zij behoren te doen.
Vanuit islamitisch oogpunt is er geen bezwaar tegen het slapen op de rechterof linkerzijde, maar het slapen op de buik is afkeurenswaardig.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zag eens iemand in al-Masjid an-Nabawī op zijn buik slapen. Hij maakte hem met zijn voet wakker en zei: “Sta op en ga rechtop zitten. Dit is de manier waarop de bewoners van de Hel slapen.”
De woorden uit de eerste overlevering:
“Op de Dag waarop U Uw dienaren zult doen herrijzen,”
en de woorden uit de tweede overlevering:
“Op de Dag waarop U Uw dienaren zult verzamelen,”
hebben dezelfde betekenis. Beide verwijzen naar de Dag des Oordeels, waarop de mensen zullen worden opgewekt en verzameld voor de opstanding en de afrekening.
Omdat de slaap de broeder van de dood is, bestaat de mogelijkheid dat iemand gaat slapen en niet meer ontwaakt. Daarom wilde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dat onze laatste daad vóór het slapen het gedenken van Allāh zou zijn.
Zoals in de volgende hadīth zal blijken, sprak an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bij het ontwaken uit de slaap, de kleine dood, de volgende smeekbede uit:
الْحَمْدُ لِلَّهِ الَّذِي أَحْيَانَا بَعْدَ مَا أَمَاتَنَا وَإِلَيْهِ النُّشُورُ
“Al-ḥamdu lillāhi alladhī aḥyānā baʿda mā amātanā wa ilayhi an-nushūr”.
“Alle lof behoort toe aan Allāh, Die ons weer tot leven heeft gebracht nadat Hij ons had doen sterven. Tot Hem is ook de wederopstanding.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) onderwees ons, via zijn ṣaḥābī al-Barāʾ ibn ʿĀzib (رضي الله عنه), hoe wij naar bed behoren te gaan. Hij zei:
Wanneer je naar bed gaat, verricht dan wuḍūʾ zoals je wuḍūʾ voor de ṣalāh verricht.
Ga vervolgens op je rechterzijde liggen.
Lees daarna de smeekbede die ik je heb geleerd.
Spreek daarna geen wereldse woorden meer.
256. Hadīth
Van Ḥudhayfah ibn al-Yamān (رضي الله عنه): Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar bed ging, zegde hij de volgende du`ā’ op:
اللَّهُمَّ بِاسْمِكَ أَمُوتُ وَأَحْيَا
“Allāhumma bismika amūtu wa aḥyā.
O Allāh! Met Uw Naam sterf ik en (met Uw Naam) leef ik (dat wil zeggen: met Uw Naam ga ik slapen en met Uw Naam ontwaak ik).”
En wanneer hij uit zijn slaap ontwaakte, zei hij:
الْحَمْدُ لِلَّهِ الَّذِي أَحْيَانَا بَعْدَ مَا أَمَاتَنَا وَإِلَيْهِ النُّشُورُ
“Al-ḥamdu lillāhi alladhī aḥyānā baʿda mā amātanā wa ilayhi an-nushūr”.
“Alle lof behoort toe aan Allāh, Die ons tot leven heeft gebracht nadat Hij ons had doen sterven (dat wil zeggen: nadat Hij ons had laten slapen). Tot Hem behoort ook de wederopstanding (Hij is Degene Die ons op de Dag der Opstanding opnieuw zal doen herrijzen en voor Zich zal verzamelen).”
Wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) naar bed ging, zei hij:
“O Allāh! Met Uw Naam sterf ik en (met Uw Naam) leef ik.”
Door dit te zeggen, erkent men dat Degene Die mij doet sterven ook Degene is Die mij tot leven brengt. Met andere woorden: men zegt: “O Allah! Ik sterf door Uw Naam al-Mumīt (Degene Die doet sterven) en ik word tot leven gebracht door Uw Naam al-Muḥyī (Degene Die leven schenkt).”
Uit de woorden van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Alle lof behoort toe aan Allāh, Die ons weer tot leven heeft gebracht nadat Hij ons had doen sterven,” leren wij dat de slaap als een vorm van dood kan worden beschouwd.
Wanneer een mens in slaap valt, verliest hij immers zijn bewustzijn op een wijze die op de dood lijkt. Hij verliest zijn vermogen om zich bewust te bewegen en gedurende die tijd verandert ook de relatie tussen de rûh en het lichaam.
Aangezien de slaap een vorm van dood is, behoort een mens vóór het inslapen te beseffen: “Misschien is dit wel het laatste moment van mijn leven. Misschien zal ik niet meer ontwaken.” Daarom behoort hij zijn Rab te gedenken en zich, terwijl hij de Naam van Allāh noemt, over te geven aan deze kleine dood”.
Wanneer men ontwaakt, behoort men opnieuw zijn Rab te gedenken. Men dient de Rab van de werelden te loven en Hem te danken, omdat Hij ons opnieuw tot leven heeft gebracht, ons uit deze kleine dood heeft teruggekeerd naar het leven en ons opnieuw de gelegenheid heeft gegeven Hem te gedenken.
Aan het einde van deze hadīth staat een heel belangrijke uitspraak die wij bij het ontwaken behoren uit te spreken: “Wa ilayhi an-nushūr.” “En tot Hem behoort de wederopstanding.”
Door deze woorden uit te spreken, belijden wij dat wij geloven dat onze Rab ons na onze dood opnieuw zal doen herrijzen en ons zal verzamelen, zodat wij rekenschap zullen afleggen over alles wat wij in het wereldse leven hebben gedaan of hebben nagelaten.
257. Hadīth
Van ‘Āʾishah (رضي الله عنها): Elke nacht, wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar bed ging, voegde hij zijn beide handpalmen samen. Vervolgens reciteerde hij Qul huwa Allāhu Aḥad, Qul aʿūdhu bi-Rabb al-Falaq en Qul aʿūdhu bi-Rabb an-Nās, blies daarna zachtjes in zijn handpalmen en streek vervolgens met zijn handen over zijn hoofd, zijn gezicht en de voorkant van zijn lichaam, voor zover hij daarbij kon reiken. Dit deed hij drie keer.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deed dit vrijwel iedere nacht, en vooral wanneer hij zich niet goed voelde. Wanneer hij naar bed ging, voegde hij zijn beide handpalmen samen. Volgens sommige overleveringen blies hij eerst zachtjes in zijn handpalmen. Daarna reciteerde hij sūrah al-Ikhlāṣ en de twee Muʿawwidhatayn (sūrah al-Falaq en sūrah an-Nās), waarna hij opnieuw zachtjes in zijn handpalmen blies.
Vervolgens streek hij met zijn handen eerst over zijn hoofd, daarna over zijn gezicht en vervolgens over zijn armen, borst en knieën, en over alle delen van zijn lichaam die hij kon bereiken. Dit herhaalde hij driemaal.
Toen de ziekte van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in zijn laatste levensdagen verergerde, liet hij deze sûwar door ‘Āʾishah (رضي الله عنها) reciteren. Zij blies vervolgens in de gezegende hand van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), waarna zij met zijn eigen hand over zijn lichaam streek.
Waarom blies an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in sommige overleveringen eerst zachtjes in zijn handpalmen voordat hij deze drie sûwar reciteerde?
Sommige geleerden hebben dit als volgt verklaard: Tovenaars plachten eerst bezweringen uit te spreken en daarna in hun handpalmen te blazen. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) blies daarom zowel vóór als ná het reciteren in zijn handpalmen, zodat zijn handelwijze duidelijk onderscheidde en tegen de tovenaars in te gaan.
Andere geleerden hebben uitgelegd dat de joden wel smeekbeden reciteerden, maar niet in hun handpalmen bliezen. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deed dit juist om zich in zijn handelwijze van hen te onderscheiden.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) adviseerde zijn ṣaḥābī ʿAbdullāh ibn Khubayb al-Juhanī (رضي الله عنه) om deze drie sûwar iedere ochtend en iedere avond driemaal te reciteren. Hij vertelde hem dat hij daardoor, met de wil van Allāh, tegen alle vormen van kwaad beschermd zou worden.
258. Hadīth
Van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ging op een nacht slapen, totdat men het geluid “puf” uit zijn mond hoorde. Wanneer hij sliep, kwam er zo'n zacht “puf, puf”-geluid uit zijn mond.
Terwijl hij zo sliep, kwam Bilāl al-Ḥabashī (رضي الله عنه) hem vertellen dat de tijd voor de ṣalāh al-fajr was aangebroken. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd wakker, stond op en leidde de ṣalāh zonder opnieuw wuḍūʾ te verrichten.
Bij deze hadīth behoort bovendien een uitvoerig verhaal.
259. Hadīth
Van Anas (رضي الله عنه): Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar bed ging, zegde hij de volgende du`ā’ op:
الْحَمْدُ لِلَّهِ الَّذِي أَطْعَمَنَا وَسَقَانَا وَكَفَانَا وَآوَانَا، فَكَمْ مِمَّنْ لَا كَافِيَ لَهُ وَلَا مُؤْوِيَ
“Al-ḥamdu lillāhi alladhī aṭʿamanā wa saqānā wa kafānā wa āwānā, fa kam mimman lā kāfiya lahū wa lā muʾwī.”
“Alle lof behoort toe aan Allāh, Die ons te eten en te drinken heeft gegeven, ons heeft beschermd en ons onderdak heeft verschaft. Hoeveel mensen zijn er niet die niemand hebben die hen beschermt of onderdak biedt.”
Eten, drinken en slapen behoren tot de drie onmisbare levensbehoeften. Zonder deze is het onmogelijk te leven. Wij zijn onze Rab, Die ons deze gunsten zonder enige tegenprestatie schenkt, dankbaarheid en erkentelijkheid verschuldigd.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) leert ons in deze hadīth dat de beste manier om onze dankbaarheid aan Allāh (تعالى) tot uitdrukking te brengen, is door Hem te danken (ḥamd) (en te loven (thanāʾ).
Naast de gunsten van voedsel, drinken en slaap zijn er nog twee grote gunsten die eveneens genoemd moeten worden: de gunst van bescherming en de gunst van onderdak.
Allāh (تعالى) beschermt ons in Zijn hoedanigheid van Beschermer tegen het kwaad van de slechten en tegen alles wat ons leed of schade berokkent. Dat Allāh (تعالى) ons onderdak verschaft, betekent dat Hij Zich over ons ontfermt en ons woningen geeft waarin wij kunnen schuilen. Wanneer wij denken aan de vele schepselen die geen beschutting hebben tegen hitte, kou en andere gevaren, beseffen wij des te meer hoe groot deze gunst is die ons is geschonken.
Het bezitten van de gunsten van voedsel, drinken, slaap, bescherming en onderdak is op zichzelf al een grote zegen.
Maar het vermogen om Allāh (تعالى) daarvoor dankbaar te zijn, is eveneens een goddelijke gunst. Er zijn immers velen aan wie deze gunsten zijn geschonken, maar die er geen dankbaarheid voor tonen.
De slotwoorden van deze hadīth: “Hoeveel mensen zijn er niet die niemand hebben die hen beschermt of onderdak biedt,” zijn bijzonder betekenisvol. Deze woorden van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) herinneren ons aan de volgende āyah:
ذَٰلِكَ بِأَنَّ ٱللَّهَ مَوۡلَى ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَأَنَّ ٱلۡكَٰفِرِينَ لَا مَوۡلَىٰ لَهُمۡ ١١
Dat is omdat Allah de Beschermer is van degenen die geloven en voor de ongelovigen is er geen Beschermer. (Muhammed, 47:11)
Wij behoren daarom onze Rab, Die ons uit liefde beschermt, ons bij het vallen van de avond onderdak schenkt, ons in onze bedden laat rusten en ons met ontelbare gunsten begunstigt, voortdurend met overvloedige lof en dank te prijzen.
260. Hadīth
Van Abū Qatādah (رضي الله عنه): Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zich tijdens een reis aan het einde van de nacht even neerlegde om te rusten, ging hij op zijn rechterzijde liggen en viel hij in slaap. Wilde hij echter pas vlak vóór de ṣalāh al-fajr nog kort rusten, dan hield hij zijn rechteronderarm rechtop en liet hij zijn gezegende hoofd op de palm van zijn hand rusten.
Wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tijdens een nachtelijke reis met zijn leger onderweg was en men onderweg een rustpauze hield, keek hij hoeveel tijd er nog restte tot de ochtend. Was er nog voldoende tijd vóór de ṣalāh al-fajr, dan ging hij op zijn rechterzijde liggen en sliep hij om goed uit te rusten.
Naderde de tijd van de ṣalāh al-fajr echter en was de rustpauze slechts van korte duur, dan sliep hij behoedzaam om te voorkomen dat de vermoeidheid van de reis hem in een diepe slaap zou doen vallen en hij de ṣalāh al-fajr zou missen. Tijdens deze korte rustpauze hield hij zijn rechteronderarm rechtop en liet hij zijn gezegende hoofd op zijn handpalm rusten.
Hierdoor sliep hij slechts licht en kon hij gemakkelijk ontwaken wanneer het tijd was voor de ṣalāh al-fajr.
Met deze handelwijze liet an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zien hoe men behoort te handelen wanneer men tot vlak vóór het aanbreken van de tijd van de ṣalāh al-fajr wakker is gebleven. Daarmee waarschuwde hij degenen die denken: "Ik zal nog even slapen en daarna opstaan om mijn ṣalāh te verrichten," voor het gevaar dat zij de ṣalāh al-fajr zouden kunnen missen. Daarom gaf hij niet alleen dit advies, maar toonde hij ook door zijn eigen voorbeeld welke voorzorgsmaatregel men in een dergelijke situatie behoort te nemen.
(Abū Qatādah al-Anṣārī (رضي الله عنه), overleden in 54 AH/674 CE. Hij heette eigenlijk al-Ḥārith ibn Ribʿī. Hij stond bekend om zijn moed en kreeg de bijnaam "de ruiter van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم)" (Fārisu Rasûlillāh). Hij voerde het bevel over verschillende militaire expedities(sarāyā).
Vanwege de heldhaftigheid die hij tijdens de veldtochten toonde, ontving hij de smeekbede van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).
Hij zei over hem: “De beste van onze ruiters is Abū Qatādah.”
Tijdens een van de veldtochten, toen men de hele nacht had doorgereisd, begon an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tegen het aanbreken van de ochtend op zijn rijdier in te dommelen. Tweemaal hielp Abū Qatādah hem ongemerkt weer rechtop, zonder hem wakker te maken. Toen dit voor de derde keer gebeurde, werd Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wakker en sprak hij de volgende smeekbede voor hem uit: “Moge Allah jou beschermen, zoals jij zijn Nabie hebt beschermd.”)
40. HOOFDSTUK: HET LEVEN VAN AANBIDDING RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم) IN AANBIDDING
261. Hadīth
Van Al-Mughīrah ibn Shuʿbah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte ṣalāh totdat zijn gezegende voeten opzwollen.
De ṣaḥābah zeiden: “O Rasûlullāh! Terwijl Allāh (تعالى) al uw vroegere en latere tekortkomingen/zondes heeft vergeven, waarom vermoeit u uzelf dan zo?”
Hij antwoordde: “Mag ik dan geen dienaar zijn die Allāh overvloedig dankt?”
262. Hadīth
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte ṣalāh totdat zijn gezegende voeten opzwollen.
De ṣaḥābah zeiden: “O Rasûlullāh! Terwijl Allāh (تعالى) een āyah heeft geopenbaard waarin wordt vermeld dat uw vroegere en latere tekortkomingen zijn vergeven, waarom vermoeit u uzelf dan zo?”
Hij antwoordde: “Mag ik dan geen dienaar zijn die Allāh overvloedig dankt?”
263. Hadīth
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stond 's nachts op om de ṣalāh (at-tahajjud) te verrichten. Omdat hij langdurig in de staande houding (qiyām) bleef, zwollen zijn gezegende voeten op.
De ṣaḥābah zeiden tegen hem: “O Rasûlullāh! Terwijl Allāh (تعالى) uw vroegere en latere tekortkomingen heeft vergeven, waarom doet u uwzelf dan zoveel moeite?”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Mag ik dan geen dienaar zijn die Allāh overvloedig dankt?”
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte 's nachts veel aanbidding /ṣalāh. Daarom stond hij lange tijd in de qiyām. Zoals wij in hadīth 276 zullen zien, reciteerde hij tijdens de qiyām de langste sûwar van de Qurʾān. Soms reciteerde hij in één rakʿah sūrah Baqarah, Āl ʿImrān, Nisāʾ en al-Māʾidah.
Volgens de overlevering van ‘Āʾishah (رضي الله عنها) verrichtte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) 's nachts, inclusief de ṣalāh al-witr, elf of dertien rakʿāt. Tijdens sommige van deze rakʿāt bleef hij zo lang in de sujūd dat er gedurende de tijd die nodig is om ongeveer vijftig verzen te reciteren, geen beweging van zijn hoofd zichtbaar was.
Toen hij ouder werd en iets in gewicht toenam, begon hij zijn nachtelijke ṣalāh zittend te verrichten. Wanneer hij de rukūʿ wilde verrichten, stond hij eerst op, reciteerde nog een gedeelte en ging daarna in rukūʿ.
De ṣaḥābah al-kirām hielden zoveel van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dat zij het moeilijk vonden om hem zo veel inspanning te zien verrichten in de aanbidding/ /ṣalāh. Daarom konden zij het niet verdragen dat hij de ṣalāh bleef verrichten totdat zijn voeten opzwollen.
Er wordt overgeleverd dat ʿUmar (رضي الله عنه) hem eraan herinnerde dat hij de geliefde van Allāh (تعالى) was en dat al zijn tekortkomingen waren vergeven. Hij vroeg waarom hij zichzelf desondanks zo zwaar belastte met aanbidding. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) herinnerde hen aan de geweldige gunst die Allāh (تعالى) hem had geschonken. Hij maakte duidelijk hoe groot de gunst was dat al zijn vroegere en latere tekortkomingen waren vergeven. Hij legde uit dat zo'n geweldige gunst de grootst mogelijke dankbaarheid vereist.
Indien hij zou denken: “Allāh heeft mijn zonden toch al vergeven,”, en daarom minder zou aanbidden, dan zou hij geen dienaar zijn die Allāh werkelijk en overvloedig dankt. Een ‘dankbare dienaar’ zijn is een eigenschap waaraan Allāh (تعالى) grote waarde hecht. Daarom prijst Hij Nūḥ (عليه السلام) met de woorden:
ذُرِّيَّةَ مَنۡ حَمَلۡنَا مَعَ نُوحٍۚ إِنَّهُۥ كَانَ عَبۡدٗا شَكُورٗا ٣
O Nageslacht van degenen die Wij (in de ark) van Noah hebben gedragen! Waarlijk, hij was een dankbare dienaar. (İsrâ, 17:3)
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) herinnerde ons eraan dat Allāh (تعالى) ook van ons verlangt dat wij dankbare dienaren zijn. Daarom zei hij: “Allāh (تعالى) is tevreden met Zijn dienaar wanneer deze na het eten Allāh prijst en Hem ook prijst nadat hij heeft gedronken.”
In werkelijkheid maakt onze Rab duidelijk dat de mens zijn plicht tot dankbaarheid slechts zelden volledig vervult. Allāh (تعالى) zegt in de Qur’ān:
وَقَلِيلٞ مِّنۡ عِبَادِيَ ٱلشَّكُورُ ١٣ … Maar weinig van Mijn dienaren zijn dankbaren. (Saba’, 34:13)
Door ṣalāh te verrichten totdat zijn gezegende voeten opzwollen, onderwees an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ons hoe een werkelijk dankbare dienaar behoort te zijn.
Uiteraard is iedere moslim slechts belast om zoveel vrijwillige aanbidding (nāfilah) te verrichten als hij of zij aankan.
Zoals Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ons heeft gezegd, zoals wij in 311. ḥadīth zullen lezen:
“Verricht aanbidding waartoe jullie in staat zijn. Bij Allah: zolang jullie niet moe worden van de aanbidding, zal Allāh niet ophouden jullie te belonen.”
Daarom behoort iedereen zich toe te leggen op vormen van aanbidding die hij of zij voortdurend kan volhouden. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kon ṣalāh verrichten totdat zijn gezegende voeten opzwollen; Allāh (تعالى) had hem daartoe de kracht gegeven.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was, evenals alle anbiyā (عليهم السلام), maʿṣūm; dat wil zeggen dat Allāh (تعالى) hem beschermde tegen het begaan van zonden. Wat wordt dan bedoeld met de uitspraak dat “zijn vroegere en latere tekortkomingen/zonden zijn vergeven”?
Mensen die geen anbiyā zijn, mogen zaken verrichten die hun niet verboden zijn en waarvan het verrichten niet verplicht is gesteld. Daarvoor worden zij niet ter verantwoording geroepen. Voor de anbiyā ligt dat anders. Zij kunnen hierover wel ter verantwoording worden geroepen. Met andere woorden: handelingen die voor ons geoorloofd en onberispelijk zijn, kunnen voor de anbiyā als een tekortkoming worden beschouwd. Dat komt doordat hun rang buitengewoon verheven is en zij de meest gehoorzame dienaren van Allāh (تعالى) zijn.
Hier is het passend een bekende uitspraak te vermelden die wordt toegeschreven aan één van de vooraanstaande meesters van taṣawwuf, Abū Saʿīd al-Kharrāz (overleden 277 AH/890 CEA) of aan al-Junayd al-Baghdādī (overleden 297 AH/909 CE), die door vele geleerden is gewaardeerd: “De goede daden van de abrār zijn als tekortkomingen voor de muqarrabūn.”
Dit betekent dat de anbiyā, die tot de muqarrabūn behoren vanwege hun verheven rang, de goede daden die voor de vrome mu’mins (abrār) als voortreffelijk gelden, voor zichzelf onvoldoende achten. Zij vinden dat zij daden behoren te verrichten die nog waardevoller, volmaakter en voortreffelijker zijn dan de goede werken van de vrome mu'mins.
Zo dienen ook de woorden in de voorgaande ahadith over de “vroegere en latere tekortkomingen” van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) te worden begrepen.
Sommige geleerden hebben deze uitdrukking uitgelegd als: “onbedoelde vergissingen”. Anderen hebben haar uitgelegd als tark al-awlā: het nalaten van datgene wat, gezien zijn verheven rang, de meest voortreffelijke keuze zou zijn geweest.
Er is slechts één manier waarop een mens van zijn zonden wordt bevrijd: door de vergeving van Allāh (تعالى). Zonder Zijn vergeving van Allāh (تعالى) kan niemand van zijn zonden worden gereinigd. Dat geldt ook voor de anbiyā.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bracht deze werkelijkheid onder woorden toen hij zei:
“Houd in jullie daden de middenweg aan en wees standvastig. Weet dat niemand van jullie dankzij zijn daden alleen tot redding zal komen.”
De ṣaḥābah vroegen: “Ook u niet, o Rasûlullāh?”
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Ook ik niet. Alleen als Allāh (تعالى) mij uit Zijn barmhartigheid en genade vergeeft, zal ik gered worden.”
Tot slot is het goed de uitdrukking uit 262. hadīth toe te lichten.
De ṣaḥābah zeiden tegen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “O Rasûlullāh!
Terwijl Allāh (تعالى) een āyah heeft geopenbaard waarin staat dat uw vroegere en latere tekortkomingen zijn vergeven, waarom vermoeit u uzelf dan zo?”
De āyah waarnaar zij verwezen luidt:
لِّيَغۡفِرَ لَكَ ٱللَّهُ مَا تَقَدَّمَ مِن ذَنۢبِكَ وَمَا تَأَخَّرَ وَيُتِمَّ نِعۡمَتَهُۥ عَلَيۡكَ وَيَهۡدِيَكَ صِرَٰطٗا مُّسۡتَقِيمٗا ٢
Opdat Allah jouw vroegere zonden zal vergeven en ook de latere. En Hij vervolmaakt Zijn gunst aan jou en Hij leidt jou op het rechte Pad. (Fatih, 48:2)
Deze āyah bevestigt, zoals ook de ṣaḥābah aangaven, dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) geen zonde had waarvoor hij ter verantwoording zou worden geroepen.
264. Hadīth
Van de leerling van ‘Āʾishah (رضي الله عنها), Al-Aswad ibn Yazīd ( رَحِمَهُ اللهُ): Ik vroeg ‘Āʾishah (رضي الله عنها) hoe Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) 's nachts ṣalāh verrichtte.
Zij antwoordde: “Meestal ging Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), nadat hij de ṣalāh al-‘ishāʾ had verricht, slapen. Vervolgens stond hij tegen het laatste derde deel van de nacht op en verrichtte zoveel ṣalāh als Allāh wilde.
Wanneer de tijd van de saḥar aanbrak (de tijd vlak vóór de dageraad (fajr), verrichtte hij de ṣalāh al-witr. Daarna ging hij weer naar bed om wat uit te rusten. Als hij gemeenschap met zijn echtgenote wilde hebben, deed hij dat.
Zodra hij de adhān van de fajr hoorde, stond hij onmiddellijk op. Indien ghusl verplicht was, verrichtte hij de ghusl; was dat niet nodig, dan ging hij, (nadat hij thuis de sunnah van de ṣalāh al-fajr had verricht), naar de moskee om de ṣalāh te leiden.”
Al-Aswad ibn Yazīd ( رَحِمَهُ اللهُ), die deze hadīth van ‘Āʾishah (رضي الله عنها) heeft overgeleverd, behoorde tot de tābiʿīn en werd gerekend tot de acht beroemde asceten van zijn generatie. Al-Aswad vroeg ‘Āʾishah (رضي الله عنها) op welk moment van de nacht an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh attahajjud en de ṣalāh al-witr verrichtte.
Zij antwoordde dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) na de ṣalāh al-‘ishāʾ gewoonlijk ging slapen. Ook vertelde zij dat hij meestal gedurende de eerste helft van de nacht rustte.
Wie na de ṣalāh al-‘ishāʾ laat opblijft en zijn tijd doorbrengt met nutteloze gesprekken, loopt het risico de ṣalāh al-fajr te missen.
Daarom keurde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het af om na de ṣalāh al-‘ishāʾ langdurig te blijven zitten en zonder nut te praten.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hechtte bovendien grote waarde aan de ṣalāh attahajjud. Reeds in de eerste dagen van zijn profeetschap openbaarde Allāh (تعالى) sūrah al-Muzzammil, waarin Hij hem opdroeg 's nachts op te staan en op een klein gedeelte na, de nacht in aanbidding door te brengen.
Daarom liet an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh attahajjud nooit achterwege. Ook wekte hij zijn echtgenotes, zijn dochter Fāṭimah (رضي الله عنها) en zijn schoonzoon ʿAlī (رضي الله عنه) op om de nachtelijke ṣalāh te verrichten.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) moedigde ook zijn ummah aan om 's nachts op te staan voor de ṣalāh attahajjud. Hij spoorde zelfs echtgenoten aan elkaar daarvoor wakker te maken en zei: “Moge Allāh de man met Zijn Barmhartigheid behandelen die 's nachts opstaat om de ṣalāh te verrichten, zijn vrouw wakker maakt en, als zij niet opstaat, wat water op haar gezicht sprenkelt zodat zij wakker wordt.
Evenzo moge Allāh de vrouw met Zijn Barmhartigheid behandelen die 's nachts opstaat om de ṣalāh te verrichten, haar echtgenoot wakker maakt en, als hij niet opstaat, wat water op zijn gezicht sprenkelt om hem wakker te maken.”
Wat de ṣalāh al-witr betreft: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte deze aan het einde van zijn nachtelijke ṣalāh, oftewel tijdens de saḥar, het laatste zesde deel van de nacht.
De ṣalāh al-witr bestond uit drie rakʿāt. In de eerste rakʿah reciteerde hij sūrah Aʿlā, in de tweede sūrah Kāfirūn en in de derde sūrah Ikhlāṣ.
Nadat hij de ṣalāh attahajjud en de ṣalāh al-witr had verricht, ging hij weer even liggen om voldoende uitgerust aan de ṣalāh al-fajr te beginnen. Wanneer hij gemeenschap met zijn echtgenote wilde hebben, deed hij dat en rustte daarna nog enige tijd.
Zodra hij de adhān hoorde, stond hij onmiddellijk op. Indien ghusl noodzakelijk was, verrichtte hij deze. Was dat niet het geval, dan verrichtte hij wuḍūʾ, verrichtte thuis de sunnah van de ṣalāh al-fajr en ging vervolgens naar al-Masjid an-Nabawī om de verplichte ṣalāh te leiden met de gemeenschap.
265. Hadīth
VanʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), die vertelde dat hij op een nacht in het huis van zijn tante Maymūnah (رضي الله عنها) verbleef, één van de echtgenotes van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Die nacht sliep ik dwars op het kussen, terwijl Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en mijn tante in de lengte op het kussen sliepen.
Midden in de nacht (of iets vóór of iets ná het midden van de nacht) werd Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wakker. Hij wreef in zijn ogen om de slaperigheid te verdrijven. Daarna reciteerde hij de laatste tien verzen van sūrah Āl ʿImrān.
Vervolgens stond hij op, verrichtte zorgvuldig wuḍūʾ met water uit een hangende waterzak en begon daarna de ṣalāh.
Ik stond eveneens op, verrichtte wuḍūʾ en ging links naast hem staan.
Toen legde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn rechterhand op mijn hoofd, pakte mijn rechteroor vast en trok er zachtjes aan.
De overleveraar Maʿn vertelde dat Ibn ʿAbbās zesmaal zei: “Daarna verrichtte hij (zes maal) twee rakʿāt.”
Zo maakte hij duidelijk dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in totaal dertien rakʿāt verrichtte, waarvan de laatste de ṣalāh al-witr was.
Daarna ging hij opnieuw liggen en sliep totdat de muʾadhdhin hem kwam wekken.
Vervolgens stond hij op, verrichtte de twee sunnah-rakʿāt van de ṣalāh al-fajr met korte sûwar, verliet het huis en ging naar al-Masjid an-Nabawī om de ṣalāh al-fajr te leiden.
ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) wilde graag leren hoe an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn nachtelijke aanbidding verrichtte, zodat hij hem daarin kon navolgen.
De echtgenote van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), Maymūnah (رضي الله عنها), was zijn tante. Om zijn wens te verwezenlijken, verbleef hij daarom een nacht bij haar.
Laten wij, om uitgebreider te leren wat Ibn ʿAbbās die nacht heeft gezien, de informatie die in andere overleveringen van deze ḥadīth wordt vermeld gezamenlijk bekijken en nu luisteren naar Ibn ʿAbbās: “Die nacht was het de beurt van mijn tante om Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) als gast te ontvangen. Nadat hij de ṣalāh al-ʿishāʾhad geleid, kwam hij naar haar huis.
Daar verrichtte hij vier rakʿāt en sprak vervolgens enige tijd met zijn echtgenote.
Ik had mijn tante gevraagd mij wakker te maken wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zou opstaan voor de ṣalāh attahajjud.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd in de nacht wakker. Hij wreef met zijn handen over zijn gezegende ogen om de slaperigheid te verdrijven.
Daarna reciteerde hij de laatste tien verzen van sūrah Āl ʿImrān (3;190), beginnend met:
إِنَّ فِي خَلۡقِ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِ وَٱخۡتِلَٰفِ ٱلَّيۡلِ وَٱلنَّهَارِ لَأٓيَٰتٖ لِّأُوْلِي ٱلۡأَلۡبَٰبِ ١٩٠
Waarlijk! In de schepping van de hemelen en de aarde en in de afwisseling van de nacht en de dag zijn er waarlijk Tekenen voor mensen van begrip.
Vervolgens reinigde hij zijn tanden met een siwāk en verrichtte wuḍūʾ.
Daarna vroeg hij, doelend op mij: “Is de jongen nog aan het slapen?”
Ik stond op, verrichtte net als hij wuḍūʾ en ging links naast hem staan om samen met hem de ṣalāh te verrichten.
Hij pakte mij vervolgens vast en plaatste mij aan zijn rechterzijde.
Dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het rechteroor van Ibn ʿAbbās zachtjes vastpakte en eraan trok, kan worden opgevat als een vriendelijke aanwijzing: “Aangezien je bent gekomen om te leren hoe ik 's nachts Allāh aanbid, zorg er dan voor dat je alles goed onthoudt.”
Wij zien ook dat Ibn ʿAbbās, die die nacht helemaal niet sliep of slechts heel weinig sliep, de volgende informatie heeft gegeven: “Hij verrichtte dertien rakʿāt, waarvan de laatste de ṣalāh al-witr was. Daarna ging hij weer slapen totdat Bilāl al-Ḥabashī hem kwam wekken. Terwijl hij sliep, hoorde ik een zacht 'puf, puf'-geluid uit zijn mond komen.
Daarna verliet hij het huis zonder opnieuw wuḍūʾ te verrichten en ging naar al-Masjid an-Nabawī om de ṣalāh al-fajr te leiden.”
Zoals Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zelf in verschillende ahadith heeft uitgelegd, sliepen zijn ogen wel, maar zijn hart sliep niet. Daarom werd zijn wuḍūʾ door de slaap niet verbroken en hoefde hij vóór de verplichte ṣalāh al-fajr geen nieuwe wuḍūʾ te verrichten.
Zoals ieder mens had ook an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verplichtingen tegenover zowel zijn echtgenote als tegenover Allāh (تعالى). Daarom bracht hij na thuiskomst eerst tijd door met zijn echtgenote en sliep vervolgens samen met haar. Daarna onderbrak hij zijn slaap om zijn verplichting tegenover Allāh (تعالى) na te komen en verrichtte hij zijn nachtelijke aanbidding.
Over onze moeder Maymūnah (رضي الله عنها) is reeds informatie gegeven in de toelichting bij 205. hadīth.
266. Hadīth
Van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما): An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte 's nachts dertien rakʿāt ṣalāh.
267. Hadīth
Van ‘Āʾishah (رضي الله عنها): Wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vanwege overmatige slaperigheid of omdat hij niet uit zijn slaap kon ontwaken de ṣalāh attahajjud niet kon verrichten, dan verrichtte hij daarvoor overdag twaalf rakʿāt.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte zijn aanbidding steeds met diepe innerlijke rust en volledige toewijding (khushūʿ).
Hoewel Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh attahajjud heel graag verrichtte, kwam het soms voor dat hij door een zodanig diepe slaap werd overmand dat deze zijn khushūʿ zou verminderen. Om de kwaliteit van zijn aanbidding niet te laten afnemen, ging hij dan slapen.
Wanneer hij door zware slaperigheid of ziekte een gedeelte van zijn nachtelijke aanbidding niet had kunnen verrichten, haalde hij dit de volgende dag in.
Had hij de ṣalāh attahajjud helemaal niet kunnen verrichten, dan verrichtte hij overdag de volledige twaalf rakʿāt als inhaalgebed.
Voor vrijwillige aanbidding (nāfilah) bestaat geen verplichting om deze in te halen. Wanneer iemand echter een vrijwillige daad van aanbidding die hij gewoonlijk regelmatig verricht, zonder meer achterwege laat, kan zijn nafs aan gemakzucht wennen.
Om dat te voorkomen hebben de geleerden aanbevolen de gemiste nachtelijke ṣalāh de volgende dag vóór het aanbreken van de ṣalāh aẓ-ẓuhr in te halen.
Hetzelfde geldt voor de ṣalāh al-witr en voor de dagelijkse recitatie van de Qurʾān. Wie zijn gebruikelijke gedeelte van de Qurʾān 's nachts niet heeft kunnen reciteren, doet er goed aan dit overdag alsnog te reciteren.
Over dit onderwerp zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم):
“Wie zijn gebruikelijke nachtelijke dhikr of duʿāʾ niet of niet volledig heeft kunnen verrichten en deze vervolgens tussen de ṣalāh al-fajr en de ṣalāh aẓ ẓuhr verricht, voor hem wordt de beloning opgeschreven alsof hij deze gedurende de nacht heeft verricht.”
268. Hadīth
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Wanneer één van jullie 's nachts opstaat om de ṣalāh te verrichten, laat hij dan beginnen met twee heel korte rakʿāt.”
De ṣalāh die bij Allāh (تعالى) het meest geliefd is, is de ṣalāh die met bewustzijn, aandacht en toewijding wordt verricht. Dit bewustzijn en deze bezieling dienen gedurende de gehele ṣalāh voort te duren.
Wanneer iemand een lange ṣalāh at-tahajjud wil verrichten en direct in de eerste rakʿah lange sûwar reciteert, kan hij later vermoeid raken. Daardoor kan zijn enthousiasme en toewijding tijdens de ṣalāh afnemen.
Om de slaperigheid te verdrijven adviseerde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de eerste twee rakʿāt kort te houden. Hierdoor verdwijnt de slaperigheid en wordt men geleidelijk voorbereid op een langere aanbidding.
Onze moeder ‘Āʾishah (رضي الله عنها) beschreef dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dit zelf eveneens deed: “Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) 's nachts opstond om de ṣalāh te verrichten, begon hij met twee rakʿāt die hij niet lang maakte.”
Deze hadīth leert ons tevens een algemeen principe.
Wie met een taak begint, doet er verstandig aan deze geleidelijk op te bouwen. Wanneer iemand vanaf het begin al zijn energie verbruikt, raakt hij meestal al snel vermoeid en verliest hij zijn motivatie.
Zo dient ook degene die met de ṣalāh at-tahajjud begint, niet te volstaan met slechts deze twee lichte rakʿāt. Ook al verricht hij niet zo'n lange nachtelijke ṣalāh als an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), toch is het goed om daarna ten minste vier of zes rakʿāt te verrichten.
269. Hadīth
Van Zayd ibn Khālid al-Juhanī (رضي الله عنه): Ik wilde graag zien en leren hoe Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh at-tahajjud verrichtte. Tijdens een gezamenlijke reis legde ik daarom mijn hoofd bij de ingang van zijn tent en wachtte af.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte eerst twee korte rakʿāt. Daarna verrichtte hij nog twee rakʿāt die bijna driemaal zo lang duurden als de eerste twee. Vervolgens verrichtte hij weer twee rakʿāt, die korter waren dan de voorgaande. Daarna verrichtte hij opnieuw twee rakʿāt, die nog korter waren. Vervolgens verrichtte hij weer twee rakʿāt, die nóg korter waren. Daarna verrichtte hij de drie rakʿāt van de ṣalāh al-witr. Zo verrichtte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in totaal dertien rakʿāt.
Net als de andere ṣaḥābah was ook Zayd ibn Khālid al-Juhanī (رضي الله عنه) nieuwsgierig naar de nachtelijke aanbidding van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).
Deze vorm van aanbidding kon normaal gesproken alleen door zijn echtgenotes worden waargenomen.
Daarom wilde Zayd graag zelf aanschouwen hoe Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh at-tahajjud verrichtte, zodat hij hem daarin kon navolgen.
Zoals wij in 265. hadīth hebben gezien, was ʿAbdullāh ibn ʿAbbās, als neef van onze moeder Maymūnah, eerder al in de gelegenheid geweest dit van dichtbij mee te maken.
Zayd ibn Khālid kreeg deze mogelijkheid tijdens een reis.
Zoals uit deze hadīth blijkt, legde hij die nacht zijn hoofd bij de ingang van de tent die voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was opgezet. Daar wachtte hij totdat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zou opstaan voor de ṣalāh at-tahajjud.
Toen hij merkte dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) opstond om de ṣalāh te verrichten, volgde hij aandachtig iedere beweging. Hij prentte alles wat hij zag zorgvuldig in zijn geheugen en gaf deze kostbare kennis later door aan de moslims.
Zoals hij zijn ummah had aanbevolen, begon Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh at-tahajjud met twee korte rakʿāt. Daarmee verdreef hij eerst de slaperigheid.
Vervolgens begon hij met grote toewijding aan de volgende twee rakʿāt, die ongeveer driemaal zo lang duurden als de eerste twee.
Daarna verrichtte hij telkens weer twee rakʿāt, waarbij de duur geleidelijk korter werd, totdat hij zijn nachtelijke aanbidding had voltooid met de ṣalāh al-witr.
270. Hadīth
Van Abū Salamah ibn ʿAbd ar-Raḥmān ibn ʿAwf ( رَحِمَهُ اللهُ), hij vroeg aan ‘Āʾishah (رضي الله عنها): “Hoe verrichtte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh at-tahajjud tijdens de nachten van Ramaḍān?”
‘Āʾishah antwoordde: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte, zowel tijdens de nachten van Ramaḍān als tijdens de overige nachten, nooit meer dan elf rakʿāt.
Eerst verrichtte hij vier rakʿāt.
Vraag mij niet hoe mooi en hoe lang hij deze verrichtte; dat is niet te beschrijven.
Daarna verrichtte hij nog eens vier rakʿāt. Vraag ook niet hoe mooi en hoe lang deze waren. Vervolgens verrichtte hij drie rakʿāt witr.”
Ik vroeg: “O Rasûlullāh! Gaat u slapen voordat u de ṣalāh al-witr hebt verricht? Wat als u niet meer wakker wordt om de ṣalāh al-witr te verrichten?”
Hij antwoordde: “O ‘Āʾishah! Mijn ogen slapen, maar mijn hart slaapt niet.”
Abū Salamah ( رَحِمَهُ اللهُ), de grote geleerde en hadīth-geleerde die deze overlevering van onze moeder ‘Āʾishah doorgaf, behoorde tot de zeven beroemde fuqahāʾ van al-Madīnah. Hij was tevens de zoon van de bekende ṣaḥābī ʿAbd ar-Raḥmān ibn ʿAwf.
Hij stelde onze moeder een belangrijke vraag. Hij wilde weten hoe Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), nadat hij de ṣalāh at-tarāwīḥ had verricht, enige tijd had geslapen en vervolgens weer was opgestaan, om ṣalāh attahajjud tijdens de nachten van Ramaḍān te verrichtten.
‘Āʾishah antwoordde dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), wanneer hij thuis was, zowel in Ramaḍān als daarbuiten ṣalāh attahajjud samen met de ṣalāh al-witr verrichtte in een totaal van elf rakʿāt, verdeeld in twee gedeelten van vier rakʿāt en daarna drie rakʿāt witr.
In de voorgaande hadīth van Zayd ibn Khālid al-Juhanī zagen wij echter dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ṣalāh at-tahajjud in paren van twee rakʿāt verrichtte en samen met de ṣalāh al-witr op dertien rakʿāt uitkwam.
Hieruit blijkt dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn nachtelijke ṣalāh soms in paren van twee rakʿāt en soms in groepen van vier rakʿāt verrichtte. Iedere ṣaḥābī heeft eenvoudig doorgegeven wat hij of zij zelf heeft waargenomen.
De juristen (fuqahāʾ) hebben vervolgens de overleveringen die zij het sterkst achtten als grondslag voor hun juridische oordelen genomen. Zo was Imām Abū Ḥanīfah van mening dat het aanbevelenswaardig is om bij vrijwillige ṣalāh, zowel overdag als 's nachts, na iedere vier rakʿāt de taslīm te verrichten. Zijn twee beroemde leerlingen, Imām Muḥammad en Imām Abū Yūsuf, waren daarentegen van oordeel dat het bij vrijwillige nachtelijke ṣalāh aanbevelenswaardiger is na iedere twee rakʿāt de taslīm te verrichten.
‘Āʾishah heeft bovendien overgeleverd dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de drie rakʿāt van de ṣalāh al-witr na de acht rakʿāt tahajjud met één taslīm beëindigde.
Dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) na de ṣalāh al-ʿishāʾ ging slapen zonder eerst de ṣalāh al-witr te verrichten, wekte de nieuwsgierigheid van ‘Āʾishah. Waarschijnlijk had zij gehoord dat hij Abū Hurayrah had geadviseerd de ṣalāh al-witr vóór het slapen te verrichten.
Daarom vroeg zij: “Wat als ook u niet wakker wordt om de ṣalāh al-witr te verrichten?”
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) antwoordde dat zijn ogen weliswaar sliepen, maar zijn hart wakker bleef. Daarom bestond voor hem geen gevaar dat hij de ṣalāh al-witr zou missen.
De harten van de anbiyā blijven immers voortdurend levend, waakzaam en bezig met Allāh (تعالى).
Het verrichten van de ṣalāh al-witr tijdens het laatste derde deel van de nacht is verdienstelijker. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei immers: “Laat de laatste ṣalāh die jullie 's nachts verrichten de ṣalāh al-witr zijn.”
Wie echter niet zeker weet of hij in het laatste deel van de nacht zal opstaan, doet er beter aan de ṣalāh al-witr direct na de laatste sunnah van de ṣalāh al-ʿishāʾ te verrichten.
Volgens de Ḥanafī-madhhab is de ṣalāh al-witr wājib en wordt, zoals ‘Āʾishah heeft beschreven, verricht als drie rakʿāt met één taslīm.
Volgens de Shāfiʿī-madhhab is het verdienstelijker eerst twee rakʿāt te verrichten en de taslīm uit te spreken, waarna nog één afzonderlijke rakʿah met een eigen taslīm wordt verricht.
‘Āʾishah vertelde dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn nachtelijke ṣalāh zeer lang verrichtte. De geleerden hebben hieruit afgeleid dat het bij vrijwillige ṣalāh gedurende de nacht verdienstelijker is om veel uit de Qurʾān te reciteren en de rukūʿ en sujūd lang te maken.
Voor vrijwillige ṣalāh overdag geldt daarentegen dat het verrichten van een groter aantal rakʿāt verdienstelijker wordt geacht.
271. Ḥadīth
Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها) zei: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte ’s nachts elf rakʿāt aan ṣalāh, waarbij de laatste rakʿah de witr was. Daarna ging hij op zijn rechterzijde liggen om uit te rusten.
Uit deze ḥadīth leren wij van ʿĀʾishah dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ’s nachts elf rakʿāt ṣalāh verrichtte, inclusief de witr. Tegelijkertijd weten wij ook dat dan-Nabī (صلى الله عليه وسلم) soms zeven, soms negen en soms dertien rakʿāt verrichtte, inclusief de witr. Er bestaat geen tegenstrijdigheid tussen deze overleveringen.
Onze moeder ʿĀʾishah heeft slechts verteld hoeveel hij gewoonlijk verrichtte, of hoeveel hij verrichtte wanneer hij bij haar was.
De nachtelijke ṣalāh van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verschilde afhankelijk van de tijd en de omstandigheden. Afhankelijk van of hij ziek of gezond was, en of hij zich sterk of vermoeid voelde, nam het aantal rakʿāt toe of af, en waren de ṣalāh langer of korter.
Wanneer hij de tahajjud had verricht en de tijd van de ṣalāh al-fajr naderde, ging hij op zijn rechterzijde liggen om even uit te rusten. Wanneer er nog veel tijd over was tot de ṣalāh al-fajr, bleef hij slapen totdat Bilāl al-Ḥabashī kwam om hem voor de ṣalāh wakker te maken.
272. Ḥadīth
Imām at-Tirmidhī heeft de vorige ḥadīth ook via twee andere leraren overgeleverd om deze te versterken. De tekst van deze ḥadīth komt overeen met die van de vorige ḥadīth.
273. Ḥadīth
Ook van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte sommige nachten negen rakʿāt ṣalāh.
Er zijn verschillende aḥadīth van ʿĀʾishah overgeleverd betreffende de ṣalāh die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ’s nachts verrichtte. Bij de uitleg van de 271. ḥadīth hebben wij besproken hoeveel rakʿāt dit waren en waarom de aantallen in de verschillende overleveringen verschillen.
De negen rakʿāt die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ’s nachts verrichtte, bestonden uit zes rakʿāt tahajjud en drie rakʿāt witr. De zes rakʿāt tahajjud verrichtte hij ofwel in paren van twee rakʿāt, of hij verrichtte vier rakʿāt en daarna twee rakʿāt. Wanneer hij zeven rakʿāt verrichtte, waren daarvan vier rakʿāt tahajjud en drie rakʿāt witr.
274. Ḥadīth
Imām at-Tirmidhī heeft de vorige ḥadīth met deze overlevering ondersteund.
De tekst van de ḥadīth lijkt op de vorige, maar de keten van overleveraars (sanad) is anders.
275. Ḥadīth
Van Huzayfah ibn al-Yamān (رضي الله عنه): Op een nacht ging ik samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de nachtelijke ṣalāh verrichten. Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) met de ṣalāh begon en de openings-takbīr uitsprak, zei hij:
اللَّهُ أَكْبَرُ، ذُو الْمَلَكُوتِ وَالْجَبَرُوتِ وَالْكِبْرِيَاءِ وَالْعَظَمَةِ
“Allāhu akbar, dhū al-malakūti wa-l-jabarūti wa-l-kibriyā’i wa-l-ʿaẓamah.”
“Allah is de Grootste; Hij is de Bezitter van het koninkrijk (en de heerschappij over de wereld van het ongeziene). Hij is de Almachtige (Overwinnaar, Degene Die niet overwonnen kan worden en altijd de overhand heeft). (Hij is vrij van alle tekortkomingen) en bezit grootheid en majesteit.”
Daarna reciteerde hij sūrah Fātiḥah en vervolgens sūrah Baqarah, waarna hij de rukūʿ verrichtte.
Daarna bleef hij in de rukūʿ even lang als hij in de staande houding had gestaan. Tijdens de rukūʿ herhaalde hij voortdurend:
سُبْحَانَ رَبِّيَ الْعَظِيمِ، سُبْحَانَ رَبِّيَ الْعَظِيمِ
“Subḥāna Rabbiya’l-ʿAẓīm, subḥāna Rabbiya’l-ʿAẓīm.”
(Verheerlijkt/Verheven is mijn Machtige Rab; Verheerlijkt/Verheven is mijn Machtige Rab.)
Daarna kwam hij weer overeind vanuit de rukūʿ. Nadat hij rechtop stond, bleef hij even lang staan als hij in de rukūʿ had verbleven. Daarbij herhaalde hij vaak:
لِرَبِّيَ الْحَمْدُ، لِرَبِّيَ الْحَمْدُ
“Li-Rabbiya’l-ḥamd, li-Rabbiya’l-ḥamd.”
(Mijn Rab komt alle lof en dank toe; mijn Rab komt alle lof en dank toe.)
Daarna ging hij naar de sujūd. Hij bleef in de sujūd even lang als hij in de staande houding had gestaan. Tijdens de sujūd herhaalde hij vaak:
سُبْحَانَ رَبِّيَ الْأَعْلَى، سُبْحَانَ رَبِّيَ الْأَعْلَى
“Subḥāna Rabbiya’l-Aʿlā, subḥāna Rabbiya’l-Aʿlā.”
(Verheerlijkt/Verheven is mijn Allerhoogste Rab; Verheerlijkt/Verheven is mijn Allerhoogste Rab.)
Daarna hief hij zijn hoofd op van de sujūd. Tussen de twee sujūd bleef hij even lang zitten als hij in de sujūd had verbleven en zei daarbij:
رَبِّ اغْفِرْ لِي، رَبِّ اغْفِرْ لِي
“Rabbighfir lī, Rabbighfir lī.”
(Mijn Rab, vergeef mij. Mijn Rab, vergeef mij.)
Hij verrichtte deze ṣalāh met de volgende lange sûwar: Baqarah, Āl ʿImrān, Nisāʾ, Māʾidah of Anʿām.
Abū ʿĪsā at-Tirmidhī zei: “Een van de overleveraars van deze ḥadīth, Shuʿbah, twijfelde of Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) na sūrah Nisāʾ sūrah Māʾidah of sūrah Anʿām reciteerde.
De naam van Abū Ḥamzah in de keten van overleveraars is Ṭalḥah ibn Zayd. De naam van Abū Ḥamzah ad-Ḍubaʿī is Naṣr ibn ʿImrān.”
Het is niet bekend of de nachtelijke ṣalāh die Huzayfah ibn al-Yamān (رضي الله عنه) samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte, de tarāwīḥ of de tahajjud was.
Vijf eigenschappen
In deze ḥadīth wordt vermeld dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) na het uitspreken van de takbīr waarmee hij de ṣalāh begon, Allāhu (تعالى) met de volgende woorden prees en beschreef:
Allāhu akbar
Allāhu (تعالى) is de Grootste. Hij is verheven en bezit volmaakte grootheid.
Dhū al-malakūt
Hij is de Bezitter van het koninkrijk. Hij bestuurt zowel deze zichtbare wereld als de wereld van het ongeziene zoals Hij wil.
Wa’l jabarūt
Ook deze en de volgende eigenschappen zijn verbonden met de betekenis van bezit en macht. Hij bezit al-jabarūt: Hij is de Onweerstaanbare, de Overwinnende. Hij kan niet overwonnen worden; Hij overwint altijd. Hij vernedert en vernietigt degenen die zich tegen Hem verzetten.
Allāhu (تعالى) zegt:
وَهُوَ ٱلۡقَاهِرُ فَوۡقَ عِبَادِهِۦۚ وَهُوَ ٱلۡحَكِيمُ ٱلۡخَبِيرُ ١٨
En Hij is de Oppermachtige over Zijn dienaren, en Hij is de Alwijze de Alwetende.
(Anʿām, 6:18) Dit vers wijst hierop.
Wa’l-kibriyāʾ
Hij is verheven boven iedere tekortkoming en vrij van iedere imperfectie.
W’-l-ʿaẓamah
Hij bezit majesteit en grootheid. Niemand kan Zijn ware wezen en werkelijkheid volledig begrijpen.
Geen enkel schepsel buiten Allāhu (تعالى) mag beschreven worden met de eigenschappen kibriyāʾ (ware grootheid) en ʿaẓamah (majesteit). In een ḥadīth qudsī zegt Allāhu (تعالى):
“Grootheid is Mijn mantel (ridā) en verhevenheid en macht zijn Mijn gewaad (izâr). Wie probeert één van deze eigenschappen voor zichzelf op te eisen, zal Ik de Hel binnenwerpen.”
De Arabieren noemen het kledingstuk dat het bovenlichaam bedekt ridā, en het kledingstuk waarmee het onderste deel van het lichaam wordt bedekt izār.
Wanneer Allāhu (تعالى) zegt: Grootheid is Mijn mantel (ridā) en verhevenheid en macht zijn Mijn gewaad (izâr), betekent: “Zoals de kleding die jullie dragen jullie lichaam omhult, zo omvatten de eigenschappen van grootheid en verhevenheid Mij.”
De vijf hierboven genoemde eigenschappen zijn op dezelfde wijze. Deze eigenschappen behoren onafscheidelijk tot de volmaaktheid van Allāhu (تعالى).
Uit de woorden van Huzayfah ibn al-Yamān ‘Hij verrichtte deze ṣalāh met de volgende lange sûwar: Baqarah, Āl ʿImrān, Nisāʾ, Māʾidah of Anʿām’, zou men kunnen begrijpen dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in de eerste rakʿah, na Fātiḥah, Baqarah reciteerde; in de tweede rakʿah Āl ʿImrān; in de derde rakʿah Nisāʾ; en in de vierde rakʿah Māʾidah of Anʿām. Het is echter niet volledig duidelijk of Huzayfah dit bedoelde, of dat hij bedoelde dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in de eerste rakʿah Baqarah reciteerde en in de tweede rakʿah de drie daaropvolgende sûwar.
Wanneer Huzayfah ibn al-Yamān zegt dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bij elk onderdeel van de ṣalāh de volgende lofprijzingen tweemaal herhaalde:
“Subḥāna Rabbiya’l-ʿAẓīm” (Verheerlijkt is mijn Machtige Rab)
“Li-Rabbiya’l-ḥamd” (Mijn Rab komt alle lof toe)
“Subḥāna Rabbiya’l-Aʿlā” (Verheerlijkt is mijn Allerhoogste Rab)
“Rabbighfir lī” (Mijn Rab, vergeef mij)
dan bedoelde hij hiermee dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deze adhkār voortdurend bleef herhalen gedurende de tijd dat hij dat onderdeel van de ṣalāh uitvoerde.
Uit verschillende overleveringen blijkt dat het aanbevolen (sunnah) is om de tasbīḥ in de rukūʿ:
“Subḥāna Rabbiya’l-ʿAẓīm”
en de tasbīḥ in de sujūd:
“Subḥāna Rabbiya’l-Aʿlā”
minstens drie keer en maximaal elf keer te zeggen.
Degene die achter de imām bidt, dient deze adhkār zo vaak te zeggen als hij daartoe in staat is.
276. Ḥadīth
Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte gedurende een hele nacht ṣalāh terwijl hij slechts één āyah uit de Qurʾān reciteerde.”
Uit deze ḥadīth leren wij dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een hele nacht ṣalāh verrichtte terwijl hij één āyah uit de Qurʾān reciteerde. Wij weten echter niet welke āyah hij die nacht reciteerde.
Ook Abū Dhar al-Ghifārī (رضي الله عنه) vertelde dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op een nacht slechts één āyah reciteerde tijdens de ṣalāh. Toen men hem vroeg welke āyah an-Nabī(صلى الله عليه وسلم) gedurende de ṣalāh steeds herhaalde, noemde hij deze āyah:
إِن تُعَذِّبۡهُمۡ فَإِنَّهُمۡ عِبَادُكَۖ وَإِن تَغۡفِرۡ لَهُمۡ فَإِنَّكَ أَنتَ ٱلۡعَزِيزُ ٱلۡحَكِيمُ ١١٨
Als U hen straft, zijn zij Uw dienaren. En als U hen vergeeft, waarlijk U en alleen U bent de Almachtige, de Alwijze. (Mā’idah, 5:118)
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) reciteerde deze āyah in elke rakʿah van de ṣalāh die hij die nacht verrichtte. Er is ook een overlevering waarin wordt vermeld dat hij dezelfde āyah tijdens de rukūʿ en de sujūd reciteerde.
Terwijl Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ʿAlī (رضي الله عنه) heeft opgedragen om tijdens de rukūʿ en de sujūd geen verzen uit de Qurʾān te reciteren. Sterker nog, tijdens zijn laatste ziekte zei hij zelf dat het nadrukkelijk verboden was om de Qurʾān te reciteren terwijl men zich in de rukūʿ of de sujūd bevindt. Hij moedigde aan om tijdens de rukūʿ Allāhu (تعالى) te verheerlijken door te zeggen:
“Subḥāna Rabbiya’l-ʿAẓīm” (Verheerlijkt is mijn Machtige Rab)
en om tijdens de sujūd (in de vrijwillige ṣalāh) smeekbeden (adʿiyah) te verrichten.
De rukūʿ en de sujūd zijn de momenten waarop de dienaar zijn eigen zwakheid en nietigheid het beste aan Allāhu (تعالى) toont. Het zijn momenten van nederigheid (tawāḍuʿ) en onderwerping. Daarom dient de dienaar zich in deze toestand bezig te houden met het verheerlijken van zijn Rab en Hem aan te roepen (du`ā’) en om Zijn gunst te smeken.
De Qurʾān dient echter, overeenkomstig de eer en de verheven status van het Boek van Allāhu (تعالى), tijdens de ṣalāh alleen gereciteerd te worden terwijl men in de staande houding (qiyām) verkeert.
277. Ḥadīth
Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه): Op een nacht verrichtte ik samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh. Hij bleef zo lang in de qiyām (staande houding) staan dat er een slechte gedachte bij mij opkwam.”
Degenen die naar Ibn Masʿūd (رضي الله عنه) luisterden vroegen: “Welke gedachte kwam er bij jou op?”
Hij antwoordde: “Terwijl Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh staand verrichtte, dacht ik eraan om zelf zittend verder te gaan met de ṣalāh.”
De ṣalāh die ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه) samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte, was geen verplichte ṣalāh, maar een vrijwillige ṣalāh. Zoals wij ook in de 275. ḥadīth hebben gezien, verrichtte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh attahajjud soms zo lang dat het voor een mens bijna niet vol te houden was.
Zelfs Ibn Masʿūd (رضي الله عنه), één van de vooraanstaande ṣaḥābah, kon het zo lang staan in de qiyām bijna niet verdragen. Hij dacht eraan om zittend verder te gaan met de ṣalāh.
Omdat hij dit echter niet passend vond tegenover Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), deed hij moeite om tot het einde van de ṣalāh te blijven staan.
Als we de eigen woorden van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه) gebruiken, dan kan de “slechte gedachte” die bij hem opkwam ook betekenen dat hij de ṣalāh zou verbreken omdat hij geen kracht meer had om verder te gaan, en Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) alleen zou laten doorgaan.
Uiteraard zou dit een ernstigere zaak zijn dan de eerste mogelijkheid. Want als hij dit had gedaan, zou hij de eer hebben verloren om samen met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh te verrichten en de grote beloning die daarmee gepaard gaat mislopen.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vond diepe vreugde in de aanbidding van Allāhu (تعالى). Hij kreeg er nooit genoeg van om lange ṣalāh te verrichten. Maar vanwege zijn grote barmhartigheid tegenover zijn ummah, wanneer hij als imām de ṣalāh voor anderen leidde, maakte hij deze niet langer dan nodig en belastte hij de draagkracht van de ummah niet.
Het lijkt erop dat hij op een dag tijdens Ramaḍān, na aandringen van zijn ṣaḥābah, ṣalāh at-tarāwīḥ van normale lengte met hen verrichtte. Daarna ging hij naar zijn huis en verrichtte daar ṣalāh terwijl hij lange sûwar reciteerde.
Vervolgens keerde hij terug naar zijn ṣaḥābah en leidde opnieuw ṣalāh die niet te zwaar voor hen was. Daarna ging hij weer naar huis en verrichtte opnieuw lange ṣalāh met lange recitaties. Toen zijn ṣaḥābah hem de volgende ochtend vroegen waarom hij, wanneer hij alleen was, de ṣalāh zo lang verrichtte, maar voor hen kortere ṣalāh leidde, zei hij:
“Ik deed dit ter wille van jullie.”
278. Ḥadīth
Imām at-Tirmidhī heeft de vorige ḥadīth ter ondersteuning ervan nogmaals overgeleverd met een andere keten van overleveraars.
279.Hadīth
Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): Soms begon an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh zittend en reciteerde hij een deel van de verzen terwijl hij zat. Wanneer er nog dertig of veertig verzen overbleven van hetgeen hij van plan was te reciteren, stond hij op en reciteerde hij die staand. Vervolgens verrichtte hij de rukūʿ en de sujūd. Daarna herhaalde hij in de tweede rakʿah hetzelfde als wat hij in de eerste rakʿah had gedaan.
Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op leeftijd kwam en zijn lichaamsgewicht toenam, begon hij zijn vrijwillige ṣalawāt zittend te verrichten. Wanneer er van de te reciteren verzen nog dertig of veertig overbleven, stond hij op en reciteerde hij de rest staand.
Aangezien de verzen die hij staand reciteerde het resterende gedeelte van de sūrah vormden, blijkt hieruit dat hij zittend aanzienlijk meer verzen reciteerde dan staand.
Deze handelwijze van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) laat zien dat iemand die een vrijwillige ṣalawāt zittend begint, deze niet noodzakelijk ook zittend hoeft te beëindigen. Evenmin hoeft iemand die de ṣalāh staand begint, deze ook staand af te ronden.
Onze moeder ʿĀʾishah zei aan het einde van deze overlevering:
“Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn ṣalāh had beëindigd, keek hij of ik wakker was.
Als ik wakker was, sprak hij met mij; en als ik sliep, ging hij zelf ook weer liggen.”
Of Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh nu zittend of staand verrichtte, hij ontving daarvoor dezelfde beloning, want bij hem was er geen sprake van luiheid.
280.Hadīth
Van ʿAbdullāh ibn Shaqīq ( رَحِمَهُ اللهُ): Ik vroeg ʿĀʾishah (رضي الله عنها) hoe Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn vrijwillige ṣalāh (taṭawwu`) verrichtte.
Zij antwoordde: “De ene nacht verrichtte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn langdurige vrijwillige ṣalāh staand, en de volgende nacht verrichtte hij die zittend.
Wanneer hij deze langdurige ṣalāh staand verrichtte, ging hij na het voltooien van zijn recitatie vanuit staande houding over naar de rukūʿ en vervolgens naar de sujūd.
Wanneer hij de ṣalāh zittend begon en ook zijn recitatie zittend voltooide, verrichtte hij zowel de rukūʿ als de sujūd vanuit zijn zittende houding.”
De tābiʿī-overleveraar van deze hadīth, ʿAbdullāh ibn Shaqīq ( رَحِمَهُ اللهُ), vertelt dat hij onze moeder ʿĀʾishah vroeg naar de vrijwillige ṣalāh (taṭawwu`) van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Taṭawwu` betekent een vorm van aanbidding die een mu'min niet verplicht is te verrichten, maar vrijwillig uitvoert om de tevredenheid van Allāhu (تعالى) te verkrijgen. Taṭawwuʿ wordt ook wel vrijwillige (nāfilah-)ʿibādah genoemd.
De moeder van de mu'mins vertelde dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) 's nachts langdurig aanbidding verrichtte, met andere woorden: dat hij lange tijd ṣalāh verrichtte.
Zoals reeds is uitgelegd bij 270. hadīth, betekent “langdurig aanbidden” dat men de nachtelijke ṣalāh verricht door lange sūwar te reciteren en langdurig te blijven staan. Dit is de meest voortreffelijke manier om de nachtelijke ṣalāh te verrichten. Voor de vrijwillige ṣalāh overdag is het daarentegen verdienstelijker om veel rukūʿ en sujūd te verrichten, dat wil zeggen door meer rakʿāt ṣalāh te verrichten.
In de vorige hadīth zagen we dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), wanneer hij zijn nachtelijke ṣalāh zittend verrichtte, opstond zodra hij de rukūʿ en sujūd wilde verrichten. Nadat hij nog enige tijd had gereciteerd, ging hij over naar de rukūʿ en vervolgens naar de sujūd.
In deze hadīth zien we echter dat hij, wanneer hij de ṣalāh staand verrichtte, na het voltooien van de recitatie vanuit staande houding direct overging naar de rukūʿ en daarna naar de sujūd. Begon hij de ṣalāh zittend en voltooide hij ook de recitatie zittend, dan verrichtte hij de rukūʿ en de sujūd zonder eerst op te staan.
Hieruit begrijpen wij dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hierin verschillende handelwijzen had en dat hij de ene keer op de ene manier en de andere keer op een andere manier handelde.
Hierbij dient ook te worden opgemerkt dat de nachtelijke ṣalāh weliswaar zittend kan worden verricht, maar dat het voor iemand die in staat is staand ṣalāh te verrichten niet de voorkeur heeft om deze zittend te verrichten. De beloning van degene die de ṣalāh zittend verricht, bedraagt namelijk de helft van de beloning van degene die haar staand verricht. Voor an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gold dit echter niet. Omdat hij diepe vreugde vond in de aanbidding van Allah en daarin nooit vermoeidheid of tegenzin kende, bestond er voor hem geen verschil in beloning tussen het zittend of staand verrichten van de ṣalāh.
281.Hadīth
Van Ḥafṣah (رضي الله عنها), de echtgenote van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte zijn vrijwillige ṣalāh zittend. Een korte sūrah die hij met tartīl reciteerde, dat wil zeggen overeenkomstig de regels van de recitatie, duurde langer dan een sūrah met een groot aantal verzen.
Het woord subḥah dat in deze hadīth voorkomt, betekent zowel dhikr als ṣalāh, maar wordt in het bijzonder gebruikt voor vrijwillige ṣalāh. Zo betekent subḥat ad-ḍuḥā de ṣalāh aḍ-ḍuḥā (het vrijwillige ochtend ṣalāh die na zonsopgang wordt verricht)
Zoals vermeld in Ṣaḥīḥ Muslim, Sunan at-Tirmidhī, Sunan an-Nasāʾī en de Muwaṭṭaʾ van Imām Mālik, geeft onze moeder Ḥafṣah (رضي الله عنها) aan het begin van deze overlevering de volgende aanvullende informatie: “Ik heb Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nooit zijn vrijwillige ṣalāh zittend zien verrichten, behalve in het jaar vóór zijn overlijden. Toen begon hij zijn vrijwillige ṣalāh zittend te verrichten.”
Uit deze uitspraak van onze moeder Ḥafṣah begrijpen wij dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in het laatste jaar van zijn leven enigszins in lichaamsgewicht was toegenomen en dat hij tegen het einde van zijn langdurige vrijwillige ṣalāh, waarin hij lange sūwar reciteerde, vermoeid raakte. Daarom verrichtte hij een deel van zijn ṣalāh zittend. In de volgende hadīth zal hierover een uitvoeriger toelichting worden gegeven.
Ḥafṣah geeft ons nog een belangrijke informatie. Zij vertelt dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de sūrah die hij tijdens de ṣalāh reciteerde met tartīl voordroeg, dat wil zeggen zorgvuldig, volgens de regels van de tadjwīd en met overdenking van de betekenis.
Om dit met een voorbeeld te verduidelijken: het reciteren van de sūrah Anfāl, die 75 verzen telt, met tartīl neemt ongeveer evenveel tijd in beslag als het reciteren van de sūrah Aʿrāf, die 206 verzen telt, wanneer deze zonder inachtneming van tartīl wordt gereciteerd.
(Abū ʿAbdillāh al-Muṭṭalib ibn Abī Wadāʿah al-Ḥārith as-Sahmī (رضي الله عنه) was zelf een ṣaḥābī, evenals zijn vader. Zijn moeder, Arwā bint al-Ḥārith (رضي الله عنها), was de dochter van de oom van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
Abū ʿAbdillāh al-Muṭṭalib aanvaardde de islam op de dag van de verovering van Makkah. Daarna vestigde hij zich in Madīnah, waar hij ook overleed. Zijn overleveringen zijn opgenomen in de Kutub as-Sittah, met uitzondering van Ṣaḥīḥ al-Bukhārī.
Ḥafṣah (رضي الله عنها), trouwde met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nadat haar echtgenoot was overleden. Ḥafṣah, de dochter van ʿUmar (رضي الله عنه), stond bekend om haar vele vrijwillige vastendagen en vele ṣalawāt. Zij behoorde ook tot de weinige ṣaḥābah die de Qur'ān volledig uit het hoofd kenden. Zij heeft zestig aḥādīth overgeleverd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en van haar vader ʿUmar (رضي الله عنه).
282.Hadīth
ʿĀʾishah (رضي الله عنها) vertelde aan Abū Salamah ( رَحِمَهُ اللهُ), de zoon van ʿAbd ar-Raḥmān ibn ʿAwf (رضي الله عنه) het volgende: In de laatste periode van zijn leven verrichtte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn vrijwillige ṣalāh meestal zittend.
Vrijwel alle overleveringen laten zien dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in de laatste periode van zijn leven het merendeel van zijn vrijwillige ṣalāh zittend verrichtte.
Bij een gelegenheid vroeg de tābiʿī-muhaddith ʿAbdullāh ibn Shaqīq (overleden in 108 AH/726 CE) aan onze moeder ʿĀʾishah (رضي الله عنها): “Verrichtte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ooit de ṣalāh zittend?”
Zij antwoordde: “Ja, nadat de mensen hem hadden uitgeput en hij oud was geworden.”
Ook haar neef ʿUrwah ibn az-Zubayr (رضي الله عنه) vroeg onze moeder ʿĀʾishah of an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh zittend verrichtte.
Zij antwoordde: “Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op leeftijd was en in lichaamsgewicht toenam, verrichtte hij zijn ṣalāh meestal zittend.”
Toen dezelfde vraag aan onze moeder Umm Salamah (رضي الله عنها) werd gesteld, antwoordde zij: “Vóór het overlijden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte hij de meeste van zijn vrijwillige ṣalawāt, met uitzondering van de verplichte ṣalawāt, zittend. De vorm van aanbidding die hem het meest geliefd was, was die welke, ook al was zij gering, met regelmaat werd verricht.
283. Hadīth
Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما): Ik verrichtte samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in de moskee twee rakʿāt vóór de ṣalāh aẓ-ẓuhr en twee rakʿāt na de ṣalāh aẓ-ẓuhr. Eveneens verrichtte ik samen met hem in zijn huis twee rakʿāt na de ṣalāh al-maghrib en twee rakʿāt na de ṣalāh al-ʿishāʾ.
De saḥābah leerden hoe zij Allah moesten aanbidden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
Zij volgden ook nauwlettend de ṣalāh die hij naast de verplichte ṣalāh verrichtte en probeerden deze eveneens te verrichten, in de hoop meer beloning van Allah te verkrijgen.
Een van degenen die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) met grote aandacht volgde, was ʿAbdullāh ibn ʿUmar. Toen hij eens zag dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in de moskee twee rakʿāt vóór de ṣalāh aẓ ẓuhr en twee rakʿāt erna verrichtte, begon hij deze ṣalāh eveneens te verrichten.
Ibn ʿUmar was de zwager van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), omdat hij de broer was van onze moeder Ḥafṣah. Blijkbaar vroeg hij zich af of an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) thuis nog andere vrijwillige ṣalāh verrichtte. Daarom bleef hij op een avond bij zijn zuster. Toen hij zag dat an-Nabī (عليه السلام) thuis na de ṣalāh al-maghrib twee rakʿāt en na de ṣalāh al-ʿishāʾ eveneens twee rakʿāt verrichtte, begon hij ook deze sunan te verrichten om beloning te verkrijgen.
In sommige overleveringen van deze hadīth wordt vermeld dat Ibn ʿUmar op dezelfde wijze ook na de vrijdagṣalāh twee rakʿāt verrichtte.
In de volgende ahadith, nrs. 284 en 285, zullen wij opnieuw zien hoe nauwkeurig ʿAbdullāh ibn ʿUmar de handelwijze van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) observeerde en vastlegde.
Uit deze overleveringen blijkt dat vrijwillige ṣalāh zowel thuis als in de moskee kan worden verricht. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf echter aan dat het verrichten van vrijwillige ṣalāh thuis meer verdienste heeft.
Hij zei: “Ik raad jullie aan de vrijwillige ṣalāh in jullie huizen te verrichten.
De ṣalāh buiten de verplichte ṣalāh levert namelijk meer beloning op wanneer zij thuis wordt verricht.”
284.Hadīth
Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما): Mijn zuster Ḥafṣah vertelde mij dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), wanneer de ochtendschemering aanbrak en de muʾadhdhin op het punt stond de adhān op te roepen, twee rakʿāt ṣalāh verrichtte.
Een van de overleveraars van deze hadīth, Ayyūb as-Sakhtiyānī, zei:
Mijn leraar Nāfiʿ vertelde bij de overlevering van deze hadīth dat de twee rakʿāt die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte wanneer de ochtendschemering aanbrak en de muʾadhdhin de adhān zou gaan oproepen, “zeer kort” waren.
De twee rakʿāt die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte bij het aanbreken van de ochtendschemering, voordat de muʾadhdhin de adhān riep, waren de sunnah van de ṣalāh aṣ-ṣubḥ/fajr.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hechtte heel veel waarde aan de sunnah van de ṣalāh aṣ-ṣubḥ/fajr. Onze moeder ʿĀʾishah (رضي الله عنها) beschreef dit als volgt: “an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hechtte aan geen enkele vrijwillige ṣalāh zoveel belang als aan de twee rakʿāt sunnah van de ṣalāh aṣ-ṣubḥ/fajr.”
Ook volgens een andere overlevering van onze moeder ʿĀʾishah sprak an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) als volgt over de waarde van deze ṣalāh: “De twee rakʿāt sunnah van de ṣalāh aṣ-ṣubḥ/fajr zijn beter dan de wereld en alles wat zich daarin bevindt.”
Volgens een andere overlevering van ʿĀʾishah zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) over de sunnah van de ṣalāh aṣ-ṣubḥ/fajr: “Voor mij zijn de twee rakʿāt sunnah van de ṣalāh aṣ-ṣubḥ/fajr waardevoller dan de hele wereld.”
Omdat de twee rakʿāt sunnah van de ṣalāh aṣ-ṣubḥ/fajr zo'n grote waarde en eer hebben, liet an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deze zelfs tijdens een reis niet achterwege. Hij adviseerde zijn ummah hierover: “Zelfs als vijandelijke ruiters jullie achtervolgen, laat de twee rakʿāt sunnah van de ṣalāh aṣ-ṣubḥ/fajr dan toch niet achterwege.”
Vanwege deze grote waarde en het sterk benadrukte karakter (muʾakkadah) van de twee rakʿāt sunnah van de ṣalāh aṣ-ṣubḥ/fajr zei Imām Abū Ḥanīfah (رحمه الله): “Het is niet toegestaan om de twee rakʿāt sunnah van de ṣalāh aṣ-ṣubḥ/fajr zittend te verrichten zonder dat men daarvoor een geldige reden heeft.”
Er bestaat een algemene regel die door an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) is vastgesteld. Hij zei:
“Wanneer de iqāmah wordt opgeroepen (voor de fard ṣalāh), wordt er geen andere ṣalāh verricht dan de verplichte ṣalāh.” Met andere woorden: wanneer de gemeenschap klaarstaat voor de aanvang van de verplichte ṣalāh, wordt er geen sunnah-ṣalāh meer verricht. Als de iqāmah wordt opgeroepen terwijl iemand met de sunnah bezig is, dan geeft hij na twee rakʿāt de salām en sluit hij zich direct aan bij de verplichte ṣalāh.
Deze regel heeft echter één uitzondering. Dat is de sunnah van de ṣalāh aṣ-ṣubḥ/fajr.
Zelfs als iemand daardoor de eerste rakʿah van de verplichte ṣalāh aṣ-ṣubḥ/fajr zou missen, verricht hij eerst snel de twee rakʿāt sunnah van de ṣalāh aṣ-ṣubḥ/fajr en sluit hij zich vervolgens aan bij de tweede rakʿah van de verplichte ṣalāh.
Wanneer de ṣalāh aṣ-ṣubḥ/fajr niet binnen zijn tijd wordt verricht en als inhaal ṣalāh (qaḍāʾ) moet worden verricht, wordt deze samen met de sunnah ingehaald. Uit de volgende overlevering leren wij op welke gebeurtenis dit gebaseerd is:
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was op reis. Hij en zijn ṣaḥābah waren in slaap gevallen en hadden daardoor de ṣalāh aṣ-ṣubḥ/fajr niet op tijd verricht. Nadat de zon was opgekomen, liet hij de muʾadhdhin de adhān oproepen. Daarna verrichtten zij de twee rakʿāt sunnah van de ṣalāh aṣ-ṣubḥ/fajr. Vervolgens riep de muʾadhdhin de iqāmah en leidde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de verplichte ṣalāh aṣ-ṣubḥ/fajr.
Imām Abū Ḥanīfah en Imām Abū Yūsuf zijn echter van mening dat de sunnah van de ṣalāh aṣ-ṣubḥ/fajr niet wordt ingehaald.
In onze hadīth wordt vermeld dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de twee rakʿāt sunnah van de ṣalāh aṣ-ṣubḥ/fajr “zeer kort” verrichtte. Wanneer men dit hoort, kan de volgende vraag bij iemand opkomen: Welke verzen reciteerde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wanneer hij de sunnah van de ṣalāh aṣ-ṣubḥ/fajr kort verrichtte?
Wat dit betreft had Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verschillende handelwijzen.
Soms reciteerde hij in de eerste rakʿah van de sunnah van de ṣalāh aṣ-ṣubḥ/fajr sūrah Kāfirūn en in de tweede rakʿah sūrah Ikhlāṣ.
Soms reciteerde hij in de eerste rakʿah het volgende vers uit sūrah Baqarah (2:136):
قُولُوٓاْ ءَامَنَّا بِٱللَّهِ وَمَآ أُنزِلَ إِلَيۡنَا وَمَآ أُنزِلَ إِلَىٰٓ إِبۡرَٰهِـۧمَ وَإِسۡمَٰعِيلَ وَإِسۡحَٰقَ وَيَعۡقُوبَ وَٱلۡأَسۡبَاطِ وَمَآ أُوتِيَ مُوسَىٰ وَعِيسَىٰ وَمَآ أُوتِيَ ٱلنَّبِيُّونَ مِن رَّبِّهِمۡ لَا نُفَرِّقُ بَيۡنَ أَحَدٖ مِّنۡهُمۡ وَنَحۡنُ لَهُۥ مُسۡلِمُونَ ١٣٦
Zeg: “Wij geloven in Allah en datgene wat Hij aan ons neergezonden heeft en dat wat aan Abraham, Ismael, Isaac en de stammen is gegeven en dat wat aan Mozes gegeven is en aan Jezus, en dat wat er is gegeven van hun Heer aan de Profeten. Wij maken geen onderscheid tussen hen en aan Hem hebben wij ons onderworpen.”
In de tweede rakʿah reciteerde hij het volgende vers uit sūrah Āl ʿImrān (3:52):
فَلَمَّآ أَحَسَّ عِيسَىٰ مِنۡهُمُ ٱلۡكُفۡرَ قَالَ مَنۡ أَنصَارِيٓ إِلَى ٱللَّهِۖ قَالَ ٱلۡحَوَارِيُّونَ نَحۡنُ أَنصَارُ ٱللَّهِ ءَامَنَّا بِٱللَّهِ وَٱشۡهَدۡ بِأَنَّا مُسۡلِمُونَ ٥٢
Toen Isa hun ongeloof ontdekte, zei hij: “Wie zullen mijn helpers zijn in de zaak van Allah?” De apostelen zeiden: “Wij zijn de helpers van Allah; wij geloven in Allah en getuigen dat wij moslims zijn.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) reciteerde tijdens de sunnah van de ṣalāh aṣ-ṣubḥ/fajr ook nog andere verzen.
285.Hadīth
Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما): “Ik heb van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de volgende acht rakʿāt ṣalāh geleerd: twee rakʿāt vóór de verplichte ṣalāh aẓ ẓuhr, twee rakʿāt na de verplichte ṣalāh aẓ ẓuhr, twee rakʿāt na de verplichte ṣalāh al-maghrib en twee rakʿāt na de verplichte ṣalāh al-ʿishāʾ.
Mijn zuster Ḥafṣah vertelde mij dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ook twee rakʿāt vóór de verplichte ṣalāh aṣ-ṣubḥ/fajr verrichtte. Ik heb echter niet gezien dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deze ṣalāh verrichtte.”
ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما) vertelt dat hij van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) acht sterk aanbevolen sunnah-handelingen (sunan muʾakkadah) heeft geleerd en dat hij met eigen ogen zag dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deze acht sunan nooit achterwege liet.
Toen hij deze kennis met zijn zuster Ḥafṣah (رضي الله عنها) deelde, vertelde zij hem dat ook de twee rakʿāt sunnah van de ṣalāh aṣ-ṣubḥ/fajr behoorden tot de sunan die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) nooit achterwege liet.
Ibn ʿUmar gaf echter aan dat hij nooit had gezien dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de twee rakʿāt sunnah van de ṣalāh aṣ-ṣubḥ/fajr voortdurend verrichtte. Dat hij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deze sunnah niet zag verrichten, is heel begrijpelijk, omdat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deze sunnah niet in de Masjid an-Nabawī verrichtte, maar altijd thuis, bij zijn echtgenotes. Daarna ging hij naar de moskee en leidde hij de gemeenschap in de ṣalāh aṣ-ṣubḥ/fajr.
De reden waarom Ibn ʿUmar de acht rakʿāt sunnah die in deze hadīth worden genoemd, wel zag, was dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deze ṣalāh soms thuis en soms ook in de Masjid an-Nabawī verrichtte. ʿAbdullāh ibn ʿUmar had hem deze ṣalāh dan ook in de moskee zien verrichten.
Hij leerde deze informatie over de sunnah van de ṣalāh aṣ-ṣubḥ/fajr van zijn zuster Ḥafṣah. Waarschijnlijk zag hij tijdens een veldtocht met eigen ogen dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deze sunnah voortdurend verrichtte. Daarna zei hij:
“Een maand lang lette ik op de ṣalāh van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Tijdens de sunnah van de ṣalāh aṣ-ṣubḥ/fajr reciteerde hij de sûwar Kāfirūn en Ikhlāṣ.”
Vanaf die dag beschreef Ibn ʿUmar zijn kennis over de sunan als volgt:
“Ik heb van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de volgende tien rakʿāt ṣalāh geleerd: twee rakʿāt vóór de verplichte ṣalāh aẓ ẓuhr en twee rakʿāt erna; twee rakʿāt na de verplichte ṣalāh al-maghrib die hij thuis verrichtte; twee rakʿāt na de verplichte ṣalāh al-ʿishāʾ die hij eveneens thuis verrichtte; en twee rakʿāt vóór de verplichte ṣalāh aṣ-ṣubḥ/fajr. De tijd vóór de ṣalāh aṣ-ṣubḥ/fajr was een periode waarin men niet bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar binnen ging.”
286.Hadīth
VanʿAbdullāh ibn Shaqīq ( رَحِمَهُ اللهُ): Ik vroeg onze moeder ʿĀʾishah (رضي الله عنها) naar het aantal ṣalāh dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) (vrijwillig) verrichtte (sunnah al mu`aqqadah).
ʿĀʾishah antwoordde mij: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte twee rakʿāt vóór de verplichte ṣalāh aẓ ẓuhr, twee rakʿāt na de verplichte ṣalāh aẓ ẓuhr, twee rakʿāt na de verplichte ṣalāh al-maghrib, twee rakʿāt na de verplichte ṣalāh al-ʿishāʾ en twee rakʿāt vóór de verplichte ṣalāh aṣ-ṣubḥ/fajr.”
In de vorige hadīth werden twee verschillende overleveringen vermeld over de sunan die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) voortdurend verrichtte. In de ene overlevering werd vermeld dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dagelijks acht rakʿāt sunnah verrichtte, en in de andere tien rakʿāt.
In authentieke overleveringen heeft onze moeder ʿĀʾishah (رضي الله عنها) echter verteld dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) “nooit naliet om vóór de verplichte ṣalāh aẓ ẓuhr vier rakʿāt te verrichten.”Nog belangrijker is dat zij heeft vermeld dat wanneer hij de vier rakʿāt sunnah vóór de verplichte ṣalāh aẓ ẓuhr niet kon verrichten, hij deze na de laatste sunnah van de ṣalāh aẓ ẓuhr verrichtte.
Daarmee komt het aantal dagelijkse sterk aanbevolen sunan (sunan muʾakkadah) die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zonder onderbreking verrichtte, uit op twaalf rakʿāt.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hechtte grote waarde aan deze twaalf rakʿāt sunnah. Onze moeder Umm Ḥabībah (رضي الله عنها) vertelde namelijk dat zij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het volgende hoorde zeggen: “Als een moslim naast de verplichte ṣalāh elke dag twaalf rakʿāt vrijwillige ṣalāh verricht om de tevredenheid van Allāh te verkrijgen, dan bouwt Allāhu (تعالى) voor hem een huis in het Paradijs.” Of: “Er wordt voor hem een huis in het Paradijs gebouwd”.
287.Hadīth
Van ʿĀṣim ibn Ḍamrah ( رَحِمَهُ اللهُ): Wij vroegen ʿAlī (رضي الله عنه) naar de vrijwillige ṣalāh die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overdag verrichtte.
Hij antwoordde ons: “Jullie zijn niet in staat om voortdurend de ṣalāh te verrichten die an-Nabī verrichtte.”
Wij zeiden: “Vertel ons er dan over, zodat degene onder ons die daartoe in staat is deze kan verrichten, en degene die daartoe niet in staat is deze kan leren.”
Daarop zei ʿAlī (رضي الله عنه): “Wanneer de tijd van de ṣalāh al-ʿaṣr aanbreekt, nadat de zon even ver naar het westen is bewogen, verrichtte hij in de ochtend twee rakʿāt ṣalāh nadat de zon even ver van de horizon in het oosten was verwijderd (de ṣalāh aḍ-ḍuḥā).
Daarnaast verrichtte hij vier rakʿāt ṣalāh vóór de tijd van de zonshoogte (zawāl), gedurende dezelfde tijdsduur als na de zawāl de ṣalāh aẓ ẓuhr werd verricht (de ṣalāh al-awwābīn).
Verder verrichtte hij vóór de verplichte ṣalāh aẓ ẓuhr vier rakʿāt en erna twee rakʿāt. Ook verrichtte hij vóór de verplichte ṣalāh al-ʿaṣr vier rakʿāt. Tijdens deze ṣalāh zat hij in de tweede rakʿah voor de tashahhud en verrichtte hij smeekbeden voor de engelen die dicht bij Allah zijn gebracht (al-muqarrabīn), voor de anbiyā, en voor de mu'mins en moslims die hen volgen.”
Degenen die nieuwsgierig waren naar de vrijwillige aanbidding die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) overdag verrichtte, vroegen dit aan ʿAlī (رضي الله عنه).
Hij antwoordde: “Jullie zijn niet in staat om de ṣalāh die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte voortdurend vol te houden.”
Daarmee bedoelde hij dat zij niet in staat zouden zijn om deze ṣalāh net als an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) voortdurend, met volledige nederigheid (khushūʿ) en met inachtneming van alle voorwaarden te verrichten.
Toen ʿAlī (رضي الله عنه) de vrijwillige aanbidding van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overdag beschreef, verdeelde hij deze in twee categorieën.
Eerst beschreef hij de ṣalāh die hij verrichtte zonder dat deze verbonden was aan de verplichte ṣalāh, en daarna de ṣalāh die hij vóór en na de verplichte ṣalāh verrichtte.
De ṣalāh al-awwābīn
ʿAlī (رضي الله عنه) sprak over twee vormen van vrijwillige aanbidding die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte zonder dat zij verbonden waren aan de verplichte ṣalāh. Dit waren de twee rakʿāt van de ṣalāh aḍ-ḍuḥā en de vier rakʿāt van de ṣalāh al-awwābīn.
Aangezien het volgende hoofdstuk gewijd is aan de ṣalāh aḍ-ḍuḥā, laten wij de uitleg daarvan over aan dat hoofdstuk. Hier zullen wij spreken over de ṣalāh al-awwābīn.
Al-awwāb betekent: “degene die berouw toont en zich tot Allah wendt.” Mensen die, wanneer zij een zonde begaan, zich onmiddellijk tot Allāh wenden, berouw tonen over hun zonden en Hem vervolgens door goede daden gehoorzamen, worden awwāb genoemd.
Het tijdstip van de ṣalāh al-awwābīn is, waarop de zon precies op het hoogste punt staat, wordt de “zawāl-tijd” genoemd. Ongeveer tien minuten na de zawāl begint de tijd van de ṣalāh aẓ ẓuhr.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte de ṣalāh al-awwābīn ongeveer tien minuten vóór de zawāl-tijd, in deze periode die ook wel de “grote ḍuḥā-tijd” wordt genoemd.
In een hadīth waarin an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het tijdstip van de ṣalāh al-awwābīn uitlegde, zei hij: “De ṣalāh van degenen die berouw tonen en zich tot Allah wenden (awwābīn) is wanneer de poten van de jonge kamelen in de woestijn door de hitte verbranden.”
De sunan van de ṣalāh aẓ ẓuhr
De sunan waarover ʿAlī (رضي الله عنه) zei: “Daarnaast verrichtte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vóór de verplichte ṣalāh aẓ ẓuhr vier rakʿāt en erna twee rakʿāt. Ook verrichtte hij vóór de verplichte ṣalāh al-ʿaṣr vier rakʿāt”, zijn de sunan die ook vandaag de dag worden verricht en algemeen bekend zijn.
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte zijn sunnah-ṣalāh meestal thuis. Van de vier rakʿāt sunnah vóór de verplichte ṣalāh aẓ ẓuhr verrichtte hij soms twee rakʿāt thuis en twee rakʿāt in de moskee. Degenen die deze twee rakʿāt in de moskee zagen, zeiden op basis van deze waarneming dat hij vóór de verplichte ṣalāh aẓ ẓuhr twee rakʿāt sunnah verrichtte.
Duʿāʾ at-taḥiyyāt
Laten wij de volgende uitspraak van ʿAlī (رضي الله عنه) uit deze hadīth nogmaals lezen:
“Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zat tijdens de tweede rakʿah van deze ṣalāh voor de tashahhud en verrichtte smeekbeden (adʿiyah) voor de engelen die dicht bij Allah zijn gebracht (al-muqarrabīn), voor de anbiyā en voor de mu'mins en moslims die hen volgen.”
Met deze woorden bedoelde ʿAlī (رضي الله عنه) dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de duʿāʾ van de tashahhud reciteerde. In deze duʿāʾ wordt namelijk met de uitspraak:
السَّلَامُ عَلَيْنَا وَعَلَىٰ عِبَادِ اللَّهِ الصَّالِحِينَ
“As-salāmu ʿalaynā wa-ʿalā ʿibādi llāhi ṣ-ṣāliḥīn”
“De vrede van Allah zij over ons en over de rechtschapen dienaren van Allah”
gesmeekt voor de anbiyā, de engelen en alle mu'mins.
De engelen die al-muqarrabīn worden genoemd, zijn de vier grote engelen – Jibrīl, Mīkāʾīl, Isrāfīl en Engel des Doods – en de acht engelen die de Troon (ʿArsh) dragen (عليهم السلام).
41. HOOFDSTUK: DE ṢALĀH AḌ-ḌUḤĀ VAN RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم)
288. Hadīth
Van Muʿādhah al-ʿAdawiyyah ( رَحِمَهُ اللهُ): Ik vroeg aan ʿĀʾishah (رضي الله عنها): “Verrichtte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh aḍ-ḍuḥā?”
Zij antwoordde: “Ja. Hij verrichtte de ṣalāh aḍ-ḍuḥā soms met vier rakʿāt en soms met meer dan vier rakʿāt; zoveel als Allah wilde dat hij verrichtte.”
ad-Ḍuḥā betekent de tijd van de voormiddag. De ṣalāh die aan het begin van de voormiddagtijd wordt verricht, wordt de ṣalāh al-ishrāq genoemd.
De tijd van de ṣalāh aḍ-ḍuḥā en ṣalāh al-ishrāq begint ook op het tijdstip waarop de ṣalāh al-ʿĪd begint, namelijk ongeveer 45 minuten na zonsopkomst.
De ṣalāh die aan het einde van de voormiddagtijd wordt verricht, wordt de ṣalāh al-awwābīn genoemd. Zoals wij in de uitleg van de vorige hadīth hebben vermeld, wordt de ṣalāh al-awwābīn ongeveer tien minuten vóór de zawāl-tijd verricht. Wanneer de vier rakʿāt van de ṣalāh al-awwābīn zijn verricht, begint vervolgens de zawāl-tijd.
In dit hoofdstuk zullen wij, in shāʾ Allāh, acht ahadith lezen over de ṣalāh aḍ-ḍuḥā. In een gedeelte van deze ahadith zullen wij zien dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), deze ṣalāh met verschillende aantallen rakʿāt verrichtte. Uit andere ahadith zal blijken dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deze ṣalāh niet voortdurend verrichtte.
Het minimale aantal rakʿāt van de ṣalāh aḍ-ḍuḥā is twee. Aan degenen die deze twee rakʿāt niet achterwege laten, gaf an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de volgende blijde boodschap:
“Degene die de twee rakʿāt van de ṣalāh aḍ-ḍuḥā voortdurend verricht, zelfs als zijn zonden zo talrijk zijn als het schuim van de zee, Allah zal ze hem vergeven.”
In een andere hadīth zei hij: “Voor elk gewricht van ieder van jullie is een ṣadaqah vereist.
Daarom is iedere tasbīḥ (het zeggen van subḥān Allāh) een ṣadaqah, iedere taḥmīd (het zeggen van al-ḥamdu lillāh) is een ṣadaqah, iedere tahlīl (het zeggen van lā ilāha illā Allāh) is een ṣadaqah en iedere takbīr (het zeggen van Allāhu akbar) is een ṣadaqah. Het aansporen tot het goede is een ṣadaqah en het weerhouden van het slechte is een ṣadaqah. De twee rakʿāt ṣalāh die de dienaar tijdens de voormiddagtijd verricht, volstaan voor al deze zaken.”
Zoals zal blijken uit de ahadith die wij hieronder zullen lezen, verrichtte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh aḍ-ḍuḥā soms met twee, soms met vier, soms met zes, soms met acht en soms met twaalf rakʿāt. Het zal blijken dat hij deze ṣalāh meestal met vier rakʿāt verrichtte. Er zullen ook ahadith volgen waarin wordt vermeld dat hij deze ṣalāh met zes en acht rakʿāt verrichtte.
De blijde boodschap van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) voor degenen die de ṣalāh aḍ-ḍuḥā met twaalf rakʿāt verrichten, luidt als volgt: “Voor degene die de ṣalāh aḍ-ḍuḥā met twaalf rakʿāt verricht, zal Allāhu (تعالى) in het Paradijs een paleis van goud bouwen.”
289.Hadīth
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte de ṣalāh aḍ-ḍuḥā (soms) met zes rakʿāt.
290.Hadīth
VanʿAbd ar-Raḥmān ibn Abī Laylā ( رَحِمَهُ اللهُ): Geen van de ṣaḥābah die ik heb ontmoet, heeft mij verteld dat hij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh aḍ-ḍuḥā zag verrichten, behalve Ummu Hānī (رضي الله عنها).
Ummu Hānī vertelde dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op de dag van de verovering van Makkah haar huis vereerde met zijn bezoek. Nadat hij de grote wassing (ghusl) had verricht, verrichtte hij acht rakʿāt ṣalāh. Zij zei echter dat zij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nooit de ṣalāh zo snel had zien verrichten. Ondanks deze snelheid verrichtte hij de rukūʿ en de sujūd van deze acht rakʿāt volledig.
Zoals in onze hadīth wordt vermeld, bezocht Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op de dag waarop Makkah werd veroverd Ummu Hānī (رضي الله عنها). Daar verrichtte hij na het uitvoeren van de grote wassing (ghusl) acht rakʿāt ṣalāh.
Volgens de overleveringen van deze hadīth in Ṣaḥīḥ al-Bukhārī en Ṣaḥīḥ Muslim was het echter Ummu Hānī die in het jaar van de verovering van Makkah Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bezocht.
Op dat moment was Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zich aan het wassen en hield zijn dochter Fāṭimah (رضي الله عنها) een gordijn vast om ervoor te zorgen dat zijn gezegende lichaam niet zichtbaar was. Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) klaar was met wassen, nam hij zijn kleding, trok deze aan en verrichtte vervolgens acht rakʿāt ṣalāh aḍ-ḍuḥā.
Volgens de woorden van Ummu Hānī verrichtte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), deze acht rakʿāt in korte tijd. Tegelijkertijd hield hij zich aan taʿdīl al-arkān, dat wil zeggen dat hij de rukūʿ en de sujūd van de ṣalāh volledig en correct uitvoerde. Wanneer mensen de ṣalāh namelijk snel verrichten, voeren zij gewoonlijk de rukūʿ en de sujūd niet volledig uit.
Sommige geleerden hebben gezegd dat de acht rakʿāt die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte geen ṣalāh aḍ-ḍuḥā was, maar ṣalāh van dankbaarheid (ṣalāt ash-shukr) die hij verrichtte vanwege de verovering van Makkah.
291.Hadīth
Van ʿAbdullāh ibn Shaqīq ( رَحِمَهُ اللهُ): Ik vroeg aan ʿĀʾishah (رضي الله عنها): “Verrichtte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh aḍ-ḍuḥā?”
Zij antwoordde: “Nee, hij verrichtte deze alleen wanneer hij van een reis terugkwam.”
Waarschijnlijk werd aan onze moeder ʿĀʾishah (رضي الله عنها) gevraagd of an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh aḍ-ḍuḥā in de moskee verrichtte, of zij begreep de vraag op deze manier. Daarom antwoordde zij: “Nee, hij verrichtte deze alleen wanneer hij van een reis terugkwam.”
De overlevering van Kaʿb ibn Mālik (رضي الله عنه) verduidelijkt dit onderwerp. Hij zei in een hadīth: “An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) keerde altijd overdag terug van een reis tijdens de voormiddagtijd. Bij zijn terugkeer ging hij eerst naar de moskee. Daar verrichtte hij onmiddellijk twee rakʿāt ṣalāh en ging vervolgens zitten.”
Het is uiteraard niet mogelijk dat onze moeder ʿĀʾishah op de vraag van ʿAbdullāh ibn Shaqīq: “Verrichtte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh aḍ-ḍuḥā?” zou hebben geantwoord: “Nee, hij verrichtte deze niet.”
Zoals vermeld in hadīth 288 vroeg de tābiʿī-muhaddith Muʿādhah al-ʿAdawiyyah haar namelijk: “Verrichtte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh aḍ-ḍuḥā?”
Zij antwoordde: “Ja, hij verrichtte de ṣalāh aḍ-ḍuḥā soms met vier rakʿāt en soms met meer dan vier rakʿāt; zoveel als Allah wilde dat hij verrichtte.”
Onze moeder ʿĀʾishah legde uit dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), de ṣalāh aḍ-ḍuḥā niet voortdurend en ook niet gezamenlijk met anderen verrichtte.
Zij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte de ṣalāh aḍ-ḍuḥā nooit voortdurend; maar ik verricht deze zelf wel voortdurend.”
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verbleef na de ṣalāh aṣ-ṣubḥ/fajr tot aan de voormiddagtijd tussen de ṣaḥābah. Daarom kan het zijn dat onze moeder ʿĀʾishah (رضي الله عنها) an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh aḍ-ḍuḥā niet zag verrichten. Het is mogelijk dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh aḍ-ḍuḥā die hij af en toe verrichtte, verrichtte wanneer hij bij een van zijn andere echtgenotes was.
Wanneer ʿĀʾishah in deze hadīth zegt: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte de ṣalāh aḍ-ḍuḥā soms met vier rakʿāt en soms met meer dan vier rakʿāt; zoveel als Allah wilde dat hij verrichtte”, kan het zijn dat zij deze informatie van andere ṣaḥābah heeft gehoord.
292.Hadīth
Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه): “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte de ṣalāh aḍ-ḍuḥā soms voordurend (onafgebroken gedurende een bepaalde periode) en soms regelmatig (op andere momenten achterwege).”
Op basis daarvan zeiden wij: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zal de ṣalāh aḍ-ḍuḥā vanaf nu nooit meer achterwege laten.”
Soms verrichtte hij de ṣalāh aḍ-ḍuḥā echter niet. Dan zeiden wij: “Het lijkt erop dat de Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh aḍ-ḍuḥā niet meer verricht.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vertelde dat het verrichten van de ṣalāh aḍ-ḍuḥā een grote beloning oplevert. Uit deze hadīth leren wij echter dat hij deze ṣalāh soms dagenlang regelmatig verrichtte en soms ook dagenlang achterwege liet.
Hoewel hij zei dat de ṣalāh aḍ-ḍuḥā een grote beloning oplevert, waarom verrichtte hij deze ṣalāh dan niet voortdurend? De reden hiervoor is dat sommige moslims, wanneer zij zouden zien dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh aḍ-ḍuḥā nooit achterwege liet, zouden kunnen denken dat deze verplicht (farḍ) was.
Het zou uiteraard een vergissing zijn wanneer mensen die niet wisten dat de ṣalāh aḍ-ḍuḥā niet verplicht was, door het voortdurende handelen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zouden aannemen dat deze verplicht was.
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) toonde deze voorzichtigheid en zorgvuldigheid ook in vele andere zaken. De reden waarom hij de ṣalāh at-tarāwīḥ niet voortdurend gezamenlijk met de gemeenschap verrichtte, was dezelfde.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) legde in een hadīth uit hoe belangrijk de ṣalāh aḍ-ḍuḥā als aanbidding is, aan de hand van het volgende voorbeeld: Elke moslim dient voor ieder gewricht in zijn lichaam een ṣadaqah te geven om Allah te danken.
Ṣadaqah bestaat niet alleen uit het geven van geld. Sommige vormen van dhikr gelden ook als ṣadaqah. Bijvoorbeeld:
Het zeggen van “Subḥān Allāh” is een ṣadaqah.
Het zeggen van “Al-ḥamdu lillāh” is een ṣadaqah.
Het zeggen van “Lā ilāha illā Allāh” is een ṣadaqah.
Het zeggen van “Allāhu akbar” is een ṣadaqah.
Ook het aansporen tot het goede en het weerhouden van het slechte is een ṣadaqah.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) eindigde zijn woorden als volgt: “De twee rakʿāt ṣalāh (aḍ-ḍuḥā) die de dienaar tijdens de voormiddagtijd verricht, volstaan voor al deze zaken.”
Dit komt doordat tijdens het staan (qiyām), de rukūʿ en de sujūd van de ṣalāh alle 360 gewrichten in het lichaam in beweging komen. Daarom heeft degene die twee rakʿāt van de ṣalāh aḍ-ḍuḥā verricht Allah op de mooiste wijze gedankt.
293.Hadīth
Van Abū Ayyūb al-Anṣārī (رضي الله عنه): Het was de gewoonte van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) om na de zawāl-tijd (het moment waarop de zon haar hoogste punt aan de hemel heeft bereikt) vier rakʿāt ṣalāh te verrichten.
Op een dag vroeg ik hem: “O Rasûlullāh! Wat is de wijsheid achter het feit dat u deze vier rakʿāt na de zawāl-tijd altijd verricht?”
Hij antwoordde mij: “Direct na de zawāl-tijd worden de poorten van de hemel geopend en zij blijven geopend totdat de ṣalāh aẓ-ẓuhr is verricht. Daarom verricht ik deze ṣalāh, omdat ik wens dat een goede daad die ik op dat tijdstip verricht, naar de hemel opstijgt (en voor Allah wordt gebracht).”
Daarop vroeg ik aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Moet men in elk van deze vier rakʿāt na Fātiḥah nog een aanvullende sūrah reciteren?”
Hij antwoordde: “Ja, dat moet.”
Vervolgens vroeg ik opnieuw: “Kunnen deze vier rakʿāt worden verricht door na elke twee rakʿāt de salām te geven?”
Hij antwoordde: “Nee, men geeft niet na elke twee rakʿāt de salām. Men dient de vier rakʿāt gezamenlijk te verrichten en pas aan het einde de salām te geven.”
294. Hadīth
Imām at-Tirmidhī heeft deze overleveringsketen vermeld ter ondersteuning van hadīth 295.
Het verschil tussen deze overleveringsketen en de vorige is dat hier, in plaats van Hushaym ibn Bashīr uit de eerste overleveringsketen, Abū Muʿāwiyah wordt genoemd, die in hadīth 86 is geïntroduceerd. Hoewel deze twee overleveringen dezelfde betekenis hebben, verschillen hun bewoordingen.
295. Hadīth
Van ʿAbdullāh ibn as-Sāʾib (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte na de zawāl-tijd en vóór de verplichte ṣalāh aẓ ẓuhr vier rakʿāt ṣalāh en zei: “Dit is een tijd waarin de poorten van de hemel worden geopend. Ik wens dat een goede daad die ik op dat moment verricht, Allah bereikt.”
Er zijn drie tijden waarin het verrichten van ṣalāh als makrūh wordt beschouwd. Dit zijn de momenten waarop de zon opkomt, wanneer zij precies op haar hoogste punt staat en wanneer zij ondergaat. Onze hadīth spreekt over één van deze drie tijden: de zawāl-tijd, het moment waarop de zon precies op haar hoogste punt staat.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte na de zawāl-tijd en vóór de verplichte ṣalāh aẓ ẓuhr vier rakʿāt ṣalāh. Sommige geleerden hebben gezegd dat de naam van deze vier rakʿāt ṣalāh die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) na de zawāl-tijd verrichtte, “ṣalāh az-zawāl” is.
Andere geleerden hebben gezegd dat deze vier rakʿāt ṣalāh die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) na de zawāl-tijd en vóór de verplichte ṣalāh aẓ ẓuhr verrichtte, de eerste sunnah van de ṣalāh aẓ ẓuhr was. Volgens de overlevering van onze moeder ʿĀʾishah (رضي الله عنها) liet an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deze vier rakʿāt vóór de verplichte ṣalāh aẓ ẓuhr nooit achterwege.
In onze hadīth wordt vermeld dat na de zawāl-tijd de poorten van de hemel worden geopend. “Het openen van de poorten van de hemel” betekent dat de barmhartigheid van Allah als het ware overvloedig neerdaalt. Zoals wij in hadīth 293 hebben gezien, zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dat deze gezegende tijd voortduurt “totdat de ṣalāh aẓ ẓuhr wordt verricht”.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zegt dat hij wenst “dat een goede daad die hij op dat tijdstip verricht voor Allah wordt gebracht”. Hiermee bedoelt hij dat hij wenst dat een aanbidding die hij verricht op het moment waarop de poorten van de hemel geopend zijn, wordt aanvaard en opstijgt naar de plaats van ʿilliyyīn (de hoogste en meest verheven plaats) waar de smeekbeden worden aanvaard (en het daden-register van de rechtvaardigen worden bewaard).
Zoals wij uit hadīth 293 hebben geleerd, vroeg Abū Ayyūb al-Anṣārī (رضي الله عنه) aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Moet men in elk van deze vier rakʿāt na Fātiḥah nog een aanvullende sūrah reciteren?” Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf aan dat dit noodzakelijk was.
In de volgende hadīth, hadīth 296, zal blijken dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deze vier rakʿāt sunnah van de ṣalāh aẓ ẓuhr verrichtte door lange verzen te reciteren.
Volgens de Ḥanafī-geleerden is het namelijk wājib om in elk van deze vier rakʿāt na Fātiḥah nog een aanvullende sūrah te reciteren of andere verzen uit de Qurʾān al-Karīm te lezen.
Daarop vroeg Abū Ayyūb al-Anṣārī opnieuw: “Kunnen deze vier rakʿāt ṣalāh worden verricht door na elke twee rakʿāt de salām te geven?”
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) antwoordde dat deze niet op deze manier verricht moesten worden, maar dat men de vier rakʿāt gezamenlijk verricht en daarna de salām geeft.
De meerderheid van de grote Ḥanafī-geleerden heeft gezegd dat het overdag verrichten van ṣalāh met vier rakʿāt en het geven van de salām aan het einde van deze vier rakʿāt meer de voorkeur verdient. Voor de nachtelijke ṣalāh wordt het echter als meer verdienstelijk beschouwd om deze in gedeelten van twee rakʿāt te verrichten.
(Abū as-Sāʾib, ook bekend als Abū ʿAbdir-Raḥmān ʿAbdullāh ibn as-Sāʾib al-Makhzūmī (رضي الله عنه), overleden in 60 AH./680 CE, was afkomstig uit Makkah. Zowel hij als zijn vader, as-Sāʾib ibn Abī as-Sāʾib (رضي الله عنهما), behoorden tot de ṣaḥābah. Zijn vader was een handelspartner van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
ʿAbdullāh ibn as-Sāʾib stond bekend om zijn fraaie recitatie van de Edele Qur'ān en om het onderwijzen van de Qur'ān aan de inwoners van Makkah.)
296. Hadīth
Van ʿĀṣim ibn Ḍamrah: ʿAlī (رضي الله عنه) verrichtte vier rakʿāt ṣalāh vóór de verplichte ṣalāh aẓ ẓuhr.
Hij zei ook dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deze vier rakʿāt sunnah onmiddellijk na de zawāl-tijd verrichtte en daarbij lange āyāt reciteerde.
42. HOOFDSTUK: HET THUIS VERRICHTEN VAN DE VRIJWILLIGE ṢALĀH VAN DOOR RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم)
297 .Hadīth
Van ʿAbdullāh ibn Saʿd (رضي الله عنه): Ik vroeg aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Is de ṣalāh die ik thuis verricht of de ṣalāh die ik in de moskee verricht verdienstelijker?”
Hij antwoordde mij: “Je ziet hoe dicht mijn huis bij de moskee ligt. Ondanks dat geef ik er de voorkeur aan om de vrijwillige ṣalāh, behalve de verplichte ṣalāh, thuis te verrichten in plaats van in de moskee.”
ʿAbdullāh ibn Saʿd (رضي الله عنه) vroeg aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Is het verdienstelijker om de vrijwillige ṣalāh thuis te verrichten of in de moskee?”
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) antwoordde hem dat hij zijn vrijwillige ṣalāh thuis verrichtte, hoewel zijn huis direct naast de Masjid an-Nabawī lag. Hij maakte echter duidelijk dat de verplichte ṣalāh beslist in de moskee, gezamenlijk met de gemeenschap, verricht moest worden.
Na een ṣalāh at-tarāwīḥ sprak Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn ṣaḥābah als volgt toe: “Ik waardeer de aanbidding (ṣalāh) die ik jullie zie verrichtten. O mensen! Verricht deze vrijwillige ṣalāh toch thuis. Want de meest verdienstelijke aanbidding (ṣalāh) die een mens verricht, buiten de verplichte ṣalāh waarvoor hij met de gemeenschap moet verrichten, is de ṣalāh die hij thuis verricht.”
Om twee redenen is de vrijwillige ṣalāh die thuis wordt verricht verdienstelijker dan de vrijwillige ṣalāh die in de moskee wordt verricht. Een van deze redenen is dat de vrijwillige ṣalāh die in de moskee wordt verricht door anderen gezien kan worden, waardoor de mogelijkheid bestaat dat er riyāʾ (doen om door mensen gezien en geprezen te worden) in deze mooie aanbidding binnendringt. De vrijwillige ṣalāh die thuis wordt verricht, buiten het zicht van anderen, wordt daarentegen niet vermengd met riyāʾ en vertoon.
De tweede zaak die het verrichten van de vrijwillige ṣalāh thuis verdienstelijker maakt, is dat het huis waarin ṣalāh wordt verricht meer vervuld van licht dan een huis waarin geen ṣalāh wordt verricht. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft namelijk gezegd: “Het verrichten van ṣalāh door een persoon in zijn eigen huis is een nūr (licht); maak daarom jullie huizen ook verlicht.”
Volgens an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) betekent het niet verrichten van ṣalāh thuis dat men zijn huis als het ware verandert in een begraafplaats. Degenen die wonen in een huis waarin geen ṣalāh wordt verricht en geen Qurʾān wordt gereciteerd, verschillen dan nauwelijks van de doden. Daarom heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), deze situatie in een hadīth als volgt beschreven: “Verricht zeker een gedeelte van jullie ṣalāh in jullie huizen! Maak jullie huizen niet tot graven.”
Dat er in een huis ṣalāh wordt verricht en de Qurʾān wordt gereciteerd, is zowel voor dat huis als voor de bewoners ervan een bron van barakah. In een huis waarin ṣalāh wordt verricht en de Qurʾān wordt gereciteerd, dalen de engelen neer; de shayṭān vlucht daarentegen weg van zulke huizen.
De verplichte ṣalāh moet beslist in de moskee, gezamenlijk met andere moslims in de gemeenschap, worden verricht. Want het verrichten van de ṣalāh in de moskee met de gemeenschap betekent dat aan de hele wereld wordt verkondigd dat die stad een islamitische stad is en dat de inwoners van die plaats moslims zijn. Met andere woorden: het verrichten van de ṣalāh in de moskee behoort tot de shaʿāʾir al-Islām (de zichtbare kenmerken en symbolen van de Islām).
43. HOOFDSTUK: DE VASTEN-AANBIDDING VAN RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم)
298. Hadīth
Van ʿAbdullāh ibn Shaqīq ( رَحِمَهُ اللهُ): Ik vroeg aan ʿĀʾishah (رضي الله عنها) hoeveel vrijwillige vasten heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verricht.
Zij zei: “Soms vastte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zoveel dat wij dachten dat hij die maand helemaal niet zou stoppen met vasten. Soms onderbrak hij vasten zo lang dat wij dachten dat hij die maand helemaal niet meer zou vasten.
Daarna vervolgde ʿĀʾishah: “Nadat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar Madīnah was gekomen, heeft hij buiten de maand Ramaḍān geen enkele maand volledig gevast.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), vastte in sommige maanden vele dagen achter elkaar. De ṣaḥābah die dit zagen, zeiden onder elkaar: “Het lijkt erop dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deze maand zonder onderbreking zal vasten.”
Wanneer zij zagen dat hij in sommige maanden helemaal niet vastte, zeiden zij: “Waarschijnlijk zal hij deze maand helemaal niet vasten.”
Volgens de woorden van onze moeder ʿĀʾishah vastte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nadat hij naar Madīnah was gekomen alleen de volledige maand Ramaḍān. Hij bracht de andere maanden niet volledig door met vrijwillig vasten. Met andere woorden: an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vastte niet een volledige maand buiten Ramaḍān, maar soms een week van een maand, soms vijftien of twintig dagen.
299. Hadīth
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Hij werd gevraagd hoe vaak Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vrijwillig vastte.
Hij antwoordde: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vastte in sommige maanden zoveel dat wij zeiden: ‘Het lijkt erop dat hij deze maand elke dag zal vasten.’
In sommige maanden vastte hij echter niet, en dan zeiden wij: ‘Waarschijnlijk zal hij deze maand helemaal niet vasten.’
Als je an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op een nacht wilde zien terwijl hij niet de ṣalāh verrichtte maar sliep, dan zou je hem juist de ṣalāh zien verrichten. En als je hem op een andere nacht niet slapend maar juist tijdens de ṣalāh wilde zien, dan zou je hem deze keer slapend aantreffen.”
Allāhu (تعالى) heeft van Zijn dienaren verlangd dat zij een gedeelte van de nacht slapen en rusten en een ander gedeelte opstaan voor aanbidding. Hij heeft echter geen vaste tijd bepaald voor de aanbidding in de nacht.
Daarom koos Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) geen vaste tijd om ’s nachts te aanbidden en ook geen vaste tijd om te slapen. Wanneer hij de behoefte voelde om aanbidding te verrichten, verrichtte hij aanbidding; en wanneer hij wilde slapen, sliep hij.
Met andere woorden: sommige nachten stond hij in het eerste gedeelte van de nacht op en verrichtte hij de ṣalāh at-tahajjud, sommige nachten in het middelste gedeelte en sommige nachten in het laatste gedeelte van de nacht. Op deze manier verrichtte hij aanbidding op elk tijdstip van de nacht. Zijn slaap was daar ook op afgestemd. Op een nacht sliep hij op het tijdstip waarop hij een andere nacht de ṣalāh verrichtte. En op een nacht verrichtte hij de ṣalāh op het tijdstip waarop hij een andere nacht sliep.
Daarom kon niemand hem aantreffen op de manier waarop hij het verwachtte of wenste.
Deze situatie gold ook voor de verplichte ṣalāh. De verplichte ṣalāh verrichtte hij op sommige dagen aan het begin van de voorgeschreven tijd en op andere dagen aan het einde van de voorgeschreven tijd.
Ook de vrijwillige vastendagen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) waren op deze manier. Hij vastte op sommige dagen van een maand en op andere dagen niet. Zo omvatte zijn vasten, net als zijn nachtelijke aanbidding, verschillende tijden.
Allāhu (تعالى) heeft de gezegende maand Ramaḍān namelijk ook over de vier seizoenen verspreid. Op deze manier heeft Hij de verschillende tijden van elk jaar en daarmee het leven van de mens vereerd met de zegeningen van deze gezegende maand.
300. Hadīth
Van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما): “An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vastte in sommige maanden zoveel dat wij zeiden: ‘Hij zal deze maand elke dag vasten.’
In sommige maanden vastte hij echter helemaal niet, en dan zeiden wij: ‘Hij zal deze maand helemaal niet vasten.’
Sinds de dag dat hij Madīnah heeft vereerd met zijn komst, heeft hij buiten de maand Ramaḍān geen enkele maand volledig van het begin tot het einde gevast.
301.Hadīth
Van Ummu Salamah رضي الله عنها: Ik heb Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), behalve in de maanden sha`bān en ramaḍān, nooit twee opeenvolgende maanden zien vasten.
Imām Tirmiḏī heeft deze hadīth als volgt beoordeeld: “De overleveringsketen van deze door Ummu Salamah(رضي الله عنها) overgeleverde hadīth is authentiek.
………………………..
Op het eerste gezicht zou uit deze hadīth kunnen worden afgeleid dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de maanden ramaḍān en sha`bān volledig vastend doorbracht. In de ahadith nrs. 298 en 300 is echter vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), behalve in de maand ramaḍān, geen enkele maand volledig vastte.
Tussen deze ahadith bestaat geen enkele tegenstrijdigheid. Ummu Salamah(رضي الله عنها) bedoelde dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de gehele maand ramaḍān en het grootste deel van de maand sha`bān vastte. Daarom sprak zij alsof hij beide maanden volledig vastend had doorgebracht.
Imām Tirmiḏī heeft deze kwestie in zijn beroemde werk as-Sunan nader toegelicht.
Volgens hem verklaarde de beroemde muḥaddith en faqīh ʿAbdullāh ibn al-Mubārak dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het grootste deel van de maand sha`bān vastte. Volgens deze grote geleerde van Turkse afkomst zeggen de Arabieren van iemand die gedurende het merendeel van een maand vast, dat hij de hele maand heeft gevast.
Dit kan met het volgende voorbeeld worden verduidelijkt: Wanneer iemand zegt: “Die persoon heeft de hele nacht de ṣalāh verricht,” betekent dit niet dat hij zonder enige onderbreking de gehele nacht in de ṣalāh heeft doorgebracht. Dit is namelijk een vorm van beeldspraak. Die persoon heeft gedurende de nacht wellicht af en toe iets gegeten, zijn wuḍūʾ vernieuwd of korte tijd met iemand gesproken. Toch vormt dit geen belemmering om te zeggen: “Hij heeft de hele nacht de ṣalāh verricht.”
Onze moeder ʿĀʾishah (رضي الله عنها) beschreef dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) na de maand ramaḍān het meest vastte in de maand sha`bān, met de woorden: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vastte in de maand sha`bān meer dan in welke andere maand van het jaar ook.”
In de volgende hadīth wordt dit onderwerp verder behandeld.
302. Hadīth
Van ʿĀʾishah رضي الله عنها: Ik heb Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in geen enkele maand zoveel zien vasten als in de maand sha`bān. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bracht de maand sha`bān vrijwel geheel vastend door.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vastte iedere maand vrijwillige vasten, maar in de maand sha`bān vastte hij meer dan in alle andere maanden. In deze maand waren de dagen waarop hij niet vastte zeer gering in aantal. Daarom dachten de saḥābah dat hij de maand sha`bān volledig vastend doorbracht.
Waarom is het vasten in de maand sha`bān zo bijzonder?
Dat vernemen wij van Usāmah ibn Zayd (رضي الله عنهما), die bekendstond als de geliefde van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
Usāmah (رضي الله عنه ) vertelde: “Ik vroeg aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): 'O Rasûlullāh! Ik heb u in geen enkele maand zoveel zien vasten als in de maand sha`bān. Wat is daarvan de reden?'
Hij antwoordde: “Shaʿbān is een maand die tussen rajab en ramaḍān ligt en waaraan veel mensen onvoldoende aandacht schenken. In deze maand worden de daden van de dienaren aan de Rab der Werelden voorgelegd. Daarom wens ik dat mijn daden worden voorgelegd terwijl ik vast.”
Een andere reden waarom de maand sha`bān deze bijzondere waarde heeft, is dat zij direct voorafgaat aan de maand ramaḍān en de moslims voorbereidt op deze gezegende maand.
303. Hadīth
Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه ): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vastte iedere maand de eerste drie dagen.
Het kwam zelden voor dat hij een vrijdag niet vastte.
In deze hadīth worden twee onderwerpen behandeld.
Het eerste onderwerp is dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de eerste drie dagen van iedere maand vastte.
Het tweede onderwerp is dat hij de vrijdagen meestal vastend doorbracht.
Allāhu (تعالى) heeft over de beloning voor goede daden gezegd:
مَن جَآءَ بِٱلۡحَسَنَةِ فَلَهُۥ عَشۡرُ أَمۡثَالِهَاۖ وَمَن جَآءَ بِٱلسَّيِّئَةِ فَلَا يُجۡزَىٰٓ إِلَّا مِثۡلَهَا وَهُمۡ لَا يُظۡلَمُونَ ١٦٠
Iedereen die een goede daad verricht zal tien maal daarvan de prijs krijgen en iedereen die een slechte daad verricht zal slechts de vergelding van het gelijkwaardige krijgen en hen zal geen onrecht aangedaan worden. (Anʿām, 6:160)
Een maand telt 29 of 30 dagen. Wie daarom aan het begin van iedere maand drie dagen vast, ontvangt de beloning alsof hij de gehele maand heeft gevast.
Een tienvoudige beloning is de minimale beloning voor een goede daad. Dat de beloning nog veel groter kan zijn, blijkt uit de volgende uitspraak van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم):
“Wanneer iemand voornemens is een goede daad te verrichten en deze vervolgens verricht, dan laat Allāhu (تعالى) die goede daad opschrijven met een beloning die begint bij het tienvoudige en kan oplopen tot zevenhonderdvoudig, ja zelfs nog vele malen meer.”
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei in een hadīth: “Wie iedere maand drie dagen vast, is alsof hij het gehele jaar heeft gevast.”
Volgens ʿĀʾishah (رضي الله عنها) had Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) voor deze drie vrijwillige vasten geen vaste dagen aangewezen. Volgens deze uitleg kan degene die deze vastenperiode wil vasten, dit doen op de dag die hij zelf wenst.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) adviseerde ook Abū Ḏar al-Ġifārī (رضي الله عنه) om iedere maand drie dagen te vasten. Daarbij wees hij hem specifiek de volgende dagen aan:
“O Abū Ḏar! Als je iedere maand drie dagen wilt vasten, vast dan op de dertiende, veertiende en vijftiende dag van de maand.”
Deze drie dagen, die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aan Abū Ḏar aanbeval, worden ayyām al-bīḍ genoemd, wat “de witte dagen” betekent.
Volgens Ibn ʿAbbās رضي الله عنهما liet onze geliefde Nabī (صلى الله عليه وسلم) deze drie vastendagen nooit voorbijgaan, noch wanneer hij thuis was, noch wanneer hij op reis was.
Met de in de hadīth genoemde “dertiende, veertiende en vijftiende dag van iedere maand” worden de dagen van de islamitische maanmaanden bedoeld.
Dan komen wij nu bij de vraag of het toegestaan is om op vrijdag te vasten.
Sommige geleerden beschouwden het als een goede gewoonte om uitsluitend op vrijdag te vasten, terwijl anderen dit als makrūh beschouwden. Tot de twee vooraanstaande geleerden die het vasten op uitsluitend vrijdag als een goede gewoonte zagen, behoren Imām Abū Ḥanīfah en Imām Mālik.
Imām Mālik zei: “Ik heb nooit meegemaakt dat een geleerde, een faqīh of iemand wiens oordeel betrouwbaar is en die door anderen wordt gevolgd, vasten op vrijdag heeft verboden. Integendeel, vasten op vrijdag is een goede gewoonte. Ik heb zelfs geleerden gekend die op vrijdag vastten; zij zagen er als het ware reikhalzend naar uit om op vrijdag te kunnen vasten.”
De meerderheid van de Shāfiʿitische geleerden beschouwde het als makrūh om uitsluitend op vrijdag te vasten. Zij baseerden zich daarbij op de volgende hadīth: Van Abū Hurayrah رضي الله عنه: Rasûlullāh zei: “Laat niemand van jullie uitsluitend op vrijdag vasten. Vast er een dag vóór of een dag ná.”
Ook de volgende hadīth maakt duidelijk dat men niet uitsluitend op vrijdag dient te vasten, maar deze dient te combineren met de voorafgaande of de daaropvolgende dag.
Op een dag bezocht Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de Moeder der Muʾmins, Juwayriyyah bint al-Ḥāriṯ (رضي الله عنها)
Toen hij zag dat zij vastte, vroeg hij: “Heb je gisteren ook gevast?”
Zij antwoordde: “Nee.”
Daarop vroeg hij: “Ben je van plan morgen te vasten?”
Toen zij antwoordde: “Nee, ” zei hij: “Verbreek dan je vasten.”
Verder heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ons geleerd dat vrijdag de feestdag van de moslims is. Op een feestdag is het niet passend om te vasten.
Hij zei: “Vrijdag is een feestdag. Breng jullie feestdag daarom niet vastend door. Willen jullie toch op die dag vasten, voeg er dan een dag vóór of een dag ná aan toe.”
ʿAlī (رضي الله عنه ) verduidelijkte deze hadīth met de woorden: “Vrijdag is een dag van eten, drinken en het gedenken van Allāh.”
Op vrijdag eet en drinkt men, zodat men voldoende kracht heeft om Allah (تعالى) te gedenken. Op die dag verricht men immers de grote wassing (ghusl), reinigt men zich, begeeft men zich vroeg naar de moskee voor de vrijdagṣalāh en luistert men aandachtig naar de khuṭbah. Om deze verplichtingen en aanbevolen handelingen met toewijding, opgewektheid en voldoende energie te kunnen verrichten, eet en drinkt men op vrijdag.
304. Hadīth
Van ʿĀʾishah رضي الله عنها: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) besteedde er bijzondere zorg aan om op maandag en donderdag te vasten.
305. Hadīth
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه ): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “De daden van de dienaren worden op maandag en donderdag aan Allāhu (تعالى) voorgelegd. Ik wil graag dat mijn daden aan Allāhu (تعالى) worden voorgelegd terwijl ik vast. Daarom besteed ik er bijzondere zorg aan om op die dagen te vasten.”
In de voorgaande hadīth lazen wij dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) er bijzondere zorg aan besteedde om op maandag en donderdag te vasten. In deze hadīth vernemen wij waarom hij juist aan het vasten op deze beide dagen zoveel waarde hechtte.
Laten wij eerst stilstaan bij de wijsheid van de vasten op maandag.
Op een keer vroegen saḥābah aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar de verdienste van het vasten op maandag.
Hij antwoordde: “Dat is de dag waarop ik ben geboren en waarop ik als an-Nabī ben gezonden.”
Voor ons, de ummah van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم), is de dag waarop an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de wereld met zijn komst heeft geëerd van bijzondere betekenis. Eveneens is de dag waarop de eerste openbaring neerdaalde en met haar verheven licht de duisternis van de wereld verdreef, voor ons van grote waarde.
Op een andere dag vroegen de saḥābah رضي الله عنهم: “O Rasûlullāh! U vast vaak op maandag en donderdag. Wat is daarvan de reden?”
Daarop antwoordde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Allāhu (تعالى) vergeeft op maandag en donderdag iedere moslim die op die dagen vast. Behalve degenen die onderling met elkaar op gespannen voet zijn. Over hen zegt Allāhu (تعالى) tegen de engelen: “Wis hun zonden niet uit totdat zij zich met elkaar hebben verzoend.”
Onze daden worden op verschillende momenten aan de Rab van de Werelden voorgelegd.
Zo worden onze daden:
iedere dag, 's morgens en 's avonds, uitvoerig aan onze Rab voorgelegd;
vervolgens tweemaal per week, op maandag en donderdag, in beknopte vorm aan de Rab der Werelden gepresenteerd;
en eenmaal per jaar, in de nacht van de vijftiende van de maand sha`bān, de nacht die bekendstaat als Laylat al-Barāʾah en in Laylat al-Qadr, gezamenlijk aan Allāhu (تعالى) voorgelegd.
Uiteraard ziet en weet onze Rab op ieder moment alles wat wij doen. Hij heeft het voorleggen van onze daden geenszins nodig.
وَإِذۡ قَالَ رَبُّكَ لِلۡمَلَٰٓئِكَةِ إِنِّي جَاعِلٞ فِي ٱلۡأَرۡضِ خَلِيفَةٗۖ قَالُوٓاْ أَتَجۡعَلُ فِيهَا مَن يُفۡسِدُ فِيهَا وَيَسۡفِكُ ٱلدِّمَآءَ وَنَحۡنُ نُسَبِّحُ بِحَمۡدِكَ وَنُقَدِّسُ لَكَۖ قَالَ إِنِّيٓ أَعۡلَمُ مَا لَا تَعۡلَمُونَ ٣٠
En (gedenk) toen jullie Heer tegen de Engelen zei: “Ik zal op de aarde een gevolmachtigde aanstellen.” Zij zeiden: “Zult U daar iemand plaatsen die misdaden pleegt en bloed laat vloeien terwijl wij U verheerlijken, U prijzen en danken en U heiligen?” Hij (Allah) zei: “Voorwaar, Ik weet wat jullie niet weten.” (Baqarah, 2:30)
Hiermee maakte Hij duidelijk dat de mens Hem behoort te aanbidden. Daarom achtte de Rabb der Werelden het passend dat de daden van Zijn dienaren aan de engelen worden voorgelegd, zodat Hij hun de aanbidding van Zijn dienaren toont.
306. Hadīth
Van ʿĀʾishah رضي الله عنها: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vastte de ene maand op zaterdag, zondag en maandag, en de daaropvolgende maand op dinsdag, woensdag en donderdag.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vastte de ene maand op zaterdag, zondag en maandag, en de daaropvolgende maand op dinsdag, woensdag en donderdag. Met deze praktijk liet Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn ummah zien dat het toegestaan is om op iedere dag van de week te vasten.
Men zou zich kunnen afvragen waarom Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) niet iedere dag vastte, maar de ene maand alleen op zaterdag, zondag en maandag en de volgende maand op dinsdag, woensdag en donderdag.
Als hij dat had gewild, had hij iedere dag kunnen vasten. Dankzij zijn sterke gestel zou hem dat zonder moeite zijn afgegaan.
Maar zoals altijd hield hij rekening met zijn ummah. Hij wist dat zijn ummah hem als voorbeeld zou nemen en nam daarom in overweging dat een dergelijk voortdurende vastenpraktijk voor hen te zwaar zou zijn.
De reden waarom hij niet uitsluitend op vrijdag vastte, is, zoals in de 303e hadīth is uitgelegd; hij beschouwde deze dag als de feestdag van de moslims en het daarom niet passend vond om die dag afzonderlijk vastend door te brengen.
307. Hadīth
Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vastte in geen enkele maand zoveel als in de maand sha`bān.
308. Hadīth
Van Muʿāḏah al-ʿAdawiyyah ( رَحِمَهُ اللهُ): Ik vroeg aan ʿĀʾishah (رضي الله عنها): “Was het de gewoonte van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) om iedere maand drie dagen te vasten?”
Zij antwoordde: “'Ja.”
Daarop vroeg ik opnieuw: “Op welke dagen van de maand placht Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) te vasten?”
ʿĀʾishah(رضي الله عنها) antwoordde: “Hij hield zich daarbij niet aan een vaste volgorde; hij vastte wanneer hij dat wenste.”
………….
Muʿāḏah al-ʿAdawiyyah ( رَحِمَهُ اللهُ), die deze vraag aan ʿĀʾishah (رضي الله عنها) stelde, behoorde tot haar leerlingen. De geleerden onder de tābiʿīn stelden de Moeders der Muʾmins dergelijke vragen om an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) beter te leren kennen.
Muʿāḏah vroeg aan onze moeder ʿĀʾishah: “Was het de gewoonte van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) om iedere maand drie dagen te vasten?”
Toen zij daarop antwoordde: “Ja.”
Toen stelde zij een tweede vraag: “Vastte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deze drie dagen aan het begin, in het midden of aan het einde van de maand?”
ʿĀʾishah antwoordde dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zich niet aan een vaste volgorde hield, maar vastte wanneer hij dat wenste.
De reden waarom Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deze drie vastendagen niet steeds op vaste dagen, maar telkens op verschillende dagen van de maand hield, was de volgende reden:
Als hij deze vastendagen steeds op dezelfde dagen had gehouden, had zijn ummah kunnen denken dat juist die dagen verplicht waren om te vasten. Daarom vastte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deze drie dagen niet op vaste tijdstippen, maar op wisselende dagen, zodat niemand zou denken dat dit verplicht was.
Wie de sunnah van de vasten van drie dagen per maand wil volgen, kan deze drie dagen daarom op elke gewenste dag van de maand vasten.
Voor degenen die deze drie vastendagen toch op vaste dagen willen houden, hebben de geleerden een aanbeveling gedaan. Zij zagen dat vooraanstaande saḥābah, zoals ʿUmar, ʿAbdullāh ibn Masʿūd en Abū Ḏarr al-Ghifārī (رضي الله عنهم) gewoon waren te vasten op de zogenoemde ayyām al-bīḍ: de dertiende, veertiende en vijftiende dag van iedere islamitische maanmaand. Daarom beschouwden zij het als verdienstelijker om de drie vastendagen op deze dagen te verrichten.
In hadīth 303 hebben wij gelezen dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de eerste drie dagen van iedere islamitische maanmaand vastte. Wie de sunnah van het vasten van drie dagen per maand wil volgen, kan deze drie vastendagen ook op die wijze onderhouden.
309. Hadīth
Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): ʿĀshūrāʾ was een dag waarop de Quraysh-stam in de tijd van de Jāhiliyyah placht te vasten. Ook Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vastte op die dag.
Toen hij naar al-Madīnah was geëmigreerd, bleef hij op de dag van ʿĀshūrāʾ vasten en gebood hij ook zijn ṣaḥābah op om die dag te vasten. Toen echter de vasten van Ramaḍān verplicht werd gesteld, bleef alleen de verplichte vasten van Ramaḍān over. Daarom werd de vasten van ʿĀshūrāʾ niet langer verplicht. Vanaf dat moment kon wie wilde op de dag van ʿĀshūrāʾ vasten en wie wilde het nalaten.”
De dag van ʿĀshūrāʾ is de tiende dag van de maand muḥarram. Het woord ʿāshūrāʾ betekent immers ‘tien’. In de tijd van de Jāhiliyyah, vóórdat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn profeetschap ontving, vastte de Quraysh-stam op deze dag, mogelijk onder invloed van de Ahl al-Kitāb (joden en de christenen).
Over de reden waarom men op de dag van ʿĀshūrāʾ vastte, bestaan twee belangrijke opvattingen.
Volgens de eerste mening werden Mūsā (عليه السلام) en zijn volk op die dag bevrijd van de onderdrukking van Firʿawn.
Volgens de tweede mening liep de ark van Nūḥ (عليه السلام) op die dag vast op de berg Jūdī.
Beide grote anbiyā vastten op die dag uit dankbaarheid aan Allah voor deze goddelijke gunst.
Waarschijnlijk bleef de Quraysh-stam de vasten van ʿĀshūrāʾ voortzetten, die reeds deel uitmaakte van de sharīʿah van Nūḥ (عليه السلام) en Ibrāhīm (عليه السلام). Ook an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hield zich aan deze voortreffelijke gewoonte en vastte daarom op die dag.
Naast deze twee gebeurtenissen wordt ook vermeld dat op de dag van ʿĀshūrāʾ de zonde van Ādam (عليه السلام) werd vergeven, dat ʿĪsā (عليه السلام) op die dag werd geboren, dat Yūnus (عليه السلام) op die dag uit de buik van de vis werd bevrijd en Yūsuf (عليه السلام) uit de put werd bevrijd waarin hij was geworpen.
Kortom, deze dag wordt als een heel bijzondere dag beschouwd.
Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) al-Madīnah met zijn komst vereerde, zag hij dat de joden vastten. Hij vroeg hun waarom zij op die dag vastten.
Zij antwoordden: “Allāhu (تعالى) heeft Mūsā (عليه السلام) op deze dag uit de handen van Firʿawn gered en Firʿawn in de zee doen verdrinken. Uit dankbaarheid voor deze gunst vastte Mūsā (عليه السلام); daarom vasten ook wij.”
Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Wij hebben meer recht dan jullie om Mūsā te volgen.”
Vervolgens begon hij de vasten op de ʿĀshūrāʾ dag. En hij droeg zijn ṣaḥābah op om op die dag te vasten. Waarschijnlijk hoopte hij met deze houding de joden ontvankelijker te maken voor de Islām.
Later droeg an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) (op de dag van een van ʿĀshūrāʾ) zijn ṣaḥābah op om de volgende aankondiging te doen: “Wie vandaag nog niet vast, laat hem vanaf nu vasten. En wie eerder vandaag al heeft gegeten, laat hem zijn vasten tot de nacht voortzetten.”
Volgens de Ḥanafi-madhhab was de vasten van ʿĀshūrāʾ, op grond van dit bevel van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), verplicht voor de moslims totdat een jaar later de vasten van Ramaḍān werd voorgeschreven.
Toen de vasten van Ramaḍān verplicht werd gesteld, werd de vasten van ʿĀshūrāʾ vrijwillig.
Aan het einde van deze hadīth wordt dit als volgt verwoord: “Vanaf dat moment kon wie wilde op de dag van ʿĀshūrāʾ vasten en wie wilde het nalaten.”
In sommige overleveringen wordt dit weergegeven als een uitspraak van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Wie wil, kan op die dag vasten; en wie wil, kan het nalaten.”
De ṣaḥābah vroegen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar de betekenis en de verdienste van de vasten op de dag van ʿĀshūrāʾ.
Daarop antwoordde hij: “Het is een verzoening voor de zonden van het afgelopen jaar.”
De joden en de christenen eerden uitsluitend de tiende dag van de maand muḥarram. Daarom wilde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dat wij, in tegenstelling tot hen, de vasten van ʿĀshūrāʾ dienden te verrichten op de negende en tiende dag van muḥarram, of op de tiende en elfde dag.
Hij zei tevens dat hij, als hij het volgende jaar nog in leven zou zijn, ook op de negende dag van muḥarram zou vasten. Hij overleed echter vóór het aanbreken van de daaropvolgende maand muḥarram.
Deed an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dit uitsluitend om zich van de joden te onderscheiden? En was hij van plan alleen op de negende dag van muḥarram te vasten, of op zowel de negende als de tiende dag?
Waarschijnlijk was an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) voornemens alleen op de negende dag van muḥarram te vasten. Dat blijkt uit zijn uitspraak dat hij, als hij het volgende jaar nog zou leven, op de negende dag van muḥarram zou vasten.
Omdat hij echter overleed voordat het volgende jaar aanbrak en deze vasten daardoor niet meer kon verrichten, is het definitieve antwoord op deze vraag niet met zekerheid bekend.
310. Hadīth
Van ʿAlqamah ibn Qays ( رَحِمَهُ اللهُ): Ik vroeg aan ʿĀʾishah (رضي الله عنها): “Had Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bepaalde dagen waarop hij zich speciaal aan bepaalde aanbiddingen (ʿibādāt) wijdde?’
Zij antwoordde: “De goede daden en vormen van aanbidding van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) waren als een onophoudelijke lenteregen: onafgebroken en voortdurend. Wie van jullie is er immers toe in staat dezelfde goede daden en vormen van aanbidding te verrichten als hij?”
ʿAlqamah ibn Qays ( رَحِمَهُ اللهُ), een vooraanstaande geleerde uit de generatie van de tābiʿīn, vroeg aan ʿĀʾishah (رضي الله عنها) of Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bepaalde dagen had waarop hij zich in het bijzonder aan de ʿibādah wijdde.
ʿĀʾishah wist uiteraard dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gewoonlijk op maandag en donderdag vastte. Ook wist zij dat hij aanbeval om te vasten op de zogenaamde ayyām al-bīḍ, de ‘witte dagen’: de dertiende, veertiende en vijftiende dag van iedere maanmaand. Daarnaast moedigde hij ook aan om tijdens iedere maand de eerste drie dagen te vasten.
Onze moeder ʿĀʾishah beschreef de goede daden en de ʿibādāt van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) als een zachte lenteregen die zonder bliksem of donder onafgebroken blijft neerdalen. Daarmee bedoelde zij dat zijn goede daden en zijn ʿibādāt voortdurend en zonder onderbreking werden verricht.
Vervolgens benadrukte zij dat niemand in staat is om dezelfde hoeveelheid goede daden en ʿibādāt te verrichten als hij. Met deze woorden wees de Moeder der Gelovigen op een zeer belangrijk punt: een mens dient zich aan de aanbidding te wijden wanneer hij daar innerlijke bereidheid en verlangen voor voelt, zoals bij het verrichten van ṣalāh of vasten. Zij herinnerde eraan dat ook Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op die manier handelde.
Op de dagen waarop Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn ṣaḥābah aanbeval om te vasten, zoals de maandagen en donderdagen, vastte hij zelf eveneens.
Wanneer hij zich op een van die dagen echter vanwege een lichamelijke ongemak niet fit voelde, vastte hij niet.
Ook leerde hij zijn ummah dat zij zich niet verplicht moesten voelen om uitsluitend op vaste dagen vrijwillige ṣalāh te verrichten of vrijwillig te vasten. Zij konden deze vormen van ʿibādah juist verrichten op de dagen waarop zij daar met verlangen en toewijding toe in staat waren. Want wanneer een mens innerlijke vreugde en bereidheid voelt om Allah te aanbidden, verricht hij zijn ʿibādah met meer liefde, khushūʿ en ikhlāṣ.
Daarom geldt dat iemand die tijdens de ṣalāh slaperig wordt, beter kan gaan rusten en slapen totdat hij weer uitgerust is.
Evenzo geldt dat iemand die gewend is om op maandag en donderdag te vasten, maar zich op die dagen ziek of zwak voelt, deze vrijwillige vasten beter kan uitstellen tot dagen waarop hij zich weer goed voelt.
311.Hadīth
Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): Op een dag was er een vrouw bij mij toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) mijn kamer binnenkwam.
Hij vroeg: ‘Wie is deze vrouw?’
Ik antwoordde: ‘Dit is die-en-die vrouw. Zij brengt haar nachten door zonder te slapen, terwijl zij zich aan de ʿibādah wijdt.’
Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): ‘Verricht slechts zoveel ʿibādah als jullie aankunnen. Bij Allah, zolang jullie niet ophouden met het verrichten van aanbidding, houdt Allah niet op jullie daarvoor te belonen”.
ʿĀʾishah vervolgde: “De ʿibādah die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het meest geliefd was, is de ʿibādah die iemand voortdurend blijft verrichten.”
Wie was de vrouw die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bij ʿĀʾishah (رضي الله عنها) zag?
Uit de overlevering in Ṣaḥīḥ Muslim leren wij dat deze vrouw Khawlah bint Tuwayt (رضي الله عنها) was, afkomstig uit de stam Banū Asad van de Quraysh, net als onze moeder Khadījah (رضي الله عنها).
Volgens deze overlevering zat Khawlah bij ʿĀʾishah toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) thuiskwam, of toen hij haar zag terwijl zij op het punt stond te vertrekken. Hij vroeg wie zij was. Nadat ʿĀʾishah haar had voorgesteld, noemde zij ook haar bijzondere eigenschap: zij bracht haar nachten door met het verrichten van de ṣalāh, het reciteren van de Qurʾān en het gedenken van Allah.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was niet tevreden met de manier waarop ʿĀʾishah deze vrouw prees. Zijn afkeuring kan vanuit twee gezichtspunten worden begrepen.
Ten eerste is het mogelijk dat ʿĀʾishah haar prees terwijl Khawlah erbij aanwezig was.
Wanneer iemand in zijn of haar aanwezigheid wordt geprezen, bestaat het gevaar dat die persoon zichzelf gaat bewonderen, hoogmoedig wordt en trots ontwikkelt. Dat kan zijn geestelijke leven vernietigen. Volgens de woorden van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) staat dit gelijk aan het “breken van zijn ruggengraat” of het “doorsnijden van zijn nek”.
Het tweede punt dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) afkeurde, was dat iemand zich zó intensief aan de aanbidding wijdt dat andere verplichtingen van het leven worden verwaarloosd.
Uit andere overleveringen leren wij dat hij de woorden van ʿĀʾishah onderbrak met het woord “Mah!”, dat wil zeggen: “Houd op met dit allemaal op te sommen!”
Vervolgens begon hij zijn woorden met een eed om het belang van zijn boodschap te benadrukken. Hij herinnerde eraan dat een mens zoveel aanbidding moet verrichten als hij aankan, maar zich nooit moet overbelasten.
Hij maakte duidelijk dat degenen die Allah aanbidden altijd de beloning van Allāhu (تعالى) zullen ontvangen. Zolang de dienaar niet opgeeft uit vermoeidheid, zal Allah niet ophouden hem te belonen met het goede.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft met betrekking tot vrijwillige vormen van aanbidding enkele zeer belangrijke uitgangspunten vastgesteld:
• Een mens dient vrijwillige aanbidding te verrichten wanneer hij daar innerlijke bereidheid en verlangen voor voelt.
• Iedereen dient vrijwillige aanbidding te verrichten naar de mate van zijn eigen draagkracht. Wie zichzelf uitput door overmatige vrijwillige aanbidding, zal zelfs de verplichte vormen van aanbidding niet meer op de juiste wijze kunnen verrichten.
• Weinig, maar voortdurend verrichte aanbidding is veel waardevoller dan een grote hoeveelheid aanbidding die na verloop van tijd wordt opgegeven. Dit onderwerp zal ook in de volgende hadīth aan bod komen.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft herhaaldelijk gewaarschuwd tegen overdrijving uit verlangen naar een grotere beloning. Hij waarschuwde ervoor zichzelf niet uit te putten en niet zo vermoeid te raken dat zelfs de verplichte vormen van ʿibādah eronder lijden.
Een van zijn uitspraken hierover luidt:
“De dīn is gemakkelijk.
Wie zichzelf dwingt verder te gaan dan wat de dīn aan voorschriften en verboden heeft vastgesteld, zal uiteindelijk door de dīn worden overwonnen. Bewandel daarom de middenweg, streef naar het beste en verheugt jullie. Benut daarvoor het begin van de dag, het einde van de dag en een deel van de nacht.”
Allāhu (تعالى) heeft voor zijn dienaren nooit moeilijkheden gewild. Hij heeft steeds hun welzijn, rust en geluk vooropgesteld. De volgende āyah maakt dit duidelijk:
يُرِيدُ ٱللَّهُ بِكُمُ ٱلۡيُسۡرَ وَلَا يُرِيدُ بِكُمُ ٱلۡعُسۡرَ
Allah wenst voor jullie het gemakkelijke en Hij wenst niet voor jullie het ongemak. (Baqarah, 2:185)
312. Hadīth
Van Abū Ṣāliḥ al-Sammān ( رَحِمَهُ اللهُ): Ik vroeg aan de Moeder van de mu'mins, ʿĀʾishah en Umm Salamah (رضي الله عنهما): “Welke vorm van aanbidding was Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het meest geliefd?”
Zij antwoordden: “De aanbidding die, ook al is het gering, voortdurend wordt verricht.”
Weinig aanbidding die voortdurend wordt verricht, is beter dan veel aanbidding die slechts af en toe wordt verricht.
Zowel in de jeugd als op latere leeftijd dient men bij het verrichten van aanbidding de maat niet uit het oog te verliezen. Wie in zijn jonge jaren, terwijl hij nog krachtig en vitaal is, zich overmatig aan aanbidding wijdt, zal zijn aanbidding onvermijdelijk moeten verminderen wanneer hij ouder wordt en zijn krachten afnemen.
De situatie van ʿAbdullāh ibn ʿAmr ibn al-ʿĀṣ (رضي الله عنهما) is hiervan een duidelijk voorbeeld.
Deze jonge ṣaḥābī vastte iedere dag en voltooide iedere dag een volledige recitatie van de Qurʾān.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) waarschuwde hem hiervoor en zei: “Doe dat niet. Vast de ene dag en vast de andere dag niet. Slaap een deel van de nacht en sta ook op voor de ṣalāh at-tahajjud.
Jouw lichaam heeft rechten over jou, jouw ogen hebben rechten over jou, jouw echtgenote heeft rechten over jou en jouw bezoekers hebben eveneens rechten over jou.
Het is voldoende dat je iedere maand drie dagen vast. Elke goede daad wordt immers tienvoudig beloond; dat staat gelijk aan het vasten van het hele jaar.”
Maar ʿAbdullāh ibn ʿAmr beleefde veel vreugde aan de ṣalāh, de vasten en het reciteren van de Qurʾān. Daarom zei hij: “O Rasûlullāh, ik ben jong. Ik kan meer doen.”
Hij bleef aandringen op meer mogelijkheden om aanbidding te verrichten en ging als het ware met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in gesprek over een ruimere invulling daarvan.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) adviseerde hem om de Qurʾān minder vaak volledig uit te lezen. Steeds wanneer ʿAbdullāh om méér vroeg, stelde hij een kortere periode voor:
“Lees de Qurʾān dan eenmaal per maand volledig uit.”
“Lees hem dan eenmaal in twintig dagen uit.”
“Lees hem dan eenmaal in tien dagen uit.”
Maar ʿAbdullāh vond ook dat nog te weinig.
Uiteindelijk kwamen zij overeen dat hij de Qurʾān eenmaal per week volledig zou reciteren en om de dag zou vasten.
Toen hij ouder werd, begreep hij de werkelijkheid
Toen ʿAbdullāh ibn ʿAmr op leeftijd kwam en zijn lichamelijke kracht afnam, sprak hij zijn spijt uit: “Ik had de tegemoetkoming van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) maar moeten aannemen.”
De mens dient in alle zaken gematigd te zijn. Ook in de aanbidding en in het verrichten van goede daden mag men de juiste balans niet verliezen en dient men de middenweg te volgen. Allah belast de mens immers slechts met datgene waartoe hij in staat is. Voor vormen van aanbidding die zijn vermogen te boven gaan, draagt hij geen verantwoordelijkheid.
313.Hadīth
Van ʿAwf ibn Mālik (رضي الله عنه): Op een nacht was ik bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Hij reinigde eerst zijn tanden met een siwāk, verrichtte vervolgens wuḍūʾ en stond daarna op om de ṣalāh te verrichten.
Ook ik stond op om samen met hem ṣalāh te verrichten.
Nadat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de openingstakbīr had uitgesproken en Fātiḥah had gereciteerd, begon hij Baqarah te reciteren. Wanneer hij een āyah van barmhartigheid reciteerde, hield hij even op en smeekte hij Allah om Zijn barmhartigheid. Wanneer hij een āyah over de bestraffing reciteerde, hield hij eveneens stil en zocht hij toevlucht bij Allah tegen Zijn bestraffing, door Zijn barmhartigheid af te smeken.
Daarna ging hij in rukūʿ. Hij bleef daarin even lang als hij had gestaan tijdens de qiyām. In de rukūʿ zei hij:
سُبْحَانَ ذِي الْجَبَرُوتِ وَالْمَلَكُوتِ وَالْكِبْرِيَاءِ وَالْعَظَمَةِ
‘Subḥāna dhī al-jabarūti wa al-malakūti wa al-kibriyāʾi wa al-ʿaẓamah.’
‘Verheerlijkt is Degene Die de absolute macht, het volledige koninkrijk, de grootheid en de majesteit bezit.’
Vervolgens ging hij in sujūd. Ook daarin bleef hij even lang als in de rukūʿ en sprak opnieuw (de adhkār van hierboven)
Nadat hij de eerste rakʿah had voltooid, stond hij op voor de tweede rakʿah. Na Fātiḥah reciteerde hij AliʿImrān. Vervolgens reciteerde hij in de derde en vierde rakʿah eveneens telkens één sūrah en verrichtte hij daarin precies hetzelfde als in de eerste rakʿah.”
In deze hadīth vertelt ʿAwf ibn Mālik (رضي الله عنه) over een vrijwillige nachtelijke ṣalāh die hij samen met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte.
In de 275. hadīth lazen wij reeds dat ook Ḥudhayfah ibn al-Yamān (رضي الله عنه) eens samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een dergelijke nachtelijke ṣalāh had verricht.
De overlevering van ʿAwf ibn Mālik bevat enkele bijzonderheden die in de overlevering van Ḥudhayfah ibn al-Yamān niet worden genoemd.
Een van die bijzonderheden is dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), zelfs wanneer hij midden in de nacht opstond om de ṣalāh te verrichten, eerst zijn tanden reinigde met een siwāk voordat hij wuḍūʾ verrichtte. Talrijke ahadith leren ons dat dit zijn vaste gewoonte was. Een van de duidelijkste overleveringen hierover luidt: “Als ik niet had gevreesd dat het voor mijn ummah te zwaar zou zijn, zou ik hun hebben opgedragen om vóór iedere ṣalāh de siwāk te gebruiken.”
In een andere overlevering luidt de tekst: “...bij iedere wuḍūʾ de siwāk te gebruiken.”
Zelf gebruikte hij, zowel overdag als 's nachts, telkens wanneer hij uit zijn slaap ontwaakte, eerst de siwāk voordat hij wuḍūʾ verrichtte.
Tijdens de slaap kan immers de geur van de mond veranderen, waardoor mensen of de engelen hinder kunnen ondervinden.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft zelfs gezegd dat hij zo vaak de aansporing kreeg om zijn mond schoon te houden, dat hij dacht dat hierover misschien zelfs een āyah zou worden geopenbaard.
Dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het toeliet dat zowel ʿAwf ibn Mālik als Ḥudhayfah ibn al-Yamān tijdens zijn ṣalāh at-tahajjud achter hem kwamen staan zonder hen daarvan te weerhouden, laat zien dat vrijwillige ṣalāh ook gezamenlijk mag worden verricht.
In de 310. hadīth zagen wij dat onze moeder ʿĀʾishah (رضي الله عنها), toen zij sprak over de ʿibādah van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), zei: “Wie van jullie zou immers in staat zijn om de goede daden en de ʿibādah te verrichten die hij verrichtte?”
De hadīth die wij hier hebben gelezen, laat duidelijk zien hoe terecht haar woorden waren.
Laten wij de hadīth vanuit dat perspectief bekijken.
Nadat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de bedoeling voor de ṣalāh had gevormd, “Allāhu akbar” had gezegd en Fātiḥah had gereciteerd, begon hij als aanvullende recitatie Baqarah te lezen.
Telkens wanneer hij een āyah over Allahs barmhartigheid reciteerde, onderbrak hij zijn recitatie en smeekte hij Allah om Zijn barmhartigheid.
Wanneer hij een āyah over de bestraffing reciteerde, hield hij eveneens stil en zocht hij bij Allah bescherming tegen Zijn bestraffing en vroeg hij om Zijn oneindige barmhartigheid.
Een voorbeeld hiervan is het volgende.
Wanneer hij de āyah reciteerde:
سَبِّحِ اسْمَ رَبِّكَ الْأَعْلَى “Verheerlijk de Naam van jouw Allerhoogste Heer.”
onderbrak hij de recitatie, zei: “Subḥānallāh”, waarna hij de recitatie vervolgde.
Of wanneer hij de āyah reciteerde:
وَاسْأَلُوا اللَّهَ مِنْ فَضْلِهِ “En vraag Allah om Zijn gunst.”
dan hield hij stil en zei: “Allahumma innī asʾaluka min faḍlik.” “O Allah, ik vraag U uit Uw overvloedige gunst.”
Daarna vervolgde hij de recitatie vanaf waar hij gebleven was.
De overleveraar van deze hadīth, ʿAwf ibn Mālik , vertelde dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tijdens de rukūʿ en de sujūd de volgende tasbīḥ uitsprak:
سُبْحَانَ ذِي الْجَبَرُوتِ وَالْمَلَكُوتِ وَالْكِبْرِيَاءِ وَالْعَظَمَةِ
“Subḥāna dhī al-jabarūti wa al-malakūti wa al-kibriyāʾi wa al-ʿaẓamah.”
“Verheven is Allah, de Bezitter van onbeperkte macht, het allesomvattende Koninkrijk, verheven majesteit en grootheid.”
Ḥudhayfah ibn al-Yamān had daarentegen overgeleverd dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deze tasbīḥ direct na het begin van de ṣalāh uitsprak.
In deze hadīth staat verder: “Vervolgens reciteerde hij in de derde en vierde rakʿah eveneens telkens één sūrah.”
Uit hadīth 275 hebben wij geleerd dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in de derde rakʿah Nisāʾ reciteerde en in de vierde rakʿah Māʾidah.
(ʿAwf ibn Mālik al-Ashjaʿī (رضي الله عنه) (overleden in 73 AH/692 CE) aanvaardde de islam in het zesde jaar na de Hijrah. Hij nam deel aan de verovering van Khaybar en aan de veldtochten die daarna plaatsvonden en stond bekend om zijn moed.
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) maakte hem tot broeder van Abū ad-Dardāʾ. ʿAwf ibn Mālik nam onder het bevel van Yazīd ibn Muʿāwiyah deel aan de expeditie naar Constantinopel.
ʿAwf ibn Mālik, die zevenenzestig aḥādīth van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft overgeleverd, vestigde zich na het overlijden van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in Ḥimṣ, waar hij ook overleed.)
44. HOOFDSTUK: HOE LAS RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم) DE QURʾĀN AL-KARĪM?
314. Hadīth
Van Yaʿlā ibn Mamlak ( رَحِمَهُ اللهُ): Ik vroeg Ummu Salamah (رضي الله عنها), de Moeder van de mu'mins, hoe Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de Qurʾān al-Karīm reciteerde.
Zij antwoordde: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) reciteerde de Qurʾān al-Karīm zo langzaam en zorgvuldig dat de letters als het ware geteld konden worden.”
Daarna begon zij de Qurʾān op dezelfde wijze te reciteren, volgens de regels van tajwīd.
Aan onze moeder Ummu Salamah (رضي الله عنها) werd gevraagd hoe an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de Qurʾān al-Karīm reciteerde. Zij antwoordde dat hij de āyāt langzaam en zorgvuldig reciteerde, waarbij iedere letter duidelijk werd uitgesproken en volgens de regels van tajwīd werd gereciteerd. Zij vertelde dat degenen die naar hem luisterden, ieder woord dat uit zijn gezegende mond kwam, konden begrijpen.
Van deze hadīth bestaat in de Sunan van Abū Dāwūd en al-Tirmidhī een uitgebreidere overlevering. Volgens deze overlevering vroeg Yaʿlā ibn Mamlak, behorend tot de generatie van de tābiʿīn, aan Ummu Salamah (رضي الله عنها) niet alleen hoe Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de Qurʾān al-Karīm reciteerde, maar ook hoe hij de ṣalāh verrichtte.
Onze moeder antwoordde hem: “Aangezien jullie niet in staat zijn om te doen zoals Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), weet ik niet wat het jullie zal opleveren om zijn manier van het reciteren van de Qur’ān en zijn wijze van het verrichten van de ṣalāh te leren.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte de ṣalāh en sliep vervolgens gedurende dezelfde tijdsduur als hij de ṣalāh had verricht. Daarna stond hij weer op en verrichtte de ṣalāh gedurende dezelfde tijd als hij had geslapen. Vervolgens sliep hij opnieuw gedurende dezelfde tijd als hij de ṣalāh had verricht. Zo ging dit door tot de ochtend.
Nadat Ummu Salamah dit had verteld, zei zij: ‘Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) reciteerde de Qurʾān al-Karīm zo langzaam dat zijn letters geteld konden worden.’
Daarna begon zij, precies zoals hij deed, volgens de regels van tajwīd te reciteren.”
De manier van reciteren die Umm Salamah beschreef, wordt tartīl genoemd.
315. Hadīth
Van Qatādah ibn Diʿāmah al-Sadūsī ( رَحِمَهُ اللهُ): Ik vroeg aan Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): “Hoe reciteerde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de Qurʾān al-Karīm?”
Hij antwoordde: “Hij reciteerde volgens de regels van tajwīd en verlengde de mad op de juiste plaatsen.”
In deze hadīth wordt vermeld dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de Qurʾān al-Karīm reciteerde met het correct toepassen van de mad-regel. Het woord mad betekent taalkundig: “verlengen” of “uitrekken”. Wanneer na een letter een alif, wāw of yāʾ voorkomt, wordt de voorafgaande letter langer uitgesproken. Dit wordt het verlengen van de letter genoemd.
De volgende overlevering uit Ṣaḥīḥ al-Bukhārī helpt ons beter te begrijpen op welke plaatsen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de mad-regel toepaste, oftewel waar hij de klanken verlengde.
Aan Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) werd gevraagd hoe Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de Qurʾān reciteerde.
Hij antwoordde: “Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de Qurʾān al-Karīm reciteerde, verlengde hij de plaatsen waar verlenging vereist was.”
Vervolgens gaf hij hiervan een voorbeeld door de basmalah te reciteren:
“Bismillāh ar-Raḥmān ar-Raḥīm.”
Daarna zei hij: Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) reciteerde: “Bismillāh”
verlengde hij de klank, dat wil zeggen de letter lām.
Wanneer hij reciteerde: “ar-Raḥmān”
verlengde hij de klank van de letter mīm.
En wanneer hij reciteerde: “ar-Raḥīm”
verlengde hij de klank van de letter ḥāʾ.
316. Hadīth
Van Ummu Salamah (رضي الله عنها): “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) reciteerde de Qurʾān al-Karīm en stopte aan het einde van iedere āyah.
Zo zei hij: ‘Al-ḥamdu lillāhi rabbi’l-ʿālamīn’
en hield vervolgens stil.
Daarna zei hij: ‘Ar-Raḥmāni’r Raḥīm’
en hield opnieuw stil.
Vervolgens zei hij: ‘Māliki yawmi’d dīn.’
Aan onze moeder Ummu Salamah (رضي الله عنها) werd gevraagd hoe an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de Qurʾān al-Karīm reciteerde.
Zij beschreef dit als volgt:
Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) iedere āyah van de Qurʾān reciteerde, hield hij kort stil en nam hij adem. Tijdens deze korte onderbreking dacht hij na over de betekenis van die āyah. Daarna ging hij verder met de volgende āyah en zette hij zijn recitatie voort totdat de sūrah was voltooid.
Om deze manier van reciteren te verduidelijken, reciteerde Ummu Salamah sūrah al-Fātiḥah, die uit zeven āyāt bestaat, op de juiste wijze zoals an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dat deed.
In alles wat wij doen, zijn wij verplicht om Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) als ons voorbeeld te nemen. Het goede verloop van onze daden en het bereiken van rust en vruchtbaarheid in ons leven zijn hiervan afhankelijk.
Ook tijdens het reciteren van de Qurʾān al-Karīm dienen wij de sunnah van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in acht te nemen. Wij behoren het Woord van Allah te reciteren zoals hij dat deed: langzaam, met een korte pauze na iedere āyah.
317. Hadīth
Van ʿAbdullāh ibn Abī Qays ( رَحِمَهُ اللهُ): Ik vroeg aan ʿĀʾishah (رضي الله عنها) naar de manier waarop Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de Qurʾān al-Karīm reciteerde: “Reciteerde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de Qurʾān al-Karīm zachtjes voor zichzelf, zodat niemand anders het kon horen, of reciteerde hij met een stem die anderen konden horen?’
Zij antwoordde: “Hij deed ze beide. Soms reciteerde hij zacht en soms reciteerde hij hoorbaar voor anderen.”
Daarop sprak ik mijn blijschap uit en zei ik: “Alle lof behoort toe aan Allah, Die gemak in de dīn heeft gegeven en Zijn dienaren geen moeilijkheid heeft opgelegd.”
Zowel de ṣaḥābah, die door an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de “beste generatie” werden genoemd, als de tābiʿīn die na hen kwamen, wilden graag weten hoe Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bepaalde zaken verrichtte, zodat zij deze handelingen eveneens konden uitvoeren zoals hij dat deed.
De hadīth die wij hier uitleggen, is een gedeelte van een langere overlevering. Volgens deze hadīth stelde ʿAbdullāh ibn Abī Qays, een leerling van ʿĀʾishah (رضي الله عنها), verschillende vragen aan de Moeder van de mu'mins over de ʿibādah van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).
Eerst vroeg hij of an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh al-witr in het eerste gedeelte van de nacht verrichtte of in het laatste gedeelte.
Zij antwoordde dat hij deze soms in het eerste gedeelte van de nacht verrichtte en soms in het laatste gedeelte.
Daarop sprak ʿAbdullāh ibn Abī Qays zijn blijdschap uit en zei: “Alle lof behoort toe aan Allah, Die gemak in de dīn heeft gegeven en Zijn dienaren geen moeilijkheid heeft opgelegd.”
Vervolgens vroeg hij hoe an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de Qurʾān al-Karīm reciteerde: reciteerde hij stil voor zichzelf of met een stem die anderen konden horen?
Onze moeder ʿĀʾishah antwoordde dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) soms zacht reciteerde en soms hoorbaar.
Ook over dit antwoord was ʿAbdullāh ibn Abī Qays heel verheugd. Omdat hij wist dat iedere handeling van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) plaatsvond binnen de kennis en wijsheid van Allah, zei hij: “Alle lof behoort toe aan Allah, Die gemak in de dīn heeft gegeven en Zijn dienaren geen moeilijkheid heeft opgelegd.”
Het belangrijkste is namelijk dat de Qurʾān al-Karīm met khushūʿ en zonder riyaʾ wordt gereciteerd (m.a.w. met nederigheid en oprechte toewijding aan Allah, zonder de intentie te hebben om door mensen gezien of geprezen te worden.)
De toestand van een mens is echter niet altijd hetzelfde. Soms bevindt iemand zich in een geestelijke toestand waarin hij met meer enthousiasme wil reciteren en geniet van het hoorbaar reciteren. Als iemand verplicht zou zijn om de Qurʾān altijd op slechts één manier te reciteren, dan zou hij het Boek van Allah misschien niet met dezelfde vreugde kunnen reciteren en mogelijk een grote beloning mislopen.
Het tegenovergestelde geldt eveneens. Dat een moslim de mogelijkheid krijgt om zijn het Boek van Allah te reciteren op de manier die het beste bij zijn toestand past, is een gunst waarvoor dankbaarheid verschuldigd is.
Daarna vroeg ʿAbdullāh ibn Abī Qays aan onze moeder ʿĀʾishah wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ghusl moest verrichten: “Verrichtte hij ghusl voordat hij sliep of nadat hij had geslapen?”
Ummu’l muʾminīn ʿĀʾishah antwoordde dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) soms ghusl verrichtte en daarna sliep, en soms slechts wuḍūʾ verrichtte en sliep, waarna hij later ghusl verrichtte.
Ook hierover was ʿAbdullāh heel verheugd en hij zei: “Alle lof behoort toe aan Allah, Die gemak in de dīn heeft gegeven en Zijn dienaren geen moeilijkheid heeft opgelegd.”
Waarom dankte de tābiʿīn-geleerde ʿAbdullāh ibn Abī Qays Allah telkens wanneer hij deze informatie hoorde? Omdat een mens soms de ṣalāh al-witr in het eerste gedeelte van de nacht wil verrichten en soms in het laatste gedeelte.
Hij kan de Qurʾān al-Karīm soms hoorbaar en soms zacht willen reciteren.
Ook wanneer ghusl noodzakelijk wordt, kan hij soms direct ghusl verrichten en slapen, en soms slechts wuḍūʾ verrichten, slapen en later ghusl verrichten.
Dit zijn allemaal gemakken die onze dīn ons heeft geschonken. Al deze gemakken zijn gunsten en schoonheden waarvoor Allah dankbaarheid verdient.
De volgende hadīth verduidelijkt de kwestie of de Qurʾān al-Karīm hoorbaar of zacht gereciteerd dient te worden. Op een nacht bezocht an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de huizen van zijn twee geliefde vrienden, Abū Bakr en ʿUmar (رضي الله عنهما), en lette erop hoe zij tijdens de ṣalāh at-tahajjud de Qurʾān al-Karīm reciteerden.
Beiden reciteerden op een wijze die bij hun karakter paste.
Abū Bakr (رضي الله عنه) reciteerde het Boek van Allah heel zacht, terwijl ʿUmar (رضي الله عنه) het met een luide stem reciteerde.
De volgende dag, toen zij samenkwamen, richtte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zich eerst tot Abū Bakr (رضي الله عنه) en zei: “O Abū Bakr! Ik kwam langs jouw huis en luisterde naar jouw recitatie van de Qurʾān al-Karīm. Je reciteert heel zacht.”
Daarna vroeg hij naar de reden hiervan.
Abū Bakr (رضي الله عنه) antwoordde dat het niet nodig was om zijn stem te verheffen en zei:
“Ik richt mijn behoefte tot mijn Rab, Die mijn toestand kent.”
Daarna richtte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zich tot ʿUmar (رضي الله عنه) en zei:
“O ʿUmar! Ik kwam ook langs jouw huis. Jij reciteert met een luide stem.”
Hij vroeg waarom hij dit deed.
ʿUmar (رضي الله عنه) antwoordde: “Om de shayṭān bij mij vandaan te verdrijven en degene die slaperig is wakker te maken.”
Vervolgens droeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) Abū Bakr (رضي الله عنه) op zijn stem tijdens het reciteren iets te verheffen, terwijl hij ʿUmar (رضي الله عنه) verzocht zijn stem iets te verlagen.
De volgende āyah werd geopenbaard om aan te geven hoe de Qurʾān al-Karīm tijdens de ṣalāh gereciteerd dient te worden. Deze āyah bevestigt de aanbeveling van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم):
قُلِ ٱدۡعُواْ ٱللَّهَ أَوِ ٱدۡعُواْ ٱلرَّحۡمَٰنَۖ أَيّٗا مَّا تَدۡعُواْ فَلَهُ ٱلۡأَسۡمَآءُ ٱلۡحُسۡنَىٰۚ وَلَا تَجۡهَرۡ بِصَلَاتِكَ وَلَا تُخَافِتۡ بِهَا وَٱبۡتَغِ بَيۡنَ ذَٰلِكَ سَبِيلٗا ١١٠
(O Boodschapper), zeg: “Roep Hem aan met ‘Allah’ of met ‘de meest Genadevolle,’ maar met welke naam jullie Hem ook aanroepen, aan Hem behoren de Schone Namen. En reciteer (de Koranische verzen in ) jullie gebeden niet te luid (zodat de ongelovigen niet de kans krijgen om onderling Allah’s Boek te beledigen), maar ook niet te zacht (waardoor de sahaabah jou nauwelijks kunnen verstaan). Zoek dus naar de gulden middenweg. (Isrāʾ, 17:110)
318. Hadīth
Van Ummu Hānī (رضي الله عنها), de dochter van an-Nabī’s (صلى الله عليه وسلم) oom: Wanneer ik ’s nachts in mijn prieel sliep, luisterde ik naar de Qurʾān al-Karīm die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) reciteerde.”
Ummu Hānī (رضي الله عنها) vertelt ons in deze hadīth over een nacht die zij vóór de hijrah in Makkah heeft meegemaakt. Die nacht lag Ummu Hānī te slapen op haar bed op het dak van hun huis, in de omgeving van de Kaʿbah. Op dat moment hoorde zij de stem van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), die in de Kaʿbah een vrijwillige ṣalāh verrichtte.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte daar een vrijwillige ṣalāh en reciteerde de Qurʾān al-Karīm met een hoorbare stem. Zijn stem, die de harten rust en verlichting schonk, bereikte Ummu Hānī terwijl zij op haar bed lag.
De stem van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was zo mooi dat degenen die haar hoorden erdoor werden geraakt. Zo vertelde al-Barāʾ ibn ʿĀzib (رضي الله عنه), terwijl hij sprak over de ṣalāh al-ʿishāʾ die hij achter Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had verricht: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) reciteerde die dag tijdens de ṣalāh al-ʿishāʾ sūrah Tīn. Ik heb in mijn leven nog nooit iemand gehoord met een mooiere stem dan hij.”
319. Hadīth
Van Muʿāwiyah ibn Qurrah ( رَحِمَهُ اللهُ):ʿAbdullāh ibn Mughaffal (رضي الله عنه) zei: “Op de dag waarop Makkah werd veroverd, zag ik Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op zijn kameel. Hij verhief zijn stem en reciteerde de āyāt 1 en 2 uit sūrah Fatḥ:
إِنَّا فَتَحۡنَا لَكَ فَتۡحٗا مُّبِينٗا ١
Waarlijk, Wij hebben jou een duidelijk overwinning geschonken.
لِّيَغۡفِرَ لَكَ ٱللَّهُ مَا تَقَدَّمَ مِن ذَنۢبِكَ وَمَا تَأَخَّرَ وَيُتِمَّ نِعۡمَتَهُۥ عَلَيۡكَ وَيَهۡدِيَكَ صِرَٰطٗا مُّسۡتَقِيمٗا ٢
Opdat Allah jouw vroegere zonden zal vergeven en ook de latere. En Hij vervolmaakt Zijn gunst aan jou en Hij leidt jou op het rechte Pad. (Fatḥ, 48:1-2)
Muʿāwiyah ibn Qurrah vervolgde: “Als ik niet zou vrezen dat de mensen zich rondom mij zouden verzamelen, zou ik mijn stem eveneens verheffen zoals ʿAbdullāh ibn Mughaffal zijn stem verhief toen hij de recitatie van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beschreef.”
Sūrah Fatḥ werd geopenbaard tijdens het zesde jaar na de hijrah, ten tijde van het sluiten van het verdrag van al-Ḥudaybiyyah. De overwinning die in deze sūrah werd aangekondigd, vond twee jaar later plaats: de verovering van Makkah.
Uit deze hadīth leren wij dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op de dag van de overwinning, terwijl hij onderweg was naar Makkah, de sūrah Fatḥ reciteerde uit vreugde over de verovering van deze gezegende stad, “de moeder van de steden” (zie An’âm 6/92), en over de bevrijding van de gezegende Kaʿbah, “het eerste Huis dat voor de aanbidding van de mensen werd opgericht” (zie Âl-i İmrân 3/96).
Hij reciteerde deze sūrah met het toepassen van de mad-regel en verhief zijn stem op een melodieuze en harmonieuze wijze.
De tābiʿīn-overleveraar van deze hadīth, Muʿāwiyah ibn Qurrah, vertelde dat ʿAbdullāh ibn Mughaffal, terwijl hij de recitatie van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) praktisch voordeeed, de verlengingen liet horen door de klank “āāā” lang uit te rekken.
Deze manier van reciteren (de Qurʾān met een mooie stem reciteren) wordt ook taghannī genoemd. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allah heeft nergens zoveel genoegen in gevonden als in de mooie stem van an-Nabī die de Qurʾān met taghannī en met verheven stem reciteert.”
Tegelijkertijd betekent taghannī in wezen: de stem verfraaien en versieren met de Qurʾān. Het betekent ook dat iemand tijdens het reciteren van de Qurʾān zijn vreugde en verdriet door middel van zijn stem laat blijken.
In deze betekenis moedigde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het mooi reciteren van de Qurʾān al-Karīm aan en zei: “Versier de Qurʾān met jullie stemmen.”
Sommige ṣaḥābah en geleerden hebben op basis van deze hadīth geoordeeld dat het toegestaan is om de Qurʾān al-Karīm met een bepaalde melodische toon (maqām) te reciteren.
Een van hun bewijzen daarvoor is ook de volgende hadīth: “Degene die de Qurʾān al-Karīm niet op een harmonieuze wijze reciteert, behoort niet tot ons.”
Dat wil zeggen: hij behoort niet tot degenen die onze sunnah volgen.
Volgens deze opvatting dienen degenen die de Qurʾān al-Karīm reciteren, zoveel mogelijk te proberen hun stem te verfraaien.
Sommigen hebben aangevoerd dat het melodieus reciteren van de Qurʾān met taghannī een belemmering kan vormen voor khushūʿ.
Volgens hen verhief Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn stem niet bewust en opzettelijk met een melodie. De harmonie in zijn stem zou slechts zijn ontstaan doordat de kameel waarop hij reed tijdens het lopen bewoog.
Volgens onze opvatting: als de situatie werkelijk zo was zoals degenen die deze mening volgen beweren, dan zou de overleveraar van de hadīth, ʿAbdullāh ibn Mughaffal, niet geprobeerd hebben om de recitatie van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) te demonstreren door de madd met “āāā” te verlengen.
Zowel degenen die voorstander zijn van melodieus reciteren als degenen die dit afwijzen, zijn het over één punt eens: Men dient de juiste maat niet te overschrijden onder het voorwendsel dat men met een mooie stem wil reciteren, en men mag de Qur’ān niet laten ophouden een correcte recitatie (qirāʾah) te zijn. Men dient niet buitensporig te worden in het streven naar taghannī (het verfraaien van de stem bij het reciteren) en mag zelfs geen enkele letter toevoegen of weglaten. Wanneer men deze richtlijnen in acht neemt, wordt het reciteren van de Qur’ān met taghannī als aanbevolen (mustaḥab) beschouwd. Het toevoegen of verwijderen van zelfs één letter tijdens de recitatie wordt echter als verboden (ḥarām) beschouwd.
320.Hadīth
Qatādah ibn Diʿāmah al-Sadūsī ( رَحِمَهُ اللهُ) zei: “Allāhu (تعالى) heeft alle anbiyā met mooie gezichten en mooie stemmen gezonden. Jullie Nabie, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), had eveneens een mooi gezicht en een mooie stem.
Hij reciteerde de Qurʾān echter niet op een melodieuze wijze.”
Al-Tirmidhī heeft deze hadīth in zijn werk overgeleverd via de tābiʿīn-geleerde Qatādah ibn Diʿāmah. De bekende hadithgeleerde al-Dāraqutnī heeft echter gezegd dat Qatādah deze hadīth had gehoord van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) en deze vervolgens van hem heeft overgeleverd.
Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) beschreef de schoonheid van Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) als volgt: “Jullie Nabie is degene onder de anbiyā met het mooiste gezicht en de mooiste stem.”
Ook al-Barāʾ ibn ʿĀzib (رضي الله عنهما) sprak over de schoonheid van de stem van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zei: “Ik luisterde naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) terwijl hij tijdens de ṣalāh al-ʿishāʾ sūrah ‘Wa al-Tīn wa al-Zaytūn’ reciteerde. Ik heb nog nooit iemand gehoord wiens stem en recitatie mooier waren dan die van hem.” De schoonheid van het gezicht van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) is uitvoerig besproken bij hadīth nummer 8.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en de andere anbiyāʾ (عليهم السلام) zijn door Allah zo prachtig geschapen dat degenen die hun uiterlijke schoonheid zagen, konden begrijpen dat ook hun innerlijke eigenschappen even mooi waren. Want vaak weerspiegelt uiterlijke schoonheid ook innerlijke schoonheid. Soms kan echter ook het tegenovergestelde worden aangetroffen.
In de vorige hadīth en de uitleg daarvan hebben wij de overleveringen gelezen waaruit blijkt dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de Qurʾān al-Karīm soms met een mooie melodische stem reciteerde. In deze hadīth staat echter de uitspraak dat hij “de Qurʾān niet op een melodieuze wijze reciteerde”. Deze uitspraak is uitgelegd als dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) soms reciteerde zonder melodische toon, of dat hij geen melodie gebruikte op een manier waardoor khushūʿ verloren zou gaan.
321.Hadīth
Van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما): Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) thuis de Qurʾān al-Karīm reciteerde, verhief hij zijn stem slechts zo veel dat alleen de bewoners van het huis hem konden horen.”
De moeder van de muʾmins, Maymūnah (رضي الله عنها), was de tante van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما). In die tijd was Ibn ʿAbbās nog een jong kind. Hij verbleef regelmatig in de gezegende woning van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Zelfs bleef hij, zoals vermeld is in hadīth nummer 265, daar ’s nachts slapen en verrichtte hij de ṣalāh achter Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
Daarom wist hij goed hoe an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de Qurʾān al-Karīm reciteerde.
Door deze mogelijkheid behoorde Ibn ʿAbbās tot de zeldzame gelukkigen die het voorrecht hadden om an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zowel in al-Masjid al-Nabawī als in zijn huis de Qurʾān al-Karīm te horen reciteren.
Daarom vermeldt hij in deze hadīth dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), wanneer hij thuis de Qurʾān al-Karīm reciteerde of de ṣalāh verrichtte, zijn stem slechts zo veel verhief dat de bewoners van het huis hem konden horen.
Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) daarentegen de ṣalāh leidde in de moskee, verhief hij zijn stem zodanig dat zelfs de ṣaḥābah in de achterste rijen hem konden horen.
45. HOOFDSTUK: HET HUILEN VAN RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم)
322.Hadīth
Van ʿAbdullāh ibn Shikhkhīr (رضي الله عنه): Op een keer ging ik naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Hij was ṣalāh aan het verrichten en door het huilen kwam er vanuit zijn borst een geluid voort dat leek op het geluid van een kokende ketel.”
ʿAbdullāh ibn Shikhkhīr (رضي الله عنه), die deze hadīth aan ons heeft overgeleverd, ging op een dag Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bezoeken. Op dat moment was an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ṣalāh aan het verrichten.
Met het bewustzijn dat hij voor Allāhu (تعالى) stond, verbrak an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn verbondenheid met de wereld en werd hij volledig overmand door snikken.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) probeerde niet luid te huilen. Omdat hij probeerde niet te huilen, klonken zijn ingehouden snikken als het borrelen van een kokende pan.
De toestand van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) laat zien dat iemand die tijdens de ṣalāh huilt, zichzelf niet volledig moet laten gaan.
Want als iemand tijdens de ṣalāh probeert zijn tranen in te houden, maar daarbij een woord van twee letters of meer uitspreekt, zoals “ach!”, dan wordt zijn ṣalāh ongeldig.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wist dat hij de Geliefde van Allāhu (تعالى) was. Hij wist heel goed dat hij als een barmhartigheid voor de werelden was gezonden en dat al zijn vroegere en toekomstige zonden hem waren vergeven. Toch huilde hij uit ontzag en vrees voor Allāhu (تعالى), alsof hij buiten zichzelf raakte.
Uiteraard had de Rab van de werelden (Rabbu’l `Âlamīn) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op de hoogte gebracht van vele geheimen van deze wereld en het Hiernamaals en hem veel van Zijn goddelijke macht getoond. Wat Hij niet aan Zijn andere dienaren had bekendgemaakt, had Hij wel aan hem bekendgemaakt.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bracht tot uitdrukking dat een mens Allāhu (تعالى) des te meer vreest naarmate hij verder gevorderd is op de weg van maʿrifatullāh (het kennen van Allāhu (تعالى).
Hij zei: “(Ik zweer) bij Allah, in Wiens Hand mijn ziel is, dat als jullie zouden weten wat ik weet, jullie veel zouden huilen en weinig zouden lachen.”
Een andere overlevering van deze hadīth luidt als volgt: Op een keer waarschuwde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de ṣaḥābah tijdens de ṣalāh dat zij niet vóór hem de rukūʿ en de sujūd mochten verrichten. Hij zei dat zij ook niet vóór hem hun hoofden uit de sujūd mochten opheffen en niet vóór hem de salām mochten geven om de ṣalāh te beëindigen.
Daarna zei hij: “Ik zie jullie voor mij zoals ik jullie achter mij zie.”
Vervolgens zei hij: “(Ik zweer) bij Allah, in Wiens Hand mijn ziel is, dat als jullie zouden zien wat ik zie, jullie weinig zouden lachen en veel zouden huilen.”
Daarop vroegen de ṣaḥābah: “O Rasûlullāh, wat hebt u gezien?”
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Ik heb het Paradijs en de Hel gezien.”
In een andere hadīth sprak an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) over zijn verheven positie en zei:
“Bij Allah, ik ben degene onder de mensen die Allah het beste kent en Hem het meest vreest.”
Al-Qāḍī ʿIyāḍ beschrijft de verheven toestand van de anbiyā, die niet met gewone mensen vergeleken kan worden, als volgt:
Je moet goed weten dat de rang van de anbiyā zeer verheven is. Van alle mensen zijn juist de anbiyā degenen die Allāhu (تعالى), Zijn wetten die Hij op Zijn dienaren toepast, de verhevenheid van Zijn majestueuze heerschappij en de grootsheid van Zijn macht, die de mens ertoe brengt Hem te vrezen, het beste kennen. Deze kennis doet hen Allāhu (تعالى) vrezen en beven bij de gedachte dat zij strenger ter verantwoording zullen worden geroepen dan andere mensen.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) huilde om verschillende redenen. Soms huilde hij, zoals wij in deze hadīth hebben gezien, uit vrees voor Allah. Soms huilde hij uit mededogen en barmhartigheid voor een overledene. Soms huilde hij wanneer hij nadacht over wat zijn ummah zou overkomen. Zoals wij in de volgende hadīth zullen lezen, huilde hij soms ook tijdens het luisteren naar de Qurʾān al-Karīm, vanwege zijn liefde en eerbied voor Allāhu (تعالى).
(Abū Muṭarrif ʿAbdullāh ibn Shikhkhīr al-ʿĀmirī (رضي الله عنه) was afkomstig uit Baṣrah. Hij kwam als vertegenwoordiger van de Banū ʿĀmir-stam naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en ontmoette hem. Er wordt ook vermeld dat hij de islam aanvaardde tijdens de verovering van Makkah.
De twee bekende grote geleerden uit de generatie van de tābiʿūn, namelijk Muṭarrif ibn ʿAbdullāh, de vijfde overleveraar van onze ḥadīth, en Yazīd ibn ʿAbdullāh, die eveneens tot de vooraanstaande geleerden van de tābiʿūn behoorde, waren de zonen van deze ṣaḥābī.)
323. Hadīth
Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه): Op een dag zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen mij: “Reciteer de Qurʾān zodat ik ernaar kan luisteren!”
Ik vroeg hem: “O Rasûlullāh, terwijl de Qurʾān aan u is neergezonden, moet ik hem dan aan u reciteren?”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ja, ik luister er heel graag naar wanneer iemand anders de Qurʾān reciteert.”
Daarop begon ik surah Nisāʾ voor hem te reciteren. Toen ik bij de āyah kwam:
فَكَيۡفَ إِذَا جِئۡنَا مِن كُلِّ أُمَّةِۭ بِشَهِيدٖ وَجِئۡنَا بِكَ عَلَىٰ هَٰٓؤُلَآءِ شَهِيدٗا ٤١
Hoe (zal het) dan (zijn) als Wij van ieder volk een getuige (een Profeet) oproepen en Wij jou (O Mohammed) als getuige tegen deze mensen oproepen? (Nisāʾ, 4:41)
zag ik dat de tranen uit de ogen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stroomden.”
Op een dag vroeg an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) aan ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه) om de Qurʾān voor hem te reciteren.
Dit kwam doordat Ibn Masʿūd bekendstond om zijn mooie recitatie van de Qurʾān al-Karīm. Toch was hij verbaasd over dit verzoek van-Nabī (عليهم السلام) en zei hij: “O Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), terwijl de Qurʾān al-Karīm aan u is neergezonden, hoe kan ik dan de Qurʾān voor u reciteren? Hoe zou ik dat durven? Ik schaam mij ervoor om in uw aanwezigheid de Qurʾān te reciteren.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) liet hem weten dat hij het bijzonder waardeerde om de Qur'aan door iemand anders te horen voordragen. Daarmee gaf hij aan dat hij met diepe vreugde naar hem zou luisteren als hij de Qur'aan zou reciteren. Zo gebeurde het ook. Omdat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de voorgedragen verzen met een diep bewogen hart beluisterde, kon Hij vanaf een bepaald moment zijn tranen niet langer bedwingen.
Waarom hield an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ervan om de Qurʾān al-Karīm van iemand anders te horen? Het is een feit dat degene die naar de Qurʾān luistert, de betekenis ervan soms beter kan overdenken en begrijpen dan degene die reciteert. Want degene die de Qurʾān reciteert, spant zich vooral in om deze op de juiste manier te reciteren.
Waarschijnlijk wilde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de Qurʾān door iemand anders horen voordragen zodat hij dieper over de betekenis ervan kon nadenken. Er kan ook worden gezegd dat hij deze wijze verkoos om ons aan te moedigen na te denken over het Boek van Allāhu (تعالى).
ʿAbdullāh ibn al-Mubārak heeft in zijn werk al-Zuhd wa al-Raqāʾiq een overlevering van de beroemde tābiʿīn-geleerde Saʿīd ibn al-Musayyib als een mursal hadīth het volgende overgeleverd: “Elke ochtend en avond wordt de ummah aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) voorgelegd, zodat hij hen kan herkennen en getuigenis kan afleggen over hun daden. Hij herkent zijn ummah aan hun gezichten. Zoals Allāhu (تعالى) zegt:
فَكَيۡفَ إِذَا جِئۡنَا مِن كُلِّ أُمَّةِۭ بِشَهِيدٖ وَجِئۡنَا بِكَ عَلَىٰ هَٰٓؤُلَآءِ شَهِيدٗا ٤١
Hoe (zal het) dan (zijn) als Wij van ieder volk een getuige (een Profeet) oproepen en Wij jou (O Mohammed) als getuige tegen deze mensen oproepen? (Nisāʾ, 4:41)
Waarom huilde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zo hevig, terwijl zelfs zijn gezegende kin trilde?
Omdat deze āyah an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) herinnerde aan de angstaanjagende gebeurtenissen van de Dag des Oordeels. Hij stelde zich voor dat hij getuigenis zou afleggen over de daden van zijn ummah en dat zij in een moeilijke situatie zouden verkeren omdat zij niet op de juiste wijze eerlijk hadden geleefd. Daarom barstte hij in tranen uit en huilde hij overvloedig.
324. Hadīth
Van ʿAbdullāh ibn ʿAmr (رضي الله عنهما): Tijdens het leven van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vond er op een dag een zonsverduistering plaats. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) stond onmiddellijk op en begon de ṣalāh van de zonsverduistering (ṣalāt al-kusūf) te verrichten.
Hij bleef zo lang in de qiyām staan dat men dacht dat hij niet naar de rukūʿ zou gaan en altijd zou blijven staan. Daarna ging hij naar de rukūʿ. Hij bleef daar zo lang dat men dacht dat hij niet meer uit de rukūʿ zou opstaan.
Vervolgens hief hij zijn hoofd op uit de rukūʿ en bleef lange tijd rechtop staan. Toen wij dachten: ‘Hij zal waarschijnlijk niet naar de sujūd gaan’, ging hij naar de sujūd en bleef daar zo lang dat men dacht dat hij zijn hoofd niet meer zou opheffen.
Daarna kwam hij overeind uit de sujūd. Hij bleef in die houding zo lang dat men dacht dat hij niet naar de tweede sujūd zou gaan.
Vervolgens ging hij opnieuw naar de sujūd en verlengde hij deze tweede sujūd zo lang dat men dacht dat hij zijn hoofd nooit meer zou opheffen en altijd in de sujūd zou blijven.
Terwijl hij in de sujūd was, begon hij hevig te huilen en krachtig adem te halen. Tegelijkertijd zei hij: ‘O mijn Rab! Had U mij niet beloofd dat U mijn ummah niet zou bestraffen zolang ik onder hen ben? Had U mij niet beloofd dat U hen niet zou bestraffen zolang zij berouw tonen tegenover U en om vergeving vragen? Wij vragen U daarom om ons te vergeven.’
Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de twee rakʿah van deze ṣalāh had voltooid, eindigde ook de zonsverduistering en werd de hemel weer helder en stralend. Daarna stond Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op om zijn ṣaḥābah toe te spreken. Hij prees en loofde Allah en zei: “De zon en de maan zijn twee tekenen van Allah die wijzen op Zijn bestaan, Zijn eenheid en Zijn macht. Zij worden niet verduisterd vanwege de geboorte of de dood van iemand. Wanneer de zon of de maan verduisterd wordt, begin dan onmiddellijk met het verrichten van de ṣalāh.”
Een zonsverduistering wordt in het Arabisch kusūf genoemd en een maansverduistering wordt khusūf genoemd.
De zoon van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), Ibrāhīm, overleed in het tiende jaar na de hijrah toen hij nog ongeveer zeventien of achttien maanden oud was. Met Allahs wil vond op diezelfde dag ook een zonsverduistering plaats. De mensen begonnen onder elkaar te zeggen: “De zon is verduisterd omdat Ibrāhīm is overleden.”
Aan de andere kant beschouwde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) een zonsverduistering als een grote gebeurtenis. Toen de zonsverduistering begon, dacht hij volgens de uitleg van Abū Mūsā al-Ashʿarī (رضي الله عنه) dat “het Uur was aangebroken”.
Of hij kwam uit angst dat er een bestraffing over hen zou komen, vol ontzag naar de moskee en begon onmiddellijk met de ṣalāh.
Zoals wij in deze hadīth lezen, verrichtte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deze ṣalāh waarbij hij de qiyām, rukūʿ en sujūd langer maakte dan hij bij andere ṣalāh deed.
Tijdens de eerste rakʿah reciteerde hij bijna de volledige sūrah Baqarah. Tijdens de tweede rakʿah reciteerde hij een andere sūrah.
Tijdens de tweede sujūd van de ṣalāh werd hij diep geraakt en begon hij te huilen.
Terwijl hij huilde, smeekte hij:
“O mijn Rab! Had U mij niet beloofd dat U mijn ummah niet zou bestraffen zolang ik onder hen ben? Had U mij niet beloofd dat U hen niet zou bestraffen zolang zij U om vergeving vragen en berouw tonen? Wij vragen U om ons te vergeven.”
Met deze smeekbede (du`ā’) richtte Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم) zich als het ware met liefdevolle innigheid en vertrouwelijke overgave tot de Rabbu’l `Âlamīn. Deze innige du`ā’ vloeide voort uit de belofte die Allāhu (تعالى) hem in de volgende āyah had gedaan:
وَمَا كَانَ ٱللَّهُ لِيُعَذِّبَهُمۡ وَأَنتَ فِيهِمۡۚ وَمَا كَانَ ٱللَّهُ مُعَذِّبَهُمۡ وَهُمۡ يَسۡتَغۡفِرُونَ ٣٣
En Allah zal hen niet straffen, terwijl jij (O Mohammed) nog in hun midden verkeert, noch zal Hij hen straffen als zij vergeving zoeken. (Anfāl, 8:33)
Deze āyah maakt duidelijk dat istighfār voor ons als een “reddingsboei” is.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft in een hadīth de reddende kracht van istighfār voor deze ummah als volgt beschreven: “De shayṭān zei tegen Allāhu (تعالى): “O mijn Rab! Ik zal Uw dienaren blijven misleiden zolang hun arwāḥ in hun lichamen zijn.’
Allāhu (تعالى) zei daarop tegen hem: “Bij Mijn eer en Mijn majesteit! Zolang zij Mij om vergeving (istighfār) vragen, zal Ik hen blijven vergeven.”
Met deze hadīth adviseert an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ons dat wanneer wij vrezen voor een ramp of bestraffing, wij ons onmiddellijk tot de ṣalāh moeten wenden, ons moeten vasthouden aan duʿāʾ en toevlucht moeten zoeken in istighfār.
Nadat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh had geleid, hield hij een toespraak.
Waarom was zo’n toespraak nodig? Omdat sommige mensen de zonsverduistering in verband hadden gebracht met de dood van de zoon van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), Ibrāhīm. Zij waren onder elkaar gaan zeggen: “De zon is verduisterd omdat Ibrāhīm is overleden.”
Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deze ongefundeerde uitspraak hoorde, vreesde hij dat de mensen een verkeerde overtuiging zouden aannemen en wilde hij deze geruchten beëindigen.
In zijn toespraak maakte hij duidelijk dat de zon niet verduisterd wordt vanwege de geboorte of de dood van iemand.
De uitspraak aan het einde van onze hadīth: “Wanneer de zon en de maan verduisterd worden, begin dan onmiddellijk met het gedenken van Allah”, is uitgelegd als: “Begin met het verrichten van de ṣalāh en doe duʿāʾ.” Want de ṣalāh omvat alle vormen van dhikr.
Ook de volgende āyah wijst hierop:
إِنَّنِيٓ أَنَا ٱللَّهُ لَآ إِلَٰهَ إِلَّآ أَنَا۠ فَٱعۡبُدۡنِي وَأَقِمِ ٱلصَّلَوٰةَ لِذِكۡرِيٓ ١٤
Waarlijk! Ik ben Allah, er is geen god dan Ik, aanbid Mij dus en verricht de gebeden om Mij te gedenken. (Ṭā Hā, 20:14)
Volgens een overlevering in Sunan Abī Dāwūd legde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) als volgt uit wat men moet doen wanneer een zonsverduistering plaatsvindt:
“Allāhu (تعالى) maakt Zijn dienaren bang en waarschuwt hen door middel van dergelijke gebeurtenissen (zoals een zonsof maansverduistering).
Wanneer jullie zoiets meemaken, verricht dan een ṣalāh zoals de laatste verplichte ṣalāh die jullie hebben verricht.”
Volgens een andere overlevering zei hij:
“Gedenk Allah, verricht duʿāʾ en vraag om vergeving (istighfār)!”
In een andere overlevering over dit onderwerp staat ook: “Geef ṣadaqah.”
325. Hadīth
Van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) omhelsde zijn dochter die op het punt stond te overlijden en drukte haar tegen zijn borst. Nadat hij haar een tijdje zo had vastgehouden, legde hij haar voor zich neer. Terwijl het kind voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) lag, gaf zij haar rûh over (aan de Engel des Doods). Op dat moment begon Ummuu Ayman, de voedster van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), luid te huilen en te weeklagen.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tegen haar: “Je huilt zo in de aanwezigheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم)?”
Ummu Ayman zei tegen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Huilt u dan niet? Toen ik u zag huilen, begon ik ook te huilen.”
Daarop zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tegen Ummu Ayman: “Ik huil niet door ongeduld te worden en luid te weeklagen. Ik huil uit mededogen. Want een mu’min ontvangt in elke situatie wel een of andere vorm van goedheid. Zelfs wanneer hij zijn rûh overgeeft, prijst hij Allāhu (تعالى), omdat hij beseft dat ook deze toestand uiteindelijk goed voor hem is.” zei hij.
Hoewel in deze hadīth wordt vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn dochter die op het punt stond te overlijden omhelsde en tegen zijn borst drukte, was dit kind niet zijn dochter, maar zijn kleindochter. Zij was de dochter van Zaynab (رضي الله عنها), de dochter van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
In deze hadīth wordt gezien dat de kleindochter van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) figuurlijk als zijn dochter wordt aangeduid.
In werkelijkheid kreeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vier dochters; zij werden allen volwassen en trouwden. Drie van hen overleden nog tijdens zijn leven. Alleen Fāṭimah (رضي الله عنها) keerde zes maanden na zijn overlijden terug naar haar Rab.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vond zijn eigen huilen niet afkeurenswaardig, maar hij keurde het huilen van Ummu Ayman niet goed. Hieruit blijkt dat er een toegestane vorm van huilen bestaat en een verboden vorm.
Het verboden huilen is wanneer iemand niet geduldig blijft bij een beproeving die hem treft, luid weeklaagt, zich bijna verscheurt en zichzelf slaat uit verdriet. Maar verdriet voelen en stil huilen uit mededogen voor iemand die is overleden, is niet afkeurenswaardig.
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) huilde niet om het overlijden van iemand met de gedachte: “Was hij maar niet gestorven”, omdat een dergelijk huilen betekent dat men zich niet neerlegt bij de goddelijke beschikking (qadar). Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) huilde uit barmhartigheid en mededogen voor iemand. Maar hij verbood streng dat men na het overlijden van iemand schreeuwend, zichzelf verwondend, kleding scheurend of zichzelf slaand zou huilen.
Volgens hetgeen Anas (رضي الله عنه) heeft overgeleverd, stond de zoon van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), Ibrāhīm, op het punt van overlijden. Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem in deze toestand zag, begonnen de tranen uit zijn ogen te stromen.
Op dat moment bevond ook de bekende ṣaḥābī ʿAbd ar-Raḥmān ibn ʿAwf (رضي الله عنه) zich bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Ibn ʿAwf vond deze toestand van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) opvallend en vroeg: “O Rasûlullāh! Huilt u ook?”
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) antwoordde hem: “O Ibn ʿAwf! Deze tranen die je ziet, zijn een uiting van barmhartigheid en mededogen.”
Daarna vervolgde hij: “Het oog huilt en het hart wordt bedroefd. Wij zeggen alleen datgene waarmee onze Rab tevreden is. O Ibrāhīm! Wij zijn werkelijk bedroefd om jouw verlies.”
Hoewel Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het weeklagen en luid jammeren bij verdriet had verboden, verbaasde hij zich erover dat Ummu Ayman in zijn aanwezigheid luid begon te huilen.
Hij waarschuwde haar: “Terwijl Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zulk huilen heeft verboden, huil jij nog steeds op deze manier in zijn aanwezigheid?”
Ummu Ayman begon waarschijnlijk te huilen omdat zij zag dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zelf ook huilde en dacht dat het verbod op huilen daarmee niet meer gold.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wiens elke handeling gekenmerkt werd door gematigdheid, lachte niet luid en huilde ook niet luid. Terwijl hij uitlegde dat men niet moest weeklagen, zei hij zoals in deze hadīth is overgeleverd: “Een mu’min prijst Allah, zelfs wanneer hij zijn rûh overdraagt, omdat hij weet dat deze toestand voor hem goed is.”
326. Hadīth
Van ʿĀ’ishah (رضي الله عنها): Toen ʿUthmān ibn Maẓʿūn (رضي الله عنه) overleed, kuste Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem terwijl hij huilde.”
De overleveraar twijfelde aan de woorden van ʿĀ’ishah en gaf aan dat zij mogelijk het volgende had gezegd: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kuste ʿUthmān ibn Maẓʿūn terwijl de tranen uit zijn ogen vloeiden.”
ʿUthmān ibn Maẓʿūn (رضي الله عنه) behoorde tot de stam van Quraysh en was de melkbroeder van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). ʿUthmān ibn Maẓʿūn, die de veertiende persoon was die de Islām aannam, emigreerde eerst naar Abessinië en vervolgens naar Madīnah. Enige tijd nadat hij had deelgenomen aan de slag bij Badr overleed hij.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was bedroefd vanwege het overlijden van ʿUthmān. Hij kuste hem op zijn gezicht of tussen zijn beide ogen en huilde. Omdat ʿUthmān ibn Maẓʿūn (رضي الله عنه) de eerste muhājir was die na de hijrah overleed, zei hij: “Dit is degene van ons die als eerste naar het Hiernamaals is gegaan.” Daarna begroef hij zijn melkbroeder op de begraafplaats van al-Baqīʿ.
Ook vóór de Islām leidde ʿUthmān ibn Maẓʿūn een rechtschapen leven. Zelfs in een tijd waarin alcohol als water werd gedronken, dronk hij geen alcohol. Hij verrichtte zoveel aanbidding dat hij zelfs zijn echtgenote verwaarloosde. Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dit vernam, liet hij hem op een dag bij zich komen, adviseerde hem om in alle zaken gematigdheid te betrachten en en droeg hem op om hem hierin tot voorbeeld te nemen. Daarnaast herinnerde hij hem eraan dat zijn echtgenote, zijn gast en zelfs zijn eigen nafs/zelf rechten over hem hadden.
Deze hadīth toont aan dat het toegestaan is om het gezicht van een rechtschapen mu’min te openen en de overledene te kussen. Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overleed, kuste Abū Bakr (رضي الله عنه) hem eveneens en zei: “Moge mijn vader en moeder voor jou worden opgeofferd; je was mooi tijdens je leven en je bent ook mooi na je overlijden.”
Wat betreft het huilen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): zoals ook in de vorige hadīth duidelijk werd, huilde hij niet omdat hij overdreven bedroefd was vanwege iemands overlijden, maar vanwege zijn mededogen en barmhartigheid voor de overledene.
327. Hadīth
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Wij waren aanwezig bij de begrafenis van één van de dochters van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Ik zag op dat moment dat de gezegende ogen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), die aan de rand van het graf zat, overvloedig tranen vergoten. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg aan de ṣaḥābah die daar aanwezig waren: “Is er onder jullie iemand die deze nacht niet bij zijn echtgenote is geweest (of: die deze nacht geen zonde heeft begaan)?”
Abū Ṭalḥah al-Anṣārī (رضي الله عنه) zei: “Ik ben die persoon, o Rasûlullāh.’
Daarop zei hij tegen hem: ‘Ga dan het graf in.’
Abū Ṭalḥah daalde vervolgens af in het graf en legde de overledene op haar plaats.”
De vrouw van wie in deze hadīth wordt vermeld dat zij was overleden, was Ummu Kulthūm (رضي الله عنها), de derde dochter van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had zijn tweede dochter Ruqayyah (رضي الله عنها) met ʿUthmān (رضي الله عنه) laten trouwen. Toen zij tijdens de slag bij Badr (2/624) overleed, trouwde hij zijn geliefde dochter Ummu Kulthūm met ʿUthmān (رضي الله عنه).
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft aangegeven dat hij Ummu Kulthūm op bevel van Allāhu (تعالى) met ʿUthmān (رضي الله عنه) had gehuwd. Hij zei ook dat als hij tien dochters zou hebben gehad, hij ze allemaal met ʿUthmān (رضي الله عنه) zou hebben gehuwd. Na vijf jaar huwelijk overleed ook Ummu Kulthūm (9 AH/630 CE).
De reden waarom Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aan de ṣaḥābah bij het graf vroeg: “Is er iemand onder jullie die deze nacht niet bij zijn echtgenote is geweest?”, was om de meest geschikte persoon te vinden om de overledene in het graf te leggen.
Volgens sommige geleerden heeft het werkwoord “qārāfa” dat in deze hadīth wordt genoemd twee betekenissen: de ene is “geslachtsgemeenschap hebben” en de andere is “een zonde begaan”. Met deze vraag wilde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) weten of er onder degenen die de begrafenis bijwoonden iemand was die die nacht geen zonde had begaan.
Wie dient het lichaam van een vrouw in het graf te leggen? Onze geleerden hebben hiervoor de volgende volgorde aangegeven: Haar echtgenoot of een andere maḥram, zoals haar vader of broer; als zij er niet zijn, iemand van haar familieleden of rechtschapen buren; en als ook die ontbreken, een rechtschapen jongeman.
Wanneer het werkwoord “qārāfa” de betekenis “geslachtsgemeenschap hebben” krijgt, weten wij niet precies waarom Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) iemand zocht die de nacht ervoor geen omgang met zijn echtgenote had gehad om de overledene in het graf te leggen.
Waarschijnlijk kan iemand die de nacht ervoor bij zijn echtgenote was geweest nog beïnvloed zijn door zijn gevoelens. Daarom zocht Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) iemand die niet onder invloed was van dergelijke gevoelens om de overledene in het graf te leggen.
Nu kunnen wij de volgende vraag stellen: Waarom legde ʿUthmān (رضي الله عنه), hoewel hij op dat moment op de begraafplaats aanwezig was, zijn eigen echtgenote niet in het graf?
Het eerste antwoord dat bij ons opkomt, is de mogelijkheid dat ʿUthmān (رضي الله عنه) een lichamelijke beperking of een ziekte had waardoor hij niet in het graf kon afdalen.
Sommigen hebben een andere verklaring genoemd. Zij vermelden dat ʿUthmān (رضي الله عنه) de nacht ervoor, in plaats van voor zijn zieke echtgenote te zorgen, omgang zou hebben gehad met zijn slavin. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zou hem daarom, door hem niet toe te staan haar in het graf te leggen, op een bepaalde manier hebben bestraft.
Toen Abū Ṭalḥah al-Anṣārī aangaf dat hij de gevraagde eigenschap bezat, wilde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dat hij de overledene in het graf zou leggen.
Abū Ṭalḥah al-Anṣārī was de stiefvader van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه). Toen Abū Ṭalḥah nog geen moslim was, wilde hij trouwen met Ummu Sulaym, de weduwe van Anas. Deze vrouw zei tegen hem dat zij alleen met hem zou trouwen als hij de Islām zou aannemen en dat zij bovendien geen bruidsschat van hem zou vragen. Hierop nam Abū Ṭalḥah de Islām aan.
Hij was een moedige man die heel goed kon boogschieten, zijn lichaam tijdens de slag bij Uḥud als bescherming voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gebruikte, tijdens de slag bij Ḥunayn twintig mushriks doodde en vanwege zijn krachtige stem door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd geprezen met de woorden: “Zijn stem is beter dan die van een groep mensen onder het leger.”
Abū Ṭalḥah had vele mooie herinneringen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).