HOOFDSTUK 1: DE DOOD
1.1: Het verbod om de dood te wensen vanwege schade aan bezit of lichaam
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Laat niemand van jullie de dood wensen vanwege een tegenslag die hem is overkomen. En als hij geen andere uitweg ziet dan dit te wensen, laat hij dan zeggen:‘O Allāh, laat mij leven zolang het leven beter voor mij is, en laat mij sterven wanneer de dood beter voor mij is.” (Muslim, 2680; al-Bukhārī, 5990)In een andere overlevering zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Laat niemand van jullie de dood wensen en niet om smeken voordat deze tot hem komt. Want wanneer iemand sterft, houden zijn (goede) daden op. Het leven van een mu’min vermeerdert hem slechts in het goede.” (Muslim, 2682)En in een overlevering zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Laat niemand van jullie de dood wensen. Als hij een goed persoon is, dan zal hij wellicht toenemen in het goede. En als hij een zondaar is, dan zal hij hopelijk berouw tonen over zijn zonden.” (al-Bukhārī, 7235)Van Jâbir ibn ʿAbdullāh (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wens de dood niet! Voorwaar, de angst na de dood is zeer intens. Het is een gelukzaligheid wanneer het leven van een dienaar lang is en Allāh hem de mogelijkheid schenkt tot berouw.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/33, 14604. Haythami: de overlevering is ḥasan; Majmauz-Zawaid: 10/203. Al-Bānī: daʿīf. Zie Daʿīf al-Jāmiʿ al-Ṣaghīr wa Ziyādātuhū, ḥadīth nr. 2006, blz. 291)
Uitleg:De geleerden zeggen dat de dood geen absolute niets of volledig verdwijnen is. De dood is het loskomen van de rūḥ van het lichaam, het scheiden van de rūḥ en het lichaam. Het is een barrière tussen beide en een overgang van het ene leven naar het andere. De dood is een van de grootste tegenslagen. Allāh, `Azza wa Jalla, noemt het een musībah (tegenslag) in de āyah:فَأَصَٰبَتۡكُم مُّصِيبَةُ ٱلۡمَوۡتِۚ “…en de ramp van de dood komt over jullie….” (al-Māʾida, 106).De dood is de grootste tegenslag en het grootste afscheid.
De geleerden benadrukken dat het nog gevaarlijker is om in nalatigheid tegenover de dood te leven, deze te vermijden in gedachten, er nauwelijks over na te denken en geen voorbereiding te treffen door middel van goede daden. Voorwaar, in de dood liggen slechts lessen voor wie wil nadenken en overdenkingen voor wie er lering uit wil trekken.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als dieren zouden beseffen wat jullie weten over de dood, dan zouden jullie van hen geen weldoorvoed dier meer kunnen eten.” (Zawāʾid Nuʿaym b. Hammād ʿalā Kitāb al-Zuhd, 2/38,152; Abū Nuʿaym, Hilya, 6/392)Er wordt verder verhaald dat een bedoeïen, terwijl hij op zijn kameel onderweg ergens naar toe was, plots zag hoe het dier dood neerviel. Hij stapte af, liep om de kameel heen en sprak tot haar: “Wat is er met je gebeurd? Waarom sta je niet op? Waarom kom je niet weer tot leven? Al je ledematen zijn nog aanwezig, al je organen zijn intact. Wat is er met je? Wat hield je overeind? Wat zette je in beweging? Wat heeft je nu doen neerstorten? Wat weerhoudt je ervan om te bewegen?”Vervolgens bleef hij staan, diep in gedachten verzonken en vol verbazing, en liet hij zijn kameel achter. (Abū Muhammad noemt deze overlevering ook in zijn boek al-ʿĀqibah, 45)
Âdam (عليه السلام) verloor een van zijn zonen. Hij zei toen: “O Hawwa, je zoon is overleden.”Hawwa vroeg: “Wat is de dood?”Âdem (عليه السلام) antwoordde: “Hij eet niet, drinkt niet, staat niet op, zit niet.”Hierop begon Hawwa te schreeuwen en te huilen. Âdam (عليه السلام) zei: “Jij en je dochters zullen huilen en wenen, maar mijn zonen en ik zijn hiervan gespaard.”(Deze overlevering staat niet in Nawādir al-Usūl, maar wordt overgeleverd door al-Ṭabarānī in al-Muʿjam al-Awsat, 2/361, ḥadīth nr. 2232; en door Abū Nuʿaym in al-Hilya, 3/148.
Beide overleveringen zijn via Ibn al-Mājishūn en Muhammad ibn al-Munkadir doorgegeven. Haythami zei dat in al-Muʿjam al-Awsat Huseyn ibn Yasar voorkomt in de keten, die als zwak wordt beschouwd (madrūk). Zie ook Mujmaʿ az-Zawāʾid, 3/5)
Uitleg In de uitspraak van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Hopelijk zal hij berouw tonen over zijn zonden,” duidt het woord al-istiṭāb op instemming of tevredenheid, die alleen bereikt wordt door berouw en zich afkeren van zonden. Al-Jawharī legt het als volgt uit: het werkwoord istaṭaba betekent dat iemand instemming of toestemming vraagt. Allāh, `Azza wa Jalla, zegt over de kāfirs:
فَإِن يَصۡبِرُواْ فَٱلنَّارُ مَثۡوٗى لَّهُمۡۖ وَإِن يَسۡتَعۡتِبُواْ فَمَا هُم مِّنَ ٱلۡمُعۡتَبِينَ ٢٤
Als zij dan geduld hebben, dan is de Hel een verblijfplaats voor hen. En als zij smeken om genade, zullen zij niet degenen zijn die verontschuldigd worden. (Fussilat, 44/24)
Van Sahl ibn ʿAbdullāh at-Tustarī, hij zei: “Niemand wenst de dood, behalve drie personen: iemand die niet weet wat er na de dood komt, iemand die probeert te vluchten voor het besluit van Allāh en iemand die verlangt naar de ontmoeting met Allāh.” (Zie ook Suyuti, Sharḥ al-Sudūr,16)
Er wordt overgeleverd dat de Engel des Doods (Malaku’l-Mawt) (عليه السلام) naar Ibrāhīm (عليه السلام) kwam om zijn rūḥ te nemen. Ibrāhīm (عليه السلام) vroeg: “O Malaku’l-Mawt, heb jij ooit gezien dat een vriend de rūḥ van zijn geliefde vriend wegneemt?”Malaku’l-Mawt keerde terug naar zijn Rab en Allāh, `Azza wa Jalla zei: “Zeg tegen hem: Heb je gezien dat hij niet verlangde naar het samenzijn met zijn geliefde vriend?”
Malaku’l-Mawt keerde terug en Ibrāhīm (عليه السلام) zei: “Nu mag je mijn rūḥ nemen.” (Abū Nuʿaym, al-Hilya, 10/9. Deze overlevering is afkomstig uit de Isra’īliyyāt)
Abū al-Dardāʾ (رضي الله عنه) zei: “Er is geen mu’min voor wie de dood niet iets goeds zou zijn. Wie mijn woorden ontkent, laat Allāh, `Azza wa Jalla’s woorden reciteren:‘لَٰكِنِ ٱلَّذِينَ ٱتَّقَوۡاْ رَبَّهُمۡ لَهُمۡ جَنَّٰتٞ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهَا ٱلۡأَنۡهَٰرُ خَٰلِدِينَ فِيهَا نُزُلٗا مِّنۡ عِندِ ٱللَّهِۗ وَمَا عِندَ ٱللَّهِ خَيۡرٞ لِّلۡأَبۡرَارِ ١٩٨
Maar voor degenen die hun Heer vrezen, zijn er Tuinen waar rivieren onderdoor stromen, zij zijn daarin de eeuwig levenden, een ontvangst van Allāh. En datgene wat bij Allāh is, is het beste voor degenen die Allāh gehoorzamen. (Āl ʿImrān, 3/198)
وَلَا يَحۡسَبَنَّ ٱلَّذِينَ كَفَرُوٓاْ أَنَّمَا نُمۡلِي لَهُمۡ خَيۡرٞ لِّأَنفُسِهِمۡۚ إِنَّمَا نُمۡلِي لَهُمۡ لِيَزۡدَادُوٓاْ إِثۡمٗاۖ وَلَهُمۡ عَذَابٞ مُّهِينٞ ١٧٨
En laat de kāfirs niet denken dat Ons uitstel van hun bestraffing goed voor hen is. Wij stellen de bestraffing slechts uit opdat hun zonden zullen toenemen. En voor hen is er een vernederende bestraffing.
(Āl ʿImrān, 3/178) (Ibn Jarīr vermeldt dit in zijn tafsīr (4/146).
Hayyān ibn Aswad zei: “De dood is een brug die de geliefde naar de Geliefde voert.” (Hayyān ibn Aswads woorden heeft Abū Muhammad ʿAbdulḥak in zijn werk al-ʿĀqibah, blz. 32 vermeldt)
1.2: Het wensen van de dood uit vrees voor schade aan het geloof en het smeken om te sterven
Allāh, `Azza wa Jalla, vermeldt over Yūsuf (عليه السلام): رَبِّ قَدۡ ءَاتَيۡتَنِي مِنَ ٱلۡمُلۡكِ وَعَلَّمۡتَنِي مِن تَأۡوِيلِ ٱلۡأَحَادِيثِۚ فَاطِرَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِ أَنتَ وَلِيِّۦ فِي ٱلدُّنۡيَا وَٱلۡأٓخِرَةِۖ تَوَفَّنِي مُسۡلِمٗا وَأَلۡحِقۡنِي بِٱلصَّٰلِحِينَ ١٠١
Mijn Heer! U heeft mij een gedeelte van het koninkrijk gegeven en mij de betekenis van de dromen onderwezen. De Schepper van de hemelen en de aarde! U bent mijn Beschermheer in deze wereld en in het Hiernamaals, laat mij sterven als een moslim en voeg mij bij de rechtvaardigen. (Yūsuf, 12/101)
Over Maryam (عليها السلام) wordt gezegd:
فَأَجَآءَهَا ٱلۡمَخَاضُ إِلَىٰ جِذۡعِ ٱلنَّخۡلَةِ قَالَتۡ يَٰلَيۡتَنِي مِتُّ قَبۡلَ هَٰذَا وَكُنتُ نَسۡيٗا مَّنسِيّٗا ٢٣
En de pijnen van de baring dreven haar naar de stam van een palmboom. Zij zei: “Ik wou dat ik hiervoor reeds gestorven en totaal vergeten was!” (Maryam, 19/23)
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De Yawm al-Qiyāmah zal niet plaatsvinden totdat een man langs een graf loopt en zegt: ‘Was ik maar in de plaats van degene die in dit graf ligt,’ en zo de dood wenst.” (al-Bukhārī, 7115; Muslim, 2907)
Deze overlevering vormt geen tegenspraak met de eerdere: Volgens Qatādah (رضي الله عنه) heeft geen enkele nabī de dood gewenst behalve Yūsuf (عليه السلام). En dat gebeurde pas nadat zijn zegeningen compleet waren, hij herenigd was met zijn familie en hij verlangde naar de ontmoeting met zijn Rab `Azza wa Jalla.
Yūsuf (عليه السلام) zei: رَبِّ قَدۡ ءَاتَيۡتَنِي مِنَ ٱلۡمُلۡكِ وَعَلَّمۡتَنِي مِن تَأۡوِيلِ ٱلۡأَحَادِيثِۚ فَاطِرَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِ أَنتَ وَلِيِّۦ فِي ٱلدُّنۡيَا وَٱلۡأٓخِرَةِۖ تَوَفَّنِي مُسۡلِمٗا وَأَلۡحِقۡنِي بِٱلصَّٰلِحِينَ ١٠١
Mijn Heer! U heeft mij een gedeelte van het koninkrijk gegeven en mij de betekenis van de dromen onderwezen. De Schepper van de hemelen en de aarde! U bent mijn Beschermheer in deze wereld en in het Hiernamaals, laat mij sterven als een moslim en voeg mij bij de rechtvaardigen.” (Yūsuf, 12/101) (Ibn Jarīr vermeldt het ook in zijn tafsīr (13/73)
Hij wenste dus de dood alleen in de zin van: Laat mij sterven als moslim. Volgens de tafsīrgeleerden is dit de voorkeursuitleg van de genoemde āyah. (Al-Qurtubī zegt in zijn tafsīr dat dit de opvatting van de meerderheid is: zie al-Jāmiʿ li-Ahkām al-Qurʾān, 9/176, f. 269.)
Wat Maryam (عليها السلام) betreft: zij wenste de dood om twee redenen:
Uit vrees dat haar geloof schade zou oplopen of dat zij daarin op de proef gesteld zou worden, en om te voorkomen dat zij in beproevingen (fitnah) met betrekking tot haar godsdienst (dīn) zou vallen.
Maryam (عليها السلام) wenste de dood ook omdat zij niet wilde dat haar volk zou lijden of beschuldigd zou worden van ontucht (zinā) door iemand die tot hen werd gerekend. Dat zou voor hen verwoestend zijn. En Allāh ʿAzza wa Jalla weet het het beste.
Allāh, `Azza wa Jalla, zegt over `Aishah (رضي الله عنها) met betrekking tot de valse beschuldiging van zinâ:
إِنَّ ٱلَّذِينَ جَآءُو بِٱلۡإِفۡكِ عُصۡبَةٞ مِّنكُمۡۚ لَا تَحۡسَبُوهُ شَرّٗا لَّكُمۖ بَلۡ هُوَ خَيۡرٞ لَّكُمۡۚ لِكُلِّ ٱمۡرِيٕٖ مِّنۡهُم مَّا ٱكۡتَسَبَ مِنَ ٱلۡإِثۡمِۚ وَٱلَّذِي تَوَلَّىٰ كِبۡرَهُۥ مِنۡهُمۡ لَهُۥ عَذَابٌ عَظِيمٞ ١١
Waarlijk! Degenen die de laster zijn begonnen zijn een groep onder jullie. Beschouw het niet als iets slechts voor jullie. Integendeel, het is goed voor jullie. Een iedere van hen wordt belast voor de zonde die hij gepleegd heeft. En degene van hen die grootste aandeel had: voor hem zal er een grotere bestraffing zijn. (Nûr, 24/11)
إِذۡ تَلَقَّوۡنَهُۥ بِأَلۡسِنَتِكُمۡ وَتَقُولُونَ بِأَفۡوَاهِكُم مَّا لَيۡسَ لَكُم بِهِۦ عِلۡمٞ وَتَحۡسَبُونَهُۥ هَيِّنٗا وَهُوَ عِندَ ٱللَّهِ عَظِيمٞ ١٥
Toen jullie het (de laster) met jullie tongen overnamen en het met jullie monden uitspraken, waarover jullie geen kennis hadden. En jullie dachten dat het iets kleins was, terwijl het in het Aangezicht van Allāh heel groot was. (Nûr, 24/15)
Wat Maryam (عليها السلام) betreft, is er discussie over of zij een profetes was, op basis van de āyāt:
مَّا ٱلۡمَسِيحُ ٱبۡنُ مَرۡيَمَ إِلَّا رَسُولٞ قَدۡ خَلَتۡ مِن قَبۡلِهِ ٱلرُّسُلُ وَأُمُّهُۥ صِدِّيقَةٞۖ كَانَا يَأۡكُلَانِ ٱلطَّعَامَۗ ٱنظُرۡ كَيۡفَ نُبَيِّنُ لَهُمُ ٱلۡأٓيَٰتِ ثُمَّ ٱنظُرۡ أَنَّىٰ يُؤۡفَكُونَ ٧٥
De Messias (Jezus), zoon van Maryam is niet meer dan een Rasûl, alle Boodschappers vόόr hem zijn heengegaan. Zijn moeder was een oprechte vrouw (ṣiddīqah). Beiden waren zij gewend om voedsel te eten (net als andere mensen). Kijk hoe Wij de Tekenen voor hen duidelijk hebben gemaakt, en zie dan hoe zij (de kāfirs ) zich afwendden.” (Māʾidah, 5/75)
فَٱتَّخَذَتۡ مِن دُونِهِمۡ حِجَابٗا فَأَرۡسَلۡنَآ إِلَيۡهَا رُوحَنَا فَتَمَثَّلَ لَهَا بَشَرٗا سَوِيّٗا ١٧
Zij plaatste een scherm om zichzelf van hen af te zonderen. Toen stuurden Wij haar Onze Engel Jibriel en hij verscheen voor haar in de vorm van een volmaakte man. (Maryam, 17)
وَإِذۡ قَالَتِ ٱلۡمَلَٰٓئِكَةُ يَٰمَرۡيَمُ إِنَّ ٱللَّهَ ٱصۡطَفَىٰكِ وَطَهَّرَكِ وَٱصۡطَفَىٰكِ عَلَىٰ نِسَآءِ ٱلۡعَٰلَمِينَ ٤٢
En toen de engelen zeiden: “O, Maryam! Waarlijk, Allāh heeft jou uitgekozen, en je gereinigt en heeft jou boven alle vrouwen van de werelden uitverkoren. (Āl ʿImrān, 42)
Hieruit volgt dat, als zij valselijk beschuldigd zou worden van iets dat haar eer en positie aantast, deze laster ernstiger en schadelijker zou zijn. In zo’n geval zou het toegestaan zijn dat zij de dood wenste. En Allāh weet het het beste.
Wat betreft de ḥadīth van hierboven: Het gaat om situaties waarin mensen te maken krijgen met intense of hevige angsten, zoals de vrees dat hun godsdienst volledaig verdwijnt.Het geldt niet voor kleine tegenslagen met betrekking tot iemands leven of bezit. Dit wordt verduidelijkt door de uitspraak van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “O Allāh! Ik vraag U om het goede te doen, slechte daden te vermijden en afhankelijk te zijn van U. Wanneer U een tegenslag zendt naar Uw dienaren, houd mij dan daarvan gespaard en neem mij bij U op.” (Muwatta, 1/218, ḥadīth nr. 508; at-Tirmiḏī , 3233; Aḥmad ibn Ḥanbal, 3484)
De woorden van ʿUmar (رضي الله عنه) zijn in die strekkening, hij verrichtte du`ā’: “O Allāh! Mijn kracht neemt af, mijn leeftijd vordert, en degenen die mij volgen worden meer. Neem mijn rūḥ zonder dat ik mensen onrecht of onderdrukking aan te doen.”
Ongeveer een maand later overleed ʿUmar (رضي الله عنه). Dit wordt ook overgeleverd door Imām Mālik.
(Muwatta, 1601, een authentieke ḥadīth; Abū Nuʿaym, al-Hilya, 1/54; Ibn Saʿd, al-Ṭabaqāt al-Kubrā, 3/335)
InshaAllah (Als Allāh het wil) zal meer uitleg hierover volgen in het hoofdstuk Fitnāt van dit boek.
1.3: De deugd van het herinneren van de dood en zich erop voorbereiden
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Gedenk veelvuldig datgene wat de wereldse genoegens doet vergeten (en de genoegens verstoort).” (Muslim 4/14)Ibn Mājah verklaarde dat hiermee de dood wordt bedoeld. (Ibn Mājah 4258; at-Tirmiḏī 2307)
Abū Nuʿaym overlevert … van ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Gedenk veelvuldig datgene wat de genoegens verstoort.” De edele metgezellen vroegen: “Wat is datgene wat de genoegens verstoort, o Rasûlullāh?”
Hij antwoordde: “De dood.” (Ibn Mājah 4259)
Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما), hij zei: Wij zaten bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) toen een man van de Anṣār kwam. Hij gaf de salām-groet en vroeg: “O Rasûlullāh, wie van de mu’mins is het voortreffelijkst?”Hij zei: “Degene met het beste karakter.”De man vroeg vervolgens: “En wie is de meest verstandige moslim?”Hij antwoordde: “Degene die de dood het meest gedenkt en zich het beste voorbereidt op wat na de dood komt. Dat zijn de verstandigsten.” (Aḥmad ibn Ḥanbal 4/278; at-Tirmiḏī 2459) Dit onderwerp zal opnieuw worden behandeld in het hoofdstuk Fitan (Beproevingen).
Van Shaddād ibn Aws (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De verstandige persoon is degene die zijn eigen ziel (nafs) ter verantwoording roept en degene die zich voorbereidt op het leven na de dood.En de zwakke (of beklagenswaardige) persoon is degene die zijn begeerten volgt en van Allāh ongepaste zaken verwacht. ”(at-Tirmiḏī 2459)
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Gedenk de dood veelvuldig, want dat helpt iemand om zonden te vermijden en vormt een boetedoening voor eerdere zonden. Degene die dit regelmatig doet, leeft in deze wereld in zuhd (het loslaten van wereldse overdaad en verlangens om dichter bij Allāh te komen).”
In een andere overlevering zei hij: “De dood is voldoende als vermaning. En het gedenken van de dood is voldoende om onderscheid te maken tussen waarheid en dwaling.”
Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) eens werd gevraagd: “Is er iemand die samen met de martelaren (shuhadā’) zal worden verzameld?”, antwoordde hij: “Ja, degene die de dood elke dag twintig keer gedenkt (of twintig keer ’s nachts en twintig keer overdag).”
(Aḥmad ibn Ḥanbal 4/124; Ibn Mājah 4260) Al deze overleveringen wijzen op de uitspraak van Allāh:
ٱلَّذِي خَلَقَ ٱلۡمَوۡتَ وَٱلۡحَيَوٰةَ لِيَبۡلُوَكُمۡ أَيُّكُمۡ أَحۡسَنُ عَمَلٗاۚ وَهُوَ ٱلۡعَزِيزُ ٱلۡغَفُورُ ٢
Degene Die de dood en het leven heeft geschapen, zodat Hij jullie kan beproeven (en om te tonen) wie van jullie de beste daden verricht. En Hij is de Almachtige (over de ongehoorzamen), de Vergevingsgezinde (voor de berouwvollen). (Mulk, 67/2)
Volgens deze āyah is degene die de dood het meest gedenkt, ook degene die zich het beste op de dood voorbereidt. En voor wie de dood gedenkt en zich daarop voorbereidt, zijn de mooiste gunsten gereedgemaakt.
Onze geleerden hebben deze ḥadīth als volgt verklaard: De ḥadīth “Gedenk de dood voortdurend” is de mooiste en meest omvattende raadgeving. Het herinneren aan de dood verhindert het volgen van eigen begeerten en tempert het ego (nafs). Bovendien voorkomt het dat men zich zorgen maakt over de toekomst. Wie vaak aan de dood denkt, wordt niet hebzuchtig; zij maken geen grote plannen voor morgen en hebben geen buitensporige verwachtingen. Ze zijn tevreden met wat ze hebben en tonen dankbaarheid.
Daarentegen hebben onoplettende mensen en mensen die hun ego (nafs) volgen, meer raadgeving nodig.
In feite is voor de mens de ḥadīth “Houd de dood voortdurend in gedachten” samen met de āyah: كُلُّ نَفۡسٖ ذَآئِقَةُ ٱلۡمَوۡتِۗ “Iedereen zal zeker de dood proeven” (Mulk, 67:2) als raadgeving voldoende. Het is belangrijk om over deze āyah en ḥadīth te reflecteren.
UitlegDe samengevating van wat we tot nu toe hebben beschreven is het volgende: Het voortdurend herinneren aan de dood schenkt de mens het vermogen om de werkelijkheid van deze vergankelijke wereld te begrijpen. Zo iemand richt zijn gedachten voortdurend op het ware leven, namelijk het Hiernamaals, en handelt steeds in het licht van die realiteit.
De mens is een wezen dat voortdurend beweegt tussen moeilijkheden en overvloed, tussen zegeningen en beproevingen. Wie in tijden van tegenspoed en schaarste aan de dood denkt, zal inzien dat de moeilijkheden van deze wereld vergeleken met het Hiernamaals onbeduidend en draaglijk zijn, en zal daardoor rust vinden. Niets in deze wereld, noch tegenspoed, noch zegen, is immers eeuwig; alles is vergankelijk. Bovendien is de dood moeilijker dan alle moeilijkheden van deze wereld.
Wanneer de mens zegeningen en overvloedige weldaden ontvangt, helpt het herinneren aan de dood om verwaandheid en ondankbaarheid te voorkomen. Net zoals moeilijkheden vergankelijk zijn, zijn de zegeningen tijdelijk. Wie dit beseft, zal niet verwaand worden of zich verheffen boven zijn medemensen.
Volgens alle geleerden kan niemand precies weten wanneer de dood zal komen. Hierover is geen verschil van mening. Evenmin kan iemand bepalen door welke oorzaak of ziekte de dood zal komen. Een van de doelen hiervan is dat de mens voortdurend de dood voor ogen houdt en zich in elke situatie voorbereidt op het moment van zijn overlijden.
De geeerde Yazīd ar-Ruqāshī sprak zichzelf als volgt vermanend toe:“Jammer voor jou! Wanneer jij sterft, wie zal dan jouw ṣalāh al-janazah verrichten?Zal iemand jouw ṣalāh voor jou verrichten?Zal iemand voor jou vasten?Zal iemand voor jou tot Allāh smeekbeden (du`ā’) en vergiffenis (istighfār) verrichten?”
Daarna wendde hij zich tot de mensen en zei:“O mensen!
Waarom huilen jullie niet om jezelf?Zal aan jullie leven dan geen einde kennen?Weten jullie wie van jullie de dood op dit moment volgt?Is er iemand onder jullie tot wie de dood niet zal komen?Op een dag zal jullie huis jullie graf zijn en de grond jullie bed.De insecten zullen jullie metgezellen zijn.”
Daarop begon hij te huilen. Hij huilde lang, zweeg vervolgens, en ging daarna verder met zijn vermaning: “Twee zaken doen alle begeerten van de ziel (nafs) verstommen en ontnemen haar het genot: de eerste is de vrees voor de dood en de tweede is het nadenken over hoe wij voor Allāh zullen verschijnen en hoe ons einde zal zijn.” (Sifat aṣ-Ṣafwah, 3/206)
ʿUmar ibn ʿAbd al-ʿAzīz رَحِمَهُ اللهُ verzamelde de geleerden en stelde hun vragen over de dood, het graf, de Opstanding en het Hiernamaals. Terwijl zij spraken, huilde ʿUmar ibn ʿAbd al-ʿAzīz zó hevig dat allen die aanwezig waren meehuilden. Wie hen zag, zou denken dat er een overledene lag.
Van Abū Nuʿaym: Sufyān ath-Thawrī sprak met zijn kleinkinderen over de dood. Toen hij zag dat zij er niet door werden geraakt en het niet ernstig namen, noemde hij de volgende overlevering: Er werd in aanwezigheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gesproken over iemand die was overleden: “Die-en-die is gestorven. Hij was een goed mens, hij had zulke en zulke deugden.”Daarop onderbrak Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hen en vroeg: “Plachtte hij de dood te gedenken?”Zij antwoordden: “Nee, hij was niet iemand die dat deed.”Toen zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Dan was hij blijkbaar niet zo voortreffelijk als jullie beweren.” (al-al-Bazzār, 3622)
Ad-Daqqāq zei: “Het veelvuldig gedenken van de dood schenkt de mens drie deugden:– onmiddellijke berouw tonen wanneer hij een zonde begaat,– tevredenheid van het hart,– en het verrichten van aanbidding met toewijding, ijver en volgens de juiste wijze.
Wie de dood vergeet, wordt getroffen door drie grote rampen:– het uitstellen van berouw tonen of het geheel nalaten ervan,– verlies van tevredenheid en voortdurende ontevredenheid,– en luiheid en onverschilligheid in de aanbidding.”
O hoogmoedige en achteloze mens!Vergeet de dood niet. Denk na over hoe je je geest (rūḥ) zult afstaan.Sta stil bij hoe zwaar de dood is en welke ontberingen het stervensmoment met zich meebrengt. Allāh verbreekt Zijn belofte niet. De dood zal onvermijdelijk komen.Er is niemand rechtvaardiger en barmhartiger dan Allāh.
Er bestaat geen betere vermaning om het hart tot rust en tevredenheid te brengen dan de dood.Wat is schrijnender dan de dood?Alleen de dood doet een mens zijn bezit, vrienden en positie vergeten.Alleen de dood herinnert hem aan zijn ware plaats.De dood ontneemt het genot, weerhoudt van het najagen van onbeduidende zaken en voorkomt dat men te veel verwacht van deze wereld.
Jij zult sterven.Je bezit en je familie zul je aan anderen achterlaten.Je gezondheid en alles wat je bezit zal je ontnomen worden.Je zult je bed en je woonplaats verlaten en op reis gaan.Je kleding, je status, je roem, je naam en je trots zullen achterblijven; alles zal je verlaten.De aarde zal je geheel bedekken.Alles wat je in deze wereld hebt verricht zal vergaan.Je lichaam zal tot aarde worden, net zoals al je bezit en alles wat je had.
Waar is dan je rijkdom?Waar zijn je posities en je macht?Waar zijn je familie en je vrienden?Wie van hen zal je beschermen tegen de dood?Wie zal bij je zijn in het graf?
Op dat moment zal alleen Degene Die jou heeft geschapen en jou dit alles heeft gegeven, bij je blijven, degene die jou heeft geschapen en jou dit heeft gegeven.Hij is de ware Helper en de Vergever.
Het woord nasīb in de āyah:وَٱبۡتَغِ فِيمَآ ءَاتَىٰكَ ٱللَّهُ ٱلدَّارَ ٱلۡأٓخِرَةَۖ وَلَا تَنسَ نَصِيبَكَ مِنَ ٱلدُّنۡيَاۖ وَأَحۡسِن كَمَآ أَحۡسَنَ ٱللَّهُ إِلَيۡكَۖ وَلَا تَبۡغِ ٱلۡفَسَادَ فِي ٱلۡأَرۡضِۖ إِنَّ ٱللَّهَ لَا يُحِبُّ ٱلۡمُفۡسِدِينَ ٧٧
Zoek met datgene (welvaart) wat Allāh jou gegeven heeft, het Huis van het Hiernamaals, en vergeet niet jou deel van wettig vermaak in deze wereld en doe goed zoals Allāh goed voor jou doet, en zaai geen verderf in het land. Waarlijk, Allāh houdt niet van de verderfzaaiers.” (al-Qasas 28/77)“En vergeet niet jou deel van wettig vermaak in deze wereld “verwijst naar de kafān (lijkwade). Dit āyah moet samen met het voorafgaande āyah worden overwogen en als les dienen: “Zoek met datgene (welvaart) wat Allāh jou gegeven heeft, het Huis van het Hiernamaals. Een mooie uitleg van dit āyah is: gebruik hetgeen Allāh jou in deze wereld heeft gegeven om het Hiernamaals en het Paradijs te bereiken. Deze wereldse zaken zijn slechts middelen.
Een mu’min ziet alles wat hem in deze wereld is gegeven als een kans om de tevredenheid van Allāh te behalen en zet deze in voor dat doel. Deze zegeningen zijn niet gegeven om slechts te eten en te drinken, te leven voor genot en vermaak, of over anderen te heersen.
De mens neemt van deze wereld slechts mee wat nodig is voor zijn kafān (lijkwade), en de goede daden die hij in dit leven heeft verricht voor het Hiernamaals.
Uitleg:In deze ḥadīth zegt Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “De verstandige is degene die zichzelf (nafs) ter verantwoording roept.” Het werkwoord dāna verwijst naar hasaba (rekenen, verantwoording afleggen). Het betekent dus “zichzelf (nafs) verantwoording laten afleggen”.
Sommigen hebben deze ḥadīth geïnterpreteerd als “de verstandige is degene die zijn nafs klein acht”; Ibn ʿUbayd behoort tot degenen die deze uitleg geven.Ibn ʿUbayd gaf ook de uitleg: “De verstandige is degene die zijn nafs onder controle houdt”. Het werkwoord dāna betekent namelijk niet alleen rekenen, maar ook onder controle houden, klein maken, overwinnen.
Wanneer deze ḥadīth zo wordt begrepen, betekent het dat de mens zijn nafs moet trainen door middel van aanbidding en zich zo moetbereiden op het Hiernamaals. Want op een dag zullen wij voor Allāh verschijnen, en de nafs moet daarop worden voorbereid. In de eerste betekenis gaat het erom dat men de uitspattingen van de nafs tegenhoudt en zijn nalatigheid onder controle brengt. De mens moet nadenken over de gevolgen van zijn daden, berouw tonen over zijn fouten, deze herstellen en zich tot Allāh wenden in tawbah. Hij dient Allāh veel te gedenken en zich bij alles wat hij doet af te vragen of het in overeenstemming is met het welbehagen van Allāh. Dit is de voorziening en voorbereiding voor Yawm al-Qiyāmah (Yawm al-Ākhirah).
In de ḥadīth wordt ʿājiz gebruikt als het tegenovergestelde van de verstandige (qayyis).
Het woord qayyis betekent verstandig, terwijl ʿājiz nalatig betekent; het verwijst naar iemand die in alles wat hij doet, vooral in zijn ibādah (aanbidding), tekortschiet en zijn handelingen slordig of ongeordend uitvoert. Dergelijke mensen laten zich leiden door hun begeerten en de verlangens van de nafs, en vergeten te handelen met het oog op het welbehagen van Allāh.
Zij blijven zondigen en vertrouwen erop dat Allāh hen zal vergeven, terwijl zij volharden in hun zonden zonder oprecht berouw te tonen. Dit behoort tot de ernstigste vormen van veronachtzaming en misleiding.
Sommige handelingen en houdingen zijn door Allāh voorgeschreven met vertrouwen op Zijn genade, terwijl het in andere gevallen verboden is om blindelings op Zijn Barmhartigheid te vertrouwen.
Al-Ḥasan al-Baṣrī zegt: Er zijn mensen die de barmhartigheid van Allāh misbruiken.Wanneer zulke mensen sterven, laten zij geen enkele goede daad achter. Ze misleiden zichzelf en liegen door te zeggen: “Wij vertrouwen op de Barmhartigheid van onze Rab.”Als zij werkelijk op de Barmhartigheid van Allāh zouden vertrouwen en goede verwachtingen van Allāh zouden hebben, dan zouden hun daden en werken goed en oprecht zijn. Zoals Allāhu Ta’ālā in de Qur’ān zegt:وَذَٰلِكُمۡ ظَنُّكُمُ ٱلَّذِي ظَنَنتُم بِرَبِّكُمۡ أَرۡدَىٰكُمۡ فَأَصۡبَحۡتُم مِّنَ ٱلۡخَٰسِرِينَ ٢٣
En die gedachten van jullie die jullie over jullie Heer koesterden (dat jullie Allāh verkeerd begrepen), heeft jullie tot de vernietiging gebracht en daarom behoren jullie tot de verliezers. (Fussilet, 41/23).
(Een groot geleerde uit de Tabi‘īn) Saʿīd ibn Jubayr heeft deze āyah als volgt verklaard:Allāh verkeerd begrijpen betekent dat een persoon doorgaat met het plegen van zonden en verkeerde daden verricht terwijl hij vertrouwt op de Barmhartigheid van Allāh.Zo iemand toont geen berouw van zijn zonden en corrigeert zijn fouten niet, maar in plaats daarvan wachten hij op de Barmhartigheid van Allāh.
Bakiyyah ibn Walīd overlevert wat Abū Umayr al-Sūrī schreef aan enkele broeders in de sufiorde (ṭarīqah): "Mijn dierbare broeder! Je jaagt zowel wereldse zaken na als verwacht dat Allāh je slechte daden zal vergeven, terwijl je je fouten niet corrigeert.
Dit is alsof je iemand met een ijzeren voorwerp slaat en hem daarna vriendelijk met salām begroet.
Meer informatie over dit onderwerp zal worden besproken in het hoofdstuk: “Het graf, het eerste station van het Hiernamaals,”
1.4: Dingen die de dood en het Hiernamaals in herinnering brengen en die aanzetten tot ascese leven (zuhd) in de wereld
Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bezocht het graf van zijn moeder (Āminah) en begon te huilen, en de mensen om hem heen huilden ook. Daarna zei hij: “Ik vroeg mijn Rabb toestemming om vergiffenis te vragen voor mijn moeder, maar Hij gaf mij die niet. Vervolgens vroeg ik toestemming om haar graf te bezoeken, en Hij gaf mij die wel. Bezoek daarom de graven vaak, want de graven herinneren jullie aan de dood.” (Muslim, 7/45; Nasâ`î, 4/90; Ibn Mâjah, 1572; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/441.)Van ‘Abdullāh ibn Mas‘ûd (رضي الله عنه) zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “(Om jullie de gewoonten van de tijd van onwetendheid (jahiliyyah) te doen vergeten) had ik jullie eerder verboden om de graven te bezoeken. Maar nu geef ik toestemming, (want er is geen gevaar meer dat jullie naar de onwetendheid terugkeren). Het bezoeken van graven weerhoudt de mens ervan zich volledig op de wereld te richten en herinnert hem aan de dood.” (Ibn Mâjah, 1571; Muslim, 7/46; Abû Dâwûd, 3219; Aḥmad ibn Ḥanbal, 1/452; Nasâ`î, 4/89; at-Tirmiḏī, 1054)
Onder de geleerden bestaat overeenstemming dat het voor mannen toegestaan is om graven te bezoeken. Er is echter verschil van mening over het bezoeken van graven door de vrouwen. (Muslim, 3/14 en 40; Aḥmad ibn Ḥanbal, 6/221; Bukhârî, 3/115).Sommigen hebben gezegd dat het voor jonge vrouwen verboden (ḥarām) is om graven te bezoeken, terwijl oudere vrouwen dit wel mogen doen. Deze toestemming geldt echter alleen wanneer er geen mannen bij het graf aanwezig zijn. Wanneer vrouwen de graven afzonderlijk bezoeken, zonder aanwezigheid van mannen, bestaat hierover geen verschil van mening.
Allāh weet het het beste, maar dit is wat ons bekend is. In de overlevering van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) luidt het bevel: “Bezoek de graven”, en dit geldt voor alle mensen er wordt geen onderscheid gemaakt tussen mannen en vrouwen.
Dat jonge vrouwen niet samen met mannen de graven mogen bezoeken, is bedoeld om te voorkomen dat er zonden worden begaan. Want zowel mannen als vrouwen is bevolen niet naar de niet-maḥram te kijken; in zulke situaties moeten zij hun blik neerslaan, hun hoofd afwenden of hun ogen sluiten. Het is niet toegestaan dat vrouwen en mannen in zulke situaties samen aanwezig zijn en naar elkaar kijken. Allāh weet het het beste wat juist is.
Volgens sommige geleerden heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in de vroege periode van de Islām, op bevel van Allāh (سبحانه وتعالى), het bezoeken van graven verboden. Toen daarna de goddelijke toestemming kwam, gold deze versoepeling (rukhsah) zowel voor mannen als vrouwen. Daarmee werd de versoepeling ook voor jonge vrouwen uitgebreid, mits zij bij het bezoek de regels van maḥramiyyah (eerbaarheid en afscherming) zorgvuldig in acht nemen dat is het meest gepaste gedrag.
ʿAlī (رضي الله عنه) bezocht op een dag de graven. Eerst bracht hij zijn begroeting de overledenen met de salām, en sprak daarna:
“O jullie die hier rusten, laat mij jullie vertellen wat hier is gebeurd, en vertel mij wat daar is gebeurd zodat ik verslag kan uitbrengen. De bezittingen die jullie hebben achtergelaten zijn verdeeld, jullie vrouwen zijn hertrouwd, anderen wonen in jullie huizen en jullie landerijen zijn aan anderen geërfd.”
Vervolgens zei ʿAlī (رضي الله عنه): “Als zij konden spreken, zouden zij zeker hebben gezegd: 'Er is geen betere bescherming dan vroomheid (taqwā).”
Onze geleerden hebben het volgende gezegd: Het bezoeken van graven is goed voor het hart. De beste raadgeving en de beste zuivering van de ziel (nafs) is het bezoeken van graven. Als het hart verhard en ongevoelig is, worden de volgende vier dingen aanbevolen:
(Hoewel er gezegd wordt dat vier dingen worden aanbevolen, worden er in werkelijkheid drie genoemd. Echter, als men het bezoek aan graven en het bezoek aan zieken als één categorie beschouwt, kunnen vier dingen worden genoemd: Het bijwonen van islamitische gesprekken (suḥbāt), het voortdurend gedenken van de dood, het bezoeken van zieken op hun sterfbed, en het bezoeken van graven.)
Het bijwonen van islamitische gesprekken (suḥbāt) en het luisteren naar toespraken (waʿẓ): Vooral gesprekken die mensen aansporen om zonden te vermijden en goede daden te verrichten, moeten worden bijgewoond. Het leven van de rechtschapen mensen moet worden gelezen en bestudeerd.
Het bijwonen van gesprekken en het nemen van rechtschapen mensen als voorbeeld vormt een middel tot zuivering van de ziel (nafs) en opvoeding van de mens.
Het voortdurend gedenken van de dood: De dood scheidt de mens van iedereen en beëindigt alle genietingen. De dood is het einde van alles. Zij laat kinderen wees en vrouwen weduwe achter. Volgens overlevering kwam een vrouw naar ʿĀ’ishah (رضي الله عنها) en klaagde over de hardheid van haar hart. ʿĀ’ishah raadde haar aan om de dood voortdurend in gedachten te houden. Toen de vrouw dit begon te doen, verzachtte haar hart en kwam zij terug om ʿĀ’ishah te bedanken. Onze geleerden zeggen dat het gedenken van de dood voorkomt dat men zonden pleegt en dat het verharde harten verzacht. Het niet vergeten van de dood voorkomt zowel arrogantie als wanhoop in moeilijke tijden.
Het overdenken van wat tijdens de dood zal gebeurenHet nadenken over de doodsstrijd (sakarah al-mawt) en over wat er na de dood met het lichaam zal gebeuren, en wat er in het graf te wachten zal staan, tempert de verlangens van de ziel (nafs) en voorkomt dat men arrogant wordt. Het kan er zelfs toe leiden dat men slecht slaapt, maar tegelijkertijd stimuleert het de mens om harder te werken en zich meer in te spannen (voor de zaak van de Islām).
Op een keer bezocht Ḥasan al-Baṣrī een zieke die op zijn sterfbed lag. Hij zag hoe de man worstelde met de dood. Daarna keerde hij terug naar huis, bleek van kleur. Zijn familie werd bezorgd over hem en bracht hem eten. Hij zei: “Eet het zelf maar; ik heb dingen gezien waarvoor men zich tevoren moet voorbereiden in plaats van zich bezig te houden met eten en drinken.”
De bovenstaande drie zaken vormen de oorzaak voor het verzachten van het hart. Hierdoor wordt men ertoe aangezet berouw te tonen over zijn zonden, naar oplossingen voor zijn tekortkomingen te zoeken en zich in te spannen om zich van zonden te bevrijden. Wie zijn zonden wil overwinnen, houdt afstand van de satan (shayṭān) en zijn bondgenoten. En wanneer hij zich zwak voelt, zoekt hij steun bij anderen.
Het eerste, het bijwonen van gesprekken (waʿẓ), beïnvloedt het gehoor. Mensen worden geraakt door wat zij horen. Het tweede, het bezoeken van graven, is nog effectiever dan het eerste, omdat het voortdurend kan worden gedaan. Bovendien wordt men sterker beïnvloed door wat men ziet. In een ḥadīth wordt gezegd: “Horen is niet zoals zien (d.w.z. zien beïnvloedt meer dan horen).” (Ahmad b. Ḥanbel, Musnad, 1/271)
Deze ḥadīth is een ḥadīth al-wāḥid omdat slechts één persoon het heeft overgeleverd; het is overgeleverd van ʿAbdullāh b.ʿAbbās (رضي الله عنهما).
Hoewel het aanschouwen van wat er op het moment van de dood gebeurt het meest indringend is, is dit niet altijd mogelijk. Daarom is het bezoeken van graven de meest effectieve manier (om herinnerd te wordenaan de dood). Om die reden wordt dit in de ḥadīth specifiek genoemd.
Graven dienen bezocht te worden omwille van het welbehagen van Allāh, met als doel lering te trekken uit de toestand van de overledenen. Daarnaast profiteren de doden van het reciteren van de Qurʾān bij de graven. Daarom dienen graven met dit doel bezocht te worden. Hierover zal later nog uitgebreider worden gesproken.
Men moet niet op de graven stappen en er ook niet op zitten. (Indien mogelijk), dient men de schoenen uit te trekken voordat men een begraafplaats betreedt. Veel aḥadīth vermelden deze regels.
Men betreedt de begraafplaats door de overledenen te begroeten met de woorden:
“O lieden van het graf! Moge de salām van Allāh over jullie zijn.” (Abû Dāwûd, 3230; Nasā`ī, 4/96; İbn Mājah, 1568; Muslim,7/41; at-Tirmiḏī, 10/53; Ahmad b. Ḥanbel, Musnad, 2/200 ve 408)
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf ook zo salām. Hij sprak de bewoners van de graven aan met de woorden “O lieden van het graf.”
Op een keer kwam een man naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en groette hem met:
“Alayke’s-salâm (Moge Allāh’s vrede op jou zijn).”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) waarschuwde hem: “Geef deze salâm-groet niet op die manier (gebruik niet enkelvoud ‘jou’, zeg in plaats daarvan ‘moge Allāh’s salâm op jullie zijn’). Deze salâm-groet wordt aan de doden gegeven.” (at-Tirmiḏī, 2722; Abû Dāwûd, 5187; Ahmad b. Ḥanbel, Musnad, 3/472)
Met andere woorden: uit respect voor de overledene spreekt men hem aan alsof hij rechtstreeks tegenover je staat, in de enkelvoudsvorm. De reden dat men direct tot de overledene zegt: “Moge Allāh’s salām op jou zijn”, is dat men bij bekende overledenen beleefdheid en eerbied toont, alsof zij nog aanwezig zijn.
De overledene ligt weliswaar onder de grond, maar tijdens zijn leven was hij een gerespecteerd en gehoord persoon; misschien een bestuurder of een leider, met vrienden, bondgenoten en dierbaren. Uiteindelijk blijft de overledene een mens en bovendien een mu’min. Daarom wordt hij met beleefdheid en respect bezocht, begroet en wordt er duʿāʾ voor hem verricht.
Over dit onderwerp wordt een ḥadīth genoemd die op het eerste gezicht in tegenspraak lijkt te zijn met de ḥadīth die wij hierboven hebben vermeld. Deze ḥadīth wordt door Abû Bakr Ahmet ibn ʿAlī, bijgenaamd al-Khātib, vermeld in een zijn boek ‘al-Saik wa’l-Lahik’. Dezelfde ḥadīth is ook overgeleverd door Abû Hafs ibn Shāhīn in zijn boek ‘al-Nāṣih wa al-Mansūkh’.
De ḥadīth is overgeleverd van ʿĀ’ishah (رضي الله عنها). Zij vertelde:
"Wij waren samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tijdens de afscheids-Haj (Ḥaj al-Wadā’). We beklommen de heuvel Hījûn.
Hij huilde en was bedroefd, en ik huilde met hem mee. Toen schrok hij plotseling en stapte van zijn kameel. Hij zei tegen mij: ‘O Humayrah, houd de kameel vast.’ Ik hield de kameel stevig vast. Hij bleef lange tijd alleen. Daarna kwam hij bij mij terug, blij en lachend.
Ik vroeg hem: ‘Moge mijn moeder en vader voor jou opgeofferd worden, o Rasûlullāh. Toen je van de kameel stapte was je bedroefd en huilde je. Ik huilde met je mee. Daarna kwam je terug, vrolijk en glimlachend. Ik vraag me af wat er gebeurde?’
Hij antwoordde: ‘Ik ben naar het graf van mijn moeder Āminah gegaan. Ik smeekte tot Allāh dat Hij haar zou doen herleven en dat zij in mij zou geloven. Allāh heeft haar inderdaad doen herleven en zij heeft in mij geloofd.” (Ibn Shāhīn, al-Nāṣih wa al-Mansūkh, 656; al-Ḥātib al-Baghdādī, al-Saik wa’l-Lahik). In een andere overlevering staat: “Nadat zij in mij geloofd had, heeft Allāh haar weer teruggegeven aan haar graf.”
Deze laatste overlevering is die van al-Khātib. Suhaylī heeft in zijn boek ‘Rawdu’l-Unf’ hetzelfde verhaal overgeleverd via een isnād met onbekende of niet-geïdentificeerde overleveraars, waarin wordt gezegd dat ook de vader van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) samen met zijn moeder werd herrezen en in hem geloofd.[Zulke beweringen komen wel voor in sommige werken, maar ze hebben geen sterke of betrouwbare ḥadīth-basis volgens de klassieke ḥadīth-critici.]
Allāh weet het het beste, maar hier is geen sprake van tegenstrijdigheid. Deze gebeurtenis vond plaats lang na het verbod op vergiffenis vragen (istighfār) voor ouders die niet geloofden. Volgens de overlevering van ʿĀ’ishah (رضي الله عنها) gebeurde dit tijdens de afscheids- Ḥaj (Ḥaj al-Wadā’). Ibn Shāhīn bevestigt deze ḥadīth en ondersteunt hiermee de mening dat het verbod op istighfār voor kāfir ouders later werd gewijzigd.
Ik zeg, volgens een ḥadīth overgeleverd door Muslim vroeg een man eens aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “In welke toestand is mijn (overleden) vader nu?”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “In het Hellevuur (de Hel).”
Toen hij zag dat de man bedroefd was, (troostte hij hem) door te zeggen: "Mijn vader is zoals jouw vader.”
In de overlevering die is overgeleverd van Salamah bin Yezid (رضي الله عنه) staat: “Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ons zag, zei hij: “Mijn moeder is zoals jullie moeder.” (Muslim, 3/79; Ahmad b. Hanbal, 3/119; Abû Dâwud, 4692; Ibn Mâjah, 1573)
Dit kan ook juist zijn, aangezien er enkele overleveringen bestaan die suggereren dat zelfs de oom van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd herrezen en geloofde.
Sommige geleerden beschouwen deze aḥadīth echter als mawḍūʿ (verzonnen), omdat zij in tegenspraak zijn met de āyāt van de Qur’ān.
Allāh Jalla Jalāluhu zegt in de Qur’ān:
وَلَيۡسَتِ ٱلتَّوۡبَةُ لِلَّذِينَ يَعۡمَلُونَ ٱلسَّيِّـَٔاتِ حَتَّىٰٓ إِذَا حَضَرَ أَحَدَهُمُ ٱلۡمَوۡتُ قَالَ إِنِّي تُبۡتُ ٱلۡـَٰٔنَ وَلَا ٱلَّذِينَ يَمُوتُونَ وَهُمۡ كُفَّارٌۚ أُوْلَٰٓئِكَ أَعۡتَدۡنَا لَهُمۡ عَذَابًا أَلِيمٗا ١٨
En geen resultaat heeft het berouw van degenen die doorgaan met zondigen tot één van hen de dood in de ogen kijkt en zegt: “Nu heb ik berouw” noch van degenen die sterven terwijl zij ongelovig zijn. Voor hen hebben Wij een pijnlijke bestraffing voorbereid.
(Nisā 4: 18) Volgens dit āyah bereikt Allahs Barmhartigheid de mensen die als kāfirs zijn gestorven niet. Het heeft geen nut om du`ā’ voor hen te verrichten. Want als zelfs berouw op het moment van de dood niet meer wordt geaccepteerd, hoe zou berouw dan nog mogelijk zijn nadat iemand uit de dood is opgewekt?
Een ander bewijs dat zij aanvoeren is het volgende: Eens zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم):
“O, wist ik maar hoe mijn ouders behandeld werden!”
Naar aanleiding hiervan werd de āyah geopenbaard:
إِنَّآ أَرۡسَلۡنَٰكَ بِٱلۡحَقِّ بَشِيرٗا وَنَذِيرٗاۖ وَلَا تُسۡـَٔلُ عَنۡ أَصۡحَٰبِ ٱلۡجَحِيمِ ١١٩
Waarlijk, Wij hebben jou (Mohammed) met de Waarheid gestuurd, als een brenger van goed nieuws en als een waarschuwer. En jij zult niet ondervraagd worden over de bewoners van het laaiende vuur. (al Baqarah 2:119)
De ḥadīth-ḥāfiẓ Abû’l-Khattāb ʿUmar, beter bekend als Ibn Dihyah, legde deze ḥadīth als volgt uit: “Hier moet men over nadenken. Het kan zijn dat aan Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) een bijzondere behandeling is gegeven, want an-Nabī beschikt over bepaalde deugden en voorrechten die specifiek voor hem gelden. Het is dus mogelijk dat Allāh hem een dergelijke gunst heeft verleend, namelijk dat zijn ouders uit de dood zijn opgewekt en tot īmān zijn gebracht.”
Samengevat: het is niet uitgesloten dat Allāhu Taʿālā aan Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) een bijzondere gunst heeft verleend, namelijk dat zijn ouders zijn doen herleven zodat zij tot īmān zouden komen.
In de Qur’ān wordt vermeld dat een dode uit de Israëlieten werd herrezen om zijn moordenaar te identificeren:فَقُلۡنَا ٱضۡرِبُوهُ بِبَعۡضِهَاۚ كَذَٰلِكَ يُحۡيِ ٱللَّهُ ٱلۡمَوۡتَىٰ وَيُرِيكُمۡ ءَايَٰتِهِۦ لَعَلَّكُمۡ تَعۡقِلُونَ ٧٣
Toen zeiden Wij: “ Slaat hem (de dode) met een deel van haar (de koe). Zo brengt Allāh de doden tot leven en laat Hij jullie Zijn Tekenen zien, zodat jullie zullen begrijpen. (Baqarah 2:119)Ook wordt verteld dat ʿĪsā (عليه السلام) de doden deed herleven.
وَأُحۡيِ ٱلۡمَوۡتَىٰ بِإِذۡنِ ٱللَّهِۖ …en ik breng de doden met Allāh’s toestemming tot leven… (Ali Imrān 3:49)
Vergelijkbare overleveringen bestaan ook over Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Wij weten dat an-Nabī meerdere keren op soortgelijke wijze doden tot leven heeft gebracht (met Allāh’s toestemming). Aangezien al deze gebeurtenissen werkelijk hebben plaatsgevonden, is het ook niet onlogisch of onmogelijk te veronderstellen dat de ouders van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) herrezen zijn en tot īmān zijn gebracht.” Dit zijn de zegeningen die Allāh aan onze Nabī heeft geschonken.
De kwestie dat er in de Qur’ān staat dat van de ongelovigen (kāfirs) geen berouw wordt aanvaard, is niet relevant voor dit onderwerp of dat deze gebeurtenissen een uitzondering zijn op de genoemde āyāt.
Imām Ṭahāwī (رحمه الله) zegt: “Deze aḥadīth zijn betrouwbaar. Er zijn meerdere overleveringen dat tijdens het leven van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de ondergaande zon door zijn du`ā’ werd vertraagd en dat het tijdstip van de avond werd uitgesteld. Hoewel dit op het eerste gezicht in strijd lijkt met de āyāt, is er geen werkelijke tegenstrijdigheid, want dit gebeurde door de wil van Allāhu Taʿālā. Op dezelfde manier geldt dit ook voor het doen herleven van de ouders van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم); ook dat is een goddelijke beschikking. Er is hierbij geen sprake van iets dat in strijd is met de Qurʾān of van een opheffing (naskh) van een oordeel.”
Daarnaast moet men niet vergeten dat toen het volk van Yūnus (عليه السلام) de straf verdiende, hun bestraffing werd uitgesteld en hun berouw werd aanvaard:فَلَوۡلَا كَانَتۡ قَرۡيَةٌ ءَامَنَتۡ فَنَفَعَهَآ إِيمَٰنُهَآ إِلَّا قَوۡمَ يُونُسَ لَمَّآ ءَامَنُواْ كَشَفۡنَا عَنۡهُمۡ عَذَابَ ٱلۡخِزۡيِ فِي ٱلۡحَيَوٰةِ ٱلدُّنۡيَا وَمَتَّعۡنَٰهُمۡ إِلَىٰ حِينٖ ٩٨
Was er maar een stad geweest, behalve die van het volk van Yoenoes, die geloofde, opdat haar geloof haar zou baten.Toen zij geloofden, namen Wij de bestraffing van de vernedering in het wereldse leven weg, en schonken Wij hen genietingen tot een bepaalde tijd. (Yunus 10:98)
Allāhu Taʿālā is Degene die het verborgene weet, en Hij is Degene die het oordeel stelt.
1.5: Wat gezegd wordt bij het betreden van graven en het geoorloofd zijn van huilen op de begraafplaatsen
Van Buraydah b. Ḥāsib (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: "Eerder had ik jullie verboden graven te bezoeken. Nu mogen jullie ze bezoeken. Het bezoeken van graven is de (beste) raadgeving en een (wijze) les." (Nasā`ī, 1282 en Abû Dâwud)In een andere overlevering via dezelfde keten wordt gezegd:"Wie wil, kan de graven bezoeken, maar spreek geen slechte of zinloze dingen op de begraafplaats."Abû ʿUmar overlevert een andere ḥadīth van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما): "Wie langs het graf van zijn mu’min broeder loopt, laat hem zijn broeder salām geven en daarna zijn eigen salām zelf ontvangen."Een soortgelijke overlevering is overgeleverd van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), mauqūf (d.w.z. dat een of meer tussenliggende overleveraars worden overgeslagen en direct van de sahābah naar latere generaties wordt overgeleverd). In deze overlevering wordt toegevoegd: "Zelfs als men de overledene niet kent, laat men hem salām geven en daarna zijn eigen salām zelf ontvangen."
Van ʿĀ’ishah (رضي الله عنها) vroeg zij: “Wat moet ik zeggen wanneer ik begraafplaats betreed?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde:“As salām zij met de bewoners van deze graven, onder de mu’mins en de moslims. Moge Allāh Zich ontfermen over degenen onder ons die eerder zijn heengaan en degenen die later zullen volgen. In shā’ Allāh zullen wij ook spoedig bij jullie zijn.” (Muslim, 7/44; An-Nasā’ī, 4/93)Muslim overlevert dezelfde ḥadīth, met de toevoeging: “Ik wens voor ons als voor jullie vergeving van Allāh en een leven in rust en vrede.” (al-Bukhārī, 3/148; Muslim, 6/227)Eens zag Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een vrouw die luid huilde bij een begraafplaats. Hij zei tegen haar: "Vrees Allāh, (doe dit niet) en wees geduldig."
UitlegUit deze ahadīth kunnen verschillende juridische conclusies worden afgeleid.
Het is toegestaan voor zowel vrouwen als mannen om graven te bezoeken.
Men mag de overledenen begroeten met salām.
Aanvankelijk was het vrouwen verboden graven te bezoeken en daar te huilen, maar later werd dit toegestaan. De eerdere verboden waren gerelateerd aan het niet naleven van de grenzen van gepaste terughoudendheid (mahramiyah).
Vrouwen mogen graven bezoeken en daar huilen, maar zij mogen zich niet mengen onder de mannen, zich niet opzichtig kleden, zich niet opsieren of pronkzucht tonen, en zij mogen hun stem niet verheffen. Dit hebben wij eerder ook vermeld. Voor jonge en oudere vrouwen kunnen hierin specifieke regels gelden.
Een moslim mag (stilletjes) huilen bij het graf; dit is toegestaan, want het is een teken van verdriet (en medeleven). Het is ook toegestaan achter de overledene te huilen.
Wat verboden is, is niyāhah, dat wil zeggen openlijk rouwen, het uittrekken van haar, het luid jammeren of rebelleren. Alle geleerden zijn het erover eens dat niyāhah ḥarām is. De ḥadīth is als volgt: “Wie huilt om een overledene, hem verheerlijkt of klaagliederen zingt en muziek speelt achter een overledene, is niet een van ons.” (al-Bukhārī, 3/176; Ibn Mājah, 1586; An-Nasā’ī, 4/20). Deze overlevering is eveneens opgenomen in (Ṣaḥīḥ) Muslim.
Het is toegestaan om te huilen zonder te schreeuwen, zonder in opstand te komen (tegen Allāh) en zonder haren uit te trekken. Dit geldt zowel bij het graf als bij de overledene, omdat dit menselijk verdriet en mededogen uitdrukt. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) huilde zelf op deze manier toen zijn zoon Ibrāhīm overleed. (al-Bukhārī, 3/172)Het wordt ook overgeleverd dat ʿUmar (رضي الله عنه) waarschuwde met de woorden:"Zeg tegen deze vrouwen dat zij bij Abū Salmān (رضي الله عنه) niet moeten schreeuwen of roepen, geen aarde over hun hoofd en kleding moeten strooien, maar op een gepaste manier dienen te huilen.”
1. 6: Een mu’min sterft met het zweet op zijn voorhoofd
Van Buraydah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een mu’min sterft met het zweet op zijn voorhoofd." (Ibn Mājah, 1452; An-Nasā’ī, 4/6; Ahmad b. Ḥanbel, Musnad, 5/257) at-Tirmiḏī heeft deze ḥadīth overgeleverd en verklaarde dat het een ḥasan ḥadīth is. ( at-Tirmiḏī, 982)
Van Salmān al-Fārisî (رضي الله عنه), an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “ Let op drie kenmerken bij een stervende persoon: Als iemand transpireert, tranen in de ogen heeft en de neusgaten verwijden, wijst dit op de genade van Allāh. Als iemand snurkt als een kameel, een gelige teint heeft en schuim om de mond heeft (of de nek zweet), wijst dit op de bestraffing van Allāh. (Shawqānī, al-Fawāidu’i-Majmu`ah, 834) De beroemde geleerde Abû ʿAbdullah al-Hakîm, bekend als at-Tirmiḏī, citeerde deze ḥadīth in zijn werk Nawâdiru’l-Usûr en legde het als volgt uit:
Het zweet op het voorhoofd van de mu’min bij het sterven is als kafārah (boetedoening/vergeving) voor zijn zonden.
Sommige geleerden menen dat het voorhoofd zweet omdat de dienaar zich schaamt voor zijn zonden bij het verschijnen voor (het aangezicht van) Allāh. Op dat moment blijft alleen het gezichtsvermogen nog actief en kan het voorhoofd door zweet worden beïnvloed.
De kāfir is onachtzaam van zijn fouten en schaamt zich niet, daarom zweet zijn voorhoofd niet; zijn toestand verslechtert echter door het moeilijke moment.
Wij zeggen dat deze drie tekenen (zweet op het voorhoofd, vochtige ogen en verwijding van de neusgaten) niet altijd tegelijkertijd zichtbaar zijn. Mensen verschillen in hun situatie. Het zien van één teken duidt meestal ook op de aanwezigheid van de andere tekenen. Vaak hebben wij gezien dat tijdens het sterven slechts één van deze tekenen zich manifesteert, omdat niet ieders daden gelijk zijn.
Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه), an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een mu’min sterft met het zweet op zijn voorhoofd Het zweten van het voorhoofd tijdens de dood draagt ertoe bij dat de resterende zonden worden vergeven.”
1.7: De manier waarop mu’min en kāfir hun laatste adem uitblazen
Abû Nuaym overlevert … van ʿAbdullāh (رضي الله عنه), an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een mu’min sterft gemakkelijk, alsof hij zweet en een kāfir sterft moeizaam, zoals het sterven van een ezel.”De kleine moeilijkheden die de mu’min bij het sterven ervaart, is kafārah (boetedoening/ vergeving) voor zijn zonden. Het sterven van de kāfir kan daarentegen worden verlicht afhankelijk van zijn goede daden in deze wereld; Allāh kan het stervensmoment vergemakkelijken wanneer de kāfir bepaalde goede daden heeft verricht, aangezien er in het Hiernamaals voor hem geen beloning zal zijn. Zo ontvangt hij in sommige gevallen slechts een vergelding voor zijn wereldse daden op het moment van zijn sterven.
1.8: De dronkenschap van de dood (sakarât al-mawt) en wat er bij de dood met de mens gebeurt
Allāhu Taʿālā, heeft in vier āyāt sakarât al-mawt (de hevige pijnen, krampen of 'roes' van de dood, de moeilijke toestand die een stervende doormaakt vlak voor de rūḥ het lichaam verlaat) beschreven:
وَجَآءَتۡ سَكۡرَةُ ٱلۡمَوۡتِ بِٱلۡحَقِّۖ ذَٰلِكَ مَا كُنتَ مِنۡهُ تَحِيدُ ١٩
En de toestand van de dood (sakarât al-mawt) zal echt komen: “Dit is wat jullie wilden ontvluchten.” (Kaf, 19)
وَلَوۡ تَرَىٰٓ إِذِ ٱلظَّٰلِمُونَ فِي غَمَرَٰتِ ٱلۡمَوۡتِ وَٱلۡمَلَٰٓئِكَةُ بَاسِطُوٓاْ أَيۡدِيهِمۡ
…En als je kon zien wanneer de onrechtvaardigen in doodsangst verkeren als de Engelen naar hun handen reiken… (Anʿām, 93)
فَلَوۡلَآ إِذَا بَلَغَتِ ٱلۡحُلۡقُومَ ٨٣ Waarom bemiddelen jullie niet wanneer (de rūḥ van een stervende) de keel bereikt? (Wāqiʿa, 83)كـَلَّآ إِذَا بَلَغَتِ ٱلتَّرَاقِيَ ٢٦ Nee, wanneer (de rūḥ) het sleutelbeen bereikt. (al Qiyāmah 75:26)Van ʿĀ’ishah (رضي الله عنها) (vertelt over het sterftebed van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم):Tijdens zijn overlijden stond er een kom water voor hem. Hij dompelde zijn handen in het water en bevochtigde zijn gezicht. Toen zei hij: “Er is geen godheid behalve Allāh. Sakarât al-mawt is werkelijk.” (al-Bukhārī, 8/44; at-Tirmiḏī, 978; Ibn Mājah, 6/48, 274)Vervolgens hief hij zijn handen op en zei: “Fi’r-rifqi’l-aʿlā / Tot de grootste vriend” en blies zijn laatste adem uit. Daarna vielen zijn handen naast zijn zij.Van ʿĀ’ishah (رضي الله عنها): “Toen ik zag wat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bij zijn dood meemaakte, verloor ik elke hoop dat iemand gemakkelijk zal sterven.” (at-Tirmiḏī, 986; An-Nasā’ī, 4/7)
Van ʿĀ’ishah (رضي الله عنها): “Toen Rasûlullāh overleed, lag hij op mijn schoot. Nadat ik hem zo had gezien, verbaast het me niet meer dat iemand bij de dood zo veel moeilijkheden zal ervaren.” (al-Bukhārī, 8/140; An-Nasā’ī, 4/6,7; Ahmad b. Ḥanbel, Musnad, 2/46)Abû Bakr b. Abî Shaybah overlevert in zijn Musnad van Jābir b. ʿAbdullāh (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Neem een voorbeeld aan de zonen van Israël. Bij hen is veel om als les te nemen.” (at-Tirmiḏī, 2269; Ahmad b. Ḥanbel, Musnad, 2/159)Abû Bakr b. Abî Shaybah vertelt verder het volgende: Op een dag kwam een groep joden naar een begraafplaats. Ze zeiden: “Laten we bidden en smeekbeden verrichten. Moge Allāh ons enkele doden doen opstaan zodat zij ons over de dood vertellen.”Ze baden en verrichtten hun smeekbeden. Toen kwam er plotseling een man uit zijn graf. Hij was naakt en pikzwart. Tussen zijn ogen en op zijn voorhoofd waren de sporen van de sujûd (ter aarde werping). De aanwezigen vroegen: "Heb je iets dat je ons wilt vertellen?"De man antwoordde: "Ja, ik stierf honderd jaar geleden. Toch voel ik nog steeds de hitte van de dood en de effecten van wat ik tijdens mijn sterven meemaakte zijn nog steeds aanwezig. Bid dat Allāh mij teruggeeft zoals ik ben." (al-Fevā’id, 1/229)Abû Hudbah Ibrāhīm b. Hudbah overlevert van Anas b.
Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De sakarât al-mawt van de dienaar en wat hij tijdens het sterven ervaart, dringt tot in zijn merg. Daarna groeten de ledematen elkaar en nemen ze afscheid, en zeggen: ‘Vaarwel tot Yawmu’l Qiyāmah.”Ḥārith al-Muḥāsibī vermeldt in zijn werk ‘ar-Riʿāyah’ het volgende: Allāhu Taʿālā richtte zich tot Ibrāhīm (عليه السلام) met de oproep: “O Mijn geliefde (Khalīl)! Hoe is het om te sterven?”Ibrāhīm (عليه السلام) antwoordde: “Het is als het terugtrekken van een naald die in natte wol is gestoken.”Daarop zei Allāhu Taʿālā: “Dat is de makkelijke vorm, want Wij hebben de dood voor jou vergemakkelijkt.”
Toen de rūḥ van Mūsā (عليه السلام) was genomen, werd hij voor zijn Rab gebracht.Allāhu Taʿālā vroeg: “O Mūsā! Hoe heb je de dood ervaren?”Mūsā (عليه السلام) antwoordde: “Ik voelde mij als een levende duif die op een gloeiend hete plaat wordt gelegd: zij verbrandt, maar sterft niet; zij probeert weg te vliegen, maar kan niet.”In een andere overlevering zou Mūsā (عليه السلام) hebben gezegd: “Ik voelde mij als een ram die levend wordt gevild.”
ʿĪsā (عليه السلام) zei: “O mijn discipelen! Smeek tot Allāh zodat Hij de toestand van de sakarât al-mawt voor jullie verlicht.”Volgens de overleveringen is de dood zwaarder dan een slag met het zwaard, pijnlijker dan een snede met een lancet en moeilijker dan een klap met een knots.
Ḥāfiẓ Abū Nuʿaym vermeldt in zijn boek Ḥilyah een ḥadīth waarin Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Bij Degene in Wiens Hand mijn ziel is: het grijpen van de mens door de Malaku’l-Mawt is zwaarder dan duizend zwaardslagen.” (Ḥilyat al-Awliyāʾ, 5/186)Nadere toelichting hierover zal later volgen, in shā’ Allāh.
Ḥumayd aṭ-Ṭawīl overlevert van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Tijdens het sterven houden de engelen de mens vast en houden hem onder controle. Als zij dat niet deden, zou de mens door wat hij tijdens de dood ervaart over bergen en zeeën heen vluchten.”In een andere overlevering wordt gezegd: “Wanneer de Malaku’l-Mawt, nadat alle schepselen gestorven zijn, voor Allāh verschijnt, en terwijl Hij de rūḥ van de Malaku’l-Mawt neemt, zal Allāh hem vragen naar zijn toestand. Hij zal antwoorden: ‘Wat ik nu ervaar bij het nemen van mijn eigen rūḥ, is hetzelfde als wat ik ervaar wanneer ik de rūḥ van een mu’min neem.”Abū Bakr Ibn al‑ʿArabī vermeldt ook een ḥadīth via Shahr ibn Ḥushab, waarin wordt gezegd: “De gemakkelijkste dood is als een haak die in katoen zit: wanneer je de haak eruit trekt, komt er onvermijdelijk wat katoen mee.”Shahr vertelt verder: VanʿAmr b. ʿĀṣ (رضي الله عنه): Toen hij op zijn sterfbed lag, zei zijn zoon ʿAbdullāh: “O vader! Ik heb altijd gewenst om aanwezig te zijn bij iemand die verstandig en geleerd is op het moment dat hij sterft. Ik verlangde ernaar dat zo iemand mij over de dood zou vertellen.
Wil jij het mij uitleggen?” ʿAmr b. ʿĀṣ (رضي الله عنه) antwoordde: “Mijn zoon! Het voelt alsof mijn voorhoofd in een oven wordt verhit, alsof ik gif inadem. Het voelt alsof een naald via mijn voeten omhooggaat.”
Uitleg:O mensen! Dit is het moment om uit de slaap te ontwaken. Voordat de dood komt, moeten degenen die achteloos (en nalatig) zijn gewaarschuwd worden. Want eens zal elke beweging stoppen, de reis ten einde komen en ieder in het graf worden gelegd, op de plaats die hij verdient.ʿUmar b. ʿAbdulʿAzīz schreef aan enkele vrienden en gaf hen daarin advies. Eén van deze adviezen luidt als volgt: “(O mensen) let op! Ik raad jullie aan Allāh Jalla wa Jalālahu te vrezen en om gehoor te geven aan Zijn geboden. Let goed op jezelf; maak een zelfevaluatie van je nafs. Het enige dat de mens echt meeneemt (naar het Hiernamaals) is taqwā (godsvrucht/vroomheid) en war`a (voorzichtigheid, vroomheid, terughoudendheid in het vermijden van twijfelachtige zaken). Deze wereld waarin jullie leven is een huis waarvan men zo snel mogelijk van de inhoud verlost wil worden. Op het Mahshar-plein (plaats van verzameling op) Yawmu’l Qiyāmah zal Allāhu Taʿālā jullie zelfs vragen naar een stukje brood en een klein dadelstok (of een bakje gemaakt van de dadelpalm). Bij Allāh, dit is de werkelijkheid. Vergeet de dood niet, die onontkoombaar is en ongetwijfeld zal komen. Luister goed naar deze āyāt:
كُلُّ نَفۡسٖ ذَآئِقَةُ ٱلۡمَوۡتِۗ Elke ziel zal de dood proeven…
(Aali Imrān 3:185)ُلُّ مَنۡ عَلَيۡهَا فَانٖ ٢٦ Alles wat op aarde is zal vergaan. (Ar-Rahmān 55:26)فَكَيۡفَ إِذَا تَوَفَّتۡهُمُ ٱلۡمَلَٰٓئِكَةُ يَضۡرِبُونَ وُجُوهَهُمۡ وَأَدۡبَٰرَهُمۡ ٢٧ Hoe (zal het dan zijn) wanneer de Engelen hun arwāḥ bij de dood wegnemen, en op hun gezichten en hun ruggen slaan? (Muhammad 47:27)قُلۡ يَتَوَفَّىٰكُم مَّلَكُ ٱلۡمَوۡتِ ٱلَّذِي وُكِّلَ بِكُمۡ ثُمَّ إِلَىٰ رَبِّكُمۡ تُرۡجَعُونَ ١١Zeg (O Mohammed): “De Malaku’l-Mawt die over jullie beschikt zal jullie arwāḥ nemen. Dan zullen jullie tot jullie Heer gebracht worden.” (Sajdah 32:11)Volgens wat ik van (mijn leraren) heb vernomen, is het hoofd van de Malaku’l-Mawt in de hemelen en zijn voeten op de aarde (dat wil zeggen, hij is zo groot). Allāh weet het het beste, maar dit zijn de berichten die ons hebben bereikt. De hele wereld past in de handpalm van de Malaku’l-Mawt. Net zoals wij een bord in onze hand nemen om ervan te eten, houdt de Malaku’l-Mawt de wereld in zijn hand.Volgens de overleveringen die ons hebben bereikt, houdt de Malaku’l-Mawt de wereld als een ei in zijn hand, terwijl hij onafgebroken het land, de zeeën en de bergen gadeslaat en elk huis zevenhonderdmaal inspecteert. Tevens is ons overgeleverd dat de Malaku’l-Mawt helpers heeft. Alleen Allāh kent hun aantal en hun kracht.
Zelfs één van hen is, wanneer hem toestemming wordt verleend, in staat de hele wereld en de hemel in één hap te verzwelgen.Volgens onze geleerden, zoals wij bang zijn voor roofdieren, beven ook de andere engelen van angst voor de Malaku’l-Mawt. Wanneer de Malaku’l-Mawt de aarde nadert, trillen de engelen die de Troon dragen (hāmil al-ʿarsh) als een klein haartje.De Malaku’l-Mawt neemt de geest (rūḥ) van een mens weg, vanaf de wortels van zijn haren, uit zijn nagels en zelfs uit zijn bloed. Zelfs de angst in één enkel haartje van de stervende mens tijdens het overlijden is genoeg om de hele wereld te laten smelten. Zo krachtig en hevig trekt de Malaku’l-Mawt de rūḥ uit het lichaam.Wanneer de Malaku’l-Mawt de rūḥ van een mu’min neemt, behandelt hij deze goed en plaatst hij de rūḥ in een met musk gevulde plaats. De rūḥ van een kāfir daarentegen wordt in een zwarte, stinkende put geworpen, vergelijkbaar met de putten van de Hel.In de overleveringen wordt vermeld dat wanneer een mu’min sterft, vier engelen (helpers) zullen komen. Eén van deze engelen trekt de rūḥ uit het rechterbeen, en een ander uit het linkerbeen. De rūḥ van de mu’min wordt uit het lichaam genomen alsof een druppel water uit een kom wordt gegoten, (gemakkelijk en zacht). De rūḥ van een kāfir daarentegen wordt uit het lichaam genomen zoals een veiligheidsspeld uit katoen wordt gehaald. Deze engelen trekken de rūḥ tot aan de vingertoppen uit het lichaam.Imām Ghazālī bespreekt deze toestanden in zijn boek Kashfu ʿUlūmi’l-Ākhirah.Zo verloopt het sterven. O onoplettende en trotse mens! De sakarât al-mawt (doodsstrijd) is een realiteit. Terwijl sommigen zeggen: “Hij heeft zoveel bezit, zijn erfenis is zoveel, de erfgenamen zijn zoveel”, zegt iemand anders: “Zijn tong is verstijfd. Hij herkent zelfs zijn buurman niet. Hij kan niet met zijn broers spreken.” Zo is de toestand van degene die sterft. Tijdens het sterven hoort de mens zijn omgeving, maar hij kan niet antwoorden. Na zijn dood huilt zijn dochter bijvoorbeeld en zegt: “Vader!
Wie zal nu voor mij zorgen?” De overledene hoort dit zeker, maar kan nooit antwoord geven.Denk erover na! Ze zullen je van het bed waarop je ligt wegnemen.Ze zullen je neerleggen op de musallā, een koude plek.Daarna zullen ze je wassen.Daarna zal men je in de lijkwade (kafan) wikkelen.Je buren, zelfs je familie, zullen terugdeinzen en niet meer dicht bij je durven komen.Iedereen zal van een afstand huilen.Daarna zal degene die je wast zeggen:“O vrouw van deze overledene! Vanaf nu kun je hem niet meer benaderen.O wezen! Jullie zullen jullie vader niet meer kunnen zien.Hij heeft jullie voorgoed verlaten.”
UitlegIn de ḥadīth die is overgeleverd door ʿĀ’ishah (رضي الله عنها) wordt vermeld dat, toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overleed, er naast hem kruiken met water stonden, rakwa of ulba (of ilba) genoemd.Er is uitgebreide informatie over dit onderwerp te vinden in Ibn Fāris’ al-Muʿjamal en Jawharī’s al-Ṣiḥāḥ. Volgens sommige overleveringen was deze kruik een groot houten vat. Andere overleveringen beschrijven het als een leren kruik.Volgens een andere uitleg was de kruik aan de onderkant van leer en aan de bovenkant van hout gemaakt (een soort vat). Het lijkt op een kırba, maar dan rond. Dit werd ook wel us genoemd, een grote kruik. De taalkundige Abū Hilāl Ḥashān schrijft in zijn boek at-Taḥlīs dat de ulba een soort beker of karaf was, en dat een grotere versie ervan us werd genoemd.In de ḥadīth wordt ook vermeld: “Er is de sakarat al-mawt, de doodsstrijd of ‘dronkenschap’ van de dood.” Hiermee wordt verwezen naar de hevige en moeilijke toestand die iemand tijdens het overlijden ervaart.
UitlegOnze geleerden hebben gezegd dat de dood en de moeilijkheden die men tijdens het overlijden ervaart, zelfs alle profeten (anbiyā’) en vrome dienaren treft. Hoe kunnen wij dan zo gemakkelijk en onoplettend zijn?
Zoals Allāh zegt in de āyāt:قُلۡ هُوَ نَبَؤٌاْ عَظِيمٌ ٦٧ Zeg: “Dat is groot nieuws.أَنتُمۡ عَنۡهُ مُعۡرِضُونَ ٦٨ Waarvan jullie je afkeren! (Sād, 38:67-68)
De geleerden vermelden dat er twee wijsheden zijn waarom zelfs de anbiyā’ en rechtvaardige mensen zulke hevige ervaringen tijdens de dood ondergaan:
Om de mensen te laten begrijpen dat de dood een zeer moeilijke en ernstige gebeurtenis is. Veel mensen denken dat sommigen gemakkelijk sterven. Bijvoorbeeld iemand die plotseling overlijdt of tijdens het sterven geen beweging vertoont, wordt gedacht dat hij gemakkelijk sterft. In werkelijkheid is dit echter niet zo.
Maar wanneer de anbiyā’, geliefde dienaren van Allāh en dichtbij Hem, ondanks dat de dood voor hen zo is vergemakkelijkt, spreken over hoe hard en pijnlijk het sterven is, dan begrijpen de mensen eindelijk de ernst van de dood. Als zelfs de anbiyā’ zo sterven, wat moeten wij dan doen? Dit besef zet hen ertoe aan zich voor te bereiden op de dood en hun leven te verbeteren. De enige uitzondering hierop zijn de martelaren (shuhadā’’), over wie later gesproken zal worden.
Om de mensen ertoe aan te zetten zichzelf ermee te vergelijken. Want voor de anbiyā’ is de dood weliswaar vergemakkelijkt, maar desondanks hebben zij gesproken over de hevigheid ervan. Bovendien behoren de anbiyā’ tot de meest geduldige en verdraagzame mensen..
Als zelfs deze grote mensen zoveel moeite hebben met een vergemakkelijkte dood, hoe zouden wij, ongeduldige mensen, dan omgaan met onze zware dood? Als Allāh had gewild, zou Hij hen helemaal geen pijn hebben laten ervaren.Deze ḥadīth verduidelijkt de situatie en de wijsheid: “Onder de mensen zijn degenen die het meest lijden en tegenspoed ervaren, zijn de anbiyā’. Daarna volgen de andere mensen, naar gelang hun verdiensten.” (at-Tirmiḏī, 2398; İbn Mājah, 2024.; Ahmad b.
Ḥanbel, Musnad, 1/174)Imām al-Bukhārī en andere geleerden hebben uitgebreid over deze ḥadīth geschreven. Allāh heeft deze edele mensen beproefd zodat hun rang verhoogd wordt en zij verder kunnen groeien in volmaaktheid. Bovendien hebben de moeilijkheden, die zij in deze wereld hebben doorgemaakt, gediend als verzoening (kafārah) voor hun zonden en fouten, en hebben zij er extra beloning voor ontvangen. Dit heeft hun status en rang verder verhoogd.Zo zijn de moeilijkheden die de anbiyā’, de vrienden van Allāh en de mu’mins ervaren, geen tekortkomingen, maar juist deugd en genade. Deze geliefde dienaren van Allāh danken Hem en tonen geduld bij deze beproevingen; zij weten dat het een kans is om hun rang te verhogen. Bovendien stelt Allāh deze mensen als voorbeeld voor anderen. Op deze manier krijgen anderen richting en worden er prachtige voorbeelden gegeven van hoe men zich in moeilijke situaties behoort te gedragen.Bijvoorbeeld:
Ibrāhīm (عليه السلام) werd beproefd door in het vuur geworpen te worden;
Mūsā (عليه السلام) werd beproefd door angst en lange reizen;
ʿĪsā (عليه السلام) werd beproefd door ontberingen in de woestijnen;
Onze Nabī Muhammed (صلى الله عليه وسلم) werd beproefd door armoede en het bestrijden van de kāfirs.
Al deze beproevingen dienden om hun waardigheid in dit leven te bevestigen en hun rang in het Hiernamaals te verhogen. Hieruit mag niet worden afgeleid dat Allāh de slechte dienaren beter behandelt. Voor de kāfirs is er in het Hiernamaals een nog ernstiger straf. Bovendien leidt het leed dat de kāfirs in dit leven ondergaan niet tot vergeving van hun zonden of verhoging van hun rang; het is puur straf en wraak.
Daarom mogen de moeilijkheden van een mu’min en de beproevingen van een kāfir niet met elkaar worden vergeleken.
Hier kan de vraag opkomen: “Ervaart al het geschapene deze sakarât al-mawt?” Onze geleerden zijn het erover eens dat de belofte van Allāh waarheid is en dat elke ziel zeker zal sterven; dat de rūḥ van elk levend wezen zal worden weggenomen. De schepselen zijn ingedeeld in twee groepen volgens bepaalde criteria:
De eerste groep is de mens en de tweede groep is alle andere levende wezens buiten de mens
Alle levende wezens, inclusief de mens, zijn niet eeuwig levend; zij zijn later geschapen. De andere levende wezens buiten de mens zijn ook niet eeuwig: hun bestaan na de dood is óf afwezig óf tijdelijk. Na de dood is de mens daarentegen eeuwig en blijvend. Dat wil zeggen: wanneer de mens na de dood wordt opgewekt, zal hij nooit meer sterven.
Bovendien is aan de mens, naast de zintuigen, ook het intellect gegeven. Daarom verdelen we levende wezens in twee groepen: mens en niet-mens. Zo is de mens anders dan de andere levende wezens. Dit verschil impliceert dat hij anders zal worden behandeld. Imām Ghazālī legt de āyah:كُلُّ نَفۡسٖ ذَآئِقَةُ ٱلۡمَوۡتِۗ وَنَبۡلُوكُم بِٱلشَّرِّ وَٱلۡخَيۡرِ فِتۡنَةٗۖ وَإِلَيۡنَا تُرۡجَعُونَ ٣٥
Iedere ziel zal de dood ervaren. Wij zullen jullie testen (op jullie geduld en dankbaarheid) met zowel kwade als goede beproevingen (armoede, rijkdom, ziekte en gezondheid). En tot Ons zullen jullie terugkeren (voor de beloning). (Anbiyāʾ, 21:35) als volgt uit: uit de āyāt begrijpen we dat er drie soorten dood zijn voor levende wezens:
De dood van degenen die in de wereld leven (Dunyā).
De dood van degenen die in het geestelijke rijk (malakūt) leven, zoals engelen en djinn.
De dood van degenen die in het goddelijke rijk (jabbarūt) leven, de uitverkoren en grote engelen.
De eerste groep omvat Ādem (عليه السلام) en zijn nakomelingen, evenals alle andere levende wezens op aarde.
De tweede groep bestaat uit engelen en djinn, en ook zij zullen sterven.In het derde rijk bevinden zich de uitverkoren en grote engelen. Als bewijs dat engelen verschillende graden hebben, verwijzen we naar de āyah:ٱللَّهُ يَصۡطَفِي مِنَ ٱلۡمَلَٰٓئِكَةِ رُسُلٗا وَمِنَ ٱلنَّاسِۚ إِنَّ ٱللَّهَ سَمِيعُۢ بَصِيرٞ ٧٥
Allāh heeft Boodschappers uit Engelen en uit de mensen gekozen. Waarlijk, Allāh is Alhorend, Alziend. (Haj 22:75)Voorbeelden van deze uitverkoren engelen zijn de vier grote engelen (Jabrā`īl, Mikā`īl, Isrāfīl en de Malaku’l-Mawt), de engelen die de Arsh dragen, en de engelen die het Lauhi’l Mahfūz schrijven en bewaken: (عليهم السلام). Allāhu Taʿālā beschrijft deze uitverkoren engelen als volgt:وَلَهُۥ مَن فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِۚ وَمَنۡ عِندَهُۥ لَا يَسۡتَكۡبِرُونَ عَنۡ عِبَادَتِهِۦ وَلَا يَسۡتَحۡسِرُونَ ١٩
Aan Hem behoort alles wat in de hemelen en op de aarde is. En degenen die in Zijn nabijheid zijn, zijn niet te trots Hem te aanbidden, noch zijn zij vermoeid.
يُسَبِّحُونَ ٱلَّيۡلَ وَٱلنَّهَارَ لَا يَفۡتُرُونَ ٢٠
Zij verheerlijken dag en nacht Zijn lofprijzing en nooit zullen zij stoppen.
(Anbiyā 21:19-20)لَوۡ أَرَدۡنَآ أَن نَّتَّخِذَ لَهۡوٗا لَّٱتَّخَذۡنَٰهُ مِن لَّدُنَّآ إِن كُنَّا فَٰعِلِينَ ١٧
Als Wij de bedoeling gehad hadden om het als een tijdverdrijf te nemen, dan zouden Wij het beslist van Onze Zijde genomen hebben, als Wij dat zouden doen. (Anbiyā 21:17)
Zelfs deze grote engelen zullen, ondanks hun hoge status bij Allāh, sterven.Dicht bij Allāh zijn, voorkomt hen niet dat ze zullen sterven. De dood van de wezens in deze drie rijken is niet hetzelfde. Net zoals er verschillen zijn tussen de zintuigen en gevoelens van mensen en dieren, zo zijn er ook verschillen in hun dood. Evenzo, zoals engelen anders handelen dan mensen en andere dingen waarnemen en begrijpen, zo verschilt hun dood ook van de dood van de mens. Ook onder de mensen zijn er gradaties; zelfs onder de anbiyā’ bestaan er verschillen. Daarom zal niet iedereen op dezelfde manier sterven. Het verschil in rang tussen mensen en anbiyā’ wordt duidelijk uit de āyah:
تِلۡكَ ٱلرُّسُلُ فَضَّلۡنَا بَعۡضَهُمۡ عَلَىٰ بَعۡضٖۘ مِّنۡهُم مَّن كَلَّمَ ٱللَّهُۖ وَرَفَعَ بَعۡضَهُمۡ دَرَجَٰتٖۚ… ٢٥٣
Dat zijn de Boodschappers van wie Wij sommigen boven de anderen hebben uitverkoren; tegen sommigen van hen heeft Allāh gesproken; anderen heeft Hij in graden verheven… (al-Baqarah 2: 253)
Al deze verscheidenheid wijst op de macht en goedheid van Allāh. Zo heeft Allāh de dood voor Ibrāhīm (عليه السلام) vergemakkelijkt, zoals gezegd wordt: “Wij hebben deze dood voor jou gemakkelijk gemaakt, o Ibrāhīm.” Daarom bestaat er voor mensen geen dood die gemakkelijker is dan de dood van Ibrāhīm (عليه السلام). De reden hiervoor is de hoge positie die aan Ibrāhīm (عليه السلام) is toegekend. Toch heeft zelfs deze verheven rang zijn dood niet kunnen voorkomen. Dit is de belofte van Allāh, en die verandert niet. Zo zegt Allāh over het Paradijs van Naʿīm: “Waar je ook kijkt, zie je genietingen en een groot koninkrijk.” Daaruit blijkt dat het Paradijs van Naʿīm het hoogste Paradijs is. Net zoals dit een vaststaande waarheid is, zo is ook de realiteit van de dood onveranderlijk voor wie dan ook. Allāh weet het het beste.
UitlegHet kernpunt is als volgt: de dood is zwaar en moeilijk. Het is iets waar niemand blij van wordt, maar waar niemand aan kan ontsnappen; iedereen zal sterven. Ook rechtschapen mensen, anbiyā’ en engelen zullen de dood ervaren en moeilijkheden ondervinden bij hun sterven. Er bestaan echter gradaties: de intensiteit van de dood kan verschillen van persoon tot persoon, en niet iedereen zal hetzelfde lijden ervaren. Dit betekent echter niet dat de dood licht of eenvoudig is.Tijdens het sterven voelt de mens de dood met al zijn intensiteit en al zijn gewaarwordingen. Er wordt verteld dat ʿAlī (رضي الله عنه) eens water wilde drinken. Toen hij het vat oppakte en zei: “Wie weet hoeveel mensen uit dit vat hebben gedronken? En wie weet hoeveel levende wezens dit water door hun lichamen hebben laten stromen?”Op een andere dag vochten twee mannen om een stuk land. Allāhu Taʿālā wilde deze mensen leiding/les geven en zij hoorden een stem van achter de muur zeggen: “Jullie twee! Waarom blijven jullie vechten? Ik was de oorspronkelijke eigenaar van dit land. Ik had meer land dan jullie en bestuurde het hier een tijd lang. Maar daarna stierf ik en werd ik tot aarde.
Het is nu duizend jaar geleden dat ik stierf, en dit land bleef zoals het was. Vervolgens kwamen er opnieuw mensen zoals jullie, om met elkaar te vechten. Met Allahs toestemming vertelde ik hen hetzelfde verhaal. Daarna verstreken opnieuw duizend jaar en opnieuw gebeurde hetzelfde. Ik verscheen weer en vertelde hen wat ik jullie nu vertel. Dus vertel mij: waarom vechten jullie eigenlijk?”Volgens onze geleerden vergaan of veranderen de lichamen van mensen, maar hun arwāh (m.v. van rūḥ) blijven voortbestaan. De rang en het oordeel van de rūḥ is immers van een andere orde. Allāhu Taʿālā zegt in de āyah:قَدۡ عَلِمۡنَا مَا تَنقُصُ ٱلۡأَرۡضُ مِنۡهُمۡۖ وَعِندَنَا كِتَٰبٌ حَفِيظُۢ ٤Wij weten wat de aarde van hen zal wegnemen en aan Onze zijde is een Boek dat nauwkeurig bijgehouden wordt. (Qāf, 50:4)
قَالَ فَمَا بَالُ ٱلۡقُرُونِ ٱلۡأُولَىٰ ٥١ (Farao) zei: “Hoe staat het dan met de vroegere generaties?”
قَالَ عِلۡمُهَا عِندَ رَبِّي فِي كِتَٰبٖۖ لَّا يَضِلُّ رَبِّي وَلَا يَنسَى ٥٢
(Mūsā (عليه السلام) antwoordde: “De kennis over hen is bij mijn Heer in een Boek. Mijn Heer maakt geen fouten en vergeet niets.” (Tāhā, 20:51-52)
1.9: De dood als boetedoening (kafārah ) voor de zonden van de mu’min
De moeilijkheden en ziekten die een mu’min tijdens het sterven ervaart, dienen als boetedoening (kafārah ) voor zijn zonden. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ziekten en andere beproevingen zijn een kafārah voor de zonden van een mu’min. Met elke beproeving die de mu’min treft, wist Allāh zijn zonden uit zoals vuur een blad verteert.” (al-Bukhārī, 10/120; Ahmad b. Ḥanbel, Musnad, 1/144; Muslim, 16/126)Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullah (صلى الله عليه وسلم ) zei: “Wanneer Allāh een dienaar goedheid wil doen, stuurt Hij beproevingen naar die dienaar.” (al-Bukhārī, 10/103; Aḥmad b. Ḥanbal 2/238)In een andere Hadīth Qudsī zegt Allāhu Taʿālā: “Om te voorkomen dat er zonden van Mijn dienaar in deze wereld achterblijven, beproef Ik hem met ziekten. Ik beproef hem met zijn familie. Ik belast hem andere moeilijkheden, zoals zorgen over het levensonderhoud. Soms beperk Ik zijn voorziening. Op deze manier wis Ik met elke beproeving zijn zonden uit. En als er daarna nog zonden overblijven, stel Ik hem tijdens zijn sterven op de proef, zodat hij de wereld verlaat in een zuivere staat, zoals op de dag waarop hij werd geboren.” Ik zeg: voor degenen die Allāh niet welgevallig zijn en Hem niet behagen, geldt juist het tegenovergestelde. Zoals overgeleverd is:
“Maar de dienaar die Ik wil bestraffen, geef Ik juist gezondheid en welzijn. Ik tref hem niet met ziekte. Ik geef hem ruim levensonderhoud; zijn leven verloopt gemakkelijk en hij leeft in voorspoed. Ik beproef hem niet met moeilijkheden binnen zijn familie. En als er dan nog een beloning voor hem over zou zijn, maak Ik zijn dood licht voor hem. Zo blijft er voor hem in het Hiernamaals geen beloning meer over. Dan is er niets meer dat hem tegen het Hellevuur beschermt, want hij heeft zijn volledige aandeel al ontvangen.” Een authentieke overlevering van Ubayd b. Ḥalīd (رضي الله عنه), die aanwezig was bij de preken van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), vermeldt: “Een plotselinge dood is een ramp voor de kāfir.” (Abû Dâwûd 3094; Aḥmad b.
Ḥanbal 3/424; Ṭirmidzī 979)Van ʿĀ’ishah (رضي الله عنها): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een plotselinge dood is genade voor de mu’min, maar een ramp voor de kāfir.” (at-Tirmiḏī, 979; Ahmad b. Ḥanbel, Musnad, 6/136.)Van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما): Dāwūd (عليه السلام) is plotseling overleden. Het was op een zaterdag. Van Zayd ibn Aslam, de vrijgelatene van ʿUmar (رضي الله عنه): “Wanneer een mu’min sterft terwijl hij nog zonden heeft, maakt Allāh zijn dood zwaar. De sakarāti’l mawt zuivert hem van zijn zonden en verhoogt zijn rang in het Paradijs. Een kāfir daarentegen die in het wereldse leven een goede daad heeft verricht maar de beloning daarvoor nog niet heeft ontvangen, zal een gemakkelijke dood ervaren. Zo ontvangt hij in deze wereld alsnog de beloning voor zijn goede daden voordat hij het Hiernamaals binnengaat. Daarna zal hij de Hel binnentreden”. Abū Muḥammad ʿAbdulḥaq heeft deze overlevering eveneens bevestigd.Abū Nuʿaym … van ʿAbdullāh (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De rūḥ van de mu’min verlaat het lichaam terwijl zijn voorhoofd zweet. De rūḥ van de kāfir wordt daarentegen weggenomen zoals de rūḥ van een ezel.Als de mu’min nog zonden heeft, wordt zijn dood iets moeilijker gemaakt. Deze moeilijkheid dient als kafārah voor zijn zonden.Als de kāfir echter nog een goede daad heeft uit het wereldse leven, wordt zijn dood iets vergemakkelijkt.
Zo ontvangt hij van Allāhu Taʿālā wat hem toekwam, en blijft er voor hem (in het Hiernamaals) niets meer over.” Ook Abū Muḥammad ʿAbdulḥaq heeft deze ḥadīth vermeld.ʿAbdullāh ibn al-Mubārak (رحمه الله) overlevert van Abū Dardāʾ (رضي الله عنه):“De meest voortreffelijke dood is de dood van degene die ernaar verlangt zijn Rab te ontmoeten.”En hij zei: “De beste ziekte is die welke als kafārah dient voor zonden.De mooiste vorm van armoede is die welke een mens nederig maakt tegenover Allāh.”
1.10: Tijdens het sterven: Allāh vrezen en tegelijk Zijn genade hopen
Van Jābir b. ʿAbdullāh (رضي الله عنه), hij zei: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei drie dagen vóór zijn overlijden: “Sterf niet zonder het goede te wensen van Allāh en zonder hoop te koesteren op Zijn genade.”(Muslim 17/209; Abû Dâwûd 3097; Ibn Mājah 4167; Aḥmad b. Ḥanbal 3/293). Deze ḥadīth is ook door Bukhârî overgeleverd.Ibn Abî Dunyā vermeldt in zijn boek “Het koesteren van een positieve verwachting van Allāh” een soortgelijke overlevering en voegt eraan toe dat sommige mensen ten gronde gingen omdat ze geen vertrouwen hadden in de genade van Allāh en verkeerde gevoelens jegens Hem koesterden. Deze āyah refereert daarna:وَذَٰلِكُمۡ ظَنُّكُمُ ٱلَّذِي ظَنَنتُم بِرَبِّكُمۡ أَرۡدَىٰكُمۡ فَأَصۡبَحۡتُم مِّنَ ٱلۡخَٰسِرِينَ ٢٣En die gedachten van jullie die jullie over jullie Heer koesterden, heeft jullie tot de vernietiging gebracht en daarom behoren jullie tot de verliezers. (Fussilat 41:23)
Van Anas (رضي الله عنه): Eens bezocht Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een stervende jongeman en vroeg: “Hoe zie je jezelf?”De jongeman antwoordde: “Ik vrees Allāh, want mijn zonden zijn veel. Maar ik vertrouw ook op de genade van Allāh.”Waarop Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Zo hoort het hart van de mu’min te zijn. Als het hart van een mu’min deze twee gevoelens verenigt (angst en hoop) dan redt Allāh hem van wat hij vreest en brengt Hij hem tot wat hij hoopt.” (Ibn Mājah 4261; Ṭirmidzī 983) (Ibn Abî Dunyā; at-Tirmiḏī beoordeelt deze ḥadīth als ḥasan gharīb)
Sommige bronnen melden dat deze hadīth als mursal overgeleverd is van Sābit (een van de Tābiʿīn). Hakīm Ṭirmidzī heeft deze hadīth ook opgenomen in zijn boek Nawādiru’l-Usūl, hoofdstuk 86: … van Ḥasan (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: Onze Rab heeft gezegd: ‘Ik laat een dienaar nooit volledig in angst of volledig in geruststelling. Als hij in deze wereld angstig is, zal Ik hem veilig maken in het Hiernamaals.
En als hij zich in deze wereld veilig waant, zal hij in het Hiernamaals met angst worden geconfronteerd
Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), Resulullah (صلى الله عليه وسلم) vertelde over het du`ā’ (du`ā’) van Mūsā (عليه السلام) en gaf door dat Allāhu Taʿālā hem als volgt heeft beantwoord: “O Mūsā! Wanneer een dienaar voor Mij verschijnt in het Hiernamaals en hij behoort tot degenen die taqwā (godsvrucht) en warāʾ (eerbied/terughoudendheid) hebben, dan bevoorrecht Ik hem, vergemakkelijk zijn afrekening, onderzoek Ik zijn daden niet streng, verhoog Ik zijn rang, schenk Ik hem eer, en plaats Ik hem in het Paradijs met overvloedige zegeningen.” (Takrīb 5126)
Hieruit blijkt dat wie in dit wereldse leven schaamt tegenover Allāh en Hem vreest, op Yawmu’l Qiyāmah door Hem beschermd zal worden. Zijn tekortkomingen zullen niet volledig worden blootgelegd. Zo hoeft de dienaar die zich in deze wereld schaamt, zich in het Hiernamaals niet te schamen. Degene daarentegen die zich in deze wereld niet schaamt, zal in het Hiernamaals vernederd worden.
De zuivere en oprechte gevoelens die een dienaar voor Allāh heeft, dienen bij het naderen van de dood krachtiger te zijn dan ooit tijdens zijn leven. Op dat moment dient zijn vertrouwen in de barmhartigheid van Allāh te overheersen en dient hij zich volledig te richten op het vragen om vergeving. Ook degenen die aanwezig zijn bij iemand die stervende is, dragen hierin verantwoordelijkheid: zij dienen hem te herinneren aan de genade, vergevingsgezindheid en mildheid van Allāh, zodat hij zijn Rab met hoop en vertrouwen tegemoetgaat.
Een hadīth Qudsī zegt hierover: “Hoe Mijn dienaar Mij ziet en welke gevoelens hij jegens Mij koestert, zo zie Ik Mijn dienaar ook en koester Ik dezelfde gevoelens jegens hem. Laat Mijn dienaar Mij dus zien zoals hij Mij wil zien.” (al-Bukhārī 13/384; Muslim 17/11; Ṭirmidzī 24/33; Aḥmad b. Ḥanbal 2/315; Ibn Mājah 3822)
Van Anas b.
Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Koester mooie gevoelens jegens Allāh wanneer je Hem nadert en hoop op Zijn genade. Wie goede gedachten over Allāh koestert, zal het Paradijs binnengaan.” (Kanzu’l-`Ummāl 2126; Ibn Abī Dunyā 29, 30, 34)
Abdullāh b. ʿUmar (رضي الله عنهما) zei: “De kern van de Islām en het hoogste niveau van het geloof (īmān) is een goed vermoeden van Allāh. Wie sterft met goede gedachten over Allāh, zal het Paradijs binnengaan, en Allāh zal hem van alle angsten beschermen.”
Abdullāh b. Masʿūd (رضي الله عنه) zei: “Wie mooie gevoelens voor Allāh koestert en Hem om goede dingen vraagt, Allāh zal hem mooie dingen geven en hem goed behandelen.”
Abdullāh b. ʿAbbās (رضي الله عنهما) zei: “Wanneer je bij iemand bent die op het punt staat te sterven, herinner hem dan aan de genade van Allāh. Spoor hem aan Allāh om vergeving te vragen en leg uit dat Zijn berouw wordt aanvaard. Zolang hij nog leeft, wees streng en waarschuw de mensen voor de goddelijke straf.” (Ibn Mubārak, Zuhd, 441)
Fudayl zei: “Wanneer iemand gezond is, is vrees boven hoop voortreffelijker. Maar als de dood nadert, is hoop boven vrees voortreffelijker.”
Mutamīr vertelt het volgende: “Toen mijn vader op zijn sterfbed lag, gaf hij ons het volgende mee: “Mijn zoon Mutamīr, spreek tot mij over de barmhartigheid van Allāh en over de gemakken en verlichting die Hij Zijn dienaren schenkt. Misschien komt mijn hart dan tot rust en wordt mijn hoop op Zijn genade sterker.” (İbni Ebi Dunyā, 29)
Ḥusayn heeft van Ibrāhīm (al-Nakhā’ī) gehoord: “Wanneer iemand in zijn laatste momenten verkeert, herinner hem dan aan het goede dat hij heeft gedaan. Dat wakkert hoop aan, versterkt zijn liefde voor Allāh en opent zijn hart voor vertrouwen in Zijn genade.
Zo groeit zijn verlangen naar de goddelijke barmhartigheid en wordt zijn berouw oprechter en dieper.” (İbni Ebi Dunyā, 30)
Sābit al-Bunnānī vertelt: “Er was een jongeman die veel dronk. Toen hij op sterven lag, begon zijn moeder bij hem te huilen: “Mijn kind, ik heb je zo vaak gewaarschuwd, maar je hebt deze gewoonte niet laten varen.”De zoon antwoordde: “O moeder, ik heb zonden, maar ook enkele goede daden. Er is straf van Allāh, maar er is ook Zijn genade. Vandaag vertrouw ik op Allāh’s genade.” Sābit zegt dat Allāh deze jongeman vanwege zijn goede vermoeden (ḥusn al-zan) heeft vergeven. (İbni Ebi Dunyā, 34)
Op een dag vertelde ʿUmar ibn Zur, terwijl Ibn Abī Dāwūd en Abū Ḥanīfah (رحمهم الله) aanwezig waren: “O mijn Rab! Zolang het geloof in Tawḥīd in ons hart leeft, zult U ons niet straffen. O Allāh, wees ons dan genadig.”
Zayd ibn Aslam vertelt: “Op Yawmu’l Qiyāmah wordt een man naar Allāh gebracht. Allāh beveelt: ‘Gooi deze man in de Hel.’ De man zegt: ‘O mijn Rab! Wat is er dan gebeurd met mijn ṣalāh en mijn vasten?’ Allāh zegt: ‘Zoals jij in het wereldse leven mensen het vertrouwen in Mijn genade hebt ontnomen, zo ontneem Ik jou vandaag Mijn genade.”Zoals in de Qur’ān staat:قَالَ وَمَن يَقۡنَطُ مِن رَّحۡمَةِ رَبِّهِۦٓ إِلَّا ٱلضَّآلُّونَ ٥٦(Ibrahim) zei: “En wie wanhoopt van de genade van zijn Heer behalve die afgedwaald is?” (Hijr, 15:56)Over de gebeurtenissen van het Hiernamaals zullen we insha’Allāh later meer uitleg geven.
1.11: Kalim-i Tawḥīd (de getuigenis van Allahs eenheid) aan de stervende herinneren (talqīn)
Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Raad/herinner (talqīn: voorzegen) de stervende tot het zeggen van Lā ilāha illā Allāh .” (Muslim, 6/219; Ahmad b. Ḥanbel, Musnad, 3/3; Abû Dād, 3101; at-Tirmiḏī, 976; İbni Mājah, 1445)
Van ʿUthmān ibn ʿAffān (رضي الله عنه) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer de dood nadert, herinner de zieke aan de Kalim-i Tawḥīd. Want wie zijn laatste woord Lā ilāha illā Allāh is, nadert het Paradijs.”ʿUmar (رضي الله عنه) zei: “Breng de stervende tot het zeggen van Lā ilāha illā Allāh en herinner hem eraan, want de stervenden zien wat jullie niet zien.” (İbni Abi Shaybah, Musannaf, 3/237)
Van Wāsılah b. al-Awsā’ (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Breng de stervende Kalim-i Tawḥīd bij en vertel hem over het Paradijs. Breng hem de blijde tijdingen met het Paradijs. Zelfs een dienaar met kennis en wijsheid wordt bij het sterven verwonderd en verward. Want de shaytān is op het moment van de dood het dichtst bij de mens. Bij Allāh, de druk van de Malaku’l-Mawt op de mens tijdens het sterven is sterker dan duizend zwaardsteken. Bij Allāh, de mens geeft zijn rūḥ pas af als hij de dood in al zijn aderen en zelfs in zijn haren voelt.” (Abû Nuaym, Hilyah, 5/186)
Deze ḥadīth wordt als zeldzaam (gharīb) beschouwd en wij accepteren dit slechts via de overleveringsketen van Ismāʿīl.
Onze geleerden zeggen dat het herinneren van de Kalima-i Tawḥīd aan de stervende een door de gemeenschap erkende sunnah is (maʾshūr sunnah). Dit is zodat elke mu’min zijn laatste woorden Lā ilāha illā Allāh kan uitspreken en zijn leven in geluk kan beëindigen. Het valt ook onder de algemene uitspraak van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Voor degene wiens laatste woorden Lā ilāha illā Allāh zijn, zal het Paradijs binnengaan.” (Ahmad b. Ḥanbel, Musnad, 5/233; Abû Dāwûd, 3100)
Abū Dāwūd heeft hetzelfde ḥadīth ook van Muʿādh b. Jabal (رضي الله عنه) overgeleverd. Ebū Muḥammad ʿAbdulḥāq bevestigt eveneens deze overleveringen.
Zoals later zal worden uitgelegd, probeert de shaytān de stervende mu’min te beïnvloeden en van zijn geloof (īmān) af te brengen. Daarom is het van groot belang om de stervende mu’min te ondersteunen met het gedenken van Allāh en hem op de juiste manier te begeleiden.
Wanneer een persoon in de staat van overlijden verkeert, wordt hem eenmaal de Kalima-i Tawḥīd (talqīn) bijgebracht. Als hij het uitspreekt, wordt er niet verder op aangedrongen om hem niet te overbelasten. Als de persoon het echter herhaalt of begrijpt, hebben de geleerden van kennis (ʿulamāʾ) het herhaaldelijk aandringen bij de stervende als afgeraden (makrūḥ) beschouwd.
Abdullāh İbn al-Mubārak adviseerde: “Herinner de Kalima-i Tawḥīd bij de overledene. Als hij het samen met jullie uitspreekt, stop dan met de talqīn.”
Abū Muḥammad ʿAbdulḥāq voegt hieraan toe: “De geleerden beschouwen herhaald aandringen bij talqīn als makrūḥ, om de stervende niet afkerig te maken. Want op dat moment kan de shaytān de stervende verleiden met insluipen van twijfel/fluistering (waswās). Als jullie hem dan irriteren, kan de stervende door de invloed van de shaytān in opstand komen. Het advies en de praktijk van Abdullah İbn al-Mubārak was precies zo.”
Ḥāşan b. Isā vertelt dat Abdullah İbn al-Mubārak ons het volgende had aangeraden:
“Wanneer ik op sterf lig, herinner mij de Kalima-i Shahādah, maar dring niet aan. Als ik de shahādah kan uitspreken, zeg mij dan verder niets en laat mij niet spreken, zodat mijn laatste woorden de shahādah zijn.”
Allāh kijkt naar het hart, maar het is ook nodig dat de persoon uitspreekt wat daarin leeft. Hoewel het innerlijk centraal staat, is het belangrijk om zichtbaar te maken wat men gelooft, want anderen kunnen niet zien wat er in het hart omgaat.
Daarom moet de stervende de shahādah met de mond uitspreken, zodat mensen dit kunnen horen en er lering uit kunnen trekken.
Abū Nuaym vermeldt een belangrijk detail: het talqīn, het bijbrengen van de Kalima-i Tawḥīd, kan ook op een indirecte manier gebeuren, bijvoorbeeld door de ḥadīth voor te lezen in plaats van deze rechtstreeks tot de stervende te richten.
Er wordt hierover het volgende verhaal verteld: Abû Zur’a lag op sterven. Naast hem waren Abû Hatim, Muhammad bin Salamah, Munzir bin Shazan en andere geleerden aanwezig. Een van de geleerden las een ḥadīth voor die betrekking had op talqīn, maar niemand durfde Abû Zurʿa direct de talqīn bij te brengen, uit respect voor hem en uit terughoudendheid om hem in zijn laatste momenten iets te onderwijzen.
Abû Zur’a merkte dit op en zei:“Vrienden, kom dichterbij en vertel mij over de overleveringen betreffende talqīn.”
Daarop nam Muhammad bin Salamah het woord: “… van Muaz bin Jabal (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Voor degene wiens laatste woorden Lā ilāha illā Allāh zijn, zal (uiteindelijk) het Paradijs binnengaan.”
Een andere overlevering voegt hieraan toe: ‘(Voor degene wiens laatste woorden Lā ilāha illā Allāh zijn), verbiedt Allāh dat hij (voor altijd) in de Hel verblijft.”
Na het voorlezen van deze ḥadīth stierf Abû Zur’a.
Abdullah bin Shibrimah vertelt: Wij gingen samen met Amir as-Sa’bî op bezoek bij een zieke die op het punt van sterven lag. Er was een man bij hem die hardnekkig probeerde talqīn te herinneren. Sha’bi waarschuwde de man: “Rustig aan, dring niet aan.”
De zieke zei daarop: “Of jullie mij nu talqīn herinneren of niet, ik zal de Kalima-i Tawḥīd niet verlaten.” Vervolgens reciteerde hij dit āyah uit de Qur’ān:
إِذۡ جَعَلَ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ فِي قُلُوبِهِمُ ٱلۡحَمِيَّةَ حَمِيَّةَ ٱلۡجَٰهِلِيَّةِ فَأَنزَلَ ٱللَّهُ سَكِينَتَهُۥ عَلَىٰ رَسُولِهِۦ وَعَلَى ٱلۡمُؤۡمِنِينَ وَأَلۡزَمَهُمۡ كَلِمَةَ ٱلتَّقۡوَىٰ وَكَانُوٓاْ أَحَقَّ بِهَا وَأَهۡلَهَاۚ وَكَانَ ٱللَّهُ بِكُلِّ شَيۡءٍ عَلِيمٗا ٢٦
(Gedenk) Toen degenen die niet geloofden trots en hooghartigheid in hun hart plaatsten, de trots en de hooghartigheid van de tijd van de onwetendheid, toen liet Allāh Zijn kalmte en rust over Zijn Rasûl en over de mu’mins neerdalen, en deed hen het woord van rechtvaardigheid nakomen. En zij hadden hier alle bevoegdheid toe en zij er geschikt voor. En Allāh is Alwetend over alle zaken. (Fetih, 48:26)
Toen men bij het sterfbed van Junayd-i Baghdadi hem aanspoorde (talqīn) met de woorden: “Zeg Lā ilāha illā Allāh,” antwoordde hij: “Zijn we het dan vergeten dat jullie ons nu eraan herinneren?”
Wij zeggen: hoe vertrouwd iemand ook is met dhikr of hoe geleerd hij ook mag zijn, het blijft noodzakelijk om talqīn te herinneren. Zoals de eerder genoemde ḥadīth zegt:
“Bezoek degenen die op het sterfbed liggen. Wees bij hen tijdens het sterven. Herinner hun de talqīn en moedig hen aan Lā ilāha illā Allāh te zeggen. Breng hen het goede nieuws van het Paradijs. Want zelfs mannen en vrouwen die kennis bezitten, raken tijdens het sterven in verwarring. Dit is ook het moment waarop shayṭān het dichtst bij de mens is.
Bij Allāh, de druk waarmee de Malaku’l-Mawt de mens tijdens het sterven vastgrijpt, is heviger dan duizend zwaardsteken. En bij Allāh, de dienaar geeft zijn rūḥ niet over voordat hij de dood in al zijn aderen heeft gevoeld, ja zelfs tot in zijn haren.”
Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه) Resulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “De Malaku’l-Mawt komt bij een man en kijkt in zijn hart, maar kan het geloof (īmān) niet zien. Vervolgens splijt hij de kin van de man in tweeën en ziet dat één kant van de tong beweegt en Lā ilāha illā Allāh zegt. Door deze getuigenis schenkt Allāhu Ta’ala hem genade en vergiffenis.” (Bayhaqi, Şa’bul İman,9235)
Ibni Abî Dunyā vermeldt deze ḥadīth in zijn werk al-Muhtadarīn. Ook Tabarani heeft een overlevering in deze context opgenomen. Later, bij de bespreking van het Paradijs, komen er in dit boek nog meer overleveringen over dit onderwerp.
1.12: Het achterwege laten van zinloze gesprekken bij een stervende en het uitspreken van het goede (khayr)
Van Ummu Salamah (رضي الله عنها): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer je bij een zieke bent (die op het punt van sterven ligt) of bij iemand die is overleden, (spreek dan het goede (khayr) en zeg goede dingen over hem. Want de engelen vertrouwen op wat jullie zeggen (d.w.z. zij aanvaarden jullie getuigenis).”(Muslim, 6/222; Ahmad b. Ḥanbel, Musnad, 6/306; at-Tirmiḏī, 977; İbn Mājah, 1477.)
Toen Ummu Salamah (رضي الله عنها)’s echtgenoot Abû Salamah overleed, kwam an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) naar haar en vertelde haar dat haar man was overleden. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg haar daarop: “Doe (de volgende) du`ā’ voor hem: ‘O mijn Rab! Vergeef hem en vergeef mij. Maak ook mijn resterende leven gemakkelijk.”
Ummu Salamah (رضي الله عنها) vertelde dat haar du`ā’ werd aanvaard en dat zij later met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) is getrouwd.
Een andere overlevering van Ummu Salamah (رضي الله عنها) vermeldt ze het volgende: Toen (mijn man) Abû Salamah overleed, was Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de eerste die kwam. Hij sloot de ogen van Abû Salamah en bond zijn kaken vast (zodat de mond niet openvalt), en zei toen: “Wanneer de rūḥ wordt weggenomen, blijven de ogen haar volgen.” (Muslim, 6/222; Ahmad b. Ḥanbel, Musnad, 4/125 ve 6/297; İbni Mājah, 1454.)
Daarna kwam de familie en begon te huilen en klaagliederen te zingen. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf hen de volgende raad: “(Gedenk jullie overledenen in het goede) en verricht ook goede du`ā’ voor jezelf (spreek geen vloek uit over jezelf). Want de engelen aanvaarden jullie woorden als getuigenis.”
Vervolgens sprak hij de volgende du`ā’ uit: “O Allāh! Ontferm U over Abû Salamah, verhoog zijn rang onder de mu’mins, help degenen die hij achterlaat, O de Rab van alles wat bestaat! Wees genadig voor ons en voor hem, verruim zijn graf en verlicht het.” (Muslim, 920)
Onze geleerden hebben het ḥadīth: “Spreek het goede (khayr) bij de zieke die op het punt van sterven ligt of bij iemand die is overleden” als volgt uitgelegd:
Dit ḥadīth onderwijst ons een sunnah, namelijk hoe wij ons moeten gedragen tegenover de doden en degenen die op sterven liggen. Bovendien wijst dit ḥadīth erop dat het getuigen van mu’mins ten aanzien van andere mu’mins ook bij Allāh geaccepteerd wordt.
Daarom is het aanbevolen dat er rechtschapen (vrome) mensen aanwezig zijn bij iemand die op het punt staat te sterven. Zij zullen de stervende herinneren aan goede dingen en hem aanmoedigen om goede woorden uit te spreken; ook na zijn overlijden zullen zij de voorgeschreven sunnah-handelingen verrichten. Daarnaast spreken rechtschapen (vrome) mensen achter de overledene lofwaardige woorden en verrichten da`wāt (m.v. van du`ā’) in zijn voordeel. Dit leidt ertoe dat de engelen de overledene goed behandelen en dat hij onder de ware mu’mins wordt gerekend. Het is ook noodzakelijk om voor de familie die de overledene achterlaat, het goede (khayr) te wensen.
1.13: Wat dient te worden gezegd bij het sluiten van de ogen en het vastbinden van de kaken van de overledene
Van Shaddād b. Aws (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: Wanneer jullie bij een overleden dierbare komen, sluit dan zijn ogen, verricht duʿā’ voor hem en spreek over het goede dat hij heeft gedaan. De engelen schenken namelijk aandacht aan wat de familie van de overledene uitspreekt.” (İbn Mājah, 1455; Ahmad b. Ḥanbel, Musnad, 4/125)
Ummu’l‑Ḥasan vertelt: “Ik was bij Ummu Salamah (رضي الله عنها). Er kwam een man bij haar en zei: “Die en die persoon ligt op sterven.” Zij zei tegen mij: “Ga en wacht. Wanneer die man is overleden, reciteer dan de volgende du`ā’ voor hem:‘As-salām, barmhartigheid (rahmah) en zegeningen (barakah) van Allāh zij over alle anbiyā’. Alle lof en prijzing komen Allāh toe, de Rab van de werelden.”
Een overlevering met een vergelijkbare strekking is overgeleverd van Sufyān ath‑Thawrī. Hij zei wanneer de ogen en de kaken van de overledene wordt gesloten, dient men de volgende du`ā’ te zeggen:
بِاسْمِ اللَّهِ وَعَلَىٰ مِلَّةِ رَسُولِ اللَّهِ“In de Naam van Allāh en volgens de gemeenschap van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).”
Daarna dient men zich bezig te houden met tasbīḥ en dhikr. Nadat hij deze overlevering had vermeld, reciteerde Sufyān ath‑Thawrī het volgende āyah:تَكَادُ ٱلسَّمَٰوَٰتُ يَتَفَطَّرۡنَ مِن فَوۡقِهِنَّۚ وَٱلۡمَلَٰٓئِكَةُ يُسَبِّحُونَ بِحَمۡدِ رَبِّهِمۡ وَيَسۡتَغۡفِرُونَ لِمَن فِي ٱلۡأَرۡضِۗ أَلَآ إِنَّ ٱللَّهَ هُوَ ٱلۡغَفُورُ ٱلرَّحِيمُ ٥
Bijna splijten de hemelen in tweeën boven hen, en de Engelen verheerlijken de lofprijzing van hun Heer, en vragen om vergiffenis voor degenen die op aarde zijn, waarlijk, Allāh is de Vergevingsgezinde, de Genadevolle. (ash‑Shūrā, 42:5).
Abū Dāwūd merkte hierover het volgende op: “Het sluiten van de ogen en het vastbinden van de kaken van de overledene gebeurt nadat de persoon zijn rūḥ heeft overgedragen (aan de Malaku’l-Mawt). Ik heb dit gehoord van Muḥammad b. Aḥmad al‑Maqrī, die het weer van Abū Maysara heeft gehoord.”
Er wordt verder verteld: “Er was een geliefde dienaar van Allāh, een vrome en ascetische man. In zijn tijd was er een man genaamd Jaʿfar al‑Muʿallim, die bij iemand die op sterven lag de ogen en de kaken sloot voordat hij was overleden. Later zag hij deze persoon in een droom. De overledene zei hem verwijtend: “Het zwaarste wat mij is aangedaan, was dat je mijn mond en mijn ogen sloot terwijl ik nog niet gestorven was.”
1.14: Tijdens het sterven: door shayṭān belaagd worden en de angst voor een slechte afloop
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Bij een dienaar die op sterven ligt, verschijnen twee shayṭānān. Eén gaat aan zijn rechterzijde zitten, de ander aan zijn linkerzijde.
De shayṭān aan zijn rechterzijde verschijnt in de gedaante van zijn vader en zegt: “O mijn zoon! Zeker, ik heb liefde en genegenheid voor jou. Maar sterf als christen, want dat is de mooiste religie.”
De shayṭān aan zijn linkerzijde verschijnt als zijn moeder en zegt: “O mijn zoon! Sterf als jood, want dat is de beste onder de religies. Anders zal ik mijn melk en rechten niet aan jou ḥalāl maken. Op deze manier red jij mij en jezelf.” (De oorspronkelijke bron van deze ḥadīth is niet vastgesteld.) Imām Ghazālī heeft deze overlevering vermeld in zijn boek Kashf ʿUlūm al‑Ākhirah. Abū’l‑Ḥasan al‑Kabīsī beschrijft hetzelfde in zijn commentaar op de traktaat (risālah) van Ibn Abī Zayd.
Wanneer de rūḥ de keel bereikt, bevindt de persoon zich in de moeilijkste situatie in deze wereld. Dat moment is uiterst zwaar. De shayṭān kiest bewust dit moment en laat zijn helpers de mu’mins aanvallen. De shayṭān en zijn helpers verschijnen aan de stervende in de gedaante van geliefde personen om hem te misleiden. Sommigen verschijnen als zijn ouders, anderen als vrienden of familieleden, en zeggen: “O die en die! Wij zijn vóór jou gestorven en weten hoe dit is. Vertrouw op ons. De Islām zal je in het Hiernamaals niet redden. Wij hebben hier geleerd dat het ware geloof jodendom of christendom is.” De shayṭān probeert dit herhaaldelijk en dringt aan om zijn doel te bereiken.
Toch zijn zowel het jodendom van Mūsā (عليه السلام) als het christendom van ʿĪsā (عليه السلام) inmiddels opgeheven (omdat de oorspronkelijke godsdienst die aan deze twee anbiyā’ is gestuurd door menselijke ingreep is veranderd). Hierop wijst het volgende āyah:
رَبَّنَا لَا تُزِغۡ قُلُوبَنَا بَعۡدَ إِذۡ هَدَيۡتَنَا وَهَبۡ لَنَا مِن لَّدُنكَ رَحۡمَةًۚ إِنَّكَ أَنتَ ٱلۡوَهَّابُ ٨
Zij zeggen: “Onze Heer! Doe onze harten niet van de waarheid afdwalen, nadat U ons (daar naartoe) heeft geleid en schenk ons van Uw zijde Genade. Waarlijk, U bent de Schenker.” (Ali Imrān 3:8)
De betekenis van dit āyah is als volgt: “Nadat Allāh ons leiding (hidayah) heeft gegeven, laat ons leven tot aan onze dood in dit geloof (īmān) en schenk ons het vermogen om dit geloof te behouden wanneer de dood komt. Indien Allāh Zijn dienaar met genade behandelt, zal Hij helpen.
Onze geleerden hebben uitgelegd dat Allāh Jibrīl (عليه السلام) stuurt om de mu’min te helpen; Jibrīl (عليه السلام) verdrijft dan de shayāṭīn van de stervende. Jibrīl (عليه السلام) en de engelen die bij hem zijn, glimlachen naar de stervende.
Jibrīl (عليه السلام) zegt: “Herken je mij? Ik ben Jibrīl. Jij bent op het rechte pad. Spreek je laatste adem uit als lid van de gemeenschap (ummah) van Muhammed en in de godsdienst van Islām.”
Dit is het mooiste wat een mu’min kan overkomen. Dit voorval laat zien dat het genoemde āyah in vervulling gaat en dat onze adwā` (m.v. van du`ā) daadwerkelijk worden verhoord. (Nederlands betekenis): (Ali Imrān 3:8) (zie hierboven)
“…en schenk ons van Uw zijde Genade. Waarlijk, U bent de Schenker.”
‘Abdullāh, de zoon van Imām Aḥmad ibn Ḥanbal, vertelt: “Mijn vader, Aḥmad, lag op sterven. Zijn toestand verslechterde; hij verkeerde in een coma en kwam af en toe weer bij bewustzijn. Wanneer hij bij bewustzijn kwam, zei hij steeds: “Nooit! Nooit!”
Ik vroeg hem: “Vader, wat is er? Wat zie je?”Hij antwoordde: “De shayṭān staat voor mij en probeert mij naar zich toe te trekken. Ik verzet me er tegen en strijd tegen hem.”
En zo stierf hij in deze toestand.
Wij zeggen dat ik, mijn leraar, Imām Abū’l‑Abbās Ibn ʿUmar al-Qurtubī hoorde vertellen:
Toen mijn broer Abū Jaʿfar Aḥmad in Alexandrië ziek werd en op sterven lag, herinnerde wij hem talqīn door te zeggen: “Zeg Lā ilāha illā Allāh.”
Hij antwoordde: “Nee, nee!”
Daarna raakte hij bewusteloos. Toen hij weer bijkwam, vertelden wij hem wat er was gebeurd. Hij legde het als volgt uit: “Aan mijn rechteren linkerzijde stonden twee shayṭānān. De één zei: ‘Sterf als jood, want dat is de mooiste religie.’ De ander zei: “Je kunt ook als christen sterven; dat is ook een goede religie.’Ik worstelde met hen en zei steeds: ‘Nee, nee!.”
Ik heb de onderstaande ḥadīth in Ṭirmidzī en An-Nasā’ī gelezen en genoteerd. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer iemand van jullie op sterven ligt, komt shayṭān en valt hem lastig en zegt: ‘Sterf als jood. Nee, word christen.”
Aan deze verzoeken wordt altijd met “nee” geantwoord.
Er zijn veel overleveringen van rechtschapen mensen die dit bevestigen.
Als iemand op dat moment shahādah wordt bijgebracht, kan hij shayṭān tegenspreken en hem weigeren. Ik heb deze ḥadīth in Ṭirmidhī gezocht, maar kon hem niet vinden; misschien staat hij in sommige manuscripten. Allāh weet het het beste.
Wat betreft de boeken van Nisā’ī, had ik gehoord dat sommige manuscripten deze ḥadīth bevatten, maar ik heb dit zelf later niet schriftelijk kunnen controleren. Mogelijk staat het in manuscripten die ik niet heb gezien. Allāh weet het het beste.
Abdullāh ibn Mubārak en Sufyān as‑Thawrī hebben van Mujāḥid de volgende overlevering gerapporteerd: “Voor degenen die aanwezig zijn bij iemand die op sterven ligt, verschijnen bij de stervende (shayāṭīn of engelen). Als de aanwezigen zich met zinloze zaken bezighouden, vallen shayāṭīn de stervende aan en die persoon sterft terwijl hij zich bezighoudt met nutteloze zaken.
Als lieden van dhikr aanwezig zijn (of goede (khayr) dingen aanhalen), worden de shayāṭīn verdreven en sterft de persoon als iemand die zich bezighoudt met dhikr.”
Rabiʿ bin Shibrah, een vrome man uit Baṣrah, ontmoette in Shām een groep mannen bij iemand die op sterven lag. Ze zeiden zeg: “Zeg La ilāha illā Allāh.”
Maar hij antwoordde: “Breng water voor mij, breng iets te drinken.”
Bij een andere man, die eveneens op sterven lag, werd gezegd: “Zeg La ilāha illā Allāh.”
Hij zei toen: “Deh, Yazde, Devazde (tien, elf, twaalf)” en stierf.
Volgens wat zij vertelden was deze man een griffier en hield hij zich veel bezig met boekhoudkundige werkzaamheden. In andere overleveringen wordt verteld dat sommigen stierven terwijl ze poëzie voordroegen.
De grote fiqh‑geleerde Abū Bakr Aḥmad b. Sulaymān an‑Najjād zei: “Ik heb gehoord dat een man die stierf terwijl hij poëzie voordroeg. Hij was verliefd op een vrouw en schreef veel gedichten.” Abū Muḥammad ʿAbdulḥaq beschrijft in zijn werk Âkibah veel soortgelijke gebeurtenissen.
Wij zeggen: het is mogelijk om dergelijke overleveringen te vermeerderen. Hoe mensen zich in deze wereld bezighouden, zo verloopt ook hun dood. Wij hebben gehoord dat sommige makelaars op het moment van overlijden, toen men hen talqīn herinnerde om La ilāha illā Allāh te zeggen, stierf terwijl zij telden: “Één zesde, één achtste.”
Er wordt ook verteld dat sommige belastingambtenaren, wanneer hen aan talqīn werd herinnerd, niet reageerden. In plaats daarvan stierven zij terwijl ze bezig waren met:
“Zoveel van het huis van die persoon, zoveel van de bezittingen van die persoon.”
Ibn Ẓāfir vertelt in zijn werk Nasā’iḥ het volgende: Yūnus bin ʿUbayd verrichtte geen handel in de vroege ochtend noch laat in de avond. En verkocht niets op bewolkte of mistige dagen. Op een dag pakte hij zijn Weegschaal en zette deze buiten werking door er twee stenen tussen te plaatsen.
Toen hem werd gevraagd waarom hij dat deed, antwoordde hij: “Op een dag ging ik bij iemand die op op sterven lag. Zijn tijd was gekomen. Ik herinnerde hem de talqīn om La ilāha illā Allāh te zeggen, maar hij kon het niet uitspreken. Ik drong aan. De man zei: ‘Bid veel voor mij, maar ik denk niet dat ik dit kan zeggen.’ Toen ik hem vroeg waarom, zei hij: ‘Ik heb vroeger niet zorgvuldig gewogen op de Weegschaal. Ik was niet nauwkeurig bij het verkopen aan mensen. Daarom kan ik nu bij mijn laatste adem La ilāha illā Allāh niet zeggen.” Na dit voorval stond Yūnus (in zijn winkel) niet toe dat iets werd verkocht wat hij niet zelf had gezien of met zijn eigen handen had gewogen.
.
1.15: Een slecht einde bij de laatste adem (op het sterfbed) en het feit dat de daden van mensen worden beoordeeld naar hun laatste adem
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Iemand verricht lange tijd de daden van de mensen van het Paradijs, maar begint daarna de daden van de mensen van de Hel te verrichten en sterft in die toestand. Een ander leeft lange tijd met de daden van de mensen van de Hel, maar voltooit zijn leven met de daden van de mensen van het Paradijs.” (Muslim 16/192; Aḥmad ibn Ḥanbal 2/484)
Van Sahl b. Saʿd (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Iemand lijkt de daden van de bewoners van het Paradijs te verrichten, maar in werkelijkheid behoort hij tot de bewoners van de Hel. Een ander leeft als een bewoner van de Hel, maar behoort uiteindelijk tot de bewoners van het Paradijs. Want daden worden beoordeeld naar de staat van het laatste adem (op het sterfbed).” (al-Bukhārī 3208, 3332, 6594, 7454)
Abū Muḥammed ʿAbdulhaq zegt het volgende: “Iemand wiens ẓāhir (uiterlijk) correct is en wiens bātin (hart) vrij is van (geestelijke) ziekten, zal insha’Allāh bij zijn laatste adem niet op een slechte manier doodgaan. Moge Allāh ons beschermen tegen een slecht einde.
Alhamdulillāh, tot nu toe hebben wij niemand met een zuiver hart slecht zien sterven. Dergelijk slechte manier van doodgaan is alleen mogelijk voor hen wiens hart ziek is. Volharden in grote zonden en opzettelijk verwaarlozen van verplichte (farḍ) aanbiddingen kan ook tot een slecht einde leiden. Wie blijft volharden in zonden, leeft voortdurend in die staat, en het kan gebeuren dat de dood hem treft voordat hij berouw heeft getoond. Op dat beslissende moment wordt hij bovendien belaagd door shayṭān. Wanneer daar ook nog de angst van de dood bij komt, bestaat het gevaar dat zulke mensen in een slechte toestand sterven. Moge Allāh ons daarvoor beschermen.
Omdat het van groot belang is het geloof (īmān) tot het laatste moment te bewaren, blijft er altijd het risico dat iemand in de loop van de tijd van het rechte pad afwijkt.Het beste voorbeeld hiervan is Iblīs. Volgens overlevering was hij 80.000 jaar lang een vrome dienaar van Allāh. Daarna werd hij echter arrogant en opstandig tegen Allāh. De shayṭān wil vanwege deze gebeurtenissen wraak nemen op de mens. Zijn helpers en volgelingen hebben zijn pad gevolgd. Dit wordt aangeduid in de āyah:
كَمَثَلِ ٱلشَّيۡطَٰنِ إِذۡ قَالَ لِلۡإِنسَٰنِ ٱكۡفُرۡ فَلَمَّا كَفَرَ قَالَ إِنِّي بَرِيٓءٞ مِّنكَ إِنِّيٓ أَخَافُ ٱللَّهَ رَبَّ ٱلۡعَٰلَمِينَ ١٦
(De bedrieglijke uitspraken van de hypocrieten zijn) zoals (die van) Sjaitaan toen hij tegen de mens zei: “Geloof niet (in Allāh)!” Maar zodra de mens ongelovig werd (in Allāh), zei Sjaitaan: “Ik ben niet verantwoordelijk voor jullie en ik vrees Allāh, de Heer der Werelden.” (al-Hashr 59:16)
Volgens een overlevering leefde er in Egypte een man die bekendstond om zijn toewijding in de ṣalāh en zijn devotie. Hij was verbonden aan een moskee en verrichtte daar de oproep tot de salāh (aḏān). Op een dag, toen hij de minaret beklom om de aḏān op te roepen, zag hij de dochter van een christelijke man die in een huis vlak bij de moskee woonde.
Op dat moment liet hij de aḏān achterwege, ging naar het huis en klopte aan. Toen het meisje vroeg wat hij wilde, zei hij: “Ik wil jou.”
Toen zij hem vroeg waarom, antwoordde hij: “Ik ben tot jou aangetrokken en verliefd op je geworden. Ik wil met je trouwen.”
Het meisje zei: “Jij bent een moslim; mijn vader zal mij niet aan jou uithuwelijken.”
Daarop zei de man: “Dan zal ik christen worden.”
Het meisje stemde daarmee in en zij trouwden. Vervolgens gingen zij wonen in het huis van haar vader.
Nog diezelfde avond klom de man voor een bepaalde bezigheid op het dak, maar hij viel en stierf. Helaas stierf hij niet als moslim. Moge Allāh ons beschermen tegen een dergelijk slecht einde.
Volgens de overlevering had een man vriendschap gesloten met een ander persoon. Naarmate hij hem beter leerde kennen, voelde hij zich steeds meer aan hem gehecht.
Er stond bijna iets slechts te gebeuren tussen hen.
Daarom distantieerde deze man zich uit angst dat de situatie zou ontsporen. Er ontstond wrijving tussen hen. Met de tijd begon hij echter zijn oude vriend te missen. Hij besloot hem opnieuw op te zoeken en vond hem uiteindelijk.
Maar opnieuw kwam hij tot bezinning. Hun relatie had verkeerd begrepen kunnen worden, of het had weer in een slechte situatie kunnen uitmonden. Om dergelijke slechte gebeurtenissen te voorkomen, nam hij wederom afstand van zijn vriend.
Uiteindelijk kwam het uur van de dood van de vriend. De vriend stierf, maar had zich gelukkig van het slechte gedrag onthouden.
Van Salīm b. ʿAbdullāh (رضي الله عنه): Ik heb Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vaak de volgende eed horen uitspreken:
"Bij Allāh, Die de harten in Zijn Hand houdt en van toestand tot toestand doet overgaan!" (al-Buhārī, 11/513; Ahmad b. Ḥanbel, Musnad, 2/25; Nasā`ī, 7/3; İbni Mājah, 2093; Abû Dāwûd, 3296; at-Tirmiḏī, 1540)
De betekenis hiervan is dat de gevoelens en handelingen van een mens komen en gaan als de wind. Op het ene moment houdt men van iets, op het andere moment haat men het. Deze situatie wordt ook in de Qur’ān benadrukt:
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ ٱسۡتَجِيبُواْ لِلَّهِ وَلِلرَّسُولِ إِذَا دَعَاكُمۡ لِمَا يُحۡيِيكُمۡۖ وَٱعۡلَمُوٓاْ أَنَّ ٱللَّهَ يَحُولُ بَيۡنَ ٱلۡمَرۡءِ وَقَلۡبِهِۦ وَأَنَّهُۥٓ إِلَيۡهِ تُحۡشَرُونَ ٢٤
O, jullie die geloven! Antwoordt Allāh en (Zijn) Rasûl wanneer hij jullie oproept tot wat jullie leven geeft, en weet dat Allāh tussen de mens en zijn hart komt. En waarlijk, tot Hem zullen jullie allen verzameld worden. (al-Anfāl 8: 24)
Mucāhid verklaart dit āyah als volgt: “Allāh treedt tussen het verstand en de gevoelens van de mens. Zo is de mens zich niet volledig bewust van zijn daden.
Het hart is echter van groot belang voor de mens:أَفَلَمۡ يَسِيرُواْ فِي ٱلۡأَرۡضِ فَتَكُونَ لَهُمۡ قُلُوبٞ يَعۡقِلُونَ بِهَآ أَوۡ ءَاذَانٞ يَسۡمَعُونَ بِهَاۖ فَإِنَّهَا لَا تَعۡمَى ٱلۡأَبۡصَٰرُ وَلَٰكِن تَعۡمَى ٱلۡقُلُوبُ ٱلَّتِي فِي ٱلصُّدُورِ ٤٦
Hebben zij niet door het land gereisd, zodat zij harten kregen om te begrijpen of oren om mee te horen? Waarlijk, het zijn niet de ogen die blind zijn geworden, maar het zijn de harten (dat wil zeggen geweten en verstand hebben) in hun borsten die blind zijn geworden. (al-Haj 22:46)
At-Tabarī legt uit dat een mens geen inzicht kan verwerven of een beslissing kan nemen zonder de toestemming van Allāh. De harten liggen immers in Zijn Hand, en alle macht behoort aan Hem toe.
Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) placht deze du`ā’ vaak te verrichten:
“O Degene Die de harten doet omkeren, houd mijn hart standvastig in Uw godsdienst (gehoorzaamheid aan U).”
Ik vroeg daarop:“U verricht deze du`ā’ zo vaak; vreest u dan ook?”
Hij antwoordde: “O ʿĀʾishah, de harten bevinden zich in de Hand van al-Jabbār. Wanneer Hij het wil, verandert Hij het hart van Zijn dienaar.” (Muslim, 16/204; Ahmad b. Ḥanbel, Musnad, 3/112; at-Tirmiḏī, 3522; İbni Mājah, 3834)
Geleerden hebben gezegd: “Aangezien leiding (hidāyah) afhankelijk is van Allāh’s beschikking en macht, en standvastigheid op het rechte pad is eveneens afhankelijk van Zijn wil (mashīʾah); en aangezien ons uiteinde (`aqibah) onbekend is en onze eigen wil daar geen controle over heeft, moet je je dus niet verheug over je geloof (īmān), je (goede) daden (a`māl), je ṣalāh, je vasten of enige andere daad die je dichter bij Allāh brengt. Ook al lijken deze daden het resultaat van jouw eigen inzet en verwerving, in wezen zijn zij het gevolg van de schepping van jouw Rab en van Zijn goedheid en gunsten die Hij jou heeft geschonken.”
Wanneer jij je met deze zaken (jouw aanbiddingen) gaat opscheppen, bevind je je in de positie van iemand die pronkt met het bezit van een ander. En wanneer deze zaken jou worden ontnomen, blijft jouw hart leeg achter, als de lege buikholte van een kameel.
Hoeveel tuinen met prachtige bloemen en rozen waren voor de avond in volle bloei, maar’s ochtends werden ze volledig verwoest, omdat er een allesvernietigende wind overheen blies.. Zo is het ook met het hart van de dienaar: door aanbidding verkeert het in veiligheid en straalt het, maar door zonden wordt het bedekt met een dichte duisternis. Dit alles behoort tot de daden van Allāhu Taʿālā: de Alwetende, de Schepper, Degene Die over alles beschikt en de Onoverwinnelijke Overwinnaar.”
VanʿUthmān (رضي الله عنه), hij zei: “Behoed jullie voor wijn (alcoholhoudende dranken), want zij is de moeder van alle kwaad. Vóór jullie leefde er een man die zeer toegewijd was in zijn aanbidding. Een verdorven vrouw raakte aan hem gehecht.
Zij stuurde haar slavin naar hem toe en liet zeggen: ‘Wij roepen je om de shahādah van ons af te nemen (om Islām binnen te treden).’
De man volgde de slavin. Toen zij binnengingen, sloot de slavin de deur achter hen en vertrok. Toen de man binnen kwam, zag hij een uitzonderlijk mooie vrouw, stralend als de maan. Bij haar was ook een kind, en er stond wijn op tafel klaar.
De vrouw zei tegen hem: “Ik heb je geenszins uitgenodigd om moslim te worden. Mijn bedoeling is om met jou gemeenschap te hebben, óf dat je van deze wijn drinkt, óf dat je dit kindje doodt. (Anders zal ik je te schande zetten).”
De man beschouwde het drinken van wijn als het minst ernstige en zei: “Geef mij dan wijn te drinken.”
Zij gaf hem een beker wijn. Daarna zei hij: “Geef mij meer wijn.”
Hij bleef maar drinken totdat hij overspel pleegde en het kindje doodde.
Blijf ver weg van wijn. Druppels wijn en geloof (īmān) kunnen niet te samen in één persoon verblijven. Onvermijdelijk, uiteindelijk zal één van de twee zich van zijn eigenaar losmaken.” (Nasâ`î, 8/315)
Een andere gebeurtenis: er was een moslim die gevangen was genomen. Hij was een ḥāfiẓ van de Qurʾān. Twee monniken werden aan hem toegewezen als bedienden. Deze gevangen moslim reciteerde de Qurʾān zo veel, dat de twee monniken die bij hem in dienst waren, vele āyāt uit het hoofd leerden. Uiteindelijk werden de twee monniken moslim, terwijl deze man zelf christen werd.
Daarop zeiden de twee monniken tegen de man: “Keer terug naar jouw godsdienst, toon berouw en word opnieuw moslim. Wij hebben geen behoefte aan iemand die zijn godsdienst niet kan beschermen.”
De man bleef halsstarrig en antwoordde: “Nee, ik zal nooit meer naar de Islām terugkeren.”
Daarop werd de man gedood. In een overlevering wordt zijn geschiedenis ook verteld. Over dit onderwerp worden veel verhalen overgeleverd. Wij vragen Allāhu Taʿālā om veiligheid en om te mogen sterven met de shahādah.
1.16: De voorboden van de Malaku’l-Mawt voordat de dood komt
Volgens sommige overleveringen vroegen sommige anbiyā’ (عليه السلام) aan de Malaku’l-Mawt: “Heb jij voorboden die de mensen vooraf over jou informeren?”
De Malaku’l-Mawt antwoordde: “Ja, ik heb vele voorboden: ziekten, kwalen, ouderdom, de toename van zorgen en verdriet, evenals veranderingen die optreden in de ogen en de oren. Degenen die hieruit geen lering trekken en de dood niet in gedachten houden, krijgen grote spijt wanneer de dood hen daadwerkelijk bereikt. Deze voorboden en waarschuwingen komen elkaar op elkaar volgend. Uiteindelijk kom ik zelf. Na mij komt er noch een voorbode noch een waarschuwer meer. Elke dag richt ik mij tot de mensen met de volgende woorden: ‘O jullie die de veertig zijn gepasseerd! Voorlopig is jullie gezondheid nog goed en zijn jullie ledematen sterk. Beschouw dit als een kans en bereid jullie voor op de dood. O jullie die vijftig zijn! Jullie oogsttijd nadert. En o jullie die zestig zijn! Jullie zijn de dood en de bestraffing vergeten, terwijl er na dit punt nog maar weinig is dat jullie kan redden.”
وَهُمۡ يَصۡطَرِخُونَ فِيهَا رَبَّنَآ أَخۡرِجۡنَا نَعۡمَلۡ صَٰلِحًا غَيۡرَ ٱلَّذِي كُنَّا نَعۡمَلُۚ أَوَلَمۡ نُعَمِّرۡكُم مَّا يَتَذَكَّرُ فِيهِ مَن تَذَكَّرَ وَجَآءَكُمُ ٱلنَّذِيرُۖ فَذُوقُواْ فَمَا لِلظَّٰلِمِينَ مِن نَّصِيرٍ ٣٧
Daarin zullen zij roepen: “Onze Heer! Haal ons weg, wij zullen goede daden verrichten, anders dan die wij plachten te doen.” (Allāh zal antwoorden): “Hebben Wij jullie geen lang leven gegeven, zodat wie wilde de vermaningen ter harte kon nemen? En de waarschuwer is tot jullie gekomen. Proef daarom (de bestraffing). Voor de onrechtplegers is er geen helper.” (Fatir, 35:37)
(Deze overlevering is overgenomen uit het werk van Abû’l-Faraj Ibnu’l-Jawzî.)
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Aan een persoon aan wie een levenduur van zestig jaar is gegeven, worden alle excuses opgeheven (dat wil zeggen, geen enkele rechtvaardiging voor zijn berouw of niet tot geloof (īmān) komen, zal worden geaccepteerd). (al-Bukhārī, 11/238; Ahmad b.
Ḥanbel, Musnad, 2/275 – Deze hadīth kan ook als volgt worden geïnterpreteerd: “Het bereiken van de leeftijd van zestig jaar is voor een persoon de grootste les en waarschuwing.”)
Dit verwijst naar het wegvallen van excuses met betrekking tot zijn daden, omdat deze persoon alle mogelijkheden en middelen heeft gekregen.
“De grootste gunst die Allāh de mensheid heeft geschonken, is het sturen van anbiyā’. Wanneer een nabī tot een gemeenschap is gezonden, zullen geen excuses worden geaccepteerd en zullen zij volledig verantwoordelijk worden gehouden voor het naleven van de geboden en verboden van Allāh.” Want Allāhu Taʿālā zegt:مَّنِ ٱهۡتَدَىٰ فَإِنَّمَا يَهۡتَدِي لِنَفۡسِهِۦۖ وَمَن ضَلَّ فَإِنَّمَا يَضِلُّ عَلَيۡهَاۚ وَلَا تَزِرُ وَازِرَةٞ وِزۡرَ أُخۡرَىٰۗ وَمَا كُنَّا مُعَذِّبِينَ حَتَّىٰ نَبۡعَثَ رَسُولٗا ١٥
Iedereen die recht gaat, gaat slechts recht ten bate van zichzelf. En iedereen die dwaalt, dwaalt slechts voor zijn eigen verlies. Niemand kan de last van een ander dragen. En Wij bestraffen nooit (iemand van jullie) tot Wij een Rasûl hebben gezonden (die verduidelijkt wat er van jullie wordt verwacht). (al Isrā 17:15)
وَهُمۡ يَصۡطَرِخُونَ فِيهَا رَبَّنَآ أَخۡرِجۡنَا نَعۡمَلۡ صَٰلِحًا غَيۡرَ ٱلَّذِي كُنَّا نَعۡمَلُۚ أَوَلَمۡ نُعَمِّرۡكُم مَّا يَتَذَكَّرُ فِيهِ مَن تَذَكَّرَ وَجَآءَكُمُ ٱلنَّذِيرُۖ فَذُوقُواْ فَمَا لِلظَّٰلِمِينَ مِن نَّصِيرٍ ٣٧
Daarin zullen zij roepen: “Onze Heer! Haal ons weg, wij zullen goede daden verrichten, anders dan die wij plachten te doen.” (Allāh zal antwoorden): “Hebben Wij jullie geen lang leven gegeven, zodat wie wilde de vermaningen ter harte kon nemen? En de waarschuwer is tot jullie gekomen. Proef daarom (de bestraffing). Voor de onrechtplegers is er geen helper.” (Fātir 35:37)
Volgens sommigen verwijst het woord “nadzīr” in het laatste āyah naar de Qurʾān, terwijl anderen zeggen dat het naar de anbiyā’ verwijst.
Sommige geleerden, zoals Ibn ʿ`Abbās, ʿIkrimah, Sufyān es-Thawrī, Waqīʿ, Ḥusayn b.
Fadl, Farrāʾ en Ṭabarī (رضي الله عنهم), verklaren dat “nadzīr (les en waarschuwing)” betrekking heeft op ouderdom, de kindertijd, de tijd van spel en plezier, kuhl daarentegen is de middelbare leeftijd, oftewel de volwassenheid en ouderdom is de tijd van afscheid nemen van deze wereld.
Volgens sommigen verwijst nadzir naar koortsige ziekten. Want Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: "Koortsige ziekten (humma) zijn voorboden van de dood."
Azharī zegt: met humma worden koortsige ziekten bedoeld. Een persoon voelt dit in zijn voeten en andere lichaamsdelen en wordt eraan herinnerd dat de dood nabij is.
Volgens anderen verwijst nadzir naar het overlijden van naaste familieleden, gezinsleden, vrienden of buren. Hun dood zou de persoon eraan moeten herinneren dat hijzelf ook sterfelijk is.
Volgens overlevering kwam de Malaku’l-Mawt bij Dāwūd (عليه السلام). Dāwūd (عليه السلام) vroeg: “Wie bent u?”
De Malaku’l-Mawt antwoordde: "Ik ben degene voor wie zelfs de engelen beven en tolereer geen enkele fout of tekortkoming."
Waarop Dāwūd (عليه السلام) zei: “Dan moet u de Malaku’l-Mawt zijn.”
De Malaku’l-Mawt antwoordde: “Ja.”
Dāwūd (عليه السلام) vroeg: “Bent u gekomen terwijl ik nog niet gereed was?”
De Malaku’l-Mawt zei: “Waar is zus-en-zo van je familie? Wat is er met buurman zus-en-zo gebeurd?”
Dāwūd (عليه السلام) antwoordde: “Ze zijn gestorven.”
De Malaku’l-Mawt vroeg: “Is het nooit bij je opgekomen? Heb je er nooit lering uit getrokken?”
Volgens sommigen is nadzir, oftewel waarschuwing, het verstand zelf. Want door middel van het verstand kan een persoon onderscheid maken tussen goed en kwaad, juist en onjuist. Een verstandig persoon kan dus de komst van het Hiernamaals overwegen en zich daarop voorbereiden.
Samengevat: de grootste waarschuwing is het sturen van de anbiyā’. Daarna komt het ouder worden. Ziekte is ook een andere waarschuwing en een les. Voor iemand die de leeftijd van zestig jaar heeft bereikt, is de grootste les de nabijheid van het einde van het leven.
Want men is nu bijna aan het einde van zijn levensduur, heeft alles wat de wereld te bieden heeft ervaren en meegemaakt. Het is nu noodzakelijk dat men hieruit lering trekt en zich op de dood voorbereidt.
Aan de ummah van Muhammad (صلى الله عليه وسلم) zijn dus vele waarschuwingen gestuurd:
Ten eerste, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zelf.
Ten tweede, ouderdom. Wanneer een persoon de leeftijd van veertig jaar bereikt, eindigt de periode van volwassenheid en rijping, en begint de ouderdom.
Dit wordt bevestigd door de āyah:
حَتَّىٰٓ إِذَا بَلَغَ أَشُدَّهُۥ وَبَلَغَ أَرۡبَعِينَ سَنَةٗ قَالَ رَبِّ أَوۡزِعۡنِيٓ أَنۡ أَشۡكُرَ نِعۡمَتَكَ ٱلَّتِيٓ أَنۡعَمۡتَ عَلَيَّ وَعَلَىٰ وَٰلِدَيَّ
…zodat wanneer hij de volwassenheid bereikt, en hij de leeftijd van veertig jaar bereikt, hij zegt: “Mijn Heer! Geef mij de kracht en de mogelijkheid om dankbaar te zijn voor Uw genietingen die U mij en mijn ouders heeft gegeven… (Al-Ahqaf: 46: 15)
Volgens geleerden bereikt een persoon op veertigjarige leeftijd zijn volwassenheid. Vanaf dat moment moet hij weten hoe hij dankbaar kan zijn voor de zegeningen van Allāh en hoe hij een goede dienaar kan zijn.
Imām Mālik (رحمه الله) zegt:"Mensen die kennis bezitten, lijken, voor zover wij kunnen zien, voor de wereld te werken en zich te mengen onder de mensen. Maar wanneer zij de leeftijd van veertig bereiken, trekken zij zich terug uit de wereldse zaken.”
Er was eens een geleerde die veel kennis bezat. Hij had ook een mooie tuin. Samen met zijn vrienden vermaakte hij zich in deze tuin. Niemand mocht echter zomaar de tuin betreden.
Op een dag, toen hij opnieuw de tuin binnenging, zag hij een man. Hij werd boos en vroeg:“Wie heeft jou hier toegelaten?”
De man ging bij de geleerde zitten en zei: “Ik wil u iets voorleggen. Er is nu een man die een schuld heeft. Toch klaagt hij, denkend dat hem onrecht is aangedaan.”
De geleerde antwoordde: “De rechter zal hem uitstel verlenen.”
De man zei: “De rechter heeft al een beslissing genomen. Maar de man heeft zijn schuld niet afgelost en blijft klagen.”
De geleerde vroeg: “Wat heeft de rechter gedaan?”
De man antwoordde: “De rechter heeft medelijden met de schuldenaar en heeft hem opnieuw uitstel verleend. Maar de man betaalt nog steeds niet. Uiteindelijk heeft de rechter hem vijftig jaar uitstel gegeven.”
Bij dit antwoord werd de geleerde erg boos; zweet droop van zijn voorhoofd. De man die de tuin was binnengedrongen, vertrok. Toen de woede van de geleerde voorbij was, probeerde hij de man te achterhalen, maar hij kon hem niet vinden. Hij vroeg het aan de wachters, maar die zeiden dat er niemand de tuin was binnengekomen of vertrokken.
De geleerde besefte dat dit een waarschuwing en teken was. Vanaf die dag wijdde hij zich volledig aan kennis en het gedenken van Allāh (dhikr).
UitlegEr zijn vele soortgelijke overleveringen. Dergelijke verhalen worden verteld als les en waarschuwing (nadzīr).
UitlegIk besloot aan dit verhaal enkele voorbeelden over ouderdom toe te voegen, om er lessen, raad en waarschuwingen uit te trekken. Volgens een verhaal over een verwende rijke man verliest hij zijn bezit niet geleidelijk, maar raakt het plotseling en volledig kwijt. Toen hem werd gevraagd naar de reden, zei hij: "Ik had een slavin. Ik werd nooit moe van haar gezelschap; ik was aan haar gehecht. Op een dag, terwijl ik haar haren streelde, zag ik twee grijze haren op haar hoofd! Toen ik haar dit vertelde, begon zij bang en onrustig te worden en zei tegen mij: “Laat het me zien.”Ik liet het haar zien. Vervolgens zei mijn slavin: “Het rechte pad is gekomen, het verkeerde pad is verdwenen.”Daarna keek ze me aan en zei: “Geef mij alstublieft mijn nachten, of mijn dagen, schenk mij één van deze twee, zodat ik in die tijd kan werken voor mijn Hiernamaals en er provisie voor kan verzamelen.”
Haar meester antwoordde: “Nee, dat kan niet; dit zou geen goedheid of gunst voor mij zijn.”
Hierop werd de vrouw boos en kwaad, en zei: “Maar mijn Rab, terwijl Hij mij toestaat Hem te ontmoeten, wil hij zich tussen mij en mijn Rab plaatsen? O Allāh!
Verander zijn liefde en genegenheid voor mij in afkeer en wrok.”
De man zei: “Ik heb die nacht doorgehaald (of: wakker doorgebracht), maar ik weet zelf niet eens hoe ik dat heb gedaan. Want nadat zij was vertrokken, besefte ik dat niets in mijn ogen nog enige waarde had. Uiteindelijk besloot ik haar te verkopen. Net op het moment dat er een koper kwam die bereid was de door mij gewenste prijs te betalen en ik definitief had besloten haar te verkopen, begon mijn slavin te huilen. Ik zei tegen haar: ‘Jij wilde dit toch.’
Zij zei: ‘Bij Allāh, ik heb nooit iemand verkozen boven jou in deze wereld! Maar is er iets dat beter is dan het geld dat je zult ontvangen door mij te verkopen?’
Ik vroeg: “Wat is dat goede dat beter is?”
Mijn slavin zei: “Als je mij in vrijheid stelt, omwille het welbehagen van Allāhu Taʿālā, geef je mij het hoogste en meest waardevolle tegenwicht dat je van mij kunt ontvangen. Door deze waarde die je mij hebt gegeven, geef ik haar weer terug aan jou.”
Op haar woorden zei ik: “Goed, ik heb je vrijgelaten.”
Mijn slavin zei: “Allāh heeft jouw handel (jouw daad van vrijlaten) aanvaard en heeft je rijkelijk beloond voor wat je bezat.”
Vanaf dat moment trok ik mij terug uit de wereldse zaken. Het enige dat ik nog verafschuwde, waren de wereld en haar verleidingen.”
Abdullāh b. Abī Nūḥ zegt: “In de moskee van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zag ik een man van middelbare leeftijd. De man stond met een tak van dadelbladeren in zijn hand voortdurend het stof van de muren weg te vegen. Toen ik vroeg wie deze man was, werd mij verteld dat hij tot de nakomelingen van ʿUthmān (رضي الله عنه) behoorde.
De man had nogal wat kinderen en slaven en was zeer welgesteld. Op een dag, terwijl hij in de spiegel keek, schrok hij zo dat hij bijna waanzinnig werd. Zoals je ziet, is hij voortdurend in de moskee en herhaalt hij deze handeling steeds opnieuw.
Wanneer zijn kinderen en familie hem kwamen halen om hem te behandelen, te beschermen of te verzorgen, ontweek hij hen en zocht toevlucht bij het graf van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Zijn familie liet hem daarop met rust en vertrok.
Overdag hield ik hem in de gaten, maar ik zag geen enkele fout bij hem. ‘s Nachts bleef ik hem observeren. Toen iedereen was vertrokken, verliet hij ook de moskee. Ik volgde hem en uiteindelijk kwam hij bij het Bāqī-begraafplaats, waar hij ṣalāh verrichtte en bleef huilen tot het ochtendgloren. Daarna ging hij zitten om du`ā’ te verrichten.”
Op een gegeven moment kwam er een dier bij hem. Of het een schaap was, een hert, of een ander dier, kon ik niet achterhalen. Het dier bleef naast de man staan. Uiteindelijk spreidde het dier zijn poten, en de man begon melk van het dier te drinken. Daarna streelde hij de rug van het dier en zei tegen haar: “Ga nu, moge Allāh je gezegend en heilzaam maken.”
Het dier vertrok daarop snel. Ik handelde voorzichtig en onopvallend, zodat hij het niet merkte, en bereikte de moskee vóór hem. Zo verbleef ik daar enkele nachten. Wanneer hij naar het Bāqī-begraafplaats ging, volgde ik hem onopgemerkt.
Ik hoorde hem du`ā’ te verrichten: “O Allāh! U heeft mij een voorbode gestuurd zonder dat ik het wist of toestemming gaf. Als U tevreden bent met mij, laat het mij weten. En als U niet tevreden bent, laat mij dan slagen in het zoeken van Uw welbehagen!”
De man gaat verder en zei: “Het is voor mij tijd om Medīnah te verlaten. Ik ging naar hem toe om afscheid te nemen. Hij keek boos naar mij. Ik zei tegen hem: "Ik ben de afgelopen nachten bij je geweest in het Bāqī-begraafplaats, ik heb ṣalāh verricht terwijl ik naar je keek en ‘âmīn’ gezegd bij de da`wāt (m.v. van du`ā’) die jij deed.”
De man zei tegen mij: “Waren er mensen die wisten of zagen dat jij met mij hierheen kwam en weer vertrok?”Ik zei: “Nee, dat was er niet.”Hij zei tegen mij: “Ga dan in vrede.”
Deze keer vroeg ik hem: “Wie was de voorbode die Allāh jou heeft gezonden?”Hij zei: “Op een dag keek ik in de spiegel en wat zag ik? Een grijze haar op mijn gezicht. Vanaf dat moment begreep ik dat dit een voorbode was die mijn Rab mij had gezonden.”
Ik vroeg hem om du`ā’ voor mij te verrichten, maar hij zei: “Ik ben hiervoor niet bevoegd of bekwaam. Maar kom, wend je tot Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), laat hem tussenbeide komen (shafā`ah).”
Uiteindelijk stonden we beiden op en gingen we naar het gezegende graf van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). De man vroeg mij: “Wat heb je nodig, wat wil je in je du`ā’?”Ik zei: “Ik vraag vergiffenis.”
Daarop verrichtte de man een korte du`ā’, en ik zei ‘âmīn’. Vervolgens boog hij zich over het graf van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), en wat zag ik toen? De man was gestorven.
Ik ging weg van daar, zodat de mensen hem konden zien. Later kwamen zijn kinderen en vrijgelaten slaven. Zij haalden hem op en verzorgden de begrafenisrituelen. Ik verrichtte ook salāh al-janazah bij zijn begrafenis samen met anderen die de salāh voor hem verrichtten.
Volgens wat wordt overgeleverd, stelde een van de Griekse koningen een slavin aan om zorg te dragen voor zijn kleding. Deze vrouw was onderwezen door een van de wijzen.
Op een dag, terwijl de slavin de koning hielp zijn kleren aan te trekken, zorgde zij ervoor dat hij zichzelf in de spiegel zag. Terwijl de koning in de spiegel keek, zag hij een grijs haar op zijn gezicht. Hij liet een schaar brengen en knipte dat grijze haar weg. De slavin raapte het van de grond op, kuste het en hield het in haar handpalm. Vervolgens boog zij haar oor over het haar.
De koning vroeg haar daarop: “Waar luister je naar?”De vrouw antwoordde: ‘Ik vroeg wat het is dat iemand, die zo dicht bij de koning staat, van hem wegneemt, hem vernedert en zijn waarde vermindert.
En het zegt zeer verrassende dingen.De koning vroeg: “Wat zegt het?”De vrouw antwoordde: “Mijn tong durft het niet uit te spreken.”
De koning zei tegen haar: “Spreek, wees niet bang. Dit behoort tot de wijsheid. Je bent veilig.”
Toen zei de vrouw dat het haar het volgende sprak: “O koning die achter korte-termijnverlangens aanrent! Ik was bang voor de klap die u mij gaf en heb daarom de andere haren aangespoord om namens mij wraak op u te nemen. U bevindt u nu tussen hen, en zij zullen zich allemaal tegen u keren. Vanaf nu zult u óf spoedig sterven, óf je wellustige verlangens en begeerten zullen verdwijnen. Uw kracht zal afnemen, uw gezondheid zal verloren gaan. Sterker nog: u zult de dood als een winst beschouwen.”
De koning zei tegen mij: “Schrijf voor mij op wat je zojuist hebt gezegd.”Ik schreef het voor hem op. De man begon hierover na te denken. Daarna verliet hij zijn kroon, zijn troon en zijn bezit. Dat is ook precies wat met deze woorden werd beoogd. Bovendien is hierover ook een āyah (bayt) overgeleverd, waarin wordt gezegd:
Een vrouw die mijn haar zag vergrijzen, toonde mij mijn naderende afscheid.Uit angst om uitgerukt en met het gezicht op de grond geworpen te worden, raapte zij het op.Ondanks mijn zwakte en eenzaamheid verzamelde zij zichzelf en zei:“Doe rustig aan, uiteindelijk zal er een leger achter u aan komen en u inhalen.”
In de Israëlitische overlevering staat het volgende: toen Ibrāhīm Halīl (عليه السلام) terugkeerde nadat hij zijn zoon aan zijn Rab had willen opofferen, zag zijn vrouw Sārah (رضي الله عنها) een grijs haar in het baardhaar van Ibrāhīm. Ibrāhīm was de eerste persoon op aarde van wie het haar grijs werd. Toen Sārah dit zag, werd ze ongerust en toonde ze het grijze haar aan haar echtgenoot.
Omdat Sārah hierdoor ongerust werd, begon ze hierover na te denken. Dit beviel Ibrāhīm, terwijl het zijn vrouw Sārah verontrustte. Daarom vroeg ze Ibrāhīm om het haar te verwijderen, maar Ibrāhīm weigerde dit.
Toen kwam de Malaku’l-Mawt en zei: “O Ibrāhīm! Moge Allahs salām met jou zijn.” De naam van Ibrāhīm was oorspronkelijk Ibrām. Er werd een “He”-letter aan zijn naam toegevoegd, wat volgens de Syrische traditie respect en eerbied betekent.
Hierdoor werd Ibrāhīm zeer blij. Daarom zei hij: “O mijn Allāh en Allāh van alles! Ik dank U” en drukte zo zijn dankbaarheid uit.
De Engel zei tegen hem: “Allāh heeft jou tot iemand gemaakt die respect geniet bij de bewoners van de hemel en de aarde. Met de naam die Hij jou heeft gegeven, heeft Hij jou onder de mensen aangeduid met waardigheid en eer. Wat betreft je naam: vanaf nu zul je door de bewoners van hemel en aarde Ibrāhīm genoemd worden. Wat betreft je schepping: Allāhu Taʿālā heeft vanwege het grijze haar dat in je baard verschijnt, Zijn waardigheid en licht over jou laten neerdalen. Ga nu hiermee naar Sārah, die het niet goedkeurt, en vertel haar wat de Engel hierover zegt.”
Ibrāhīm zei vervolgens tegen zijn vrouw Sārah: “Datgene waar je je door verontrust voelt en wat je niet bevalt, is een licht en waardigheid.”Sārah antwoordde: “Maar het maakt me ongerust.”Ibrāhīm zei: “Maar ik hou ervan. O Allāh! Vergroot mijn licht en waardigheid.”
Toen hij opstond, zag Ibrāhīm dat zijn baard volledig grijs was geworden.
In een van de overleveringen uit de tijd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wordt gezegd: “Wie in de Islām door een grijze haar wordt gemarkeerd, zal dit op Yawmu’l Qiyāmah als een licht voor zich hebben.” (Deze overlevering wordt als authentiek beschouwd. (at-Tirmiḏī, Fazailu’l-Jihad, h:1634-1635; Nasa`i, Jihad, h:3144; Ahmad b. Ḥanbal, Musnad, 2/210)
Er wordt overgeleverd dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voorwaar, Allāh schaamt zich iemand te straffen wiens haar of baard grijs is geworden.” (Dit is een zwakke overlevering.
Deze ḥadīth wordt vermeld in: Ibn Abi’d-Dunya, al-Umru wash-Shiyb, s:2; Ibn Hibban, el-Majruhin, 2/267; Haris b. Abi Usamah, Musnad, s:1084; Abû Ya’la, Musnad, 2764; Ibn Adiy, al-Kamil, 1/357; Ibn Abi Asim, 1/16; Ajluni, Kashful-Hafa, 1/284; Albani merkt op dat deze overlevering zwak is.) Er zijn hier veel ahadith over bekend.
1.17: Wanneer wordt de relatie van een dienaar met de mensen verbroken?
Abū Mūsā al-Ash‘arī vertelt: “Ik vroeg aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wanneer de relatie van een dienaar, die op zijn sterfbed ligt, met de mensen wordt verbroken. Hij zei: ‘Wanneer de Malaku’l-Mawt zich aan hem toont.” (Ibn Mâjah, 1453)
Toelichting:Hier wordt verteld dat de Malaku’l-Mawt of de engelen naar de stervende persoon komen. Alleen Allāh kent de waarheid hiervan. In een andere ḥadīth wordt dit als volgt aangegeven: “Zolang de rūḥ de keel niet bereikt, zal Allāh de berouw van Zijn dienaar accepteren.” (Ahmad b. Ḥanbel, Musnad, 2/132; Ibn Mâjah, 4253; at-Tirmiḏī, 3537)
Wanneer de rūḥ de keel bereikt en het leven op het punt staat het lichaam te verlaten, blijft er geen plaats meer voor barmhartigheid noch voor wereldse hoop. In die toestand hebben noch īmān noch tawbah nog enig nut.
Zoals Allāhu Taʿālā, hierover zegt in een āyah:فَلَمۡ يَكُ يَنفَعُهُمۡ إِيمَٰنُهُمۡ لَمَّا رَأَوۡاْ بَأۡسَنَاۖ سُنَّتَ ٱللَّهِ ٱلَّتِي قَدۡ خَلَتۡ فِي عِبَادِهِۦۖ وَخَسِرَ هُنَالِكَ ٱلۡكَٰفِرُونَ ٨٥
Hun geloof kon hen niet baten toen zij Onze bestraffing zagen. Dat is de handelwijze van Allāh die er reeds voor Zijn dienaren was. En de kāfirs verloren toen. (Ghāfir, 40:85)وَلَيۡسَتِ ٱلتَّوۡبَةُ لِلَّذِينَ يَعۡمَلُونَ ٱلسَّيِّـَٔاتِ حَتَّىٰٓ إِذَا حَضَرَ أَحَدَهُمُ ٱلۡمَوۡتُ قَالَ إِنِّي تُبۡتُ ٱلۡـَٰٔنَ وَلَا ٱلَّذِينَ يَمُوتُونَ وَهُمۡ كُفَّارٌۚ أُوْلَٰٓئِكَ أَعۡتَدۡنَا لَهُمۡ عَذَابًا أَلِيمٗا ١٨
En geen resultaat heeft het berouw van degenen die doorgaan met zondigen tot één van hen de dood in de ogen kijkt en zegt: “Nu heb ik berouw” noch van degenen die sterven terwijl zij ongelovig zijn.
Voor hen hebben Wij een pijnlijke bestraffing voorbereid.” (Nisā’, 4:18)
Daarom is de tijd voor berouw (tawbah) verlengd tot vóór het moment waarop de arwāh (m.v. rūḥ) worden weggenomen (door de Malaku’l-Mawt). Dat is het moment waarop de rūḥ de keel bereikt. Dit gebeurt wanneer bij de mens als het ware de levensader wordt doorgesneden.
Wanneer de rūḥ uit de borstkas opstijgt en bij het sleutelbeen in de keel blijft steken, (worden de sluiers opgeheven) en wordt de wereld van het Hiernamaals zichtbaar; op datzelfde moment treedt de dood in. Weet dit, en toon berouw vóórdat de Malaku’l-Mawt verschijnt en vóórdat de rūḥ de keel bereikt. Dit is de betekenis van het woord van Allāhu Taʿālā:إِنَّمَا ٱلتَّوۡبَةُ عَلَى ٱللَّهِ لِلَّذِينَ يَعۡمَلُونَ ٱلسُّوٓءَ بِجَهَٰلَةٖ ثُمَّ يَتُوبُونَ مِن قَرِيبٖ فَأُوْلَٰٓئِكَ يَتُوبُ ٱللَّهُ عَلَيۡهِمۡۗ وَكَانَ ٱللَّهُ عَلِيمًا حَكِيمٗا ١٧
En Allāh accepteert slechts het berouw van degenen die in onwetendheid of in dwaasheid zondigen en snel daarna berouw tonen; hen zal Allāh vergeven, en Allāh is voor altijd de Alwetende, de Alwijze. (Nisā’, 4: 17)
Ibn ‘Abbās (رضي الله عنهما) en as-Suddī hebben de uitdrukking “en snel daarna” uitgelegd als: vóórdat de dood of ziekte intreedt.
Abū Mijliz, ad-Dahhāk, ‘ʿIkrimah, Abū Zayd en enkele andere geleerden hebben de uitdrukking “en snel daarna” uitgelegd als: vóórdat de engelen verschijnen en vóórdat de mens door zijn eigen begeerten wordt overweldigd.
De dichter Mahmud Warraq heeft dit treffend verwoord:
Stel de gehoopte berouw voor je nafs niet uit,voordat je sterft en voordat je tong verstijft.
Onze geleerden (رحمهم الله) hebben gezegd: “Zelfs op dat moment is berouw (tawbah) nog geldig, want de hoop bestaat nog. Het vastberaden voornemen en het berouw met betrekking tot het verlaten van een daad zijn juist.”
Er is gezegd dat met “en snel daarna” wordt bedoeld: niet volharden in zonden en berouw tonen zodra men een zonde begaat. Zich haasten met berouw zolang men gezond is, is nog voortreffelijker en behoort tot de meest verheven rechtschapen daden.Een volledig afgesloten berouw is de dood. Elk berouw dat vóór de dood plaatsvindt, wordt dus als snel beschouwd. Dit is ook op deze manier overgeleverd van ad-Ḍaḥḥāk.
Van Hasan al-Basri is overgeleverd dat hij zei: “Shaytān kwam in opstand tegen Allāhu Taʿālā en zei: ‘Ik zweer bij Uw majesteit dat ik de zoon van Adam niet zal verlaten zolang zijn rūḥ in zijn lichaam is.’Allāhu Taʿālā antwoordde daarop: ‘Ik zweer bij Mijn majesteit, dat Ik het berouw van Mijn dienaren niet zal afwijzen zolang de rūḥ in hun lichaam is.”
Berouw tonen is volgens de consensus van de moslims verplicht (farḍ) voor iedere mu’min.
Allāhu Taʿālā zegt immers in de āyah:
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ تُوبُوٓاْ إِلَى ٱللَّهِ تَوۡبَةٗ نَّصُوحًا عَسَىٰ رَبُّكُمۡ أَن يُكَفِّرَ عَنكُمۡ سَيِّـَٔاتِكُمۡ وَيُدۡخِلَكُمۡ جَنَّٰتٖ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهَا ٱلۡأَنۡهَٰرُ يَوۡمَ لَا يُخۡزِي ٱللَّهُ ٱلنَّبِيَّ وَٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ مَعَهُۥۖ نُورُهُمۡ يَسۡعَىٰ بَيۡنَ أَيۡدِيهِمۡ وَبِأَيۡمَٰنِهِمۡ يَقُولُونَ رَبَّنَآ أَتۡمِمۡ لَنَا نُورَنَا وَٱغۡفِرۡ لَنَآۖ إِنَّكَ عَلَىٰ كُلِّ شَيۡءٖ قَدِيرٞ ٨
O jullie die geloven, keer jullie in oprecht berouw tot Allāh, hopelijk zal jullie Heer jullie zonden kwijtschelden, en jullie verwijzen naar tuinen waar rivieren onderdoor stromen op de Dag waarop Allāh de Profeet en degenen die met hem geloven niet zal vernederen. Hun licht straalt vόόr hen en rechts van hen. Zij zeggen: “Onze Heer! Vervolmaak ons licht voor ons en geef ons vergiffenis. Waarlijk, U bent tot alle dingen in staat.” (at-Tahrim, 66:8)
1.18: Voorwaarden voor een geaccepteerde berouw (tawbah)
Het berouw kent vier voorwaarden:
Oprechte spijt hebben vanuit het hart.
Onmiddellijk afstand doen van het begane zonde (dat wil zeggen ophouden met het plegen van de zonde).
Oprecht voornemen hebben om nooit meer naar dezelfde zonde terug te keren.
Dat het berouw niet omwille van iemand anders is, maar voortkomt uit schaamte en vrees voor Allāhu Taʿālā.
Wanneer een van deze voorwaarden wordt overtreden, is het berouw niet geldig.
Er wordt gezegd dat een van de voorwaarden van berouw ook het erkennen/bekennen van de zonde is en het veelvuldig vragen om vergeffenis (istighfār). Want het veelvuldig verrichten van istighfār neemt de blokkade weg en verheft het berouw boven het louter uitspreken met de tong, zodat de betekenis ervan diep in het hart wordt verankerd.
Wie alleen met de tong “Astaghfirullah” (vergeef me) zegt maar in zijn hart volhardt in de zonde: zijn istighfār heeft zelf ook weer istighfār nodig. In zo’n toestand worden zijn kleine zonden bij de grote zonden gerekend.
Er wordt overgeleverd dat Ḥasan al-Baṣrī zei: “Ons istighfār heeft zelf een istighfār nodig.”Deze uitspraak werd gedaan in de tijd van (Ḥasan al-Baṣrī). In onze tijd echter, zijn mensen verzonken in onrecht en storten zich onverzadigbaar daarop. Ze hebben de tasbīh (gebedskraal) in handen, denkend dat ze daarmee berouw tonen van hun zonden. Terwijl dit (de zogenaamde istighfār) eigenlijk spot (istihzā) is en lichtvaardig wordt opgenomen (istihfāf). Zij zijn degenen die de āyāt van Allāhu Ta`ālā als spel en vermaak nemen.
وَلَا تَتَّخِذُوٓاْ ءَايَٰتِ ٱللَّهِ هُزُوٗاۚ …En bespot de āyāt van Allāh niet...(Baqarah 2:231)
Volgens overlevering zag ʿAlī (رضي الله عنه) op een dag een man die zijn ṣalāh had beëindigd en snel zei: “Allahumma innī astaghfiruka wa atûbu ilayk / "O Allāh! Ik vraag U om vergiffenis en Ik toon berouw tot U.”Hij zei tegen de man: “O jij! Het snel uitspreken van istighfār met de tong is het berouw van leugenaars. Ook jouw berouw heeft zelf berouw nodig.”
Daarop vroeg de man: “O leider van de mu’mins, wat is dan berouw?”ʿAlī (رضي الله عنه) antwoordde: “Berouw is een naam die zes betekenissen omvat:
Istighfār voor de zonden uit het verleden.
Istighfār voor de verwaarloosde verplichte (farḍ) handelingen door ze in te halen.
Het teruggeven van de rechten van de onderdrukten aan de rechtmatige eigenaren.
Het weerstaan van de verleiding van de zonden waarin de nafs eerder verzonk.
Het niet langer genieten van de lusten die de nafs eerder genoot terwijl men zonden beging.
Istighfār voor de nafs (ziel): Dat je je nafs niet alleen opsiert wanneer zij naar de verboden van Allāh gaat, maar haar ook opsiert wanneer je goede daden gaat verrichten, en dat je huilt om elke zonde waarover je hebt gelachen.
Abū Bakr al-Warrāq zei: “Laat (je berouw) tawba nasūḥ (oprecht berouw) zijn. Dit kan zo zwaar aanvoelen (vanwege spijt en verdriet) dat de aarde te klein lijkt, zoals het geval was voor drie metgezellen die achterbleven van de expeditie van Tabūk. Deze drie waren Kaʿb b. Mālik, Murārah Ibn ar-Rabīʿ en Hilāl b. Umayyah (رضي الله عنهم).”
Volgens sommigen omvat tawba nasūḥ ook de rechten/plichten van de dienaren (ḥaq al `ibād) voldoen, het verlaten van onrecht en zonden, en het inhalen van eventuele verplichte verplichtingen (farāʾiḍ m.v. van farḍ).
Het berouw van een kāfir is ten eerste getuigenis (shadah) afleggen (moslim worden) en dan oprecht berouw tonen over alles wat hij heeft gedaan; alleen geloven (īmān) is niet voldoende. Zelfs de kāfir is gebonden aan de rechten van Allāh en aan de rechten van de mensen. Het recht van Allāh (ḥaq Allāh ) wordt voldaan wanneer hij geen andere godheid buiten Allāh aanbidt en berouw toont, spijt heeft en die zonden niet opnieuw begaat. De rechten van de dienaren (ḥuqūq al-`ibād) moet hij aan de rechtmatige eigenaren voldaan.
Wanneer een mu’min berouw toont, moet hij eventuele schulden van ṣalāh of vasten inhalen. Indien het niet mogelijk is om de rechten van anderen direct te voldoen, moet men proberen dit door andere goede daden te compenseren.
Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه): Op een keer zaten we bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Hij vroeg: “Weten jullie wie een berouwvol persoon is?” De aanwezigen antwoordden: “Nee, wij weten het niet.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer iemand berouw toont, maar de rechten van degenen aan wie hij onrecht heeft aangedaan of van degene aan wie hij een schuld verschuldigd is en hun rechten niet ḥalāl heeft gemaakt (door vergiffenis te vragen en verzoening te doen), kan die persoon niet als werkelijk berouwvol worden beschouwd. Als iemand berouw toont maar zijn omgeving/gezelschap of gedrag niet verandert, wordt niet als werkelijk berouwvol beschouwd. Wie na zijn berouw zijn manieren van levensonderhoud (inkomstenverwerving) niet wijzigt, diens berouw wordt niet aanvaard. Degene die berouw toont, moet zijn huis en bezittingen (die op harām wijze zijn verkregen), veranderen. Ook moet men zijn karakter en zijn hart verbeteren. Anders wordt het berouw niet geaccepteerd.”
Daarop voegde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) toe: “Pas onder deze voorwaarden en door het naleven van deze zaken wordt het berouw van een persoon geaccepteerd.”
Onze geleerden hebben deze ḥadīth als volgt uitgelegd: Dat de benadeelden tevreden zijn, betekent dat men de schulden aan hen heeft voldaan en dat men zich heeft verzoend (vragen om het ḥalāl te maken) en vergiffenis heeft gevraagd voor het gepleegde onrecht. Deze rechten kunnen betrekking hebben op bezit of andere schulden, maar ook op verbale belediging of zaken zoals roddel (ghiybah). Ook beledigingen, slechte woorden of minachting vallen hieronder. Na het tonen van berouw dient de dienaar, naar zijn vermogen, vergiffenis te vragen en verzoening te zoeken, en openstaande verplichtingen af te lossen. Indien schulden niet aan de betreffende persoon zelf kunnen worden voldaan, kan dit via diens erfgenamen gebeuren. Als ook dat niet mogelijk is, kan men het equivalente bedrag als liefdadigheid geven.
Het veranderen van bezittingen betekent hier: afstand doen van bezittingen verkregen via verboden middelen en het verkrijgen van bezittingen uit ḥalāl inkomsten.
Het veranderen van het gezelschap betekent: afstand doen van slechte vrienden/omgeving of slechte gewoonten. In plaats daarvan is het goed om goede vrienden te hebben en deel te nemen aan bijeenkomsten van kennis.
Met het veranderen van levensmiddelen wordt bedoeld: afstand doen van inkomstenbronnen die niet ḥalāl zijn en zich ontdoen van verboden (ḥarām) bezittingen. In plaats daarvan moet men zich bezig houden met ḥalāl bezigheden en ḥalāl middelen verwerven.
Het veranderen van sieraden en beddengoed betekent: twijfelachtige, verboden of luxe goederen vervangen door de basisbehoeften die ḥalāl zijn. Zoals Allāh zegt: تَتَجَافَىٰ جُنُوبُهُمۡ عَنِ ٱلۡمَضَاجِعِ يَدۡعُونَ رَبَّهُمۡ خَوۡفٗا وَطَمَعٗا وَمِمَّا رَزَقۡنَٰهُمۡ يُنفِقُونَ ١٦
Hun zijden verzaken hun bedden, Zij roepen hun Heer aan vol hoop en vrees, en geven uit (aan liefdadigheid) van hetgeen waarmee Wij hen hebben voorzien. (As-Sajdah, 32:16)
Het veranderen van het karakter (akhlāq) betekent: afstand doen van slechte eigenschappen, zoals hardheid en wreedheid, en in plaats daarvan zachtmoedig worden. Het hart verruimen gebeurt door liefdadigheid (infâq). Slechte gewoonten zoals gierigheid, luiheid, opschepperij en hoogmoed moeten worden veranderd. Na berouw moet men zich ook onthouden van alle grote en kleine zonden. Allāhu Ta’ālā, zegt:
وَإِنِّي لَغَفَّارٞ لِّمَن تَابَ وَءَامَنَ وَعَمِلَ صَٰلِحٗا ثُمَّ ٱهۡتَدَىٰ ٨٢
En waarlijk, Ik vergeef beslist degene die berouw toonde en geloofde (in Mijn éénheid) en goede daden verrichtte en vervolgens leiding volgde. (Ta-Ha, 20:82)
De meest fundamentele hadīth over dit onderwerp is overgeleverd door Abû Hurayrah (رضي الله عنه).
Volgens deze bekende overlevering kwam een man, nadat hij honderd mensen had gedood, tot berouw en ging hij naar een geleerde om te vragen hoe hij berouw kon doen. De geleerde gebood hem om dat gebied te verlaten en zich ergens anders te vestigen, waar goede mensen woonden en zich met de aanbidding van Allāh bezighielden. De geleerde zei tegen hem: “Ga daar wonen en wijd je aan de aanbidding van Allāh. Kom nooit terug.”
Imâm Muslim vermeldt deze hadīth in zijn werk Sahih. `Abdullah b. Maghful (رضي الله عنه) vertelt: “Ik zat samen met mijn vader bij `Abdullah bin Mas`ûd (رضي الله عنه). Mijn vader vroeg aan `Abdullah bin Mas`ûd of hij had gehoord dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Wanneer een dienaar zijn fouten erkent en berouw toont aan Allāh, dan aanvaardt Allāh `Azza ve Jalla ook zijn berouw.’ Hij antwoordde: ‘Ja, ik heb het gehoord,’ en voegde eraan toe: ‘Tawbah betekent spijt hebben.’ (Muslim, 17/82 en 17/111; al-Bukhārī, 8/487; İbn Mâjah, 4252; Ahmad b. Ḥanbel, Musnad, 1/376 en 473). Abû Dâwûd heeft dezelfde hadīth ook overgeleverd.
Van `Aishah (رضي الله عنها): Ik heb van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gehoord: “Wanneer een dienaar zijn fouten erkent en berouw toont aan Allāh, dan aanvaardt Allāh `Azza ve Jalla ook zijn berouw.” (Muslim, 17/111; al-Bukhārī, 8/487)
Van Abû Hurayrah en Abû Sa`īd al-Khudrî (رضي الله عنهما): Op een dag beklom Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de mimbar en zei: “Bij Degene in Wiens Hand mijn ziel is!” Dit herhaalde hij drie keer en zweeg daarna. (Iedereen daar begreep dat het ernstig was) en ze begonnen te huilen.
Vervolgens zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Een dienaar die zijn vijf dagelijkse ṣalāh verricht, de vasten in de maand Ramadan verricht en zich onthoudt van de zeven grote zonden, zullen op Yawmu’l Qiyāmah alle acht poorten van het Paradijs voor hem geopend worden.”
Daarna reciteerde hij het volgende āyah:
إِن تَجۡتَنِبُواْ كَبَآئِرَ مَا تُنۡهَوۡنَ عَنۡهُ نُكَفِّرۡ عَنكُمۡ سَيِّـَٔاتِكُمۡ وَنُدۡخِلۡكُم مُّدۡخَلٗا كَرِيمٗا ٣١
Indien jullie grote zonden -die verboden zijnvermijden, zullen Wij jullie zonden vergeven en zullen Wij jullie naar een eervolle plaats (het Paradijs) leiden. (Nisā, 3:31)
Uit de Qur’ān‑āyāt begrijpen we dat zonden in twee categorieën kunnen worden ingedeeld: grote zonden en kleine zonden. Sommigen beschouwen echter alle zonden als groot, maar de āyah weerlegt dit standpunt. Met name de āyah die in surah an-Nisā staat, wijst hierop. Bijvoorbeeld: het kijken naar of aanraken van iets dat verboden is (t.o.v. zinā) wordt als klein beschouwd. Wanneer iemand zich onthoudt van de grote zonden, zal Allāh `Azza wa Jalla de kleine zonden vergeven. Allāh Te‘âlâ heeft deze belofte gedaan. Maar het is ook noodzakelijk de verplichte handelingen (farā’iḍ) niet te verwaarlozen. Met andere woorden, voor de vergeving van de kleine zonden is het alleen laten van de grote zonden niet voldoende; de farā’iḍ moeten ook correct worden vervuld.
Over dit onderwerp vermeldt Muslim een hadīth van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Elke van de vijf dagelijkse ṣalāh’s dient als een boetedoening (kafārah ) voor de kleine zonden die sinds de vorige ṣalāh zijn begaan; de vrijdagṣalāh dient als kafārah voor de kleine zonden sinds de vorige vrijdagṣalāh; de vasten in de maand Ramadan dient als kafārah voor de kleine zonden die in het voorgaande jaar zijn begaan. De voorwaarde hiervoor is dat men zich onthoudt van de grote zonden.” (Muslim, 2/117 ve 118.; at-Tirmiḏī, 214.; İbni Mājah, 598.; Ahmad b. Ḥanbel, Musnad, 2/400 ve 414)
De fuqahā (e.v.fakīh: fiqh-geleerde/jurist) en andere geleerden hebben de voorkeur gegeven voor dit standpunt. Grote zonden kunnen alleen door tawbah worden vergeven. Onze geleerden verschillen soms van mening over welke zonden als groot worden beschouwd. Dit is echter niet het juiste moment om daar op in te gaan; Inshā’Allāh zullen er later toelichtingen volgen.
1:19: De rūḥ van een mu’min of een kāfir wordt niet weggenomen voordat hij zijn bestemming (in het Hiernamaals) ziet
`Abdullah İbni Mubârak verhaalt: “Wanneer het tijdstip van de dood van een mu’min nadert, verschijnt de Malaku’l Mawt en zegt: ‘Allāh’s salām zij met jou, O geliefde dienaar van Allāh; Allāh heeft jou met Zijn genade verblijd.’ Vervolgens neemt hij de rūḥ van de mu’min terwijl hij de āyah reciteert:”
ٱلَّذِينَ تَتَوَفَّىٰهُمُ ٱلۡمَلَٰٓئِكَةُ طَيِّبِينَ يَقُولُونَ سَلَٰمٌ عَلَيۡكُمُ ٱدۡخُلُواْ ٱلۡجَنَّةَ بِمَا كُنتُمۡ تَعۡمَلُونَ ٣٢(Zij zijn) degenen die de Engelen als reinen wegnemen, terwijl zij zeggen: “Vrede zij met jullie, ga het Paradijs binnen vanwege datgene wat jullie verricht hebben. (Nahl, 16:32)
(İbni al-Mubārak, Kitabu'z-Zuhd, 443; Bayhaqi, Shuabu'l-İman, 1/361)
`Abdullah İbni Mas`ûd (رضي الله عنه) zei: “Wanneer de engelen de rūḥ van de mu’min komen nemen, zeggen zij: تَحِيَّتُهُمۡ يَوۡمَ يَلۡقَوۡنَهُۥ سَلَٰمٞۚ وَأَعَدَّ لَهُمۡ أَجۡرٗا كَرِيمٗا ٤٤
Hun begroeting op de dag dat zij Hem zullen ontmoeten is: “vrede!” En Hij heeft voor hen een geweldige beloning voorbereid. (al-Ahzab, 33:44)
Barā’ bin `Azib (رضي الله عنه) verklaarde de āyah: “(Mu’mins) worden bij hun sterven begroet met: Allāh’s vrede zij met jullie.” (zie hierboven (al-Ahzāb, 33:44): De mu’min geeft zijn rūḥ pas over nadat hij Allāh’s salām heeft ontvangen.
Mujāhid zei dat aan de mu’min bij zijn dood ook het goede nieuws wordt gebracht dat zijn kinderen na hem rechtvaardige mensen zullen zijn, zodat hij zijn rūḥ met een gerust hart kan overgeven (aan de engel).
Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De engelen komen naar degene die op sterven ligt. Als hij een goede dienaar is, zeggen zij: ‘O zuivere rūḥ die zich in een rein lichaam bevindt! Kom naar buiten. Jij bent een geliefde rūḥ, over jou wordt goed gesproken. Wees verblijd. Jouw Rab is tevreden met jou.
Hij is niet boos op jou.”Zij blijven dit zeggen totdat de rūḥ het lichaam verlaat.
Daarna tillen zij deze zuivere rūḥ op naar de hemelen. De hemelen vragen: ‘Wie is dit?’ De engelen antwoorden: ‘Het is de zoon van die-en-die.’ Vervolgens openen de hemelen hun poorten en zeggen: ‘O zuivere rūḥ die zich in een rein lichaam bevindt! Jij bent een geliefde rūḥ, over jou wordt goed gesproken. Wees verblijd. Jouw Rab is tevreden met jou. Hij is niet boos op jou.’ De hemelen blijven dit zeggen zolang de rūḥ door de hemelen reist.
Als de persoon die op sterven ligt een slechte dienaar is, zeggen de engelen: ‘Jij slechte rūḥ die in een slecht lichaam bevindt! Ga naar buiten op een vernederende wijze. Het zal moeilijk voor jou zijn. De Hel wacht op jou.’ Zij blijven dit zeggen totdat hij zijn laatste adem uitblaast.
Daarna nemen de engelen de rūḥ van deze slechte persoon en tillen hem op naar de hemelen en vragen dat de poorten geopend worden. De hemelen vragen: ‘Wie is dit?’ De engelen antwoorden: ‘Het is die en die man.’ Vervolgens zeggen de hemelen: ‘Jij slechte rūḥ die in een slecht lichaam bevindt! Wij openen onze poorten niet voor jou. Ga terug naar je schandelijke leven.’ De rūḥ van de slechte persoon daalt daarop terug van de hemelen en wordt aan het graf (de aarde) teruggegeven.” (İbn Mājah, 4268; Ahmad b. Ḥanbel, Musnad, 6/140)
Abû Bakr bin Abi Shaybah vermeldt deze hadīth ook … van Abû Hurayrah (رضي الله عنه). Deze overlevering wordt bevestigd door zowel al-Bukhârî als Muslim. Ibn Abi Shaybah heeft echter enkele kanttekeningen: volgens hem is deze hadīth met de hierboven genoemde overleveringsketen alleen door Muslim doorgegeven.
De hadīth gaat als volgt verder: “De engelen komen naar degene die op sterven ligt. Als hij een mu’min dienaar is, zeggen zij: ‘O zuivere rūḥ, kom naar buiten.”
Muslim rapporteert in een andere overlevering van Abû Hurayrah (رضي الله عنه) waarin staat: “Wanneer de rūḥ van een mu’min wordt genomen, komen twee engelen om hem te ontvangen en tillen hem op naar de hemelen.” (Muslim, 3/1245)
Hammād geeft hierbij de volgende verklaring: met ‘goede persoon’ wordt bedoeld een mu’min. De rūḥ van de mu’min ruikt als muskus. Wanneer hij de hemelen bereikt, zijn de hemelen blij met deze geur en herkennen dat hij een goed persoon is. Daarna geven zij toestemming en zeggen: “Breng hem naar jouw Rab.”
Als de persoon slecht is, is hij een kāfir. Zijn rūḥ ruikt onaangenaam. De hemelen worden door deze geur gestoord en vervloeken hem. Zijn opstijging wordt niet toegestaan.
Van ʿUbade bin Samit (رضي الله عنه): Resulullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie verlangt om Allāh te ontmoeten, Allāh verlangt ook om hem te ontmoeten. Wie echter niet verlangt om voor Allāhu Taʿālā te verschijnen, Allāhu Taʿālā wil hem ook niet voor Zich doen verschijnen.”
ʿĀ’ishah en enkele andere vrouwen van Resulullāh (رَضِيَ ٱللّٰهُ عَنْهُنَّ) zeiden: “Maar wij allen vrezen de dood!” Hierop verduidelijkte Resulullāh (صلى الله عليه وسلم): “Dat is niet wat bedoeld wordt (want iedereen vreest en schrikt voor de dood). Wanneer een mu’min op sterven ligt en het goede nieuws van Allahs tevredenheid over hem ontvangt, vergeet hij alles en verlangt hij ernaar spoedig voor Allāhu Taʿālā te verschijnen. Vervolgens accepteert Allāhu Taʿālā deze dienaar.
Wanneer de dood een kāfir bereikt, wordt hem verteld dat hij naar de Hel zal gaan en de toorn zal ondervinden. Daarop vergeet de kāfir alles en probeert hij aan de dood te ontkomen. Hij wil niet voor Allāhu Taʿālā verschijnen, en Allāh accepteert hem ook niet.” (al-Bukhārī, 11/357.; Nasâ`î, 4/9.; at-Tirmiḏī , 1066.; Ahmad b.
Ḥanbel, Musnad, 2/313.; Muslim, 17/9.; İbni Mājah, 4264) Zelfde ḥadīth wordt ook door Muslim vermeld, overgeleverd vanʿĀ’ishah (رضي الله عنها); Ibnü’l-al-Mubārak, overgeleverd van Anas (رضي الله عنه)
UitlegDeze ahadīth zijn voldoende duidelijk en ondubbelzinnig.
Een ḥadīth die deze ahadīth uitlegt komt van ʿĀ’ishah (رضي الله عنها). Toen Sharīh b. Hani haar vroeg over de overlevering van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), antwoordde ʿĀ’ishah (رضي الله عنها): “Zo ligt het niet precies. Toch weten wij het volgende: wanneer de ogen wijd opengaan, de borst zich beklemd voelt, de huid begint te trillen en de vingers verstijven, dan is dit een teken dat Allāhu Taʿālā tevreden is met degene die ernaar verlangt Hem te ontmoeten. Maar wanneer iemand op dat moment voor de dood probeert te vluchten en niet voor Allāh wil verschijnen, dan wil Allāhu Taʿālā hem ook niet ontmoeten.” (Muslim, 17/11)
Verder wordt overgeleverd dat ʿĀ’ishah (رضي الله عنها) zei: “Wanneer Allāh goedheid voor een dienaar wil, stuurt Hij een jaar vóór diens overlijden een engel. Deze engel bereidt hem voor op de dood. Wanneer die persoon vervolgens sterft, zeggen de mensen: ‘Hij is op een mooie manier gestorven.’ Zo’n dienaar ziet bij zijn dood de beloningen die hem zijn beloofd en wordt daar zeer blij van. Daarom verlangt hij ernaar zo snel mogelijk zijn Rab te ontmoeten.
Echter, wanneer Allāh geen goedheid voor een dienaar wil, wordt vóór zijn dood een shayṭān over hem aangesteld. Deze leidt hem van het rechte pad af. Wanneer hij sterft, zeggen de mensen: ‘Wat een slechte dood had die persoon.’ Zo iemand ziet bij het sterven zijn slechte einde en wil niet vertrekken. En Allāhu Taʿālā accepteert hem dan ook niet.”
… Van Anas (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer Allāh goedheid voor een dienaar wil, bereidt Hij hem voor op de dood.”
De aanwezigen vroegen: “Hoe gebeurt er dat?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Hij laat hem goede daden verrichten, en de dienaar sterft terwijl hij zich in die toestand bevindt.” ( at-Tirmiḏī , 2142)
Een andere overlevering van Anas (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer Allāh het goede voor een dienaar wil, maakt Hij hem bemind.”
Men vroeg: “Hoe dan?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Hij schenkt hem het verrichten van goede daden. Zo corrigeert die dienaar vóór zijn dood zijn eerdere fouten. De mensen om hem heen zijn tevreden met hem, en hij sterft in die toestand.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 4/200)
Qatādah (رضي الله عنه) heeft de āyāt:فَأَمَّآ إِن كَانَ مِنَ ٱلۡمُقَرَّبِينَ ٨٨
Als hij (de ziel) tot degenen die in de nabijheid van Allāh worden gebracht, behoort.
فَرَوۡحٞ وَرَيۡحَانٞ وَجَنَّتُ نَعِيمٖ ٨٩
(Dan zijn er voor de ziel) rust en voorzieningen, en de Tuin der vreugde. (Wāqiʿa, 88–89)als volgt uitgelegd: “Rawḥ betekent barmhartigheid, en rayḥān zijn de aangename geuren die de engelen bij het sterven aanbieden.”
Van Ibn Jurayj (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft de āyah:حَتَّىٰٓ إِذَا جَآءَ أَحَدَهُمُ ٱلۡمَوۡتُ قَالَ رَبِّ ٱرۡجِعُونِ ٩٩
Maar wanneer de dood tot één van hen komt, zegt hij: “Mijn Heer! Stuur mij terug.
(Mu'minun, 23:99), aanʿĀ’ishah (رضي الله عنها) als volgt uitgelegd: “Wanneer de engelen aan de mu’min verschijnen, zeggen zij: ‘Zullen wij je terugsturen naar de wereld?’Daarop zegt de mu’min: ‘Naar de plaats van zorgen en verdriet?’En hij voegt eraan toe: ‘Ik wil naar mijn Rab, ʿAzza wa Jalla, gaan.’
Wanneer de engelen dezelfde vraag aan de kāfir stellen, antwoordt hij zoals in de volgende āyāt:حَتَّىٰٓ إِذَا جَآءَ أَحَدَهُمُ ٱلۡمَوۡتُ قَالَ رَبِّ ٱرۡجِعُونِ ٩٩
Maar wanneer de dood tot één van hen komt, zegt hij: “Mijn Heer! Stuur mij terug,
لَعَلِّيٓ أَعۡمَلُ صَٰلِحٗا فِيمَا تَرَكۡتُۚ كـَلَّآۚ إِنَّهَا كَلِمَةٌ هُوَ قَآئِلُهَاۖ وَمِن وَرَآئِهِم بَرۡزَخٌ إِلَىٰ يَوۡمِ يُبۡعَثُونَ ١٠٠
Zodat ik goed kan doen in datgene wat ik heb achtergelaten!” Nee! Het is slechts een woord dat hij spreekt, en achter hem een scheiding tot de Dag dat zij zullen herrijzen
( al-Mu’minūn, 99–100)
Wat betreft de kwestie van het opstijgen naar de hemel, zoals vermeld in de hadīth, is dit een oordeel van Allāh. Hier verwijst het woord samā’ naar de zevende hemel, en meer specifiek naar de Sidrah al-Muntahā (de Boom van het Uiterste). De relatie tussen de hemelen en de aarde wordt hieruit afgeleid. In de hadīth die Muslim over de “Isrā”-gebeurtenis vermeldt, wordt dit ook op deze manier aangegeven.
In de hadīth van Barā’ (رضي الله عنه) wordt de zevende hemel expliciet genoemd. Later zullen we opnieuw op dit onderwerp terugkomen.
Toen we dit āyah bespraken met enkele van onze vrienden die kennis en inzicht bezitten:
ٱلرَّحۡمَٰنُ عَلَى ٱلۡعَرۡشِ ٱسۡتَوَىٰ ٥ Ar-Rahmān heeft Zich gevestigd op de troon”(Tāhā, 20:5), citeerde ik deze hadīth overgeleverd door Ibn ʿAbdulbar, beter bekend als Abū ʿUmar. Niemand die aanwezig was, betwistte deze overlevering. Ik maakte de volgende opmerking: deze overlevering is ṣaḥīḥ. Andere overleveringen ondersteunen deze betekenis. Ook de overleveringen betreffende tawbah en de vijf dagelijkse ṣalāh komen uit dezelfde bron.
…Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) : Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:“Wanneer de dood de mu’min bereikt, komen engelen met glazen vaten gevuld met musk. Ze trekken de rūḥ van de mu’min eruit alsof zij een haar uit boter trekken en zeggen:يَٰٓأَيَّتُهَا ٱلنَّفۡسُ ٱلۡمُطۡمَئِنَّةُ ٢٧ “O tot rust gekomen ziel!
ٱرۡجِعِيٓ إِلَىٰ رَبِّكِ رَاضِيَةٗ مَّرۡضِيَّةٗ ٢٨ Keer terug tot jouw Heer, tevreden en welbehaagd. (Fajr, 89:27-28)
Vervolgens wordt de rūḥ van de mu’min in dit met musk gevulde vat geplaatst en omhooggeheven naar de ‘Illiyyūn-laag.
Voor de kāfir wordt bij het moment van de dood een vat gevuld met vuur gebracht. De rūḥ wordt er met moeite uitgetrokken en er wordt gezegd: “O ellendige rūḥ! Kom eruit in een staat van boosheid en verontwaardiging, en onderga de bestraffing van Allāh.”Wanneer de rūḥ eruit wordt gehaald, wordt zij in het vuur gevulde vat geplaatst en naar de Sijjīn-laag van de Hel gebracht. (An-Nasā’ī, 4/8; Aḥmad b. Ḥanbal, 4/364)
Wat betreft de rūḥ van de mu’min: de ‘Illiyyūn-laag waarheen zij wordt gebracht, is het aangezicht van Allāh en de hoogste rang. Andere hadīth die hierover spreken, verduidelijken deze gebeurtenissen. Het is dus toegestaan om onbekende aspecten van deze gebeurtenissen te begrijpen door ze in samenhang met andere overleveringen te bestuderen; daar is geen bezwaar tegen.
Bovenkant formulier
1.20: Het opstijgen van de arwāh naar de hemel, het ondervragen van de overledene over de gebeurtenissen in de wereld en de aanbieding van hun daden
Van Abû Ayyûb al-Ansârî (رضي الله عنه): “Wanneer de rūḥ van een mu’min wordt weggenomen, wordt hij door de genade van Allāh ontvangen. (En de andere mu’minīn die eerder zijn overleden) verwelkomen hem. Deze ontmoeting is vergelijkbaar met het ontvangen van goed nieuws van iemand hier in de wereld. Ze groeten hem met de salām en beginnen een gesprek.
Ze zeggen tegen elkaar: “Zorg dat jullie je met deze broer bemoeien zodat hij tot zichzelf komt, want hij heeft veel zware dingen meegemaakt.”Vervolgens (wordt aan de nieuw gestorven mu’min) gevraagd: “Wat doet die en die man? Wat doet die en die vrouw? Is hij/zij getrouwd?”Als men hem vraagt naar iemand die eerder is overleden, antwoordt hij: “Hij is al gestorven.”Daarop zeggen de aanwezigen: “Innā lillāh wa innā ilayhi râjiʿûn. Dus hij is in de Hel terecht gekomen. Wat een slechte plaats is dat!”
(Abû Eyyûb (رضي الله عنه) vervolgt): “Daarna worden de daden van deze nieuw gestorven dienaar aan de aanwezigen getoond. Als zijn daden goed zijn, dan verheugen zij zich en brengen elkaar het blijde nieuws. Ze verrichten du`ā’zeggende: “O Mijn Rab! Dit is een gunst van U voor Uw dienaren. Voltooi deze gunst voor Uw dienaren.” Als de daden slecht zijn, dan verrichten de aanwezigen du`ā’ zeggende: “Vergemakkelijk het voor Uw dienaar.” (`Abdullah İbni al-Mubārak, Kitabu’z-Zuhd, 443, overgeleverd met een ḥasan keten)
Van Abû Dardâ (رضي الله عنه): “Wanneer jullie overlijden, worden jullie daden eerst aan degenen die eerder zijn gestorven getoond. Zij worden ofwel blij ofwel bedroefd. Abû Dardâ (رضي الله عنه) verrichten du`ā’zeggende: “O Mijn Rab! Ik zoek bescherming bij U om de zonden te verrichten die `Abdullah bin Rawaha tot spot zouden brengen.”
In een andere overlevering verrichten hij du`ā’zeggende:
“O Allāh! Bescherm mij tegen daden die mij bij `Abdullah b. Rawaha zouden vernederen." (Abdullah İbni Mübarek, Kitabu’z-Zühd, 165)
Van `Abdullah `Abdurrahman bin Ya’lâ via `Uthmān bin `Abdullah bin `Aws:
Sa`īd bin Jubayr vertelde hem: “Als je het toestaat, mijn broer, wil de dochter van `Amr bin `Aws je ontmoeten. Haar echtgenoot is `Uthmān.”
`Uthmān gaf toestemming.
Sa`īd vroeg de vrouw: “Hoe behandelt je echtgenoot jou?”De vrouw antwoordde: “Hij zorgt voor mij zo goed hij kan.”
Sa`īd wendde zich tot haar echtgenoot en zei: “`Uthmān! Wees goed voor deze vrouw. Doe niets dat haar vader, `Amr, zou verontrusten.”
Hierop vroeg ik aan Sa`īd bin Jubayr: “Kunnen de overledenen nieuws van de levenden vernemen?”Hij antwoordde: ‘Ja. In de wereld bereiken de overledenen alle berichten over hun vrienden en familie. Als het nieuws goed is, verheugen zij zich; als het slecht is, treuren zij. Wanneer iemand van jullie overlijdt en de eerder gestorvenen hem vragen: “Hoe gaat het met die of die?” Hij antwoordt: “Is hij/zij hier niet gekomen?”, dan zeggen de aanwezigen: “O nee! Hij/zij is in de Hel gegaan,” en zij zullen rouwen.” (`Abdullah İbni al-Mubārak, Kitabu’z-Zuhd, 447)
Haşan el-Basrî zei: “Wanneer de rūḥ van een mu’min wordt weggenomen, wordt hij naar de hemel opgeheven. De arwāh van de eerder gestorven mu’mins ontmoeten hem en vragen: “Wat doet die en die?” De pas gestorvene antwoordt: “(Hij is al overleden) is hij hier niet gekomen?” Waarop de aanwezigen zeggen: “Bij Allāh, hij is hier noch gekomen noch gegaan. Dus hij behoort tot de Hel. Arme ziel.”
Wahb bin Munabbih zegt: “De zevende hemel is een plaats/station die 'Bayda' (geheel wit) wordt genoemd. Daar verzamelen zich de arwāh van alle mu’mins. Wanneer iemand die net van de wereld is heengegaan arriveert, wordt hij ontvangen en beginnen zij een gesprek. Ze stellen hem vragen over gebeurtenissen in de wereld. Vooral degenen die eerder zijn overleden tonen interesse in hun familie”. Abû Nuaym vermeldt deze overlevering ook. Moge Allāh hen allen genadig zijn.
Hoewel al deze overleveringen mawqûf (een overlevering die alleen aan een metgezel wordt toegeschreven en niet rechtstreeks aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn, hebben degenen die deze overleveringen hebben doorgegeven ze zeker niet naar eigen inzicht verzonnen.
Bijvoorbeeld, van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Daarna komen de arwāh van eerder gestorven mu’mins hen tegemoet. Wanneer zij de pas gestorvene zien, worden ze heel blij, zelfs meer dan wanneer iemand iets waardevols of een dierbare die je hebt verloren, terugvindt. Vervolgens vragen ze: “Wat doet die en die man? Wat doet die en die vrouw?” Daarna zeggen zij tegen elkaar: “Verrichten du`ā’ voor hem, want de beproevingen in deze wereld zijn zwaar.”
De pas gestorvene antwoordt: “Is hij hier niet gekomen?” Waarop de eerder gestorvenen, wanneer zij beseffen dat de betreffende persoon is overleden en naar de Hel is gegaan, verdrietig zeggen: “Dus hij is in de Hel geworpen.” (an-Nasâ`î, 4/8-9) Deze hadīth is voor nu voldoende. In latere onderwerpen zullen nog andere ahadīth worden genoemd.
Hâkim at-Tirmiḏī, heeft in zijn werk Nawâdiru’l-`Usûl, de volgende hadith overgeleverd:
"Van mijn vader …van Anes (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Alles wat jullie in deze wereld doen, wordt aan jullie (overleden) familie en vrienden getoond. Als jullie goede daden hebben verricht, verheugen zij zich. Zijn jullie daden echter niet goed, dan verrichten zij du`ā’ zeggende: “O mijn Rab! Neem zijn rûḥ niet voordat hij zijn daden heeft verbeterd.”
Van `Abdulghafûr bin `Abdulaziz via zijn vader (`Abdulaziz) (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Alles wat jullie doen, wordt elke maandag en donderdag aan Allāh gepresenteerd. Op vrijdag wordt het getoond aan de anbiyā’, en aan jullie ouders. Jullie goede daden verheugen hen en hun gezichten stralen van vreugde.
Dus, O dienaren van Allāh! Weest Godvrezend en doe geen slechte daden waardoor jullie de overledenen zouden treffen.” (Abû Dâwûd, 2419; Ahmad b. Ḥanbel, Musnad, 5/200 en 2/484)
Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer iemand van jullie sterft, komt zijn rūḥ bij de arwāh van zijn eerder gestorven familieleden en vrienden. Zij ontvangen hem en zeggen tegen elkaar: “Verricht du’ā’ voor hem. (Vanwege de beproevingen in deze wereld en de sakarâh al-mawt) heeft hij het erg moeilijk gehad.”
Vervolgens vragen zij: “Waar is die man? Wat doet die vrouw?”Is er over de betreffende persoon goede dingen verteld, prijzen en danken zij Allāh en zijn blij. Als zij slechte dingen horen, Verrichten zij du’ā’ zeggende: “(O Allāh) Vergiffenis voor hem.”Daarna vragen zij: “Is die getrouwd? Is die vrouw getrouwd?”
Wanneer men een eerder gestorven persoon vraagt, antwoordt de pas gestorvene: “Hij is voor mij gestorven. Hebben jullie hem niet gezien?” Daarop zeggen de aanwezigen: “Nee, bij Allāh, wij hebben hem niet gezien.” En vervolgens zeggen zij: “Innā lillâh wa innā ilayhi râjiʿûn. Dus hij is naar de Hel gegaan. Wat een jammerlijke situatie! De Hel is een verschrikkelijke plaats.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) voegde eraan toe: “Zelfs over de kat in hun huis vragen zij er naar.” Deze hadîth wordt overgeleverd door Sa’labî. Moge Allāh hem genadig zijn.Een andere overlevering van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) luidt: "De arwāh zijn als elkaars tweeling. Degenen die elkaar liefhebben, komen samen en verenigen zich. Degenen die elkaar niet herkennen, raken in conflict en worden van elkaar gescheiden." (Muslim, 16/185; Bukhârî, 6/369; Abû Dâwûd, 4813; Ahmad b. Ḥanbel, Musnad, 2/295 en 297)
De ahadīth worden door sommige geleerden interpreteren als het ontmoeten van de arwāh van de overledenen en de slapers, terwijl anderen er verschillende aanvullende betekenissen aan hebben toegekend.
1.21: Een andere kwestie die met het onderwerp samenhangt
…Van ʿĀʾishah (رضي الله عنهم): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Waar een persoon zich tijdens zijn leven in zijn eigen huis aan stoort, dat zal hem na zijn dood in het graf eveneens pijn en leed berokkenen.”
Over deze ḥadīth zijn de volgende toelichtingen gegeven: Hieruit blijkt dat een overledene in zijn graf kennis kan krijgen van de handelingen van zijn nog levende familieleden. Hij kan daarbij ook verdriet of ongemak ervaren door hun slechte daden. Deze kennis kan hem bereiken via directe waarneming van de gebeurtenis, of via een teken of innerlijke gewaarwording. Allāh heeft macht over alles en kan de overledene op elke wijze die Hij wil hierover informeren.
ʿUrwah vertelt: Een man sprak in het bijzijn van ʿUmar (رضي الله عنه) onaangename woorden over ʿAlī (رضي الله عنه). Daarop berispte ʿUmar die man en zei: “Wat voor iemand ben jij eigenlijk? Wat is er met jou aan de hand? Hoe durf jij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verdriet te doen?”
Onze geleerden hebben uit deze aḥādīth afgeleid dat het verboden is om kwaad te spreken over de overledenen.
In een andere ḥadīth wordt eveneens vermeld dat het beledigen van de overledenen en het uiten van woorden die hen verdrietig maakt, verboden is. Het is met name verboden om de slechte daden te bespreken die onze overleden ouders tijdens hun leven hebben begaan.
Een andere overlevering luidt als volgt: Na het overlijden van Khadījah (رضي الله عنها) bezocht Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) haar vriend(inn)en en familieleden; hij hielp hen en gaf hen geschenken. Het tegenovergestelde daarvan is hen slechte behandelen of de familie/vrienden banden verbreken. Samenvattend begrijpen wij hieruit dat alles wat een persoon tijdens zijn leven verdriet deed met betrekking tot zichzelf en zijn familie, hem na zijn dood eveneens verdriet zal doen. Hieruit kunnen wij ook het volgende afleiden: Voor iedere mens is er kennelijk een speciaal aangestelde engel, en deze engel informeert de mens na zijn dood over het handelen van zijn familie en naasten. En Allāh weet het het best.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer een persoon liegt, verwijdert de engel zich twee mijl van hem.” (Ṭabarānī, al-Muʿjam aṣ-Ṣaghīr, 2/31)
Elke zonde die de dienaar begaat, bezorgt deze engel eveneens ongemak.
Wanneer een mu’min sterft zonder berouw te hebben getoond over zijn zonden, en er geen andere daden zijn die als boetedoening (kafārah) kunnen dienen dan zal deze engel hem op de hoogte stellen van deze pijnlijke gebeurtenissen die zich op aarde voordoen. Het verdriet dat hij daardoor ervaart, wordt terwijl hij zich in het graf bevindt een boetedoening voor zijn zonden. En toch: Allāh weet het het best.
1.22: De toestand van de rūḥ na de dood en de kwestie waar zij zich bevindt nadat zij het lichaam heeft verlaten
Abū al-Ḥasan al-Qābisī geeft de volgende uitleg: Volgens de Ahl as-Sunnah wa’l Jama`ah is de ware visie als volgt: Wanneer de engelen de rūḥ hebben genomen, brengen zij haar bij Allāh. Als de persoon een mu’min is, een bewoner van het Paradijs, dan zegt Allāhu Ta`ālā tot de engelen: “Neem hem mee en toon hem zijn plaats in het Paradijs.”
Terwijl de overledene wordt gewassen, brengen de engelen zijn rūḥ naar het Paradijs en tonen zij hem zijn rang. Wanneer hij gewassen is en in de lijkwade is gehuld, wordt zijn rūḥ tussen de lagen van de lijkwade (kafan) geplaatst, naast het lichaam. Tijdens het dragen van de baar hoort de overledene de stemmen om zich heen en luistert hij naar wat er goed of slecht over hem wordt gezegd. Wanneer de ṣalāh al-janazah over hem is verricht en hij in het graf wordt neergelegd, keert de rūḥ terug naar het lichaam. Daarna worden, zoals later zal worden behandeld, twee engelen naar hem gestuurd.
Van ʿAmr ibn Dīnār (رضي الله عنه): “Wanneer een persoon sterft, wordt zijn rūḥ toevertrouwd aan een engel. Onder toezicht van deze engel aanschouwt de rūḥ het wassen van het lichaam, het inhullen in de lijkwade, het dragen naar het graf, het verrichten van de ṣalāh al-janazah, de begrafenis en de mensen die bij het graf blijven zitten”.
Dāwūd voegde aan deze ḥadīth het volgende toe: “Terwijl het lichaam nog op de baar ligt, wordt tegen de rūḥ gezegd: “Luister naar wat de mensen over jou zeggen.”
Ḥāfiẓ Abū Nuʿaym heeft deze overlevering van ʿAmr overgeleverd.
Imām al-Ghazālī zegt in zijn boek Kashf ʿUlūm al‑Ākhirah: “Wanneer een mu’min overlijdt, nemen twee engelen met mooie gezichten zijn rūḥ in ontvangst. Deze twee engelen, gekleed in prachtige gewaden en geparfumeerd met heerlijke geuren, bekleden de rūḥ met zijde uit het Paradijs. Hij wordt op een troon van dadelhout geplaatst, een toestand die geen mens zich in deze wereld kan voorstellen. Daarna begint hij op te stijgen naar de hemel. Tijdens deze opstijging ziet hij de mensen die vóór hem hebben geleefd als zwerm sprinkhanen, en hij observeert hen. Wanneer de laag van de wereldse hemel is bereikt, wordt een poort geopend (de eerste laag van de hemel). De poortwachter vraagt: “Wie ben jij?”
Hij antwoordt: “Mijn naam is Salsāʾīl. Ik heb de rūḥ van die en die rechtschapen man gebracht.”
Daarop wordt de poort geopend en zeggen de aanwezige engelen: “Dit is die en die persoon. Zijn geloofsleer (`aqidah) was correct/standvastig.”
Vervolgens stijgen zij op naar de tweede laag van de hemel.Daarop wordt een poort geopend en wordt opnieuw gevraagd wie hij is. De dienstdoende engel stelt de rūḥ op dezelfde manier aan de aanwezigen voor. De aanwezigen zeggen: “Welkom. Deze man verrichtte zijn ṣalāh regelmatig, hield zich aan de verplichte (farḍ) handelingen en hun correcte uitvoering.”
Vervolgens stijgen zij op naar de derde laag van de hemel. Ook daar wordt gevraagd wie zij zijn, en de engel geeft hetzelfde antwoord. De engelen daar zeggen: “Welkom. Jij was iemand die recht deed aan het bezit van anderen, harām vermijdde en aalmoezen gaf.”
Daarna gaan zij naar de vierde laag van de hemel. Ook daar wordt de rūḥ voorgesteld aan de aanwezigen door de engelen. De engelen verwelkomen hem met de woorden: “Welkom, dienaar die zijn vasten correct verrichtte.”
Vervolgens stijgen zij naar de vijfde laag van de hemel. Na dezelfde introductie wordt hem gezegd: “Welkom. Jij hebt je Ḥaj verricht zonder pronkzucht en met volledige toewijding.”
In de zesde laag van de hemel wordt opnieuw gevraagd wie hij is, en de engel stelt hem voor. De aanwezigen zeggen daar: “Welkom, mu’min met een zuivere rūḥ. Jij behandelde je ouders met goedheid.”
Ten slotte, wanneer zij de zevende laag van de hemel bereiken, stelt de engel hem opnieuw voor aan de aanwezigen. Daar begroeten zij de rūḥ op prachtige wijze: “Welkom. Jij was iemand die in de vroege ochtenduren berouw toonde, in het geheim (oprecht en zonder uiterlijk vertoon) mensen hielp en zorg droeg voor de armen, de weduwen en de wezen.
Van daaruit stijgen zij op naar de bewakers van de Troon (al-ʿArsh). Zij kloppen aan de poort. De dienstdoende engelen vragen wie zij zijn, en de engel die de rūḥ bewaakt, stelt de rūḥ voor. De aanwezigen verwelkomen deze dienaar met de woorden: “Welkom. Was jij niet degene die veelvuldig istighfār verrichtte, het goede gebood en het kwade bestreed?”
Op dat moment verzamelen alle engelen zich om hem heen; zij brengen hem blijde tijdingen, spreken goede woorden, groeten hem met de salām en omhelzen hem. Vervolgens vervolgt de rūḥ haar weg tot aan Sidratu’l Muntahā. Ook daar kloppen zij aan. De engelen die de poort openen, vragen wie zij zijn; de engel stelt hen voor. Daarop zeggen zij: “as salām zij met de geliefde dienaar van Allāh. Welkom.”
Daarna wordt vóór de rūḥ een poort geopend en zij vervolgt haar weg. Eerst gaat zij door een zee van vuur, daarna door een zee van licht. Vervolgens bereikt zij een donkere zee, daarna een zee van water, en daarna achtereenvolgens zeeën van sneeuw en ijs. De afstand van elke zee bedraagt duizend jaar. Daarna bereikt zij de Troon van ar-Raḥmān.
Daar staan de engelen die de Troon (`Arsh) bewaken, wachtend met grote fakkels in hun handen. Hun aantal is tachtigduizend. Elke engel draagt tachtigduizend fakkels, en in elke fakkel bevinden zich tachtigduizend manen. Zij prijzen en verheerlijken Allāh. Als ook maar één van deze manen de wereld zou naderen, dan zou de gehele wereld door zijn licht vergaan.
Vervolgens roept Allāh deze bewakers na: “Wie is deze dienaar die jullie hebben meegebracht?”
De bewakers antwoorden: “Hij is die-en-die, zoon van die-en-die.”
Daarop zegt Allāhu Ta`ālā: “Breng hem dichterbij. Hij is een heel goede dienaar.”
Twee grote, aangestelde engelen brengen de dienaar vóór ar-Raḥmān. Ar-Raḥmān, Jalla Jalalahu, benoemt enkele van zijn fouten. De dienaar denkt op dat moment dat hij zal vergaan, maar daarna vergeeft Allāhu Ta`ālā deze zonden.
Qāḍī Yaḥyā ibn Aktham verscheen na zijn overlijden in de droom van iemand. Die persoon vroeg hem in de droom: “Hoe heeft Allāhu Ta`ālā jou behandeld?”
Qāḍī antwoordde: “O mijn shaykh, Zij brachten mij voor Allāh. Daar vertelde Allāhu Ta`ālā over al mijn verrichte daden. Toen zei ik: ‘O mijn Rab, hoe zit het dan met die ḥadīth?”
Allāhu Ta`ālā zei:“Welke ḥadīth?”
Daarop reciteerde ik de ḥadīth .., van ʿĀʾishah (رضي الله عنها), van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), via Jibrīl (عليه السلام), dat U gezegd heeft: “Ik straf geen dienaar die in de Islām oud is geworden.”
Daarop zei Allāhu Ta`ālā tot mij: “Je hebt de waarheid gesproken, Yaḥyā. Zuhrī, Maʿmar en ʿUrwah hebben ook de waarheid gesproken. ….”
Ook Ibn Nabātī is door sommigen in een droom gezien. Toen men hem vroeg: “Hoe heeft Allāh jou behandeld?”, antwoordde hij: “Zij brachten mij bij Allāh. Ar-Raḥmān zei tot mij: “Je bracht je leven door met het uiten van mooie woorden”.Ik zei: “O mijn Rab, ik prijs U ook.”Daarop zei Allāh: “Draag dan een van de gedichten voor die je in de wereld voordroeg.”
Ik droeg toen het volgende voor:
“Degene die jullie naar de wereld zond, is Degene die jullie schiep.Degene die jullie hier vestigde, is Degene die jullie leerde spreken.Degene die jullie opnieuw zal scheppen, is Degene die jullie doet sterven.Degene die jullie weer tot leven zal wekken, is Degene die jullie lichamen tot aarde terugbrengt.”
Daarop zei Allāhu Ta`ālā: “Je hebt mooi gesproken. Ga, Ik heb je ook vergeven.”
Manṣūr ibn ʿAmmār werd na zijn overlijden eveneens in een droom gezien. Toen men hem vroeg hoe Allāh hem had behandeld, antwoordde hij: “Twee engelen hielden mij aan vóór Allāh. Allāhu Ta`ālā vroeg: ‘Waarmee ben jij tot Mijn gekomen, Manṣūr?’Ik zei: ‘O mijn Rab, ik ben tot U gekomen met 360 maal de volledige Qurʾān-recitatie.’Hij zei: ‘Geen daarvan heb Ik aanvaard.’Daarna vroeg Hij: ‘Wat heb je nog meer gebracht?’Ik antwoordde: ‘Ik ben tot U gekomen met U (met Uw welbehagen en Uw Naam).’Daarop zei Allāhu Ta`ālā: ‘Ga dan, Ik heb je vergeven.’
Sommige mensen zullen, nadat bij Allāh kwamen, daarvandaan worden weggestuurd. Anderen zullen haar nooit bereiken.
Alleen de ʿārifūn (zij die Allāh werkelijk kennen) bereiken Allāh.
De rūḥ van een kāfir wordt met benauwdheid weggenomen; zijn gezicht wordt als dat van iemand die een schandelijke daad heeft begaan. De dienstdoende engel zegt bij het nemen van zijn rūḥ: “O schandalige rūḥ in een verachtelijk lichaam, kom eruit!”
Op dat moment schreeuwt de kāfir als een ezel. Nadat de Malaku’l Mawt (عليه السلام) de rūḥ heeft genomen, draagt hij haar over aan de Zabāniyyûn (engelen van de Hel: Qurʾān (surah al-ʿAlaq 96:18) met afschrikwekkende gezichten en angstaanjagende kleding. Zij brengen vuurkleding mee en wikkelen de rūḥ van de kāfir daarin. Het lichaam van de kāfir zal in het Hiernamaals meer ruimte in beslag nemen dan dat van de mu’min, maar de engelen knellen hem in deze kleding zó samen dat, volgens een authentieke overlevering, het lichaam van de kāfir in het Hellevuur zo groot zal zijn als de berg Uḥud, (zodat zijn bestraffing in de Hel groter is). (Sahih-i Muslim, 2851)
De engel die de rūḥ van de kāfir neemt, stijgt op naar de wereldse hemel. Bij de eerste laag van de hemel vragen de engelen wie zij zijn. De engel zegt: “Mijn naam is Dakyāʾīl.”(dit is de naam van de zabāniyyah die met de kāfir belast is)
Wanneer zij vragen wie bij hem is, antwoordt hij: “Die-en-die, zoon van die-en-die; is een zeer slecht persoon.”
Daarop zeggen de engelen: “Hij is helemaal niet welkom. Voor jou is er geen salām en geen welkom.”
En het volgende āyah wordt gereciteerd:
إِنَّ ٱلَّذِينَ كَذَّبُواْ بِـَٔايَٰتِنَا وَٱسۡتَكۡبَرُواْ عَنۡهَا لَا تُفَتَّحُ لَهُمۡ أَبۡوَٰبُ ٱلسَّمَآءِ وَلَا يَدۡخُلُونَ ٱلۡجَنَّةَ حَتَّىٰ يَلِجَ ٱلۡجَمَلُ فِي سَمِّ ٱلۡخِيَاطِۚ وَكَذَٰلِكَ نَجۡزِي ٱلۡمُجۡرِمِينَ ٤٠
Waarlijk, degenen die Onze Tekenen naast zich neer leggen en ze met arrogantie behandelen, voor hen zullen de poorten van de hemel zich niet openen en zij zullen het Paradijs niet binnengaan tot de kameel door het oog van de naald gaat. Zo vergelden Wij de misdadigers. (al A`rāf 7:40)
Daarop werpt de engel de rūḥ van de kāfir weg en reciteert:
حُنَفَآءَ لِلَّهِ غَيۡرَ مُشۡرِكِينَ بِهِۦۚ وَمَن يُشۡرِكۡ بِٱللَّهِ فَكَأَنَّمَا خَرَّ مِنَ ٱلسَّمَآءِ فَتَخۡطَفُهُ ٱلطَّيۡرُ أَوۡ تَهۡوِي بِهِ ٱلرِّيحُ فِي مَكَانٖ سَحِيقٖ ٣١
Geen ander dan Allāh aanbiddend noch deelgenoten aan Hem toekennend, want ieder die deelgenoten aan Allāh toekent, is alsof hij uit de lucht is komen vallen en de vogels hem pikken of de wind heeft hem van zijn plaats af geworpen. (al-Haj, 22:31).
De rūḥ die wordt weggeworpen en stort neer op de aarde. Daar nemen andere zabāniyyûn haar over en werpen haar naar Sijjīn (een laag van de Hel). In Sijjīn, een uitgestrekte vlakte, worden alle arwāḥ van de kāfirs verzameld.
Joden en christenen die volgens hun eigen shari`ah hebben geleefd, over wie de ṣalāh al-janazah is verricht en die zijn begraven, worden uit de Goddelijke bijzijn verdreven en naar hun graven teruggestuurd.De mushrikūn (polytheisten) echter zullen dit nooit meemaken; zij bereiken de Goddelijke bijzijn niet en worden rechtstreeks in de Hel geworpen.De munāfiqūn worden, zoals hierboven beschreven, van de hemel naar de aarde geslingerd.
De toestand van zondige mu’mins verschilt van persoon tot persoon. Zo is de toestand van degene die de ṣalāh niet heeft verricht zeer slecht. Want degene bij wie de ṣalāh onvolledig is, is als een dief en wordt ook zo behandeld. De ṣalāh van zo iemand is als een opgelapte, versleten kleding, en wordt hem in het gezicht teruggeworpen.
De onvolledige ṣalāh van die persoon krijgt een stem en zegt tegen hem: “Zoals jij mij hebt verwaarloosd, moge Allāh jou ook verwaarlozen.”
Daarna stijgt die ṣalāh op naar de hemel.
Ook de toestand van degene bij wie de zakāh onvolledig is, is niet rooskleurig. Als hij zijn zakāh uit show of ostentatie heeft gegeven, wordt deze vanuit de hemel naar beneden geworpen. Moge Allāhu Ta`ālā ons beschermen tegen het zien van zo’n toestand of het daarin verkeren.
Evenzo wordt degene die uiterlijk vast, maar zijn tong niet heeft laat vasten en doorging met slechte daden, op dezelfde manier behandeld.
Van sommigen is ook de Ḥaj onvolledig, ofwel heeft hij deze verricht uit pronkerij, ofwel heeft hij de Ḥaj verricht met onreine of harām-inkomsten.
Sommigen zijn niet goed geweest voor hun ouders. Daarnaast zijn er vele andere vormen van goede daden waarvan de innerlijke geheimen en de juiste manier om ze oprecht en uitsluitend voor het welbehagen van Allāh te verrichten, alleen bekend zijn bij de geleerden.
Over al deze betekenissen zijn talrijke berichten en ahadith overgeleverd, waaronder de hadith over het verwerpen van daden, overgeleverd door Muʿādh ibn Jabal (رضي الله عنه) en anderen.
Wanneer de rūḥ aan het lichaam wordt teruggegeven, en als het lichaam nog niet is gewassen, blijft zij bij het hoofd wachten totdat het wassen is voltooid. Als de overledene wél is gewassen en in de lijkwade is gehuld, hecht de rūḥ zich van buitenaf aan de borst van de overledene.
Als de overledene tot de mensen van het Paradijs behoort, zegt hij: “Breng mij snel naar de barmhartigheid van Allāh. Als jullie wisten wat jullie dragen, zouden jullie je haasten.”
Maar als de overledene als ellendig en tot de Hel behorend is aangekondigd, dan zegt hij: “Doe rustig aan! Naar welke bestraffing brengen jullie mij? Weten jullie waarheen jullie mij dragen?”
Wanneer hij in het graf wordt gelegd en aarde op hem wordt gegooid, spreekt het graf tot hem en zegt: “Jij liep hoogmoedig over mij heen en schepte op. Treur nu in mijn binnenste.Jij at boven mij allerlei soorten voedsel; nu zullen wormen en insecten jou in mijn schoot eten.” Totdat hij volledig met aarde is bedekt, wordt hij herhaaldelijk met dergelijke woorden berispt. Daarna roept een engel met de naam Rūmān hem toe. Deze engel is de eerste engel die bij de overledene in het graf binnengaat. In shā’ Allāh zal zijn uitleg in latere hoofdstukken volgen. Allāh kent het ongeziene het best en oordeelt het meest rechtvaardig.
1.23: De verschillende manieren en toestanden waarin mensen overlijden
Allāhu Ta`ālā heeft in vele āyāt van de Qurʾān, soms mujmal (āyāt die kort en samengevat zijn, zonder alle details te geven), soms uitvoerig mufassal (āyāt die uitgebreid zijn en duidelijke details geven), uiteengezet hoe mensen overlijden. Zo zegt Allāhu Ta`ālā:
ٱلَّذِينَ تَتَوَفَّىٰهُمُ ٱلۡمَلَٰٓئِكَةُ طَيِّبِينَ يَقُولُونَ سَلَٰمٌ عَلَيۡكُمُ ٱدۡخُلُواْ ٱلۡجَنَّةَ بِمَا كُنتُمۡ تَعۡمَلُونَ ٣٢
(Zij zijn) degenen die de Engelen als reinen wegnemen, terwijl zij zeggen: “Vrede zij met jullie, ga het Paradijs binnen vanwege datgene wat jullie verricht hebben.” (an-Nahl, 16:32)
۞ قُلۡ يَتَوَفَّىٰكُم مَّلَكُ ٱلۡمَوۡتِ ٱلَّذِي وُكِّلَ بِكُمۡ ثُمَّ إِلَىٰ رَبِّكُمۡ تُرۡجَعُونَ ١١
Zeg (O Mohammed): “De Malaku’l-Mawt die over jullie beschikt zal jullie arwāḥ nemen. Dan zullen jullie tot jullie Heer gebracht worden.”(as-Sajdah, 32:11)
وَهُوَ ٱلۡقَاهِرُ فَوۡقَ عِبَادِهِۦۖ وَيُرۡسِلُ عَلَيۡكُمۡ حَفَظَةً حَتَّىٰٓ إِذَا جَآءَ أَحَدَكُمُ ٱلۡمَوۡتُ تَوَفَّتۡهُ رُسُلُنَا وَهُمۡ لَا يُفَرِّطُونَ ٦١
Hij is de Onbedwingbare, Verheven boven Zijn dienaren, en Hij stelt Wakers (Engelen) over jullie, totdat de dood één van jullie benadert, Onze boodschappers nemen zijn ziel en zij veronachtzamen nooit hun plicht. (al-Anām,6: 61)
ٱلَّذِينَ تَتَوَفَّىٰهُمُ ٱلۡمَلَٰٓئِكَةُ ظَالِمِيٓ أَنفُسِهِمۡۖ فَأَلۡقَوُاْ ٱلسَّلَمَ مَا كُنَّا نَعۡمَلُ مِن سُوٓءِۭۚ بَلَىٰٓۚ إِنَّ ٱللَّهَ عَلِيمُۢ بِمَا كُنتُمۡ تَعۡمَلُونَ ٢٨
De Engelen nemen degenen weg die zichzelf onrecht aandoen. Dan zullen zij zich overgeven (en zeggen) :“Wij hebben geen kwaad gedaan.” (De Engelen zullen antwoorden): “Nee! Waarlijk, Allāh is Alwetend van wat jullie gedaan hebben. (an-Nahl, 16:28)
Deze āyāt vatten de zaak in het kort samen. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft deze āyāt echter uitvoerig toegelicht, zoals later zal volgen, in shā’ Allāh.
Een ander āyah luidt:
وَلَوۡ تَرَىٰٓ إِذۡ يَتَوَفَّى ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ ٱلۡمَلَٰٓئِكَةُ يَضۡرِبُونَ وُجُوهَهُمۡ وَأَدۡبَٰرَهُمۡ وَذُوقُواْ عَذَابَ ٱلۡحَرِيقِ ٥٠
En als jij kon zien wanneer de Engelen (de arwāḥ van) de kāfirs wegnamen, zij beukten op hun gezichten en hun ruggen (zeggende): “Proef de bestraffing van het laaiende vuur. (al-Anfāl, 8:50)
فَكَيۡفَ إِذَا تَوَفَّتۡهُمُ ٱلۡمَلَٰٓئِكَةُ يَضۡرِبُونَ وُجُوهَهُمۡ وَأَدۡبَٰرَهُمۡ ٢٧
Hoe (zal het dan zijn) wanneer de Engelen hun arwāḥ bij de dood wegnemen, en op hun gezichten en hun ruggen slaan? (Muhammed, 47:27)
Deze laatste āyāt zijn geopenbaard met betrekking tot de dood van de kāfirs bij Badr. Onze geleerden zijn het hierover eens. Sommige geleerden, onder wie al-Mahdawī, hebben echter gezegd dat ook alle latere kāfirs op een dergelijke wijze zullen sterven. Allāh weet het het best.”
… Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما): Op een dag (van Badr) was een moslim verbaasd over wat er met een kāfir vóór hem gebeurde. Voor hem stond een kāfir. Plotseling hoorde hij het geluid van een zwaard van boven, en hoorde hij een ruiter uit het (onzichtbare) zeggen: “Vooruit, Ḥayzūm!”
Daarop zag hij hoe de kāfir vóór hem plotseling ter aarde stortte; zijn neus was verbrijzeld en zijn gezicht totaal verminkt. Deze metgezel van de Anṣār ging naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en vertelde wat hij had gezien. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Dat is waar. Dit was hulp die uit de tweede laag van de hemel kwam.”
Op die dag werden zeventig gedood en zeventig gevangen genomen. (Muslim, 12/85-86; at-Tirmiḏī , 3081; Ahmad b. Ḥanbel, Musnad, 1/30)
Allāhu Ta`ālā zegt:
وَمَنۡ أَظۡلَمُ مِمَّنِ ٱفۡتَرَىٰ عَلَى ٱللَّهِ كَذِبًا أَوۡ قَالَ أُوحِيَ إِلَيَّ وَلَمۡ يُوحَ إِلَيۡهِ شَيۡءٞ وَمَن قَالَ سَأُنزِلُ مِثۡلَ مَآ أَنزَلَ ٱللَّهُۗ وَلَوۡ تَرَىٰٓ إِذِ ٱلظَّٰلِمُونَ فِي غَمَرَٰتِ ٱلۡمَوۡتِ وَٱلۡمَلَٰٓئِكَةُ بَاسِطُوٓاْ أَيۡدِيهِمۡ أَخۡرِجُوٓاْ أَنفُسَكُمُۖ ٱلۡيَوۡمَ تُجۡزَوۡنَ عَذَابَ ٱلۡهُونِ بِمَا كُنتُمۡ تَقُولُونَ عَلَى ٱللَّهِ غَيۡرَ ٱلۡحَقِّ وَكُنتُمۡ عَنۡ ءَايَٰتِهِۦ تَسۡتَكۡبِرُونَ ٩٣
En wie kan onrechtvaardiger zijn dan degene die een leugen over Allāh bedenkt, of zegt: “Ik heb inspiratie gekregen, terwijl hij helemaal geen inspiratie over iets heeft gekregen; en degene die zegt: “Ik zal openbaren wat Allāh geopenbaard heeft.” En als je kon zien wanneer de onrechtvaardigen in doodsangst verkeren als de Engelen naar hun handen reiken (zeggende): “Lever jullie arwāḥ af; vandaag worden jullie beloond met de bestraffing van de schande vanwege wat jullie aan onwaarheid over Allāh plachten te zeggen en vanwege wat jullie van Zijn āyāt hoogmoedig plachten te verwerpen.” (An`ām 6:93)
Met andere woorden: de engelen nemen de arwāḥ (m.v. van rûḥ) van die trotse en halsstarrige kāfirs (gewelddadig en) met straf in ontvangst. Zoals we later zullen behandelen, geven de ahadīth hierover nadere uitleg.
Iemand zou zich kunnen afvragen: Hoe kunnen wij al deze āyāt samen begrijpen? Hoe kan de Malaku’l-Mawt tegelijkertijd de arwāḥ van mensen op verschillende plaatsen wegnemen?
Men moet weten dat het woord wafāt betekent: iets (rûḥ) volledig uit de wortel trekken en losmaken. Soms wordt deze handeling toegeschreven aan de Malaku’l-Mawt, omdat hij hiervoor primair verantwoordelijk is. Soms wordt zij toegeschreven aan de andere engelen, want deze engelen zijn de helpers die deze uitvoerende taak namens de Malaku’l-Mawt uitvoeren. Soms wordt wafāt toegeschreven aan Allāhu Ta`ālā, de Werkelijke Eigenaar van deze handeling. Bijvoorbeeld, het volgende āyāt vormt hier een illustratie van:ٱللَّهُ يَتَوَفَّى ٱلۡأَنفُسَ حِينَ مَوۡتِهَا وَٱلَّتِي لَمۡ تَمُتۡ فِي مَنَامِهَاۖ فَيُمۡسِكُ ٱلَّتِي قَضَىٰ عَلَيۡهَا ٱلۡمَوۡتَ وَيُرۡسِلُ ٱلۡأُخۡرَىٰٓ إِلَىٰٓ أَجَلٖ مُّسَمًّىۚ إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَأٓيَٰتٖ لِّقَوۡمٖ يَتَفَكَّرُونَ ٤٢
Het is Allāh Die de arwāḥ afvoert bij het intreden van de dood, alsook (de arwāḥ) van de levenden die (tijdelijk) slapen.
(Dan) houdt Hij de arwāḥ achter waarvoor Hij de dood heeft bepaald, en stuurt de rest voor een vastgestelde termijn terug (naar hun levenloze lichamen om te kúnnen ontwaken)." Waarlijk, hierin zijn Tekenen voor mensen die diep nadenken. (az-Zumar, 39:42)
وَهُوَ ٱلَّذِيٓ أَحۡيَاكُمۡ ثُمَّ يُمِيتُكُمۡ ثُمَّ يُحۡيِيكُمۡۗ إِنَّ ٱلۡإِنسَٰنَ لَكَفُورٞ ٦٦
Hij is het, Die jullie het leven gaf en ervoor zal zorgen dat jullie sterven en jullie vervolgens doet leven. Waarlijk! De mens is zeker ondankbaar. (al-Haj, 22:66)
ٱلَّذِي خَلَقَ ٱلۡمَوۡتَ وَٱلۡحَيَوٰةَ لِيَبۡلُوَكُمۡ أَيُّكُمۡ أَحۡسَنُ عَمَلٗاۚ وَهُوَ ٱلۡعَزِيزُ ٱلۡغَفُورُ ٢
Degene Die de dood en het leven heeft geschapen, zodat Hij jullie kan beproeven (en om te tonen) wie van jullie de beste daden verricht. En Hij is de Almachtige (over de ongehoorzamen), de Vergevingsgezinde (voor de berouwvollen) (al-Mulk, 67-2)
De Malaku’l-Mawt en zijn helpers verrichten dit alles uitsluitend op bevel van Allāh.
Al-Kalbī licht dit onderwerp als volgt toe: “De Malaku’l-Mawt trekt de rūḥ zelf uit het lichaam. Als de overledene een mu’min is, draagt hij de rūḥ over aan de engelen van barmhartigheid. Is hij een kāfir, dan draagt hij de rūḥ over aan de engelen van bestraffing. Over dit onderwerp bestaat een ḥadīth van al-Barāʾ (رضي الله عنه), waar later op wordt teruggekomen.
Van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) is ook overgeleverd dat de Malaku’l-Mawt de arwāḥ oproept, zoals een herder zijn schapen bijeenroept met fluiten, een blokfluit of andere middelen. Zoals kamelen en andere dieren worden geleid, zo volgen de arwāḥ de oproep van de Malaku’l-Mawt.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) brengt tevens over dat de Malaku’l-Mawt de arwāḥ zal bijeenroepen, en dat Allāh vervolgens deze opgeroepen arwāḥ zal nemen.
Een andere overlevering luidt als volgt: De Malaku’l-Mawt gaat in de nacht van de 15e van de maand Shaʿbān (de Nacht van Barāʾah) zitten en begint het boek in zijn hand te lezen. Dit is de nacht waarin de (jaarlijkse) levensduur en het levensonderhoud van de mensen worden vastgesteld. De Malaku’l-Mawt noteert wat in dit boek staat (en voert het vervolgens gedurende het jaar uit). Volgens ʿIkrimah en sommige geleerden is dit in de Nacht van Barāʾah. Volgens Qatādah, al-Ḥasan en Mujāhid vindt dit echter plaats in de Nacht van Qadr. Deze mening lijkt sterker, want in surah ad-Dukhān, āyāt 1–3, wordt dit als volgt uitgelegd:
حمٓ ١ Hā Mīm.
وَٱلۡكِتَٰبِ ٱلۡمُبِينِ ٢ Bij het duidelijke Boek.
إِنَّآ أَنزَلۡنَٰهُ فِي لَيۡلَةٖ مُّبَٰرَكَةٍۚ إِنَّا كُنَّا مُنذِرِينَ ٣ Wij hebben hem (de Qur’ān) in de gezegende nacht neergezonden. Waarlijk, Wij zijn de waarschuwers.
فِيهَا يُفۡرَقُ كُلُّ أَمۡرٍ حَكِيمٍ ٤ Daarin worden alle wijze zaken uiteengezet. (ad-Dukhān, 44:1–3)
Aangezien de Qur’ān is neergezonden in de Nacht van Qadr, is ook de nacht waarin alle zaken vooraf worden vastgesteld de Nacht van Qadr. (al-Qurṭubī, al-Jāmiʿ li-Aḥkām al-Qurʾān, 16/126; Ibn Kathīr, Tafsīr, 4/173)
ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) verklaart hierover het volgende: Allāhu Ta’ālā bepaalt in de nacht van de 15e van Shaʿbān (de Nacht van Barāʾah) alles wat (in dat jaar) zal plaatsvinden. Vervolgens deelt Hij dit in de Nacht van Qadr mee aan de engelen die bij Hem zijn. Zo worden beide overleveringen op de beste wijze met elkaar verenigd.
Wanneer iemands dood nadert, valt er een blad van Sidratu’l-Muntahā naar de aarde. Op dat blad staat de naam van die persoon geschreven. Zo begrijpen de (verantwoordelijke) engelen dat de dood van deze persoon nabij is en dat zijn levensonderhoud op aarde is beëindigd.
Een andere overlevering vermeldt: De Malaku’l-Mawt bevindt zich direct onder de ʿArsh. Wanneer iemands vastgestelde tijd (ajal) nadert, vallen er bladen voor hem neer waarop de naam van deze persoon geschreven staan. Deze bladen komen van Sidratu’l-Muntahā. En Allāh weet het het best.
Volgens een andere overlevering: Wanneer de Malaku’l-Mawt een mens aankijkt, wordt diens levensonderhoud in deze wereld afgesneden.
Vervolgens beginnen bij die persoon de tekenen van de dood te verschijnen. Daarna verricht de Malaku’l-Mawt alles wat hem met betrekking tot die persoon is opgedragen.
Van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما): Hij vertelt het volgende over de Isrāʾ en Miʿrāj van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Daarna zag ik een andere engel, gezeten op de rang van de Kursī. En wie schetst mijn verbazing: de hele wereld bevond zich tussen zijn knieën.Alles wat er in de wereld gebeurde, was daar te zien
Voor hem lag een geschreven blad waar hij voortdurend naar keek.Hij wendde zijn blik geen moment ervan af.
Ik vroeg aan Jibrīl: ‘Wie is dit?’Hij antwoordde: ‘Dit is de Malaku’l-Mawt.’
Toen vroeg ik aan de Malaku’l-Mawt: ‘Hoe bepaal jij tegelijkertijd de vastgestelde tijden van mensen op verschillende plaatsen in de wereld?’
Hij antwoordde: ‘Kijk: de hele wereld ligt in mijn schoot.Alle schepselen zijn voor mijn ogen.Mijn hand reikt van het oosten tot het westen.Wanneer iemands tijd is gekomen, kijk ik hem aan.Zodra ik een dienaar aankijk, begrijpen mijn helpers dat zijn dood is aangebroken.Zij gaan meteen naar hem toe en beginnen zijn rūḥ uit te trekken.Wanneer de rūḥ de keel bereikt, strek ik mijn hand uit en neem haar in ontvangst.”
Volgens een andere overlevering komen er vier engelen wanneer het moment van overlijden is aangebroken: Eén houdt de rechtervoet vast, een ander de linkervoet, de derde grijpt de rechterhand en de vierde de linkerhand. Zo trekken zij samen de rūḥ eruit. Dit is overgeleverd door Abū Ḥāmid al-Ghazālī.
Imām al-Ghazālī zegt verder: Op het moment van de dood, worden de gebeurtenissen uit de Wereld der Engelen zichtbaar voor de mens. Als de persoon op dat moment bij bewustzijn is (wat geldt voor de mu’min) en zijn tong niet verlamd is, tonen de engelen hem zijn daden en de prachtige en wonderlijke zaken uit hun wereld. In dat geval begrijpt hij de ware realiteit van zijn toestand.
Maar als hij niet bij bewustzijn is (wat kenmerkend is voor de kāfir), raakt zijn tong verlamd en denkt hij dat dit het werk van shayṭān is.
Vervolgens wordt de rūḥ uitgetrokken, tot in de vingertoppen, de haartjes en zelfs de nagels toe. De rūḥ wordt volledig weggenomen, zoals water langzaam weg sijpelt.
De rūḥ van de kāfir daarentegen wordt eruit getrokken zoals een weerhaak uit natte katoen wordt getrokken. Zo heeft de eigenaar van de Shari`ah, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), dit op deze wijze uitgedrukt. Op dat moment denkt de mens dat zijn buik gevuld is met doornen, of dat hij door het oog van een naald wordt getrokken, of dat de hemel op de aarde valt en hij ertussen wordt verpletterd. Wanneer de rūḥ vanuit het hart wordt wegnomen, verliest de mens het vermogen om te spreken. Vaak kan hij ook niet spreken wanneer de rūḥ uit de borst wordt getrokken, enerzijds door verbijstering en angst en anderzijds door de druk op zijn borst waardoor hij geen kracht meer heeft om te spreken.
Bij sommigen voltrekt de dood zich op deze wijze: de aangewezen engel doorboort de rûḥ met een gloeiende speer en trekt haar met kracht uit het lichaam los. Soms vlucht de rūḥ uit angst wanneer zij de Malaku’l-Mawt ziet.
Bij anderen wordt de rūḥ geleidelijk weggenomen. Zo iemand voelt niets van het bovenstaande totdat de rūḥ de keel bereikt. Maar wanneer zij daar is aangekomen, blijft er slechts een haarfijne brug over, die de mens aan het leven bindt. Op dat moment voelt hij het vuur en de moeilijkheid die we hierboven hebben genoemd.
Over deze specifieke overlevering is slechts één keten bekend, via Abū Nuʿaym.… Van Muʿādh ibn Jabal (رضي الله عنه) zei: “De Malaku’l-Mawt عليه السلام bezit een speer die zich uitstrekt van het ene uiteinde van de wereld tot het andere. Wanneer iemands vastgestelde tijd is gekomen, slaat hij hem met die speer op het hoofd en zegt: ‘Nu komen de soldaten van de dood jou bezoeken.”
Sulaymān ibn Mihbar al-Qullābī vertelt: Ik was in het bijzijn van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه). Er kwam een man en vroeg: ‘Zal de Malaku’l-Mawt ook de rûḥ van een vlo nemen?’
Na even nadenken vroeg Anas (رضي الله عنه): ‘Heeft die dan ook een rûḥ?’ Toen de man antwoordde: ‘Ja, ook die heeft ook een rûḥ.’ Anas zei: ‘In dat geval zal de Malaku’l-Mawt ook hun rûḥ nemen.’ Vervolgens reciteerde hij het volgende āyah:
ٱللَّهُ يَتَوَفَّى ٱلۡأَنفُسَ حِينَ مَوۡتِهَا وَٱلَّتِي لَمۡ تَمُتۡ فِي مَنَامِهَاۖ فَيُمۡسِكُ ٱلَّتِي قَضَىٰ عَلَيۡهَا ٱلۡمَوۡتَ وَيُرۡسِلُ ٱلۡأُخۡرَىٰٓ إِلَىٰٓ أَجَلٖ مُّسَمًّىۚ إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَأٓيَٰتٖ لِّقَوۡمٖ يَتَفَكَّرُونَ ٤٢
Het is Allāh Die de arwāḥ afvoert bij het intreden van de dood, alsook (de arwāḥ) van de levenden die (tijdelijk) slapen. (Dan) houdt Hij de arwāḥ achter waarvoor Hij de dood heeft bepaald, en stuurt de rest voor een vastgestelde termijn terug (naar hun levenloze lichamen om te kúnnen ontwaken)." Waarlijk, hierin zijn Tekenen voor mensen die diep nadenken. (az-Zumar, 39:42). Deze overlevering is door Abū Bakr Khātib (رضي الله عنه) overgeleverd.”
1.24: Over hoe de Malaku’l-Mawt handelt bij het nemen van de rûḥ van een kāfir en een mu’min
Onze geleerden hebben het volgende uitgelegd: Het is onmogelijk om de angst en het ontzag te beschrijven die men ervaart wanneer men de Malaku’l-Mawt aanschouwt, want dit is een daad van ongekend grootte, die nooit eerder is gezien. Wie dit niet zelf heeft meegemaakt, kan het niet bevatten; wij kunnen slechts lering trekken uit verhalen en overleveringen.
Van ʿIkrimah (رحمه الله) is overgeleverd dat Ādam (عليه السلام) tot Allāh Ta’ālā du`ā’ verricht en gevraagd om de Malaku’l-Mawt te mogen aanschouwen.
Allāh Taala zei daarop: “Je kunt de Malak al-Mawt alleen waarnemen in enkele van zijn eigenschappen; als hij in zijn volledige werkelijkheid zichtbaar zou worden, zou je het niet kunnen verdragen hem te zien. Als je dit nog steeds wenst, zal Ik hem naar jou sturen zoals hij aan de anbiyā’ en de Vrienden van Allāh (أولياء الله) is gezonden.”
Daarop kwamen eerst Jibrīl en Mikāʾīl (عليهما السلام) naar ʿĀdam (عليه السلام) met de toestemming van Allāh, en daarna werd de Malaku’l-Mawt gezonden.
Wat zag ʿĀdam (عليه السلام)? De Malaku’l-Mawt stond met zijn vierduizend vleugels uitgespreid. Slechts één vleugel besloeg de gehele horizon. Eén vleugel bedekte de hele aarde, een andere strekte zich uit naar het oosten en een derde naar het westen. De overige vleugels omsloten alle djinn en andere schepselen. Hij bedekte bergen, heuvels en zeeën. Zozeer zelfs, dat zijn vleugels grotten, boomholtes en elk met het oog waarneembaar plekje bedekten. Waar ʿĀdam (عليه السلام) ook keek, zag hij de Malaku’l-Mawt.
Door de immense ontzagwekkendheid van dit tafereel raakte ʿĀdam (عليه السلام) overweldigd en was enkele dagen niet bij bewustzijn.
Zo verschijnt de Malaku’l-Mawt aan de mu’mins en de anbiyā’. Nu dient men ook te overwegen hoe hij aan de kāfirs verschijnt. Deze overlevering wordt vermeld in het boek Nasāiḥ van Abū Hāshim Muḥammad ibn Muḥammad, die bekend staat onder de bijnaam al-Wāʿiẓ.
Volgens een overlevering van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) wilde Ibrāhīm Khalīlullāh (عليه السلام) eveneens zien hoe de Malaku’l-Mawt de rûḥ van een mu’min neemt. Daarop zei de Malaku’l-Mawt tegen Ibrāhīm (عليه السلام) dat hij zijn ogen moest sluiten.
Ibrāhīm (عليه السلام) sloot zijn ogen, en toen hem werd gezegd ze weer te openen, deed hij dat.
Wat zag hij toen? De Malaku’l-Mawt stond voor hem in een uiterst prachtige gedaante. Ibrāhīm (عليه السلام) beschreef de Malaku’l-Mawt in deze verschijning als: “Dit is het mooiste wat een mu’min kan zien en de grootste gelukzaligheid die hij kan ervaren.”
Vervolgens vroeg Ibrāhīm (عليه السلام) aan de Malaku’l-Mawt: “Kun je mij laten zien hoe jij komt om de rûḥ van een kāfir te nemen?”
De Malaku’l-Mawt antwoordde: “Dat kun jij niet verdragen.”
Maar Ibrāhīm (عليه السلام) hield aan. Daarop vroeg de engel hem zich om te draaien. Ibrāhīm (عليه السلام) draaide zich om. Toen hij zich weer omkeerde, zag hij iets wat leek op een gitzwarte gestalte waarvan het hoofd tot aan de hemel reikte. Onder zijn veren sloegen vlammen omhoog.
Daarop zei Ibrāhīm (عليه السلام): “Dat een kāfir jou in deze gedaante ziet, is op zichzelf al voldoende als bestraffing.”
Volgens een overlevering heeft Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) gezegd: Ibrāhīm (عليه السلام) was een zeer vrome persoon, (die Allāh veel aanbad). Hij had een plaats waar hij zich afzonderde voor zijn aanbidding. Op een dag, na zijn aanbidding te hebben verricht, deed hij de deur dicht en ging weg. Toen hij terugkwam, stond er iemand in het midden van het huis. Hij vroeg: “Wie heeft jou hier binnengelaten?”
De man antwoordde: “De eigenaar van het huis.”
Ibrāhīm (عليه السلام) zei: “De eigenaar van dit huis ben ik.”
De man antwoordde: “Nee, het was de ware eigenaar van het huis die mij binnenliet.”
Daarop vroeg Ibrāhīm (عليه السلام): “Welke engel ben jij?”
Toen hij antwoordde: “Ik ben de Malaku’l-Mawt,” Ibrāhīm (عليه السلام) vroeg: “Kun je verschijnen zoals jij komt om de rûḥ van een mu’min te nemen?”
De Malaku’l-Mawt zei: “Ja,” en verscheen plotseling in de gedaante van een jonge, knappe en mooi geklede man.
Ibrāhīm (عليه السلام) zei: “Voor een mu’min is het al een gelukzaligheid om jou in deze gedaante te zien.”
Daarna nam de Malaku’l-Mawt de rûḥ van Ibrāhīm (عليه السلام) in ontvangst.
1.25: De Malaku’l-Mawt neemt zelf de rûḥ van de schepselen. Hij kijkt elke dag vijf keer naar elk huis. Hij houdt voortdurend toezicht op elk wezen dat een rûḥ bezit. Hij kijkt zeventig keer per dag naar het gezicht van iedere mens.
Allāhu Taʿālā zegt:
قُلۡ يَتَوَفَّىٰكُم مَّلَكُ ٱلۡمَوۡتِ ٱلَّذِي وُكِّلَ بِكُمۡ ثُمَّ إِلَىٰ رَبِّكُمۡ تُرۡجَعُونَ ١١
Zeg (O Mohammed): “De Malaku’l-Mawt die over jullie beschikt zal jullie zielen nemen. Dan zullen jullie tot jullie Heer gebracht worden.” (as-Sajdah, 32:11)
Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما): Wanneer de Malaku’l-Mawt de rûḥ van een mu’min heeft genomen, blijft hij bij de drempel van het huis staan en kijkt naar de familie. Sommigen van hen huilen, anderen trekken aan hun haren uit wanhoop. Dan zegt de Malaku’l-Mawt: “Wat is dit voor een toestand? Bij Allāh, ik heb niemands levensduur verkort. Ik heb niemands rûḥ vóór zijn vastgestelde tijd (ajal) genomen. Ik heb niemands vastgestelde levensonderhoud in deze wereld verminderd. Ik heb niemand onrecht aangedaan. Als jullie een klacht of woede hebben, weet dan dat ik dit doe op bevel van Allāh.Als deze opstand tegen de overledene is, weet dan dat hij niets kan doen. En als jullie tegen Allāh in opstand komen, dan is dat ondankbaarheid. Als jullie mij konden zien, zouden jullie (van angst) jullie overledene vergeten en om jezelf huilen.” Deze overlevering wordt vermeld in het werk “al-Luʾluʾ wa’l-Marjān (Parel en Koraal)” van Abū Mutīʿ Makhlūl ibn Faḍl an-Nasafī.
Een overlevering met dezelfde strekking is ook overgeleverd van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) en is vermeld in het boek “Veertig Aḥādīth”. Daarin zegt Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم): “De Malaku’l-Mawt komt vijf keer per dag bij de deur van ieder huis.Wanneer zich in dat huis iemand bevindt wiens levensonderhoud is voltooid en wiens vastgestelde tijd is gekomen, stuurt hij de voortekens van de dood naar die persoon. Dan verschijnen de verkondigers van de dood bij hem.Als hij in dat huis iemand ziet die huilt, rebelleert of zijn haren eruit trekt, zegt hij: ‘Wee jullie! Wat is dit voor een opstand en wat is dit voor een verdriet? Ik neem niemand iets van zijn levensonderhoud af dat kan Ik ook niet, en ik kan niemands levensduur verkorten.Ik doe slechts wat mij is opgedragen, (niet meer en niet minder). Op bevel is mij opgedragen de rûḥ van deze persoon te nemen.
En ik zal dit huis telkens opnieuw bezoeken, totdat er niemand meer in achterblijft.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vervolgde en zei: “Bij Degene in Wiens Hand mijn nafs is: als jullie de Malaku’l-Mawt zouden zien en horen wat hij zegt, dan zouden jullie de overledene vergeten en om jezelf huilen. Wanneer de dode wordt gedragen, nadert zijn rûḥ zijn lichaam en zegt tot de aanwezigen: ‘Mijn familie en mijn kinderen! Laat de wereld jullie niet bezighouden zoals zij mij heeft beziggehouden. Ik heb veel bezit vergaard zowel ḥalāl als ḥarām. Daarna heb ik het achtergelaten voor anderen en ben vertrokken. Het genot ervan is voor degene aan wie ik het heb achtergelaten, maar de afrekening ervan rust op mij. Laat jullie niet in mijn toestand belanden.”
Van Jaʿfar ibn Muḥammad via zijn vader: “Toen een man van de Anṣār op sterven lag, was an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) daarbij aanwezig. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wendde zich tot de Malaku’l-Mawt die bij het hoofd van die man stond en zei: “Behandel mijn vriend goed; hij is een mu’min.”
Daarop antwoordde de Malaku’l-Mawt: “O Muḥammad! Wees gerust. Ik bied alle mu’mins gemak en behandel hen vriendelijk. Ik kijk vijf keer per dag in elk huis, in elke opening op zee en op het land, en ik houd toezicht op iedereen, groot en klein. Ik neem geen rûḥ die Allāh niet heeft bevolen te nemen, en ik neem elke rûḥ die Allāh mij heeft bevolen te nemen.”
Jaʿfar ibn Muḥammad vervolgt met de volgende toelichting: Volgens een overlevering die mij heeft bereikt, komt de Malaku’l-Mawt tijdens ṣalāh tijden langs en houdt toezicht op de huizen. Deze overlevering is overgeleverd door al-Māwardī.
Uit deze overleveringen blijkt dat het nemen van de rûḥ van elk levend wezen de verantwoordelijkheid is van de Malaku’l-Mawt, maar dat dit volledig gebeurt onder de autoriteit en door de schepping van Allāh.
Ibn ʿAṭiyyah verhaalt: Volgens een overlevering neemt niet de Malaku’l-Mawt maar Allāhu Taʿālā Zelf de rûḥ van de dieren weg, omdat zij uiteindelijk zullen vergaan. De mens daarentegen bezit een eervolle en verheven positie. Daarom is voor het wegnemen van zijn rûḥ een speciaal aangestelde engel geschapen. Aan deze engel is de macht gegeven om de rûḥ te nemen, en naast hem is een leger geplaatst dat hem bijstaat en helpt bij deze taak.
In de Qur’ān staat:
وَلَوۡ تَرَىٰٓ إِذۡ يَتَوَفَّى ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ ٱلۡمَلَٰٓئِكَةُ يَضۡرِبُونَ وُجُوهَهُمۡ وَأَدۡبَٰرَهُمۡ وَذُوقُواْ عَذَابَ ٱلۡحَرِيقِ ٥٠
En als jij kon zien wanneer de Engelen (de arwāḥ van) de kāfirs wegnamen, zij beukten op hun gezichten en hun ruggen (zeggende): “Proef de bestraffing van het laaiende vuur. (al-Anfāl, 8:50)وَهُوَ ٱلۡقَاهِرُ فَوۡقَ عِبَادِهِۦۖ وَيُرۡسِلُ عَلَيۡكُمۡ حَفَظَةً حَتَّىٰٓ إِذَا جَآءَ أَحَدَكُمُ ٱلۡمَوۡتُ تَوَفَّتۡهُ رُسُلُنَا وَهُمۡ لَا يُفَرِّطُونَ ٦١
Hij is de Onbedwingbare, Verheven boven Zijn dienaren, en Hij stelt Wakers (Engelen) over jullie, totdat de dood één van jullie benadert, Onze boodschappers nemen zijn ziel en zij veronachtzamen nooit hun plicht. (al-Anām,6: 61)
ٱللَّهُ يَتَوَفَّى ٱلۡأَنفُسَ حِينَ مَوۡتِهَا وَٱلَّتِي لَمۡ تَمُتۡ فِي مَنَامِهَاۖ فَيُمۡسِكُ ٱلَّتِي قَضَىٰ عَلَيۡهَا ٱلۡمَوۡتَ وَيُرۡسِلُ ٱلۡأُخۡرَىٰٓ إِلَىٰٓ أَجَلٖ مُّسَمًّىۚ إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَأٓيَٰتٖ لِّقَوۡمٖ يَتَفَكَّرُونَ ٤٢
Het is Allāh Die de arwāḥ afvoert bij het intreden van de dood, alsook (de arwāḥ) van de levenden die (tijdelijk) slapen. (Dan) houdt Hij de arwāḥ achter waarvoor Hij de dood heeft bepaald, en stuurt de rest voor een vastgestelde termijn terug (naar hun levenloze lichamen om te kúnnen ontwaken)." Waarlijk, hierin zijn Tekenen voor mensen die diep nadenken. (az-Zumar, 39:42)
ٱلَّذِي خَلَقَ ٱلۡمَوۡتَ وَٱلۡحَيَوٰةَ لِيَبۡلُوَكُمۡ أَيُّكُمۡ أَحۡسَنُ عَمَلٗاۚ وَهُوَ ٱلۡعَزِيزُ ٱلۡغَفُورُ ٢
Degene Die de dood en het leven heeft geschapen, zodat Hij jullie kan beproeven (en om te tonen) wie van jullie de beste daden verricht. En Hij is de Almachtige (over de ongehoorzamen), de Vergevingsgezinde (voor de berouwvollen). (al-Mulk, 67/2)
وَهُوَ ٱلَّذِيٓ أَحۡيَاكُمۡ ثُمَّ يُمِيتُكُمۡ ثُمَّ يُحۡيِيكُمۡۗ إِنَّ ٱلۡإِنسَٰنَ لَكَفُورٞ ٦٦
Hij is het, Die jullie het leven gaf en ervoor zal zorgen dat jullie sterven en jullie vervolgens doet leven. Waarlijk! De mens is zeker ondankbaar. (al-Haj, 22:66)
De Malaku’l-Mawt is slechts een middel. Degene Die de rûḥ in werkelijkheid wegneemt, is Allāh. Dit is de uitleg van de betekenissen die in de āyāt op verschillende manieren zijn verwoord. Dat het wegnemen van de rûḥ aan de Malaku’l-Mawt wordt toegeschreven, betekent dat hij met deze taak is belast; het betekent niet dat hij de werkelijke Handelende is.
Op dezelfde wijze is er ook bij het geven van leven aan de mens een engel aangesteld.
Een vergelijkbare is van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه): An-Nabī (صلى الله عليه وسلم), die altijd de waarheid spreekt, heeft gezegd: “De schepping van ieder van jullie vindt plaats in de moederschoot gedurende veertig dagen. Vervolgens verandert dit in een bloedklomp, en dat duurt eveneens veertig dagen. Daarna wordt deze bloedklomp gedurende veertig dagen tot vlees.
Vervolgens zendt Allāhu Taʿālā een speciaal aangestelde engel, die de rûḥ in dit vlees blaast.” (al-Bukhārī 11/477; Abū Dāwūd 46/83; Ibn Mājah 76; Aḥmad ibn Ḥanbal 1/430 en 382; Muslim 16/190)
De eerste zin van deze ḥadīth, “de (eerste) schepping vindt plaats in de eerste veertig dagen in de moederschoot” betreft een toelichting die is overgeleverd van Ibn Masʿūd (رضي الله عنه). al-Aʿmash heeft deze overlevering eveneens doorgegeven van Ḥayṣamah (رضي الله عنهم): al-Aʿmash verhaalt: ʿAbdullāh (waarschijnlijk Ibn Masʿūd (رضي الله عنه) heeft de volgende uitleg gegeven: Wanneer Allāhu Taʿālā een embryo leven wil schenken, wordt er iets van het haar, de huid en de nagels van de moeder mee vermengd. Nadat deze embryo veertig dagen zo heeft verbleven, wordt zij vervolgens gevoed met het bloed van de moeder. Dit is wat bedoeld wordt met het samenbrengen en verenigen (van de bestanddelen).
…Van Ḥudhayfah ibn `Usayd al-Ġifārī (رضي الله عنه), hij zei: Ik heb dit rechtstreeks van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gehoord. Hij zei: “Wanneer de embryo tweeënveertig nachten in de moederschoot is gebleven, zendt Allāh er een engel naartoe. Deze engel geeft zijn vorm: hij vormt zijn ogen, zijn oren, zijn haar en zijn huid. Vervolgens schept hij zijn vlees en zijn botten en zegt dan: ‘O mijn Rab, zal het een meisje of een jongen zijn?” (Muslim 16/193; al-Bukhārī 11/477; Aḥmad ibn Ḥanbal 4/7)
De voorgaande ḥadīth verklaart deze overlevering. Want de engel wordt pas na veertig dagen naar de embryo gezonden. Al deze zaken verdienen het om goed overdacht te worden. Het geven van vorm en leven aan de mens in de moederschoot wordt niet in werkelijke zin, maar slechts in figuurlijke zin aan de engel toegeschreven.
Degene Die alle daden werkelijk schept, is Allāh. Elke handeling wordt echter toegeschreven aan datgene wat er middel en aanleiding toe is. Zo is in dit geval de engel het middel en de tussenpersoon bij het geven van vorm en leven aan de foetus in de moederschoot. De werkelijke Schepper van alles is Allāhu Taʿālā.
Zoals ook dit āyah naar deze waarheid verwijst:
وَلَقَدۡ خَلَقۡنَٰكُمۡ ثُمَّ صَوَّرۡنَٰكُمۡ ثُمَّ قُلۡنَا لِلۡمَلَٰٓئِكَةِ ٱسۡجُدُواْ لِأٓدَمَ فَسَجَدُوٓاْ إِلَّآ إِبۡلِيسَ لَمۡ يَكُن مِّنَ ٱلسَّٰجِدِينَ ١١
En zeker, Wij hebben jullie geschapen en hebben jullie vorm gegeven. Toen hebben Wij de Engelen verteld: “Kniel neer voor Adam,” en zij knielden neer, behalve Iblies: hij weigerde om één van de knielenden te zijn. (al A`rāf, 7:11)
Over dit onderwerp bestaan ook andere āyāt. In het gehele universum is er slechts één ware Schepper, en dat is Allāh. Alles buiten Hem is slechts middel en tussenpersoon. Dat in de ḥadīth wordt vermeld dat de engel komt en de rûḥ in de foetus blaast, duidt slechts op het noemen van een middel en een zichtbare oorzaak. In andere kwesties is de situatie precies hetzelfde.”
Hier dient men geen acht te slaan op sommige verkeerde en onzinnige opvattingen. Op dezelfde wijze is het Allāh Die de rûḥ van de overledenen wegneemt. Degene Die leven schenkt en de dood brengt, is in wezen Allāh, en niemand anders dan Hij. De Malaku’l-Mawt en zijn helpers zijn slechts zichtbare middelen.
Aan Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) werd eens gevraagd: “Neemt de Malaku’l-Mawt ook de rûḥ van een vlo?”Waarop hij antwoordde: “Als het een rûḥ heeft, dan neemt de Malaku’l-Mawt die ook weg.”
De werkelijke betekenis hiervan ligt besloten in dit āyah:
ٱللَّهُ يَتَوَفَّى ٱلۡأَنفُسَ حِينَ مَوۡتِهَا وَٱلَّتِي لَمۡ تَمُتۡ فِي مَنَامِهَاۖ فَيُمۡسِكُ ٱلَّتِي قَضَىٰ عَلَيۡهَا ٱلۡمَوۡتَ وَيُرۡسِلُ ٱلۡأُخۡرَىٰٓ إِلَىٰٓ أَجَلٖ مُّسَمًّىۚ إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَأٓيَٰتٖ لِّقَوۡمٖ يَتَفَكَّرُونَ ٤٢
Het is Allāh Die de arwāḥ afvoert bij het intreden van de dood, alsook (de arwāḥ) van de levenden die (tijdelijk) slapen. (Dan) houdt Hij de arwāḥ achter waarvoor Hij de dood heeft bepaald, en stuurt de rest voor een vastgestelde termijn terug (naar hun levenloze lichamen om te kúnnen ontwaken)." Waarlijk, hierin zijn Tekenen voor mensen die diep nadenken. (az-Zumar, 39:42)
Volgens een overlevering vond er eens een gesprek plaats tussen de Malaku’l-Mawt en de engel die het leven geeft.
De Malaku’l-Mawt zei: “Ik doe de levenden sterven.”Waarop de engel die het leven geeft antwoordde: “En ik breng de doden tot leven.”
Daarop richtte Allāhu Taʿālā zich tot hen beiden met de woorden: “Verricht jullie jullie taken en ga aan het werk. Degene Die tot leven brengt en doet sterven, dat ben Ik. Er is niemand buiten Mij die leven geeft of rûḥ wegneemt.”
Deze overlevering wordt vermeld door Imām al-Ġazālī in zijn werk Iḥyāʾ ʿUlūm ad-Dīn.
Ḥāfiẓ Abū Nuʿaym verhaalt van Sābit al-Bunānī dat hij zei: “De nacht en de dag samen bestaan uit vierentwintig uur. Aan het begin van ieder uur bezoekt de Malaku’l-Mawt ongetwijfeld ieder mens. Wanneer Allāh beveelt dat hij de rûḥ van die persoon moet wegnemen, dan doet hij dat; en zo niet, dan keert hij terug.” (Abū Nuʿaym, 2/286, met een ḥasan overleveringsketen) Op deze wijze wordt met ieder levend wezen dat een rûḥ draagt omgegaan.
ʿAbdullāh b. al-ʿAbbās (رضي الله عنهما), heeft bij het vertellen over de gebeurtenis van al-Isrāʾ en al-Miʿrāj overgeleverd dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) aan de Malaku’l-Mawt vroeg: “Hoe neem jij tegelijkertijd de arwāh op verschillende plaatsen op aarde?”Deze ḥadīth is eerder reeds hierboven vermeld.
… Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De dood werpt dagelijks zeventig keer een blik op het gezicht van iedere dienaar. Wanneer die dienaar glimlacht, zegt de dood: ‘Hoe vreemd! Ik ben gekomen om zijn rûḥ weg te nemen, terwijl hij glimlacht.” (Kanz al-ʿUmmāl, 42185) En Allāh weet het het best.
1.26: De reden waarom de rûḥ van de mens door de Malaku’l-Mawt wordt weggenomen
Az-Zuhrī, Wahb ibn Munabbih en nog andere geleerden (رَحِمَهُمُ ٱللّٰهُ) hebben het volgende overgeleverd: “Allāhu Taʿālā stuurde Jibrīl (عليه السلام) naar de wereld om aarde te halen (voor de schepping van Ādam عليه السلام). De wereld smeekte hem echter haar aarde niet weg te nemen en zei dat zij haar toevlucht zocht bij Allāh.
Daarop keerde Jibrīl (عليه السلام) terug. Vervolgens werd Mīkāʾīl (عليه السلام) gestuurd, maar ook hij kon op dezelfde wijze geen aarde meenemen.
Ten slotte werd de Malaku’l-Mawt (عليه السلام) gestuurd. Ook vroeg hij de wereld zelf om aarde niet weg te nemen en verzocht zijn toevlucht bij Allāh. Maar de Malaku’l-Mawt (عليه السلام) aanvaardde dit niet; hij voerde het bevel van Allāh uit en nam de aarde mee.
Toen hij terugkeerde, vroeg Allāhu Taʿālā aan de Malaku’l-Mawt: “Zocht de wereld geen toevluch bij Mij vanwege het wegnemen van aarde?”de Malaku’l-Mawt antwoordde: “Jawel, zij zocht haar toevlucht.”
Daarop zei Rabu Ta’ālā: “Waarom heb jij, anders dan de andere engelen, geen barmhartigheid getoond aan de aarde?”
De Malaku’l-Mawt antwoordde: “Gehoorzaamheid aan U weerhield mij ervan haar barmhartigheid te tonen.”
Toen zei Allāhu Taʿālā: “Ga dan. Ik heb jou aangesteld als de Malaku’l-Mawt. Jij zult de rûḥ van de levenden wegnemen.”
Daarop begon de Malaku’l-Mawt te huilen. Allāhu Taʿālā vroeg: “Waarom huil je?”de Malaku’l-Mawt zei: “U zult onder deze mensen ook anbiyā’ en rechtschapen mensen scheppen. Het meest verafschuwde wat hen zal overkomen is de dood. Daarom zullen zij mij niet liefhebben en mij verwijten maken.”
Allāhu Taʿālā zei daarop: “Ik zal voor de dood vele oorzaken en ziektes scheppen. De mensen zullen de dood toeschrijven aan deze ziektes en oorzaken. Niemand zal jou kennen of zich jou herinneren.”
Deze overlevering is overgeleverd van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما): “De aarde waaruit Ādam (عليه السلام) werd geschapen, werd uit zes plaatsen gehaald. Van een zevende plaats werd geen aarde genomen, want die zevende plaats is de Hel. Toen de Malaku’l-Mawt kwam, zocht de aarde haar toevlucht bij Allāh”.
Volgens de overlevering die al-Qutaybī heeft doorgegeven, heeft de wereld tijdens het wegnemen van haar aarde de volgende du`ā’ uitgesproken: “O mijn Rab! U hebt de hemelen geschapen, maar U hebt daarvan niets weggenomen. Nu vermindert U mijn aarde.”Daarop zei Allāhu Taʿālā: “Bij Mijn macht en Mijn majesteit zweer Ik dat Ik alles wat Ik daaruit heb geschapen, zowel het goede als het slechte, aan jou zal teruggeven.”
De wereld antwoordde daarop: “Bij Uw macht en Uw majesteit zweer ik dat ik ook wraak zal nemen op degenen die U ongehoorzaam zijn.”
De overlevering gaat verder: Vervolgens werd van alle wateren van de wereld genomen, het bittere en het zoete, het zoute en het niet-zoute, het zuivere en het troebele en dit werd toegevoegd aan de aarde van Ādam (عليه السلام). Daarna werd deze veertig ochtenden in de zon gelaten, zodat zij rood zou kleuren. Sommigen zeggen dat dit zelfs veertig jaar duurde voordat er rûḥ in werd geblazen.
De engelen kwamen deze plaats bezoeken, keken naar Ādam (عليه السلام) en zeiden: “Dit is de mooiste vorm die Allāh heeft geschapen.”
De vervloekte Iblīs kwam ook en bezocht deze plaats. Hij sloeg op de aarde van Ādam (عليه السلام) en luisterde naar het geluid dat daarbij ontstond.
Iblīs zei: “Als deze boven mij wordt verheven, zal ik hem nooit erkennen. En als ik boven
hem word geplaatst, zal ik hem vernietigen. Hij is immers uit aarde geschapen en ik uit vuur.”
Volgens een andere overlevering was het Iblīs die de aarde heeft gebracht waaruit Ādam (عليه السلام) werd geschapen.
Na Jibrīl (عليه السلام) en Mīkāʾīl (عليه السلام) was het Iblīs die ging en de aarde meebracht. Daarop zei Allāhu Taʿālā tot Iblīs: “Uit deze aarde die jij hebt gebracht, zal Ik iets scheppen dat jou helemaal niet zal bevallen.”
1.27 De rûḥ wordt weggenomen terwijl het oog haar volgt
VanʿUmmu Salamah (رضي الله عنها), een van de vrouwen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam na het overlijden van mijn (eerdere) echtgenoot, Abū Salamah (رضي الله عنه). Hij sloot zijn ogen en bond zijn kin vast, en zei toen: “Wanneer de rûḥ het lichaam verlaat, volgt het oog haar.”
Deze overlevering is overgeleverd door Ibn Mājah. Muslim heeft dit uitgebreider overgeleverd.
… Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer een mens sterft, openen zijn ogen zich als een spiegelsteen. Hebben jullie dat nooit opgemerkt?”De aanwezigen antwoordden: “Ja.”Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “De reden hiervoor is dat het oog de rûḥ volgt die het lichaam verlaat.” (Muslim, 6/223 ve 224)
In de ḥadīth waarin staat:“Wanneer een mens sterft, openen zijn ogen zich als een spiegelsteen” en “De reden hiervoor is dat het oog de rûḥ volgt die het lichaam verlaat,”
komen de termen rûḥ en nafs voor. Deze twee termen, hoewel met verschillende namen genoemd, wijzen op hetzelfde. Deze ḥadīth is op zich al voldoende bewijs dat rûḥ en nafs hetzelfde aanduiden. We zullen later hierop terugkomen.
1.28: Overledenen bezoeken elkaar in het graf. En daarom is het noodzakelijk de overledenen in een mooie lijkwade (kafan) te wikkelen
Van Jābir ibn ʿAbdullāh (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wikkel jullie mu’min broeder zo goed mogelijk in lijkwade (kafan).” (Muslim, 7/12; an-Nasāʾī, 4/33; Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/295 en 229; Abū Dāwūd, 3132; at-Tirmiḏī , 995; Ibn Mājah, 1474)
Hāfiẓ en geleerde uit Sijistān, Abū Naṣr ʿAbdullāh ibn Sāʾid ibn Ḥātim al-Wāsilī, vermeldt in zijn boek Inābah veel overleveringen en āyāt uit de Qurʾān ter ondersteuning van dit onderwerp. Zijn uitleg, gebaseerd op de leer van de salaf, is voldoende om alle twijfel weg te nemen.
Van Jābir (رضي الله عنه); Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Maak de lijkwade van jullie overledenen mooi, want in het graf bezoeken zij elkaar en pronken zij met hun lijkwade.” ʿAbdullāh ibn Mubārak zegt: “Naar mijn mening is het mooiste kleed datgene dat men draagt tijdens de ṣalāh.”
1.29: Over het spoedig wegdragen van de overlede naar zijn graf en de woorden van de overledene vóór de begravenis
Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer het lichaam in de tābût (houten draagconstructie waarop het lichaam van de overledene wordt gelegd om het naar het graf te brengen, zonder kist) wordt geplaatst en op de schouders wordt gedragen, zegt het, als het een goed persoon is, ‘Breng mij snel, breng mij snel.’ En als het een slecht persoon is, zegt het: ‘Wee jullie! Waar brengen jullie mij naartoe?”Deze woorden horen alle levende wezens, behalve de mens. Als de mens het zou horen, zou hij flauwvallen.” (al-Bukhārī, 1314, 1316, 1370)
Zoals we eerder hebben vermeld uit de overlevering van ʿAnas (رضي الله عنه), zegt de rûḥ van de overledene: “O mijn familie! O mijn kind!” (an-Nasāʾī, 4/41; Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/41 en 58)
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Draag de overledene zo snel mogelijk weg. Als het een goed mens is, is het het beste dat hij snel vertrekt. En als het een slecht mens is, is het jammer om hem nog langer op jullie schouders te dragen.” (al-Bukhārī, 1315; Muslim, 944)
In de bovengenoemde ḥadīth wordt met ‘flauwvallen’ bedoeld dat een mens zou sterven als hij het geluid van de overledene zou horen (met andere woorden, het horen van de woorden van de rūḥ zou voor een mens fataal zijn).
Het doel van haastig wegdragen is dat de overledene zo snel mogelijk in het graf wordt geplaatst. Volgens een overlevering betekent ‘haastig’ echter dat men de overledene eerst snel wast en in een lijkwade wikkelt, uit vrees dat het lichaam zou ontbinden. Volgens de overlevering van an-Nasā’ī is de eerste uitleg (zo snel mogelijk naar het graf) betrouwbaarder.
An-Nasā’ī overlevert: …Van‘Abdurrahman, hij zei: ‘Ik was aanwezig bij de begrafenis van ‘Abdurrahman bin Samurān. Ziyād hield één kant van de tābût vast en liep ermee, terwijl de familie en slaven van Abdurrahman de andere kant vasthielden en meeliepen. Ze zeiden tegen elkaar: “O mensen, Neem de tijd en breng hem rustig. Moge Allāh jullie zegenen.” Terwijl we een tijdje liepen, ontmoetten we Abū Bakr (رضي الله عنه), die op zijn muildier reed.
Toen hij zag hoe ze liepen, dreef hij zijn muildier op hen af en richtte zijn zweep naar hen. Hierop zeiden de aanwezigen: “Haast jullie!” (Abdurrahman vervolgt): ‘Bij Allāh, op dat moment zagen we Rasûlullāh en we hadden het gevoel dat we tegen hem in opstand kwamen. Iedereen ging meteen uiteen.’ Deze overlevering werd bevestigd door Abū Muhammad ‘Abdulḥak.” (An-Nasā’ī, 4/42-43; Abū Dāwūd, 3167; Aḥmad b. Ḥanbal, 5/36)
Van Abdullah ibn Mas’ūd (رضي الله عنه), hij zei: “We stelden vragen aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) over het meelopen bij een begrafenis. Hij zei: ‘Loop niet te snel, maar ook niet te langzaam. Als de overledene tot de bewoners van het Paradijs behoort, breng hem dan zo snel mogelijk (naar zijn plaats). Als het een slecht man is, laat hem hoe dan ook van ons verwijderd zijn. (Breng hem zo snel mogelijk naar het graf en wees ervan verlost).”( at-Tirmiḏī , 1011)
İbn ʿAbdulbar vertelt: “Bij Allāh, de mensen van kennis schonken veel aandacht aan deze kwestie. Zich enigszins haasten is verdienstelijker dan langzaam lopen. Maar zo snel lopen dat het moeilijk of belastend wordt voor degenen die de janāzah dragen, wordt ook als afkeurenswaardig (makrūh) beschouwd.
Ibrāhīm an-Nakhāî zegt: ‘Loop niet opzichtig, treurend en rouwend, zoals de joden en christenen het doen, en toon het niet aan iedereen. Ga enigszins sneller vooruit.”
1.30: Het bedekken van het graf met een doek tijdens de begrafenis
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had een begrafenis bijgewoond. Nadat de ṣalāh al-janazah was verricht, vroeg hij om een doek en terwijl hij het graf bedekte, zei hij: “Geef geen informatie over het graf, want het is een toevertrouwde zaak (amānah).”
Van Saʿd ibn Mālik (رضي الله عنه): Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) Saʿd ibn Muʿādh (رضي الله عنه) begroef, vroeg hij om een doek. Tijdens de begrafenis legde hij deze over het graf van Saʿd ibn Muʿādh. Saʿd vervolgt: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) daalde persoonlijk in het graf van Saʿd ibn Muʿādh af en bedekte het met de doek. Ik behoorde tot degenen die deze doek vasthielden.” (ʿAbd al-Razzāq, al-Muṣannaf, nr. 6477)
De geleerden hebben hierover verschillende opvattingen geuit. Volgens ʿAbdullāh ibn Yazīd, Shurayḥ en Aḥmad ibn Ḥanbal is het afkeurenswaardig (makrūh) om een doek over het graf van een man te leggen. Volgens Aḥmad en Isḥāq wordt het graf van een vrouw wél op deze wijze bedekt. Ook andere gezaghebbende geleerden hebben deze opvatting geprefereerd. Sommige geleerden zijn echter van mening dat ook het graf van een man bedekt mag worden met een doek.
Volgens de opvatting van Abū Thawr mogen zowel het graf van een man als dat van een vrouw worden bedekt met een doek. Dit is eveneens de mening van Imām al-Shāfiʿī. Wel stelt hij dat het bedekken van het graf van een vrouw voortreffelijker en meer aangewezen is dan dat van een man. Ibn al-Mundhir is eveneens deze menig toegedaan.
Of het nu om een vrouw of een man gaat: het graf van alle overledenen wordt (na opening) bedekt. Het doel hiervan is bescherming tegen de bezwaren waarnaar wordt verwezen in de door Anas (رضي الله عنه) overgeleverde ḥadīth van hierboven. En Allāh weet het het beste.
Wij vragen Allāhu Ta`ālā onze (zondes) zowel in deze wereld als in het Hiernamaals te bedekken en ons veiligheid en welzijn te schenken.
1.31: Het reciteren van de Qur’ān bij het graf tijdens en na de begrafenisHet bereiken van de beloning van de gereciteerde Qur’ān aan de overledene en diens voorspraak voor hem
Dit is overgeleverd door Imām al-Ghazālī in zijn boek Iḥyā’ ʿUlūm ad-Dīn en door Abū Muḥammad ʿAbdulḥaq in zijn werk al-ʿĀqibah. Muḥammad ibn Aḥmad al-Marwazī zegt: Aḥmad ibn Ḥanbal zei het volgende: “Wanneer jullie de graven bezoeken, reciteer dan surah al-Fātiḥah, surah al-Falaq, surah an-Nās en surah al-Ikhlāṣ, en schenk de beloning ervan aan de overledene. Want deze (beloning) bereikt de dode.”
ʿAlī ibn Mūsā al-Ḥaddād verhaalt: “Ik was samen met Aḥmad ibn Ḥanbal bij een begrafenis. Muḥammad ibn Qudāmah al-Jawharī was de Qur’ān aan het reciteren. Na de begrafenis kwam een man die ook de Qur’ān begon te reciteren. Aḥmad ibn Ḥanbal sprak hem streng toe en zei: ‘Het reciteren van de Qur’ān bij het graf is een bidʿah (religieuze vernieuwing).’
Toen zij de begraafplaats verlieten, zei Ibn Qudāmah tegen Aḥmad ibn Ḥanbal: ‘Wat zeg je over Mubashshir ibn Ismāʿīl?’Aḥmad ibn Ḥanbal antwoordde: ‘Hij is een betrouwbaar man en de ahādīth die hij overlevert zijn betrouwbaar.’Ibn Qudāmah vroeg daarop: ‘Heb jij zelf ahādīth van hem overgeleverd?’Imām Aḥmad antwoordde: ‘Ja.’
Ibn Qudāmah zei toen: ‘Mubashshir ibn Ismāʿīl heeft mij overgeleverd; hij heeft het gehoord van ʿAbdurraḥmān ibn al-ʿAlā’ ibn Ḥajjāj, en deze van zijn vader. Zijn vader had het volgende testament uitgesproken: “Wanneer jullie mij hebben begraven, reciteer dan bij mijn hoofd surah al-Fātiḥah, want ik heb gehoord dat ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما) dit als zijn testament heeft nagelaten.”’
Daarop riep Imām Aḥmad de man terug en verzocht hem de Qur’ān-recitatie voort te zetten. (İbni Kayyum, Kitabu'r-Rûḥ, 65)
Ik zeg het volgende: Sommige geleerden hebben het reciteren van de Qur’ān bij het graf (en het bereiken van de beloning daarvan voor de overledene) onderbouwd met het bewijs dat Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) twee dadelpalmtakken op een graf plaatste. Volgens deze overlevering nam Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) een verse dadelpalmtak, brak deze in tweeën en plaatste elke helft op een graf, waarna hij zei: “Insha Allāh zal hun bestraffing worden verlicht zolang deze takken niet verdord zijn.” (Nasāī, 4/106; at-Tirmiḏī, 70; İbni Mājah, 347 ve 349; Ahmad b. Ḥanbel, Musnad, 1/225)al-Bukhārī en Muslim hebben deze overlevering eveneens vermeld. (al-Bukhārī, 3/222; Muslim, 3/200) In een overlevering die is opgenomen in de Musnad van Abū Dāwūd wordt verhaald dat Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) de ene helft van de tak op het ene graf en de andere helft op een ander graf plaatste en zei: “Deze takken zullen voor deze twee graven verlichting brengen zolang zij āyah zijn.”
Onze geleerden hebben uit deze ahādīth de conclusie getrokken dat het planten van een boom voor een overledene en het reciteren van de Qur’ān hem tot voordeel zullen zijn. Want als zelfs het planten van een boom de bestraffing van de overledene kan verlichten, hoe zou dan het reciteren van de Qur’ān bij het graf van een mu’min geen voordeel opleveren?
As-Salafī heeft overgeleverd van ʿAlī (رضي الله عنه): Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:“Wie langs een begraafplaats loopt, elf keer ‘Qul huwa Allāhu aḥad’ (surah al-Ikhlāṣ) reciteert en de beloning daarvan schenkt aan de overledenen die daar liggen, voor hem wordt een beloning opgeschreven gelijk aan de beloning die al die overledenen ontvangen.”
Van Anas (رضي الله عنه), die in dienst van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) was, zei Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Wanneer een mu’min Āyat al-Kursī (surah al-Baqarah āyah 256) reciteert en de beloning ervan schenkt aan degenen die in de graven liggen, stuurt Allāhu Ta`ālā naar de graven van alle mu’mins, van oost tot west, veertig lichten. Vervolgens verruimt Hij hun graven. En aan de mu’min die Āyat al-Kursī reciteert, wordt de beloning van zestig anbiyā’ toegekend; voor elke overledene aan wie de beloning is overgedragen, wordt hij met één rang verhoogd, en voor elke overledene krijgt hij bovendien nog tien extra beloningen.”
Ḥasan al-Baṣrī zei: Als iemand bij een graf komt en du`ā’ verricht: “O Allāh, Rab van deze vergaande lichamen en verstrooide beenderen! O Rab van degenen die deze wereld als mu’mins hebben verlaten en tot U zijn gegaan! Schenk hen rust breng ook onze salām tot hen.” dan ontvangt die persoon een beloning gelijk aan de beloning die aan degenen die daar aanwezig zijn.
Van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De beste van de mensen en alle levende wezens op aarde zijn de onderwijzers (dat wil zeggen, degenen die de mensen Islām en moraal onderwijzen). Verleen hen goedheid, ondersteun hen en maak het hen niet moeilijk. Wanneer een onderwijzer een kind leert zeggen: ‘Bismillāhir-Raḥmānir-Raḥīm,’ schenkt Allāhu Ta`ālā dat kind en de onderwijzer en zelfs de ouders van het kind een certificaat van redding van het vuur van de Hel.” Deze overlevering wordt door Saʿlabī overgebracht.
Het fundament van deze kwestie ligt in het verrichten van liefdadigheid (ṣadaqah). Net zoals de deugdzame daden verricht namens een overledene hem bereiken (en de beloning van ṣadaqah jārīyah voortduurt na het overlijden van de overledene), bereikt ook de Qur’ān overledene die namens hem wordt gereciteerd, evenals de smeekbeden (adʿiyah, m.v. van duʿāʾ) en smeekingen voor vergeving (istighfār). Dit komt omdat al deze daden tot de categorie van liefdadigheid behoren. En het is belangrijk te onthouden dat liefdadigheid niet alleen door geld kan worden verricht.
Toen Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd gevraagd over het inkorten van de ṣalāh, zei hij:(Het inkorten van de ṣalāh tijdens een reis of uit vrees) is de ṣadaqah van Allāh voor jullie. Verwerp dus niet de ṣadaqah van Allāh.” (Muslim, 5/196; Abū Dāwūd, 1187; An-Nasā’ī, 3/117; At-Tirmiḏī , 3034; Ibn Mājah, 1065; Ahmad b. Ḥanbel, Musnad, 1/25 en 36)
Eveneens heeft Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) eens gezegd: “Elke handeling van jullie is een vorm van ṣadaqah. Elke lofprijzing (subḥānallāh) is een ṣadaqah. Elke erkenning van de Eenheid van Allāh (lā ilāha illallāh) is een ṣadaqah. Elke takbīr (Allāhu Akbar) is een ṣadaqah. Elke tahmīd (al-ḥamdu lillāh) is een ṣadaqah. Het verkondigen en verspreiden van de geboden van Allāh is een ṣadaqah. Inspannen om te verhinderen dat verboden zaken worden gedaan is een ṣadaqah. Voor al deze daden wordt de beloning van twee rakʿāt ṣalāh verricht bij het ochtendgloren toegekend.” (Muslim, 5/233; Ahmad b. Ḥanbel, Musnad, 5/167)
Op basis van al deze overleveringen hebben onze geleerden verklaard dat het bezoeken van het graf een zeer deugdzaam daad is, aangezien de Qur’ān die daarbij wordt gereciteerd een geschenk voor de overledenen betekent.
Er wordt verteld dat een vrouw naar Ḥasan al-Baṣrī kwam en vroeg: “Mijn dochter is overleden en ik wil haar heel graag in mijn droom zien. Kun je mij een ṣalāh beschrijven waardoor ik haar in mijn droom kan zien?” Ḥasan al-Baṣrī leerder haar een ṣalāh aan. De vrouw zag in een droom haar dochter, gekleed in een kleed van teer en gebonden, met haar voeten vastgeketend. Vol ontzetting werd zij wakker en vertelde dit aan Ḥasan al-Baṣrī. Kort daarna zag ook Ḥasan al-Baṣrī het meisje in zijn droom, maar dit keer was ze in het Paradijs. Ze zat op een troon en droeg een kroon op haar hoofd. Ze vroeg aan Ḥasan al-Baṣrī: “O leraar, herkent u mij?” Ḥasan al-Baṣrī antwoordde: “Nee.” Het meisje zei: “Ik ben de dochter van de vrouw aan wie u die ṣalāh leerde.
Mijn moeder zag mij in haar droom.” Ḥasan al-Baṣrī vroeg: “Maar hoe kan dit?” Het meisje antwoordde: “Een man kwam naar de begraafplaats waar mijn graf zich bevindt en bracht salâwat* naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). In dat begraafplaats waren 560 personen die in de Hel werden gestraft. Daarna klonk een stem: ‘Omwille van de salâwat die hier is gebracht, verlicht hun straf.”
(*: Allāhumma ṣalli ʿalā Muḥammad wa ʿalā āli Muḥammad": “O Allāh, zend zegeningen over Muhammad en over de familie van Muhammad.”)
Volgens anderen zag Ḥasan al-Baṣrī in zijn droom zijn overleden broer. Hij vroeg aan zijn broer: “Hoe is jouw toestand?” Zijn broer antwoordde: “Er kwam iemand met vuur naar mij toe en net op het moment dat hij mij wilde treffen, verrichtte iemand du`ā’ voor mij, waardoor ik gered werd.”
Er zijn veel overleveringen van rechtschapen mensen (as-salihīn) over dit onderwerp. Abū Muhammad ʿAbdulḥak vermeldt de meeste van deze overleveringen. Ook Abū Muhammad ʿAbdullāh bin Muslim, de zoon van Muslim, de zoon van Ḥutaybah, heeft dit soort overleveringen verzameld in zijn werk ‘Uyūnu’l-Aḥbār’.
Van Anas (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie de begraafplaats bezoekt en de surah Yāsīn reciteert, ontvangt van Allāh dezelfde beloning als die bestemd is voor de overledenen daar, terwijl de beproevingen van de overledenen worden verlicht."
Abdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما) wilde dat de surah al-Baqarah bij zijn graf werd gereciteerd. Alā ibn ʿAbdurrahmān beschouwt het reciteren van de Qur’ān bij het graf ook als geoorloofd (mubah) .
…
Van Ma‘kil bin Yasâr (رضي الله عنه) uit Madīnah: Resulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Reciteer surah Yāsīn bij de graven van jullie overledenen.” (Abû Dâwûd, 3105; İbni Mâjah, 1448; Ahmad b. Ḥanbel, Musnad, 5/26)
Deze overleveringen kunnen op twee manieren worden begrepen:
Ze kunnen verwijzen naar het reciteren van de Qur’ān voor iemand tijdens zijn stervensproces.
Ze kunnen ook betrekking hebben op het reciteren van de Qur’ān bij het graf nadat iemand is overleden.
Onze geleerde (al-Qurtubî, de schrijver van dit boek) zegt: er is een marfû‘ ḥadīth (overlevering rechtstreeks van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) overgeleverd van Anas (رضي الله عنه). Bij de bespreking van de zaken die een overledene volgen, zullen we deze ḥadīth vermelden. Daaruit kunnen we concluderen dat degene die Qur’ān reciteert de beloning van het reciteren ontvangt, terwijl de overledene de beloning van het luisteren ontvangt. Zoals de āyah luidt:
وَإِذَا قُرِئَ ٱلۡقُرۡءَانُ فَٱسۡتَمِعُواْ لَهُۥ وَأَنصِتُواْ لَعَلَّكُمۡ تُرۡحَمُونَ ٢٠٤
Als de Koran gereciteerd wordt, luister er dan naar en wees stil, zodat jullie genade mogen ontvangen. (A‘rāf, 7:204)
We kunnen daarom zeggen: De beloning van het reciteren of het luisteren naar de Qur’ān kan de overledene bereiken, of mogelijk zelfs de beloning van beide. Allāh is Almachtig. Ook liefdadigheid (ṣadaqah), smeekbeden (istighfār) en andere adʿiyah kunnen de overledene bereiken.
Resulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu Ta‘ālā zegt: Voor degenen die geen tijd hebben om voor Mij te bidden vanwege het reciteren van de Qur’ān, zal Ik geven wat degenen die bidden, wensen.”( at-Tirmiḏī, 2962) at-Tirmiḏī noemt deze ḥadīth ḥasan en gharīb (dus een minder bekende ḥadīth).
Resulullah (صلى الله عليه وسلم) zei ook: “Wanneer iemand sterft, wordt zijn daden-register gesloten. Drie dingen vormen hierop een uitzondering: de voortdurende liefdadigheid (ṣadaqah-i jāriyah), kennis (`ilm) waarvan mensen profiteren en een rechtschapen kind dat voor hem du`ā’ verricht.”( Muslim, 11/85; Abû Dâwûd, 2863; Nasâ`i, 6/251; at-Tirmiḏī, 1376; Ahmad b. Ḥanbel, Musnad, 2/372)
De Qur’ān kan zowel een du‘ā’ als een vorm van voortdurende liefdadigheid (ṣadaqah-i jāriyah) zijn. Als een kind Qur’ān leest, is dat zowel ṣadaqah-i jāriyah als du‘ā’. Als vrienden of kennissen reciteren, bereikt de beloning de overledene ook als du‘ā’ en ṣadaqah. Dit is wat wij hierover weten. Allāh weet het het beste.
Een mogelijk bezwaar is: Allāhu Ta‘ālā zegt in de āyah : وَأَن لَّيۡسَ لِلۡإِنسَٰنِ إِلَّا مَا سَعَىٰ ٣٩
En dat de mens slechts krijgt waarnaar hij gestreefd heeft? ”( Najm, 53:39)
Volgens deze āyah zou het werk van een ander geen voordeel opleveren voor iemand anders. Er zijn echter verschillende interpretaties van deze āyah.
Volgens `Abdullah b. ‘Abbās (رضي الله عنهما) wordt deze āyah (Najm, 53:39) opgeheven door de volgende āyah:وَٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَٱتَّبَعَتۡهُمۡ ذُرِّيَّتُهُم بِإِيمَٰنٍ أَلۡحَقۡنَا بِهِمۡ ذُرِّيَّتَهُمۡ وَمَآ أَلَتۡنَٰهُم مِّنۡ عَمَلِهِم مِّن شَيۡءٖۚ كُلُّ ٱمۡرِيِٕۭ بِمَا كَسَبَ رَهِينٞ ٢١
En degenen die geloven en wiens nageslacht hen in het geloof volgen: Wij zullen hen met hun nageslacht verenigen, en Wij zullen de beloning voor hun daden niet verminderen. Ieder mens staat borg voor wat hij verdiend heeft. (Tûr 52:21)
Kinderen die op jonge leeftijd sterven, zullen op Yawmu’l Qiyāmah voorspraak (shafā`ah) doen voor hun ouders, en Allāh zal hun voorspraak accepteren. Ook kunnen de daden van kinderen ten goede komen aan hun ouders, en de daden van ouders aan hun kinderen. Als bewijs wordt de āyah aangehaald:…ابَآؤُكُمۡ وَأَبۡنَآؤُكُمۡ لَا تَدۡرُونَ أَيُّهُمۡ أَقۡرَبُ لَكُمۡ نَفۡعٗاۚ……Jullie weten niet wie van hen, of jullie ouders of jullie kinderen jullie tot meer nut zijn… (an-Nisā 4:11)
Rabî` bin Anas heeft deze: (Nederlandse betekenis) En dat de mens slechts krijgt waarnaar hij gestreefd heeft? ”( Najm, 53:39). Volgens hem heeft deze āyah betrekking op de kāfir; voor een kāfir bestaat er geen redding door anderen.
Wij zeggen dat vele aḥadīth hiernaar verwijzen. Volgens deze interpretatie kan niets een kāfir baten. Maar voor een mu’min brengen de daden en voorspraak van zijn kinderen en vrienden voordeel.
In een ḥadīth wordt gezegd: “Degene die overlijdt terwijl hij nog een vastenplicht (vastenschuld) heeft, diens vasten kan door zijn wali’s (zijn naasten, zoals verwanten en erfgenamen) worden verricht”. (al-Bukhārī, 4/192; Muslim, 7/23; Abû Dāwûd, 2383; at-Tirmiḏī, 718; Ahmad b. Ḥanbel, Musnad, 6/69)
Voor iemand die de Haj voor een ander wil verrichten zonder zelf de Haj te hebben verricht, gaf Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het volgende bevel: “Voltooi eerst je eigen Haj, en daarna kun je de Haj voor Shibrimah verrichten.” (Abû Dāwûd, 1793, Ibni Mājah, 2903)
`Aishah (رضي الله عنها) ging in iʿtikāf (spirituele afzondering in de laatste 10 dagen tijdens de Ramadān vasten) voor haar overleden broer Abdurrahman. Hierop kwam Saʿd (رضي الله عنه) naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en vroeg: “Mijn moeder is overleden. Mag ik namens haar sadaqah geven?” Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Ja.” (Abû Dâwûd, 1665; Nasâʾî, 6/254–255; Aḥmad b. Ḥanbal, 6/7; Ibn Mâjah, 3684)Saʿd (رضي الله عنه) vroeg verder: “Wat voor soort sadaqah raadt u mij aan?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Uitdelen van water (of een waterput aanleggen).”
In Muwattā’ vertelt `Abdullah bin Abubakr (رضي الله عنهما) het volgende voorval over zijn vaders tante: haar grootmoeder wilde te voet naar de moskee van Qubā gaan. Ze begon aan de reis, maar overleed onderweg en bereikte de moskee niet. Hierop instrueerde `Abdullah bin ʿAbbās (رضي الله عنهما) zijn dochter om de reis voor haar grootmoeder te voltooien.
Volgens ons betekent de āyah: (Nederlandse betekenis) En dat de mens slechts krijgt waarnaar hij gestreefd heeft? ”( Najm, 53:39): de slechte daden (dat wil zeggen: voor begane slechte daden kan iemand niet profiteren van de inspanningen van een ander). De volgende ḥadīth vormt hiervoor het bewijs:
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu Ta’ālā zegt: “Wanneer een dienaar voornemens is een goede daad te verrichten maar deze niet uitvoert, wordt hem toch één beloning toegekend. Verricht hij die daad daadwerkelijk, dan ontvangt hij ten minste tien en ten hoogste zevenhonderd maal de beloning.Wanneer hij voornemens is een slechte daad te verrichten maar deze niet uitvoert, wordt hem geen zonde opgeschreven. Verricht hij haar wel, dan wordt hem één zonde opgeschreven”. (Muslim, 2/147 ve 148.; al-Bukhārī, 1/98.; at-Tirmiḏī, 3973.; Ahmad b. Ḥanbel, Musnad, 2/317)
Ook de āyāt wijzen hierop:
مَن جَآءَ بِٱلۡحَسَنَةِ فَلَهُۥ عَشۡرُ أَمۡثَالِهَاۖ وَمَن جَآءَ بِٱلسَّيِّئَةِ فَلَا يُجۡزَىٰٓ إِلَّا مِثۡلَهَا وَهُمۡ لَا يُظۡلَمُونَ ١٦٠
Iedereen die een goede daad verricht zal tien maal daarvan de prijs krijgen en iedereen die een slechte daad verricht zal slechts de vergelding van het gelijkwaardige krijgen en hen zal geen onrecht aangedaan worden. (al An`am 6:160)
مَّثَلُ ٱلَّذِينَ يُنفِقُونَ أَمۡوَٰلَهُمۡ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ كَمَثَلِ حَبَّةٍ أَنۢبَتَتۡ سَبۡعَ سَنَابِلَ فِي كُلِّ سُنۢبُلَةٖ مِّاْئَةُ حَبَّةٖۗ وَٱللَّهُ يُضَٰعِفُ لِمَن يَشَآءُۚ وَٱللَّهُ وَٰسِعٌ عَلِيمٌ ٢٦١
De gelijkenis van degenen die van zijn rijkdommen uitgeeft op het Pad van Allāh is als de gelijkenis van een graankorrel; het groeit in zeven aren en iedere aar heeft honderd korrels. Allāh geeft het veelvoudige aan degenen waarover Hij tevreden is. En Allāh is voldoende voor de noden van Zijn schepselen, Alwetend. (al Baqarah 2:161)
وَمَثَلُ ٱلَّذِينَ يُنفِقُونَ أَمۡوَٰلَهُمُ ٱبۡتِغَآءَ مَرۡضَاتِ ٱللَّهِ وَتَثۡبِيتٗا مِّنۡ أَنفُسِهِمۡ كَمَثَلِ جَنَّةِۭ بِرَبۡوَةٍ أَصَابَهَا وَابِلٞ فَـَٔاتَتۡ أُكُلَهَا ضِعۡفَيۡنِ فَإِن لَّمۡ يُصِبۡهَا وَابِلٞ فَطَلّٞۗ وَٱللَّهُ بِمَا تَعۡمَلُونَ بَصِيرٌ ٢٦٥
En de gelijkenis van degenen die hun welvaart besteden om Allāh’s genoegen te zoeken en de versterking van hun ziel, is als de gelijkenis van een tuin op een hoge en vruchtbare plaats, waar zware regen op valt en (die) dan dubbel vrucht draagt. En als er geen zware regen valt, is lichte dauw voldoende. En Allāh is Alziende over wat jullie doen. (al Baqarah 2: 165)
مَّن ذَا ٱلَّذِي يُقۡرِضُ ٱللَّهَ قَرۡضًا حَسَنٗا فَيُضَٰعِفَهُۥ لَهُۥٓ أَضۡعَافٗا كَثِيرَةٗۚ وَٱللَّهُ يَقۡبِضُ وَيَبۡصُۜطُ وَإِلَيۡهِ تُرۡجَعُونَ ٢٤٥
Wie is degene die aan Allāh een goede lening geeft, zodat Hij hem het in veelvoud terug mag geven? En het is Allāh die vermindert of vermeerdert, en tot Hem zullen jullie terugkeren. (al Baqarah 2: 245)
Dit alles behoort tot Allāh’s gunst en vrijgevigheid. Zo manifesteert zich de goddelijke rechtvaardigheid. De āyah (Nederlandse betekenis) En dat de mens slechts krijgt waarnaar hij gestreefd heeft? ”( Najm, 53:39) dient binnen dit kader begrepen te worden.
In dit verband werd aan Abū Hurayrah (رضي الله عنه) gevraagd: “Heb jij van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gehoord dat Allāh voor één goede daad één miljoen beloningen geeft?”Hij antwoordde: “Ja, ik heb Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) horen zeggen: “Allāh schrijft voor één goede daad duizend maal duizend (één miljoen) beloningen op.” (Ahmad b.
Ḥanbel, Musnad, 5/521 ve 2/296)
Dit alles behoort tot Allāh’s barmhartigheid en vrijgevigheid. Zo zal Allāh kinderen (die niet aql wa’l bāligh zijn), ondanks het feit dat zij geen goede daden hebben verricht, het Paradijs binnen doen gaan. In dat geval is het allerminst verwonderlijk dat Hij ook aan de mu’mins Zijn gunst schenkt.
Al-Ḥarāʾitī vermeldt in zijn werk over de graven dat de Anṣār (de Helpers) ( رضي الله عنهم) bij de graven sūrah al-Baqarah reciteerden en dit als een sunnah beschouwden.
De reden waarom wij dit onderwerp uitvoerig hebben behandeld, is het volgende.Omdat de grote faqīh, qāḍī en geleerde ʿAbdulʿAzīz ibn ʿAbd as-Salām fatwā’ heeft gegeven dat het reciteren va de Qur’ān geen nut zou hebben voor de overledene. Als bewijs voerde hij de 39ste āyah uit sūrah an-Najm aan: (Nederlandse betekenis) En dat de mens slechts krijgt waarnaar hij gestreefd heeft? ”.
Na zijn overlijden hebben enkele van zijn vrienden hem in een droom gezien en tegen hem gevraagd: “O meester! U gaf in het wereldse leven de fatwā dat de Qur’ān die voor de overledene wordt gereciteerd geen nut heeft. Hoe is de situatie nu?”
Hij antwoordde: “Ja, helaas zei ik dat toen ik nog in de wereld was. Maar nu ben ik daarvan teruggekomen, want ik heb de majesteit en vrijgevigheid van Allāh in deze kwestie gezien en heb waargenomen dat zij (de gereciteerde Qur’ān) de overledenen daadwerkelijk bereikt.”
1.32: Iedere dienaar wordt begraven in de aarde waarvan hij is geschapen
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Wanneer Allāh bepaalt dat een dienaar op een bepaalde plaats zal sterven, schept Hij een reden (of noodzaak) waardoor die dienaar daarheen gaat.” (at-Tirmiḏī , 2146; Aḥmad ibn Ḥanbal, 5/271)
at-Tirmiḏī vermeldt dat hierover ook een overlevering van Abū ʿIzzah bestaat. Volgens at-Tirmiḏī is deze ḥadīth ḥasan maar gharīb (dat wil zeggen: de overleveraar is niet algemeen bekend), omdat van de zoon van al-Aqmish geen andere ḥadīth is overgeleverd.
Van Abū ʿIzzah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer Allāh bepaalt dat een dienaar op een bepaalde plaats zal sterven, schept Hij een reden (of noodzaak) waardoor die dienaar daarheen gaat.”
Volgens at-Tirmiḏī is deze overlevering ḥasan en ṣaḥīḥ, omdat Abū ʿIzzah in het gezelschap van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verkeerde. Zijn werkelijke naam was Yasār ibn ʿUbayd (رضي الله عنه).
Lees het volgende gedicht:
Wanneer iemands dood in een bepaald land is vastgesteld,Roept een behoefte hem daarheen, en hij vliegt er onmiddellijk naartoe.
Abū ʿAbdullāh al-Ḥākim at-Tirmiḏī vermeldt in zijn werk Nawādir al-`Uṣūl een andere overlevering van Abū Hurayrah (رضي الله عنه). Op een dag liep Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) rond in de omgeving van Madīnah en kwam een groep metgezellen tegen, onder wie Abū Hurayrah. Plotseling stuitten zij op een pas gegraven graf.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg: “Van wie is dit graf?”
Zij antwoordden: “Het is van een man uit Abessinië.”
Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Lā ilāha illa Allāh! Deze man heeft de hele wereld rondgereisd, maar uiteindelijk is hij teruggekeerd en begraven in de aarde waarin hij is geschapen.”
Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd:
“Wanneer de vastgestelde levensduur (ajal) van een dienaar op een bepaalde plaats ergens ter wereld is bepaald, wordt er een rede geschapen waardoor die dienaar daarheen komt. Zodra de dienaar de plaats bereikt waar zijn ajal is vastgesteld, neemt Allāh zijn rûḥ weg.
Op Yawmu’l Qiyāmah zal de aarde zeggen: ‘O mijn Rab, dit is de verwezenlijking van wat U mij hebt beloofd. (Ibn Mājah, 4263)
Volgens onze geleerden is het doel van deze overleveringen om de dienaar voortdurend aan de dood te herinneren. Opdat hij daardoor ontwaakt uit achteloosheid en zijn verplichtingen vervult. Want de dienaar weet niet wanneer en waar hij zal sterven; daarom dient hij altijd voorbereid te zijn.
Wij wandelden haastig naar wat voor ons was opgeschreven,En zij wandelden haastig naar wat voor hen was opgeschreven.De voorzieningen die ons zijn toebedeeld zijn verspreid,Wie van ons zijn voorziening niet bereikt, die bereikt haar.Voor wie de dood in een bepaalde aarde is geschreven,Die kan nergens anders sterven dan daar.
Volgens wat de voorgaanden hebben overgeleverd: Sulaymān (عليه السلام) zat op een dag met een man.
De man zei: “O NabīAllah, ik heb een zaak in India. Zou u de wind kunnen bevelen mij daar onmiddellijk heen te brengen?”
Op dat moment zag Sulaymān (عليه السلام) de Malaku’l-Mawt voor zich staan, die glimlachte. Toen Sulaymān (عليه السلام) hem naar de reden vroeg, antwoordde de Malaku’l-Mawt:
“Hoe wonderlijk! Ik heb de opdracht gekregen om de rûḥ van deze man op ditzelfde uur in India te nemen. Maar ik trof hem hier bij u aan, en vroeg mij af hoe hij daar zou komen.”
Op bevel van Sulaymān (عليه السلام) bracht de wind de man naar India, en daar nam de Malaku’l-Mawt zijn rûḥ weg. Allāh is tot alles in staat en weet het allerbeste.
1.33: Op het lichaam van de dienaar is een deel van de aarde waarmee hij in zijn graf zal worden bedekt
De voorziening (rizq) en de vastgestelde levensduur (ajal) van de overledene, en de betekenis van de āyah:
إِنَّا خَلَقۡنَا ٱلۡإِنسَٰنَ مِن نُّطۡفَةٍ أَمۡشَاجٖ نَّبۡتَلِيهِ فَجَعَلۡنَٰهُ سَمِيعَۢا بَصِيرًا ٢
Waarlijk, Wij hebben de mens geschapen uit een gemengde druppel om hem te beproeven. Daarop gaven Wij hem het gehoor en gezichtsvermogen. (al Insān 76:2)
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Op ieder die wordt geboren, wordt een deel geworpen van de aarde waarin hij begraven zal worden.” (Abû Nuaym, Hilyah, 2/280)
Abū ʿĀṣim an-Nabīl zegt: Van Abū Bakr en ʿUmar (رضي الله عنهما) zijn eveneens soortgelijke overleveringen bekend. Deze twee edele personen zijn opgevoed onder de leiding van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Terwijl Abū ʿĀṣim an-Nabīl over Ibn Sīrīn spreekt, vermeldt hij deze overlevering via Abū Hurayrah (رضي الله عنه). Deze overlevering wordt echter als gharīb beschouwd (dat wil zeggen: zij is overgeleverd door een verteller die niet veel ḥadīth heeft overgeleverd), aangezien wij deze ḥadīth uitsluitend via Abū ʿĀṣim an-Nabīl hebben vernomen. Hij was afkomstig uit Baṣrah en wordt beschouwd als een betrouwbare ḥadīth-overleveraar.
Murrā heeft deze overlevering ook doorgegeven van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه): “De engel die belast is met de schepping van de mens in de baarmoeder, neemt een deel uit de baarmoeder en vraagt: ‘O mijn Rab, is het bepaald of onbepaald?’Wanneer Allāh zegt: ‘Laat hem bepaald zijn’, vraagt de engel: ‘Wat is zijn voorziening (rizq) en wat is zijn vastgestelde levensduur (ajal)? En van welke aarde zal hij zijn?’Dan beveelt Allāhu Ta`ālā: “Kijk in de al-Lawḥ al-Maḥfūẓ*.”De engel kijkt daarop in al-Lawḥ al-Maḥfūẓ, en daar staan de voorziening, de levensduur, de daden en de aarde van die dienaar geschreven.Vervolgens neemt de engel een handvol van de aarde waarin deze dienaar begraven zal worden en mengt dit met zijn oorspronkelijke substantie.”
(*: het Geheiligde / Beschermde Schrift” of “het Onveranderlijke Boek”. Het verwijst naar het hemelse register waarin Allāh alles heeft opgeschreven wat er gebeurt of zal gebeuren)Als bewijs hiervoor wordt de volgende āyah aangehaald:
مِنۡهَا خَلَقۡنَٰكُمۡ وَفِيهَا نُعِيدُكُمۡ وَمِنۡهَا نُخۡرِجُكُمۡ تَارَةً أُخۡرَىٰ ٥٥
Uit haar hebben Wij jullie geschapen en daarin zullen Wij jullie doen terugkeren, en daaruit zullen Wij jullie opnieuw voortbrengen. (Taha 20:55)
Alqamah overlevert van `Abdullah: “Als de embryo in de baarmoeder terechtkomt, neemt een engel deze in zijn hand en vraagt: “O mijn Rab, is het bepaald of onbepaald?’Allāhu Ta‘ālā zegt: “Laat het onbepaald zijn, het zal geen mens worden”, en de engel werpt het dan in het bloed.Als Allāh zegt: “Laat het bepaald zijn”, vraagt de engel: “Is het een jongen of een meisje? Zal het naar het Paradijs of de Hel gaan? Wat is zijn levensduur? Wat is zijn voorziening? Uit welke aarde moet hij worden gevormd? Waar zal zijn graf zijn?”Allāhu Ta‘ālā beveelt dan: “Ga naar het al-Lawḥ al-Maḥfūẓ”, want daar is alles opgeschreven.
Daarna wordt aan deze embryo gevraagd: “Wie is je Rab?” De embryo antwoordt: ‘Allāh’.Vervolgens: “Wie voorziet je van je levensonderhoud?” Ook hier antwoordt de embryo: ‘Allāh’.Daarna wordt het gevormd en krijgt het leven. Het wordt geboren, leeft, neemt zijn voorziening, en wanneer zijn tijd is gekomen, sterft het en wordt het begraven in de aarde waarvan het werd genomen.
Muhammed b. Shirin vertelt: Allāh heeft Muhammed (صلى الله عليه وسلم) samen met Abubakr en `Umar (رضي الله عنهما) uit dezelfde aarde geschapen (want zij zijn op dezelfde plek begraven). Daarom hebben zij ook een vergelijkbare aard en karakter.
Wij zeggen dat ook Isa (عليه السلام) uit dezelfde aarde is geschapen. Dit zullen wij later verder toelichten.
Voor het begrijpen van dit onderwerp zijn de volgende āyāt voldoende:
أَيُّهَا ٱلنَّاسُ إِن كُنتُمۡ فِي رَيۡبٖ مِّنَ ٱلۡبَعۡثِ فَإِنَّا خَلَقۡنَٰكُم مِّن تُرَابٖ
O mensheid, als jullie de Opstanding in twijfel trekken. (Weet dan) waarlijk, dat Wij jullie (stamvader Adam) uit aarde hebben geschapen… (Hac,22:5)
هُوَ ٱلَّذِي خَلَقَكُم مِّن طِينٖ ثُمَّ قَضَىٰٓ أَجَلٗاۖ وَأَجَلٞ مُّسَمًّى عِندَهُۥۖ ثُمَّ أَنتُمۡ تَمۡتَرُونَ ٢
Hij is Degene Die jullie uit klei heeft geschapen en vervolgens een bepaalde tijd (voor de doden) heeft vastgesteld. En een bepaalde tijd is er bij Hem (voor de opwekking). Toch twijfelen jullie. (al-An`am 6:2)
ثُمَّ جَعَلَ نَسۡلَهُۥ مِن سُلَٰلَةٖ مِّن مَّآءٖ مَّهِينٖ ٨
Toen maakte Hij zijn nageslacht van een uitttreksel van nederig water (sperma). (as-Sajdah 32:8)
1.34: Wat de overledene tot aan het graf volgt en wat bij hem in het graf blijft
Van Anas bin Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Drie dingen volgen de overledene. Twee keren terug, maar één blijft bij de overledene (in het graf). Wat de overledene volgt, zijn zijn familie, zijn bezit en zijn daden. Zijn familie en bezit blijven achter, maar zijn daden gaan met hem mee.” (Muslim, 18/95; al-Bukhārī, 11/362; Nasai, 4/53; at-Tirmiḏī , 2379; Ahmad b. Ḥanbel, Musnad, 3/110)
Van Anas bin Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De beloning van zeven daden blijft doorgaan zelfs nadat de overledene in het graf is: het onderwijzen van kennis, het graven van een rivier (of een waterkanaal), het aanleggen van een waterput, het planten van dadel- (of andere bomen), het bouwen van moskee (of madrasa), het nalaten van een Mushaf (Qur’ān), en het achterlaten van kinderen die voor hem istighfār verrichten.” (Qatadah en Abû Nuaym b. Hani hebben dit van … overgeleverd. Dit is een ḥasan maar garib ḥadīth. Ibn Mājah heeft deze ḥadīth ook opgenomen in zijn werk Sunan.)
Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ook na zijn overlijden blijven de goede daden van een mu’min voortduren en worden zij aan zijn daden-register toegevoegd. (Dit zijn): onderwezen van kennis, rechtschapen kinderen, Qur’ān die als erfenis wordt nagelaten, het bouwen van een moskee, het bouwen van huizen voor reizigers die gestrand zijn, het aanleggen van waterkanalen, en sadaqa-i jariyah.” (İbni Mājah, 242)
…Van Anas (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als je een sadaqah geeft namens een overledene, komt een engel naar het graf van de overledene in een kring van licht en zegt: ‘O jij die in dit eenzame graf ligt! Je familie heeft dit geschenk voor jou gestuurd. Accepteer het alstublieft.” Anas bin Mālik (رضي الله عنه) vervolgt: “De engel gaat het graf binnen, vult het graf met licht en de overledene zegt dan: “Moge Allāh tevreden zijn met mijn familie en hun goede daden accepteren.”Daarna voelen de bewoners van de naburige graven spijt en zeggen: “Hadden wij ook maar rechtschapen kinderen achtergelaten.”
Bashshar b.
Ghālib vertelt: “Ik zag Rabīʿatu’l-ʿAdawiyyah (een beroemde vroege islamitische ascete en mystica uit de 2e eeuw AH) in een droom. ‘Adawiyyah’ betekent ‘zij die veel aanbidt’. Ik verrichtte vaak du`ā’ voor haar. In de droom zei zij tegen mij: ‘Jouw geschenk komt naar mij, gewikkeld in zijde doeken en omgeven door licht.’ Zo worden de adʿiyah (m.v. du`ā’ ) van mu’mins die nog leven, aan degenen die zijn overleden overgebracht. Wanneer iemand voor een mu’min in het graf du`ā’ verricht, wordt dit aangekondigd: ‘Zó heeft die-en-die dit geschenk naar jou gestuurd.’ Er zijn veel overleveringen over dit onderwerp, en deze zijn voldoende om het te begrijpen.
Ismāʿīl b. Rafīʿ zegt: “De kleinste goede daad die iemand doet voor een overledene met wie hij of zij een bloedband heeft, wordt beloond als een Haj, een offer (qurbān) of een sadaqah.”
1.35: De hevigheid van de confrontatie met de dood
Van Jābir b. ʿAbdullāh (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Verlang niet naar de dood, want de confrontatie (met de dood) is zwaar.”
Toen ʿUmar (رضي الله عنه) gewond werd, zei iemand in zijn omgeving: “Ik hoop dat het vuur je lichaam niet zal raken.” ʿUmar (رضي الله عنه) antwoordde: “Wat een verkeerde uitspraak. Zelfs als de hele wereld van mij was, zou ik het offeren om niet geconfronteerd te hoeven worden met de dood.”
Abū Dardāʾ (رضي الله عنه) zegt: “Drie dingen brengen mij aan het lachen en drie dingen aan het huilen. Ik lach om degene die de wereld vertrouwt terwijl de dood hem nadert. Ik lach om degene die de werkelijkheid vergeet terwijl hijzelf door niemand vergeten is. Ik lach om degene die lacht, terwijl hij niet weet of hij Allāh wel of niet tevreden heeft gesteld.Drie dingen laten mij huilen: het overlijden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), wat ik tijdens het moment van sterven zal meemaken en zal aanschouwen, en het op Yawmu’l Qiyāmah verschijnen voor Allāh zonder te weten of ik tot de bewoners van het Paradijs of de Hel behoor.” Deze overlevering komt van Ibn Mubārak en is ook overgeleverd door Muʿāwiyyah b. Kurrā.
Ibn al-Mubārak zegt: … Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), hij zei:“Vrees twee dagen en twee nachten. Want geen enkel schepsel is ooit getuige geweest van wat zich in deze (vier) momenten zal afspelen.De eerste dag is de dag waarop (tijdens het moment van overlijden), de boodschapper-engel tot jou komt en meedeelt of Allāh tevreden over jou is of niet.De tweede dag is de dag waarop Allāh jou jouw daden-register zal voorleggen; en jij weet niet of dit aan je rechterzijde of aan je linkerzijde zal worden gegeven.
De eerste nacht die gevreesd moet worden, is de nacht waarin de overledene in het graf wordt gelegd; want dat is zijn eerste nacht daarin.De tweede nacht is de nacht waarvan de ochtend Yawmu’l Qiyāmah zal aanbreken.”