As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Ash-Shamā'il an-Nabawiyyah — Deel 3

Auteur: Imām at-Tirmidhī

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

ASH-SHAMĀʾIL AN-NABAWIYYAH:

DE VOORTREFFELIJKE EIGENSCHAPPEN VAN AN-NABĪ (صلى الله عليه وسلم)

Deel 3

İmâm Tirmidzî

Vertaling naar Turks en uitleg door Prof. Dr. Mehmet Yaşar Kandemir

46. HOOFDSTUK: HET BED VAN RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم)

328.Ḥadīth

Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): De bovenkant van het matras waarop Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) sliep, was gemaakt van gelooid leer en de vulling bestond uit zachte dadelvezels.

329.Ḥadīth

Van Jaʿfar aṣ-Ṣādiq, een van de kleinzonen van Ḥusayn (رضي الله عنه), van zijn vader Muḥammad al-Bāqir: Aan ʿĀʾishah (رضي الله عنها) werd gevraagd: “Hoe zag het bed van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in uw huis eruit?”

Zij antwoordde: “De bovenkant van zijn bed was van gelooid leer en de vulling bestond uit zachte dadelvezels.”

Vervolgens werd ook aan Ḥafṣah (رضي الله عنها) gevraagd: “Hoe zag het bed van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in uw huis eruit?”

Zij antwoordde: “Het bed van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in mijn huis bestond uit een vilten deken die wij dubbelgevouwen hadden. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) sliep daarop. Op een nacht kwam bij mij de gedachte op om deze deken vierdubbel te vouwen, zodat Rasûlullāh op een zachter bed zou kunnen slapen. Wij deden dat. De volgende ochtend vroeg an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) : “Wat hebben jullie vannacht onder mij uitgespreid?”

Wij antwoordden: “O Rasûlullāh! Het is hetzelfde bed waarop u altijd slaapt. Alleen hebben wij het vierdubbel gevouwen, omdat wij dachten dat u dan comfortabeler zou liggen.”

Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Spreid het voortaan weer uit zoals jullie dat vroeger deden. De zachtheid van het bed heeft mij ervan weerhouden om gedurende de nacht op te staan voor de ṣalāh.”

Zoals ook in de vorige ḥadīth naar voren kwam, sliep an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op eenvoudige slaapmatten. Volgens de overlevering van ʿĀʾishah (رضي الله عنها) was de bovenkant van het bed van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gemaakt van gelooid leer, terwijl de binnenkant gevuld was met zachte dadelvezels.

Het bed in het huis van Ḥafṣah (رضي الله عنها) bestond slechts uit een dubbelgevouwen vilten deken. In het huis van een andere echtgenote sliep hij waarschijnlijk op een nog eenvoudiger slaapmat.

Ook uit deze ḥadīth blijkt dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nooit behoefte heeft gehad aan een bed waarop hij bijzonder comfortabel kon slapen.

De volgende gebeurtenis laat dit duidelijk zien:

Op een dag bracht een vrouw uit de Anṣār een bezoek aan onze moeder ʿĀʾishah (رضي الله عنها). Toen zij zag dat het bed van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) slechts bestond uit een opgevouwen wollen deken, raakte zij daar zeer door ontroerd. Daarom stuurde zij ʿĀʾishah een met wol gevuld matras, zodat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) daarop kon slapen.

Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) thuiskwam en het matras zag, beviel het hem niet. Hij vroeg wie het had gestuurd en nadat hij dat had vernomen, droeg hij ʿĀʾishah op het matras onmiddellijk aan de vrouw terug te geven.

Onze moeder ʿĀʾishah wilde het echter graag houden, omdat zij graag een wollen matras in huis wilde hebben. Nadat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) haar voor de derde keer had aangesproken, zei hij: “OʿĀʾishah! Stuur het matras terug. Als ik dat had gewild, had Allāhu (تعالى) mij bergen van goud en zilver gegeven die mij overal had gevolgd waar ik ging.” Na deze terechtwijzing stuurde onze moeder het matras terug.

Als het aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) lag, sliep hij het liefst gewoon op de grond. Zo zag hij eens zijn schoonzoon ʿAlī (رضي الله عنه) in al-Masjid an-Nabawī op de grond slapen. Glimlachend veegde hij met zijn gezegende hand het stof van zijn mantel en zei plagend:

“Sta op, Abû Turāb! Sta op!”

Abû Turāb betekent: “vader van het stof” of “degene die met stof bedekt is”. Vanaf die dag werd Abû Turāb de bijnaam van ʿAlī (رضي الله عنه).

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) sliep ook op een rieten mat. Op een dag had hij daarop geslapen. Toen hij wakker werd, had de mat afdrukken achtergelaten op de zijkant van zijn gezegende lichaam.

Toen de ṣaḥābah dit zagen, werden zij erg verdrietig en zeiden: “O Rasûlullāh! Als u wilt, kunnen wij een matras voor u bezorgen, zodat u daarop kunt rusten.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Wat heb ik met deze wereld te maken? Ik ben in deze wereld slechts als een reiziger die op zijn rijdier zit, onder een boom enige tijd rust neemt en daarna weer opstaat en verdergaat.”

Volgens de overlevering van ʿAlī (رضي الله عنه) gaf an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), toen hij zijn geliefde dochter Fāṭimah (رضي الله عنها) uithuwelijkte, haar slechts drie zaken als uitzet mee: een fluwelen kledingstuk, een leren kussen gevuld met gedroogd gras en een waterkruik.

Zo eenvoudig was hun leven. Hun doel was immers niet om in deze wereld een comfortabel leven te leiden, maar om de eeuwige schoonheid van het Hiernamaals te verkrijgen.

In zijn laatste toespraak vóór zijn overlijden sprak hij over zichzelf en zei:

“Deze vergankelijke wereld, met al haar pracht en praal, werd aan een dienaar aangeboden, maar die dienaar verkoos het eeuwige Hiernamaals.”

47. HOOFDSTUK: DE NEDERIGHEID VAN RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم)

330.Ḥadīth

Van ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Prijs mij niet buitensporig, zoals de christenen ʿĪsā, de zoon van Maryam (عليه السلام), buitensporig hebben geprezen. Ik ben slechts een dienaar. Noem mij daarom: de dienaar van Allāh en Zijn rasûl.”

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wilde niet dat zijn ummah hem overdreven zou prijzen. Sterker nog, hij waarschuwde hen hier nadrukkelijk tegen. Waarom deed hij dat? Omdat buitensporige verheerlijking van een nabī iemand uiteindelijk tot ongeloof (kufr) kan brengen.

Rasûlullāh wees daarbij op het voorbeeld van de christenen. Zij prezen hun nabī zo buitensporig dat zij beweerden: “ʿĪsā is de Zoon van Allāh”, of zelfs dat hij goddelijk zou zijn. Daarmee begingen zij laster tegenover hun nabī. Ook de joden begingen, net als de christenen, laster tegenover hun nabī toen zij zeiden: “ʿUzayr is de zoon van Allāh.”

Beide groepen prezen hun anbiyā op overdreven wijze. In werkelijkheid verheerlijkten zij daarmee zichzelf, doordat zij beweerden dichter bij Allāh te staan en zeiden: “Wij zijn de geliefde kinderen van Allāh.”

Allāhu (تعالى) waarschuwde de Ahl al-Kitāb in de Qur’ān, en in het bijzonder de christenen, met de woorden:

يَٰٓأَهۡلَ ٱلۡكِتَٰبِ لَا تَغۡلُواْ فِي دِينِكُمۡ وَلَا تَقُولُواْ عَلَى ٱللَّهِ إِلَّا ٱلۡحَقَّۚ إِنَّمَا ٱلۡمَسِيحُ عِيسَى ٱبۡنُ مَرۡيَمَ رَسُولُ ٱللَّهِ وَكَلِمَتُهُۥٓ أَلۡقَىٰهَآ إِلَىٰ مَرۡيَمَ وَرُوحٞ مِّنۡهُۖ فَـَٔامِنُواْ بِٱللَّهِ وَرُسُلِهِۦۖ وَلَا تَقُولُواْ ثَلَٰثَةٌۚ ٱنتَهُواْ خَيۡرٗا لَّكُمۡۚ إِنَّمَا ٱللَّهُ إِلَٰهٞ وَٰحِدٞۖ سُبۡحَٰنَهُۥٓ أَن يَكُونَ لَهُۥ وَلَدٞۘ لَّهُۥ مَا فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَمَا فِي ٱلۡأَرۡضِۗ وَكَفَىٰ بِٱللَّهِ وَكِيلٗا ١٧١

O, Mensen van het Boek, overtreedt niet de grenzen van jullie godsdienst, zeg niets van Allāh dan de Waarheid. De messias Isa, de zoon van Maryam was (niets meer) dan een Rasûlallāh en Zijn woord (“wees en het is”) dat Hij aan Maryam zond en uit een Geest van Hem voortkomend. Geloof dus in Allāh en Zijn Boodschappers. Zeg niet dat Allāh “drie” is. Stop! (Het is) beter voor jullie. Want Allāh is (de enige) de Ene God, Verheerlijkt zij Hij (ver verheven is Hij) boven het hebben van een zoon. Aan Hem behoort alles wat in de hemelen is en alles wat op aarde is.

En Allāh is Voldoende voor de regeling van zaken. (Nisâ, 4:171)

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft zijn ummah aangespoord om altijd de juiste maat in acht te nemen en deze nooit uit het oog te verliezen. Daarom zei hij, zoals in deze ḥadīth is overgeleverd: “Ik ben slechts een dienaar. Noem mij daarom: de dienaar van Allāh en Zijn rasûl.”

Ook de volgende āyah maakt duidelijk dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) geen godheid is, maar een mens aan wie openbaring werd geschonken:

قُلۡ إِنَّمَآ أَنَا۠ بَشَرٞ مِّثۡلُكُمۡ يُوحَىٰٓ إِلَيَّ أَنَّمَآ إِلَٰهُكُمۡ إِلَٰهٞ وَٰحِدٞۖ فَمَن كَانَ يَرۡجُواْ لِقَآءَ رَبِّهِۦ فَلۡيَعۡمَلۡ عَمَلٗا صَٰلِحٗا وَلَا يُشۡرِكۡ بِعِبَادَةِ رَبِّهِۦٓ أَحَدَۢا ١١٠

Zeg: “Ik ben slechts een mens zoals jullie. Het is aan mij geopenbaard dat jullie god één God is. Dus iedereen die op de ontmoeting met zijn Rab hoopt, laat hem goede werken verrichten en geen deelgenoten in de aanbidding van zijn Rab toekennen.” (Kahf, 18:110)

Uitdrukkingen als “Jalla Jalāluh” (جل جلاله) en “ʿAzza Sha’nuh” (عز شأنه), die uitsluitend voor Allāhu (تعالى) worden gebruikt, mogen niet voor an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) worden gebruikt.

Daarentegen is er geen bezwaar tegen om Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) te prijzen met eretitels als: “de nabī die als barmhartigheid voor de werelden is gezonden”, “Fakhr al-ʿĀlam”, “Sayyid al-Anbiyā” of “Sulṭān al-Anbiyā”.

331.Ḥadīth

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Een vrouw kwam naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei:

“O Rasûlullāh! Ik heb een zaak waarbij ik uw hulp nodig heb.”

Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Ga zitten in welke straat van Madīnah je maar wilt. Ik zal naar je toe komen, naar je luisteren en in jouw behoefte voorzien.”

De ṣaḥābah voelden zich zeer nauw verbonden met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) . Problemen, zorgen en behoeften die zij aan niemand anders konden toevertrouwen, legden zij aan hem voor.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) schonk aandacht aan iedere moslim die met een probleem naar hem toe kwam. Hij deed zijn uiterste best om hun zorgen weg te nemen en in hun behoeften te voorzien.

Uit andere overleveringen blijkt dat de vrouw die in deze ḥadīth wordt genoemd, een dienstmeisje uit Madīnah was. Waarschijnlijk had zij een verstandelijke beperking. Zij kwam geregeld naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), pakte hem bij de hand en nam hem mee naar de plaats waar zij hem wilde hebben. Hoewel Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nooit de hand van een vreemde vrouw vasthield, trok hij zijn hand niet terug uit die van dit meisje, zodat zij, dat door anderen werd geminacht, zich niet gekwetst zou voelen.

Op een dag kwam dit meisje opnieuw naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Blijkbaar had zij ditmaal een persoonlijke kwestie die zij niet in het bijzijn van anderen durfde te bespreken en alleen aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wilde toevertrouwen. Zij vroeg of zij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) onder vier ogen mocht spreken, waarop hij antwoordde dat zij elkaar konden ontmoeten op iedere plaats die zij wenste.

Het meisje ging vervolgens aan de kant van de weg zitten op een plek waar anderen haar woorden niet konden horen.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) liep helemaal naar haar toe, luisterde aandachtig naar haar probleem en voorzag in haar behoefte.

Uit een andere overlevering, die de nederigheid, zachtmoedigheid en de volledige afwezigheid van hoogmoed van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) beschrijft, weten wij bovendien dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nooit aarzelde om met oudere vrouwen, behoeftigen en armen mee te lopen om hen te helpen en in hun behoeften te voorzien.

Ook degenen die zijn hulp vroegen, liet an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) nooit in de steek.

Jābir ibn ʿAbdillāh (رضي الله عنهما) had een schuld bij een jood. Hij vroeg hem om uitstel van betaling met één jaar, maar de jood weigerde. Helaas hadden de dadelpalmen dat jaar niet voldoende opbrengst geleverd om de schuld af te lossen.

Daarop wendde Jābir zich tot Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) met het verzoek hem te helpen. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ging met hem mee naar de dadeltuin en vroeg de jood vriendelijk om de schuld van Jābir uit te stellen. Maar ook dit verzoek wees de jood af.

Vervolgens liep onze geliefde Nabī (صلى الله عليه وسلم) enige tijd door de tuin en rustte daar een poosje uit. Daarna ging hij opnieuw naar de jood en vroeg hem nogmaals begrip te tonen. De man bleef echter onvermurwbaar.

Toen zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aan Jābir dat hij de dadels moest oogsten en daarmee zijn schuld moest afbetalen.

Door de duʿā’ van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd de oogst gezegend. Niet alleen kon de volledige schuld worden afbetaald, maar er bleef zelfs nog een hoeveelheid dadels over.

Jābir ging daarop naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) om hem hierover te informeren. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verheugde zich daarover en zei: “Ik verklaar met volle zekerheid dat ik Rasûlullāh ben.”

Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) beschreef hoe zorgvuldig an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ervoor waakte anderen niet te kwetsen: “Wanneer iemand Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) iets in het oor fluisterde, zag ik nooit dat hij zijn hoofd van die persoon afwendde voordat diegene zelf zijn mond had teruggetrokken. En wanneer iemand zijn gezegende hand vasthield, zag ik nooit dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn hand terugtrok voordat die persoon zijn hand had losgelaten.”

332. Ḥadīth

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bezocht de zieken en informeerde naar hun toestand. Hij woonde de ṣalāh al-janāzah en de begrafenis bij. Hij reed op een ezel en aanvaardde zelfs de uitnodiging van slaven. Zo reed hij op de dag waarop hij ten strijde trok tegen de joden van Banū Qurayẓah op een ezel waarvan zowel het halster als de pakzadel van dadelvezels waren gemaakt.”

In deze ḥadīth vertelt Anas ibn Mālik, de dienaar van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), ons over enkele van zijn gewoonten. Hieronder worden deze één voor één toegelicht.

Anas (رضي الله عنه) vertelt allereerst dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zieken bezocht en naar hun toestand informeerde.

Het bezoeken van een zieke behoort tot de vijf rechten die een moslim op zijn broeder heeft. Daarom maakte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) geen onderscheid tussen vrije mensen en slaven, bekenden en onbekenden, christenen of joden; hij bezocht iedere zieke.

Eens bezocht hij een joodse jongen die hem had gediend. Hij nodigde hem uit om de Islām te aanvaarden, zodat hij gered zou worden. De jongen aanvaardde daarop de Islām.

Om zijn ummah aan te moedigen zieken te bezoeken, zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم):

“Wanneer een moslim zijn zieke moslimbroeder in de ochtend bezoekt, vragen zeventigduizend engelen tot de avond om barmhartigheid voor hem.

Bezoekt hij hem in de avond, dan vragen zeventigduizend engelen tot de ochtend om vergeving voor hem. Bovendien wacht hem in het Paradijs een oogst van vruchten.”

Omdat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zoveel nadruk legde op het bezoeken van zieken, beschouwen de geleerden het bezoeken van een zieke moslim als een sunnah al-mu”akkadah. Sommigen hebben zelfs gezegd dat wanneer niemand een zieke bezoekt, dit voor de bewoners van die wijk een farḍ al-kifāyah wordt.

Wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) een zieke bezocht, ging hij bij diens hoofdeinde zitten en vroeg: “Hoe gaat het met je?”

en zei vervolgens:

لَا بَأْسَ، طَهُورٌ إِنْ شَاءَ ٱللَّهُ

“Lā ba’sa, ṭahūrun in shāʾ Allāh.”

(“Geen bezwaar (maak je geen zorgen); het is een reiniging, als Allāh wil.”)

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte de ṣalāh al-janāzah voor een overleden moslim en woonde ook de begrafenis bij.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vertelde dat degene die de begrafenis van zijn moslimbroeder bijwoont, een beloning ontvangt zo groot als de berg Uḥud: “Wie, in geloof en hopend op de beloning van Allāh, een moslim begeleidt vanaf zijn overlijden totdat de ṣalāh al-janāzah is verricht en is begraven, keert terug met twee qīrāṭ aan beloning, waarvan ieder zo groot is als de berg Uḥud. Wie alleen de ṣalāh aljanāzah verricht en vóór de begrafenis vertrekt, keert terug met één qīrāṭ.”

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wilde graag aanwezig zijn bij de janāzah van de ṣaḥābah.

Op een keer was een vrouw (of volgens een andere overlevering een jonge man) die al-Masjid an-Nabawī schoonmaakte overleden. Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) haar niet meer zag, vroeg hij naar haar. Men vertelde hem dat zij was overleden.

Hij was bedroefd dat men hem daarvan niet op de hoogte had gebracht.

Waarschijnlijk hadden de ṣaḥābah gedacht dat het overlijden van deze eenvoudige persoon niet belangrijk genoeg was om hem ermee lastig te vallen.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vroeg waar haar graf zich bevond. Hij ging erheen en verrichtte bij haar graf alsnog de ṣalāh al-janāzah.

Hij gaf de ṣaḥābah bovendien de opdracht hem beslist op de hoogte te brengen wanneer iemand van hen overleed, zodat hij de ṣalāh al-janāzah kon leiden.

Bij een andere gelegenheid was een man die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) geregeld bezocht, in de nacht overleden. Men had hem in het donker begraven zonder Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) te waarschuwen, omdat men hem op dat late uur niet wilde storen.

Toen hij hiervan de volgende ochtend hoorde, was hij verdrietig. Hij ging naar het graf en verrichtte daar alsnog de ṣalāh al-janāzah.

Hoewel an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) over paarden en kamelen beschikte, reed hij uit grote nederigheid ook op een ezel.

Van Qays, de zoon van Saʿd ibn ʿUbādah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bracht ons eens een bezoek en vereerde ons huis met zijn aanwezigheid. Toen hij weer wilde vertrekken, liet mijn vader een ezel brengen waarop een fluwelen kleed was gelegd.

Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) erop was gestegen, zei mijn vader tegen mij:

“O Qays, begeleid Rasûlullāh!”

Daarop zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) : “Kom, stap ook op.”

Maar ik schaamde mij om met hem mee te rijden.

Toen zei hij: “Of je stapt op, of je gaat terug.”

Ik koos ervoor om terug te gaan.”

Zoals ook in deze ḥadīth is vermeld, reed an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op de dag van de expeditie tegen Banū Qurayẓah op een ezel waarvan het halster en de pakzadel uit dadelvezels waren vervaardigd.

De geleerden volgden de sunnah van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) met grote nauwgezetheid. Alleen al omdat hij op een ezel reed, deden ook zij dat.

Sālim ibn ʿAbdillāh (رحمه الله) (overl. 106 AH/725 CE), de rechtsgeleerde en ascetische zoon van de bekende saḥābi ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما), probeerde net als zijn vader de godsdienst nauwgezet te beleven. Omdat zijn vader op een ezel reed, deed hij dat eveneens. Zijn zonen vonden echter dat het rijden op een oude ezel afbreuk deed aan zijn aanzien en drongen er herhaaldelijk bij hem op aan daarmee te stoppen.

Toen hun vader bleef weigeren, sneden zij eerst één oor van de ezel af en daarna ook het andere. Omdat hun vader nog steeds op de ezel bleef rijden, sneden zij ten slotte ook zijn staart af. Toch bleef Sālim ibn ʿAbdillāh op zijn ezel rijden, hoewel deze geen oren en geen staart meer had.

Aan het einde van deze ḥadīth wordt ook vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zelfs de uitnodiging van slaven aannam. Wanneer een vrijgelaten slaaf hem uitnodigde voor een maaltijd of hem vroeg naar zijn huis te komen om hem met iets te helpen, gaf Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aan dat verzoek gehoor. Zo groot was de nederigheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).

333. Ḥadīth

Opnieuw van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) aanvaardde zelfs een uitnodiging waarbij slechts een maaltijd van gerstebrood en van een gerecht dat was bereid met vet dat op het punt stond te bederven.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had een maliënkolder die hij als onderpand aan een jood had gegeven. Tot aan zijn overlijden was hij niet in staat deze maliënkolder uit het onderpand terug te krijgen.”

Vermogende ṣaḥābah nodigden Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) soms uit voor een maaltijd, zodat hij hun huizen met zijn aanwezigheid zou eren. Op dezelfde manier nodigden arme en behoeftige mu’mins hem uit aan hun zeer eenvoudige tafels, uitsluitend om te profiteren van de zegeningen die met zijn aanwezigheid kwamen.

Op de tafels van de armen bestond het eten vaak uit gerstebrood en olie die zijn smaak had verloren en waarvan de geur enigszins was veranderd, om als bijgerecht bij het brood te dienen. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) kende de omstandigheden van zijn arme ṣaḥābah heel goed, maar hij wees hun uitnodigingen niet af en wilde hen niet kwetsen.

In werkelijkheid verschilde zijn eigen huis vaak niet van hun huizen. Zoals wij in de uitleg van ḥadīth 72 hebben gezien, kon de familie van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) soms zelfs geen gerstebrood vinden.

In de uitleg van de aḥadīth 143 tot en met 150 hebben wij gelezen dat zijn familie soms twee dagen achter elkaar geen gerstebrood at om hun honger te stillen en dat zij meerdere nachten achtereen zonder avondmaaltijd naar bed gingen.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) sprak nooit over zijn problemen/zorgen tegenover anderen. Als de ṣaḥābah, die bereid waren hun leven voor hem op te offeren, hadden geweten hoe moeilijk zijn situatie was, zouden zij zijn huis met de beste gerechten hebben gevuld. Maar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vertelde zelfs zijn eigen familieleden niets over zijn toestand.

Zoals wij in het tweede gedeelte van deze ḥadīth lezen, kocht Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen het einde van zijn leven bij een joodse handelaar, Abū ash-Shahm, afkomstig van de stam Aws, dertig schalen gerst (volgens sommige overleveringen twintig schalen) om de voedselvoorziening van zijn negen echtgenotes te verzorgen. De waarde van de gekochte gerst bedroeg slechts één dīnār. Maar hij beschikte niet over geld om deze schuld te betalen. Daarom gaf hij één van zijn maliënkolders als onderpand aan de joodse handelaar.

Hij was van plan de schuld binnen een jaar af te betalen en zijn maliënkolder terug te krijgen. Omdat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vóór het verstrijken van dat jaar overleed, kon hij zijn maliënkolder niet uit het onderpand terughalen. Toen Abū Bakr (رضي الله عنه) khalīfah werd, betaalde hij alle schulden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), en loste ook de schuld aan deze handelaar af.

Zo haalde hij de maliënkolder van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) uit het onderpand en overhandigde deze aan ʿAlī (رضي الله عنه).

Men moet niet denken dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) arm was. Tijdens de Afscheidsḥaj, die hij drie maanden vóór zijn overlijden verrichtte, offerde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) maar liefst honderd kamelen. Er bestaat geen twijfel dat iemand die honderd kamelen offert over aanzienlijke rijkdom beschikt. Maar terwijl er zoveel arme en behoeftige mensen om hem heen leefden, hield hij de gunsten die Allāh hem had geschonken niet voor zichzelf. Hij verdeelde deze onder degenen die deze nodig hadden.

334. Ḥadīth

Opnieuw van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de ḥaj verrichtte, bevond hij zich op zijn kameel. Op de kameel lag een oude pakzadel, waarvan de bovenkant bedekt was met een versleten fluwelen kleed dat nog geen vier dirham waard was.

Terwijl hij zich in deze nederige toestand bevond, verrichtte hij de volgende duʿā”:

“O Allāh! Maak deze ḥaj van mij een aanbidding die niet wordt verricht om door anderen gezien of gehoord te worden, en die vrij is van pronkzucht en bekendheid (riyāʾ en sumʿah)!”

Deze ḥadīth behoort tot de overleveringen die de buitengewone nederigheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) laten zien.

Tijdens de Afscheidsḥaj lag op de kameel waarop hij reed een oude, versleten pakzadel, die, als deze verkocht zou worden, nog geen vier dirham waard zou zijn. Ondanks deze eenvoudige toestand vroeg hij Allāhu (تعالى) om zijn verrichte ḥaj te aanvaarden als een aanbidding die met oprechtheid en zuivere intentie was verricht.

Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) duʿā’verrichtte tot Allāhu (تعالى), vroeg hij dat zijn ḥaj “vrij van pronkzucht en bekendheid” zou zijn.

Met andere woorden: hij smeekte Allāhu (تعالى) dat zijn ḥaj niet vermengd zou worden met riyāʾ en sumʿah en dat Hij deze uitsluitend als een aanbidding verricht omwille van Zijn tevredenheid zou aanvaarden. Want riyāʾ betekent: een aanbidding verrichten zodat mensen het zien. Sumʿah betekent: een aanbidding verrichten zodat mensen ervan horen. Deze gevoelens vernietigen volledig de beloning die iemand verwacht voor de goede daden en weldaden die hij verricht.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beschreef de schade van riyāʾ en sumʿah als volgt:

“Wie een goede daad die hij heeft verricht bekendmaakt aan de mensen om daarmee roem te verkrijgen, Allāh zal zijn verborgen zaken bekendmaken. En wie een goede daad aan anderen laat zien om daarmee de waardering van de mensen te verkrijgen, Allāh zal zijn huichelarij openbaar maken.”

Volgens deze ḥadīth zal Allāhu (تعالى) degene die aanbidt en goede daden verricht met de bedoeling dat anderen dit zien, ervan horen en hem prijzen, zijn verborgen zaken onthullen. Hij zal de daden die hij in het geheim verrichtte zowel in deze wereld als op de Verzamelplaats (al-Maḥshar) aan alle mensen bekendmaken. Want riyāʾ is verborgen shirk.

Dat goede daden die worden verricht zodat anderen ze zien en ervan horen uiteindelijk een last en een beproeving voor iemand worden, en dat Allāhu (تعالى) pronkzucht niet aanvaardt/vergeeft, wordt vermeld in een ḥadīth al-qudsī:

“Allāhu (تعالى) heeft gezegd: “Ik ben Degene Die het verst verwijderd is van het toekennen van deelgenoten. Wie in zijn daden naast Mij iemand anders als deelgenoot aan Mij toekent, dan verwerp Ik zowel hem als degene die hij naast Mij als deelgenoot heeft gelijkgesteld.”

335.Ḥadīth

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Er was niemand onder de ṣaḥābah die zij meer liefhadden dan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).

Anas vervolgde: Ondanks deze grote liefde stonden zij niet op wanneer zij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zagen, omdat zij wisten dat hij er niet van hield dat men voor hem opstond.

De ṣaḥābah hielden meer van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dan van hun moeders, vaders, kinderen en zelfs meer dan van zichzelf. Wanneer zij hem zagen, waren zij als het ware buiten zichzelf van vreugde en werd het voor hen een feestdag. Want hij was degene die hen uit de dwaling naar de leiding had gebracht en hun de weg naar Allāh had gewezen.

Abū ʿUbaydah ibn al-Jarrāḥ (رضي الله عنه) doodde zijn vader, die een kāfir was, tijdens de Slag bij Badr, omdat deze Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beledigde en hem kwaad aandeed. Tijdens dezelfde strijd wilde ook Abū Bakr (رضي الله عنه) vechten tegen zijn zoon ʿAbdurraḥmān, die zich in de rijen van de vijand bevond, met hetzelfde doel. Maar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stond dit niet toe.

Een ander voorbeeld dat laat zien hoeveel de ṣaḥābah van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hielden, is de houding van ʿUmar (رضي الله عنه). Op een dag zei deze toekomstige rechtvaardige khalīfah van de Islām tegen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) : “U bent mij dierbaarder dan alles, behalve mijn eigen leven dat zich in mijn borst bevindt.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei daarop: “Niemand van jullie zal werkelijk geloof (īmān) hebben totdat ik hem dierbaarder ben dan zijn eigen leven.”

Daarop zei ʿUmar (رضي الله عنه): “(Ik zweer) bij Allāh, Die het Boek aan u heeft neergezonden, dat u mij dierbaarder bent dan mijn eigen leven dat zich in mijn borst bevindt.”

Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “ Kijk, nu is het goed, ʿUmar!”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wist heel goed hoeveel de ṣaḥābah van hem hielden.

Daarom vreesde hij dat deze liefde hen tot overdrijving zou brengen. Hij hield rekening met het feit dat de christenen door hun buitensporige liefde voor ʿĪsā (عليه السلام) hem tot het niveau van een godheid hadden verheven. Om te voorkomen dat de ṣaḥābah in dezelfde fout zouden vervallen, riep hij hen telkens op tot gematigdheid. Daarom wilde hij niet dat zij voor hem opstonden wanneer zij hem zagen.

Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) echter in al-Masjid an-Nabawī zat en vervolgens opstond om naar zijn huis te gaan, stonden zij wel op en bleven zij staan totdat hij de gezegende woning binnenging. Dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) niet wilde dat men voor hem opstond, kwam voort uit zijn nederigheid (tawāḍuʿ).

Als Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hun dit niet had verboden, zouden zij ongetwijfeld met grote vreugde voor hem zijn opgestaan. Hoewel zij ernaar verlangden uit eerbied voor hun Nabī op te staan, die zij meer liefhadden dan hun eigen leven, gaven zij zijn bevel voorrang boven hun eigen verlangen en bleven zij zitten wanneer hij bij hen kwam.

Aan de andere kant kende Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de liefde en het respect die de ṣaḥābah voor elkaar hadden zeer goed. Hij maakte er geen bezwaar tegen dat zij voor elkaar opstonden. Sterker nog, soms moedigde hij dit zelfs aan. Dit gebeurde tijdens de dagen waarin de joden van Banū Qurayẓah werden belegerd. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stuurde een bericht naar Saʿd ibn Muʿādh (رضي الله عنه), één van de vooraanstaande mensen van de Anṣār, met het verzoek naar hem toe te komen. Toen Saʿd op zijn ezel naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam, zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tegen de aanwezige ṣaḥābah: “Sta op voor jullie heer (of: de beste persoon onder jullie).” Zij stonden daarop op.

Een ander voorbeeld is het volgende:

Kaʿb ibn Mālik (رضي الله عنه) was één van de drie ṣaḥābah die zonder geldige reden niet had deelgenomen aan de expeditie naar Tabūk. Daarom hadden an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en de ṣaḥābah vijftig dagen lang niet met hen gesproken.

Op de dag waarop de āyah werd neergezonden waarin werd vermeld dat zij vergeven waren, kwam Kaʿb naar al-Masjid an-Nabawī. Toen Ṭalḥah ibn ʿUbaydillāh (رضي الله عنه) zag dat hij binnenkwam, stond hij onmiddellijk op, feliciteerde hem met zijn vergeving en verwelkomde hem. Op dat moment zat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) daar ook.

Vanuit deze gedachte hebben onze geleerden het niet afgekeurd om op te staan uit respect voor een leraar van wie men onderwijs krijgt, voor geleerden, rechtschapen mensen en een rechtvaardige leider.

Er bestaat echter een gevaarlijke situatie met betrekking tot het opstaan. Dat is wanneer iemand ervan houdt dat mensen voor hem opstaan en dit verlangt.

Op een dag waarschuwde Muʿāwiyah (رضي الله عنه) degenen die voor hem opstonden met de woorden: “Ga zitten!”

Daarna vertelde hij hun dat hij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) persoonlijk had horen zeggen:

“Laat degene die ervan houdt dat mensen voor hem opstaan, zijn plaats in het Vuur voorbereiden.”

Hier kunnen wij aan de hand van een voorbeeld uit het leven van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zien dat een vader en een kind uit diepe liefde voor elkaar kunnen opstaan.

Van onze moeder ʿĀʾishah (رضي الله عنها): Telkens wanneer Fāṭimah (رضي الله عنها) bij haar vader kwam, stond Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), voor haar op, kuste hij zijn geliefde dochter en liet hij haar op zijn eigen plaats zitten. En wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bij zijn dochter op bezoek ging, ontving de roos van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) haar vader staande, kuste hem en bood hem haar eigen zitplaats aan.

336. Ḥadīth

Van Ḥasan, de zoon van ʿAlī (رضي الله عنهما): Ik vroeg mijn oom van moederszijde, Hind ibn Abī Hālah, één van degenen die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het beste kon beschrijven, om mij iets te vertellen over (de eigenschappen en) het uiterlijk (ḥilyah) van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).

Hij vertelde mij het volgende: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had een krachtig en indrukwekkend voorkomen. Zijn gezicht straalde als de volle maan van de veertiende nacht.”

Daarna vertelde Hind ibn Abī Hālah de volledige overlevering aan Ḥasan.

Ḥasan (رضي الله عنه) vervolgde: “Een tijdlang vertelde ik deze informatie die ik van mijn oom had geleerd niet aan mijn broer Ḥusayn (رضي الله عنه). Later vertelde ik hem er toch over. Maar Ḥusayn had blijkbaar al eerder dan ik aan onze oom Hind gevraagd naar de eigenschappen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): hoe hij ergens binnenging en weer vertrok, zijn uiterlijk en andere kenmerken.

Daar bleef het niet bij. Hij had ook onze vader ʿAlī (رضي الله عنه) gevraagd naar het huiselijke leven van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), zijn gedrag onder de mensen en de manier waarop hij met de ṣaḥābah omging. Onze vader had hem alles verteld wat hij hierover wist.

Mijn broer Ḥusayn vertelde vervolgens één voor één wat hij onze vader had gevraagd en zei: Ik vroeg mijn vader hoe Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar zijn huis ging en wat hij daar deed. Hij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verdeelde de tijd die hij thuis doorbracht in drie delen:

Eén derde wijdde hij aan aanbidding en gehoorzaamheid aan Allāh;

Eén derde besteedde hij aan zijn echtgenotes en het verzorgen van de behoeften van zijn huishouden;

En één derde gebruikte hij voor rust en zijn persoonlijke zaken.

De tijd die eigenlijk voor zichzelf bestemd was, deelde hij met andere mensen. Tijdens deze momenten mochten alleen zijn zeer nabije ṣaḥābah bij hem binnenkomen.

Zij vertelden vervolgens de kennis die zij hadden opgedaan bij hem aan degenen die niet aanwezig waren. Zo hield Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn kennis voor niemand achter en deelde hij wat hij wist met iedereen.

Een andere gewoonte van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was dat hij tijdens de tijd die hij voor zijn ummah reserveerde, de ṣaḥābah die geestelijk hogere niveaus hadden bereikt bij zich toeliet en hun tijd gaf overeenkomstig hun verdiensten in de godsdienst (dīn).

Sommigen van hen hadden één kwestie om te bespreken, anderen twee of meer.

Hij hield zich met hen bezig en onderwees hen kennis die zowel voor henzelf als voor de Ummah van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) nuttig was voor zowel in deze wereld als in het Hiernamaals.

Daarna zei hij: “Laat degenen die hier aanwezig zijn, hetgeen zij van mij hebben gehoord overbrengen aan degenen die hier niet aanwezig zijn. Breng mij de behoeften/problemen over van degenen die daar zelf niet toe in staat zijn. Wie de nood van iemand die zijn klachten niet aan de bestuurders kan voorleggen, onder hun aandacht brengt, zal door Allāh op de Dag der Opstanding standvastig over de Brug (Ṣirāṭ) doen gaan.”

Bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd alleen gesproken over het onderwijs in de godsdienst en de zaken van de Ummah van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم). Hij stond niet toe dat iemand over andere nutteloze zaken sprak.

De ṣaḥābah gingen naar hem toe om kennis op te doen en vertrokken nadat zij de smaak van kennis hadden ervaren. Ieder van hen verliet Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) terwijl hij (iets van) het Boek en de Sunnah had geleerd.

Ḥusayn (رضي الله عنه) vervolgde: Ik vroeg mijn vader: “Wat deed Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wanneer hij buiten onder de mensen was?”

Hij zei: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) sprak geen woorden die de mensen geen voordeel zouden opleveren.

Hij sprak op een manier die de liefde tussen hem en de ṣaḥābah versterkte en vermeed alles wat ertoe zou kunnen leiden dat zij zich van hem afkeerden of van hem vervreemden.

Hij behandelde de vooraanstaande personen van iedere stam met respect en benoemde hen tot leiders van hun eigen stammen.

Hij spoorde de moslims aan voorzichtig en waakzaam te zijn tegenover bestuurders van wie hij hun houding niet goed vond. Ook onthield hij niemand zijn glimlach en vriendelijke woorden. Tegenover degenen van wie hij het gedrag en de houding afkeurde, stelde hij zich echter voorzichtiger op.

Hij vroeg naar de toestand van de ṣaḥābah die hij niet in zijn gezelschap zag en leerde van hen wat er onder de mensen leefde.

Wanneer iets goed en prijzenswaardig was, sprak hij er lovend over en spoorde hij ertoe aan; en wanneer iets slecht was, wees hij op het kwaad ervan en waarschuwde hij ervoor. Alles wat hij deed was evenwichtig. Geen enkele handeling of uitspraak van hem was in strijd met een andere.

Hij herinnerde de mensen aan hun verplichtingen, uit vrees dat zij hun godsdienstige en wereldse taken niet op de juiste wijze zouden uitvoeren of hierin nalatig zouden worden.

Voor iedere moeilijke kwestie met betrekking tot deze wereld en het Hiernamaals vond hij een oplossing.

Hij schoot niet tekort in het uitvoeren van de taken die hij moest verrichten en week ook niet af van de waarheid.

De mensen die hem omringden, waren de besten en de deugdzaamsten onder de mensen.

Degenen die in zijn ogen de grootste verdiensten bezaten, waren degenen die het beste over anderen dachten. Degenen die bij hem de hoogste aanzien genoten, waren degenen die zich het meest bekommerden om de armen en hun de meeste hulp boden.

Ḥusayn (رضي الله عنه) vervolgde: “Ik vroeg mijn vader hoe Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zich gedroeg wanneer hij met mensen samen zat.

Hij zei: “Bij alles wat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deed, of hij nu ging zitten of opstond, gedacht hij Allāh.

Wanneer hij bij een groep mensen kwam, nam hij niet de ereplaats in.

Hij ging zitten waar een lege plaats was en droeg anderen op hetzelfde te doen.

Hij schonk aandacht aan de mensen naast hem en toonde hen waardering.

Iedereen in zijn gezelschap dacht dat hij degene was aan wie Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de meeste waarde hechtte.

Wanneer iemand vanwege een vraag of behoefte naast hem kwam zitten, vertrok Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) niet voordat die persoon zelf opstond en wegging.

Wanneer iemand hem iets vroeg, liet hij die persoon vertrekken door hem datgene te geven wat hij vroeg, door te beloven het te geven, of door een geruststellend en vriendelijk woord te spreken.

Omdat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) iedereen omvatte met zijn goede gedrag en prachtige karakter, was hij als een vader voor alle moslims. Iedereen was bij hem gelijk wat betreft het bewaken van hun rechten.

Het gezelschap van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was een gezelschap waarin zachtmoedigheid, schaamte, betrouwbaarheid en geduld werden onderwezen en en in praktijk gebracht.

Uit eerbied voor hem verhief niemand in zijn aanwezigheid zijn stem, werden de tekortkomingen van niemand openbaar gemaakt en werden de fouten van niemand aan de kaak gesteld.

Degenen die in het gezelschap van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) waren, waren gelijk aan elkaar. Alleen op basis van godsvrucht (taqwā) werd de ene boven de andere gesteld.

Iedereen daar was uiterst nederig, toonde respect voor ouderen en hield van jongeren. Zij gaven voorrang aan mensen met behoeften, hadden mededogen met vreemdelingen en hielden rekening met elkaars rechten.”

Ḥasan (رضي الله عنه) vroeg zijn oom Ibn Abī Hālah (رضي الله عنه) naar bepaalde eigenschappen van zijn grootvader. Ibn Abī Hālah kende Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) namelijk zeer goed, omdat hij de zoon was van Khadījah (رضي الله عنها) uit haar eerdere huwelijk vóór Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en onder de opvoeding van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was opgegroeid. Bovendien behoorde hij tot degenen die de eigenschappen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het beste konden beschrijven.

Wat Ḥasan betreft: toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overleed, was hij slechts zeven jaar oud. Hij was nog niet oud genoeg om alle eigenschappen en schoonheid van zijn grootvader volledig te beseffen.

Er zat één jaar verschil tussen Ḥasan en Ḥusayn (رضي الله عنهما).

Ḥasan was de oudere broer.

Beiden wilden de eigenschappen van hun grootvader leren kennen. Daarom vroegen zij dit aan hun oom Ibn Abī Hālah en hun vader ʿAlī (رضي الله عنه), die tot de ṣaḥābah behoorden die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het beste konden beschrijven.

Zowel Ibn Abī Hālah als ʿAlī (رضي الله عنهما) waren namelijk vanaf jonge leeftijd onder de opvoeding van Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) opgegroeid. Daardoor hadden zij zijn eigenschappen beter leren kennen dan wie ook en kenden zij hem beter dan anderen.

Nu zullen enkele uitdrukkingen uit deze ḥadīth worden toegelicht:

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had een indrukwekkend voorkomen. Hij had een uitstraling die respect opriep bij mensen. Door deze eigenschap die Allāhu (تعالى) hem had geschonken, ontstond bij degene tegenover hem vanzelf een gevoel van eerbied.

Ibn Abī Hālah zei dat het gezegende gezicht van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zo mooi was als de volle maan van de veertiende nacht.

Voor uitgebreidere informatie hierover kan men vooral de aḥadīth 8, 10 en 11 in het eerste hoofdstuk raadplegen, waarin het uiterlijk van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wordt beschreven.

Eén van de zaken die deze twee geliefde kleinzonen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wilden leren, was wat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) thuis deed.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verdeelde de tijd die hij thuis doorbracht in drie delen.

Eén derde besteedde hij aan aanbidding van Allāh: hij verrichtte wuḍūʾ, deed de ṣalāh, reciteerde de Qurʾān en dacht na over Zijn tekenen.

Het andere deel besteedde hij aan de behoeften van zijn huishouden. Hij hield zich bezig met zijn echtgenotes, vroeg naar hun toestand, stelde hen gerust, toonde hen genegenheid en maakte grapjes met hen.

Er zijn vele voorbeelden van de gesprekken en het plezier dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) met zijn echtgenotes had. Hier volgen twee voorbeelden:

Een voorbeeld hiervan is dat hij de beker pakte waaruit ʿĀʾishah (رضي الله عنها) had gedronken en dronk op dezelfde plaats waar haar mond de beker had geraakt. Ook nam hij een stuk vlees waarin zij had gebeten en beet op dezelfde plaats waar zij had gebeten.

Een ander voorbeeld is het volgende:

Op een dag was Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in de kamer van ʿĀʾishah. Eén van zijn echtgenotes, Ṣafiyyah (رضي الله عنها), stuurde een schaal met eten naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) .

Toen ʿĀʾishah de schaal in de hand van de dienaar zag, voelde zij jaloezie en werd zij boos. Zij sloeg tegen de hand van de dienaar, waardoor het eten op de grond viel en de schaal brak.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stond op en zei: “Jullie moeder werd jaloers.”

Daarna begon hij de stukken van de gebroken schaal en het gevallen eten op te rapen.

Toen ʿĀʾishah (رضي الله عنها) het gezicht van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zag en merkte dat hij boos was, kreeg zij spijt van wat zij had gedaan en zei: “Ik zoek mijn toevlucht bij Rasûlullāh tegen het feit dat hij mij vandaag een slecht woord zou zeggen.”

Daarna vroeg zij: “O Rasûlullāh! Wat is de manier om mijn gemaakte fout vergeven te krijgen?”

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei dat dit alleen kon worden hersteld door eenzelfde schaal en dezelfde hoeveelheid voedsel aan de dienaar te geven en deze terug te sturen naar de eigenaar.

Het overige deel van zijn tijd bracht Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) thuis door, waar hij zich zowel aan zijn persoonlijke zaken wijdde als zijn zeer gewaardeerde vrienden ontving, zoals Abū Bakr, ʿUmar en zijn schoonzonen, ʿUthmān en ʿAlī (رضي الله عنهم) .Hij voerde dan gesprekken met hen. Met andere woorden: degenen die hij in zijn huis ontving, koos hij niet op basis van hun afkomst of rijkdom, maar overeenkomstig hun voortreffelijkheid in de dīn, volgens de regel:

يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّاسُ إِنَّا خَلَقۡنَٰكُم مِّن ذَكَرٖ وَأُنثَىٰ وَجَعَلۡنَٰكُمۡ شُعُوبٗا وَقَبَآئِلَ لِتَعَارَفُوٓاْۚ إِنَّ أَكۡرَمَكُمۡ عِندَ ٱللَّهِ أَتۡقَىٰكُمۡۚ إِنَّ ٱللَّهَ عَلِيمٌ خَبِيرٞ ١٣

O mensheid! Wij hebben jullie uit een man en een vrouw voortgebracht (Adam en Eva) en jullie tot volken en stammen gemaakt, opdat jullie elkaar leren kennen. Waarlijk, de meest eerbare onder jullie in het aangezicht van Allāh is de (gelovige) die Hem het meest vreest. Waarlijk, Allāh is Alwetend, Welbewust. (Ḥujurāt, 49:13)

Deze vooraanstaande ṣaḥābah vertelden, wanneer zij weer naar buiten gingen, aan andere moslims wat zij van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hadden geleerd. Want Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beval dat de kennis die van hem werd gehoord en geleerd ook aan anderen door te gegeven: “Laat degenen die aanwezig zijn het vertellen aan degenen die niet aanwezig zijn.”

Zo moest degene die kennis bezat deze overbrengen aan degene die deze niet bezat. Degene die iets van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had gehoord, moest dit vertellen aan degene die het niet had gehoord.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf de ṣaḥābah nog een andere taak.

De religieuze en wereldlijke behoeften van mensen die vanwege ziekte, slavernij, hun positie als dienares, schaamte of de grote afstand waarop zij woonden hun problemen niet persoonlijk konden voorleggen, moesten worden opgemerkt en onder de aandacht worden gebracht. Hun situatie diende vervolgens aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) te worden voorgelegd, die naast zijn profeetschap ook de leider van de gemeenschap was.

Allāh zou de beloning geven aan degenen die deze taak uitvoerden.

Omdat zij hun moslim broeders en zusters te hulp kwamen, zouden zij op de Dag des Oordeels veilig en snel over de Brug (Ṣirāṭ) kunnen gaan.

Eén van de belangrijkste uitspraken die in onze ḥadīth voorkomt, is de volgende:

“De ṣaḥābah gingenbij hem binnen om kennis op te doen. Zij vertrokken nadat zij de smaak van kennis hadden ervaren en verlieten zijn gezelschap terwijl ieder van hen (iets van) het Boek en de Sunnah had geleerd.”

Wanneer de kennis van een dienaar toeneemt, maar zijn nabijheid tot Allāh niet groeit, is er iets mis. Met andere woorden: als zijn kennis hem er niet van weerhoudt zich te laten meeslepen door de verlokkingen van deze wereld, als zijn nederigheid (tawāḍuʿ) niet toeneemt maar zijn hoogmoed juist groeit, dan raakt hij steeds verder verwijderd van Allāhu (تعالى). Zo iemand verdient het niet een geleerde (ʿālim) te worden genoemd. De kennis die hij heeft opgedaan, wordt dan een last die tegen hem zal getuigen.

Ḥusayn (رضي الله عنه) vroeg zijn vader naar wat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deed wanneer hij zijn huis verliet en zich tussen de mensen bevond.

Zie hoe belangrijk de woorden van ʿAlī (رضي الله عنه) hierover zijn en hoe noodzakelijk ze zijn voor het goed omgaan met mensen: zijn spreken en zwijgen waren evenwichtig

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beheerste zijn tong en sprak geen nutteloze woorden. Daarom zweeg hij vaak en sprak hij alleen wanneer dat nodig was.

Hij adviseerde zijn ummah dit ook en zei: “Wie in Allāh en de Laatste Dag gelooft, laat hem het goede spreken of zwijgen.”

Hij sprak vriendelijke woorden die de liefde tussen hem en de ṣaḥābah versterkte en hun harten geruststelde. Woorden die ertoe zouden leiden dat zij zich van hem zouden distancieren, sprak hij niet uit.

Als an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de mensen niet op deze wijze had omarmd om hen dichter bij zich te brengen, als hij niet zo vol liefde was geweest en hen van zich had afgestoten, wat zou dan het gevolg zijn geweest?

Allāhu (تعالى) geeft het antwoord hierop:

فَبِمَا رَحۡمَةٖ مِّنَ ٱللَّهِ لِنتَ لَهُمۡۖ وَلَوۡ كُنتَ فَظًّا غَلِيظَ ٱلۡقَلۡبِ لَٱنفَضُّواْ مِنۡ حَوۡلِكَۖ فَٱعۡفُ عَنۡهُمۡ وَٱسۡتَغۡفِرۡ لَهُمۡ وَشَاوِرۡهُمۡ فِي ٱلۡأَمۡرِۖ فَإِذَا عَزَمۡتَ فَتَوَكَّلۡ عَلَى ٱللَّهِۚ إِنَّ ٱللَّهَ يُحِبُّ ٱلۡمُتَوَكِّلِينَ ١٥٩

En door de Genade van Allāh ging jij vriendelijk (en liefdevol) met hen om. (Maar) als je streng en hardvochtig tegen hen was geweest, dan hadden zij zich (ongetwijfeld in groepjes) van je afgekeerd. Vergeef hen dus (hun fouten op basis van dit verheven karakter) en vraag (Allāh vervolgens om) vergiffenis voor hen zodat je hen kunt raadplegen bij het nemen van beslissingen. En als je een besluit hebt genomen, stel dan je vertrouwen in Allāh. (Want) voorzeker, Allāh houdt van degenen die (onbeperkt) vertrouwen hebben (in Hem alléén). (Āl ʿImrān, 3:159)

Onze geliefde Rasûl (صلى الله عليه وسلم) vatte de wijze waarop de harten van mensen kunnen worden gewonnen en geraakt samen in de volgende kernachtige ḥadīth: “Maak het gemakkelijk en maak het niet moeilijk; geef blijde tijdingen en wek geen afkeer op.”

Tot de gewoonten van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) behoorde dat hij de leiders en vooraanstaande personen van iedere stam waardeerde, hen met eerbied behandelde en hun positie respecteerde. Wanneer zij nog geen moslim waren, trachtte hij hun harten voor de Islām te winnen door hun, wanneer dat passend was, honderd, tweehonderd of zelfs driehonderd kamelen te schenken.

Hij adviseerde de ṣaḥābah hierover als volgt: “Wanneer de vooraanstaande persoon van een volk naar jullie komt, toon hem dan eer/respect.”

Mensen beschouwen de eer die aan de leider van hun gemeenschap wordt gegeven als een eer die ook aan henzelf wordt gegeven en worden daar zeer gelukkig van.

Ook Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stelde de vooraanstaande persoon van iedere stam aan als leider van die stam en maakte zo iedereen tevreden.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg naar de toestand van de ṣaḥābah die hij niet in zijn gezelschap zag en onderzocht hun situatie.

Wanneer één van de ṣaḥābah ziek was, bezocht hij hem.

Wanneer iemand op reis was gegaan, deed hij duʿāʾ voor zijn veilige terugkeer.

Wanneer hij vernam dat iemand was overleden, vroeg hij Allāh om vergeving voor zijn zonden.

Degene die onrecht was aangedaan, probeerde hij uit de handen van de onrechtpleger te bevrijden.

ʿAlī (رضي الله عنه) heeft verteld dat degene die bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de hoogste plaats innam, iemand was die het meest positief over anderen dacht, de armen het meest opmerkte, zich om hen bekommerde en hun de meeste hulp bood.

Zo was het inderdaad, want Allāhu (تعالى) heeft hiervoor de maatstaf bepaald:

وَٱلَّذِينَ تَبَوَّءُو ٱلدَّارَ وَٱلۡإِيمَٰنَ مِن قَبۡلِهِمۡ يُحِبُّونَ مَنۡ هَاجَرَ إِلَيۡهِمۡ وَلَا يَجِدُونَ فِي صُدُورِهِمۡ حَاجَةٗ مِّمَّآ أُوتُواْ وَيُؤۡثِرُونَ عَلَىٰٓ أَنفُسِهِمۡ وَلَوۡ كَانَ بِهِمۡ خَصَاصَةٞۚ وَمَن يُوقَ شُحَّ نَفۡسِهِۦ فَأُوْلَٰٓئِكَ هُمُ ٱلۡمُفۡلِحُونَ ٩

En degenen die vóór hen huizen hadden (in Medina) en tot het geloof gekomen waren, zij houden van degenen die naar hen emigreerden, en zij hebben geen jaloersheid in hun harten op wat (aan hen) gegeven is. En zij geven aan hen de voorkeur boven henzelf, zelfs als zij het nodig hebben. En wie zich hoedt voor zijn eigen vrekkigheid: zij behoren zeer zeker tot de” succesvollen. (Ḥashr, 59:9)

Ook de moslims van Madīnah, die wij de “Anṣār” noemen, hadden dit gedaan. Zij hadden hun broeders die vanuit Makkah waren geëmigreerd en die wij de “Muhājirūn” noemen, met open armen ontvangen.

Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hen tot elkaars broeders had verklaard, kwamen de Anṣār, die de gastheren waren, naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zeiden:

“O Rasûlullāh! Verdeel onze dadelboomgaarden tussen ons en onze broeders, de Muhājirūn!”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vond deze opoffering van hen echter te groot en zei:

“Laten wij het niet op deze manier doen. Laat jullie broeders, de Muhājirūn, voor het onderhoud van jullie dadelboomgaarden zorgen en deel vervolgens de opbrengst onder elkaar.”

Volgens hetgeen ʿAlī (رضي الله عنه) opnieuw in onze ḥadīth heeft vermeld, had an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de volgende gewoonte: Wanneer iets goed en prijzenswaardig was, sprak hij er lovend over en spoorde hij ertoe aan; en wanneer iets slecht was, wees hij op het kwaad ervan en waarschuwde hij ervoor. Alles wat hij deed was evenwichtig. Geen enkele handeling of uitspraak van hem was in strijd met een andere.

Zo leerden de ṣaḥābah van hem wat goed en mooi was. Wie goede daden verrichtte, mocht rekenen op de waardering van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).

Wanneer iemand echter iets verkeerds deed, maakte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) duidelijk waarom dit gedrag onjuist was en corrigeerde hij hem op een wijzevolle manier.

Ḥusayn (رضي الله عنه) vroeg zijn vader hoe an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zich gedroeg wanneer hij met mensen samen zat en wat zijn gewoonten op zulke momenten waren.

Volgens hetgeen wij van ʿAlī (رضي الله عنه) hebben geleerd, gedenkte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) Allāh wanneer hij zat en opstond. Want Allāhu (تعالى) prijst degenen die Hem gedenken als volgt:

ٱلَّذِينَ يَذۡكُرُونَ ٱللَّهَ قِيَٰمٗا وَقُعُودٗا وَعَلَىٰ جُنُوبِهِمۡ وَيَتَفَكَّرُونَ فِي خَلۡقِ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِ رَبَّنَا مَا خَلَقۡتَ هَٰذَا بَٰطِلٗا سُبۡحَٰنَكَ فَقِنَا عَذَابَ ٱلنَّارِ ١٩١

Degenen die Allāh gedenken, terwijl zij staan, zitten en liggen op hun zij en diep over de schepping van de hemelen en de aarde nadenken (zeggende): “Onze Rab! U hebt dit alles niet zonder “doel geschapen, Glorie zij U. Bescherm ons tegen de bestraffing van het Vuur. (Āl ʿImrān, 3:191)

Een āyah die het belang van gedenking (dhikr) op een zeer mooie en beknopte wijze beschrijft, luidt:

تۡلُ مَآ أُوحِيَ إِلَيۡكَ مِنَ ٱلۡكِتَٰبِ وَأَقِمِ ٱلصَّلَوٰةَۖ إِنَّ ٱلصَّلَوٰةَ تَنۡهَىٰ عَنِ ٱلۡفَحۡشَآءِ وَٱلۡمُنكَرِۗ وَلَذِكۡرُ ٱللَّهِ أَكۡبَرُۗ وَٱللَّهُ يَعۡلَمُ مَا تَصۡنَعُونَ ٤٥

Reciteer (O Mohammed) wat voor jouw van het Boek is geopenbaard en verricht je gebeden perfect. Voorwaar, het gebed weerhoudt van onzedelijkheid en “slecht (gedrag). Het gedenken van Allāh is groter. En Allāh weet wat jullie bedrijven. (ʿAnkabūt, 29:45)

Omdat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) geen vaste plaats had wanneer hij met de ṣaḥābah zat, ging hij vanwege zijn grote nederigheid zitten waar hij een lege plaats vond. Ook adviseerde hij zijn ummah dit te doen.

Er bestaat een mooie en betekenisvolle uitspraak: “Een plaats krijgt waarde door degene die erop zit.” Wanneer iemand zonder deugdelijke kwaliteiten op de ereplaats gaat zitten, verliest die plaats haar waarde als ereplaats. Daarom behoort iemand die een bijeenkomst bezoekt, te gaan zitten op de plaats die hem wordt aangeboden. Wordt hem geen plaats aangewezen, dan dient hij plaats te nemen waar hij een vrije plek vindt.

Ook de ṣaḥābah deden dit: Jābir ibn Samurah (رضي الله عنهما) vertelde dat zij, wanneer zij naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gingen, gingen zitten waar zij een plaats vonden.

Het was zijn gewoonte om aandacht te schenken aan degenen die bij hem waren en hun hart te winnen. Tegenover degenen die zich in zijn gezelschap bevonden en de mensen die hij ontmoette, toonde hij steeds een vriendelijk en opgewekt gezicht. Deze houding van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verheugde de mensen om hem heen, waardoor iedereen dacht: “Ik ben degene aan wie Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de meeste waarde hecht.”

Zelfs wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) niet tevreden was met iemand die bij hem kwam, en zelfs wanneer deze persoon langer bleef zitten dan nodig was, bleef hij geduldig totdat die persoon zelf opstond en vertrok. Hij gedroeg zich niet koel of afstandelijk op een manier waaruit zou blijken dat hij niet tevreden over hem was.

Op een keer had Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een toespraak gehouden op de minbar en was daarna naar beneden gekomen. Terwijl hij naar de miḥrāb ging om de ṣalāh voor te gaan, kwam een man voor hem staan en vroeg hem zijn probleem op te lossen.

In plaats van tegen hem te zeggen: “Laten wij eerst de ṣalāh verrichten en daarna kijken wij ernaar,” bleef Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) lange tijd staan om naar hem te luisteren.

Hoewel sommigen onder de gemeenschap die wachtten om de ṣalāh te verrichten geeuwden van de slaap, ging hij pas naar de miḥrāb en leidde de ṣalāh nadat hij de zaak van deze persoon had opgelost.

Een andere keer, terwijl Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een khuṭbah hield, kwam een man de moskee binnen, ging tegenover hem staan en onderbrak zijn woorden met:

“O Rasûlullāh! Er is een vreemdeling gekomen die zijn godsdienst niet kent. Hij wil vragen stellen en zijn godsdienst leren.”

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) daalde van de minbar af, ging naar de man toe en onderwees hem wat hij wilde leren. Daarna keerde hij terug naar de minbar en maakte zijn toespraak (khutbah) af.

Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) door iemand om iets werd gevraagd, gaf hij het onmiddellijk als hij het gevraagde bij zich had. Had hij het niet bij zich, dan beloofde hij het te geven zodra hij het in bezit kreeg. En als hij dat ook niet had, dan stuurde hij degene die deze behoefte had weg met woorden die zijn hart geruststelden en hem goed deden.

Op een keer had zijn jonge saḥābi Jābir ibn ʿAbdillāh (رضي الله عنهما) hem om iets gevraagd. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei tegen hem: “Als de zakāt-gelden uit Bahrein arriveren, zal ik jou zoveel maal geven.”

Maar voordat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn Rab ontmoette, waren de goederen uit Bahrein, waarop hij wachtte nog niet aangekomen. Toen de goederen uiteindelijk uit Bahrein arriveerden, was Abū Bakr (رضي الله عنه) inmiddels de khalīfah geworden. De khalīfah van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) liet toen het volgende bekendmaken: “Als an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) iemand iets heeft beloofd of nog een schuld aan iemand heeft, laat die persoon zich dan bij ons melden.”

Daarop ging Jābir naar de khalīfah en zei: “an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft tegen mij dit en dit gezegd.”

Abū Bakr (رضي الله عنه) gaf hem daarop zelfs méér dan wat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem had beloofd.

Toen ʿAlī (رضي الله عنه) de eigenschappen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) beschreef, zei hij dat hij “door zijn voortreffelijke gedrag en edele karakter iedereen omvatte en daarom als de vader van alle moslims kon worden beschouwd.”

Een āyah uit de Qur’ān verwoordt deze werkelijkheid als volgt:

ٱلنَّبِيُّ أَوۡلَىٰ بِٱلۡمُؤۡمِنِينَ مِنۡ أَنفُسِهِمۡۖ وَأَزۡوَٰجُهُۥٓ أُمَّهَٰتُهُمۡۗ

De Profeet is dichter bij de gelovigen” dan zijzelf. En zijn vrouwen zijn hun moeders. (Aḥzāb 33:6)

Aangezien de echtgenotes van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de moeders van de mu’mins zijn, is hij ook hun vader. In één van de ahādīth waarin hij zijn verbondenheid met de mu’mins beschrijft, zei hij: “Ik ben voor de mu’mins, zowel in deze wereld als in het Hiernamaals, de meest nabije van alle mensen. Als een mu’min bezittingen nalaat, dan moeten zijn verwanten daarvan erven. Maar als iemand schulden of een hulpbehoevende achterlaat, laat hij dan naar mij komen, want ik ben zijn beschermheer.”

Zoals ʿAlī (رضي الله عنه) eveneens zei: “Iedereen was bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gelijk als het ging om de bescherming van zijn rechten.”

Want alle mu’mins waren als zijn kinderen en hij was voor hen als een vader. Hij legde degenen die de zwaarste misdrijven hadden begaan de straf op die zij verdienden, maar zelfs dan liet hij hun zijn barmhartigheid en mededogen op de een of andere manier voelen.

Twee voorbeelden hiervan zijn:

Op een dag kwam een man naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en bekende dat hij de zonde van zinā had begaan. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) liet hem daarop de voorgeschreven geseling ondergaan.

Daarna richtte hij zich met vaderlijke genegenheid tot de ṣaḥābah en zei: “Luister, mensen! Het is tijd om je verre te houden van de zonden waarvoor Allāhu (تعالى) een straf heeft vastgesteld. Wie toch één van deze bekende schandelijke zonden begaat, laat hij die dan niet aan anderen bekendmaken. Laat hem berouw tonen over zijn zonde en laat zijn overtreding verborgen blijven doordat Allāhu (تعالى) het bedekt.

Maar wie zijn zonde openlijk bekendmaakt, op hem zullen wij de straf toepassen die in het Boek van Allāh is voorgeschreven.”

Het tweede voorbeeld betreft ʿAbdullāh, die ook bekend stond als Nuʿaymān en verslaafd was aan alcohol. Hij was iemand die met zijn grappen iedereen aan het lachen maakte. Wanneer hij dronken werd aangetroffen, werd hij naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gebracht en kreeg hij de geseling die hij verdiende.

Op een dag was Nuʿaymān opnieuw gestraft. ʿUmar (رضي الله عنه) kon zich niet langer beheersen en zei: “O mijn Allāh! Verwijder deze man van Uw barmhartigheid! Steeds opnieuw wordt hij vanwege alcohol hierheen gebracht.”

Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deze woorden hoorde, kon hij dit niet verdragen en zei:

“Vervloek hem niet, ʿUmar! Ik weet zeker dat hij Allāh en Zijn Rasûl liefheeft.”

Volgens een andere overlevering vervloekten sommigen hem met de woorden: “Moge Allāh je vernietigen! Moge Allāh je te schande maken.”

Daarop zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Nee, zeg dat niet! Spreek niet tegen jullie broeder op een manier die de shayṭān helpt!”

Zoals ook ʿAlī (رضي الله عنه) vermeldde, verhief niemand in de aanwezigheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn stem, uit eerbied voor hem. Allāhu (تعالى) had hun immers bevolen:

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ لَا تَرۡفَعُوٓاْ أَصۡوَٰتَكُمۡ فَوۡقَ صَوۡتِ ٱلنَّبِيِّ وَلَا تَجۡهَرُواْ لَهُۥ بِٱلۡقَوۡلِ كَجَهۡرِ بَعۡضِكُمۡ لِبَعۡضٍ أَن تَحۡبَطَ أَعۡمَٰلُكُمۡ وَأَنتُمۡ لَا تَشۡعُرُونَ ٢

O, jullie die geloven!

Verhef jullie stem niet boven de stem van an-Nabī noch spreek luid tegen hem, zoals sommigen van jullie luid tegen elkaar spreken, opdat jullie daden niet vruchteloos worden terwijl jullie dat niet beseffen. (Ḥujurāt, 49:2)

Toen deze āyah werd geopenbaard, raakten de ṣaḥābah in grote paniek. Abū Bakr (رضي الله عنه) zei zelfs tegen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “O Rasûlullāh! Voortaan zal ik met u spreken alsof ik een geheim toevertrouw; slechts fluisterend.”

Ook ʿUmar (رضي الله عنه) sprak zo zacht tegen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), bijna fluisterend, dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem soms moest vragen zijn woorden te herhalen, omdat hij hem nauwelijks kon verstaan.

Toen ʿAlī (رضي الله عنه) de bijeenkomsten van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) beschreef, noemde hij ook een prachtige gewoonte van de ṣaḥābah. Zij waren buitengewoon nederig. Degenen die ouder waren of meer deugdzaamheid waren dan zijzelf, behandelden zij met eerbied, terwijl zij de jongeren met liefde tegemoet traden. Zij hadden dit immers geleerd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), die zei: “Wie geen barmhartigheid toont aan de jongeren en geen respect heeft voor de ouderen, behoort niet tot ons.”

Kortom, de bijeenkomsten van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) waren bijeenkomsten waarin mensen elkaar liefhadden en respecteerden, elkaars rechten in acht namen, de behoeftigen voorrang kregen en de vreemdelingen en mensen zonder bescherming werden gesteund en beschermd.

337. Ḥadīth

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Zelfs als iemand mij een schapenpoot als geschenk zou geven, zou ik die onmiddellijk aannemen.

En als ik zou worden uitgenodigd voor een maaltijd van schapen kop/poten, zou ik zonder aarzelen op die uitnodiging ingaan.”

In deze ḥadīth wijst Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op een zeer belangrijke omgangsregel die onder moslims in praktijk moet worden gebracht: hij moedigt ons aan elkaar geschenken te geven. Daarbij maakt hij duidelijk dat het uitwisselen van geschenken iets tot stand brengt waar wij grote behoefte aan hebben.

Hij zei immers: “Geef elkaar geschenken, zodat jullie liefde voor elkaar toeneemt.”

In een andere ḥadīth wees hij erop dat geschenken uitwisselen de onderlinge band tussen moslims versterkt, de genegenheid onder elkaar doet groeien en de wrok en gekwetste gevoelens in het hart doet wegnemen.

Hij zei: “Geef elkaar geschenken, want een geschenk verwijdert de gekwetste gevoelens uit de harten.”

Met het oog op de neiging van sommige vrouwen om kritisch naar een geschenk te kijken, richtte hij zich in het bijzonder tot hen: “O moslimvrouwen! Laat buurvrouwen het geven van geschenken aan elkaar niet gering achten, ook al betreft het slechts een schapen kop/poot.”

Met deze woorden maakt an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) duidelijk dat degene die een geschenk ontvangt, niet moet letten op de materiële waarde ervan, maar op het feit dat er aan hem of haar is gedacht.

Wanneer iemand aan de gever laat merken dat hij het geschenk niet waardeert, gaat niet alleen het doel van het schenken verloren, maar kunnen ook nieuwe gevoelens van distanciering en gekwetstheid in het hart ontstaan.

an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verduidelijkte dit met een voorbeeld. Hij zei dat hij zelfs een geschenk zou aannemen dat door de meeste mensen als onbeduidend werd beschouwd, zoals een schapenpoot/kop. Daarmee liet hij zien dat hij ieder geschenk met tevredenheid zou accepteren.

Met deze houding toonde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) opnieuw zijn verheven nederigheid.

Hieruit leren wij dat men zelfs een eenvoudig gerecht nooit uit hoogmoed mag afwijzen, maar het moet aanvaarden als een gunst van Allāhu (تعالى).

Wanneer dit de maatstaf is, behoren buren elkaar zonder aarzelen iets te schenken van wat zij hebben, zonder te denken: “Ach, is dit wel een geschenk waard?” Zo leggen zij de basis voor meer onderlinge liefde.

Naast het geven van geschenken wijst an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ook op het belang van het aannemen van een uitnodiging. Zelfs wanneer iemand door een arme wordt uitgenodigd voor een eenvoudige maaltijd die slechts uit schapenpoten bestaat, dient hij die uitnodiging zonder minachting te aanvaarden.

Er is nog een belangrijk punt waarmee men bij het geven en ontvangen van geschenken rekening moet houden. Wanneer iemand een eenvoudig of weinig waardevol geschenk ontvangt en dit beantwoordt met een waardevoller geschenk, toont hij daarmee de verfijnde hoffelijkheid en edele etiquette die de Islām de moslim leert.

338. Ḥadīth

Van Jābir ibn ʿAbdillāh (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam te voet naar mijn huis om mij te bezoeken. Hij reed noch op een muildier, noch op een paard.”

De jonge saḥābi Jābir ibn ʿAbdillāh verloor zijn vader, ʿAbdullāh ibn ʿAmr ibn Ḥarām (رضي الله عنهما), die tijdens de Slag bij Uḥud de marteldood stierf. Daardoor moest hij voor zeven of negen zusters zorgen. Om die reden nam Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem voortdurend onder zijn bescherming en deelde hij alles wat hij kon missen met hem.

Op een dag hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dat Jābir ziek was geworden. Samen met zijn geliefde saḥābi Abū Bakr (رضي الله عنه) ging hij hem bezoeken in zijn woning in de wijk Banū Salimah.

Deze wijk lag het verst van al-Masjid an-Nabawī in Madīnah, op ongeveer één mijl afstand. De bewoners van deze wijk wilden hun huizen verkopen om dichter bij al-Masjid an-Nabawī te gaan wonen, zodat zij dichter bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) konden zijn. Maar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf daarvoor geen toestemming.

Hij vertelde hun dat zij voor iedere stap die zij naar de moskee zetten extra beloning zullen ontvangen en dat hun rang daardoor bij Allāhu (تعالى) zal stijgen. Toen hij zelf zijn zieke saḥābi bezocht, ging ook hij te voet naar diens verafgelegen woning, zodat hij nog meer beloning zal verkrijgen.

Uit de uitgebreidere overlevering in Ṣaḥīḥ al-Bukhārī vernemen wij dat Jābir buiten bewustzijn was toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en Abū Bakr (رضي الله عنه) bij hem aankwamen.

an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vroeg om water, verrichtte de wuḍūʾ en sprenkelde het overgebleven water over het gezicht van Jābir. Zodra dit gezegende water zijn gezicht raakte, opende Jābir zijn ogen en kwam hij weer bij bewustzijn.

Jābir ibn ʿAbdillāh aan wie Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) veel waarde hechtte, nam samen met hem deel aan negentien veldtochten. Hij leverde meer dan duizend ahādīth over, groeide uit tot een vooraanstaand geleerde en gaf in Madīnah talrijke fatāwā (islamitisch juridisch adviezen).

339. Ḥadīth

Van Yūsuf, de zoon van ʿAbdullāh ibn Salām (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf mij de naam Yūsuf, nam mij op zijn schoot en streek liefdevol over mijn hoofd.”

De ṣaḥābah brachten hun pasgeboren kinderen naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Hij verrichtte vervolgens de taḥnīk: hij kauwde een dadel in zijn gezegende mond fijn en wreef daarmee over het gehemelte van de baby. Bij deze gelegenheid nam Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de kinderen op zijn schoot, streek liefdevol over hun hoofd en verrichtte duʿāʾ voor hen.

Yūsuf ibn ʿAbdillāh (رضي الله عنهما) was één van de geluksvogels die deze bijzondere eer ten deel viel.

Volgens de overlevering van Ṭabarānī wenste an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) na deze mooie zaken ook voor hem om “goedheid en barakah”.

Yūsuf ibn ʿAbdullāh was de zoon van ʿAbdullāh ibn Salām (رضي الله عنه). ʿAbdullāh ibn Salām (overl. 43 AH/663–664 CE) was één van de voornaamste geleerden onder de joden en woonde in Madīnah. Zoals bekend werd in de Tawrāh aangekondigd dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) als nabī zou worden gezonden. Zijn kenmerken werden daarin zelfs uitvoerig beschreven. Daarom begreep ʿAbdullāh ibn Salām, zodra hij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zag, dat hij de langverwachte nabī was, waarna hij onmiddellijk de Islām omarmde.

Kort daarna bracht hij zijn pasgeboren zoon naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en vroeg hem een naam voor het kind te kiezen. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) nam de baby liefdevol op zijn schoot, streelde hem en gaf hem de naam Yūsuf.

Sommige geleerden hebben gesteld dat Yūsuf, de overleveraar van deze ḥadīth, tot de Tābiʿūn behoorde. Hadithautoriteiten zoals al-Bukhārī beschouwden hem echter, net als zijn vader, als een Ṣaḥābī.

340. Ḥadīth

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de ḥaj verrichtte, reed hij op een kameel waarop een oude pakzadel lag. Daaroverheen was een versleten fluwelen kleed gelegd. Onder elkaar zeiden wij dat dit fluwelen kleed hooguit vier dirham waard was.

Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op zijn kameel plaatsnam, verrichtte hij de volgende duʿāʾ: “Labbayk, o Allāh! Hier ben ik, gereed om Uw bevel op te volgen.

O Allāh, maak deze ḥaj tot een aanvaarde (maqbūl) en een rechtschapen en gezegende (mabrūr) verrichte ḥaj, vrij van pronken (riyaʾ) en zonder de wens dat mensen erover spreken; laat haar uitsluitend verricht zijn om Uw welbehagen te verkrijgen!”

341. Ḥadīth

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Een kleermaker nodigde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) uit voor een maaltijd. Er werd een schaal tharīd opgediend, waarin stukjes pompoen zaten.

Anas vervolgde: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) begon de stukjes pompoen uit de maaltijd te eten, want hij hield veel van pompoen.”

De leerling van Anas, Thābit al-Bunānī, zei: “Ik heb Anas horen zeggen:

“Wanneer voor mij een gerecht wordt bereid waarin pompoen kan worden verwerkt, dan wordt er altijd pompoen aan toegevoegd.”

Een kleermaker uit de ṣaḥābah had een gerecht met pompoen bereid. Hij had tharīd gemaakt: een gerecht waarbij stukjes brood in vleesbouillon worden geweekt, waarna het vlees of andere ingrediënten erop worden gelegd. In dit geval had hij de pompoen boven op de tharīd gelegd.

Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op die dag naar de uitnodiging ging, nam hij zijn dienaar Anas (رضي الله عنه) met zich mee. Anas hield destijds echter niet van pompoen.

Maar toen hij zag hoe Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) met smaak van de pompoen at, veranderde zijn kijk daarop.

Hij dacht: “Als Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), die ik in alles als mijn voorbeeld probeer te volgen, zoveel van pompoen houdt, dan behoor ik daar ook van te houden.”

Later, toen Anas getrouwd was en een eigen huishouden had, droeg hij zijn vrouw en zijn bedienden op om voortaan aan ieder gerecht waarin pompoen verwerkt kon worden, ook daadwerkelijk pompoen toe te voegen.

De ṣaḥābah waren zó sterk verbonden met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), dat zij zelfs hun persoonlijke smaak en gewoonten afstemden op wat hij mooi of geliefd vond.

O Allāh, laat ons, onze kinderen en onze kleinkinderen eveneens het bewustzijn schenken om ons met heel ons hart en ziel aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) te hechten en lief te hebben wat hij liefhad.

Deze ḥadīth is eerder, met vrijwel dezelfde bewoordingen, opgenomen als ḥadīth nummer 162 en daar reeds toegelicht.

342. Ḥadīth

Van ʿAmrah bint ʿAbd ar-Raḥmān (رَحِمَهُ اللهُ): Aan ʿĀʾishah (رضي الله عنها) werd gevraagd: “Wat deed Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) thuis?”

Zij antwoordde: “Hij was een mens zoals andere mensen. Hij maakte zelf zijn kleding schoon, molk zijn schaap en verrichtte zijn eigen werkzaamheden.”

Over wat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) thuis deed, zijn vele overleveringen van de ṣaḥābah bekend, vooral van ʿĀʾishah (رضي الله عنها). Sommige daarvan bevatten uitvoerige beschrijvingen. Qāḍī ʿIyāḍ heeft deze als volgt samengevat:

“Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stond thuis in dienst van zijn gezin. Hij maakte zijn kleding zelf schoon, molk zijn schaap, verstelde eigenhandig zijn versleten kleding, repareerde zijn sandalen wanneer dat nodig was en verrichtte zijn werkzaamheden zelf. Hij gaf het lastdier waarmee water werd vervoerd zijn voer, veegde het huis, bond zijn kameel vast, at samen met zijn dienaar, kneedde samen met hem het deeg en droeg de boodschappen die hij op de markt had gekocht zelf naar huis.”

Toen onze moeder ʿĀʾishah (رضي الله عنها) zei: “Hij was een mens zoals andere mensen,” bedoelde zij dat ook Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), net als ieder ander, menselijke behoeften had.

Zoals ieder mens thuis met zijn gezin omgaat, hen helpt en zich bezighoudt met hun zaken, zo was ook hij in dienst van zijn familie en hielp hij hen.

Zij wilde eveneens duidelijk maken dat hij zich nooit gedroeg zoals hoogmoedige mensen die uit trots eenvoudige dagelijkse werkzaamheden beneden hun waardigheid achten. Integendeel, vanwege zijn nederigheid verrichtte hij zelfs de eenvoudigste werkzaamheden eigenhandig.

Zijn echtgenotes beschouwden het als een eer om hem te dienen. Toch deed hij veel werkzaamheden zelf, om zijn ummah daarin tot voorbeeld te zijn en hen aan te moedigen hetzelfde te doen.

Toen ʿĀʾishah (رضي الله عنها) zei: “Hij maakte zijn kleding zelf schoon,” bedoelde zij bijvoorbeeld dat wanneer tijdens een tocht door bergen of dalen doornen aan zijn kleding bleven haken, hij deze zelf verwijderde. Was zijn kleding gescheurd of losgeraakt, dan naaide en verstelde hij die zelf. Hij was bedreven in allerlei praktische werkzaamheden.

Met de woorden: “Hij verrichtte zijn eigen werkzaamheden,” wordt bedoeld dat hij zelf naar de markt ging om de benodigdheden voor zijn huishouden te kopen en deze vervolgens ook zelf naar huis droeg.

Zo ging Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) eens naar de markt om kleding te kopen. Toen Abū Hurayrah (رضي الله عنه) hem zag, wilde hij de gekochte goederen van hem overnemen en dragen. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf de last echter niet af en zei: “Het is passender dat de eigenaar zijn eigen bezittingen draagt. Pas wanneer hij daartoe te zwak is, helpt zijn broeder hem daarbij.”

48. HOOFDSTUK: HET KARAKTER VAN RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم)

343.Ḥadīth

Van Khārijah ibn Zayd ibn Thābit (رَحِمَهُ اللهُ): Een groep mensen kwam naar mijn vader, Zayd ibn Thābit (رضي الله عنه), en zei tegen hem: “Vertel ons iets uit de aḥadīth van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).”

Hij antwoordde: “Ik weet niet welke van de dingen waarover jullie willen horen ik jullie moet vertellen! Ik was zijn buurman. Wanneer de openbaring tot hem neerdaalde, liet hij mij roepen. Dan ging ik naar hem toe en schreef ik de geopenbaarde verzen op.”

Wanneer wij bij hem zaten en over wereldse zaken spraken, nam hij deel aan ons gesprek om ons op ons gemak te stellen.

Ging het gesprek over het Hiernamaals, dan gaf hij ons uitleg over de zaken van het Hiernamaals.

En wanneer het gesprek over voedsel ging, sprak hij met ons over de voordelen en nadelen daarvan.

Dit is wat ik jullie over Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kan vertellen.”

Waarschijnlijk bezocht een groep uit de generatie van de tābiʿīn Zayd ibn Thābit (رضي الله عنه) met het verzoek hun iets te vertellen uit de aḥadīth van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).

Zayd ibn Thābit begreep dat zij wilden horen over de shamāʾil van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en over zijn gedrag en handelwijze in verschillende omstandigheden. Daarom antwoordde hij dat zij een zeer veelomvattende vraag stelden en dat hij niet wist met welk onderdeel hij moest beginnen.

Vervolgens vertelde hij eerst dat hij de buurman was van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Daarmee bedoelde hij echter niet slechts een fysieke nabijheid, maar vooral een bijzondere geestelijke nabijheid. Hij had namelijk de zeer eervolle taak om de verzen van de Qurʾān al-Karīm op te schrijven; hij behoorde tot de schrijvers van de openbaring (waḥy).

Daarna verruimde hij het onderwerp en vertelde hij over de gesprekken tussen de ṣaḥābah en Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).

Wanneer de ṣaḥābah spraken over de goede of slechte kanten van deze wereld, die de akker van het Hiernamaals is, sprak hij met hen over de daden die in deze wereld verricht moeten worden als voorbereiding op het Hiernamaals.

Wanneer de ṣaḥābah hem iets vroegen over het leven van het Hiernamaals, sprak hij zowel over de omstandigheden van deze wereld als over de wegen waarlangs het Hiernamaals kan worden verworven.

Wanneer de ṣaḥābah hem vragen stelden over de genietingen van deze wereld, over de vooren nadelen van eten en drinken of over de regels die daarbij horen, gaf hij hun hierover uitleg.

Hij onderwees hun de gezondheidskundige kennis die wij kennen als aṭ-ṭibb an-nabawī en maakte duidelijk welke zaken heilzaam zijn en welke schadelijk.

(Abū Ḥārijah Zayd ibn Thābit al-Khazrajī (gest. 45/665) (رضي الله عنه), was een van de schrijvers van de openbaring voor an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) . Op persoonlijk bevel van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) leerde hij het Hebreeuws in minder dan een maand, zodat hij schriftelijke correspondentie met de joden kon voeren. Hij was een van de vier inwoners van Madīnah die de volledige Qurʾān uit het hoofd hadden geleerd. Tijdens de periode van Abū Bakr (رضي الله عنه) was hij de voorzitter van de drie leden tellende commissie die was ingesteld om de Qurʾān al-Karīm te verzamelen en in de vorm van één muṣḥaf samen te brengen. Hij behoorde tot de geleerden onder de ṣaḥābah en had vooral veel kennis van de kwesties betreffende de erfrechten (farāʾiḍ).)

344.Ḥadīth

Van ʿAmr ibn al-ʿĀṣ (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) toonde, om mensen vertrouwd te maken met de Islām en hun harten ervoor te winnen, zelfs tegenover de moeilijkste en lastigste mensen een vriendelijk gezicht en sprak hen met zachte woorden toe.

Ook ik heb steeds zijn vriendelijke gezicht en zijn hartelijke woorden mogen ervaren. Door deze bijzondere aandacht begon ik zelfs te denken dat ik in zijn ogen de beste van de mensen was.

Daarom vroeg ik hem: “O Rasûlullāh! Wie is beter: ik of Abū Bakr?”

Hij antwoordde: “Abū Bakr.”

Daarop vroeg ik: “O Rasûlullāh! Wie is beter: ik of ʿUmar?”

Hij antwoordde: “ʿUmar.”

Ik ging verder en vroeg: “O Rasûlullāh! Wie is beter: ik of ʿUthmān?”

Hij antwoordde: “ʿUthmān.”

Telkens wanneer ik Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deze vragen stelde, vertelde hij mij vanzelfsprekend de waarheid.

Toen dacht ik bij mijzelf: “Had ik hem die vragen maar niet gesteld.”

Daar kreeg ik spijt van.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zette zich met al zijn kracht in opdat mensen de Islām zouden omarmen en de waarheid zouden vinden. Hij deed alles wat binnen zijn vermogen lag. Omdat de inwoners van Makkah de Islām niet aannamen, kwijnde hij als het ware weg van bezorgdheid en verdriet.

De Qurʾān al-Karīm noemt deze intense bezorgdheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op meerdere plaatsen. Allāhu (تعالى) zegt:

فَلَعَلَّكَ بَٰخِعٞ نَّفۡسَكَ عَلَىٰٓ ءَاثَٰرِهِمۡ إِن لَّمۡ يُؤۡمِنُواْ بِهَٰذَا ٱلۡحَدِيثِ أَسَفًا ٦

Misschien zou jij (O Mohammed) je uit droefheid over hun voetstappen vernietigen uit verdriet want zij geloven niet in deze vertelling. (Kahf, 18:6)

Zoals ʿAmr ibn al-ʿĀṣ (رضي الله عنه) in deze ḥadīth overlevert, ging Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zelfs met de meest lastige mensen vriendelijk om. Hij sprak hen met zachte woorden toe om hun harten voor de Islām te winnen en om ervoor te zorgen dat degenen die de Islām pas hadden aangenomen, zich er oprecht aan zouden hechten.

Een van degenen aan wie Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bijzondere aandacht schonk, omdat hij hoopte dat deze persoon zich nog sterker aan de Islām zou hechten, was ʿAmr ibn al-ʿĀṣ. Omdat ʿAmr deze gewoonte van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) niet kende, dacht hij dat hij degene was die door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het meest geliefd was. Daarom durfde hij te vragen:

“O Rasûlullāh!

Wie is beter: ik of Abū Bakr, of ʿUmar, of ʿUthmān (رضي الله عنهم)?”

Daarmee vergeleek hij zichzelf met deze drie voortreffelijkste ṣaḥābah.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) week echter nooit af van de waarheid. Toen hij aan ʿAmr ibn al-ʿĀṣ uitlegde waarom hij hem zoveel aandacht gaf om zijn verbondenheid met de Islām te versterken, aarzelde hij niet om eerlijk te zeggen dat Abū Bakr, ʿUmar en ʿUthmān (رضي الله عنهم) voortreffelijker waren dan hij. Toen ʿAmr ibn al-ʿĀṣ dit van hem hoorde, kreeg hij spijt dat hij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) die vragen had gesteld.

Allāhu (تعالى) heeft de mu’mins immers op treffende wijze gewaarschuwd om geen vragen te stellen waarvan het antwoord later tot spijt kan leiden:

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ لَا تَسۡـَٔلُواْ عَنۡ أَشۡيَآءَ إِن تُبۡدَ لَكُمۡ تَسُؤۡكُمۡ وَإِن تَسۡـَٔلُواْ عَنۡهَا حِينَ يُنَزَّلُ ٱلۡقُرۡءَانُ تُبۡدَ لَكُمۡ عَفَا ٱللَّهُ عَنۡهَاۗ وَٱللَّهُ غَفُورٌ حَلِيمٞ ١٠١

O, jullie die geloven! Vraag niet over zaken die als zij voor jullie duidelijk worden gemaakt, moeilijkheden veroorzaken. Maar als jullie daarover vragen terwijl de Koran geopenbaard wordt, dan worden zij jullie duidelijk. Allāh heeft dat vergeven, en Allāh is de Vergevingsgezinde, de Verdraagzame. (Māʾidah, 5:101)

(ʿAmr ibn ʿĀṣ al-Qurashī (gest. 43/664) (رضي الله عنه), was een van de bekende handelaren van Makkah.

Tijdens de veldslagen van Uḥud en al-Khandaq voerde hij het bevel over de cavalerie-eenheden van het leger van de Quraysh. Hij aanvaardde de Islām vóór de verovering van Makkah. Hij veroverde Egypte en werd daar gouverneur. Hij zorgde ervoor dat de inwoners van Jeruzalem de stad aan khaliefah ʿUmar (رضي الله عنه) overdroegen. Om de moord op ʿUthmān (رضي الله عنه) te wreken, sloot hij zich aan bij de gelederen van Muʿāwiyah ibn Abī Sufyān (رضي الله عنهما).

ʿAmr ibn ʿĀṣ, die bekendstond om zijn bestuurlijke kwaliteiten, moed, uitmuntende welsprekendheid en uitzonderlijke intelligentie, werd beschouwd als een van de vier genieën van de Arabieren.)

345.Ḥadīth

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Ik heb Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tien jaar lang gediend. In al die tijd heeft hij nooit één keer “Uf!” tegen mij gezegd.

Wanneer ik een fout maakte, zei hij nooit: “Waarom heb je dit zo gedaan?”

En wanneer ik iets niet had gedaan, zei hij evenmin: “Waarom heb je dit niet gedaan?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bezat het voortreffelijkste karakter (akhlāq) van alle mensen.

Ik heb nooit iets aangeraakt dat zachter was dan de handpalm van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), noch zijde, noch satijn, noch enig ander materiaal.

En in mijn leven heb ik nooit een geur geroken die aangenamer was dan het zweet van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), noch muskus, noch enige andere heerlijke geur.”

Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar Madīnah emigreerde, bracht de moeder van Anas of zijn stiefvader Abū Ṭalḥah (رضي الله عنهما) hem naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Zij vertelden dat Anas een bijzonder intelligente jongen was en dat zij graag wilden dat hij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zou dienen. Op dat moment was Anas nog maar negen of tien jaar oud.

Vanaf dat ogenblik diende Anas, die door zijn ouders aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was toevertrouwd, hem gedurende tien jaar, tot aan het overlijden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). In sommige overleveringen wordt, zonder rekening te houden met een gedeelte van het eerste jaar, gesproken over negen jaar.

Volwassenen verrichten hun werkzaamheden doorgaans zorgvuldig. Een kind kan echter tijdens het uitvoeren van een opdracht fouten maken, iets vergeten, zich vergissen of nalatig zijn. Ook Anas zal tijdens deze jaren ongetwijfeld meerdere fouten hebben gemaakt. Toch heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), vanwege zijn ongeëvenaarde karakter, hem nooit berispt met de woorden: “Waarom heb je dit zo gedaan?” of: “Waarom heb je dit niet gedaan?”

Hij heeft hem nooit geslagen en nooit zijn ongenoegen tegenover hem laten blijken.

Wanneer anderen Anas vanwege een fout wilden berispen of hard aanpakken, stond Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dit, vanwege zijn diepe īmān in de qadar, niet toe.

Hij zei dan: “Als het voor hem was voorbeschikt om het zo te doen, dan zou hij het ook zo hebben gedaan.”

Zo liet hij niet toe dat Anas werd gekwetst. Immers, de jongen had niets gedaan wat Allāh verboden had; hij had slechts een opgedragen taak niet goed uitgevoerd.

Op een keer stuurde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) Anas ergens naartoe. Anas had daar echter geen zin in. Toen hij buiten kwam, zag hij andere kinderen spelen en begon hij met hen mee te spelen.

Na enige tijd voelde hij ineens dat iemand hem zachtjes bij zijn nek vasthield. Toen hij zich omdraaide, zag hij dat het Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was.

Glimlachend vroeg hij: “Lieve Anas, ben je gegaan naar de plaats waar ik je naartoe stuurde?”

Anas antwoordde: “Ja, o Rasûlullāh! Ik ga er meteen naartoe.”

Daarop rende hij onmiddellijk naar de plaats waarheen hij was gestuurd.

Net zoals bij de aanbidding is ook bij het karakter (akhlāq) de voortdurende standvastigheid van belang. Het is niet juist om de ene dag vriendelijk en goedgemanierd te zijn en op andere dagen een slecht karakter te tonen.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bezat het voortreffelijkste karakter (akhlāq) van alle mensen. Allāhu (تعالى) zegt hierover:

وَإِنَّكَ لَعَلَىٰ خُلُقٍ عَظِيمٖ ٤

En waarlijk, jij beschikt over een hoogstaand karakter. (Qalam, 68:4)

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) toonde dit verheven karakter in al zijn gedragingen. Hij deed goed aan iedereen en ontving iedereen met een vriendelijk gezicht. Hij bracht niemand schade toe en leefde in harmonie met de mensen om hem heen. Hij verdroeg het leed dat mensen hem aandeden en had geduld met hun onbehoorlijke gedrag. Kortom, hij was voor iedereen vol mededogen en barmhartigheid.

Onze moeder Khadījah (رضي الله عنها), die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beter kende dan wie ook, stelde hem gerust toen hij de eerste openbaring (waḥy) had ontvangen.

Zij zei: “Verheug je! Bij Allāh, Allāh zal jou nooit in verlegenheid brengen. Want jij onderhoudt de familiebanden en zorgt voor jouw verwanten. Jij liegt nooit. Jij helpt degenen die hun werk niet kunnen verrichten. Jij steunt de armen en neemt hen bij de hand. Jij eert de gasten. En jij staat degenen bij die onrecht is aangedaan.

Een van de mooiste voorbeelden van zijn verheven karakter is zijn houding tegenover de Quraysh. Nadat hij tot nabī was aangesteld, hadden zij hem uitgescholden, mishandeld en zelfs verdreven uit de stad die hij zo liefhad. Op de dag van de verovering van Makkah verwachtten zij dat hij hen met het zwaard zou laten doden.

Maar hij schonk hun allen vergiffenis en zei: “Ik zeg tegen jullie hetzelfde als mijn broer Yūsuf (عليه السلام) tegen zijn broers zei:

قَالَ لَا تَثۡرِيبَ عَلَيۡكُمُ ٱلۡيَوۡمَۖ يَغۡفِرُ ٱللَّهُ لَكُمۡۖ وَهُوَ أَرۡحَمُ ٱلرَّٰحِمِينَ ٩٢

Hij zei: “Op deze dag is er voor jullie geen verwijt, moge Allāh jullie vergeven en Hij is de Genadigste der Genadigen. (Yūsuf, 12:92)

Daarna zei hij:”Ga, jullie zijn vrij.”

In deze ḥadīth vertelt Anas dat de gezegende handpalm van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zachter was dan satijn, zijde of welk ander materiaal ook.

Hoewel wij uit de vijfde ḥadīth weten dat zijn handpalmen groot en breed waren, blijkt uit deze overlevering dat zij tegelijkertijd buitengewoon zacht waren.

Anas, die jarenlang de eer had gehad de geur van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) van dichtbij te ervaren, zei dat hij nooit amber, muskus of enige andere geur had geroken die aangenamer was dan de geur van het gezegende zweet van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).

Allāhu (تعالى) Die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het mooiste uiterlijk had geschonken, had zijn gezegende lichaam ook de eigenschap gegeven om een geur voort te brengen die mensen diep verwonderde. Daarom bewaarde een vrouwelijke ṣaḥābah die een druppel van zijn mooie zweet kon verkrijgen, deze in hun parfumflesjes. Op die manier zorgden zij ervoor dat de heerlijke geuren die zij gebruikten nog aangenamer gingen ruiken.Zelfs de straat waardoor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was gelopen, bleef nog een tijdlang zijn heerlijke geur verspreiden. Wanneer een ṣaḥābī later door die straat liep, wist hij aan de geur dat de Geliefde Rasûl (صلى الله عليه وسلم) daar kort daarvoor was langsgekomen.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hield zo veel van aangename geuren dat hij, hoewel zijn gezegende lichaam van nature heerlijk geurde, zich toch graag met parfum verzorgde. Allāhu (تعالى) had hem immers liefde voor aangename geuren geschonken.

346.Ḥadīth

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Op een dag kwam er een man bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en ging naast hem zitten. Op zijn gezicht had de man een geelgekleurd parfum aangebracht.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) sprak nooit in het gezicht van mensen iets uit wat zij onaangenaam zouden vinden, omdat hij niemand wilde kwetsen. Nadat deze persoon was opgestaan en naar buiten was gegaan, zei hij tegen de ṣaḥābah die bij hem waren:

“Zouden jullie tegen deze persoon willen zeggen dat hij dat gele spul niet opnieuw gebruikt?”

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) sprak nooit een woord waardoor mensen van hem distancieerden of waardoor zij een afkeer van de Islām kregen. Vanwege zijn voortreffelijke karakter wilde hij niemand kwetsen en maakte hij niemand zijn tekortkomingen rechtstreeks kenbaar. Dit was zijn algemene houding.

Op een dag kwam er een man naar hem toe. Om een aangename geur te verspreiden had hij gele saffraan op zijn gezicht aangebracht. In die tijd gebruikten vooral vrouwen gele saffraan als cosmetisch middel/make-up. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) adviseerde mannen echter om geuren te gebruiken die bij het aanbrengen geen kleur achterlaten.

Daarom beviel het hem niet dat het spoor van de saffraan zichtbaar op het gezicht van deze man was achtergebleven. Waarschijnlijk was deze persoon iemand die de Islām nog maar kort daarvoor had aanvaard, waardoor hij aarzelde om hem te kwetsen.

Toen deze persoon echter was vertrokken, zei hij tegen de aanwezige ṣaḥābah: “Zouden jullie tegen deze persoon willen zeggen dat hij dat gele spul niet opnieuw gebruikt?”

Als hetgeen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bij deze persoon zag een zaak was geweest die als ḥarām werd beschouwd, dan zou hij hem daar persoonlijk op hebben gewezen. Het lijkt er dus op dat hetgeen hij niet passend vond, eerder een ongewenste zaak was die als makrūh kan worden beschouwd.

Hoewel Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zoveel belang hechtte aan het niet kwetsen van de harten van mensen, zag hij er geen bezwaar in om iemand rechtstreeks op zijn gebreken te wijzen wanneer hij zeker wist dat deze persoon hierdoor niet gekwetst zou worden.

Zoals wij bijvoorbeeld in de derde ḥadīth hebben gelezen, zag hij dat een van zijn meest oplettende leerlingen, ʿAbdullāh ibn ʿAmr ibn al-ʿĀṣ (رضي الله عنهما), een ridāʾ en izār droeg die met ʿuṣfur (aspur) geverfd waren. Hij waarschuwde hem hierover en zei:

“Dit behoort tot de kleding van de kāfirs. Draag deze daarom niet!”

347.Ḥadīth

Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): In de aard van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was er absoluut geen grofheid; hij gedroeg zich nooit hardvochtig of kwetsend. Op de markten of in de bazaar maakte hij geen ruzie met mensen en sprak hij niet met verheven stem. Laat staan dat hij kwaad met kwaad zou vergelden; hij vergaf degene die hem kwaad had aangedaan en schonk hem vergeving.

Op een keer werd onze moeder ʿĀʾishah (رضي الله عنها), gevraagd naar het karakter van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Zij antwoordde hun dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in zijn woorden, zijn gedrag, kortom noch in zijn uiterlijke verschijning noch in zijn morele eigenschappen ooit enige aangeboren lelijkheid of grofheid bezat. Zij gaf bovendien aan dat hij zich nooit op een manier had gedragen die mensen afkeurden of als verwerpelijk beschouwden.

Grove mensen roepen en spreken luid op markten en tijdens het handelen, zonder erbij stil te staan dat zij anderen daarmee lastigvallen. Onze moeder ʿĀʾishah maakte duidelijk dat een dergelijke eigenschap absoluut niet aanwezig was bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), die door Allāh was opgevoed.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ging naar de markt om boodschappen voor zijn huis te doen of om toezicht te houden op de markt. Op een dag ging hij voor controle naar de markt en kwam langs iemand die graan verkocht. Toen hij zijn hand in de graanhoop stak, werden zijn vingers nat. Daarop vroeg hij de verkoper wat deze vochtigheid betekende.

De man antwoordde dat het door de regen kwam en dat het graan daardoor nat was geworden. Toen zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen hem: “Waarom heb je het natte gedeelte niet bovenop gelegd, zodat de mensen het konden zien en niet misleid zouden worden? Degene die bedriegt, behoort niet tot mij.”

Van deze ḥadīth bestaat ook de overlevering met de woorden: “Degene die ons bedriegt, behoort niet tot ons.”

De moeder van de mu’mins, wees ook op een andere eigenschap van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): wanneer iemand hem grof of slecht behandelde, vergold hij dat niet op dezelfde wijze. Als hij dat wél had gedaan, zou hem daarmee geen onrecht zijn aangedaan. Allāhu (تعالى) had immers in het volgende vers de toegestane vergelding voor het verrichte kwaad duidelijk gemaakt:

وَجَزَٰٓؤُاْ سَيِّئَةٖ سَيِّئَةٞ مِّثۡلُهَاۖ فَمَنۡ عَفَا وَأَصۡلَحَ فَأَجۡرُهُۥ عَلَى ٱللَّهِۚ إِنَّهُۥ لَا يُحِبُّ ٱلظَّٰلِمِينَ ٤٠

De vergelding voor een kwade daad is dezelfde kwade daad, maar ieder die vergeeft en tot verzoening komt: zijn beloning ligt bij Allāh. Waarlijk, Hij houdt niet van de onrechtvaardigen. (Shūrā, 42:40)

Maar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vergold het kwaad niet met kwaad. Hij volgde juist de mooie gedragswijze die in het vervolg van dit vers wordt aanbevolen:

… maar ieder die vergeeft en tot verzoening komt: zijn beloning ligt bij Allāh…(zie hierboven (Shūrā, 42:40) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) baseerde zich hierop en zocht zijn beloning bij Allāh.

Allāhu (تعالى) heeft in een ander vers de straf voor degene die kwaad doet duidelijk gemaakt:

وَإِنۡ عَاقَبۡتُمۡ فَعَاقِبُواْ بِمِثۡلِ مَا عُوقِبۡتُم بِهِۦۖ وَلَئِن صَبَرۡتُمۡ لَهُوَ خَيۡرٞ لِّلصَّٰبِرِينَ ١٢٦

En als jullie straffen, bestraf hen dan in verhouding waarmee zij jullie kwaad hebben gedaan. Maar als jullie het geduldig dragen, waarlijk het is beter geduldig te zijn. (Naḥl, 16:126)

De joden deden Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) veel kwaad. Daarop zei Allāhu (تعالى) tegen hem:

فَٱعۡفُ عَنۡهُمۡ وَٱصۡفَحۡۚ إِنَّ ٱللَّهَ يُحِبُّ ٱلۡمُحۡسِنِينَ

… Maar vergeef hen, en negeer (hun fouten). Waarlijk, Allāh houdt van de weldoeners. (Māʾidah, 5:13) Uiteraard handelde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overeenkomstig dit vers.

Laten wij nu luisteren naar de woorden van de joodse geleerde Zayd ibn Saʿnah en zien hoe Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) reageerde op de belediging die persoonlijk tegen hem was gericht en die ʿUmar (رضي الله عنه) zo boos maakte.

Zayd ibn Saʿnah las in de Tawrah de beschrijvingen die over de laatste nabī waren vermeld en zag dat deze volledig overeenkwamen met de eigenschappen en het gedrag van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) . Toch had hij nog twijfels over twee zaken. Zou hij, zoals in de Tawrah werd beschreven, degenen vergeven die hem grof behandelden? En zou zijn verdraagzaamheid toenemen naarmate de persoonlijke beledigingen tegenover hem erger werden?

Op een dag hoorde Zayd dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op zoek was naar een lening om voedselhulp te geven aan een stam die pas de Islām had aanvaard. Zijn verwachte gelegenheid was gekomen. Hij ging naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei dat hij hem de lening kon geven die hij zocht.

Volgens hun overeenkomst zou Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de lening na drie maanden terugbetalen. Drie dagen voordat de afgesproken termijn verstreken was, kwam Zayd ibn Saʿnah naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) . Hij trok hard aan de kleding op zijn rug en liet het daar niet bij, maar sprak ook grove woorden tegen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Jullie, de zonen van ʿAbd al-Muṭṭalib, stellen jullie schulden altijd uit.”

Later vertelde Zayd over deze gebeurtenis en zei dat ʿUmar (رضي الله عنه), die daar aanwezig was, zo boos op hem werd dat zijn borst hevig op en neer ging van woede. Het hart van Zayd klopte in zijn keel. Hij kon deze onbeschoftheid tegenover an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) niet langer verdragen en ʿUmar (رضي الله عنه) schreeuwde tegen hem: “O vijand van Allāh! Jij spreekt deze woorden tegen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), hè? Jij gedraagt je niet alleen respectloos tegenover hem, maar spreekt ook onbeschaamd in zijn aanwezigheid, klopt dat? Ik zweer bij Allāh, Die hem als an-Nabī heeft gezonden: als Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) jou niets verschuldigd was geweest, dan zou ik met dit zwaard jouw hoofd van je lichaam hebben gescheiden!”

Omdat Zayds werkelijke doel was om te zien hoe an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zou reageren op deze beledigingen, besteedde hij geen aandacht aan de bedreigingen van ʿUmar (رضي الله عنه).

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), die de gebeurtenis glimlachend had gevolgd, zei tegen ʿUmar (رضي الله عنه): “O ʿUmar! Zowel ik als deze persoon verwachten een ander gedrag van jou. Je had tegen mij moeten zeggen dat ik mijn schuld op een goede manier moest terugbetalen en tegen hem moeten adviseren dat hij zijn vordering op een gepastere manier moest vragen. Hoewel de termijn van mijn schuld nog drie dagen duurt, betaal jij mijn schuld aan Zayd en geef hem bovendien veertig kilo extra dadels, omdat jij hem hebt laten schrikken!”

Toen deze joodse geleerde de ongeëvenaarde verdraagzaamheid van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zag en er volledig van overtuigd raakte dat hij de verwachte laatste nabī was, sprak hij de shahādah uit en werd hij moslim.

Een bedoeïen had een vordering op Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) (صلى الله عليه وسلم). Toen hij kwam om zijn recht op te eisen, liet hij zijn ruwe bedoeïenachtige houding zien. Hij zei dat hij zeer streng zou optreden als hij zijn vordering niet zou ontvangen.

Toen de ṣaḥābah dit hoorden, gingen zij tegen de man in en zeiden: “Schande over jou! Besef je wel met wie je spreekt?”

De bedoeïen verdedigde zichzelf en zei: “Ik vraag slechts om mijn recht.”

Nadat hij hen had terechtgewezen met de woorden: “Hoorden jullie niet de zijde te kiezen van degene die in zijn recht staat?”

Vervolgens leende hij dadels van Khawlah bint Qays (رضي الله عنها), de echtgenote van Ḥamzah (رضي الله عنه), betaalde daarmee de schuld aan de bedoeïen en gaf hem daarna nog te eten voordat hij hem liet vertrekken.

Het was een periode waarin de kāfirs de moslims onderdrukten. De ṣaḥābah die moeite hadden om deze onrechtvaardigheden te verdragen, kwamen naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en vroegen hem om hen te vervloeken.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vertelde hun echter dat hij niet was gezonden om mensen te distancieren van de barmhartigheid (rahmah) van Allāh, maar juist om hen dichter bij Zijn barmhartigheid te brengen.

Hij zei: “Ik ben niet als vervloeker gezonden, maar slechts als barmhartigheid.”

Op een dag had Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn jonge dienaar Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) met een bepaalde opdracht op pad gestuurd. Maar onderweg zag Anas kinderen spelen, vergat zijn opdracht en ging met hen spelen.

Even later voelde Anas dat iemand hem bij zijn nek vasthield. Hij keek omhoog en zag dat het Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was.

Glimlachend vroeg hij: “Lieve Anas, ben je gegaan naar de plaats waar ik je naartoe stuurde?”

Anas antwoordde: “Ja, o Rasûlullāh! Ik ga meteen,” en rende weg (om zijn opdracht uit te voeren).

Laten wij dit onderwerp afsluiten met nog een mooie gebeurtenis die betrekking heeft op een kind: Er waren druiftrossen uit Ṭāʾif gebracht voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) riep de toen nog jonge Nuʿmān ibn Bashīr (رضي الله عنه) bij zich, gaf hem een tros druiven en zei: “Neem dit en breng het naar je moeder.”

Volgens een andere overlevering gaf hij hem twee trossen en zei: “Eet deze zelf op en breng deze andere naar je moeder.”

Maar Nuʿmān at ook de tros op die hij naar zijn moeder zou brengen.

Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) Nuʿmān enkele dagen later ontmoette, vroeg hij hem: “Heb je de druiven naar je moeder gebracht?”

Toen hij antwoordde dat hij dat niet had gedaan, pakte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem bij zijn oor en zei op speelse wijze: “Jij deugniet!”

In een andere overlevering wordt in plaats van Nuʿmān ibn Bashīr de naam ʿAbdullāh ibn Busr (رضي الله عنه) genoemd.

ʿUmar (رضي الله عنه), die was opgevoed met de opvoeding van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) , vertoonde jaren later een indrukwekkend voorbeeld van het vergeven van grofheid en onbeleefdheid. Het verhaal is als volgt:

Er was een bedoeïen genaamd ʿUyayn ibn Ḥiṣn. Hij deed Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) soms verdriet met zijn woorden en gedrag. Ook tijdens het kalifaat van ʿUmar (رضي الله عنه) gedroeg hij zich op een dergelijke onbeleefde manier tegenover de khaliefah.

Hij zei tegen ʿUmar (رضي الله عنه): “O zoon van al-Khaṭṭāb! Bij Allāh, jij geeft ons niet wat ons toekomt en jij oordeelt ook niet rechtvaardig.”

ʿUmar (رضي الله عنه), wiens rechtvaardigheid over de hele wereld werd bewonderd, werd zeer boos door deze onterechte en ongepaste woorden. Hij wilde deze onbeschofte man, die zelfs Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verdriet had gedaan, straffen.

Hur ibn Qays (رضي الله عنه), de geleerde neef en eveneens een vriend van ʿUyayn, was daar ook aanwezig. Deze persoon, die tevens een adviseur van ʿUmar (رضي الله عنه) was, wilde de khaliefah tot rust brengen. Hij reciteerde voor hem het volgende vers:

خُذِ ٱلۡعَفۡوَ وَأۡمُرۡ بِٱلۡعُرۡفِ وَأَعۡرِضۡ عَنِ ٱلۡجَٰهِلِينَ ١٩٩

Aanvaard de verontschuldiging (van je medemens), spoor aan tot het goede en keer je af van de dwazen (door bij hen weg te blijven). (Aʿrāf (7:199)

Toen ʿUmar (رضي الله عنه) dit vers hoorde, schrok hij en bleef hij op zijn plaats staan. Want tegenover dit bevel van Allāh dient de nek van iedere mu’min dunner dan een haar te zijn.

348.Ḥadīth

VanʿĀʾishah (رضي الله عنها): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft, behalve tijdens de jihād die op weg van Allāh werd verricht, nooit iemand met zijn hand geslagen. Hij heeft noch een dienaar geslagen, noch een van zijn echtgenotes.”

Deze ḥadīth is in Ṣaḥīḥ Muslim uitgebreider en luidt als volgt:

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft, afgezien van de strijd op weg van Allāh, nooit een vrouw, een dienaar of enig ander mens geslagen, zelfs niet één keer. Hij zocht nooit vergelding voor zichzelf wanneer iemand hem kwaad deed. Maar wanneer een van de verboden van Allāh werd geschonden, dan handelde hij ter wille van Allāh en nam hij maatregelen tegen degene die deze overtreding had begaan.”

Zoals wij uit deze ḥadīth leren, hechtte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) waarde aan de mens en kleineerde hem niet.

Daarom beledigde hij niemand en sloeg hij niemand met zijn hand. Integendeel, hij waarschuwde juist degenen die anderen sloegen.

Abū Masʿūd al-Badrī (رضي الله عنه) was op een dag zijn slaaf met een zweep aan het slaan. Op dat moment hoorde hij achter zich een stem zeggen: “Weet dit goed, o Abū Masʿūd!”

Omdat hij boos was, begreep hij niet wie hem aansprak. Toen degene achter hem dichterbij kwam, begreep hij dat degene die hem riep Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bleef tegen hem zeggen: “Weet dit goed, o Abū Masʿūd! Weet dit goed, o Abū Masʿūd!”

Abū Masʿūd (رضي الله عنه) liet de zweep uit zijn hand vallen.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tegen hem: “Weet dit goed, o Abū Masʿūd! De macht en kracht die Allāh over jou heeft, is veel groter dan de macht en kracht die jij tegenover deze slaaf toont!”

Toen Abū Masʿūd (رضي الله عنه) dit hoorde, mompelde hij: “Moge Allāh mij vergeven! Vanaf nu zal ik beslist geen enkele slaaf meer slaan.”

Men zou kunnen vragen: “Sloeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dan ook degenen niet die zaken deden die door de dīn verboden waren, zoals mensen die een straf met zweepslagen verdienden?”

Het toepassen van de noodzakelijke straf (ḥad) op degenen aan wie Allāhu (تعالى) een straf heeft bevolen, heeft geen betrekking op dit onderwerp. De ḥad-straf wordt uitgevoerd omdat het een bevel van Allāhu (تعالى) is en daarom moet deze worden toegepast. Bovendien voerde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dergelijke straffen niet zelf uit; de ṣaḥābah die hij hiervoor had aangesteld, voerden deze uit.

Men zou zich ook kunnen afvragen: “Sloeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de dieren dan ook niet?”

De slag die in onze ḥadīth wordt genoemd, verwijst naar iemand slaan uit woede.

Een dier zachtjes aanraken om het sneller te laten lopen is slechts een aansporing om verder te gaan en heeft niets te maken met mishandeling. Een voorbeeld hiervan is het volgende:

Het was tijdens de terugkeer van een reis. De magere merrie van Juʿayl al-Ashjaʿī (رضي الله عنه), was achterop geraakt.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam naar hem toe en zei: “Laat je paard gaan.”

Juʿayl zei dat het paard zwak en krachteloos was.

Daarop raakte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het dier zachtjes aan met het stokje dat hij in zijn hand had en deed hij duʿāʾ dat het sneller zou gaan.

Vanaf dat moment begon deze merrie, die eerst helemaal achteraan liep, zo snel te lopen dat Juʿayl de teugels nauwelijks kon beheersen.

Laten wij nu terugkomen op het gedeelte van de ḥadīth waarin wordt gesproken over het strijden tegen kāfirs tijdens de jihād op weg van Allāh”.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vocht uiteraard tegen de kāfirs die hij op het slagveld ontmoette. Als voorbeeld hiervan noemen wij, volgens de overlevering van Qāḍī ʿIyāḍ, het volgende:

Het was de slag bij Uḥud. Op die dag zag de Mekkaanse mushrik `Ubay ibn Khalaf Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).

Hij deed alsof hij hem niet zag en riep: “Waar is Muḥammad? Als hij vandaag blijft leven, laat mij dan niet meer leven”.

Deze uitspraak had een voorgeschiedenis. Toen `Ubay ibn Khalaf naar Madīnah kwam om losgeld te betalen voor zijn zoon ʿAbdullāh, die tijdens de slag bij Badr gevangen was genomen, zei hij tegen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Ik heb een paard dat ik iedere dag met zestien schalen graan voed. Op een dag zal ik erop rijden en jou doden!”

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) antwoordde hem: “In shāʾ Allāh zal ik jou doden!”

Ziehier, de dag van Uḥud waarover wij hebben gesproken: toen Ubayy ibn Khalaf Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zag, dreef hij zijn paard in zijn richting. Enkele mu’mins probeerden echter zijn weg te versperren. Daarop gebaarde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tegen deze ṣaḥābah:

“Laat hem aan mij over en houd hem niet tegen.”

Daarna nam hij de speer van de ṣaḥābī Ḥārith ibn Ṣimmah (رضي الله عنه) en zwaaide ermee. De kāfirs die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zagen, vluchtten bij `Ubay vandaan zoals vliegen op de rug van een kameel wegvliegen wanneer deze zich schudt om de vliegen van zijn nek te verdrijven. Vervolgens trad Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem tegemoet en sloeg hem met de speer zo hard tegen zijn nek dat `Ubay door de kracht van de slag van zijn paard op de grond viel en enkele keren over de grond rolde. Zelfs één van zijn ribben werd gebroken.

In deze toestand stond hij weer op en terwijl hij met pijn terugkeerde naar de Mekkanen, zei hij: “Wee mij! Muḥammad heeft mij gedood!”

Toen zij zeiden: “Welnee, er is niets met jou aan de hand,” antwoordde hij: “Als jullie hadden meegemaakt wat ik heb meegemaakt, zouden jullie allemaal zijn gestorven. Heeft hij eerder niet tegen mij gezegd: “Ik zal jou doden”? Zijn woord is uitgekomen. Bij Allāh, zelfs als hij slechts met zijn speeksel op mij had gespuugd, zou dat mij hebben gedood.”

Zoals bekend stierf `Ubay ibn Khalaf tijdens de terugkeer van de Quraysh naar Makkah, bij de plaats Sharīf (of Marri az-Zahrān).

349.Ḥadīth

Opnieuw van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): Ik heb Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nooit zien wraak nemen voor een onrecht dat hem persoonlijk was aangedaan.

Alleen wanneer een van de verboden van Allāh (تعالى) werd overtreden, liet hij de daarvoor voorgeschreven straf uitvoeren.

Want als een verbod van Allāh (تعالى) werd geschonden, was niemand daar verontwaardigder/bozet over dan hij.

Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de keuze kreeg tussen twee zaken, koos hij altijd de gemakkelijkste van de twee, zolang deze niet tot zonde leidde.”

Wanneer iemand Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) onrecht aandeed, keek hij of deze persoon tegelijkertijd ook een verbod van Allāh had overtreden. Als iemand hem niet alleen had gekwetst, maar ook iets had gedaan wat door Allāhu (تعالى), verboden was, dan vergaf hij dit niet en legde hij de noodzakelijke straf op.

Maar als die onbeschofte persoon alleen zijn gezegende persoon had gekwetst, dan deed hij hem niets. De volgende gebeurtenis is hiervan een mooi voorbeeld:

Op een dag beëindigde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) een gesprek met zijn ṣaḥābah en stond hij op. Op dat moment kwam een bedoeïen naar hem toe. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) droeg toen een mantel met een harde en dikke rand.

De bedoeïen trok ruw aan de mantel, waardoor de harde kraag van het kledingstuk de gezegende nek van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) pijn deed en verwondde.

Daarna zei de bedoeïen: “O Muḥammad! Laad op mijn twee kamelen voedsel van de bezittingen van Allāh die jij onder jouw beheer hebt. Want wat jij mij geeft, geef je niet uit jouw eigen bezit en evenmin uit het bezit van jouw vader.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde hem: “Ik geef inderdaad niets van mijn eigen bezit. Astaghfirullāh, astaghfirullāh, astaghfirullāh.”

Daarna zei hij tegen hem: “O bedoeïen! Je hebt mij pijn gedaan en daarom moet de vergelding (qiṣāṣ) op jou worden toegepast. Ik zal jou niets geven voordat de qiṣāṣ is uitgevoerd.”

De bedoeïen accepteerde dit niet en zei: “Nee, dat zal niet gebeuren.”

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) herhaalde zijn voorstel tot qiṣāṣ drie keer. Maar telkens zei de bedoeïen dat hij zoiets niet zou toestaan.

Toen de ṣaḥābah zijn bezwaar hoorden, wilden zij op de man afgaan. Maar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hield hen tegen en zei: “Niemand mag van zijn plaats komen!”

Daarna gaf hij één van de ṣaḥābah opdracht om op één van de kamelen van de bedoeïen gerst te laden en op de andere dadels. Vervolgens droeg hij de ṣaḥābah op te vertrekken en de bedoeïen ongemoeid te laten.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vatte het gedrag van deze bedoeïen niet op als een persoonlijke belediging. Het beledigen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) is immers een daad die iemand buiten de Islām plaatst. Hij wist echter dat bedoeïenen vaak een ruwe en onbeschaafde aard hadden en schreef diens gedrag toe aan zijn onwetendheid over de dīn en zijn onbekendheid met de ādāb van de Islām.

Degenen die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) niet de eerbied betoonden die hem toekwam, konden doorgaans in twee groepen worden ingedeeld. De eerste groep bestond uit onwetende moslims die, zoals deze bedoeïen, de goddelijke voorschriften hierover niet kenden en zich daarom op een grove en ongepaste manier tegenover hem gedroegen. De tweede groep bestond uit kāfirs en munāfiqs die zijn profeetschap verwierpen en hem daarom beledigingden, uitscholden en bespotten. Zij behoorden tot de onderdrukkers die openlijk vijandigheid tegenover de Islām toonden en zich daarmee de bestraffing van Allāh op de hals haalden.

Wij noemen hier één van de honderden voorbeelden:

Rabīʿah ibn ʿAbbād ad-Dīlī (رضي الله عنه) vertelt over een gebeurtenis die hij als kind meemaakte tijdens de markt van ʿUkāẓ. Terwijl Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de mensen uitnodigde tot de Islām en zei: “O mensen! Ik ben an-Nabī die door Allāhu (تعالى) is gezonden. Zeg: lā ilāha illallāh, opdat jullie behouden zullen worden!”. Zijn oom Abū Lahab rende achter hem aan en riep: “O mensen! Geloof hem niet!

Hij is afgedwaald en probeert jullie af te brengen van de religie van jullie voorouders!”

an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) probeerde snel bij hem vandaan te komen; de verteller van deze gebeurtenis, ʿAbbād ad-Dīlī, vervolgt zijn verhaal door te zeggen dat kinderen zoals hijzelf achter de oom en zijn neef aan renden om dit schouwspel niet te willen missen.

Rabbu’l-ʿĀlamīn heeft ten strengste verboden om Zijn Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwaad te doen. Hij heeft tevens bepaald dat degenen die hem beledigen hun leven hebben verbeurdverklaard; met andere woorden, Hij heeft toegestaan dat zij ter plaatse ter dood konden worden gebracht.

De joodse leider en dichter Kaʿb ibn al-Ashraf, die in het derde jaar na de hijrah werd gedood, was één van degenen voor wie toestemming was gegeven om hem te doden.

Ook ʿAbdullāh ibn Khaṭal, die op de dag van de verovering van Makkah werd gedood, was één van de grootste vijanden van Allāh en Zijn Rasûl. Ibn Khaṭal was eerst moslim geworden, maar doodde daarna een moslim en werd vervolgens de Islām verzaakt (uit de Islām getreden). Bovendien had hij de gewoonte om met genoegen te luisteren naar twee van zijn slavinnen die liederen zongen waarin Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd beledigd.

Het achterwege laten van de bestraffing van zulke mensen, terwijl zij die straf verdienen, zou een teken van zwakte en onmacht zijn. Bovendien zou het nalaten van hun bestraffing ertoe leiden dat de wetten van Allāh worden geminacht en hun gezag wordt ondermijnd.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) liet de kāfirs die niet zo ver gingen in hun vijandschap met rust, in de hoop dat zij misschien op een dag tot inzicht zouden komen en moslim zouden worden.

Ook liet hij de munāfiqs ongemoeid, zodat zij niet zouden zeggen: “Muḥammad doodt de ṣaḥābah.”

Hier herinneren wij ons dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) geen persoonlijke wraak nam op de jood Labīd ibn al-Aʿṣam, die magie tegen hem had verricht, noch op de joodse vrouw die hem tijdens de verovering van Khaybar probeerde te doden met vergiftigd schapenvlees.

Het laatste gedeelte van onze ḥadīth toont de diepe bezorgdheid en genegenheid (shafaqah) en barmhartigheid (raḥmah) van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), die een barmhartigheid voor de werelden is. Wanneer hij de keuze kreeg tussen twee mogelijkheden, koos hij de gemakkelijke optie die niet tot zonde leidde.

Zoals bekend overlegde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tijdens de slag bij Badr met zijn ṣaḥābah over wat er met de gevangenen moest gebeuren. Een deel van de ṣaḥābah zei dat deze kāfirs allemaal gedood moesten worden, terwijl een ander deel zei dat het beter was om losgeld (fidyah) te vragen en hen vrij te laten.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hield er rekening mee dat sommigen van hen misschien de Islām zouden aanvaarden en koos daarom voor de optie om losgeld te ontvangen en hen vrij te laten.

Bij iedere zaak dacht hij aan het gemak van de mensen en wilde hij voorkomen dat zij moeilijkheden zouden ondervinden. Zo liet hij bijvoorbeeld in de winter, tijdens zeer koude dagen, de vrijdagṣalāh vroeg verrichten zodat de moslims niet te veel kou zouden lijden. Tijdens extreme hitte wachtte hij, voor zover de tijd het toeliet, totdat het koeler werd zodat de ṣalāh gemakkelijker verricht kon worden.

Op een keer klaagde één van de ṣaḥābah bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) over een imām die de ṣalāh al-fajr met lange sūrahs leidde. Hij zei dat hij daardoor niet meer naar de ṣalāh al-fajr kon komen. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd heel boos op deze imām en hield een toespraak waarin hij zei:”O mensen! Onder jullie bevinden zich mensen die anderen afkeerig maken. Wanneer iemand als imām voorgaat, laat hem de ṣalāh kort houden. Want achter hem bevinden zich ouderen, kinderen en mensen die werkzaamheden hebben.”

350.

Ḥadīth

Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): Op een dag vroeg een man toestemming om bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) binnen te komen. Ik was op dat moment ook bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de stem van die man hoorde, gaf hij, voordat hij binnenkwam, informatie over hem door te zeggen: “Deze man staat binnen zijn stam bekend als een slecht persoon.”

Daarna gaf hij toestemming dat de man binnenkwam. Toen de man binnenkwam, sprak hij vriendelijk tegen hem, verwelkomde hem hartelijk en sprak zachte woorden tot hem.

Nadat deze persoon weer was vertrokken, zei ik: “O Rasûlullāh! Voordat deze man kwam, zei u dat hij een slecht persoon was. Maar toen hij bij u kwam, toonde u hem een glimlachend gezicht, sprak u vriendelijk tegen hem en toonde u hem eer. Wat is hiervan de reden?”

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei tegen mij: “O ʿĀʾishah! De slechtste van de mensen is degene voor wiens kwaad andere mensen op hun hoede zijn en die zij daarom in de steek laten.”

De man die toestemming vroeg om bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) binnen te komen, was waarschijnlijk ʿUyaynah ibn Ḥiṣn, een persoon uit de stam Fazārah die bekendstond om zijn grofheid en vanwege zijn slechte karakter niet geliefd was. Op het moment dat deze gebeurtenis plaatsvond, was ʿUyaynah waarschijnlijk nog geen moslim, of hij had uiterlijk de Islām aangenomen maar het geloof (īmān) was nog niet volledig zijn hart binnengedrongen. Met andere woorden: hij behoorde tot de munāfiqs.

ʿUyaynah ibn Ḥiṣn bracht Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vaak verdriet. Tijdens de periode van khilāfah van Abū Bakr (رضي الله عنه) verzaakte hij de Islām (irtidād), (dat wil zeggen: hij verliet de Islām), maar later keerde hij weer terug naar de Islām.

De waarschuwing van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) over ʿUyaynah was één van zijn wonderen (muʿjizāt). In de 347e ḥadīth werd verteld hoe deze man door zijn harde en kwetsende gedrag ʿUmar (رضي الله عنه) verdriet deed.

Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de stem van ʿUyaynah bij de deur hoorde, wilde hij de ṣaḥābah die bij hem waren informeren en waarschuwen over hem. Hij herinnerde hen eraan dat zij zich niet moesten laten misleiden door het uiterlijk of de woorden van deze persoon. Omdat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn ṣaḥābah op deze manier waarschuwde voor mogelijk kwaad, werd dit uiteraard niet beschouwd als roddel (ghibah).

Het gedrag dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegenover deze man liet zien, wordt in de Islāmitische akhlāq “mudārā” genoemd. Mudārā betekent dat men op een vriendelijke en zachtmoedige manier omgaat met mensen van wie men vreest dat zij door hun harde gedrag en houding problemen kunnen veroorzaken.

Mudārā heeft, behalve dat de uitspraak enigszins lijkt op mudāhanah, niets met dit begrip te maken. Want bij mudāhanah (vleierij) bestaat de bedoeling om een voordeel of persoonlijk belang te verkrijgen.

(Het verschil met mudāhanah is:

Mudārā: iemand vriendelijk en verstandig benaderen om een goed doel te bereiken, terwijl men vasthoudt aan de waarheid.

Mudāhanah: de waarheid of principes opgeven om iemand tevreden te stellen of voordeel te behalen)

Tegenover iemand die anderen met zijn gedrag en houding lastigvalt, moet men eerst vriendelijk handelen om zijn hart en vertrouwen te winnen. Daarna moet men proberen hem naar het goede en het juiste te leiden. Deze houding, die mudārā wordt genoemd, is een gedrag dat overeenkomt met de tevredenheid van Allāh.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) moedigde in zijn aḥādīth aan om op deze manier met zulke mensen om te gaan en zei: “Na het geloof in Allāh is de meest verstandige houding het tonen van mudārā tegenover de mensen.”

In een andere ḥadīth zei hij: “Het tonen van mudārā tegenover de mensen is ṣadaqah.”

Nadat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn ṣaḥābah had gewaarschuwd, gaf hij toestemming dat deze persoon, die binnen zijn stam bekendstond als een slecht persoon, binnen te laten. Toen de man bij hem kwam, ontving hij hem met een glimlachend gezicht om zichzelf te beschermen tegen mogelijke ongepaste gedragingen van deze persoon. Hij keurde echter op geen enkele wijze de slechte daden van deze man goed en prees hem evenmin. Als hij hem wel zou hebben geprezen, dan zou dit mudāhanah (vleierij) zijn geweest. Een dergelijke houding was vanzelfsprekend onmogelijk voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).

Hier moeten wij ook rekening houden met een andere mogelijkheid. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stelde altijd de verspreiding van de Islām en de redding van mensen door het aannemen van de Islām voorop. ʿUyaynah was de leider van de stam Fazārah. Als hij op dat moment nog geen moslim was, hield Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) rekening met het feit dat zijn hele stam mogelijk leiding zou ontvangen wanneer hij de Islām zou aannemen.

Aan de andere kant kon het afkeren van een stamleider van de Islām ertoe leiden dat ook de leden van zijn stam de Islām zouden verlaten. Om deze reden ging Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op een wijze en verstandige manier met dergelijke situaties om.

Zo behandelde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ʿUyaynah anders na de slag bij Ḥunayn, omdat hij behoorde tot de muʾallafatu qulūb (degenen wier harten voor de Islām werden gewonnen). Hij gaf hem namelijk honderd kamelen uit de oorlogsbuit.

Laten wij terugkeren naar onze ḥadīth: Nadat de man was vertrokken, wilde onze moeder ʿĀʾishah (رضي الله عنها) de reden achter de houding van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) begrijpen.

Zij vroeg hem waarom hij deze man, van wie hij had gezegd dat hij slecht was, had behandeld alsof hij een goed persoon was. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde dat mensen met een slecht karakter met een glimlachend gezicht en door middel van mudārā (zachtmoedige omgang) behandeld moeten worden om beschermd te blijven tegen hun kwaad.

Volgens een andere overlevering zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen ʿĀʾishah (رضي الله عنها): “O ʿĀʾishah! Wanneer heb jij mij ooit slechte woorden horen spreken of iemand slecht zien behandelen? De persoon die op de Dag des Oordeels de slechtste positie bij Allāh zal hebben, is degene voor wiens kwaad andere mensen op hun hoede zijn en die zij daarom in de steek laten.”

Met deze woorden maakte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) duidelijk Hij wilde deze persoon niet vernederen door hem in zijn eigen aanwezigheid te behandelen alsof hij geen enkele waarde of aanzien meer bezat.

351.Ḥadīth

Hasan (رضي الله عنه), de zoon van ʿAlī (رضي الله عنه), berichtte dat zijn broer Ḥusayn (رضي الله عنه) het volgende zei: Ik vroeg mijn vader hoe Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) omging met degenen die in zijn bijeenkomsten aanwezig waren.

Hij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had altijd een glimlachend gezicht, een prachtig karakter en was zachtmoedig en verdraagzaam.

Hij had geen slecht karakter en was niet hardvochtig van hart.

Hij schreeuwde niet, sprak geen lelijke woorden, maakte niemand verwijten en ging met niemand in discussie.

Wanneer hij iets zag waar hij niet van hield, negeerde hij het.

Niemand verloor de hoop op zijn gunsten.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bleef altijd ver verwijderd van drie zaken: het voeren van ruzies, overmatig spreken en zich bezighouden met zaken die hem niet aangingen.

Ook zocht hij bij drie zaken geen tekortkomingen bij mensen: hij vernederde niemand en beschouwde niemand als minderwaardig, hij verweet niemand iets en hij speurde niet naar de gebreken van anderen.

Daarnaast sprak hij geen woorden uit die geen nut hadden en die iemand geen beloning bij Allāh zouden opleveren.

Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) begon te spreken, luisterden degenen die bij hem aanwezig waren aandachtig en met neergeslagen blik, alsof er een vogel op hun hoofd zat die zij niet wilden laten wegvliegen. Zij spraken pas nadat hij was uitgesproken en zweeg.

De ṣaḥābah spraken niet onderling wanneer zij in zijn aanwezigheid waren. Als iemand bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het woord nam, luisterden zij naar hem totdat hij zijn woorden had beëindigd en onderbraken zij elkaar niet tijdens het spreken.

Om de harten van zijn ṣaḥābah te verblijden, lachte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) om hetgeen waar zij om lachten en toonde hij verwondering over hetgeen waarover zij verwonderd waren.

Hij verdroeg de harde manier van spreken en de vragen van vreemdelingen die niet wisten hoe zij zich in zijn aanwezigheid dienden te gedragen.

Hij zei: “Wanneer een behoeftige persoon jullie om iets vraagt, help hem dan zoveel als jullie kunnen en vervul zijn behoefte.”

Hij aanvaardde de lof van iemand aan wie hij eerder goedheid had bewezen, maar hij stond niet toe dat iemand hem overdreven of buitensporig prees.

Wanneer iemand iets zei dat niet ongepast was, onderbrak hij hem niet tijdens zijn spreken. Maar wanneer iemand op een ongepaste wijze sprak, waarschuwde hij hem daarvoor en onderbrak hij zijn woorden, of hij stond op en vertrok.”

Wij weten dat de geliefde kleinkinderen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) , Ḥasan en zijn broer Ḥusayn (رضي الله عنهما), verschillende vragen stelden aan hun vader ʿAlī (رضي الله عنه) om Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beter te leren kennen in verschillende omstandigheden.

Zoals wij uit deze ḥadīth leren, vroeg Ḥusayn aan zijn vader hoe Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) omging met degenen die in zijn bijeenkomsten aanwezig waren.

Laten wij nu proberen een gedeelte van zijn antwoord toe te lichten.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had altijd een glimlachend en vriendelijk gezicht. De goede eigenschappen die hij bezat, waren eigenschappen waarmee Allāhu (تعالى) hem had begunstigd, zodat hij als een toonbeeld van barmhartigheid, gezonden als een raḥmah voor de werelden, goed met de mensen kon omgaan.

Deze eigenschappen waren niet alleen zichtbaar voor degenen die in zijn bijeenkomsten aanwezig waren; iedereen die hem ontmoette, nam deze schoonheden bij hem waar.

Hoewel zijn innerlijk werd beheerst door droefheid, omdat hij voortdurend aan zijn Rab en aan (de situatie) van zijn ummah in het Hiernamaals dacht, ontmoette hij de mensen met een glimlachend gezicht. Hij bezorgde niemand onnodig verdriet.

Omdat hij een zachtmoedig karakter had, ging hij met iedereen goed om en deed hij iedereen goed. Hij vergaf zelfs degene die hem pijn deed.

Hij had een rustige aard en een zacht karakter.

Allāhu (تعالى) beschrijft dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vrij was van hardheid en grofheid en zegt:

فَبِمَا رَحۡمَةٖ مِّنَ ٱللَّهِ لِنتَ لَهُمۡۖ وَلَوۡ كُنتَ فَظًّا غَلِيظَ ٱلۡقَلۡبِ لَٱنفَضُّواْ مِنۡ حَوۡلِكَۖ فَٱعۡفُ عَنۡهُمۡ وَٱسۡتَغۡفِرۡ لَهُمۡ وَشَاوِرۡهُمۡ فِي ٱلۡأَمۡرِۖ فَإِذَا عَزَمۡتَ فَتَوَكَّلۡ عَلَى ٱللَّهِۚ إِنَّ ٱللَّهَ يُحِبُّ ٱلۡمُتَوَكِّلِينَ ١٥٩

En door de Genade van Allāh ging jij vriendelijk (en liefdevol) met hen om.

(Maar) als je streng en hardvochtig tegen hen was geweest, dan hadden zij zich (ongetwijfeld in groepjes) van je afgekeerd. Vergeef hen dus (hun fouten op basis van dit verheven karakter) en vraag (Allāh vervolgens om) vergiffenis voor hen zodat je hen kunt raadplegen bij het nemen van beslissingen. En als je een besluit hebt genomen, stel dan je vertrouwen in Allāh. (Want) voorzeker, Allāh houdt van degenen die (onbeperkt) vertrouwen hebben (in Hem alléén). (Āl ʿImrān, 3:159)

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deed de mumins nooit verdriet. Maar Allāhu (تعالى) verlangde wel dat hij streng zou zijn tegenover de kāfirs en de munāfiqs en beval hem:

يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّبِيُّ جَٰهِدِ ٱلۡكُفَّارَ وَٱلۡمُنَٰفِقِينَ وَٱغۡلُظۡ عَلَيۡهِمۡۚ وَمَأۡوَىٰهُمۡ جَهَنَّمُۖ وَبِئۡسَ ٱلۡمَصِيرُ ٧٣

O, Profeet! Streef hard tegen de ongelovigen en de hypocrieten en wees streng voor hen, hun verblijfplaats is de Hel en dit is zeker de ergste bestemming. (Tawbah, 9:73)

Wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) met mensen sprak, vooral wanneer hij op de markt was en handel dreef, schreeuwde hij niet en veroorzaakte hij niemand overlast.

Er kwam nooit een lelijk woord uit zijn mond.

Hij sprak zelf geen lelijke woorden en keurde het ook niet goed dat anderen zulke woorden gebruikten.

Op een keer deden de joden alsof zij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de salām gaven, maar zij zeiden tegen hem: “as-Sām ʿalaykum” (wat betekent: “Moge de dood over jou komen.”)

ʿĀʾishah (رضي الله عنها) kon deze onbeschaamdheid niet verdragen en antwoordde: “Moge Allāh jullie laten sterven en moge Allāh jullie vervloeken.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei echter tegen zijn geliefde echtgenote dat zij rustig moest blijven en herinnerde haar eraan dat het voldoende was om tegen hen te zeggen: “Wa ʿalaykum” (wat betekent: “En ook met jullie.”)

Daarna stelde hij deze belangrijke regel van akhlāq vast: “Allāh houdt niet van een lelijke verschijning en ook niet van lelijke woorden.”

Hij wees mensen niet op hun fouten die vergeven konden worden en maakte hen niet belachelijk vanwege kleine tekortkomingen. Eigenlijk zocht Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nergens fouten in. Wanneer bijvoorbeeld eten voor hem werd neergezet, zei hij niet:

“Dit is niet goed gaar, dit is te zout of dit heeft te weinig zout.”

In sommige aḥadīth v van de eerder genoemde ḥadīth staat in plaats van de uitdrukking (wa lā ʿayyāb), die wij hebben vertaald als “hij maakte niemand verwijten” of “hij was niet iemand die voortdurend anderen bekritiseerde”, een andere uitdrukking, namelijk (wa lā maddāḥ).

In dat geval is de betekenis: Hij prees een gerecht niet overdreven, omdat hij geen persoon was die sterk verlangde naar eten.

Onze geliefde Nabī (صلى الله عليه وسلم) ging nooit met iemand in discussie vanwege een fout die hij zag. Hij ging met niemand een strijd of woordenwisseling aan en stond er nooit op dat per se zijn mening gevolgd moest worden.

Het woord “mushāh” dat in deze ḥadīth voorkomt, heeft ook de betekenis van gierigheid. Daarom kan deze uitdrukking ook worden opgevat als: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was nooit gierig.” Zijn vrijgevigheid was immers bij iedereen bekend.

Wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) een uitspraak hoorde die hij afkeurde of een gedrag zag dat hij ongepast vond, maakte hij dit niet openlijk bekend en bracht hij het niet ter sprake. Uit fijngevoeligheid en om zijn ṣaḥābah niet te kwetsen, deed hij alsof hij die uitspraak of dat gedrag niet had opgemerkt.

Wie Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kende, wist hoe buitengewoon vrijgevig hij was. Wanneer iemand hoopte dat hij hem iets zou schenken, kwam het nooit bij die persoon op om te denken: “Hij zal mij niets geven.” Hij verloor nooit de hoop en bleef altijd vol vertrouwen en verwachting. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stelde immers niemand teleur die iets van hem hoopte te ontvangen.

Omdat hij gezuiverd was van slechte karaktereigenschappen, hield an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zich vooral ver van de volgende drie slechte eigenschappen:

De eerste was redetwisten. Zoals Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zelf niet met mensen redetwistte, gaf hij ook de volgende blijde tijding aan degenen die zich onthielden van onterechte discussies en ruzies: “Ik sta garant voor een woning aan de rand van de Jannah voor degene die afziet van redetwisten, ook al heeft hij gelijk.”

Het woord “mirāʾ” dat in deze ḥadīth voorkomt, betekent: “onterecht redetwisten.” Wanneer iemand met recht discussieert, wordt daarvoor het woord “jidāl” gebruikt. Allāhu (تعالى) heeft zelfs bij een discussie met de kāfirs aanbevolen een goede wijze van spreken te hanteren:

ٱدۡعُ إِلَىٰ سَبِيلِ رَبِّكَ بِٱلۡحِكۡمَةِ وَٱلۡمَوۡعِظَةِ ٱلۡحَسَنَةِۖ وَجَٰدِلۡهُم بِٱلَّتِي هِيَ أَحۡسَنُۚ إِنَّ رَبَّكَ هُوَ أَعۡلَمُ بِمَن ضَلَّ عَن سَبِيلِهِۦ وَهُوَ أَعۡلَمُ بِٱلۡمُهۡتَدِينَ ١٢٥

(O Mohammed), nodig uit tot de Weg van jouw Heer, met wijsheid (van de Koran) en weloverwogen bewoordingen, en redetwist met hen op de beste manier. Waarlijk, jullie Heer weet het beste wie afdwaalt van Zijn Pad en Hij weet beter wie de rechtgeleiden zijn. (Naḥl, 6:125)

Op de mooiste wijze discussiëren betekent met vriendelijke woorden en een glimlach spreken. Het betekent niet erop uit zijn de ander te overtuigen, maar hem voor zich te winnen. Daarvoor is het nodig de ander niet te kwetsen met stekelige of spottende woorden, maar gedachten naar voren te brengen die zijn belangstelling wekken.

In sommige werken, zoals ash-Shifāʾ, wordt het woord “mirāʾ” weergegeven als “riyāʾ”.

Het tweede waarvan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zich verre van hield, was veel praten.

Het derde waarvan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zich verre van hield, was zich bezighouden met zaken die hem niet aangingen. Hij hield zich niet bezig met zaken die geen betrekking hadden op de dīn en ook niet noodzakelijk waren voor het wereldse leven.

Hierover zei hij: “Dat iemand afziet van zaken die hem niet rechtstreeks aangaan, behoort tot de voortreffelijkheid van zijn Islām.”

Wanneer Allāhu (تعالى) de mu’mins noemt die zullen slagen, zegt Hij:

وَٱلَّذِينَ هُمۡ عَنِ ٱللَّغۡوِ مُعۡرِضُونَ ٣

En degenen die zich van het oppervlakkige gesprek afkeren. (Muʾminûn, 23:3)

In deze ḥadīth wordt vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bij mensen op drie punten geen fouten zocht. Twee van deze eigenschappen, die kenmerkend zijn voor mensen met een voortreffelijk karakter, zijn: Niemand vernederen of minachten en niemand verwijten maken.

Omdat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deze twee nauw met elkaar verbonden eigenschappen volledig in zijn karakter bezat, keek hij nooit op iemand neer en vernederde hij niemand, bijvoorbeeld vanwege iemands lengte of een bepaalde tekortkoming.

Daarnaast onderzocht hij nooit de fouten van anderen. Het verwijten dat in de vorige zin werd genoemd, betekent iemand openlijk op zijn fout wijzen. Het onderzoeken van iemands fouten (tajassus) betekent daarentegen het opsporen van zaken waarvoor iemand zich zou schamen wanneer het bekend werd en die hij verborgen wilde houden. In de Qur’ān wordt deze eigenschap verboden met de woorden:

وَلَا تَجَسَّسُواْ وَلَا يَغۡتَب بَّعۡضُكُم بَعۡضًاۚ

…En bespioneer elkaar niet, noch roddel over elkaar in elkaars afwezigheid. …(Ḥujurāt, 49:12)

Ook Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft het onderzoeken van de verborgen tekortkomingen van mensen verboden met de volgende ḥadīth: “Wanneer je de verborgen fouten en privézaken van mensen gaat opsporen, zul je hun karakter bederven of iets doen wat daar dicht bij komt.”

Op een dag bracht ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه) een man (bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei: “Dit is die man uit die en die familie; er druipt wijn uit zijn baard.”

Hij maakte hem duidelijk dat hij verkeerd had gehandeld door te zeggen:

“Het is ons verboden de fouten en tekortkomingen van mensen op te sporen. Maar wanneer een fout of overtreding vanzelf openbaar wordt, dan zullen wij uiteraard doen wat daarvoor vereist is.”

an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) sprak geen zinloze, betekenisloze of nutteloze woorden die de mens geen beloning (thawāb) opleveren. Hij sprak uitsluitend woorden die mensen in praktijk konden brengen en waarvoor zij beloning zouden ontvangen. Daarom luisterden de ṣaḥābah altijd met hun volle aandacht naar hem.

ʿAlī (رضي الله عنه) beschreef hoe de ṣaḥābah naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) luisterden wanneer hij hun dīn onderwees: met volledige overgave, waardigheid en rust. Hij vertelde hoe groot hun eerbied voor zijn woorden was, hoe zij wensten dat hij niet zou ophouden met spreken en hoe aandachtig zij luisterden om zijn aḥadīth te leren en uit het hoofd te onthouden: “Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) begon te spreken, luisterden degenen die bij hem waren met hun blik naar beneden gericht, alsof er vogels op hun hoofd zaten die zij niet wilden laten wegvliegen. Pas wanneer hij zweeg, begonnen zij te spreken.”

Wie de ṣaḥābah van buitenaf in de aanwezigheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zag, zou denken dat er werkelijk vogels op hun hoofd zaten die zij wilden vangen en daarom volkomen stil bleven zodat deze niet zouden wegvliegen.

Wie Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) iets wilde vragen, wachtte totdat hij uitgesproken was en zweeg. Niemand onderbrak hem terwijl hij sprak.

Volgens ʿAlī (رضي الله عنه) spraken de ṣaḥābah onderling niet wanneer zij zich in zijn aanwezigheid bevonden. Als iemand in de aanwezigheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het woord nam, luisterden zij totdat hij uitgesproken was en onderbraken hem niet.

Zij discussieerden niet met elkaar in de aanwezigheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), en wanneer iemand sprak, viel niemand hem in de rede of nam het woord van hem over.

Degene die als eerste sprak in de bijeenkomst van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) werd even aandachtig beluisterd als de saḥābi die als laatste sprak.

Om het hart van de ṣaḥābah te verheugen, lachte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) om datgene waarover zij lachten en verwonderde hij zich over datgene waarover zij zich verwonderden. Hij leefde in grote harmonie met de mensen om hem heen.

ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه) beschreef hoe Allāhu (تعالى) an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en de ṣaḥābah had uitgekozen: “Allāhu (تعالى) keek naar de harten van Zijn dienaren en vond het hart van Muḥammad het beste van alle harten. Daarom verkoos Hij hem voor Zichzelf en zond hem als nabī. Daarna keek Hij opnieuw naar de harten van Zijn dienaren en vond de harten van de ṣaḥābah de beste na dat van Muḥammad. Daarom maakte Hij hen tot de helpers van Zijn Nabī.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) keurde goed wat de ṣaḥābah goed vonden. Hij lachte met hen om zaken waarover gelachen mocht worden en verwonderde zich met hen over zaken die verwondering opriepen.

Zoals ʿAlī (رضي الله عنه) heeft overgeleverd, verdroeg an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de harde woorden van vreemdelingen die de omgangsvormen niet kenden en op een onbehoorlijke wijze hun vragen stelden. De ṣaḥābah vonden het zelfs prettig wanneer zulke mensen naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwamen en vrijuit hun vragen stelden, omdat zij zelf veel zaken niet durfden te vragen.

De hoogste vorm van geduld is het verdragen van de ruwe en kwetsende houding van mensen. Eerder zijn al voorbeelden genoemd van de onbehouwen omgangsvormen van de bedoeïenen. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verdroeg zelfs hun beledigende woorden, hoewel zij weinig kennis hadden van beleefdheid en goede omgangsvormen.

Een van de mooiste voorbeelden hiervan vond plaats na de Slag van Ḥunayn, toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de oorlogsbuit verdeelde. Een ruwe en onbeschaafde man uit de stam Banū Tamīm, genaamd Dhū al-Khuwayṣirah, trad naar voren.

Deze man zou later de leider van de Khawārij worden. Hij zei tegen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “O Rasûlullāh, wees rechtvaardig!”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde:”Wee jou! Als ik niet rechtvaardig ben, wie zal dan wel rechtvaardig zijn?”

Daarop zei ʿUmar (رضي الله عنه), volgens een andere overlevering van Khālid ibn al-Walīd (رضي الله عنه): “O Rasûlullāh, geef mij toestemming om zijn hoofd af te slaan.”

Maar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Laat hem met rust. Hij zal namelijk volgelingen krijgen van wie één van jullie zijn eigen ṣalāh gering zal achten in vergelijking met die van hen, en zijn eigen vasten onbeduidend zal vinden tegenover dat van hen. Zij reciteren de Qur’ān, maar de Qur’ān komt niet verder dan hun keel. Omdat zij hem niet oprecht reciteren, ontvangen zij er geen enkele beloning voor. Zij zullen de dīn verlaten zoals een pijl die door zijn doelwit heen schiet.”

Bij een andere gelegenheid beweerde een onbeschaafde man eveneens dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) onrechtvaardig was geweest bij een verdeling. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) reageerde slechts met de woorden: “Moge Allāh Mūsā (عليه السلام) genadig zijn. Hij werd van nog ernstiger zaken beschuldigd dan dit, maar hij bleef geduldig.”

De ṣaḥābah vonden het juist prettig wanneer bedoeïenen kwamen om vragen te stellen. Zij wilden hun geliefde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) , die zij meer liefhadden dan hun eigen leven, niet vermoeien door hem alles te vragen wat in hen opkwam. De bedoeïenen dachten daar niet over na en vroegen zonder terughoudendheid alles wat zij wilden weten. Zo leerden de ṣaḥābah veel zaken die zij zelf niet durfden te vragen.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vond het niet goed dat de ṣaḥābah over alles vragen stelden. Daarom waarschuwde hij hen met de woorden: “Laat mij met rust zolang ik jullie over een zaak niets gebied of verbied.

De volkeren vóór jullie zijn ten onder gegaan doordat zij te veel vragen stelden en met hun anbiyā in discussie gingen. Wanneer ik jullie iets verbied, blijf daar dan volledig van weg. En wanneer ik jullie iets gebied, verricht het dan voor zover jullie daartoe in staat zijn.”

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer iemand die hulp nodig heeft jullie om hulp vraagt, doe dan voor hem wat binnen jullie vermogen ligt.”

Zoals reeds in 336e ḥadīth werd vermeld, gaf an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) altijd wat hem gevraagd werd wanneer hij het in bezit had. Had hij het niet, dan beloofde hij het te geven zodra hij het zou verkrijgen. Was ook dat niet mogelijk, dan liet hij de behoeftige vertrekken met vriendelijke en troostende woorden. Deze voortreffelijke handelwijze beval hij ook de ṣaḥābah aan en hij spoorde hen aan niemand die om hulp vroeg met lege handen weg te sturen.

Onze geliefde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) aanvaardde de woorden van waardering van iemand aan wie hij eerder een goedheid had bewezen, maar stond niet toe dat men hem overdreven prees.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was in alles gematigd. Hij keurde elke vorm van overdrijving af, zelfs wanneer die betrekking had op het prijzen van hemzelf. Laten wij daarom zijn uitspraak, die ook in 330e ḥadīth werd genoemd, nogmaals in herinnering brengen:

“Prijs mij niet overdreven zoals de christenen ʿĪsā, de zoon van Maryam (عليه السلام), overdreven hebben geprezen. Ik ben slechts een dienaar. Zeg daarom over mij: “de dienaar van Allāh en Zijn Rasûl.”

Daarentegen vond hij het vanzelfsprekend dat mensen aan wie hij goedheid had bewezen hem daarvoor bedankten. Ook vond hij het normaal dat men hem aansprak met woorden als: “O Rasûlallāh” of “ O Nabiyallāh”.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) onderbrak niemand tijdens het spreken, zolang er niets ongepasts werd gezegd. Wanneer iemand echter ongepaste woorden sprak, onderbrak hij hem door hem terecht te wijzen of stond hij op en verliet hij de bijeenkomst.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) kende ieder mens zijn waarde toe en waakte ervoor niemand te kwetsen.

Wanneer iemand in zijn aanwezigheid sprak, luisterde hij aandachtig totdat diegene was uitgesproken, zolang er niets werd gezegd dat in strijd was met de dīn van Allah. Als iemand uitspraken deed die niet in overeenstemming waren met de dīn, wees hij hem eerst op vriendelijke en wijze wijze op zijn vergissing en legde hij uit wat daarin onjuist was. Aanvaardde die persoon de vermaning, dan zette an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het gesprek met hem voort. Was hij echter niet bereid de vermaning te accepteren, dan verliet an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zelf de bijeenkomst.

352. Ḥadīth

Van Jābir ibn ʿAbdullāh (رضي الله عنهما): Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) om iets werd gevraagd, antwoordde hij nooit met: “Nee.”

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was de vrijgevigste mens die deze wereld ooit heeft gekend.

Een mooi voorbeeld van hoe hij handelde wanneer hij later wel over de gevraagde middelen beschikte, is het voorval met de Ashʿarieten uit Jemen, dat reeds bij de uitleg van 153e ḥadīth is genoemd.

Enkele mensen van de Jemenitische stam al-Ashʿariyyūn vroegen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) om een rijdier waarmee zij hun bagage konden vervoeren. Op dat moment had an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) geen kamelen om hun te geven.

Daarom zei hij: “Bij Allāh, ik kan jullie geen kamelen geven.”

Enige tijd later arriveerden er echter enkele kamelen. Daarop liet hij de Ashʿarieten bij zich komen en gaf hij hun niet één, maar meerdere kamelen.

In werkelijkheid wordt gezegd dat de woorden van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) : “Bij Allāh, ik kan jullie geen kameel geven,” een reactie was op het feit dat zij hem om een kameel vroegen, terwijl zij wisten dat hij op dat moment geen kameel had om hun te geven.

Het volgende voorval laat op indrukwekkende wijze zien dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) weinig waarde hechtte aan wereldse rijkdom en het winnen van de harten van mensen boven alles stelde.

Op een dag bevond Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zich bij een kudde schapen die tussen twee bergen aan het grazen was. Een man die daar kwam, vroeg hem om enkele schapen. Om zijn hart voor de Islām te winnen en vermoedelijk gaf hij hem deze kudde schapen, die de hele vallei tussen de twee bergen vulde, om er ook toe bij te dragen dat zijn stam de Islām zou omarmen.

De man kon nauwelijks geloven dat hij in één keer zo’n enorme rijkdom had gekregen. Hij dreef de kudde naar zijn stam terug en zei tegen zijn volksgenoten: “O mijn volk! Aanvaard de Islām. Muḥammad schenkt zeer grote gunsten en vrijgevigheden zonder angst te hebben voor armoede.”

Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), die deze gebeurtenis overleverde, vertelde vervolgens hoe het verder ging met degenen aan wie zulke wereldse bezittingen werden geschonken om hun hart voor de Islām te winnen:

“Sommigen aanvaardden de Islām aanvankelijk uitsluitend om wereldse voordelen te verkrijgen. Maar al spoedig werd de Islām voor hen waardevoller dan de hele wereld en alles wat zich daarop bevindt.”

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) schonk overvloedig van zijn gunsten aan mensen die nog geen genegenheid voor de Islām voelden, om hun harten dichter bij de Islām te brengen. Een van degenen die afstand hield van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was Safwān ibn `Umayyah (gest. 41 AH/661 CE), die tot de edelen en rijken van de stam van Quraysh behoorde. Net als zijn vader `Umayyah ibn Khalaf had ook hij de mu’mins veel schade berokkend.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wilde deze man, die sterk gehecht was aan bezit, voor de Islām winnen door hem te overladen met gunsten. Kort na de verovering van Makkah werd tijdens de slag van Hunayn een grote hoeveelheid buitgemaakt. Daarop gaf Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem eerst honderd kamelen. Vervolgens gaf hij hem nog eens honderd kamelen. Telkens wanneer Safwān ibn `Umayyhah de kamelen zag, werd zijn hart verzacht.

Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem daarna voor de derde keer nog eens honderd kamelen gaf, verdween de haat van Safwān tegenover Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en de mu’mins, en nam zijn liefde voor de Islaam toe.

Wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) om iets werd gevraagd en hij het wilde geven, zei hij eenvoudig: “Ja.” Wanneer hij iets niet wilde of niet kon geven, zei hij dat niet rechtstreeks. In plaats daarvan zweeg hij.

De beroemde dichter al-Farazdaq (overl. 114 AH/732 CE) bracht deze eigenschap van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) treffend onder woorden met de volgende betekenis:

“Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gebruikte het woord “nee” alleen wanneer hij de shahādah uitsprak en zei: “Lā ilāha illā Allāh” (“Er is geen godheid behalve Allāh”). Buiten dat zei hij tegen niemand: “Nee.” Als de shahādah dat woord niet had, zou hij waarschijnlijk altijd “ja” hebben gezegd in plaats van “nee”.”

353. Ḥadīth

Van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was de vrijgevigste van alle mensen in het verrichten van het goede. De periode waarin hij het vrijgevigst was, was gedurende de dagen van Ramaḍān, vanaf de eerste tot de laatste dag, wanneer Jibrīl (عليه السلام) hem bezocht. Jibrīl (عليه السلام) ontmoette Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) iedere nacht van Ramaḍān, en Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) reciteerde voor hem de Qur’ān.

Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) Jibrīl (عليه السلام) ontmoette, was hij vrijgeviger dan de gezegende wind die zich door niets laat tegenhouden.”

Hoewel de vrijgevigheid van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) algemeen bekend was, bereikte zij haar hoogtepunt tijdens de maand Ramaḍān. Het is immers een goddelijke eigenschap dat juist in deze gezegende maand meer wordt geschonken.

Allāhu (تعالى) begunstigt Zijn dienaren in Ramaḍān overvloediger dan in de overige maanden. Dat Hij bij het aanbreken van Ramaḍān de poorten van de Jannah opent, de poorten van de Jahannam sluit en de shayāṭīn vastketent, is slechts één van Zijn vele gunsten.

Vrijgevigheid houdt in dat men iemand die daarvoor in aanmerking komt, precies datgene geeft wat hij nodig heeft. Zo gaf ook Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aan degene die hij ondersteunde steeds zoveel als nodig was om in diens behoefte te voorzien..

Hij moedigde bovendien vrijgevigheid aan en zei: “Allāh is vrijgevig en Hij houdt van vrijgevigheid.”

In een andere overlevering luidt deze uitspraak: “Allāh is vrijgevig en Hij houdt van de vrijgevige.”

Uit deze ḥadīth leren wij ook dat Jibrīl (عليه السلام) tijdens de maand Ramaḍān vaker bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam dan op andere momenten. Normaal gesproken kwam de Engel van de Openbaring om de openbaring over te brengen of om an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bepaalde zaken te onderwijzen. Tijdens de Ramaḍān bezocht hij hem echter iedere nacht om samen de muqābalah van de Qur’ān te verrichten, dat wil zeggen: om de Qur’ān stevig in het geheugen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) te verankeren, reciteerde Jibrīl (عليه السلام) soms de Qur’ān terwijl an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) luisterde, en soms reciteerde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) terwijl Jibrīl (عليه السلام) luisterde.

Hierbij verdient één bijzonder punt aandacht:

Jibrīl (عليه السلام), de voortreffelijkste van alle engelen, begon de edelste van alle woorden, de Qur’ān, over te brengen aan de voortreffelijkste van alle mensen, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), tijdens de voortreffelijkste van alle tijden: de maand Ramaḍān.

Gedurende iedere Ramaḍān ontmoetten Jibrīl (عليه السلام) en Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) elkaar dagelijks en reciteerden zij beurtelings alle tot dan toe geopenbaarde āyāt uit het hoofd.

Deze jaarlijkse muqābalah vond gewoonlijk eenmaal plaats. In het jaar waarin an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zou overlijden, verrichtten zij deze echter tweemaal.

De saḥābi die deze ḥadīth heeft overgeleverd, keert aan het einde van de hadith opnieuw terug naar het onderwerp vrijgevigheid. Hij beschrijft hoe uitzonderlijk vrijgevig an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was tijdens de gezegende dagen waarin hij Jibrīl (عليه السلام) ontmoette. Daarbij vergelijkt hij hem met de wind die zich door niets laat tegenhouden en in alle richtingen waait.

Met deze vergelijking wilde hij duidelijk maken dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nog vrijgeviger was dan de wind die de gezegende regen overal naartoe voert, en dat hij de mensen nooit onthield van wat zij nodig hadden, maar het hun zonder terughoudendheid schonk.

Bij een bepaalde gelegenheid kwam uit Baḥrayn een grote hoeveelheid oorlogsbuit naar Madīnah. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deelde deze overvloedig uit aan iedereen die hij tegenkwam. Zo vulde hij zelfs de mantel van zijn oom ʿAbbās (رضي الله عنه) met zoveel goud dat deze het nauwelijks kon dragen. Van die gehele oorlogsbuit nam hij echter niets mee naar zijn eigen huis. Terwijl er gedurende diezelfde periode al twee maanden lang geen eten in zijn woning was bereid, vond hij het niet bezwaarlijk om, om de honger te verlichten, een steen op zijn buik te binden.

Op een dag schonk een ṣaḥābiyyah een door haarzelf geweven stof aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Juist op dat moment had hij zelf behoefte aan zo’n stof. Nadat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een kledingstuk had laten maken van deze stof, trok hij het aan en kwam ermee naar de ṣaḥābah. Eén van hen zei dat hij de stof erg mooi vond. Zonder enig bezwaar trok an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) daarop het kledingstuk uit en gaf het aan hem.

De ṣaḥābah keurden het gedrag van deze man af.

Zij zeiden tegen hem dat hij heel goed wist dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nooit iemand afwees die hem om iets vroeg en dat het daarom niet gepast was geweest juist dit kledingstuk van hem te vragen.

De betreffende ṣaḥābī legde echter uit dat hij de stof niet had gevraagd om die zelf te dragen. Hij wilde haar bewaren als zijn doodskleed, omdat zij in aanraking was geweest met het gezegende lichaam van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).

Kortom, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf aan de mensen om hem heen met de vrijgevigheid van een koning, terwijl hij zelf als de armen leefde.

354. Ḥadīth

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bewaarde nooit iets voor de volgende dag.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bezat een diepgeworteld tawakkul: hij vertrouwde volledig op de onuitputtelijke schatkamers van Allāhu (تعالى). Hij maakte zich nooit zorgen met de gedachte: “Wat zal ik morgen eten?” Integendeel, hij vroeg Allāhu (تعالى) niet om overvloedige voorzieningen, maar verrichtte juist de volgende duʿāʾ: “O Allāh, schenk de familie van Muḥammad slechts zoveel rizq als voldoende is voor hun levensonderhoud.”

Zijn gezin kon vanzelfsprekend niet hetzelfde hoge niveau van tawakkul bereiken als hijzelf. Daarom verkocht hij jaarlijks de opbrengst van de dadelgaarden van Khaybar en zorgde hij ervoor dat zijn negen echtgenotes voldoende levensmiddelen kregen voor een volledig jaar. Wat daarna nog overbleef, besteedde hij aan zaken op weg van Allāh.

Wanneer daar behoefte aan was, nam an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) van de voedselvoorraad die hij voor één jaar aan zijn echtgenotes had gegeven en schonk hij daarvan aan de delegaties die van buitenaf kwamen en aan de armen. Hierdoor raakte de levensvoorraad van onze moeders vaak al vóór het einde van het jaar op.

Daarna gebeurde het soms dat zij niets meer hadden om hun honger te stillen. In zulke perioden leefden zij van dadels en water, en kwam het zelfs voor dat er dagenlang geen voedsel in hun huizen werd bereid.

355. Ḥadīth

Van ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه): Op een dag kwam een man naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en vroeg hem iets te geven. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei tegen hem: “Op dit moment heb ik niets dat ik je kan geven. Maar ga en koop wat je nodig hebt op mijn rekening. Wanneer ik het ontvang, zal ik mijn schuld aflossen.”

Daarop zei ʿUmar (رضي الله عنه): “O Rasûlullāh! U hebt hem reeds gegeven wat u behoorde te geven door hem vriendelijk toe te spreken. Allāh belast u immers niet met iets waartoe u niet in staat bent.”

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was echter niet ingenomen met deze woorden van ʿUmar (رضي الله عنه). Een van de Anṣār die daarbij aanwezig was, zei: “O Rasûlallāh! Geef hem wat hij nodig heeft. Vrees niet dat de Rab van de Troon u niet zal geven.”

an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was zo verheugd over deze woorden dat zijn gezegende gezicht geheel door een glimlach werd verlicht.

Vervolgens zei hij: “Dat is immers ook hetgeen mij is opgedragen: te geven en geen vrees voor armoede te hebben.”

In deze ḥadīth zien wij dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), om iemand niet met lege handen weg te sturen, nog een andere weg koos. Toen hij zag dat deze man zich werkelijk in grote nood bevond, zei hij: “Maar ga en koop wat je nodig hebt op mijn rekening. Wanneer ik het ontvang, zal ik mijn schuld aflossen.”

Voordat wij ingaan op het antwoord van de overleveraar van deze ḥadīth, ʿUmar (رضي الله عنه), is het goed kort stil te staan bij zijn manier van vertellen. In plaats van te zeggen: “Ik zei tegen Rasûlullāh”, zegt hij: “ʿUmar zei...” alsof iemand anders het verhaal vertelt. Hoewel deze stijl in het Nederlands ongebruikelijk is, is zij een veelvoorkomende vertelwijze in het Arabisch.

Laten wij nu terugkeren naar het onderwerp.

Toen ʿUmar (رضي الله عنه) zag dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zichzelf zonder noodzaak met een schuld belastte, maakte hij zich zorgen om hem en zei in feite: “O Rasûlullāh! U hebt deze man al gerustgesteld door hem vriendelijk uit te leggen dat u op dit moment niets had om te geven. Daarmee hebt u reeds gedaan waartoe Allāh u heeft opgedragen. Bovendien hebt u hem eerder ook al geholpen. Waarom zou u zich nu in de schulden steken en uzelf daarmee belasten? Allāhu (تعالى) legt u toch geen verplichting op die uw vermogen te boven gaat?”

an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vond deze woorden van ʿUmar (رضي الله عنه) niet juist, maar om hem niet te kwetsen zei hij er niets van. Zijn woorden pasten immers niet bij de buitengewone vrijgevigheid waarvoor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bekendstond.

Daarop zei een van de moslims uit al-Madīnah, behorend tot de Anṣār: “O Rasûlullāh! Geef die man wat hij nodig heeft. Wees niet bang dat de Rab van de Troon u niet zal geven of u arm zal laten worden.”

Hoe zou Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) daarvoor bang kunnen zijn? Had hij immers niet zelf de volgende āyah verkondigd?

قُلۡ إِنَّ رَبِّي يَبۡسُطُ ٱلرِّزۡقَ لِمَن يَشَآءُ مِنۡ عِبَادِهِۦ وَيَقۡدِرُ لَهُۥۚ وَمَآ أَنفَقۡتُم مِّن شَيۡءٖ فَهُوَ يُخۡلِفُهُۥۖ وَهُوَ خَيۡرُ ٱلرَّٰزِقِينَ ٣٩

Zeg: “Waarlijk, mijn Heer vergroot de voorziening van wie Hij wil van Zijn dienaren, en beperkt voor hen. En alles wat jullie aan bijdragen uitgeven zal Hij vergoeden. En Hij is de beste van de Voorzieners.” (Sabaʾ, 34:39).

En had hij niet ook gezegd: “Allāhu (تعالى) heeft tegen mij gezegd: “Geef aan anderen, dan zal Ik ook aan jou geven.”

Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de woorden van deze Anṣārī hoorde: “Geef en wees niet bang!”, verscheen er een brede glimlach op zijn gezegende gezicht. Het was duidelijk dat deze woorden hem zeer verheugden.

Daarom zei hij: “Dat is immers ook hetgeen mij is opgedragen: te geven en geen vrees voor armoede te hebben.”

Laten ook wij niet bang zijn om bijdrage uit te geven. Laten wij deze ḥadīth goed in ons hart bewaren: “Iedere dag dalen twee engelen neer naar de aarde.

De één zegt: “O Allāh! Schenk degene die bijdrage uitgeeft een vervanging voor wat hij heeft gegeven.”

De andere zegt: “O Allāh! Laat het bezit van degene die gierig is verloren gaan.”

356. Ḥadīth

Van Rubayyiʿ bint Muʿawwidh ibn ʿAfrāʾ (رضي الله عنها): Ik bracht an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) een schaal met verse dadels en enkele pas geplukte komkommers waarvan de bloesems nog niet waren afgevallen. Daarop gaf hij mij een handvol sieraden en goud.”

357. Ḥadīth

Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aanvaardde de geschenken die hem werden gegeven en gaf degene die hem een geschenk had geschonken ook een geschenk terug.

an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) nam een geschenk dat hem werd aangeboden aan en beantwoordde een ontvangen geschenk steevast met een geschenk.

Eén van de overleveraars van deze ḥadīth, Hishām ibn ʿUrwah, voegt hieraan een bijzonderheid toe.

Hij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nam een geschenk aan en gaf een geschenk terug dat waardevoller was.”

Wie een geschenk geeft, dient dit met liefde en uit vrije wil te geven. Geeft iemand een geschenk in de verwachting daar iets voor terug te krijgen, en weet degene aan wie het geschenk wordt gegeven van die verwachting, dan mag hij dat geschenk absoluut niet aannemen; want een dergelijk geschenk is beslist niet ḥalāl.

Er bestaat nog een andere situatie. Iemand die van een reis terugkeert, neemt vaak geschenken mee voor familieleden, vrienden of bekenden. Wanneer duidelijk is dat hij die geschenken alleen geeft uit schaamte of omdat hij denkt: “Het zou ongepast zijn als ik niets meebracht”, dan is het eveneens niet toegestaan zulke geschenken aan te nemen. Een geschenk dat men mag aannemen, is een geschenk dat met een oprecht en tevreden hart wordt gegeven.

Wie twijfelt of een ontvangen geschenk wel geheel vrijwillig is gegeven, kan zijn geweten geruststellen door de gever eveneens een geschenk te geven.

Eerder, bij 239e ḥadīth, hebben wij gelezen dat Zāhir ibn Ḥarām (رضي الله عنه), die in de woestijn woonde, telkens wanneer hij naar Madīnah kwam een geschenk meebracht voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), terwijl Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem op zijn terugreis naar zijn woonplaats eveneens een geschenk meegaf. Bij de uitleg van die ḥadīth is het onderwerp van het uitwisselen van geschenken uitvoerig behandeld. Daarnaast zagen wij ook dat buren elkaar geschenken behoren te geven.

49. HOOFDSTUK: DE BESCHEIDENHEID (ḤAYĀʾ) VAN RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم)

358. Ḥadīth

Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه): ʿĀʾishah (رضي الله عنها) zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was nog bescheidener dan een jonge vrouw die de leeftijd had bereikt waarop zij zich dient te bedekken. Wanneer hij iets zag dat hem niet beviel, merkten wij dat aan de verandering in zijn gelaat.”

Ḥayāʾ (bescheidenheid en schaamte) is een voortreffelijke karaktereigenschap die een mens ervan weerhoudt slechte daden te verrichten. Het zorgt ervoor dat de mens zijn plichten tegenover anderen kent en deze zonder nalatigheid vervult.

Met andere woorden: wanneer iemand op het punt staat iets te doen wat niet gedaan behoort te worden, verschijnt er een lichte blos op zijn gezicht. Juist die reactie komt voort uit het gevoel van ḥayāʾ.

Ook in het Nederlands kennen wij hiervoor de uitdrukking: “rood aanlopen”. Daarom wordt iemand die zich ongepast heeft gedragen soms terechtgewezen met de woorden: “Schaam je je dan helemaal niet?”

De hoogste vorm van ḥayāʾ is te vinden bij de anbiyā. In deze ḥadīth wordt beschreven hoe uitzonderlijk groot de bescheidenheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was.

Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) beschrijft de verheven bescheidenheid van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) door te zeggen dat hij nog bescheidener was dan een ongehuwd, kuis meisje dat de huwbare leeftijd had bereikt.

Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) onder de ṣaḥābah iets zag wat hem niet beviel, sprak hij hen daar meestal niet rechtstreeks op aan, uit vrees hun gevoelens te kwetsen. Daarom wist niemand precies wat hij op zo’n moment dacht. Wie echter naar zijn gezegende gezicht keek, kon direct zien of hij tevreden was over hetgeen gebeurde of niet. Juist vanwege deze uitzonderlijke bescheidenheid keek Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ook nooit langdurig of indringend naar iemand.

Een van de mooiste voorbeelden van de bescheidenheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegenover de ṣaḥābah vond plaats op de dag waarop hij trouwde met onze moeder Zaynab bint Jaḥsh (رضي الله عنها). Hij nodigde de mensen uit voor een huwelijksmaal (walimah) in zijn eigen woning. De gasten kwamen, aten en vertrokken weer. Toen duidelijk was dat er geen nieuwe gasten meer zouden komen, werd de maaltijd afgeruimd. Toch bleven enkele gasten zitten en zetten hun gesprek voort.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wilde graag dat zij naar huis gingen, maar hij kon het niet over zijn hart verkrijgen hun dat rechtstreeks te zeggen.

Toen hij zag dat zij niet opstonden, stond hij zelf op. De ṣaḥābah die zijn bedoeling begrepen, stonden eveneens op en vertrokken.

Daarop verliet Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de woning om hun duidelijk te maken dat het tijd was om weg te gaan. Hij bezocht enkele van zijn echtgenotes en sprak met hen, in de veronderstelling dat de bezoekers inmiddels zouden zijn vertrokken.

Toen hij terugkeerde, bleken de drie mannen nog steeds in gesprek te zijn. Vanwege zijn grote bescheidenheid kon an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hun niet zeggen dat zij moesten vertrekken.

Naar aanleiding van deze gebeurtenis werd āyah 53 van Sūrah al-Aḥzāb geopenbaard.

Allāhu (تعالى) onderwees de ṣaḥābah hiermee de juiste omgangsvormen:

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ لَا تَدۡخُلُواْ بُيُوتَ ٱلنَّبِيِّ إِلَّآ أَن يُؤۡذَنَ لَكُمۡ إِلَىٰ طَعَامٍ غَيۡرَ نَٰظِرِينَ إِنَىٰهُ وَلَٰكِنۡ إِذَا دُعِيتُمۡ فَٱدۡخُلُواْ فَإِذَا طَعِمۡتُمۡ فَٱنتَشِرُواْ وَلَا مُسۡتَـٔۡنِسِينَ لِحَدِيثٍۚ إِنَّ ذَٰلِكُمۡ كَانَ يُؤۡذِي ٱلنَّبِيَّ فَيَسۡتَحۡيِۦ مِنكُمۡۖ وَٱللَّهُ لَا يَسۡتَحۡيِۦ مِنَ ٱلۡحَقِّۚ وَإِذَا سَأَلۡتُمُوهُنَّ مَتَٰعٗا فَسۡـَٔلُوهُنَّ مِن وَرَآءِ حِجَابٖۚ ذَٰلِكُمۡ أَطۡهَرُ لِقُلُوبِكُمۡ وَقُلُوبِهِنَّۚ وَمَا كَانَ لَكُمۡ أَن تُؤۡذُواْ رَسُولَ ٱللَّهِ وَلَآ أَن تَنكِحُوٓاْ أَزۡوَٰجَهُۥ مِنۢ بَعۡدِهِۦٓ أَبَدًاۚ إِنَّ ذَٰلِكُمۡ كَانَ عِندَ ٱللَّهِ عَظِيمًا ٥٣

O jullie die geloven! Ga de huizen van an-Nabī niet binnen, behalve als jullie toestemming is gegeven voor een maaltijd (en dan) niet (zo vroeg dat) jullie wachten op de bereiding daarvan.

Maar als jullie zijn uitgenodigd, ga dan naar binnen, en als jullie de maaltijd gebruikt hebben, vertrek dan en blijf niet praten. Waarlijk, dat is lastig voor an-Nabī en hij wordt door jullie in verlegenheid gebracht. Maar Allah is niet verlegen om jullie de Waarheid (te vertellen). En als jullie (zijn vrouwen) om iets vragen, vraag dan achter een afscheiding, dat is zuiverder voor jullie harten en voor hun harten. En jullie mogen de Rasûl van Allah niet kwetsen en jullie mogen nooit na hem zijn vrouwen huwen. Waarlijk! Dat is een grote zonde in het aangezicht van Allah.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft in verschillende aḥadīth de waarde van ḥayāʾ benadrukt. Hij zei: “De Īmān heeft ruim zestig vertakkingen, en ḥayāʾ is één van de vertakkingen van de Īmān.”

“Ḥayāʾ brengt uitsluitend het goede voort.”

“Ḥayāʾ is in zijn geheel goed.”

359. Ḥadīth

Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): Ik heb nooit naar de ʿawrah (de lichaamsdelen die volgens de islamitische voorschriften bedekt moeten worden) van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gekeken (of: ik heb zijn ʿawrah nooit gezien).”

Zowel Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) als onze moeder ʿĀʾishah (رضي الله عنها) bezaten een uitzonderlijk grote mate van ḥayāʾ (bescheidenheid en schaamte). Zo groot was hun bescheidenheid dat zij niet naar elkaars ʿawrah keken.

Voor echtgenoten is het vanzelfsprekend niet eenvoudig om zich hierin zo terughoudend op te stellen. Deze overlevering laat zien waartoe een verheven gevoel van ḥayāʾ een mens kan brengen.

Het is bekend dat ʿĀʾishah (رضي الله عنها) de meest geliefde echtgenote van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was. Toch zegt zij in deze ḥadīth dat zij zijn ʿawrah nooit heeft gezien.

In een andere overlevering zegt zij: “Ik heb de ʿawrah van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nooit gezien en hij heeft mijn ʿawrah evenmin gezien.”

Deze overlevering laat zien dat beiden het hoogste niveau van ḥayāʾ bereikten.

Als dit al gold voor zijn meest geliefde echtgenote, dan gold dit vanzelfsprekend ook voor zijn andere echtgenotes.

Hier lijkt sprake te zijn van een bijzondere eigenschap die uitsluitend aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was voorbehouden, een van de zogenoemde khaṣāʾiṣ an-nabī (de bijzondere kenmerken van an-Nabī). Mogelijk was het de bedoeling dat zijn ʿawrah door niemand werd gezien.

Ook uit een uitspraak van ʿAlī (رضي الله عنه) blijkt dit. Hij vertelde: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) droeg mij op dat niemand anders dan ik zijn gezegende lichaam na zijn overlijden zou wassen. Daarbij zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Wie mijn ʿawrah ziet, zal blind worden.”

ʿAlī (رضي الله عنه) vertelde verder dat zijn oom ʿAbbās (رضي الله عنه) en Usāmah ibn Zayd (رضي الله عنهما) vanachter een gordijn water aangaven, terwijl hijzelf Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) waste.

Ook vóór zijn zending als an-Nabī waakte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) er zorgvuldig voor dat zijn ʿawrah niet zichtbaar werd. Tijdens de herbouw van de Kaʿbah droeg hij samen met zijn oom ʿAbbās (رضي الله عنه) stenen op zijn schouder. Zijn oom stelde voor een deel van zijn onderkleed onder de steen te leggen om zijn schouder te beschermen. Toen hij dat deed, werd zijn ʿawrah zichtbaar. Onmiddellijk viel hij flauw en zakte op de grond. Zodra hij bijkwam, bedekte hij direct zijn ʿawrah. Daarna heeft niemand hem ooit nog in een dergelijke toestand gezien. Hierbij kunnen wij ook denken aan de grote zorgvuldigheid waarmee an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zich afzonderde wanneer hij zijn behoefte deed, zodat niemand hem kon zien.

Hoewel Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in zijn eigen leven op dit punt uiterst zorgvuldig was, heeft hij voor zijn ummah een ruimere regeling gegeven.

Hij zei: “Toon je ʿawrah aan niemand, behalve aan je echtgenote of aan je slavin.”

Op grond van deze ḥadīth zijn de Islāmitische geleerden unaniem van oordeel dat echtgenoten elkaars ʿawrah mogen zien. Hier past opnieuw een woord van dank aan de Moeders der Mu’mins (رضي الله عنهن). Als zij ons niet hadden geïnformeerd over bepaalde aspecten van het gezinsleven van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), zouden moslims op het gebied van het huwelijksleven en de onderlinge omgang tussen echtgenoten veel onjuiste opvattingen en praktijken hebben gehad.

50. HOOFDSTUK: DE ḤIJĀMAH (CUPPING) VAN RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم)

360. Ḥadīth

Van Ḥumayd al-Ṭawīl (رَحِمَهُ اللهُ): Aan Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) werd gevraagd: “Is het loon dat iemand voor het verrichten van ḥijāmah ontvangt ḥalāl of niet?”

Hij antwoordde: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) liet bij zichzelf ḥijāmah verrichten. Deze behandeling werd uitgevoerd door een slaaf genaamd Abū Ṭaybah. Nadat Abū Ṭaybah an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had behandeld, beval Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dat hem als vergoeding twee ṣāʿ aan voedsel zou worden gegeven. Vervolgens sprak hij met de eigenaars van de slaaf en vroeg hun de dagelijkse afdracht die Abū Ṭaybah aan hen verschuldigd was te verlagen. Zij stemden daarmee in.

Daarna zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “De meest nuttige behandeling die jullie kunnen toepassen is ḥijāmah.”

Of, volgens een andere overlevering: “Een van de meest heilzame behandelingen die jullie kunnen ondergaan is ḥijāmah.”

Het woord ḥijāmah betekent letterlijk “zuigen”. Het is een behandelmethode waarbij de huid op de pijnlijke of aangedane plaats licht wordt ingesneden, waarna het bloed met behulp van een zuiginstrument wordt afgezogen. Met andere woorden: het is een vorm van aderlaten.

Cupping en bloedzuigers

Wat in het Nederlands vaak “cupping” wordt genoemd, is eveneens een vorm van ḥijāmah. De zogenoemde “droge cupping” bevordert de doorbloeding van de haarvaten naar het behandelde lichaamsdeel. De ḥijāmah waarover in deze en de volgende aḥadīth wordt gesproken, betreft echter de behandeling waarbij bloed daadwerkelijk wordt afgezogen.

Ook het plaatsen van bloedzuigers op een pijnlijke plek behoort tot de vormen van ḥijāmah.

Aan Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) werd gevraagd of het toegestaan is een vergoeding te ontvangen voor het verrichten van ḥijāmah. Om duidelijk te maken dat dit toegestaan is, verwees hij naar het voorbeeld van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Hij vertelde dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zelf ḥijāmah liet verrichten en de behandelaar als vergoeding twee ṣāʿ aan voedsel gaf.

Ook ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), één van de overleveraars van deze ḥadīth, zei:

“Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) liet ḥijāmah verrichten en betaalde degene die de behandeling uitvoerde. Als het ontvangen van een vergoeding daarvoor verboden was geweest, zou hij die zeker niet hebben betaald.”

Ḥijāmah betekent het laten afnemen van (aderlijk) bloed als behandeling.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) noemde deze behandeling één van de meest heilzame geneeswijzen.

Zoals in 364e ḥadīth zal worden vermeld, gaf hij zelfs aan op welke dagen het bijzonder gunstig is om ḥijāmah te laten verrichten.

In deze ḥadīth wordt als vergoeding gesproken over een ṣāʿ. Een ṣāʿ is een oude inhoudsmaat die werd gebruikt voor droge voedingsmiddelen zoals graan en peulvruchten.

Volgens de Ḥanafī-geleerden bedraagt één ṣāʿ ongeveer 3640 gram.

In een andere overlevering van deze ḥadīth staat dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beval Abū Ṭaybah één ṣāʿ dadels als vergoeding te geven.

Abū Ṭaybah was een slaaf. Eigenaren van slaven die een vak beheersten, maakten vaak met hen de afspraak: “Breng mij iedere dag een vast bedrag; wat je daarboven verdient, mag je zelf houden.” Zo was ook de situatie van Abū Ṭaybah.

Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zag dat hij zijn vak bekwaam uitoefende, wilde hij hem helpen. Daarom stuurde hij een boodschap naar zijn eigenaar, de Anṣārī Muḥayyiṣah ibn Masʿūd (رضي الله عنه), met het verzoek de dagelijkse afdracht van drie ṣāʿ voedsel te verminderen. Zoals in 363e ḥadīth zal worden vermeld, stemde hij daar graag mee in en schold hij één ṣāʿ kwijt.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft ḥijāmah aanbevolen als één van de meest heilzame behandelmethoden. Volgens medische deskundigen was deze aanbeveling in het bijzonder gericht tot de bewoners van de Ḥijāz en andere warme gebieden. Bij mensen met een warm lichaamstype die in warme klimaten leven, kan ḥijāmah tijdens warme perioden inderdaad gunstig zijn.

Voor mensen die in onze streken wonen, hoeft dat echter niet zonder meer hetzelfde te gelden. Daarom is het verstandig dat iemand die ḥijāmah wil laten verrichten eerst een arts raadpleegt en diens medische advies inwint voordat hij deze behandeling ondergaat.

361. Ḥadīth

Van ʿAlī (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) liet zich behandelen met ḥijāmah.

Daarna droeg hij mij op de behandelaar zijn vergoeding te betalen, en ik heb die betaald.

362. Ḥadīth

Van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) liet zich behandelen met ḥijāmah op de twee aderen aan weerszijden van zijn hals en tussen zijn beide schouderbladen. Vervolgens betaalde hij de behandelaar zijn vergoeding. Als het ontvangen van een vergoeding voor ḥijāmah verboden was geweest, zou Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) die vergoeding niet hebben betaald.”

Uit de overlevering in de Sunan van Ibn Mājah leren wij dat Jibrīl (عليه السلام) an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bezocht en raadde hem aan ḥijāmah te laten verrichten. aan de beide zijden van zijn hals en tussen zijn schouderbladen.

Er wordt vermeld dat ḥijāmah op de aderen aan weerszijden van de hals, verlichting kan geven bij aandoeningen van het hoofd, de ogen, het gezicht, de neus, de oren en de tanden.

Verder wordt gezegd dat ḥijāmah tussen de beide schouderbladen gunstig kan zijn bij klachten aan het hoofd, het gezicht, de keel en het gebit.

Er is eveneens overgeleverd dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), vanwege lichamelijke pijn die hij ervoer, ḥijāmah liet verrichten op zijn heup of op zijn rug.

De kwestie of degene die ḥijāmah verricht hiervoor een vergoeding mag ontvangen, is reeds toegelicht bij de uitleg van ḥadīth 360.

363. Ḥadīth

Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) liet een slaaf die hijāmah verrichtte bij zich komen en liet zich door hem behandelen. Vervolgens vroeg hij hem: “Hoeveel loon betaal je dagelijks aan je meester?”

Hij antwoordde: “Ik betaal drie ṣāʿ.”

Daarop sprak an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) met zijn meester en wist hij te bewerkstelligen dat één ṣāʿ werd kwijtgescholden en gaf hem vervolgens de vergoeding voor zijn verrichte arbeid.

Deze ḥadīth, die door ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما) is overgeleverd, is ook door Jābir ibn ʿAbdillāh (رضي الله عنهما) overgeleverd. In de overlevering van Jābir wordt bovendien het volgende vermeld: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) liet de hijāmah-behandelaar Abū Ṭaybah (رضي الله عنه) weten: “Kom na zonsondergang naar mij.”

Nadat de ifṭār, droeg hij hem op zijn hijāmah-instrumenten gereed te maken, waarna hij bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de hijāmah verrichtte.

Uit deze overlevering leren wij dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) die dag aan het vasten was. Hij liet de hijāmah niet verrichten terwijl hij vastte, maar pas nadat hij zijn vasten had verbroken.

Zoals wij ook hebben gelezen en uitgelegd bij 364. ḥadīth, vond Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het bedrag dat de slaaf die de hijāmah verrichtte dagelijks aan zijn meester moest afdragen te hoog. Daarom sprak hij met zijn meester en wist hij te bewerkstelligen dat het bedrag dat de slaaf moest afdragen werd verlaagd.

364. Ḥadīth

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) liet hijāmah verrichten op de twee aderen aan weerszijden van zijn hals en tussen zijn twee schouderbladen. Het was de gewoonte van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) om de hijāmah te laten verrichten op de zeventiende, negentiende of eenentwintigste dag van de maanmaand.

De drie dagen waarop Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), zoals in deze ḥadīth wordt vermeld, de hijāmah liet verrichten, vallen in de derde week van de maanmaand.

Volgens artsen zijn dit de dagen waarop de bloeddruk, onder invloed van de stand van de maan, toeneemt. Daarom wordt deze periode van de maanmaand beschouwd als de meest geschikte tijd om bloed af te laten.

Deze ḥadīth is behalve door Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) ook overgeleverd door Abū Hurayrah (رضي الله عنه). Volgens diens overlevering heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gezegd dat het laten verrichten van hijāmah op de zeventiende, negentiende of eenentwintigste dag van een willekeurige maanmaand een genezing is voor aandoeningen die voortkomen uit een verhoogde bloeddruk.

Volgens een authentiek ḥadīth vertelde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dat iedere groep engelen waar hij tijdens de Miʿrāj langskwam, tegen hem zei: “O Muḥammad! Beveel jouw ummah aan om hijāmah te laten verrichten!”

Toen een joodse vrouw tijdens de verovering van Khaybar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vergiftigde met een geroosterd schaap, liet Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), om de gevolgen van het gif tegen te gaan, ook hijāmah verrichten tussen zijn beide schouders.

365. Ḥadīth

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) liet, terwijl hij zich in de iḥrām bevond, op de plaats Malal hijāmah verrichten op de bovenkant van zijn voet.

Uit deze ḥadīth leren wij dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op een plaats genaamd Malal hijāmah liet verrichten. Malal ligt tussen Makkah en Madīnah, op een afstand van zeventien mijl van Madīnah.

Uit de overlevering van Aḥmad ibn Ḥanbal leren wij dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hijāmah liet verrichten op de bovenkant van zijn voet “vanwege een pijn die hij voelde”.

De geleerden verschillen van mening over de vraag of iemand die zich in de iḥrām bevindt hijāmah mag laten verrichten.

Uit de authentieke aḥadīth in Ṣaḥīḥ al-Bukhārī en Ṣaḥīḥ Muslim leren wij dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tijdens de Afscheidshaj, terwijl hij zich in de iḥrām bevond, op een plaats genaamd Lahy al-Jamal werd getroffen door een eenzijdige hoofdpijn, die de Arabieren shaqīqah noemen. Daarom liet hij hijāmah verrichten op het midden van zijn hoofd. Lahy al-Jamal is de naam van een plaats tussen Makkah en Madīnah.

Er wordt tevens vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zowel tijdens het vasten als tijdens de iḥrām hijāmah liet verrichten.

Iemand die zich in de iḥrām bevindt, moet er bij het afnemen van bloed op letten dat zijn haar niet wordt afgeschoren. Mocht er tijdens de behandeling toch haar worden verwijderd, dan is hij verplicht een fidyah te geven. Hijāmah wordt verricht op de plaats van het lichaam waar de klacht of pijn zich bevindt.

51. HOOFDSTUK: DE NAMEN VAN RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم)

366. Ḥadīth

Van Jubayr ibn Muṭʿim (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik heb namen die uitsluitend aan mij toebehoren: ik ben Muḥammad; ik ben Aḥmad.

Een van mijn namen is ook Māḥī. Allāhu (تعالى) zal door mijn het ongeloof uitwissen.

Een andere naam van mij is Ḥāshir. Nadat ik als an-Nabī ben gezonden, zullen de mensen zich achter mij verzamelen.

Nog een andere naam van mij is ʿĀqib. ʿĀqib betekent: “degene na wie geen nabī meer zal komen.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik heb namen die uitsluitend aan mij toebehoren.”

Hieruit begrijpen wij dat hij vele namen had, maar dat hij in deze ḥadīth slechts zijn vijf bekendste namen heeft genoemd.

Qāḍī ʿIyāḍ heeft in zijn beroemde werk ash-Shifāʾ eveneens een aantal namen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vermeld.

Laten wij nu deze vijf namen uit de ḥadīth nader toelichten. Allereerst dient te worden opgemerkt dat alle namen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) namen zijn die zijn verheven positie en voortreffelijkheid tot uitdrukking brengen.

De naam Muḥammad betekent “de veelgeprezene” en komt op vier plaatsen voor in de Qur’ān. Volgens een overlevering werd aan de grootvader van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), ʿAbd al-Muṭṭalib, gevraagd: “Waarom heb je je kleinzoon niet de naam van een van je voorouders gegeven, maar hem Muḥammad genoemd?”

Hij antwoordde: “Ik gaf hem deze naam opdat Allāhu (تعالى) hem in de hemel zou lofprijzen en Zijn dienaren hem op aarde zouden lofprijzen.”

De naam Aḥmad betekent: “degene die Allāh meer prijst dan wie ook, en Hem het meest lofprijst; en degene die meer wordt geprezen dan wie ook.”

Over deze twee namen zegt Qāḍī ʿIyāḍ het volgende:

“De Geliefde Rasûl is de grootste van allen die Allāh lofprijzen; hij is de meest verhevene onder allen die worden geprezen; hij is degene die Allāh het meest lofgeprezen (ḥamd). Zoals hij de voortreffelijkste is onder degenen die worden lofgeprezen, zo is hij ook de voortreffelijkste onder degenen die Allāh lofprijzen.

Om aan te tonen dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de hoogste graad van lofprijzing heeft bereikt en om ervoor te zorgen dat hij in het Hiernamaals overal met lof zal worden geprezen, zal hem op die Dag de Liwāʾ al-Ḥamd (Banier van de Lofprijzing) worden gegeven. Zijn Rab zal hem, overeenkomstig Zijn belofte, verheffen tot de Maqām Maḥmūd (de geprezen positie / de lofwaardige rang).Omdat hij voorspraak (shafa`ah) zal doen voor alle mensen (moslims) die ooit hebben geleefd en nog zullen leven, zal iedereen hem lofprijzen.

Zoals Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd, zal Allāhu (تعالى) hem op die verheven plaats woorden van lof en verheerlijking ingeven die Hij vóór hem aan geen enkele nabī heeft onderwezen.

In de Boeken die Allāhu (تعالى) aan Zijn anbiyā heeft geopenbaard, heeft Hij de ummah van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) omschreven als “degenen die Allāh onder alle omstandigheden lofprijzen”. Daarom is het bijzonder passend dat een nabī aan wie Allāhu (تعالى) zulke verheven eigenschappen heeft geschonken de namen Muḥammad en Aḥmad draagt.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een van mijn namen is ook Māḥī.”

Vervolgens legde hij zelf de betekenis van deze naam uit door te zeggen: “Allāhu (تعالى) zal door mijn het ongeloof uitwissen.”

Deze uitspraak van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kan op twee manieren worden begrepen.

De eerste betekenis is dat het ongeloof reeds tijdens het leven van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) volledig uit Makkah, het Arabische Schiereiland en de gebieden die Allāhu (تعالى) hem toonde, zou verdwijnen.

De tweede betekenis is dat de Islām zich overal zal verspreiden en dat uiteindelijk alle volkeren deze zullen aanvaarden. Ook de volgende āyah wijst hierop:

هُوَ ٱلَّذِيٓ أَرۡسَلَ رَسُولَهُۥ بِٱلۡهُدَىٰ وَدِينِ ٱلۡحَقِّ لِيُظۡهِرَهُۥ عَلَى ٱلدِّينِ كُلِّهِۦ وَلَوۡ كَرِهَ ٱلۡمُشۡرِكُونَ ٩

Hij is Degene Die Zijn Rasûl heeft gezonden met de Leiding en de ware godsdienst om deze te laten zegevieren over alle (vormen van) godsdienst, zelfs als de afgodendienaars (het) haten. (Ṣaf, 61:9)

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft de naam Māḥī ook uitgelegd als: “De zonden van degenen die in mij geloven en mij volgen, zullen worden uitgewist.”

In deze ḥadīth zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Een andere naam van mij is Ḥāshir. Nadat ik als an-Nabī ben gezonden, zullen de mensen zich achter mij verzamelen.”

Hieruit begrijpen wij dat er na Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) geen nieuwe nabī (en rasûl) meer zal komen en dat de mensen daarom hem zullen volgen en zich achter hem zullen verzamelen.

Verder zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Een andere naam van mij is ʿĀqib.”

Vervolgens legde hij deze naam uit met de woorden: “Degene na wie geen nabī (en rasûl) meer zal komen.”

(De overleveraar van onze ḥadīth, Jubayr ibn Muṭʿim al-Qurāšī (رضي الله عنه) (overl. 59 AH/678 CE), behoorde tot de vooraanstaanden van de Qurayš. Hoewel hij een verwant van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was, was hij een van diens grootste vijanden. Tijdens de Slag bij Uḥud had hij zijn slaaf Waḥshī beloofd hem vrij te laten als hij Ḥamzah (رضي الله عنه), de oom van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), die zijn oom had gedood, zou doden.

In het 6e jaar na de hijrah (628CE) of twee jaar later, tijdens de verovering van Makkah, trad hij toe tot de Islām. Hij bezat diepgaande kennis van de genealogie (ansāb). Hij heeft zestig aḥādīth overgeleverd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).)

367 en 368 Ḥadīth

Van Ḥudhayfah ibn al-Yamān (رضي الله عنه): Ik ontmoette Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in een van de straten van Madīnah.

Hij zei: “Ik ben Muḥammad, ik ben Aḥmad, ik ben an-Nabiy ar-Raḥmah (an-Nabī van de barmhartigheid), ik ben dan-Nabiy at-Tawbah (an-Nabī van de berouw), ik ben Muqaffī, degene die na de andere anbiyā is gekomen; een van mijn namen is Ḥāshir. Een andere naam van mij is an-Nabiy al-Malāḥim (an-Nabī van de grote veldslagen)”

In de vorige ḥadīth vertelde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dat hij namen bezit die uitsluitend aan hem toebehoren en noemde hij daarvan vijf. Twee van die namen, Muḥammad en Aḥmad, kwamen ook in die ḥadīth voor en zijn daar reeds toegelicht. Laten wij nu de overige namen verklaren die in deze ḥadīth worden genoemd.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zegt dat een van zijn namen an-Nabiy ar-Raḥmah is, wat “an-Nabī van de barmhartigheid” betekent.

Allāhu (تعالى) beschrijft deze eigenschap van hem in de Qur’ān als volgt:

وَمَآ أَرۡسَلۡنَٰكَ إِلَّا رَحۡمَةٗ لِّلۡعَٰلَمِينَ ١٠٧

En Wij hebben jou (O Mohammed) niet anders dan als genade voor de wereldwezens gestuurd. (Anbiyāʾ, 21:107)

Ook Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zelf heeft dit als volgt verwoord: “O mensen! Ik ben an-Nabī van de barmhartigheid, als een geschenk voor de werelden gezonden.”

Op een keer konden enkele ṣaḥābah de onderdrukking en het onrecht van de mushriks niet langer verdragen. Zij vroegen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) om hen te vervloeken. Hij antwoordde hun: “Ik ben niet gezonden als iemand die vervloekt; ik ben slechts gezonden als een barmhartigheid.”

Dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) als een barmhartigheid voor de werelden is gezonden, houdt ook het volgende in: De vroegere gemeenschappen werden getroffen door straffen zoals het wegzinken in de aarde, het veranderen in apen of een volledige vernietiging. De mensen die leefden nadat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) als an-Nabī was gezonden, zijn echter, zelfs wanneer zij niet in hem geloofden, uit eerbied voor hem niet met dergelijke straffen getroffen.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik ben an-Nabiy at-Tawbah, de Nabī van het berouw.”

De uitdrukking an-Nabiy at-Tawbah heeft hoofdzakelijk twee betekenissen.

De eerste betekenis is: “an- Nabī door wie vele mensen uit zijn ummah berouw tonen.”

Het berouw van de vroegere gemeenschappen ging vaak met grote moeilijkheden gepaard. Het berouw van de ummah van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) is daarentegen gemakkelijker, omdat zij bestaat uit oprechte spijt over de begane zonden.

De tweede betekenis is: “an-Nabī die zeer veel berouw toont.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft namelijk gezegd dat hij dagelijks zeventig of zelfs honderd keer berouw toont.

Hij zei: “O mensen! Wend je in oprecht berouw tot Allāh en smeek Hem om vergeving.. Waarlijk, ik toon iedere dag honderdmaal berouw tot Hem.”

Allāhu (تعالى) draagt ons in verschillende āyāt van de Qur’ān op om berouw te tonen:

وَتُوبُوٓاْ إِلَى ٱللَّهِ جَمِيعًا أَيُّهَ ٱلۡمُؤۡمِنُونَ لَعَلَّكُمۡ تُفۡلِحُونَ ٣١

… En keer jullie allen in berouw tot Allah (door dingen te vermijden die Zijn toorn opwekken), O gelovige (mannen en vrouwen), opdat jullie zullen slagen (en gered zullen worden van de verschrikkingen). (Nūr, 24:31)

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei in deze ḥadīth: “Ik ben Muqaffī.”

Met deze uitspraak gaf hij aan dat hij Khātam al-Anbiyā is, de laatste van de anbiyā.

Deze naam betekent dat hij zegt: “Zoals de eerdere anbiyā de mensen hebben opgeroepen om in de eenheid van Allāh te geloven en een voortreffelijk karakter te bezitten, zo roep ook ik de dienaren van Allāh op tot de tawḥīd en tot een voortreffelijk karakter.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei dat een van zijn namen Ḥāshir is.

Deze naam kwam ook voor in de vorige ḥadīth, waarin Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de betekenis van Ḥāshir uitlegde met de woorden: “Nadat ik als an-Nabī ben gezonden, zullen de mensen zich achter mij verzamelen/scharen.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een andere naam van mij is an-Nabiy al-Malāḥim.”

Deze naam komt ook voor als Rasûl al-Malāḥim of Rasûl al-Malḥamah.

Malāḥim is het meervoud van malḥamah, wat “hevige strijd” of “zware veldslag” betekent.

De naam an-Nabiy al-Malāḥim geeft aan dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de opdracht had om jihād te voeren.

Jihād betekent: deze verheven godsdienst en de moslims verdedigen tegen degenen die de Islām en de moslims op onrechtvaardige wijze aanvallen en de grenzen overschrijden, en zich met alle beschikbare middelen inspannen om de verspreiding van de Islām te bevorderen.

Daarom mogen degenen die jihād verrichten niemand onrecht aandoen, de grenzen niet overschrijden en op aarde nooit verderf of verwoesting aanrichten.

Allāhu (تعالى) gaf Zijn Nabī de volgende opdracht met betrekking tot het bestrijden van degenen die onrecht plegen en de grenzen overschrijden:

يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّبِيُّ جَٰهِدِ ٱلۡكُفَّارَ وَٱلۡمُنَٰفِقِينَ وَٱغۡلُظۡ عَلَيۡهِمۡۚ وَمَأۡوَىٰهُمۡ جَهَنَّمُۖ وَبِئۡسَ ٱلۡمَصِيرُ ٧٣

O, Profeet! Streef hard tegen de ongelovigen en de hypocrieten en wees streng voor hen, hun verblijfplaats is de Hel en dit is zeker de ergste bestemming. Tawbah, 9:73)

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had nog vele meer andere namen. De namen die in deze twee aḥadīth zijn genoemd, zijn echter de namen waaronder hij ook in de eerdere geopenbaarde heilige Boeken werd vermeld.

52. HOOFDSTUK: DE LEVENSWIJZE VAN RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم)

369.Ḥadīth

Van Nuʿmān ibn Bashīr (رضي الله عنه): Jullie kunnen tegenwoordig zoveel eten en drinken als jullie maar willen, nietwaar? Toch heb ik de tijd meegemaakt waarin jullie Nabī (صلى اللهعليه وسلم) zelfs geen enkele droge dadel kon vinden om zijn maag mee te vullen.”

Nuʿmān ibn Bashīr (رضي الله عنه) sprak de mensen die slechts met eten en drinken bezig waren streng toe, zoals wij in deze ḥadīth hebben gezien. Uit sommige overleveringen leren wij dat deze vermaning oorspronkelijk door ʿUmar (رضي الله عنه) werd uitgesproken.

Nuʿmān ibn Bashīr herhaalde vervolgens de woorden die hij van ʿUmar (رضي الله عنه) had gehoord tegenover de mensen die bij hem waren. De strekking van deze vermaning is als volgt: O mensen! Tegenwoordig leven jullie te midden van overvloedige gunsten. Jullie verkrijgen wat jullie wensen en eten en drinken waar jullie zin in hebben. Maar jullie Rab heeft jullie opgedragen een voorbeeld te nemen aan jullie Nabī en heeft gezegd:

لَّقَدۡ كَانَ لَكُمۡ فِي رَسُولِ ٱللَّهِ أُسۡوَةٌ حَسَنَةٞ لِّمَن كَانَ يَرۡجُواْ ٱللَّهَ وَٱلۡيَوۡمَ ٱلۡأٓخِرَ وَذَكَرَ ٱللَّهَ كَثِيرٗا ٢١

Voorzeker, de Rasûl van Allah is (in elk opzicht) een lichtend voorbeeld voor (zowel de gelovigen als de hypocrieten onder) jullie, voor wie op (de veelbelovende ontmoeting met) Allah en de Laatste Dag hoopt. En voor wie Allah veelvuldig gedenkt.

(Aḥzāb, 33:21)

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) leefde daarentegen in eenvoud, omdat hij alles wat hij bezat aan de armen weggaf. Er waren momenten waarop hij zelfs geen droge dadel kon vinden om zijn honger te stillen. Hij hechtte nooit waarde aan de genietingen van deze wereld, omdat hij het Hiernamaals verkoos boven het wereldse leven. Wanneer hij gerstebrood vond, dankte hij zijn Rab daarvoor.

Op een dag bracht Fāṭimah (رضي الله عنها) haar geliefde vader een stuk brood. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg: “Fāṭimah, wat is dit stuk brood?”

Zij antwoordde: “Ik had brood gebakken. Ik kon geen rust vinden voordat ik dit stuk naar u had gebracht.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde op haar liefdevolle zorg: “Dit stuk brood dat je hebt gebracht, is het eerste voedsel dat de maag van je vader in drie dagen heeft gezien.”

Allāhu (تعالى) heeft Zijn ontelbare gunsten voor ons beschikbaar gemaakt en heeft zowel de vroegere gemeenschappen als ons in de Qur’ān bevolen:

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ كُلُواْ مِن طَيِّبَٰتِ مَا رَزَقۡنَٰكُمۡ وَٱشۡكُرُواْ لِلَّهِ إِن كُنتُمۡ إِيَّاهُ تَعۡبُدُونَ ١٧٢

O jullie die geloven! Eet van de wettige zaken waarmee Wij jullie voorzien hebben en wees Allah dankbaar, als Hij alleen het is Die jullie aanbidden. (Baqarah, 2:172)

Wat afkeurenswaardig is, is dat men zonder enige mate of beperking overmatig eet en drinkt. Waar het om gaat, is gematigdheid te betrachten en overdrijving te vermijden.

Deze ḥadīth is eerder (152. ḥadīth) behandeld in het hoofdstuk over de gerechten waarmee Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn brood at. Vanwege het grote belang ervan is de ḥadīth hier opnieuw toegelicht.

Voor meer informatie over dit onderwerp kan worden verwezen naar de 71. en 72. aḥadīth, waarin de levenswijze van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wordt besproken.

370. Ḥadīth

Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): Het gebeurde dat gedurende een hele maand in het huis van de familie van Muḥammad geen vuur werd aangestoken. In die periode aten en dronken wij niets anders dan dadels en water.

De overleveraar van deze ḥadīth van ʿĀʾishah (رضي الله عنها) was ʿUrwah ibn az-Zubayr (رضي الله عنه). Hij was haar neef, de zoon van haar zus Asmāʾ (رضي الله عنها).

Bij een andere gelegenheid zei ʿĀʾishah tegen ʿUrwah: “O zoon van mijn zuster!

(Ik zweer) bij Allāh dat wij de ene nieuwe maan zagen, daarna de volgende en vervolgens nog een nieuwe maan. dus drie nieuwe manen binnen twee maanden, zonder dat er in de huizen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ook maar één keer vuur werd aangestoken om voedsel te bereiden.”

Daarop vroeg ʿUrwah: “Mijn tante, waarvan leefden jullie dan?”

ʿĀʾishah antwoordde: “Van dadels en water. Wel hadden wij buren uit Madīnah die melkgevende dieren bezaten. Moge Allāh hen belonen; zij stuurden Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) af en toe melk, en daarvan dronken wij.”

Gedurende een hele maand werd in het huis van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) niet alleen geen voedsel bereid, maar zelfs geen brood gebakken. Toch vertelden zij dit aan niemand en wist niemand dat er in hun huis geen voedsel aanwezig was.

Men moet nooit vergeten dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zijn familie geen gebrek aan voedsel hadden omdat zij arm of behoeftig waren. Integendeel, doordat hij alles wat hij ontving onder de armen verdeelde, kwam het voor dat er sommige dagen in het Gezegende Huis geen voedsel meer overbleef.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hechtte namelijk geen waarde aan de genietingen van deze wereld, maar aan de gunsten van het Hiernamaals die Allāhu (تعالى) hem zou schenken, zoals in de volgende āyah wordt gezegd:

وَلَا تَمُدَّنَّ عَيۡنَيۡكَ إِلَىٰ مَا مَتَّعۡنَا بِهِۦٓ أَزۡوَٰجٗا مِّنۡهُمۡ زَهۡرَةَ ٱلۡحَيَوٰةِ ٱلدُّنۡيَا لِنَفۡتِنَهُمۡ فِيهِۚ وَرِزۡقُ رَبِّكَ خَيۡرٞ وَأَبۡقَىٰ ١٣١

En staar niet met je ogen in verlangen naar zaken die Wij aan verschillende groepen voor vermaak hebben gegeven, (het is slechts) de schittering van het leven van deze wereld, dat Wij hen daarmee moge testen.

Maar de voorziening van jullie Heer is beter en blijvender. (Ṭā Hā, 20:131)

De genietingen van deze wereld zijn vergankelijk en van voorbijgaande aard. De gunsten die Allāhu (تعالى) Zijn mu’min dienaren in het Hiernamaals heeft beloofd, zijn daarentegen veel voortreffelijker, volmaakter en eeuwigdurend. Deze āyah werd geopenbaard naar aanleiding van een gebeurtenis die met dit onderwerp verband houdt.

Op een dag ontving Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een gast, terwijl er in zijn huis zelfs geen brood was om hem voor te zetten. Daarom stuurde hij zijn dienaar Abū Rāfiʿ (رضي الله عنه) naar een joodse handelaar met het verzoek hem een hoeveelheid meel op krediet te verstrekken, die later zou worden terugbetaald.

De jood weigerde dit echter, tenzij er een onderpand werd achtergelaten. Dit stemde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bedroefd. Naar aanleiding van deze gebeurtenis werd de hierboven genoemde āyah geopenbaard.

371. Ḥadīth

Van Abū Ṭalḥah al-Anṣārī (رضي الله عنه), de stiefvader van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Op een dag beklaagden wij bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) over de honger die wij leden. Ieder van ons sloeg zijn kleding open en liet de steen zien die hij vanwege de honger op zijn buik had gebonden. Daarop sloeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) eveneens zijn kleding open en toonde de twee stenen die hij op zijn buik had gebonden.”

Imām at-Tirmidhī zei: “Deze ḥadīth, overgeleverd door Abū Ṭalḥah, is qua overleveringsketen een gharīb-ḥadīth. Wij kennen deze ḥadīth slechts via deze ene overleveringsketen.”

Dat Abū Ṭalḥah zei: “Ieder van ons sloeg zijn kleding open om Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de steen te laten zien die hij vanwege de honger op zijn buik had gebonden”, maakt duidelijk dat ieder van de ṣaḥābah een steen op zijn buik had gebonden om de verzwakking door de honger enigszins te onderdrukken.

Op een dag kwamen enkele ṣaḥābah bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Zij sloegen hun kleding open, lieten de stenen zien die zij op hun buik hadden gebonden en zeiden: “Wij hebben honger, o Rasûlullāh!”

Waarom hadden zij stenen op hun buik gebonden? Gaven die stenen hun een verzadigd gevoel? Natuurlijk niet. Zij hadden de stenen op hun buik gebonden om hun door de honger verzwakte lichaam enigszins te ondersteunen, zodat zij zich gemakkelijker konden oprichten en bewegen.

Daarop ontblootte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn gezegende buik om te laten zien dat niet alleen zij, maar ook hij zwaar onder de honger leed. Op zijn buik waren zelfs twee stenen gebonden. Daarmee maakte hij duidelijk dat hij al langere tijd honger leed dan zij.

Een van de vele aḥadīth waarin wordt vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vanwege de honger een steen op zijn buik bond, is de ḥadīth die door Jābir ibn ʿAbdillāh (رضي الله عنهما) is overgeleverd en door Imām al-Bukhārī in zijn Ṣaḥīḥ is opgenomen.

Tijdens het graven van de greppel ter voorbereiding op de Slag van al-Khandaq stuitten de moslims op een buitengewoon harde rots. De ṣaḥābah gingen naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) om hem hierover te informeren.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei daarop: “Ik zal zelf de greppel ingaan.”

Jābir vertelde over deze gebeurtenis: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stond op. Vanwege de honger had hij een steen op zijn buik gebonden.”

Vervolgens vermeldde hij dat zij gedurende drie dagen geen enkele hap voedsel hadden gegeten.

Deze moeilijke omstandigheden duurden voort tot het vijfde jaar na de hidjrah (627 CE).

Onze moeder ʿĀʾishah (رضي الله عنها) zei: “Iedereen die beweert dat wij ons ooit aan dadels verzadigden, spreekt de onwaarheid.”

Vervolgens vertelde zij dat zij pas nadat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het gebied van Banū Qurayẓah had veroverd, voldoende dadels, vlees en boter ter beschikking kregen.

Het is nuttig om kort stil te staan bij een discussie die door deze ḥadīth is ontstaan.

De ḥadīthen fiqh-geleerde Abū Ḥātim Ibn Ḥibbān al-Bustī (overl. 354 AH./965 CE) las het woord ḥajar in deze ḥadīth anders. In plaats van het te lezen als ḥajar (“steen”), las hij het als hujaz, de meervoudsvorm van hujzah, dat “de uiteinden van een izār” of “de tailleband” betekent. Hij beweerde dat de overleveraar het woord ten onrechte als ḥajar had gelezen.

Op grond daarvan stelde hij dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) geen stenen op zijn buik had gebonden vanwege de honger en dat dit verhaal ongegrond was.

Als bewijs voerde hij aan dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de ṣaḥābah had verboden om ṣawm al-wiṣāl te verrichten, dat wil zeggen meerdere dagen achtereen te vasten zonder de vasten te verbreken.

Toen zij zeiden: “Maar, o Rasûlullāh! U verricht zelf toch ook ṣawm al-wiṣāl, terwijl u het ons verbiedt?”, antwoordde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Ik ben niet zoals jullie. Mijn Rab voedt mij en geeft mij te drinken.”

Na deze uitleg concludeerde Ibn Ḥibbān: “Allāhu (تعالى), Die Zijn Rasûl tijdens ṣawm al-wiṣāl voedt, voedt hem ook op andere momenten. Hij laat Zijn Rasûl daarom niet vanwege de honger stenen op zijn buik binden. Bovendien is het duidelijk dat het binden van stenen de honger niet wegneemt.”

Ibn Ḥajar al-ʿAsqalānī en vele andere geleerden verwierpen de opvatting van Ibn Ḥibbān.

Volgens hen was het voeden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tijdens ṣawm al-wiṣāl geen lichamelijke, maar een geestelijke voeding. Allāhu (تعالى) schonk hem de kracht alsof hij had gegeten en gedronken. Door hem Zijn majesteit en verhevenheid te laten overdenken, voedde Hij hem geestelijk en liet Hij hem de honger niet voelen.

Deze geleerden wezen daarbij op de kern van de zaak:

Honger vormt de rûh van de vasten. Als Allāhu (تعالى) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) lichamelijk had gevoed, zou hij niet de geestelijke vreugde hebben ervaren die voortvloeit uit het hongergevoel tijdens de vasten.

De ḥadīth die hierna volgt bevestigt bovendien, zoals Ibn Ḥajar al-ʿAsqalānī heeft aangegeven, dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) daadwerkelijk honger heeft geleden.

372. Ḥadīth

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Op een dag verliet Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn huis op een tijdstip waarop hij gewoonlijk niet naar buiten ging en waarop ook niemand hem placht te bezoeken. Op dat moment ontmoette hij Abū Bakr (رضي الله عنه).

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg hem: “Wat is er, Abū Bakr? Gewoonlijk kom jij op dit uur niet naar buiten. Waarom ben je nu toch naar buiten gegaan?”

Hij antwoordde: “Ik ben naar buiten gegaan uit verlangen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) te ontmoeten, zijn gezegende gezicht te zien en hem de salām te geven.”

Kort daarna verscheen ook ʿUmar (رضي الله عنه).

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg ook aan hem: “Wat is er, ʿUmar? Waarom ben je gekomen?”

Hij antwoordde: “Vanwege de honger.”

Daarop zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “De honger die jullie voelen, voel ik ook.”

Vervolgens gingen zij samen naar het huis van Abū al-Haytham Mālik ibn at-Tayyihān (رضي الله عنه), een van de Anṣār(-ṣaḥābī) uit Madīnah.

Abū al-Haytham bezat veel dadelboomgaarden en een grote kudde schapen. Hij had echter geen dienaar en verrichtte daarom zelf het werk in en om zijn het huis. Juist omdat hij met dat doel naar buiten was gegaan, troffen zij hem niet thuis aan.

Zij vroegen aan zijn vrouw: “Waar is je echtgenoot?”

Zij antwoordde: “Hij is (drink)water voor ons gaan halen.”

Kort daarna keerde Abū al-Haytham terug met een leren waterzak, gevuld met water. Hij zette de waterzak opzij, ging naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) toe, omhelsde hem en zei verheugd dat hij hem in zijn huis aantrof: “Moge mijn vader en moeder voor u worden opgeofferd, o Rasûlullāh!”

Daarna bracht hij zijn gasten naar zijn boomgaard, spreidde een kleed voor hen uit om op te zitten en plukte een tros dadels met zowel onrijpe als rijpe vruchten. Die bood hij hun aan.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tegen hem: “Had je niet alleen de rijpe dadels voor ons kunnen uitzoeken?”

Abū al-Haytham (رضي الله عنه) antwoordde: “Ik heb zowel de rijpe als de onrijpe meegenomen, zodat u zelf kunt kiezen wat u graag wilt eten.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en de ṣaḥābah aten van de dadels en dronken van het frisse, zoete water.

Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Bij Allāh, in Wiens Hand mijn leven zich bevindt! Deze koele schaduw, deze voortreffelijke dadels en dit koude water behoren tot de gunsten waarover jullie op de Dag der Opstanding zullen worden ondervraagd: of jullie er dankbaar voor zijn geweest.”

Toen Abū al-Haytham opstond om naar huis te gaan en eten voor zijn gasten te bereiden, begreep Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wat hij van plan was en zei tegen hem: “Raak de melkgevende dieren niet aan!”

Abū al-Haytham slachtte daarop een jonge (vrouwelijke) geit (of volgens een andere overlevering een jonge bok die nog geen jaar oud was), bereidde deze en zette het gerecht zijn gasten voor.

Zij aten gezamenlijk van de maaltijd.

Na het eten vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Abū al-Haytham, heb je een dienaar?”

Hij antwoordde: “Nee.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Kom dan naar ons toe wanneer wij een krijgsgevangene (slaaf) ontvangen.”

Enige tijd later werden twee slaven naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gebracht. Toen Abū al-Haytham dit hoorde, ging hij naar hem toe.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Kies er één van uit en neem hem mee.”

Abū al-Haytham antwoordde: “O Rasûlullāh! Kiest u voor mij degene die voor mij het beste is.”

Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Iemand die een ander om raad vraagt, beschouwt hem als betrouwbaar. Nu je de keuze aan mij hebt overgelaten, neem dan deze, want ik heb hem de ṣalāh zien verrichten. Behandel hem goed en leer hem wat jij weet.”

Abū al-Haytham nam de slaaf mee naar huis en vertelde zijn vrouw dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem had opgedragen de slaaf goed te behandelen.

Toen zijn vrouw dit hoorde, zei zij: “Hoe goed je ook voor hem zult zijn, je zult hem nooit kunnen behandelen zoals Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft opgedragen. Het beste is daarom dat je hem vrijlaat.”

Abū al-Haytham zei daarop: “Dan laat ik hem hierbij vrij.”

Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hoorde wat er tussen Abū al-Haytham en zijn vrouw was gebeurd, zei hij:

“Allāhu (تعالى) heeft aan iedere nabī en iedere khalīfah twee vrienden (vertrouwelingen) gegeven. De ene vertrouweling spoort hem aan tot het goede en weerhoudt hem van het kwade. De andere vertrouweling houdt hem niet tegen wanneer hij iets slechts wil doen. Wie door Allāh wordt beschermd tegen het kwaad van zo’n slechte vertrouweling, is werkelijk tegen alle kwaad beschermd.”

Op een dag voelde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zich zeer verzwakt door de honger. Daarom verliet hij op een tijdstip waarop hij gewoonlijk thuis uitrustte zijn huis.

Onderweg ontmoette hij Abū Bakr (رضي الله عنه). Blijkbaar was ook hij om dezelfde reden naar buiten gegaan. Toch had hij daarnaast nog een ander verlangen. Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem vroeg waarom hij op dat ongebruikelijke tijdstip naar buiten was gekomen, antwoordde hij:

“Ik ben naar buiten gegaan uit verlangen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) te ontmoeten, zijn gezegende gezicht te zien en hem de salām te geven.”

Kort daarna ontmoetten zij ook ʿUmar (رضي الله عنه).

Uit een andere overlevering van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), die is opgenomen in Ṣaḥīḥ Muslim, leren wij dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hun vroeg: “Waarom zijn jullie op dit tijdstip uit jullie huizen gekomen?”

Zij antwoordden: “Vanwege de honger, o Rasûlullāh!”

Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Bij Allāh, in Wiens Macht mijn leven zich bevindt! Dezelfde reden die jullie uit jullie huizen heeft doen vertrekken, heeft ook mij uit mijn huis doen vertrekken.”

Het is niet bekend of deze drie vrienden overdag of “s nachts hun huizen verlieten. Wel is duidelijk dat Allah, Die de harten in Zijn Hand houdt en daarover beschikt, hun harten naar elkaar toe leidde en hen samenbracht.

Volgens een andere overlevering was Abū Bakr (رضي الله عنه), toen hij thuis niets te eten kon vinden, naar het huis van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gegaan met de gedachte:

“Ik ga naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم); misschien kan ik in zijn huis mijn honger stillen.”

Laten wij hier nogmaals een bekend gegeven herhalen:

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) klaagde nooit over honger. Hij verkoos niet een leven in overvloed en luxe, maar wilde leven zoals de gewone mensen.

Hij legde dit zelf als volgt uit: “Mijn Rab bood mij aan om, als ik dat wilde, de vallei van Makkah in goud te veranderen.

Maar ik zei: “Nee, mijn Rab, dat wil ik niet. Ik geef er de voorkeur aan de ene dag verzadigd te zijn en de andere dag honger te lijden. Wanneer ik honger heb, smeek ik U en gedenk ik U.

Wanneer ik verzadigd ben, dank en lofprijs ik U.”

Men kan zeggen dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) alles wat hij ontving nog dezelfde dag onder de armen verdeelde en niets voor de volgende dag bewaarde. Vooral wanneer een militaire expeditie moest worden voorbereid, besteedde hij alles wat hij bezat aan de uitrusting, de bevoorrading en de benodigdheden van het leger.

Tijdens de Afscheidshaj, drie maanden vóór zijn overlijden, beschikte hij nog over voldoende middelen om honderd kamelen te offeren.Toch moest hij enkele dagen vóór zijn overlijden zijn harnas als onderpand achterlaten bij een jood voor dertig sā` gerst die hij van hem had gekocht.

Zoals wij reeds in 333. ḥadīth hebben gelezen, was het de khalīfah Abū Bakr (رضي الله عنه) die dit harnas vrijkocht en vervolgens aan ʿAlī (رضي الله عنه) had overgedragen.

Waarom verkeerden Abū Bakr en ʿUmar (رضي الله عنهما) dan in zulke moeilijke omstandigheden? Omdat zij van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hadden geleerd om, wanneer dat nodig was, alles wat zij bezaten op weg van Allāh uit te geven.

Zoals bekend vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de ṣaḥābah tijdens de voorbereiding van een veldtocht om grote offers te brengen. Op die dag bracht Abū Bakr (رضي الله عنه) zijn gehele bezit en legde het voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) neer.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg hem: “Abū Bakr, wat heb je voor je familie achtergelaten?”

Hij antwoordde: “Ik heb voor hen Allāh en Zijn Rasûl achtergelaten.”

Laten wij nu terugkeren naar onze ḥadīth.

Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zijn twee ṣaḥābah bij het huis van Abū al-Haytham aankwamen, troffen zij hem niet thuis aan.

Zij vroegen zijn vrouw: “Waar is je echtgenoot?”

Zij antwoordde: “Hij is (drink)water voor ons gaan halen.”

Uit de overlevering in Ṣaḥīḥ Muslim leren wij bovendien dat zij deze grote eer en gunst, die letterlijk aan haar deur was gekomen, onmiddellijk verwelkomde met de woorden:

“Welkom, komt u alstublieft binnen.”

Hierbij dient te worden opgemerkt dat het water in Madīnah brak was. Daarom haalden de inwoners hun drinkwater uit een bron met zoet water die zich op enige afstand buiten de stad bevond.

Niet lang daarna keerde Abū al-Haytham terug met het water. Toen hij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zijn twee Ṣaḥābahin zijn huis zag, was hij buitengewoon gelukkig.

Volgens een andere overlevering in Ṣaḥīḥ Muslim zei hij: “Alle lof behoort toe aan Allāh! Vandaag is er niemand die gezegender is dan ik met het ontvangen van gasten.”

Abū al-Haytham dacht dat zijn gasten hongerig konden zijn. Daarom vond hij het passend hun eerst dadels aan te bieden om hun honger enigszins te stillen terwijl hij de maaltijd bereidde.

Hij plukte daarom een dadeltros met zowel onrijpe, half rijpe als rijpe dadels en bracht die naar hen toe.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dacht dat de nog onrijpe dadels daardoor misschien verloren zouden gaan en vroeg: “Heb je soms haast gehad met het aanbieden van de dadels, aangezien je niet alleen de rijpe hebt uitgezocht?”

Abū al-Haytham antwoordde dat hij dit juist had gedaan zodat zijn gasten zelf konden kiezen welke dadels zij het liefst wilden eten, of dat nu de onrijpe of de rijpe waren.

In deze ḥadīth herinnerde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de ṣaḥābah, nadat zij van de dadels hadden gegeten en van het zoete water hadden gedronken, eraan dat zij op de Dag der Opstanding over deze gunsten zullen worden ondervraagd.

Hiermee wilde hij duidelijk maken dat Allāhu (تعالى) Zijn dienaren zal herinneren aan de gunsten die Hij hun heeft geschonken en zal zeggen: “O Mijn dienaren! Heb Ik jullie in de wereld niet voorzien van heerlijk voedsel, kostbare kleding, zoet en verfrissend water waarvan jullie volop konden drinken en bomen waaronder jullie konden uitrusten? Vertel Mij dan: hoe hebben jullie Mij daarvoor dankbaarheid betoond?”

Deze vraag houdt echter geen verwijt of vernedering in.

Allāhu (تعالى) zal Zijn dienaren de gunsten die Hij hun schonk niet verwijtend voorhouden, maar hen vragen of zij daarvoor dankbaar zijn geweest.

Uit een andere overlevering van deze ḥadīth leren wij dat Abū al-Haytham, nadat hij zijn gasten dadels had aangeboden, “een mes in zijn hand nam” en naar huis liep.

Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dit zag, begreep hij dat zijn gastheer een dier wilde slachten om een maaltijd voor hen te bereiden.

Daarom droeg hij hem nadrukkelijk op geen melkgevend dier te slachten, omdat een melkgevend dier waardevol is: zowel de eigenaar als anderen hebben profijt van zijn melk.

Dat Abū al-Haytham zijn gasten een maaltijd bereidde, is een voorbeeld van de Islāmitische omgangsvormen.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei hierover: “Wie in Allāh en de Laatste Dag gelooft, dient zijn gast eer te bewijzen.”

Wanneer ‘de gast’ die je huis met zijn aanwezigheid vereert Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) is, zou een mens dan niet bereid zijn alles wat hij bezit voor hem op te offeren?

Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vernam dat Abū al-Haytham geen dienaar had en al het werk in en rondom zijn huis eigenhandig verrichtte, stelde hij zijn inspanningen zeer op prijs. Daarom beloofde hij hem dat hij hem een krijgsgevangene (slaaf) zou schenken zodra er een beschikbaar kwam.

Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem vervolgens vroeg een van de twee slaven te kiezen, antwoordde Abū al-Haytham dat hij niet wist welke van hen voor hem het meest geschikt en van het grootste nut zou zijn. Daarom liet hij de keuze over aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Daarop adviseerde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem de slaaf te kiezen die hij de ṣalāh had zien verrichten. Waarschijnlijk had Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) daarbij de volgende āyah in gedachten:

ٱتۡلُ مَآ أُوحِيَ إِلَيۡكَ مِنَ ٱلۡكِتَٰبِ وَأَقِمِ ٱلصَّلَوٰةَۖ إِنَّ ٱلصَّلَوٰةَ تَنۡهَىٰ عَنِ ٱلۡفَحۡشَآءِ وَٱلۡمُنكَرِۗ وَلَذِكۡرُ ٱللَّهِ أَكۡبَرُۗ وَٱللَّهُ يَعۡلَمُ مَا تَصۡنَعُونَ ٤٥

Reciteer (O Mohammed) wat voor jouw van het Boek is geopenbaard en verricht je gebeden perfect. Voorwaar, het gebed weerhoudt van onzedelijkheid en "slecht (gedrag). Het gedenken van Allah is groter. En Allah weet wat jullie bedrijven. (ʿAnkabūt, 29:45)

Nadat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) Abū al-Haytham een van de slaven had geschonken, gaf hij hem ook de raad zijn slaaf goed te behandelen. Toen Abū al-Haytham thuiskwam en zijn vrouw herinnerde aan deze aanwijzing van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), zei zij, en hieruit blijkt haar grote wijsheid: “Hoe goed je je slaaf ook behandelt, je zult hem nooit kunnen behandelen zoals Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dat bedoelt. Het beste is daarom dat je hem vrijlaat.”

Abū al-Haytham volgde deze bijzonder wijze raad op en schonk de slaaf zijn vrijheid.

Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hiervan hoorde, waardeerde hij de woorden van deze saḥābiyyah (رضي الله عنها) zeer.

Vervolgens zei hij: “Allāhu (تعالى) geeft aan iedere nabī, iedere khalīfah en iedere geleerde twee ṣaḥābah (vertrouweling). De één spoort hem aan tot het goede en weerhoudt hem van het kwade, terwijl de ander hem niet van het kwade weerhoudt.

Daarna vervolgde hij: “Wie door Allāh wordt beschermd tegen het kwaad dat een slechte vertrouweling kan veroorzaken, zal zowel in deze wereld als in het Hiernamaals tegen alle kwaad beschermd zijn.”

Wie deze twee vertrouwelingen van de anbiyā en de khulafāʾ zijn, en dat in werkelijkheid ieder mens zulke twee vertrouwelingen heeft, wordt uitgelegd in de volgende ḥadīth die door ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه) is overgeleverd.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ieder mens heeft twee onafscheidelijke vertrouwelingen: één uit de jinn (een shayṭān) en één engel.”

De ṣaḥābah vroegen daarop: “O Rasûlullāh! Is ook aan u een shayṭān toegewezen?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Ja, ook aan mij. Maar Allāhu (تعالى) heeft mij tegen hem geholpen, zodat hij zich heeft overgegeven (of: moslim is geworden). Daarom spoort hij mij alleen nog tot het goede aan.”

Elke mu’min neemt de ingevingen waar van de engel die hem voortdurend vergezelt. De gevoelens die hem aansporen tot het verrichten van goede daden en tot het verrichten van ʿibādah zijn de ingevingen en aansporingen van de engel die hem vergezelt.

Om te slagen voor de beproeving waaraan de mens ieder moment wordt onderworpen, dient hij steeds te luisteren naar de ingevingen van de engel die hem voortdurend vergezelt en zijn hart af te sluiten voor de influisteringen van de shayṭān.

Deze voortdurende strijd die wij voeren tegen de shayṭān wordt de "jihād al-akbar" (de grote strijd) genoemd. Degenen die Allāh (تعالى) voortdurend met hun tong gedenken en Hem in hun hart levend houden, zullen deze strijd met succes voeren.

Wat de strijd tegen de shayṭān betreft, verschillen de anbiyā van andere mensen. Doordat Allāh (تعالى) hen bijstaat, is de shayṭān niet in staat hun schade toe te brengen.

De mens moet daarom in zijn strijd tegen de shayṭān voortdurend waakzaam en alert blijven.

373. Ḥadīth

Van Qays ibn Abī Ḥāzim: “Ik hoorde Saʿd ibn Abī Waqqāṣ (رضي الله عنه) zeggen:

“Ik was de eerste man die op weg van Allāh het bloed van een vijand vergoot.

Ook was ik de eerste die op weg van Allāh een pijl op de vijand afschoot.

Ik nam deel aan een militaire expeditie samen met een groep van de ṣaḥābah van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم).

Toen ons voedsel opraakte, aten wij niets anders dan boombladeren en de vruchten van de gomboom. Daardoor kregen wij wondjes aan de hoeken van onze mond. Onze ontlasting was zo hard als stenen en leek op de uitwerpselen van schapen en kamelen.

En toch beschuldigen de Banū Asad mij er nu van dat ik niet weet hoe ik de ṣalāh moet leiden. Als wat zij zeggen waar is, dan zijn al mijn inspanningen en alles waarop ik heb gehoopt vergeefs geweest.”

Saʿd ibn Abī Waqqāṣ (رضي الله عنه), een van de tien ṣaḥābah die de blijde tijding van het Paradijs ontvingen (al-ʿAsharah al-Mubashsharah), werd het slachtoffer van laster. Deze ongegronde beschuldigingen deden hem veel verdriet. In deze ḥadīth spreekt hij zijn diepe teleurstelling daarover uit.

Deze gebeurtenis is overgeleverd in talrijke betrouwbare ḥadīthverzamelingen, waaronder de Kutub as-Sittah. Jābir ibn Samurah (رضي الله عنه) vertelt het voorval als volgt:

Enkele inwoners van Kūfah klaagden de gouverneur, Saʿd ibn Abī Waqqāṣ, aan bij de khalīfah ʿUmar (رضي الله عنه). Daarop ontheft ʿUmar (رضي الله عنه) hem uit zijn functie en benoemde ʿAmmār ibn Yāsir (رضي الله عنه) als zijn opvolger.

De aanklagers gingen zelfs zo ver dat zij beweerden: “Saʿd weet niet eens hoe hij de ṣalāh moet leiden.”

Daarop liet ʿUmar (رضي الله عنه) Saʿd naar Madīnah komen en vroeg hem: “Deze mensen beweren dat jij niet weet hoe je de ṣalāh moet leiden. Wat heb jij daarop te zeggen?”

Saʿd verdedigde zich in aanwezigheid van de khalīfah met de volgende woorden:

“In de begintijd van de Islām was ik de zevende van de zeven moslims die zich rondom Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bevonden. Bovendien was ik de eerste Arabier die op weg van Allāh met pijl en boog streed.

Wij trokken samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ten strijde. In die tijd hadden wij soms niets anders te eten dan de bladeren van de ḥublahen samur/Acacia-bomen die in de woestijn groeien. Omdat wij voortdurend boombladeren aten, was onze ontlasting, net als die van schapen en kamelen, hard en droog en kleefde zij niet aan elkaar.

En nu zijn de Banū Asad opgestaan en beschuldigen zij mij ervan dat ik niet weet hoe ik de ṣalāh moet leiden! Als hun beschuldiging waar zou zijn, dan zouden al mijn verwachtingen en al mijn inspanningen vergeefs zijn geweest.

Ik heb hen de ṣalāh geleid zoals an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) die verrichtte, zonder iets tekort te doen. Tijdens de eerste twee rakʿahs van de ṣalāh al-ʿishāʾ stond ik langer rechtop, terwijl ik de laatste twee rakʿahs korter verrichtte.”

Toen ʿUmar (رضي الله عنه) dit hoorde, zei hij: “Dit is precies zoals wij jou kennen.”

Vervolgens stuurde ʿUmar (رضي الله عنه) een vertegenwoordiger samen met Saʿd naar Kūfah om de zaak ter plaatse te onderzoeken. De afgevaardigde bezocht alle masājid en vroeg de mensen naar Saʿd. Overal sprak men lovend over hem. Toen hij uiteindelijk onderzoek deed in de masjid van de Banū Abs, stond een man genaamd Abū Saʿdah Usāmah ibn Qatādah op en zei: “Omdat je ons vraagt om ter wille van Allāh de waarheid te spreken, zal ik dat doen: de gouverneur (Saʿd ibn Abī Waqqāṣ) gaat niet zelf met het leger ten strijde, verdeelt de bezittingen niet eerlijk en spreekt geen rechtvaardig oordeel.”

Daarop zei Saʿd ibn Abī Waqqāṣ (رضي الله عنه): “Omdat jij mij op drie punten hebt beschuldigd, zal ik bij Allāh eveneens drie smeekbeden tegen jou verrichten:

“O Allāh! Als deze dienaar van U gelogen heeft en deze woorden slechts uit ijdelheid heeft uitgesproken, verleng dan zijn leven, vermeerder zijn armoede en stel hem bloot aan beproevingen.”

Wanneer men die man later vroeg: “Hoe gaat het met je?”, antwoordde hij: “Ik ben een stokoude, ongelukkige man die door beproevingen is getroffen. Ik ben getroffen door de smeekbede van Saʿd.”

ʿAbd al-Malik ibn ʿUmayr, die deze ḥadīth van Jābir ibn Samurah overleverde, zei:

“Ik heb die man later zelf gezien. Door zijn hoge leeftijd hingen zijn wenkbrauwen over zijn ogen. Wanneer hij jonge meisjes op straat zag, viel hij hen lastig en kneep hij hen.”

Nu wij de achtergrond kennen van de gebeurtenis die Saʿd ibn Abī Waqqāṣ zoveel verdriet deed, keren wij terug naar onze ḥadīth. Saʿd vertelde dat hij de eerste was die op de weg van Allāh het bloed van een vijand vergoot.

Dat gebeurde als volgt: In de eerste jaren van de Islām verrichtten de moslims hun ṣalāh in de bergen, op plaatsen waar de mushriks hen niet konden zien, uit vrees voor hun vijandigheid.

Op een dag verrichtte Saʿd ibn Abī Waqqāṣ samen met enkele ṣaḥābah de ṣalāh op een berg. De mushriks ontdekten hen, kwamen naar hen toe, begonnen hen te beledigen en vielen hen aan. Saʿd pakte daarop een kameelbot dat binnen handbereik lag en sloeg daarmee één van de mushriks op het hoofd, waardoor diens hoofd openspleet. Zo werd hij de eerste die op weg van Allāh het bloed van een vijand vergoot.

In dezelfde ḥadīth zegt Saʿd ibn Abī Waqqāṣ ook dat hij de eerste was die op weg van Allāh een pijl op de vijand afschoot. Ook dit gebeurde tijdens een bekende expeditie.

In de twaalfde maand na de hidjrah, organiseerde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een militaire expeditie tegen de mushriks van Quraysh.

Deze expeditie staat bekend als de Ghazwah van Abwāʾ.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stelde zijn neef ʿUbayd ibn al-Ḥārith (رضي الله عنه) aan als bevelhebber van deze eenheid, die bestond uit zestig muḥājirūn.

Saʿd ibn Abī Waqqāṣ maakte eveneens deel uit van deze groep.

Volgens de overleveringen was hij tijdens deze expeditie degene die als eerste een pijl op de vijand afschoot op weg van Allāh.

De gebeurtenis waarbij Saʿd samen met een groep ṣaḥābah op expeditie trok en zij, nadat hun voedselvoorraad uitgeput was, boombladeren aten, vond plaats tijdens de expeditie van Sayf al-Baḥr, ook wel de expeditie van Khabat genoemd, in het achtste jaar na de hidjrah.

Van Jābir ibn ʿAbdillāh (رضي الله عنهما): “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stuurde ons onder bevel van Abū ʿUbaydah ibn al-Jarrāḥ (رضي الله عنه) eropuit om een karavaan van Quraysh te achtervolgen en te onderscheppen. Wij waren met driehonderd ruiters.

Aanvankelijk namen wij onze eigen proviand mee. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kon ons slechts één zak dadels als reisproviand meegeven, omdat hij niets anders had om te geven.

Aanvankelijk gaf onze bevelhebber ieder van ons dagelijks een handvol dadels.

Toen de voorraad bijna op was, liet hij alle overgebleven dadels verzamelen en begon hij ons nog slechts één dadel per dag te geven.”

Op dit punt vroeg iemand uit het gezelschap: “Kon één dadel de honger werkelijk stillen? Hoe konden jullie daarvan leven?”

Jābir vervolgde: “Wij zogen op die ene dadel zoals een zuigeling aan de borst zuigt, en daarna dronken wij water. Die ene dadel was voor ons voldoende tot de avond.

Pas toen ook de dadels op waren, beseften wij werkelijk wat het betekent om ze te moeten missen. Daarna sloegen wij met onze stokken de bladeren van de bomen, maakten ze nat met water en aten ze op. Daarom werd deze expeditie “Jaysh al-Khabat” genoemd, oftewel: “het leger dat boombladeren at”.”

Tijdens deze expeditie werden eerst drie kamelen geslacht, daarna nog eens drie en vervolgens opnieuw drie. Toen verbood Abū ʿUbaydah het verder slachten van kamelen.

Wij vervolgden onze tocht langs de kust van de zee en verbleven daar vijftien dagen.

Op een dag zagen wij aan de kust iets dat op een enorme zandheuvel leek.

Toen wij dichterbij kwamen, bleek het een gigantische vis te zijn die ʿAnbar werd genoemd.

Onze bevelhebber Abū ʿUbaydah zei eerst: “Dit is een dood dier; het eten ervan is niet toegestaan (harām).”

Maar daarna herzag hij zijn oordeel en zei: “Nee, wij zijn de gezanten van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), wij bevinden ons op weg van Allāh en verkeren in grote nood. Spreek daarom de basmalah uit en eet ervan.”

Zoals ik al zei, waren wij met driehonderd man.

Wij aten een hele maand lang van het vlees van die vis en kwamen zelfs in gewicht aan.

Ik herinner mij dat wij kruiken vol olie uit zijn oogkas haalden.

Wij sneden er stukken vlees af zo groot als een rund.

Op een keer liet Abū ʿUbaydah dertien mannen plaatsnemen in de oogkas van de vis. Vervolgens zette hij één van zijn ribben rechtop in de grond, zadelde één van onze grootste kamelen op en liet die onder de rib door lopen.

Nadat wij een deel van het visvlees hadden gedroogd, keerden wij terug naar Madīnah en vertelden Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wat er was gebeurd.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Die vis was een voorziening die Allāhu (تعالى) voor jullie beschikbaar had gemaakt. Hebben jullie er nog iets van over? Laat ons er ook van proeven.”

Daarop gaven wij hem een stuk van het gedroogde visvlees dat wij hadden meegenomen, en hij at ervan.

Wat hierbij niet aan onze aandacht mag ontsnappen is dat deze expeditie plaatsvond slechts twee jaar vóór het overlijden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), terwijl zijn materiële middelen nog steeds zeer beperkt waren.

De overleveraar van deze ḥadīth vat dit treffend samen met de woorden: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf ons één zak dadels als reisproviand, omdat hij niets anders had om te geven.”

374. Ḥadīth

Van Khālid ibn ʿUmayr en Shuways Abū ar-Ruqād (رَحِمَهُ اللهُ): In de laatste jaren van zijn khilāfah benoemde ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه) ʿUtbah ibn Ghazwān (رضي الله عنه) tot bevelhebber van een militaire eenheid.

Hij gaf hem de volgende opdracht: “Trek met je manschappen naar het uiterste grensgebied van het Arabische land, dicht bij de grens van de niet-Arabische gebieden, en vestig je daar.”

ʿUtbah ibn Ghazwān trok daarop met zijn soldaten naar de aangewezen plaats.

Toen zij een locatie bereikten die Mirbad werd genoemd, zagen zij een terrein met lichtgekleurde kalksteen.

Zij vroegen elkaar: “Hoe heet deze steensoort?”

Daarna zeiden zij: “Deze steen zal wel Basrah heten.”

Vervolgens zetten zij hun tocht voort. Toen zij bij een kleine brug aankwamen, zeiden zij:

“Dit is de plaats waar wij ons moeten vestigen.”

Daarop vestigden zij zich daar.”

De overleveraars van deze ḥadīth vermeldden vervolgens uitvoerig de verdere gebeurtenissen en gaven ook de volgende woorden van ʿUtbah ibn Ghazwān door: “Ik weet dat ik de zevende was van degenen die als eersten in Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) geloofden.

Tijdens een expeditie hadden wij niets anders te eten dan boombladeren. Door het eten daarvan kregen wij wondjes aan de hoeken van onze mond.

Op een keer kreeg ik een mantel in handen. Ik scheurde die in tweeën, gaf de ene helft aan Saʿd ibn Abī Waqqāṣ (رضي الله عنه) en gebruikte de andere helft om mezelf te bedekken.

Later werd ieder van ons zevenen, die als eersten de Islām hadden aanvaard, gouverneur van een stad.

Jullie zullen binnenkort de bestuurders zien die na ons komen en de manier waarop zij zullen leven.”

De overleveraars van deze ḥadīth, de twee tābiʿī Khālid ibn ʿUmayr en Abū ar-Ruqād Shuways, vertellen niet alleen over het vertrek van deze driehonderd man tellende militaire eenheid naar Basrah, maar ook over de gebeurtenissen die daarop volgden.

Volgens hun overlevering stichtte ʿUtbah ibn Ghazwān (رضي الله عنه) in het jaar 17 na de hidjrah (638 CE), op bevel van ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه), de stad Basrah. Hij liet daar een masjid bouwen en een jaar later begonnen de mensen zich er te vestigen.

De militaire eenheid die door ʿUmar (رضي الله عنه) was uitgezonden om de grenzen van de Islāmitische gebieden te bewaken, bereikte een onbekende streek. Daar zagen zij een steensoort die zij nooit eerder hadden gezien: een lichtgekleurde, zachte kalksteen met kleine holtes. Omdat zij deze steensoort niet kenden, vroegen zij elkaar: “Hoe heet deze steen?”

Vervolgens gaven zij hem de naam “Basrah”, wat volgens deze uitleg “zachte steen” betekent.

In die tijd bestond de stad Basrah nog niet.

Op bevel van ʿUmar (رضي الله عنه) stichtte ʿUtbah ibn Ghazwān daar een nieuwe stad en gaf haar de naam Basrah. Er wordt vermeld dat de meeste gebouwen van Basrah werden opgetrokken uit deze zachte kalksteen, die gemakkelijk te bewerken is en na verwerking hard wordt.

Verder beschrijft ʿUtbah ibn Ghazwān (رضي الله عنه) in deze ḥadīth de ontberingen die de eerste mu'mins in de beginjaren van de Islām hebben doorstaan. Hij schetst hoe hun leven destijds werd gekenmerkt door grote moeilijkheden en spreekt vervolgens zijn verwachting uit over de ontwikkelingen die zich later zouden voordoen.

Hij vertelt dat de ṣaḥābah (رضي الله عنهم), die door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) waren opgevoed, ondanks de hoge posities die zij later bekleedden, weinig waarde hechtten aan eten, drinken, kleding en wereldse luxe. Tegelijkertijd wijst hij erop dat de bestuurders die na hen zouden komen deze levenshouding niet zouden behouden, maar zich zouden overgeven aan de genoegens en rijkdom van deze wereld.

Zoals hij had voorspeld, kwam dit ook daadwerkelijk uit: de latere khiefahs en de bestuurders die zij aanstelden gingen in toenemende mate een leven leiden dat werd gekenmerkt door luxe en uiterlijk vertoon.

De khuṭbah die ʿUtbah ibn Ghazwān (رضي الله عنه) in de masjid van Basrah hield, is algemeen bekend. De woorden die in deze ḥadīth zijn overgeleverd, maken deel uit van die beroemde khuṭbah.

375. Ḥadīth

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Sinds de dag waarop ik als nabī werd gezonden en de mensen opriep tot de dīn van Allāh, heeft niemand zoveel angst moeten doorstaan als ik door toedoen van de kāfirs heb ondergaan.

Op weg van Allāh is niemand zoveel leed aangedaan als mij.

Er waren perioden waarin een hele maand, dag en nacht, verstreek zonder dat Bilāl of ik over voldoende voedsel beschikten om ook maar één persoon te verzadigen. Ons voedsel was in die dagen zo gering dat, wanneer Bilāl het onder zijn arm droeg, niemand zou opmerken dat hij iets bij zich had."

Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in de eerste periode van zijn zending bekendmaakte dat hij een nabī was, stond hij er aanvankelijk geheel alleen voor. De kāfirs oefenden een uitzonderlijk zware druk op hem uit.

Ondanks dat droeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in zijn eentje de verheven boodschap van de tawḥīd uit en bood hij standvastig weerstand aan de aanhoudende vijandigheid van de kāfirs.

De mushriks probeerden hem ertoe te brengen afstand te doen van zijn aanspraak op het profeetschap.

Zij bedreigden hem met allerlei straffen als hij daaraan geen gehoor zou geven en brachten hem een leed toe dat nauwelijks door een mens te verdragen is.

Deze onderdrukking en zware beproevingen hielden aan totdat het aantal mu'mins rondom Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) groeide, zij aan kracht wonnen en zich openlijk tegenover de kāfirs konden opstellen met de woorden: "Ook wij zijn er."

In deze ḥadīth vertelt Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) over een bijzonder zware periode van dertig dagen die hij samen met Bilāl al-Ḥabashī buiten Makkah doorbracht vanwege de hevige onderdrukking door de kāfirs. Zij beschikten niet eens over voldoende voedsel om één mens, laat staan een dier, te voeden. Hij vertelt dat Bilāl (رضي الله عنه) gedurende die dagen slechts een heel kleine hoeveelheid voedsel onder zijn arm meedroeg en dat zij zelfs geen kom of ander voorwerp hadden om dat weinige voedsel in te bewaren.

Met deze ḥadīth klaagt Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) geenszins over zijn omstandigheden.

Integendeel, hij laat ons zien hoe ze in deze uiterst moeilijke beproevingen met geduld, standvastigheid en volharding hebben doorstaan.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), maakte naast de beproevingen die in deze ḥadīth worden genoemd ook andere zware moeilijkheden mee. Zijn zware reis naar Ṭāʾif duurde, zoals ook in deze overlevering wordt beschreven, een volledige maand.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verloor eerst zijn oom Abû Ṭālib, die hem tegen de mushriks van Makkah beschermde. Kort daarna verloor hij ook zijn grootste steun en geliefde levensgezellin Khadījah (رضي الله عنها). In die droevige en verdrietige dagen nam de onderdrukking door de mushriks steeds verder toe. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) besloot daarom naar Ṭāʾif te gaan, in de hoop daar steun en bescherming te vinden.

Hij wilde zijn familieleden daar zijn zorgen voorleggen en de zonen van ʿAbd Yālīl, de vooraanstaande en welgestelde leiders van Ṭāʾif, vertellen over het onrecht dat de onderdrukkers van Makkah hem aandeden. Hij hoopte dat zij hem zouden steunen, zodat hij zijn profeetschap naar behoren kon vervullen.

Samen met zijn geadopteerde zoon Zayd ibn Ḥārithah (رضي الله عنه) ging hij op weg naar Ṭāʾif. Helaas waren de tirannen van Ṭāif niet rechtvaardiger dan de tirannen van Makkah.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) probeerde hun een hele maand lang de waarheid uit te leggen. De welgestelden van Ṭāʾif wilden echter niet naar hem luisteren. In plaats daarvan zetten zij verdorven, verachtelijke en onbeschofte mannen en hun slaven tegen hem op om hem te beledigen. Ook stuurden zij kinderen achter hem aan om hem met stenen te bekogelen. De gezegende voeten die zijn ummah zo graag zou willen kussen, werden met bloed overgoten. Wanneer hij uitgeput op de grond ging zitten, grepen zij hem bij zijn armen, trokken hem overeind en dwongen hem verder te lopen om hem opnieuw met stenen te kunnen bekogelen. In plaats van zich voor hun daden te schamen, lachten zij hem uit alsof zij naar een vermakelijk schouwspel keken. Ook Zayd, die Rasûlullāh met zijn lichaam probeerde te beschermen, werd getroffen; zijn hoofd werd opengeslagen.

Laten wij het vervolg van deze gebeurtenis volgen aan de hand van de overlevering in Ṣaḥīḥ al-Bukhārī en Ṣaḥīḥ Muslim.

Op een dag vroeg ʿĀʾishah (رضي الله عنها) aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Hebt u ooit een dag meegemaakt die zwaarder was dan de dag van de Slag bij Uḥud?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Ja. Ik heb veel kwaad ondervonden van jouw stam, de Quraysh. Het zwaarste van alles was wat zij mij aandeden op de dag van al-ʿAqabah.

(Daarnaast) had ik bescherming gezocht bij Ibn ʿAbd Yālīl, de zoon van ʿAbd Kulāl uit Ṭāʾif, maar hij weigerde mij op te nemen. Daarna vervolgde ik mijn weg, terwijl ik diep bedroefd was. Pas toen ik Karn ath-Thaʿālib bereikte, kwam ik enigszins tot mijzelf. Daar hief ik mijn hoofd op en zag ik een wolk die mij overschaduwde. Toen ik aandachtig keek, zag ik dat Jibrīl (عليه السلام) zich daarin bevond.

Jibrīl (عليه السلام) riep mij toe: “Allāhu (تعالى) heeft gehoord wat jouw volk tegen jou heeft gezegd en hoe zij hebben geweigerd jou bescherming te bieden. Daarom heeft Hij de Engel van de Bergen naar jou gezonden, zodat hij met hen kan doen wat jij wilt.”

Vervolgens gaf de Engel van de Bergen mij de salām en zei: “O Muḥammad! Allāhu (تعالى) heeft gehoord wat jouw volk tegen jou heeft gezegd. Ik ben de Engel van de Bergen. Allāhu (تعالى) heeft mij naar jou gezonden om uit te voeren wat jij beveelt. Wat wens je dat ik doe? Als je wilt, laat ik deze twee bergen op hen neerstorten.”

Daarop zei ik: “Nee. Ik hoop en smeek Allāhu (تعالى) dat Hij uit hun nageslacht mensen zal voortbrengen die uitsluitend Allāh aanbidden en niets aan Hem als deelgenoot toekennen.”

376. Ḥadīth

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Op de tafel van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stonden, noch bij de ochtendmaaltijd noch bij de avondmaaltijd, ooit tegelijkertijd vlees en brood. Alleen wanneer hij samen met een gezelschap at, waren zowel vlees als brood aanwezig.”

Volgens de leermeester van at-Tirmidhī, ʿAbdullāh ibn ʿAbdirraḥmān ad-Dārimī, hebben sommige muḥaddithūn en taalkundigen het woord “ḍafaf” in deze ḥadīth uitgelegd als: “dat er weinig voedsel beschikbaar is terwijl het aantal eters groot is.”

Uitleg bij de hadith

Uit deze ḥadīth blijkt dat er verschil was tussen de dagen waarop an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) alleen at en de momenten waarop er gasten aan zijn eettafel aanwezig waren.

Wanneer hij alleen at, at hij wat hem werd voorgezet en vroeg hij niet: “Is er nog iets anders?” In dit eenvoudige huis, waar soms maandenlang geen vuur in de haard brandde en geen kookpot op het vuur stond, werd weinig waarde gehecht aan eten en drinken. Vele dagen werd de honger gestild met slechts enkele dadels en wat water. Soms was er brood in huis maar geen vlees; op andere momenten was er vlees maar ontbrak het aan brood.

Een soortgelijke ḥadīth hebben wij eerder gelezen (72. ḥadīth), overgeleverd door de tābiʿī, muḥaddith en een van de eerste zuhhād (m.v. van zāhid, asceet) Mālik ibn Dīnār (overl. omstreeks 131 AH / 748 CE). Daar zei Mālik ibn Dīnār: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft tijdens zijn leven nooit tegelijkertijd brood en vlees gegeten totdat hij verzadigd was. Alleen wanneer hij samen met anderen at, at hij mee totdat hij verzadigd was.”

Bij de toelichting op die ḥadīth werden ook enkele andere overleveringen over dit onderwerp genoemd. In de 143e , 144e , 145e en 149e aḥadīth werd eveneens vermeld dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zijn gezin meestal gerstebrood aten en dat zij zelfs daarmee vaak niet twee dagen achter elkaar hun honger volledig konden stillen.

377. Ḥadīth

Van Nawfal ibn Iyās al-Hudhalī (رَحِمَهُ اللهُ): ʿAbdurraḥmān ibn ʿAwf (رضي الله عنه), een van de al-ʿAsharah al-Mubashsharah, zat vaak bij ons en sprak met ons. Wat was hij een voortreffelijke gesprekspartner!

Op een dag keerden wij samen terug van de markt. Hij nam ons vervolgens mee naar zijn huis. Nadat hij de grote rituele wassing (ghusl) had verricht, kwam hij weer bij ons. Daarna werd er een maaltijd bereid en een schaal met vlees en brood voor ons neergezet.

Toen de maaltijd werd opgediend, begon ʿAbdurraḥmān ibn ʿAwf (رضي الله عنه) te huilen.

Ik vroeg hem: “O Abû Muḥammad, waarom huilt u?”

Hij antwoordde: “Tot aan zijn overlijden hebben Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zijn familie zich zelfs aan gerstebrood nooit volledig kunnen verzadigen. Ik denk niet dat deze manier van leven van ons beter voor ons is.”

De aḥadīth die in dit hoofdstuk, laten zien dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gedurende zijn gehele profeetschap een eenvoudig en sober leven leidde. Zowel hij als zijn familie hadden vaak niet genoeg te eten dat zij niet naar hartenlust aten.

Toen ʿAbdurraḥmān ibn ʿAwf (رضي الله عنه) op zijn tafel zowel vlees als brood zag staan, dacht hij terug aan het leven van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), dat werd gekenmerkt door armoede en ontbering. Hij herinnerde zich hoe zelfs an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zijn familie zich niet eens met gerstebrood volledig konden verzadigen. Deze herinnering greep hem zo diep aan dat hij in tranen uitbarstte.

Vervolgens vergeleek hij het leven van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), die als een barmhartigheid voor de werelden was gezonden, met het welvarende en overvloedige leven dat zij inmiddels zelf leidden. Om te voorkomen dat de aanwezigen tot een verkeerde conclusie zouden komen, waarschuwde hij hen: Denk niet dat ons leven vol overvloed en welvaart beter of waardevoller is dan het leven dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), in beproeving doorbracht. Wat werkelijk goed voor ons was, is juist te leven zoals Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) leefde en hem in alle opzichten tot voorbeeld te nemen.

Ook wij dienen lering te trekken uit deze indrukwekkende waarschuwing van deze grote saḥābi, aan wie het Paradijs was beloofd.

Hij beschouwde het gelijktijdig kunnen eten van vlees en brood als een vorm van rijkdom die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) niet had gekend. Daarom waarschuwde hij de mensen om hem heen. Hoe zouden wij ons dan moeten voelen, terwijl wij dagelijks genieten van talloze gunsten waarvan zij zelfs de namen niet hebben gekend?

Een soortgelijke gevoeligheid van ʿAbdurraḥmān ibn ʿAwf (رضي الله عنه) is door Imām al-Bukhārī in zijn Ṣaḥīḥ overgeleverd via zijn zoon Ibrāhīm: “Op een dag vastte mijn vader. Toen er een rijk gevulde ifṭār-maaltijd voor hem werd neergezet, keek hij ernaar en zei: “Muṣʿab ibn ʿUmayr (رضي الله عنه) sneuvelde tijdens de Slag bij Uḥud als shāhīd. Hij was beter dan ik. Voor deze geliefde shāhīd was er slechts één mantel beschikbaar als lijkwade. Wanneer men zijn hoofd bedekte, kwamen zijn voeten bloot te liggen; en wanneer men zijn voeten bedekte, bleef zijn hoofd onbedekt.

Ook Ḥamzah (رضي الله عنه) sneuvelde bij Uḥud als shāhīd. Ook hij was beter dan ik. Voor hem konden zij eveneens niets anders vinden dan één mantel als lijkwade.

Nadat zij in deze toestand naar het Hiernamaals zijn vertrokken, worden nu de overvloedige gunsten van deze wereld vóór mij neergezet. Daarom ben ik bang dat de goede daden die wij voor het Hiernamaals hebben verricht, ons misschien al als een vervroegde beloning in deze wereld zijn gegeven.”

Ibrāhīm vervolgde zijn verhaal als volgt: “Nadat mijn vader deze woorden had uitgesproken, begon hij te huilen. Uiteindelijk at hij zelfs niets van zijn ifṭār-maaltijd.”

In deze gebeurtenis zijn enkele opmerkelijke lessen te vinden.

Allereerst was ʿAbdurraḥmān ibn ʿAwf (رضي الله عنه) de achtste persoon die de Islām omarmde.

Hoewel de ṣaḥābah aan wie an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het Paradijs had aangekondigd als de voortreffelijksten onder de ṣaḥābah worden beschouwd, zei hij uit oprechte nederigheid toch dat zowel Muṣʿab ibn ʿUmayr (رضي الله عنه) als Ḥamzah (رضي الله عنه) beter waren dan hijzelf.

Daarnaast behoorde hij tijdens de Slag bij Uḥud tot degenen die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beschermden. Terwijl hij hem verdedigde, liep hij eenentwintig verwondingen op.

Toen hij die dag de rijkgevulde maaltijd voor zich zag staan, leek hij zichzelf volledig te vergeten. Zijn gedachten gingen onmiddellijk uit naar zijn broeders die onder zware omstandigheden voor de Islām hadden gestreden en als shuhadāʾ waren gestorven. Zijn eetlust verdween, zijn ogen vulden zich met tranen en hij liet de maaltijd staan zonder ervan te eten.

(ʿAbdurraḥmān ibn ʿAwf (overl. 32 AH/652 CE) behoorde tot de eerste acht mu’mins. Vanaf jonge leeftijd hield hij zich bezig met handel. Zelfs in de periode van de jāhiliyyah dronk hij geen alcohol en stond hij bekend om zijn goede karakter. Hij behoorde ook tot de mu’mins die naar Abessinië emigreerden. Door de verwondingen die hij tijdens de Slag van Uḥud opliep, werd hij kreupel. Hij was één van de vier personen die het lichaam van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in het graf lieten neerdalen. Hij was zowel de beste vriend van Abū Bakr (رضي الله عنه) als van ʿUmar (رضي الله عنه). Hij overleed op ongeveer vijfenzeventigjarige leeftijd in Madīnah.)

53. Hoofdstuk: De leeftijd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم)

378. Ḥadīth

Van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verbleef dertien jaar in Makkah gedurende de periode waarin de openbaring aan hem werd neergezonden. Daarna leefde hij tien jaar in Madīnah. Hij overleed toen hij drieënzestig jaar oud was.”

379. Ḥadīth

Jarīr ibn Zayd (رَحِمَهُ اللهُ) zei dat hij heeft gehoord dat Muʿāwiyah ibn Abī Sufyān (رضي الله عنهما) tijdens een preek het volgende zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), Abû Bakr en ʿUmar (رضي الله عنهما) overleden allen toen zij drieënzestig jaar oud waren. En ik ben nu ook drieënzestig jaar oud.”

380. Ḥadīth

Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overleed toen hij drieënzestig jaar oud was.

381. Ḥadīth

ʿAmmār, de vrijgelatene van Banū Hāshim (رَحِمَهُ اللهُ), zei dat hij ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) het volgende heeft horen zeggen: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overleed toen hij vijfenzestig jaar oud was.

382. Ḥadīth

Van Daghfal ibn Ḥanẓalah (رضي الله عنه): “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overleed toen hij vijfenzestig jaar oud was.

Imām Abû ʿĪsā at-Tirmidhī zei: “Wij weten niet dat Daghfal tot de ṣaḥābah behoorde of dat hij aḥadīth van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gehoord. Wel was hij iemand die leefde in de tijd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) .”

383. Ḥadīth

Van Rabīʿah ibn Abī ʿAbdirraḥmān (رَحِمَهُ اللهُ), van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): De lengte van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was niet buitensporig lang en ook niet opvallend kort.

Hij had een gemiddelde lengte die meer naar het lange neigde.

Zijn gezegende lichaam was niet melkachtig wit en ook niet donker van kleur.

Zijn gezegende haar was niet sterk golvend of krullend, maar ook niet volledig steil.

Toen hij de leeftijd van veertig jaar bereikte, zond Allāhu (تعالى) hem als an-Nabī.

Hij verbleef tien jaar in Makkah en tien jaar in Madīnah.

Toen hij de leeftijd van zestig jaar bereikte, bracht Allāhu (تعالى) hem naar het eeuwige verblijf.

Toen hij naar het Hiernamaals emigreerde, bevonden zich in zijn haar en baard zelfs geen twintig grijze haren.”

384. Ḥadīth

Imām at-Tirmidhī heeft deze ḥadīth via zijn leraar Qutaybah ibn Saʿīd (overl. 240 AH / 855 CE) overgeleverd om de voorgaande ḥadīth te ondersteunen. De tekst van deze ḥadīth komt overeen met de voorgaande ḥadīth.

Uitleg bij de aḥadīth 378-384

Vanaf de 378e ḥadīth tot en met deze ḥadīth hebben wij verschillende overleveringen gelezen over hoe lang Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) na zijn aanstelling als an-Nabī in Makkah en Madīnah verbleef en op welke leeftijd hij overleed.

De meest authentieke van deze overleveringen is de 378e ḥadīth, waarin wordt vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) , dertien jaar in Makkah en tien jaar in Madīnah verbleef en op drieënzestigjarige leeftijd overleed.

Over het feit dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tien jaar in Madīnah leefde, bestaat geen enkel verschil van mening.

Er blijven nog twee kwesties over die voortkomen uit verschillende berekeningen:

De eerste is dat sommige overleveringen vermelden dat de periode van het profeetschap van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in Makkah tien jaar duurde. De tweede is dat zijn leeftijd bij overlijden wordt vermeld als zestig of vijfenzestig jaar.

Laten wij eerst uitleggen waarom het verblijf van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) , in Makkah in sommige overleveringen (zoals in de 383e ḥadīth) als tien jaar wordt vermeld.

Aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd de openbaring gegeven toen hij veertig jaar oud was. Daarmee werd hij een nabī.

Daarna kwam er echter gedurende drie jaar geen nieuwe openbaring tot hem. Deze periode wordt “fatrah al-waḥy” genoemd, wat betekent: “de periode waarin de openbaring onderbroken was”. Na drie jaar, toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) drieënveertig jaar oud was, begon de openbaring opnieuw tot hem neer te dalen. Daarmee werd Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zowel een nabī als een rasûl.

Nadat de openbaring opnieuw tot Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was gekomen, bleef deze zonder verdere onderbreking doorgaan. De gehele kwestie draait daarom om de vraag of deze driejarige periode waarin de openbaring onderbroken was, moet worden meegerekend als onderdeel van zijn profetische periode.

Degenen die de driejarige periode van de onderbreking van de openbaring niet tot zijn periode als an-Nabī rekenen, of geen rekening houden met de drie jaar durende geheime uitnodiging tot de Islām, zeggen dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) “tien jaar in Makkah verbleef”.

Degenen die zeggen datan-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dertien jaar in Makkah verbleef, rekenen de periode vanaf het begin van de eerste openbaring tot aan zijn hidjrah naar Madīnah als één ononderbroken geheel.

Laten wij nu kijken naar degenen die de leeftijd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) als vijfenzestig jaar (zie 381e en 382e aḥadīth) en zestig jaar (zie 383e ḥadīth) vermelden.

Volgens wat ʿAlī al-Qārī heeft vermeld, hebben degenen die zeggen dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op vijfenzestigjarige leeftijd overleed, ook het geboortejaar en het jaar van overlijden meegerekend.

Degenen die zeggen dat Rasûlullāh op zestigjarige leeftijd overleed, hebben de drie jaren en enkele maanden niet meegerekend en hebben een afgerond getal gebruikt, zoals men zegt: “veertig, vijftig, zestig, zeventig”.

In de 379e ḥadīth vermeldt Muʿāwiyah ibn Abī Sufyān (رضي الله عنهما) dat zowel Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) als Abû Bakr en ʿUmar (رضي الله عنهما) overleden toen zij elk drieënzestig jaar oud waren. Vervolgens zegt hij dat hij zelf, op het moment dat hij deze ḥadīth overleverde, ook drieënzestig jaar oud was.

Uit deze uitspraak blijkt dat hij naar hen verlangde en dat hij zelf ook wenste om, net als zij, op drieënzestigjarige leeftijd te overlijden. Het gebeurde echter anders; hij overleed toen hij achtenzeventig jaar oud was.

Hier kan men zich afvragen hoe oud de twee van de Rāshid-kaliefen, die hier niet genoemd worden, namelijk ʿUthmān en ʿAlī (رضي الله عنهما), waren toen zij overleden.

ʿUthmān (رضي الله عنه) overleed toen hij tweeëntachtig jaar oud was. ʿAlī (رضي الله عنه) werd, net als Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) en de eerste twee kaliefen, op drieënzestigjarige leeftijd als shāhīd gedood.

Sommige `ārifīn (de mensen van spirituele inzicht), die zeggen dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op drieënzestigjarige leeftijd was overleden, verlangden er oprecht naar om ook op die leeftijd te overlijden. Zij zeiden dat het leven na die leeftijd zijn smaak zou verliezen en beschouwden zichzelf na het bereiken van drieënzestig jaar alsof zij reeds overleden waren.

De 383e ḥadīth, waarin wordt gesproken over de lengte en huidskleur van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), vormt een gedeelte van de 1e ḥadīth waarin hij uitgebreid wordt beschreven. De eigenschappen die in deze ḥadīth worden genoemd, zijn in de 1e ḥadīth uitvoerig uitgelegd.

Een technische informatie

Bij de beoordeling van Daghfal, de overleveraar van de 382e overlevering, zegt Imām at-Tirmidhī dat het niet bekend is of hij Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft ontmoet en dat er dus geen informatie bestaat waaruit blijkt dat hij tot de ṣaḥābah behoorde.

Met deze uitspraak geeft at-Tirmidhī aan dat deze overlevering niet als ṣaḥīḥ wordt beschouwd, maar als een mursal-overlevering. Daarmee geeft hij ook aan dat hij deze overlevering, waarin wordt vermeld dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op vijfenzestigjarige leeftijd overleed, niet voldoende betrouwbaar acht.

54. Hoofdstuk: Het overlijden van Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم)

385. Ḥadīth

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): “De laatste keer dat ik Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) zag, was als volgt: Op een maandag bevond Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) zich in het huis van ʿĀʾishah (رضي الله عنها). Hij opende het gordijn van de deur en keek naar de ṣaḥābah die de ṣalāh verrichtten. Ik keek op dat moment naar zijn gezegende gezicht. Zijn gelaat straalde helderheid uit, alsof het de bladzijde van een muṣḥaf was.

Op dat moment verrichtten de ṣaḥābah, op bevel van Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم), de ṣalāh alfajr achter Abû Bakr (رضي الله عنه).

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) maakte een teken naar de ṣaḥābah die hem zagen, met de betekenis: “Maak jullie ṣalāh niet ongeldig, maar ga door.” Daarna sloot hij het gordijn.

Aan het einde van die dag verhuisde Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) naar het Hiernamaals.”

Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم), overleed in het tiende jaar na de hidjrah, op de twaalfde van Rabīʿ al-Awwal. Drieënzestig jaar eerder had hij op dezelfde datum, de twaalfde van Rabīʿ al-Awwal, de wereld met zijn komst vereerd.

Ongeveer een maand voor zijn overlijden, tijdens de laatste dagen van de maand Ṣafar, kreeg hij hevige hoofdpijn. Deze laatste ziekte duurde ongeveer vijftien dagen.

Zoals onze moeder ʿĀʾishah (رضي الله عنها) heeft verteld: toen zijn ziekte ernstiger werd en zijn pijn toenam, vroeg hij zijn andere echtgenotes toestemming om in het huis van ʿĀʾishah verzorgd te worden. Zij gaven hem toestemming.

Tijdens deze periode had Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) niet meer de kracht om naar al-Masjid an-Nabawī te gaan en de ṣalāh voor de ṣaḥābah te leiden. Zoals wij uitvoeriger zullen bespreken bij de 396e ḥadīth, gaf hij de opdracht: “Zeg tegen Abû Bakr dat hij de ṣalāh voor de gemeenschap moet voorgaan.” Daarmee droeg hij de taak van het leiden van de ṣalāh over aan Abû Bakr (رضي الله عنه).

Deze ḥadīth beschrijft de laatste dag van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in deze wereld. In werkelijkheid was de ziekte die Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) stap voor stap naar het einde van zijn leven bracht, al eerder begonnen.

Op een dag kreeg moeder ʿĀʾishah (رضي الله عنها) hevige hoofdpijn. Zij kreunde en zei:

“O mijn hoofd!”

Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tegen haar om haar te laten weten dat ook hij pijn had:

“O ʿĀʾishah! Eigenlijk zou ik moeten zeggen: “O mijn hoofd!”

Vervolgens maakte hij een luchtige opmerking tegen haar en zei: "Zou het niet beter zijn als jij vóór mij zou overlijden? Dan zou ik jou wassen, je in je lijkwade wikkelen, de ṣalāh al-janāzah voor je verrichten, je begraven en vervolgens voor jou om vergeving vragen en duʿāʾ voor je doen."

ʿĀʾishah nam deze woorden ter harte en zei: “O wat een ramp die mij overkomt! Bij Allāh, ik heb het gevoel dat jij wenst dat ik eerder sterf. Als ik zou overlijden, dan zou jij, nadat je alles had gedaan wat je zojuist hebt genoemd, diezelfde avond nog naar een van je andere echtgenotes gaan.”

an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) glimlachte om haar woorden. Nadat hij eerder over haar hoofdpijn had gesproken, zei hij vervolgens: “O ʿĀʾishah, eerder zou ík moeten zeggen: 'O mijn hoofd!”

Volgens de overlevering van onze moeder ʿĀʾishah (رضي الله عنها) begonnen kort daarna de laatste ziekte en de hevige pijnen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), die aan zijn overlijden voorafgingen.

Op een andere dag vertelde Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) op bedekte termen dat zijn overlijden naderde. Abû Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه), die ons deze gebeurtenis overlevert, was toen eenentwintig jaar oud.

Hij vertelde het volgende: “Tijdens zijn laatste ziekte ging Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) de preekstoel op en zei: “Allāhu (تعالى) gaf een dienaar de keuze tussen de gunsten van deze wereld en de gunsten die bij Hem zijn. Deze dienaar koos datgene wat bij Allāh is.”

Toen ʿAbû Bakr (رضي الله عنه) deze woorden hoorde, begon hij te huilen. Ik zei tegen mezelf:

“Wat is er zo bijzonder aan het feit dat Allāhu (تعالى) een dienaar de keuze geeft tussen de gunsten van deze wereld en de gunsten die bij Hem zijn, en dat die dienaar kiest voor wat bij Allāh is, waardoor deze oude man zo huilt?”

Later begreep ik dat de dienaar aan wie de keuze was gegeven tussen de gunsten van deze wereld en de gunsten van het Hiernamaals, niemand anders was dan Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) zelf. En Abû Bakr (رضي الله عنه) begreep dit beter dan wij allemaal.

Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zag dat hij huilde, zei hij: “O Abû Bakr, huil niet! “Zowel wat betreft vriendschap als het besteden van zijn bezit, is Abū Bakr (رضي الله عنه) de meest vrijgevige van de mensen. Als ik iemand uit mijn ummah als een persoonlijke vriend zou nemen, dan zou ik Abû Bakr als vriend nemen. Maar de broederschap en liefde die door de Islām zijn ontstaan, zijn waardevoller dan persoonlijke vriendschap. Sluit alle deuren die naar de Masjid leiden, behalve de deur van Abû Bakr.”

Met deze laatste woorden verwees Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) ook naar het feit dat Abû Bakr (رضي الله عنه) na hem de khalīfah zou worden.

De dag waarop Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) overleed, was een maandag. Abû Bakr (رضي الله عنه) leidde de ṣalāh van de ṣaḥābah in al-Masjid an-Nabawī.

Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم), die gedurende zijn hele leven voor hen had gestaan en hen naar Allāhu (تعالى) had geleid, wilde voor de laatste keer zien hoe zijn ṣaḥābah de ṣalāh verrichtten. Daarom tilde hij het gordijn op en keek naar hen.

Toen de ṣaḥābah merkten dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), van wie zij al enkele dagen zijn gezicht hadden gemist, bij de deur stond, dachten zij dat hij genezen was en naar de masjid zou komen om de ṣalāh voor te gaan.

Zij waren hierdoor zo verheugd dat zij ruimte wilden maken zodat Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) naar de miḥrāb kon gaan. Door deze blijdschap leken zij bijna hun ṣalāh te verbreken.

Zelfs Abû Bakr (رضي الله عنه), die tijdens het leiden van de ṣalāh de wereld om zich heen vergat, merkte deze situatie op. Hij maakte een beweging alsof hij de miḥrāb wilde overlaten aan de rechtmatige plaatsvervanger ervan.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) maakte echter een teken naar hen met de betekenis: “Blijf waar jullie zijn en voltooi jullie ṣalāh.” Daarna sloot hij het gordijn en trok zich terug naar binnen.

Omdat de overlevering van onze ḥadīth in Ṣaḥīḥ Muslim iets meer informatie bevat, laten wij de gebeurtenis ook vanuit die bron lezen.

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Tijdens de laatste ziekte die leidde tot het overlijden van Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم), leidde Abû Bakr (رضي الله عنه) de ṣalāh voor de gemeenschap.

Het was een maandag. Terwijl de gemeenschap in rijen stond voor de ṣalāh, opende Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) het gordijn. Hij bleef staan, keek naar ons en zijn gezegende gezicht was als de bladzijde van een muṣḥaf. Vervolgens glimlachte hij.

Hoewel wij bezig waren met de ṣalāh, waren wij buitengewoon verheugd dat Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) uit zijn kamer was gekomen. Wij waren bijna versteld van blijdschap. Abû Bakr (رضي الله عنه) trok zich terug zodat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) naar de eerste rij kon komen. Ook hij dacht, net als wij, dat Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn huis had verlaten om de ṣalāh te leiden. Maar Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) maakte met zijn hand een teken naar de gemeenschap: “Maak jullie ṣalāh af.” Daarna ging hij de kamer binnen en liet het gordijn zakken. Diezelfde dag overleed Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).

Anas (رضي الله عنه) zegt dat het gezegende gezicht van Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) “helder en stralend als de bladzijde van een muṣḥaf” was. De ṣaḥābah konden niet genoeg krijgen van het kijken naar zijn gezegende gezicht. Wanneer iets hem verheugde, werd zijn gezicht als het ware gevuld met licht (nûr).

Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zag dat zijn eerbiedwaardige ṣaḥābah, die als het ware zijn eigen met zorg opgevoede leerlingen waren, in rijen stonden opgesteld en de ṣalāh verrichtten zoals de engelen, verheugde hij zich daar zeer over. Vanwege de tevredenheid die hij voelde, glimlachte hij en lachte hij. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overleed op die dag.

Men moet niet vergeten dat de dood een grote beproeving is. Daarom heeft Allāhu (تعالى) de dood aangeduid als “muṣībat al-mawt” (de ramp van de dood).

De grootste ramp en het grootste verlies dat deze ummah heeft getroffen, is het verlies van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) . Zoals Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd:

"Wanneer iemand door een beproeving wordt getroffen, laat hij zich dan de beproeving herinneren die hem trof door mijn heengaan. Want geen enkele beproeving is groter dan het verlies van mij."

Daarom moet een mu’min die buitengewoon verdrietig is vanwege het verlies van iemand van wie hij veel hield, bedenken dat een nog groter verdriet het verlies van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) is. Daarover zou hij nog meer verdriet moeten voelen.

386. Ḥadīth

Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): Voordat Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) overleed, had ik zijn gezegende hoofd tegen mijn borst laten rusten. Of ʿĀʾishah (رضي الله عنها) zei: “Zijn gezegende hoofd lag op mijn schoot.” Op dat moment vroeg hij om een kom om zich te ontlasten. Nadat hij had geplast, overleed hij.

ʿĀʾishah (رضي الله عنها) beschrijft in deze ḥadīth eerst de toestand waarin het gezegende hoofd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verkeerde op het moment van zijn overlijden. Zij zegt dat, terwijl zijn dierbare rûḥ opsteeg naar het hoogste Paradijs (Jannah al-ʿĀlā), zijn gezegende hoofd tegen haar borst rustte; met andere woorden: zijn hoofd lag op haar schoot.

In een andere ḥadīth beschrijft onze moeder ʿĀʾishah deze situatie als volgt:

Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) overleed in mijn huis, tijdens mijn beurt en terwijl hij tegen mijn borst en in mijn schoot lag.

Onze geliefde moeder beschreef in een andere ḥadīth nog uitgebreider hoe de verheven rûḥ van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vanuit haar schoot naar het hoogste Paradijs opsteeg:

Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ziek werd en het moment aanbrak waarop hij zijn rûḥ zou overgeven (aan de Engel des Doods), lag zijn gezegende hoofd op mijn schoot. Op dat moment raakte hij bewusteloos. Toen hij weer bij bewustzijn kwam, richtte hij zijn blik naar het plafond van de kamer en zei: “O Allāh! Breng mij naar ar-Rafīq al-Aʿlā!”

Toen ik dit hoorde, zei ik bij mezelf: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wenst niet langer bij ons te blijven.”

Toen begreep ik dat deze wens van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de vervulling was van de ḥadīth die hij ons tijdens zijn gezonde dagen had verteld.

Met haar laatste woorden legt onze moeder ʿĀʾishah het volgende uit:

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hoopte tijdens zijn gezonde dagen de toestand te bereiken die wordt genoemd in āyah 69 van sūrah an-Nisāʾ:

وَمَن يُطِعِ ٱللَّهَ وَٱلرَّسُولَ فَأُوْلَٰٓئِكَ مَعَ ٱلَّذِينَ أَنۡعَمَ ٱللَّهُ عَلَيۡهِم مِّنَ ٱلنَّبِيِّـۧنَ وَٱلصِّدِّيقِينَ وَٱلشُّهَدَآءِ وَٱلصَّٰلِحِينَۚ وَحَسُنَ أُوْلَٰٓئِكَ رَفِيقٗا ٦٩

En degenen die Allah en de Rasûl gehoorzamen, zullen dan in het gezelschap verkeren van degenen aan wie Allah Zijn gunst heeft verleend, namelijk, de Profeten, de oprechten, de martelaren en de rechtvaardigen. En uitmuntend zijn deze metgezellen.

Daarom wilde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), toen hij zei: “O Allāh! Breng mij naar ar-Rafīq al-Aʿlā!”, samen zijn met deze “goede metgezellen” die in deze āyah worden genoemd.

Enige tijd voordat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) overleed, wist hij dat zijn overlijden nabij was. Hij had immers zelf gezegd: “De rûḥ van geen enkele nabī wordt weggenomen voordat hij zijn plaats in het Paradijs heeft gezien.”

Daarom bleef hij gedurende zijn ziekte de wens uitspreken om zich te verenigen met deze edele vrienden, die ar-Rafīq al-Aʿlā worden genoemd.

De zin aan het einde van onze ḥadīth: “Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg om een kom om zich te ontlasten. Nadat hij had geplast, overleed hij,” komt voor in dit werk van at-Tirmidhī en in aṣ-Ṣaḥīḥ van Ibn Khuzaymah.

In de overleveringen die in andere bronnen voorkomen, met name in Ṣaḥīḥ al-Bukhārī en Ṣaḥīḥ Muslim, staat in plaats van de zin: “Hij vroeg om een kom en plaste.”

de volgende formulering: “Hij vroeg om de kom, maar boog zich vervolgens voorover en viel in mijn schoot. Ik had niet eens door dat hij was overleden.”

387. Ḥadīth

Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): Toen Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) op het punt van overlijden stond, zag ik hem als volgt: Naast hem stond een schaal met water. Hij dompelde zijn hand in het water, maakte zijn gezegende gezicht nat en verrichtte vervolgens de volgende du`ā”:

“O Allāh! Help mij om de hevigheid (of: de moeilijkheden) van de dood te verdragen!”

Uit onze ḥadīth begrijpen wij hoe zwaar en ondraaglijk de moeilijkheden van de dood zijn. Zelfs Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) werd hierdoor getroffen. Wij zien dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de hevigheid van deze moeilijkheden probeerde te verlichten door zijn gezegende gezicht met koel water te bevochtigen.

ʿĀʾishah beschreef de pijn die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op dat moment ervoer als volgt: “Ik heb niemand gezien wiens ziekte ernstiger was dan de ziekte van Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم).”

Wat moet men doen bij iemand die op het punt van overlijden staat?

Wanneer een zieke die de moeilijkheden van de dood ervaart en door koorts wordt verteerd, zichzelf niet kan helpen door zijn gezicht met water nat te maken, dan moet iemand die bij hem aanwezig is hem daarbij helpen.

Als uit zijn toestand en houding blijkt dat hij deze hulp niet wenst, dan moet men afzien van het afkoelen van zijn gezicht.

Iemand in deze toestand moet, wanneer hij daar behoefte aan heeft, slok voor slok water worden gegeven. Tegelijkertijd kan men af en toe “lā ilāha illallāh” zeggen, maar men moet hem niet opdragen om dit zelf ook te zeggen.

Terwijl Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deze moeilijke toestand doormaakte, werd hij op een bepaald moment uitgeput en verloor hij het bewustzijn.

De vrouwen en andere familieleden die bij hem aanwezig waren, dachten toen dat hij getroffen was door dhāt al-junb.

Dhāt al-junb is een ziekte die ontstaat door een ontsteking van het vlies rondom de longen.

De aanwezigen bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wilden hem, in de hoop dat het hem zou genezen, een drankje toedienen door het aan de zijkant van zijn mond naar binnen te laten lopen.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) maakte hun duidelijk met een teken: “Niet doen!”

waarmee hij bedoelde dat dit medicijn niets met zijn ziekte te maken had.

Ondanks dit teken dachten zij dat ook hij, net als iedere zieke, een afkeer van medicijnen had en dienden zij hem toch met dwang deze behandeling toe die zij passend vonden.

Na enige tijd voelde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zich iets beter en kwam hij weer bij. Vervolgens strafte hij degenen die hem gedwongen het medicijn hadden gegeven, omdat zij geen gehoor hadden gegeven aan de woorden van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) . Ook strafte hij de aanwezigen omdat zij niet hadden verhinderd dat het medicijn werd toegediend. Hij liet hen allemaal dat bittere medicijn innemen.

Zijn oom ʿAbbās (رضي الله عنه) was pas na deze gebeurtenis van het toedienen van het medicijn aangekomen en daarom liet hij hem het niet innemen.

Men kan zich afvragen: “Waarom laat Allāhu (تعالى) Zijn dienaren deze moeilijkheden vóór de dood ervaren?”

Het antwoord hierop is: Rasûlullāh laat deze moeilijkheden ervaren aan Zijn uitverkoren dienaren, zoals de anbiyā, om hun rang te verhogen. En bij Zijn zondige dienaren om hun fouten te vergeven.

Laten wij ons nog een gebeurtenis herinneren die ʿĀʾishah (رضي الله عنها) heeft verteld over de laatste momenten van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم)

ʿĀʾishah zei: “Terwijl Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen mij aan geleund lag, kwam mijn broer ʿAbdurraḥmān binnen. Hij had een nog ongebruikte siwāk in zijn hand.

Toen ik zag dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) steeds naar de siwāk keek en ik wist hoeveel hij ervan hield om zijn tanden met de siwāk te reinigen, vroeg ik hem: “Zal ik de siwāk nemen en deze voor u voorbereiden?”

Hij maakte met zijn hoofd een teken dat betekende: “Bereid hem voor.”

Daarop nam ik de siwāk, kauwde erop met mijn mond zodat hij zacht werd en maakte hem geschikt om gemakkelijk te gebruiken.

Hij nam hem vervolgens en reinigde zijn tanden ermee zoals hij dat altijd deed. Daarna reikte hij de siwāk aan mij, maar de siwāk viel uit zijn hand.”

Nadat ʿĀʾishah het overgeven van de rûḥ van Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) had beschreven, beëindigde zij haar verhaal met de volgende woorden:

“Alle lof zij Allāh, Die op deze laatste dag van zijn leven zijn speeksel en mijn speeksel heeft samengebracht.”

388. Ḥadīth

Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): Sinds ik heb gezien hoe zwaar het overlijden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was, verlang ik er niet meer naar dat iemand zijn rûḥ op een gemakkelijke wijze verlaat.

…………………………….

ʿĀʾishah (رضي الله عنها) vertelt zowel in deze ḥadīth als in andere aḥadīth dat Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) tijdens zijn overlijden veel moeilijkheden heeft ervaren. Nadat zij deze toestand van hem had gezien, zei zij dat zij niet langer verlangde naar degenen die hun rûḥ op een gemakkelijke wijze verlieten.

Volgens een overlevering in Ṣaḥīḥ al-Bukhārī en Sunan an-Nasāʾī zei ʿĀʾishah over de toestand van de dood: “Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) overleed terwijl zijn gezegende hoofd tussen mijn kin en mijn borst lag. Nadat ik deze moeilijke toestand van hem had gezien, ben ik niet meer bang dat iemand moeilijkheden ervaart tijdens het overlijden.”

ʿĀʾishah geeft toe dat zij vóórdat zij het overlijden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had meegemaakt, een verkeerde opvatting had over de manier waarop mensen hun rûḥ verlaten.

Zij dacht vroeger dat iemand met veel zonden tijdens zijn overlijden veel pijn en lijden zou ervaren.

Maar nadat zij de pijn had gezien die an-Nabī, die als een barmhartigheid voor de werelden was gezonden, ervoer toen hij zijn rûḥ overgaf, veranderde zij deze opvatting volledig.

Zij zegt hiermee: Het blijkt dat iemand die met moeilijkheden het leven verlaat niet altijd een slecht persoon is, en dat iemand die gemakkelijk zijn rûḥ verlaat ook niet altijd een goed persoon is.

Later begreep zij dat de pijn die iemand tijdens het overlijden ervaart, een middel kan zijn waardoor zijn zonden worden vergeven en zijn rang in het Hiernamaals wordt verhoogd.

Inderdaad, als het verlaten van deze wereld zonder pijn en moeilijkheden zo’n grote verdienste zou zijn, dan zou Allāhu (تعالى) deze gunst vóór iedereen aan Zijn geliefde Rasûl (صلى الله عليه وسلم) hebben geschonken.

Dat de pijn en het lijden die iemand ervaart in verhouding staan tot zijn geestelijke status, wordt door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) als volgt uitgelegd: “De zwaarste beproevingen en pijnen treffen de anbiyā. Daarna worden de mensen beproefd overeenkomstig de mate van hun godsvrucht; hoe groter hun godsvrucht, des te zwaarder hun beproevingen.”

Ook de volgende gebeurtenis toont aan dat de situatie zo is:

Tijdens de laatste ziekte van Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم), kort voor zijn overlijden, kwam ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه) hem bezoeken. Toen hij zijn hand op de kleding van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) legde, voelde hij dat zijn gezegende lichaam hevig brandde van de koorts.

Hij beoordeelde deze toestand vanuit zijn eigen inzicht en wilde van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bevestiging krijgen of zijn gedachte juist was.

Hij zei: “O Rasûllullāh! Ervaart u deze hevige koorts om daardoor een dubbele beloning te ontvangen?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bevestigde dit en zei: “Ja, dat is zo.”

Daarna zei hij: “Allāh vergeeft de zonden van een moslim vanwege een doorn die zijn voet prikt of vanwege een grotere beproeving die hem treft. De zonden van deze moslim vallen eraf zoals de bladeren van een boom.”

Daarom laat Allāhu (تعالى) Zijn mu’min dienaar tijdens het overlijden pijn ervaren om zijn rang te verhogen. Dat iemand op dat moment zweet, toont aan dat hij pijn ervaart. Zoals an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deze toestand heeft beschreven: “Een mu’min overlijdt terwijl zijn voorhoofd zweet.”

Men kan dus niet zeggen dat iemand die een moeilijke dood ervaart per definitie een slecht persoon is. Evenmin kan men zeggen dat iemand die gemakkelijk overlijdt per definitie een goed persoon is.

Tijdens zijn laatste ziekte leed an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) veel. Er werd geprobeerd zijn koorts te verlichten door water over zijn hoofd te gieten. Maar op de momenten waarop hij afscheid zou nemen van het leven, had hij niet meer zulke zware moeilijkheden. Met de wens om bij ar-Rafīq al-Aʿlā te zijn, gaf hij zijn rûḥ over aan de Ware Eigenaar ervan.

Wij zullen hier een lange overlevering over de dood van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) samengevat weergeven:

Drie dagen vóór het overlijden van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) kwam Jibrīl (عليه السلام) naar hem toe en zei: “Hoewel Allāhu (تعالى) alles weet, vraagt Hij naar jouw toestand.”

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) antwoordde dat hij ziek was.

Hetzelfde gebeurde ook op de derde dag. Toen vertelde Jibrīl (عليه السلام) dat de Engel des Doods, die vóór geen enkele nabī toestemming had gevraagd, toestemming had gevraagd om bij hem binnen te komen.

de Engel des Doods (عليه السلام) trad met respect bij Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) binnen en zei dat Allāhu (تعالى) hem had gestuurd. Als hij wenste, zou hij zijn rûḥ nemen; als hij het niet wenste, zou hij deze taak niet uitvoeren.

Toen Jibrīl (عليه السلام) zei: “Allāhu (تعالى) verlangt naar jou,” gaf Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) toestemming aan de Engel des Doods (عليه السلام). Vervolgens voerde hij zijn taak uit.

389. Ḥadīth

Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): “Toen Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) naar het Hiernamaals was verhuisd, verschilden de ṣaḥābah van mening over de plaats waar zij hem zouden begraven.

Toen zei mijn vader Abû Bakr (رضي الله عنه): “Ik heb hierover iets van Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) gehoord en ik ben het nooit vergeten.

Hij zei: “Allāhu (تعالى) neemt de rûḥ van een nabī altijd op de plaats waar hij begraven wil worden.”

Begraaf hem daarom op de plaats waar het bed stond waarop hij zijn rûḥ heeft verlaten.”

Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn gezegende rûh aan zijn Rab teruggaf, brachten de ṣaḥābah verschillende opvattingen naar voren over de plaats waar zij zijn gezegende lichaam zouden begraven. Sommigen stelden voor om hem te begraven op de begraafplaats al-Baqīʿ, waar zijn ṣaḥābah begraven lagen. Anderen stelden voor om hem naast de minbar van al-Masjid an-Nabawī te begraven. Weer anderen stelden voor om hem naar Shām te brengen, naar zijn voorvader Ibrāhīm (عليه السلام), en sommigen stelden zelfs voor om hem naar Makkah te brengen en hem daar te begraven.

Toen er zoveel verschillende meningen naar voren werden gebracht, herinnerde Abû Bakr (رضي الله عنه) hen aan de ḥadīth die hij van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), had gehoord en die hij nog steeds in zijn geheugen had bewaard.

Hij zei dat hij persoonlijk van Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) had gehoord dat Allāhu (تعالى) de rûḥ van een nabī wegneemt op de plaats waar deze nabī begraven wenst te worden.

Daarna stelde hij de ṣaḥābah voor om Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) te begraven op de plaats waar zijn bed lag.

Vervolgens reciteerde hij deze ḥadīth:

“Elke nabī wordt zeker begraven op de plaats waar hij zijn rûḥ heeft overgegeven.”

Uiteindelijk werd het gezegende lichaam van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) begraven op de plaats waar zijn bed lag en waar hij ‘s nachts sliep: in de kamer van ʿĀʾishah (رضي الله عنها). Dit is de plaats die wij vandaag de dag Rawḍah al-Muṭahharah noemen, de plek waar de mu’mins met verlangen naartoe gaan om deze te bezoeken.

Nadat al-Masjid an-Nabawī werd uitgebreid, kwam Rawḍah al-Muṭahharah uiteindelijk, zoals wij het vandaag zien, binnen het gebouw van de masjid te liggen.

De zin in onze ḥadīth: “Allāhu (تعالى) neemt de rûḥ van een nabī altijd weg op de plaats waar hij begraven wil worden,” is op twee manieren uitgelegd.

Sommigen hebben dit uitgelegd als:

“Allāhu (تعالى) neemt de rûḥ van Zijn nabī op de plaats die Hij Zelf wenst.”

Anderen hebben het begrepen als:

“Allāhu (تعالى) neemt de rûḥ van de nabī weg op de plaats waar de nabī zelf begraven wilde worden.”

390. Ḥadīth

Van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās en ʿĀʾishah (رضي الله عنهما): Abû Bakr (رضي الله عنه) kuste Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) nadat hij was overleden.

391. Ḥadīth

Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): “Mijn vader Abû Bakr (رضي الله عنه) ging naar binnen bij Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) nadat hij was overleden. Hij legde zijn lippen tussen zijn twee ogen en zijn handen op zijn armen en huilde terwijl hij zei: “O mijn ware nabī (die met de waarheid tot ons is gekomen)!

O mijn dierbare metgezel!

O mijn meest geliefde vriend!”

Abû Bakr (رضي الله عنه), die bekendstond om zijn rustige en gematigde persoonlijkheid, was thuis toen hij hoorde dat Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) was overleden.

Hij reed vanaf zijn huis, dat op meer dan een mijl afstand van al-Masjid an-Nabawī lag, op zijn paard naar de masjid. De masjid was volledig gevuld met de ṣaḥābah.

Zonder iets tegen iemand te zeggen, ging hij de kamer van ʿĀʾishah (رضي الله عنها) binnen.

Het gezegende gezicht van de Nabī (صلى الله عليه وسلم) was bedekt met een witte doek.

Hij haalde de doek van zijn gezicht weg. Zijn gezicht, dat leek op de zon, straalde helderheid uit.

Toen hij deze schoonheid zag, uitte hij zijn bewondering als volgt: “O Rasûllullāh! Moge mijn vader en moeder voor jou worden opgeofferd. U was mooi tijdens uw leven en u bent ook mooi na uw overlijden. Allāh zal u, behalve de hevigheid van deze dood die u hebt ervaren, geen ander verdriet laten treffen. U bent nu de doorgang van de dood gepasseerd die iedereen zal moeten passeren.”

Daarna boog hij zich over het gezegende lichaam van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en begon te huilen. Hij kuste hem drie keer tussen zijn beide ogen.

Bij de eerste kus zei hij: “O mijn ware Nabī!”

Bij de tweede kus zei hij: O mijn dierbare metgezel!

Bij de derde kus zei hij: O mijn meest geliefde vriend!”

Daarna verliet hij de kamer van ʿĀʾishah.

Toen ʿUmar (رضي الله عنه) hoorde van het overlijden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), raakte hij volledig overstuur.

Hij zei: “Wie zegt dat Muḥammad is overleden, die zal ik met mijn zwaard in tweeën splijten.”

Abû Bakr (رضي الله عنه) zei tegen hem: “Ga zitten.”

Maar ʿUmar (رضي الله عنه) was niet in staat om te zitten.

Abû Bakr (رضي الله عنه) zei opnieuw tegen hem: “Ga zitten.”

Maar ʿUmar (رضي الله عنه) ging weer niet zitten.

Daarop sprak Abû Bakr (رضي الله عنه) luid de Kalimah ash-Shahādah uit.

Toen de moslims de stem van Abû Bakr (رضي الله عنه) hoorden, verlieten zij ʿUmar (رضي الله عنه) en gingen naar hem toe.

Vervolgens hield Abû Bakr (رضي الله عنه) een toespraak tot de ṣaḥābah: “Wie van jullie Muḥammad aanbidt, laat hem weten dat Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) is overleden. En wie Allāh aanbidt, laat hem goed weten dat Allāh leeft en nooit sterft.

Allāhu (تعالى) zegt in de Qurʾān al-Karīm:

وَمَا مُحَمَّدٌ إِلَّا رَسُولٞ قَدۡ خَلَتۡ مِن قَبۡلِهِ ٱلرُّسُلُۚ أَفَإِيْن مَّاتَ أَوۡ قُتِلَ ٱنقَلَبۡتُمۡ عَلَىٰٓ أَعۡقَٰبِكُمۡۚ وَمَن يَنقَلِبۡ عَلَىٰ عَقِبَيۡهِ فَلَن يَضُرَّ ٱللَّهَ شَيۡـٔٗاۚ وَسَيَجۡزِي ٱللَّهُ ٱلشَّٰكِرِينَ ١٤٤

Mohammed is niet meer dan een Rasûl en voor hem zijn zeker (vele) Boodschappers overleden. Als hij sterft of gedood wordt, zullen jullie dan op jullie stappen terugkeren? (terugvallen in ongeloof) En degenen die op zijn stappen terugkeert, zal nog de minste schade aan Allah toebrengen. En Allah zal de dankbaren belonen. (Āl ʿImrān, 3:144)

Volgens de woorden van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), die dit verhaal overleverde, leek het alsof de mensen deze āyah die Abû Bakr (رضي الله عنه) reciteerde nog nooit eerder hadden gehoord. Zij waren verbaasd alsof deze āyah pas op dat moment was neergezonden. Iedereen begon deze āyah te reciteren.”

Door Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) tussen zijn twee ogen te kussen, volgde Abû Bakr (رضي الله عنه) opnieuw zijn sunnah. Want ook Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had, zoals wij in de 326e ḥadīth hebben gelezen, zijn melkbroeder ʿUthmān ibn Maẓʿūn (رضي الله عنه) na diens overlijden op dezelfde wijze gekust.

392. Ḥadīth

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): “Op de dag dat Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) naar Madīnah emigreerde, werden alle kanten van Madīnah helder verlicht door zijn licht (nûr). Op de dag dat hij zijn ogen voor deze wereld sloot, werd Madīnah gehuld in duisternis.

Nog voordat wij onze handen van de aarde van het gezegende graf hadden weggetrokken, begonnen wij de toestanden en gevoelens die in onze harten waren ontstaan niet meer aangenaam te vinden.”

Het licht (nûr) van leiding (hidāyah) verlicht de plaats waar het binnentreedt stralend helder.

Zo was het ook op de dag waarop Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) Madīnah eerde met zijn komst. Als wij de oude naam gebruiken: de stad Yathrib, die in duisternis verkeerde, werd door de komst van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tot Madīnah ar-Rasūl. Het donkere Yathrib werd door de zegeningen van zijn gezegende nûr als het ware zichtbaar verlicht.

Op die dag werd niet alleen Madīnah verlicht, maar zelfs de hele schepping werd door het nûr dat zij vanuit deze gezegende stad ontving bevrijd van de diepe duisternis die haar omhulde.

Want Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) was het stralende nûr en het licht dat de duisternis verdreef.

Op de dag waarop dat unieke licht van hidāyah verdween van de horizon van Madīnah, voelden de edele ṣaḥābah zich, zoals Anas (رضي الله عنه) het uitdrukte, alsof zij in een leegte waren achtergebleven. Iedereen begon zijn eigen toestand niet meer goed te vinden.

Dit kwam doordat de ṣaḥābah niet langer rechtstreeks de zegeningen ontvingen van zowel het nûr van de openbaring als van het gezelschap, de barmhartigheid, de geestelijke overvloed en de zegeningen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).

Door de zwaarte van dit gevoel dachten zij dat hun harten hun vroegere gevoeligheid en helderheid hadden verloren. Natuurlijk bleef hun īmān even sterk als daarvoor. Het vertrek van Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) uit hun midden had geen enkele schade toegebracht aan hun īmān.

Want voor hen stonden de Qurʾān al-Karīm en de Sunnah as-Saniyyah, die hun wegen tot aan de Dag des Oordeels zouden blijven verlichten.

De ṣaḥābah zouden, overeenkomstig de geestelijke overvloed die zij van Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) hadden ontvangen, hun weg met deze twee lichten blijven verlichten.

En zo gebeurde het ook. De moslims die na hen kwamen, zijn dankzij deze twee gidsen nooit hun weg kwijtgeraakt. En tot de Dag des Oordeels zullen zij deze, met de gunst en hulp van Allāh, nooit verliezen.

393. Ḥadīth

Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) overleed op maandag.

394. Ḥadīth

Van Imām Jaʿfar aṣ-Ṣādiq (رَحِمَهُ اللهُ), van zijn vader Muḥammad al-Bāqir (رَحِمَهُ اللهُ): Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) overleed op maandag. Zijn begrafenis werd die dag uitgesteld. In de nacht die dinsdag met woensdag verbond, werd hij begraven.”

De overleveraar van de ḥadīth, Sufyān ibn ʿUyaynah, zei: “Een andere overleveraar van deze ḥadīth, naast Imām al-Bāqir, heeft gezegd dat tijdens het tijdstip waarop Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) werd begraven, namelijk midden in de nacht, het geluid van de graafsgrondschoppenchoppen te horen was.”

395. Ḥadīth

Van Abû Salamah (رضي الله عنه), de zoon van ʿAbdurraḥmān ibn ʿAwf (رضي الله عنه), van al-ʿAsharah al-Mubashsharah: Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) overleed op maandag en werd op dinsdag begraven.

Imām at-Tirmidhī zei dat deze ḥadīth, wat de keten van overleveraars betreft, gharīb is.

In de zojuist behandelde 393e –395e aḥadīth wordt vermeld dat Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) op maandag overleed. Tussen deze overleveringen bestaat geen enkele tegenstrijdigheid.

In de 394e ḥadīth wordt vermeld dat Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) drie dagen later werd begraven, terwijl de 395e ḥadīth spreekt over twee dagen later.

Met de uitdrukking “twee dagen later”, dus op dinsdag, wordt bedoeld dat de tajhīz (de voorbereiding voor de begrafenis) en takfīn (het omwikkelen met de lijkwade) van Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) — het wassen van zijn gezegende lichaam, het wikkelen in de lijkwade en het verrichten van de ṣalāh al-janāzah — op dinsdag plaatsvonden.

Met “drie dagen later” wordt bedoeld dat hij in de nacht van woensdag werd begraven. Omdat in de Islāmitische tijdrekening de nacht voorafgaat aan de dag, betreft dit de nacht die dinsdag met woensdag verbindt.

Het gezegende graf van Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) werd gegraven door Abû Ṭalḥah al-Anṣārī (رضي الله عنه).

Wat betreft de vraag waarom de begrafenis van Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) pas na enige tijd plaatsvond: de ṣaḥābah verkeerden na zijn overlijden in een toestand van diepe ontreddering. Zij wisten niet wat zij moesten doen. Dat blijkt duidelijk uit de uitroep van ʿUmar (رضي الله عنه): “Wie zegt dat Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) is overleden, zal ik met mijn zwaard in tweeën splijten.”

Een deel van de ṣaḥābah had bovendien verschillende opvattingen over de plaats waar hij begraven moest worden, zoals reeds is uitgelegd bij de 389e ḥadīth. Sommigen bespraken zelfs de vraag of Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) überhaupt begraven moest worden.

Nog belangrijker was dat, zoals in de 396e ḥadīth zal worden vermeld, de Muhājirūn zeiden: “De khalīfah moet uit onze gelederen komen,” terwijl de Anṣār zeiden: “Nee, hij moet uit onze gelederen komen.”

Toen Abû Bakr en ʿUmar (رضي الله عنهما) zagen dat hierdoor een grote fitnah en verdeeldheid onder de moslims kon ontstaan, kwamen zij samen met de vooraanstaande ṣaḥābah om te overleggen wie de eerste khalīfah moest worden. Na langdurige besprekingen kozen zij Abû Bakr (رضي الله عنه) als khalīfah en legden zij hem de bayʿah af.

Pas daarna hielden zij zich bezig met de tajhīz en takfīn van Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم).

Om deze redenen werd zijn begrafenis uitgesteld.

De ṣalāh al-janāzah van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) werd niet verricht op de manier die wij vandaag kennen, namelijk één keer achter een imām. De ṣaḥābah verrichtten de ṣalāh al-janāzah voor an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in afzonderlijke groepen.

Eerst verrichtten de mannen de ṣalāh al-janāzah, daarna de vrouwen en vervolgens de kinderen.

…………………………………

396. Ḥadīth

Van Sālim ibni ʿUbeyd (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) viel tijdens zijn laatste ziekte bewusteloos. Daarna kwam hij weer bij bewustzijn en vroeg: “Is de tijd van de ṣalāh aangebroken?”

De aanwezigen zeiden: “Ja, die is aangebroken.”

Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Zeg dan tegen Bilāl dat hij de adhān moet oproepen en zeg tegen Abû Bakr dat hij de mensen voor moet gaan in de ṣalāh.”

Nadat hij dit had gezegd, werd hij opnieuw bewusteloos.

Vervolgens kwam hij weer bij bewustzijn en vroeg opnieuw: “Is de tijd van de ṣalāh aangebroken?”

Zij antwoordden: “Ja, die is aangebroken.”

Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) opnieuw: “Zeg dan tegen Bilāl dat hij de adhān moet oproepen en zeg tegen Abû Bakr dat hij de gemeenschap in de ṣalāh voor moet gaan.”

Toen zei ʿĀ’ishah: “O Rasûlullāh! Mijn vader heeft een zeer zacht hart. Wanneer hij uw plaats inneemt, zal hij het niet kunnen verdragen en zal hij huilen, waardoor hij de mensen niet in de ṣalāh kan voorgaan. Zou u iemand anders kunnen opdragen om de ṣalāh te leiden?”

Daarop werd Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) opnieuw bewusteloos. Toen hij weer bij bewustzijn kwam, zei hij: “Zeg tegen Bilāl dat hij de adhān moet oproepen en zeg tegen Abû Bakr dat hij de mensen in de ṣalāh voor moet gaan.”

Daarna zei hij, gericht tot ʿĀ’ishah: “Jullie zijn als de vrouwen ten tijde van Yûsuf (عليه السلام).”

De overleveraar van de ḥadīth, Sālim ibni ʿUbeyd zei: “Zij zeiden tegen Bilāl dat hij de adhān moest oproepen, en hij riep de adhān op. Zij zeiden ook tegen Abû Bakr (رضي الله عنه) dat hij de ṣalāh voor de mensen moest leiden, en hij leidde de ṣalāh.

De volgende dag voelde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) enige verlichting en merkte hij dat zijn toestand wat lichter was geworden.

Hij zei: “Zoek iemand die mij kan ondersteunen, zodat ik naar de ṣalāh kan gaan.”

De dienares van ʿĀ’ishah, Barīrah, en een andere man kwamen.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ging vervolgens, steunend op hen beiden, naar de Masjid.

Toen Abû Bakr (رضي الله عنه) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zag, trok hij zich terug van de miḥrāb. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) maakte echter met zijn hand een teken naar hem:

“Blijf op jouw plaats.”

Daarop bleef hij staan en leidde hij de gemeenschap in de ṣalāh.

Na deze gebeurtenis overleed an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) .

Toen ʿUmar (رضي الله عنه) hoorde dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was overleden, trok hij zijn zwaard en zei: “Bij Allāh! Als ik iemand hoor zeggen: “Muḥammad is overleden”, dan zal ik hem in tweeën splijten.”

De overleveraar van de ḥadīth, Sālim ibni ʿUbeyd, vervolgde zijn woorden als volgt:

Omdat zij nooit eerder het overlijden van een nabī hadden meegemaakt, wisten zij niet wat zij in deze situatie moesten doen. Uit angst voor ʿUmar (رضي الله عنه) bleven zij daarom stil.

Toen zeiden de ṣaḥābah tegen mij: “Sālim! Ga naar Abû Bakr, de meest nabije saḥābi van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), en zeg hem dat hij hierheen moet komen!”

Ik stond op en ging naar Abû Bakr (رضي الله عنه). Hij bevond zich in de Masjid van zijn wijk. Ik was echter vervuld van angst en kwam huilend bij hem aan.

Toen Abû Bakr (رضي الله عنه) mij in deze toestand zag, vroeg hij: “Is Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overleden?”

Ik antwoordde: “Ja. Maar ʿUmar (رضي الله عنه) staat met zijn zwaard getrokken en blijft zeggen: “Bij Allāh, als ik iemand hoor zeggen: “Muḥammad is overleden”, dan zal ik hem in tweeën splijten.”“

Abû Bakr (رضي الله عنه) zei: “Kom, laten we gaan.”

Wij gingen samen op weg. Toen wij bij het huis van ʿĀ’ishah aankwamen, probeerden de mensen naar binnen te gaan. Abû Bakr (رضي الله عنه) zei tegen hen: “Maak plaats voor mij!”

Iedereen ging opzij en maakte ruimte voor hem. Hij ging de kamer binnen waar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zich bevond, boog zich over hem heen en kuste hem. Vervolgens reciteerde hij het volgende vers:

إِنَّكَ مَيِّتٞ وَإِنَّهُم مَّيِّتُونَ ٣٠

Waarlijk, jij zal sterven en waarlijk, zij zullen (ook) sterven. (Zumar, 39:30)

Degenen die nog niet konden beslissen of an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) werkelijk was overleden, vroegen hem: “O dierbare metgezel van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم)! Is Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overleden?”

Toen hij antwoordde: “Ja, hij is overleden”, begrepen zij met zekerheid dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) afscheid had genomen van deze wereld.

Daarop vroegen zij: “O dierbare metgezel van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم)! Wordt de ṣalāh al-janāzah voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verricht?”

Hij antwoordde: “Ja, die wordt verricht.”

Daarop vroegen zij: “Hoe wordt deze verricht?”

Abû Bakr (رضي الله عنه) antwoordde: “Eerst komt een groep naar binnen. Zij zeggen de takbīr en verrichten de ṣalāh al-janāzah en doen smeekbeden. Daarna gaan zij naar buiten. Vervolgens komt een andere groep naar binnen, zegt de takbīr, verricht de ṣalāh al-janāzah en doet smeekbeden. Daarna gaan ook zij naar buiten. Op deze manier zal de gehele bevolking van Madīnah naar binnen gaan en de ṣalāh al-janāzah op dezelfde wijze verrichten.”

Daarna stelden zij hem de volgende vragen: “O dierbare metgeze van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم)! Wordt Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) begraven?”

Hij antwoordde: “Ja, hij wordt begraven.”

Zij vroegen: “Waar wordt hij begraven?”

Hij antwoordde: “Op de plaats waar Allāhu (تعالى) zijn rûh heeft genomen. Want de Rab van het heelal heeft Rasûlullāhs rûh is weggenomen op een zuivere en reine plaats.”

De mensen begrepen en aanvaardden dat elk woord van Abû Bakr (رضي الله عنه) juist was.

Daarna zei Abû Bakr (رضي الله عنه) tegen de aanwezigen dat de familieleden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) van vaderszijde hem moesten wassen.

De Muhājirûn kwamen bijeen om de keuze van de khalīfah te bespreken en zeiden tegen Abû Bakr (رضي الله عنه): “Laten we naar onze broeders van de Anṣār gaan. Laten we hen ook uitnodigen voor de bijeenkomst die wij zullen houden over de keuze van de khalīfah, zodat wij deze zaak samen met hen kunnen bespreken.”

Zij kwamen samen met de Anṣār bijeen en begonnen de keuze van de khalīfah te bespreken.

De Anṣār zeiden: “Laat er één leider van jullie zijn (Muhajirûn) en één leider van ons (Anṣār).”

Toen nam ʿUmar (رضي الله عنه) het woord en zei tegen de Anṣār:”Zeg mij, wie bezit de drie eigenschappen die in dit vers worden genoemd?

إِلَّا تَنصُرُوهُ فَقَدۡ نَصَرَهُ ٱللَّهُ إِذۡ أَخۡرَجَهُ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ ثَانِيَ ٱثۡنَيۡنِ إِذۡ هُمَا فِي ٱلۡغَارِ إِذۡ يَقُولُ لِصَٰحِبِهِۦ لَا تَحۡزَنۡ إِنَّ ٱللَّهَ مَعَنَاۖ فَأَنزَلَ ٱللَّهُ سَكِينَتَهُۥ عَلَيۡهِ وَأَيَّدَهُۥ بِجُنُودٖ لَّمۡ تَرَوۡهَا وَجَعَلَ كَلِمَةَ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ ٱلسُّفۡلَىٰۗ وَكَلِمَةُ ٱللَّهِ هِيَ ٱلۡعُلۡيَاۗ وَٱللَّهُ عَزِيزٌ حَكِيمٌ ٤٠

Als jullie hem (an-Nabī) niet helpen: Allah heeft hem beslist geholpen toen de ongelovigen hem wegjoegen (en hij) de tweede van twee was toen zij in de grot waren en hij tegen zijn metgezel (Aboe Bakr) zei: “Wees niet bedroefd (of bang), zeker, Allah is met ons.” Toen stuurde Allah kalmte over hem neer en sterkte hem met hulptroepen die jullie niet zagen. En Hij maakte het woord van degenen die ongelovig waren tot het allerlaagste, terwijl het het Woord van Allah het allerhoogste werd en Allah is Almachtig, Alwijs. (Tawbah, 9:40)

De eerste eigenschap is de uitspraak: “één van de twee in de grot”.

De tweede eigenschap is de uitspraak: “toen hij tegen zijn metgezel zei”.

De derde eigenschap is de zin: “Wees niet bedroefd (of bang), zeker, Allah is met ons.”

Weten jullie wie deze twee personen in de grot waren?”

De overleveraar van de gebeurtenis, Sālim ibni ʿUbeyd, vervolgde zijn woorden:

“Nadat ʿUmar (رضي الله عنه) dit had gezegd, stak hij zijn hand uit naar Abû Bakr (رضي الله عنه) en gaf hem de bayʿah. Daarna gaven ook de overige ṣaḥābah uit eigen wil en verlangen de bayʿah aan Abû Bakr (رضي الله عنه) en verkozen hem tot khalīfah.”

In deze ḥadīth worden de gebeurtenissen beschreven die plaatsvonden tijdens de laatste ziekte van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en kort na zijn overlijden.

Tijdens de laatste ziekte van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) waren zijn pijn en ongemakken zeer hevig. Door de hoge koorts raakte hij meerdere keren bewusteloos. Zijn zware beproeving ging door.

Zo vroeg Saʿd ibni Abī Waqqāṣ (رضي الله عنه) hem op een dag: “O Rasûlullāh! Wie krijgen de zwaarste beproevingen te verduren?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde hem: “De zwaarste beproevingen treffen de anbiyā. Daarna gaan zij, te beginnen met degenen die het dichtst bij hen staan, steeds verder naar beneden in rang. Een mens wordt beproefd overeenkomstig de mate van zijn godsvrucht. Als iemand zeer godvruchtig is, zal zijn beproeving ook zwaar zijn. Als zijn godsvrucht zwak is, zal zijn beproeving lichter zijn.”

In onze ḥadīth hebben wij gezien dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vanwege hoge koorts enkele keren het bewustzijn verloor. Deze toestand doet geen afbreuk aan zijn profeetschap. Flauwvallen is namelijk een tijdelijke menselijke toestand die ieder mens kan overkomen; ook anbiyā kunnen ziek worden en een dergelijke toestand meemaken. De enige aandoening die niet bij anbiyā kan voorkomen, is krankzinnigheid.

Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) na een bewusteloosheid weer bij kennis kwam, vroeg hij of de tijd van de ṣalāh al-ʿishāʾ was aangebroken. Toen hem werd verteld dat de tijd was aangebroken, zei hij: “Zeg tegen Bilāl dat hij de adhān moet oproepen en zeg tegen Abû Bakr dat hij de mensen voor moet gaan in de ṣalāh.”

Normaal gesproken leidde hij zelf alle verplichte ṣalāh voor de ṣaḥābah. Maar deze keer voelde hij zich, vanwege zijn verzwakking, niet sterk genoeg om dat te doen. Daarom gaf hij deze opdracht.

Maar ʿĀ’ishah (رضي الله عنها) zei: “O Rasûlullāh! Mijn vader is een zeer zachtmoedig persoon. Wanneer hij jouw plaats inneemt in de miḥrāb, zal hij het niet kunnen verdragen en zal hij gaan huilen.

Hij zal zijn stem en de Qur’ān die hij reciteert niet aan de gemeenschap kunnen laten horen en zal daarom de ṣalāh niet kunnen leiden. Als u iemand anders zou aanwijzen, zodat diegene de ṣalāh leidt!”

Volgens een andere overlevering zei zij zelfs: “Als u ʿUmar zou aanwijzen, zodat hij de ṣalāh leidt!”

Omdat ʿĀ’ishah bij deze mening bleef, zei zij hetzelfde ook tegen Ḥafṣah (رضي الله عنها). Zij liet haar zelfs het volgende zeggen: “O Rasûlullāh! Abû Bakr kan door zijn huilen zijn stem niet aan de gemeenschap laten horen. Als u mijn vader ʿUmar opdraagt de ṣalāh te leiden, zou hij dat kunnen doen!”

Het feit dat zijn bevel niet werd opgevolgd, stemde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ontevreden. Daarom zei hij tegen ʿĀ’ishah: “Genoeg, zwijg! Waarlijk, jullie zijn zoals de vrouwen uit de tijd van an-Nabī Yûsuf (عليه السلام).”

Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Jullie zijn zoals de vrouwen uit de tijd van an-Nabī Yûsuf (عليه السلام),” bedoelde hij daarmee zowel ʿĀ’ishah als Ḥafṣah. Zijn directe aanspreekpunt was echter ʿĀ’ishah. Met deze woorden wilde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tegen ʿĀ’ishah zeggen: “Ook jij bent net zoals Zulaykhā.” Zij had immers, in plaats van openlijk tegenover de Egyptische vrouwen toe te geven: “Ik ben verliefd op Yûsuf ,” een maaltijd bij haar thuis georganiseerd. Toen zij vervolgens de schoonheid van Yûsuf (عليه السلام) zagen, wilde zij dat zij haar zouden begrijpen en zouden ophouden haar te verwijten door te zeggen: “Die arme vrouw is verliefd geworden op haar slaaf!”

Werkelijk, ʿĀ’ishah had gehandeld zoals an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had aangegeven. Wat zij eigenlijk wilde zeggen, was: “O Rasûlullāh! Als mijn vader nu de imām wordt, zullen de mensen niet houden van degene die de plaats van Rasûlullāh inneemt; zij zullen zelfs een afkeer van hem krijgen.

Daarom wil ik niet dat mijn vader uw plaats inneemt.”

Maar ʿĀ’ishah durfde dit niet rechtstreeks te zeggen. In plaats daarvan koos zij ervoor om te zeggen: “Mijn vader is zeer zachtmoedig. Wanneer hij uw plaats inneemt, zal hij het niet kunnen verdragen en gaan huilen. Hij zal zijn stem niet kunnen laten horen en zal de ṣalāh niet kunnen leiden.”

Ook in deze ḥadīth zien wij dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) driemaal heeft opgedragen dat Abû Bakr (رضي الله عنه) de imām moest zijn. Volgens sommige overleveringen in de Ṣaḥīḥ al-Bukhārī en andere ḥadīth-verzamelingen heeft ʿĀ’ishah telkens verzocht dat haar vader niet de imām zou zijn. Nadat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem echter voor de derde (of vierde) keer had opgedragen, sprak hij haar hierop streng aan.

Die dag riep Bilāl al-Ḥabashī (رضي الله عنه) de adhān op en leidde Abû Bakr (رضي الله عنه) de ṣalāh. Er wordt vermeld dat Abû Bakr (رضي الله عنه) gedurende de ziekte van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeventien ṣalāh-momenten heeft geleid.

Op een andere dag, waarschijnlijk op een dinsdag, voelde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zich sterk genoeg om naar de Masjid an-Nabawī te gaan. Met de hulp van twee personen ging hij naar de moskee. Dit gebeurde als volgt:

Volgens onze ḥadīth bracht zijn dienares Barīrah samen met een andere man Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar de moskee. Uit andere overleveringen weten wij dat hij vanuit zijn bed tot aan de deur van de moskee liep, terwijl hij leunde op zijn twee dienaressen Barīrah en Nūbah. Vanaf daar werd hij ondersteund door zijn oom ʿAbbās (رضي الله عنه) en zijn neef en schoonzoon ʿAlī (رضي الله عنه), totdat hij de miḥrāb bereikte.

In sommige overleveringen wordt in plaats van ʿAbbās zijn zoon Faḍl (رضي الله عنه) genoemd, en in andere overleveringen Usāmah ibn Zayd (رضي الله عنهما).

Wanneer ʿĀ’ishah deze gebeurtenis vertelde, zei zij dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) die dag vanwege zijn zwakte met zijn voeten over de grond sleepte en dat dit beeld haar nog steeds voor ogen stond.

Abû Bakr (رضي الله عنه), die de ṣalāh voor de gemeenschap leidde, merkte dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar de miḥrāb werd gebracht. Hij wilde zich daarom terugtrekken, maar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) maakte hem met zijn hand duidelijk: “Blijf op je plaats!”

Abû Bakr (رضي الله عنه) volgde deze aanwijzing en maakte de ṣalāh met de gemeenschap af.

Hoe vaak ging Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tijdens zijn laatste ziekte naar de Masjid an-Nabawī? Uit verschillende overleveringen blijkt dat hij tweemaal naar buiten kwam. De ene keer leidde hij zelf de ṣalāh; de andere keer verrichtte hij de ṣalāh achter Abû Bakr (رضي الله عنه) als imām.

Laten wij nu kijken naar hetgeen in onze ḥadīth wordt verteld over het overlijden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): Abû Bakr (رضي الله عنه) bleef tijdens de laatste ziekte van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) voortdurend bij hem. Toen hij, om een reden die ons niet bekend is, toestemming had gevraagd om naar zijn huis te gaan, verliet an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deze wereld.

Toen de ṣaḥābah dit vernamen, raakten zij door hun diepe verdriet in grote verbijstering en zelfs ontzetting. Sommigen, zoals ʿUmar (رضي الله عنه), verloren bijna hun verstand; anderen, zoals ʿAbdullāh ibn Unays (رضي الله عنه), zakten ter plekke neer; en bij sommigen, zoals ʿUthmān (رضي الله عنه), verstomde hun tong.

De ṣaḥābah waren over het algemeen ongeletterd.

Zij hadden zich niet door het lezen van vroegere geschriften kennis verworven over de vraag of een nabī wel of niet kon overlijden. Daarom sprak iedereen op dat moment op een andere manier over deze kwestie. Bovendien wisten zij, zelfs als een nabī zou overlijden, niet wat er in zo’n situatie met hem gedaan moest worden.

Op dat moment kwam Abû Bakr (رضي الله عنه) in hun gedachten. Omdat hij de meest nabije saḥābi van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was, dachten zij dat alleen hij zou weten wat er gedaan moest worden. Daarom stuurden zij Sālim ibn ʿUbayd naar hem toe.

Toen Sālim ibn ʿUbayd Abû Bakr (رضي الله عنه) ging roepen, verrichtte hij de ṣalāh al-ẓuhr in de moskee van zijn wijk. Toen hij zag dat Sālim voortdurend huilde, begreep hij dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) naar zijn Rab was teruggekeerd. Hij vernam vervolgens deze pijnlijke werkelijkheid van Sālim.

Daarna steeg hij onmiddellijk op zijn paard en haastte zich naar het huis van ʿĀ’ishah. Zoals in onze ḥadīth is overgeleverd, boog hij zich over het lichaam van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), kuste hem terwijl hij huilde en reciteerde het 30e vers van sūrah az-Zumar:

إِنَّكَ مَيِّتٞ وَإِنَّهُم مَّيِّتُونَ ٣٠

Waarlijk, jij zal sterven en waarlijk, zij zullen (ook) sterven. (Zumar, 39:30)

Op dat moment hoorde hij ook dat ʿUmar (رضي الله عنه) zichzelf niet meer was en zei:

“Bij Allāh, als ik iemand hoor zeggen dat Muḥammad is gestorven, dan zal ik hem met mijn zwaard in tweeën splijten.”

In werkelijkheid dacht ʿUmar (رضي الله عنه), omdat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) eerder enkele keren het bewustzijn had verloren, dat dit opnieuw het geval was. Hij kon zich niet voorstellen dat hij werkelijk overleden zou zijn.

Zoals in de uitleg van de 391e ḥadīth uitgebreid is vermeld, werd beschreven wat Abû Bakr (رضي الله عنه) deed en zei toen hij bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam, en hoe hij ʿUmar (رضي الله عنه), die zichzelf volledig verloren had, tot rust bracht.

Door deze pijnlijke gebeurtenis was Abû Bakr (رضي الله عنه) degene onder de ṣaḥābah die zich het meest standvastig en beheerst gedroeg. De ṣaḥābah die door het overlijden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) niet wisten wat zij moesten doen, bracht hij tot rust. Hij was degene die de ṣaḥābah bekendmaakte dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was overleden.

In zijn beroemde toespraak zei hij:

“Wie van jullie Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) aanbidt, laat hem weten dat Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) is gestorven. En wie Allāh aanbidt, laat hem weten dat Allāh altijd Levend is.”

Daarna reciteerde hij het volgende vers:

وَمَا مُحَمَّدٌ إِلَّا رَسُولٞ قَدۡ خَلَتۡ مِن قَبۡلِهِ ٱلرُّسُلُۚ أَفَإِيْن مَّاتَ أَوۡ قُتِلَ ٱنقَلَبۡتُمۡ عَلَىٰٓ أَعۡقَٰبِكُمۡۚ وَمَن يَنقَلِبۡ عَلَىٰ عَقِبَيۡهِ فَلَن يَضُرَّ ٱللَّهَ شَيۡـٔٗاۚ وَسَيَجۡزِي ٱللَّهُ ٱلشَّٰكِرِينَ ١٤٤

Mohammed is niet meer dan een Rasûl en voor hem zijn zeker (vele) Boodschappers overleden. Als hij sterft of gedood wordt, zullen jullie dan op jullie stappen terugkeren? (terugvallen in ongeloof) En degenen die op zijn stappen terugkeert, zal nog de minste schade aan Allah toebrengen. En Allah zal de dankbaren belonen. (Āl ʿImrān, 3:144)

Toen hij dit vers reciteerde, accepteerden alle ṣaḥābah, met ʿUmar (رضي الله عنه) voorop, de werkelijkheid en kwamen zij tot rust.

ʿUmar (رضي الله عنه) zei namelijk, nadat Abû Bakr (رضي الله عنه) dit vers had gereciteerd, over deze goddelijke verklaring die hij eigenlijk zeer goed kende: “Ik had het gevoel alsof ik dit vers nooit eerder had gehoord.”

De reden hiervan was dat ʿUmar (رضي الله عنه) dacht dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) niet zou overlijden voordat Allāh de hypocrieten had verwijderd.

Toen Abû Bakr (رضي الله عنه) de ṣaḥābah geruststelde, beperkte hij zich niet tot bovenstaand vers. Hij reciteerde ook het volgende vers, waarin wordt vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zou overlijden:

وَمَا جَعَلۡنَا لِبَشَرٖ مِّن قَبۡلِكَ ٱلۡخُلۡدَۖ أَفَإِيْن مِّتَّ فَهُمُ ٱلۡخَٰلِدُونَ ٣٤

En Wij hebben geen enkel menselijk leven vóór jou onsterfelijkheid gegeven. Als jij zou sterven, zouden zij dan eeuwig leven? (Anbiyāʾ, 21:34)

Toen de ṣaḥābah van Abû Bakr (رضي الله عنه) vernamen dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) werkelijk was overleden, geloofden zij hem, omdat zij wisten dat hij tijdens zijn leven nooit had gelogen.

Vervolgens vroegen zij, omdat zij geloofden dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vrij was van zonden, of zijn ṣalāh al-janāzah verricht moest worden. Toen Abû Bakr (رضي الله عنه) hun vertelde dat deze verricht moest worden, vroegen zij vervolgens hoe zij deze moesten verrichten en leerden zij dit van hem.

Zoals ook in onze ḥadīth wordt vermeld, legde Abû Bakr (رضي الله عنه) uit dat de ṣalāh al-janāzah van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) niet gezamenlijk in één grote groep verricht zou worden, maar in afzonderlijke groepen, zoals wij deze tegenwoordig ook verrichten, met vier takbīrs.

Hij zei dat eerst de mannen, daarna de vrouwen en vervolgens de kinderen afzonderlijk de ṣalāh al-janāzah zouden verrichten, zonder een imām te volgen.

Daarmee leerde hij hen en ons dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zowel tijdens zijn leven als na zijn overlijden de imām van de mu’mins bleef, en dat niemand anders als imām kon optreden om zijn ṣalāh al-janāzah te leiden.

Abû Bakr (رضي الله عنه) gaf ook antwoord op de vraag van de ṣaḥābah of Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) begraven zou worden en, als dat zo was, waar hij begraven zou worden.

Sommigen dachten namelijk dat het lichaam van een nabī niet zou vergaan en dat het daarom niet nodig was om hem te begraven. Anderen beweerden dat het lichaam van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), net zoals dat van ʿĪsā (عليه السلام), naar de hemel zou worden verheven.

Abû Bakr (رضي الله عنه) reciteerde daarop het volgende vers:

۞ مِنۡهَا خَلَقۡنَٰكُمۡ وَفِيهَا نُعِيدُكُمۡ وَمِنۡهَا نُخۡرِجُكُمۡ تَارَةً أُخۡرَىٰ ٥٥

Uit haar hebben Wij jullie geschapen en daarin zullen Wij jullie doen terugkeren, en daaruit zullen Wij jullie opnieuw voortbrengen. (Ṭā Hā, 20:55)

Op basis van dit vers vertelde hij hun dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) eveneens begraven zou worden. Daarop vroegen zij waar hij begraven zou worden.

Hij antwoordde: “Hij wordt begraven op de plaats waar Allāhu (تعالى) zijn rûh heeft genomen. Want de Rab van het Universum heeft zijn rûh genomen op een zuivere plaats.”

In ieder opzicht maakte men een nieuwe situatie mee. Deze keer vroegen zij aan Abû Bakr (رضي الله عنه) wie het gezegende lichaam van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zou wassen. Hij antwoordde dat zijn familieleden van vaderszijde dit zouden doen.

Zo gebeurde het ook. ʿAlī (رضي الله عنه) waste an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) . Zijn oom ʿAbbās en zijn twee zonen Faḍl en Qutham (رضي الله عنهم) hielpen hem daarbij.

Nadat ʿAlī (رضي الله عنه) het gezegende lichaam van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had gewassen, zei hij: “Toen ik het lichaam van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) waste, wachtte ik af of er, zoals bij andere overledenen, iets uit zijn lichaam zou komen. Toen ik zag dat dit niet gebeurde, zei ik: “O Rasûlullāh! U was tijdens uw leven volkomen rein en ook na uw overlijden bent u volkomen rein.”

Hierbij dient ook te worden vermeld dat men, terwijl men an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) waste, zijn hemd wilde uittrekken.

Op dat moment hoorden zij een stem die zei: "Trek zijn hemd niet uit!" Daarom wasten zij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) terwijl hij zijn hemd aanhield.

Nadat de wassing was voltooid, droegen dezelfde vier personen die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hadden gewassen hem naar zijn graf en lieten zij hem daarin neer.

In deze ḥadīth wordt ook een zeer belangrijke kwestie aangestipt. Nog voordat het gezegende lichaam van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) aan de aarde werd toevertrouwd, kwam de kwestie aan de orde wie de khalīfah zou worden.

Hierbij kan men terecht de volgende vraag stellen: terwijl de begravenis (janāzah) van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nog aanwezig was, was het dan gepast om hem achter te laten en bijeen te komen om een khalīfah te kiezen?

Terwijl Abû Bakr en ʿUmar (رضي الله عنهما) bezig waren met de hierboven genoemde voorbereidingen, bereikte hen een bericht. Een groep van de Anṣār was samengekomen op een plaats die Saqīfah Banī Sāʿidah werd genoemd en was begonnen te bespreken wie de khalīfah zou worden. Aan deze bijeenkomst nam ook een groep van de Muhājirūn deel.

Toen Abû Bakr en ʿUmar (رضي الله عنهما) hiervan hoorden, waren zij daar zeer bezorgd over.

ʿUmar (رضي الله عنه) zei: “Als zij nu iemand kiezen die niet geschikt is om khalīfah te zijn, dan zullen wij hem óf noodgedwongen de bayʿah geven, óf wij zullen ons tegen hem verzetten. Dit zal leiden tot onrust, verdeeldheid en verderf. Daarom moeten wij deze kwestie eerst oplossen.”

Abû Bakr (رضي الله عنه) was het met hem eens. Daarom gaven zij voorrang aan de keuze van de khalīfah vóór de begrafenis.

Toen de Anṣār en de Muhājirūn begonnen te overleggen over wie de khalīfah zou worden, bracht Ḥabbāb ibn Mundhir (رضي الله عنه), één van de deelnemers aan de slag bij Badr van de Anṣār, een voorstel naar voren.

Hij zei: “Laat er één leider van jullie zijn en één leider van ons.”

Daarop nam ʿUmar (رضي الله عنه) het woord en herinnerde hij hen eraan wie an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had gekozen als zijn reisgenoot tijdens zijn hidjrah naar Madīnah. Hij vertelde dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bij deze uiterst belangrijke gebeurtenis Abû Bakr (رضي الله عنه) als zijn reisgenoot had gekozen.

Vervolgens reciteerde hij het vers:

إِلَّا تَنصُرُوهُ فَقَدۡ نَصَرَهُ ٱللَّهُ إِذۡ أَخۡرَجَهُ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ ثَانِيَ ٱثۡنَيۡنِ إِذۡ هُمَا فِي ٱلۡغَارِ إِذۡ يَقُولُ لِصَٰحِبِهِۦ لَا تَحۡزَنۡ إِنَّ ٱللَّهَ مَعَنَاۖ فَأَنزَلَ ٱللَّهُ سَكِينَتَهُۥ عَلَيۡهِ وَأَيَّدَهُۥ بِجُنُودٖ لَّمۡ تَرَوۡهَا وَجَعَلَ كَلِمَةَ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ ٱلسُّفۡلَىٰۗ وَكَلِمَةُ ٱللَّهِ هِيَ ٱلۡعُلۡيَاۗ وَٱللَّهُ عَزِيزٌ حَكِيمٌ ٤٠

Als jullie hem (an-Nabī) niet helpen: Allah heeft hem beslist geholpen toen de ongelovigen hem wegjoegen (en hij) de tweede van twee was toen zij in de grot waren en hij tegen zijn metgezel (Aboe Bakr) zei: “Wees niet bedroefd (of bang), zeker, Allah is met ons.” Toen stuurde Allah kalmte over hem neer en sterkte hem met hulptroepen die jullie niet zagen. En Hij maakte het woord van degenen die ongelovig waren tot het allerlaagste, terwijl het het Woord van Allah het allerhoogste werd en Allah is Almachtig, Alwijs. (Tawbah, 9:40)

Hij vestigde de aandacht op drie zaken die in dit vers worden genoemd: de uitdrukking “één van de twee in de grot”, het woord “saḥābi” en de zin “Wees niet bedroefd …”. Hij zei dat degene over wie in dit vers wordt gesproken, namelijk Abû Bakr (رضي الله عنه), de meest geschikte persoon was voor het ambt van het kalifaat.

Daarna herinnerde hij eraan dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tijdens zijn laatste ziekte Abû Bakr (رضي الله عنه) herhaaldelijk had aangewezen om de imāmah van de ṣalāh te leiden, en dat hij zelf achter hem had gebeden. Dit moest eveneens worden beschouwd als een aanwijzing dat Abû Bakr (رضي الله عنه) de khalīfah diende te worden. Ook zei hij dat niemand de plaats kon innemen van de imām die door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was aangewezen.

Met deze zeer belangrijke bewijzen overtuigde ʿUmar (رضي الله عنه) iedereen van deze zaak. Vervolgens stak hij zijn hand uit en gaf hij de bayʿah aan Abû Bakr (رضي الله عنه). Daarna gaven ook de overige ṣaḥābah hun bayʿah aan hem en kozen zij hem als hun khalīfah.

Er zijn zeer waardevolle aḥādīth waarin an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) over Abû Bakr (رضي الله عنه) heeft gesproken. Van deze overleveringen willen wij hier in het bijzonder de volgende ḥadīth herinneren, die wij ook hebben genoemd (zie hierboven de uitleg van de 385e ḥadīth:….)

Uit de bevelen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Sluit alle deuren die naar de Masjid openen, behalve de deur van Abû Bakr (رضي الله عنه)!” blijkt eveneens dat hij hiermee wees op het toekomstige khalīfaat van Abû Bakr (رضي الله عنه).

397. Ḥadīth

VanAnas ibn Mālik (رضي الله عنه): Vlak vóór het overlijden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), toen hij hevige pijn en groot lijden onderging, zei Fāṭimah (رضي الله عنها):

“Ach, mijn lieve vader, wat lijdt u toch hevig! Wat ben ik verdrietig!” zei zij, terwijl zij haar verdriet uitte.

Daarop zei an-Nabī tegen haar: “Wees niet bedroefd, mijn dochter. Je vader zal vanaf vandaag geen pijn meer lijden. Ook je vader staat op het punt de dood te proeven die Allah Taʿālā tot aan de Dag der Opstanding iedere dienaar zal laten ondergaan.”

Tijdens de laatste ziekte van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) brandde hij van de koorts en leed hij tweemaal zoveel pijn als andere mensen. Hij verrichtte de volgende duʿāʾ:

“O Allāh! Help mij de hevigheid van de doodsstrijd geduldig te verdragen.”

In zijn laatste dagen was het lijden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bijzonder zwaar. Zijn geliefde dochter Fāṭimah (رضي الله عنها) kon dit niet verdragen. Alsof zij zelf al die pijn voelde, jammerde zij:”Ach, mijn geliefde vader!

Wat lijdt u toch verschrikkelijk! Wat ben ik bedroefd!”

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wilde zijn enige nog levende dochter troosten. Hij zei tegen haar:

“Morgen zal jouw vader van deze pijn verlost zijn. Ook jouw vader zal de pijn van de dood proeven die Allāh (تعالى) onvermijdelijk iedere mens tot aan de Dag der Opstanding laat ervaren. Daarna zullen voor hem alle zorgen van deze wereld voorbij zijn.” Hiermee leerde hij dat men de pijn van de doodsstrijd met geduld dient te verdragen.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wist heel goed dat hij spoedig de gunsten zou ontvangen die zijn Rab had voorbereid voor hemzelf en voor al Zijn rechtschapen dienaren. Hij had immers overgeleverd dat Allāh (تعالى) hierover in een ḥadīth qudsī heeft gezegd:

“Ik heb voor Mijn rechtschapen dienaren gunsten voorbereid die geen oog ooit heeft gezien, geen oor ooit heeft gehoord en die in het hart van geen mens ooit zijn opgekomen.”

Door het lijden dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in zijn laatste dagen onderging, leerde hij ons dat wij de moeilijkheden van de doodsstrijd met geduld moeten verdragen. Hij maakte duidelijk dat geen enkel werelds verdriet iets betekent vergeleken met de verschrikkelijke beproevingen die de mens in het Hiernamaals kunnen wachten. Daarmee gaf hij ons deze les:

Vergroot de zorgen en het leed die jullie in deze wereld treffen niet in jullie ogen. Wanneer een beproeving jullie overkomt, denk dan aan de ondraaglijke moeilijkheden die de mens in het Hiernamaals kunnen verwachten. Vergeet niet dat naarmate jullie de beproevingen van deze wereld geduldig verdragen, de moeilijkheden in het Hiernamaals in dezelfde mate zullen afnemen.

Toen de reine rûh van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar zijn Rab terugkeerde, werd Fāṭimah (رضي الله عنها) opnieuw door intens verdriet overmand. Zij huilde en zei:

“Ach, mijn geliefde vader, die gehoor heeft gegeven aan de oproep van Allāh; ach, mijn geliefde vader, wiens verblijfplaats het Firdaus-paradijs is; ach, mijn geliefde vader, van wiens overlijden wij slechts Jibrīl op de hoogte kunnen brengen.”

Na de begrafenis van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zag zij Anas (رضي الله عنه), die hem tien jaar had gediend, en zei verwijtend tegen hem: “Anas! Hoe konden jullie het over je hart verkrijgen zo snel aarde op Rasûlullāh te werpen? Hoe konden jullie daarmee instemmen?”

Laten wij uit de overlevering van onze moeder ʿĀ’ishah (رضي الله عنها) luisteren naar een gebeurtenis die zich in de laatste dagen van het leven van an-Nabī (عليهم السلام) afspeelde tussen hem en zijn geliefde Fāṭimah (رضي الله عنها).

“De echtgenotes van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zaten bij hem. Toen kwam Fāṭimah (رضي الله عنها) aanlopen; haar manier van lopen leek precies op die van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) haar zag, verheugde hij zich en zei: “Welkom, mijn dochter.”

Hij liet haar aan zijn rechter- (of linkerzijde) plaatsnemen. Vervolgens fluisterde hij iets in haar oor, waarop Fāṭimah (رضي الله عنها) hard begon te huilen.

Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) haar hevige verdriet zag, fluisterde hij haar nog iets in het oor. Daarop begon Fāṭimah (رضي الله عنها) te glimlachen.

Nadat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was weggegaan, zei ik tegen Fāṭimah:

“Fāṭimah! Terwijl zijn echtgenotes aanwezig waren, heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) alleen jou een geheim toevertrouwd, waarna jij begon te huilen. Wat heeft hij tegen je gezegd?”

Fāṭimah (رضي الله عنها) antwoordde: “Het geheim van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kan ik aan niemand vertellen.”

Na het overlijden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg ik haar opnieuw:

“Op grond van het recht dat ik als jouw moederfiguur over jou heb, vraag ik je mij het geheim te vertellen dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) jou heeft toevertrouwd.”

Fāṭimah (رضي الله عنها) zei: “Nu kan dat.”

Vervolgens vertelde zij: “De eerste keer dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) iets in mijn oor fluisterde, zei hij dat Jibrīl (عليه السلام) ieder jaar één (of twee) keer kwam om de geopenbaarde verzen van de Qur’ān van begin tot eind met hem door te nemen, maar dat hij dit jaar daarvoor twee keer was gekomen.

Daarna zei hij tegen mij: “Ik begrijp daaruit dat mijn levenseinde nabij is. Wees daarom bewust van Allāh en wees geduldig. Dat ik jou zal voorgaan is het beste.”

Daarom begon ik zo hevig te huilen als je hebt gezien.

Toen hij mijn grote verdriet zag, fluisterde hij opnieuw in mijn oor: “Fāṭimah! Zou jij niet de voornaamste vrouw van de mu’mins, (of van de vrouwen van deze ummah), willen zijn?”

Daarop glimlachte ik, zoals je hebt gezien.”

398. Ḥadīth

Van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer iemand van mijn ummah vóór hem twee kinderen verliest, zal Allāh (تعالى) die persoon vanwege die kinderen Jannah laten binnengaan.”

Daarop vroeg ʿĀʾishah (رضي الله عنها): “O Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم)! Wat is dan de toestand van iemand van jouw ummah die vóór hem één kind heeft verloren?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) richtte zich tot haar met de woorden: “O jij die door jouw vragen de godsdienst probeert te leren!”

Daarna vervolgde hij: “Degene van wie één kind vóór hem overlijdt, zal eveneens Jannah binnengaan, net zoals degene van wie twee kinderen zijn overleden.”

Daarop vroeg ʿĀʾishah (رضي الله عنها) opnieuw: “O Rasûlullāh! Wat is de toestand van iemand van jouw ummah die geen kinderen heeft en van wie geen kind vóór hem is overleden?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Ik ben degene die vóór mijn ummah voor hen naar het Hiernamaals is gegaan als bemiddelaar. Want mijn ummah heeft geen grotere pijn gekend dan de pijn van het gescheiden zijn van mij.”

Deze ḥadīth is een grote bron van troost voor vaders en moeders die vóór hen één of twee jonge kinderen naar het Hiernamaals hebben gestuurd. Er is geen verschil tussen een meisje of een jongen die op jonge leeftijd overlijdt. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) brengt de blijde boodschap dat het verdragen van de pijn door het verlies van een geliefd kind of meerdere kinderen de ouders naar Jannah zal brengen.

Want de kinderen die vóór hun ouders overlijden, zijn als een voorhoede die Jannah voor hun ouders voorbereidt en de poorten van Jannah voor hen opent.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) legde deze gebeurtenis uit met het Arabische woord “faraṭ”, dat de Arabieren goed kenden in de betekenis van een voorloper. Want een karavaan heeft voorlopers. Zij gaan vóór de karavaan uit in de richting waarheen men reist. Zij zoeken waterplaatsen, geschikte plekken om tenten op te zetten en plaatsen waar de karavaan comfortabel kan rusten. Zij bereiden het voedsel en drinken voor.

Zo zijn ook de kinderen die vóór hun ouders overlijden. Net zoals de voorlopers van een karavaan zullen zij de plaatsen, woningen en paleizen van hun ouders in Jannah voorbereiden.

In deze ḥadīth bevindt zich ook een blijde boodschap voor ouders die geen kind eerder naar het Hiernamaals hebben kunnen sturen en voor degenen die nooit de vreugde van het hebben van een kind hebben ervaren.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) stelt zichzelf in de plaats van de kinderen die zij niet naar het Hiernamaals hebben kunnen sturen. Hij geeft degenen die hun Nabī oprecht liefhebben en wier harten branden van verdriet vanwege het gescheiden zijn van hem de blijde boodschap dat hij voor hen zal bemiddelen (shafa`ah) en Jannah voor hen zal voorbereiden.

Ongetwijfeld moet iedere mu’min zijn eigen nabī meer liefhebben dan iedereen en alles. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft dit als volgt uitgedrukt:

“Niemand van jullie kan een ware mu’min zijn totdat hij mij meer liefheeft dan zijn kinderen, zijn moeder, zijn vader en alle mensen.”

Alle lof zij Allāh, deze ummah beschouwt haar Nabī als waardevoller dan haar eigen leven. Zij brandt en verlangt naar hem.

Omdat zij zijn prachtige aangezicht in deze wereld niet heeft kunnen aanschouwen, leeft zij met de hoop hem in het Hiernamaals bij de Kawthar-vijver te ontmoeten en vindt zij troost in deze hoop.

Dit betekent dat Allāh (تعالى) ons barmhartigheid heeft geschonken door an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vóór zijn ummah te laten overlijden. Dit leren wij uit de volgende ḥadīth:

“Wanneer Allāh (تعالى) barmhartig wil handelen met een volk van Zijn dienaren, laat Hij de nabī van dat volk vóór hen overlijden en maakt Hij hem in het Hiernamaals voor hen tot een voorloper en gids.

Wanneer Allāh (تعالى) een volk wil vernietigen, straft Hij dat volk terwijl hun nabī nog leeft en vernietigt Hij hen voor de ogen van hun nabī.

Door hen te vernietigen vanwege het verloochenen van hun nabī en het ongehoorzaam zijn aan zijn bevel, schenkt Hij ook Zijn nabī tevredenheid en troost.”

Allāh (تعالى) heeft vanwege de eer van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) barmhartigheid aan deze ummah geschonken en Zijn gunst aan hen als volgt uitgedrukt:

وَمَا كَانَ ٱللَّهُ لِيُعَذِّبَهُمۡ وَأَنتَ فِيهِمۡۚ وَمَا كَانَ ٱللَّهُ مُعَذِّبَهُمۡ وَهُمۡ يَسۡتَغۡفِرُونَ ٣٣

En Allah zal hen niet straffen, terwijl jij (O Mohammed) nog in hun midden verkeert, noch zal Hij hen straffen als zij vergeving zoeken. (Anfāl, 8:33)

Men moet niet denken dat deze goddelijke blijde boodschappen alleen de ṣaḥābah omvatten. Er moet aandacht worden besteed aan de uitdrukking “mijn ummah” in de zin:

“Ik ben degene die vóór mijn ummah voor hen naar het Hiernamaals is gegaan als bemiddelaar.” Deze blijde boodschap omvat de gehele Ummah van Muḥammad die tot aan de Dag der Opstanding zal komen.

Deze ḥadīth laat ook zien welk een grote gunst ʿĀʾishah (رضي الله عنها), onze moeder, voor de moslims was.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) moedigde zijn geliefde echtgenote, die één van zijn meest oplettende leerlingen was, aan om meer vragen te stellen. Door haar vragen voedde zij de Ummah van Muḥammad op en leerde zij hen de zaken die zij moesten weten.

Onze moeder ʿĀʾishah en onze andere moeders hebben ons geholpen onze godsdienst beter te leren en correcter te beleven, zowel door de vragen die zij aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) stelden als door zonder terughoudendheid over zijn privéleven te vertellen.

Moge Allāh (تعالى) tevreden met hen allen zijn.

55.HOOFDSTUK: DE NALATENSCHAP VAN RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم)

399.Ḥadīth

Van de broer van de moeder van de mu’mins Juwayriyah (رضي الله عنها),ʿAmr ibn al-Ḥārith (رضي الله عنه): Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overleed, liet hij niets na behalve zijn wapen dat hij tijdens zijn leven gebruikte, zijn muildier waarop hij reed en een stuk land dat hij voor reizigers als religieuze stichting (waqf) had bestemd.”

Een andere overlevering van onze ḥadīth die in Ṣaḥīḥ al-Bukhārī staat, is uitgebreider en luidt als volgt:

“Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overleed, liet hij behalve zijn witte muildier waarop hij reed, zijn wapen dat hij gebruikte en het land dat hij voor reizigers als waqf had bestemd, geen goud, geen zilver, geen slaaf, geen slavin en niets anders na.”

De overlevering van onze moeder ʿĀʾishah (رضي الله عنها), die later onder nummer 405 zal worden vermeld, luidt: “Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overleed, liet hij geen goud na en geen zilver; hij liet geen schaap na en geen kameel. Hij heeft ook niets nagelaten in de vorm van een testament.”

De wapens die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gebruikte bestonden uit zwaarden, een pantser, een helm en een lans. Van zijn veertien zwaarden was Dhū al-Fiqār het meest bekende. Hij had dit aan ʿAlī (رضي الله عنه) geschonken.

Onder de zaken die hij naliet bevond zich ook zijn witte muildier, waarop hij vooral tijdens reizen reed. Dit muildier stond bekend als “Duldul”. Het werd in het 7e jaar na de hijrah (628) door al-Muqawqis, de gouverneur van Egypte, aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) geschonken.

In datzelfde jaar had an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), al-Muqawqis met een brief tot de Islām uitgenodigd. Hij beantwoordde deze uitnodiging door verschillende geschenken aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) te sturen.

Het land dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) als waqf voor arme reizigers had bestemd, waren de dadelpalmen in Fadak en Khaybar.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) , de eer van de werelden, had deze dadelgaarden niet alleen voor reizigers als waqf bestemd, maar gebruikte ze ook voor maatschappelijke diensten.

Omdat een deel van deze gronden eerder door Muḥayrīq an-Naḍrī (overl. 3 AH/625 CE), die eerst een jood was en later moslim werd, aan hem was geschonken, besteedde hij ook een deel van de inkomsten ervan aan zijn familie.

In de aḥadīth die wij in deze uitleg hebben genoemd, wordt vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) na zijn overlijden geen slaaf en geen slavin naliet. In werkelijkheid had an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in een bepaalde periode ook slaven. Sommigen van hen waren vóór hem overleden en de overigen had hij tijdens zijn leven vrijgelaten.

(De sahabi die deze hadith heeft overgeleverd, is ʿAmr ibn al-Ḥārith ibn Abī Ḍirār al-Muṣṭaliqī (رضي الله عنه). Enkele van zijn overleveringen zijn opgenomen in de Kutub as-Sittah. Zijn vader, al-Ḥārith ibn Ḍirār (رضي الله عنه), behoorde eveneens tot de metgezellen. ʿAmr ibn al-Ḥārith (رضي الله عنه) overleed na het jaar 50 AH.

Omdat in deze hadith ook de Moeder der Mu’mins, Juwayriyyah bint al-Ḥārith (رضي الله عنها) (overleden in 56 AH / 676 CE), wordt genoemd, is het passend haar eveneens kort te leren kennen.

Onze moeder Juwayriyyah (رضي الله عنها) trouwde in het vijfde jaar na de hidjrah, op twintigjarige leeftijd, met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Naar aanleiding van dit huwelijk omarmde haar stam, Banū al-Muṣṭaliq, de Islām. Vóór haar bekering tot de Islām heette zij Barrah, wat “deugdzame vrouw” betekent. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) veranderde namen die een vorm van zelfverheffing of zelfverheerlijking konden uitdrukken. Daarom veranderde hij ook haar naam in Juwayriyyah, wat “jong meisje” betekent.

Juwayriyyah (رضي الله عنها) stond bekend om haar grote toewijding in de aanbidding van Allāh.

Zij heeft zeven hadiths van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) overgeleverd.)

400. Ḥadīth

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Fāṭimah (رضي الله عنها) ging na het overlijden van haar vader naar de khalīfah Abū Bakr (رضي الله عنه) en vroeg: “Wie zal uw erfgenaam zijn wanneer u overlijdt?”

Hij antwoordde: “Mijn echtgenote en mijn kinderen zullen mijn erfgenamen zijn.”

Daarop vroeg Fāṭimah (رضي الله عنها): “Waarom kan ik dan geen erfgenaam van mijn vader zijn?”

Toen gaf Abū Bakr (رضي الله عنه) het volgende antwoord: “Ik heb Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zelf horen zeggen: “Niemand kan ons erven. Wat wij achterlaten is ṣadaqah.”

Daarnaast zal ik degenen voor wie Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tijdens zijn leven de verantwoordelijkheid voor hun levensonderhoud droeg, ook na hem onderhouden. En degenen aan wie Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) levensonderhoud gaf, zal ik eveneens hun levensonderhoud geven.”

Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) naar het eeuwige leven terugkeerde, bleef van zijn familie alleen zijn geliefde dochter Fāṭimah (رضي الله عنها) over. Daarom leek zij zijn enige erfgenaam te zijn.

Fāṭimah (رضي الله عنها) had gehoord dat Abū Bakr (رضي الله عنه) zei: “De anbiyā laten geen erfenis na.” Het lijkt erop dat zij deze ḥadīth zelf niet had gehoord. Daarom ging zij naar de khalīfah en vroeg hem: “Wie zal jouw erfgenaam zijn wanneer jij overlijdt?”

Toen zij van hem het antwoord kreeg: “Mijn echtgenote en mijn kinderen zullen mijn erfgenamen zijn,” vroeg zij: “Waarom kan ik dan geen erfgenaam van mijn vader zijn?”

Daarop reciteerde Abū Bakr (رضي الله عنه) voor haar de volgende ḥadīth die hij persoonlijk van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had gehoord: “Wij, de anbiyā, laten geen erfenis na. Wat wij achterlaten is ṣadaqah (in de vorm van waqf).”

Laten wij nu de volgende vraag stellen: Wat begrijpen wij onder het bezit van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ?

Allereerst moeten wij het volgende vermelden: De bezittingen die moslims van niet-moslims verkregen, waren van twee soorten.

Het eerste wordt fayʾ genoemd. Fayʾ zijn inkomsten die zonder strijd van niet-moslims werden verkregen, zoals de jizyah, kharāj en handelsbelastingen. Allāh (تعالى) heeft deze bezittingen aan Zijn Rasûl geschonken. Alle Islāmitische geleerden zijn deze mening toegedaan.

Het tweede wordt ghanīmah genoemd. Ghanīmah is bezit dat door strijd van de vijand wordt verkregen. Een vijfde deel van de ghanīmah behoort toe aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم); de overige vier vijfde deel worden verdeeld onder de strijders die aan de strijd hebben deelgenomen.

Hoe gebruikte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de bezittingen die hij uit fayʾ en ghanīmah verkreeg?

Het antwoord hierop is: Rasûlallāh reserveerde uit deze bezittingen die Allāh (تعالى) hem had geschonken de jaarlijkse voedselvoorziening van zijn familie en gaf dit aan zijn echtgenotes. Wat daarna overbleef, gebruikte hij voor de jihād en soortgelijke diensten.

De zaken die Fāṭimah (رضي الله عنها) van Abū Bakr (رضي الله عنه) vroeg als “het bezit van mijn vader”, waren de dadelgaarden van Khaybar, Fadak en de omgeving van Madīnah.

Abū Bakr (رضي الله عنه) zei tegen Fāṭimah (رضي الله عنها) dat hij deze bezittingen op dezelfde manier zou gebruiken als Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ze tijdens zijn leven had gebruikt, en dat hij niets anders kon doen dan dat. Met andere woorden: hij zei dat hij uit deze bezittingen de jaarlijkse levensvoorziening van de Ummahāt al-Mu’minīn (onze moeders) zou verstrekken, de lonen van de arbeiders en degenen die deze bezittingen verzamelden zou betalen, en dat wat daarna overbleef ṣadaqah, dus waqf, zou zijn.

Daarmee herinnerde hij Fāṭimah (رضي الله عنها) eraan dat hij haar niets kon geven van de bezittingen die van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) waren overgebleven, en dat haar levensonderhoud door haar echtgenoot ʿAlī (رضي الله عنه) zou moeten worden voorzien.

Een van de aḥadīth, die aangeven dat anbiyā geen erfenis nalaten, luidt: “De anbiyā laten geen goud en zilver na als erfenis; zij laten alleen kennis na. Degene die deze erfenis ontvangt, heeft een overvloedig aandeel en een groot voordeel ontvangen.”

Men kan zich afvragen: waarom laten anbiyā geen erfenis na?

Het antwoord hierop kan als volgt worden gegeven: Als anbiyā erfenis zouden nalaten, zouden mensen kunnen denken dat de anbiyā gehecht waren aan het wereldse leven en dat zij bezit hadden vergaard en verzameld voor hun erfgenamen.

Het is vanuit het geloof uiterst gevaarlijk om te denken en te geloven dat anbiyā, die hun gemeenschappen adviseren zich niet aan het wereldse leven te hechten, zelf in strijd met deze adviezen zouden handelen.

Als anbiyā bezit zouden verzamelen voor hun erfgenamen, zouden andere mensen kunnen denken dat gehechtheid aan de wereld en het verzamelen van bezit iets natuurlijks is, en zich daarnaar kunnen gedragen.

Dit onderwerp zal ook in de andere aḥadīth van dit hoofdstuk worden behandeld.

401. Ḥadīth

Van Abū al-Bakhtarī (Saîd ibni Feyrûz et-Tâî) (رَحِمَهُ اللهُ): Eens kwamen ʿAbbās en ʿAlī (رضي الله عنهما) bij khalīfah ʿUmar (رضي الله عنه), terwijl zij met elkaar discussieerden en elkaar verwijten maakten door te zeggen: “Jij bent zus, jij bent zo.”

Toen ʿUmar (رضي الله عنه) zag dat de oom en de neef elkaar maar bleven verwijten maken, richtte hij zich tot de vooraanstaande ṣaḥābah die bij hem aanwezig waren: Ṭalḥah ibn ʿUbaydallāh, az-Zubayr ibn al-ʿAwwām, ʿAbd ar-Raḥmān ibn ʿAwf en Saʿd ibn Abī Waqqāṣ (رضي الله عنهم), en vroeg: “(Ik zweer) bij Allāh, zeg mij: hebben jullie Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) niet horen zeggen: “Het gehele bezit van iedere nabī, behalve datgene wat hij aan zijn familie als levensonderhoud heeft gegeven, is waqf. Wij, de anbiyā, laten geen erfenis na?”

Dit gedeelte van de ḥadīth maakt deel uit van een langere overlevering.

402.Ḥadīth

Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wij, de anbiyā, laten geen erfgenamen na; wat wij achterlaten is waqf.”

De reden waarom ʿĀʾishah (رضي الله عنها) deze ḥadīth heeft overgeleverd, is als volgt:

Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overleed, kwamen de moeders van de mu’mins bijeen. Zij overwogen ʿUthmān (رضي الله عنه) naar khalīfah Abū Bakr (رضي الله عنه) te sturen om via hem aanspraak te maken op de erfenis waarvan zij meenden dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) die aan hen had nagelaten.

Op dat moment kwam ʿĀʾishah (رضي الله عنها) tussenbeide en toonde opnieuw haar diepgaande kennis van de ḥadīth. Zij herinnerde de Ummahāt al-Mu’minīn aan de ḥadīth die wij uitleggen en zei: “Heeft de Rasûlallāh (صلى الله عليه وسلم) niet gezegd: “Wij, de anbiyā, laten geen erfgenamen na; wat wij achterlaten is waqf?”

Daarmee maakte zij aan de andere echtgenotes van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) duidelijk dat zij geen recht hadden om een dergelijk verzoek te doen.

De conclusies die uit deze ḥadīth worden getrokken, zullen in de volgende ḥadīth worden vermeld.

403.Ḥadīth

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlallāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer ik overlijd, zullen mijn erfgenamen geen goud en zilver verdelen. Nadat uit hetgeen ik achterlaat de levensvoorziening van mijn echtgenotes en het levensonderhoud van mijn khalīfah is betaald, is alles wat overblijft waqf.”

Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) overleed, liet hij geen bezit na dat verdeeld kon worden. Daarom liet hij ook geen erfgenamen na die een erfenis konden verdelen. Met de ḥadīth die wij zojuist hebben gelezen: “Wanneer ik overlijd, zullen mijn erfgenamen geen goud en zilver verdelen,” heeft hij deze waarheid eveneens duidelijk gemaakt.

Tijdens zijn leven voorzag an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in het levensonderhoud van zijn echtgenotes door middel van de dadelgaarden die Allāh (تعالى) hem had toegewezen. Na zijn overlijden hebben zijn khalīfahs op dezelfde wijze voor het levensonderhoud van de echtgenotes van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gezorgd. De moeders van de mu’mins hebben zolang zij leefden voordeel gehad van deze dadelgaarden. Na hun overlijden kwamen deze dadelgaarden toe aan de staatskas.

In onze ḥadīth komt na de uitdrukking “de levensvoorziening van mijn echtgenotes” ook de uitdrukking “wa muʾnat ʿāmilī” voor. Wij hebben deze uitdrukking vertaald als “het levensonderhoud van mijn khalīfah”. Want het is duidelijk dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) met deze woorden de khalīfahs na hem bedoelde. Daarom werd ook het levensonderhoud van de khalīfahs uit de bayt al-māl, oftewel de staatskas, voorzien.

Sommigen hebben het woord “ʿāmil” dat in de ḥadīth voorkomt opgevat als “degene die werkzaam is bij en het beheer voert over de dadelgaarden die door an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) als waqf waren bestemd, of een functionaris die de zakāh int”, maar de meerderheid van de geleerden heeft gezegd dat de meest passende betekenis van deze uitdrukking de khalīfahs na hem zijn.

De eerste twee khalīfahs voorzagen op deze manier in hun levensonderhoud. Maar omdat ʿUthmān (رضي الله عنه) vermogend was, maakte hij geen gebruik van de inkomsten van deze gronden.

404.Ḥadīth

Van Mālik ibn Aws ibn Ḥadathān (رَحِمَهُ اللهُ): Ik was bij khalīfah ʿUmar (رضي الله عنه) binnengegaan. Vervolgens kwamen ʿAbd ar-Raḥmān ibn ʿAwf, Ṭalḥah ibn ʿUbayd Allāh en Saʿd ibn Abī Waqqāṣ (رضي الله عنهم) bij hem. Daarna kwamen ook ʿAlī en ʿAbbās (رضي الله عنهما) naar dezelfde bijeenkomst, terwijl zij met elkaar discussieerden.

Toen ʿUmar (رضي الله عنه) hun discussie hoorde, richtte hij zich tot de ṣaḥābah die aanwezig waren en zei: “Ik vraag jullie bij Allāh, bij Wiens toestemming de hemel en de aarde standhouden: weten jullie dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Wij, de anbiyā, hebben niemand die ons erft; alles wat wij achterlaten is waqf”?”

Zij antwoordden: “Ja, bij Allāh, ook wij weten dat zo.”

Dit gedeelte van de ḥadīth maakt deel uit van een langere overlevering.

Wij zullen nu de 401e en 404e aḥadīth gezamenlijk uitleggen. Imām at-Tirmidhī heeft aan het einde van beide aḥadīth vermeld dat deze aḥadīth “een gedeelte van een langere overlevering” zijn.

Aan de hand van die langere overlevering die voorkomt in Ṣaḥīḥ al-Bukhārī en Ṣaḥīḥ Muslim zullen wij proberen deze aḥadīth uit te leggen.

De tābiʿī-geleerde Mālik ibn Aws ibn Ḥadathān (رَحِمَهُ اللهُ), die deze ḥadīth heeft overgeleverd, was iemand die zeer dicht bij ʿUmar (رضي الله عنه) stond en zijn duʿāʾ had ontvangen.

Op een dag stuurde ʿUmar (رضي الله عنه) iemand naar hem met het verzoek zich naar hem te begeven. Op dat moment vertelde de deurwachter van de khalīfah aan ʿUmar (رضي الله عنه) dat er vier ṣaḥābah waren gekomen. Dit waren ʿAbd ar-Raḥmān ibn ʿAwf, az-Zubayr ibn al-ʿAwwām, Ṭalḥah ibn ʿUbayd Allāh en Saʿd ibn Abī Waqqāṣ (رضي الله عنهم), vier van de tien personen die bekendstaan als de ʿAsharah al-Mubashsharah, de tien aan wie Jannah was beloofd.

Toen zij naar binnen waren gegaan, kwam de deurwachter opnieuw. Deze keer vertelde hij dat ʿAlī en zijn oom ʿAbbās (رضي الله عنهما) waren gekomen. Op bevel van ʿUmar (رضي الله عنه) liet hij ook hen binnen.

ʿAlī en zijn oom ʿAbbās (رضي الله عنهما) waren met elkaar in discussie.

Het onderwerp van de discussie was de erfenis waarvan ʿAbbās (رضي الله عنه) beweerde dat deze hem van zijn neef Rasûlallāh (صلى الله عليه وسلم) toekwam. ʿAlī (رضي الله عنه) vroeg eveneens om de erfenis, omdat hij van mening was dat deze via zijn echtgenote Fāṭimah (رضي الله عنها) aan hem toekwam.

Met “de erfenis” werd het beheer bedoeld over de gronden die afkomstig waren van de Banū Naḍīr, de joden. Zowel de oom als de neef beweerden dat hij degene was die het meest recht had om deze gronden te beheren. Zij vroegen ʿUmar (رضي الله عنه) om uitspraak te doen over deze kwestie.

De vier vooraanstaande ṣaḥābah wilden eveneens dat hij uitspraak zou doen en zeiden:

“Ja, o amīr al-mu’minīn! Doe uitspraak tussen hen, zodat zij rust zullen vinden!”

Nadat ʿUmar (رضي الله عنه) tegen zijn oom en neef had gezegd: “Wacht even,” richtte hij zich tot de vier bekende ṣaḥābah en liet hij hen eerst, zoals in onze ḥadīth vermeld, een eed afleggen.

Daarna vroeg hij hen of zij hadden gehoord dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had gezegd:

“Wij, de anbiyā, laten geen erfenis na. Niemand erft van ons. Alles wat wij achterlaten, behalve datgene wat wij aan onze familie als levensonderhoud hebben gegeven, is waqf; alles is ṣadaqah.”

Zij antwoordden dat zij deze ḥadīth op dezelfde manier kenden. Zij zeiden:

“An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gebruikte van zijn eigen bezit voor het levensonderhoud van zijn familie. Wat daarna overbleef, gaf hij aan de armen en besteedde hij op weg van Allāh.”

Daarna richtte ʿUmar (رضي الله عنه) zich tot ʿAbbās en ʿAlī (رضي الله عنهما) en liet ook hen op dezelfde wijze een eed afleggen. Hij vroeg hun eveneens of zij de ḥadīth van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kenden: “Wij, de anbiyā, laten geen erfenis na. Niemand erft van ons.”

Beiden antwoordden dat zij deze kenden.

ʿUmar (رضي الله عنه) vervolgde zijn gesprek en herinnerde eraan dat Allāh (تعالى) aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) een bijzondere eigenschap had geschonken die Hij aan niemand anders had gegeven. Hij had namelijk de bezittingen die zonder strijd van niet-moslims waren verkregen (fayʾ) uitsluitend aan hem toegewezen.

Hij zei dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de inkomsten van deze landerijen onder zijn familie verdeelde, hun jaarlijkse levensonderhoud ervan afnam en wat overbleef in de staatskas (bayt al-māl) ging om aan de behoeften van de moslims te besteden.

Daarna liet hij ʿAbbās en ʿAlī (رضي الله عنهما) opnieuw een eed afleggen en vroeg hij of deze zaak inderdaad zo was. Zij antwoordden dat dit precies zo was.

ʿUmar (رضي الله عنه) richtte zich tot deze twee geëerde personen, die oom en neef waren, en vervolgde zijn gesprek. Hij zei dat zij beiden ook naar Abū Bakr (رضي الله عنه) waren gekomen toen hij khalīfah was geworden en van hem de erfenis van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hadden opgeeist.

Abū Bakr (رضي الله عنه) had hun de ḥadīth herinnerd: “Niemand erft van ons; wat wij achterlaten is ṣadaqah.”

Maar hij zei ook dat zij de uitspraak van Abū Bakr (رضي الله عنه) niet hadden aanvaard.

Na het overlijden van Abū Bakr (رضي الله عنه) had hij zelf het bestuur overgenomen. Toen waren zij opnieuw naar hem gekomen. Hij besloot zijn woorden als volgt:

“Jullie vragen om de erfenis van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).

Het eigendomsrecht van deze bezittingen kan aan niemand worden gegeven, maar ik kan jullie wel het recht geven om deze bezittingen te gebruiken. Jullie moeten mij dan beloven dat jullie deze bezittingen op dezelfde manier zullen gebruiken als de Rasûlallāh (صلى الله عليه وسلم) ze gebruikte.”

ʿAbbās en ʿAlī (رضي الله عنهما) aanvaardden de voorwaarde die hij stelde. Daarop gaf ʿUmar (رضي الله عنه) hun het gebruiksrecht van deze landerijen.

De overleveraar van onze ḥadīth, Mālik ibn Aws, vermeldt ook de volgende informatie die hij van ʿUmar (رضي الله عنه) heeft overgeleverd: “Er waren drie landerijen die uitsluitend aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) toebehoorden.”

Eén daarvan waren de landerijen van de joden van Banū Naḍīr, die in het 4e jaar na de hijrah (625) uit Madīnah waren verdreven nadat bekend was geworden dat zij voorbereidingen troffen om tegen de moslims te strijden. Deze landerijen werden zonder strijd verkregen (fayʾ-gronden). Allāh (تعالى) wees deze landerijen uitsluitend toe aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), waardoor de landerijen van de joden van Banū Naḍīr zijn bezit werden. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) reserveerde uit de inkomsten van deze landerijen de jaarlijkse levensvoorziening van zijn familie. Wat daarna overbleef besteedde hij aan de behoeften van de arme Muhājirūn en gebruikte hij voor de strijd op weg van Allāh en soortgelijke diensten.

De tweede waren de landerijen die eveneens zonder strijd waren verkregen van de joden van Khaybar. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) besteedde een derde van de inkomsten van Khaybar aan zijn familie en twee derde aan de behoeften van de moslims.

De derde was de opbrengst van de landerijen die verkregen waren van de joden van Fadak. Ook deze had hij bestemd voor reizigers die onderweg waren gestrand.

405. Ḥadīth

Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): “Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overleed, liet hij geen goud na en geen zilver. Hij liet geen schaap na en geen kameel.”

De overleveraar van de ḥadīth, Zir ibn Ḥubaysh, zei: “Ik twijfel eraan of ʿĀʾishah heeft gezegd: “Hij liet geen slaaf na en geen slavin.”

In onze ḥadīth wordt vermeld dat Rasûlallāh (صلى الله عليه وسلم) na zijn overlijden geen enkele erfenis naliet aan zijn familieleden. Met de woorden in de ḥadīth: “Hij liet geen goud na en geen zilver. Hij liet geen schaap na en geen kameel,” wordt bedoeld dat hij aan zijn familie en naaste verwanten niets in de vorm van geld of bezit naliet.

Dit betekent echter niet dat de Rasûlallāh (صلى الله عليه وسلم) helemaal geen dieren naliet. Hij liet namelijk enkele dieren, zoals kamelen, schapen en geiten, achter zodat de arme moslims van Ahl aṣ-Ṣuffah ervan konden profiteren.

Het is eveneens een feit dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), na zijn overlijden geen slaaf of slavin achterliet. Vanaf de periode in Makkah had hij slaven en dienaren gehad, maar hij had hen allemaal al tijdens zijn leven vrijgelaten.

Een deel van de slaven en slavinnen die hij had vrijgelaten, overleed vóór het vertrek van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) naar het Hiernamaals; de meesten overleden in de jaren daarna.

Wat hiermee wordt bedoeld, is dat er na het overlijden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) geen slaaf of slavin achterliet die nog niet was vrijgelaten.

Aan het einde van onze ḥadīth vermeldt Imām at-Tirmidhī dat de overleveraar Zir ibn Ḥubaysh twijfelde of ʿĀʾishah (رضي الله عنها) had gezegd: “Hij liet geen slaaf en geen dienaar na.” Maar zoals wij ook in de uitleg van de 399e ḥadīth hebben vermeld, heeft ʿAmr ibn al-Ḥārith (رضي الله عنه) duidelijk gemaakt dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) geen slaaf of slavin naliet: “Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overleed, liet hij behalve zijn witte muildier waarop hij reed, zijn wapen dat hij gebruikte en het land dat hij voor reizigers als waqf had bestemd, geen goud, geen zilver, geen slaaf, geen slavin en niets anders na.”

In de overlevering van onze ḥadīth in Ṣaḥīḥ Muslim en Sunan Abī Dāwūd, waarvan wij hierboven de bron hebben vermeld, staat ook de toevoeging: “Hij heeft ook niets nagelaten in de vorm van een testament.” Hiermee wordt bedoeld dat hij niemand iets van materiële zaken als testament heeft nagelaten.

Uit deze uitspraak kan ook niet worden afgeleid, zoals de Shīʿah beweren, dat hij zou hebben bepaald dat ʿAlī (رضي الله عنه) na hem khalīfah zou worden.

Tijdens zijn laatste ziekte heeft de Rasûlallāh (صلى الله عليه وسلم) zijn ummah wel over bepaalde zaken geadviseerd. Maar deze adviezen hadden betrekking op zijn geestelijke, niet op zijn materiële nalatenschap. Hij heeft namelijk zijn ummah opgedragen zich vast te houden aan het Boek van Allāh, de Edele Qur’ān, aan zijn Sunnah en aan zijn Ahl al-Bayt, en zorg voor hen te dragen.

56.HOOFDSTUK: HET ZIEN VAN RASÛLULLĀH (صلى الله عليه وسلم) IN EEN DROOM

406.Ḥadīth

Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie mij in zijn droom ziet, heeft mij werkelijk gezien. Want de shayṭān kan mijn gedaante niet aannemen.”

407.Ḥadīth

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie mij in zijn droom ziet, heeft mij werkelijk gezien. Want de shayṭān kan mijn gedaante niet aannemen.”

Of hij zei: “Hij kan geen gedaante aannemen die op mij lijkt.”

408.Ḥadīth

Van Ṭāriq ibn Ashyam (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم zei: “Wie mij in zijn droom ziet, heeft mij werkelijk gezien.”

………………..

409.Ḥadīth

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie mij in zijn droom ziet, heeft mij werkelijk gezien. Want de shayṭān kan mijn gedaante niet aannemen.”

De overleveraar van de ḥadīth, ʿĀṣim ibn Kulayb, vertelde dat zijn vader Kulayb ibn Shihāb tegen hem zei: “Ik vertelde deze ḥadīth aan ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) en zei tegen hem: “Ik heb an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in mijn droom gezien.”

Ik vertelde hem ook dat hij op zijn kleinzoon Ḥasan (رضي الله عنهما) leek.

Daarop zei ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) tegen mij: “Ḥasan leek inderdaad veel op Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).””

Imām at-Tirmidhī heeft in de voorgaande hoofdstukken van zijn boek de aḥadīth vermeld over het uiterlijke voorkomen en de verheven karaktereigenschappen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Hij wilde zijn werk afsluiten met aḥadīth over het zien van hem in een droom.

Op deze manier kan iemand die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in zijn droom ziet, aan de hand van de eerder gegeven informatie over zijn gedaante en uiterlijk beoordelen of degene die hij in zijn droom heeft gezien werkelijk an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) informeert ons hier over een waarheid met betrekking tot de shayṭān.

Deze waarheid is dat de shayṭān wel de gedaante kan aannemen van degene wiens vorm hij wil nabootsen, maar dat hij nooit de ware gedaante van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kan aannemen, omdat hij daartoe niet in staat is.

Het betekent dat Allāhu (تعالى), zoals Hij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tijdens zijn leven beschermde tegen het kwaad, de misleiding, de influisteringen en elke invloed van de shayṭān, hem ook na zijn overlijden onder Zijn bescherming houdt. Daarom zal de shayṭān nooit de gedaante van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kunnen aannemen. Wie als mu’min de eer ontvangt om de mooiste der mensen in zijn droom te zien, heeft hem daadwerkelijk in zijn ware gedaante gezien. Deze gelukzaligheid is een bijzondere gunst van Allāh (تعالى) aan die mu’mins.

Een ander punt dat men moet weten, is dat degenen die Rasûlallāh (صلى الله عليه وسلم) in hun droom zien, hem zullen zien overeenkomstig hun eigen geestelijke toestand en rang, net zoals iemand die in een spiegel kijkt zichzelf ziet zoals hij werkelijk is.

Zoals iemand met een blanke huidskleur zichzelf als blank in de spiegel ziet en iemand met een donkere huidskleur zichzelf ziet zoals hij werkelijk is, zo weerspiegelt ook het zien van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in een droom de geestelijke toestand van de dromer.

Wie Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in een droom glimlachend ziet, mag hopen dat hij zijn Sunnah volgt. Wie hem daarentegen boos ziet, kan daarin een aanwijzing zien dat hij tekortschiet in het naleven van zijn Sunnah. En wie hem anders ziet dan in zijn ware gedaante, kan daaruit afleiden dat zijn navolging van de Sunnah onvolledig is.

Reeds in de eerste ḥadīth van dit boek hebben wij gelezen dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een zwarte baard had. Ziet iemand hem in een droom bijvoorbeeld met een blonde baard, dan kan degene die hij heeft gezien niet Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn.

Ook hebben wij in de eerste vijf aḥādīth gelezen dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) van gemiddelde lengte was, neigend naar lang.

Ziet iemand hem daarentegen als klein van gestalte, dan is ook dat niet de ware gedaante van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).

In de overlevering van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), zoals deze voorkomt in Ṣaḥīḥ al-Bukhārī en Ṣaḥīḥ Muslim, staat de volgende blijde tijding: “Wie mij in zijn droom ziet, zal mij ook wakker zien. Want de shayṭān kan mijn gedaante niet aannemen.”

Voor degene die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in een droom ziet, zijn er twee blijde tijdingen. De eerste is dat wij, hoewel wij niet de mogelijkheid hebben gehad Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tijdens zijn aardse leven te zien, hem in het Hiernamaals levend zullen zien als wij hem in onze droom hebben gezien.

De tweede blijde tijding is dat degene die deze eer te beurt valt, als moslim zal overlijden.

Onze ḥadīth is eveneens overgeleverd door Abū Saʿīd al-Khudrī en Abū Qatādah (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie mij in zijn droom ziet, heeft mij werkelijk gezien.”

De uitspraak “Hij heeft mij gezien” betekent niet dat hij zijn fysieke lichaam heeft gezien. Want de uitdrukking “Hij heeft mij gezien” is een vergelijking en een beeldspraak; het betekent: “Hij heeft mij gezien zoals ik werkelijk ben.”

De shayṭān kan zich aan iemand in een droom voordoen en beweren dat hij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) is. Omdat de shayṭān echter nooit de gedaante van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kan aannemen, kan de mu’min die deze droom ziet, door de ware uiterlijke kenmerken van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) te kennen, begrijpen dat deze verschijning niet waarachtig is en dat het een misleiding van de shayṭān is.

Uit de 409e ḥadīth leren wij dat de tābiʿī-muḥaddith Kulayb ibn Shihāb an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in zijn droom had gezien en vertelde hem ook dat hij op zijn kleinzoon Ḥasan (رضي الله عنهما) leek.

Vervolgens vertelde hij deze waarneming aan ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما). Ibn ʿAbbās, die Ḥasan (رضي الله عنه) zeer goed kende, bevestigde dat de droom die hij had gezien werkelijk was door te zeggen: “Ḥasan leek inderdaad veel op Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).”

Volgens de overlevering van ʿAlī (رضي الله عنه) leek het bovenste deel van het lichaam van zijn zoon Ḥasan (رضي الله عنه), vanaf de borst naar boven, op Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), terwijl het onderste deel van het lichaam van Ḥusayn (رضي الله عنه), vanaf de borst naar beneden, op hem leek.

Het feit dat Kulayb ibn Shihāb, de tābiʿī-muḥaddith en overleveraar van de 409e ḥadīth, aan Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) vertelde dat hij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in zijn droom had gezien, toont aan dat iemand die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in zijn droom ziet, dit aan anderen mag vertellen.

Welke droom moet men aan wie vertellen en welke niet? Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf het volgende antwoord op deze vraag: “Een goede droom komt van Allāh. Wanneer iemand van jullie een droom ziet die hem bevalt, laat hem deze droom dan alleen vertellen aan iemand van wie hij houdt. Wanneer hij een droom ziet die hem niet bevalt, laat hem dan bescherming zoeken bij Allāh tegen het kwaad van die droom en tegen het kwaad van de shayṭān. Laat hem drie keer (doen alsof hij naar zijn linkerzijde) spugen. En laat hem zijn droom aan niemand vertellen. Als hij hem niet vertelt, zal die slechte droom hem geen schade berokkenen.”

Volgens wat wij eveneens uit de aḥadīth leren, moet degene die een mooie droom ziet eerst Allāh prijzen. Hij moet zijn droom alleen vertellen aan een vriend of aan mensen die van hem houden. Want degenen die van hem houden, zullen de droom niet op een slechte manier uitleggen.

Mensen die niet van hem houden, kunnen de droom door bijvoorbeeld jaloezie op een negatieve manier uitleggen.

Een droom komt uit zoals deze wordt uitgelegd. Daarom kan ook een slechte uitleg schade veroorzaken aan degene die de droom heeft gezien.

Degene die een droom ziet die hem niet bevalt, moet deze aan niemand vertellen, zelfs niet aan een goede vriend. Want een slechte droom verheugt de shayṭān, en hij geeft degene die de droom heeft gezien influisteringen waardoor deze persoon onrustig wordt.

Daarom moet degene die een slechte droom heeft gezien, bij het wakker worden de istiʿādhah en de basmalah uitspreken en zo bescherming zoeken bij Allāh tegen zowel het kwaad van de slechte droom als het kwaad van de shayṭān. Daarna moet hij, om de shayṭān te vernederen en zijn kwaad af te weren, drie keer droog naar zijn linkerzijde spugen met het geluid “tu tu tu” en zich omdraaien naar de andere zijde waarop hij lag.

410 en 411.Ḥadīth

De tābiʿī Yazīd al-Fārisī (رَحِمَهُ اللهُ), die bekendstond om het schrijven van de Muṣḥaf, zei: Toen ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) nog leefde, zag ik Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in mijn droom. Ik vertelde dit aan Ibn ʿAbbās.

Ibn ʿAbbās zei: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Wie mij in zijn slaap ziet, heeft mij werkelijk gezien. Want de shayṭān kan beslist niet mijn gedaante aannemen.”

Kun jij mij de persoon die je in je droom hebt gezien beschrijven?”

Daarop zei ik: “Ja, ik kan hem beschrijven.”

Vervolgens zei ik: “De persoon die ik zag, was niet lang en ook niet kort. Zijn lichaam was niet dik en ook niet mager; hij had een gemiddelde lichaamsbouw. Zijn huidskleur was lichtbruin. Zijn ogen leken door de schepping van Allāh met kohl omlijnd en hij had een glimlachend gezicht. Zijn gezicht was zeer mooi en hij was zeer knap. Hij had een volle baard die zijn borst bedekte.”

ʿAwf ibn Abī Jamīlah, die deze ḥadīth van Yazīd al-Fārisī hoorde en overleverde, zei:

“Toen Yazīd al-Fārisī de persoon beschreef die hij in zijn droom had gezien, vertelde hij nog veel meer zaken, maar ik herinner mij deze niet allemaal.”

Toen Ibn ʿAbbās de droom van Yazīd al-Fārisī had gehoord, zei hij tegen hem: “Als jij de eer zou hebben gehad om Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tijdens zijn leven te zien, dan zou je hem niet mooier kunnen beschrijven dan dit.”

…………………………………….

Uitleg bij de hadith

Yazīd al-Fārisī zag an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in zijn droom en vertelde dit aan ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما).

Nadat Ibn ʿAbbās naar hem had geluisterd, zei hij: “Als jij de eer zou hebben gehad om Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) te zien, dan zou je hem niet mooier kunnen beschrijven dan dit.”

Met deze woorden bedoelde hij: “Zo is het wanneer men an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in een droom ziet; jij hebt Rasûlallāh (صلى الله عليه وسلم) zo mooi beschreven alsof je hem tijdens zijn leven werkelijk had gezien.”

Uit het feit dat Yazīd al-Fārisī an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in zijn droom op zo’n realistische manier heeft gezien, kan ook worden begrepen dat hij volgens de Sunnah leefde.

412. Ḥadīth

Van Abū Qatādah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie mij (in zijn slaap) ziet, heeft mij werkelijk gezien.”

In alle aḥadīth vanaf de 407e ḥadīth tot hier wordt het volgende punt benadrukt:

Degene die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in zijn droom ziet, ziet niet iemand anders, maar werkelijk Rasûlallāh (صلى الله عليه وسلم) zelf. Want de shayṭān kan beslist niet zijn gedaante aannemen; Allāh (تعالى) staat dit namelijk niet toe.

Onze geleerden hebben deze ḥadīth altijd op deze manier begrepen.

De uitdrukking (fa qad ra’a’l ḥaq) die in de ḥadīth die wij nu uitleggen voorkomt, hebben wij vertaald als: “Hij heeft mij werkelijk gezien.”

Sommige geleerden hebben, gebaseerd op het woord “ḥaq” in deze zin, gezegd dat degene die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in zijn droom ziet, zal sterven met īmān en daarom in het Hiernamaals ook “Allāh (تعالى)” (al-Ḥaq) zal zien.

Degene die de Rasûlallāh (صلى الله عليه وسلم) in zijn droom ziet, zal hem ook in het Hiernamaals zien. Want uit de meest authentieke aḥadīth leren wij dat de mu’mins in Jannah Allāh (تعالى) duidelijk zullen aanschouwen.

De geleerden die de uitspraak: “Wie mij in zijn droom ziet, heeft mij werkelijk gezien.”

ruimer hebben geïnterpreteerd, hebben hieruit afgeleid dat iemand die in zijn droom een an-Nabī ziet, hem werkelijk heeft gezien, zelfs als degene die hij zag niet in ieder opzicht volledig overeenkomt met de gedaante van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).

413. Ḥadīth

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie mij in zijn droom ziet, heeft mij werkelijk gezien. Want de shayṭān verschijnt aan niemand terwijl hij mijn gedaante heeft aangenomen.”

Ook zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “De droom van de mu’min behoort tot één zesenveertigste deel van het profeetschap.”

In onze ḥadīth worden twee onderwerpen behandeld.

Het eerste onderwerp is de waarheid dat iemand die Rasûlallāh (صلى الله عليه وسلم) in een droom ziet, hem werkelijk heeft gezien, en dat de shayṭān de gedaante van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) niet kan aannemen. Omdat dit onderwerp vanaf het begin van dit hoofdstuk steeds is behandeld, zullen wij hier niet opnieuw op ingaan.

Het tweede onderwerp betreft de droom van een ṣāliḥ (rechtschapen) mu’min.

De ṣāliḥ (waarheidsgetrouwe) droom die een ṣāliḥ mu’min ziet, bevat betrouwbare kennis ter waarde van één zesenveertigste deel van het profeetschap. Dit heeft Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) overgeleverd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).

Over hetzelfde onderwerp bestaat ook een overlevering van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما), waarin staat: “Een ṣāliḥ (waarheidsgetrouwe) droom behoort tot één van de zeventigste delen van het profeetschap.”

In de ḥadīth die wij uitleggen, werd vermeld dat “de droom van een ṣāliḥ mu’min” één zesenveertigste deel van het profeetschap is.

In de overlevering van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما) wordt vermeld dat het één zeventigste deel is.

Volgens de overlevering van ʿAbbās (رضي الله عنهما) is de droom van een mu’min één vijftigste deel van het profeetschap.

In andere overleveringen worden ook getallen genoemd zoals zesenzeventig, vijftig, vierenveertig, veertig, zesentwintig en vierentwintig.

Deze verschillende getallen tonen aan dat de kennis die in dromen wordt gegeven, verschilt afhankelijk van de toestand en de geestelijke gesteldheid van degene die de droom ziet.

Zonder twijfel zien de anbiyāʾ de meest ṣāliḥ dromen.

De meest betrouwbare overlevering over dit onderwerp is de ḥadīth waarin wordt vermeld dat de droom van een ṣāliḥ mu’min “één zesenveertigste deel” van het profeetschap is.

Sommigen hebben de kwestie van “één zesenveertigste” als volgt uitgelegd: De periode van het profeetschap duurde drieëntwintig jaar. Gedurende de eerste zes maanden van het profeetschap daalde er geen openbaring neer. Allāh (تعالى) liet Zijn Rasûl (صلى الله عليه وسلم) de zaken die Hij hem wilde bekendmaken zien in de vorm van ṣāliḥ dromen.

Deze periode van zes maanden waarin dromen plaatsvonden, komt overeen met één zesenveertigste van de totale periode van het profeetschap.

Er zijn ook geleerden geweest die deze uitleg hebben tegengesproken. Volgens hen bezit niet iedere droom die een ṣāliḥ mu’min ziet deze eigenschap. Want ook een ṣāliḥ mu’min kan verwarde dromen zien. Maar zelfs als dat zo is, zal de shayṭān minder invloed op een ṣāliḥ mu’min hebben. Daarom weerspiegelen de dromen die hij ziet meestal de werkelijkheid.

Aan de andere kant kan ook een mu’min die niet tot de ṣāliḥīn behoort, soms een goede dromen zien. Zo kan Allāh (تعالى) hem de weg naar het goede en het juiste tonen.

Vanuit dit oogpunt is het passend om onze ḥadīth als volgt te begrijpen: “De droom van een ṣāliḥ mu’min is doorgaans één zesenveertigste deel van de kennis van het profeetschap.”

Dit houdt in dat zoals Allāh (تعالى) Zijn anbiyāʾ kennis van het onwaarneembare (ghayb) schenkt, Hij uit Zijn barmhartigheid ook aan een ṣāliḥ mu'min via een droom bepaalde kennis kan geven die hij langs geen enkele andere weg zou kunnen verkrijgen. Daarom worden aan de ṣāliḥ mu’min ṣāliḥe dromen geschonken. Op deze wijze ontvangt hij verkwikkende druppels uit de bron van het profeetschap.

De dromen van sommige mu’mins komen sterker overeen met de werkelijkheid, terwijl de dromen van anderen de werkelijkheid in mindere mate weerspiegelen.

“Jullie meest waarheidsgetrouwe dromen worden gezien door degenen onder jullie die het meest waarheidsgetrouw spreken.” Deze ḥadīth toont aan dat men waarheidsgetrouw moet zijn om dromen te kunnen zien die overeenkomen met de werkelijkheid.

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Rasûlallāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De zending (risālah) en het profeetschap (nubuwwah) zijn volledig beëindigd. Na mij zal er geen rasūl en geen nabī meer komen.”

Toen de ṣaḥābah deze woorden hoorden, werden zij zeer verdrietig. Het viel hun zwaar dat zij verstoken zouden blijven van de nabī en de kennis van het profeetschap.

Om de ṣaḥābah te troosten zei Rasûlallāh (صلى الله عليه وسلم): “Maar er zijn nog mubashshirāt.”

Daarop vroegen de ṣaḥābah vol nieuwsgierigheid: “Wat zijn mubashshirāt, o Rasûlallāh?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “De mubashshirāt zijn de ṣāliḥ dromen die een mu’min ziet of die aan hem worden getoond.

De droom van een mu’min is één zesenveertigste deel van het profeetschap.”

Dit wordt ook bevestigd door een andere uitspraak van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “De mubashshirāt zijn ṣāliḥ dromen.”

Allāh (تعالى) schenkt Zijn ṣāliḥ dienaar blijde tijdingen door hem ṣāliḥ dromen te laten zien. Daarmee verlicht Hij zijn hart en soms waarschuwt hem op deze manier.

Wanneer dit het geval is, hoeft een mu’min zich geen zorgen te maken over verdrietige of angstaanjagende dromen die hij ziet. Allāh (تعالى) kan Zijn dienaar namelijk ook door middel van een angstaanjagende droom waarschuwen.

Degene die begrijpt dat deze droom een waarschuwing bevat en vervolgens zijn gedrag verbetert, wordt beschermd tegen het vervallen in fouten.

414.Ḥadīth

Abdullah ibni”l-Mubārak (رَحِمَهُ اللهُ) zei: Wanneer jou de beproeving overkomt dat je rechter wordt, houd je dan vast aan de overleveringen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en aan de uitspraken van de ṣaḥābah رضي الله عنهم en vel dan je oordelen volgens deze.”

Uitleg bij de overlevering

Abdullah ibni”l-Mubārak (رَحِمَهُ اللهُ) adviseert degenen die, ook al is het tegen hun wil, de positie van rechter bekleden, om zich vast te houden aan de overleveringen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en de uitspraken van de ṣaḥābah رضي الله عنهم en volgens deze te oordelen. Hij wil voorkomen dat zij fouten maken door te oordelen op basis van hun persoonlijke opvattingen, oftewel hun eigen mening.

Het rechterschap is een zeer moeilijke taak. Het is een ambt dat uiterste nauwkeurigheid en voorzichtigheid vereist bij het vellen van oordelen tussen mensen. Daarom hebben beroemde en vrome geleerden zoals Imām Abû Ḥanīfa en Aḥmad ibni Ḥanbal geweigerd de hun aangeboden functie van rechter te aanvaarden. Zij waren zelfs bereid om hiervoor lange tijd gevangenschap, mishandeling en beledigingen te verdragen.

Abdullah ibni”l-Mubārak adviseert degenen die, ook al is het tegen hun wil, genoodzaakt zijn om tussen mensen te oordelen, om te oordelen volgens de “athar” (overgeleverde teksten).

Met “athar” worden zowel de overleveringen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en de oordelen die hij onder de mensen heeft gegeven bedoeld, alsook de uitspraken, handelingen en oordelen van de ashāb met name de Hulefā-i Rāshidīn: de rechtgeleide kaliefen die het juiste pad hebben gevolgd en zich stevig aan de waarheid hebben vastgehouden.

De rechtgeleide kaliefen zijn Abû Bakr ,ʿUmar, ʿUthmān en ʿAlī رضي الله عنهم. Zij behoren tot de meest geleerde ṣaḥābah. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft ons opgedragen hen te volgen en hun weg te bewandelen.

Eigenlijk herinnert Ibnu’l-Mubārak met deze waarschuwing aan de rechters aan de zeer belangrijke waarschuwing die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tot alle mu’mins heeft gericht. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tegen zijn ummah: “Ik raad jullie aan om je vast te houden aan mijn Sunnah en aan de Sunnah van de rechtgeleide kaliefen, alsof jullie je eraan vastklampen met jullie achterste kiezen.”

In het eerste deel van deze ḥadīth, vertelt an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wat men moet doen wanneer er onder de moslims meningsverschillen ontstaan en iedereen verschillende opvattingen begint te volgen.

an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) legt in het eerste gedeelte van deze ḥadīth, dat wij hier niet hebben opgenomen, uit wat men moet doen wanneer er onder de mu’mins meningsverschillen ontstaan en iedereen verschillende opvattingen begint te krijgen.

In zulke tijden van fitnah adviseert hij dat de Ummah van Muḥammad niet verdeeld en uiteengevallen raakt door zich stevig vast te houden aan zijn eigen Sunnah en die van zijn rechtgeleide khalīfahs; dat wil zeggen: aan hun overtuigingen, opvattingen en levenswijze. Hij beveelt aan om te geloven zoals zij geloofden en te leven zoals zij leefden.

Hij maakt duidelijk dat de mu’mins alleen op deze manier gered kunnen worden van verdeeldheid en geschillen.

“De ware godsdienst is de godsdienst die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gebracht en door zijn eigen leven heeft uitgelegd en in praktijk heeft gebracht. De godsdienst beleven gebeurt door an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) als voorbeeld te nemen en ernaar te streven om zoals hij te leven.

Degene die het beste weet wat Allāh van de mens verlangt, is Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Hij is degene die de Qur’ān-ı al-Karîm het beste heeft begrepen. De Qur’ān begrijpen en deze praktiseren met dezelfde frisheid en levendigheid waarmee Allāh deze heeft neergezonden, is alleen mogelijk door de Sunnah na te leven. Wanneer de Sunnah van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ergens niet op een levende wijze wordt nageleefd, betekent dit dat de godsdienst daar ook niet wordt beleefd op de wijze die Allāh heeft gewenst.

Waar de Sunnah niet levend en aanwezig is, krijgen de zaken die wij bidʿah noemen, handelingen die geen plaats hebben in de dīn en in strijd zijn met de Sunnah, de overhand. Op zulke plaatsen nemen afwijkingen van het rechte pad, die onze Nabī (صلى الله عليه وسلم) als dwaling heeft aangeduid en die hij volledig in strijd met de dīn heeft verklaard, de plaats van de dīn in. Daarom is de Sunnah van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) voor ons even noodzakelijk als lucht en water.

De aanbeveling van Imām at-Tirmidhī

Bij het afsluiten van zijn boek geeft Imām at-Tirmidhī de lezer, hoewel dit niet rechtstreeks verband houdt met de uiterlijke kenmerken van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), een levensrichtlijn mee.

Hij herinnert ons eraan dat onze gids in het wereldse leven Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) is en adviseert ons om ons vast te houden aan zijn verheven Sunnah, zodat wij het rechte pad kunnen blijven volgen dat ons naar Allāh (تعالى) leidt.

415. Ḥadīth

Muḥammad ibni Sīrīn ( رَحِمَهُ اللهُ) zei: “Ḥadīth betekent godsdienst (dīn). Let er daarom goed op van wie jullie jullie godsdienst ontvangen en leren!”

Uitleg bij de overlevering

Aan het einde van zijn boek benadrukt Imām at-Tirmidhī het grote belang van de ḥadīth en de ḥadīthwetenschap in het leven van een moslim.

In de voorgaande overlevering wees hij er eveneens op dat iemand die een belangrijke en zware taak, zoals het bekleden van het rechterschap, op zich neemt, deze verantwoordelijkheid alleen op de juiste wijze kan vervullen wanneer hij zijn oordelen baseert op de overleveringen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en de uitspraken van de ashāb.

Hier herinnert hij degenen die zich bezighouden met het overleveren van aḥadīth aan de beroemde uitspraak van de tābiʿī-geleerde Muḥammad ibni Sīrīn en geeft hij het volgende advies: De aḥadīth zijn de woorden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) waarmee hij zijn ummah de godsdienst heeft onderwezen en de Qur’ān-ı al-Karîm heeft uitgelegd. Vanuit dit oogpunt vormen de aḥadīth de grondslagen van de godsdienst die de Ummah van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) dient te leren en in praktijk te brengen.

De mu’mins zullen hun dīn leren door veelvuldig aḥādīth te bestuderen en vervolgens datgene wat zij daaruit hebben geleerd in hun leven toe te passen.

Daarom is het van groot belang van wie de aḥādīth worden geleerd en van wie zij worden overgeleverd. Wanneer iemand die een ḥadīth overlevert niet rechtvaardig en betrouwbaar is, of niet over de vereiste kwaliteiten voor het overleveren beschikt, dan mag men beslist geen ḥadīth van hem aannemen, leren of doorgeven.

Ḥadīth betekent godsdienst (dīn)

Imām at-Tirmidhī heeft de hierboven genoemde uitspraak van de tābiʿī-geleerde Muḥammad ibni Sīrīn als volgt overgeleverd: “Ḥadīth betekent godsdienst (dīn). Let er daarom goed op van wie jullie jullie godsdienst leren!”

Imām Muslim heeft deze uitspraak als volgt overgeleverd:

“Deze kennis (de ḥadīthwetenschap) is godsdienst. Let er daarom goed op van wie jullie jullie godsdienst leren!”

Ahadith zijn de godsdienstige gids van de mu’min. Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم)” (صلى الله عليه وسلم) over een bepaalde zaak een uitspraak heeft gedaan, is het voor een moslim niet passend om deze niet te aanvaarden en op zoek te gaan naar een andere mening die beter bij zijn eigen gedachten/situatie past. Geen enkele mu’min heeft daar het recht toe. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft immers in een authentieke ḥadīth verklaard dat men hem zonder voorbehoud dient te volgen.

Hij zei: “Een mu’min is degene wiens begeerten niet onderworpen zijn aan hetgeen ik heb gebracht, is geen gelovige.”

Wanneer een moslim bij een uitspraak van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) enige innerlijke weerstand of ongemak ervaart, dient hij onmiddellijk zijn hart te onderzoeken en het geestelijk te verzorgen. Hij moet beseffen dat er in zijn hart een ernstige ziekte is ontstaan en dat hij het gevaar loopt zowel zijn wereldse leven als zijn Hiernamaals te verliezen. Want de ḥadīth vormt een onderdeel van de dīn.

Degene die niet weet of de woorden die hij uitspreekt in overeenstemming zijn met de dīn, dient zijn mond niet te openen. Als hij toch spreekt, moet hij zich ervan bewust zijn dat hij mogelijk de ontevredenheid van Allāh (تعالى) en Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op zich kan laden.

Een oprechte mu’min houdt de aḥādīth hoog boven alles. Hij weet dat zij de schatkamers van goddelijke geheimen en de bronnen van goddelijke wijsheden zijn. Hij aanvaardt dat vele waarheden, die het menselijk verstand niet volledig kan bevatten, aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn onderwezen en geeft zich met zijn hart over aan de diepe en onuitputtelijke betekenissen van de aḥādīth.

Wa’l hamdulillahi Rabbi”l `Âlamīn

De vertaling van ash-shamāʾil an-nabawiyyah deel 1,2 en 3 is op 14 safar 1448 (28 juli 2026)