As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

At-Tazkira — Hoofdstuk 2: Het leven in het graf (Ḥayātu’l Qabr)

Auteur: Imam Al-Qurtubi

Onderwerp: Hiernamaals & eindtijd

Lees dit boek in de online lezer

HOOFDSTUK 2: HET LEVEN IN HET GRAF (Ḥayātu’l Qabr)

2.1: Het graf is de eerste halte naar het HiernamaalsHuilen bij het graf, de wijsheid van het leven in het graf en de voorbereiding op het graf(sleven)

Van Hānī’ ibn ʿUthmān (رضي الله عنه): ʿUthmān (رضي الله عنه) kwam eens bij een graf en begon te huilen, zó intens dat zijn baard nat werd van zijn tranen. De mensen die bij hem waren, vroegen: “Wanneer je aan het Paradijs en de Hel denkt, huil je niet; maar wanneer je dit graf ziet, huil je dan wel?”ʿUthmān (رضي الله عنه) antwoordde: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft eens gezegd:“Het graf is de eerste van de haltes naar het Hiernamaals. Wie hier gemakkelijk doorheen komt, zal bij de volgende haltes geen moeilijkheden ondervinden. Maar als het leven in het graf zwaar is, dan zullen de daaropvolgende haltes nog zwaarder zijn.” (Ibn Mājah, 4267; at-Tirmiḏī , 2308; Aḥmad ibn Ḥanbal, 1/63)Eveneens van ʿUthmān (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik heb geen angstaanjagender tafereel gezien dan het graf.” (Ibn Mājah, 4267; at-Tirmiḏī , 2309)Bij een andere gelegenheid bevond Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zich bij een begrafenis. Hij ging aan de rand van het graf zitten en begon te huilen. Hij huilde zo lang dat de tranen uit zijn ogen stroomden en zei vervolgens: “O mijn broeders! Dit is het einde van ons allemaal. Bereid jullie hierop voor.”

Er bestaat discussie over wie als eerste een graf heeft gegraven. Sommigen menen dat het de kraai was, die Qābil liet zien hoe hij een graf moest maken. Anderen beweren dat de joden als eersten het gebruik van graven hebben ingevoerd, hoewel hiervoor geen betrouwbare basis bestaat. Sommige geleerden stellen dat Qābil eigenlijk al wist hoe hij een graf moest graven, maar dat hij zijn broer niet begroef omdat hij hem als waardeloos beschouwde en het begraven niet nodig vond. Toen zond Allāhu Ta`ālā een kraai om Qābil te laten zien hoe hij Hābil moest begraven.

De āyah luidt:فَبَعَثَ ٱللَّهُ غُرَابٗا يَبۡحَثُ فِي ٱلۡأَرۡضِ لِيُرِيَهُۥ كَيۡفَ يُوَٰرِي سَوۡءَةَ أَخِيهِۚ قَالَ يَٰوَيۡلَتَىٰٓ أَعَجَزۡتُ أَنۡ أَكُونَ مِثۡلَ هَٰذَا ٱلۡغُرَابِ فَأُوَٰرِيَ سَوۡءَةَ أَخِيۖ فَأَصۡبَحَ مِنَ ٱلنَّٰدِمِينَ ٣١

En nadat (Kaїn geen raad wist met het lijk van Abel) stuurde Allāh een raaf die (met zijn poten en snavel een gat) in de grond graafde om hem te tonen hoe hij het dode lichaam van zijn broeder (en zijn wandaad) moest verbergen. (Kaїn) zei: “Wee mij! Ben ik zelfs niet in staat dat ik niet net zoals de raaf het dode lichaam van mijn broeder kan verbergen?” Daarop behoorde hij tot degenen die spijt hebben. (door berouw te tonen). (al Ma`idah 5:31)

Qābil voelde berouw toen hij zag hoeveel waarde Allāh aan Hābil had gehecht. Omdat hij Hābil niet had begraven, stuurde Allāh een kraai om hem te laten zien hoe hij zijn broer moest begraven. Dit berouw betekende echter geen oprechte tawbah, want Qābil had geen spijt van het doden van zijn broer; hij was alleen verdrietig omdat hij zonder broer achterbleef. Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) zei: “Als hij verdriet had gehad vanwege het doden van zijn broer, dan zou dat als tawbah hebben gegolden (of hij zou daadwerkelijk tawbah hebben gedaan).”Er wordt verteld dat Qābil, nadat hij zijn broer had gedood, ging zitten en begon te huilen. Op dat moment kwamen er twee kraaien bij hem en begonnen met elkaar te vechten. Qābil keek naar hen. Vervolgens doodde de ene kraai de andere, groef een kuil en begroef hem daarin.

Daarop begroef Qābil ook zijn broer in de grond. Na deze gebeurtenis werd het begraven verplicht gesteld voor alle kinderen van Ādam.

In de āyah staat:ثُمَّ أَمَاتَهُۥ فَأَقۡبَرَهُۥ ٢١ Vervolgens doet Hij hem sterven en doet Hij hem begraven. (Abasa 80:21) Dat wil zeggen: Hij (beveelt) dat er voor hem een graf wordt gegraven. Dit is vanwege de eerbiedwaardigheid van de mens, en niet enkel om te voorkomen dat zijn lichaam door andere schepselen wordt opgegeten. Deze mening is van al-Farrā’. Abū ʿUbayda ibn al-Jarrāḥ (رضي الله عنه) zegt: “doet Hij hem begraven: het bevel geven dat er een graf wordt gegraven.” Zo wordt bijvoorbeeld verteld dat, toen ʿUmar ibn Hubayrah, Ṣāliḥ ibn ʿAbdurraḥmān had gedood, de stamleden van Banū Tamīm kwamen en zeiden: “Maak voor Ṣāliḥ een graf voor ons.” Een graf is een kuil die in de grond wordt gegraven en iets boven het maaiveld uitkomt. Het is verboden het van steen en leem te bouwen (dat wil zeggen: het moet eenvoudig in de grond zijn).

Van Jābir (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verbood dat het graf van binnen met steen wordt opgetrokken en dat men op graven gaat zitten.( Muslim, 7/37)Eveneens heeft hij verboden dat er (prachtige of imposante) bouwwerken op graven worden opgericht. (Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/399; at-Tirmiḏī , 1052; Abū Dāwūd, 4209; Nasa`ī, 4/87) In een overlevering eveneens van at-Tirmiḏī: Jābir (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft het bouwen van graven met (natuur)steen en baksteen, het schrijven op de graven en het (met de voeten) staan op de graven verboden. Abū ʿĪsā (at-Tirmiḏī ) zegt dat deze ḥadīth ṣaḥīḥ is.

Volgens onze geleerden is de reden voor het verbod op het bouwen van graven met (natuur)steen en baksteen het vermijden van pronkzucht. Dergelijke bouwwerken behoren immers tot het wereldse leven. Het graf is echter geen plaats voor versiering of uiterlijk vertoon; het behoort tot een andere wereld.

Als je zelfs maar één nacht de zaken van een volk op je neemt.Weet dan dat je vanaf dat moment verantwoordelijk voor hen bent.Wanneer je een overledene naar het graf draagt,Weet dan dat jij daarna zelf zult volgen.

…Van Abū al-Hayāj al-Asadī, die zegt dat hij het van ʿAlī (رضي الله عنه) heeft gehoord. ʿAlī gaf Abū al-Hayāj de volgende raad: “Zal ik jou de opdracht geven die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aan mij heeft gegeven?Wanneer je iets ziet dat op een afgod lijkt, vernietig het. En wanneer je een graf ziet dat te hoog is opgetrokken (of versierd), maak het gelijk met de grond.” (Muslim, 7/36; Abū Dāwūd, 3202; Nasa`ī, 4/88 ve 89)Abū Dāwūd vermeldt in zijn werk al-Marāsīl een overlevering van ʿAbdullāh ibn Abī Ṣāliḥ (رضي الله عنه), waarin hij zegt: “Ik zag het graf van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ongeveer een handspan boven de grond of iets minder. Dat wil zeggen: de aarde van het graf lag een handspan boven het maaiveld.”Volgens onze geleerden worden graven netjes en ordelijk gemaakt uit eerbied voor de mens. Zoals in de tijd van de jāhiliyyah (de voor-islamitische periode) het geval was, is het verboden om ze overdreven hoog of opzichtig te maken.

Ik zie dat, wanneer mensen die in paleizen leefden sterven,Men bouwt boven hun graven gebouwen als bergen.Hun enige drijfveer is zich te verheffen boven de armen,Zelfs al zijn zij in hun graven.Bij Allāh, als je de grond boven hen zou weghalen,Zou je geen rijken vinden, behalve de armen.O jij daar! Waar is al dat bezit dat je hebt verzameld?Je had het toch bewaard voor moeilijke en zware dagen?Waar is het nu? De dood kwam nooit in je gedachten op.Je vreesde altijd de armoede,Maar er is geen dag armer en zwaarder dan deze.Nu begin je aan een lange reis.Je familie, verwanten en vrienden zijn niet bij je.Nu pas ben je werkelijk hulpbehoevend.Waar is je trots gebleven?Waar is je comfort gebleven?Je zei toch dat je niemand nodig had?Maar nu ben je helemaal alleen.Nu zijn je angsten en zorgen toegenomen.Lege en holle woorden baten je nu niets meer.Alleen je ware tegoeden zullen je redden ende goede daden die je hebt verricht omwille van Allāh.O jij die veronachtzaam bent! Hoe lang zul je deze waarheden nog blijven negeren? Denk je dat deze zaken eenvoudig en onbeduidend zijn? Denk je werkelijk dat de dood en wat daarna volgt zomaar voorbijgaan?Nu leef je in comfort, maar deze toestand zal niet blijven voortduren. Op die Dag zal berouw geen nut meer hebben. Ook zullen deze mooie dagen dan geen enkele waarde meer hebben. Er zal een dag komen waarop je voeten zullen beven en je knieën zullen bezwijken. Toch zul je dan naar het plein van de Maḥshar worden gebracht.O mens die slaapt in onachtzaamheid! Denk je dat je zomaar aan jezelf wordt overgelaten? Denk je dat je niet ter verantwoording zult worden geroepen?

Voor de bewoners van de graven baten slechts hun goede daden en de barmhartigheid van Allāh; niets anders en niemand anders kan iemand baten. Alleen voor hen die zich aan Allāh overgeven, proberen het slechte te vermijden en zich inspannen om het goede te verrichten, wordt de zaak gemakkelijk. Want: وَأَن لَّيۡسَ لِلۡإِنسَٰنِ إِلَّا مَا سَعَىٰ ٣٩ En dat de mens slechts krijgt waarnaar hij gestreefd heeft?وَأَنَّ سَعۡيَهُۥ سَوۡفَ يُرَىٰ ٤٠ En dat hij (het resultaat van) zijn streven zal zien? (Najm, 53:39–40)

Onze Nabī (صلى الله عليه وسلم) bleef eens bij een graf staan en zei: “O mijn broeders! Zo is de toestand van ons allemaal. Dit is ons einde. Verricht daarom veel adʿiya. وَتَزَوَّدُواْ فَإِنَّ خَيۡرَ ٱلزَّادِ ٱلتَّقۡوَىٰۖ وَٱتَّقُونِ يَٰٓأُوْلِي ٱلۡأَلۡبَٰبِ ١٩٧… En neem proviand mee voor de reis; de beste proviand is godvrezende vroomheid. Vrees Mij dus, o mensen met (gezond) verstand! (Baqarah, 2:197)

Muḥammad, afkomstig uit de stam van Quraysh, vertelt: “Onze leraar gaf ons de volgende vermaning: ‘O mensen! Ik ben jullie broeder en ik wens jullie al het goede. Sta op in de duisternis van de nacht en tref voorbereidingen voor de duisternis van het graf. Vast nu, tijdens hete en dorstige dagen, ter voorbereiding op de hitte van de Maḥshar. Verzamel jullie vóórdat Allāh jullie zal verzamelen, en ga op reis (dat wil zeggen: verricht de Ḥaj). En geef veel ṣadaqah, als jullie willen dat het jullie op moeilijke dagen ten goede komt.”

Yazīd ar-Ruqāshī zei: “O bewoners van de graven! O jullie die alleen in jullie graven liggen!

O jullie die op de droge grond rusten! Is er iemand die weet in welke toestand jullie verkeren? Waren jullie daden goed of slecht? Zijn jullie goede daden aanvaard of niet? Ik weet het niet. Ik smeek Allāh dat jullie daden goed zijn en dat jullie goede werken zijn aanvaard. En inshā’ Allāh zijn ook jullie slechte daden vergeven.” Yazīd ar-Ruqāshī vervolgt: “Het graf spreekt tot degene die erin ligt. Ja, als de daden van de overledene slecht zijn, dan schreeuwt het graf elke dag tegen hem als een brullende stier.”

2.2: Het kiezen van een plaats voor het graf

Abū Dāwūd at-Tayālisī overlevert: Suwār ibn Maymūn Abū al-Jarrāḥ al-ʿAbdī vertelde mij; hij had het op zijn beurt gehoord van iemand uit de familie van ʿUmar (رضي الله عنه). ʿUmar zei: “Ik heb Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) het volgende horen zeggen:‘Wie mij bezoekt’, (en in een andere overlevering: ‘Wie mijn graf bezoekt), voor diegene zal ik een voorspraak doen en op Yawmu’l Qiyāmah zal ik voor hem getuigen. En wie sterft in één van de twee Ḥaramayn (dat wil zeggen: Makkah of Madīnah), die zal Allāhu Taʿālā op Yawmu’l Qiyāmah meervoudig beschermen.” (at-Tayālisī, 65; al-al-Bayhaqī, as-Sunan al-Kubrā, 5/245) ad-Dāraquṭnī overlevert via al-Khaṭīb dat Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd:“Wie mijn graf bezoekt nadat ik ben overleden, het is alsof hij mij tijdens mijn leven heeft bezocht. En wie sterft in één van de twee Ḥaramayn (Makkah of Madīnah), zal op Yawmu’l Qiyāmah in veiligheid worden opgewekt.” (ad-ad-Dāraquṭnī, Sunan, 2/278; al-al-Bayhaqī, Shuʿab al-Īmān, 4151)Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما): Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie de mogelijkheid heeft om in Madīnah te sterven, laat hem daar sterven. Want ik zal voorspraak doen voor degene die in Madīnah sterft.” (at-Tirmiḏī , 3817; Ibn Mājah, 3112; Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/74 en 104). Abū Muḥammad ʿAbdulḥaq heeft verklaard dat deze overlevering authentiek (ṣaḥīḥ) is.In Muwaṭṭaʾ staat vermeld dat ʿUmar (رضي الله عنه) de volgende du`ā’ (du`ā’) verrichtte: “O mijn Rab! Schenk mij het martelaarschap omwille van U, en neem mijn rûḥ in de stad van Rasūlullāh (Madīnah).”

Saʿd ibn Abī Waqqāṣ en Saʿīd ibn Zayd (رضي الله عنهما) zijn overleden in al-ʿAqīq, maar hun lichamen werden overgebracht en begraven op de begraafplaats al-Baqīʿ in Madīnah.

De reden hiervoor was dat al-Baqīʿ als waardevoller en voortreffelijker werd beschouwd, omdat daar vooraanstaande sahābi en shuhadā’ begraven lagen.Enkele mensen uit Egypte kwamen naar Kaʿb al-Akhbār (رضي الله عنه) en vroegen hem naar de reden hiervan. Kaʿb antwoordde: “Ik heb hier zelf ook een handvol aarde meegenomen (uit begraafplaats al-Baqīʿ) en ik heb in mijn testament vastgelegd dat men die in mijn graf moet uitstrooien als ik elders sterf. Tussen Yaḥmūm en Kusayr is er geen grond heiliger dan deze.”

Onze geleerden zeggen het volgende: De grond waarin iemand begraven wordt, brengt hem op zichzelf geen voordeel en verleent hem geen waarde, noch maakt zij hem heilig of eervol. Wat een mens redt, zijn zijn rechtschapen daden en zijn berouw (tawbah). De bovengenoemde aḥādīth zijn bedoeld voor mensen die goede daden verrichten. Voor degenen met oprechte werken en berouw kan hun rang door zulke zaken worden verhoogd. Maar iemand die geen berouw heeft getoond en geen goede daden heeft verricht, wordt niet gered door begraven te zijn in heilige grond. Dergelijke blijde tijdingen vormen in wezen een extra gunst en genade voor dienaren die in het Paradijs al een rang hebben.Imām Mālik overlevert via Hishām ibn ʿUrwah en ʿUrwah had het van zijn vader gehoord. Zijn vader zei: “Ik had een sterk verlangen om begraven te worden op de begraafplaats al-Baqīʿ, omdat ik vreesde op andere begraafplaatsen naast een slecht mens te liggen of daar geen buurman te zijn van een rechtschapen persoon.Hieruit leiden wij af dat de aanbeveling om te sterven en begraven te worden op gezegende plaatsen voortkomt uit het feit dat zich daar de graven van rechtschapen mensen bevinden. Op die manier heeft iemand in het graf goede en rechtschapen buren. Wanneer een dergelijke mogelijkheid ontbreekt, is het het beste dat men wordt begraven op de begraafplaats waar zijn vrienden, naasten en familieleden rusten.”

Er is een overlevering over Mūsā (عليه السلام) waarin staat dat hij de Malaku’l-Mawt (عليه السلام) wegstuurde en hem een klap gaf waardoor diens oog uitviel. Sommigen vinden dit onmogelijk.

Op deze bezwaren kunnen wij als volgt reageren:

Het eerste bezwaar: Het oog van de Malaku’l Mawt was geen werkelijk oog, maar een denkbeeldig (figuurlijk) oog. (Er kan dus geen sprake zijn van het daadwerkelijk uitvallen van een oog). Deze opvatting is ongegrond. Want een dergelijke redenering zou ook betekenen dat anbiyā’ engelen niet werkelijk kunnen zien. Terwijl anbiyā’ de engelen wel degelijk hebben gezien, hetzij in hun ware gedaante, hetzij in andere gedaanten. Als men zou zeggen dat het oog van de Malaku’l Mawt niet werkelijk was, dan zou men ook moeten beweren dat anbiyā’ engelen niet werkelijk maar slechts denkbeeldig zagen. Deze ongeldige opvatting wordt toegeschreven aan de Sālimiyyah-sekte.

Een tweede bezwaar: Het oog moet hier figuurlijk worden opgevat; Mūsā (عليه السلام) zou de Malaku’l Mawt in geestelijke zin hebben overwonnen in een discussie. Het “uitvallen van het oog” zou hierop duiden.Ook deze visie is niets meer dan een interpretatie zonder grondslag.

Een derde zienswijze is dat Mūsā (عليه السلام) de Malaku’l-Mawt aanvankelijk niet herkende en hem voor een onbekende man aanzag, waarna hij uit zelfverdediging handelde. Deze verklaring is redelijk aannemelijk, aangezien de Malaku’l-Mawt na het incident terugkeerde naar Allāh en zei: ‘O mijn Rab, U hebt mij gestuurd naar iemand die helemaal niet bereid is te sterven. Volgens Abū Bakr Ibn Khuzaymah kan deze uitspraak erop wijzen dat Mūsā (عليه السلام) de Malaku’l Mawt niet herkende, en dat de Malaku’l Mawt Mūsā evenmin herkende.

Een vierde mening luidt dat Mūsā (عليه السلام) een man was met een snel temperament en dat hij daarom boos werd op de Malaku’l Mawt en hem sloeg.(Abū Bakr) Ibn al-ʿArabī (de schrijver van dit boek) verwerpt deze visie in zijn werk al-Aḥkāmu’l Qur’ān…. Want anbiyā’ zijn maʿṣūm (onfeilbaar en door Allāh beschermd). Het is daarom ondenkbaar dat anbiyā’ hun woede niet zouden kunnen beheersen of willekeurig zouden handelen.

Ibn Mahdī (رحمه الله ) zegt het volgende: “Voor zover wij uit deze gebeurtenis kunnen opmaken, is de Malaku’l Mawt niet in zijn eigen gedaante gekomen, maar in een andere gedaante. Mūsā (عليه السلام) heeft hem daarom geslagen. Daarop is de engel voor Allāh verschenen en heeft Allāh zijn oog weer hersteld. Ook deze laatste gebeurtenis vormt een bewijs dat de engel in een andere gedaante was gekomen.

De meest correcte opvatting is de volgende: Wanneer Allāhu Taʿālā de arwāh van anbiyā’ tot Zich neemt, stelt Hij hen daarvan vooraf op de hoogte. Wanneer de Malaku’l Mawt de rûḥ van een nabī komt nemen, komt hij en vraagt hij eerst toestemming. Imām al-Bukhārī en andere geleerden hebben overleveringen opgenomen die deze visie ondersteunen.Echter, zoals blijkt uit het geval van Mūsā (عليه السلام), kwam de Malaku’l Mawt in een onherkenbare gedaante en vroeg hij an-Nabī geen toestemming. Daarom heeft Allāhu Taʿālā Mūsā (عليه السلام) toegestaan de Malaku’l Mawt te slaan en diens oog eruit te slaan. Op deze manier zou de Malaku’l Mawt lering trekken uit deze gebeurtenis.

Als bewijs hiervoor kunnen wij het voorval aan het einde van dit verhaal aanhalen. Nadat Mūsā (عليه السلام) de Malaku’l Mawt had geslagen en diens oog had uitgeslagen, begaf de engel zich tot Allāh en diende hij een klacht in. Daarop beval Allāh de Malaku’l Mawt om naar Mūsā (عليه السلام) terug te gaan en hem te vragen of hij Allāh wilde ontmoeten of niet. Toen de Malaku’l Mawt dit aanbod aan Mūsā (عليه السلام) overbracht, koos Mūsā (عليه السلام) voor de dood en gaf hij zich over. Allāh weet het het best.

Dit is de visie van (Abū Bakr) Ibn al-ʿArabī (de schrijver).Abū ʿAbdullāh Ḥākim at-Tirmiḏī zegt in zijn werk Nawādir al-`Uṣūl het volgende:Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Tot aan de tijd van Mūsā (عليه السلام) verscheen de Malaku’l Mawt openlijk aan de mensen.” De ḥadīth eindigt met de woorden: “Maar na deze gebeurtenis met Mūsā (عليه السلام) is hij de mensen in het verborgene gaan benaderen.”

2.3: Begraven van de overledene op een plaats waar goede / rechtschapen mensen zijn begraven

Abū Saʿīd al-Mālinī vermeldt in zijn werk al-Muʿtalaf wa’l-Mukhtalaf … Van ʿAbdullāh van Muḥammad b. Ḥanīfah: ʿAlī (رضي الله عنه) zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft ons bevolen onze overledenen te begraven tussen de rechtschapen (sālihûn) mensen. Want zoals wij ons in het leven storen aan slechte mensen, zo storen ook de overledenen in het graf aan slechte buren.”Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer iemand van jullie familie, verwanten of bekenden overlijdt, wikkel hem dan goed in een lijkwade (kafan). Voer zijn testament onmiddellijk uit. Graaf zijn graf iets dieper en kies een begraafplaats waar goede/rechtschapen mensen zijn begraven.”Daarop vroegen de aanwezigen: “O Rasûlullāh! Heeft een goede buur in het graf enige invloed op de overledene?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Heeft een goede buur op aarde dan geen nut?”De aanwezigen bevestigden: “Ja, (natuurlijk heeft hij dat).”Waarop Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Zo is het ook in het Hiernamaals.” Deze overlevering is ook opgenomen door al-Zamakhsharī in zijn boek Rabīʿu’l-Abrār.Abū Nuʿaym overlevert deze ḥadīth ook van Imām Mālik … van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Begraven jullie jullie overledenen onder goede mensen. Want overledenen lijden door slechte buren.” (Abû Nuaym, Hilyat al-Awliya; Zemahshari, Rabīʿu’l- Abrār; Imām Mālik, al-Muwaṭṭaʾ)

Verklaring

Volgens onze geleerden is het aanbevolen (mustahab) om overledenen te begraven op begraafplaatsen waar rechtschapen mensen liggen. Het is tevens prijzenswaardig dat goede mensen aanwezig zijn bij de begrafenis. Wanneer de overledene in een graf ligt tussen de graven van rechtschapen mensen, wordt hij goed behandeld omwille van het respect voor deze personen en wordt hij een ‘buur’ van deze mensen in het graf. Daarentegen zal het begraven naast slechte mensen de overledene in het leven van het graf ongemak bezorgen; daarom zal het begraven worden tussen goede mensen ook een middel zijn om daartegen beschermd te worden.Er wordt verteld dat er eens een vrouw in Córdoba werd begraven.

Allāh, Taʿālā, wekte deze vrouw echter weer tot leven en zij bezocht haar familie op een nacht. De vrouw klaagde tegen haar familie: “Hebben jullie geen betere plaats kunnen vinden om mij erin te begraven?” Toen het ochtend werd, ging de familie onmiddellijk kijken naar de begraafplaats. Ze ontdekten dat de plaats niet slecht of modderig was, zoals de vrouw had beweerd. Vervolgens vroegen ze wie er op die plek begraven lag en ontdekten dat een van de beulen van Ibn ʿAmīr daar was begraven. Ze namen onmiddellijk het graf van de vrouw weg en verplaatsten haar naar een andere plaats. Deze overlevering is overgeleverd door Abū Muḥammad ʿAbdulhaq.Een bedoeïen vroeg (waarschijnlijk in een droom) aan zijn overleden zoon: “Hoe heeft Allāh jou behandeld?” De zoon antwoordde: “Behalve op de plek waar jullie mij hebben begraven, heb ik geen ongemak ervaren. Maar jullie hebben mij naast een zondaar begraven. De bestraffing die hij ervaart, verontrust mij ook.”

2.4: Het wederzijdse elkaar bezoeken van de overledenen in het graf en het is aanbevelen om de overledene mooi in te wikkelen

Van Jābir ibn ʿAbdullāh (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wikkel jullie overledenen goed in, want zij bezoeken elkaar en feliciteren elkaar.”… Van Jābir (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer één van jullie zijn broeder inwikkelt, laat hij, als hij daartoe in staat is, de lijkwade (kafan) mooi en zorgvuldig verzorgen. (Nasāʾī 4/33; at-Tirmiḏī 990; Abū Dāwūd 3132)`Abdullāh ibn Mubārak zei: “Het is mij meer aangenamer als iemand wordt ingewikkeld in de kleding waarmee hij zijn ṣalāh verrichtte.”

2.5: Dagelijks het leven in het graf bespreken/overdenken en praten bij het graf met de overledene wanneer hij in het graf wordt neergelegd

Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was eens aanwezig bij een begrafenis en zag dat de mensen daar met elkaar in gesprek waren. Daarop zei hij: “Als jullie (de dood) die jullie plezier bederft niet uit jullie gedachten hadden gezet, zouden jullie je niet met zulke nutteloze dingen bezighouden.”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vervolgde: "Houd voortdurend (de dood) in gedachten, want iedereen zal ooit in een graf komen, en het graf zal tot hem zeggen: 'Ik ben de plaats van ballingschap en scheiding. Ik ben het land van eenzaamheid. Ik ben een huis van aarde. Ik ben de plek waar de wormen hun verblijf hebben gemaakt.”Als de overledene een mu’min is, zegt het graf: “Welkom. Ik voel mij vereerd je op mijn rug te dragen”. Daarna wordt het graf zo ruim als je ogen reiken, en opent zich een poort waardoor men het Paradijs in het graf kan zien.Wanneer een zondaar of kâfir wordt begraven, zegt het graf tot hem: “Je bent hier totaal ongewenst. Ik ben niet blij je te huisvesten. Nu zul je zien wat ik je zal aandoen.” Het graf vernauwt zich zo dat de botten van de overledene tegen elkaar gedrukt worden. Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) vervolgt. Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het graf van een kâfir beschreef, door zijn vingers te kruisen en zei vervolgens: “Daarna worden er negen of negenennegentig draakachtige wezens/slangen naar zijn graf gestuurd. Zelfs als één van deze slangen op aarde zou losbarsten, zou niets meer kunnen groeien. Deze slangen beginnen de overledene vervolgens aan te blazen, en dit blijft doorgaan tot Yawmu’l Qiyāmah. Zo zullen zij hem uiteindelijk naar het Mahshar-plein leiden.”In een andere ḥadīth zegt Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): "Het graf is óf een tuin van het Paradijs, óf een kuil van de Hel." (at-Tirmiḏī, 2460)… Van ʿAbdullāh ibn ʿUbayd ibn ʿUmayr (رضي الله عنه): Allāh schenkt het graf en de aarde een tong en het vermogen om te spreken, zodat zij met de overledene kunnen spreken. Het graf zegt tegen de overledene: “O kind van Ādam! Hoe kun jij mij vergeten? Ik ben het vaderland van de wormen/maden. Ik ben het rijk van de eenzamen.

Ik ben de plaats van de angst.”…Van ʿAbdullāh ibn ʿUbayd ibn ʿUmayr: Het graf zal huilend tegen de overledene zeggen:" Ik ben de plaats van angst. Ik ben het rijk van de eenzamen. Ik ben het vaderland van de wormen/maden."Ibn ʿAbdilbar, ook bekend als Abū ʿUmar, vertelt: ʿAbdullāh ibn Ḥāris kwam in Jerusalem (Quds), en ʿAbdullāh ibn ʿUbayd ibn ʿUmayr was daar. `Abdullah ibn `Amr ibn ʿAas (رضي الله عنهما) ging bij hen zitten. ʿAbdullāh gaf hen raad: "Wanneer iemand in het graf wordt neergelegd, spreekt het graf tot hem: ‘O zoon van Ādam! Hoe kon jij mij vergeten? Weet je dan niet dat ik het land van angst ben? Ben je vergeten dat ik de duisternis ben? Hoe kun je niet weten dat ik elke waarheid aan het licht zal brengen en dat jij de werkelijkheid bij mij zult zien? Terwijl je toch zo vaak langs mij bent gekomen en zo vaak om mij heen hebt rondgelopen.Van Abū Muḥammad ʿAbdulḥaq via Abū’l-Ḥajjāj al-Shimālī: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer iemand in het graf wordt neergezet, zegt het graf tegen hem: 'Wee jou, kind van Ādam! Hoe kon je mij vergeten? Wisten ze je niet te vertellen dat ik het land van zorgen en duisternis ben? Weet je niet dat ik het vaderland van de wormen/maden ben? Hoe kon je vergeten dat je uiteindelijk bij mij zou komen?” Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vervolgde: “Indien de overledene een rechtschapen man is, antwoordt hij: ‘Weet je niet dat ik goedheid betracht en het kwade bestrijd?” Daarop spreekt het graf tot hem: “Ik zal je lichaam met licht vervullen en je graf met groenigheid sieren. Vervolgens zal je rûḥ worden verheven naar Allāh”. Ḥākim Abū Aḥmad vermeldt deze ḥadīth in zijn werk al-Kunā.

(Tabarani, Muajmul Kabir, 22/377)Sufyān al-Thawri zei: “Wie vaak aan het graf denkt/herinnert, zal het als een tuin uit de Paradijstuin vinden. Wie er achteloos tegenover staat, zal het als een kuil uit de Hel aantreffen.”Ahmad ibn Ḥarb vertelt: “De grond zal zich verwonderen wanneer de mens erin wordt geplaatst en zeggen: "O zoon van Ādam! Vind je het niet merkwaardig? Is het ooit in je opgekomen dat je hier helemaal naakt zou achterblijven? Terwijl je altijd over mij heen liep.”Aan veel ascetische en vrome mensen werd gevraagd: “Wat is de mooiste preek of raad?” Deze personen antwoordden: “De mooiste waarschuwing is rond te lopen in het land van de doden.”Ḥasan al-Basrī zei: “Ik nam deel aan een begrafenis. Na het verrichten van de ṣalāh al-janāzah werd de overledene naar het graf gebracht”. Een vrouw riep: “O jullie die in de graven liggen! Als jullie wisten wie hier bij jullie begraven is, hoe ongemakkelijk zouden jullie je dan hebben gevoeld, en wat zouden jullie met deze overledene hebben willen doen?”Op dat moment hoorde Ḥasan al-Basrī een stem uit de grond: “Ja. Bij Allāh, er werd iemand in het graf neergelegd wiens zonden de aarde voor ons allen samendrukte.”Ook de anderen die bij de begrafenis aanwezig waren, hoorden dit geluid en werden door angst overmand. Haşan el-Basrî raakte op dat moment flauw en viel op de grond."

2.6: Zelfs een rechtschapen persoon zal door het graf beklemd worden

Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Hij (Saʿd ibn Muʿādh ) is degene aan wie de `Arsh van Allāh de salām heeft gegeven en aan wie de poort van de hemelen is geopend. Zeventigduizend engelen hebben deelgenomen aan zijn begrafenis, en toch beklemde (het graf) hem, maar daarna werd hij verlost." (an-Nasā’ī, 4/100) Abū ʿAbdurraḥmān an-Nasā’ī zegt: “De persoon waarover hier wordt gesproken, is Saʿd ibn Muʿādh (رضي الله عنه).Shuʿbah ibn Ḥajjāj overlevert van de moeder van de mu’mins, ʿĀ’ishah (رضي الله عنها), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: "Het graf beklemt iedereen. Als iemand eraan ontsnapt zou zijn, dan was het wel Saʿd ibn Muʿādh (رضي الله عنه) geweest.”(Ahmad ibn Ḥanbal, 1695) Van Hannād ibn Sariyyie… via Ibn Abī Malikah: "Het graf beklemt iedereen. Zelfs Saʿd ibn Muʿādh (رضي الله عنه), die tot de meest rechtschapen mensen op aarde behoorde en een van de vooraanstaande (metgezellen) van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was."Van Hannād … van Nafi‘: Saʿd ibn Muʿādh's (رضي الله عنه) begrafenis werd bijgewoond door zeventigduizend engelen. Voorheen was er nooit zo’n groot aantal engelen op aarde neergedaald voor iemand. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Jouw vriend (Saʿd) werd in het graf één keer beklemd.” (Ibn Saʿd, Tabaqāt, 3/288)`Ali b. Ma‘bad vermeldt in zijn boek “at-Ta`atu wa’l-Ma’siyah” de volgende overlevering van Nafi‘: Abdullah Ibn `Umar (رضي الله عنهما), was samen met Safiyah, de dochter van Abû `Ubayd en vrouw van `Abdullah (رضي الله عنهما). Ze was in een toestand van angst. Toen wij vroegen wat er aan de hand was, zei hij: “Ik kom net van de vrouwen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Ze hebben mij het volgende overgeleverd: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als iemand van de kwelling van het graf verlost zou worden, zou Sa`d ibn Muadz verlost worden.

Toch is hij daar één keer beklemd.” (Tahāwī, Mushkil al-Āthār, 1/107)Van `Abdullah Ibn `Umar (رضي الله عنهما): Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn dochter Zaynab bezocht, ging hij bij haar graf zitten. Plotseling veranderde zijn gezicht. Daarna herstelde hij zich. Toen de aanwezigen hem vroegen wat er gebeurd was, antwoordde hij: “Ik herinnerde mij hoe zwak mijn dochter was en dacht aan het mogelijke lijden in het graf. Ik smeekte Allāh, en Hij heeft haar verlost, Omdat ik (innerlijk) voelde dat het graf haar benauwde.” Ibrāhīm al-Ganawi vertelt dat hij het volgende van een man heeft gehoord: ʿĀʾishah (رضي الله عنها) huilde bij de begrafenis van een klein kind. Toen haar werd gevraagd waarom zij huilde, zei ze: “Ik huilde uit medelijden met dit kind. Het graf zal hem ook beklemmen.” Wij zeggen dat deze overlevering als mawquf (uitspraak van een metgezel ) bij ʿĀʾishah (رضي الله عنها) is overgeleverd. Maar aangezien ʿĀʾishah (رضي الله عنها) dit niet uit eigen inzicht zou hebben uitgesproken, (berust het op een verklaring van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).ʿUmar b. Shabah vermeldt in zijn boek Kitābu’l-Madīnah hoe hij het overlijden van Fāṭimah binti Asad (رضي الله عنها), de moeder van ʿAlī (رضي الله عنه). Het wordt als volgt vanuit den monde van Hz. Ali verteld: “We waren samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) toen iemand kwam en zei: “OʿAlī, de moeder van Jāʿfar en ʿUkayl is overleden.”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beval: “Breng mij naar mijn moeder.”We gingen op weg en waren allemaal stil, niemand sprak.

Toen we bij de deur aankwamen, scheurde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een stuk van zijn hemd en zei: “Leg dit onder haar lijkwade (kafan).”Daarna werd het lichaam uit het huis gedragen. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was met ons, soms bleef hij achter, soms ging hij vooruit. Toen we bij het graf aankwamen, pakte hij de tābût (houten draagkist) vast en zei: “Plaats haar in het graf in de naam van Allāh: Bismillah.” Na de begrafenis verrichte hij de du`ā’: “Moge Allāh deze goede moeder en goede echtgenote met het beste belonen.”Toen we hem na de begrafenis vroegen waarom hij dit had gedaan, antwoordde hij: “Ik deed dit zodat het vuur haar niet zou bereiken en, met Allahs toestemming, haar graf zou verruimen. Behalve voor Fāṭimah binti Asad, zal het graf iedereen samenknijpen.”Daarop vroegen we: “Ook uw zoon Qāsim, o Rasûlullāh?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Zelfs Ibrāhīm zal niet eraan ontsnappen.” Ibrāhīm was de jongste zoon van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).Van Anas (رضي الله عنه): Toen de moeder van ʿAlī (رضي الله عنه), Fāṭimah binti Asad (رضي الله عنها), was overleden, kwam Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar haar huis, ging bij haar hoofd zitten en zei: "Moge Allāh je genadig zijn, o mijn moeder! Jij was mijn tweede moeder. Je zelf leed honger, maar je zorgde dat wij te eten hadden. Je kleedde ons, terwijl je voor jezelf geen kleding aanschafte. De mooiste dingen hield je voor ons achter en onthield je jezelf ervan. Al deze daden deed je alleen voor de tevredenheid van Allāh."Daarna beval Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dat zij driemaal gewassen zou worden.

Het resterende met kafur vermengde water goot hij over zijn hand en vroeg dat het op haar zou worden aangebracht, terwijl hij zijn eigen hemd uittrok als kafan.Vervolgens riep Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) Usāmah b. Zayd, Abū Ayyūb al-Ansārī, ʿUmar b. al-Khattāb en een donkere slaaf (رضي الله عنهم) om het graf te graven. De grafkelder (lahd) maakte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zelf.Toen de grond volledig was verwijderd, ging Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het graf in, ging liggen en sprak: “Alle lof zij Allāh, Degene die het leven en de dood schenkt. Allāh is de eigenaar van het leven en zal nooit sterven. O mijn Rab! Vergeef mijn moeder, Fāṭimah binti Asad, maak het beantwoorden van de vragen in het graf voor haar gemakkelijk. Verruim haar graf ter ere van alle eerdere anbiyā’. U bent de Meest Barmhartige.”Daarna zegde hij vier takbīr op en samen met ʿAbbās en Abū Bakr (رضي الله عنهما) hebben zij het lichaam in het graf neergelegd. (Taberani, Mujamul Kabir, 24/351)

2.7: De overledene zal de straf ondergaan vanwege weeklagend gejammer van zijn familie

Van Anas b. Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer een persoon in het graf wordt geplaatst en zijn familie weeklagend jammert en zegt: ‘Ach, onze heer, ach onze dierbare!’ dan vraagt een engel: ‘Hoor je wat je familie zegt? Ben jij werkelijk een heer? Ben je werkelijk geëerd?’ Daarop betreurt de overledene het en zegt: “Hadden ze maar gezwegen en niets gezegd.”Daarop drukt het graf de overledene samen totdat de botten nauw tegen elkaar komen.”

Uitleg:Onze grote geleerden (رَحِمَهُمُ ٱللّٰهُ) verklaren dat een overledene lijdt door het luid gehuil en weeklagend gejammer van de levenden achter hem. Dit geldt vooral wanneer de overledene heeft opgedragen om na zijn dood weeklagend te huilen (met klaagzang bezingend) (of wanneer hij zelf tijdens zijn leven zo huilde bij het overlijden van anderen). Ook al heeft de persoon geen testament gemaakt, de opstanden/rebellie van de rouwenden achter hem, brengt de overledene schade toe. Als bewijs verwijzen ze naar de overlevering van Anas (رضي الله عنه) van hierboven.Van Qaylah binti Muḥrimah (رضي الله عنها): Terwijl zij bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was, sprak zij over een eerder overleden persoon en begon te weeklagen. Daarop gaf Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), na een lange vermaning, aan het einde van zijn woorden het volgende advies: “O dienaren van Allāh! (Laat het weeklagen met klaagzangen) Wees niet de oorzaak dat jullie overledenen straf ondervinden.” Deze overlevering is terug te vinden bij Ibn Abī Ḥayshama. Ook Abū Baṭar b. Shaybah en anderen vermelden dezelfde overlevering.Kortom, dit is een authentieke (ṣaḥīḥ) overlevering. Zoals wij uit de hadīth begrijpen, ligt er geen zonde bij het overleden kindje wanneer zijn moeder om hem rouwt. “Want het overleden kindje behoorde tot degenen die tot de familiekring van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gerekend werd.” In de tijd van de jahiliyyah liet een overledene vaak aan degenen die achterbleven opdragen om voor hem te weeklagen (met klaagzang bezingend).

Hier is echter geen sprake van zo’n dergelijke situatie.Abū ʿAmīr Ibn ʿAbdulber vermeldt in zijn werk Îstîʿāb een ḥadīth van Abū Mūsā al-Ashʿarī (رضي الله عنه) waarin Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Overledenen lijden door het weeklagen van de levenden over hen. Wanneer iemand weeklaagt en zegt: ‘Ach mijn heer, ach mijn edele, ach mijn oogappel’, dan grijpt een engel de overledene bij de kraag en vraagt: ‘Ben jij degene die voedt, kleedt en verzorgt? Ben jij werkelijk een heer?” (Muslim 6/230; Al-Bukharī 3/150; at-Tirmiḏī 1006; Aḥmad ibn Ḥanbal 1/47).…Van Numān b. Bashīr, hij zei: `Abdullāh b. Rawāḥa (رضي الله عنه) was in coma toen zijn zus ʿAmrah begon te weeklagen en zei: “Ach mijn oogappel!” terwijl ze tal van dingen bleef zeggen en jammeren. Toen `Abdullah bij bewustzijn kwam, zei hij tegen zijn zus: "Was jij degene die boven mij huilde? Alles wat je in die toestaat zei, werd mij verteld terwijl ik bewusteloos was.” Daarom huilde zijn zus niet toen `Abdullāh overleed.Van ʿImrān b. Ḥusayn (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh zal de overledene bestraffen vanwege het weeklagen (met klaagzang) van zijn familie achter hem." (al-Bukharī, 3/150; Muslim, 6/228; at-Tirmiḏī , 1004; Aḥmad ibn Ḥanbal, 1/41)Iemand vroeg aan ʿImrān: "Maar wat als iemand in Khurāsān sterft en wij hier weeklagen?" Hij antwoordde: "Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft de waarheid gesproken.

Jij spreekt daarentegen onwaarheden en lege woorden."Ik (Qurtubī de schrijver van dit boek) merkt op dat de bestraffing van de overledene niet alleen door het weeklagen (met klaagzang) komt. Het moet in samenhang met andere overleveringen worden genomen. Het kan te maken hebben met opstandigheid, het tonen van opzichtig verdriet, of het bevelen van weeklagen na de dood van de overledene. Huilen uit oprechte genegenheid en verdriet, zonder zich over te geven aan uiterlijke vertoon of overdrijven, veroorzaakt geen straf. Allāh weet het het beste.Ḥāsan al-Baṣrī zegt: “Voor een overledene zijn de slechtste mensen op aarde degenen die achter hem luid huilen (met klaagzang).”

2.8: Dingen die een overledene beschermen tegen het samendrukken van het graf en de bestraffing daarin

Van Abū’l-ʿAlā Yazīd b. ʿAbdullāh b. al-Bashīr via zijn vader (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degene die op zijn sterfbed ’Kul Huwa Allāhu Aḥad’ (surah al-Ikhlāṣ) reciteert, is beschermd tegen het samendrukken van het graf en van de slechte gebeurtenissen die hem in het graf kunnen overkomen. De engelen brengen deze overledene met hun handen naar het verzamelingsplein (Mahshar) op Yawmu’l Qiyāmah en helpen hem bij het oversteken van de Sīrāt.” (Abū Nuaym, Hilya, 2/213)

2.9: Wat te zeggen bij het plaatsen van de overledene in het graf en bij het maken van het lahd (grafkelder)

De lahd (grafkelder) is een kuil die aan de zijkant van het graf wordt gemaakt zodat de overledene op zijn zijde kan liggen. Als de grond geschikt is, is het maken van een lahd sunnah. Als de grond dit niet toestaat, kan de lahd op andere manieren worden gemaakt. Allāhu Taʿālā heeft dit zo bedoeld voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zijn ummah.…Van Abdullāh b. ʿAbbās (رضي الله عنهما): Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overleed, werden er boodschappers gestuurd naar Abū `Ubaydah en Abū Ṭalḥa. Abū `Ubaydah maakte graven volgens de gebruikelijke Makkaanse wijze; terwijl Abū Ṭalḥa graven voor de mensen van Madīnah maakte en wist hoe hij een lahd moest maken. De boodschappers werden naar beiden gestuurd maar ze bereikten Abū `Ubaydah niet. Abū Ṭalḥa werd gehaald en maakte de lahd voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). (Ibn Mājah, 1628)… Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een graf uitgraven als een kuil is het gebruik van anderen; ons gebruik is de lahd.” (Abū Dāwūd, 3192.; İbn Mājah, 1554.; at-Tirmiḏī , 1045) Volgens Abū Dāwūd is deze ḥadīth ḥasan maar gharīb.Imām at-Tirmiḏī vermeldt in Navādīru’l-`Usūl een overlevering van Saʿd b. Musayyah (رضي الله عنه): Ik kwam `Abdullāh b. ʿUmar tegen bij een begrafenis. Toen het lichaam in het graf werd geplaatst, verrichtte `Abdullāh de du`ā’:“Bismillāh. Moge het op de weg van Allāh zijn.”Toen het lahd werd gesloten, verrichtte hij de du`ā’:“O mijn Rab! Bescherm (deze dienaar) tegen de shayṭān en de bestraffing van het graf.”En toen het graf volledig gesloten was, verrichtte hij de du`ā’:“O Allāh! Maak het graf van (Uw dienaar) ruim. Verhef zijn rûḥ naar U en schenk hem Uw welbehagen.”Daarop werd aan hem gevraagd: “Heb je dit van Allāh’s Nabī geleerd, of is het je eigen du`ā’?”Hij antwoordde: “Als het van mijzelf was geweest, had ik het nog verder uitgebreid.

Ik heb dit alles van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) geleerd.” (Ibn Mājah, 1550)at-Tirmiḏī vervolgt en zegt: .. Van ʿAmr b. Murrah zei: “`Amr en zijn metgezellen beschouwden het als aanbevolen (mustahab) om, wanneer het graf van de overledene werd gesloten, de volgende du`ā’ te verrichten:”O Allāh! Bescherm (Uw dienaar) tegen de vervloekte shayṭān.”Sufyān ath-Thawrī vertelt: "Wanneer aan de overledene wordt gevraagd: ‘Wie is jouw Rab?’, verschijnt de shayṭān. Hij neemt verschillende gedaanten aan en wijst naar zichzelf en zegt: ‘Ik ben jouw rab.’at-Tirmiḏī zegt hierover: “Dit is een zeer grote beproeving (moge Allāh ons allen hiertegen beschermen).”Daarom placht Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de volgende du`ā’ te verrichten:

“O Allāh! Wanneer (in het graf) de vragen worden gesteld, houd dan de tong (van deze overledene) standvastig (op het geloof (īmān) en open voor zijn rûḥ de poorten van de hemelen.”Als deze beproeving van de shayṭān er niet was geweest, zou Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deze du`ā’ niet hebben verricht. Dit ondersteunt tevens de overlevering van Sufyān ath-Thawri.

2.10: Na de teraardestelling enige tijd bij het graf wachten en smeken dat hij standvastig in het geloof (īmān) blijft

Van Shimāsah al-Mihrī: Wij kwamen bij ʿAmr b. al-ʿĀṣ (رضي الله عنه) terwijl hij op zijn sterfbed lag. Hij verwoordde zijn laatste wil: ‘Wanneer jullie mij hebben begraven, strooi dan wat aarde over mij en blijf bij mijn graf staan, ongeveer zo lang als het duurt om een geit te slachten en te villen. Gebruik die tijd om na te denken over hoe mijn Rab met mij zal omgaan.” (Muslim, 1550)

ʿAbdullāh b. al-Mubārak heeft een vergelijkbare overlevering overgeleverd van Ibn Luhayʿah.ʿAbdurraḥmān b. Shimāse heeft zijn laatste wil verwoord: “Bind mijn izār stevig vast. Strooi (vóórdat jullie mijn graf sluiten) wat aarde over mijn lijkwade. Zoals mijn rechterzijde de grond raakt, laat ook mijn linkerzijde met grond bedekt zijn. Plaats geen steen of boom op mijn graf. Blijf bij mijn graf staan totdat jullie een bokje of een lammetje hebben geslacht en in stukken hebben verdeeld. Misschien put ik moed uit jullie aanwezigheid”. (İbni Mubarek, Zuhd,440)Van ʿUthmān b. ʿAffān (رضي الله عنه): Na het begraven van een overledene zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Verricht duʿāʾ voor je broeder om vergeving en vraag dat hij standvastig blijft in het geloof (īmān) , want op dit moment wordt hij in het graf ondervraagd. (Abū Dāwūd, 3205)Imām at-Tirmiḏī vermeldt in zijn werk Nawâdiru’l-`Usul een overlevering van ʿUthmān (رضي الله عنه): Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een overledene begroef, bleef hij een tijdje bij het graf staan. Hij gaf ons de volgende raad: “Behalve wat men in het Hiernamaals (op Yawmu’l Qiyāmah) zal tegenkomen, is het graf het meest angstaanjagende voor een mu’min.”Van Anas b. Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bleef na de begrafenis van een metgezel enige tijd bij diens graf en zei (de volgende du`ā’): "Wij komen van Allāh (en op een dag) zullen wij tot Hem terugkeren. O Allāh! Neem Uw dienaar op bij U. De mooiste plaats is bij U.Verruim zijn graf. Open voor hem de poorten van de hemelen. Aanvaard Uw dienaar bij U. Houd tijdens de vragen van het graf zijn tong standvastig in het geloof (īmān)."

UitlegMuḥammad b.

Ḥusayn al-Ājurī schrijft in zijn werk Nasīḥah: Het is aanbevolen om niet meteen na de begrafenis weg te gaan, maar enige tijd bij het graf te blijven staan. Terwijl men bij het graf is, verricht men du`ā’ dat de overledene de vragen van het graf gemakkelijk kan beantwoorden. Al-Ājurī beveelt de volgende du`ā ‘aan: “O Allāh! Dit is Uw dienaar. U kent hem beter dan wij, maar wij kennen hem goed. Nu neemt U hem bij U op en U zult hem verantwoording laten afleggen. O Allāh! Zoals U hem gezondheid gaf in deze wereld, laat hem nu standvastig zijn in de Islām. O Allāh! Behandel Uw dienaar met Uw genade. Breng hem bijeen met Uw Nabī (صلى الله عليه وسلم). Ontneem hem zijn beloning en zegen niet.”Imām at-Tirmiḏī zegt: “Het is een hulp voor de overledene om na de begrafenis bij het graf te blijven staan en du`ā’ te verrichten, net zoals de ṣalāh al-janazah over de overledene een bijstand is. Degenen die bij de begrafenis aanwezig zijn, zijn als de engelen in de hemel: zij zijn als soldaten die voor de overledene voorspraak doen. Want deze tijd is een moeilijke periode voor de overledene en hij heeft hulp nodig. Zoals we later zullen bespreken, komen na het plaatsen van de overledene in het graf de engelen Munkar en Nakīr om hem ter verantwoording te roepen. Wanneer de overledene deze engelen ziet, krijgt hij rillingen en wordt hij bevangen door angst.”

UitlegDe laatste wil van ʿAmr b. `al-ʿĀṣ (رضي الله عنه) verwoordt hij als volgt: “Wanneer ik sterf, laat niemand om mij wenen. Laat er geen klaagzangen of rouwrituelen plaatsvinden, zoals het aansteken van vuur”. Deze twee gebruiken waren wijdverspreid in de tijd vóór de komst van de Islām. ʿAmr (رضي الله عنه) maakte zich zorgen dat dergelijke rituelen na zijn dood zouden plaatsvinden en gaf daarom expliciet dit advies.

Ook Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft zijn metgezellen in deze zaken gewaarschuwd.Volgens onze geleerden past het een mu’min niet om na iemands dood te weeklagen, rouwrituelen te houden of grote, opvallende graven te maken. Het is daarentegen beter en heilzamer voor de overledene om Allāh te gedenken en voor hem du`ā’ te verrichten.Het samenkomen in moskeeën of andere plaatsen na iemands dood, of bij het huis van de overledene, en het speciaal uitdelen van voedsel voor de overledene, wordt beschouwd als bidʿah (innovatie in religieuze praktijk). Ook het gezamenlijk reciteren van de Qur ‘ān voor de overledene op zulke bijeenkomsten valt hieronder.Evenzo geldt het verzamelen op de zevende dag na de dood, het uitdelen van voedsel op die dag, enzovoort; al deze handelingen zijn niet-Islamitisch en zijn overblijfselen van gebruiken uit de periode van de jahiliyyah. Het feit dat deze handelingen puur voor Allahs welbehagen worden uitgevoerd of bedoeld zijn om de overledene te helpen, verandert niets aan het feit dat het bidʿah blijft. Niemand van onze geleerden heeft dit goedgekeurd.Volgens onze geleerden zijn al deze gebruiken afkomstig van niet-moslims en passen niet bij een mu’min. Net zoals het verboden is om te weeklagen om de overledene, het haar uit te trekken, rouwklachten te uiten, te rouwen en poëtische klaagzang te schrijven/op te zeggen, zo is het ook verboden om na iemands dood speciale bijeenkomsten te organiseren en gezamenlijk voedsel uit te delen. Iedere persoon moet zijn familie hierover instrueren. Het samenkomen van mannen en vrouwen om gezamenlijk de Qur‘ān te reciteren wordt ook als bidʿah beschouwd.Aḥmad ibn Ḥanbal zegt: Al deze handelingen behoren tot de slechte bidʿah.

Toen hem werd gevraagd: “Maar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft toch gezegd: “Bereid voedsel voor de familie van Ja`far (Tayyār)?”, antwoordde hij: “Ze hebben dit niet tot een gewoonte gemaakt, noch een speciale bijeenkomst daarvoor georganiseerd; het was enkel bedoeld om de aanwezige gasten en buren van eten te voorzien.” (Abû Dâwud, 3116; Ibn Mâjah, 1610; Aḥmad ibn Ḥanbal, 1/205)Ibn Mâjah overlevert van Jarīr b. ʿAbdullāh: volgens ons valt het organiseren van speciale bijeenkomsten voor de overledene en het bereiden en uitdelen van voedsel onder het verbod op rouwklachten en het uiten van klaagzangen na de dood (met andere woorden: het is verboden). Volgens Shujāʿ b. Muhallad is deze mening ṣaḥīḥ.Harâitî overlevert Hilâl bin Hibâb en vat het als volgt samen: “Het organiseren van een maaltijd ter ere of glorie van de overledene, hetzij uit pronkerij of uit rouw, behoort tot de gebruiken van de jāhiliyyah (de periode vóór de komst van de Islām).”

Al-Âjurî overlevert van Abû Mûsā (al-Ash'arî) (رضي الله عنه) het volgende: De zus van `Abdullah b. `Umar was overleden. Hij zei tegen zijn vrouw: “Ga en blijf daar vannacht bij hen. Er is geen ander huis tussen ons; wij zijn buren.”Zijn vrouw ging, maar keerde kort daarna terug. Hij vroeg haar: “Heb ik je niet gestuurd? Waarom ben je teruggekomen?”Zijn vrouw antwoordde: “Ja, ik ben gegaan. Maar `Abdullah b. `Umar kwam en stuurde ons allemaal het huis uit. Hij zei: ‘Blijf niet bij elkaar bijeen in mijn huis en vererger daarmee het lijden van mijn zus niet.”Abû’l-Buhtari legt dit als volgt uit: vóór de komst van de Islām bestond het gebruik om bij het huis van de overledene de nacht door te brengen.

Ik (Qurtubî) zeg: “Tegenwoordig worden al deze gebruiken als sunnah beschouwd, en wie ze niet verricht wordt bekritiseerd.

Het achterwege laten ervan wordt nu zelfs als bidʿah gezien. Alles is veranderd en alles is omgekeerd.”

Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) heeft ooit gezegd: “Er zal een tijd komen waarin mensen zich van de sunnah afkeren en wat sunnah is zal als verboden worden beschouwd. Daardoor zullen de sunnah-handelingen verdwijnen en vervangen worden door slechte, onislamitische bidʿah. In die tijd zullen mensen degenen bekritiseren die de bidʿah verlaten en degenen bespotten die de sunnah volgen. Als je zo’n tijd meemaakt, verzet je dan tegen hen. In zo’n periode is de beste daad het bestrijden van bidʿah en het handhaven van de sunnah.”Inderdaad, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf mij dit advies: " Als jij, (omwille van het welbehagen van Allāh), afstand doet van iets wat je hebt, dan zal Allāh je iets schenken dat nog beter is”. (Aḥmad ibn Ḥanbal, 5/78, 79 en 363) “Binnen mijn ummah zal (er een groep zijn) die tot aan de ochtend van de Qiyāmah zal blijven strijden voor de waarheid. De vijandschap of strijd van wie dan ook zal hen niet van hun weg kunnen afbrengen (en evenmin het bestaan van degenen die voor deze waarheid strijden kunnen uitwissen) (Al-Bukharī, 13/193; Muslim, 1/373; Abû Dāwûd, 4232; at-Tirmiḏī , 2192 en 2229; Ibn Mâjah, 10 en 607; Aḥmad ibn Ḥanbal, 4/104)

Uitleg:Over dit onderwerp hebben Imām Muslim en Bukharī het volgende overgeleverd: van Jābir b. ʿAbdullāh (رضي الله عنه) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Degene die zijn gezicht en ogen verwondt, zijn kleren verscheurt en (de klaagen bijeenkomstrituelen) uit de tijd van de jāhiliyyah uitvoert om een overledene, behoort niet tot ons (mijn ummah) en zal mijn voorspraak (shafāʿah) (op de Dag des Oordeels) niet ontvangen.” (Al-Bukharī, 3/163; Muslim, 2/109; Nasa`i, 4/19; at-Tirmiḏī , 999; Aḥmad ibn Ḥanbal, 1/442; Ibn Mâjah, 1584)Een andere overlevering, van Abû Burdah (رضي الله عنه): Abû Mûsā (رضي الله عنه)verloor tijdens een ziekte het bewustzijn. Zijn hoofd lag op de schoot van een vrouw uit zijn familie. Toen zij zijn toestand zag, begon zij luidkeels te huilen en te weeklagen. Toen Abû Mûsā weer bij bewustzijn kwam, zei hij tegen haar: “Voor wat jullie doen zoek ik mijn toevlucht bij Allāh. Wat ver verwijderd is van Allāh en Zijn Rasûl, laat dat ook ver van mij zijn. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft zijn ummah verboden om de haren uit te trekken, rouwklachten te uiten en op deze manier te rouwen.”

In een overlevering bij Muslim wordt een soortgelijk voorval genoemd: Abû Mûsā (رضي الله عنه) raakte buiten bewustzijn en zijn vrouw begon te weeklagen. Toen hij weer bij kennis kwam, berispte hij haar en zei: “Heb ik jullie de ḥadīth van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) niet overgebracht? Wie luid huilt, weeklaagt of zijn haren uittrekt om een overledene, behoort niet tot mij.”

Van Abû Umāmah (رضي الله عنه): “Resulullāh (صلى الله عليه وسلم) vervloekte degene die zijn gezicht sloeg, zijn kleding scheurde of klaagde en jammerde bij het overlijden van een persoon.” (Ibn Mājah, 1585)Deze ḥadīth is ṣaḥīḥ. Wanneer iemand naast je dit soort jammeren verricht en jij hem of haar niet tegenhoudt, draag je ook een deel van zijn zonden. Daarom is het niet genoeg om zelf dit gedrag te vermijden; je moet ook je familie en kennissen hierover waarschuwen en hen hiervan op de hoogte brengen.

2.11 De talkīn (kalimah ash-shahadah) aan de overledene herinneren en getuigen van iemands oprechtheid in de lahd

Abū Muhammad Abdulhaq overlevert van Abû Umāmah al-Bāhilī (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Wanneer jullie de overledene hebben begraven en het graf hebben gesloten, laat dan een van jullie bij het graf blijven staan en zeggen: 'O zoon van die en die vrouw!' De overledene hoort jullie, maar kan niet beantwoorden. Daarna zegt hij voor de tweede keer: 'O zoon van die en die vrouw!' Dan zit de overledene in zijn graf. Vervolgens zegt hij een derde keer: 'O zoon van die en die vrouw!' Dan zegt de overledene: 'Moge Allāh tevreden zijn met jou. Wat jij hebt gezegd, heeft Allāh mij overgebracht, maar jullie kunnen mij niet horen.”Laat vervolgens degene die bij het graf staat het volgende zeggen: “Denk aan je godsdienst (dīn) die je in deze wereld hebt gevolgd. Je hebt getuigt/gelooft (īmān) dat er geen godheid is behalve Allāh, en dat Muhammad (صلى الله عليه وسلم) de boodschapper van Allāh is. Je hebt Allāh als Rab gekozen, de Islām als godsdienst, Muhammad (صلى الله عليه وسلم) als Nabī en de Qur’ān als gids (naar de leiding).”Vervolgens verschijnen(de engelen) Munkar en Nakīr achtereenvolgens en zeggen: “We hebben gehoord wat degene bij het graf zei en nemen het als getuigenis en bewijs ten voordele van jou aan.”Iemand vroeg: “O Rasûlullāh! Wat moeten we zeggen als we de naam van zijn moeder niet kennen?”Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): "Noem dan de naam van zijn moeder ‘Hawwa’."Wij zeggen: Abû Muhammad Abdulhaq heeft deze overlevering doorgegeven zonder deze aan een specifieke bron of overleveraar te koppelen. Normaliter vermeldt hij altijd een schriftelijke bron voor elke overlevering. Allāh weet het het beste. Imām Ghazzālī heeft deze overlevering eveneens geciteerd. Deze overlevering is gharīb (zelden/ongebruikelijk). Sakāfī heeft deze ḥadīth in zijn boek ‘40 Hadith’ geanalyseerd. Deze ḥadīth werd vervolgens voorgelegd aan de geëerde shaykh, een geleerde en ḥājji van Quraysh-afkomst, Abû Muhammad Abdulwahhāb, en aan de grote faqīh, geleerde en muftī (bevoegde uitlegger van de sharīʿah) Abû’l-Hasan Ali. Zij hebben ons de volgende overlevering doorgegeven: "Wij hebben dit … van Sa`īd al-Azdī: “Abû Umāmah al-Bāhilī lag op zijn sterfbed. Ik ben naar hem gegaan.

Hij zei tegen mij: “Wanneer jullie de overledene hebben begraven en het graf hebben gesloten, laat dan een van jullie bij het graf blijven staan en zeggen: 'O zoon van die en die vrouw!' De overledene hoort jullie, maar kan niet beantwoorden. Daarna zegt hij voor de tweede keer: 'O zoon van die en die vrouw!' Dan zit de overledene in zijn graf. Vervolgens zeg hij een derde keer: 'O zoon van die en die vrouw!' Dan zegt de overledene: 'Moge Allāh tevreden zijn met jou. Wat jij hebt gezegd, heeft Allāh mij overgebracht, maar jullie kunnen mij niet horen.”Laat vervolgens degene die bij het graf staat het volgende zeggen: “Denk aan je godsdienst (dīn) die je in deze wereld hebt gevolgd. Je hebt getuigt/gelooft (īmān) dat er geen godheid is behalve Allāh, en dat Muhammad (صلى الله عليه وسلم) de dienaar en Nabī van Allāh is. Je geloofde ook dat er een Yawmu’l Qiyāmah zal komen en dat Allāh iedereen in het graf opnieuw zal doen herleven”.Vervolgens verschijnen Munkar en Nakīr. Ze komen hand in hand en zeggen tegen elkaar: “Aan deze man zullen wij volgens de talkīn bij zijn graf behandelen, want Allāh heeft zijn getuigenis aanvaard.”Abû Muhammad Abdulhaq heeft van Shaybah ibn Abû Shaybah overgeleverd: "Mijn moeder had mij haar laatste wil verwoord: “Nadat jullie mij begraven, blijf dan een een tijdje bij mijn graf wachten en zeg: ‘O Ummu Shaybah! Zeg La Ilāha Illa Allāh.’ Nadat jullie dit hebben gedaan, kunnen jullie het graf verlaten”. De nacht dat zij stierf, zag ik mijn moeder in een droom. Zij zei tegen mij: ‘Mijn zoon, als jij mij geen talkīn had herinnerd, zou mijn toestand slecht zijn geweest. Het uitvoeren van mijn laatste wens heeft mij gered.”Onze shaykh, al-Qurtubī Abû’l-`Abbās Ahmad ibn `Umar, heeft het volgende raadgeving gegeven: "Nadat een overledene in het graf is geplaatst, is het noodzakelijk hem te helpen en te begeleiden tijdens de vragen van het graf (suāl al-qabr).

Het is passend om de overledene de volgende talkīn te herinneren: "(O jij die in het graf ligt), zeg mijn Rab is Allāh; mijn godsdienst is de Islām; en mijn Nabī is Muhammed." Want zodra de overledene in het graf wordt geplaatst, begint onmiddellijk de vragen van het graf. Dit is aldus overgeleverd in de ahadīth .Hier kan een vraag opkomen: in de Qur’ān wordt gezegd:وَمَا يَسۡتَوِي ٱلۡأَحۡيَآءُ وَلَا ٱلۡأَمۡوَٰتُۚ إِنَّ ٱللَّهَ يُسۡمِعُ مَن يَشَآءُۖ وَمَآ أَنتَ بِمُسۡمِعٖ مَّن فِي ٱلۡقُبُورِ ٢٢

Noch zijn de levenden gelijk aan de doden. Waarlijk, Allāh laat horen wie Hij wil maar jij kunt degenen die in de graven zijn niet laten horen. (al-Fātir 35: 22)

إِنَّكَ لَا تُسۡمِعُ ٱلۡمَوۡتَىٰ وَلَا تُسۡمِعُ ٱلصُّمَّ ٱلدُّعَآءَ إِذَا وَلَّوۡاْ مُدۡبِرِينَ ٨٠

Waarlijk, je kunt de doden niet laten horen noch kan je de doven de oproep laten horen, als zij hun rug toekeren. (an-Naml, 27:80)

Het doel van deze āyāt is anders en staat hier los van, (want de āyāt spreken over harten die verzegeld zijn, waarop raadgeving (naṣīhah) of verkondiging (tablīgh) geen effect heeft). Zo zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) (nadat hij had gesproken tot de kâfirs die in een kuil bij Badr waren gegooid): ‘Jullie kunnen mij niet horen, zoals zij mij ook niet konden antwoorden. Evenzo heeft hij over een overledene gezegd: “Hij hoort zelfs jullie voetstappen.” Aan dit onderwerp zullen wij later weer terugkeren.

2.12: De familie van de overledene zullen de overledene vergeten. De wereldse begeerte en achteloosheid

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Over degenen die de overledene dragen, wordt een engel aangestelde. De mensen blijven de overledene met verdriet en droefheid dragen, totdat zij het graf bereiken. Wanneer de overledene in het graf wordt neergelegd, keert iedereen terug. Terwijl zij weggaan, neemt de aangestelde engel een handvol aarde en werpt dit in de richting van degenen die de begrafenis hebben bijgewoond en zegt: ‘Ga maar naar huis, Allāh zal jullie over jullie doden doen vergeten. Jullie zullen hem niet meer kunnen herinneren.’ Daarna keert iedereen die aan de begrafenis deelnamen terug naar hun bezigheden en leven verder alsof ze nooit bij de begrafenis aanwezig waren. Alsof de overledene nooit onder hen had geleefd, zetten zij hun leven voort.”In een overlevering staat: Toen Allāhu Ta‘ālā de gehele nakomelingen van Âdem (عليه السلام) aan hen toonde, vroegen de engelen: “O onze Rab! Hoe zullen (al die mensen) op de aarde passen?”Daarop antwoordde Allāhu Ta`ālā: “Ik zal iets scheppen dat dood heet.”Toen de engelen zeiden: “Dan zullen zij niet willen leven en zal het leven voor hen een last worden.”Hierop antwoordde Allāhu Ta`ālā: “Dan zal Ik ook iets scheppen dat ‘amal’ heet.”Amal is het verlangen om zich vast te houden aan het leven en de begeerte naar wereldse gunsten. Amal is een barmhartigheid van Allāh. Als amal er niet zou zijn, zou leven niet mogelijk zijn. Dankzij amal gaat het wereldse leven voort. Door de gehechtheid aan het leven wordt de wereld opgebouwd. De vakman verricht zijn ambacht door amal, en de vrome zet zijn aanbidding voort door amal. Amal is een genade en weldaad van Allāh, en tevens iets dat geoorloofd en toegestaan is.Wat echter verwerpelijk is, is die vorm van amal die zó ver gaat dat zij het Hiernamaals doet vergeten en leidt tot een overdreven gehechtheid aan de wereld. Volgens Hasan al-Basrī: “Amal en ghaflah (vergetelheid/ onoplettendheid) zijn een barmhartigheid; zij behoren tot de grootste gunsten die aan de kinderen van Ādam zijn geschonken. Als er geen vergetelheid en geen gehechtheid aan de wereld zou zijn, zou de mu’min de straat niet op kunnen gaan en niet over de weg kunnen lopen; het leven zou niet doorgaan. Als de mens alles zou blijven herinneren en geen gehechtheid aan de wereld had, zou hij niets meer doen voor het wereldse leven.

Uit angst voor de dood zou hij de wereld vergeten.”Abdullāh ibn Matraf gaf een soortgelijk uitleg en de leraar zei: “Als ik zou weten wanneer ik zal sterven, vrees ik dat ik mijn verstand zou verliezen. Allāh heeft Zijn dienaren de gunst geschonken om de dood te kunnen vergeten. Als de dood voortdurend in ons bewustzijn aanwezig was, zouden markt en handel volledig tot stilstand komen.” 2.13: Wanneer de mens in het graf wordt gelegd behandelt Allāh hem met Zijn barmhartigheid

Atāʾ al-Khurāsānī vertelt: “Het moment waarop Allāh het meest barmhartig is voor de mens, is wanneer hij in het graf wordt gelegd en zijn familie en alle anderen hem hebben verlaten.” Deze overlevering is ook als marfūʿ overgeleverd van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما)Abū Ghālib vertelt: “Ik had voortdurend contact met Abū Umāmah (رضي الله عنه) en stelde hem vragen. In die tijd woonde hij in Shām. Op een dag ging ik naar een zieke jongeman, een buurjongen van Abū Umāmah. Bij de jongeman was zijn oom aanwezig. De oom bleef tegen de jongeman zeggen: “O vijand van Allāh! Heb ik het je niet verteld? Heb ik je niet gezegd dit en dat niet te doen?”Daarop zei de jongeman tegen zijn oom: “O oom, als Allāh mij in deze toestand aan mijn moeder zou toevertrouwen, wat zou mijn moeder dan met mij doen?”De oom antwoordde: “Wat zou ze doen? Ze zou je in het Paradijs plaatsen.”Toen antwoordde de jongeman zijn oom: “Allāh is barmhartiger dan mijn moeder.”Daarna overleed de jongeman. Samen met zijn oom gingen wij naar zijn begrafenis. Terwijl wij bij het graf stonden, schrok de oom plotseling hevig en raakte in paniek.

Toen men hem vroeg: “Wat is er, wat heb je?”Daarop antwoordde hij: “Ik heb gezien dat het graf van mijn neef werd verruimd en dat het gevuld was met licht.”Abū Sulaymān ad-Dārānī verrichtte de volgende du`ā’:“O Vriend die Zijn dienaar nooit verlaat!O mijn Rab, voor Wie iedereen vreest!O Metgezel van de eenzamen!Wees ons genadig in het graf; U bent Degene die bij iedere eenzame is.In het graf bent U de enige Vriend en Helper.”

2.13: Wanneer verlaat de Malaku’l Mawt de mens?

Van Jābir (رضي الله عنه): “Ik heb Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het volgende horen zeggen: “De zoon van Ādam vergeet waarvan en hoe Allāh hem heeft geschapen. Wanneer Allāh, buiten Wie er geen Rab en geen godheid is, de schepping van de mens wil, geeft Hij een engel opdracht en beveelt hem: “Schrijf zijn levensonderhoud (rizq), zijn aarde (waar hij zal leven en sterven) en zijn vastgestelde levensduur (ajal). Schrijf daarna of hij tot de bewoners van het Paradijs (sa`īd) of tot de bewoners van het Hellevuur (shaqī) zal behoren.”Daarna vertrekt deze engel en komt een andere engel, die de zoon van Ādam beschermt totdat hij de puberteit (aql wa bāligh) bereikt. Vervolgens vertrekt ook deze engel. Daarna stuurt Allāh twee andere engelen (de Kirāman Kātibīn). Zij leggen de goede en slechte daden van de zoon van Ādam vast.Wanneer het tijdstip van de dood aanbreekt, worden ook deze twee engelen bij de mens weggenomen. Vervolgens komt de Malaku’l Mawt (عليه السلام) en neemt de rûḥ van de mens weg. Wanneer de mens in het graf wordt gelegd, wordt zijn rûḥ met zijn lichaam herenigd. Daarna komen twee engelen (Munkar en Nakīr) en onderwerpen zij de mens aan een beproeving. Vervolgens vertrekken ook deze twee engelen.Wanneer het moment van de Opstanding aanbreekt, komen de twee engelen die zijn goede en slechte daden opschreven (de Kirāmen Kātibīn) opnieuw. Zij hangen de daden-register waarin zijn daden zijn vastgelegd om zijn hals. Daarna grijpen zij hem vast en brengen hem naar de verzamelplaats (Maḥshar). Van deze twee engelen is de ene de bewaker die hem meevoert, en de andere de getuige die over hem zal getuigen, vóór of tegen hem.”Daarna reciteerde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de volgende āyāt:لَّقَدۡ كُنتَ فِي غَفۡلَةٖ مِّنۡ هَٰذَا فَكَشَفۡنَا عَنكَ غِطَآءَكَ فَبَصَرُكَ ٱلۡيَوۡمَ حَدِيدٞ ٢٢

(Er wordt hem gezegd:) “Voorwaar, hiervoor was jij achteloos, toen hebben Wij de bedekking van jouw (hart) verwijderd, toen was jouw waarneming op deze Dag scherp.” (Qāf, 50:22)

لَتَرۡكَبُنَّ طَبَقًا عَن طَبَقٖ ١٩ Jullie zullen zeker voortgaan, van fase naar fase. (al-Inshiqāq, 84:19)

Vervolgens zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Voor Allāh gebracht worden is een zeer grote en moeilijke zaak. Doe daarom veel smeekbeden tot Allāh en vraag Hem om hulp.” (Abū Nuaym, Hilyah, 3/190 ) 2.14: Het verhoor door de twee engelen in het graf en toevlucht zoeken bij Allāh tegen de bestraffing van het graf en de Hel

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Wanneer de mens in het graf wordt gelegd en zijn bekenden beginnen weg te gaan, hoort de overledene hun voetstappen. Vervolgens komen er twee engelen, zetten de overledene rechtop in het graf en vragen: “Wat denk jij over die man die Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) wordt genoemd?”De mu’min zal zeggen: “Hij is de dienaar van Allāh en Zijn Nabī. Zo heb ik het geaccepteerd (en erin geloofd).”Daarop zeggen de engelen: “Kijk, dit was de plaats die jou in de Hel te wachten stond (als je niet had kunnen antwoorden). (Maar omdat je hebt geantwoord), heeft Allāh in plaats daarvan voor jou een plaats in het Paradijs bestemd.”Vervolgens tonen zij hem de beide plaatsen.” (Al-Bukharī, 3/232; Muslim, 17/203; Nasai, 4/97; Abū Dāwūd, 3215 ve 4726; Ahmad b. Hanbal, 3/126 ve 233)

Qatādah zegt: Er is ons overgeleverd dat het graf van de mu’min veertig armlengte (1 armlengte is ongeveer 68 cm) wordt verruimd. Muslim zegt: zeventig armlengte.

Daarna wordt het graf van de mu’min veranderd in een tuin (van het Paradijs), en hij blijft daarin tot Yawmu’l Qiyāmah.Muslim: de ḥadīth van Anas (رضي الله عنه) gaat verder, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Wanneer aan de huichelaar en de kâfir wordt gevraagd: ‘Wat zeg jij over deze man (dat wil zeggen: Muḥammad (صلى الله عليه وسلم)?’, dan zeggen zij: ‘Ik hechtte geen bijzondere waarde aan wat de mensen zeiden. De mensen zeiden maar wat.’Daarop zeggen de engelen: ‘Heb je dan niets gehoord? Heb je dan niets gelezen?’ Vervolgens slaan zij hem met ijzeren staven op zijn hoofd. De kâfir of huichelaar schreeuwt dan zo hard dat alle schepselen, behalve de mens, zijn geschreeuw horen.”Wij zeggen: Degene die het tweede deel van deze ḥadīth heeft overgeleverd is niet Muslim, maar al-Bukhārī. De overlevering van al-Bukhārī is mooier.Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Wanneer de overledene in het graf wordt gelegd en hij een rechtschapen en vrome man is, verblijft hij zonder angst in zijn graf. Daarna wordt hem gevraagd: ‘Hoe heb jij geleefd?’De mu’min antwoordt: ‘Ik heb volgens de Islām geleefd.’Wanneer hem wordt gevraagd: ‘Wie is deze man?’, antwoordt hij: ‘Hij is an-Nabī van Allāh. Hij is degene die ons de bevelen van Allāh heeft onderwezen. Wij hebben alles aanvaard/geloofd wat hij zei.’Daarna wordt hem gevraagd: ‘Heb jij Allāh gezien?’De rechtschapen man antwoordt: ‘Nee, ik heb Hem niet gezien; geen enkel mens heeft Hem gezien.’Vervolgens wordt er in zijn graf een opening gemaakt waardoor hij een blik op de Hel krijgt. Het vuur van de Hel laait zo hevig op dat de vlammen elkaar lijken te verslinden.

Tegen hem wordt gezegd: ‘Kijk, Allāh heeft jou hiervan gered.’Daarna wordt er een opening gemaakt waardoor hij het Paradijs kan zien. Hij kijkt naar de bloemen van het Paradijs en naar de andere genietingen daarin. Vervolgens wordt er tegen hem gezegd: ‘Dit is de plaats waar jij zult verblijven. Jij bent geboren in de Islām en hebt je hele leven volgens de Islām geleefd. En, als Allāh het wil, zul je ook in de Islām worden opgewekt.’Maar als de persoon slecht is, (dat wil zeggen een kâfir of een huichelaar) dan verkeert hij in het graf in grote angst. Daarna wordt hem gevraagd: ‘Hoe heb jij geleefd?’Hij antwoordt: ‘Ik weet het niet.’Dan wordt hem gevraagd: ‘Wat weet jij over deze man (dat wil zeggen: Muḥammad (صلى الله عليه وسلم)?’Hij zegt: ‘De mensen zeiden steeds maar iets; ik zei ook maar wat.’Daarna wordt in het graf van die slechte persoon een opening gemaakt waardoor hij het Paradijs kan zien. Hij kijkt ernaar. Tegen hem wordt gezegd: ‘Dit is de plaats die jij hebt laten varen; Allāh heeft deze niet voor jou bestemd.’Vervolgens wordt een opening gemaakt waardoor hij een blik op de Hel krijgt. Hij kijkt naar de reusachtige vlammen van het Hellevuur. Dan wordt tegen hem gezegd: ‘Dit is de plaats waar jij naartoe zult gaan. Jij hebt in twijfel geleefd en in twijfel ben je gestorven. En, als Allāh het wil, zul je ook in deze toestand worden opgewekt.” (İbni Mājah, 42/68)Opnieuw van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Wanneer de overledene of één van jullie in het graf wordt gelegd, komen er twee engelen. Deze twee engelen hebben een groen en zwart uiterlijk; de ene wordt Munkar genoemd en de andere Nakīr.De engelen vragen: ‘Wat zeg jij over deze man?’De overledene antwoordt dan: ‘Hij is de dienaar van Allāh en Zijn Nabī.

Ik erken geen andere godheid dan Allāh, en Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) is de dienaar van Allāh en Zijn Nabī.’-‘Wij wisten al dat jij zo zou antwoorden.’Vervolgens wordt zijn graf zeventig armlengte in de lengte en zeventig armlengte in de breedte verruimd. Daarna wordt het graf met licht gevuld en wordt tegen de overledene gezegd: ‘Ga nu slapen.’De overledene zegt dan: ‘Had ik dit maar aan mijn familie kunnen vertellen; sta mij toe om te gaan.’De engelen zeggen: ‘Slaap. Slaap zoals een bruid die slaapt in afwachting van het wakker worden door de liefde van haar echtgenoot, tot de ochtend van de Opstanding.’Maar als de overledene een huichelaar is, zegt hij: ‘De mensen zeiden maar wat, en ik zei ook maar iets. Anders ken ik die man (Allāh verhoede Muḥammad) niet.’Daarop zeggen de engelen: ‘Wij wisten al dat jij zo zou antwoorden.’Vervolgens wordt tegen de grond gezegd: ‘Druk hem stevig samen en verzwelg hem.’De grond drukt hem dan samen totdat zijn botten in elkaar grijpen. In die toestand blijft hij tot Yawmu’l Qiyāmah en wordt hij bestraft.” (at-Tirmiḏī , 1071) Deze ḥadīth is ḥasan, maar gharīb.

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bezocht de dadelgaard van de Banu Najjār. Plotseling hoorde hij een geluid en schrok op.

Hij zei tegen ons: “Dit geluid komt van degenen die in deze graven liggen.”De aanwezigen zeiden: “Hier liggen degenen die zijn overleden vóór de komst van de Islām.”Daarop verrichtte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de du`ā’:“Wij zoeken toevlucht bij Allāh tegen de bestraffing van het graf en tegen de verleiding van de Dajjāl.”De aanwezigen vroegen: “Waarom, O Rasûlullāh?”Hij antwoordde: “Wanneer een mu’min in het graf wordt gelegd, komt er een engel en vraagt: ‘Wat heb jij aanbeden?’ Als het een dienaar van Allāh is die geleid is, antwoordt hij: ‘Ik heb Allāh aanbeden.’-‘Wat weet jij van deze man?’-‘Hij is de dienaar van Allāh en Zijn Nabī.’Daarna worden er nog enkele andere vragen gesteld. Uiteindelijk wordt de mu’min naar een huis van vuur geleid. Tegen hem wordt gezegd: ‘Dit was de plaats die jou in de Hel te wachten stond. Maar Allāh heeft je vergeven en jou hiervan gered. In plaats daarvan heeft Hij jou een huis in het Paradijs gegeven.’De mu’min zegt dan: ‘Laat mij gaan om dit blijde nieuws aan mijn familie te brengen.’De engel zegt: ‘Nee, blijf hier.’Wanneer een kâfir in het graf wordt gelegd, verschijnt er ook een engel die hem vastgrijpt en heen en weer schudt.Vervolgens vraagt de engel: ‘Waarin geloofde jij?’De kâfir antwoordt: ‘Ik weet het niet (of kan niet antwoorden). De mensen zeiden iets, en ik zei soms hetzelfde.’Daarop slaat de engel hem met een ijzeren spies. Hij schreeuwt zo luid dat alle levende wezens dit geluid horen.” (Abū Dāwūd, 4725)…Van Barrāʾ ibn ʿĀzib (رضي الله عنه): Op een dag gingen wij samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar een begrafenis van een van de Ansār.

Toen wij bij het graf aankwamen, werd de lahd gesloten. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ging bij het graf zitten, en wij gingen naast hem zitten. Wij waren allen stil.Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deed alsof hij met iets op de grond sloeg. Daarna hief hij zijn hoofd op en zei: “Zoek toevlucht bij Allāh tegen de bestraffing van het graf.”Dit herhaalde hij twee of drie keer. Vervolgens zei hij: “De overledene hoort zelfs jullie voetstappen. Wanneer jullie weggaan, wordt hem gevraagd: Wie is je Rab? Wat is je godsdienst (dīn)? Wie is je Nabī?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vervolgde: “Dan komen twee engelen, grijpen de overledene vast en zetten hem rechtop. -‘Wie is je Rab?’-‘Mijn Rab is Allāh.’-‘Wat is je godsdienst?’-‘Mijn godsdienst is de Islām.’-‘Wat zeg jij over deze man die tot jullie is gezonden?’-‘Hij is de Nabī van Allāh.’-‘Waaruit weet je dat?’-‘Ik heb het Boek van Allāh gelezen en erin geloofd.’Daarna klinkt een stem uit de hemel, en beveelt: ‘Mijn dienaar spreekt de waarheid. Plaats hem in het Paradijs, kleed hem in de kleding van het Paradijs en maak in zijn graf een poort die naar het Paradijs leidt.’De mu’min ruikt via deze poort de geur van het Paradijs en aanschouwt de schoonheid ervan. Zijn graf wordt zover verruimd als het oog reikt.Als de overledene echter een kâfir is, worden zijn rûḥ en lichaam in het graf herenigd.De twee engelen zetten hem rechtop. Ze vragen: ‘Wie is je Rab?’-‘Hah hah… nu weet ik niet wat ik moet zeggen.’-‘Wat zeg jij over de man die tot jullie als Nabī is gezonden?’-‘Hah hah… ik weet niet wat ik moet antwoorden.’Daarop klinkt een stem uit de hemel: ‘Mijn dienaar ontkent het immers; plaats hem in de Hel, kleed hem in de kleding van de Hel en maak een poort in zijn graf waardoor hij de Hel kan aanschouwen.’Het geluid en de vlammen van de Hel bereiken dan zijn graf. Het graf wordt zo samengedrukt dat zijn botten in elkaar grijpen.

(Abū Dāwūd, 4727)Volgens de overlevering van Jarīr (رضي الله عنه) is hieraan toegevoegd: “Vervolgens staat bij het hoofd van de overledene iemand die blind, doof en stom is. Hij houdt een ijzeren spies vast. Als hij met deze spies op een kameel zou slaan, dan verandert de kameel in stof. Wanneer hij met diezelfde spies op een kâfir slaat, is het geschreeuw van de kâfir zo luid dat alle schepselen behalve mensen en djinn het kunnen horen. Elke keer dat de de dienstdoende (engel) hem slaat, verandert hij in aarde, maar daarna wordt hij weer in zijn oorspronkelijke staat teruggebracht.

Imām Ghazālī (رضي الله عنه) vermeldt in zijn werk “Kashf al-ʿUlūm al-Ākhirah” :Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه): Er werd aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gevraagd: “Wat is het eerste dat de mens in het graf zal ontmoeten?”Hij antwoordde: “O, (ʿAbdullāh) ibn Masʿūd, jij bent de eerste die mij dit vraagt! Het eerste dat de mens in het graf zal ontmoeten, is een engel genaamd Rūmān. Hij komt naar de mens en zegt: ‘O dienaar van Allāh! Kom, schrijf je daden eens op.’De man in het graf antwoordt: ‘Ik heb geen pen of papier bij me!”De engel zegt: “O wee! Het lijkwade (kafan) is je papier, je vingers zijn je pen en je zweet is je inkt.”Vervolgens scheurt de engel een stuk van het lijkwade en geeft het aan de overledene. Zelfs iemand die in het leven niet kon lezen of schrijven, begint op dat moment te schrijven. Hij herinnert zich zijn hele leven alsof het één dag was en schrijft alles op.

Wanneer hij klaar is, neemt de engel het stuk lijkwade, vouwt het en hangt het om zijn hals.Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) reciteerde: وَكُلَّ إِنسَٰنٍ أَلۡزَمۡنَٰهُ طَٰٓئِرَهُۥ فِي عُنُقِهِۦۖ وَنُخۡرِجُ لَهُۥ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ كِتَٰبٗا يَلۡقَىٰهُ مَنشُورًا ١٣

En Wij hebben de daden van iedereen aan zijn nek vastgemaakt, en op Yawmu’l Qiyāmah zullen Wij een boek voor hem tevoorschijn brengen, wat hij opengeslagen zal aantreffen. (Isrā, 17:13)Daarna komen de twee verschrikkelijke engelen naar het graf. Ze zijn helemaal zwart. Hun voetstappen doen de aarde beven. Hun haren slepen over de grond. Hun stemmen zijn als donder, hun ogen als bliksem en hun ademhaling als een storm. Ze dragen ijzeren knuppels. Zelfs als alle mensen en djinn hun krachten zouden bundelen, zouden ze niet één van deze knuppels kunnen optillen. Slaat zo’n knuppel tegen de hoogste berg, dan wordt deze tot stof. Wanneer de rûḥ in het graf (de engelen) ziet, probeert hij te vluchten, maar zij grijpen (de overledene) bij de keel. Ze knijpen hem zo hard dat de overledene in het graf lijkt te sterven en niet kan bewegen. Hij kijkt alleen naar de engelen en luistert naar hen. Vervolgens zetten ze hem neer en beginnen met het verhoor. Ze schudden hem zo heen en weer dat de aarde golft als een zee. Daarna vragen ze: “Wie is je Rab, wat is je godsdienst (dīn), wie is je Nabī en wat is je qiblah?” Degene die door Allāh is geleid (hidayah) vraagt: “Wie heeft jullie naar mij gezonden?” Degene die jullie ook naar mij toe heeft gestuurd en met deze taak heeft belast, dat is Hij!”Deze wijze van antwoorden is uitsluitend voorbehouden aan de uitverkorenen en de geleerden.

Daarop zeggen de engelen tegen elkaar: “Hij spreekt de waarheid. Nu is hij gered van ons kwaad.”Daarna wordt het graf verruimd en wordt er een koepel in het graf gemaakt. Vervolgens openen ze aan de rechterzijde een venster waardoor het Paradijs zichtbaar is. Zij bekleden het graf met de zijde die zij uit het Paradijs hebben meegebracht. Met de welriekende geur uit het Paradijs parfumeren zij het graf. Vervolgens komt de (goede) daad van de overledene in de gedaante van een mooi mens en begint met de overledene te spreken. De (goede) daden van de overledene vullen het graf met licht. In deze toestand leeft hij voort tot aan Yawmu’l Qiyāmah en hij verlangt ernaar dat de Opstanding zo snel mogelijk plaatsvindt.

In de overleveringen van al-Bukhārī, Muslim en at-Tirmiḏī wordt de naam en het aantal van de engelen die in het graf vragen zullen stellen genoemd, evenals de specifieke vragen die zij stellen. Alleen in één overlevering van Abū Dāwūd wordt vermeld dat één engel de vragen stelt. In de andere overleveringen wordt vermeld dat er twee engelen komen. Echter, ook Abū Dāwūd vermeldt in een andere overlevering dat twee engelen komen om de overledene te ondervragen. Dank zij Allāh bestaat er over dit onderwerp geen meningsverschil of twijfel. Alle overleveringen stemmen overeen dat zodra de overledene in het graf is gelegd en de aanwezigen zijn vertrokken, twee engelen komen om de persoon te ondervragen. Voor sommigen is dit verhoor zwaar, voor anderen minder zwaar. Toch blijft dit het lichtste wat een mens in het graf zal meemaken.Het feit dat Abū Dāwūd slechts één engel noemt, kan als volgt worden verklaard: in een andere overlevering van dezelfde overleveraar (rāwī) worden twee engelen vermeld. Mogelijk wordt in deze specifieke overlevering alleen de engel genoemd die de vragen daadwerkelijk stelt, terwijl de andere engel stilzwijgend aanwezig blijft. Alleen Allāh weet precies hoe het werkelijk is.Daarnaast bestaan er verschillen tussen de overleveringen over de wijze van vraagstelling en de antwoorden die gegeven worden. Dit betekent echter geen tegenstrijdigheid. De verschillen kunnen voortkomen uit de manier waarop de overleveraars het verhaal hebben doorgegeven. Ook kan de vraagen antwoordvorm variëren afhankelijk van de situatie van de overledene.

Degenen met goede daden kunnen de vragen gemakkelijk en duidelijk beantwoorden. Sommige mensen geven echter door hun daden een gebrekkig of beknopt antwoord. Volgens de overlevering van Barrāʾ (رضي الله عنه) zullen alle vragen aan iedere overledene gesteld worden. Hierover bestaat geen twijfel of bezwaar.

2.15: Over het moment van de dood en het leven in het graf

Bekende ḥadīth overgeleverd door Barrāʾ ibn ʿĀzib (رضي الله عنه): Van Barrāʾ ibn ʿĀzib (رضي الله عنه): “Op een keer gingen wij samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar de begrafenis van een man van de Ansār. Nadat wij hem hadden begraven, ging Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bij het hoofd van het graf zitten, en wij gingen rondom zitten. Niemand sprak. Volgens `Amr ibn Sābit, dit gedeelte staat niet in de overlevering van Abū ʿAwānah, hief Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn ogen op naar de hemel en keek daarna weer naar de grond. (Abû Dāwûd, 4828.; Ahmad b. Hanbal, 4/286 ve 296)Daarna zei hij: “Ik zoek mijn toevlucht bij Allāh tegen de bestraffing van het graf. Ik zoek mijn toevlucht bij Allāh tegen de bestraffing van het graf.” Hij herhaalde dit meerdere keren. Hij vervolgde: “Wanneer de dienaar de wereld verlaat en aan zijn reis naar het Hiernamaals begint, komt er een engel bij zijn hoofdeinde zitten en zegt: ‘O zuivere rûḥ! Kom, verlaat je lichaam met Allahs vergiffenis.’Daarop glijdt de rûḥ als een waterdruppel langzaam uit het lichaam.Volgens Amr, anders dan Abū ʿAwāneh, zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Maar jullie ervaren de situatie op een andere manier. Dan verschijnen engelen uit het Paradijs met stralend witte gezichten, glanzend als de zon. In hun handen dragen zij het lijkwade en de wierook die zij uit het Paradijs hebben meegebracht.”(De Malaku’l Mawt) trekt de rûḥ van de overledene uit (het gehele lichaam), tot in de oogballen, want in de Qur’ān staat:وَهُوَ ٱلۡقَاهِرُ فَوۡقَ عِبَادِهِۦۖ وَيُرۡسِلُ عَلَيۡكُمۡ حَفَظَةً حَتَّىٰٓ إِذَا جَآءَ أَحَدَكُمُ ٱلۡمَوۡتُ تَوَفَّتۡهُ رُسُلُنَا وَهُمۡ لَا يُفَرِّطُونَ ٦١

Hij is de Onbedwingbare, Verheven boven Zijn dienaren, en Hij stelt Wakers (Engelen) over jullie, totdat de dood één van jullie benadert, Onze boodschappers nemen zijn ziel en zij veronachtzamen nooit hun plicht.

(Anʿām, 6:61)De rûḥ (van de mu’min) wordt weggenomen alsof het door een zachte bries wordt gedragen. Daarna dragen de aangestelde engelen deze rûḥ over aan een soldaat (een speciaal aangestelde engel). Deze engel neemt de rûḥ en brengt haar naar een plaats tussen de hemel en de aarde. Daar vragen (de aangestelde engelen): ‘Van wie is deze rûḥ?’(De engel die bij de overledene is aangesteld) antwoordt: ‘Het is de rûḥ van die-en-die.’ Hij spreekt de overledene aan met de mooiste namen en prijst hem.Op deze manier verlaten zij de wereld (en komen aan bij de eerste hemellaag). Ze klimmen door de hemelen. Bij elke hemellaag worden zij op dezelfde wijze ontvangen. Uiteindelijk komen zij bij de zevende hemel.”Daar wordt het bevel gegeven: “Schrijf zijn daad in ʿIlliyyûn op.”وَمَآ أَدۡرَىٰكَ مَا عِلِّيُّونَ ١٩ En wat doet jullie weten wat de ‘hoge plaats’ (ʿIlliyyûn ) bij Allāh is?

كِتَٰبٞ مَّرۡقُومٞ ٢٠ Een volgeschreven boek.

يَشۡهَدُهُ ٱلۡمُقَرَّبُونَ ٢١ De bij (Allāh) gebrachten zijn er getuigen van. (Mutaffifīn, 83:19-21.)En zijn daden worden in ʿIlliyyûn opgeschreven. Vervolgens wordt (door Allāh) het volgende bevel gegeven: “Breng hem terug naar de aarde. Zo luidt Mijn belofte.

Zij zullen terugkeren naar de aarde waaruit zij zijn geschapen, en daaruit zullen zij opnieuw worden opgewekt.”Daarna keert de rûḥ terug naar het graf en wordt zij met het lichaam herenigd. De twee engelen (Munkar en Nakîr) komen, laten hem overeind zitten en ondervragen hem. Dit zijn twee engelen met een ontzagwekkend en streng voorkomen. Zij vragen de persoon in het graf: “Wie is jouw Rab? Wat is jouw godsdienst (dīn)? Wie is jouw Nabī?”De mu’min zegt: “Mijn Rab is Allāh. Mijn godsdienst is de Islām.”De engelen vragen vervolgens: “Wat denk jij over de man die als Nabī tot jullie is gezonden?”Hij antwoordt: “De persoon over wie jullie spreken is NabīAllah.”Wanneer de engelen vragen: “Hoe weet je dat?”Hij antwoordt: “Hij bracht ons duidelijke bewijzen en tekenen. Wij accepteerden die en geloofden er allemaal in.”Dat (de mu’min op deze wijze gemakkelijk antwoord kan geven) wordt bevestigd door het volgende āyah:يُثَبِّتُ ٱللَّهُ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ بِٱلۡقَوۡلِ ٱلثَّابِتِ فِي ٱلۡحَيَوٰةِ ٱلدُّنۡيَا وَفِي ٱلۡأٓخِرَةِۖ وَيُضِلُّ ٱللَّهُ ٱلظَّٰلِمِينَۚ وَيَفۡعَلُ ٱللَّهُ مَا يَشَآءُ ٢٧

Allāh versterkt degenen die geloven met de standvastige uitspraak (de geloofs-belijdenis) tijdens het wereldse leven en in het Hiernamaals. En Allāh zal degenen die onrechtvaardig zijn laten dwalen, en Allāh doet wat Hij wil. (Ibrahim, 14:27)

Vervolgens klinkt er een stem uit de hemel: “Omdat Mijn dienaar in Mij heeft geloofd: bekleed zijn graf met versieringen van het Paradijs, trek hem kleding van het Paradijs aan en toon hem zijn plaats in het Paradijs.”Daarna wordt zijn graf zo ver verruimd tot zover het oog reikt.

Zijn (goede) daad komt tot hem in de gedaante van een prachtige mens, die een heerlijke geur verspreidt, en zegt: “Verheug je met het goede nieuws. Je hebt de zegeningen bereikt die Allāh jou heeft beloofd. Wees verheugd. Allāh is tevreden met jou en jouw verblijfplaats zal het Paradijs zijn.”De man zegt: “Moge Allāh ook met jou tevreden zijn. Jij hebt mij dit mooie nieuws gebracht.” Zijn daad zal dan zeggen: “Dit is de dag die Allāh jou eerder heeft aangekondigd. De belofte die jou werd gedaan, is nu werkelijkheid geworden. Ik ben jouw goede daden. Jij spande je met grote toewijding in om Allāh te gehoorzamen en was zeer zorgvuldig om Hem niet ongehoorzaam te zijn.”Daarna zegt de persoon in het graf: “O mijn Rab! Moge de Opstanding (Qiyāmah) snel aanbreken, zodat ik mij kan herenigen met mijn familie en mijn bezittingen.Als (de overledene) een zondaar is, komt er een engel bij zijn hoofdeinde zitten en zegt: "O slechte rûḥ! Kom uit dat lichaam! Wee jou! De toorn van Allāh wacht op jou."Daarna verschijnen de engelen met zwarte gezichten en met ijzeren staven in hun handen. Zij voeren uit wat nodig is. Vervolgens rukken zij zijn rûḥ met geweld uit zijn lichaam, alsof men een veiligheidsspeld uit nat katoen zou trekken. Daarna dragen de aangestelde engelen deze rûḥ over aan een soldaat (een speciaal aangestelde engel). Deze engel neemt de rûḥ en brengt haar naar een plaats tussen de hemel en de aardeDaar vragen de engelen: "Van wie is deze vieze rûḥ?"De (aangestelde) engel antwoordt: "Het is de rûḥ van die-en-die slechte man," en somt al zijn slechte eigenschappen op. Ze brengen hem tot aan de poorten van de hemel, maar de poorten gaan niet open. Vanuit daar klinkt een stem: "Gooi hem terug naar de aarde. Mijn belofte is waar. Hij is uit aarde geschapen en zal daar terugkeren. Op een dag zal hij weer daaruit worden opgewekt."Daarop laten (de engelen de rûḥ van deze slechte man) naar beneden vallen en brengen haar terug naar het graf, waar zij weer met het lichaam wordt herenigd.

Dan komen twee strenge en krachtige engelen en zetten de overledene rechtop. Zij beginnen met de ondervraging: "Wie is jouw Rab? Wat is jouw godsdienst?"De overledene antwoordt: "Ik weet het niet."De engelen vragen vervolgens: "Wat denk jij van de man die als Nabī tot jullie is gezonden?"Maar hij begrijpt niet over wie het gaat. De engelen zeggen: "Wij bedoelen Muhammad (صلى الله عليه وسلم)."De man antwoordt: "Ik weet het niet, ik herken hem niet. Mensen zeiden van alles, maar ik begreep het niet goed."De engelen zeggen: "Dus je weet het niet!"Daarop vernauwen ze het graf. Het graf knijpt de overledene zo samen dat al zijn botten op elkaar drukken. Dan verschijnt zijn daad in de gedaante van een afzichtelijk en angstwekkend wezen, dat een walgelijke geur verspreidt, en zegt tegen hem: “Moge Allāh jou te gronde richten; de toorn van Allāh staat jou te wachten.”De overledene vraagt: “Wie ben jij? Waar heb je het over?”Zijn daad antwoordt: “Ik ben jouw slechte daden. Je was zeer ijverig in het ongehoorzaam zijn aan Allāh, maar nalatig wanneer het ging om Hem te gehoorzamen.” (Abū Dāwūd et-Teyalisi, Musnad, 753; Ahmad b. Hanbal, 4/287; Abū Dāwūd, 4753; Hakim, Mustadrak, 1/37; Ruyani, Musnad, 389)In de ḥadīth die `Amr, Minḥāl en Zāzān via Barrāʾ (رضي الله عنه) hebben overgeleverd, wordt het volgende toegevoegd: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei verder: “(Nadat het onderzoek in het graf voor de slechte persoon is voltooid), wordt een blinde en dove aangestelde (engel) bij hem geplaatst. Hij houdt een ijzeren knots vast. Als hij daarmee een berg zou slaan, zou de berg tot stof vergaan.”De overleveraar merkt op dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dit ook zo kan hebben gezegd:"Hij houdt een ijzeren spies vast. Daarmee slaat hij de overledene zo hard dat het geluid (van de slag en het geschreeuw van de overledene) door iedereen behalve mensen en djinn wordt gehoord.

(Door deze slag sterft de man of wordt hij vernietigd, maar) daarna wordt zijn rûḥ opnieuw met zijn lichaam herenigd en wordt hij opnieuw geslagen.” Dit gedeelte is een aanvulling van Abū Dāwūd. De overlevering is via vele ketens van ʿAlī b. Mâbad al-Juhanī doorgegeven.Abū Dāwūd voegt hier nog het volgende aan toe. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft ook gezegd: “Bij het hoofd (van de slechte overledene) wordt een blinde en dove engel geplaatst. In zijn hand houdt hij een ijzeren knuppel. Hij slaat de overledene zo hard dat de man in stukken uiteenvalt. Vervolgens wordt hij weer in zijn oorspronkelijke toestand teruggebracht. Daarna slaat de engel hem opnieuw en wordt de man opnieuw in stukken uiteengeslagen.”In sommige overleveringen wordt het volgende toegevoegd: “In de hand van de aangestelde engel bevindt zich een ijzeren knuppel. Als alle djinn en mensen zich zouden verenigen, zouden zij deze knuppel niet van zijn plaats kunnen krijgen. Met deze knuppel slaat hij de overledene (kāfir of een huichelaar) zo hard dat hij als stof uiteenvalt. Vervolgens wordt hij weer in zijn oorspronkelijke toestand teruggebracht en slaat de engel hem opnieuw. Het geluid van deze slag wordt door alle levende wezens gehoord, behalve door mensen en djinn.” Vervolgens wordt het bevel gegeven: “Bekleed zijn graf met iets uit de Hel en open in zijn graf een opening die uitzicht geeft op de Hel.”Twee platen van vuur worden gebracht en in zijn graf gelegd, en er wordt een deur geopend die uitzicht geeft op de Hel.In sommige overleveringen wordt verteld dat, wanneer de rûḥ van de slechte (d.w.z. kâfir of hypocriete) persoon het lichaam verlaat: “Op dat moment komen sterke, strenge en tirannieke engelen naar de man toe. In hun handen dragen zij gloeiende speren en knuppels, en vloeibare teer. Zij behandelen de (op het punt te sterven zijnde) slechte man uiterst ruw. Zijn rûḥ wordt eruit getrokken alsof men een veiligheidsspeld uit natte wol trekt. Hierdoor worden al zijn aderen verscheurd.

Nadat de rûḥ uit het lichaam is, vervloeken alle engelen in de hemel en op aarde de rûḥ van deze man."Ibn Mubârek’s vriend, ʿAbdullāh Ḥusayn bin Ḥusayn bin Ḥarb, overlevert in zijn werk ar-Raqāik de woorden van ʿAbdullāh b. `Amr b. al-ʿĀṣ (رضي الله عنهما): “Wanneer het eerste bloed van een mu’min die op weg van Allāh gesneuveld is de grond raakt, is het als kafārah (boetedoening/vergeving) van al zijn zonden. Daarna wordt de rûḥ, op bevel van Allāh, in een doek uit het Paradijs gewikkeld en vervolgens wordt het op een gedaante geplaatst die uit het Paradijs is gebracht. Daarna stijgt hij, vergezeld door engelen, op naar de hemel.” Bij elke hemelpoort wordt hij op een aangename manier ontvangen. Alle deuren gaan voor hem open. Alle engelen op alle hemellagen vragen vergeving (istighfār), du`ā’ en getuigen (van zijn mu’min zijn ) voor hem Uiteindelijk wordt hij naar Allāh gebracht. De engelen presenteren hem aan Allāh en zeggen: "O Rab! Dit is de dienaar wiens leven U hebt genomen terwijl hij voor Uw zaak streed."Hij (de shahīd) werpt zich ter aarde (sajdah), waarna ook de engelen zich neerwerpen. Daar wordt hij gereinigd en van zijn zonden gezuiverd. Vervolgens wordt bevolen dat hij naar de andere shuhadā’ gebracht wordt. …

Van Abû Ḥureyrah (رضي الله عنه) dat de Beste van de Schepselen, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), zei: “Wanneer het overlijden van een mu’min nadert, komen de engelen van barmhartigheid met witte zijden (doek) in hun handen en zeggen: 'O rûḥ, van wie Allāh tevreden is! O rûḥ die tevreden is met Allāh! Kom uit (je lichaam) en begeef je naar mooie en welriekende plaatsen. Je Rab wacht op jou, Hij is tevreden met jou en niet boos op jou.”De rûḥ van een mu’min komt uit het lichaam, als een muskusgeur die zich verspreidt. De engelen dragen hem van hand tot hand en brengen hem naar de hemelen. Overal waar hij komt, wordt hij welkom geheten en met eerbewijs ontvangen. Vervolgens komen de arwāh van de andere mu’mins om hem te verwelkomen: “Een rein iemand uit de wereld is aangekomen!”Ze verzamelen zich verheugd om hem heen en vragen dan: “Wat heeft die man gedaan? Hoe gaat het met die vrouw?”Daarop zeggen ze tegen elkaar: “Laten we du`ā’ voor hen verrichten; hij komt net uit de beproevingen van deze wereld.”De (nieuw aangekomen) rûḥ vraagt vervolgens: “Is die of die man hier gekomen?”Waarop de mu’mins antwoorden: “(O wee! Dat betekent dat) hij naar de Hel is gegaan.”Als de stervende een kāfir is, komen de engelen van toorn en zeggen: “Kom uit (je lichaam rûḥ), jij hield niet van Allāh. Hij is ook niet tevreden met jou."De rûḥ van de kâfir verlaat het lichaam en lijkt op iets zeer smerigs en stinkends. Wanneer hij bij de poort van de hemel komt, zeggen de engelen daar: “Wat een vieze rûḥ is dit!”Vervolgens wordt de rûḥ naar de andere arwāh van kâfirs gebracht.(Nasa`ī, 1309)

Abū Dâwud at-Tayâlîsî vertelt: Hammâd bin Katâdah heeft van Abū’l-Jawzâ overgeleverd, en hij heeft van Abû Hurayrah (رضي الله عنه) gehoord dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), zei: “Wanneer een mu’min op het punt van sterven is, komen de engelen van barmhartigheid en nemen zijn rûḥ. Ze wikkelen hem in een zijden doek. (De mu’mins die hem verwelkomen) zeggen: “Wat een prachtige persoon! Wat een aangename geur verspreidt hij.” Vervolgens zeggen ze tegen elkaar: “Wees goed voor hem; hij is zojuist uit deze wereld vertrokken en heeft veel geleden.”Daarna vragen ze: “Wat doet die man? Hoe gaat het met die vrouw?”Als de overledene een kâfir is, zeggen de engelen die over de aarde waken: “Wat een verschrikkelijke geur!”En ze brengen hem naar de diepste plek van de aarde.

2.16: Weerlegging van de ongegronde beweringen van de kâfirs

Terwijl wij bezwaar maken tegen deze kâfirs en fasiqs, met een zwak of verdorven geloof, willen wij zes punten behandelen:

Eerste kwestie

Eerbiedwaardige broer! Denk hier eens over na! Moge Allāhu Ta’ālā ons beiden het vermogen geven om het te begrijpen. Uit deze en de eerder genoemde aḥadīth begrijpen we dat de rûḥ en de nafs hetzelfde zijn. De rûḥ of nafs is een spiritueel wezen dat verbonden is met het lichaam, terwijl het lichaam materieel is, is de rûḥ de bestuurder van het lichaam. Wanneer een mens gewikkeld wordt in een kafan, wordt de rûḥ ook erin gewikkeld. Daarna wordt de mens, door middel van de rûḥ, naar de hemel verheven. De rûḥ sterft niet en verdwijnt niet. De rûḥ heeft een begin, dat wil zeggen: het is geschapen, maar het heeft geen einde, het zal dus niet ophouden te bestaan.Nadat de rûḥ van het lichaam is gescheiden en naar de hemel is verheven, voelt en beweegt de rûḥ onafhankelijk van het lichaam. De rûḥ heeft een eigen vorm en kan daardoor goed of slecht zijn. Deze vorm is geestelijk, niet materieel. De rûḥ is niet slechts een tijdelijke eigenschap, maar heeft een ware, bestaande realiteit. Het is dus niet iets dat voorbijgaat zoals woede of liefde, iets zonder echte bestaan. In een ḥadīth overgeleverd door Bilāl (رضي الله عنه), zegt Wādī (een overleveraar): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degene die jouw rûḥ neemt, heeft ook de mijne genomen.”Volgens een overlevering van Zayd bin Aslam (رضي الله عنه) gaf Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een soortgelijk antwoord aan deze man. Van Zayd bin Aslam (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “O mensen! Allāh zal onze arwāh (uit ons lichaam) wegnemen. Als Hij gewild had, had Hij ze elders weer aan ons lichaam kunnen teruggeven." (Muwattā, 1/11)In een andere overlevering staat: “Wanneer de rûḥ wordt weggenomen, volgt het oog haar.”Andere aḥadīth geven een duidelijke uitleg over de rûḥ: “Zo volgt het oog van de mens de rûḥ die het lichaam heeft verlaten."“Er is geen moment mooier dan het ogenblik waarop de rûḥ haar Rab ontmoet."Mensen hebben veel gediscussieerd over de rûḥ.

Wat wij zojuist hebben besproken is de visie van de Ahl as-Sunnah wa’l Jama`ah.ٱللَّهُ يَتَوَفَّى ٱلۡأَنفُسَ حِينَ مَوۡتِهَا وَٱلَّتِي لَمۡ تَمُتۡ فِي مَنَامِهَاۖ فَيُمۡسِكُ ٱلَّتِي قَضَىٰ عَلَيۡهَا ٱلۡمَوۡتَ وَيُرۡسِلُ ٱلۡأُخۡرَىٰٓ إِلَىٰٓ أَجَلٖ مُّسَمًّىۚ إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَأٓيَٰتٖ لِّقَوۡمٖ يَتَفَكَّرُونَ ٤٢

Het is Allāh Die de zielen (anfus) afvoert bij het intreden van de dood, alsook (de zielen) van de levenden die (tijdelijk) slapen. (Dan) houdt Hij de zielen achter waarvoor Hij de dood heeft bepaald, en stuurt de rest voor een vastgestelde termijn terug (naar hun levenloze lichamen om te kúnnen ontwaken)." Waarlijk, hierin zijn Tekenen voor mensen die diep nadenken. (az-Zumar, 39:42)Volgens geleerden verwijst het woord anfus (m.v. nafs) hier naar de arwāḥ (m.v. rûḥ). فَلَوۡلَآ إِذَا بَلَغَتِ ٱلۡحُلۡقُومَ ٨٣ Waarom bemiddelen jullie niet wanneer (de ziel van een stervende) de keel bereikt? (al Wāq`iah, 56:83), is de nafs het laatst die het lichaam verlaat."Uit dit begrijpen wij dat de rûḥ een werkelijk en echt bestaan. Zoals het lichaam een stoffelijk bestaan bezit, zo heeft ook de rûḥ een geestelijk bestaan. Op een bepaalde manier neemt de rûḥ ruimte in; met andere woorden, zij heeft een dimensie.

Degenen die beweren dat de rûḥ niet bestaat of na de dood verdwijnt, treden buiten de grenzen van het geloof.Degenen die beweren dat de rûḥ niet werkelijk bestaat, of dat de rûḥ na de dood verdwijnt, treden buiten de grenzen van het geloof (īmān). Evenzo zijn degenen die in reïncarnatie (tanasûh) geloven geen moslim. Tanasûh is het geloof dat de rûḥ, nadat zij het lichaam heeft verlaten, in een ander lichaam verder leeft (met andere woorden, het ontkennen van het Hiernamaals). Volgens deze opvatting gaat de rûḥ na het verlaten van het lichaam niet naar het graf en is er geen opstanding; zij blijft in het lichaam van een ander wezen voortbestaan. Volgens een andere variant van deze opvatting zouden het Paradijs en de Hel in deze wereld zijn. Met andere woorden: als de rûḥ in haar eerste lichaam een goed leven heeft geleid, gaat zij over in het lichaam van een beter mens. Als zij een slecht leven heeft geleid, zet zij haar bestaan voort in het lichaam van een dier of een ander slecht wezen. Zo verplaatst de rûḥ zich dus niet naar een ander lichaam, noch verdwijnt zij.

Zoals in de aḥadīth wordt uitgelegd, leeft de rûḥ verder in het graf. Daar ervaart zij óf straf, óf een goed leven. In deze toestand leeft zij voort tot Yawmu’l Qiyāmah. Daarna begint het oneindige leven in het Hiernamaals. Dit onderwerp zullen wij, in shā’ Allāh, later uitgebreider behandelen.

Tweede kwestie

Het geloven in de straf in het graf en het ondervraging in het graf is wājib (farḍ: verplicht). Het volledig accepteren hiervan behoort tot de voorwaarden van het geloof (īmān). Het moet worden geaccepteerd precies zoals Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het heeft uitgelegd. Zoals de mens in deze wereld een nuchter en bewust leven leidt, zo is er ook een leven in het graf. De mens voelt en begrijpt daar, en blijft bij zijn volle verstand. Voor elke mens die verantwoordelijk is voor de bepalingen van de Sharī‘ah is er een leven in het graf. Het leven in het graf zal voortduren tot Yawmu’l Qiyāmah.

De mens zal in het graf ondervraagd worden; hij zal deze vragen begrijpen en beantwoorden. Tevens zal hij in het graf óf straf ervaren, óf eer en en edelmoedige gunst ontvangen. Al deze zaken zal hij, net als in het wereldse leven, daadwerkelijk voelen. Dit is het getuigenis van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Dit is ook de geloofsopvatting van de Ahl as-Sunnah wa’l-Jamā‘ah. De overleveringen van de ashāb al-kirām ondersteunen dit. De ashāb al-kirām begrepen het leven in het graf zoals wij geloven. De volgende generatie, de tābi‘ūn, geloofde zoals de ashāb al-kirām. Wij treden eveneens in hun voetsporen.Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) sprak over de engelen Munkar en Nakīr die de overledene in het graf ondervragen, vroeg ‘Umar (رضي الله عنه): “O NabieAllāh! Zal ik dan bij mijn volle verstand zijn?”an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Ja.”Daarop zei ‘Umar (رضي الله عنه): “Als ik bij bij mijn volle verstand ben, zal ik hun ook de juiste antwoorden geven. Als ze mij vragen: ‘Wie is jouw Rab?’, zal ik antwoorden: ‘Mijn Rab is Allāh. En wie is jullie Rab dan?”at-Tirmiḏī vermeldt in zijn boek "Nawâdir’ul-`Usûl" een overlevering van ʿAbdullāh b. ʿUmar (رضي الله عنهما): Op een dag sprak Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) over het graf. Mijn vader ʿUmar bin Ḥattāb vroeg: “Zal ons bewustzijn dan aanwezig zijn?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Ja, in het graf zal je bewustzijn zijn zoals het nu is.”Sahl bin ʿAmmār vertelt: Ik zag Yazīd b. Hārūn, in een droom na zijn overlijden. Ik vroeg: “Hoe werd er met jou omgegaan daar?"Hij zei: “Toen ik in mijn graf werd geplaatst, kwamen twee engelen. Ze zagen er zeer angstaanjagend en imposant uit”. Ze vroegen: “Wie is jouw Rab?

Wat is jouw godsdienst? Wie is jouw Nabī?’ Ik liet hen mijn grijze baard zien en zei: “Stellen jullie mij deze vragen? Ik heb hier 80 jaar lang de mensen deze antwoorden geleerd! Daarop lieten ze mij met rust.”In de overlevering van Barrā (رضي الله عنه) staat vermeld: "Daarna wordt de rûḥ herenigd met het lichaam." Volgens sommigen wordt de ondervraging in het graf alleen aan de rûḥ gesteld, niet aan het lichaam. Maar volgens deze hadīth wordt de rûḥ in het graf herenigd met het lichaam, wat betekent dat de ondervraging aan beiden wordt gesteld. Dit is de juiste opvatting.

Derde kwestie

Sommige mensen met een zwak of verdorven geloof verwerpen het leven in het graf op basis van het volgende argument: Volgens hen zouden we, wanneer we het graf openen, noch de overledenen noch de doofstomme en blinde engelen kunnen zien. Evenmin zouden we, bij het openen van de graven, vuur of een Paradijstuin kunnen waarnemen.Volgens hen zou, wanneer de overledene in het graf wordt gelegd en wordt ondervraagd of wanneer hij bestraffing ondergaat, daarvan zichtbare sporen in het graf of op het lichaam van de overledene te zien moeten zijn. Daarnaast erkennen zij ook niet dat het graf van een mu’min wordt verruimd of dat het graf van een kâfir wordt bekneld. Ze beweren: “Het graf is altijd hetzelfde en telkens wanneer we het openen, blijft het zoals wij het hebben gegraven.” Op basis hiervan stellen ze dat het niet mogelijk is dat het graf wordt verruimd of bekneld.

Ons antwoord hierop is: Allāh is Almachtig over alles. Wij kunnen niet alles zien of kennen. Al deze zaken liggen buiten onze kennis. Wij geloven in al deze dingen. Voor Allāh is niets te moeilijk. Hij is Degene die alles voor het eerst heeft geschapen. Voor Allāh, de Schepper van alles, is niets te moeilijk. Net zoals Hij ons in de baarmoeder van onze moeder van vorm tot vorm bracht en ons uit een eenvoudige vloeistof schiep. Evenzo is Hij het die in het graf het leven schenkt en ondervraagt.

إِنَّمَآ أَمۡرُهُۥٓ إِذَآ أَرَادَ شَيۡـًٔا أَن يَقُولَ لَهُۥ كُن فَيَكُونُ ٨٢

Waarlijk, als Hij zich voorgenomen heeft iets (te scheppen) dan luidt Zijn bevel slechts: “Wees!” en het is. (Yā Sīn, 36:82)

Wanneer een mens slaapt, ziet hij veel dingen in zijn droom. Maar we kennen de dromen van iemand die naast ons slaapt niet. Degene die droomt, herinnert zich wat hij heeft gezien en wordt er zelfs door beïnvloed. Daarom is de droom voor ons een les en aansporing. Wanneer we hierover nadenken, is het heel goed mogelijk dat twee engelen in het graf komen om een persoon enkele vragen te stellen. Evenzo, wanneer we nadenken over het proces van de schepping van de mens in de baarmoeder, kunnen we ook gemakkelijk begrijpen wat een mens in het graf zal ervaren.

Vierde kwestie

Deze mensen met een zwak of verdorven geloof proberen, door de toestand van de kinderen als bewijs aan te voeren, opnieuw twijfel te zaaien over het geloof van de mu’mins met betrekking tot het leven in het graf. De toestand van kinderen is hetzelfde als die van volwassenen. Want ook kinderen zijn mensen, bezitten verstand en kunnen al deze zaken begrijpen. Voor hen is er eveneens een leven in het graf. Net zoals voor volwassenen, bestaat er ook voor kinderen verhoor in het graf. Zij voelen dat zij in het graf zijn en worden beïnvloed door de gebeurtenissen daar.In verband hiermee zijn eerder enkele aḥadīth besproken. Bijvoorbeeld, de overlevering … van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): "Verricht voor iedere persoon die sterft salāh al-janazah, ook als hij geen daden of zonden heeft verricht: ‘O mijn Rab! Bescherm hem tegen de bestraffing van het graf.”

Vijfde kwestie

Een ander bezwaar heeft zich gericht op deze ḥadīth: “Het graf wordt ofwel een put van de Hel ofwel een tuin van het Paradijs." Ze vragen hoe we deze ḥadīth moeten begrijpen en gebruiken dit als argument.Volgens ons is deze ḥadīth niet metaforisch maar beschrijft zij de werkelijkheid. Als iemand een mu’min is, verandert zijn graf in een tuin vol groen.

Zoals eerder vermeld in de overlevering van ʿAbdullah b.ʿAmr b. `al-ʿĀṣ (رضي الله عنها), wordt dit uitgelegd: het graf wordt bedekt met groen, geparfumeerd met muskus en kafur, of bekleed met platen van vuur.Sommige van onze geleerden stellen dat het veranderen van het graf in een Paradijs ook metaforisch kan worden opgevat. Volgens hen houdt het omvormen van het graf tot Paradijs in dat de ondervraging in het graf gemakkelijk verloopt, men een aangenaam verblijf in het graf heeft en beschermd wordt tegen het lijden daarin. Het Paradijs hier is een leven dat werkelijk lijkt op dat van het Paradijs. Evenzo betekent, volgens deze geleerden, dat het graf een Hel wordt dat de ondervraging zwaar zal zijn en dat het leven in het graf pijnlijk zal zijn. Wij menen dat de eerste uitleg (het grafsleven is werkelijkheid) correcter is. Zaken met betrekking tot het Hiernamaals liggen buiten onze kennis en perceptie. Daarom begrijpen en geloven wij alle overleveringen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) over het graf in hun letterlijke betekenis.

Zesde kwestie

Abū ʿUmar vermeldt in zijn boek Tamhîd de overlevering van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما): ʿUmar (رضي الله عنه) zei: "O mensen! Er is een straf van steniging (rajm). Wees hierin nooit nalatig. Het bewijs hiervoor is dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de rajm heeft uitgevoerd. Abû Bakr (رضي الله عنه) heeft het ook uitgevoerd. Wij hebben hun voorbeeld gevolgd en deze straf uitgevoerd. Er zal een tijd komen waarin binnen deze ummah mensen zullen opstaan die de rajm en de Dajjāl zullen ontkennen. Ze zullen zelfs de opkomst van de zon vanuit het westen, de bestraffing van het graf en de voorspraak (shafāʿah) ontkennen. Andere mensen zullen, na het doorstaan van hun zonden in de Hel, het Paradijs binnentreden, ontkennen.”Volgens onze geleerden behoren vandaag de dag de Qadariyah en de Khawārij tot degenen die deze opvatting aanhangen.

Abū’l-Huzayl en Bishr menen dat de bestraffing en ondervraging in het graf plaatsvindt tussen het eerste en tweede blazen op de Ṣūr. Balhī, al-Jubbāʾī en zijn zoon stellen dat de bestraffing van het graf alleen voor kâfirs geldt en dat mu’mins zoiets niet zullen ervaren.Veel aanhangers van de Muʿtazilah menen dat het niet correct is de engelen de namen Munkar en Nakīr te geven. Zij beweren dat deze namen niet komen (vanwege lelijkheid of angstaanjagendheid), maar omdat de ondervraging in het graf moeilijk zal zijn.Volgens Salīh is er een bestraffing in het graf, maar dit gebeurt vóórdat de arwāh met hun lichamen worden herenigd. Dit is de opvatting van de aanhangers van de Qarrāmiyah-sekte.Sommige Muʿtazilah stellen dat Allāh de doden in het graf zal straffen, maar dat zij dit niet zullen voelen. De pijn van de straf zal pas bij de opstanding worden ervaren. Want in het graf zal de persoon dronken, bewusteloos of in slaap zijn, waardoor de moeilijkheden en het lijden pas bij de opstanding volledig begrepen worden.Aanhangers van de Muʿtazilah zoals Dirār ibn ʿAmr, Bishr en Yahyā ibn Kāmil ontkennen de straf in het graf volledig. Volgens hen zal de mens na zijn dood in het graf blijven tot Yawmu’l Qiyāmah zonder enige ervaring van bestraffing of beloning.Al deze opvattingen zijn absurd, onnodig en verkeerd. Want Allāh zegt in de Qur’ān:ٱلنَّارُ يُعۡرَضُونَ عَلَيۡهَا غُدُوّٗا وَعَشِيّٗاۚ وَيَوۡمَ تَقُومُ ٱلسَّاعَةُ أَدۡخِلُوٓاْ ءَالَ فِرۡعَوۡنَ أَشَدَّ ٱلۡعَذَابِ ٤٦

Zij (Farao en zijn mannen) zullen aan het Hellevuur worden blootgesteld, in de ochtend en de middag.

En de Dag waarop het Uur valt (zal er tegen de Engelen gezegd worden): “Laat het volk van Farao de zwaarste bestraffing binnengaan!” (Ghāfir, 40:46)

InshāʾAllāh zullen er later nog meer bewijzen en uitleg over dit onderwerp volgen.

2.17: Eigenschappen van de twee ondervragende engelen en de aard/wijze van hun ondervraging

Volgens een overlevering van at-Tirmiḏī zijn zij (de twee engelen) groen en zwart van kleur. De naam van de ene engel is Munkar (عليه السلام), de andere heet Nakīr (عليه السلام). …Van ʿAtā bin Yasār (رضي الله عنه): Resûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “O ʿUmar! Denk er eens over na! Jij zult op een dag sterven en iedereen achterlaten. Voor jou zullen ze een kuil van drie armlengtes graven. Ze zullen je wassen en in een lijkwade wikkelen. Daarna zullen ze je met geurige rook behandelen. Dan dragen ze je op hun schouders en plaatsen je in het graf. Vervolgens gooien ze aarde over je en keren terug. Op dat moment zullen Munkar en Nakīr komen. Dit zijn twee engelen die de mens in het graf zullen bezoeken. Hun geluid is als donder, hun ogen zijn als bliksem, hun haar sleept over de grond. In hun handen dragen ze ijzeren knotsen. Als alle mensen ter wereld zich zouden verenigen, zouden zij deze knotsen niet kunnen optillen.”Hierop vroeg ʿUmar (رضي الله عنه): "Als de dood waarheid is, dan zal het ons allen treffen, zullen wij dan ook zo (mens) zijn?"Resûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: "Ja."Daarop zei ʿUmar (رضي الله عنه): “Dan zal ik hen wel aankunnen.” (Al-Ajurrī, Ash-Sharīʿah, 2/188; ʿAbdurrazzaq, Musannaf; 6738)Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), Resûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: "Ik vroeg aan Jibrīl: 'Wie zijn deze engelen?' Hij antwoordde: 'Dit zijn Munkar en Nakīr. Wanneer de mens alleen in het graf is, zullen zij komen.' Ik zei: 'Vertel mij over hen.'Jibrīl vertelde mij zonder hun lengte en gewicht te noemen, over hun andere kenmerken. Hij zei dat ze de meest angstaanjagende wezens zijn die iemand in zijn leven heeft gezien. Hun geluid is als donderslag, hun ogen zijn als bliksem. Uit hun mond komt vuur. Hun haar sleept over de grond. Hun nagels scheuren alles wat zij aanraken los. In hun handen dragen zij ijzeren knuppels, zo zwaar dat alle levende wezens op aarde samen deze niet zouden kunnen optillen. Wanneer de mens alleen in het graf is, komen zij en met Allahs toestemming en plaatsen de rûḥ terug in het lichaam. Daarna grijpen zij de mens, zetten hem neer en beginnen hem te ondervragen. Ze schudden de mens zo hevig dat zijn botten uit elkaar gaan en hij uiteindelijk flauwvalt.

Vervolgens tillen zij hem weer op en zeggen: “Je bent nu in de wereld van al-Barzakh. Ga zitten en overdenk je toestand. Kijk eens waar je bent.”Daarna schudden zij de mens voor de tweede keer en zeggen: “Je bent niet langer in de wereld. Alles heeft je verlaten. Vertel ons nu: Wie is je Rab? Wat is je godsdienst? Wie is je Nabī?"Indien de persoon een mu’min is, inspireert Allāhu Taʿālā hem het antwoord te geven. Hij zegt: "Mijn Rab is Allāh. Mijn Nabī is Muhammed (صلى الله عليه وسلم). Mijn godsdienst is Islām."Vervolgens grijpen Munkar en Nakīr deze persoon voor de derde keer en schudden hem, en zeggen: “Heb je de waarheid gezegd, denk er nog eens over na."Allāhu Taʿālā helpt hier de mu’min dienaar zodat hij de waarheid opnieuw kan bevestigen. Door de genade van Allāh verdwijnt de angst van de mu’min. Hij vreest Munkar en Nakīr niet langer. Hij komt weer tot zichzelf, begint zich te verzetten tegen Münker en Nekir en zegt tegen hen: “Proberen jullie mij soms te bedreigen zodat ik aan Allāh ga twijfelen en iemand anders naast Hem ga aanbidden? Er is geen godheid behalve Allāh. Hij is mijn Rab en ook jullie Rab. Hij is de Rab van alles. Mijn Nabī is Muhammed (صلى الله عليه وسلم).”De engelen schudden hem echter opnieuw en stellen de vragen weer. De mu’min antwoordt: "Mijn Rab is Degene die de hemel en de aarde heeft geschapen. Ik heb Hem altijd aanbeden en in Hem geloofd. Ik heb nooit aan Hem getwijfeld en nooit shirk (deelgenoten) aan Hem toegekend. Wil je mij van mijn geloof afbrengen? Ik herhaal: Mijn Rab is Allāh, Hij is Eén."Munkar en Nakīr herhalen deze vragen drie keer. Wanneer zij drie keer hetzelfde antwoord ontvangen, verdwijnt hun woede en vijandschap. Ze beginnen goed voor deze mu’min te zorgen. Uiteindelijk, nadat ze de juiste antwoorden hebben ontvangen, ontwikkelen ze genegenheid voor deze mu’min. De mu’min begint hen ook lief te hebben. Er ontstaat een diepe vertrouwelijkheid tussen hen.

Het is zo’n vertrouwelijkheid dat de mu’min hen nog dierbaarder gaat vinden dan wie dan ook in de wereld die hij eerder liefhad.Daarna kijken Munkar en Nakīr elkaar aan, lachen en zeggen tegen de mu’min: "Ja, je hebt de waarheid gesproken. Moge Allāh tevreden met je zijn. Gefeliciteerd, blijdschap voor jou. Het Paradijs wacht op je."Daarna beginnen zij het graf te verruimen. Het graf wordt zo wijd als het oog reikt. Ze maken een poort in het graf waardoor het Paradijs zichtbaar wordt. De geur van het Paradijs vult het graf. De mu’min ziet de schoonheid van het Paradijs. Hij ziet Allāh’s majesteit en gunst en verheugt zich. Zijn bewustzijn keert terug en hij prijst Allāh.Daarna wordt het graf bekleed met zijden stoffen en juwelen uit het Paradijs. Bij de voeten wordt een lamp geplaatst en ook bij het hoofd een lamp van licht. Het interieur van het graf wordt verlicht en glanst. Er komen aangename geuren het graf binnen. De persoon die deze geuren ruikt, raakt in extase en slaapt. De engelen zeggen: “Kom, slaap als een lammetje. Wees niet bang. Wees niet bezorgd.”Vervolgens verschijnen de goede daden in een schoonheid die de mu’min nog nooit heeft gezien. De aangename geuren omhullen hem. De engelen zeggen: “Dit zijn je goede daden en mooie woorden. Allāh toont je al je goede daden op deze manier zodat je alleen in het graf bent. Je daden zullen je tot Yawmu’l Qiyāmah beschermen. Geen dier of iets anders kan je kwaad doen. Ga nu gerust slapen.”Ze leveren zijn daden aan de dode over en vliegen weg.”Voor de kâfir is de situatie juist het tegenovergestelde. Dit is ook in de aḥadīth beschreven. Voor nu volstaat dit; men kan aan de hand van deze overleveringen een idee krijgen van wat de kâfir zal overkomen.

UitlegDe betekenis van de ḥadīth “De twee ondervragende (fattân) engelen van het graf, Munkar en Nakīr”

Dat Munkar en Nakīr “fattân” worden genoemd, komt doordat zij de mensen in het graf onder druk zetten en hun uiterlijk angstaanjagend is.

Dat deze engelen de namen Munkar en Nakīr hebben gekregen, wijst erop dat zij niet lijken op eerdere vormen die de mens heeft gezien. Zij lijken ook niet op andere engelen, vogels of andere levende wezens. Zij hebben hun eigen, oorspronkelijke verschijning. Wanneer een mens deze engelen ziet, zal hij verbaasd zijn. De reden waarom Munkar en Nakīr op deze manier geschapen zijn, is om het geloof van de mu’mins te testen en de dubbelhartigheid van de huichelaars te onthullen. Voor de mens geldt dat hij alleen de waarheid kan spreken uit angst en ontzag in hun aanwezigheid. Deze uitleg is afkomstig van at-Tirmiḏī .

Men zou zich de volgende vraag kunnen stellen: er sterven tegelijkertijd meerdere mensen. Hoe is het mogelijk dat deze engelen op hetzelfde moment op meerdere plaatsen kunnen zijn en vele mensen, die ver van elkaar verwijderd zijn, gelijktijdig ter verantwoording kunnen roepen? Een andere vraag die opkomt is hoe de daden de gedaante van een mens zullen aannemen en de overledene tot een metgezel zullen worden.”Het antwoord op de eerste vraag is als volgt: Er bestaan overleveringen waaruit blijkt dat deze engelen zeer groot zijn. In dat geval maakt het voor hen geen verschil of er één graf is of meerdere graven; voor hen liggen die als het ware in één richting. Daarom kunnen deze engelen tegelijkertijd tot een menigte mensen spreken.Maar dan kan de volgende vraag opkomen: hoort de ene overledene dan niet het antwoord van de andere overledene? Of hoe kunnen de engelen tegelijkertijd de stemmen van al die mensen horen die tegelijk antwoorden?Ook hierop kan als volgt worden geantwoord: Allāh is tot alles in staat. Volgens de ahādīth is het zo dat wanneer de engelen in het graf een kâfir slaan, alle andere schepselen, behalve de mensen en de djinn, het geluid van die slag en het geschreeuw van de kâfir horen. Hieruit volgt dat de overledenen die tegelijkertijd ter verantwoording worden geroepen, elkaar kunnen horen. Of anders gezegd: zoals bijvoorbeeld dieren de stemmen van de overledene in het graf kunnen horen, zo kunnen Munkar en Nakīr ook tegelijkertijd meerdere stemmen horen. Allāh is tot alles in staat en doet wat Hij wil.”

Het antwoord op de tweede vraag is als volgt: Is Allāh niet Degene Die zowel de substanties (de kern, de essentie of het wezen van een ding) als de accidenten (de eigenschappen, de handelingen of de kenmerken van een substantie) schept? Hij is Degene Die zowel het werkelijke bestaan als de daden en handelingen van de schepselen schept. Hoe zou het dan onmogelijk kunnen zijn dat Hij ook aan zaken die van nature accidenten zijn, een werkelijke bestaansvorm geeft?In een authentieke ḥadīth wordt namelijk gezegd:‘De dood zal (op Yawmu’l Qiyāmah) worden gebracht in de gedaante van een magere ram. Vervolgens zal hij op de Ṣirāṭ-brug worden neergelegd en geslacht.’ (Al-Bukharī, 473; Muslim, 2849)Terwijl de dood in werkelijkheid een accident is en geen zelfstandig, werkelijk bestaand wezen heeft. In de betekenis die wij eraan geven, is het geen concrete entiteit maar iets relatiefs. Toch zal Allāh op Yawmu’l Qiyāmah de dood als een levend wezen scheppen en deze tussen het Paradijs en de Hel laten brengen en laten slachten (doden).In shā’ Allāh zullen wij in de volgende hoofdstukken ook proberen antwoord te geven op andere twijfels en bezwaren die naar voren worden gebracht. En Allāh weet het het beste.”

2.18: Naar gelang de daden van de mensen verschilt de omvang / grootte van hun graven

Volgens al-Bukhārī en Muslim zal het graf van de mu’mins zeventig armlengte breed zijn.In een overlevering in at-Tirmiḏī staat: “(Het graf is) zeventig armlengte in de breedte en zeventig armlengte in de lengte.” Volgens een overlevering van al-Barāʾ (رضي الله عنه) zal het graf zo wijd zijn als het oog reikt. En volgens een overlevering van ʿĀʾishah (رضي الله عنها) zal het veertig armlengte breed zijn.Ik zeg: het verruimen van het graf vindt plaats na de ondervraging in het graf.Het graf zal eerst iedereen samenknijpen, zowel de mu’min als de kâfir.Bij de kâfir blijft het graf in die toestand, terwijl het graf van de mu’min verruimd zal worden. Wij zoeken toevlucht bij Allāh tegen de vernauwing en de bestraffing van het graf.

2.19: De straf van het graf is waarheid

Allāh Ta’ālā zegt:وَمَنۡ أَعۡرَضَ عَن ذِكۡرِي فَإِنَّ لَهُۥ مَعِيشَةٗ ضَنكٗا وَنَحۡشُرُهُۥ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ أَعۡمَىٰ ١٢٤Maar iedereen die zich (in kufr) van Mijn Overdenking (de Koran) afkeert: waarlijk, er zal dan voor hem een benauwd leven zijn. En Wij zullen hen verzamelen op Yawmu’l Qiyāmah, in blinde toestand. (Taha, 20:124)Volgens Abû Sa‘îd al-Khudrî en `Abdullah ibn Mas‘ūd (رضي الله عنهما) betekent de term dankâ (moeilijk, zwaar) in het bovenstaande āyah de straf van het graf.

وَإِنَّ لِلَّذِينَ ظَلَمُواْ عَذَابٗا دُونَ ذَٰلِكَ وَلَٰكِنَّ أَكۡثَرَهُمۡ لَا يَعۡلَمُونَ ٤٧En waarlijk, voor degenen die zondigen, is er daarnaast nog een bestraffing, maar de meesten van hen weten het niet. (Tûr, 52:47)In dit āyah wordt de extra bestraffing geïnterpreteerd als de bestraffing van het graf. Want in het voorgaande āyah wordt de bestraffing die zij op Yawmu’l Qiyāmah zullen ervaren als volgt beschreven.فَذَرۡهُمۡ حَتَّىٰ يُلَٰقُواْ يَوۡمَهُمُ ٱلَّذِي فِيهِ يُصۡعَقُونَ ٤٥Laat ze dus met rust, tot zij hun Dag ontmoeten, waarop zij zullen bezwijmen van schrik. (Tûr, 52:45)

De hier genoemde dag is geen leven in deze wereld; het is het leven van het Hiernamaals. Zo wijst het feit dat zij naast de bestraffing die zij in het Hiernamaals zullen ervaren, ook een andere bestraffing ondergaan, op de bestraffing in het graf.

وَلَٰكِنَّ أَكۡثَرَ ٱلنَّاسِ لَا يَعۡلَمُونَ ١٨٧ …maar de meeste mensen weten het niet. (An`ām, 6:187)

Dit betreft zaken van het verborgen (ghayb). Alleen een mu’min gelooft in het verborgene.

فَوَقَىٰهُ ٱللَّهُ سَيِّـَٔاتِ مَا مَكَرُواْۖ وَحَاقَ بِـَٔالِ فِرۡعَوۡنَ سُوٓءُ ٱلۡعَذَابِ ٤٥Dus Allāh redde hem van het kwade wat zij hadden beraamd, terwijl een kwade bestraffing het volk van Farao omringde.

ٱلنَّارُ يُعۡرَضُونَ عَلَيۡهَا غُدُوّٗا وَعَشِيّٗاۚ وَيَوۡمَ تَقُومُ ٱلسَّاعَةُ أَدۡخِلُوٓاْ ءَالَ فِرۡعَوۡنَ أَشَدَّ ٱلۡعَذَابِ ٤٦Zij zullen aan het Hellevuur worden blootgesteld, in de ochtend en de middag. En de Dag waarop het Uur valt (zal er tegen de engelen gezegd worden): “Laat het volk van Farao de zwaarste bestraffing binnengaan!” (al-Mum’in/Ghāfir, 45-46)

Hier wordt de straf van het graf beschreven, maar de meeste mensen geloven hier niet in. `Abdullah ibn Abbâs (رضي الله عنهما) heeft de āyāt:كـَلَّا سَوۡفَ تَعۡلَمُونَ ٣ Nee! Jullie zullen het weten.ثُمَّ كـَلَّا سَوۡفَ تَعۡلَمُونَ ٤ Nogmaals nee! Jullie zullen het weten (at-Takāthûr, 102: 3-4) zo uitgelegd: Het eerste āyah verwijst naar de straf van het graf; het tweede āyah verwijst naar de straf in het Hiernamaals. Dit is de reden waarom hetzelfde in de āyah twee keer wordt herhaald.Van Zar b. Hubaysh, ‘Ali (رضي الله عنه) zei: "Wij hadden allemaal twijfels over de bestraffing in het graf, maar toen deze āyāt werden geopenbaard, begon iedereen er volledig in te geloven.”

أَلۡهَىٰكُمُ ٱلتَّكَاثُرُ ١ Jacht naar vermeerdering van rijkdom maakt jullie onachtzaam,حَتَّىٰ زُرۡتُمُ ٱلۡمَقَابِرَ ٢ Tot jullie de graven bezoeken. كـَلَّا سَوۡفَ تَعۡلَمُونَ ٣ Nee! Jullie zullen het weten. (at-Takāthûr, 102: 1-3)

Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Resulullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg over de āyah:وَمَنۡ أَعۡرَضَ عَن ذِكۡرِي فَإِنَّ لَهُۥ مَعِيشَةٗ ضَنكٗا وَنَحۡشُرُهُۥ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ أَعۡمَىٰ ١٢٤

Maar iedereen die zich (in kufr) van Mijn Overdenking (de Koran) afkeert: waarlijk, er zal dan voor hem een benauwd leven zijn. En Wij zullen hen verzamelen op Yawmu’l Qiyāmah, in blinde toestand. (Taha, 20:124)Hij vroeg: “Voor wie is dit āyah geopenbaard? En wat betekent ‘benauwd leven’ in dit āyah? Weten jullie dat?”De ashâb antwoordden: “Allāh en Zijn Rasul weten dat het het beste.”Daarop gaf Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم) het volgende antwoord: “(Wat hier wordt beschreven is), is de straf die de kâfir in het graf zal ondervinden. Bij Allāh, aan de kâfir in het graf zullen 99 draakachtige wezens worden gestuurd. Elk van deze draak heeft negen hoofden. Bij elke ademstoot verbranden ze de kâfir tot op de botten, waarna hij weer in zijn oorspronkelijke staat wordt hersteld. Zo zal de straf doorgaan tot Yawmu’l Qiyāmah.

Op Yawmu’l Qiyāmah zal hij blind verschijnen.”Van Abû Sa‘îd el-Khudrî (رضي الله عنه): Resulullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Aan de kāfir worden in zijn graf negenennegentig draken toegewezen die hem blijven verbranden, totdat hij tot as vergaat. Deze bestraffing houdt aan tot aan Yawmu’l Qiyāmah. En als slechts één van deze draken ooit over de aarde zou ademen, zou er nooit meer iets op kunnen groeien.” (İbni Abi Shaybah, 8/102; Ahmad b. Hanbal, 3/38;Darimi,2815)Van `Abdullah b. Amr ibn `al-ʿĀṣ (رضي الله عنهما): "Daarna wordt aan het graf van de kâfir bevolen om hem te samendrukken. Vervolgens komen slangen met draakachtige hoofden en vreten het vlees van de kâfir tot er geen stukje vlees meer op de botten over is. Daarna komen blinde, doof-stomme engelen, die met hun knuppels en speren de kâfir beginnen te slaan."

Je zou kunnen denken dat er tegenstrijdigheden zijn tussen deze overleveringen, omdat sommige ahadîth zeggen dat de kâfir een blinde bewaker krijgt, terwijl andere zeggen dat een doof-stomme engel hem straft. Het is echter belangrijk te beseffen dat de situatie van de kāfirs niet allemaal hetzelfde is. Sommigen ondergaan individuele straf, anderen krijgen collectieve straf. Sommige zonden van kâfirs zijn zwaarder dan die van anderen, en daarom is ook de mate van hun straf verschillend. In deze āyāt wordt gezegd:هَٰذِهِۦ جَهَنَّمُ ٱلَّتِي يُكَذِّبُ بِهَا ٱلۡمُجۡرِمُونَ ٤٣ Dit is de Hel die de misdadigers ontkenden.يَطُوفُونَ بَيۡنَهَا وَبَيۡنَ حَمِيمٍ ءَانٖ ٤٤ Zij zullen daar tussen kokend heet water dolen.(ar-Rahmān 55: 43-44)

Sommige āyāt geven aan dat degenen in de Hel zaqqûm (een bittere, doornige en giftige plant) zullen eten, anderen zullen warm water drinken, sommigen zullen door vuur worden gestraft, en weer anderen door kou. Moge Allāh ons beschermen tegen de straf van het graf en tegen de Hel.Sommige ahadîth melden dat het graf van de kâfir en de munāfiq bekleed zal worden met platen van vuur. De verschillende ahadîth zijn niet tegenstrijdig. Ze wijzen erop dat kâfirs en munāfiqs in graden worden gestraft en dat de straf op verschillende manieren zal plaatsvinden, afhankelijk van hun daden.Van ʿAlī ibn Maʿbad via Abū Ḥāzim: Abū Hurayrah (رضي الله عنه) zei: “Wanneer de overledene in het graf wordt neergelegd, komen speciaal door Allāh gezonden engelen naar hem en vragen: “Wie is jouw Rab?”Als de persoon īmān heeft en standvastigheid is, antwoordt hij: “Mijn Rab is Allāh.”Wanneer hij gevraagd wordt: “Wat is jouw godsdienst (dīn)?” zegt hij: “Mijn dīn is de Islām.”En wanneer hij gevraagd wordt naar zijn Nabī, zegt hij: “Mijn Nabī is Muhammed (صلى الله عليه وسلم).”Daarop geven de engelen hem de blijde tijding van het Paradijs en van Allāh’s welbehagen over hem. Vervolgens zegt de mu’min in het graf: “Laat mij gaan, zodat ik dit aan mijn familie kan vertellen.”De engelen zeggen dan: “Ga nu slapen. Denk hier niet meer over na. Wees gerust.”Maar als de overledene geen īmān heeft (kāfir is) en niet standvastigheid is, antwoordt hij op de vraag “Wie is jouw Rab?” met: “Hāh… (een uitdrukking van spot of verbijstering).”Daarop slaan de engelen hem met de knuppels en lansen die zij bij zich hebben. Het geluid van deze slagen en het geschreeuw van de overledene worden door alle schepselen gehoord, behalve door mensen en djinn.Daarna wordt tegen de kâfir gezegd: “Ga nu slapen, als een kadaver.”

2.20: De bestraffing die de kâfir in het graf ondergaat

Ḥāfiẓ Wāʿilī verhaalt in zijn boek al-Ibānah: van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما): “Op een dag waren wij met enkele metgezellen in de omgeving van Badr aan het rondlopen. Plotseling kwam er een man uit de grond tevoorschijn. Om zijn hals hing een ketting en hij zag er pikzwart uit. Hij zei tegen mij: ‘O ʿAbdullāh, geef mij alstublieft water.’Ik herkende hem niet en begreep ook niet hoe hij mijn naam kende. Bij mij was al-Aswad, die tegen mij zei: ‘Geef hem geen water. Nee, hij is een vijand van Allāh.’Daarop begon de aarde te beven en trok hem weer naar binnen. Ik ging onmiddellijk naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en vertelde hem wat er was gebeurd. Hij zei tegen mij: ‘Dat was de vijand van Allāh, ʿAmr ibn Hishām, dat wil zeggen Abū Jahl. Tot aan Yawmu’l Qiyāmah zal hij op deze wijze, (namelijk door dorst), worden bestraft.”

2.21: De oorzaken van de straf in het graf

Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Het grootste deel van de bestraffing in het graf komt door urineren.” (Ibn Mājah, 384; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/336 en 388)Van ʿIbn ʿAbbās (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) liep langs twee graven en zei: “Zij die hier begraven liggen, ondergaan bestraffing, maar niet wegens een grote zonde. De ene bleef roddelen, de andere gaf geen acht op het uitscheiden van zijn urine.” Daarna vroeg hij om een palmtak, brak deze in tweeën en stak de ene op het ene graf en de andere op het andere graf. Vervolgens zei hij: “InshāʾAllāh zal, zolang deze takken niet verdorren, hun bestraffing verlicht worden.” Beide overleveringen zijn door Muslim overgeleverd. Abû Dāwud vermeldt het met de toevoeging: “Hij gaf geen acht op hoe hij urineerde”, terwijl Ḥannād het overleverde als: “Hij reinigde zich niet na het urineren (idrār).”Van Abû Bakrah (رضي الله عنه): (Hij vertelt hetzelfde incident en voegt toe dat) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: "Als ik jullie de reden zou vertellen waarom deze twee overledenen bestraffing ondergaan, zouden jullie verbaasd zijn: de ene wordt bestraft vanwege het roddel en de ander vanwege het niet letten op het urineren (idrār)." Deze overlevering is overgeleverd door Abû Dāwud.De auteur (al-Qurtubī) legt uit dat hiermee wordt bedoeld dat wanneer men niet volledig aandacht besteedt tijdens het urineren, er restjes achterblijven die na de wudūʾ naar buiten komen en de wudūʾ ongeldig maken. Daarnaast wordt het kleineren van zonden ook genoemd als oorzaak van de bestraffing in het graf.Van Jabir at-Tawîl (رضي الله عنه): Resulullāh (صلى الله عليه وسلم) beval Jabir: “Zie je daar? Ga en neem van die twee bomen een tak. Wanneer je daar bent, breek dan één tak van de rechterkant en één tak van de linkerkant."Jabir zegt dat hij een steen meenam en twee takken afsneed. Toen hij bij Resulullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam, gaf hij hem de takken. Resulullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik had gezegd: één van rechts en één van links.

Heb je dat gedaan?”Jabir antwoordde: “Ja, Resulullāh, ik heb gedaan wat u mij hebt bevolen.”Daarop zei Resulullāh (صلى الله عليه وسلم): “Ik kwam langs twee graven waarvan de overledenen bestraft werden. Ik heb voor hen voorspraak bij Allāh gevraagd. In shā’ Allāh zal, zolang deze takken die ik hier heb geplaatst groen blijven, de bestraffing van degenen die hier rusten worden verlicht.

In deze overlevering wordt bovendien vermeld dat de takken groen moeten blijven. Volgens ons vertellen de eerder genoemde aḥadīth niet hetzelfde verhaal. Wij zijn van mening dat hier twee verschillende gebeurtenissen worden beschreven. Er is dus geen tegenstrijdigheid tussen deze aḥadīth.De hadīth die Abû Dāwud van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam twee graven tegen en zei: “De twee personen die hier begraven liggen, ondergaan bestraffing door zonden die jullie niet als groot beschouwen. De ene was een roddelaar. De ander vertelde de geheimen van mensen door aan anderen en verspreidde de gesprekken tussen de mensen.” Daarna beval Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) om een palmtak en brak het in tweeën. Hij stak het ene stuk in het ene graf en het andere stuk in het andere graf. Vervolgens zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Ik verzocht met nederigheid aan Allāh dat Hij, zolang deze twee stokken niet verdorren, de bestraffing van degenen die hier rusten verlicht.”Roddelen en het doorvertellen van gesprekken wordt beschouwd als een kleine zonde vergeleken met shirk en kufr, maar in werkelijkheid zijn het grote zonden.Sommigen hebben beweerd dat deze overledenen kâfirs waren. Volgens ons is de kans dat het kâfirs waren, echter klein, omdat de straf van een kâfir al zwaar is; hoezeer het ook verlicht wordt, het heeft nauwelijks effect. Bovendien wordt hier vermeld dat zij door bepaalde zonden lijden, niet omdat ze ongelovig zijn.Volgens ons waren de overledenen in deze graven mensen met geloof (īmān). Allāh weet het het beste en het juiste. Maar de meest voor de hand liggende interpretatie vanuit de uiterlijke betekenis van de ḥadīth is dit.

Imām Tahâwî overlevert van Abdullah ibn Mas’ûd (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Moge Allāh ons hiervan verre houden! Er was een man die in het graf gestraft werd met honderd slagen. Hij smeekte en verrichtte du`ā’ tot Allāh, waardoor het aantal werd verlaagd tot één stok. Maar daarna werd het graf weer vol van straf. Toen de man bij zinnen kwam, vroeg hij: “Waarom straffen jullie mij zo?”Er werd geantwoord: “Je verrichtte ṣalāh, maar je wudu’ (of reinheid) was niet volledig. Bovendien liep je langs iemand in nood en je hielp hem niet.” (Tahawi, Mushkilu’l-Asar, 4/231)

Al-Buharî heeft het volgende overgeleverd: Van Samurah ibn Jundub (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg zijn metgezellen (na salāh as-subh) vaak: “Heeft iemand van jullie een droom gezien?”

Hij legde de droom uit zolang als Allāh het wilde.Op een dag zei hij weer tegen ons: 'Wie van jullie heeft een droom gezien’.

Wij zeiden: ‘Nee’.

Hij zei: “Ik heb ongetwijfeld een droom gezien. Vannacht kwamen er twee personen tot mij. Ze pakten mijn hand en brachten me naar het Heilige Land. Zij zeiden tegen mij: ‘Kom met ons mee.’

Ik ging met hen mee, en wij kwamen bij een man die op zijn rug lag te slapen. Er stond iemand boven hem met een enorme steen. Hij sloeg met die steen op zijn hoofd, zodat het werd verbrijzeld. De steen rolde weg. De man die sloeg liep erachteraan, en voordat hij terugkwam, was het hoofd weer zoals het was. Vervolgens herhaalde hij dit opnieuw.”

- “Subḥānallāh! Wat is dit?”- “Kom verder.”We liepen samen verder.

Daarna kwamen wij bij een man die op zijn rug lag, en er stond iemand met een haak van ijzer boven hem. Hij haakte een van zijn mondhoeken tot aan zijn nek open, en zijn neusgat tot aan zijn nek, en zijn oog tot aan zijn nek. Vervolgens deed hij hetzelfde aan de andere kant, en tegen de tijd dat hij klaar was, was de eerste kant weer geheeld.

Toen herhaalde hij de marteling.

- “Subḥānallāh! Wat is dit?”- “Kom verder.”We liepen samen verder.

Toen kwamen we bij iets dat leek op een oven, boven smal en onder breed, waar geschreeuw en stemmen uitkwamen.Toen we erin keken, zagen we naakte mannen en vrouwen. Onder hen kwam een vlam omhoog, telkens wanneer het hen bereikte, schreeuwden zij het uit van de pijn.

- “Subḥānallāh! Wie zijn dit?”- “Kom verder.”We liepen samen verder.

Toen kwamen wij bij een rivier van bloed, waarin een man aan het zwemmen was.Aan de oever stond een man met veel stenen. Telkens als de zwemmer naar de man aan de oever waar stenen liggen kwam, opende zijn mond, waarop de man aan de oever een steen naar hem gooide en hem terugstuurde naar de plek waar hij was.Nadat de man een tijdje had gezwommen, keerde hij terug en naderde opnieuw de andere man. Elke keer opende hij zijn mond, en de man aan de oever gooide een steen naar hem. Telkens wanneer hij probeerde aan land te komen, werd er een steen in zijn mond gegooid en werd hij teruggestuurd naar zijn plaats.- “Subḥānallāh! Wat is dit?”- “Kom verder.”We liepen samen verder.

Toen kwamen we bij een man met een afschrikwekkend uiterlijk, het was de meest afschrikwekkende man die ik ooit gezien heb. Bij deze lelijk uitziende man was een vuur. De man stak het vuur aan en draaide eromheen.

- “Wie is dit?”- “Kom verder.”We liepen samen verder.

We kwamen in een tuin met grote bomen. Er groeiden allerlei lentebloemen. In het midden van de tuin stond een zeer lange man, wiens hoofd bijna tot aan de hemel leek te reiken. Om hem heen waren meer kinderen dan ik ooit eerder had gezien.- “Wie is dit?”- “Kom verder.”We liepen samen verder.

Toen kwamen wij bij een grote boom, groter en mooier dan ik ooit had gezien. Ze zeiden: “Beklim dit.” We begonnen op te stijgen richting een stad die gebouwd was met gouden en zilveren stenen. Toen kwamen we bij de poort van de stad en klopten aan om binnen te mogen. Ze deden open en we gingen samen naar binnen. Een groep mensen kwam ons tegemoet. Sommigen waren van nature buitengewoon mooi, anderen juist zeer lelijk.

Alsof je nog nooit zulke uitersten van schoonheid en lelijkheid had gezien.Zij werden bevolen: “Ga naar die rivier.”

Blijkbaar was er daar een open rivier. Het water leek op pure melk, helder en spierwit. Ze gingen erin en kwamen er weer uit, volledig ontdaan van hun lelijkheid. Beide kanten van hun uiterlijk waren nu op hun mooiste gesteld. De twee personen die mij rondleidden zeiden: “Dit is het Paradijs van Adn dat je ziet. Dit is ook jouw verblijfplaats.” Ik wendde mijn blik en zag dat het een paleis was, wit als een wolk. Ik zei: “Leid me rond, ik wil naar binnen!” Ze zeiden: “Nog niet, maar je zult er zeker binnenkomen.”Ik zei: “Ik heb vannacht verbazingwekkende dingen gezien. Wat waren al deze zaken?”

Wij zullen het je vertellen,” zeiden ze en begonnen uit te leggen:“Die eerste man die je zag met het hoofd vol stenen, kreeg van Allāh het Qur’ān al-Karīm onderwezen, maar hij verkoos slaap boven het Qur’ān en leefde overdag niet volgens het Qur’ān al-Karīm. Zelfs de verplichte ṣalāh verrichtte hij slapend niet. Daarom wordt hij tot op Yawmu’l Qiyāmah op deze manier gestraft! De man van wie het gezicht tot aan de nek, zijn neus en ogen zijn afgeschaafd, is iemand die zijn huis verlaat om leugens te verzinnen en overal leugens verspreidt. Daarom wordt hij tot Yawmu’l Qiyāmah zo gestraft! De mannen en vrouwen die je naakt zag in een nauwe bovenkant en brede onderkant zoals een oven, zijn degenen die ontucht (zinā) begaan. De man die in een rivier zo rood als bloed zwemt en stenen in zijn mond krijgt gegooid, is iemand die rente (riba’) heeft geconsumeerd

De lelijk uitziende man met een slechte aanblik die bij het vuur stond en eromheen draaide, is de bewaker van de hel, Mâlik. De lange man die je in de tuin zag, was Ibrāhīm (عليه السلام). De kinderen om hem heen zijn degenen die als mu’mins gestorven zijn vanaf hun natuurlijke aanleg (fiṭrah). Wat betreft de mannen die deels mooi en deels lelijk waren, dit zijn degenen die goede en slechte daden door elkaar halen en beide doen. Allāh heeft hen vergeven.

Het eerste huis dat je binnenging, is het huis van alle mu’mins, dit huis daarentegen is het huis van de martelaren.“Ik ben Jibrīl. Dit is Mikā’īl. Hef je hoofd op!” zei men. Ik hief mijn hoofd op en zag iets boven mij dat op een wolk leek. Ze zeiden tegen mij: “Dit is jouw huis.” Ik zei: “Laat me binnen, zodat ik mijn huis kan binnengaan.” Die twee personen zeiden: “Maar je hebt nog een leven dat je niet hebt voltooid; als je dat had voltooid, zou je je huis zijn binnengaan.” (Al-Bukharī, 854,1146,1386,2085,2791; at-Tirmiḏī , 2294)

UitlegVolgens onze geleerden is de meest verklarende hadîth betreffende de bestraffing in het graf de overlevering van al-Bukhârî. Het feit dat de overledene in het graf “slaapt”, verandert de realiteit van de zaak niet. Want een droom is voor de anbiyā’ een manier van openbaring. Moge Allāh ons hun voorspraak doen bereiken. Bijvoorbeeld, de droom van Ibrâhîm (عليه السلام) was als volgt:

فَلَمَّا بَلَغَ مَعَهُ ٱلسَّعۡيَ قَالَ يَٰبُنَيَّ إِنِّيٓ أَرَىٰ فِي ٱلۡمَنَامِ أَنِّيٓ أَذۡبَحُكَ فَٱنظُرۡ مَاذَا تَرَىٰۚ قَالَ يَٰٓأَبَتِ ٱفۡعَلۡ مَا تُؤۡمَرُۖ سَتَجِدُنِيٓ إِن شَآءَ ٱللَّهُ مِنَ ٱلصَّٰبِرِينَ ١٠٢

En toen hij oud genoeg was om zijn vader te helpen zei hij (Ibrahim): “O mijn zoon! Ik heb in een droom gezien dat ik jou zal offeren, wat denk jij daarvan!” Hij zei: “O mijn vader! Doe wat jou bevolen is. Als Allāh het wil, zul jij mij onder de geduldigen vinden.” (as-Sāffāt, 37:102)

De hadîth van Imām Tahâwî ondersteunt dit. Deze ahadîth vormen een mooie reactie voor de Khârijieten en de kâfirs. Imām Tahâvî wijst in de uitleg van deze hadîth op een ander punt: De persoon wiens ṣalāh gebrekkig is, wordt bestraft. De reden dat zijn ṣalāh gebrekkig is, ligt in het feit dat zijn reiniging onvolledig was. Toch heeft deze persoon Allāh gesmeekt om verlichting van zijn bestraffing, en Allāh heeft zijn du`ā’ aanvaard. Als iemand die de ṣalāh niet verricht een kāfir zou zijn, dan zou ook degene die vanwege onvolledige reiniging wordt bestraft een kāfir moeten zijn. Maar de du`ā’ van een kāfir wordt niet verhoord: لَهُۥ دَعۡوَةُ ٱلۡحَقِّۚ وَٱلَّذِينَ يَدۡعُونَ مِن دُونِهِۦ لَا يَسۡتَجِيبُونَ لَهُم بِشَيۡءٍ إِلَّا كَبَٰسِطِ كَفَّيۡهِ إِلَى ٱلۡمَآءِ لِيَبۡلُغَ فَاهُ وَمَا هُوَ بِبَٰلِغِهِۦۚ وَمَا دُعَآءُ ٱلۡكَٰفِرِينَ إِلَّا فِي ضَلَٰلٖ ١٤

Tot Hem is het ware gebed.

En degenen die zij naast Hem aanroepen, geven hen niet meer antwoord dan degenen die zijn hand uitsteekt zodat het water zijn mond zal bereiken, maar het bereikt hem niet, en de aanroepingen van de kāfirs zijn nutteloos. (Ra`d, 13:14)Maar de du`ā’ van deze persoon werd wel geaccepteerd. Dus deze persoon die tekortschiet in zijn ṣalāh is geen kâfir. Hieruit volgt dat iemand die geen ṣalāh verricht, niet een kâfir is.De overlevering van al-Bukhârî en Muslim wijst erop dat na het urineren (idrār) het verrichten van istibrâ (volledige reiniging na urineren om wudūʾ geldig te houden ) verplicht is. Volgens de hadîth van Ibn Wahb en Imām Mālik wordt de salāh van iemand die niet let op reinheid na urineren en geen istibrâ verricht, niet aanvaard.

WaarschuwingSommigen van onze vrienden, zoals aan ons is overgeleverd, hebben gezegd dat het graf waar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een palmtak op plantte, het graf van Sa‘d b. Mu‘ādz (رضي الله عنه) was. Dit is echter volledig onjuist. Want hier is een andere situatie aan de orde. Het graf had eerst deze metgezel samengedrukt; daarna kwam hij tot rust.Dit is overgeleverd door Yūnus b. Bakr van Muḥammad b. Ishāq. Aan sommige familieleden van Sa‘d werd gevraagd waarom het graf hem samendrukte; zij antwoordden: “Hij was soms onzorgvuldig wanneer hij zich tegen zijn urine moest beschermen.”Hannād b. Sirri vertelt: … van al-Ḥasan: Sa‘d b. Mu‘ādz (رضي الله عنه) had een wond opgelopen; Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had toen een vrouw gestuurd om hem te verzorgen.

In de nacht dat hij stierf, kwam Jibrīl (عليه السلام) en bracht het nieuws: “Vannacht is een man overleden. De `Arsh trilde vanwege zijn ontmoeting met Allāh.”De persoon die bedoeld werd, was Sa‘d b. Mu‘ādz (رضي الله عنه). Daarop ging Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar zijn graf, sprak de takbîr uit, verrichtte du`ā’ en sprak de Kalimat al-Tawhîd uit.De aanwezigen vroegen: “O Rasûlullāh! U deed dit niet eerder.”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Zij drukten hem in het graf zó samen, dat hij als een haar werd. Ik heb Allāh du`ā’ verricht en om genade voor hem gevraagd. De reden dat het graf hem samendrukte, was dat hij soms onzorgvuldig was wanneer hij zich tegen zijn urine moest beschermen. Abū Muhammad ‘Abdulghalīb, beter bekend als Salimî, zegt: “Overleveringen betreffende de bestraffing in het graf zijn voldoende talrijk. Zij zijn bevestigd door ahadîth en laten geen enkele ruimte voor twijfel. Eén van deze ahadîth betreft Sa‘d b. Mu‘ādz (رضي الله عنه) is: “De grond drukte hem zo samen dat al zijn botten tegen elkaar lagen.”De asḥāb zeiden dat de reden hiervoor was, dat hij nalatig was in het zich behoeden tegen zijn urine.In de uitdrukking van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) "daarna werd hij daarvan bevrijd" wordt aangegeven dat de genoemde ṣaḥābī zijn straf voor deze fout heeft ondergaan. Maar deze situatie betekent echter niet dat zijn bestraffing aanhield. Zoals in de hadîth staat vermeld, heeft alleen dit gebrek hem tijdelijk in het graf samengedrukt; daarna kwam hij tot rust. Deze situatie doet geen afbreuk aan de deugdzaamheid van deze ṣaḥābī. Ook hij is immers een dienaar, en vanwege zijn fout werd hem op deze manier behandeld. Uit de overlevering blijkt dat de engelen zich zeer verheugden over zijn overlijden en zijn ontmoeting met Allāh, maar desalniettemin werd het bevel van Allāh uitgevoerd vanwege zijn dienaarschap.

Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft de āyah:

سُبۡحَٰنَ ٱلَّذِيٓ أَسۡرَىٰ بِعَبۡدِهِۦ لَيۡلٗا مِّنَ ٱلۡمَسۡجِدِ ٱلۡحَرَامِ إِلَى ٱلۡمَسۡجِدِ ٱلۡأَقۡصَا ٱلَّذِي بَٰرَكۡنَا حَوۡلَهُۥ لِنُرِيَهُۥ مِنۡ ءَايَٰتِنَآۚ إِنَّهُۥ هُوَ ٱلسَّمِيعُ ٱلۡبَصِيرُ ١Verheerlijkt is Hij Die ’s nachts Zijn dienaar (Mohammed) van de Al-Masjid al-Haram (de Gewijde Moskee te Makkah) naar Al-Masjid al Aqsā (de Verste Moskee) heeft gebracht, waarvan Wij de omgeving gezegend hebben opdat Wij hem Onze Tekenen kunnen laten zien. Waarlijk, Hij is de Alhorende, de Alziende. (Isrā, 17:1) Als volgt uitlegde: Jibrīl (عليه السلام) bracht Buraq (een snel, gevleugeld rijdier, groter dan een ezel maar kleiner dan een kameel) en liet Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) erop plaatsnemen. Buraq deed één stap en bereikte de horizon. Jibrīl reed Buraq voort. Toen kwamen ze een volk tegen. Dit volk zaaide het ene dag hun gewassen en oogstte het de volgende dag. Daarna keerde het veld weer terug naar zijn oorspronkelijke staat. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg: “O Jibrīl! Wie zijn dit?” Jibrīl antwoordde: “Dit zijn de Muhâjirîn. Allāh heeft hun beloning verzevenhonderdvoudigd.

قُلۡ إِنَّ رَبِّي يَبۡسُطُ ٱلرِّزۡقَ لِمَن يَشَآءُ مِنۡ عِبَادِهِۦ وَيَقۡدِرُ لَهُۥۚ وَمَآ أَنفَقۡتُم مِّن شَيۡءٖ فَهُوَ يُخۡلِفُهُۥۖ وَهُوَ خَيۡرُ ٱلرَّٰزِقِينَ ٣٩Zeg: “Waarlijk, mijn Heer vergroot de voorziening van wie Hij wil van Zijn dienaren, en beperkt voor hen. En alles wat jullie aan bijdragen uitgeven zal Hij vergoeden. En Hij is de beste van de Voorzieners.” (Saba, 34:39)

Daarna kwamen ze een ander volk tegen. Hun hoofden werden met rotsblokken geslagen en volledig verbrijzeld. Vervolgens keerden hun hoofden weer terug naar hun oorspronkelijke staat en zo bleef de bestraffing voortdurend. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg wie dit waren. Jibrīl antwoordde: “Dit zijn degenen die zich van de ṣalāh afzijdig houden/weigeren de ṣalāh te verrichten.”Toen kwamen ze weer een andere groep tegen. Op hun ruggen en achterkanten groeiden doornige en giftige planten. Zo ondergingen zij hun straf. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg wie zij waren. Jibrīl zei: “Dit zijn degenen die geen zakâh geven en (hun familie of behoeftigen) niet helpen. Allāh is niet onrechtvaardig. Maar zij verdienen dit.”Vervolgens kwamen ze bij een andere groep. Voor hen lagen āyah vlees en karkassen. Maar zij aten niet het verse vlees, maar de karkassen. Jibrīl legde het als volgt uit: “Dit zijn degenen die, terwijl zij zuivere echtgenotes hebben, toch naar slechte vrouwen gaan.”Daarna zagen ze langs de weg verschillende planten en bomen. Iedereen die voorbij kwam, vertrapte ze en rukte ze los. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg wie dit waren.

Jibrīl antwoordde met dit āyah: وَلَا تَقۡعُدُواْ بِكُلِّ صِرَٰطٖ تُوعِدُونَ وَتَصُدُّونَ عَن سَبِيلِ ٱللَّهِ مَنۡ ءَامَنَ بِهِۦ وَتَبۡغُونَهَا عِوَجٗاۚ وَٱذۡكُرُوٓاْ إِذۡ كُنتُمۡ قَلِيلٗا فَكَثَّرَكُمۡۖ وَٱنظُرُواْ كَيۡفَ كَانَ عَٰقِبَةُ ٱلۡمُفۡسِدِينَ ٨٦

En zit niet op iedere weg, terwijl jullie degenen die in Hem geloven bedreigen en afhouden van het Pad van Allāh, wensend dat het krom was. En gedenk toen jullie met weinigen waren en Hij jullie talrijk deed worden. En zie hoe het einde van de verderfzaaiers was. (A`rāf, 7:86)Toen kwamen ze een man tegen. De man stond met een enorme last voor zich. Hij kan de last niet dragen, maar probeert toch steeds dingen uit de omgeving op zijn last te leggen. Jibrīl zei: “Dit is degene die het vertrouwen (amanah) dat hem is toevertrouwd, heeft verraden.”Vervolgens kwamen ze nog een volk tegen. Hun lippen werden met ijzeren scharen gesneden. Elk afgesneden stukje werd weer teruggezet en zo bleven zij hun straf ondergaan. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg wie dit waren en leerde dat dit roddelaars en veroorzakers van fitnah waren.Uiteindelijk kwamen ze een steen tegen. Uit de steen kwam een os tevoorschijn en probeerde weer terug te keren. Jibrīl zei dat dit een man was die berouw had over zijn woorden en probeerde het recht te zetten. (Bayhaqi, Dalāilu'n-Nubuwwah, 2/397-403)Abû Harūn al-‘Abdî overlevert van Abû Hurayrah (رضي الله عنه) het volgende: “De ṣaḥāba vroegen aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “O Rasûlullāh!

Wilt u ons vertellen over de Isrā’-nacht?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vertelde: “Ik begon samen met Jibrīl (عليه السلام) te stijgen. Voor ons verscheen een engel genaamd Ismā‘īl. Deze engel was verantwoordelijk voor het hemelse domein van de aarde. Onder zijn bevel stonden 70.000 engelen, en elk van deze 70.000 engelen had 100.000 strijders. Allāhu Ta‘ālā zegt hierover: وَمَا يَعۡلَمُ جُنُودَ رَبِّكَ إِلَّا هُوَۚ … En niemand kent de legerscharen van jullie Heer, behalve Hij…. (al-Muddathir, 74:31)Jibrīl leidde de weg en wij gingen verder. Voor ons verscheen Ādam (عليه السلام), zoals bij zijn schepping. Alle arwāh van zijn nakomelingen tot aan Yawmu’l Qiyāmah stonden voor hem. Eerst kwamen de arwāh van de mu’mins. Ādam (عليه السلام) zei: “Wat een mooie rûḥ. Wat een rein mens. Plaats deze in Illiyyūn.”Daarna werden de arwāh van de kâfirûn uit zijn nakomelingen gebracht. Ādam (عليه السلام) zei: “Wat een slechte rûḥ. Wat een slecht mens. Stuur deze naar Sijjīn.”Wij gingen verder. We kwamen een volk tegen voor wie bedorven vlees lag, en zij aten het. Het vlees was zo vies dat niemand durfde dichtbij te komen.Daarna zagen wij een andere groep. Voor hen lag ook rot en vergaan vlees, en zij aten allen daarvan. Ik vroeg aan Jibrīl wie dit waren. Hij zei: “Dit is een groep van jouw ummah. Deze mensen aten harām terwijl halāl voor hen beschikbaar was.”We vervolgden onze weg en kwamen nog andere mensen tegen. Daar waren mensen met buiken zo groot als huizen. Ze rolden van de ene kant naar de andere kant en probeerden te ontsnappen. Een van hen zei: “O Allāh, laat Yawmu’l Qiyāmah alstublieft niet komen.” Een ander zei: “De soldaten van Fir`awn komen eraan.” Toen ik vroeg wie deze mensen waren, antwoordde Jibrīl: “Dit zijn degenen uit jouw ummah die rente hebben genomen/gegeven.

ٱلَّذِينَ يَأۡكُلُونَ ٱلرِّبَوٰاْ لَا يَقُومُونَ إِلَّا كَمَا يَقُومُ ٱلَّذِي يَتَخَبَّطُهُ ٱلشَّيۡطَٰنُ مِنَ ٱلۡمَسِّۚ … ٢٧٥

Degenen die rente verteren zullen op geen andere wijze (uit hun graven) herrijzen dan als iemand die door de duivel werd bezeten, die hen in waanzin leidt… (Baqarah, 2:275)We vervolgden onze weg. We zagen mensen met een uiterlijk als de bult van een kameel. Vuurstukken werden in hun monden gegooid. De hete kolen verbrandden hun lichamen en kwamen weer uit hun voeten. Ik hoorde hen smeken tot Allāh. Toen ik vroeg wie zij waren, zei Jibrīl: “Dit zijn degenen uit jouw ummah die de bezittingen van wezen hebben gegeten. إِنَّ ٱلَّذِينَ يَأۡكُلُونَ أَمۡوَٰلَ ٱلۡيَتَٰمَىٰ ظُلۡمًا إِنَّمَا يَأۡكُلُونَ فِي بُطُونِهِمۡ نَارٗاۖ وَسَيَصۡلَوۡنَ سَعِيرٗا ١٠

Waarlijk, degenen die onrechtmatig de eigendommen van de wezen eten, eten slechts. (an-Nisā 4:10)

Daarna zag ik vrouwen die aan hun haren opgehangen waren. Ook zij huilden en smeekten. Toen ik vroeg wie zij waren, legde Jibrīl uit: “Dit zijn ook mensen uit jouw ummah, vrouwen die zondige relaties (zinā) hebben gehad of tot zinā hebben aangespoord.”Ik zag ook andere mensen. Bij sommigen werd vlees van hun lichaam afgesneden en aan henzelf gevoerd.

De engelen zeiden: “Dit is de straf voor het eten van het vlees van je broeders.” Toen ik vroeg wie zij waren, zei Jibrīl: “Dit zijn degenen die mensen bespotten, roddelen, spotten met woorden, en anderen kleineren.”In een andere hadīth, overgeleverd door Abū Dāwūd van Anas bin Mālik (رضي الله عنه): Toen ik op Mi‘rāj was, zag ik mannen met ijzeren klauwen. Zij krabden voortdurend hun gezichten en borsten open. Ik vroeg: “Wie zijn deze, o Jibrīl?”Hij antwoordde: “Dit zijn degenen die het vlees van mensen eten (dat wil zeggen, zij die roddelen, woorden verspreiden en mensen kleineren)”. (Abû Dāwûd, 4857; at-Tirmiḏī , 3157)

2.22: De blijde boodschap die aan de mu’min in het graf wordt gegeven

Kābū’l-Aḥbār vertelt: Wanneer een vrome dienaar in het graf wordt gelegd, begint hij bang te worden voor zijn daden. Daarna komen de engelen van de bestraffing tot aan zijn voeten. Op dat moment zegt de ṣalāh die de dienaar heeft verricht: “Blijf weg van deze dienaar.” Hierop proberen de engelen van de bestraffing dichterbij te komen, ter hoogte van zijn hoofd. Dan verdedigen zijn vasten: “Jullie kunnen deze dienaar niet benaderen, want deze dienaar heeft in de wereld veel dorst geleden.” Vervolgens proberen de engelen van de bestraffing tot aan zijn buik te komen. Dan verdedigen zijn Ḥaj en jihād hem: “Kom niet dichterbij. Blijf op afstand. Deze dienaar heeft in de wereld zijn bezit en zijn leven op Weg van Allāh ingezet.”Daarna proberen de engelen van de bestraffing hem via zijn handen te benaderen. Hier verdedigen de sadaqāt hem die hij heeft gegeven. Hierop geven de engelen deze rechtschapen dienaar het goede nieuws: “Slaap nu rustig. Je hebt een goed leven geleid en op een deugdzame manier het leven verlaten.”Wij zeggen dat deze overlevering niet in tegenspraak is met eerdere overleveringen, omdat de levens van de dienaren verschillend zijn en hun daden ook verschillen. Daarom varieert de behandeling van mensen in het graf. Allāh weet het het beste.

2.23: Zijn toevluchten zoeken tot Allāh tegen de bestraffing van het graf en andere beproevingen in het graf

Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam eens bij mij langs, terwijl er bij mij een joodse vrouw aanwezig was. De vrouw zei tegen mij: “Jullie zullen lijden in het graf.”Hierop antwoordde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) streng tegen de vrouw: “Degenen die lijden en bestraft zullen worden in het graf, zijn de joden.”Enkele nachten later zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Weet je, het is mij geopenbaard dat ook jullie in het graf moeilijkheden zullen ondervinden.” (An-Nasā’ī, 4/104 en 105)Volgens een andere overlevering van ʿĀʾishah (رضي الله عنها) zocht Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) toevlucht bij Allāh tegen de bestraffing van het graf. (Muslim, 5/85; Aḥmad b. Ḥanbal, 6/189)Van Asmā’ (رضي الله عنها), de zus van ʿĀʾishah (رضي الله عنها), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Volgens de openbaring die aan mij kwam, zullen ook de mu’mins lijden in het graf, vergelijkbaar met de beproeving van de Dajjāl. Maar het hoe daarvan is mij nog niet geopenbaard." (An-Nasā’ī, 4/104; Aḥmad b. Ḥanbal, 6/345)Van Asmā’ (رضي الله عنها): In het graf komt er voor iedereen een engel en vraagt: “Wat weet je over deze man? Heb je enig bewijs?”Een mu’min en oprechte persoon antwoordt: “Dat is Muhammad (صلى الله عليه وسلم). Hij is onze Nabī. Hij is tot ons gekomen met bewijzen en tekenen, en wij hebben in alles geloofd en erkend dat het waar is.”Deze vraag wordt drie keer herhaald. Daarna wordt tegen hem gezegd: “Slaap nu gerust. Wij wisten al dat jij een mu’min bent. Slaap nu mooi en rustig.” Degene die een huichelaar is of twijfelt, zegt: “Ik ken hem niet” of “Mensen zeiden allerlei dingen en ik herhaalde ze maar.” (Muslim)Al-Bukharī vermeldt de volgende overlevering van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichte de du`ā’ :“O mijn Rab!

Ik zoek mijn toevlucht bij U tegen de bestraffing van het graf, de bestraffing van het Hellevuur, tegen de moeilijkheden die wij zullen ondervinden in leven en dood, en tegen de beproeving van de masīh ad-Dajjāl.” (Al-Bukharī, 2/317; Muslim, 5/87; An-Nasā’ī, 3/103; at-Tirmiḏī , 3595; Aḥmad ibn Ḥanbal, 6/189). Er zijn veel ṣaḥīḥ aḥādīth over dit onderwerp.

2.24: De dieren zullen op de hoogte zijn van de bestraffing in het graf

Van Zayd bin Sābit (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was bij iemand van Banī Najjār, naast een muur. Hij was op zijn muildier. Wij waren ook aanwezig. Toen gebeurde er iets: Het muilezel stond op het punt Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) omver te werpen. Toen zagen we dat er zes, vijf of vier graven waren. (overleveraar Harīrī vermeldt hetzelfde aantal). Vervolgens vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Wie is de eigenaar van deze graven? Weet iemand dat?” Een man antwoordde: “Ik weet het.”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg: “Wanneer zijn zij gestorven?” De man zei: “Zij stierven vóór de komst van de Islām. Zij waren polytheïsten.”Op dat moment zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Zij ondergaan bestraffing in hun graven. Als ik wist dat jullie het konden verdragen, zou ik bij Allāh hebben verzocht dat jullie hun bestraffing (en hun klaagzang) net zoals ik konden horen.” (Ahmad b. Hanbal, 3/3, 233 ve 346)

Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): Er kwamen twee oude joodse vrouwen bij mij. Ze vertelden mij dat de doden in het graf bestraffing ondergaan. Ik geloofde het niet. Later kwam Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Ik vertelde hem wat er gebeurd was. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde mij: “Zij hebben de waarheid gesproken. De doden ondergaan bestraffing in het graf. En alle dieren zullen het horen.” (Muslim, 17/204; An-Nasā’ī, 4/105) ʿĀʾishah (رضي الله عنها) vervolgt: Sinds die dag heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) na elke ṣalāh toevlucht gezocht bij Allāh tegen de bestraffing van het graf en verrichtte du`ā’.

… Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): Een joodse vrouw kwam bij mij en vertelde mij over de bestraffing in het graf. Natuurlijk geloofde ik haar niet. Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam, legde ik hem de situatie voor. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Bij Degene Die mijn ziel in Zijn hand heeft, mijn ummah zal bestraffing in het graf ondergaan. En de dieren zullen hun stemmen horen.” (Muslim, 5/86; Aḥmad b. Ḥanbal, 6/44; An-Nasā’ī, 1/236)

Volgens onze geleerden reageerde de muilezel van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op deze manier omdat hij hoorde wat er in de graven met de overledenen gebeurde. Het dier is hierdoor geschrokken. Mensen en djinn kunnen deze geluiden en gebeurtenissen echter niet horen of zien. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als jullie het gehoord zouden hebben, zouden jullie het niet hebben kunnen verdragen.” Het feit dat wij deze geluiden en gebeurtenissen in het graf niet kunnen horen of zien, is vanwege Allāh’s Barmhartigheid. Immers, de mens kan dit niet verdragen. Zelfs het geluid van donder of bliksem kan angst en paniek veroorzaken. Bij een aardbeving raakt men verward en geschokt. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei over een begrafenis: “Als iemand dit hoorde, zou hij flauwvallen (of doodgaan).”Wij zeggen: Als de toestand van slechte mensen al zo slecht is bij het begin van de ondervraging in het graf, hoe erg zal hun situatie dan zijn wanneer zij hun straf ondergaan! Moge Allāh ons beschermen tegen dergelijke toestanden. Moge Allāh ons niet op deze manier behandelen. Moge Allāh onze zonden vergeven en ons genadig zijn.

Verhaal

Abū Muhammed Abdulhaq vertelt: De grote fiqh-geleerde Abū’l-Hakîm bin Rajjân (رَحِمَهُ اللهُ), een groot geleerde, zei: Ten oosten van Ishbīlīyah werd een overledene begraven. Na de begrafenis begonnen sommigen bij het graf te wenen. Op dat moment kwam een hagedis en bleef bij het graf staan. Hij spitste zijn oren en richtte zich naar het graf, alsof hij luisterde. Plotseling draaide hij zich om en vluchtte. Even later stopte hij, keerde terug en begon opnieuw naar het graf te luisteren. Na een tijdje te hebben geluisterd, trok hij zich angstig weer terug.Abū Muhammed Abdulhaq zegt verder: Op dat moment herinnerde ik me de ḥadīth over de bestraffing in het graf: “In het graf worden de doden bestraft. De dieren horen deze bestraffing en horen de kreten van degene die gestraft wordt.”Toen Abū Muhammed Abdulhaq ons dit voorval vertelde, lazen wij in Muslim over dit onderwerp.

Allāh weet het het beste. Maar hier ligt een wijze les en een voorbeeld voor ons.

2.25: De overledene hoort wat er bij het graf wordt gesproken

Van Anas (رضي الله عنه): ‘Umar ibn al-Khattāb (رضي الله عنه) vertelde over de gebeurtenis van Badr dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de dag ervoor al had aangegeven waar en welke kâfir zou worden gedood: “Met de toestemming van Allāh zal die en die kâfir morgen precies daar en daar orden gedood." (Muslim, 17/204; Nasa`ī, 4/105; Aḥmad ibn Ḥanbal, 6/44) ‘Umar (رضي الله عنه) vertelde verder: "Bij Allāh, op die dag werden ze precies op de plaats gedood die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had aangewezen. Daarna werden alle kâfirs in een kuil gegooid. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam naar hen toe en zei: 'O zo-en-zo, zoon van zo-en-zo! Begrijpen jullie nu dat alles wat Allāh en Zijn Rasûl hebben gezegd de waarheid is? Ik heb gezien dat alles wat mijn Rab mij heeft beloofd, de waarheid is.”‘Umar (رضي الله عنه) vroeg: “O Rasûlullāh, hoe spreekt u met lichamen zonder rûḥ?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Jullie horen niet beter wat ik zeg dan zij. Maar zij zijn niet in staat om te antwoorden.” (Muslim, 2873)

Eveneens van ‘Umar (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bezocht de kâfirs die tijdens de slag bij Badr waren gedood drie keer. De laatste keer riep hij: “O Abū Jahl b. Hishām! O Umayyah b. Khalaf! O Utba b. Rabīa! Hoe is het met jullie? Hebben jullie ingezien dat de straf die jullie Rab heeft beloofd terecht is? Ik heb gezien dat wat mijn Rab mij heeft beloofd, de waarheid is.”ToenʿUmar dit hoorde, zei hij: “O Rasûlullāh! Horen zij dit? En kunnen zij antwoorden? Zijn dit niet rûḥloze lijken?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Bij Degene Die mijn leven geeft en mijn rûḥ bezit! Zij begrijpen mij veel beter dan jullie. Maar zij zijn niet in staat om mij te antwoorden.”Daarna beval Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dat zij in een kuil werden gesleept en daarin gegooid. (Al-Bukharī, 7/200)

Beste broeder, moge Allāh tevreden over je zijn.

Het is belangrijk te weten dat het feit dat ʿĀʾishah (رضي الله عنها) de woorden van een joodse vrouw niet geloofde, gebaseerd is op de āyāt:فَإِنَّكَ لَا تُسۡمِعُ ٱلۡمَوۡتَىٰ وَلَا تُسۡمِعُ ٱلصُّمَّ ٱلدُّعَآءَ إِذَا وَلَّوۡاْ مُدۡبِرِينَ ٥٢

Voorwaar, jij kunt de doden noch de doven de oproep laten horen wanneer zij hun ruggen laten zien, zich afkerend. (Rûm, 30:52)

وَمَا يَسۡتَوِي ٱلۡأَحۡيَآءُ وَلَا ٱلۡأَمۡوَٰتُۚ إِنَّ ٱللَّهَ يُسۡمِعُ مَن يَشَآءُۖ وَمَآ أَنتَ بِمُسۡمِعٖ مَّن فِي ٱلۡقُبُورِ ٢٢

Noch zijn de levenden gelijk aan de doden. Waarlijk, Allāh laat horen wie Hij wil maar jij kunt degenen die in de graven zijn niet laten horen. (Fatır, 35:22)

يُثَبِّتُ ٱللَّهُ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ بِٱلۡقَوۡلِ ٱلثَّابِتِ فِي ٱلۡحَيَوٰةِ ٱلدُّنۡيَا وَفِي ٱلۡأٓخِرَةِۖ وَيُضِلُّ ٱللَّهُ ٱلظَّٰلِمِينَۚ وَيَفۡعَلُ ٱللَّهُ مَا يَشَآءُ ٢٧

Allāh versterkt degenen die geloven met de standvastige uitspraak (de geloofsbelijdenis) tijdens het wereldse leven en in het Hiernamaals. En Allāh zal degenen die onrechtvaardig zijn laten dwalen, en Allāh doet wat Hij wil.

(Ibrāhīm, 14:27)(Aangezien de aḥadīth over het leven in het graf toen nog niet algemeen bekend waren, handelde ʿĀʾishah (رضي الله عنها) volgens deze āyāt.)Er is hier geen tegenstrijdigheid. Spreken tot de doden bij Badr en wat in de Qur’ān wordt gezegd, betreft verschillende zaken. Immers, het is Allāh die de doden in het graf laat horen. In sommige gevallen kan iemand in het graf deze geluiden horen, maar dat betekent niet dat hij ze altijd hoort. Zoals eerder vermeld in een andere ḥadīth zegt Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “De persoon in het graf hoort zelfs jullie voetstappen.”Ibn ‘Abdi’l-Bar vermeldt in zijn werk at-Tamhîd wa’l-İstizkâr: van Ibn ‘Abbās (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: "Wanneer iemand een graf bezoekt van een mu’min broerder, die hij in dit leven kende, hem salām geeft, dan herkent de overledene hem en antwoordt hij op zijn salām." Abû Muhammed Abdulhaq bevestigt dat deze ḥadīth authentiek (ṣaḥīḥ) is.

2.26: Mu’mins zullen, met Allahs hulp, zowel in dit leven als in het Hiernamaals op al-Qawli ath-Thâbit* zijn

[al-Qawli ath-thâbit is het ware, standvastige geloofswoord waarmee Allāh de mu’min ondersteunt in dit leven en na de dood.]

Van Barrâ bin `Azîb (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh zal degenen (die in Hem en Zijn Rasûl geloven), zowel in dit leven als in het Hiernamaals op het rechte pad (en de weg van (de kalima-i tawhîd) beschermen.”يُثَبِّتُ ٱللَّهُ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ بِٱلۡقَوۡلِ ٱلثَّابِتِ فِي ٱلۡحَيَوٰةِ ٱلدُّنۡيَا وَفِي ٱلۡأٓخِرَةِۖ وَيُضِلُّ ٱللَّهُ ٱلظَّٰلِمِينَۚ وَيَفۡعَلُ ٱللَّهُ مَا يَشَآءُ ٢٧

Allāh versterkt degenen die geloven met de standvastige uitspraak (de geloofsbelijdenis) tijdens het wereldse leven en in het Hiernamaals. En Allāh zal degenen die onrechtvaardig zijn laten dwalen, en Allāh doet wat Hij wil. (Ibrahim 14:27)Deze āyah werd geopenbaard met betrekking tot de bestraffing in het graf. Wanneer een mu’min in het graf wordt gevraagd: ‘Wie is jouw Rab?’, zal hij antwoorden: ‘Mijn Rab is Allāh; mijn Nabī is Muhammed.’ Dat hij zo antwoordt, is een barmhartigheid van deze āyah. (Muslim, 17/204; Nesa`i, 4/101; Ibni Mâjah, 4269)

Volgens een overlevering zijn deze woorden toegeschreven aan Barrâ (رضي الله عنه), omdat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hier niet expliciet genoemd wordt. Ik zeg: ook al zijn deze woorden aan Barrâ toegeschreven, hij zou dit niet op eigen initiatief hebben gezegd. Immers, (dit betreft het onzichtbare (ghayb) en het geloof (îmân). Daarom moet hij het van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hebben gehoord.

Van Barrâ bin Azîb (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer een mu’min in het graf wordt geplaatst en zijn rûḥ herenigt met zijn lichaam, zegt hij: ‘Ashhadu allā ilāha illa Allāh wa ashhadu anna Muhammadan Rasûlullāh’ (Ik getuig dat er geen godheid is behalve Allāh en ik getuig dat Muhammed (صلى الله عليه وسلم) de boodschapper van Allāh is).” De bewijs hiervoor is de āyah van hierboven (Ibrahim 14:27).Abû Dâwûd vermeldt in zijn Sunan dezelfde overlevering van Barrâ (رضي الله عنه): “Wanneer de mu’min in het graf wordt bevraagd, antwoordt hij Ashhadu allā ilāha illa Allāh wa ashhadu anna Muhammadan Rasûlullāh.” De bewijs hiervoor is de āyah van hierboven (Ibrahim 14:27) Een andere ḥadīth van Abû Hurayra, Ibn ‘Abbās en Abû Sa‘īd al-Khudrī (رضي الله عنهم), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tijdens een begrafenis: “O mensen! Voor de ummah van Muhammed zal er een beklemming/moeilijkheden in het graf zijn. Wanneer iemand wordt begraven en zijn vrienden zijn vertrokken, komt er een engel met een knots die hem oppakt en neerzet. Daarna vraagt hij: ‘Wat denk je van deze man (Muhammad)?’Hij (de mu’min) zegt: “Ik getuig dat er geen godheid is behalve Allāh, dat Allāh de enige godheid is zonder deelgenoten, en ik getuig dat Muhammad, zowel Zijn dienaar als Zijn Nabī is (=geloofsbelijdenis).”De engel toont hem een venster dat uitkijkt op de Hel en zegt: “Als je niet geloofd (īmān) had, zou dit jouw bestemming hier zijn geweest.” De kâfir en de munāfiq daarentegen, wanneer hen wordt gevraagd: “Wat denk je over deze man (Muhammad)?”, antwoorden ze: “Ik weet het niet. Mensen zeiden iets, maar ik begreep het niet echt. Ik gaf er ook niet veel om.”Daarop wordt in het graf van de kâfir of de munāfiq een venster geopend waardoor hij het Paradijs kan zien.

De engel zegt: “Als je geloofd (īmān) had, zou dit jouw bestemming hier zijn geweest. Maar omdat je ontkende, zul je ergens anders heen gaan.”Vervolgens wordt in het graf van de kâfir en de munāfiq een deur geopend waardoor zij de Hel kunnen zien. De engel slaat met zijn knots de kâfir en de munāfiq zo hard dat alle levende wezens het kunnen horen, behalve de saqalayn (mensen en djinn).De metgezellen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vertellen: “Voor iedereen die in het graf wordt geplaatst, staat deze engel met een knots gereed.” Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) reciteerde bij het uitleggen van dit tafereel de volgende āyah: Ibrāhīm, 14:27 (zie hierboven)

Uit de overleveringen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) blijkt dat de bestraffing van het graf voor ieder mens geldt en dat de beklemming of samenpersing van het graf iedereen zal treffen. Daarover bestaat geen enkele twijfel of bezwaar.Abû Muhammed `Abdulhaq vertelt: de bestraffing van het graf is niet uitsluitend voorbehouden aan de kâfirs of de munāfiqs. Sommige moslims zullen in het graf ook lijden, omdat zondige moslims aan deze beproeving onderworpen zullen worden. Hoewel in de ḥadīth de namen van de kâfirs en munāfiqs worden genoemd, zegt ‘Umar, bekend als Ibn `Abdilbar, in zijn boek at-Tamhîd: “Ook een moslim of een munāfiq die uiterlijk getuigt, zal de bestraffing van het graf ondergaan. De ayāt en de aḥadīth, evenals de overleveringen van de sahābah (رضي الله عنهم), wijzen hierop.

Bovendien zal aan iemand die hardnekkig in kufr blijft en zijn kufr openlijk toont geen vragen in het graf worden gesteld. Vragen zoals ‘Wie is je Rab, wie is je Nabī en wat is je godsdienst?’ worden alleen aan degenen met īmān gesteld. En Allāh weet het het beste. De moslims zullen de waarheid zeggen; de twijfelzuchtigen en de munāfiqs zullen de juiste antwoorden niet geven.”Van Zayd bin Sābit (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Deze ummah zal in het graf beproefd worden/lijden” duidt op het de ondervraging in het graf. Sommige sahābah hebben op basis van deze ḥadīth gezegd dat het de ondervraging in het graf uitsluitend voor de moslim geldt (en dat de kâfir niet wordt aangesproken, en dat hij geen kans krijgt om antwoord te geven). Ogenschijnlijk is dat zo, maar de beste Kenner is toch Allāh.at-Tirmiḏī zegt in zijn werk Nawādiru’l-`Usul: “De ondervraging in het graf is specifiek voor de ummah van Muhammed (صلى الله عليه وسلم), omdat eerdere ummahs die ongehoorzaam waren aan de oproep van de anbiyā’ ( عليهم السلام) direct oordeel kregen en de kâfirs werden gestraft (hun bestraffing ging na de dood door zonder dat er een ondervraging in het graf plaatsvond). De mu’mins daarentegen werden gered.)Toen de profeetschap van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aanbrak, nam Allāhu Ta‘ālā de collectieve straf van de mensen op aarde weg. Hij zei: وَمَآ أَرۡسَلۡنَٰكَ إِلَّا رَحۡمَةٗ لِّلۡعَٰلَمِينَ ١٠٧

En Wij hebben jou (O Mohammed) niet anders dan als genade voor de wereldwezens gestuurd. (Anbiyā, 21:107)Dit betekent dat Allāh de wereldse straf voor de ummah van Muhammed ophief en het gevecht met het zwaard (jihād) toestond. Zo werd bevolen om tegen de kāfirs te strijden totdat zij zich onderwerpen aan de (wetten van de) Islām.

Als iemand gelooft (īmān), dan wordt hem bescherming (amān) verleend.Maar iemand kan uit angst of schijnbaar beweren moslim te zijn. Daarom is er in het graf een ondervraging voor de mu’min. Zo wordt duidelijk of iemand echt mu’min is of een munāfiq. Als iemand werkelijk mu’min is, wordt hij verlost van de bestraffing van het graf. Als hij niet oprecht is en twijfelachtig, zal dit in het graf aan het licht komen.Volgens ons is de mening van Abû Muhammed `Abdulhaq correcter. Want Allāh zal in het graf voor zowel de kâfir als de mu’min twee engelen sturen om hen te ondervragen. De mu’min zal zijn īmān bewijzen en gered worden. De leugen van de munāfiq zal aan het licht komen; de ware toestand van de kâfir zal ook duidelijk worden. Daarna zullen de engelen de munāfiq en de kâfir slaan met de knotsen die zij in hun handen hebben. En Allāh weet het het beste.

2.27: Dingen die een mu’min zullen beschermen tegen de bestraffing en de beklemming van het graf

Er zijn vijf zaken die dit de bestraffing en beproeving kunnen voorkomen: jihād, martelaarschap (shahīd), du`ā’, ziekte en tijd.

1. Ribāṭ (grensbewaking/jihād)

Van Salman (رضي الله عنه): Ik heb Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) horen zeggen: “Eén dag ribāṭ (het bewaken van de grens en het observeren van de vijand) is beter dan een maand lang vasten en ṣalāh. Als iemand daar sterft, blijft zijn daad en voorziening doorgaan. Hij is veilig voor Fettān (alle soorten angst en beknelling van het graf).” (Muslim, 1913; Nasā’î, 6/39; at-Tirmiḏī , 1665; Aḥmad ibn Ḥanbal, 5/440 en 441)

Ribāṭ (jihād) is een daad waarvan de beloning ook na de dood voortduurt. Eerder hebben we een ṣaḥīḥ ḥadīth genoemd waarin werd gezegd dat de daden-register van een overledene sluit, behalve voor drie zaken waarvan de beloning tot aan de Qiyāmah blijft doorgaan. Jihād behoort tot deze daden.Ibn Mājah en Abû Nuaym hebben overleveringen opgenomen die dit bevestigen. In de genoemde aḥadīth worden drie zaken genoemd: ṣadaqah jāriyah (voortdurende liefdadigheid), kennis en een vrome nakomeling. In andere overleveringen worden ook het planten van een boom en jihād genoemd. Dit laat zien dat de beloning die na de dood voortduurt, niet beperkt is tot slechts drie zaken.at-Tirmiḏī overlevert van `Ubayd (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer iemand sterft, worden al zijn daden afgesloten (d.w.z. er wordt geen beloning of zonde meer genoteerd), behalve voor degene die sneuvelt op weg van Allāh. De daden van een shahīd blijven tot aan de Qiyāmah toenemen en beloning ontvangen. Hij zal ook niet blootgesteld worden aan de beproevingen van het graf." (at-Tirmiḏī , 1621; Aḥmad ibn Ḥanbal, 6/20 en 4/157) at-Tirmiḏī vermeldt dat deze ḥadīth ṣaḥīḥ en ḥasan is. Abû Dâwud overlevert dezelfde ḥadīth. (Abû Dâwud, 2483) Hierin wordt duidelijk dat de daden en beloningen van de shahīd voortdurend toenemen.Ribāṭ betekent streven voor de godsdienst van Allāh (Islām) of het beschermen van hetgeen legaal is (bezit, eer en leven).

Het hoogste en meest voortreffelijke is te strijden voor het verbreiden van de godsdienst van Allāh en voor het uitroeien van daden die tegen Zijn geboden ingaan.De meest eerzame persoon bij Allāh is degene die in deze zaak als shahīd sterft. Daarom sluit Allāh de daden-register van de shahīd niet, maar blijft Hij beloning opschrijven en beschermt Hij de shahīd tegen de beklemming van het graf, zoals de beproeving en angst die een overledene kan treffen. Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De daden van degene die sterft terwijl hij vecht op weg van Allāh worden niet afgesloten. Zijn daden-register blijft gevuld worden met beloning. Zijn zegeningen worden vermeerderd. Hij wordt verlost van de beklemming van het graf. Op Yawmu’l Qiyāmah wordt hij met rust en zekerheid opgewekt, vrij van grote angst en paniek.” (Ibn Mājah, 2767 en 924; Muslim, 13/60; Aḥmad ibn Ḥanbal, 5/440)Hāfidh Abû Nuaym overlevert via …. van de metgezel Irbāz bin Sāriyah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Alle daden eindigen bij het sterven van een mens. Wanneer iemand sterft, stoppen zijn daden. Behalve voor degene die op weg van Allāh strijdt. De daden van degene die strijdt op weg van Allāh (en in die toestand sterft), stoppen niet. (Alle daden die hij tijdens zijn leven verricht heeft), blijven beloning ontvangen. Zijn voorziening (rizq) wordt niet afgenomen, tot aan Yawmu’l Qiyāmah.”Volgens deze ḥadīth en de ḥadīth van Fudālah bin ‘Ubeyd zijn er twee voorwaarden om deze belofte te verkrijgen: Strijden op weg van Allāh (met bezit, leven, lichaam en kennis) en sterven in deze toestand. Allāh weet het het beste.

Van ‘Uthmān bin ‘Affān (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Eén nacht jihād op weg van Allāh is gelijk aan het verrichten van aanbidding gedurende duizend nachten en de vasten gedurende duizend dagen.” (Ibn Mājah, 2766; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/14/5)Van ‘Ubay ibn Kāb (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer iemand buiten de maand Ramadan één dag strijdt op weg van Allāh, uitsluitend hopend op de beloning van Allāh, en voor zaken die heilig en geëerd zijn onder de mu’mins, wordt gelijkgesteld aan de beloning van honderd jaar ṣalāh en vasten. De waarde van een dag van jihad die in de maand Ramadān wordt verricht, uitsluitend met de verwachting van beloning van Allāh, kan bij Allāh door niets anders worden vergeleken.” (Ibn Mājah, 2768)Volgens een andere overlevering: “(Één dag jihād) is beter dan duizend jaar vasten en ṣalāh. Als de strijder (mujāhid), met de toestemming van Allāh, veilig naar huis terugkeert, worden zijn zonden die hij gedurende duizend jaar had kunnen begaan vergeven, en evenveel beloning wordt toegekend, waarvan de beloning blijft toenemen tot aan de Qiyāmah.”

Wat is ribāt?Ribāt is standvastig blijven op weg van Allāh en zich strikt houden aan de geboden van Allāh. Het woord is letterlijk afgeleid van “ribah”, wat betekent een paard verzorgen of een paard vastbinden, en wordt hier figuurlijk gebruikt. Want voor jihād worden paarden verzorgd en bereden.Degene die zich inzet om de mu’mins te helpen, wordt beschouwd als een mujāhid (strijder op de weg van Allāh), ongeacht of hij te paard of te voet is, gewapend of ongewapend. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft zelfs het wachten op het salāhtijdstip als een vorm van ribāt genoemd, maar dit is figuurlijk bedoeld. De meest voortreffelijke en echte vorm van jihād is de oorspronkelijke betekenis: strijden op weg van Allāh.

2.

Martelaarschap (Shahādah) Iemand vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “O Rasûlullāh! Terwijl iedereen in het graf moeilijkheden ervaart, waarom is de martelaar (shahīd) hiervan vrijgesteld?"Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: "Voor de shahīd is de glans van het zwaard boven zijn hoofd al genoeg als beproeving.” (Nasā`i, 4/99)Van Miqdām bin Ma‘dī Kurib (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voor Allāh heeft de shahīd acht voordelen: Ten eerste worden al zijn zonden vergeven. Vervolgens ziet hij zijn plaats in het Paradijs. Hij wordt niet onderworpen aan de beproevingen en moeilijkheden van het graf. Hij ervaart niet de grote angst (op Yawmu’l Qiyāmah ). Er wordt een kroon van kostbare stenen op zijn hoofd geplaatst, waarvan één steen waardevoller is dan alles in deze wereld. Hij wordt getrouwd met 72 Paradijselijke maagden. Hij krijgt het recht om voor 70 van zijn familieleden te voorspraak te doen." (İbni Mājah, 2799; at-Tirmiḏī , 1663; Aḥmad ibn Ḥanbal, 4/131) at-Tirmiḏī merkt op dat deze ḥadīth ṣaḥīḥ, ḥasan, maar gharīb is.Ibn Mājah overlevert: via … van Bujayr bin S`ad (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer het eerste bloed van de shahīd wordt vergoten, worden al zijn zonden vergeven. Vervolgens wordt hem een kroon van geloof (īmān) opgezet.” De

De auteur (al-Qurtubī) merkt op dat in de teksten van at-Tirmiḏī en Ibn Mājah vaak sprake is van “zes voordelen”, maar in de ḥadīth worden zeven voordelen van de shahīd genoemd. Met Ibn Mājah’s “kroon van geloof” komt het totaal op acht voordelen.

3. Du`ā’ (Smeekbede)

at-Tirmiḏī overlevert van Ibn ‘Abbās (رضي الله عنهما): Een metgezel van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) spreidde zijn mantel uit en ging zitten, zonder te weten dat hij zich bij een graf bevond. Na enige tijd kwam een man en begon surah al-Mulk te reciteren. De metgezellen gingen vervolgens naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) om hem het voorval te vertellen. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: "Surah al-Mulk beschermt tegen de beproevingen van het graf." (at-Tirmiḏī , 2890) Volgens at-Tirmiḏī is deze ḥadīth ḥasan maar gharīb. Een andere overlevering van at-Tirmiḏī luidt: “Degene die elke nacht (surah al-Mulk) reciteert, zal worden beschermd (tegen de beproevingen van het graf, tegen Munkar en Nakīr, en tegen andere moeilijkheden in het graf.)” Hieruit begrijpen we dat wie elke nacht surah al-Mulk reciteert, veilig zal zijn voor de beknellingen van het graf.De grote sheikh, hadīth-geleerde en faqīh, van Arabische afkomst uit de Ansār, maar woonachtig in Cordoba, Abû’l-‘Abbās Ahmad ibn ‘Umar, vertelt. Toen hij in Alexandrië was, hoorde hij via … van Ibn ‘Abbās (رضي الله عنهما): Hij vroeg aan een man: “Wil je dat ik je een mooie uitspraak van Rasûlullāh cadeau geef?”De man zei: “Ja, natuurlijk.”Ibn ‘Abbās zei: “Reciteer surah al-Mulk en blijf het reciteren.

Leer het ook aan je gezin en laat hen het reciteren. Vertel het zelfs aan je buren. Surah al-Mulk beschermt je in het graf en verdedigt je. In het Hiernamaals zal het je helpen en verdedigen. Vraag Allāhu Ta`ālā dat Hij degene die het reciteert beschermt tegen het vuur van de Hel. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei hierover: ‘Ik wens dat iedereen in mijn ummah surah al-Mulk in zijn hart heeft (dat wil zeggen dat iedereen het uit het hoofd kent) en reciteert.’Abū ‘Abdullāh Muhammad ibn Ibrāhīm, afkomstig van de Ansār, overlevert van zijn leraar Sharīf ibn Abû’l-Muḥammad Yūnus. Deze hoorde het van Abû’l-Waqt: Het reciteren van surah al-Ikhlāṣ tijdens de doodsziekte beschermt eveneens tegen de bestraffing van het graf.

4. Ziekte

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Degene die sterft na het lijden aan ziekte, wordt beschouwd alsof hij als sjahīd is gestorven.” Hij zal geen beproevingen (in het graf) ondervinden. Zijn voorziening uit het Paradijs wordt hem gegeven, (en de zegeningen in het Paradijs blijven voor hem toenemen).” (Ibn Mājah, 1615)

Imām An-Nasā’ī overlevert: Mensen spraken over iemand die stierf aan ziekte en zeiden dat ze zelf ook graag als shahīd wilden sterven.

Ze zeiden tegen elkaar: “Heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) niet gezegd: “Degene die sterft aan inwendige ziekten, zal geen beproeving in het graf ondervinden?” (An-Nasā’ī, 4/98; at-Tirmiḏī , 1064; Ahmad b. Ḥanbal, 4/262)Abū Dāwūd heeft deze hadīth via de keten van Shubah eveneens overgeleverd van Shaddād. Abū Dāwūd voegt eraan toe dat anderen deze overlevering hebben bevestigd.

5. Tijd

Van `Abdullāh ibn ‘Amr (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degene die op vrijdag (vanaf zonsondergang op donderdag tot zonsondergang op vrijdag) overlijdt, zal met Allahs toestemming veilig zijn voor de beproevingen van het graf.” (at-Tirmiḏī , 1074; Ahmad b. Ḥanbal, 2/169, 176, 220)at-Tirmiḏī vermeldt ook in zijn boek Nawādiru’l-`Usūl dat `Abdullāh ibn ‘Amr (رضي الله عنه) zei dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hetzelfde heeft verklaard: “Degene die op vrijdag overlijdt, zal met Allahs toestemming veilig zijn voor de beproevingen van het graf.”Hāfiz Abū Nu‘aym overlevert via Muhammad b. Munkadir van Jābir (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degene die in de nacht van vrijdag (donderdag na zonsondergang) zal geen beproevingen in het graf ondervinden. Op Yawmu’l Qiyāmah zal hij herrijzen met het teken van de shuhadā’ (zoals de shuhadā’ of tussen hen).”Deze overlevering is gharīb, Muhammad, heeft geen andere hadīth van Jābir (رضي الله عنه) overgeleverd.

Beste broeder, moge Allāh tevreden zijn met je en Zijn genade op jou zijn.

Er is geen tegenstrijdigheid tussen deze hadīth en de eerder genoemde ahadīth. Immers, er is een ondervraging in het graf, maar de eerder genoemde ahadīth betreft uitzonderingen zoals shuhadā’ en degenen die door ziektes sterven. Deze situaties verschillen volledig van elkaar. Wij aanvaarden alles wat tot nu toe is vermeld over het leven in het graf (barzāq).Van Jābir (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer de dode in het graf wordt geplaatst, wordt hem de ondergang van de zon getoond. Wanneer de overledene dit ziet, zal hij opstaan en gaan zitten en zijn ogen wrijven. Vervolgens zegt hij: “Breng mij terug naar mijn oorspronkelijke toestand.” (Ibn Mājah, 4272, 3447)Deze hadīth lijkt betrekking te hebben op degenen aan wie is meegedeeld dat zij gevrijwaard zullen blijven van de bestraffing en de benauwdheid van het graf.

De hadīth: “Voor de shahīd is de glans van het zwaard boven zijn hoofd al genoeg als beproeving.” betekent het volgende: als deze persoon een munāfiq zou zijn geweest, zou hij bij het zien van moeilijkheden zijn gevlucht. Volgens de overleveringen behoren angst en vluchten namelijk tot de kenmerken van de munāfiq. Daaruit volgt dat degene die als shahīd is gestorven een mu’min is. Wat een mu’min betaamt, is zich over te geven aan Allāh en standvastig (in het geloof) te blijven. De zaak van de mu’min is het verheffen van de Naam van Allāh en het doen overheersen van Zijn zaak, zodat deze heerschappij krijgt op aarde. Door te strijden en shahīd te worden, heeft deze persoon zijn oprechtheid bewezen. Daarom is het niet nodig om aan zo’n mu’min opnieuw de vragen van het graf te stellen. Deze uitleg is afkomstig van at-Tirmiḏī .Wij zeggen het volgende: als er voor de shahīd geen ondervraging en geen beknelling in het graf is, dan zou dit ook niet mogen gelden voor de Ṣiddīqs (mensen die zeer waarachtig en oprecht is).

De Ṣiddīqs staan immers hoger in rang dan de shuhadā’. Want in de āyah wordt de rangorde als volgt weergegeven:

وَمَن يُطِعِ ٱللَّهَ وَٱلرَّسُولَ فَأُوْلَٰٓئِكَ مَعَ ٱلَّذِينَ أَنۡعَمَ ٱللَّهُ عَلَيۡهِم مِّنَ ٱلنَّبِيِّـۧنَ وَٱلصِّدِّيقِينَ وَٱلشُّهَدَآءِ وَٱلصَّٰلِحِينَۚ وَحَسُنَ أُوْلَٰٓئِكَ رَفِيقٗا ٦٩

En degenen die Allāh en de Rasûl gehoorzamen, zullen dan in het gezelschap verkeren van degenen aan wie Allāh Zijn gunst heeft verleend, namelijk, de Profeten, de oprechten (Ṣiddīqīn), de shuhadā’ en de rechtvaardigen. En uitmuntend zijn deze metgezellen. (an-Nisā’, 4:69)Hieruit blijkt dat op de hoogste rang de anbiyā’ staan. Daarna volgen de Ṣiddīqs. De shuhadā’ komen pas na deze twee groepen. Van iemand die strijdt op Weg van Allāh, een rang die lager is dan het martelaarschap (dat wil zeggen: iemand die strijd of op een andere manier zich inzet voor een zaak, maar vervolgens ongedeerd naar huis terugkeert) is in de aḥādīth overgeleverd dat hij geen ondervraging en geen beknelling in het graf zal ondergaan. In dat geval is het des te aannemelijker dat ook de awliyā’ van Allāh veilig kunnen zijn voor dergelijke beproevingen. Toch is Degene Die het beste en het meest juist weet, Allāh.

Uitleg over ziekte

De ḥadīth: “Wie door ziekte sterft, is alsof hij als shahīd is gestorven”, lijkt op het eerste gezicht alle ziekten te omvatten.

Maar deze is gespecificeerd en begrensd door de ḥadīth: “Wie sterft aan een inwendige ziekte.” Met andere woorden: zij is beperkt.Over dit onderwerp bestaan twee opvattingen:De eerste opvatting: met “baṭn”, dat wil zeggen een inwendige ziekte, wordt volgens sommigen diarree en ontstekingsziekten bedoeld (zoals kanker en soortgelijke aandoeningen). De Arabieren noemen dergelijke ziekten “baṭn”.De tweede opvatting, die vaker wordt verkozen: met “baṭn” worden ziekten bedoeld die tot overgeven leiden (zoals tuberculose en kanker).Dergelijke ziekten komen minder vaak voor dan andere doodsoorzaken. Bij zulke zieken takelt het lichaam af, dat wil zeggen: het wordt duidelijk dat hij zal sterven. Hun verstand en bewustzijn blijven echter intact. Daarom kunnen mensen die aan dit soort ziekten lijden, omdat zij beseffen dat zij zullen sterven, berouw tonen en proberen hun fouten te herstellen. Maar degenen die plotseling sterven, of die door hevige pijn, vergiftiging of andere oorzaken hun bewustzijn verliezen, hebben zo’n mogelijkheid niet. Daarom is de toestand van iemand die zich bewust is van zijn naderende dood anders dan die van iemand die onoplettend is ten aanzien van de dood. Dit kan de wijsheid zijn die in de ḥadīth wordt aangeduid. Allāh weet het het best.

Van Abdullah ibn Mas‘ūd (رضي الله عنه): Resûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degene die overlijdt terwijl hij de maand Ramadan correct verricht, zal het Paradijs binnengaan. Degene die op de dag van `Arafah overlijdt, zal ook in het Paradijs zijn. Degene die overlijdt tijdens het geven van sadaqah (het verrichten van een verplichte of vrijwillige liefdadige daad), zal eveneens het Paradijs binnengaan.” Deze hadīth is gharīb (zeldzaam), omdat er geen andere overleveraars zijn behalve Himām en Nasr.

2.28: De overledene wordt ’s morgens en ’s avonds zijn toekomstige plaats in het Hiernamaals getoond

Van Abdullah b. ʿUmar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Aan iedere overledene onder jullie wordt ’s ochtends en ’s avonds voortdurend zijn toekomstige verblijfplaats in het Hiernamaals getoond. Als hij tot de mu’mins behoort, wordt hem zijn plaats in het Paradijs getoond; behoort hij tot de kāfirs, dan wordt hem zijn plaats in de Hel getoond. Tegen de overledene wordt dan gezegd: ‘Dit is de plaats waar je na Yawmu’l Qiyāmah opnieuw zal worden opgewekt.” (al-Bukhārī, 3/243; Muslim, 27/200; Ibn Mājah, 4270; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/113)

Sommige overleveringen vermelden: “voortdurend zijn toekomstige verblijfplaats in het Hiernamaals getoond” terwijl andere zeggen: "Hij wordt naar zijn toekomstige plaats gebracht". Volgens de geleerden is er hier een verschil in gradatie. Sommige mensen hebben meer zonden en daarom zullen hun bestraffingen groter zijn. Bijvoorbeeld: sommigen worden op aarde bedreigd met de dood; anderen worden daadwerkelijk gedood; sommigen worden zowel bedreigd als gedood; sommige sterven plotseling en onverwacht. Zo is het ook met de beproevingen in het graf. Moge Allāh ons hiervan behoeden.

Zoals in de āyah staat vermeld voor sommige kâfirs : ٱلنَّارُ يُعۡرَضُونَ عَلَيۡهَا غُدُوّٗا وَعَشِيّٗاۚ ٤٦ Zij zullen aan het Hellevuur worden blootgesteld, in de ochtend en de middag… (Ghafir/Mu’min, 40:46)Sommige ṣaḥīḥ hadīth geven aan dat mu’mins in het graf zullen profiteren van de zegeningen van het Paradijs. Evenzo zullen de kâfirs, afhankelijk van hun gradatie, bestraffing ondergaan.Maar de vraag is: zal elke mu’min in het graf van de zegeningen van het Paradijs profiteren? Zal elke mu’min de kans krijgen om in het graf het Paradijs te betreden?Volgens de geleerden zullen alleen degenen wiens geloof volledig (Īmān-i kāmil) is en die over rechtschapen daden beschikken, het Paradijs binnengaan in het graf. Anderen zullen, afhankelijk van hun rang, genieten van de zegeningen van het Paradijs. Sommige mu’mins zullen door hun zonden het Paradijs wel aanschouwen, maar niet van de zegeningen ervan genieten.

Maar wordt de bestraffing of beloning in het graf alleen aan de rûḥ of ook aan het lichaam gegeven? Sommige geleerden menen dat in het graf uitsluitend de rûḥ wordt gestraft of beloond.

Andere geleerden stellen dat een deel van het lichaam eveneens aan de bestraffing of beloning in het graf blootgesteld kan worden. Weer anderen geven aan dat in het graf zowel de rûḥ als het gehele lichaam opnieuw geschapen zal worden om de bestraffing te ondergaan of de beloning te ontvangen.Sommige geleerden hebben als bewijs aangevoerd dat tijdens een droom de menselijke rûḥ iets kan waarnemen zonder dat het lichaam daardoor beïnvloed wordt. Volgens ons is de situatie echter anders. In het graf is er, op een zintuiglijke of andere wijze, concreet of abstract, zowel bestraffing als beloning, en dit is de waarheid. De overledene zal de bestraffing of beloning voelen, en het graf is geen gemakkelijke zaak.`Abdullah ibn Mas‘ūd (رضي الله عنه) verklaarde de āyah: ٱلنَّارُ يُعۡرَضُونَ عَلَيۡهَا غُدُوّٗا وَعَشِيّٗاۚ ٤٦ Zij zullen aan het Hellevuur worden blootgesteld, in de ochtend en de middag… (Ghafir/Mu’min, 40:46) als volgt: de arwāh van Fir‘awn en zijn mannen zullen in de maag van bepaalde zwarte vogels zijn, en zo zullen zij ’s morgens en ’s avonds komen en bestraffing ondergaan.Shu‘bah en Ya‘lâ ibn Atâ vermelden dat Abû Hurayrah (رضي الله عنه) elke ochtend opstond en zei: “Alhamdulillāh, het is weer ochtend. Fir‘awn en zijn mannen ondergaan nu bestraffing.” ‘s Avonds zei hij: “Alhamdulillāh, het is weer avond.

Fir‘awn en zijn mannen ondergaan nu opnieuw bestraffing.”لَّا يَسۡمَعُونَ فِيهَا لَغۡوًا إِلَّا سَلَٰمٗاۖ وَلَهُمۡ رِزۡقُهُمۡ فِيهَا بُكۡرَةٗ وَعَشِيّٗا ٦٢Zij zullen daarin geen onzinnige gesprekken horen maar slechts de vredesgroet. En zij zullen daar (graf) hun levensonderhoud (uit het Paradijs) hebben, in de ochtend en de middag. (Maryam, 19:62) Volgens ons is de situatie zoals hierboven beschreven. Inshā’Allāh zullen we dit onderwerp op andere plaatsen ook verder uitleggen.

2.29: De arwāh van de shuhadā’ bevinden zich, in tegenstelling tot andere arwāh, in het Paradijs

Hierop geeft de hadīth van `Abdullah ibn ‘Umar (رضي الله عنهما) aan: “Voor degene die gedood is op weg van Allāh (als shahīd) (wordt gezegd): Dit is jouw plaats in het Paradijs. Op Yawmu’l Qiyāmah zal Allāh jou doen herleven en hierheen sturen.” Dit geldt voor degenen buiten de shuhadā’.

Masrûk zegt dat toen wij Abdullah ibn Mas‘ūd (رضي الله عنه) vroegen over de āyah:

وَلَا تَحۡسَبَنَّ ٱلَّذِينَ قُتِلُواْ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ أَمۡوَٰتَۢاۚ بَلۡ أَحۡيَآءٌ عِندَ رَبِّهِمۡ يُرۡزَقُونَ ١٦٩

Denk maar niet dat degenen die om het leven kwamen op het Pad van Allāh (omwille van hun godsdienst), daadwerkelijk zijn gestorven. Zeker niet! Hun zielen zijn springlevend bij hun Heer en zij worden voorzien (van hemelse vruchten). (Āli ‘Imrān, 3:169), Hij antwoordde volgt: “De arwāh van de shuhadā’ verblijven in de vleugels van een groene vogel. Om hen heen hangen kandelaars die aan de ‘Arsh (de Troon) bevestigd zijn. Deze kandelaars zijn uit het Paradijs gehaald. Daar leven zij zoals zij willen. Daarna manifesteert Allāh Zich en vraagt: ‘Is er iets wat jullie wensen?’ De shuhadā’ antwoorden: ‘Wat zouden wij nog meer wensen! Wij genieten op elk moment van het Paradijs.’ Allāh herhaalt deze vraag drie keer. Elke keer geven de shuhadā’ hetzelfde antwoord. Maar als de vraag herhaald wordt, zeggen de shuhadā’: ‘Onze Rab! Ons enige verlangen is dat onze rûḥ weer met ons lichaam wordt herenigd, zodat wij opnieuw als shahīd kunnen sterven.’ Zij hebben daar verder niets nodig. Daarom worden zij in die toestand gelaten.(Muslim, 13/31; Abû Dâvûd, 2503; at-Tirmiḏī , 1641; Aḥmad ibn Ḥanbal, 6/186)

Op dit punt zijn enkele bezwaren naar voren gebracht:

Sommigen zeggen: "Wanneer iemand langs het graf van een mu’min broeder loopt, die hij in de wereld heeft gekend, zal de overledene zijn salām beantwoorden.” Deze hadīth wijst (op de aanwezigheid van de doden in hun graf). Volgens ons is dit een algemene regel die geldt voor degenen die geen shuhadā’ zijn. Shuhadā vormen hierop een uitzondering (Dat wil zeggen: hun arwāh wachten ot Yawmu’l Qiyāmah niet in hun graven af, maar in het Paradijs.)

Een ander bezwaar is gebaseerd op de volgende hadīth: Imām Mālik … van `Abdurrahman via zijn vader (رضي الله عنهما): "De rûḥ van een mu’min wordt als een vogel aan een boom in het Paradijs bevestigd, wachtend op Yawmu’l Qiyāmah totdat het met zijn lichaam wordt herenigd." (Nasa`ī, 4/108; İbni Mājah, 4271) Volgens ons betekent ‘het ophangen aan een boom in het Paradijs’ dat de rûḥ in het Paradijs verbonden is aan een boom. Dat wil zeggen: terwijl de rûḥ van de mu’min in het graf is, geniet hij van de zegeningen van het Paradijs.

Een ander bezwaar luidt als volgt: Volgens sommige overleveringen zullen de arwāh opstijgen naar de hemel en elkaar daar ontmoeten. Ook volgens deze overleveringen bevindt het Paradijs zich in de hemelen. Zo staat er in een hadīth: “Wanneer de maand Ramadān komt, worden de poorten van de hemel geopend.” (Al-Bukharī, 4/122; Muslim, 7/187; Nasa`ī, 4/127; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/281) In een andere hadīth staat: “(Wanneer de maand Ramadān begint) worden de poorten van het Paradijs geopend.” Hieruit wordt soms afgeleid dat de arwāh van alle mu’mins naar de hemel opstijgen, (dus dat zij na de dood naar het Paradijs gaan). Volgens ons betekent het opstijgen van de arwāh naar de hemel echter niet dat zij daar ook daadwerkelijk in het Paradijs verblijven. De arwāh van mu’mins buiten de shuhadā’ kunnen soms in het graf aanwezig zijn en soms door de hemelen zwerven. Maar dit betekent niet noodzakelijk dat zij in het Paradijs zijn. (Want in de eerder genoemde aḥādīth wordt vermeld dat de rûḥ van de mu’min de zeven hemelen zal passeren en Allāh zal bereiken, maar er wordt niet gesproken over het bezoeken van het Paradijs.) Alleen een deur of venster waardoor de mu’min het Paradijs kan zien, wordt in sommige overleveringen genoemd. Andere overleveringen vermelden dat de arwāh van mu’mins op vrijdag het graf bezoeken en hun lichamen bekijken.

Daarom is het een sunnah om op vrijdag en zaterdagochtend het graf te bezoeken.Ibn al-‘Arabī (de schrijver van dit boek) zegt dat de hadīth: “Aan ieder van jullie die is overleden wordt ‘s ochtends en ‘s avonds voortdurend getoond waar hij in het Hiernamaals heen zal gaan” wijst op het feit dat de rûḥ van de overledene in het graf aanwezig zal zijn en daar bestraffing (pijn/kwelling) of zegeningen zal ontvangen. Het betekent dat de mens na zijn dood in het graf zal wachten. De hadīth: “Wanneer iemand langs het graf van een mu’min broerder loopt, die hij in de wereld heeft gekend, zal de overledene zijn salām beantwoorden” bevestigt deze situatie duidelijk. Het is dus zo dat de situatie van shuhadā’ verschilt van die van andere mu’mins. Er is geen tegenstrijdigheid hierin.

Een ander bezwaar: In een ḥadīth is het volgende overgeleverd:“Degene op wie het recht van een dienaar rust, zelfs als hij op weg van Allāh als shahīd sterft, daarna opnieuw tot leven wordt gewekt en opnieuw als shahīd sterft, ja zelfs daarna weer tot leven wordt gewekt en opnieuw als shahīd sterft, zal het Paradijs niet binnengaan zolang hij deze schuld niet heeft voldaan.” (Nasa`ī, 7/14; Aḥmad ibn Ḥanbal, 5/289 ve 290)

Volgens deze ḥadīth zullen sommige shuhadā’ het Paradijs niet binnengaan. Maar als deze shuhadā’ het Paradijs niet binnengaan en ook niet in het graf zullen zijn, waar zal hun rûḥ dan Yawmu’l Qiyāmah afwachten?

Juist met betrekking tot dit onderwerp overlevert Ibn Wahb van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما): “De shuhadā’ verblijven aan de oever van een rivier die stroomt vóór de poort van het Paradijs. (Tot de dag waarop zij opnieuw tot leven worden gewekt), zal hun voorziening ’s ochtends en ’s avonds vanuit het Paradijs tot hen komen.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 1/266).

De hier genoemde ‘schuld’ betreft het recht van de dienaar en is niet uitsluitend beperkt tot materiële zaken. Elke vorm van het recht van de dienaar valt hieronder. Volgens de geleerden verschillen daarom de graden van de shuhadā’ van elkaar.

De ḥadīth: “Degene die sterft na het doorstaan van ziekte, wordt beschouwd als iemand die als shahīd is gestorven en zijn voorziening komt tot aan Yawmu’l Qiyāmah ’s ochtends en ’s avonds vanuit het Paradijs,” vormt eveneens een antwoord op dit laatste bezwaar. En Allāh weet het het beste.

Van Abū Umāmah (رضي الله عنه): Hij heeft rechtstreeks van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gehoord: “Wie als shahīd sterft op zee is gelijk aan degene die als shahīd op het land sterft. Wie verdrinkt in zee is gelijk aan degene wiens bloed op het land wordt vergoten. Het moment tussen de golven en het moment van overlijden op het land zijn hetzelfde. In beide gevallen is de toestand van degene die sterft terwijl hij in gehoorzaamheid aan Allāh verkeert, hetzelfde. Allāh heeft een engel aangesteld om alle arwāh (van de shuhadā’) te nemen, behalve die van degenen die als shahīd op zee sterven. Wanneer deze engel de rûḥ van een shahīd op het land neemt, vergeeft Allāh al zijn zonden, behalve wat betreft de rechten van anderen (haq al `ibād). Voor degenen die op zee sterven, worden zelfs de rechten van anderen mee vergeven.” (İbni Mājah, 2778)

Volgens ons geldt dat degene die het Paradijs verdient, of hij nu een shahīd is of niet, wanneer hij zich naar vermogen heeft ingespannen om zijn schulden te voldoen, Allāhu Taʿālā hem in het Hiernamaals zal helpen.De schulden die in het Hiernamaals verplicht zijn, worden van de goede daden van de dienaar genomen en daarmee voldaan. Vanwege de overige schulden zal Allāh hem, in shā’ Allāh, niet verhinderen het Paradijs binnen te gaan. Immers, de eigednaar van de dienaar is Allāh, en Hij zal ook de resterende schulden van Zijn dienaar voldoen.“De (achtergelaten) schulden en de door hem veroorzaakte schade behoren aan Allāh en Zijn Rasûl (en daarna aan de leider/kalief), terwijl de erfenis aan de erfgenamen toekomt.

Als de heerser (de staat) de resterende schuld niet voldoet, zal Allāh dit (in het Hiernamaals) doen en de schuldeiser tevredenstellen.” (Nasa`ī, 1/234; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/464; at-Tirmiḏī , 2090; İbni Mājah, 45) Een ander bewijs hiervoor is een hadīth van ‘Abdullāh ibn ‘Amr (رضي الله عنه): “Het recht van een dienaar (ḥaq al-`ibād) wordt op Yawmu’l Qiyāmah bij zijn eigenaar opgeëist. Maar er zijn drie uitzonderingen:

Degene die zijn bezit en al zijn vermogen op weg van Allāh heeft besteed (en zich in deze strijd in de schulden heeft gestoken en zijn schuld niet kan voldoen).

Degene die, wanneer een mu’min broerder bij hem overlijdt, omdat hij zelf niet over voldoende middelen beschikt, deze overledene op schuldbasis klaarmaakt voor de begrafenis.

Degene die, omdat hij niet de middelen heeft om te trouwen en Allāhu Taʿālā hem toestaat om niet te trouwen, uit vrees voor het verboden (harām) op schuldbasis trouwt. De schuld van deze drie personen zal op Yawmu’l Qiyāmah door Allāhu Taʿālā worden voldaan. (İbni Mājah, 2435)

Degene die zich in de schulden steekt voor luxe en plezier en zijn schuld niet betaalt, of degene die het kan betalen maar dit niet doet, valt hier niet onder. Hun schulden zullen op Yawmu’l Qiyāmah van hun goede daden worden voldaan. Als ze geen goede daden hebben, zullen de zonden van de schuldeiser op hen worden gelegd.Deze ḥadīth legt dit het beste uit: “Allāh staat garant voor de schuld van degene die van plan is zijn schuld te voldoen. Degene die de schuld niet betaalt of het toevertrouwde niet teruggeeft met de bedoeling te bedriegen, Allāh zal hem vernederen.” (Al-Bukharī, 5/53; İbni Mājah, 2411; Nasa`ī, 7/315; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/361)

Wat betreft de ḥadīth van Abū ʾUmāmah; de keten (sanad) van deze ḥadīth is enigszins zwak. Maar een andere ḥadīth, van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما): “Voor degene die op weg van Allāh als shahīd sterft, worden al zijn zonden vergeven behalve het recht van een dienaar; het martelaarschap dient als vergeving voor deze zonden.” (Muslim, 13/30; at-Tirmiḏī , 1640)Hier is geen speciale uitzondering voor degene die op het land of zee als shahīd sterft.Van Abū Qatādah (رضي الله عنه): Er kwam een man naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en vroeg: “Als ik op weg van Allāh strijd en als shahīd sterf, wordt mijn zonden vergeven?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Ja, indien je vecht voor Allahs welbehagen, met geduld handelt en vasthoudt zonder te vluchten.” (Muslim, 13/28 ve 29; at-Tirmiḏī , 1712; Aḥmad ibn Ḥanbal, 5/304)Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg de man later: “Hoe had je het gevraagd?”De man zei: “Ik vroeg: “Als ik op weg van Allāh strijd en als shahīd sterf, wordt mijn zonden vergeven?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ja, indien je vecht voor Allahs welbehagen, met geduld handelt en vasthoudt zonder te vluchten. Maar het recht van een dienaar uitgezonderd. Dit is door Jibrīl verteld.” Deze laatste overlevering is van Abū Nu’aym.

Hij heeft het van de qadī van Baṣrah gehoord, en deze qadī heeft het rechtstreeks van zoon van Abū Bakr, Abdurrahman (رضي الله عنهما) gehoord.Vervolgens zegt Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Allāhu Taʿālā roept op Yawmu’l Qiyāmah degene die met het recht van een dienaar komt en vraagt: 'O zoon van Adam! Zeg eens: “Waarom heb je het recht van een andere zonen van Adam opgeëist?”De man antwoordt: “O mijn Rab! Ik deed het niet opzettelijk, maar ik raakte in moeilijkheden, verdronk of kwam in een ander ongeluk terecht waardoor ik het niet kon terugbetalen.”Daarop zegt Allāhu Taʿālā: “Het is vandaag meer gepast voor Ons dan voor jou om deze schuld af te lossen.”Vervolgens worden de goede daden van deze dienaar in aanmerking genomen en worden zijn fouten genegeerd. Daarna wordt hij het Paradijs binnengelaten.Deze ḥadīth is via vele verschillende ketens (sanads) overgeleverd.

In een overlevering van Yazīd ibn Ḥārūn wordt het als volgt vermeld: “Daarop beveelt Allāhu Taʿālā dat iets (dat wij niet weten, een goede daad of een andere goddelijke gunst) wordt gebracht en op de Weegschaal gelegd. Dan wegen de goede daden van de dienaar zwaarder.” Deze ḥadīth is zeldzaam (gharīb). Volgens ons zal Allāhu Taʿālā de schulden voldoen van iedereen die geen slechte intenties had.

Sommige van onze geleerden zeggen: alle arwāh van de mu’mins bevinden zich in het Paradijs genaamd Ma’wā. Ma’wā betekent toevlucht of schuilplaats. De reden dat deze naam is gegeven, is omdat de arwāh van de mu’mins hier na hun overlijden tot aan Yawmu’l Qiyāmah verblijft. De arwāh van de mu’mins wacht hier en eten en drinken van de genietingen van het Paradijs.

UitlegVan Ibn Mas’ūd (رضي الله عنه): “De arwāh van de shuhadā’ wachten in een groene vogel (tot Yawmu’l Qiyāmah ).” In de hadīth die van Imām Mālik is overgeleverd staat: “De rūḥ van de mu’min is als een vogel (die na de dood wacht op de wederopstanding).”

A`mash van ‘Abdullāh ibn Murrah: Toen aan Ibn Mas’ūd (رضي الله عنه) werd gevraagd wat er gebeurt met de arwāh van de shuhadā’ na hun dood, antwoordde hij: “De arwāh van de shuhadā’ wachten bij Allāh, als groene vogels in kandelaars die aan de ‘Arsh zijn opgehangen. Ze gaan naar het Paradijs en genieten van de voorzieningen daar, en keren dan terug naar hun kandelaar.”Van Ibn Shihāb az-Zuhrī van Kab ibn Mālik. Ka’b, van zijn vader Mālik (رضي الله عنهم): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De arwāh van de shuhadā’ zijn groene vogels die op de bomen van het Paradijs zitten”. Alle tot nu toe overgeleverde ahadīth bevestigen hetzelfde.

Er is geen tegenstrijdigheid tussen de overleveringen.Abū ‘Umar vermeldt in zijn boek al-Istizkār, met verwijzing naar Abū’l-Hasan al-Kābisī, dat sommige geleerden het niet accepteren dat arwāh als vogels zijn. Volgens hem zou deze overlevering niet ṣaḥīḥ zijn. Wij zijn van mening dat al deze overleveringen ṣaḥīḥ zijn. Imām Muslim vermeldt in zijn betrouwbare hadīthboek dat deze overlevering komt van betrouwbare, rechtvaardige overleveraars. In de hadīth wordt het voorzetsel ‘fī’ gebruikt (betekent normaal “in”), maar hier betekent ‘fī’ ‘`alā’ (aan/op/over). Bijvoorbeeld in de Qur’ān wordt het oordeel van Fir`awn over de mu’min tovenaars zo vermeld: وَلَأُصَلِّبَنَّكُمۡ فِي جُذُوعِ ٱلنَّخۡلِ

…en ik zal jullie zeker kruisigen aan de stammen van palmbomen… (Taha, 20:71)

Hier wordt ook voorzetsel ‘fī’ gebruikt, maar de betekenis is “alā” (aan). Daarom zullen de arwāh van mu’mins en shuhadā’ niet letterlijk in vogels zitten of als vogels zijn, maar bovenop vogels die op de takken van de bomen van het Paradijs zitten. Met ‘jawf’ (buik) kan “rug” bedoeld zijn. Deze mening is van Abū Muhammad ‘Abdulhaq, en wij vinden dit de beste uitleg.Shu’aybah ibn Ibrāhīm heeft in zijn boek Ifsāh alle overleveringen samengebracht en een mooie samenvatting gemaakt. Hierin worden de zegeningen die Allāh aan Zijn dienaren geeft vanuit verschillende perspectieven uitgelegd:

Sommige arwāh zijn als vogels op de bomen van het Paradijs.

Sommige arwāh zijn in de krop van groene vogels.

Sommige arwāh leven in kandelaars onder het ‘Arsh.

Sommige arwāh zijn in witte vogels.

Sommige arwāh zijn in andere soorten vogels.

Sommige arwāh krijgen vormen van Paradijselijke wezens.

Sommige arwāh nemen de vorm aan van hun goede daden.

Sommige arwāh worden aangesteld om de arwāh van de pas overledenen te ontvangen.

Sommige arwāh zijn na de dood bij Mikā’īl (عليهم السلام).

Sommigen zijn onder de bescherming van Adam (عليهم السلام).

Sommige mu’mins wachten onder het toezicht van Ibrāhīm (عليهم السلام) tot Yawmu’l Qiyāmah .

Allāh weet het het beste en het meest juiste.

2.30: Hoeveel soorten martelaarschap (shahādah) bestaan er? De betekenis van martelaarschap en waarom de term “shahīd” wordt gebruikt

Van Abū Mālik al-Ashja’ī (رضي الله عنه), Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie op weg (reis) gaat omwille van de tevredenheid van Allāh en in die toestand sterft of wordt gedood, is een shahīd. Degene die sterft doordat zijn paard of muildier hem verwondt of degene die sterft aan een ziekte terwijl hij op weg van Allāh is, of degene die tijdens het strijden op weg van Allāh gewond raakt en vervolgens in zijn bed sterft, is een shahīd. Met toestemming van Allāh zal hij het Paradijs binnengaan. (Abū Dāwūd, 2482)Abū Bakr ibn Abū Shaybah overlevert dezelfde hadīth via ‘Abdullāh ibn ‘Atīk (رضي الله عنه) van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم).Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er zijn vijf soorten shuhadā’: wie sterft aan een ziekte, wie sterft door verwonding, wie sterft door verdrinking, wie onder puin bedolven sterft, en wie sterft terwijl hij op weg van Allāh strijdt.” (Muslim, 13/62; Al-Bukharī, 2/139.; Nasa`ī, 6/37.; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/325) Volgens Tirmidhi is deze hadīth ṣaḥīḥ en ḥasan.Van Jabir ibn ‘Abdullāh (رضي الله عنه), Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Naast degenen die op weg van Allāh worden gedood, zijn er zeven andere categorieën shuhadā’: degenen die sterven door een verwonding, door ziekte, door verdrinking, door brand, aan tuberculose, door bedolven te raken onder puin, en vrouwen die sterven tijdens de bevalling.” (Abū Dāwūd, 3095; İbni Mājah, 2803)Sommigen zeggen dat een vrouw die sterft in de nīfās-periode (postpartum) ook als shahīd geldt. Verder geldt zelfs als een vrouw nog niet is bevallen maar zwanger is (bijvoorbeeld door een miskraam of vergiftiging) dat zij als shahīd wordt beschouwd.Van Sa’īd ibn Zayd (رضي الله عنه): Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degene die sterft terwijl hij zijn bezit verdedigt, wordt als shahīd aangemerkt. Evenzo is degene die sterft terwijl hij zijn leven beschermt een shahīd.

Ook degene die sterft voor zijn godsdienst of familie wordt als shahīd aangemerkt”. (at-Tirmiḏī , 1418 ve 1419; Abū Dāwūd, 4747; Nasa`ī, 7/116; Al-Bukharī, 5/123; Muslim, 2/164; İbni Mâjah, 2580; Aḥmad ibn Ḥanbal, 1/190 ve 79) Volgens Tirmidhi is deze hadīth ḥasan en ṣaḥīḥ.Van Suwayd ibn Mikrān (رضي الله عنه), Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie onrechtvaardig (als slachtoffer) wordt gedood, is ook een shahīd.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 1/305; Nasa`ī, 7/17) Van Ibn ‘Abbās (رضي الله عنهما): “Sterven in vreemde landen is ook martelaarschap.” Dāraqutnī vermeldt dezelfde hadīth. ‘Umar (رضي الله عنه) heeft deze ḥadīth ook overgeleverd. Abū Bakr al-Harā’ītī overlevert van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): “Wie in eenzaamheid sterft (of in een vreemd land), is ook een shahīd.”Een vergelijkbare hadīth wordt overgeleverd door Muhammad ibn Shirīn van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): “Wie in eenzaamheid sterft (of in een vreemd land), is ook een shahīd.” Zoals eerder vermeld in sommige ahadīth: “Wie sterft door ziekte, wordt als shahīd beschouwd.”

Van Makīl b. Yasar (رضي الله عنه), Rasûlullāh Muhammed Mustafa (صلى الله عليه وسلم) zei:“Wie ’s ochtends opstaat en driemaal zegt: 'أعوذ بالله من الشيطان الرجيم' (Ik zoek toevlucht bij Allāh tegen de vervloekte satan) en daarna de laatste drie āyāt van surah al-Ḥashr reciteert, voor hem wijst Allāh Ta’ālā zeventigduizend engelen aan. Deze engelen verrichten de hele dag du`ā’ voor deze dienaar.

Als hij ’s avonds dezelfde āyāt reciteert, worden dezelfde engelen opnieuw aangewezen en verrichten ze tot de ochtend du`ā’ voor deze dienaar.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 5/26. at-Tirmiḏī , 2922) Volgens Tirmidhi is deze hadīth ḥasan en ṣaḥīḥ. Sa’labī, die Yazid er-Raqqāshī als bron noemt, heeft van Anas bin Mālik (رضي الله عنه) de volgende hadīth overgeleverd: “Wie de laatste vijf āyāt van surah al-Ḥashr reciteert en die nacht sterft, wordt beschouwd als een shahīd.”Van Anas b. Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “O Anas! Streef er zo veel mogelijk naar om voortdurend in staat van wudu’ (rituele reiniging) te zijn. Als de Malaku’l Mawt je rûḥ komt nemen terwijl je in wudu’ hebt, sterf je als een shahīd.”Shā’bī overlevert van Abdullah bin ‘Umar (رضي الله عنهما): “Wie de ṣalāt aḍ-ḍuḥā verricht, driemaal per maand vast, en ook de Witr-salāh verricht, zelfs wanneer hij niet op reis is, ontvangt de beloning van een shahīd.” Deze laatste overlevering wordt door Abū Nuaym geciteerd.

Moge Allāh tevreden zijn met allen die ons deze ahadīth hebben overgeleverd.Van Abū Ẓar al-Ghifārī (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer iemand die bezig is met het verwerven (of onderwijzen) van kennis sterft, wordt beschouwd als een shahīd.”Volgens een andere hadīth: “Er is slechts één graad verschil (in de deugd) tussen iemand die sterft terwijl hij bezig is met kennis en de anbiyā’.”Deze hadīth wordt door Abū ‘Umar vermeld in zijn werk ’Ilm al-Izāh.Van Anas (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie oprecht en met zuivere intentie het martelaarschap verangt, krijgt de status van shahīd, zelfs als martelaarschap hem niet daadwerkelijk wordt geschonken.” (Muslim, 13/55)Van Sahl bin Ḥanīf (رضي الله عنه): “Wie oprecht tot Allāh du`ā’ verricht om shahīd te worden, sterft zelfs in zijn bed, als shahīd.” (Muslim, 13/56.; Nasa`ī, 6/37.; at-Tirmiḏī , 1653.; İbni Mâjah, 2797.; Aḥmad ibn Ḥanbal 5/244)Van Abdullah ibn ‘Umar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degene die bezit heeft maar zijn gezin niet voedt (uit vrees voor harām), zal Allāh (in zijn graf) wezens sturen die zich ervan onthouden het lichaam van deze dienaar te verteren (dat wil zeggen: zijn lichaam zal in het graf niet vergaan). Zelfs als zulke personen in hun bed sterven, wordt hun de beloning van een shahīd gegeven.”

UitlegDe woorden shahīd (martelaar) en shāhid (getuige) komen uit dezelfde wortel; het meervoud is shuhadā’. Taalkundigen zoals al-Jawharī delen deze opvatting. De reden dat iemand die op weg van Allāh sterft een shahīd genoemd wordt, is omdat aan deze persoon het Paradijs wordt beloofd.

Taalkundige Ibn Fāris schrijft in zijn werk Mujmal dat iemand die op weg van Allāh sterft shahīd genoemd wordt. Hier betekent shahīd in de grammaticale vorm maf‘ūl (maṣhūd), omdat de engelen getuigen dat deze persoon het Paradijs binnengaat. Zelfs na de dood gaat hun rûḥ rechtstreeks naar het Paradijs.وَلَا تَحۡسَبَنَّ ٱلَّذِينَ قُتِلُواْ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ أَمۡوَٰتَۢاۚ بَلۡ أَحۡيَآءٌ عِندَ رَبِّهِمۡ يُرۡزَقُونَ ١٦٩

Denk maar niet dat degenen die om het leven kwamen op het Pad van Allāh (omwille van hun godsdienst), daadwerkelijk zijn gestorven. Zeker niet! Hun zielen zijn springlevend bij hun Heer en zij worden voorzien (van hemelse vruchten). (Āl-i ‘Imrān, 3:169)Een andere betekenis van shahīd is shāhid, wat 'zien' of 'aanwezig zijn' betekent. Het gebruik van dit woord voor een shahīd komt doordat de shahīd tot Yawmu’l Qiyāmah in het Paradijs aanwezig zal zijn. Sommigen zeggen dat de aarde/grond ook getuigenis zal afleggen op Yawmu’l Qiyāmah, omdat de shahīd op de grond valt bij zijn dood. De aarde is de plaats waar de mens is geschapen en waar hij volgens de belofte zal terugkeren. Aangezien de shahīd sterft voor Allahs welbehagen, is zijn situatie uniek.Volgens een andere mening wordt degene die op weg van Allāh sterft shahīd genoemd omdat Allāh Ta’ālā het Paradijs heeft beloofd aan hem die op Zijn weg sterft. Allāh verbreekt Zijn belofte niet en zal op Yawmu’l Qiyāmah persoonlijk getuigen van de toegang van de shahīd tot het Paradijs.

Zoals in de Qur’an staat:إِنَّ ٱللَّهَ ٱشۡتَرَىٰ مِنَ ٱلۡمُؤۡمِنِينَ أَنفُسَهُمۡ وَأَمۡوَٰلَهُم بِأَنَّ لَهُمُ ٱلۡجَنَّةَۚWaarlijk, Allāh heeft van de mu’mins hun levens en hun bezittingen gekocht omdat er voor hen het Paradijs is … (at-Tawbah, 9:111)In de hadīth staat: “Allāh weet het het beste wat er omwille van Zijn welbehagen wordt gezegd.” Een andere betekenis van shahīd is 'degene die zich geheel toewijdt'.Getuige zijn heeft drie voorwaarden; volledige getuigenis vereist deze drie:

Persoonlijk zien en aanwezig zijn.

Zich bewust zijn van wat men ziet.

En het is noodzakelijk te handelen naar wat hij daarvan heeft gezien.

Zoals het Qur’anvers zegt:وَأَشۡرَقَتِ ٱلۡأَرۡضُ بِنُورِ رَبِّهَا وَوُضِعَ ٱلۡكِتَٰبُ وَجِاْيٓءَ بِٱلنَّبِيِّـۧنَ وَٱلشُّهَدَآءِ وَقُضِيَ بَيۡنَهُم بِٱلۡحَقِّ وَهُمۡ لَا يُظۡلَمُونَ ٦٩

(Op Yawmu’l Qiyāmah) zal de aarde stralen met het licht van haar Heer en de boeken zullen naar voren gebracht worden, en de anbiyā’ en de getuigen zullen naar voren gebracht worden en er zal tussen hen in Waarheid geoordeeld worden en niemand zal onrecht aangedaan worden.(az-Zumar, 39:69)

Hier verwijst shuhadā’ naar rechtvaardige mensen die zien en weten wat er gebeurt en dit volledig en eerlijk overbrengen.

Van Irbāz ibn Sāriyah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: "Op Yawmu’l Qiyāmah zullen de shuhadā’ en degenen die in hun bed zijn gestorven, bij Allāh discussiëren over degene die aan pest is gestorven.

De shuhadā’ zullen zeggen: ‘Hij is gestorven zoals wij zijn gestorven.’ Degenen die in hun bed zijn overleden zullen zeggen: ‘Nee, hij verschilt niet van ons (behandel hem zoals wij).’ Daarop zal Allāh Ta’ālā bevelen: “Kijk naar zijn wonden en zie waar zij op lijken.’ Ze bekijken de wonden van degene die aan de pest is gestorven en zien dat deze wonden lijken op de wonden van de shuhadā’.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 4/128 ve 129)

Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De ajal (het vastgestelde tijdstip van de dood) van mijn ummah zal bestaan uit verwonding en pest.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 4/417 ve 6/255)Toen ʿĀʾishah vroeg: "We begrijpen verwonding, maar wat is pest?".Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft de pest uitgelegd en zei: "Wie aan de pest sterft, sterft als een shahīd." Dit laatste deel is overgeleverd door Abû ‘Umar.

2.31: Het menselijk lichaam vergaat in het graf en wordt geheel tot aarde, behalve het stuitbeen

Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer een mens sterft, zal zijn lichaam vergaan, behalve het stuitbeen. Op Yawmu’l Qiyāmah zullen alle schepselen vanaf dat stuitbeen weer worden gecreëerd.”Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): “De grond verteert het lichaam van de zoon van Adam, behalve het stuitbeen. De mens is ervan geschapen en zal opnieuw van datzelfde bot worden herschapen.” (al-Bukhārī, 8/551; Abū Dāwūd, 4743; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/428)

Uitleg:“De ‘ajm’ of ‘ajb’ (het stuitbeen) is het eerste lichaamsdeel van de mens dat is geschapen; dat begrijpen wij uit de overleveringen. Op Yawmu’l Qiyāmah zal de mens op dezelfde wijze opnieuw tot leven worden gewekt Dat wil zeggen: precies zoals hij de eerste keer werd geschapen. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft dit bot omschreven als: ‘een bot ter grootte van een mosterdzaadje’

2.32: De lichamen van de anbiyā’ en de shuhadā’ vergaan niet

Allāh Ta’ālā zegt:وَلَا تَحۡسَبَنَّ ٱلَّذِينَ قُتِلُواْ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ أَمۡوَٰتَۢاۚ بَلۡ أَحۡيَآءٌ عِندَ رَبِّهِمۡ يُرۡزَقُونَ ١٦٩

Denk maar niet dat degenen die om het leven kwamen op het Pad van Allāh (omwille van hun godsdienst), daadwerkelijk zijn gestorven. Zeker niet! Hun zielen zijn springlevend bij hun Heer en zij worden voorzien (van hemelse vruchten). (Āl-i ‘Imrān, 3:169)

Om deze reden worden shuhadā’ niet gewassen (en niet gekleed in kafan; zij worden begraven in de kleding die zij droegen). Ook wordt de salāh al-janazah voor de shuhadā’ niet verricht. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft dit op deze manier toegepast bij de shuhadā’ van Uhud en bij andere veldslagen. Talrijke ṣaḥīḥ aḥādīth wijzen op dit onderwerp.Van `Abdullah ibn ‘Amr (رضي الله عنه): “Op de dag van Uhud werd het graf van twee metgezellen overspoeld door een overstroming. Beiden waren in hetzelfde graf begraven. De plaats waar hun graf zich bevond, lag in het rivierbed van de overstroming. Daarom wilden zij de graven verplaatsen. Toen zij het graf openden, zagen zij dat hun lichamen niet waren aangetast. Het leek alsof zij die dag nog waren overleden. Eén van hen had zijn hand op zijn wond gelegd en was in die houding overleden; zo werd hij ook begraven.Zelfs na lange tijd, toen het graf opnieuw werd geopend, bleven de lichamen in dezelfde staat. Daarna werd berekend dat het precies 46 jaar geleden was dat zij als shuhadā’ waren overleden. Abū ʿUmar zegt: dit is een authentieke overlevering. De keten (sanad) in de overlevering van Imām Mālik is authentiek en volledig. Deze gebeurtenis is ook op dezelfde wijze door andere personen overgeleverd. (at-Tamhid, 19/239)Ik, Al-Qurtubī, zeg: Bij de voorgaande gemeenschappen was de situatie hetzelfde. Degene die strijdt voor het recht en als shahīd op de weg van Allāh valt, wordt op deze manier behandeld. Dit is een gunst en een goddelijke gave.At-Tirmiḏī heeft in een overlevering waarin hij het incident van de Uhdūd vertelt, de volgende ḥadīth overgeleverd: “Er was een jongeman die door de koning gedood werd (shahīd) werd. Zo werd hij begraven.

Het graf van deze jongeman werd geopend in de tijd van ʿUmar (رضي الله عنه), (en zijn lichaam was niet aangetast), zijn hand lag nog steeds op zijn hoofd, omdat hij deze daar had gelegd toen hij stierf.( at-Tirmiḏī , 3340) Tirmidhī zegt dat deze ḥadīth ḥasan maar gharīb is. Het incident van de metgezellen van Uhdūd (ashābi Uhdūd) wordt ook verteld in Ṣaḥīḥ al-Muslim. Dit gebeurde in de tijdsperiode tussen het profeetschap van ʿĪsā (عليه السلام) en dat van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Wij hebben dit incident behandeld in de tafsīr van surah al-Burūj in ons werk al-Jāmiʿ li-Aḥqām al-Qur’ān

Een andere gebeurtenis is als volgt: Tijdens zijn kalifaat wilde Muʿāwiyah (رضي الله عنه) in Madīnah een put graven midden in een begraafplaats, en dit werd uitgevoerd. Het water zou echter bijna (de graven) van de shuhadā’ van Uhud bereiken. Dit incident vond 50 jaar na de Slag van Uhud plaats. Muʿāwiyah gaf de mensen opdracht de graven te verplaatsen naar andere plaatsen. Wat zagen zij? De shuhadā’ waren nog steeds in dezelfde staat als tijdens de strijd. Het leek alsof de strijd net had plaatsgevonden. Het bloed bij de voeten van Ḥamzah (رضي الله عنه) stroomde nog steeds. Jābir (رضي الله عنه) wilde ook het graf van zijn vader ʿAbdullāh ibn Ḥarām (رضي الله عنه) verplaatsen. Toen hij het graf opende, stond zijn vader daar levendig voor hem, alsof hij net was begraven. Dit laatste incident is de meest duidelijke overlevering die deze situatie uitlegt. Over dit onderwerp is verder geen extra toelichting nodig.De bevolking van Madīnah getuigde van het volgende gebeurtenis: tijdens het kalifaat van de Umayyaden khaliefaha ‘Abdulmalik ibn Marwān was ‘Umar ibn ‘Abdulaziz de gouverneur van Madīnah.

Een muur van het heilige graf van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was ingestort. Onder het puin verscheen een voet. Men vreesde dat dit de voet van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was. Sa`īd ibn Musayyib kwam en kalmeerde het volk en citeerde de overlevering:“De lichamen van de anbiyā’ blijven niet langer dan veertig dagen in het graf en worden daarna naar de hemel verheven.”Later zei Salim, zoon van `Abdullah, dat deze voet van zijn grootvader ‘Umar (رضي الله عنه) was, die als shahīd was gestorven. Deze ḥadīth werd ook door Abû Bakr al-Bazzār overgeleverd. Volgens al-Bazzār is de enige overleveraar Shaddād ibn Aws. In de isnād keten is Husayn ibn ‘Ali al-Ja’fī de enige en verder is er geen andere overlevering.

De persoon genoemd in de overleveringsketen, Abdurrahman, is de zoon van Yazid bin Tamim. Volgens al-Bukhārī en Abū Ḥātim is deze persoon niet zeer bekend. Daarom worden zijn ahadith ook niet als betrouwbaar beschouwdWij zeggen: Ibn Mājah overlevert deze ḥadīth met een andere keten. Van Abû’d-Dardā (رضي الله عنه) zegt Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Verricht veel ṣalāh op vrijdag en breng veel salawāt over mij. Want op die dag komen de engelen en wachten, en zij zullen op Yawmu’l Qiyāmah getuigen van de smeekbeden en de salawāt die hier worden verricht. Degene die ṣalāh verricht maar geen salawāt op mij brengt, zijn daden worden mij gemeld nog voordat hij zijn ṣalāh heeft voltooid.” (İbn Mājah, 1637)Abû’d-Dardā (رضي الله عنه) vervolgt: "Ik vroeg aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): 'En wat gebeurt er na uw overlijden?' Hij antwoordde: 'Ook na de dood.

Want Allāh Ta’ālā heeft het voor de aarde verboden om de lichamen van de anbiyā’ te laten rotten/vergaan.” Met andere woorden: de anbiyā’ van Allāh zullen na hun overlijden door Allāh verschillende zegeningen ontvangen.Abū Jāfir at-Tabarī heeft dezelfde ḥadīth overgeleverd via Abû’d-Dardā (رضي الله عنه).De auteur (al- Qurtubī) zegt: Imām al-Bukharī vermeldt in zijn werk at-Tārīkh dat in de sanad van de ḥadīth die Zayd ibn Ayman van ‘Ubadah ibn Nusay overleverde, een lacune zat, maar dat Sa‘d ibn Abī Hilāl deze ḥadīth van deze personen had overgeleverd.