As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

At-Tazkira — Hoofdstuk 3: Yawmu’l Qiyāmah en de wederopstanding

Auteur: Imam Al-Qurtubi

Onderwerp: Hiernamaals & eindtijd

Lees dit boek in de online lezer

HOOFDSTUK 3: YAWMU’L QIYĀMAH EN DE WEDEROPSTANDING

3.1: Blazen op de Bazuin (Sûr), bezwijken van alle schepselen, de wederopstanding, de Mahshar en de Hel

Van `Abdullah ibn ‘Umar (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:

“In mijn ummah zal de Dajjāl verschijnen en hij zal veertig (tijdseenheden) blijven, ik weet niet of dit veertig dagen, veertig maanden of veertig jaren zijn.” (Muslim, 18/75)“Daarna zal Allāhu Ta’ālā ‘Īsā, de zoon van Maryam (عليه السلام), zenden. Hij zal verschijnen in de gedaante van ‘Urwah ibn Mas‘ūd. ‘Īsā (عليه السلام) zal de Dajjāl vinden en hem doden. Vervolgens zullen er zeventig jaren verstrijken waarin niemand met elkaar zal vechten.Daarna zal Allāh vanuit het noorden een koele (of koude) wind sturen. Daardoor zal er geen enkele persoon met goedheid en īmān in zijn hart overblijven. Zelfs degenen (mu’mins) die zich diep in de bergen verschuilen, zal deze wind doen sterven. Er zullen slechts slechte mensen overblijven die, net als wilde dieren, geen onderscheid kennen tussen ḥalāl en ḥarām.

Daarna zal de shayṭān tot hen komen en voor hen gaan staan en zeggen: ‘Willen jullie mij niet volgen?’Zij zullen antwoorden: ‘Beveel ons dan! Wat wil je dat wij doen?’Dan zal de shayṭān hun bevelen afgoden te aanbidden. Zij zullen hun goede levensonderhoud zelfs aan deze afgoden toeschrijven.

Daarna zal er op de Bazuin (Sûr) worden geblazen en iedereen die het hoort zal bezwijken.” (Ahmad b. Hanbal, 2/166)

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vervolgde: “De eerste man die het geluid van de Sûr zal horen, is een man die op dat moment bezig is sodomie met zijn kameel. In deze situatie zal hij doodgaan. Daarna zullen ook alle andere mensen omkomen en ten onder gaan. Vervolgens zal Allāh een regen zenden, waarna alle (overleden) mensen als planten uit de grond zullen voortkomen en opstaan.

وَنُفِخَ فِي ٱلصُّورِ فَصَعِقَ مَن فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَمَن فِي ٱلۡأَرۡضِ إِلَّا مَن شَآءَ ٱللَّهُۖ ثُمَّ نُفِخَ فِيهِ أُخۡرَىٰ فَإِذَا هُمۡ قِيَامٞ يَنظُرُونَ ٦٨

En er zal op de bazuin geblazen worden, waarop alles wat in de hemelen en op aarde is zal bezwijken, behalve (voor) wie Allāh wil (dat deze blijft leven).

Dan zal er een tweede maal geblazen worden en dan zullen zij staan en wachten. (Zumar, 39:68)

Daarna zal Allāh de mensen bevelen om voor Hem te verschijnen:

وَقِفُوهُمۡۖ إِنَّهُم مَّسۡـُٔولُونَ ٢٤

Maar houdt hen tegen, waarlijk, zij moeten ondervraagd worden. (Saffat, 37:24)

Vervolgens zal bevolen worden: ‘Kom, scheid de bewoners van de Hel af.”De (engelen) zullen vragen: “Welk deel zullen wij nemen?”Er zal bevolen worden: “Neem van elke duizend er negenhonderdnegenennegentig.”

Dit is vanwege de volgende āyāt:فَكَيۡفَ تَتَّقُونَ إِن كَفَرۡتُمۡ يَوۡمٗا يَجۡعَلُ ٱلۡوِلۡدَٰنَ شِيبًا ١٧

Hoe zullen jullie je dan beschermen als jullie de Dag waarop de kinderen grijsaards worden ontkennen? (Muzzammil, 73:17) يَوۡمَ يُكۡشَفُ عَن سَاقٖ وَيُدۡعَوۡنَ إِلَى ٱلسُّجُودِ فَلَا يَسۡتَطِيعُونَ ٤٢

(Gedenk) de dag waarop de onderbenen ontbloot zullen worden en zij opgeroepen worden om te knielen, maar zij zullen daartoe niet in staat zijn. (Qalam, 42)

Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Tussen de eerste keer dat op de Sûr wordt geblazen en de tweede keer dat erop wordt geblazen, zit er veertig (tijdseenheid).”

De aanwezigen vroegen aan Abû Hurayrah: “Veertig dagen?”Hij zei: “Ik weet het nietZij vroegen: “Veertig maanden?”Hij zei opnieuw: “Ik weet het niet.”Zij vroegen: “Veertig jaren?”Ook daarop zei hij dat hij dit niet met zekerheid kon bevestigen.

Abû Hurayrah (رضي الله عنه) vervolgde: “Daarna zal Allāh vanuit de hemel een regen doen neerdalen en Hij zal daarmee alle mensen tot leven wekken.”

Vervolgens overleverde hij deze ḥadīth: “Het gehele lichaam van de mens zal vergaan, behalve één bot.”

En in een andere ḥadīth staat: “De aarde zal dit bot nooit verteren. Het is het stuitbeen. Op Yawmu’l Qiyāmah zullen de mensen daaruit worden geschapen.” (al-Bukhārī, 120) Volgens een ḥadīth die is overgeleverd van Ibn Wahb bedraagt de tijd tussen de eerste en het tweede Sûr: “Veertig vrijdagen.”

3.2: Over de āyah: behalve (voor) wie Allāh wil (dat deze blijft leven) (Zumar, 39:68)

Allāhu Ta’ālā zegt: (Zumar, 39:68 zie hierboven): behalve (voor) wie Allāh wil (dat deze blijft leven). Over wie hier zijn uitgezonderd, bestaan vele meningen. Sommigen zeggen dat dit de anbiyā’ zijn; anderen zeggen dat het de martelaren zijn, of de engelen. Weer anderen zeggen dat het de engelen zijn die de ‘Arsh dragen, of Jibrīl (عليه السلام), of Mīkā’īl (عليه السلام). Volgens weer anderen is het de Malaku’l-Mawt (عليه السلام).Het woord ‘قِيَامٞ dat in de āyah voorkomt, betekent hier ‘sterven’.

Sommige van onze geleerden geven de volgende opvatting weer:Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): “Een jood zwoer op de markt van Madīnah: ‘Bij Degene Die Mūsā (عليه السلام) als nabī heeft uitgekozen.’Een sahābi van de Ansār zei daarop: ‘Hoe durf jij zo te spreken terwijl onder ons NabīAllah is’, en gaf de jood een klap.Ik vertelde dit aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): ‘Allāhu Ta’ālā heeft in de āyah gezegd:

وَنُفِخَ فِي ٱلصُّورِ فَصَعِقَ مَن فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَمَن فِي ٱلۡأَرۡضِ إِلَّا مَن شَآءَ ٱللَّهُۖ ثُمَّ نُفِخَ فِيهِ أُخۡرَىٰ فَإِذَا هُمۡ قِيَامٞ يَنظُرُونَ ٦٨

En er zal op de bazuin geblazen worden, waarop alles wat in de hemelen en op aarde is zal bezwijken, behalve (voor) wie Allāh wil (dat deze blijft leven). Dan zal er een tweede maal geblazen worden en dan zullen zij staan en wachten. (Zumar, 39:68)

De eerste die op Yawmu’l Qiyāmah tot leven zal worden gewekt, zal ik zijn. Wanneer ik mijn hoofd ophef, zal ik Mūsā (عليه السلام) als eerste zien. Maar ik weet niet of hij vóór mij is opgestaan of tegelijk met mij. Ik zal hem zien terwijl hij zich vastklampt aan een van de zuilen van de ‘Arsh. Het kan zijn dat Mūsā (عليه السلام) behoort tot degenen die Allāh in dit āyah heeft uitgezonderd.” (Ahmad b. Hanbal, 3/41; İbni Mājah, 4274)Volgens at-Tirmiḏī is deze ḥadīth ḥasan en ṣaḥīḥ.

Al-Ṣaḥīḥ al-Bukhārī en Ṣaḥīḥ Muslim hebben deze ḥadīth eveneens overgeleverd. (al-Bukhārī, 5/70; Muslim, 15/129–131)

De geleerden zijn het oneens over wie tot deze uitzondering behoren. Sommigen zeggen dat het de engelen zijn; anderen zijn van mening dat het de engelen of de martelaren zijn.Halīmī heeft de voorkeur gegeven aan de ḥadīth van Ibn ‘Abbās (رضي الله عنهما). Volgens Ibn ‘Abbās zijn degenen die bij het blazen op de Sûr van de dood zijn uitgezonderd, de martelaren. Dit omdat Allāhu Ta’ālā in de āyah zegt:

وَلَا تَحۡسَبَنَّ ٱلَّذِينَ قُتِلُواْ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ أَمۡوَٰتَۢاۚ بَلۡ أَحۡيَآءٌ عِندَ رَبِّهِمۡ يُرۡزَقُونَ ١٦٩

Denk maar niet dat degenen die om het leven kwamen op het Pad van Allāh (omwille van hun godsdienst), daadwerkelijk zijn gestorven. Zeker niet! Hun zielen zijn springlevend bij hun Heer en zij worden voorzien (van hemelse vruchten). (Āl ‘Imrān, 3:169)

Volgens onze shaykh, Abû al-‘Abbās, ontbreekt het aan een sluitende ḥadīth over de specifieke uitzonderingen; de uiteenlopende standpunten blijven daarom stuk voor stuk plausibel. Volgens mij (zijn degenen die van de dood zijn uitgezonderd) de martelaren. Dit wordt bevestigd door een ḥadīth van Abû Hurayrah (رضي الله عنه). Nuhâs vermeldt in zijn werk Ma‘âni’l-Qur’ân, via de ḥadīth van Sa‘īd ibn Jubayr (رضي الله عنه), dat in de āyah: (Zumar, 39:68 zie hierboven), de uitzondering slaat op de martelaren. Deze martelaren zullen op Yawmu’l Qiyāmah speciale taken bij Allāh vervullen en rond de ‘Arsh staan, gewapend met hun zwaarden, om de wacht te houden.

Volgens al-Ḥasan al-Basrī zal slechts een groep engelen tussen de twee keren blazen op de Sûr niet sterven. Yahya ibn Salām zegt in zijn tafsīr: “Volgens de aḥadīth die mij hebben bereikt, zullen degenen die bij het eerste blazen op de Sûr niet sterven, Jibrīl, Mīkā’īl, Isrāfīl en de Malaku’l-Mawt (عليهم السلام) zijn. Daarna zullen Jibrīl, Mīkā’īl en Isrāfīl ook sterven. Uiteindelijk zal alleen de Malaku’l-Mawt overblijven. Allāhu Ta’ālā zal de Malaku’l-Mawt het bevel geven: ‘Sterf,’ en dan zal ook hij sterven.”

Deze ḥadīth is opgenomen in een lange merfû‘ ḥadīth van Abû Hurayrah (رضي الله عنه).

Er wordt gezegd dat degenen die van de dood zijn uitgezonderd de engelen zijn die de ‘Arsh dragen, evenals Jibrīl, Mīkā’īl, Isrāfīl en de Malaku’l-Mawt (عليهم السلام).

Anderen hebben aangevoerd dat, aangezien de hurī’s (maagden van het Paradijs) en de ghilmān (jonge dienaren die de bewoners van het Paradijs bedienen) in het Paradijs levend zijn, het niet in strijd is met onze geloofsleer dat sommige engelen op Yawmu’l Qiyāmah van de dood worden uitgezonderd. Volgens deze opvatting bevinden de hurī’s en de ghilmān (jongelingen met een eeuwige jeugd die de gelovigen in het Paradijs bedienen) zich in het Paradijs. Het Paradijs ligt boven/buiten de hemellichamen en de aarde. In de ayāt wordt namelijk vermeld dat alles wat op aarde en in de hemelen is, op Yawmu’l Qiyāmah zal sterven wanneer op de Sûr wordt geblazen.

Aangezien de ‘Arsh zich boven de hemelen bevindt, is het logisch dat de engelen die de ‘Arsh dragen uitgezonderd zijn.

Ook Jibrīl, Mīkā’īl, Isrāfīl en de Malaku’l-Mawt (عليهم السلام) zijn uitgezonderd, omdat het grote engelen zijn die zich boven de hemelen bevinden.De ḥadīth dat over Mūsā (عليه السلام) wordt verteld, heeft geen betrekking op het eerste blazen op de Sûr, maar op het tweede blazen. In dit geval zal bij het tweede blazen op de Sûr, de eerste die op Yawmu’l Qiyāmah tot leven wordt gewekt, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn. Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn hoofd opheft, zal hij Mūsā (عليه السلام) zien. Het is onbekend wie precies eerder tot leven zal komen, Mūsā (عليه السلام) of Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Toch is het mogelijk dat Mūsā (عليه السلام) eerst wordt opgewekt, omdat hij enkele bijzondere kenmerken heeft: Allāhu Ta’ālā heeft rechtstreeks met hem gesproken op de Berg Tūr en raakte bewusteloos door de openbaring van Allāh’s manifestatie. Daarnaast was hij eerder Nabī dan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).Volgens Qāḍī ʿIyāḍ zal ook Mūsā (عليه السلام) uiteindelijk sterven, en het is niet correct om aan te nemen dat hij van de dood is uitgezonderd. De ḥadīth benadrukt echter de intensiteit en ernst van Yawmu’l Qiyāmah.Onze shaykh Abû ‘Umar zegt dat de aarde en de hemelen niet volledig zullen ophouden te bestaan; zij zullen slechts van de ene toestand in de andere overgaan. Hieruit blijkt dat de martelaren, nadat ze getroffen en gestorven zijn, bij hun Rab levend zullen zijn, verlicht zullen worden en in vreugde en comfort verkeren. Als dit voor de martelaren geldt, is het des te waarschijnlijker dat hetzelfde geldt voor de anbiyā’. De anbiyā’ verzamelden zich immers tijdens de Isra’ in Bait al-Maqdis en in de hemelen, met name Mūsā (عليه السلام).

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bericht ook dat Allāh hem zijn rûḥ tijdelijk terug geeft, zodat hij de salāh en salām (van de mu’mins) kan beantwoorden. Deze en vergelijkbare overleveringen laten duidelijk zien dat het overlijden van de profeten een verborgen werkelijkheid is die ons menselijk bevattingsvermogen overstijgt. Hoe levend ze ook zijn, dit is net zoals bij de engelen. Zij zijn ook levend en aanwezig, maar mensen zoals wij kunnen hen niet zien. Behalve de dienaren onder de awliyā’ aan wie Allāh wonderen (karāmāt) heeft geschonken.De gebeurtenis met Mūsā (عليه السلام) zal plaatsvinden bij het tweede keer blazen op de Sûr, niet bij de eerste keer. Volgens een andere leraar, Ahmad ibn ‘Umar tonen de aḥadīth aan dat de dood geen absolute niet-bestaan betekent. Dood is veeleer een overgang: van de ene toestand naar de andere, van het ene universum naar het volgende.

Samengevat kunnen we zeggen: de dood zal elk levend wezen bereiken. Zoals Allāhu Ta’ālā zegt:وَلَا تَدۡعُ مَعَ ٱللَّهِ إِلَٰهًا ءَاخَرَۘ لَآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَۚ كُلُّ شَيۡءٍ هَالِكٌ إِلَّا وَجۡهَهُۥۚ لَهُ ٱلۡحُكۡمُ وَإِلَيۡهِ تُرۡجَعُونَ ٨٨

En roep geen andere goden naast Allāh aan. Er is geen god dan Hij. Alles zal verdwijnen behalve Zijn aangezicht. Bij Hem is het besluit en tot Hem zullen jullie (allen) terugkeren. (Al-Qasas, 28-88)

Het feit dat Jibrīl, Mīkā’īl, Isrāfīl en de Malaku’l-Mawt (عليهم السلام) worden uitgezonderd, betekent niet dat zij bij het eerste keer blazen op de Sûr onmiddellijk onaangetast blijven; het duidt erop dat zij als laatsten zullen sterven. Uiteindelijk zullen ook zij sterven, want ook engelen zijn niet eeuwig; zij zijn geschapen wezens. Wat de bewoners van het Paradijs betreft, zoals de hurī’s (maagden van het Paradijs), daar ligt een ander geval.

Het Paradijs is de eeuwige verblijfplaats, een andere dimensie. Daarom weten wij niet precies hoe het daar zal zijn, en er is geen ḥadīth die dit uitdrukkelijk beschrijft.

Sommigen gebruiken het bovengenoemde āyah als bewijs om te stellen dat ook het Paradijs en de hurī’s zullen vergaan en daarna opnieuw geschapen. Naar onze mening is dat niet nodig. De betekenis van de āyah is dat alles vergankelijk is en op een dag zal vergaan is, behalve Allāh Zelf. Het betekent dat alle levende wezens behalve Allāh niet eeuwig zijn; zij zijn schepselen en dus niet eeuwig. Met andere woorden: de āyah zegt niet letterlijk dat alles fysiek moet vergaan. Daarom is het feit dat het Paradijs en de hurī’s op Yawmu’l Qiyāmah niet vergaan, niet in strijd met de betekenis van de āyah.

3.3: Alle dienaren zullen sterven en de heerschappij over alles behoort alleen Allāh toe

…Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “(Op Yawmu’l Qiyāmah) zal Allāh Tabaraka wa Taʿâlâ de aarde onder Zijn macht nemen en de hemel (samā’) oprollen met Zijn Rechterhand. Daarna zal Hij zeggen: ‘Zie, Ik ben de Heerser en Eigenaar van de gehele schepping! Waar zijn de koningen van de aarde?” (al-Bukhārī, Raqā’iq, hoofdstuk 44, h:6519; ook al-Bukhārī 4812, 7382; Muslim, Ṣifāt al-Qiyāmah, h:2787/23)

Van ‘Abdullāh ibn ‘Umar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: Allāh `Azza wa Jalla zal op Yawmu’l Qiyāmah alle hemelen samenrollen, vervolgens zal Hij ze met Zijn Rechterhand nemen en vasthouden. Daarna zal Hij zeggen: “Ik ben al-Mālik (de heerschappij )over alles. Waar zijn de tirannen? Waar zijn degenen die zich hoogmoedig gedragen?”

Daarna zal Hij de aarde met Zijn Linkerhand nemen en samenrollen. Vervolgens zal Hij zeggen: “Ik ben al-Mālik. Waar zijn de tirannen en waar zijn degenen die zich hoogmoedig gedragen?” (Muslim, Ṣifāt al-Qiyāmah, h:2788/24). Deze overlevering is uitsluitend overgeleverd door Ṣaḥīḥ Muslim.

Van Abdullah b. Miksam. Hij keek naar ‘Abdullah b. `Umar (رضي الله عنهما): en lette erop hoe hij de onderstaande ḥadīth, verhalenderwijs, van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overleverde. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “ Allāh `Azza wa Jalla neemt Zijn hemelen en Zijn aarde met Zijn twee Handen en zegt vervolgens: ‘Ik ben Allāh, Ik ben het!”(terwijl hij (Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deze woorden uitsprak, sloot en opende hij zijn vingers). “Ik ben (al-Mālik) (De Heerschappij (al-Mulk) is van Mij!”

De overleveraar zegt: Uiteindelijk keek ik aandachtig naar de mimbar (waarop Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stond), en het was alsof de mimbar van onderaf in beweging kwam. Zozeer zelfs dat ik mij afvroeg: “Zal (de mimbar) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), die erop staat, niet laten vallen?” (Muslim, Ṣifāt al-Qiyāmah, h:2788/25)

Al deze aḥadīth geven aan dat Allāh Subhana wa Taʿâlâ (die vrij is van alle onvolkomenheden en verheven is boven alles) alle schepselen die Hij heeft geschapen zal vernietigen, precies zoals dit in de aḥadīth zijn overgeleverd, zonder uitzondering. Daarna zal Allāh Subhana wa Taʿâlâ, Zichzelf aanspreken en zeggen: “Van wie is vandaag al-Mulk (Heerschappij)?”Wanneer er niemand antwoordt, zal Allāh Subhana wa Taʿâlâ, uit Zichzelf antwoorden:

يَوۡمَ هُم بَٰرِزُونَۖ لَا يَخۡفَىٰ عَلَى ٱللَّهِ مِنۡهُمۡ شَيۡءٞۚ لِّمَنِ ٱلۡمُلۡكُ ٱلۡيَوۡمَۖ لِلَّهِ ٱلۡوَٰحِدِ ٱلۡقَهَّارِ ١٦

Op de Dag wanneer zij tevoorschijn komen, zal niets voor Allāh verborgen blijven. Aan Wie behoort het Heerschappij op deze Dag? Het is van Allāh, de Ene, de Overweldiger (al-Qahhār). Ghāfir/Mu’min, 16

Volgens wat is overgeleverd zullen, nadat alle geschapenen zijn samengebracht op een aarde die zo wit als zilver zal zijn en waarop nooit ongehoorzaamheid aan Allāh heeft plaatsgevonden, een omroeper uitroepen: “Van wie is vandaag deze Mulk?”De dienaren van Allāh zullen daarop antwoorden: Het is van Allāh, de Ene, de Overweldiger (al-Qahhār). (Ghāfir/Mu’min, 16)Deze overlevering is door Abū Wā’il overgeleverd van Ibn Mas‘ūd (رضي الله عنه). Abū Ja‘far an-Nahhās geeft deze overlevering de voorkeur aan de andere en heeft gezegd: “Dat deze overlevering aan Ibn Mas‘ūd wordt toegeschreven is authentiek (ṣaḥīḥ). Dit is geen uitspraak die voortkomt uit analogie (qiyās), noch uit een interpretatie (ta’wīl) of persoonlijke uitleg.”

De auteur van dit boek, Imām al-Qurtubī, aanvaardt echter dat de eerste mening sterker is, namelijk dat Degene Die vraagt van wie de Mulk is én Degene Die antwoordt, Allāh Zelf is. Want het centrale punt waarop hier de nadruk wordt gelegd, is de absolute eenheid van Allāhu Ta’ālā en het feit dat Hij Eén en Enig is. Daarmee wordt benadrukt dat de Mulk en het eigendom van alle bestaansvormen uitsluitend aan Allāh toebehoren.

Daarom is er geen sprake van dat deze uitspraak aan een ander zou worden toegeschreven of dat iemand aanspraak zou kunnen maken op deze Mulk. Er is immers geen koning meer en geen bezit meer overgebleven; alles is vergaan en verdwenen. Iedere tiran en iedere hoogmoedige, evenals datgene waarover zij beschikten, is ten onder gegaan. Om die reden is het niet meer mogelijk de Mulk aan hen toe te schrijven of in hun naam een oproep te doen. Dit is de juiste en authentieke opvatting. In werkelijkheid is deze mening ook die van al-Hasan en Muhammad b. Ka‘b. Aan de andere kant is deze opvatting, als een vereiste van een realistische en waarheidsgetrouwe beschrijving, een duidelijke en ondubbelzinnige verwoording van de uitspraak: “De Mulk is van Mij, Ik ben al-Mālik. Waar zijn degenen die op aarde het koningschap opeisten?”

Dit is een heldere en ondubbelzinnige formulering.

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم zei: “Daarna beveelt Allāhu Ta’ālā Isrāfīl (عليه السلام). Overeenkomstig dit bevel blaast Isrāfīl (عليه السلام) op de Sūr. Als gevolg van deze blazen zullen, behalve degenen die Allāhu Ta’ālā wil uitzonderen, alle levende wezens die zich in de hemelen en op de aarde bevinden sterven.

Wanneer zij uiteindelijk allen als doden zijn samengebracht en op één plaats bijeen zijn gebracht, zal de Malaku’l-Mawt voor Allāh, al-Jabbār, verschijnen en zeggen:‘O Allāh, alle levende wezens die zich in de hemelen bevonden zijn gestorven, behalve degenen die U heeft uitgezonderd.”

Ondanks dat Allāhu Ta’ālā alles weet, zal Hij toch vragen: “Wie is er nog overgebleven?”

Hij zal antwoorden: “U bent overgebleven, Degene Die al-Hay is, Die altijd zal blijven leven en niet zal sterven. Ook zijn de engelen die de ‘Arsh dragen overgebleven, Jibrīl, Mīkā’īl, Isrāfīl en ik.”

Daarop zal Allāhu Ta’ālā zeggen: “Laat ook Jibrīl en Mīkā’īl sterven.”

In diezelfde tijd zal Allāhu Ta’ālā ook de ‘Arsh laten spreken. De ‘Arsh zal zeggen: “O mijn Rab, zullen Jibrīl en Mīkā’īl sterven?”

Dan zal Allāhu Ta’ālā tot hem zeggen: “Zwijg. Ik heb de dood beschikt voor iedereen die zich onder Mijn ‘Arsh bevindt. Daarom zullen ook zij beiden sterven.”

De overleveraar zegt verder dat de Malaku’l-Mawt opnieuw voor Allāhu Ta’ālā, al-Jabbār, verschijnt en zegt: “O mijn Rab, ook Jibrīl en Mīkā’īl zijn gestorven.”

Hoewel Allāhu Ta’ālā alles weet, vraagt Hij opnieuw aan de Malaku’l-Mawt: “Wie is er nog levend overgebleven?”

De Malaku’l-Mawt antwoordt: “U bent overgebleven, Degene Die al-Hay is en nooit zal sterven, samen met de engelen die Uw ‘Arsh dragen, en ikzelf.”

Daarop beveelt Allāhu Ta’ālā: “Laat ook de engelen die de ‘Arsh dragen sterven.”

En zo sterven zij ook. Daarna beveelt Allāhu Ta’ālā de ‘Arsh om de Sūr uit de hand van Isrāfīl (عليه السلام) te nemen. Vervolgens zegt Hij: “Laat ook Isrāfīl sterven.”

Uiteindelijk sterft ook Isrāfīl (عليه السلام). Op dat moment verschijnt de Malaku’l-Mawt opnieuw voor Allāhu Ta’ālā. Hoewel Hij alles weet, vraagt Hij opnieuw: “Wie is er nog overgebleven die niet is gestorven?”

De Malaku’l-Mawt antwoordt: “U bent overgebleven, al-Hay, Degene Die nooit zal sterven, en ik ben overgebleven.”

Daarop zegt Allāhu Ta’ālā tot de Malaku’l-Mawt: “Ook jij bent een van de geschapen wezens die Ik heb geschapen. Ik heb je geschapen voor dit bepaalde doel. Jij zult ook sterven.”

En zo sterft ook de Malaku’l-Mawt.

Uiteindelijk blijft alleen Degene Die Eén en Enig is over, Allāhu Ta’ālā, Van Wie alles afhankelijk is, terwijl Hij Zelf geen behoefte aan iets heeft. Immers, Allāhu Ta’ālā zegt:

لَمۡ يَلِدۡ وَلَمۡ يُولَدۡ ٣ Hij verwekte niet, noch werd Hij verwekt.

وَلَمۡ يَكُن لَّهُۥ كُفُوًا أَحَدُۢ ٤ En niemand is Hem in enig opzicht gelijk.” (Sūrah al-Ikhlāṣ, 112:3-4)

Vanaf dat moment keert alles terug naar de oorspronkelijke toestand zoals het in het begin was. Zoals de pagina’s van een boek worden opgerold en samengebracht, zo worden ook de hemelen samengebracht en opgerold. Daarna zegt Hij: “Allāh, al-Jabbār, ben Ik, Ik ben al-Mālik!”En Hij vraagt: “Van wie is vandaag de Mulk / het bestaan?”

Maar er is niemand die Hem antwoordt. Allāhu Subhana wa Taʿâlâ zegt: Het is van Allāh, de Ene, de Overweldiger (al-Qahhār). (Ghāfir / al-Mu’min, 16)(Isḥāq b. Rāhūyah, Musnad, 1/87; Ibn Jarīr at-Ṭabarī, Tafsīr, 2/330, 17/110–111, 20/13, 30/186–188; Abū ash-Shaykh, al-‘Aẓamah, p. 386–388; Zie: Sharḥ al-‘Aqīdah aṭ-Ṭaḥāwiyyah, p. 265; Ibn Abī ad-Dunyā, nr. 55; al-al-Bayhaqī, nr. 906)

De auteur, Imām al-Qurtubī, zegt het volgende: De hierboven genoemde ḥadīth die door Abū Hurayrah (رضي الله عنه) is overgeleverd, is een vrij lange ḥadīth. Wij hebben hier slechts het middelste gedeelte ervan opgenomen. Het laatste gedeelte van deze overlevering zal aan het einde van dit hoofdstuk worden vermeld. Als Allāhu Ta’ālā het toestaat, zal het eerste gedeelte van deze overlevering hierna volgen. Uiteindelijk zal zo de volledige ḥadīth bijeen worden gebracht. Deze overlevering is vermeld door at-Tabarī, ‘Alī b. Ma‘bad, ath-Tha‘labī en anderen.

Van Laqīt b. ‘Āmir (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Na de dood van alle levende wezens zullen jullie, zoals jullie zijn, gedurende een periode dood blijven. Daarna zal er een ṣayḥah, een luide kreet, worden gehoord. Bij Allāh, Die jullie Ilāh is, zal na deze kreet op aarde geen enkel levend wezen meer overblijven; allen zullen dood zijn. Ook de engelen die bij jullie Rab zijn, zullen sterven. Vervolgens zal jullie Rab de gebieden doortrekken, terwijl alle gebieden dan geheel verlaten en leeg zijn.” (Aḥmad b. Ḥanbal, Musnad, 4/13; ‘Abdullāh, de zoon van Aḥmad b. Ḥanbal, as-Sunnah, ḥadīth nr. 1120; Ibn Abī ‘Āṣim, as-Sunnah, ḥadīth nr. 524 en 636; Ibn Khuzaymah, ḥadīth nr. 122–125; al-Ḥākim, al-Mustadrak, 4/606; aṭ-Ṭabarānī, al-Mu‘jam al-Kabīr, 19/211–212)

Laqīt heeft deze overlevering op deze manier vermeld. In feite is ook deze door Laqīt overgeleverde ḥadīth een vrij lange ḥadīth. Abū Dāwūd al-Tayālisī heeft deze overlevering in zijn werk Musnad geverifieerd en opgenomen.

Over de passage in deze ḥadīth “Zo zal jullie Rab de gebieden doortrekken, terwijl alle gebieden volledig verlaten zijn.” hebben onze geleerden het volgende gezegd: “Een dergelijke formulering is bedoeld om duidelijk te maken dat er op aarde geen enkel levend wezen meer overblijft. Het is een uitdrukking die wordt gebruikt en bedoeld is om in de geest te worden verankerd. Want de aarde is werkelijk verlaten; er is niets meer over dat leeft. Alleen de Eeuwige (al-Bāqī), Allāh, blijft over. Immers, zoals in de Qur’ān staat:كُلُّ مَنۡ عَلَيۡهَا فَانٖ ٢٦ Alles wat op aarde is zal vergaan.وَيَبۡقَىٰ وَجۡهُ رَبِّكَ ذُو ٱلۡجَلَٰلِ وَٱلۡإِكۡرَامِ ٢٧ Enkel het aangezicht van jullie Heer blijft eeuwig voort bestaan, de Bezitter van Grootsheid en Eer. (ar-Rahmān, 55: 26-27)

Het punt dat door Allāh Subhana wa Taʿâlâ, wordt benadrukt in de āyah:Aan Wie behoort het Heerschappij op deze Dag? is dat alle banden met de wereld verbroken zijn en dat er geen enkel levend wezen meer overblijft.

Zoals later zal plaatsvinden, zullen na dit bevel van Allāhu Ta’ālā de wederopstanding, het bijeenkomen en de verzameling in Mahshar-plein plaatsvinden. Na de vernietiging van alle levende wezens wordt er een discussie gevoerd over de vraag of het Paradijs en het Hellevuur eveneens vergankelijk zijn, en of zij vernietigd zullen worden of niet. Hierover bestaan twee opvattingen

Eerste opvatting:

Allāhu Ta’ālā zal ook deze twee (het Paradijs en de Hel) vernietigen, zodat er niets overblijft behalve Zijn Eigen Zelf (Ḏāt).

Immers, de āyah:هُوَ ٱلۡأَوَّلُ وَٱلۡأٓخِرُ وَٱلظَّٰهِرُ وَٱلۡبَاطِنُۖ وَهُوَ بِكُلِّ شَيۡءٍ عَلِيمٌ ٣

Hij is de Eerste en de Laatste, de Grootste en de Onwaarneembare. En Hij is de Alwetende van alles. (al Hadid, 57:2), drukt deze werkelijkheid uit.

Volgens een interpretatie is het echter niet geoorloofd dat het Paradijs en de Hel vernietigd worden. Er wordt gezegd dat zij, door de handhaving van Allāhu Ta’ālā blijvend blijven. Desondanks weet alleen Allāhu Ta’ālā wat het het beste is.

Zoals in dit hoofdstuk eerder is aangegeven, werd hier al op gewezen en werd daar gezegd:“Er wordt gezegd dat een omroeper zal uitroepen: ‘Van wie is vandaag de Mulk?’ en dat de bewoners van het Paradijs antwoorden: ‘Het behoort toe aan Allāh, de Ene en Enige, al-Qahhār.” Ook deze overlevering wordt vermeld door (de Qur’ān-excegeet) Imām az-Zamakhsharī.

Als iemand zou vragen: “Wat kan volgens jullie de interpretatie zijn van de term yad (hand) die in de ḥadīth voorkomt? Volgens ons is het de werkelijke naam van het bekende fysieke orgaan. Welke betekenis zouden uitdrukkingen zoals ‘vasthouden’, ‘nemen’ of ‘samenrollen’ hebben?”

Dan zeggen wij: “De vermelding van ‘Linkerhand’ in de ḥadīth is iets dat zeer moeilijk te interpreteren is. Immers, het is absoluut onmogelijk om zo’n uitdrukking letterlijk op Allāhu Ta’ālā toe te passen.”

Als antwoord leggen wij uit dat het woord yad / hand in het Arabisch vijf betekenissen kan hebben, namelijk: [Ik heb de letterlijke vertaling van wat de schrijver hieronder weergegeven. De houding van de meerderheid van Ahli Sunnah wa’l Jama`ah heb ik hieronder weergegeven:

Allāh’s Eigenschappen en Mutashabih -āyāt: De Qur’ān spreekt over Allāh met termen zoals istiwâ (troont), wajh (gezicht), yad (hand) en `ayn (oog).

Volgens de leer van Ahli’s-Sunnah worden deze eigenschappen van Allāh in hun letterlijke betekenis geaccepteerd zonder ze te interpreteren of te ontkennen. Ahli’s-Sunnah benadrukt dat deze eigenschappen niet gelijk zijn aan die van de schepping. Hoe Allāh’s Wezen (ḏāt) en Eigenschappen zijn, weten wij niet.Imām Mālik gaf hierop het beroemde antwoord: “De aard van istiwâ kan niet door het verstand worden begrepen. De betekenis ervan in de taal is echter niet onbekend. Het is verplicht om erin te geloven, en vragen stellen hierover is een innovatie (bid`ah).”]

1- Het woord yad betekent kracht/macht.

In de uitspraak van Allāhu Ta’ālā:ٱصۡبِرۡ عَلَىٰ مَا يَقُولُونَ وَٱذۡكُرۡ عَبۡدَنَا دَاوُۥدَ ذَا ٱلۡأَيۡدِۖ إِنَّهُۥٓ أَوَّابٌ ١٧

Wees geduldig met wat zij zeggen en gedenk Onze dienaar Dawoed, de bezitter van kracht. Waarlijk, hij is de meest berouwtonende. (Ṣād, 38:17). verwijst de term ḏu’l ayd / Degene Met Hand hier naar kracht en macht.

2- Het woord yad heeft de betekenis van mulk (bezit/heerschappij) en macht.

In de uitspraak van Allāhu Ta’ālā:قُلۡ إِنَّ ٱلۡفَضۡلَ بِيَدِ ٱللَّهِ يُؤۡتِيهِ مَن يَشَآءُۗ وَٱللَّهُ وَٰسِعٌ عَلِيمٞ ٧٣

Zeg: “ Genade is in de hand van Allāh; Hij geeft aan wie Hij wil. En Allāh is Milddadig, Alwetend. (Āl ‘Imrān, 3:73), duidt het woord yad hier op mulk en macht.

3- Het woord yad wordt ook gebruikt in de betekenis van gunst/weldaad.Zo zeggen de Arabieren: “Bij die persoon heb ik een hand”, waarmee zij bedoelen:“Ik heb hem veel goeds bewezen.”

Dit komt overeen met de uitdrukking: “Mijn hand is altijd boven hem geweest”,wat betekent: “Ik heb hem steeds gesteund en beschermd.”

4- Het woord yad heeft de betekenis van familieband/betrokkenheid.

In de uitspraak van Allāhu Ta’ālā:

أَوَلَمۡ يَرَوۡاْ أَنَّا خَلَقۡنَا لَهُم مِّمَّا عَمِلَتۡ أَيۡدِينَآ أَنۡعَٰمٗا فَهُمۡ لَهَا مَٰلِكُونَ ٧١

Zien zij dan niet, dat onder wat Onze Handen voor hen hebben geschapen, het vee is, zodat zij daarvan de eigenaren zijn? (Yā Sīn, 36:71), heeft het woord yad deze betekenis.

In een andere āyah zegt Allāhu Ta’ālā: أَوۡ يَعۡفُوَاْ ٱلَّذِي بِيَدِهِۦ عُقۡدَةُ ٱلنِّكَاحِۚ

…of hij, in wiens handen de huwelijksband ligt, besluit om daarvan af te zien en haar de hele mahr te betalen… (al-Baqarah, 237)

5- Het woord yad heeft de betekenis van het bekende lichamelijke orgaan, de hand.

Zoals in de uitspraak:

وَخُذۡ بِيَدِكَ ضِغۡثٗا فَٱضۡرِب بِّهِۦ وَلَا تَحۡنَثۡۗ ٞ ٤٤

(Allāh zei tegen Ajoeb:) “En neem een bundel dun gras in je hand en sla daarmee (je vrouw) en verbreek je eed niet… (Ṣād, 38:44)

In de ḥadīth betekent de uitdrukking ‘met Zijn hand’ ‘met Zijn kracht/macht’.

Daarom valt al Zijn schepselen volledig onder Zijn macht, omvatting, kracht en beheer.

Bijvoorbeeld, wanneer men zegt: “Die persoon is alleen binnen mijn hand”bedoelt men: “Die persoon valt in alle opzichten onder mijn macht.”

Bovendien, uitspraken van het volk zoals: “Alles is in de hand/greep van Allāh”betekent in wezen: “Alles bevindt zich binnen de heerschappij en de kracht van Allāhu Ta’ālā.”

Soms worden woorden als ‘qabd’ (grijpen / beheersen) en ‘tay’ (samenrollen / oprollen)” ook gebruikt in de betekenis van vernietigen of laten verdwijnen.

Immers, de uitspraak:وَمَا قَدَرُواْ ٱللَّهَ حَقَّ قَدۡرِهِۦ وَٱلۡأَرۡضُ جَمِيعٗا قَبۡضَتُهُۥ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ وَٱلسَّمَٰوَٰتُ مَطۡوِيَّٰتُۢ بِيَمِينِهِۦۚ سُبۡحَٰنَهُۥ وَتَعَٰلَىٰ عَمَّا يُشۡرِكُونَ ٦٧

Zij achten Allāh niet met de achting die Hem toekomt, terwijl Hij op Yawmu’l Qiyāmah de aarde volledig in Zijn greep heeft, en de hemelen in Zijn rechterhand opgerold zullen zijn. Verheerlijkt is Hij, en Verheven boven alles wat zij als deelgenoten aan Hem toekennen! (az-Zumar 39:67), kan betekenen dat de hele aarde op die Dag vergaan of vernietigd zal worden.

Verder geldt: in de āyah: “en de hemelen in Zijn Rechterhand opgerold zullen zijn” (zie az-Zumar 39:67) betekent het opgerold worden niet dat er een soort formule of fysieke handeling wordt toegepast, maar verwijst het naar vernietiging of het verdwijnen ervan.

Als men, kijkend naar de uitdrukking in de ḥadīth: ‘hij opende en sloot zijn vingers’, zegt dat dit letterlijk betekent dat de vingers daadwerkelijk geopend en gesloten werden, dan zeggen wij: ‘Dit is de opvatting van de antropomorfisten (mujassimah) onder de joden, en tevens van de Ḥashawiyyah. Allāhu Ta’ālā is volkomen verheven boven dergelijke concepten. De betekenis van de ḥadīth is dat de betreffende persoon deze gebeurtenis van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft overgeleverd, namelijk dat hij daarbij zijn vingers opende en sloot. Anders is de betekenis van het woord ‘yad’ (hand), dat onder de Eigenschappen wordt genoemd, niet in de betekenis van de hand zoals wij die kennen. Omdat het niet die betekenis heeft, kan het ook geen aanleiding geven tot de veronderstelling dat Allāh vingers heeft.

De ḥadīth toont alleen aan dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn vingers opende en sloot tijdens het overleveren van de gebeurtenis, verder niets.

Bovendien zegt al-Khaṭṭābī dat in de overleveringen waarin de uitdrukking ‘vingers’ voorkomt, nergens in de Qurʾān of de Sunnah is vastgesteld dat deze op een manier is overgeleverd die hun betrouwbaarheid bevestigt.

Als gezegd wordt: “De uitdrukking 'vingers' komt voor in vele aḥadīth. Wat is dan jouw antwoord hierop?”, dan hebben Ṣaḥīḥ al-Bukhārī en Ṣaḥīḥ Muslim hierover overgeleverd. Beiden melden het volgende: “Een man van Ahl al‑Kitāb kwam bij an‑Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zei tegen hem: 'Ik breng u de (boodschap) dat Allāh de hemelen op Zijn vingers draagt, de aarde op Zijn vingers, de boom op Zijn vinger, de Sūrā (Pleiaden) op Zijn vinger en alle geschapenen op één van Zijn vingers.'

Daarop lachte Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) totdat zijn hoektanden zichtbaar werden. Vervolgens liet Allāh, deze āyah neerdalen: zie hierboven az‑Zumar 39:67 (al-Bukhārī, Kitāb at‑Tawḥīd, ḥadīth 7414-7415; Muslim, Kitāb Ṣifat al‑Qiyāmah, ḥadīth 2786/19 en 2786/21)

…Van ʿAbd Allāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما) hoorde hij Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) het volgende zeggen: “Voorwaar, de harten van de kinderen van Ādam bevinden zich tussen twee vingers van de vingers van ar‑Raḥmān. Hij beschikt over hen zoals Hij wil.'

Vervolgens zei Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم): 'O Allāh, Die de harten onder Zijn beschikking heeft zoals Hij wil! Maak onze harten standvastig in Uw gehoorzaamheid.” (Muslim, h: 2654/17)

In deze betekenis zijn vele aḥadīth te vinden.

Er is tegen hem gezegd: “Vergeet niet dat de uitdrukking ‘vingers’ soms in de betekenis van de echte vingers wordt gebruikt zoals wij die kennen.

Allāhu Ta’ālā is volkomen verheven boven het hebben van vingers in die betekenis. Soms kan het ook betekenen dat men kracht heeft of machtig is over iets. Dit kan in zekere zin worden gebruikt als een uitdrukking om iets eenvoudig te maken.

Bijvoorbeeld, in de context van een handeling die tegenover hem wordt verricht, kan het betekenen dat hij het werk eenvoudig en gemakkelijk vindt en het zonder moeite kan uitvoeren: ‘Is dat ook iets? Ik draag het met één vinger, ik til het met één vinger op, ik houd het met mijn pink vast.’ Zo kan een manier van uitdrukken zijn.

Dit is vergelijkbaar met een gehoorzame mu’min die zegt bij het dragen van iets: ‘Ik draag het boven mijn ogen; ik breng het op mijn hoofd naar zijn plaats.’ Met deze uitdrukkingen wil die persoon aan de ander laten zien dat hij op alle manieren gehoorzaam is. Ja, dit soort uitdrukkingen wordt veel gebruikt.

Bijvoorbeeld, de dichter Antere of Ibn Zabbābah at-Taymī gebruikt in het couplet eenzelfde betekenis:“De speer houd ik niet met mijn handpalm, maar met mijn vingertoppenWanneer degene tegenover mij buigt, buig ik niet; ik buig naar zijn buiging’

Op de rug van het paard sta ik rechtop, sommige tekortkomingen zouden er zijn, maar ik geef er geen acht op. Of het paard naar de wens van de ruiter is of niet, maakt voor mij niets uit.”Hier benadrukt de ruiter zijn vaardigheid en bekwaamheid in het berijden, zonder zich te bekommeren om wat over hem gezegd kan worden.

Aangezien de hemelen en de aarde het hoogste zijn in kracht onder de schepselen en het hoogste van de geschapen wezens, is het voor Allāh net zo eenvoudig om hen vast te houden zoals wij een eenvoudig voorwerp tussen onze vingers kunnen vasthouden. Zoals wij die eenvoudige dingen tussen onze vingers kunnen draaien en vormen zoals wij willen, zo is de situatie van de hemelen en de aarde ten opzichte van Allāh.

Om deze reden is in de ḥadīth de uitdrukking opgenomen: ‘Daarna opende en sloot Hij Zijn vingers’.

Bovendien staat in een overlevering van de ḥadīth: “Hij schudde het zoals Hij wilde”, hetgeen voorkomt in sommige ketens van overlevering die door Muslim en anderen zijn overgeleverd.

Met andere woorden, de hemelen en de aarde zijn, in termen van Allāh’s macht, als een klein korreltje.

Bijvoorbeeld, net zoals wij een korrel in onze hand nemen en deze in onze palm naar wens bewegen, soms onze vingers erop sluiten en soms openen, zonder enige moeite of belasting, zo is ook de situatie van de hemelen en de aarde in het kader van Allāh’s macht.

In de Arabische taal wordt vinger ook soms in de betekenis van ni`mah (zegen, gave) gebruikt. In de hadith: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Waarlijk, alle harten van de kinderen van Adam bevinden zich tussen twee vingers van ar-Rahmān”, kan de betekenis zijn: “tussen twee zegeningen van ar-Rahmān.”

Bijvoorbeeld, wanneer men zegt: “Iemand heeft een vinger over mij”, betekent dit dat die persoon een mooie daad of goedheid jegens mij heeft verricht, want deze uitdrukking wordt gebruikt voor goedheid en gunst. Zo ook: “De herder heeft een vinger over de dieren”, betekent dat de herder hen niet verwaarloost, maar ze naar de beste weideplaatsen leidt en daar laat grazen.

Indien men zegt: “Hoe kan het toegestaan zijn om over Allāhu Taʿālā te spreken met de uitdrukking ‘Linkerhand’, terwijl zo’n uitdrukking tekortkoming in Allāh impliceert?”, dan luidt het antwoord: “Deze overlevering, via Salim, is slechts een zwakke overlevering die enkel van ʿUmar b. Hamza komt (Muslim, h:2788) Bovendien is deze ḥadīth ook door Nāfi` en ʿAbdullah b. Miksam via Ibn ʿUmar gerapporteerd. Maar in hun overlevering komt de uitdrukking ‘Linkerhand’ niet voor. (al-Bukhārī, h:7413; Ibn Mājah, h:198)

Zelfs Abū Hurayrah (رضي الله عنه) en anderen hebben dit van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) overgeleverd, maar in geen van hun overleveringen staat de term ‘links’.

Bayhaqi zegt ook dat er een andere overlevering is waarin het woord shimāl (links) voorkomt. Deze komt echter niet voor in de vorm zoals hierboven beschreven bij de eigenschappen.

In die overlevering is de overleveraar Mur; aangezien hij een zwakke overleveraar is, is de ḥadīth vanuit dit oogpunt zwak. Hoe kan deze ḥadīth geldig zijn, terwijl er een authentieke overlevering van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bestaat waarin voor beide handen van Allāh de uitdrukking “rechts” wordt gebruikt. (Muslim, h:1827)

Degenen die dit beweren, lijken de oorspronkelijke bewoordingen vrij te interpreteren of beschouwen het louter als een Arabische stijlvorm. De Arabieren gebruiken deze term immers vaak als een vaste uitdrukking tegenover 'rechts' (yamīn)."

Al-Khaṭṭābī zegt: “Onder de uitdrukkingen die aan Allāh worden toegeschreven, komt de term ‘Linkerhand’ niet voor. Want het woord ‘linker’ (shimāl) wordt in wezen gebruikt in de betekenis van tekortkoming of zwakte. Daarentegen is er ook de overlevering: ‘Beide handen van Hem zijn rechts’. Vanuit ons oogpunt betekent het woord yad (hand) niet het lichaamsdeel van een mens. Het is slechts een eigenschap van Allāh en betreffende deze eigenschap is tawqīf * (beperking/begrenzing) vereist; men moet er niet over spreken. Wij gebruiken het in de absolute overgeleverde vorm, maar wij richten ons niet op de wijze of het hoe ervan.

(Tawqīf: Het verwijst naar het principe dat sommige zaken over Allāh of religieuze verplichtingen niet vrij interpreteerbaar zijn, maar strikt gebonden zijn aan wat in de Qurʾān en Sunnah is overgeleverd.)

Kortom, wat de Qurʾān en de authentieke Sunnah hierover zeggen, spreken wij uit en gaan wij niet verder. Dit is ook de mening van Ahl as-Sunnah wa’l-Jamāʿah.

In de Arabische taal betekent yamīn (rechts) ook macht, kracht en eigendom.

Allāh zegt: وَإِنۡ خِفۡتُمۡ أَلَّا تُقۡسِطُواْ فِي ٱلۡيَتَٰمَىٰ فَٱنكِحُواْ مَا طَابَ لَكُم مِّنَ ٱلنِّسَآءِ مَثۡنَىٰ وَثُلَٰثَ وَرُبَٰعَۖ فَإِنۡ خِفۡتُمۡ أَلَّا تَعۡدِلُواْ فَوَٰحِدَةً أَوۡ مَا مَلَكَتۡ أَيۡمَٰنُكُمۡۚ ذَٰلِكَ أَدۡنَىٰٓ أَلَّا تَعُولُواْ ٣

En als jullie vrezen, dat jullie niet rechtvaardig met de (vrouwelijke) wezen kunnen handelen (in hun recht op een bruidsschat), trouw dan (andere) vrouwen naar keuze, twee of drie of vier, maar als jullie vrezen dat jullie niet rechtvaardig (met hen) kunnen handelen dan slechts één of wat jullie rechterhanden bezitten. Zo kunnen jullie beter voorkomen onrechtvaardig te handelen. (Nisā, 4:3)

Hier wordt met “of wat jullie rechterhanden bezitten” verwezen naar eigendom.

Allāh zegt ook:

لَأَخَذۡنَا مِنۡهُ بِٱلۡيَمِينِ ٤٥

Dan zouden Wij hem zeker stevig (bij zijn rechterhand) gegrepen hebben. (Haqqah, 69:45)

Het woord “stevig” in dit āyah correspondeert met yamīn in de betekenis dat het betekent: “met kracht en macht hebben Wij Hem gegrepen”. Al-Farrāʾ zegt ook dat yamīn in de betekenis van kracht en macht wordt gebruikt.

De schrijver Imām Al-Qurtubī zegt: “Indien men deze interpretaties in acht neemt, worden āyah en ḥadīth overeenkomstig uitgelegd. In de Arabische taal wordt yamīn soms ook gebruikt in de betekenis van verheffing, eer en respect. Bijvoorbeeld: ‘Iemand is bij ons yamīn’ betekent: ‘Die persoon is waardevol en gerespecteerd bij ons.’”

Wat betreft de overlevering: “Beide handen van Hem zijn rechts”, hiermee wordt bedoeld dat Hij (Allāh) volmaakt en volledig is. De Arabieren houden ervan rechts te beginnen; links en met links beginnen houden ze niet van, omdat links tekortkoming impliceert. Rechts daarentegen staat voor zegen en volmaaktheid.

Indien men zegt: “Waar bevinden mensen zich in de uitdrukking ‘het oprollen van de aarde en de hemelen’?”, dan zeggen wij: “Zoals later met Allāh’s toestemming zal worden uitgelegd, zal het daar in de aangegeven context zijn.”

3.4: Het Barzakh leven

Fuṭay vroeg aan Mujāhid over de āyah:لَعَلِّيٓ أَعۡمَلُ صَٰلِحٗا فِيمَا تَرَكۡتُۚ كـَلَّآۚ إِنَّهَا كَلِمَةٌ هُوَ قَآئِلُهَاۖ وَمِن وَرَآئِهِم بَرۡزَخٌ إِلَىٰ يَوۡمِ يُبۡعَثُونَ ١٠٠

Zodat ik goed kan doen in datgene wat ik heb achtergelaten!” Nee! Het is slechts een woord dat hij spreekt, en achter hem een scheiding (barzakh) tot de Dag dat zij zullen herrijzen. (al‑Muʾminūn 23:100)Mujāhid zei: “Dat is de periode tussen dood en opstanding.”

Men zei tegen Aṣ‑Shaʿbī: “Een bepaalde man is gestorven.”Aṣ‑Shaʿbī zei: „Hij is noch in deze wereld, noch in het Hiernamaals. Hij bevindt zich in de Barzakh.“

‘Barzakh’ betekent in de Arabische taal ‘het obstakel of de scheiding tussen twee zaken’.In de āyah staat:

۞ وَهُوَ ٱلَّذِي مَرَجَ ٱلۡبَحۡرَيۡنِ هَٰذَا عَذۡبٞ فُرَاتٞ وَهَٰذَا مِلۡحٌ أُجَاجٞ وَجَعَلَ بَيۡنَهُمَا بَرۡزَخٗا وَحِجۡرٗا مَّحۡجُورٗا ٥٣

En Hij is Degene Die de twee zeeën naast elkaar doet stromen, de ene smakelijk en zoet en de ander zout en bitter. En Hij heeft een grens en een volledige scheiding tussen hen gezet. (al‑Furqān 25:53) Deze (uitdrukking) toont aan dat barzakh de betekenis heeft van obstakel en scheiding.Ook de āyah “…en achter hem een scheiding (barzakh)…” (al‑Muʾminūn 23:100) heeft deze betekenis.

3.5: Tweede blaas op de Ṣūr en opstanding uit graven

Dit gedeelte behandelt: De eerste plant die op aarde zal groeien, de eerste die zal worden opgewekt, op welke leeftijd de mensen zullen verrijzen en welke taal zij zullen spreken na de wederopstanding.

Allāhu Taʿālā zegt:

وَهُوَ ٱلَّذِي خَلَقَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضَ بِٱلۡحَقِّۖ وَيَوۡمَ يَقُولُ كُن فَيَكُونُۚ قَوۡلُهُ ٱلۡحَقُّۚ وَلَهُ ٱلۡمُلۡكُ يَوۡمَ يُنفَخُ فِي ٱلصُّورِۚ عَٰلِمُ ٱلۡغَيۡبِ وَٱلشَّهَٰدَةِۚ وَهُوَ ٱلۡحَكِيمُ ٱلۡخَبِيرُ ٧٣

En Hij is het die de hemelen en de aarde in Waarheid heeft geschapen en op de dag zal Hij zeggen: “Wees,” en het is. Zijn Woord is de Waarheid. Hem behoort de heerschappij op de Dag waarop op de bazuin geblazen wordt. Alwetend van het onzichtbare en het zichtbare. Hij is de Alwijze. Welbewust (van alle dingen). (An`am: 73)

وَنُفِخَ فِي ٱلصُّورِ فَصَعِقَ مَن فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَمَن فِي ٱلۡأَرۡضِ إِلَّا مَن شَآءَ ٱللَّهُۖ ثُمَّ نُفِخَ فِيهِ أُخۡرَىٰ فَإِذَا هُمۡ قِيَامٞ يَنظُرُونَ ٦٨

En er zal op de bazuin geblazen worden, waarop alles wat in de hemelen en op aarde is zal bezwijken, behalve (voor) wie Allāh wil (dat deze blijft leven). Dan zal er een tweede maal geblazen worden en dan zullen zij staan en wachten. (Zumar, 68)

فَإِذَا نُفِخَ فِي ٱلصُّورِ فَلَآ أَنسَابَ بَيۡنَهُمۡ يَوۡمَئِذٖ وَلَا يَتَسَآءَلُونَ ١٠١

Dan, als de bazuin geblazen wordt, zal er geen verwantschap meer zijn onder hen op die Dag, noch zullen zij elkander vragen. (al Mu’minun, 101)

وَلَيۡسَتِ ٱلتَّوۡبَةُ لِلَّذِينَ يَعۡمَلُونَ ٱلسَّيِّـَٔاتِ حَتَّىٰٓ إِذَا حَضَرَ أَحَدَهُمُ ٱلۡمَوۡتُ قَالَ إِنِّي تُبۡتُ ٱلۡـَٰٔنَ وَلَا ٱلَّذِينَ يَمُوتُونَ وَهُمۡ كُفَّارٌۚ أُوْلَٰٓئِكَ أَعۡتَدۡنَا لَهُمۡ عَذَابًا أَلِيمٗا ١٨

En geen resultaat heeft het berouw van degenen die doorgaan met zondigen tot één van hen de dood in de ogen kijkt en zegt: “Nu heb ik berouw” noch van degenen die sterven terwijl zij ongelovig zijn. Voor hen hebben Wij een pijnlijke bestraffing voorbereid. (an-Nisa, 4:18)

In deze āyāt wordt voor Yawmu’l Qiyāmah een instrument genoemd genaamd ‘Ṣūr’. De aḥādīth vermelden dit eveneens. In sommige āyāt wordt het de naam "nāqūr" (bazuin of hoorn)" vermeld. فَإِذَا نُقِرَ فِي ٱلنَّاقُورِ ٨ Als dan op de bazuin geblazen wordt. (Muddaththir, 74:8)

Volgens de mufassirīn is de Ṣūr of nāqūr een hoorn waarop geblazen wordt. Er wordt twee maal op de Ṣūr geblazen. Bij de eerste keer zullen alle levende wezens sterven. Bij de tweede keer zullen zij wederopstaan.

In de āyah wordt het uitgedrukt als:

مَا يَنظُرُونَ إِلَّا صَيۡحَةٗ وَٰحِدَةٗ تَأۡخُذُهُمۡ وَهُمۡ يَخِصِّمُونَ ٤٩

Zij wachten slechts op een plotselinge stem/kreet die hen zal overkomen terwijl zij nog aan het redetwisten zijn. (Yasin, 36:49)

Door deze ene stem of kreet zullen alle levende wezens omkomen en sterven.

De Qiyāmah (Opstanding) zal plotseling komen. لَا تَأۡتِيكُمۡ إِلَّا بَغۡتَةٗۗ …Het zal onverwachts over jullie komen... (Al- A`raaf, 7: 187)

Terwijl mensen hun normale leven leiden, zal in de Ṣūr worden geblazen:مَا يَنظُرُونَ إِلَّا صَيۡحَةٗ وَٰحِدَةٗ تَأۡخُذُهُمۡ وَهُمۡ يَخِصِّمُونَ ٤٩

Zij wachten slechts op een plotselinge straf die hen zal overkomen terwijl zij nog aan het redetwisten zijn. (Yasin 36: 49)Niemand zal een ander kunnen helpen. Zelfs voordat iemand begrijpt wat er gebeurt, zal alles voorbij zijn.

فَلَا يَسۡتَطِيعُونَ تَوۡصِيَةٗ وَلَآ إِلَىٰٓ أَهۡلِهِمۡ يَرۡجِعُونَ ٥٠

Dan kunnen zij elkaar niet raadplegen noch kunnen zij naar hun familie terugkeren (Yasin, 36: 50)

Bij het eerste blazen op de Ṣūr zal alles verdwijnen.

إِن كَانَتۡ إِلَّا صَيۡحَةٗ وَٰحِدَةٗ فَإِذَا هُمۡ خَٰمِدُونَ ٢٩ Er was slechts één enkele kreet en zie! Zij waren stil. (Yasin, 36:29)

Bij het tweede blazen op de Ṣūr zullen weer alle doden in één oogwenk uit hun graven en verblijven worden opgewekt en bijeengebracht.

وَنُفِخَ فِي ٱلصُّورِ فَإِذَا هُم مِّنَ ٱلۡأَجۡدَاثِ إِلَىٰ رَبِّهِمۡ يَنسِلُونَ ٥١

En er wordt op de bazuin geblazen, daarop snellen zij uit de graven naar hun Heer. (Yasin, 36:51)

Volgens de mufassirīn is de Ṣūr een hoorn, een soort bazuin, gemaakt van licht.

Zoals wordt uitgelegd, zullen alle arwāh erin aanwezig zijn. De Ṣūr heeft evenveel gaten als er levende wezens zijn. Volgens de overlevering van Mujahid en al-Bukhârî, wanneer er op de Ṣūr wordt geblazen, zullen deze arwāh uit de Ṣūr komen en terugkeren naar hun lichamen.

Volgens surah Yasin, āyah 51 zal elk levend wezen waarvan de rûḥ terugkeert naar het lichaam, zich haastig verzamelen op het Mahshar plein. Het eerste blazen op de Ṣūr wordt ‘râjifah’ genoemd. Dit wordt ook de dood-Ṣūr genoemd. De Ṣūr voor de tweede opstanding wordt ‘râdifah’ genoemd.

Op Yawmu’l Qiyāmah, wanneer de mensen weer tot leven worden gewekt,

قَالُواْ يَٰوَيۡلَنَا مَنۢ بَعَثَنَا مِن مَّرۡقَدِنَاۜۗ هَٰذَا مَا وَعَدَ ٱلرَّحۡمَٰنُ وَصَدَقَ ٱلۡمُرۡسَلُونَ ٥٢

(kāfirs en de munāfiqs zullen verbaasd vragen:) Zij zeggen: “Wee voor ons! Wie heeft ons uit onze slaapplaats doen herrijzen? (Antwoord van de mu’mins of de engelen ): Dit is wat de Barmhartige heeft beloofd, en de Boodschappers hebben de waarheid gesproken!” (Yasin 36:52)

Volgens een andere overlevering zijn degenen die de vragen stellen en degenen die antwoorden hetzelfde: de kāfirs en de munāfiqs zelf. In dat geval betekent de āyah:“Dit moet zijn wat Allāh ons heeft beloofd. Dus de anbiyā’ spraken echt de waarheid.”

Onze geleerden leggen uit dat het tweede blazen van de Sûr een oorzaak en middel is voor de doden om uit hun graven te komen. Allāh Ta’ālā geeft, degenen die dood zijn, hun lichaam terug en de lichamen worden weer bijeen gebracht. Hij verzamelt zelfs degenen die verdronken zijn in zee of degenen die door roofdieren zijn opgegeten. Zo wordt de mens weer als voorheen herschapen. Ten slotte worden de arwāh door het blazen van de Sûr met de opnieuw samengebrachte lichamen herenigd.

Op deze manier zullen alle mensen, inclusief miskramen, uit hun graven opstaan en zich verzamelen op het Mahshar-plein.

Resulullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het miskraamkind staat bij de poort van het Paradijs en gaat er niet in. Wanneer gezegd wordt: ‘Ga het Paradijs binnen’, dan zal het zeggen: ‘Nee! Ik ga niet zonder mijn ouders.” (Ibn Mājah, 1608) Met een miskraamkind wordt bedoeld: een kind dat in de baarmoeder volledig gevormd is en een rûḥ heeft gekregen, maar vóór of tijdens de geboorte is overleden. Uit de āyāt:وَإِذَا ٱلۡمَوۡءُۥدَةُ سُئِلَتۡ ٨ En wanneer het levend begraven meisje (zoals in de pre-islamitische tijd gebeurde) ondervraagd wordt.

بِأَيِّ ذَنۢبٖ قُتِلَتۡ ٩ Voor welke zonde zij gedood werd. (at-Takwīr, 81:8-9)

Uit deze āyāt begrijpen we dat miskraamkinderen en kinderen die sterven zonder volwassen te worden, ook zullen opstaan en zich zullen verzamelen op het Mahshar-plein.

Kinderen die overlijden voordat ze een rûḥ hebben gekregen, zijn als andere levenloze wezens. Hakīm Husayn bin Hasan zegt in zijn werk Minhācu'd-dīn: يَوۡمَ يَدۡعُوكُمۡ فَتَسۡتَجِيبُونَ بِحَمۡدِهِۦ وَتَظُنُّونَ إِن لَّبِثۡتُمۡ إِلَّا قَلِيلٗا ٥٢

Op de Dag dat Hij jullie zal oproepen en jullie Zijn oproep zullen beantwoorden met lofprijzing en gehoorzaamheid. En jullie zullen denken dat jullie (in deze wereld) maar een korte tijd hebben verbleven! (al-Isra, 17:52), Het bovenstaade āyah betekent dat iedereen op die dag in zijn oorspronkelijke staat zal terugkeren en uit zijn graf zal opstaan (dat wil zeggen dat kinderen die overlijden voordat ze een rûḥ hebben gekregen, niet zullen worden opgewekt).

Op Yawmu’l Qiyāmah begint het eerste woord met het lofprijzen van Allāh.

Op die dag zal het laatste woord ook met het lofprijzen van Allāh zijn. Dat wil zeggen dat zowel het begin als het einde van het oordeel met het lof van Allāh zal zijn.

Van Abû Sa‘îd al-Khudrī (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De twee eigenaars van de Sûr houden de Sûr vast met hun handen, of de Sûr heeft twee hoorns in hun handen, en wachten op het bevel om te blazen.” (Ibn Mājah, 4273)

Van Abdullāh b. Amr b. As (رضي الله عنه): Een man kwam naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en vroeg wat de Sûr was.Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “De Sûr is een hoorn waarop wordt geblazen.” (Ahmad b. Hanbal, 2/162 en 192) Volgens at-Tirmiḏī is deze ḥadīth ḥasan.

Van Abû Sa‘îd al-Khudrī (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De engel die de Sûr vasthoudt, heeft hem bij zijn mond en wacht op het bevel om te blazen. Hoe kunnen wij dan eten en drinken?” (Tirmiḏī, 192 en 2431)

Deze woorden vielen zwaar bij de ashāb al-kirām. Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dat bemerkte, zei hij: “Allāh is ons voldoende. Wat een mooie Beschermer, wat een mooie Helper is Hij.” Volgens at-Tirmiḏī is ook deze ḥadīth ḥasan.

Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De eigenaar van de Sûr (namelijk Isrāfīl (عليه السلام) staat sinds de dag dat hij hiermee is belast, voortdurend gereed bij de `Arsh, niet bezig met iets anders uit angst dat het bevel elk moment kan komen.” (Hakīm, 4/558; Abû Nu‘aym, Hilya, 4/99)

Van `Abdullāh ibn Mas‘ūd (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “(Nadat het bevel is gekomen) staat de engel die belast is met de Sûr, tussen de hemel en de aarde klaar om op de Sûr te blazen. De Sûr is een hoorn. Behalve wie Allāh wil, blijft geen levend wezen over op aarde of in de hemelen. Vervolgens verstrijkt een tijd die Allāh bepaalt, en dan wordt de tweede Sûr geblazen. Op dat moment blijft niets van de mensheid op aarde over (dat wil zeggen, iedereen verdwijnt), behalve één ding.”

Sufyān as-Thawrī zegt: “Dat ding is het stuitbeen.”“Daarna zendt Allāh water vanuit de aarde. Dit water lijkt op het zaad van de mens. Daarop beginnen de botten en het vlees van de mensen uit de aarde te groeien als gras.”

Vervolgens heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het volgende āyah gereciteerd:وَٱللَّهُ ٱلَّذِيٓ أَرۡسَلَ ٱلرِّيَٰحَ فَتُثِيرُ سَحَابٗا فَسُقۡنَٰهُ إِلَىٰ بَلَدٖ مَّيِّتٖ فَأَحۡيَيۡنَا بِهِ ٱلۡأَرۡضَ بَعۡدَ مَوۡتِهَاۚ كَذَٰلِكَ ٱلنُّشُورُ ٩

En het is Allāh die de winden stuurt, die de wolken verzamelen waarop Wij die naar het dode land sturen en daarmee de aarde doen herleven na haar dood. Zo (zal) de herrijzenis (zijn). (Fātir, 35:9)

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vervolgde: “Daarna staat de engel die belast is met de Sûr (Isrāfīl (عليه السلام) tussen de aarde en de hemel en blaast opnieuw op de Sûr. Daarop keert elke rûḥ terug naar zijn eigen lichaam. Zo worden alle lichamen opgewekt, en op het bevel van Allāh staan alle mensen, alsof zij één enkel persoon zijn, voor Allāh.”

Abdullāh ibn al-Mubārak legt dit laatste gedeelte als volgt uit: “Voor Allāh staan ze ordelijk (zonder te bewegen of de volgorde te verstoren) en zij de salām-groetenis allen met één stem als één enkele salām.”

Abdullāh ibn Mas‘ūd (رضي الله عنه) zegt: “…en op het bevel van Allāh staan alle mensen, alsof zij één enkel persoon zijn, voor Allāh”. De uitspraak ‘en zij de salām-groetenis allen met één stem als één enkele salām’ heeft twee betekenissen:

Dat zij salām geven terwijl ze staan en hun handen op hun knieën leggen, dat wil zeggen in de rukū‘-houding. Want in de āyah wordt aangegeven dat alle schepselen na het opstaan zullen staan.

Dat zij zich in sujūd groeten. Want dit is ook de betekenis die de mensen doorgaans uit het woord tahiyyat begrijpen.”

Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in het gezelschap van een groep ashāb was, legde hij de āyah uit:

يَوۡمَ هُم بَٰرِزُونَۖ لَا يَخۡفَىٰ عَلَى ٱللَّهِ مِنۡهُمۡ شَيۡءٞۚ لِّمَنِ ٱلۡمُلۡكُ ٱلۡيَوۡمَۖ لِلَّهِ ٱلۡوَٰحِدِ ٱلۡقَهَّارِ ١٦

Op de Dag wanneer zij tevoorschijn komen, zal niets voor Allāh verborgen blijven. Aan Wie behoort het Koninkrijk op deze Dag? Het is van Allāh, de Ene, de Overweldiger. (Ghāfir, 40:16)

Vervolgens reciteerde hij de āyah:يَوۡمَ تُبَدَّلُ ٱلۡأَرۡضُ غَيۡرَ ٱلۡأَرۡضِ وَٱلسَّمَٰوَٰتُۖ وَبَرَزُواْ لِلَّهِ ٱلۡوَٰحِدِ ٱلۡقَهَّارِ ٤٨

Op de Dag dat de aarde in een andere aarde zal veranderen en de hemelen ook.

En de mensen zullen voor Allāh verschijnen, de Ene, de Onweerstaanbare. (Ibrāhīm, 16:48)

Daarop vertelde hij: Allāh zal de aarde en de hemel veranderen.لَّا تَرَىٰ فِيهَا عِوَجٗا وَلَآ أَمۡتٗا ١٠٧ Waarop je geen lage en hoge (plaatsen) ziet” (Tāhā, 20:107)

Daarna zal Allāh Ta’ālā alle schepselen in één keer weer tot leven wekken. Alle mensen zullen zich in deze veranderde wereld verzamelen. Zoals degenen die onder de aarde wonen, zo worden ook degenen die erboven leven, opgewekt.

Vervolgens komt er vanuit de `Arsh water, dat het “Levenswater” wordt genoemd. Dit water zal veertig jaar uit de hemel regenen. Alle plaatsen zullen door water bedekt worden, en het water zal zo hoog stijgen dat het twaalf armlengte boven alles uitkomt. Daarna beginnen de mensen als gras uit de aarde te groeien.

Allāh Ta’ālā zal de engelen die de `Arsh dragen, weer tot leven brengen. Daarna zal Hij Jibrīl, Mikā’īl en Isrāfīl (عليهم السلام) opwekken. Isrāfīl (عليه السلام) zal op het bevel van Allāh de Sûr in zijn hand nemen. Vervolgens zullen, op het bevel van Allāh, alle arwāh zich verzamelen bij Hem. De arwāh van de mu’mins zullen wit zijn als licht, en de arwāh van de kāfirs zullen pikzwart zijn. Wanneer Isrāfīl (عليه السلام) op bevel van Allāh op de Sûr blaast, beginnen alle arwāh tussen hemel en aarde te bewegen en keren ze terug naar hun lichamen.

Na de mensen zullen ook de dieren en insecten worden opgewekt. Op die dag zullen alle mensen als 33-jarige jongeren worden opgewekt. Op die dag zullen alle mensen in het Aramees spreken. Iedereen zal zich verzamelen en voor Allāh verschijnen.

مُّهۡطِعِينَ إِلَى ٱلدَّاعِۖ يَقُولُ ٱلۡكَٰفِرُونَ هَٰذَا يَوۡمٌ عَسِرٞ ٨

Zich tot de oproeper haastend. De kāfirs zullen zeggen: “Dit is een moeilijke dag.” (al-Qamar, 54:8)

وَيَوۡمَ نُسَيِّرُ ٱلۡجِبَالَ وَتَرَى ٱلۡأَرۡضَ بَارِزَةٗ وَحَشَرۡنَٰهُمۡ فَلَمۡ نُغَادِرۡ مِنۡهُمۡ أَحَدٗا ٤٧

En (gedenk) de Dag waarop Wij de bergen zullen verzetten en jullie de aarde zullen zien als een opgeheven vlakte. Wij zullen hen allen verzamelen en niet één van hen achterlaten. (al-Kahf, 18:47)

Alle mensen zullen naakt en ongeschoren zeventig jaar wachten. Allāh zal hen niet aankijken en hen niet berechten, maar hen gewoon zo laten wachten. Alle levende wezens zullen huilen. Hun ogen zullen leeg zijn van tranen en uiteindelijk zullen zij zo intens huilen dat hun ogen bloedig worden. Ze zullen blijven huilen en wanhopen, en roepen: “Is er niemand die voor Allāh voor ons kan bemiddelen?”

In de ḥadīth wordt later het onderwerp van shafā‘ah (voorspraak) genoemd; we zullen daar later op terugkomen.

Van `Abdullāh b. ‘Umar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) legde de onderstaande āyāt als volgt uit: إِذَا ٱلسَّمَآءُ ٱنشَقَّتۡ ١ Wanneer de hemel verscheurd wordt.

وَأَذِنَتۡ لِرَبِّهَا وَحُقَّتۡ ٢ En hij (de hemel) naar zijn Heer luistert en Hem gehoorzaamt en zijn plicht nakomt. (Inshiqaq, 84:1-2)

Wanneer de aarde wordt opengespleten, zal ik als eerste opstaan. Ik zal in mijn graf zitten. Boven mijn hoofd zal een deur opengaan en ik zal naar de aarde kijken. Onder mijn voeten zal een andere deur opengaan, vanwaar ik zeven lagen aarde zal zien.

Vervolgens zal aan mijn rechterzijde een deur opengaan, en van daaruit zal ik het Paradijs en de plaatsen zien waar mijn ashāb en mijn heengaan. Daarna zal de aarde beginnen te beven en ik zal vragen: ‘Wat is er aan de hand?’ De aarde zal mij antwoorden: ‘Mijn Rab heeft het bevel gegeven. Ik zal alle levende wezens in mij naar buiten werpen.’ Vervolgens zal zij alle levende wezens naar buiten werpen. Ik zal mezelf buiten vinden, maar zal me niets gebeuren. Op dezelfde manier zal ik weer mens worden”. وَأَلۡقَتۡ مَا فِيهَا وَتَخَلَّتۡ ٤ En uitwerpt wat in haar is en zich ledigt. (Inshiqaq, 84:4)

Volgens een overlevering zal Allāhu Ta’ālā, nadat alle schepselen zijn vernietigd, de Sûr opnieuw scheppen. De breedte van de Sûr zal groter zijn dan het universum.

Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): “De diameter van de Sûr zal groter zijn dan die van de hemel en de aarde.”

Een andere ḥadīth zegt: “Het ene uiteinde van de Sûr zal in het oosten zijn en het andere uiteinde in het westen.” Allāh weet het het beste.

Uitleg:De Sûr is een soort bazuin, hoorn of trompet waarop wordt opgeblazen. Het wordt ook Nāqūr genoemd: فَإِذَا نُقِرَ فِي ٱلنَّاقُورِ ٨ Als dan op de bazuin geblazen wordt. (Muddaththir, 74:8)

Hier wordt verwezen naar de eerste Sûr, dat wil zeggen het blazen waardoor alles zal sterven en vernietigd zal worden. Het geluid van deze eerste Sûr zal zeer angstaanjagend zijn. Na deze Sûr zullen de mensen veertig jaar lang dood blijven. Vervolgens zal Allāh Ta’ālā water sturen dat lijkt op sperma, en de mensen zullen daaruit opnieuw worden geschapen en opstaan. Degene die uit de Hel komt en naar het Paradijs zal gaan, zal ook door dit soort water gaan en een nieuw leven krijgen.

In de ḥadīth wordt het opstaan van de mensen als volgt beschreven: “Zoals erwten en andere planten uit de aarde groeien, zo zal iedereen uit zijn plaats opstaan en tot leven komen.”

De tweede Sûr, die wordt geblazen voor het opstaan van de mensen, zal niet zo angstaanjagend zijn als de eerste. De eerste Sûr was voor de vernietiging van alles en de dood. De tweede Sûr is alleen voor het herenigen van de arwāh met hun lichamen. Daarom zal deze minder hevig zijn. De eerste Sûr zal heviger zijn dan een bliksem, en alles schrik aanjagen en alles treffen.

وَنُفِخَ فِي ٱلصُّورِ فَصَعِقَ مَن فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَمَن فِي ٱلۡأَرۡضِ إِلَّا مَن شَآءَ ٱللَّهُۖ ثُمَّ نُفِخَ فِيهِ أُخۡرَىٰ فَإِذَا هُمۡ قِيَامٞ يَنظُرُونَ ٦٨

En er zal op de bazuin geblazen worden, waarop alles wat in de hemelen en op aarde is zal bezwijken, behalve (voor) wie Allāh wil (dat deze blijft leven). Dan zal er een tweede maal geblazen worden en dan zullen zij staan en wachten. (az-Zumar, 39:68)

مَّا خَلۡقُكُمۡ وَلَا بَعۡثُكُمۡ إِلَّا كَنَفۡسٖ وَٰحِدَةٍۚ إِنَّ ٱللَّهَ سَمِيعُۢ بَصِيرٌ ٢٨

De schepping van jullie en de herrijzenis van jullie is (voor Allāh) slechts als die van één enkel persoon. Waarlijk, Allāh is Alhorend, Alziend (Luqmaan, 31:28)De Ahl as-Sunnah geleerden gebruiken deze āyāt als bewijs dat de mensen die op de Dag van de Mahshar zullen opstaan dezelfde zijn als de mensen van vandaag. Dat wil zeggen, wij zullen in het Hiernamaals net zo opstaan zoals wij nu leven.

Ons lichaam en onze rûḥ zullen hetzelfde zijn als ons lichaam en rûḥ van heden. Sommige geleerden zijn van mening dat we niet letterlijk hetzelfde zullen zijn, maar in gelijkenis worden herschapen. Volgens deze opvatting blijft onze rûḥ hetzelfde, maar wordt ons lichaam opnieuw geschapen met dezelfde eigenschappen. Qādī Abûbakir ibn ‘Arabī volgt deze opvatting. Wij zeggen: Over dit onderwerp zijn er nog andere ahadîth.

Sommigen lezen het woord Sûr als suwar en beweren daarmee dat Sûr het meervoud is van sûrah (vorm of gedaante). Volgens deze opvatting zou Isrāfīl (عليه السلام) in de vormen, dat wil zeggen de lichamen van de mensen blazen en hen zo doen herleven. Deze opvatting is ongegrond. Want in de ahādīth is het woord niet als suwar, maar als Sûr overgeleverd. Bovendien beschrijft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), zoals ook blijkt uit de eerder genoemde ahādīth, de Sûr met uitdrukkingen als: een groot voorwerp met twee uiteinden, waarin wordt geblazen, dat Isrāfīl (عليه السلام) in zijn hand houdt, en dat lijkt op een hoorn of een trompet.

Volgens sommigen wordt er twee keer op de Sûr geblazen. Het āyah: “Dan zal er een tweede maal geblazen worden” (az-Zumar, 68) wordt hiervoor als bewijs aangevoerd.

Volgens andere geleerden blaast Isrāfīl (عليه السلام) slechts één keer op de Sûr. Er is dus maar één Sûr, en dat is voor het plaatsvinden van de Qiyāmah. Er is geen tweede Sûr. Het doen herleven van alles gebeurt door het bevel van Allāh. Met wat bedoeld wordt met de tweede Sûr, is het opnieuw scheppen van de dode mensen en het terug geven van de rûḥ aan hen. Dit behoort tot het handelen van Allāhu Ta‘ālā. Het onderstaande āyah wordt als bewijs voor deze tweede opvatting aangehaald:

وَلَهُ ٱلۡمُلۡكُ يَوۡمَ يُنفَخُ فِي ٱلصُّورِۚ عَٰلِمُ ٱلۡغَيۡبِ وَٱلشَّهَٰدَةِۚ وَهُوَ ٱلۡحَكِيمُ ٱلۡخَبِيرُ ٧٣…

…Hem behoort de heerschappij op de Dag waarop op de trompet geblazen word. Alwetend van het onzichtbare en het zichtbare. Hij is de Alwijze. Welbewust (van alle dingen). (al-An‘ām, 6:73).

Ook de āyāt:

… فَنَفَخۡنَا فِيهِ مِن رُّوحِنَا …waarop Wij in haar van Onze geest bliezen (at-Taḥrīm…66:12)

… وَنَفَخۡتُ فِيهِ مِن رُّوحِي … en hem van Mijn geest heb ingeademd… (Ṣād, 38:72)

worden eveneens als bewijs voor deze tweede opvatting genoemd.

Volgens ons duiden de gesprekken die plaatsvonden tussen Ka‘b al-Aḥbār en ‘Ā’ishah (رضي الله عنها) erop dat Isrāfīl (عليه السلام) niet degene is die op de Sûr zal blazen.

‘Ā’ishah (رضي الله عنها) vroeg Ka‘b al-Aḥbār over Isrāfīl (عليه السلام), waarop Ka‘b haar als volgt beschreef: Hij heeft vier vleugels. Twee ervan bevinden zich in de lucht en twee zijn naar beneden gericht. Met één vleugel houdt hij de ‘Arsh vast. De Pen (Kalam) (die alles in al-Lawḥ al-Maḥfūẓ opschrijft) bevindt zich achter zijn oor. De andere engelen komen naar hem toe en leren alles van hem. De engel die op de Sûr zal blazen, wacht in zijn nabijheid. Een andere engel wacht om degene die op de Sûr zal blazen te helpen. Deze engel houdt zijn ogen wijd open en wacht voortdurend op het bevel dat van Allāh zal komen. Wanneer het bevel komt, sluit Isrāfīl (عليه السلام) zijn vleugels.

De engelen begrijpen dat het bevel is gekomen en dan wordt er op de Sûr geblazen. Deze ahādīth is gharīb, want er is geen andere overleveraar dan ‘Abdullāh ibn Ḥārith.

Volgens ons wijzen de ahādīth die door at-Tirmiḏī en anderen zijn overgeleverd erop dat Isrāfīl (عليه السلام), bekend als “de eigenaar van de Sûr ”, alleen op de Sûr zal blazen. De ahādīth overgeleverd door Ibn Mājah geven echter aan dat er ook anderen zijn die Isrāfīl (عليه السلام) zullen helpen.

Abū Bakr al-al-Bazzār overlevert in zijn werk al-Muṣnad, en Abū Dāwūd in zijn Sunan, met verwijzing naar ‘Atiyyah al-‘Awfī en Abū Sa‘īd al-Khudrī (رضي الله عنهما), de volgende hādīth: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei over de eigenaar van de Sûr: “Aan zijn rechterzijde staat Jibrā’īl (عليه السلام), aan zijn linkerzijde staat Mikā’īl (عليه السلام).”¹ (Abū Dāwūd, 3980)

Misschien heeft de Sûr meerdere uiteinden en kunnen andere engelen ook daaruit blazen. En Allāh weet het uiteindelijk het beste

… Van ‘Abdurrahmān ibn Abū ‘Amr: “Elke ochtend zeggen twee engelen (aan de mensen): ‘O jij die het goede wilt doen, ga door! O jij die kwaad wilt doen, doe het niet!’ Vervolgens doen twee andere engelen du`ā’ (aan Allāh): ‘O mijn Rab! Geef de gever meer, en vernietig het bezit van de gierige.’ Twee andere engelen zeggen: ‘De majesteit van de heerser, vrij van alle tekortkomingen, is verheven.’ Twee engelen staan als wachters van de Sûr en houden daar dienst.”

…Van ‘Abdullāh direct van Ka‘b (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Elke ochtend zeggen twee engelen: ‘O jij die het goede wilt doen, ga door!

O jij die kwaad wilt doen, doe het niet!’ Vervolgens doen twee andere engelen du`ā’ (aan Allāh): ‘O mijn Rab! Geef de gever meer, en vernietig het bezit van de gierige.’Twee andere engelen zeggen: “De majesteit van de heerser, vrij van alle tekortkomingen, is verheven”. Twee engelen staan als wachters van de Sûr en houden daar dienst.”

Naast de bovenstaande overlevering zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verder:

“Twee engelen, die belast zijn met het vasthouden van de Sûr, wachten op het moment dat hun het bevel wordt gegeven. Zodra het bevel komt, blazen deze twee engelen op de Sûr.”

Onze geleerden hebben ook verschillende meningen over het aantal keren dat er op de Sûr zal worden geblazen. Volgens sommigen zal er drie keer op de Sûr worden geblazen:

De eerste keer is voor het doen sterven van alle levende wezens;

De tweede keer is voor het herleven van alle overledenen.

Deze twee zijn algemeen bekend. Volgens anderen is de derde Sûr bedoeld om “angst te zaaien”. Als bewijs wordt de āyah aangehaald:وَيَوۡمَ يُنفَخُ فِي ٱلصُّورِ فَفَزِعَ مَن فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَمَن فِي ٱلۡأَرۡضِ إِلَّا مَن شَآءَ ٱللَّهُۚ وَكُلٌّ أَتَوۡهُ دَٰخِرِينَ ٨٧

En (gedenk) de Dag waarop de trompet geblazen zal worden: wie er dan in de hemelen en op de aarde zijn zullen geschokt zijn behalve degene die Allāh (wil uitzonderen). En allen zullen nederig tot Hem komen. (an-Naml, 27:87)

Dit āyah wordt als de derde keer dat op de Sûr wordt geblazen beschouwd.

وَنُفِخَ فِي ٱلصُّورِ فَصَعِقَ مَن فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَمَن فِي ٱلۡأَرۡضِ إِلَّا مَن شَآءَ ٱللَّهُۖ ثُمَّ نُفِخَ فِيهِ أُخۡرَىٰ فَإِذَا هُمۡ قِيَامٞ يَنظُرُونَ ٦٨

En er zal op de bazuin geblazen worden, waarop alles wat in de hemelen en op aarde is zal bezwijken, behalve (voor) wie Allāh wil (dat deze blijft leven). Dan zal er een tweede maal geblazen worden en dan zullen zij staan en wachten. (az-Zumar, 39:68)

Het eerste deel van dit āyah wordt als bewijs voor de eerste Sûr beschouwd, het tweede deel voor de tweede Sûr. Zo wordt het totaal op drie keren dat er op de Sûr wordt geblazen gebracht. Dit is ook de mening van Abū Bakr ibn ‘Arabī. Later zullen we op dit onderwerp terugkomen.

Volgens sommigen wordt de Sûr die geblazen zal worden om angst te verspreiden en de Sûr voor de dood beschouwd als één en dezelfde. Want het blazen om angst te zaaien en het blazen voor de dood zal tegelijkertijd plaatsvinden, dus twee keer achter elkaar zonder tijdsverloop. De Sûr die geblazen zal worden voor de opstanding daarentegen, zal pas een bepaalde tijd na het blazen voor de dood geschieden.

De ahādīth die zijn overgeleverd van ‘Abdullāh ibn ‘Umar en Abū Hurayrah (رضي الله عنهما), en vele andere ahādīth, wijzen erop dat er twee keer op de Sûr zal worden geblazen. In dat geval is er geen sprake van een derde keer blazen op de Sûr.

Dan duiden de termen “angst” en “dood”, die in de āyah voorkomen, op één en dezelfde zaak. Wanneer er één keer op de Sûr wordt geblazen, zullen alle levende wezens door angst worden overvallen en plotseling sterven.

Ibn al-Mubārak heeft, via al-Ḥasan al-Baṣrī, de volgende ḥadīth overgeleverd: “Tussen de twee keer blazen op de Sûr zitten veertig jaar. Bij de eerste keer laat Allāhu Ta‘ālā alle levende wezens sterven. Bij de tweede keer zal Allāh alles wat dood is doen herleven.”

Later zullen wij, in shā’ Allāh, op dit onderwerp opnieuw een nadere uitleg geven.

3.6: Wat is Ba‘th? De kwestie van hoe de wederopstanding zal plaatsvinden. Bewijzen die in het wereldse leven wijzen op de wederopstanding en dat het eerste wat bij de mens geschapen zal worden, het hoofd is.

Allāhu Ta’ālā zegt:وَهُوَ ٱلَّذِي يُرۡسِلُ ٱلرِّيَٰحَ بُشۡرَۢا بَيۡنَ يَدَيۡ رَحۡمَتِهِۦۖ حَتَّىٰٓ إِذَآ أَقَلَّتۡ سَحَابٗا ثِقَالٗا سُقۡنَٰهُ لِبَلَدٖ مَّيِّتٖ فَأَنزَلۡنَا بِهِ ٱلۡمَآءَ فَأَخۡرَجۡنَا بِهِۦ مِن كُلِّ ٱلثَّمَرَٰتِۚ كَذَٰلِكَ نُخۡرِجُ ٱلۡمَوۡتَىٰ لَعَلَّكُمۡ تَذَكَّرُونَ ٥٧

En Hij is Degene Die de winden zendt als aankondigers van goede berichten, voorafgaand aan Zijn Barmhartigheid (regen). Zodat wanneer zij de zware wolken hebben opgeheven, Wij die naar een dorre streek drijven, waarna Wij daaruit water doen neerdalen, waarmee Wij dan allerlei soorten vruchten voortbrengen. Zo wekken Wij de doden op. Hopelijk laten jullie je vermanen. (al-A‘rāf, 7:57)

فَٱنظُرۡ إِلَىٰٓ ءَاثَٰرِ رَحۡمَتِ ٱللَّهِ كَيۡفَ يُحۡيِ ٱلۡأَرۡضَ بَعۡدَ مَوۡتِهَآۚ إِنَّ ذَٰلِكَ لَمُحۡيِ ٱلۡمَوۡتَىٰۖ وَهُوَ عَلَىٰ كُلِّ شَيۡءٖ قَدِيرٞ ٥٠

Zie dan de sporen van Allāh’s Genade: hoe Hij de aarde na haar dood doet herleven. Waarlijk! Zo is Hij Die de doden zeker doet leven. En Hij is tot alle dingen in staat. (ar-Rūm, 30:50)

Er zijn nog meer āyāt van vergelijkbare strekking. Abū Dāwūd, al-al-Bayhaqī en anderen hebben overgeleverd van Abū Razīn al-‘Uqaylī (رضي الله عنه): “Ik vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Hoe zal Allāh de doden weer tot hun oorspronkelijke toestand terugbrengen? Zijn daar voorbeelden van die wij kennen?”Hij antwoordde: “Jij reist rond in de gebieden van jouw stam.

Soms zie je ze volledig dor, en dan zie je ze ineens weer weelderig groen worden.”Ik zei: “Ja.”Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Dit alles zijn voorbeelden van het doen herleven van de doden.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 4/11)

Volgens ons is deze ḥadīth ṣaḥīḥ, omdat zij ook in overeenstemming is met de āyāt.

Van Laqīṭ ibn ‘Āmir (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu Ta‘ālā zal vanuit de hemel (samā’), van onder de ‘Arsh, stromend (water) laten neerdalen. Bij Allāh, in Wiens hand mijn ziel is, het graf van alles wat dood is, wordt opengespleten en geopend. Vervolgens wordt die dode vanaf zijn hoofd opnieuw geschapen.”

3.7: Hoe iedere dienaar stierf, zo zal hij ook worden opgewekt

Van Jābir ibn ‘Abdullāh (رضي الله عنه): Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen:“Iedere dienaar zal worden opgewekt in de toestand waarin hij is gestorven.” (Muslim, 17/210; Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/231 en 366)

Van ‘Abdullāh ibn ‘Umar (رضي الله عنهما): Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen:Wanneer Allāh besluit een volk te treffen met een bestraffing, worden zij op heterdaad gestraft. Daarna worden zij opgewekt (in de staat waarin zij stierven), waarna zij worden berecht op basis van hun intenties. (Muslim, 17/210; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/110 en 136)

De overlevering in Ṣaḥīḥ al-Bukhārī luidt: “Allāh laat een bestraffing neerkomen over een volk terwijl zij hun voorgenomen daad uitvoeren. Vervolgens worden zij op dezelfde wijze opgewekt.” (Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, 13/60)

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Bij Allāh, in Wiens hand mijn ziel is, degene die strijdt op weg van Allāh en, Allāh weet het beste wie werkelijk voor Hem strijdt, zal op Yawmu’l Qiyāmah komen terwijl er bloed uit zijn wond stroomt. De kleur ervan zal de kleur van het bloed zijn. En zijn zweet ruikt naar musk.” (an-Nasā’ī, 6/28; at-Tirmiḏī, 1656; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/242; Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, 6/20; Ṣaḥīḥ Muslim, 13/21)

Van ‘Abdullāh b. ‘Amr (رضي الله عنه): Ik vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar de jihād en den strijde trekken op weg van Allāh. Hij zei: “Als je wordt gedood terwijl je strijdt op weg van Allāh, word je opgewekt als een geduldig en deugḏaam mens. Als je sterft terwijl je strijdt uit ijdelheid of eigenbelang, word je opgewekt als iemand die ijdel en zelfzuchtig is. Met welke intentie je ook sterft, het maakt niet uit hoe je sterf; je zult als iemand met die intentie (of daad) opgewekt en bijeengedreven worden”. (Abū Dāwūd, 2502)

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degene die dronken sterft (oftewel iemand die dronken leeft en waarschijnlijk ook dronken sterft), zal verschijnen voor de Malaku’l-Mawt terwijl hij nog steeds dronken is. Voor Munkar en Nakīr zal hij zich ook als een dronkenlap gedragen. Op Yawmu’l Qiyāmah wordt hij opgewekt als dronkaard en in een kuil worden geplaatst midden in de Hel, genaamd ‘Sukrān’ (het gedeelte voor de dronkaards). Daar stroomt een rivier van bloed in plaats van water. Hij heeft noch water noch voedsel, behalve dat bloed.”

Van ‘Abdullāh ibn ‘Abbās (رضي الله عنهما): Er was iemand bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) die in het staat van iḥrām was. Zijn kameel trapte hem dood. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beval: “Was hem met water en sīdār (zeep van hout), wikkel hem in zijn iḥrām als kafan en scheer zijn hoofd niet. Deze man zal op Yawmu’l Qiyāmah opgewekt worden in zijn iḥrām, terwijl hij de talbiyah opzegt.” (at-Tirmiḏī, 951; Aḥmad ibn Ḥanbal, 1/210, 328 en 333)

Van Jābir (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De mu’aḏḏīn (oproepers tot de salāh) zullen op Yawmu’l Qiyāmah komen terwijl zij de aḏān opzeggen; degenen die sterven terwijl zij de talbiyah opzeggen, zullen eveneens opstaan en op die manier naar het Maḥshar-plein komen.” Hāfiz Ḥalīmī heeft deze hādīth ook overgeleverd in zijn werk Minhāj. Later zullen we de volledige ḥadīth volledig weergeven.

Volgens Abû’l Qāsim Isḥāq b. Ibrāhīm b. Muḥammad in zijn boek Dibāj, via de overlevering van ‘Abdullāh ibn ‘Abbās en ‘Alī b.

Ḥusayn (رضي الله عنهم), zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم):“Jibrā’īl berichtte mij dat Lā ilāha illallāh een metgezel is voor de mens op het moment van de dood en in het graf. Op Yawmu’l Qiyāmah zal het hem ook niet verlaten, (voor wie het opzeggen van Lā ilāha illallāh als ḏikr aan Allāh is).”

Van ‘Abdullāh ibn ‘Umar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degene die zich tot gewoonte maakt Lā ilāha illallāh op te zeggen, zal geen angst kennen bij de dood. Deze persoon zal ook in zijn graf goed worden behandeld en op het Mahshar-plein wordt hij vrijgehouden van angst en van slechte behandeling. Degenen die Lā ilāha illallāh opzeggen, schudden het stof van hun hoofden terwijl ze zeggen: ‘Alle lofprijzingen en dankbetuigingen zijn voor Allāh, Die van ons (alle) droefheid verwijderd heeft.” (Majma‘ az-Zawā’id, 10/85; al-al-Bayhaqī, Shu‘ab al-Īmān, 1/111)[وَقَالُواْ ٱلۡحَمۡدُ لِلَّهِ ٱلَّذِيٓ أَذۡهَبَ عَنَّا ٱلۡحَزَنَۖ إِنَّ رَبَّنَا لَغَفُورٞ شَكُورٌ ٣٤

En zij zullen zeggen: “Alle lofprijzingen en dankbetuigingen zijn voor Allāh, Die van ons (alle) droefheid verwijderd heeft. Waarlijk, onze Heer is zeker Vergevingsgezind, Meest Waarderend. (Fāṭir, 35:34)]

De ḥadīth die door an-Nasā’ī is overgeleverd luidt: “Wie zijn beroep maakt van het huilen om de doden of het schrijven van klaagliederen, zal op Yawmu’l Qiyāmah worden opgewekt terwijl hij stoffig is, zijn haar uittrekkend. Hij zal een kledingstuk dragen dat het teken van Allahs vloek aangeeft en een hoofdbedekking van vuur. Hij zal het Maḥshar-plein binnengaan terwijl hij zegt: ‘Wee mij. Schaamte over mij !”(Muslim, 6/235; Ibn Mājah, 1852)

Van Abū Mālik al-Asha‘arī (رضي الله عنه) is dezelfde ahādīth overgeleverd. (Aḥmad ibn Ḥanbal, 5/344)

Sa‘labī schrijft in zijn tafsīr: van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degenen die klaagliederen schrijven (over de doden), worden op Yawmu’l Qiyāmah in twee rijen opgesteld: één rij aan de rechterzijde en één aan de linkerzijde. Zij zullen blaffen als een hond op Yawmu’l Qiyāmah, waarvan elke dag gelijk is aan vijftigduizend jaar. Vervolgens worden zij bevolen naar de Hel te gaan.”

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voorwaar, degenen die (over een dode) klaagliederen zingen, zullen op Yawmu’l Qiyāmah in de Hel in twee rijen worden opgesteld: één rij aan de rechterzijde en één rij aan de linkerzijde.

Zij zullen blaffen zoals een hond tegen de bewoners van de Hel.” Deze ḥadīth is gharīb, want alleen Sulaymān ibn Dāwūd heeft deze overgeleverd van Abū Salamah.

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie (luid) huilt om de dode, zal uit zijn graf opstaan onder een laag stof en aarde, donkerzwart van kleur, met een groenig gezicht. Zijn haar zal verward zijn/totaal ontredderd, en hij zal een kledingstuk dragen dat uit Allahs vloek is geweven. Zijn handen zullen gebonden zijn met ketens gemaakt uit Allahs toorn, een ketting om de hals en een andere ketting op het hoofd. Hij zal huilend het Maḥshar-plein binnengaan terwijl hij zegt: ‘Wee mij! Wat mij overkomt! Ach, moge het mij vergaan!’ Een engel die achter hem loopt zal zeggen: ‘Amin, amin’ en zo wordt hij naar de Hel gebracht.”

Ibn Mājah overlevert een ḥadīth, van ʿIkrimah en Ibn ‘Abbās (رضي الله عنهما), waarin staat:“Luid klagend over de dode huilen en vrouwen inhuren die klaagliederen zingen is een gewoonte uit de pre-islamitische (jahiliyyah-)periode buiten de Islām. Wie dit als gewoonte doet en niet berouw toont voordat (hij of zij) sterft, zal op Yawmu’l Qiyāmah uit zijn graf worden opgewekt en gekleed in gesmolten teer. Vervolgens zal hij geslagen worden met knuppels van vuur en in de Hel worden geworpen.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) las daarna de āyah:

ٱلَّذِينَ يَأۡكُلُونَ ٱلرِّبَوٰاْ لَا يَقُومُونَ إِلَّا كَمَا يَقُومُ ٱلَّذِي يَتَخَبَّطُهُ ٱلشَّيۡطَٰنُ مِنَ ٱلۡمَسِّۚ“Degenen die rente verteren zullen op geen andere wijze (uit hun graven) herrijzen dan als iemand die door de duivel werd bezeten, die hen in waanzin leidt…(al-Baqarah, 2:275)

Volgens Ibn ‘Abbās, Mujāhid, Qatādah, Ibn Jubayr, Rabī‘, Shaddād, Dahhāk en Ibn Zayd (رضي الله عنهم) zullen deze mensen niet uit hun graven kunnen opstaan. Shayatīn zullen hen ruw uit hun graven oprukkend doen herrijzen. Zij zullen in een staat van verwarring en ellende verschijnen, met het teken van hun straf zichtbaar op hun gezichten. Iedereen zal hen zien en vervuld raken van ontzetting. Hun daden zullen duidelijk zichtbaar zijn: men zal aan hun gezichten zien dat zij rente hebben geconsumeerd. Hun buiken zullen groot zijn, doordat de last van wat zij gegeten hebben buitengewoon zwaar is.

مَا كَانَ لِنَبِيٍّ أَن يَغُلَّۚ وَمَن يَغۡلُلۡ يَأۡتِ بِمَا غَلَّ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِۚ ثُمَّ تُوَفَّىٰ كُلُّ نَفۡسٖ مَّا كَسَبَتۡ وَهُمۡ لَا يُظۡلَمُونَ ١٦١

Geen enkele Profeet mag –onwettigeen deel van de oorlogsbuit nemen en iedereen die zijn metgezellen bedriegt als het over de oorlogsbuit gaat, zal op Yawmu’l Qiyāmah datgene wat hij nam, meebrengen.

Dan zal iedere ziel vergoed krijgen wat hij verricht heeft en zij zullen niet onrechtvaardig behandeld worden. (Āli ‘Imrān, 3:161)Een andere ḥadīth Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “In welke staat iemand sterft, in die staat zal hij op Yawmu’l Qiyāmah worden opgewekt.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 6/19)

3.8: Opstanding van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) uit zijn edele graf

Van Ibn Mubārak via Ka‘b (رضي الله عنه): Hij kwam bij ‘Ā’ishah (رضي الله عنها) en spraken over over Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Ka‘b:“Elke ochtend, wanneer de zon opkomt, komen er 70.000 engelen naar het graf van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Zij raken het graf aan met hun vleugels en brengen ṣalāh en salām over hem uit. Wanneer de zon ’s avonds ondergaat, komen er opnieuw 70.000 engelen die op dezelfde wijze het edele graf bezoeken, verrichten du‘ā’ en brengen salām over. Ook ’s nachts doen zij hetzelfde. Wanneer op (Yawmu’l Qiyāmah) het graf van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wordt geopend, zullen 70.000 engelen op dezelfde wijze komen, zich rondom Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verzamelen en hem omringen.”

Volgens authentieke aḥādīth zullen de mensen op Yawmu’l Qiyāmah naakt worden bijeengebracht. Later zal dit onderwerp opnieuw ter sprake komen. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zal echter door de engelen beschermd worden.

Tirmiḏī vermeldt in zijn werk Nawâdiru’l-`Usûl een overlevering …van Ibn ‘Umar (رضي الله عنهما): Op Yawmu’l Qiyāmah zal Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) uit zijn graf opstaan, met Abū Bakr (رضي الله عنه) aan zijn rechterzijde en ‘Umar (رضي الله عنه) aan zijn linkerzijde.”

Ibn ‘Umar, zei vervolgens: “Zo zullen ook wij worden opgewekt.” (at-Tirmiḏī, 3678; Aḥmad ibn Ḥanbal, 77; Ibn Mājah, 1/38)

3.9: Het tot leven wekken van de nachten en de dagen. De hernieuwde schepping van de vrijdag

Van Abū Mūsā al-Ash‘arī (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh ‘Azza wa Jalla, zal op Yawmu’l Qiyāmah de dagen opnieuw scheppen en hen terugbrengen in hun oorspronkelijke toestand. De vrijdag zal echter tot leven worden gewekt in de gedaante van een bloem. Degenen die de vrijdag-ṣalāh niet hebben verwaarloosd, zullen zich rondom de vrijdag verzamelen zoals mensen zich rondom de bruid verzamelen (op de hennanacht). De vrijdag zal voor hen een lichtbron zijn. Degenen die om hen heen zijn, zullen in het licht daarvan voortgaan. De kleuren van degenen die de vrijdag-ṣalāh hebben verricht en niet hebben verwaarloosd, zullen sneeuwwit zijn, als sneeuwvlokken. Zij zullen geuren als muskus. Djinn en mensen zullen hen vol bewondering aankijken. Zo zullen zij verdergaan en het Paradijs binnengaan. Niemand zal zich onder hen mengen, behalve degene die uitsluitend omwille van Allāh de aḏān heeft opgezegd. Ook de oproepers tot de ṣalāh (muʿaḏḏinūn) zullen zich onder hen mengen en het Paradijs binnengaan.” … Deze ḥadīth is overgeleverd via een authentieke overleveringsketen.

Abū Nu‘aym al-Juwaynī zegt: “Er is geen nacht geweest of zij heeft niet gezegd: ‘Doe zoveel goed als binnen jullie vermogen ligt. Tot Yawmu’l Qiyāmah zal ik nooit meer naar jullie terugkeren.” (Abū Nu‘aym, Ḥilyat al-Awliyā’, deel 2, p. 310)

3.10: Wanneer de mu’min uit zijn graf opstaat zullen de twee engelen die bij hem waren in de wereld en zijn daden hem vergezellen

Van Jābir (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer Yawmu’l Qiyāmah aanbreekt, komen de twee engelen die de goede en slechte daden van de mens hebben geregistreerd. Zij hangen het daden-register om de hals van de dienaar en brengen hem vervolgens naar de Mahshar-plein. De ene engel is zijn beschermer, terwijl de andere op de Mahshar-plein als getuige (tegen of vóór hem) zal optreden.”

Deze ḥadīth wordt door Abū Nu‘aym overgeleverd van Thābit ibn Banānī. Thābit reciteerde de āyah:إِنَّ ٱلَّذِينَ قَالُواْ رَبُّنَا ٱللَّهُ ثُمَّ ٱسۡتَقَٰمُواْ تَتَنَزَّلُ عَلَيۡهِمُ ٱلۡمَلَٰٓئِكَةُ أَلَّا تَخَافُواْ وَلَا تَحۡزَنُواْ وَأَبۡشِرُواْ بِٱلۡجَنَّةِ ٱلَّتِي كُنتُمۡ تُوعَدُونَ ٣٠

Waarlijk, degenen die zeggen: “Onze Heer is (alleen) Allāh,” en daarin standvastig blijven, voor hen zullen de Engelen afdalen (zeggende): “Vrees niet noch wees bedroefd! Maar ontvang het goede nieuws van het Paradijs wat jullie beloofd is! (Fuṣṣilat, 41:30)Daarna zei hij: “Volgens wat ons is onderwezen: wanneer de mu’min op Yawmu’l Qiyāmah wordt opgewekt, zullen de twee engelen die bij hem waren in de wereld hem vergezellen. Zij zullen tegen hem zeggen: ‘Wees niet bang en wees niet bedroefd. Jouw verblijfplaats zal het Paradijs zijn’, en zij zullen hem zo troosten.”

Allāhu Ta‘ālā neemt daarop de angst van deze dienaar weg.

‘Amr ibn Qays die Mallā`ī wordt genoemd, zei:“Wanneer de mu’min op Yawmu’l Qiyāmah opnieuw wordt opgewekt, komen zijn daden naar hem toe in de gedaante van een mooie persoon, die een aangename geur verspreidt. Deze zal hem vergezellen en tot hem zeggen: ‘Ken je mij?’

De man zal zeggen: ‘Nee. Maar je hebt een zeer mooi gezicht en je ruikt heerlijk.’

Zijn daad zal dan zeggen: ‘Ik was in de wereld ook zo. Ik ben jouw `amal as-ṣāliḥ (goede daad). In de wereld was jij het die mij droeg. Vandaag zal ik jou op mijn rug dragen.’

Daarna zal hij de volgende āyah reciteren:

يَوۡمَ نَحۡشُرُ ٱلۡمُتَّقِينَ إِلَى ٱلرَّحۡمَٰنِ وَفۡدٗا ٨٥

De Dag waarop Wij de godvrezenden (muttaqūn ) voor de Barmhartige verzamelen als afgevaardigden. (Maryam, 19:85)

Wat betreft de kāfir: diens daden komen hem tegemoet met een afzichtelijk gezicht en de meest walgelijke geur, en zeggen: ‘Ik was in de wereld ook zo. Ik ben jouw slechte daad. Toen jij in de wereld was, droeg jij mij op je rug. Vandaag zal ik jou op mijn rug dragen.’

Daarna zal hij de volgende āyah reciteren:قَدۡ خَسِرَ ٱلَّذِينَ كَذَّبُواْ بِلِقَآءِ ٱللَّهِۖ حَتَّىٰٓ إِذَا جَآءَتۡهُمُ ٱلسَّاعَةُ بَغۡتَةٗ قَالُواْ يَٰحَسۡرَتَنَا عَلَىٰ مَا فَرَّطۡنَا فِيهَا وَهُمۡ يَحۡمِلُونَ أَوۡزَارَهُمۡ عَلَىٰ ظُهُورِهِمۡۚ أَلَا سَآءَ مَا يَزِرُونَ ٣١

Degenen die hun ontmoeting met Allāh ontkennen zijn zeker de verliezers, totdat opeens het Uur over hen komt en zij zeggen: “Wee ons voor wat wij (in onze levens) veronachtzaamden terwijl zij de lasten op hun ruggen zullen dragen; en slecht zijn de lasten die zij dragen! (al-An‘ām, 6:31)

3.11: Wanneer de aarde en de hemelen tot een andere plaats worden omgevormd waar zullen de mensen zijn?

Van Thawbān (رضي الله عنه), de dienaar van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): Ik bevond mij in de nabijheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) toen een joodse geleerde kwam. Hij groette Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en vroeg:يَوۡمَ تُبَدَّلُ ٱلۡأَرۡضُ غَيۡرَ ٱلۡأَرۡضِ وَٱلسَّمَٰوَٰتُۖ ٤٨

Op de Dag dat de aarde in een andere aarde zal veranderen en de hemelen ook..” (Ibrāhīm, 14:48), waar zullen de mensen dan zijn?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Zij zullen zich bevinden op een donkere plaats, dicht bij de Brug (aṣ-Ṣirāṭ).” (Muslim, 17/134; Tirmiḏī, 3121; Ibn Mājah, 4279; Aḥmad ibn Ḥanbal, 6/101). Deze ḥadīth is lang; later zullen wij de volledige tekst vermelden.

Van ‘Ā’ishah (رضي الله عنها): Toen aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd gevraagd:“Op de dag waarop de aarde in een andere aarde zal veranderen en de hemelen ook” (zie Ibrāhīm, 14:48), waar zullen de mensen dan zijn?

Hij antwoordde: “Zij zullen zich op de Brug (aṣ-Ṣirāṭ) bevinden.”

In de overlevering van Tirmiḏī: Van ‘Ā’ishah (رضي الله عنها):Toen aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd gevraagd: “Op de dag waarop de aarde in een andere aarde zal veranderenen de hemelen ook” (zie Ibrāhīm, 14:48), waar zullen de mensen dan zijn?

Hij antwoordde: “Zij zullen zich op de Brug (aṣ-Ṣirāṭ) bevinden, o ‘Ā’ishah.”

Volgens Tirmiḏī is deze ḥadīth aan de ene kant ḥasan en aan de andere kant ṣaḥīḥ.Mujāhid zei: Ibn ‘Abbās (رضي الله عنهما) vroeg: “Weet je wat de omvang van de Hel is?”Ik antwoordde: “Nee.”Hij zei: “Ja, je hebt gelijk. Bij Allāh, je wist het niet. Ik heb dit van ‘Ā’ishah (رضي الله عنها) geleerd.

Toen aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd gevraagd: “Op de dag waarop de aarde in een andere aarde zal veranderenen de hemelen ook” (zie Ibrāhīm, 14:48), waar zullen de mensen zijn, zei Hij: ‘Boven de Brug (gespannen) over de Hel.” (Tirmiḏī, 3241)

Uitleg:De Qur’ān-āyāt en aḥadīth tonen aan dat op Yawmu’l Qiyāmah de wereld en de hemelen zoals wij die kennen zullen verdwijnen en dat er een andere wereld en hemelen zullen worden geschapen. Tijdens dit proces van vernietiging en herschepping van het universum zullen de (lichamen van de) mensen op een andere plaats worden bewaard. Zoals we hierboven begrijpen, zullen de mensen op dat moment op of nabij de Brug (aṣ-Ṣirāṭ) wachten, dicht bij de Hel.

Een andere conclusie die uit deze āyāt en aḥadīth voortvloeit, is dat de Qiyāmah, in tegenstelling tot wat sommige mensen denken, niet slechts het met de grond gelijk maken van de bergen is. Integendeel, op die dag zullen de wereld en de hemelen volledig verdwijnen en vervangen worden door een totaal andere schepping. Dit is ook de betekenis van de ḥadīth overgeleverd door Ibn Mas‘ūd (رضي الله عنه). De ḥadīth overgeleverd door Ibn Mājah zullen we, In shā’a Allāh, behandelen in het hoofdstuk over de tekenen van Yawmu’l Qiyāmah.

Van `Abdullāh ibn ‘Abbās (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah zal de aarde op deze en die manier worden uitgebreid en geëffend, en er zullen bepaalde veranderingen plaatsvinden.” (Nuaym ibn Maḥmūd, Za‘āidu’l-Zuhd, 353; Abū Nu‘aym, Ḥilyat al-Awliyā’, 6/16)

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah zal de wereld worden vervangen door een andere wereld. Deze nieuw geschapen wereld zal zich uitspreiden als een deken.” Salabī heeft deze overlevering ook in zijn tafsīr opgenomen.

Hier rijst een logische vraag: het begrip ‘tabdīl’ (verandering), heeft twee betekenissen:

Taghyīr, dat wil zeggen: vernietigen of van vorm veranderen.Bijvoorbeeld

كُلَّمَا نَضِجَتۡ جُلُودُهُم بَدَّلۡنَٰهُمۡ جُلُودًا غَيۡرَهَا …en iedere keer als hun huid geroosterd is, zullen Wij hun huid vervangen… (Nisa, 4:56)Tabdīl in deze āyah betekent dat de verbrande huid van een mens wordt hersteld of opnieuw wordt geschapen zoals het oorspronkelijk wa. of in de betekenis zoals wij die begrijpen (herstel). In dit geval krijgt de persoon weer zijn eigen huid; het is niet zo dat iemand anders’ huid of die van een ander levend wezen wordt gegeven.

Vervanging door iets anders:

فَأَرَدۡنَآ أَن يُبۡدِلَهُمَا رَبُّهُمَا خَيۡرٗا مِّنۡهُ

Onze bedoeling was dat hun Heer hem zou vervangen door een betere…(al-Kahf, 18:81) In deze āyah wordt tabdīl gebruikt in de zin van iets wegnemen en in de plaats daarvan iets anders geven, dus een daadwerkelijke vervanging.

Uit de āyāt en aḥadīth begrijpen we dat de aarde niet gewoon wordt vervormd of veranderd van vorm, maar dat er een volledig nieuwe aarde wordt geschapen. Met andere woorden: het gaat hier om de tweede betekenis van tabdīl, namelijk daadwerkelijke vervanging door iets nieuws.

Ibn ‘Abbās en Ibn Mas‘ūd (رضي الله عنهم) zeggen: “Op Yawmu’l Qiyāmah zal de aarde worden vervangen door een andere aarde, wit als een ei, waarop geen harām-bloed is gevloeid.”

Abū’l-Jald Jaylān ibn Farwah zegt: “Volgens wat ik tot nu toe heb geleerd, kan ik zeggen dat deze wereld op Yawmu’l Qiyāmah in vuur zal branden.”

‘Alī (رضي الله عنه) zegt: “Op Yawmu’l Qiyāmah zal de aarde wit als een ei worden; de hemelen zullen de kleur van goud krijgen.”

3.12: Gebeurtenissen voordat Yawmu’l Qiyāmah aanbreekt

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Wij waren bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). En er waren ook andere metgezellen bij ons. Hij zei: “Allāhu Ta‘ālā schiep eerst de hemelen en de aarde. Daarna schiep Hij de Sûr en gaf deze aan Isrāfīl (عليه السلام). Isrāfīl nam de Sûr en hield hem bij zijn mond. Sindsdien houdt hij zijn ogen open (met de Sûr bij zijn mond) en kijkt naar de ‘Arsh, wachtend op het bevel van Allāh.’

[Het woord “samāwāt” wordt vaak vertaald met hemelen, maar er bestaat discussie over de precieze betekenis. In de aḥadīth en āyāt wordt gesproken over zeven hemelen. Zoals aan het begin van dit boek is vermeld, is van deze zeven scheppingen van de hemelen de eerste het hemelgewelf van de aarde (samā’i dunyā), oftewel het bekende hemelgewelf.

Er is echter discussie over de aard van de overige zes hemelen: betreft het hetzelfde universum dat wij kennen, of gaat het om andere bestaansdimensies? Wanneer men uitgaat van het punt waar de zeven hemelen eindigen en de grenzen van de ‘Arsh beginnen, kan men aannemen dat de andere zes hemelen verwijzen naar andere bestaansniveaus die verschillen van het universum zoals wij dat kennen.

Het Paradijs en de Hel zijn eveneens geschapen en bevinden zich momenteel ergens binnen deze hemelen. Het passeren van de rûḥ van de mu’min door de hemelen betekent dus niet letterlijk opstijgen naar de bekende hemel, maar duidt op een overgang naar andere bestaansdimensies die het menselijke verstand en de zintuigen niet kunnen bevatten. (Notitie van de Turkse vertaler)]

Abū Hurayrah vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wat de Sûr precies is.Hij antwoordde: “Het is een bazuin of trompet.”Toen Abū Hurayrah om een beschrijving vroeg, zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم):“De Sûr is zeer groot. Bij Allāh, zijn breedte is groter dan de diameter van de aarde en de hemelen. Er zal drie keer op de Sûr worden geblazen:

Het eerste blazen is om angst te zaaien onder alle levende wezens.

Het tweede blazen is voor de dood van alle levende wezens.

Het derde blazen is voor de opstanding van alle doden, zodat zij voor Allāh verschijnen.”

Allāhu Ta‘ālā zegt:وَمَا يَنظُرُ هَٰٓؤُلَآءِ إِلَّا صَيۡحَةٗ وَٰحِدَةٗ مَّا لَهَا مِن فَوَاقٖ ١٥

En het wachten is slechts op een enkele kreet, die geen onderbreking kent.

(Sād, 38:15)

Het eerste blazen op de Sûr zal op een vrijdag halverwege de maand Ramadan plaatsvinden. Op die dag zullen de bergen loskomen en als wolken zweven, daarna uit elkaar vallen als stofwolken. Vervolgens zal de aarde alles wat op haar is omhoogwerpen.يَوۡمَ تَرۡجُفُ ٱلرَّاجِفَةُ ٦ Op de Dag waarop de aarde en de bergen heftig beven.

تَتۡبَعُهَا ٱلرَّادِفَةُ ٧ Wat gevolgd wordt door een tweede beving.

قُلُوبٞ يَوۡمَئِذٖ وَاجِفَةٌ ٨ Op die Dag zullen harten trillen van angst. (Nāzi‘āt, 79:6-8)

De aarde zal die dag schommelen als een schip op een woelige zee. Zwangere vrouwen zullen hun kind verliezen, en een zogende moeder zal haar kind vergeten.

Wanneer Yawmu’l Qiyāmah aanbreekt, zullen de shayāṭīn proberen te ontsnappen, maar de engelen zullen hen grijpen. Op die dag zal de hemel uiteenvallen als een wolk. De sterren zullen uiteenvallen en vallen, de maan en de zon zullen verduisteren, en de hemel zal als een perkamentrol worden opgerold. (Vergelijk surah At-Takwīr en Al-Inshiqāq)

De ḥadīth die door al-Ṭabarī en al-Salabī wordt genoemd, is ook door Abū Bakr Ibn al-‘Arabī onderzocht in zijn werk ‘Handboek van de Mūridīn’. Uit deze ḥadīth begrijpen we de 12e naam van Yawmu’l Qiyāmah “Zalzalā” (Aardbeving) is. De naam van Yawmu’l Qiyāmah is gegeven vanwege de beving die zal plaatsvinden bij het eerste blazen op de Sûr. Op die dag staat alle levende schepping een groot moment van angst en verschrikking te wachten. Allāh zal Ādam (عليه السلام) het bevel geven: “Sta op van je plaats als het vonken van het vuur.” Daarna zullen nieuwe gebeurtenissen plaatsvinden. Deze gebeurtenissen vinden plaats niet bij het eerste blazen van de Sûr, maar bij het volgende blazen. Er zijn twee verschillende opvattingen hierover:

Eerste opvatting: Het bevel aan Ādam (عليه السلام) zal plaatsvinden na het eerste blazen van de Sûr, tijdens de gebeurtenissen waarbij vrouwen die hun kind zogen hun kind loslaten en vluchten.

Tweede opvatting: Bij het eerste blazen van de Sûr zal angst toeslaan over alle levende wezens. Het specifieke bevel aan Ādam (عليه السلام) zal pas daarna plaatsvinden.

Volgens ons is de echtheid van de door Abū Bakr Ibn al-‘Arabī geciteerde ḥadīth discutabel.

Abū Muhammad ‘Abdulḥak vermeldt het volgende in zijn werk `Aqībah: “Op de Sûr zal drie keer worden geblazen. Het eerste blazen is om alle levende wezens angst aan te jagen; de twee volgende blazen is voor de dood van alle levende wezens en (de derde blazen voor) hun opstanding."

Hij gebruikt surah Yā Sīn als bewijs voor deze driedeling.

Volgens onze opvatting zal er niet drie maar twee keer op de Sûr worden geblazen:

De angst zal optreden bij het eerste blazen van de Sûr.

Er is geen aparte “angst-Sûr”.

Het bevel aan Ādam (عليه السلام) (“Sta op van je plaats als het vonken van het vuur.”) zal plaatsvinden na het tweede blazen.

Voor de angst en de aardbeving is het niet nodig dat er aparte op de Sûr wordt geblazen. Zelfs voor het schudden van de aarde is het niet nodig dat er op de Sûr wordt geblazen, aangezien de aarde al regelmatig beeft door natuurlijke oorzaken. De term ‘zalzalā’ (aardbeving) kan dus ook verwijzen naar een van de tekenen van Yawmu’l Qiyāmah en hoeft niet het begin van de Qiyāmah zelf te zijn.

Volgens Alqāmah en al-Sha‘bī zal deze aardbeving zich beperken tot de aarde en zal niet het hele universum omvatten. Het zal plaatsvinden vóór de Qiyāmah en is een van de tekenen daarvan. Ook Ḥasan al-Baṣrī en Anas ibn Mālik (رضي الله عنهما) zijn deze mening aangedaan.

Bovendien kan angst en paniek ook optreden bij het tweede blazen van de Sûr, aangezien mensen met angst uit hun graven zullen opstaan en haastig en bezorgd naar het Mahshar-plein zullen komen:

قَالُواْ يَٰوَيۡلَنَا مَنۢ بَعَثَنَا مِن مَّرۡقَدِنَاۜۗ هَٰذَا مَا وَعَدَ ٱلرَّحۡمَٰنُ وَصَدَقَ ٱلۡمُرۡسَلُونَ ٥٢

Zij zeggen: “Wee voor ons! Wie heeft ons uit onze slaapplaats doen herrijzen? Dit is wat de Barmhartige heeft beloofd, en de Boodschappers hebben de waarheid gesproken!” (Yaasien, 36:52)

Er zijn verschillende meningen over dit onderwerp; onze voorkeur gaat uit naar het standpunt van hierboven. Allāh weet het het beste.

Volgens sommige ‘ulama zal er vóór Yawmu’l Qiyāmah in het midden van de maand Ramadān een aardbeving plaatsvinden. Daarna zal de zon opkomen vanuit het westen, waar zij normaliter onderging. Allāh weet het het beste.

In de āyah wordt vermeld dat iedereen deze aardbeving zal zien. Dit wijst erop dat deze aardbeving niet de Qiyāmah zelf is, maar alleen op aarde zal plaatsvinden vóór de Qiyāmah.

Het loslaten van kinderen door zogende of zwangere vrouwen kan twee betekenissen hebben:

Op die dag zal iedereen door angst en paniek in zijn eigen problemen verzinken. Met andere woorden, niemand zal de kracht hebben om aan een ander te denken.

Door de verschrikkelijke gebeurtenissen van die dag zullen vrouwen hun kinderen verliezen of bevallen. Of iedereen zal door angst op de grond ineenzakken.

Ḥasan al-Baṣrī legt de āyāt over de Qiyāmah als volgt uit: “Op die dag zul je de mensen zien alsof ze dronken zijn.”يَوۡمَ تَرَوۡنَهَا تَذۡهَلُ كُلُّ مُرۡضِعَةٍ عَمَّآ أَرۡضَعَتۡ وَتَضَعُ كُلُّ ذَاتِ حَمۡلٍ حَمۡلَهَا وَتَرَى ٱلنَّاسَ سُكَٰرَىٰ وَمَا هُم بِسُكَٰرَىٰ وَلَٰكِنَّ عَذَابَ ٱللَّهِ شَدِيدٞ ٢

Op die Dag zullen jullie het zien; ieder zogende moeder zal haar baby vergeten en iedere zwangere vrouw zal haar vrucht laten vallen. En jullie zullen de mensheid zien alsof zij in een dronken toestand verkeert, toch zullen zij niet dronken zijn, maar zwaar zal de bestraffing van Allāh zijn. (Hajj, 22:2). Dit betekent dat ze door angst en de rampen die hen overkomen, in wanhoop verkeren. “Maar feitelijk zijn ze niet dronken,” wat betekent dat ze geen alcohol hebben gedronken.

قَالَ أَنظِرۡنِيٓ إِلَىٰ يَوۡمِ يُبۡعَثُونَ ١٤

Hij (Iblies) zei: “Geef mij uitstel tot de Dag waarop zij allen herrijzen.” (A‘rāf, 7:14) met andere woorden, “dood mij niet tot de Qiyāmah komt.”

قَالَ فَإِنَّكَ مِنَ ٱلۡمُنظَرِينَ ٣٧

(Allāh) zei: “(Goed dan), jij behoort tot diegenen die Ik uitstel heb verleend.

إِلَىٰ يَوۡمِ ٱلۡوَقۡتِ ٱلۡمَعۡلُومِ ٣٨

Tot aan de Dag waarvan het tijdstip vaststaat (en de eerste bazuinstoot zal weerklinken).” (Ḥijr, 15:37-38) Volgens Ibn ‘Abbās en al-Ṣaddī geldt dit uitstel tot het eerste blazen van de Sûr, niet tot het tweede.

Uitleg:Nadat de Qiyāmah aanbreekt, zullen vóórdat de mensen ter verantwoording worden geroepen, alle schepselen opnieuw worden geschapen en zal er een nieuwe wereld ontstaan.

Allāhu Ta‘ālā zegt:

يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّاسُ ٱتَّقُواْ رَبَّكُمۡۚ إِنَّ زَلۡزَلَةَ ٱلسَّاعَةِ شَيۡءٌ عَظِيمٞ ١

O mensheid! Vrees jullie Heer en wees Hem plichtsgetrouw! Waarlijk, de aardbeving van het Uur is iets vreselijks. (Hajj, 22:1 en 2 (zie hierboven)

إِذَا زُلۡزِلَتِ ٱلۡأَرۡضُ زِلۡزَالَهَا ١

Als de aarde door haar (laatste) beving (krachtig) wordt geschud (ter aankondiging van de Laatste Dag). (Zilzal, 99:1)

Gezien deze āyāt samen, kunnen we concluderen dat er ook na de wederopstanding een grote beving zal plaatsvinden.

Deze beving kan bedoeld zijn om mensen met angst te vervullen. Of met de hier genoemde beving kan ook worden bedoeld de grote angsten en het verdriet die de mensen zullen meemaken.

يَوۡمَئِذٖ تُحَدِّثُ أَخۡبَارَهَا ٤

Die Dag zal zij (de aarde) een verklaring afleggen. (az-Zilzāl, 99:4)

يَوۡمَئِذٖ يَصۡدُرُ ٱلنَّاسُ أَشۡتَاتٗا لِّيُرَوۡاْ أَعۡمَٰلَهُمۡ ٦

Op die Dag zullen de mensen in verschillende groepen tevoorschijn komen om hun daden te zien. (az-Zilzāl, 99:6)

Op basis van deze āyāt kunnen wij ook zeggen dat met de genoemde aardbeving en schok wordt bedoeld dat de aarde de mensen naar buiten zal werpen. Dat wil zeggen: de aarde zal de doden en de lichamen die zich in haar bevinden naar buiten werpen.

فَإِذَا نُفِخَ فِي ٱلصُّورِ نَفۡخَةٞ وَٰحِدَةٞ ١٣

Als dan de trompet geblazen zal worden met één stoot (de eerste). (al-Hāqqa, 69:13)

وَحُمِلَتِ ٱلۡأَرۡضُ وَٱلۡجِبَالُ فَدُكَّتَا دَكَّةٗ وَٰحِدَةٗ ١٤

En de aarde en de bergen van hun plaats weg worden gehaald, en dan in één klap worden verpulverd. (al-Hāqqa, 69:4)

يَوۡمَئِذٖ تُعۡرَضُونَ لَا تَخۡفَىٰ مِنكُمۡ خَافِيَةٞ ١٨

Op die Dag zullen jullie tot het oordeel gebracht worden, geen van jullie geheimen zullen verborgen blijven. (al-Hāqqa, 69:18)

Dat wil zeggen: alle doden die onder de grond liggen zullen tot leven worden gewekt. Niemand zal verdwijnen of vergeten worden.

يَوۡمَ تَرۡجُفُ ٱلرَّاجِفَةُ ٦

Op de Dag waarop de aarde en de bergen heftig beven.

تَتۡبَعُهَا ٱلرَّادِفَةُ ٧

Wat gevolgd wordt door een tweede beving. (an-Nāzi‘āt, 79:6-7)

Op basis van deze āyāt hebben sommige geleerden beweerd dat er drie keer op de Sûr zal worden geblazen.De eerste keer is de schok.De tweede keer is voor het sterven van alles.De derde keer is voor het opnieuw tot leven wekken van alles.Dit is de opvatting van degenen die stellen dat er drie keer op de Sûr zal worden geblazen.

Mujāhid daarentegen geeft aan dat het herhaald beven van de aarde met één enkele Sûr zal plaatsvinden. Dat wil zeggen, kort samengevat: er zal twee keer op de Sûr worden geblazen.De eerste Sûr is voor het plaatsvinden van de Opstanding.De tweede Sûr is voor de wederopstanding.

Na het plaatsvinden van de Opstanding bestaat verschil van mening over de toestand van de aarde. In de āyah wordt gezegd:فَإِذَا هُم بِٱلسَّاهِرَةِ ١٤ Ziedaar! Zij zijn op een kale vlakte. ((an-Nāzi‘āt, 79:14)

Volgens Ibn ‘Abbās (رضي الله عنهما) is ‘sāhirah’, dat wil zeggen de vlakte of het lege terrein, een nieuw geschapen plaats. Zij is wit als een ei en volledig vlak. Allāhu Ta‘ālā zal zich daar manifesteren.

Hij gebruikt hiervoor ook het edele āyah als bewijs:

يَوۡمَ تُبَدَّلُ ٱلۡأَرۡضُ غَيۡرَ ٱلۡأَرۡضِ وَٱلسَّمَٰوَٰتُۖ وَبَرَزُواْ لِلَّهِ ٱلۡوَٰحِدِ ٱلۡقَهَّارِ ٤٨

Op de Dag dat de aarde in een andere aarde zal veranderen en de hemelen ook. En de mensen zullen voor Allāh verschijnen, de Ene, de Onweerstaanbare. (Ibrāhīm, 14: 48)

Sommige geleerden stellen echter dat de sāhirah een zevende wereld is die reeds geschapen is, en dat alle schepselen hierheen zullen worden gestuurd en daar zullen worden bijeengebracht. Volgens deze geleerden wordt met het bovengenoemde āyah niet bedoeld dat er een nieuwe wereld wordt geschapen, maar dat de bestaande wezens naar een andere wereld worden overgebracht. En deze wereld bestaat reeds.

Sufyān ath-Thawrī zegt dat op Yawmu’l Qiyāmah alle schepselen mogelijk in het gebied van Shām zullen worden bijeengebracht.

De reden waarom de plaats waar op Yawmu’l Qiyāmah alle levende wezens worden bijeengebracht,“sahrah” wordt genoemd, is: op deze vlakte zal geen boom zijn, geen steen, geen schaduw en geen tent. Er zal hier geen slaap zijn en ook geen mogelijkheid om te gaan zitten en uit te rusten. Daarom wordt deze plaats sahrah, dat wil zeggen woestijn, genoemd.

3.13: Ḥashr (Verzameling)

Er zijn vier soorten Verzameling (ḥashr): twee vinden plaats in de wereld en twee in het Hiernamaals.

De eerste Ḥashr betreft volgens het Woord van de Allāh:هُوَ ٱلَّذِيٓ أَخۡرَجَ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ مِنۡ أَهۡلِ ٱلۡكِتَٰبِ مِن دِيَٰرِهِمۡ لِأَوَّلِ ٱلۡحَشۡرِۚ

Hij is Degene Die de kāfirs onder de mensen van het Boek uit hun woonplaatsen heeft verdreven bij de eerste verzameling (daartoe)... (al-Ḥashr , 59:2)Volgens Ibn ‘Abbās (رضي الله عنهما) vond de eerste Ḥashr plaats in Shām. Hiermee wordt de Ḥashr uitdrijven bedoeld. Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bij het verdrijven van de joden zei: “Ga heen,” vroegen zij: “Waarheen zullen wij gaan?” Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Naar het Maḥshar-plein.” Hiermee wordt Shām bedoeld. Vóór de Qiyāmah zullen de mensen eerst daar worden bijeengebracht.

De tweede Ḥashr wordt als volgt beschreven door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم):“Mensen worden op drie manieren bijeengebracht:a. degenen die bereidwillig zijn en degenen die angstig zijn,b. twee of drie personen op één rijdier,c. de rest wordt door het Hellevuur gegrepen. Waar zij ook gaan, de Hel volgt hen. Waar zij overnachten, overnacht de Hel ook. Wat zij zeggen, herhaalt Hel ook.” (Muslim, 17/194; al-Bukhārī, 11/377)

Volgens Qatādah vindt de tweede Ḥashr zo plaats: een vuur komt vanuit het oosten en jaagt alle mensen naar het westen. Waar zij ook overnachten, verblijft dit vuur ook. De achterblijvers worden door het vuur verzwolgen. (An-Nasā’ī, 4/115-116; At-Tirmiḏī, 3142)

Volgens Qāḍī `Iyāḍ zal deze tweede Ḥashr ook op aarde plaatsvinden, vóór de Qiyāmah. Dit is het laatste teken vóór de Qiyāmah. In de overlevering van Ṣaḥīḥ Muslim wordt verteld dat er een vuur zal opkomen in de regio van ‘Adn, dat de mensen zal achtervolgen en hen onrust zal bezorgen. Volgens een andere overlevering zal dit vuur de achterblijvers verzamelen op een bepaalde plaats, waarna de Qiyāmah zal plaatsvinden. In weer een andere overlevering komt dit vuur uit de regio van Ḥijāz.

Alle aḥādīth wijzen erop dat dit vóór de Qiyāmah zal plaatsvinden.

Hulaymī legt in zijn werk Minhâju’d-dīn de overlevering van Ibn ‘Abbās als volgt uit: de drie soorten Ḥashr verwijzen naar drie verschillende groepen mensen: de goeden, de slechten en degenen daartussen, de zondaren. De goeden vormen de eerste groep en zullen niets overkomen. De zondaren/daartussen proberen te ontsnappen op rijdieren. De slechten zullen door het vuur worden gegrepen.

De derde Ḥashr vindt in het Hiernamaals plaats en betreft de Mahshar zoals wij die kennen:

وَيَوۡمَ نُسَيِّرُ ٱلۡجِبَالَ وَتَرَى ٱلۡأَرۡضَ بَارِزَةٗ وَحَشَرۡنَٰهُمۡ فَلَمۡ نُغَادِرۡ مِنۡهُمۡ أَحَدٗا ٤٧

En (gedenk) de Dag waarop Wij de bergen zullen verzetten en jullie de aarde zullen zien als een opgeheven vlakte. Wij zullen hen allen verzamelen en niet één van hen achterlaten. (al-Kahf, 18:47)

Hierover zullen wij later in detail bespreken.

De vierde en laatste Ḥashr betreft de verzameling van de mensen in het Paradijs en in het Hellevuur. Allāhu Ta‘ālā zegt:

يَوۡمَ نَحۡشُرُ ٱلۡمُتَّقِينَ إِلَى ٱلرَّحۡمَٰنِ وَفۡدٗا ٨٥

De Dag waarop Wij de godvrezenden (degenen die Allāh vrezen en degenen die zich aan Zijn verboden en geoorloofde zaken houden) voor de Barmhartige verzamelen als afgevaardigden. (Maryam, 19:85)

Er is een ḥadīth die dit āyah uitlegt. Van ‘Alī (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:

“Op die Dag zullen de mu’mins niet te voet naar Allāh komen, maar zij zullen op Paradijselijke rijdieren rijden. Zij zijn mooier en sierlijker dan wie ooit tevoren heeft gezien.

Met deze rijdieren, versierd met goud en smaragd, zullen zij tot aan de poorten van het Paradijs komen.”

Over de wijsheid van het rijden op deze rijdieren heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gezegd:“Op die Dag zullen de mu’mins het bevel van Allāh niet traag uitvoeren, maar zich haasten om het te gehoorzamen. (De kāfirs daarentegen willen niet voortgaan, omdat zij naar de Hel zullen worden gevoerd en dat willen vermijden.) Daarom haasten de mu’mins zich op hun rijdieren. De engelen begeleiden hen:لَا يَحۡزُنُهُمُ ٱلۡفَزَعُ ٱلۡأَكۡبَرُ وَتَتَلَقَّىٰهُمُ ٱلۡمَلَٰٓئِكَةُ هَٰذَا يَوۡمُكُمُ ٱلَّذِي كُنتُمۡ تُوعَدُونَ ١٠٣

De grootste verschrikking zal hen niet bedroeven en de Engelen zullen hen ontvangen (met een begroeting): “Dit is jullie Dag wat jullie beloofd is.” (Al-anbiyā’, 21:103)

De kāfirs zullen als volgt worden bijeengebracht:وَنَسُوقُ ٱلۡمُجۡرِمِينَ إِلَىٰ جَهَنَّمَ وِرۡدٗا ٨٦

En Wij zullen de misdadigers als een dorstige kudde naar de Hel drijven. (Maryam, 19:86)

يَوۡمَ يُنفَخُ فِي ٱلصُّورِۚ وَنَحۡشُرُ ٱلۡمُجۡرِمِينَ يَوۡمَئِذٖ زُرۡقٗا ١٠٢

Op de Dag wanneer (er andermaal) op de hoorn zal worden geblazen, brengen Wij de (kāfir) misdadigers bijeen en hun ogen zullen zonder licht zijn. (Ṭāhā, 20:102)

وَمَن يَهۡدِ ٱللَّهُ فَهُوَ ٱلۡمُهۡتَدِۖ وَمَن يُضۡلِلۡ فَلَن تَجِدَ لَهُمۡ أَوۡلِيَآءَ مِن دُونِهِۦۖ وَنَحۡشُرُهُمۡ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ عَلَىٰ وُجُوهِهِمۡ عُمۡيٗا وَبُكۡمٗا وَصُمّٗاۖ مَّأۡوَىٰهُمۡ جَهَنَّمُۖ كُلَّمَا خَبَتۡ زِدۡنَٰهُمۡ سَعِيرٗا ٩٧

En wie door Allāh geleid wordt, hij is de welgeleide, maar wie door Hem tot dwaling gebracht is, voor hem kunnen jullie geen helpers naast Hem vinden. En Wij zullen hen op Yawmu’l Qiyāmah verzamelen met hun blinde, stomme en dove gezichten. Hun verblijfplaats zal de Hel zijn en als het Hellevuur afneemt zullen Wij voor hen de felheid van het vuur doen toenemen. (al-Isrā’, 17:97)

Van Anas b. Mālik (رضي الله عنه): Een man vroeg: “O Rasûlullāh! Worden de kāfirs op Yawmu’l Qiyāmah op hun gezicht bijeengebracht?” Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Degene Die een mens in deze wereld op twee benen laat lopen, zal hem dan in het Hiernamaals niet op zijn gezicht/hoofd laten lopen?” (al-Bukhārī, 11/377)

Uitleg:Abū Ḥāmid al-Ghazzālī vermeldt in zijn boek Kashf ʿUlūm al‑Ākhirah het volgende: “De mens raakt van nature verbaasd tegenover iets wat hij eerder niet heeft gezien, en hij wil ook datgene ontkennen wat zijn verstand niet kan bevatten. Bijvoorbeeld: als wij een slang niet hadden gezien, zouden wij ontkennen dat een wezen zonder voeten op zijn buik kan kruipen.

Daarom is het noodzakelijk om te geloven in de zaken die wij op Yawmu’l Qiyāmah zullen tegenkomen. Net als bij het voorbeeld van de slang moeten wij vermijden hetgeen dat wij nog niet eerder hebben gezien in de toekomst te ontkennen.”

3.14: Het Maḥshar-plein, Sahrah, en de aard van de plaats waar de mensen zullen wachten

Wahb b. Munabbih zegt: “Allāhu Ta‘ālā heeft tot de woestijn van Bayt al-Maqdis (al-Quds) gezegd: ‘Mijn ‘Arsh zal naar jou toekomen en Ik zal Mijn schepselen in jou verzamelen. Op die Dag zal ook Dāwūd (عليه السلام) op zijn paard arriveren.” (Abū (Nu’aym, Ḥilyah, 4/66)

Over het onderstaande āyah zeggen sommige geleerden: dat degene die deze aankondiging zal doen een engel is:وَٱسۡتَمِعۡ يَوۡمَ يُنَادِ ٱلۡمُنَادِ مِن مَّكَانٖ قَرِيبٖ ٤١

En luister op die Dag wanneer de oproeper van een dichtbijzijnde plaats roept. (Qāf, 50:41)

Deze engel zal in de woestijn van al-Quds komen en zeggen: “O verrotte beenderen en verspreide vleesdelen! O gescheurde lijkwaden! O lege harten! O ontbonden lichamen! O uitgelopen/verwaaide ogen! Sta op en verzamel je voor jullie Rab.”

Volgens Qatādah is de engel die de aankondiging zal doen in dit āyah de eigenaar van de Sûr, dat wil zeggen Isrāfīl (عليه السلام). Ka`ab zegt dat de woestijn van al-Quds wordt beschouwd als de plaats die het dichtst bij de hemel ligt. Volgens één overlevering is de afstand tussen de hemel en de woestijn van al-Quds 12 mijl, volgens een andere overlevering 18 mijl. De tweede opvatting is van Qushayrī; de eerste opvatting is van Māwardī. Volgens een andere overlevering zal degene die de aankondiging doet Jibrīl (عليه السلام) zijn. Allāh weet het het beste.

Volgens ʿIkrimah zal Allāhu Ta‘ālā zelf de oproep en de aankondiging doen. De ‘nidā’ (stem) van ar-Raḥmān zal door alle oren worden gehoord. Zoals vermeld in de āyah:

يَوۡمَ تَشَقَّقُ ٱلۡأَرۡضُ عَنۡهُمۡ سِرَاعٗاۚ ذَٰلِكَ حَشۡرٌ عَلَيۡنَا يَسِيرٞ ٤٤

Op de dag waarop de aarde onder hen gekliefd zal worden, haasten (zij zich te verzamelen). Dat is een gemakkelijke verzameling voor Ons. (Qāf, 50:44)

Hier kan een vraag opkomen: hoe kunnen de mensen die dan dood zullen zijn, deze stem horen? Het antwoord is: dit zal een lange aankondiging zijn. Eerst zullen de mensen worden opgewekt, maar de stem zal doorgaan.

Degene die wordt opgewekt zal deze stem horen en angstig worden. Bovendien is deze stem bedoeld voor de opstanding van de mensen; niet voor een ander doel. Net zoals iemand uit zijn slaap wordt gewekt, hoeven de mensen deze ‘nidā’ niet volledig te begrijpen. De mensen zullen geleidelijk uit hun graven opstaan. Omdat de stem lang aanhoudt, kunnen degenen die uit de graven komen deze horen.

Met het eerste blazen op de Sûr zal een geluid klinken waardoor alles zal vergaan. De sterren zullen uiteen vallen, en de hemel zal worden opgerold als een doek.

يَوۡمَئِذٖ يَتَّبِعُونَ ٱلدَّاعِيَ لَا عِوَجَ لَهُۥۖ وَخَشَعَتِ ٱلۡأَصۡوَاتُ لِلرَّحۡمَٰنِ فَلَا تَسۡمَعُ إِلَّا هَمۡسٗا ١٠٨

Op die Dag zal de mensheid uitsluitend Allāh’s Oproeper volgen; er is geen (mogelijkheid) om aan hem te ontsnappen. En alle stemmen zullen zich vernederen voor de Barmhartige en jullie zullen niets anders horen dan zacht gefluister. (Ṭāhā, 20:108)

إِذَا ٱلسَّمَآءُ ٱنفَطَرَتۡ ١ Wanneer de hemel gespleten wordt.

وَإِذَا ٱلۡكَوَاكِبُ ٱنتَثَرَتۡ ٢ En als de sterren vallen.

وَإِذَا ٱلۡبِحَارُ فُجِّرَتۡ ٣ En als de zeeën overstromen.

وَإِذَا ٱلۡقُبُورُ بُعۡثِرَتۡ ٤ En als de graven zich omkeren. (al-Infitār, 82:1-4)

Dat wil zeggen dat zoet en zout water zich zullen vermengen.

Dat wil zeggen: met het tweede blazen van de Sûr zullen de doden uit hun graven opstaan.

إِذَا ٱلسَّمَآءُ ٱنشَقَّتۡ ١ Wanneer de hemel verscheurd wordt.

وَأَذِنَتۡ لِرَبِّهَا وَحُقَّتۡ ٢ En hij (de hemel) naar zijn Heer luistert en Hem gehoorzaamt en zijn plicht nakomt. (al-Inshiqāq, 84:1-2)

Dat wil zeggen: het zal zich uitstrekken tot een gebied zo groot als een ei en zilverkleurig worden.

وَإِذَا ٱلۡأَرۡضُ مُدَّتۡ ٣ En als de aarde wordt uitgespreid. (al-Inshiqāq, 84:3)

Uiteindelijk zal alle doden die zich erin bevindt tevoorschijn komen.

وَأَلۡقَتۡ مَا فِيهَا وَتَخَلَّتۡ ٤ En uitwerpt wat in haar is en zich ledigt. (al-Inshiqāq, 84:4)

Van Sahl b. Sa‘d (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah zullen de mensen worden bijeengebracht op een plaats die spierwit (en volledig vlak) is, zoals een brood van zuiver meel. Op die Dag zal niemand daar een herkenningsteken (geen huis, geen kledingstuk, geen bezit en geen versiering) hebben.” (Muslim, 17/134)

‘Abdullāh b. Mas‘ûd (رضي الله عنه) zegt: “Op Yawmu’l Qiyāmah zullen de mensen worden bijeengebracht in een toestand die zij nooit eerder hebben meegemaakt: hongerig en dorstig. Zij zullen volledig naakt zijn en lange tijd rechtop blijven staan. Wie omwille van Allāh voedsel heeft gegeven, zal op die Dag door Allāh worden gevoed. Wie omwille van Allāh water heeft gegeven, zal op die Dag te drinken krijgen. Wie iets omwille van Allāh heeft gedaan, zal daar op die Dag de beloning voor ontvangen.”

Van Mu‘ādz b.

Jabal (رضي الله عنه): Ik vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar de betekenis van de āyah:يَوۡمَ يُنفَخُ فِي ٱلصُّورِ فَتَأۡتُونَ أَفۡوَاجٗا ١٨ De Dag waarop de trompet wordt geblazen zullen jullie komen, in groepen. (an-Naba’, 78:18)

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “O Mu‘ādz b. Jabal, jij hebt een zeer moeilijke vraag gesteld,” waarna hij begon te huilen. Daarna zei hij: “Mijn ummah zal op Yawmu’l Qiyāmah in tien verschillende groepen worden bijeengebracht. Allāhu Ta‘ālā zal hen op deze wijze van elkaar onderscheiden.Een groep zal worden opgewekt in de gedaante van apen.Een andere groep zal verschijnen in de gedaante van varkens.Sommigen zullen ondersteboven worden samengebracht, met hun voeten omhoog; zij zullen op hun gezicht voortkomen, alsof zij in sujûd zijn.Een andere groep zal blind worden samengebracht en doelloos heen en weer dwalen.Sommigen zullen doof zijn, niet kunnen spreken en niet bij hun verstand zijn.Bij sommigen zal de tong naar buiten hangen en zij zullen worden samengebracht terwijl zij aan het overgeven zijn; iedereen die hen ziet, zal walging voelen.Sommigen zullen verschijnen met verminkte handen en voeten.Er zal een groep zijn die in de Mahshar zal wachten, opgehangen aan pilaren van vuur.Sommigen zullen worden samengebracht in een staat van verrotting en ontbinding.Anderen zullen verschijnen gekleed in kleding van teer.

Degenen die als apen worden samengebracht, zijn de roddelaars en degenen die laster verspreiden.Degenen die als varkens worden samengebracht, zijn degenen die het harām consumeren, mensen bedriegen en zich inlaten met omkoping en andere verboden inkomsten.Degenen die ondersteboven worden samengebracht, zijn zij die zich met rente (ribā) hebben ingelaten.Degenen die blind worden samengebracht, zijn degenen die het harām als halāl beschouwden.Degenen die stom worden samengebracht, zijn degenen die opscheppen over hun daden.Degenen bij wie de tong naar buiten hangt, zijn de geleerden en predikers van wie woorden en daden elkaar tegenspreken.Degenen met verminkte handen en voeten zijn degenen die hun buren schade hebben berokkend.Degenen die aan pilaren van vuur in het Mahshar-plein zullen hangen, zijn de onrechtvaardige bestuurders, hun helpers en degenen die hen vleien.Degenen die als een verrot karkas naar het Mahshar-plein worden samengebracht, zijn degenen die hun lusten achternagejaagd hebben.Wie geen acht sloeg op wat Allāh als harām heeft verklaard en Zijn verplichtingen veronachtzaamde, zal op deze manier in een verrotte toestand worden bijeengebracht.En degenen die kleding van teer zullen dragen, zijn de hoogmoedigen en arroganten.”

Imām al-Ghazālī schrijft in het eerder door ons genoemde werk Kashf ʿUlūm al‑Ākhirah het volgende: de mensen zullen in het Hiernamaals worden opgewekt in de toestand waarin zij in het wereldse leven hebben verkeerd, en zij zullen vergolden worden voor hun daden.

Bijvoorbeeld, iemand die in de wereld zijn leven verspilt met het bespelen van muziekinstrumenten, zal daarvoor gestraft worden.

Degenen die als apen worden samengebracht, zijn de roddelaars en degenen die laster verspreiden.Degenen die als varkens worden samengebracht, zijn degenen die het harām consumeren, mensen bedriegen en zich inlaten met omkoping en andere verboden inkomsten.Degenen die ondersteboven worden samengebracht, zijn zij die zich met rente (ribā) hebben ingelaten.Degenen die blind worden samengebracht, zijn degenen die het harām als halāl beschouwden.Degenen die stom worden samengebracht, zijn degenen die opscheppen over hun daden.Degenen bij wie de tong naar buiten hangt, zijn de geleerden en predikers van wie woorden en daden elkaar tegenspreken.Degenen met verminkte handen en voeten zijn degenen die hun buren schade hebben berokkend.Degenen die aan pilaren van vuur in het Mahshar-plein zullen hangen, zijn de onrechtvaardige bestuurders, hun helpers en degenen die hen vleien.Degenen die als een verrot karkas naar het Mahshar-plein worden samengebracht, zijn degenen die hun lusten achternagejaagd hebben.Wie geen acht sloeg op wat Allāh als harām heeft verklaard en Zijn verplichtingen veronachtzaamde, zal op deze manier in een verrotte toestand worden bijeengebracht.En degenen die kleding van teer zullen dragen, zijn de hoogmoedigen en arroganten.”

Imām al-Ghazālī schrijft in het eerder door ons genoemde werk Kashf ʿUlūm al‑Ākhirah het volgende: de mensen zullen in het Hiernamaals worden opgewekt in de toestand waarin zij in het wereldse leven hebben verkeerd, en zij zullen vergolden worden voor hun daden.

Bijvoorbeeld, iemand die in de wereld zijn leven verspilt met het bespelen van muziekinstrumenten, zal daarvoor gestraft worden. Deze persoon zal in het Hiernamaals met het instrument dat hij in de wereld bespeeld heeft, ruziën en vechten. De man zal tegen het muziekinstrument zeggen: “Wee jou! Jij hebt mij in de wereld afgeleid. Hierdoor kon ik Allāh niet aanbidden. Ik heb de geboden van Allāh vergeten.” Het instrument zal zich dan verdedigen met: “Wees geduldig tot Allāh tussen ons oordeelt. Voorwaar, Allāh is de Beste der Rechters.”

Iemand die in de wereld alcohol dronk, zal in het Hiernamaals dronken uit zijn graf opstaan en naar het Maḥshar-plein komen.

Sommige mensen zullen na hun opstanding naakt uit hun graven opstaan, anderen met witte kleding, en weer anderen met pikzwarte kleding van teer.Het licht van sommige mensen zal zwak zijn, als een flauwe lamp. Sommigen zullen schijnen als de maan, en anderen als de zon.

Van sommige mensen zullen hun daden worden gebracht in de vorm van een schaap, en van anderen in de vorm van een paard. In de āyāt staan:

يَوۡمَ تَرَى ٱلۡمُؤۡمِنِينَ وَٱلۡمُؤۡمِنَٰتِ يَسۡعَىٰ نُورُهُم بَيۡنَ أَيۡدِيهِمۡ وَبِأَيۡمَٰنِهِمۖ بُشۡرَىٰكُمُ ٱلۡيَوۡمَ جَنَّٰتٞ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهَا ٱلۡأَنۡهَٰرُ خَٰلِدِينَ فِيهَاۚ ذَٰلِكَ هُوَ ٱلۡفَوۡزُ ٱلۡعَظِيمُ ١٢

En de dag waarop jij de mu’min mannen en de mu’min vrouwen ziet. Hun licht straalt voor hen uit en bij hun rechterhanden. (Er wordt hen gezegd:) “Goed nieuws is voor jullie op deze dag: Tuinen waar rivieren onderdoor stromen (het Paradijs) om daarin voor altijd te verblijven! Waarlijk, dit is een groot succes!” (al-Ḥadīd, 57:12)

فَٱطَّلَعَ فَرَءَاهُ فِي سَوَآءِ ٱلۡجَحِيمِ ٥٥

Toen keek hij en zag hem te midden van het Hellevuur. (aṣ-Ṣāffāt, 37:55)

۞ وَإِذَا صُرِفَتۡ أَبۡصَٰرُهُمۡ تِلۡقَآءَ أَصۡحَٰبِ ٱلنَّارِ قَالُواْ رَبَّنَا لَا تَجۡعَلۡنَا مَعَ ٱلۡقَوۡمِ ٱلظَّٰلِمِينَ ٤٧

En als hun ogen zich tot de bewoners van het Hellevuur richten, zullen zij zeggen: ”Onze Heer! Zet ons niet bij de mensen die onrechtvaardig zijn.” (al-Aʿrāf, 7:47)

3.15 : Uitleg van enkele āyāt over de Ḥashr die op het eerste gezicht verschillend lijken

In de onderstaande āyāt wordt gezegd:

وَيَوۡمَ يَحۡشُرُهُمۡ كَأَن لَّمۡ يَلۡبَثُوٓاْ إِلَّا سَاعَةٗ مِّنَ ٱلنَّهَارِ يَتَعَارَفُونَ بَيۡنَهُمۡۚ قَدۡ خَسِرَ ٱلَّذِينَ كَذَّبُواْ بِلِقَآءِ ٱللَّهِ وَمَا كَانُواْ مُهۡتَدِينَ ٤٥

En (gedenk) de Dag waarop Hij hen zal verzamelen, (dan zal het zijn) alsof zij slechts een uur of een dag (in het leven van deze wereld) zijn geweest. Zij kennen elkaar (op die Dag). Voorzeker, zij die de ontmoeting met Allāh ontkenden, zullen verlies lijden en zij waren geen rechtgeleiden. (Yūnus, 10:45)

وَنَحۡشُرُهُمۡ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ عَلَىٰ وُجُوهِهِمۡ عُمۡيٗا وَبُكۡمٗا وَصُمّٗاۖ

…En Wij zullen hen op Yawmu’l Qiyāmah verzamelen met hun blinde, stomme en dove gezichten…. (al-Isrā’, 17:97)

Volgens een andere āyah zullen de mensen op Yawmu’l Qiyāmah zeggen:قَالُواْ يَٰوَيۡلَنَا مَنۢ بَعَثَنَا مِن مَّرۡقَدِنَاۜۗ

Zij zeggen: “Wee voor ons! Wie heeft ons uit onze slaapplaats doen herrijzen?... (Yā Sīn, 36:52)

Tussen deze āyah en de vorige āyah bestaat verschil in betekenis.In de eerste āyah wordt beschreven dat sommige mensen blinde en doof-stomme zullen worden verzameld, terwijl in deze laatste āyah wordt vermeld dat de mensen zullen vragen wie hen heeft opgewekt.

Opnieuw wordt in een āyah vermeld dat zij blind zullen zijn, terwijl in een andere āyah wordt gezegd dat zij elkaar zullen herkennen.

فَلَنَسۡـَٔلَنَّ ٱلَّذِينَ أُرۡسِلَ إِلَيۡهِمۡ وَلَنَسۡـَٔلَنَّ ٱلۡمُرۡسَلِينَ ٦

Dan zeker, zullen Wij die (mensen) ondervragen aan wie (Profeten) gezonden waren en waarlijk, Wij zullen de Boodschappers ondervragen. (al-Aʿrāf, 7:6)

Ondervraging of ter verantwoording roepen is echter een verbale aangelegenheid.

يَوۡمَ يُنفَخُ فِي ٱلصُّورِۚ وَنَحۡشُرُ ٱلۡمُجۡرِمِينَ يَوۡمَئِذٖ زُرۡقٗا ١٠٢

Op de Dag wanneer (er andermaal) op de hoorn zal worden geblazen, brengen Wij de (kāfir) misdadigers bijeen en hun ogen zullen zonder licht zijn. (Ṭā Hā, 20:102)

وَنُفِخَ فِي ٱلصُّورِ فَإِذَا هُم مِّنَ ٱلۡأَجۡدَاثِ إِلَىٰ رَبِّهِمۡ يَنسِلُونَ ٥١

En er wordt op de trompet geblazen, daarop snellen zij uit de graven naar hun Heer. (Yā Sīn, 36:51)

يَوۡمَ يَخۡرُجُونَ مِنَ ٱلۡأَجۡدَاثِ سِرَاعٗا كَأَنَّهُمۡ إِلَىٰ نُصُبٖ يُوفِضُونَ ٤٣

De Dag waarop zij zo snel uit hun graf zullen komen alsof zij naar een bepaald doel spoeden. (al-Maʿārij, 70:43)Snel lopen en rennen lijkt ook in tegenspraak met het op het gezicht voortbewegen.

Als antwoord zeggen wij het volgende: Wanneer alle mensen op de Dag van de Mahshar uit hun graven opstaan, zal hun toestand niet gelijk zijn. De gezichtsuitdrukkingen, vormen, toestanden en gedragingen van de mensen zullen verschillen. Bovendien verschilt ook de behandeling en de situatie bij elke halte van de Mahshar.

Wanneer de mensen voor het eerst opstaan, zullen zij door angst worden overvallen, daarna zullen zij honger voelen, vervolgens zullen zij door het lange wachten zich machteloos voelen, smeken en huilen, en wanneer zij ter verantwoording worden geroepen, zal iedereen, of hij dat wil of niet, vertellen wat hij heeft gedaan.

Daarom zijn er in het Hiernamaals vijf verschillende haltes en niveaus:

Het opstaan uit het graf, dat wil zeggen de wederopstanding.In deze fase zullen de kāfirs volledig lichamelijk worden opgewekt enzij zullen elkaar herkennen.

وَيَوۡمَ يَحۡشُرُهُمۡ كَأَن لَّمۡ يَلۡبَثُوٓاْ إِلَّا سَاعَةٗ مِّنَ ٱلنَّهَارِ يَتَعَارَفُونَ بَيۡنَهُمۡۚ قَدۡ خَسِرَ ٱلَّذِينَ كَذَّبُواْ بِلِقَآءِ ٱللَّهِ وَمَا كَانُواْ مُهۡتَدِينَ ٤٥

En (gedenk) de Dag waarop Hij hen zal verzamelen, (dan zal het zijn) alsof zij slechts een uur of een dag (in het leven van deze wereld) zijn geweest. Zij kennen elkaar (op die Dag). Voorzeker, zij die de ontmoeting met Allāh ontkenden, zullen verlies lijden en zij waren geen rechtgeleiden. (Yūnus, 10:45)

يَتَخَٰفَتُونَ بَيۡنَهُمۡ إِن لَّبِثۡتُمۡ إِلَّا عَشۡرٗا ١٠٣

Op fluisterende wijze spreken zij elkaar aan: “Jullie hebben niet langer dan tien (dagen) doorgebracht (op aarde).” (Tāhā, 20: 103)

وَنُفِخَ فِي ٱلصُّورِ فَصَعِقَ مَن فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَمَن فِي ٱلۡأَرۡضِ إِلَّا مَن شَآءَ ٱللَّهُۖ ثُمَّ نُفِخَ فِيهِ أُخۡرَىٰ فَإِذَا هُمۡ قِيَامٞ يَنظُرُونَ ٦٨

En er zal op de bazuin geblazen worden, waarop alles wat in de hemelen en op aarde is zal bezwijken, behalve (voor) wie Allāh wil (dat deze blijft leven). Dan zal er een tweede maal geblazen worden en dan zullen zij staan en wachten. (Zumar, 39:68)

Het moment dat ze naar het Maḥshar-plein worden geleidOp deze plaats zullen allen volledig bij hun verstand zijn en hun lichaam intact.

۞ ٱحۡشُرُواْ ٱلَّذِينَ ظَلَمُواْ وَأَزۡوَٰجَهُمۡ وَمَا كَانُواْ يَعۡبُدُونَ ٢٢

(Tot de Engelen wordt gezegd:) “Verzamel degenen die zondigden en hun gelijken en wat zij plachten te aanbidden.

مِن دُونِ ٱللَّهِ فَٱهۡدُوهُمۡ إِلَىٰ صِرَٰطِ ٱلۡجَحِيمِ ٢٣

Naast Allāh. Leidt hen dan naar de weg van het laaiende Hellevuur.

وَقِفُوهُمۡۖ إِنَّهُم مَّسۡـُٔولُونَ ٢٤

Maar houdt hen tegen, waarlijk, zij moeten ondervraagd worden. (as-Sāffāt 37:22-24)

Deze āyāt wijzen erop dat (ook de zondaars en ongelovigen) tijdens het afrekenen bij volle bewustzijn en verstand zullen zijn.

Het moment dat ze ter verantwoording worden geroepenOok hier zullen allen gezond en bij bewustzijn zijn, want om ter verantwoording te worden geroepen moeten de ogen kunnen zien, de oren kunnen horen en de tongen kunnen spreken.

وَيَقُولُونَ يَٰوَيۡلَتَنَا مَالِ هَٰذَا ٱلۡكِتَٰبِ لَا يُغَادِرُ صَغِيرَةٗ وَلَا كَبِيرَةً

…Zij zullen zeggen: “Wee voor ons! Wat voor soort boek is dit, dat niets kleins of niets groots verzwijgt maar het zelfs berekend!”…(al-Kahf, 18:49)

Deze āyah wijst erop dat (ook) (de zondaren en kāfirs) tijdens de afrekening hun zintuigen en verstand intact zullen hebben.

Het moment dat ze naar de Hel worden overgebrachtOp dit punt zullen de kāfirs hun verstand verliezen, zullen hun gehoor en zicht niet functioneren en hun tong niet spreken.

وَنَحۡشُرُهُمۡ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ عَلَىٰ وُجُوهِهِمۡ عُمۡيٗا وَبُكۡمٗا وَصُمّٗاۖ مَّأۡوَىٰهُمۡ جَهَنَّمُۖ كُلَّمَا خَبَتۡ زِدۡنَٰهُمۡ سَعِيرٗا ٩٧

…En Wij zullen hen op Yawmu’l Qiyāmah verzamelen met hun blinde, stomme en dove gezichten. Hun verblijfplaats zal de Hel zijn en als het Hellevuur afneemt zullen Wij voor hen de felheid van het vuur doen toenemen. (al-Isrā, 17:97)

يُعۡرَفُ ٱلۡمُجۡرِمُونَ بِسِيمَٰهُمۡ فَيُؤۡخَذُ بِٱلنَّوَٰصِي وَٱلۡأَقۡدَامِ ٤١

De misdadigers zullen herkend worden aan hun kenmerken en zij zullen bij hun voorlokken en hun voeten gegrepen worden. (ar-Rahmān, 55:41)

Deze laatste āyah kan erop wijzen dat de kāfirs hun zicht en gehoor zullen verliezen of op hun gezicht worden gesleept. In de āyah staat immers dat zij aan hun uiterlijk te herkennen zullen zijn. Zo zal dus blijken wie de kāfirs zijn, aan hun gedrag en gezichtsuitdrukking.

Wat hen zal overkomen bij hun werping in de Hel en hun verblijf daarin

Deze fase verloopt in twee stappen:

a. Het moment dat ze de Hel zienWanneer zij het Maḥshar-plein verlaten en zich in de richting van de Hel begeven, zullen ze in de verte de stem en het woeste gebrul van de Hel horen.

Hun gezichtsen gehoorvermogen zal hen teruggegeven worden, zodat zij de straf van de Hel kunnen voelen.Op dat moment zullen hun verstand en bewustzijn terugkeren zodat zij begrijpen wat hen te wachten staat.[Het verlies van verstand of het als het ware dronken zijn van de bewoners van de Hel verhindert niet dat zij de bestraffing voelen. Wat hiermee bedoeld wordt, is dat zij hun geestelijke evenwicht verliezen, zich onsamenhangend gedragen en zichzelf te schande maken.] (opmerking van de Turkse vertaler)Dan zullen zij ook de engelen van de bestraffing zien.وَتَرَىٰهُمۡ يُعۡرَضُونَ عَلَيۡهَا خَٰشِعِينَ مِنَ ٱلذُّلِّ يَنظُرُونَ مِن طَرۡفٍ خَفِيّٖۗ

En jij zult zien als zij naar haar (de Hel) worden gebracht, vrezend voor de vernedering. Zij kijken met een heimelijke blik… (ash-Shûra, 42:45

وَلَوۡ تَرَىٰٓ إِذۡ وُقِفُواْ عَلَى ٱلنَّارِ فَقَالُواْ يَٰلَيۡتَنَا نُرَدُّ وَلَا نُكَذِّبَ بِـَٔايَٰتِ رَبِّنَا وَنَكُونَ مِنَ ٱلۡمُؤۡمِنِينَ ٢٧

Als jij maar kon zien, wanneer zij bij het Hellevuur worden gehouden! Zij zullen zeggen: “Werden wij maar teruggebracht! Dan zouden wij de Tekenen van onze Heer niet ontkennen en wij zouden tot de mu’mins behoren!” (al-An`ām, 6:27)

قَالَ ٱدۡخُلُواْ فِيٓ أُمَمٖ قَدۡ خَلَتۡ مِن قَبۡلِكُم مِّنَ ٱلۡجِنِّ وَٱلۡإِنسِ فِي ٱلنَّارِۖ كُلَّمَا دَخَلَتۡ أُمَّةٞ لَّعَنَتۡ أُخۡتَهَاۖ حَتَّىٰٓ إِذَا ٱدَّارَكُواْ فِيهَا جَمِيعٗا قَالَتۡ أُخۡرَىٰهُمۡ لِأُولَىٰهُمۡ رَبَّنَا هَٰٓؤُلَآءِ أَضَلُّونَا فَـَٔاتِهِمۡ عَذَابٗا ضِعۡفٗا مِّنَ ٱلنَّارِۖ قَالَ لِكُلّٖ ضِعۡفٞ وَلَٰكِن لَّا تَعۡلَمُونَ ٣٨

(Op Yawmu’l Qiyāmah) zegt (Allāh): “Treedt toe tot de volkeren van djinn en mensen die (reeds zijn heengegaan en) jullie zijn voorgegaan in de Hel.” Telkens wanneer een nieuw volk naar binnen gaat, vervloekt het zijn broedervolk (dat voor hen ging), tot zij allen tezamen in het Hellevuur zijn. De laatste van hen zal over de eerste zeggen: “Onze Heer! Deze heeft ons misleid, geef hem een dubbele bestraffing van het Hellevuur.” Hij zal zeggen: ”Voor ieder van jullie is er een dubbele (bestraffing), maar jullie weten het niet.” (al-A`rāf, 7:38)

وَقَالَتۡ أُولَىٰهُمۡ لِأُخۡرَىٰهُمۡ فَمَا كَانَ لَكُمۡ عَلَيۡنَا مِن فَضۡلٖ فَذُوقُواْ ٱلۡعَذَابَ بِمَا كُنتُمۡ تَكۡسِبُونَ ٣٩

De eerste van hen zal tegen de laatste van hen zeggen: “Jullie waren niet beter dan ons, proef dus de bestraffing die jullie verdienen.” (al-A`rāf, 7:39)

تَكَادُ تَمَيَّزُ مِنَ ٱلۡغَيۡظِۖ كُلَّمَآ أُلۡقِيَ فِيهَا فَوۡجٞ سَأَلَهُمۡ خَزَنَتُهَآ أَلَمۡ يَأۡتِكُمۡ نَذِيرٞ ٨

Zij barst bijna in woede uit. Iedere keer dat daar een groep in wordt geworpen, zal zijn bewaker vragen: “Is er geen waarschuwer tot jullie gekomen?” (al-Mulk, 67:8)

قَالُواْ بَلَىٰ قَدۡ جَآءَنَا نَذِيرٞ فَكَذَّبۡنَا وَقُلۡنَا مَا نَزَّلَ ٱللَّهُ مِن شَيۡءٍ إِنۡ أَنتُمۡ إِلَّا فِي ضَلَٰلٖ كَبِيرٖ ٩

Zij zullen zeggen: “Ja voorwaar, er is een waarschuwer tot ons gekomen maar wij hebben hem verloochend en zeiden: ‘Allāh heeft niets neergezonden, jullie verkeren slechts in grote dwaling.” (al-Mulk, 67:9)

b. Wanneer zij zich in de Hel bevinden Op dat moment zullen zij bij hun volle verstand zijn en hun zintuigen zullen volledig functioneren. Zo zullen zij de straf daadwerkelijk gewaarworden.

وَنَادَىٰٓ أَصۡحَٰبُ ٱلنَّارِ أَصۡحَٰبَ ٱلۡجَنَّةِ أَنۡ أَفِيضُواْ عَلَيۡنَا مِنَ ٱلۡمَآءِ أَوۡ مِمَّا رَزَقَكُمُ ٱللَّهُۚ قَالُوٓاْ إِنَّ ٱللَّهَ حَرَّمَهُمَا عَلَى ٱلۡكَٰفِرِينَ ٥٠

En de bewoners van het Hellevuur zullen tegen de bewoners van het Paradijs roepen: “Giet over ons wat water of iets waarmee Allāh jullie voorzien heeft.” Zij zullen zeggen “Beiden heeft Allāh voor de kāfirs verboden.” (al-A`rāf, 7:50)

Deze āyah wijst erop dat de bewoners van de Hel kunnen spreken.

وَنَادَىٰٓ أَصۡحَٰبُ ٱلۡجَنَّةِ أَصۡحَٰبَ ٱلنَّارِ أَن قَدۡ وَجَدۡنَا مَا وَعَدَنَا رَبُّنَا حَقّٗا فَهَلۡ وَجَدتُّم مَّا وَعَدَ رَبُّكُمۡ حَقّٗاۖ قَالُواْ نَعَمۡۚ فَأَذَّنَ مُؤَذِّنُۢ بَيۡنَهُمۡ أَن لَّعۡنَةُ ٱللَّهِ عَلَى ٱلظَّٰلِمِينَ ٤٤

En de bewoners van het Paradijs zullen tegen de bewoners van het Hellevuur roepen: “Wij hebben zeker ontdekt dat het waar is wat onze Heer ons beloofd heeft; hebben jullie ook ontdekt dat het waar is wat jullie Heer jullie beloofd heeft?” Zij zullen zeggen: “Ja” Dan zal een roeper tussen hen verklaren: “De vloek van Allāh is over de onrechtvaardigen.” (al-A`rāf, 7:50). In dit geval zullen de kāfirs in de Hel horen.

وَنَادَوۡاْ يَٰمَٰلِكُ لِيَقۡضِ عَلَيۡنَا رَبُّكَۖ قَالَ إِنَّكُم مَّٰكِثُونَ ٧٧

En zij (de bewoners van de Hel) zullen roepen: “O Mālik! (bewaker van de Hel) Laat jou Heer een einde aan ons maken.” Hij zal zeggen: “Waarlijk, jullie zullen hier voor altijd verblijven.” (az-Zuhruf, 43:77)

وَقَالَ ٱلَّذِينَ فِي ٱلنَّارِ لِخَزَنَةِ جَهَنَّمَ ٱدۡعُواْ رَبَّكُمۡ يُخَفِّفۡ عَنَّا يَوۡمٗا مِّنَ ٱلۡعَذَابِ ٤٩

En degenen in het Hellevuur zullen tegen de bewakers (Engelen) van de Hel zeggen: “Roep jullie Heer aan om de bestraffing voor een dag te verlichten!” (Ghāfir, 40:49)

Hieruit blijkt dat zowel het Paradijs als de Hel eeuwig zijn. Op die Dag wordt de dood, in de gedaante van een schaap, geslacht of geofferd op een plaats tussen het Paradijs en de Hel. Volgens een overlevering zelfs op de Sirāt. Daarna wordt tot de bewoners van het Paradijs gezegd: “Er is geen dood meer. Moge jullie vreugdevol zijn!” En tot de bewoners van de Hel zal gezegd worden: “Er is geen dood meer. Hieruit blijkt dat zowel het Paradijs als de Hel eeuwig zijn. Op die Dag wordt de dood, in de gedaante van een schaap, geslacht of geofferd op een plaats tussen het Paradijs en de Hel. Volgens een overlevering zelfs op de Sirāt. Daarna wordt tot de bewoners van het Paradijs gezegd: “Er is geen dood meer. Moge jullie vreugdevol zijn!” En tot de bewoners van de Hel zal gezegd worden: “Er is geen dood meer. Ook jullie zijn daar voor eeuwig.”

3.16: Het bijéénbrengen van de mensen naakt, onbesneden en ongeschoren

Van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stond op, hield ons een toespraak en zei: “O mensen! Jullie zullen voor Allāh worden samengebracht terwijl jullie naakt, onbesneden en ongeschoren zijn.”

يَوۡمَ نَطۡوِي ٱلسَّمَآءَ كَطَيِّ ٱلسِّجِلِّ لِلۡكُتُبِۚ كَمَا بَدَأۡنَآ أَوَّلَ خَلۡقٖ نُّعِيدُهُۥۚ وَعۡدًا عَلَيۡنَآۚ إِنَّا كُنَّا فَٰعِلِينَ ١٠٤

En (gedenk) de Dag wanneer Wij de hemelen zullen oprollen zoals een schrijver zijn geschriften oprolt; zoals Wij de eerste schepping begonnen, Wij zullen het herhalen (het is) een belofte die Ons bindt. Waarlijk, Wij zullen het doen. (al-Anbiyāʾ, 21:104)

Weet dat op Yawmu’l Qiyāmah de eerste die bedekt zal worden, Ibrāhīm (عليه السلام) is. Daarna zal een groep uit mijn ummah worden gebracht en aan de linkerkant worden geplaatst/zullen hun daden-boeken aan hun linkerhand worden gegeven. Ik zal dan zeggen: “O mijn Rab, ze behoren tot mijn ummah.” Maar (Allāhu Taʿālā) zal zeggen: “Jij weet niet wat zij na jou hebben gedaan.”

Daarop zal ik zeggen zoals de rechtschapen dienaar van Allāh (ʿĪsā (عليه السلام), heeft gezegd:

مَا قُلۡتُ لَهُمۡ إِلَّا مَآ أَمَرۡتَنِي بِهِۦٓ أَنِ ٱعۡبُدُواْ ٱللَّهَ رَبِّي وَرَبَّكُمۡۚ وَكُنتُ عَلَيۡهِمۡ شَهِيدٗا مَّا دُمۡتُ فِيهِمۡۖ فَلَمَّا تَوَفَّيۡتَنِي كُنتَ أَنتَ ٱلرَّقِيبَ عَلَيۡهِمۡۚ وَأَنتَ عَلَىٰ كُلِّ شَيۡءٖ شَهِيدٌ ١١٧

Ik heb hen niet anders gezegd, behalve wat U mij bevolen heeft te zeggen: “Aanbidt Allāh, mijn Heer en jullie Heer.” En ik was een getuige van hen, terwijl ik onder hen verbleef, maar toen U mij tot U nam, werd U de Waker over hen, en U bent Getuige van alle zaken. (al-Māʾidah, 5:117)

Dan zal Allāhu Taʿālā zeggen: “Vanaf het moment dat jij hen verliet, zijn er onder hen verdeeldheid en afvalligen van hun dīn geweest.” (Ṣaḥīḥ Muslim, 17/194; Aḥmad ibn Ḥanbal, 1/253)

Van Muʿāwiyah ibn Ḥaydah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wees met zijn hand in de richting van Shām en zei: “Vanaf hier tot daar zullen jullie zo worden bijeengebracht. Sommigen van jullie zullen te paard zijn, anderen te voet. Sommigen zullen op hun gezicht of ondersteboven voortkruipen. Op die Dag zal in ieders mond een gloeiende kool of een toom zijn, (dat wil zeggen: niemand zal zonder toestemming spreken). Op die Dag zullen de mensen in meer dan zeventig verschillende groepen worden samengebracht. De besten onder hen en degenen die het beste behandeld zullen worden, zullen jullie zijn. Op Yawmu’l Qiyāmah zal het eerste lichaamsdeel van de mens dat zal spreken, zijn knie zijn.” (Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, 11/377)

In een overlevering van Ibn Abī Shaybah wordt gezegd: “Op Yawmu’l Qiyāmah zullen eerst de knie en de handpalm van de mens spreken.”

De ʿulamāʾ hebben de wijsheid achter het feit dat Ibrāhīm (عليه السلام) op Yawmu’l Qiyāmah als eerste bekleed zal worden, als volgt uitgelegd:

Volgens de aḥādīth was Ibrāhīm (عليه السلام) degene die het meeste taqwā (het meest Allāh vreesde).

Vóór hem en na hem is er niemand gekomen die meer taqwā had dan hij.

Opdat zijn hart tot rust zou komen (mutmaʿīn), zal hem deze eer worden verleend en zal hij worden bevrijd van de vernedering van naaktheid doordat hij gekleed wordt.Volgens een andere opvatting ligt de reden hierin dat Ibrāhīm (عليه السلام) de eerste was die het dragen van een bovenkleed tijdens de ṣalāh tot een gewoonte maakte. Uit eerbied om voor Allāh te staan en om volledige bedekking te waarborgen, nam hij extra kleding wanneer hij de ṣalāh verrichtte. Tevens zorgde hij ervoor dat de plaats van de ṣalāh schoon was en ging hij daar zorgvuldig mee om.Volgens een derde opvatting werd de kleding van Ibrāhīm (عليه السلام) uitgetrokken toen hij in het vuur werd geworpen. Hij toonde echter geduld en stelde volledig zijn vertrouwen in Allāh. Als beloning daarvoor zal hij op Yawmu’l Qiyāmah niet naakt zijn.Op Yawmu’l Qiyāmah zal degene die na hem als tweede met een bedekking zal worden omhuld op het Maḥshar-plein, is Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).

Ieder mens zal op die Dag meer dan genoeg (om handen) hebben.” (ʿAbasa (80:37)

Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen:“De mensen zullen op Yawmu’l Qiyāmah naakt en onbesneden worden bijeengebracht.” (Ṣaḥīḥ Muslim, deel 17, p. 193)Ik zei: “O Rasûlullāh! Zullen vrouwen en mannen dan bij elkaar zijn? Zal niemand naar elkaar kijken?”Hij zei: “O ʿĀʾishah! De toestand waarin zij zich die Dag bevinden, zal zo ernstig zijn dat zij niet eens naar elkaar zullen kunnen kijken.” (Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, deel 11, p. 377)

لِكُلِّ ٱمۡرِيٕٖ مِّنۡهُمۡ يَوۡمَئِذٖ شَأۡنٞ يُغۡنِيهِ ٣٧

Ieder mens zal op die Dag meer dan genoeg (om handen) hebben.” (ʿAbasa (80:37)

Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De mensen zullen op Yawmu’l Qiyāmah naakt en onbesneden worden bijeengebracht.” (Ṣaḥīḥ Muslim, deel 17, p. 193)

Een vrouw vroeg: “Zullen wij naar elkaar kijken?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “O vrouw! Op die Dag zal ieder mens iets hebben dat hem volledig bezighoudt.” (Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, deel 11, p. 377)

Uit deze en de eerdere aḥādīth begrijpen wij dat de mensen op Yawmu’l Qiyāmah , zoals zij door hun moeders zijn gebaard, naakt en onbesneden naar het Maḥshar-plein zullen worden samengebracht. Onze ʿulamāʾ hebben de aḥādīth op deze manier verklaard.

Er bestaat echter nog een andere ḥādīth. Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه), toen zijn dood naderde, vroeg hij om een nieuw kledingstuk en trok dit aan. Vervolgens overleverde hij de volgende ḥadīth: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De dode zal worden opgewekt in het kledingstuk waarin hij is begraven.” (Abû Dāwûd, 3098.)

Abū ʿUmar ibn ʿAbd al-Bar zegt hierover: Deze aḥādīth kunnen als volgt worden uitgelegd. De ʿulamāʾ staan hoger in rang dan de martelaren. In dat geval zullen ook zij met hun kleding worden bijeengebracht.

Zoals de martelaar niet wordt gewassen en niet in een lijkwade wordt gewikkeld, maar met zijn bebloede kleding wordt begraven, omdat hij in het Hiernamaals in die toestand zal worden opgewekt, zo geldt dit ook voor de ʿulamāʾ.

Wat echter doorslaggevend blijft, zijn de aḥādīth van Ibn ʿAbbās en ʿĀʾishah (رضي الله عنهم). Het is mogelijk dat Abū Saʿīd (رضي الله عنه) de ḥadīth over de martelaar heeft gehoord en heeft gedacht dat deze op alle mensen van toepassing was.

Volgens ons komt de mening van de meeste geleerden overeen met de aḥādīth van ʿĀʾishah (رضي الله عنها) en `Abdullah (رضي الله عنه). In de āyāt staat namelijk:

وَلَقَدۡ جِئۡتُمُونَا فُرَٰدَىٰ كَمَا خَلَقۡنَٰكُمۡ

En waarlijk, jullie komen één voor één tot Ons, zoals Wij jullie de eerste keer hebben geschapen. … (al-An`ām, 6:94)

كَمَا بَدَأَكُمۡ تَعُودُونَ ٢٩… Zoals Hij jullie de eerste keer heeft geschapen, zo zullen jullie terugkeren. (al-A`rāf, 7:29)

De reden hiervoor is dat de kleding een wereldse zaak is en in de wereld blijft; in het Hiernamaals hebben wereldse bezittingen geen waarde.

Abû Hamdi al-Ghazālī geeft in zijn boek Kashfu ʿUlūmi’l-Ākhirah de voorkeur aan de hadīth overgeleverd door Abû Sa`īd al-Khudrî: “Maak de lijkwade van jullie doden mooi. Want mijn ummah zal met hun eigen lijkwade worden opgewekt, terwijl andere ummah’s naakt zullen worden opgewekt.” Ook Abû Sufyān vermeldt deze hadīth.

De auteur (al-Qurtubî) merkt op: wij handelen niet volgens deze hadīth, Omdat we geen betrouwbare informatie hebben over de juistheid ervan. Bovendien wijzen de meeste aḥādīth en āyāt erop dat de doden naakt zullen worden opgewekt.

Als deze hadīth correct is, geldt dit waarschijnlijk alleen voor martelaren. Er is dus geen echte twijfel of tegenstrijdigheid in deze kwestie.

[De hadīth kan ook als volgt worden begrepen: met uitzondering van de martelaren zullen de overige doden naakt worden opgewekt, maar daarna zullen hun lijkwaden hen worden gegeven. De eerste fase van de Mahshar is immers het opstaan uit het graf, maar daarna volgen nog vier andere fasen. Er is geen mening die stelt dat men gedurende al deze fasen naakt blijft.] (opmerking van de Turkse vertaler)

3.18: De Opstanding van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) samen met Abū Bakr en ‘Umar (رضي الله عنهما)

Van `Abdullāh ibn ‘Umar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah zal ik samen met Abū Bakr en ‘Umar worden opgewekt. Daarna zal ik tussen Makkah en Madīnah staan, en de mensen van Makkah en Madīnah zullen tot mij komen.”

Deze hadīth is zeldzaam (gharīb), aangezien `Abdullah ibn Ibrāhīm heeft geen ḥadīth overgeleverd behalve van Imām Mālik.

3.18: Surahs die men moet lezen om Yawmu’l Qiyāmah te zien en de namen van de Qiyāmah

Van `Abdullāh ibn ‘Umar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie Yawmu’l Qiyāmah met eigen ogen wil zien, laat hem dan de volgende surahs reciteren: ‘Idza’sh-Shamsu Kuwwirat’ (surah at-Taqwīr), ‘Idza’s-sama’un Fatarat’ (surah al-Infitār) en ‘Idza’s-sama’un Shaqqat’ (surah al-Inshiqāq).” (Ahmad b. Hanbal, 2/27; at-Tirmiḏī , 3333. Volgens at-Tirmiḏī is deze hadīth aan de ene kant ḥasan, aan de andere kant ṣaḥīḥ)

Toelichting:Ik zeg: Deze drie surahs zijn gewijd aan Yawmu’l Qiyāmah. Ze beschrijven hoe de hemel zal openscheuren/splijten, de zon zal worden omhuld, de sterren zullen doven en de planeten zullen uiteenvallen. Vervolgens zullen alle schepselen worden opgewekt, op het Maḥshar-plein bijeenkomen, hun rekening wordt opgemaakt en hun daden (a‘māl)-registers worden uitgereikt; daarna zullen enkelen naar paleizen gaan en anderen naar kerkers. In shā’a Allāh zal de verdere uitleg later volgen. Allāh zegt:

إِذَا ٱلسَّمَآءُ ٱنشَقَّتۡ ١ Wanneer de hemel verscheurd wordt. (al-Inshiqāq, 1)

إِذَا ٱلسَّمَآءُ ٱنفَطَرَتۡ ١ Wanneer de hemel gespleten wordt. (al-Infitār, 1)

وَيَوۡمَ تَشَقَّقُ ٱلسَّمَآءُ بِٱلۡغَمَٰمِ وَنُزِّلَ ٱلۡمَلَٰٓئِكَةُ تَنزِيلًا ٢٥

En (gedenk) de Dag waarop de hemel met de wolken uiteen zal splijten en de Engelen neerdalen. (al-Furqān, 25) Jij zult hem verscheurd aanschouwen.

وَفُتِحَتِ ٱلسَّمَآءُ فَكَانَتۡ أَبۡوَٰبٗا ١٩ En de hemel zal worden geopend en zij heeft vele poorten. (an-Naba, 78:18)

Deze āyah wordt als volgt uitgelegd, wanneer het uur van de Qiyāmah nadert, de structuur van alle wateren op aarde, inclusief zeeën en rivieren, zal worden verstoord en zullen beginnen te branden. Daarna zal de hemel plotseling geelachtig worden; vervolgens zal hij bloedrood worden.

Daarna zal de hemel verscheurd worden; alle hemellichamen zullen uiteenvallen en neerstorten.

Ibn ‘Abbās (رضي الله عنهما) legt إِذَا ٱلشَّمۡسُ كُوِّرَتۡ ١ Wanneer de zon wordt omhuld (at-Takwīr, 81:1) als volgt uit: de zon zal op die dag worden opgerold en in ‘Arsh opgaan, en haar licht zal doven. Qatādah, al-Hasan al-Basrī, Mujāhid en Abū ‘Ubaidah verklaren dat de zon als een tulband zal worden opgerold. Dit is ook de mening van Ibn ‘Abbās. Volgens Rabi’ zal de zon eerst worden gekruld en daarna uit de hemel vallen.

Wat betreft het وَإِذَا ٱلنُّجُومُ ٱنكَدَرَتۡ ٢ En wanneer de sterren vallen (at-Takwīr, 81:2): de sterren zullen van hun plaats schuiven en uiteenvallen. De reden hiervan is de volgende: op Yawmu’l Qiyāmah zullen ook de engelen met een opdracht sterven, waardoor de natuurlijke orde zal worden verstoord. Omdat de engelen die de sterren beschermen zullen sterven, zullen de sterren ook uit elkaar vallen. Volgens de overleveringen hangen de sterren tussen de hemel en de aarde door de engelen.

وَإِذَا ٱلۡجِبَالُ سُيِّرَتۡ ٣ En wanneer de bergen verdwijnen. (at-Takwīr, 81:3) وَيَوۡمَ نُسَيِّرُ ٱلۡجِبَالَ وَتَرَى ٱلۡأَرۡضَ بَارِزَةٗ وَحَشَرۡنَٰهُمۡ فَلَمۡ نُغَادِرۡ مِنۡهُمۡ أَحَدٗا ٤٧

En (gedenk) de Dag waarop Wij de bergen zullen verzetten en jullie de aarde zullen zien als een opgeheven vlakte. Wij zullen hen allen verzamelen en niet één van hen achterlaten. (al-Kahf, 18:47)Met andere woorden: De stenen en aarde waaruit bergen bestaan, vallen uiteen.

Bergen vloeien weg en verstrooien zich als meel. Vervolgens veranderen alle bergen in een wolk, daarna in een nevel, en verdwijnen zo volledig.

وَإِذَا ٱلۡعِشَارُ عُطِّلَتۡ ٤ En wanneer de drachtige kamelen achtergelaten worden. (at-Takwīr, 81:4) met andere woorden: Vanwege de verschrikking van dat moment zullen zelfs de rijken zich niet meer bekommeren om hun kostbaarste bezittingen. Op die dag zal ieder zijn eigen zorgen hebben. Het Arabische woord `ishār verwijst naar een kameel die tien kalveren heeft gebaard, wat voor de Arabieren van grote waarde is. Juist op dat moment zal de mens, die zelfs zijn fundamentele drang om bezittingen te hebben verliest, vol angst en onrust verward wachten op wat hem overkomt. De mens die het gevoel van eigenaarschap kwijtraakt, zal zijn andere lusten en begeerten, zijn hebzucht, familieleden en vrienden vergeten. Op die dag blijft er onder de mensen geen enkele familieband bestaan. Bij het uitbreken van de Qiyāmah zal voor de mens enkel het gevoel van “dienaarschap” overblijven.

وَإِذَا ٱلۡوُحُوشُ حُشِرَتۡ ٥ En wanneer de wilde dieren verzameld worden. (at-Takwīr, 81:5)

door de schrik van het uitbreken van de Qiyāmah zullen ook de wilde dieren bang zijn en hun aanvallende instincten verliezen; zij zullen elkaar niet aanvallen.

وَإِذَا ٱلۡبِحَارُ سُجِّرَتۡ ٦ En wanneer de zeeën tot koken gebracht worden (at-Takwīr, 81:6): zelfs het water zal branden; de zeeën zullen veranderen in lava.

وَإِذَا ٱلنُّفُوسُ زُوِّجَتۡ ٧ En wanneer de zielen (echtgenoten) verenigd worden (at-Takwīr, 81:7): Hasan al-Basrī verklaart deze āyah aldus: op die dag zal een jood bij een jood, een christen bij een christen, en een majusī bij een majusī worden gebracht. Wie iets anders dan Allāh aanbidt, zal op die dag samen worden opgewekt. De mu’mins worden bij de anbiyā’ en andere mu’mins gebracht. De hypocrieten (munāfiqs) bij de hypocrieten, en degenen die de shayṭān volgen bij de shayṭān.

وَإِذَا ٱلۡمَوۡءُۥدَةُ سُئِلَتۡ ٨ En wanneer het levend begraven meisje (zoals in de pre-islamitische tijd gebeurde) ondervraagd wordt.

بِأَيِّ ذَنۢبٖ قُتِلَتۡ ٩ Voor welke zonde zij gedood werd (at-Takwīr, 81:8,9)Er zijn verschillende wijsheden waarom deze situatie in de āyāt wordt genoemd: ten eerste beweerden de mushriks dat engelen dochters van Allāh waren; daarom zal aan de dochters van mushriks over hun beweringen worden gevraagd. Ten tweede zijn de kinderen onschuldig en zondeloos. Dat ook zij ter verantwoording zullen worden geroepen, toont aan dat niemand aan het oordeel kan ontsnappen.

وَإِذَا ٱلصُّحُفُ نُشِرَتۡ ١٠ En wanneer de bladen opengeslagen worden (at-Takwīr, 81:10): Wanneer het oordeel is voltrokken en de daden-boeken worden uitgedeeld.

وَإِذَا ٱلسَّمَآءُ كُشِطَتۡ ١١ En wanneer de hemel afgestroopt wordt (at-Takwīr, 81:11). Met andere woorden:

يَوۡمَ نَطۡوِي ٱلسَّمَآءَ كَطَيِّ ٱلسِّجِلِّ لِلۡكُتُبِۚ En (gedenk) de Dag wanneer Wij de hemelen zullen oprollen zoals een schrijver zijn geschriften oprolt… (al-anbiyā’, 21:104)

وَبُرِّزَتِ ٱلۡجَحِيمُ لِلۡغَاوِينَ ٩١ En het (Helle)vuur zal in het volle aangezicht van de zondaren geplaatst worden. (Shuarā, 26:91).

Uit deze āyah begrijpen we dat het Paradijs reeds is geschapen. Evenzo bestaat de Hel nu ook. Op de Dag van de Mahshar zullen het Paradijs en de Hel door de engelen met een opdracht worden gebracht naar een plek waar iedereen ze kan zien.

Een andere bekende naam voor de Qiyāmah is “ het Uur” (as-Sā`ah). Allāh zegt

يَسۡـَٔلُونَكَ عَنِ ٱلسَّاعَةِ أَيَّانَ مُرۡسَىٰهَاۖ قُلۡ إِنَّمَا عِلۡمُهَا عِندَ رَبِّيۖ

Zij vragen jou (O Mohammed) over het Uur: “Wanneer zal de aangewezen tijd zijn?” Zeg: “De kennis daarvan is (alleen) bij mijn Heer… (al-A`rāf, 7:187)

Andere namen van zijn de Qiyāmah:

Yawm ad-Dīn: مَٰلِكِ يَوۡمِ ٱلدِّينِ ٤

De Heerser op Yawmu’l Qiyāmah . (Fatiha, 1:3)

Yawm al-Ḥisāb: هَٰذَا مَا تُوعَدُونَ لِيَوۡمِ ٱلۡحِسَابِ ٥٣ Dit is wat jullie beloofd is op de Dag van de Afrekening! (Sad, 38:53.)

Al-Yawm al-‘Aẓīm: فَٱخۡتَلَفَ ٱلۡأَحۡزَابُ مِنۢ بَيۡنِهِمۡۖ فَوَيۡلٞ لِّلَّذِينَ كَفَرُواْ مِن مَّشۡهَدِ يَوۡمٍ عَظِيمٍ ٣٧

Toen verschilden de sekten van mening, dus wee de kāfirs bij hun aanwezigheid op de Grote Dag. (Maryam, 19:37.)

Yawm al-Jam‘ (Dag van het Vergaren): يَوۡمَ يَجۡمَعُكُمۡ لِيَوۡمِ ٱلۡجَمۡعِۖ (Gedenk) de Dag wanneer Hij jullie (allen) bijeen zal brengen (Taghabun, 64:9.)

“De Dag van Benauwdheid”: فَأَقِمۡ وَجۡهَكَ لِلدِّينِ ٱلۡقَيِّمِ مِن قَبۡلِ أَن يَأۡتِيَ يَوۡمٞ لَّا مَرَدَّ لَهُۥ مِنَ ٱللَّهِۖ يَوۡمَئِذٖ يَصَّدَّعُونَ ٤٣

Keer je gezicht dus naar de goede en juiste godsdienst, want er komt van Allāh een Dag die niemand kan ontwijken. En op die Dag zal de mens verdeeld worden. (Rum, 30:43)

“Dag wanneer ieder persoon voor zichzelf zal pleiten”:

۞ يَوۡمَ تَأۡتِي كُلُّ نَفۡسٖ تُجَٰدِلُ عَن نَّفۡسِهَا وَتُوَفَّىٰ كُلُّ نَفۡسٖ مَّا عَمِلَتۡ وَهُمۡ لَا يُظۡلَمُونَ ١١١

(Gedenk) de Dag wanneer ieder persoon voor zichzelf zal pleiten, en iedereen volledig beloond word voor wat hij gedaan heeft en zij zullen niet onrechtvaardig behandeld worden.

(Nahl, 16:111)

“Dag van de aarde”: يَوۡمَ تُبَدَّلُ ٱلۡأَرۡضُ غَيۡرَ ٱلۡأَرۡضِ وَٱلسَّمَٰوَٰتُۖ وَبَرَزُواْ لِلَّهِ ٱلۡوَٰحِدِ ٱلۡقَهَّارِ ٤٨

Op de Dag dat de aarde in een andere aarde zal veranderen en de hemelen ook. En de mensen zullen voor Allāh verschijnen, de Ene, de Onweerstaanbare. (İbrahim, 14:48)

“De Moeilijke Dag” مُّهۡطِعِينَ إِلَى ٱلدَّاعِۖ يَقُولُ ٱلۡكَٰفِرُونَ هَٰذَا يَوۡمٌ عَسِرٞ ٨

Zich tot de oproeper haastend. De kāfirs zullen zeggen: “Dit is een moeilijke dag.”

(Qamar, 54:8)

“De Dag waarop de ogen naar de verschrikking zullen staren.”

“وَلَا تَحۡسَبَنَّ ٱللَّهَ غَٰفِلًا عَمَّا يَعۡمَلُ ٱلظَّٰلِمُونَۚ إِنَّمَا يُؤَخِّرُهُمۡ لِيَوۡمٖ تَشۡخَصُ فِيهِ ٱلۡأَبۡصَٰرُ ٤٢

Denk niet (O Mohammed) dat Allāh achteloos tegenover wat de onrechtvaardigen doen. Maar Hij geeft hen slechts uitstel tot de Dag waarop de ogen naar de verschrikking zullen staren. (İbrahim, 14:42)

“De Dag van Hulpeloosheid”: يَوۡمَ لَا يَنفَعُ ٱلظَّٰلِمِينَ مَعۡذِرَتُهُمۡۖ وَلَهُمُ ٱللَّعۡنَةُ وَلَهُمۡ سُوٓءُ ٱلدَّارِ ٥٢

Op die Dag baat de verontschuldiging van de onrechtplegers hun niet. Voor hen zal er de vervloeking zijn en voor hen zal er een kwade verblijfplaats zijn.

(Ghafir, 40:52.)

“De Dag van Stilte” هَٰذَا يَوۡمُ لَا يَنطِقُونَ ٣٥

Dit is een Dag waaop zij niet spreken. (Mursalāt, 77:35)

“De Dag van Tussenkomst (Shafā‘ah)” يَعۡلَمُ مَا بَيۡنَ أَيۡدِيهِمۡ وَمَا خَلۡفَهُمۡ وَلَا يَشۡفَعُونَ إِلَّا لِمَنِ ٱرۡتَضَىٰ وَهُم مِّنۡ خَشۡيَتِهِۦ مُشۡفِقُونَ ٢٨

Hij weet wat vóór hen is en wat achter hen is en zij kunnen niet bemiddelen voor Hem behalve met degene waar Hij tevreden mee is. En zij hebben ontzag en vrees voor Hem.

(Anbiya, 21:28)

“De Dag van Vlucht”: يَوۡمَ يَفِرُّ ٱلۡمَرۡءُ مِنۡ أَخِيهِ ٣٤

Op die Dag vlucht de mens van zijn broeder. (Abasa, 34-36.)

Yawmu’l-Ba`th: وَقَالَ ٱلَّذِينَ أُوتُواْ ٱلۡعِلۡمَ وَٱلۡإِيمَٰنَ لَقَدۡ لَبِثۡتُمۡ فِي كِتَٰبِ ٱللَّهِ إِلَىٰ يَوۡمِ ٱلۡبَعۡثِۖ فَهَٰذَا يَوۡمُ ٱلۡبَعۡثِ وَلَٰكِنَّكُمۡ كُنتُمۡ لَا تَعۡلَمُونَ ٥٦

En degenen die kennis en geloof is gegeven zullen zeggen: “Voorwaar, jullie zijn volgens het Besluit van Allāh gebleven tot Yawmu’l Qiyāmah, maar jullie wisten het niet.” (Rûm 30:56)

Yawmu’l-Qiyāmah: وَيَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ تَرَى ٱلَّذِينَ كَذَبُواْ عَلَى ٱللَّهِ وُجُوهُهُم مُّسۡوَدَّةٌۚ أَلَيۡسَ فِي جَهَنَّمَ مَثۡوٗى لِّلۡمُتَكَبِّرِينَ ٦٠

En op Yawmu’l Qiyāmah zal jij degenen zien die over Allāh gelogen hebben, hun gezichten zullen zwart zijn. Is er in de Hel geen verblijfplaats voor de hoogmoedigen?

(Zumar, 39:60)

Yawmu’l-Hisab: وَقَالَ مُوسَىٰٓ إِنِّي عُذۡتُ بِرَبِّي وَرَبِّكُم مِّن كُلِّ مُتَكَبِّرٖ لَّا يُؤۡمِنُ بِيَوۡمِ ٱلۡحِسَابِ ٢٧

Mozes zei: “Waarlijk, ik zoek toevlucht bij mijn Heer en bij jullie Heer tegen alle arrogante mensen die niet in de Dag van de Vergelding geloven.” (Mu’min, 40:27)

Yawmu’l-Fath: قُلۡ يَوۡمَ ٱلۡفَتۡحِ لَا يَنفَعُ ٱلَّذِينَ كَفَرُوٓاْ إِيمَٰنُهُمۡ وَلَا هُمۡ يُنظَرُونَ ٢٩

Zeg: “Op de Dag van het Besluit zal het geloof van degenen die ongelovig zijn niet meer baten, noch zal hen uitstel verleend worden.” (Sajdah, 32:29)

Yawmu’t-Talāq: رَفِيعُ ٱلدَّرَجَٰتِ ذُو ٱلۡعَرۡشِ يُلۡقِي ٱلرُّوحَ مِنۡ أَمۡرِهِۦ عَلَىٰ مَن يَشَآءُ مِنۡ عِبَادِهِۦ لِيُنذِرَ يَوۡمَ ٱلتَّلَاقِ ١٥

Verheven boven alle graden is de Heer van de Troon. Hij stuurt de Openbaring op Zijn bevel aan welke dienaar Hij wil, opdat hij de (mensen) kan waarschuwen voor de Dag van de Ontmoeting. (Mu’min, 40:15)

Yawmu’l-Jam` en Yawmu’t-Taghâbun: يَوۡمَ يَجۡمَعُكُمۡ لِيَوۡمِ ٱلۡجَمۡعِۖ ذَٰلِكَ يَوۡمُ ٱلتَّغَابُنِۗ وَمَن يُؤۡمِنۢ بِٱللَّهِ وَيَعۡمَلۡ صَٰلِحٗا يُكَفِّرۡ عَنۡهُ سَيِّـَٔاتِهِۦ وَيُدۡخِلۡهُ جَنَّٰتٖ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهَا ٱلۡأَنۡهَٰرُ خَٰلِدِينَ فِيهَآ أَبَدٗاۚ ذَٰلِكَ ٱلۡفَوۡزُ ٱلۡعَظِيمُ ٩

(Gedenk) de Dag wanneer Hij jullie (allen) bijeen zal brengen voor de Dag van de verzameling dat zal de Dag van wederzijds verlies en winst zijn. En wie dan in Allāh gelooft en goede daden verricht: Hij (Allāh) zal zijn zonden vergeven en Hij zal hem naar de Tuinen verwijzen waar rivieren onderdoor stromen om daarin voor altijd te verblijven, dat zal een groot succes zijn. (Taghâbun, 64:9)

Yawmu’l-Khulûd: ٱدۡخُلُوهَا بِسَلَٰمٖۖ ذَٰلِكَ يَوۡمُ ٱلۡخُلُودِ ٣٤

Ga daar in vrede en veiligheid binnen; dit is de Dag van de eeuwigheid.” (Qâf, 50:34)

Yawmu’l-Hasrah: وَأَنذِرۡهُمۡ يَوۡمَ ٱلۡحَسۡرَةِ إِذۡ قُضِيَ ٱلۡأَمۡرُ وَهُمۡ فِي غَفۡلَةٖ وَهُمۡ لَا يُؤۡمِنُونَ ٣٩

En waarschuw hen voor de Dag van droefheid en spijt, als over hun zaak besloten wordt, zij zijn (nu) achteloos en zij geloven niet. (Maryam, 19:39)

Yawmu’l-Khurûj: يَوۡمَ يَسۡمَعُونَ ٱلصَّيۡحَةَ بِٱلۡحَقِّۚ ذَٰلِكَ يَوۡمُ ٱلۡخُرُوجِ ٤٢

Op die Dag zullen zij het blazen (op de bazuin) in werkelijkheid horen. Dat is de Dag van de Opwekking. (Qâf, 50:42)

Yawmu’t-Tanâd: وَيَٰقَوۡمِ إِنِّيٓ أَخَافُ عَلَيۡكُمۡ يَوۡمَ ٱلتَّنَادِ ٣٢

(Hij zei:) “O mijn volk! Waarlijk! Ik vrees voor jullie voor de Dag van het wederzijdse geroep (om hulp). (Mu’min, 50:32)

3.19: ʿArḍ-dagEen andere naam voor Yawmu’l Qiyāmah is de ʿArḍ-dag.

يَوۡمَئِذٖ تُعۡرَضُونَ لَا تَخۡفَىٰ مِنكُمۡ خَافِيَةٞ ١٨Op die Dag zullen jullie tot het oordeel gebracht worden, geen van jullie geheimen zullen verborgen blijven. (al Hāqqah, 69:18)

وَعُرِضُواْ عَلَىٰ رَبِّكَ صَفّٗاEn zij zullen voor jullie Heer in rijen neer worden gezet… (al Kahf, 18:48)

De werkelijkheid van ʿArḍ is het waarnemen van iets met de zintuigen. Hier zijn twee betekenissen: de eerste is dat iemand voor Allāh wordt gebracht, de tweede is dat alles wat de mensen gedaan hebben aan hen gepresenteerd wordt.

Alle mensen zullen op dat moment in een tijdsduur waarin één enkele dag gelijk is aan 50.000 (aardse)jaren wachten. Hoe lang er precies gewacht wordt, weten wij niet; alleen Allāh weet dat. Zoals eerder in sommige ahadīth is vermeld, zullen de mensen in die wachttijd veel lijden ervaren. Uiteindelijk zullen de mensen shafā‘ah (voorspraak) vragen zodat Allāh hen eerder rekenschap doet afleggen.

Volgens (Abû Bakr) Ibn al-‘Arabî zullen de mensen op die dag op negen verschillende plaatsen voor Allāh verschijnen en om shafā‘ah vragen:

1.De meest authentieke overlevering over dit onderwerp komt van Abû Hurayrah en Abû Sa`îd al-Khudrî (رضي الله عنهما). Volgens deze overlevering kwamen sommigen naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en vroegen: “Zullen we onze Rab kunnen zien op Yawmu’l Qiyāmah?”Hij antwoordde: “Kun je op een heldere dag naar de zon kijken? Of kunnen jullie, wanneer jullie op een wolkeloze nacht naar de maan kijken, precies begrijpen hoe zij eruitziet?De aanwezigen antwoordden: “Nee.”Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Zo zullen jullie op Yawmu’l Qiyāmah geen moeite hebben om Allāhu Ta‘ālā te zien. Vervolgens zal een stem klinken: ‘Laat iedereen zich verzamelen bij datgene wat hij in de wereld als leidraad nam.”

Degenen die afgoden aanbaden behalve Allāh en degenen die ze buiten Allāh volgden, verzamelen zich bij hun afgoden. Daarna worden zij allen in de Hel geworpen. Er blijven slechts de mu’mins en ook al zijn (sommigen) zondaars, en de Ahl al-Kitāb (joden en christenen) over.

Allāhu Ta‘ālā vraagt eerst de joden: “Waarin hadden jullie geloofd?” Zij antwoorden: “Wij geloofden in ‘Uzayr. Wij beschouwden hem als de zoon van Allāh.”Daarop zegt Allāhu Ta‘ālā: “Jullie hebben gelogen en verraad gepleegd. Allāh heeft geen zoon. Wat was jullie bedoeling dan?”De joden smeken: “O Rab, wij zijn zeer dorstig, schenkt ons water!” Maar niemand antwoordt hen. Vervolgens wordt hen de Hel getoond en er wordt geroepen: “Zijn jullie er nog steeds?” Dan verdwijnen zij plotseling als stof of wolk en worden in de Hel geworpen.

Daarna beveelt Allāhu Ta‘ālā dat de christenen worden gebracht. Aan hen wordt dezelfde vraag gesteld. Zij antwoorden: “Wij beschouwden ‘Îsā ook als godheid en geloofden dat hij Uw zoon is.”Allāhu Ta‘ālā zegt ook tegen hen: “Jullie hebben gelogen en verraad gepleegd. Allāh heeft geen zoon.” Zij zeggen dat zij zeer dorstig zijn en vragen om water. Vervolgens wordt hen de Hel getoond en er wordt gezegd: “Komt jullie nu?”Plotseling worden ook zij allen verzameld en in de Hel geworpen. Zo blijven alleen de mu’mins over, inclusief de zondige mu’mins.

Daarna verschijnt Allāhu Ta‘ālā aan de mu’mins in een vorm die zij nog nooit eerder hebben gezien. Op dat moment is Allāh zo dichtbij hen! Vervolgens vraagt Allāhu Ta‘ālā aan de mu’mins: Wat vinden jullie ervan dat iedereen in deze wereld vergezeld wordt door datgene waar hij als leidraad nam?

De mu’mins antwoorden: “O Rab! Wij weten het niet. Wij waren nooit bij hen. Zij waren sterker dan wij in deze wereld, en wij hadden hen nodig, maar toch hebben wij hen niet gevolgd en geen vriendschap met hen gesloten.”

Daarop zegt Allāhu Ta‘ālā: “Ik ben jullie Rab.”De mu’mins zeggen: “Wij zoeken onze toevlucht bij Allāh voor jou. Wij kennen aan Allāh geen deelgenoot toe.” Zij herhalen dit twee of drie keer. Soms vallen zij bijna in twijfel en dreigen zij hun geloof te verlaten.

Allāh Jalla wa Jalālahu vraagt: “Hoe zullen jullie jullie Rab herkennen?

Is er een teken of wachtwoord tussen jullie en Hem?”Hierop knielen alle mu’mins in sujūd (ter aarde werping), behalve de munāfiqs. Allāh schenkt hun niet de mogelijkheid om sujūd te verrichten. De munāfiqs willen ook in sujūd, maar zij vallen op hun hoofd.

Wanneer de mu’mins hun hoofden uit de sujūd heffen, zien zij Allāhu Ta‘ālā opnieuw op een manier die zij nog nooit eerder hebben gezien. Allāhu Ta‘ālā zegt opnieuw: “Ik ben jullie Rab.”De mu’mins antwoorden: “Ja, wij geloven, (dat) U onze Rab bent.”

Daarna wordt er een brug (as-Sirāt) over de Hel gespannen. De mu’mins vragen om shafā‘ah (voorspraak). De mu’mins die shafā‘ah verrichten, verrichten du`ā’: “O Rab! Help ons.” (Bukhârî, 11/444; Ṣaḥīḥ Muslim, 3/17; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/275, 276, 293 ve 354.)

2. Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het volgende zeggen: Wie ter verantwoording wordt geroepen en wiens afrekening betwist wordt, zal aan de bestraffing worden onderworpen.”Ik zei daarop: “Hoe kan dat, o Rasûlullāh? In de āyah staat toch: فَسَوۡفَ يُحَاسَبُ حِسَابٗا يَسِيرٗا ٨

Hij (mu’min) zal zeker een gemakkelijke afrekening krijgen.

وَيَنقَلِبُ إِلَىٰٓ أَهۡلِهِۦ مَسۡرُورٗا٩

En hij zal verheugd tot zijn familie terugkeren. (al-Inshiqāq, 84:7–9)

Hij antwoordde: “Dat is geen afrekening; dat is `ard (het voorleggen van de daden aan de dienaar).

Maar wie werkelijk ter verantwoording wordt geroepen, diens zaak is zwaar.” (Bukhârî, 1/196; Ṣaḥīḥ Muslim, 17/208; Abū Dāwûd, 3078; at-Tirmiḏī, 3338; Ahmad b. Hanbal, 6/47,91 en 127)

3. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De mensen zullen op Yawmu’l Qiyāmah drie keer voor (de aanwezigheid van Allāh) worden gebracht.” (at-Tirmiḏī, 2425; İbni Mājah, 4277; Aḥmad ibn Ḥanbal, 4/414.)

4. Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah zal de zoon van Ādam voor Allāh worden gebracht, als een bruid.” (at-Tirmiḏī, 2427)

5. Van Abū Hurayrah en Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah zal de zoon van Ādam voor de aanwezigheid worden gebracht en er zal tot hem worden gezegd: ‘Hebben Wij jou geen ogen en oren gegeven? Hebben Wij jou geen bezit en kinderen geschonken? Werd jou niet toegestaan om te verheffen in graad en te genieten van (Allahs) gunsten? Heb jij dan niet gedacht dat je voor Ons zou worden gebracht?’Als hij antwoordt: ‘Nee’, dan zal worden gezegd: ‘Zoals jij Ons in de wereld vergat, zo vergeten Wij jou vandaag.” (at-Tirmiḏī (nr. 2428): Volgens at-Tirmiḏī is deze ḥadīth zowel ṣaḥīḥ als ḥasan. Imām Ṣaḥīḥ Muslim heeft dezelfde ḥadīth eveneens overgeleverd.)

6. Deze hadīth is overgeleverd door vele betrouwbare overleveraars:“Op Yawmu’l Qiyāmah zal een dienaar voor Allāh worden gebracht en hij zal (opdat niemand het ziet) worden bedekt.

Allāhu Taʿâlâ zal tot die dienaar zeggen: ‘Mijn dienaar, herinner jij je dat je op die en die dag dit en dat hebt gedaan?’Hij herhaalt deze vraag meerdere malen, totdat de dienaar bang wordt voor zijn uiteindelijke afloop.Daarop zal Allāhu Taʿâlâ zeggen: ‘Mijn dienaar, Ik heb deze zonde van jou in de wereld verborgen gehouden en vandaag schenk Ik jou vergiffenis.” (Ṣaḥīḥ al-Bukhârî, 5/96; Ṣaḥīḥ Muslim, 17/86; İbni Mājah, 183; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/105)

7. Van Abū Ẓar (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Mij werd de persoon getoond die als laatste uit de Hel zal worden gehaald en als laatste het Paradijs zal binnengaan. Op Yawmu’l Qiyāmah zal Allāhu Taʿâlâ over deze persoon (tot de engelen) bevelen: ‘Wis zijn grote zonden uit en maak hem zijn kleine zonden bekend.” (Ṣaḥīḥ Muslim, 3/87; at-Tirmiḏī, 2596; İbni Mājah, 4339; Aḥmad ibn Ḥanbal, 5/187)

8. Van Anas (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Vier personen worden uit het Hellevuur gehaald en voor Allāh gebracht. Eén van hen wendt zich tot Allāhu Taʿâlâ en smeekt: ‘O mijn Rab! U heeft mij uit het Hellevuur gered! Zend mij alstublieft niet terug!’ Allāh redt hen uit het Hellevuur.” (Ṣaḥīḥ Muslim, 3/53; Ahmad b. Hanbal, 3/221)

"Wanneer de mensen voor Allāh worden verzameld, zien de mu’mins ook het Hellevuur. Vervolgens zoeken zij Ādam (عليه السلام) op en zeggen: ‘Onze vader!

Bemiddel voor ons, zodat de poorten van het Paradijs geopend worden.Ādam (عليه السلام) antwoordt echter: “Was het niet mijn zonde die jullie uit het Paradijs heeft verdreven? Daarom kan ik dit niet voor jullie doen.”(Ṣaḥīḥ Muslim, 3/53)

9. Een andere overlevering is als volgt: “Wanneer Allāhu Ta‘ālā beveelt dat iedereen zich bij datgene voegt wat hij in de wereld volgde/ als leidraad nam, verzamelen allen zich bij hun eigen afgoden en worden daarna in het Hellevuur geworpen. Alleen de mu’mins blijven over, inclusief zondige mu’mins. Daarna openbaart Allāh Zich.” Deze hadīth was eerder genoemd, maar dit is een andere weergave. Zo worden de mensen dus negen keer voor Allāh gebracht.

Andere ahadīth bevestigen dit: Van Abū Burda (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah kan een dienaar Allāh’s aanwezigheid niet verlaten totdat hij vier vragen heeft beantwoord.” (at-Tirmiḏī, 2417)

Een andere hadīth zegt: “Op Yawmu’l Qiyāmah wordt een dienaar voor Allāh gebracht. Hij wordt niet alleen ter verantwoording geroepen naar zijn daden, maar ook naar zijn glorie, roem en waardigheden.” (Ṣaḥīḥ Muslim, 7/101)

Van Adiy b. Khātim (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu Ta‘ālā zal op Yawmu’l Qiyāmah met ieder van jullie afzonderlijk spreken. Er zal geen vertaler of tussenpersoon zijn.”( Al-Bukharī, 13/423; at-Tirmiḏī, 2415; Ibn Mâjah, 185; Aḥmad ibn Ḥanbal, 4/256)

Van Abū Sa‘īd al-Khudrī (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah wordt Nūh (عليه السلام) bij Allāh geroepen. Wanneer Nūh (عليه السلام) arriveert, zegt hij: ‘Hier ben ik, mijn Rab!

Ik sta tot Uw bevel gereed!” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/32)

In andere overleveringen wordt ook de Lawḥ al-Maḥfūẓ (het bewaard boek waarin alles wat geschapen is geschreven staat) bekeken. Daarna zullen Isrāfīl (عليه السلام) en Jibrīl (عليه السلام) verschijnen, en vervolgens zullen de anbiyā’ één voor één naar de aanwezigheid worden gebracht en ter verantwoording worden geroepen.

Volgens een andere overlevering van at-Tirmiḏī zal op Yawmu’l Qiyāmah een man voor Allāh worden gebracht en zullen 99 daden-register voor hem worden neergelegd.

Voor Allāh verschijnen en verantwoording afleggen is een zeer moeilijk en langdurig proces. Van Abū Sa‘īd al-Khudrī: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah zal de tijd 50.000 jaar duren." Abū Sa‘īd vroeg: “Wat een lange tijd!”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Voor een mu’min zal deze tijd gemakkelijk en kort zijn. Voor een mu’min is deze periode niet langer dan het voltooien van één verplichte ṣalāh in de wereld.”

3.20: Aankondiging en Du`ā’

Een andere naam voor Yawmu’l Qiyāmah is “Yawmu’t Tanād: de Dag van de Aankondiging en Du`ā’.”:

وَيَٰقَوۡمِ إِنِّيٓ أَخَافُ عَلَيۡكُمۡ يَوۡمَ ٱلتَّنَادِ ٣٢

(Hij zei:) “O mijn volk! Waarlijk! Ik vrees voor jullie voor de Dag van het wederzijdse geroep (om hulp). (Ghāfir, 40:32)

Volgens Abū Bakr Ibn al-‘Arabī heeft “nidā/tanād” acht betekenissen. Dat wil zeggen dat op Yawmu’l Qiyāmah acht keer tot de mensen zal worden gesproken:

De aanspreking (khitâb) van de bewoners van het Paradijs tot de bewoners van het Hellevuur: Deze aanspreking betreft Allāh’s belofte.

Het roepen van de bewoners van het Hellevuur tot de bewoners van het Paradijs: Dit is een du`ā’ om hulp. De kāfirs zullen de mu’mins in het Paradijs om voorspraak en voedsel/drank verzoeken.

Het bevel van Allāh aan alle mensen om zich in groepen te verzamelen: In de eerder genoemde hadīth is vermeld dat Allāhu Te‘ālā op Yawmu’l Qiyāmah eerst beveelt dat alle mensen zich verzamelen rond datgene wat zij in de wereld volgden/als leidraad namen. De mu’mins verzamelen zich rond hun anbiyā’, terwijl de anderen zich verzamelen rond hun leiders en afgoden.

De aankondiging van de daden van ieder mens door de aangewezen engel: De engel zal het als volgt aankondigen: “De zoon van zó en zó. Gefeliciteerd. Jij bent een bewoner van het Paradijs. Vanaf nu zul je geen verdriet, straf of angst meer ervaren. De zoon van zó en zó. Wee jou! Jij bent een bewoner van het Hellevuur. Vanaf dat moment zul je geen rust/vreugde meer kennen.”

De uitroep die gedaan wordt wanneer de dood in de vorm van een schaap op de Sirāt wordt gebracht en geslacht: “O bewoners van het Paradijs! Er is nu geen dood meer. O bewoners van het Hellevuur! Ook voor jullie is er ook geen dood meer. Daar zullen jullie voor eeuwig verblijven.”

Het geschreeuw van de bewoners van het Hellevuur: Wanneer de kāfirs de straf zien en begrijpen dat er geen ontsnappen mogelijk is, zullen ze jammeren en beginnen te huilen. Hun gejammer zal door iedereen gehoord worden.

De verklaring van de engelen die belast zijn met getuigenis: Zij zullen zeggen: “Moge Allāh’s vloek zijn over degenen die onrecht doen en over degenen die in opstand komen tegen Allāh.”

De aanspreking van Allāhu Ta‘ālā tot de bewoners van het Paradijs: Allāh zal de mu’mins in het Paradijs vragen: “O bewoners van het Paradijs! Zijn jullie tevreden met jullie toestand?”Zij zullen antwoorden: “Moge Allāh ons behoeden! Er is geen enkele reden om niet tevreden te zijn.”

Het negende aanspreken zal plaatsvinden tot de bewoners van het Hellevuur. Deze mening behoort tot Abū Nu’aym. Hij hoorde het van Marwān b. Muḥammad en Abū Ḥāẓim al-A‘raj. Volgens deze mening zal Allāhu Ta‘ālā de zondaren aanspreken: “Jullie die zulke en zulke zonden hebben begaan! Waar zijn jullie?” Maar niemand zal antwoorden.

Als bewijs voor deze mening worden de volgende āyāt aangehaald:

قَالَ ٱلَّذِينَ حَقَّ عَلَيۡهِمُ ٱلۡقَوۡلُ رَبَّنَا هَٰٓؤُلَآءِ ٱلَّذِينَ أَغۡوَيۡنَآ أَغۡوَيۡنَٰهُمۡ كَمَا غَوَيۡنَاۖ تَبَرَّأۡنَآ إِلَيۡكَۖ مَا كَانُوٓاْ إِيَّانَا يَعۡبُدُونَ ٦٣Degenen (kāfirs) voor wie het Woord bewaarheid wordt zullen zeggen: “Onze Heer! Dit zijn degenen die wij hebben laten dwalen. Wij hebben hen laten dwalen zoals wij zelf dwaalden. Wij verontschuldigen ons bij U. Wij waren het niet die zij aanbaden.”

وَيَوۡمَ يُنَادِيهِمۡ فَيَقُولُ مَاذَآ أَجَبۡتُمُ ٱلۡمُرۡسَلِينَ ٦٥En (gedenk) de Dag dat (Allāh) hen (de zondaren en de kāfirs ) zal roepen en zeggen: “Wat voor antwoord gaven jullie aan de Boodschappers?” (Qassās, 28: 63 en 65)

3.21: Het Getuigenis

We hebben eerder gezegd dat een andere naam voor Yawmu’l Qiyāmah de “Dag van het Getuigenis” is. Op Yawmu’l Qiyāmah zal getuigenis vier vormen aannemen:

Het getuigenis van Muhammad (صلى الله عليه وسلم) en zijn ummah:

وَكَذَٰلِكَ جَعَلۡنَٰكُمۡ أُمَّةٗ وَسَطٗا لِّتَكُونُواْ شُهَدَآءَ عَلَى ٱلنَّاسِ وَيَكُونَ ٱلرَّسُولُ عَلَيۡكُمۡ شَهِيدٗاۗDus hebben Wij van jullie een rechtvaardig volk gemaakt (de oemmah van Mohammed), opdat jullie getuigen zullen zijn voor de mensheid en opdat de Rasûl een getuige zal zijn voor jullie. (Baqarah, 2:143)

Het getuigenis van het aardoppervlak, de hemel, de dagen en de nachten: Tijd en ruimte zullen alles onthullen waarvan zij getuige zijn geweest.

Het getuigenis van de ledematen: يَوۡمَ تَشۡهَدُ عَلَيۡهِمۡ أَلۡسِنَتُهُمۡ وَأَيۡدِيهِمۡ وَأَرۡجُلُهُم بِمَا كَانُواْ يَعۡمَلُونَ ٢٤

Op de Dag dat hun tongen, hun handen en hun benen of voeten tegen hen zullen getuigen over wat zij gewend zijn te doen. (Nûr, 24:24)

De hadīth van Anas (رضي الله عنه): Op die Dag zal de mond van de mens verzegeld worden; ieder orgaan zal de zonden die het heeft begaan belijden.

3.22: De Dag van Ontmoeting en Samenkomen

رَفِيعُ ٱلدَّرَجَٰتِ ذُو ٱلۡعَرۡشِ يُلۡقِي ٱلرُّوحَ مِنۡ أَمۡرِهِۦ عَلَىٰ مَن يَشَآءُ مِنۡ عِبَادِهِۦ لِيُنذِرَ يَوۡمَ ٱلتَّلَاقِ ١٥

Verheven boven alle graden is de Heer van de Troon. Hij stuurt de Openbaring op Zijn bevel aan welke dienaar Hij wil, opdat hij de (mensen) kan waarschuwen voor de Dag van de Ontmoeting. (Ghāfir, 40:15)

Hier heeft de Dag van de Ontmoeting vier betekenissen:

Het samenkomen van degenen die later sterven met degenen die eerder gestorven zijn.

Het samenkomen van de mens met zijn daden. Eerder hebben we hierover ahadīth genoemd.

Het samenkomen van de bewoners van de aarde (mensen, djinn en shayāṭīn) met de wezens in de hemel (engelen).

Het samenkomen van de schepselen met hun Rab en hun ontmoeting met hun Rab.

Daarnaast kunnen er nog twee betekenissen aan worden toegevoegd:

Het samenkomen van de rûḥ van de mens met zijn lichaam.

Het samenkomen van de mens met zijn kennissen, familie en vrienden.

3.23: De grote gebeurtenissen die de mensen zullen tegenkomen in het Maḥshar-pleinHâris al-Muhâsibî schrijft in zijn werk Kitâbu’t-Tawahhum fî’l-Ahwâl:

“Allāh zal op Yawmu’l Qiyāmah de mensen naakt bijeenbrengen. Van degenen die in het wereldse leven rijkdom en eigendommen bezaten, zal alles wat zij bezaten worden afgenomen. Op die dag komt iedereen, arm en behoeftig, eenzaam, noodlijdend en in een zeer moeilijke toestand naar het Maḥshar-plein. Vooral degenen die zich tegen Allāh verzetten, die ver van de aanbidding van Allāh bleven, die onrechtvaardig en hoogmoedig waren, zullen die dag in volledige vernedering worden verzameld.Zelfs de wilde dieren zullen worden opgewekt en op het Maḥshar-plein worden verzameld. Hoewel andere levende wezens bang worden wanneer zij wilde schepselen zien, zullen ook de wilde dieren vanwege de verschrikking van die Dag in angst en verbijstering verkeren; zij zullen niets kunnen schaden.

De shayātīn zullen eveneens vernederd en ellendig worden verzameld. Jinn, mensen, shayātīn, wilde dieren en alle overige schepselen zullen op het Maḥshar-plein bijeenkomen.

Op die dag zal van de vroegere trots en macht van de schepselen niets meer overblijven; iedereen zal in angst, bezorgdheid en verwarring wachten.

De sterren zullen uiteenvallen; de maan en de zon zullen hun licht verliezen. Daardoor zal alles in volledige duisternis verkeren.

Ook de engelen zullen die Dag bezorgd zijn over de toestand van de schepselen en Allāh smeken en du` ā’ verrichten om de schepselen genadig te zijn. Daarna zullen ook zij beseffen dat de Opstanding is aangebroken en zullen zich volledig aan Allāh onderwerpen.

Vervolgens zal de zon naderen tot zij ter hoogte van de ogen van de mensen komt. Enerzijds zal de enorme menigte de mensen en andere levende wezens omringen, anderzijds de verzengende hitte, en daarnaast honger en dorst; dit alles zal hen in een staat van ellende brengen. De mensen zullen zweten door de hitte, het lange wachten en de dorst.

Bij sommigen zal het zweet tot hun voeten reiken, bij anderen tot hun knieën. Sommigen zullen zo hevig zweten dat het zweet tot hun middel stijgt; bij weer anderen zal het tot hun nek reiken. Tijdens deze lange en zware wachtperiode zal bij sommigen het zweet zelfs boven hun hoofden uitkomen.” Deze overlevering van Hâris al-Muhâsibî is van Ibn ‘Abbâs (رضي الله عنهما).

Ibn al-Mubârak levert in zijn boek ar-Raqâ`iq de volgende hadīth over: …van Ibn ‘Abbâs (رضي الله عنهما): “Wanneer het moment van de Opstanding aanbreekt geeft Allāh Teʿālā de laagste hemel (die van de wereld) opdracht, en met Allāh’s bevel scheurt laagste hemel open en stort zij in. De engelen zullen eveneens op bevel van Allāh naar de aarde neerdalen en haar omringen. Vervolgens zal Allāh één voor één de overige zeven hemelen vernietigen. De engelen die zich daarin bevinden, zullen eveneens op het bevel van Allāh naar de aarde neerdalen en zich in rijen achter de andere engelen opstellen. Daarna zullen de voornaamste engelen, met al hun heerschappijen en samen met de andere engelen die onder hun gezag staan, naar de aarde afdalen. Omdat de hemelen en de andere werelden vernietigd zijn, zal de Hel door de daarvoor aangestelde engelen dicht bij de aarde worden gebracht.

Zij zal zo dicht bij de samengekomen menigte worden gebracht dat de Hel zodanig nadert dat alle engelen het loeien en de hitte van de vlammen uit het Hellevuur komen voelen.

Als bewijs hiervoor zijn de volgende āyāt aangehaald:

يَٰمَعۡشَرَ ٱلۡجِنِّ وَٱلۡإِنسِ إِنِ ٱسۡتَطَعۡتُمۡ أَن تَنفُذُواْ مِنۡ أَقۡطَارِ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِ فَٱنفُذُواْۚ لَا تَنفُذُونَ إِلَّا بِسُلۡطَٰنٖ ٣٣

O verzameling van Djinn en mensen! Als jullie in staat zijn om (al vluchtend te ontsnappen aan Mijn wil door) het domein van de hemelen en de aarde te verlaten, verlaat die dan. Doch jij zult dit zonder gezag stellig niet kunnen doen. (ar-Rahmân 55:33)

وَجَآءَ رَبُّكَ وَٱلۡمَلَكُ صَفّٗا صَفّٗا ٢٢

En jouw Heer komt, met de Engelen, in rijen. (al-Fajr 89:22)

وَٱنشَقَّتِ ٱلسَّمَآءُ فَهِيَ يَوۡمَئِذٖ وَاهِيَةٞ ١٦

En de hemel zal splijten, dan wordt zij broos.

وَٱلۡمَلَكُ عَلَىٰٓ أَرۡجَآئِهَاۚ وَيَحۡمِلُ عَرۡشَ رَبِّكَ فَوۡقَهُمۡ يَوۡمَئِذٖ ثَمَٰنِيَةٞ ١٧

En de Engelen zullen aan haar randen zijn en acht Engelen zullen op die dag de Troon van jouw Heer boven zich dragen. (al-Hâqqah 69:16-17)

Imâm al-Ghazâlî vermeldt in zijn werk over het Hiernamaals een andere overlevering die lijkt op hetgeen door al-Muhâsibî en ad-Dahhâk is overgeleverd van Ibn ‘Abbâs (رضي الله عنهما). De hadīth luidt als volgt:

“Alle schepselen zullen (nadat de hemel en de wereld zijn vernietigd) op een heuvel worden samengebracht. Vervolgens zal Allāh Jalla wa Jalalahu de engelen een bevel geven en op grond van dit bevel nemen de engelen de djinn, de mensen en andere levende wezens één voor één en brengen ze naar de nieuwe wereld. Dit is een volkomen vlakke en helderwitte plaats. Alle schepselen zullen op dat plein worden verzameld.

De engelen van de eerste hemel zullen komen en zich achter hen in rijen opstellen. Het aantal engelen van deze hemel is tienmaal zoveel als alle levende wezens die ooit op aarde hebben geleefd. Op een tweede bevel, zullen de engelen van de tweede hemel komen en zich in rijen opstellen. Zij zijn twintigmaal zoveel als de engelen van de eerste hemel.

Vervolgens zal Allāh de engelen van de derde hemel bevelen; ook zij zullen komen en zich in rijen opstellen. Zij zullen als een kring rondom de engelen van de tweede hemel staan. Hun aantal is dertigmaal dat van de voorgaande rij. Daarna zullen de engelen van de vierde hemel komen en zich in rijen opstellen. Hun aantal is veertigmaal dat van de voorgaanden. De engelen van de vijfde hemel zijn vijftigmaal talrijker. De engelen die uit de zesde hemel neerdalen en zich in een kring opstellen zijn zestigmaal talrijker. En de engelen van de zevende hemel die komen en zich in rijen opstellen zijn zeventigmaal talrijker.

Hierdoor zal de menigte op de verzamelplaats zó toenemen dat duizend voeten op één enkele voet zullen staan; met andere woorden de schepselen worden opgestapeld bovenop elkaar en dringen zich in elkaar.

Door deze benauwdheid en opeenhoping zullen de mensen beginnen te zweten. Sommigen zullen tot aan hun hielen in het zweet staan, anderen tot aan hun knieën. Daarna zal ook de zon worden gebracht en recht boven hun hoofden worden geplaatst.

De moeilijkheden en benauwdheden zullen zeventigmaal toenemen. Als de zon vandaag, in de toestand waarin zij op Yawmu’l Qiyāmah zal zijn, naar de wereld zou worden gebracht en haar zou naderen, dan zou de wereld verbranden en tot as worden; zelfs stenen zouden branden en rivieren zouden verdampen.”

Volgens overleveringen van sommige salaf-geleerden heeft een geleerde in een droom gezien dat de Opstanding had plaatsgevonden. Iedereen stond hongerig, dorstig en ellendig te wachten op het Maḥshar-plein. Kleine kinderen brachten water naar de volwassenen. Deze geleerde vroeg aan de kinderen om water. Eén van hen vroeg: “Bevindt zich onder ons uw kind?” De man antwoordde: “Nee.” Daarop zeiden de kinderen: “Dan is er voor u ook geen water.” Onze geleerden hebben dergelijke overleveringen opgevat als een aanwijzing voor de deugd van het huwelijk en het hebben van kinderen.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Op die Dag zal degene die een kameel had (en daarmee de Islām diende of haar als zakāh gaf), zijn kameel terugkrijgen en hij zal met die kameel een afstand afleggen die overeenkomt met vijftigduizend jaar.” Volgens een overlevering is dit de duisternis na de Sirāt-brug. Deze tocht is omschreven als: “Op die Dag wacht de mensen een honger en dorst die niemand ooit eerder heeft meegemaakt.”

فَوَقَىٰهُمُ ٱللَّهُ شَرَّ ذَٰلِكَ ٱلۡيَوۡمِ وَلَقَّىٰهُمۡ نَضۡرَةٗ وَسُرُورٗا ١١

Allāh zal hen op die Dag beschermen voor het kwaad en hen glans en blijdschap schenken. (al-Insān 76:11) Dat wil zeggen: Hij zal hun honger en dorst verlichten.

Van Miqdâd ibn al-Aswad (رضي الله عنه): Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “De zon zal op Yawmu’l Qiyāmah tot op een mijl afstand boven de mensen worden gebracht.” (Ṣaḥīḥ Muslim 17/196; at-Tirmiḏī 2434; Aḥmad ibn Ḥanbal 4/157 en 5/254)Volgens Sulaym ibn ʿĀmir wordt met ‘mijl’ hier de afstand bedoeld die het oog kan waarnemen; dat wil zeggen dat de zon tot ooghoogte zal naderen. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vervolgde: “De mensen zullen zweten overeenkomstig hun daden. Bij sommigen zal het zweet slechts tot hun hielen reiken. Bij anderen zal het tot hun knieën stijgen en zich daar ophopen. Bij weer anderen zal het hun hals bereiken, zij zullen in hun zweet verdrinken.” Terwijl Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het laatste deel van deze overlevering uitsprak, wees hij met zijn hand naar zijn mond. At-Tirmiḏī voegde daaraan toe: “Op die Dag zal de zon de mensen verzengen.”

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah zal het zweet van de mens een gebied van zeventig armlengte (ongeveer 49 meter) bedekken en bij sommigen tot aan hun mond en oren reiken.” (Ṣaḥīḥ Muslim 17/196; Aḥmad ibn Ḥanbal 2/418)

Een man kwam naar ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما) en zei: “De mensen van Madīnah houden zich niet aan juiste maat en gewicht, terwijl in de āyah staat:

وَيۡلٞ لِّلۡمُطَفِّفِينَ ١

Wee de zwendelaars (degenen die knoeien met maat en gewicht)’ (al-Mutaffifīn 83:1) en

يَوۡمَ يَقُومُ ٱلنَّاسُ لِرَبِّ ٱلۡعَٰلَمِينَ ٦

Een Dag waarop de mensen voor de Heer der Werelden staan? (al-Mutaffifīn 83:6)

Ibn ʿUmar antwoordde: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft de toestand van degenen die knoeien met maat en gewicht als volgt beschreven: “Door de angst en verschrikking van Yawmu’l Qiyāmah zal hun zweet tot aan hun oren reiken.”

Opnieuw van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) reciteerde het volgende āyah:

يَوۡمَ يَقُومُ ٱلنَّاسُ لِرَبِّ ٱلۡعَٰلَمِينَ ٦

Een Dag waarop de mensen voor de Heer der Werelden staan? (al-Mutaffifīn 83:6)

Daarna zei hij: “Hoe zal jullie toestand zijn op de Dag waarop Allāh jullie zal verzamelen, jullie vijftigduizend jaar zal laten wachten en niet naar jullie zal omkijken?” (al-Hākim 4/572)

In een andere overlevering vertelt Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Jibrīl (عليه السلام) vertelde mij zóveel over de Opstanding dat ik begon te huilen. Ik zei: ‘Heeft Allāh Taʿâlâ mij dan niet al mijn zonden vergeven?’ Hij antwoordde: ‘Door de angst en verschrikking die jij die Dag zult aanschouwen, zul je vergeten dat Allāh jou heeft vergeven.”

Ik zeg: volgens de hadīth die door ʿAbdullāh ibn al-Mubârak is overgeleverd, zal de verzengende hitte van de zon geen schade toebrengen aan de mu’mins. In een andere hadīth wordt namelijk vermeld dat zeven groepen mensen op die Dag tegen de zon beschermd zullen worden en met Allāh’s schaduw (barmhartigheid en onder de schaduw (van de `Arsh) zullen verkeren: De rechtvaardige imām (staatshoofd), een jongere die is opgegroeid in de aanbidding van Allāh, kuise mensen etc.

In een andere hadīth is vermeld dat de sadaqah die iemand heeft gegeven en de goede daden die hij heeft verricht, op Yawmu’l Qiyāmah een schaduw voor hem zullen vormen.

Hieruit volgt dat degenen die onder de zon zullen zweten, degenen zijn die niet geloven, of degenen met een onzuivere geloofsleer (ʿaqīdah), en zondige mu’mins.

De fiqh-geleerde Abū Bakr ibn Burjān vermeldt in zijn werk Irshād het volgende:

Geliefde broeder, moge Allāh tevreden met je zijn. Wat men hier dient te begrijpen is het volgende: de berichten dat alle mensen op één heuvel of op één uitgestrekte vlakte verzameld zullen worden, zijn waar. Daar zullen sommige mensen drinken van speciaal voor hen bestemde dranken, terwijl anderen niet zullen kunnen drinken. (Want in deze menigte zullen de mensen hevig zweten en in grote benauwdheid verkeren; bovendien zullen zij door het lange wachten honger en dorst lijden). In die menigte zal de ene mens zijn weg kwijtraken. Een ander zal door het licht van zijn daden en zijn īmān innerlijke rust vinden; hij zal niet in verdwalen en zijn weg weten te vinden. Weer een ander zal verdrinken in zijn eigen zweet. De hulp van Allāh zal hier bij de mu’mins zijn. De kāfirs daarentegen zullen verstoken blijven van hulp en goddelijke barmhartigheid.

Imâm al-Ghazâlî, ook bekend als Abū Hâmid, heeft hierover het volgende vermeld:

Als een mu’min in het wereldse leven gezweed heeft met de Ḥaj, kennis vergaren of jihād, dan zal dat zweet hem in het Hiernamaals te hulp komen. In ruil hiervoorvoor zal Allāh hem genade betonen en bijstaan verlenen. Bovendien zal iemand die gewend is aan zulke inspanningen en zich bewust is van dergelijke moeilijkheden, op die Dag geduldiger zijn. Degene die zich inspant om de geboden van Allāh na te leven, zijn eigen nafs beheerst tegenover wat Allāh heeft verboden, en die ook in de wereld strijdt met anderen om de geboden van Allāh te vervullen, zal gewend raken aan dit soort moeilijkheden.

Hoe lang de moeilijke omstandigheden van Yawmu’l Qiyāmah ook zullen duren, zulke mensen zullen deze ontberingen kunnen verdragen.

Abū Nuʿaym heeft, heeft van Abū Hâzim overgeleverd dat er op die Dag een stem uit de hemel zal klinken: “O jullie die uit de wereld zijn gekomen! Is er onder jullie iemand die het Hellevuur wil binnengaan?” De angst voor deze oproep zal iedereen die daar aanwezig is in totale verwarring en paniek brengen.

3.24: Wat zal beschermen tegen de angst en moeilijkheden van Yawmu’l Qiyāmah

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Degene die een moeilijkheid van een mu’min oplost, Allāh zal hem op de Dag van het Oordeel een van zijn eigen moeilijkheden wegnemen.” (Ṣaḥīḥ Muslim 17/21; at-Tirmiḏī 1930)

Imâm at-Tirmiḏī vermeldt in zijn werk Nawādir al-Usūl de volgende hadīth:

Van ʿAbdurrahmān ibn Samurah (رضي الله عنه): Op een dag zaten wij samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in Madīnah in de Masjid an-Nabawī. Hij zei: ‘Mij is een wonderlijke gebeurtenis getoond. Er was een man uit mijn ummah. Toen de Malaku’l Mawt kwam om zijn rûḥ te nemen. De goedheid die hij aan zijn ouders bewees was de oorzaak van de verlenging van zijn leven. Weer zag ik iemand uit mijn ummah, die had de bestraffing van het graf verdiend, maar de kleine wassingen (awḍāʾ e.v. wuḍû’) die hij had verricht redde hem.

Weer zag ik iemand uit mijn ummah werd belaagd door de shayāṭīn toen zijn rûḥ werd genomen, maar zijn voortdurende gedenking (dhikr) van Allāh redde hem uit deze moeilijke situatie.

Er was een andere man. Toen de engelen van de bestraffing kwamen en boven zijn hoofd stonden, hebben de ṣalawāt (e.v. ṣalāh) die hij verrichtte hem uit hun handen gered. Weer zag ik iemand uit mijn ummah, die was (op Yawmu’l Qiyāmah) zeer dorstig. Telkens wanneer hij wilde drinken, werd hem dit geweigerd. Zijn vasten diende als bemiddeling, waardoor hij toch kon drinken.

Weer zag ik iemand uit mijn ummah, die was alleen toen de anbiyā’ in een kring zaten; hij wilde naast hen plaatsnemen, maar dat werd hem niet toegestaan. Zijn grote wassing (ghusl) pakten hem bij de hand en lieten deze man naast mij zitten.

Bij iemand anders was zowel zijn rechterals zijn linkerkant in duisternis. Hij kon noch voornoch achter zich zien. Er was ook geen licht onder of boven hem. Hij keek verbaasd rond en dwaalde. Zijn verrichte Ḥaj en umrah kwamen en redden hem uit die duisternis en dompelden hem onder in licht.

Weer zag ik iemand uit mijn ummah, die wilde met andere mu’mins spreken, maar niemand keek hem aan. Ook deze man werd door zijn bezoeken aan zijn familie en buren uit die slechte situatie gered. Zijn verrichte bezoeken kwamen en getuigden voor de mu’mins: 'Spreek met deze dienaar'

Weer zag ik iemand uit mijn ummah, die beschermde zijn gezicht tegen het vuur. Zijn goede daden en sadaqah dienden als een schaduw voor de man en redde hem van de schade van het vuur.

Iemand anders werd door de Zabānīyah (de engelen die belast zijn met het bestraffen van de bewoners van de Hel) bij de kraag en broekspijpen gegerepen en meegesleept. Deze persoon verzette zich in de wereld tegen handelingen die tegen Allahs bevel indruisden. Hiermee is hij uit de handen van de Zabānīyah bevrijd. De engelen van genade namen hem in hun zorg.

Iemand anders zat op zijn knieën te wachten. Tussen hem en Allāhu Taʿâlâ was een sluier/Allāhu Taʿâlâ keek niet naar hem om. Deze persoon was een bezitter van schoon gedrag. Zijn goede karakter kwam hem te hulp, pakte die dienaar bij de hand en leidde hem naar Allāh.

Iemand anders stond op het punt zijn daden-register aan zijn linkerzijde te ontvangen, maar hij vreesde Allāh zeer. Zijn taqwā kwam op het laatste moment te hulp, nam zijn daden-register van links en overhandigde het hem vanaf rechts.

Een ander had te lichte goede daden in de Weegschaal; zijn kleine goede daden kwamen hem te hulp en zorgden ervoor dat de Weegschaal doorsloeg (in zijn voordeel). Iemand anders stond op de rand van de Hel. Hij stond op het punt in de Hel te vallen. Zijn Godsvrucht en schaamte jegens Allāh redden hem uit die situatie en verwijderden hem daaruit.

Weer zag ik iemand uit mijn ummah, die in het Hellevuur was gegooid, maar omdat deze man uit Godsvrucht huilde, hebben zijn tranen die hij hier vergoten heeft, hebben hem uit de Hel gehaald.

Een ander was bijna gevallen bij het oversteken van de Brug (Sirāt). Zijn liefde voor Allāh, vertrouwen in Zijn barmhartigheid en voortdurende duʿā’s hielpen hem veilig over te steken.

Er was er nog een. Hij had moeite om de Sirāt te passeren. Soms leek het alsof hij zou vallen. De salāh en salām die hij voor mij uitsprak, hebben deze man gered, hem bij de hand genomen en over de Sirāt geleid.

Nog iemand anders was tot helemaal aan de poorten van het Paradijs gekomen, maar de poorten waren gesloten en gingen niet open. Deze man werd gered door de kalima-i shahadah (geloofsgetuigenis: Ashhadu al lâ ilâha illallâh wa ashhadu anna Muhammadan rasûlullâh": Ik getuig dat er geen godheid is dan Allāh en dat Mohammed Zijn gezant is) en kalima-i tawhid (woord van eenheid: "Lâ ilâhe illallah": Er is geen godheid dan Allāh) die hij had gebracht. (Tabarani, Mujamul-Kabir, 39)

Deze hadīth is zeer lang. Er worden vele andere daden genoemd die iemand na zijn overlijden kunnen helpen. Het meest correcte weet alleen Allāhu Taʿâlâ.

Van de gemeenschappen vóór jullie werd een man ter verantwoording geroepen. De man had geen enkele goede daad. Hij had slechts één goede eigenschap. Hij hield zich bezig met de mensen en informeerde naar hun toestand. Ook had hij slaven. Hij droeg hun op om niets te doen wat de mensen moeilijkheden zou bezorgen en om alles wat de mensen schade of hinder op de weg bezorgde te verwijderen. Allāh Taʿâlâ heeft aan de engelen bevolen: ‘Ik ben barmhartiger tegenover Mijn dienaren dan deze man. Als hij probeerde het leed voor Mijn dienaren te verminderen, dan heb Ik vandaag deze man ook uit zijn moeilijkheden gered.” (Bukhârî, 6/494; Nasā`ī, 7/318; at-Tirmiḏī, 1307; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/263 en 5/395)

Van Hudzayfah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Een man stierf en ging naar het Paradijs. Ze (de bewoners) vroegen hem: ‘Wat deed je dat je het Paradijs verdiende?’De man antwoordde: ‘Ik was een marktkoopman. Ik kocht en verkocht goederen aan mensen. Ik maakte het de mensen niet moeilijk wanneer zij hun goederen verkochten of hun schulden moesten aflossen. Aan de armen gaf ik bovendien extra geld, of wanneer ik iets verkocht, gaf ik meer van het goed. Door dit alles zijn al mijn zonden vergeven.” (Ṣaḥīḥ Muslim, 1560; Bukhârî, 2391)

Ṣaḥīḥ Muslim heeft deze hadīth op meerdere plaatsen overgeleverd, en Ṣaḥīḥ al-Bukhārī ook.

Van Abū Qatādah (رضي الله عنه): Een man had een schuld bij hem. De man stelde de betaling steeds uit. Uiteindelijk vond hij de man ergens. De man zei tegen hem: “Ik zit in een moeilijke situatie (daarom heb ik vertraagd met betalen)” als excuus.

Abū Qatādah vroeg de man: “Echt waar?”De man antwoordde: “Bij Allāh, zo is het.” Daarop zei hij: “Ik heb van Rasûlullāh gehoord: “Wie een moeilijkheid van een mu’min oplost, hem zal Allāh op Yawmu’l Qiyāmah een van zijn moeilijkheden wegnemen.” (Ṣaḥīḥ Muslim, 3006; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/252; at-Tirmiḏī, 29/45)

Abû’l Yūsr, beter bekend als de metgezel Kaʿb b. ʿAmr (رضي الله عنه): Ik hoordet Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Wie een in nood verkerende gemak biedt, zijn vordering uitstelt of kwijtscheldt; Allāh zal die dienaar op Yawmu’l Qiyāmah beschermen in Zijn schaduw en genade.” (at-Tirmiḏī, 1306; Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/427.)

Anas b. Mālik (رضي الله عنه) zegt: “Wie zijn schuldenaar gemak biedt bij de betaling; Allāh Taʿâlâ zal voor die dienaar op Yawmu’l Qiyāmah een beloning ter grootte van de Uhud-berg opschrijven en op zijn Weegschaal plaatsen.”

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh zei: “Zeven soorten mensen zullen op Yawmu’l Qiyāmah, op een dag zonder enige andere schaduw of bescherming, onder de schaduw van Allāh staan:

Een rechtvaardige heerser.

Een jongere die zijn jeugd in de dienst van Allāh heeft besteed.

Een persoon wiens hart aan de masjāid verbonden is (d.w.z. iemand die regelmatig naar de jamaʿah komt).

Twee personen die elkaar omwille van Allāh liefhebben, of die van elkaar houden omwille van Allāh's welbehagen, en die bij weggaan geen andere wens hebben dan Allāh's welbehagen.

Een man die rijk of gezagsdrager was en aan wie een mooie vrouw zich wilde aanbieden, maar die vanwege Godsvrucht van die zonde wegliep..

Degene die sadaqah geeft met zijn rechterhand terwijl zijn linkerhand er niets van weet (d.w.z. iemand die in het geheim helpt, zonder te pochen, en zijn goede daden niet openbaar maakt).

De persoon die alleen Allāh gedenkt en uit Godsvrucht huilt.” ( Al-Bukharī, 3/292; Ṣaḥīḥ Muslim, 7/130; Nasâ`î, 8/196; at-Tirmiḏī , 2391; Ahmad b. Hanbal, 2/439.)

De “schaduw van Allāh” betekent de schaduw van Zijn barmhartigheid en Zijn ʿArsh. Deze uitleg hoort bij de betekenis van de hadīth.

Van Anas b. Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie een hongerige voedt, of een naakte kleedt, of een reiziger onderdak biedt, Allāhu Taʿâlâ zal die persoon op Yawmu’l Qiyāmah vrijwaren van alle angsten en ontberingen."

Van Anas b. Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie zijn broeder een zoete (of warme) hap aanbiedt, Allāh Taʿâlâ zal hem beschermen tegen elk leed dat hem die dag kan treffen.”

Hiervan kunnen in de Qur’ān vele bewijzen worden genoemd:

يُوفُونَ بِٱلنَّذۡرِ وَيَخَافُونَ يَوۡمٗا كَانَ شَرُّهُۥ مُسۡتَطِيرٗا ٧

Zij vervulden hun belofte en zij vreesden een Dag waarvan het kwaad wijdverspreid zal zijn. (İnsan, 76:7)

فَوَقَىٰهُمُ ٱللَّهُ شَرَّ ذَٰلِكَ ٱلۡيَوۡمِ وَلَقَّىٰهُمۡ نَضۡرَةٗ وَسُرُورٗا ١١

Allāh zal hen op die Dag beschermen voor het kwaad en hen glans en blijdschap schenken. (İnsan, 76:11)

إِنَّ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَعَمِلُواْ ٱلصَّٰلِحَٰتِ إِنَّا لَا نُضِيعُ أَجۡرَ مَنۡ أَحۡسَنَ عَمَلًا ٣٠

Waarlijk! Voor degenen die geloven en goede daden verrichten – zeker! Wij zullen de beloning van iedereen die (goede) daden op de beste manier verricht niet verloren laten gaan. (Kahf, 18:30)

إِنَّ ٱلَّذِينَ قَالُواْ رَبُّنَا ٱللَّهُ ثُمَّ ٱسۡتَقَٰمُواْ فَلَا خَوۡفٌ عَلَيۡهِمۡ وَلَا هُمۡ يَحۡزَنُونَ ١٣

Waarlijk, degenen die zeggen: “Onze Heer is Allāh,” en die vervolgens standvastig zijn: voor hen zal er geen angst zijn, noch zullen zij bedroefd zijn. (Ahqaf, 46:13)

Hāfiz Abū Nuʿaym heeft van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) de volgende hadīth overgeleverd. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er zijn bepaalde zonden waarvoor noch de ṣalāh, noch de vasten, noch de Ḥaj als boetedoening (kafārah ) volstaat.”

De aanwezigen vroegen: “Wat is dan de boetedoening voor deze zonden, o Rasûlullāh?”

Daarop antwoordde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “De boetedoening voor deze zonden zijn de moeilijkheden die men ondergaat bij het verdienen van (halāl) levensonderhoud.”

Aḥmad ibn Yaḥyā vroeg aan Muḥammad ibn Salām: “Heb jij dit werkelijk van Yaḥyā ibn Bakīr gehoord?

Want behalve jij heeft niemand deze hadīth van hem overgeleverd.”

Hij antwoordde: “Ik zat bij Yaḥyā toen een man kwam en zei dat deze hadīth zwak was. Daarop las Yaḥyā de hadīth opnieuw en verklaarde dat ook Imām Mālik deze had overgeleverd.” Moge Allāh tevreden zijn met hen allen.

3.25: De Voorspraakrecht (shafā`ah) verleend aan an-Nabī Muhammad (صلى الله عليه وسلم), dat de gehele menigte op het Maḥshar-plein zal omvatten

Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd vleesmaaltijd aangeboden, het deel van de schouder werd aan hem gepresenteerd, want hij hield van dit deel van het vlees. Hij beet een stuk van het vlees af, en zei vervolgens: “Ik ben de meester/heer (sayyid) van de mensen op Yawmu’l Qiyāmah . Weten jullie waarom? Allāh zal zowel de vroegere als de latere generaties, de hele mensheid, bijeenbrengen op één uitgestrekt veld, waar de oproeper zijn stem zal kunnen laten horen en waar iedereen zichtbaar is. De zon zal zo dichtbij genaderd worden dat de mensen het niet kunnen verdragen en in wanhoop verkeren. Dan zullen de mensen zeggen: “Zien jullie niet wat jullie zal overkomen? Kijken jullie niet naar degene die bij onze Rab voorspraak (shafā`ah) gaat doen?'Op dat moment zal een groep mensen tegen een andere groep zeggen: 'Ga naar Adam (عليه السلام).' Ze zullen naar Adam عليه السلام gaan en zeggen: 'U bent de vader van de mensheid, Allāh heeft u met Zijn hand geschapen, Hij heeft Zijn geest in u geblazen en de Engelen geboden om voor u neer te buigen. Doe voorspraak voor ons bij uw Rab. Ziet u onze toestand niet? Ziet u niet wat er met ons gebeurt?' Adam عليه السلام zal zeggen: 'Waarlijk, mijn Rab is vandaag zo boos dat Hij nog nooit zo boos is geweest en Hij zal dat ook nooit weer zijn. Ik werd verboden om van de boom te eten, maar ik heb tegen Hem gezondigd. Ik denk aan mezelf, ik denk aan mezelf, ik vrees voor mijzelf (nafsī). Ga naar Nûh.'Ze zullen naar Nûh (عليه السلام) gaan en zeggen: 'O Nûh, waarlijk u bent de eerste van de boodschappers die naar de aarde werd gezonden. Allāh noemde u 'Een zeer dankbare dienaar', doe voorspraak voor ons bij uw Rab. Ziet u niet in wat voor een toestand we verkeren?' Nûh (عليه السلام) zal zeggen: ''Waarlijk mijn Rab is vandaag zo boos dat Hij nog nooit zo boos is geweest en Hij zal dat ook nooit weer zijn. Ik had een recht om te bidden, maar die heb ik gebruikt tegen mijn volk. Ik vrees voor mijzelf, ik vrees voor mijzelf, ik vrees voor mijzelf, (nafsī).

Ga naar Ibrāhīm.'Ze zullen naar Ibrāhīm عليه السلام gaan en zeggen: 'O Ibrāhīm, u bent Rasûlullāh en de innige vriend (khalīl) van Allāh op aarde, doe voorspraak voor ons bij uw Rab Ziet u niet in wat voor een toestand we verkeren?' Ibrāhīm (عليه السلام) zal zeggen: ''Waarlijk, mijn Rab is vandaag zo boos dat Hij nog nooit zo boos is geweest en Hij zal dat ook nooit weer zijn. En ik heb drie leugens verteld in mijn leven. Ik vrees voor mijzelf, ik vrees voor mijzelf, ik vrees voor mijzelf (nafsī). Ga naar Mûsā.'Ze zullen naar Mûsā (عليه السلام) gaan en zeggen: 'O Mûsā, u bent Rasûlullāh en u hebt met Hem gesproken. Hij heeft u verheven boven de mensen. doe voorspraak voor ons bij uw Rab. Ziet u niet in wat voor een toestand we verkeren?' Mûsā (عليه السلام) zal zeggen: ''Waarlijk, mijn Rab is vandaag zo boos dat Hij nog nooit zo boos is geweest en Hij zal dat ook nooit weer zijn. En ik heb een ziel gedood die ik niet mocht doden. Ik vrees voor mijzelf, ik vrees voor mijzelf, ik vrees voor mijzelf (nafsī). Ga naar `Īsā.'Ze zullen naar `Īsā عليه السلام gaan en zeggen: 'O `Īsā, u bent Rasûlullāh en het woord dat Hij naar Maryam stuurde en geest uit Hemzelf inblies. U sprak met mensen toen u nog een kindje in de wieg was. Doe voorspraak voor ons bij uw Rab, ziet u niet in wat voor een toestand we verkeren?' `Īsā (عليه السلام) zal zeggen: 'Mijn Rab is vandaag zo boos dat Hij nog nooit zo boos is geweest en Hij zal dat ook nooit weer zijn. Ik vrees voor mijzelf, ik vrees voor mijzelf, ik vrees voor mijzelf (nafsī). Ga naar Muhammad (صلى الله عليه وسلم). Ze zullen naar Muhammed (صلى الله عليه وسلم) gaan en zeggen: “O Muhammed! U bent Rasûlullāh. U bent de laatste der anbiyā’. Zeker, Allāh heeft uw eerdere en latere zonden vergeven.

Doe voorspraak bij uw Rab! Ziet u niet in wat voor een toestand we verkeren?' “Daarop ga ik onmiddellijk onder de Troon (`Arsh) en buig ik neer (sajdah) in aanbidding voor mijn Almachtige en Majestueuze Rab. Dan zal Allāh mij lof en prijzen inspireren die voor niemand anders dan mij zijn bestemd. En nadat ik Hem met deze lofprijzingen in aanbidding ter aarde val, zal Hij tegen mij zeggen: 'O Muhammad! Hef je hoofd op. Zeg en je woorden zullen worden gehoord. Vraag en het zal je gegeven worden Doe voorspraak en je voorspraak zal worden geaccepteerd. Ik zal mijn hoofd opheffen en zeggen: 'O mijn Rab! Mijn ummah! O mijn Rab! Mijn ummah!' Hij zal zeggen: “Laat degenen die zonder afrekening het Paradijs zullen binnengaan, via de rechterpoort van het Paradijs binnenkomen. Zij zullen ook door andere poorten naar binnen gaan.'Bij Hem in Wiens hand mijn ziel is, de ruimte tussen de poorten van het Paradijs is zo groot als de afstand tussen Makkah en Himyar, of tussen Makkah en Busra.” (Ṣaḥīḥ Muslim, 3/66; at-Tirmiḏī, 2434; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/235; Al-Bukharī, 340, 4712; Ṣaḥīḥ Muslim,194)

Deze shafāʿah is specifiek voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). In een hadīth wordt de wijsheid en reden hiervan als volgt uitgelegd:

Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Elke Nabī heeft een du`ā’ waarvan hij weet dat het geaccepteerd zal worden. Ik heb mijn du`ā’ voor mijn ummah bewaard en het zal mijn voorspraak zijn (op Yawmu’l Qiyāmah).” (Al-Bukharī, 6304; Ṣaḥīḥ Muslim, 198)

De shafāʿah waar hier naar wordt verwezen, zal bedoeld zijn om een einde te maken aan het wachten van de mensen op het Maḥshar-plein en om hen zo spoedig mogelijk tot de afrekening te laten overgaan.

Dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zal zeggen: “Yā Rabb, mijn ummah”, wijst op de waarde die hij aan zijn ummah hechtte en op zijn liefde en zorg voor hen.

Van Anas (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Allāh Taʿâlâ zal op Yawmu’l Qiyāmah alle mensen bijeenbrengen. Zij zullen gehoor geven aan dit bevel en zich verzamelen. Niemand zal achterblijven en niemand zal zich verzetten. Daarna zal Allāh Taʿâlâ de mensen inspireren om om shafāʿah te vragen. Eerst zullen zij naar Ādam (عليه السلام) gaan en hem om shafāʿah verzoeken.” (Ṣaḥīḥ Muslim 3/53–54; Ṣaḥīḥ al-Bukhārī 8/160)

Imām al-Ghazālī heeft gezegd: “Het zal duizend jaar duren voordat de mensen zich van Ādam (عليه السلام) naar Nūḥ (عليه السلام) begeven. Elke gang naar een Nabī en terug zal evenveel tijd in beslag nemen.”

3.26: Al-Maqām al-Maḥmūd is de shafāʿah (voorspraak)!

Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah zal ik de meest verhevene zijn onder de kinderen van Ādam (عليه السلام). Dit zeg ik niet uit trots of opschepperij. In mijn hand zal ik de banier van lof (Liwaʾ al-Ḥamd) dragen, en alle anbiyāʾ (عليهم السلام) zullen onder deze banier staan. Op die dag zullen status en bekendheid geen enkele waarde meer hebben. En degene die als eerste uit de aarde zal worden opgewekt, ben ik. Dit zeg ik niet uit trots.

De mensen zullen drie grote rampen meemaken. Uit angst zullen zij naar Ādam (عليه السلام) gaan en zeggen: ‘U bent onze vader, doe shafāʿah voor ons.’

Ādam (عليه السلام) zal zeggen: ‘Ik heb een zonde begaan en daardoor werd ik uit het Paradijs verdreven. Ga naar Nūḥ (عليه السلام).’

Nūḥ (عليه السلام) zal zeggen: ‘Ik heb mijn bijzondere du`ā’ al in het wereldse leven gebruikt, waardoor mijn volk werd vernietigd. Ga naar Ibrāhīm (عليه السلام).’

De mensen zullen naar Ibrāhīm (عليه السلام) gaan, en hij zal zeggen: ‘Ook ik heb drie tekortkomingen.’ In werkelijkheid had hij geen zonden; wat hij bedoelde waren enkele zaken waarin hij enkele godsdienstige geboden verwaarloosde. Hij zal hen verwijzen naar Mūsā (عليه السلام).

Zij zullen naar Mūsā (عليه السلام) gaan en hem om shafāʿah vragen. Hij zal antwoorden: ‘Ik heb iemand gedood. Ga naar ʿĪsā (عليه السلام).’

ʿĪsā (عليه السلام) zal zeggen: ‘Onder de mensen zijn er die mij naast Allāh hebben aanbeden. Ga naar Muḥammad (صلى الله عليه وسلم).’

Daarna zullen de mensen naar mij komen, en ik zal hen meenemen naar (het Aangezicht van) Allāh.” (at-Tirmiḏī, 3148 ve 3615; Aḥmad ibn Ḥanbal, 1/281 ve 3/2)

Volgens de overlevering van Ibn Judʿān zei Anas (رضي الله عنه): “Het is alsof ik Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nog voor mij zie. Hij vertelde ons eens het volgende:

“Daarop zal ik naar de poort van het Paradijs gaan, aankloppen en op de deur bonzen. Van binnen zal worden gevraagd: “Wie is daar?” Ik zal antwoorden: “Ik ben Muḥammad.”

Dan zal de deur worden geopend en zal men zeggen: “Welkom.” Vervolgens zal ik mij in sujūd neerwerpen.

Allāh Taʿâlâ zal tot mij zeggen: “Hef je hoofd op. Vraag, en het zal je gegeven worden. Doe shafāʿah voor wie je wilt.” Dit is al-Maqām al-Maḥmūd.’

وَمِنَ ٱلَّيۡلِ فَتَهَجَّدۡ بِهِۦ نَافِلَةٗ لَّكَ عَسَىٰٓ أَن يَبۡعَثَكَ رَبُّكَ مَقَامٗا مَّحۡمُودٗا ٧٩

Reciteer je gebeden (ook) tijdens bepaalde delen van de nacht.(Want o Mohammed), het zou (best) kunnen zijn dat jouw Heer jou (hierdoor op Yawmu’l Qiyāmah) in status zal verheffen (Maqāman Maḥmūdan) (waardoor jij wél als bemiddelaar mag optreden voor jouw ummah). (al-Isrāʾ, 79) (Volgens at-Tirmiḏī is deze hadīth ḥasan.)

Sufyān al-Thawrī zei dat Anas (رضي الله عنه) slechts het gedeelte heeft overgeleverd waarin staat: “Daarop zal ik naar de poort van het Paradijs gaan, ertegen aankloppen.”

Van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Iedere Nabī heeft één du`ā’ (du`ā’). Zij hebben dit recht allen in het wereldse leven benut. Ik echter heb mijn du`ā’ bewaard om op Yawmu’l Qiyāmah shafāʿah te doen voor mijn ummah.

In mijn hand zal de banier van lof (Liwaʾ al-Ḥamd) zijn. Ādam (عليه السلام) zal onder deze banier komen staan. De mensen zullen die dag zware ontberingen doormaken. Zij zullen zeggen: “Laten wij naar onze vader Ādam (عليه السلام) gaan, zodat hij voor ons shafāʿah doet. Misschien zal Allāh een oordeel over ons vellen, (zodat wij van dit wachten verlost worden.)”

Uiteindelijk zullen zij tot ʿĪsā (عليه السلام) komen en zeggen: ‘Smeek onze Rab om over ons te oordelen.’

ʿĪsā (عليه السلام) zal zeggen: ‘Ik heb dat recht niet. Sommige mensen hebben mij en mijn moeder vergoddelijkt.’ Vervolgens zal hij zeggen: ‘Ga naar Muḥammad (صلى الله عليه وسلم). Vandaag heeft alleen hij dat recht. Zijn vroegere en latere zonden zijn hem vergeven.’

Daarna zullen zij naar mij komen en zeggen: ‘Doe voor ons shafāʿah, zodat onze Rab over ons oordeelt.’

Ik zal zeggen: ‘Als Allāh toestemming geeft, zal ik dat doen.’

Wanneer Allāh Taʿâlâ besluit om over de mensen te oordelen, zal er (op het Maḥshar-plein ) worden uitgeroepen: ‘Waar zijn Muḥammad en zijn ummah?’

Ik zal opstaan en mijn ummah zal mij volgen. De plaatsen van hun wuḍūʾ zullen stralend rood zijn.” (Ṭayālisī, Musnad, 2711)

Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah zal iedere ummah zich verzamelen rond haar eigen Nabī. Zij zullen hun anbiyāʾ (عليهم السلام) smeken: ‘Doe shafāʿah voor ons.’

(Maar niemand zal dit op zich nemen). Uiteindelijk zullen zij naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) komen en hem om shafāʿah vragen. Dat is al-Maqām al-Maḥmūd.” (Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, 4718)

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd gevraagd naar de betekenis van de āyah:

وَمِنَ ٱلَّيۡلِ فَتَهَجَّدۡ بِهِۦ نَافِلَةٗ لَّكَ عَسَىٰٓ أَن يَبۡعَثَكَ رَبُّكَ مَقَامٗا مَّحۡمُودٗا ٧٩

Reciteer je gebeden (ook) tijdens bepaalde delen van de nacht.(Want o Mohammed), het zou (best) kunnen zijn dat jouw Heer jou (hierdoor op Yawmu’l Qiyāmah) in status zal verheffen (Maqāman Maḥmūdan schenken, waardoor jij wél als bemiddelaar mag optreden voor jouw ummah). (al-Isrāʾ, 79)

Hij antwoordde: “Dat is de shafāʿah.” (Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, 3137; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/441 en 528)

Over al-Maqām al-Maḥmūd bestaan vijf verschillende opvattingen:

Volgens de eerste opvatting is al-Maqām al-Maḥmūd (de meest verheven rang, of de positie die door iedereen wordt begeerd en benijd) de shafāʿah op Yawmu’l Qiyāmah, zoals eerder vermeld in de hadīth van hierboven. Dit is de mening van Ibn ʿUmar en Ḥudzayfah ibn al-Yamān (رضي الله عنهما).

Volgens de tweede opvatting is al-Maqām al-Maḥmūd het ontvangen van de Liwāʾ al-Ḥamd (de banier van lof) door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Er is geen tegenstrijdigheid tussen deze opvatting en de eerste, want in de eerder genoemde hadīth wordt naast de shafāʿah ook vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de Liwāʾ al-Ḥamd in zijn hand zal dragen. Van Anas (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Op Yawmu’l Qiyāmah zal ik de eerste zijn die wordt opgewekt. Wanneer de mensen worden opgewekt, zal ik hen toespreken en leiden. Wanneer zij bijeenkomen en wanhopig beginnen te wachten, zal ik degene zijn die als boodschapper zal optreden. In mijn hand zal de Liwāʾ al-Ḥamd zijn. Onder de kinderen van Ādam (عليه السلام) zal ik die dag de meest geëerde zijn.

Ik zeg dit niet uit trots.” (at-Tirmiḏī , 3610) In een andere overlevering wordt hieraan toegevoegd: “Mijn Rab zal mij duizend dienaren toewijzen.”

De derde opvatting wordt door al-Ṭabarī toegeschreven aan enkele leerlingen van Mujāhid. Volgens hen zou al-Maqām al-Maḥmūd betekenen dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op Yawmu’l Qiyāmah op een speciale troon zal plaatsnemen. Deze opvatting wordt echter niet geaccepteerd, want Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) zal op Yawmu’l Qiyāmah naast de andere anbiyāʾ (عليهم السلام) zitten.

Volgens een andere opvatting is al-Makâm al-Mahmûd het recht dat aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wordt gegeven om bepaalde mensen uit het vuur van de Hel te redden. Van Anas (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Ik zal (shafā‘ah doen) en mensen uit de Hel redden. Ik zal er velen eruit halen, maar ik kan niets doen aan degenen aan wie de Qur’ān is voorgeschreven om deze daar achter te laten.” (Dat wil zeggen, degenen die voor eeuwig in de Hel zullen blijven, de kāfirs en de hypocrieten (munāfiqs), vallen niet onder deze shafā‘ah. “Dit is dus al-Makâm al-Mahmûd die aan jullie Nabī beloofd is.” (Ṣaḥīḥ al-Bukhārī)

Volgens weer een andere opvatting zal al-Makâm al-Mahmûd bestaan uit shafā‘ah op vier verschillende momenten. Hier zullen we later specifiek op ingaan.

Uitleg:Er is geen twijfel dat al-Makâm al-Mahmûd betrekking heeft op shafā‘ah. Alle opvattingen komen hierin overeen. Het verschil zit in het aantal keren dat de shafā‘ah plaatsvindt.

Volgens an-Nakkāsh zal Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) drie keer shafā‘ah verrichten:

De algemene shafā‘ah genoemd in het hierboven geciteerde hadīth; Dat wil zeggen: de voorspraak die zal plaatsvinden zodat de mensen snel ter verantwoording worden geroepen en niet op het Maḥshar-plein hoeven te wachten.

De speciale shafā‘ah voor degenen die als eerste het Paradijs zullen binnengaan.

De shafā‘ah voor de mu’mins die grote zonden hebben begaan (en die op weg zijn om hun straf in de Hel te ondergaan)

Volgens Ibn ‘Atīyyah vindt de shafā‘ah twee keer plaats: eerst de algemene shafā‘ah, en vervolgens de shafā‘ah voor grote zondaars.

Volgens Qāḍī ʿIyāḍz zal Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op Yawmu’l Qiyāmah op vijf momenten shafā‘ah verrichten:

De algemene shafā‘ah die in de bovenstaande hadīth wordt genoemd; dat wil zeggen de shafā‘ah die wordt verricht zodat de mensen zo snel mogelijk ter verantwoording worden geroepen en niet langdurig op het Maḥshar-plein hoeven te wachten.

Shafā‘ah voor degenen wiens goede daden zwaar wegen, zodat zij zonder berechting het Paradijs mogen binnengaan.

Shafā‘ah voor de mu’mins die de Hel verdienen wegens hun zonden.

Shafā‘ah voor degenen die de Hel verdiend hebben en al de Hel betreden hebben; zij zullen door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) uit de Hel worden gehaald. Engelen en andere anbiyā’ zullen ook shafā‘ah verrichten voor deze mensen.

Shafā‘ah om de graden van de bewoners van het Paradijs te verhogen.Wij willen hier een zesde punt aan toevoegen:

De shafā‘ah die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zal verrichten om de straf van zijn oom, Abū Tālib, te verlichten. Er is een hadīth waarin dit wordt genoemd: de naam van zijn oom komt ter sprake en Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Inshā’Allāh zal mijn shafā‘ah mijn oom ten goede komen. Hij zal slechts tot zijn enkels in het vuur staan.

Dit vuur zal zijn hersenen koken.” (Bukhârî, 11/417; Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/9 ve 55.)

Islamitische geleerden zijn het oneens over de vraag of de anbiyā’ en moge Allāh hen de shafā‘ah verlenen) na hun profeetschap fouten hebben begaan. Alle geleerden zijn het echter eens dat de anbiyā’ geen grote zonden hebben gepleegd; hierover bestaat geen meningsverschil of twijfel.Bovendien hebben de anbiyā’ geen enkele kleine zonde of fout begaan die hen ongepast zou maken of hun positie zou schaden. Volgens Abū Bakr (Ibn al-‘Arabī) bestaat er volledige consensus onder de geleerden over dit punt. De waardevolle geleerde Abū Bakr (Ibn al-‘Arabī) legt uit dat dit het gevolg is van het wonder dat specifiek aan de anbiyā’ is gegeven.

Sommige fiqhgeleerden, zoals At-Tābarī, evenals de theologen en hadīthgeleerden, menen echter dat anbiyā’ niet vrij zijn van kleine misstap/onopzettelijke fouten of tekortkomingen (zallah); dat wil zeggen, ze zouden kleine onvolkomenheden kunnen hebben. Dit wordt gezien als een gevolg van hun mens-zijn en doet geen afbreuk aan hun profeetschap (m.a.w. ze tasten hun profetische status of gezag niet aan.)

De meerderheid van de Hanafi-, Shafi’i en Maliki-faqīh’s en geleerden zijn van mening dat anbiyā’ ook beschermd zijn tegen kleine misstappen en kleine zonden. Allāhu Ta‘ālā heeft ons opgedragen het gehele leven van de anbiyā’ als voorbeeld te nemen. Als het mogelijk zou zijn dat de anbiyā’ fouten maakten, zouden we hen niet als voorbeeld kunnen volgen, omdat we dan niet zouden kunnen onderscheiden wat correct of incorrect is in hun daden. Zo zouden we niet weten wat we wel of niet als voorbeeld moeten nemen.

Ustād Abū Ishāq al-Isfarayānī merkt op dat geleerden verdeeld zijn over kleine zonden. Volgens de meerderheid van de geleerden is het ook niet mogelijk dat anbiyā’ kleine fouten begaan. Sommige geleerden menen echter dat, vanwege hun menselijkheid, anbiyā’ kleine zonden zouden kunnen begaan.

Maar latere geleerden hebben de volgende mening: Wanneer we naar de Qur'ān kijken, zien we dat sommige anbiyā’ en moge Allāh hen de shafā‘ah verlenen) bepaalde fouten hebben begaan en daarom zien we dat zij met sommige waarschuwingen en straffen worden geconfronteerd. (Zoals Ādam (عليه السلام) die het verbod in het Paradijs overtrad, Mūsā (عليه السلام) die een Egyptenaar doodde, en Yūnus (عليه السلام) die zijn volk verliet).Het feit dat zij berouw toonden is eveneens bevestigd in de ayāt. Toch werd hun status of rang nooit geschaad, want zij zijn mensen zoals wij. Deze fouten waren kleine menselijke misstappen en ontstonden door ongeduld of vergeetachtigheid van de anbiyā’ en moge Allāh hen de shafā‘ah verlenen).

In feite behoren de overtredingen die in de ayāt worden genoemd tot de normale fouten die ieder mens in het dagelijks leven kan maken. De anbiyā’ begingen deze slechts enkele malen in hun leven. Bovendien hebben alle anbiyā’ en moge Allāh hen de shafā‘ah verlenen) deze fouten niet volhardend begaan, maar hebben zij veelvuldig berouw getoond.

Toelichting:… Van `Ukbah ibn ‘Āmir (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Īsā (عليه السلام) zal zeggen: “Zal ik jullie een ummī nabī laten zien?” en de mensen naar mij sturen. De mensen zullen naar mij komen. Allāhu Ta‘ālā zal mij toestaan om op te staan, en ik zal ook opstaan en rechtop gaan staan. Tegelijkertijd zal er een licht over mij zijn dat van de toppen van mijn haar tot aan mijn teennagels straalt. De heerlijke geur die ik uitstraal zal door iedereen worden waargenomen. Mijn Rab zal mij bevelen of toestaan shafā‘ah te verlenen.

Op dat moment zullen de kāfirs zeggen: 'De mu’mins hebben iemand gevonden die voor hen shafā‘ah kan doen, wat moeten wij dan doen?' Daarna zullen ze zeggen: 'Als iemand shafā‘ah voor ons kan doen, is het wel iblīs.' Ze zullen naar hem toe gaan en zeggen: 'De mu’mins hebben iemand gevonden die shafā‘ah kan doen voor hen. Jij bent degene die ons deze toestand heeft gebracht. Sta op en verleen ons shafā‘ah.' Hierop zal de shayṭān opstaan, maar hij zal zo verschrikkelijk vies ruiken dat de kāfirs deze geur zullen blijven ruiken tot zij in de Hel worden geworpen. Zoals in de āyah staat:وَقَالَ ٱلشَّيۡطَٰنُ لَمَّا قُضِيَ ٱلۡأَمۡرُ إِنَّ ٱللَّهَ وَعَدَكُمۡ وَعۡدَ ٱلۡحَقِّ وَوَعَدتُّكُمۡ فَأَخۡلَفۡتُكُمۡۖ وَمَا كَانَ لِيَ عَلَيۡكُم مِّن سُلۡطَٰنٍ إِلَّآ أَن دَعَوۡتُكُمۡ فَٱسۡتَجَبۡتُمۡ لِيۖ فَلَا تَلُومُونِي وَلُومُوٓاْ أَنفُسَكُمۖ مَّآ أَنَا۠ بِمُصۡرِخِكُمۡ وَمَآ أَنتُم بِمُصۡرِخِيَّ إِنِّي كَفَرۡتُ بِمَآ أَشۡرَكۡتُمُونِ مِن قَبۡلُۗ إِنَّ ٱلظَّٰلِمِينَ لَهُمۡ عَذَابٌ أَلِيمٞ ٢٢

En sheitan zei toen de zaak besloten was: “Waarlijk, Allāh heeft jullie een ware belofte gedaan.

En ik heb jullie ook iets beloofd maar ik heb jullie verraden. Ik had geen gezag over jullie, behalve dat ik jullie geroepen heb en jullie mijn (roep) beantwoord hebben. Geef mij dus niet de schuld maar geef jullie zelf de schuld. Ik kan jullie niet helpen, noch kunnen jullie mij helpen. Ik ontken (het feit) dat jullie mij voordien als deelgenoot naast Allāh hebben geplaatst. Waarlijk, er is een pijnlijke bestraffing voor de onrechtvaardigen.” (Ibrahim, 14:22)

3.27: De persoon die het meest zal verheugen over de voorspraak (shafāʿah) van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم)

Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Ik vroeg aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Wie zal op Yawmu’l Qiyāmah het meest blij zijn met uw shafāʿah?” Hij antwoordde: “Ik weet hoe gretig je bent om hadīth te leren. Daarom wist ik dat jij deze vraag als eerste zou stellen. De persoon die op Yawmu’l Qiyāmah het meest waardig is voor mijn shafāʿah en er het meest blij mee zal zijn, is degene die oprecht 'lā ilāha illallāh' zegt.” (Al-Bukharī, 11/417; Ahmad b. Hanbal, 2/373)

Van Zayd bin Arkam (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie oprecht en vanuit het hart zegt: 'lā ilāha illallāh', zal uiteindelijk het Paradijs binnengaan.” Toen aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd gevraagd wat ‘oprecht en vanuit het hart zeggen’ betekent, zei Hij: “Oprecht 'lā ilāha illallāh' zeggen betekent dat men zich onthoudt van datgene wat Allāh heeft verboden, dat men vreest deze verboden daden te begaan en dat men zich ongemakkelijk voelt bij het overtreden van harām.” Deze laatste overlevering behoort toe aan at-Tirmiḏī. at-Tirmiḏī heeft deze hadīth opgenomen in zijn werk Nawâdiru’l-`Usûl.

3.28: Het rondzweven van de daden-registers en het vinden van hun eigenaars; Het uitreiken van de daden-registers van links of rechts; De eerste die de daden-registers van rechts ontvangt; Het wachten van mensen voor de afrekening; Rechtvaardige bestuurder en rechtvaardige rechter.

يَوۡمَ نَدۡعُواْ كُلَّ أُنَاسِۭ بِإِمَٰمِهِمۡۖ فَمَنۡ أُوتِيَ كِتَٰبَهُۥ بِيَمِينِهِۦ فَأُوْلَٰٓئِكَ يَقۡرَءُونَ كِتَٰبَهُمۡ وَلَا يُظۡلَمُونَ فَتِيلٗا ٧١

(En gedenk) de Dag wanneer Wij alle mensen met hun leider zullen oproepen. Wie dan zijn geschrift in zijn rechterhand krijgt, van hen worden de geschriften (daden-registers) gelezen en zij zullen niet in het minste onrechtvaardig behandeld worden. (Isrā, 17:71)

ʿUmar (رضي الله عنه) heeft gezegd: “Voordat Allāh jullie ter verantwoording roept, reken dan zelf rekenschap af. Doe zelfreflectie/zelfonderzoek. Bereid jezelf voor op de Grote Afrekening. Wie dit doet, zal een makkelijke afberekening hebben.” (at-Tirmiḏī, 2459)

Ata al-Horasani zegt: "Op Yawmu’l Qiyāmah zal de mens zelfs rekenschap moeten afleggen over zijn goede en halāl zaken. Hieruit begrijpen we hoe streng de afberekening door Allāh zal zijn." (Abû Nuaym, Hilyah)

Van ʿĀ’ishah (رضي الله عنها): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah zal iedereen die wordt afgerekend, straf ondergaan.”Daarop vroeg ik: “O Rasûlullāh! In de āyah staat:

فَأَمَّا مَنۡ أُوتِيَ كِتَٰبَهُۥ بِيَمِينِهِۦ ٧ Wat betreft degene die dan zijn boek in zijn rechterhand wordt gegeven.

فَسَوۡفَ يُحَاسَبُ حِسَابٗا يَسِيرٗا ٨ Hij zal zeker een gemakkelijke afrekening krijgen. (Inshiqāq, 84:7-8)

Hij antwoordde: “Wat in deze āyah bedoeld wordt, heeft te maken met het uitreiken van de daden-register aan de mensen. Want de toestand van degene wiens afrekening is geschied zal zeer moeilijk zijn / zijn situatie zal erbarmelijk zijn.” (Ṣaḥīḥ Bukhârî, 1/196; Abû Dāwûd, 3093.; Aḥmad ibn Ḥanbal, 6/47,91 ve 127; Ṣaḥīḥ Muslim, 17/208; at-Tirmiḏī, 3338)

Van ʿUmar bin Ḥattāb (رضي الله عنه) via ʿĀ’ishah (رضي الله عنها) over bestuurders en rechters is het volgende hadīth overgeleverd: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een rechtvaardige bestuurder en staatsman zal op Yawmu’l Qiyāmah verantwoording afleggen. Zijn afrekening zal zo streng zijn dat zelfs de nalatigheid die hij heeft getoond met betrekking tot een halve dadel voor hem neergelegd worden.” (Ṭayālīsī, Musnad, 1546, Aḥmad ibn Ḥanbal, 6/75)

Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Mensen zullen op Yawmu’l Qiyāmah hun daden (a‘māl) drie keer worden gepresenteerd. De eerste keer is voor het verantwoorden aan Allāh en het aanhoren van de getuigen. De tweede keer worden de excuses van de persoon aangehoord. Gedurende dit proces vliegen de daden-registers van de ene hand naar de andere en van de ene kant naar de andere. Ten slotte (in de derde fase) grijpt sommigen dit daden-register met hun rechterhand, anderen met hun linkerhand.” (at-Tirmiḏī, 2425; Aḥmad ibn Ḥanbal, 4/414; İbni Mājah, 4277)

Van Abû Mûsa al-Ash`arî (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Mensen zullen op Yawmu’l Qiyāmah driemaal voor Allāh’s aangezicht gebracht worden; hun daden zullen drie keer aan hen gepresenteerd worden. De eerste twee keren verlopen door strijd (het verantwoorden aan Allāh en het antwoord van de dienaar). Bij de derde keer vliegen de daden-registers van links naar rechts, en van rechts naar links, (totdat de eigenaren ze grijpen, sommigen met hun rechterhand, anderen met hun linkerhand.)”

Een andere overlevering die door at-Tirmiḏī wordt overgeleverd, luidt:“Degene die het meest lof verdient, is Allāh. Niemand anders verdient zoveel lof als Hij.

Degene aan Wie men excuses zal aanbieden, is Allāh Ta'ālā. Voor de mu’mins is de derde wens de grootste. Op dat moment is iedereen bezorgd over zijn eigen toestand. Degene die Allāh die dag ter verantwoording roept, zal zich diep schamen; zijn zweet zal op zijn voeten druppelen. Daarna vergeeft Allāh zijn dienaar en drukt uit dat Hij tevreden over hem is.” (Ṣaḥīḥ Bukhârî, 8/295; Ṣaḥīḥ Muslim, 17/76; at-Tirmiḏī, 3530; Aḥmad ibn Ḥanbal, 1/381)

Van Anas bin Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Alle daden-registers worden onder de `Arsh bewaard. Op de Mahşer-dag zal, op bevel van Allāh, een wind opsteken die de registers heen en weer zal doen vliegen. De eerste zin in het daden-register van een mens is deze āyah: ٱقۡرَأۡ كِتَٰبَكَ كَفَىٰ بِنَفۡسِكَ ٱلۡيَوۡمَ عَلَيۡكَ حَسِيبٗا ١٤

(Er zal tegen hem gezegd worden): “Lees jouw boek. Op deze Dag is jouw eigen ziel voldoende als berekenaar tegen jou.” (Isrā, 17:14)

VanʿĀ’ishah (رضي الله عنها): “Toen ik aan de Hel dacht, begon ik te huilen. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg mij: “Waarom huil je?” Ik zei: “Omdat ik aan de Hel dacht en daarom huilde ik. Zult u op die dag uw familie en geliefden herinneren?”

Hij antwoordde: “Er zijn drie momenten waarop niemand iemand zal herinneren:

Wanneer de Weegschaal wordt opgesteld; op dat moment maakt iedereen zich zorgen of zijn zonden of zijn verdiensten zwaarder zullen zijn.

Wanneer de daden-registers worden uitgedeeld; de mens denkt of zijn daden-register van rechts, links of van achteren zal worden gegeven.

Wanneer de Sirāt tussen de twee toppen van de Hel wordt geplaatst; iedereen is dan bezorgd of hij erover zal kunnen passeren of niet.” (Abû Dāwûd, 4729; Aḥmad ibn Ḥanbal, 6/75 ve 245)

Van Zayd bin Sābit (رضي الله عنه). Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degene binnen deze ummah die als eerste zijn daden-register van rechts zal ontvangen, is `Umar b. Khattab. Op die dag zal `Umar (of zijn daden-register) stralen als zonlicht.”Anderen vroegen: “Waar zal Abû Bakr dan zijn?" an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: "Op dat moment zullen de engelen hem door het Paradijs rondleiden.”

Van Mu‘ādz bin Jabal (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op de Mahshar-dag zal Allāhu Ta‘ālā op een zeer hoge maar zachte stem aanspreken: 'O mijn dienaren! Ik ben Allāh. Er is geen godheid behalve Mij. Ik ben de meest barmhartige van alle barmhartigen. Er is niemand die betere en rechtvaardiger oordeelt dan Ik. Ik ben de beste en snelste in het afrekenen. O mijn dienaren! Wees vandaag niet bang en treur niet. Breng jullie je bewijsstukken, zodat jullie afrekening gemakkelijk wordt. Nu zullen jullie allen ter verantwoording worden geroepen. Alles zal aan jullie gevraagd worden. Mijn engelen! Breng mijn dienaren in gelijke rijen. Laat de tenen op één lijn staan.”

Dâraqutnî heeft overgeleverd: Van Anas (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:

“Op Yawmu’l Qiyāmah zal een verzegeld daden-register worden gebracht en aan Allāh voorgelegd”. Allāhu Ta‘ālā zal dan bevelen: ‘Verwijder dit en dat. Laat dit en dat staan.’ De engelen zullen zeggen: ‘Bij Uw Majesteit, wij hebben in dit daden-register niets anders dan goedheid gezien.’ Terwijl Allāh Degene is Die het beste weet.

Vervolgens zal Hij tot de engelen zeggen: ‘Wat jullie hier zien, is niet verricht om Mijn welbehagen. Gooi het weg. Ik aanvaard slechts de daden die uitsluitend om Mijn welbehagen zijn verricht.” Dâraqutnî heeft deze authentieke hadīth eveneens via Abû Hurayrah (رضي الله عنه) overgeleverd.

Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei over de āyah:

يَوۡمَ نَدۡعُواْ كُلَّ أُنَاسِۭ بِإِمَٰمِهِمۡۖ فَمَنۡ أُوتِيَ كِتَٰبَهُۥ بِيَمِينِهِۦ فَأُوْلَٰٓئِكَ يَقۡرَءُونَ كِتَٰبَهُمۡ وَلَا يُظۡلَمُونَ فَتِيلٗا ٧١

(En gedenk) de Dag wanneer Wij alle mensen met hun leider zullen oproepen. Wie dan zijn geschrift in zijn rechterhand krijgt, van hen worden de geschriften gelezen en zij zullen niet in het minste onrechtvaardig behandeld worden. (Isrā, 17:71), ieder van jullie zal worden opgeroepen bij Allāh en zijn geschrift (daden-register) zal hem in zijn rechterhand worden gegeven. Zijn lichaam zal tot zestig armlengte worden vergroot. Zijn gezicht zal stralend wit stralen en op zijn hoofd zal een kroon van parels worden geplaatst. Daarna zal hij terugkeren naar zijn vrienden.

Zijn vrienden zullen zeggen: ‘O onze Rab, schenk ook ons (een aandeel) hierin en verleen ons dezelfde zegeningen.” Tegen zijn mu’min vrienden zal worden gezegd: ‘Verkondig het goede nieuws dat iedere mu’min op dezelfde wijze zal worden behandeld.’

Het gezicht van de kāfir daarentegen zal pikzwart worden. Ook zijn lichaam zal tot zestig armlengte worden vergroot en op zijn hoofd zal een kroon van vuur worden geplaatst. In die toestand zal hij terugkeren naar zijn vrienden. Wanneer zij hem zien, zullen zij zeggen: ‘Wij zoeken toevlucht bij Allāh tegen tegen dat zoiets ons overkomt. O onze Rab, laat ons dit niet overkomen. Schenk ons zoiets niet.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vervolgde: “Wanneer de kāfir in deze toestand terugkeert naar zijn vrienden, zullen zij zeggen: ‘O Allāh, houd dit ver van ons.’ De kāfir zal antwoorden: ‘Moge Allāh ook jullie ver van mij houden. Iedere kāfir zal op dezelfde wijze worden behandeld.” ( at-Tirmiḏī, 3136)

Er wordt overgeleverd dat ʿĪsā (عليه السلام) eens langs een graf kwam. Hij raakte het graf met zijn voet aan en zei: “O jij die in dit graf ligt, sta op met de toestemming van Allāh.”

De man stond op en zei: “O NabīAllah, zeg wat u wenst. Ik sta hier al zeventig jaar wachtend voor de afrekening. Toen kwam er plotseling een stem die mij opdroeg op te staan en met u te spreken.”

ʿĪsā (عليه السلام) vroeg: “Jij bent een man met veel zonden. Wat heb je gedaan dat je zo zondig bent geworden?”

De man antwoordde: “Ik droeg hout op mijn rug en schouders. Ik verdiende mijn inkomen op halāl wijze, gaf ṣadaqah en hielp de mensen.”

ʿĪsā (عليه السلام) zei: “Subḥānallāh! Een houthakker die halāl verdient en ṣadaqah geeft en toch staat hij al zeventig jaar te wachten op zijn afrekening.”

De man vervolgde: “De reden waarom mijn Rab mij bestraft, is het volgende: Mijn Rab zei tot mij: “Weet je nog dat je eens een tak afbrak, in stukken scheurde en ergens anders weggooide? Daarbij wilde je zogenaamd uitproberen of Ik je wel of niet zag. Terwijl jij weet dat Ik Allāh ben, Degene Die alles weet en alles ziet.”

Uitlegوَكُلَّ إِنسَٰنٍ أَلۡزَمۡنَٰهُ طَٰٓئِرَهُۥ فِي عُنُقِهِۦۖ وَنُخۡرِجُ لَهُۥ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ كِتَٰبٗا يَلۡقَىٰهُ مَنشُورًا ١٣

En Wij hebben de daden van iedereen aan zijn nek vastgemaakt, en op Yawmu’l Qiyāmah zullen Wij een boek voor hem tevoorschijn brengen, wat hij opengeslagen zal aantreffen. (Isrā, 17:13)

Zajjâj zegt: Hier wordt bedoeld dat de daden van ieder mens als een boei of een teugel om de nek zullen worden gehangen. Volgens Ibrāhīm ibn Āthīm zal op Yawmu’l Qiyāmah bij ieder mens een touw of een teugel om de nek hangen; de daden-registers zullen daaraan worden gehangen. Dit register wordt bij de dood van de mens opgevouwen bewaard en bij de wederopstanding weer geopend en voor hem geplaatst met de woorden:

ٱقۡرَأۡ كِتَٰبَكَ كَفَىٰ بِنَفۡسِكَ ٱلۡيَوۡمَ عَلَيۡكَ حَسِيبٗا ١٤

(Er zal tegen hem gezegd worden): “Lees jouw boek. Op deze Dag is jouw eigen ziel voldoende als berekenaar tegen jou.” (Isrā, 17:14)

ʿIbni ʿAbbās bevestigde dat met de betekenis van de āyah bedoeld wordt dat het gaat om de daden en het daden-register: وَكُلَّ إِنسَٰنٍ أَلۡزَمۡنَٰهُ طَٰٓئِرَهُۥ فِي عُنُقِهِۦۖ وَنُخۡرِجُ لَهُۥ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ كِتَٰبٗا يَلۡقَىٰهُ مَنشُورًا ١٣

En Wij hebben de daden van iedereen aan zijn nek vastgemaakt, en op Yawmu’l Qiyāmah zullen Wij een boek voor hem tevoorschijn brengen, wat hij opengeslagen zal aantreffen. (Isrā, 17:13)

Ḥasan al-Baṣrī zegt dat zelfs een ongeletterd persoon op die dag het daden-register zal kunnen ‘lezen’.

O dierbare broeder! Denk goed na! Leg rekenschap over jezelf af. Denk eraan: op die dag zal het daden-register van hand tot hand worden doorgegeven en uiteindelijk bij jou komen. De weegschalen worden opgesteld. Dan zal men jou bij je naam rechtstreeks aanspreken en je naar Allāh leiden. Iedereen zal jou volgen. Niemand zal je verwarren met iemand die op je lijkt. Zelfs als jullie namen van vader en grootvader hetzelfde zijn, zal niemand een verkeerd daden-register ontvangen. Wanneer je naam bij Allāh wordt uitgesproken, zal je hart voelen dat de daden werkelijk van jou zijn. Ook je ledematen zullen alles kennen en aangeven. Vluchten of bezwaar maken is niet mogelijk. Je zult niet kunnen zeggen: “Ik heb dit niet gedaan, dit is niet mijn naam, dit daden-register is niet van mij.” Op dat moment zal iedereen zijn ogen op jou richten en jou volgen.

Vergeet het niet! Op een dag zul je verschijnen voor je Rab, Die jou geschapen heeft en jou alles heeft gegeven. In het daden-register dat Hij in Zijn hand houdt, zal alles over jou geschreven staan. Op die dag zullen zelfs je geheime daden aan het licht komen. Jij zult die lezen en erkennen. Iedereen daar zal horen wat jij hebt gedaan. Op die dag zul je je zelfs de kleinste fouten herinneren.

Degene die een mooie en gezegende daad is begonnen, of zijn daad voor Allāh op de beste manier heeft verricht, wordt persoonlijk bij naam en de naam van zijn vader geroepen. De mensen die dankzij hem (die mooie en gezegende daad hebben verricht) zullen hem volgen. Wanneer hij bij Allāh aankomt, wordt zijn daden-register voor hem neergelegd, geschreven in witte letters op een volledig wit boek.

Het register is zelf volledig wit. Aan het begin staan de slechten daden en aan het eind de goede. Eerst begint hij zijn slechte daden te lezen.

Terwijl hij leest, verbleekt hij, wordt geel, en daarna rood (van emotie). Wanneer hij het einde van het boek bereikt, leest hij de woorden:“Dit zijn jouw slechte daden, maar ze zijn allemaal vergeven.”

Wanneer hij dit leest, wordt hij heel blij. Vervolgens slaat hij de pagina’s om en begint zijn goede daden te lezen. Hoe meer hij leest, hoe groter zijn vreugde wordt. Wanneer hij klaar is met het lezen van zijn goede daden, leest hij de laatste zin:“Dit zijn jouw goede daden. Hun beloning is meervoudig vermenigvuldigd.”

Van vreugde straalt zijn gezicht. Daarna krijgt hij een kroon op zijn hoofd en wordt hij gekleed in een zijden gewaad dat al zijn ledematen bedekt. Zijn lengte wordt verlengd tot 60 armlengte, wat overeenkomt met de lengte van Ādam (عليهم السلام)

Dan wordt hem gezegd: “Ga nu naar je vrienden en vertel hen over deze schoonheden.”

Vervolgens gaat deze man in die toestand naar zijn vrienden en zegt: “Raad eens wie ik ben.”

Zij zeggen: “Moge Allāh tevreden met je zijn. We herkennen je van ergens, maar wie ben je werkelijk?”

De man antwoordt: “Ik ben die en die. Ik ben de zoon van die en die. Herkennen jullie me niet? Allāh heeft mij gestuurd om jullie het goed nieuws te brengen.”

فَأَمَّا مَنۡ أُوتِيَ كِتَٰبَهُۥ بِيَمِينِهِۦ فَيَقُولُ هَآؤُمُ ٱقۡرَءُواْ كِتَٰبِيَهۡ ١٩

Dan zal degene die zijn verslag/register in zijn rechterhand krijgt, zeggen: “Neem, lees mijn verslag/register!

إِنِّي ظَنَنتُ أَنِّي مُلَٰقٍ حِسَابِيَهۡ ٢٠

Zeker, ik was er van overtuigd dat ik mijn afrekening zou ontmoeten!”

فَهُوَ فِي عِيشَةٖ رَّاضِيَةٖ ٢١

Dus zal hij in een weltevreden leven zijn.

فِي جَنَّةٍ عَالِيَةٖ ٢٢

In een hooggelegen Tuin (het Paradijs).

قُطُوفُهَا دَانِيَةٞ ٢٣

Waarvan het fruit in trossen, laaghangend en dicht bij de hand is.

كُلُواْ وَٱشۡرَبُواْ هَنِيٓـَٔۢا بِمَآ أَسۡلَفۡتُمۡ فِي ٱلۡأَيَّامِ ٱلۡخَالِيَةِ ٢٤

(Er wordt gezegd:) “Eet en drink smakelijk wegens wat jullie hebben verricht in de vroegere dagen.” (Hāqqa, 69:19-24)

Degene die vooropging in slechte daden (slechte daden voor het eerst introduceerden), wordt op dezelfde manier bij naam en de naam van zijn vader geroepen bij Allāh. De mensen die deze slechte man hebben gevolgd, komen ook met hem mee. Voor hem wordt een volledig zwart daden-register neergelegd. De teksten daarin zijn ook volledig zwart. Aan het begin van het register staan de goede daden, en aan het einde de slechte.

Hij begint zijn goede daden te lezen. Terwijl hij leest, denkt hij dat hij gered zal worden. Maar wanneer hij het einde bereikt, leest hij de woorden: “Dit zijn jouw goede daden, maar ze zijn niet geaccepteerd (of je hebt hun beloning in de wereld reeds ontvangen).” Op dat moment wordt zijn gezicht gietzwart van verdriet. Vervolgens slaat hij het register om en begint zijn slechte daden te lezen. Terwijl hij leest, wordt zijn innerlijke toestand steeds donkerder. Zijn verdriet en wanhoop nemen toe. Aan het einde leest hij de woorden: "Dit zijn jouw slechte daden. (Ze zullen niet worden vermeerderd), maar jouw straf zal hevig zijn."

Hij ziet het Hellevuur en kijkt naar het vuur. Zijn ogen worden groen van het turen naar de vlammen. Hij wordt gekleed in een kledingstuk van teer.

وَأَمَّا مَنۡ أُوتِيَ كِتَٰبَهُۥ بِشِمَالِهِۦ فَيَقُولُ يَٰلَيۡتَنِي لَمۡ أُوتَ كِتَٰبِيَهۡ ٢٥

Maar degene die zijn verslag/register in zijn linkerhand krijgt, zal zeggen: “Wee mij, was mijn verslag maar niet (aan mij) gegeven!

وَلَمۡ أَدۡرِ مَا حِسَابِيَهۡ ٢٦

En ik weet niet hoe mijn afrekening zal zijn.

يَٰلَيۡتَهَا كَانَتِ ٱلۡقَاضِيَةَ ٢٧

O, had de dood maar aan mij een einde gemaakt!

مَآ أَغۡنَىٰ عَنِّي مَالِيَهۡۜ ٢٨

Mijn welvaart is mij niet tot nut geweest.

هَلَكَ عَنِّي سُلۡطَٰنِيَهۡ ٢٩

Mijn macht is van mij weggegaan!”

خُذُوهُ فَغُلُّوهُ ٣٠

(Er zal gezegd worden): “Grijp hem en keten hem,

ثُمَّ ٱلۡجَحِيمَ صَلُّوهُ ٣١

Gooi hem dan in het laaiende vuur.

ثُمَّ فِي سِلۡسِلَةٖ ذَرۡعُهَا سَبۡعُونَ ذِرَاعٗا فَٱسۡلُكُوهُ ٣٢

Bindt hem vast met een ketting waarvan de lengte zeventig armlengten is!” (Hāqqa, 69:25-32)

VerklaringIn de hadîth wordt vermeld dat mensen bij naam en de naam van hun vader zullen worden geroepen: “O zoon van die en die” Daarom moeten namen van mensen mooi zijn, zodat men zich op Yawmu’l Qiyāmah niet schaamt voor zijn naam, of dat de aanwezigen hem niet beschamen of berispen”.

De hadîth van Abû’d-Dardâ (رضي الله عنه) verduidelijkt dit punt: “Op Yawmu’l Qiyāmah zul je bij naam en de naam van je vader worden geroepen bij Allāh. Geef daarom (je kinderen) mooie namen /verander je eigen naam naar een mooie als die niet mooi is.”

3.29: Zwart wordende en verlichte gezichten – grote en kleine zonden

يَوۡمَ تَبۡيَضُّ وُجُوهٞ وَتَسۡوَدُّ وُجُوهٞۚ فَأَمَّا ٱلَّذِينَ ٱسۡوَدَّتۡ وُجُوهُهُمۡ أَكَفَرۡتُم بَعۡدَ إِيمَٰنِكُمۡ فَذُوقُواْ ٱلۡعَذَابَ بِمَا كُنتُمۡ تَكۡفُرُونَ ١٠٦

Op de Dag zullen er sommige gezichten wit worden en andere gezichten zwart worden. Tegen degenen wiens gezichten zwart worden (zal gezegd worden): “Hebben jullie het geloof verworpen nadat jullie ertoe zijn over gegaan? Proef dan de bestraffing voor het verwerpen van het geloof.” (Āl ʿImrān, 3:106)

Wanneer het daden-register wordt neergelegd, zul je de zondaars zien, met gebogen hoofden, in angst en paniek:

…وَيَقُولُونَ يَٰوَيۡلَتَنَا مَالِ هَٰذَا ٱلۡكِتَٰبِ لَا يُغَادِرُ صَغِيرَةٗ وَلَا كَبِيرَةً إِلَّآ أَحۡصَىٰهَاۚ…

…“ Zij zullen zeggen:Wee voor ons! Wat voor soort boek is dit, dat niets kleins of niets groots verzwijgt maar het zelfs berekend!”…(Kahf, 18:49)

Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh zei: “Op de Dag zullen er sommige gezichten wit worden en andere gezichten zwart worden. Tegen degenen wiens gezichten zwart worden… (zie hierboven: (Ali Imrān, 3:106)

Over deze āyah zei hij: “Dat wil zeggen: de gezichten van Ahl as-Sunnah zullen wit worden, en de gezichten van Ahl al-Bidʿah zullen zwart worden.” (Daylamī, nr. 8987)

De opvatting dat met de wit wordende gezichten van de lieden van Ahl as-Sunnah worden bedoeld en met de zwart wordende gezichten van de leiden van Ahl al-Bidʿah, is overgeleverd van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) en anderen. (Ibn Abī Ḥātim, Tafsīr, 3/729)

Imām Mālik zei dat de zwart wordende gezichten toebehoren aan degenen die hun begeerten volgen. Ḥasan al-Baṣrī zei dat zij de munāfiqs zijn.

Qatādah zei dat het de afvalligen (murtads) zijn, en `Ubay ibn Kaʿb (رضي الله عنه) zei dat het de kāfirs zijn.

O Allāh, op de dag waarop de gezichten van Uw awliyā’ verlicht worden, verlicht ook onze gezichten. Maak onze gezichten niet zwart op de dag waarop de gezichten van Uw vijanden zwart worden. Omwille van Uw uitverkoren dienaren, de anbiyā’’ en de rusul (عليهم السلام). O Allāh, Bezitter de grootste gunst, schenk ons dit uit Uw gunst. O Meest Edelmoedige, eer ons met Uw vrijgevigheid.

3.30: Grote en kleine zonden

Van `Umar (رضي الله عنه), hij zei tegen Ka’b: “Vertel ons over de gebeurtenissen van Yawmu’l Qiyāmah.”Ka’b antwoordde: “Ja, o leider van de mu’mins! Op Yawmu’l Qiyāmah wordt de Lawh al-Mahfūz opgeheven. Niemand blijft over van de schepselen behalve hij. Men kijkt naar zijn daden. Daarna worden de bladen/boeken waarin de daden van de dienaren staan, aan hem gegeven. Deze worden rondom de ‘Arsh verspreid. Dit is vermeld in de āyah van de Qur’ān:

وَوُضِعَ ٱلۡكِتَٰبُ فَتَرَى ٱلۡمُجۡرِمِينَ مُشۡفِقِينَ مِمَّا فِيهِ وَيَقُولُونَ يَٰوَيۡلَتَنَا مَالِ هَٰذَا ٱلۡكِتَٰبِ لَا يُغَادِرُ صَغِيرَةٗ وَلَا كَبِيرَةً إِلَّآ أَحۡصَىٰهَاۚ وَوَجَدُواْ مَا عَمِلُواْ حَاضِرٗاۗ وَلَا يَظۡلِمُ رَبُّكَ أَحَدٗا ٤٩

En het Boek zal geplaatst worden en jullie zullen de misdadigers angstig zien vanwege wat daarin is opgeschreven. Zij zullen zeggen: “Wee voor ons! Wat voor soort boek is dit, dat niets kleins of niets groots verzwijgt maar het zelfs berekend!” En zij zullen ontdekken dat al hun daden vόόr hen worden geplaatst en jullie Heer behandelt niemand onrechtvaardig. (Kahf, 18:49)

As’adi zegt: “Alles buiten shirk (deelgenoot toekennen aan Allāh), is een kleine zonde. Een grote zonde is shirk.”

`Abdullah İbni `Abāas (رضي الله عنهما) zei: “Kleine zonde is glimlachen, grote zonde is lachen.” Dit betekent dat dit geldt wanneer deze handelingen een daad van ongehoorzaamheid aan Allāh zijn.

Volgens overlevering gaf Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een voorbeeld over kleine zonden en zei: "Weet je waar de zonden die jullie klein achten op lijken? Een groep mensen bevindt zich in de woestijn. Iedereen brengt wat hij kan vinden en legt het in het midden. Iemand brengt een tak, iemand enkele takken. Daarna steken ze dit aan en maken er een vuur van om hun brood te bakken. Zo verzamelen de kleine zonden zich en vernietigen een mens, behalve door Allahs vergeving.

Wees bang voor kleine zonden, want er zal iemand zijn die deze (kleine) zonden namens Allāh voor jullie presenteert en jullie ervoor ter verantwoording roept.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 5/379)

Twee grote geleerden, Abû Muhammed b. Abdulwahhab al-Qurayshi en İmam Abû’l-Hasan ash-Shafi`i, hebben deze overlevering ook vermeld.

Een andere overlevering van Sahl b. Ṣād (رضي الله عنه) luidt als volgt:

"Wees voorzichtig met kleine of onbeduidend ogende zonden. Kleine zonden lijken op een groep mensen die hout verzamelen in de woestijn. Iedereen brengt een tak of twee mee, en uiteindelijk is er genoeg hout verzameld om een groot vuur aan te maken. Iedereen bakt zijn brood of voedsel op dat vuur. Zo stapelen kleine zonden zich ook op. Als Allāh jullie voor deze kleine zonden ter verantwoording roept, kunnen jullie daardoor ten onder gaan.” ( İbn Mājah, 4243; Aḥmad ibn Ḥanbal, 1/402 ve 5/331)

Volgens sommige geleerden zijn alle zonden groot; met andere woorden, er bestaat geen ‘kleine’ zonde. Let niet op de grootte van de zonde, maar let op tegen wie je ongehoorzaam bent geweest. Daarom zijn het in de context van ongehoorzaamheid aan de bevelen van Allāh Ta`ālā grote zonden (kabâir).

Er zijn weliswaar grote en kleine zonden die authentiek zijn, maar dit is niet de plaats om dat volledig uit te leggen. Deze kwestie hebben we toegelicht bij de uitleg van surah an-Nisa in (Qur’ān-tafsīr) Jami`u Ahkâm-i’l-Qur’ân.

3.31: De essentie van de afrekening en de vragen die aan de mens gesteld zullen worden

Allāhu Ta’ālā zegt:

وَلَا تَقۡفُ مَا لَيۡسَ لَكَ بِهِۦ عِلۡمٌۚ إِنَّ ٱلسَّمۡعَ وَٱلۡبَصَرَ وَٱلۡفُؤَادَ كُلُّ أُوْلَٰٓئِكَ كَانَ عَنۡهُ مَسۡـُٔولٗا ٣٦

En volg niet dat waarvan je geen kennis hebt. Waarlijk! Het gehoor, het gezichtsvermogen en de harten van ieder van jullie zullen ondervraagd worden. (Isrā, 17:13)

ثُمَّ إِلَيۡنَا مَرۡجِعُكُمۡ فَنُنَبِّئُكُم بِمَا كُنتُمۡ تَعۡمَلُونَ ٢٣

…dan is jullie terugkeer tot Ons en Wij zullen jullie vertellen wat jullie gedaan hebben. (Yunus, 10:23)

زَعَمَ ٱلَّذِينَ كَفَرُوٓاْ أَن لَّن يُبۡعَثُواْۚ قُلۡ بَلَىٰ وَرَبِّي لَتُبۡعَثُنَّ ثُمَّ لَتُنَبَّؤُنَّ بِمَا عَمِلۡتُمۡۚ وَذَٰلِكَ عَلَى ٱللَّهِ يَسِيرٞ ٧

Degenen die ongelovig zijn veronderstellen dat zij nooit zullen herrijzen. Zeg: “Ja! Bij mijn Heer, jullie zullen zeker herrijzen en dan zal jullie verteld worden wat jullie hebben gedaan, en dat is gemakkelijk voor Allāh.” (Taghābun, 64:7)

فَمَن يَعۡمَلۡ مِثۡقَالَ ذَرَّةٍ خَيۡرٗا يَرَهُۥ ٧ Dus wie iets goeds deed ter grootte van een mosterdzaadje, zal het dan zien.

وَمَن يَعۡمَلۡ مِثۡقَالَ ذَرَّةٖ شَرّٗا يَرَهُۥ ٨ En wie iets kwaads deed ter grootte van een mosterdzaadje, zal het dan zien. (Zilzâl, 99:7-8)

ثُمَّ لَتُسۡـَٔلُنَّ يَوۡمَئِذٍ عَنِ ٱلنَّعِيمِ ٨ Dan zullen jullie op die Dag over de geneugten ondervraagd worden. (Takâthur, 102:8)

Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Toen de āyah: ثُمَّ لَتُسۡـَٔلُنَّ يَوۡمَئِذٍ عَنِ ٱلنَّعِيمِ ٨ “Dan zullen jullie op die Dag over de geneugten ondervraagd worden. (Takâthur, 102:8) werd neergezonden, kwamen de mensen naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zeiden: “O Rasûlullāh, over welke gunsten zullen wij ter verantwoording worden geroepen?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Van al het geheel (van deze gunsten).” (at-Tirmiḏī, 3357; Ibn Mājah, 4157; Aḥmad ibn Ḥanbal, 1/154 en 5/429)

Opnieuw van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De eerste vraag die Allāh Ta‘âlâ op Yawmu’l Qiyāmah aan de dienaar zal stellen is: ‘Hebben Wij jou geen gezond lichaam gegeven en een gezond leven? Hebben Wij jou geen koel water te drinken gegeven?”

Van `Abdullah ibn `Umar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah zal aan de dienaar over iedere stap die hij heeft gezet worden gevraagd met welk doel hij die heeft gezet.” (Abû Nuaym, Hilyah, 1/376)

Van Abû Barzah al-Aslamî (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah kan een dienaar niet van zijn plaats komen totdat hij op vier vragen antwoord heeft gegeven:

Waar en waaraan heb je je leven besteed?

Waarvoor en hoe heb je je lichaam en gezondheid gebruikt?

Met welke daden ben je voor Allāh verschenen?

Waar heb je je rijkdom verdiend en waaraan heb je het uitgegeven?” (at-Tirmiḏī , 2417)

Volgens at-Tirmiḏī is deze hadīth zowel ḥasan als ṣaḥīḥ.

Ibn `Umar (رضي الله عنهما) overlevert deze hadīth ook via Ibn Mas’ūd (رضي الله عنه).

Van `Abdullah ibn `Umar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah beveelt Allāh Ta‘âlâ dat een dienaar bij Hem wordt gebracht. De dienaar staat voor Allāh. Allāh Ta‘âlâ zal deze dienaar, naast zijn daden, ook naar zijn positie en reputatie vragen.”

Safwān ibn Mihraz vroeg aan Ibn `Umar (`Abdullah) (رضي الله عنهما): “Wat zal Allāh Ta‘âlâ doen met betrekking tot intenties? Heb je hierover een hadīth gehoord?” Ibn `Umar zei dat hij deze hadīth rechtstreeks uit de mond van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had gehoord: “Op Yawmu’l Qiyāmah wordt een mu’min bij Allāh gebracht. Er wordt een deken over hem gelegd (zodat niemand hem kan zien).Allāh Ta‘âlâ laat de dienaar zijn begane zonden bekennen: “Herinner je je dat je deze zonde hebt begaan?”De dienaar zegt: “Ja, mijn Rab, ik weet het.” Allāh Ta‘âlâ zegt: “Ik had in de wereld niet toegestaan dat iemand deze zonde die jij hebt begaan te horen kreeg. En nu vergeef Ik haar..”

Daarna wordt het boek waarin zijn goede daden zijn geschreven aan hem overhandigd.

De kāfirs en munāfiqs daarentegen worden aan iedereen tentoongesteld. Een stem verkondigt: ‘Dit zijn de voorlopers onder de zondaren. Luister allemaal en kijk wat zij hebben gedaan.”

وَمَنۡ أَظۡلَمُ مِمَّنِ ٱفۡتَرَىٰ عَلَى ٱللَّهِ كَذِبًاۚ أُوْلَٰٓئِكَ يُعۡرَضُونَ عَلَىٰ رَبِّهِمۡ وَيَقُولُ ٱلۡأَشۡهَٰدُ هَٰٓؤُلَآءِ ٱلَّذِينَ كَذَبُواْ عَلَىٰ رَبِّهِمۡۚ أَلَا لَعۡنَةُ ٱللَّهِ عَلَى ٱلظَّٰلِمِينَ ١٨

En wie begaat er een grotere zonde dan degene die een leugen over Allāh verzint? Zulke (mensen) zullen voor Allāh gebracht worden en de getuigen zullen zeggen: “Dit zijn degenen die over hun Heer gelogen hebben!” Geen twijfel! De vloek van Allāh is op de onrechtvaardigen. (Hûd, 11:18)

Van `Ali (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawmu’l-Qiyāmah roept Allāh Ta‘âlâ de mu’min dienaar naar een plaats ver weg van de mensen om hem ter verantwoording te roepen. Zijn zonden worden één voor één opgesomd. Zelfs de voornaamste engelen en anbiyā’ kunnen ze niet zien of horen, want Allāh wil niet dat iemand deze zonden ziet. De zonden van de dienaar worden in het geheim afgerekend/ter verantwoording geroepen. Daarna beveelt Allāh Ta‘âlâ over de slechte daden die deze dienaar heeft verricht: ‘Kom dan, verandert jullie ook in goede daden.”Ṣaḥīḥ Muslim heeft eveneens een hadīth met dezelfde betekenis overgeleverd. Later zullen we deze hadīth ook vermelden.

Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): “Op Yawmu’l Qiyāmah wordt een dienaar bij Allāh gebracht en onder een tent geplaatst zodat niemand hem kan zien. Daar wordt zijn daden-register aan hem gegeven. ‘Kom, lees je boek,’ wordt er tegen hem gezegd. Terwijl hij zijn goede daden leest, wordt hij blij. Maar wanneer hij zijn slechte daden tegenkomt, verandert zijn gezicht.”Allāh Ta‘âlâ zegt: ‘O mijn dienaar, herinner je je deze daden?’ De dienaar zegt: ‘Ja, mijn Rab, ik herinner het me.’ Allāh Ta‘âlâ zegt daarop: ‘Ik weet alles beter dan jij. Ga, Ik heb alles vergeven.’

Deze dienaar dankt en verricht sajdah wanneer hij zijn goede daden herinnert. Wanneer hij aan zijn zonden denkt, vraagt hij om vergiffenis en verricht hij opnieuw sajdah. Maar op dat moment kan niemand van de andere levende wezens dit zien. Wanneer de dienaar naar buiten komt, zegt iedereen: ‘Wat een prachtige dienaar, hij heeft geen fouten!’ Terwijl niemand op de hoogte is wat er zich in de tent heeft afgespeeld.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, Zuhd, 964)

Van Abû Ḏar (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah wordt een dienaar bij Allāh gebracht en er wordt bevolen: ‘Laat de kleine zonden van deze dienaar openbaar worden en houd de grote zonden tegen.’ Daarna vraagt Allāh aan de dienaar: ‘Heb je op dit uur en op deze dag deze daden verricht?’

De dienaar heeft toch geen mogelijkheid om te ontkennen. Hij begint zijn boek te lezen en hoopt op Allahs vergiffenis. Wanneer Allāh de dienaar wil vergeven, beveelt Hij: ‘Wis de zonden van deze dienaar en vervang ze door goede daden.’ De dienaar, die dit ziet, zegt: ‘O mijn Rab, er zijn andere zonden die hier niet zijn genoteerd.”

Abû Ḏar vertelt dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dit vertelde terwijl hij glimlachte. (Aḥmad ibn Ḥanbal, 5/157 ve 207) Daarna reciteerden zij de āyah:

إِلَّا مَن تَابَ وَءَامَنَ وَعَمِلَ عَمَلٗا صَٰلِحٗا فَأُوْلَٰٓئِكَ يُبَدِّلُ ٱللَّهُ سَيِّـَٔاتِهِمۡ حَسَنَٰتٖۗ وَكَانَ ٱللَّهُ غَفُورٗا رَّحِيمٗا ٧٠

Behalve degenen die berouw hebben en geloven en goede daden verrichten. Voor diegenen zal Allāh hun zonden in goede daden veranderen, en Allāh is Vergevingsgezind, Genadevol. (Furqān, 25:70)

De uitdrukking in de hadīth: “Op Yawmu’l Qiyāmah zal de voet van de dienaar niet van zijn plaats bewegen totdat hij is ondervraagd” is een algemene uitspraak. Hierop bestaan echter enkele uitzonderingen.

Zo is in een hadīth gezegd: “Zeventigduizend mensen uit mijn ummah zullen zonder afrekening het Paradijs binnengaan.” (Ṣaḥīḥ Bukhârî, 5752; Ṣaḥīḥ Muslim, 220)

Volgens een hadīth die wij eerder hebben genoemd, zal Allāh Ta‘âlâ tot Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Breng degenen uit jouw ummah die niet ter verantwoording worden geroepen via de rechterpoort het Paradijs binnen.”

In de āyah wordt gezegd:

يُعۡرَفُ ٱلۡمُجۡرِمُونَ بِسِيمَٰهُمۡ فَيُؤۡخَذُ بِٱلنَّوَٰصِي وَٱلۡأَقۡدَامِ ٤١

De misdadigers zullen herkend worden aan hun kenmerken en zij zullen bij hun voorlokken en hun voeten gegrepen worden. (ar-Rahmān, 55:41)

In de hadīth wordt gezegd dat “de dienaar zal over zijn daden worden ondervraagd.”

Dat betekent dat loze woorden op die Dag geen nut zullen hebben. De dienaar moet zijn oprechtheid bewijzen door zijn daden; hij moet laten zien dat hij daadwerkelijk heeft gedaan wat hij beweerde te geloven of te zeggen.

وَٱلۡمُوفُونَ بِعَهۡدِهِمۡ إِذَا عَٰهَدُواْۖ…

… en die hun belofte nakomen nadat zij dat overeengekomen zijn … (Baqarah, 2:177)

Zo zal er een duidelijke scheiding ontstaan tussen wie oprecht is en wie dat niet is. In een āyah worden degenen die hun belofte aan Allāh niet nakomen en bij wie woorden en daden niet overeenstemmen als volgt beschreven:

۞ أَتَأۡمُرُونَ ٱلنَّاسَ بِٱلۡبِرِّ وَتَنسَوۡنَ أَنفُسَكُمۡ وَأَنتُمۡ تَتۡلُونَ ٱلۡكِتَٰبَۚ أَفَلَا تَعۡقِلُونَ ٤٤

Jullie gebieden vroomheid en rechtvaardigheid en dat alle daden voor de gehoorzaamheid van Allāh zijn van de mensen maar jullie vergeten het zelf, terwijl jullie de Geschriften reciteren. Hebben jullie dan geen verstand? (Baqarah, 2:44)

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ لِمَ تَقُولُونَ مَا لَا تَفۡعَلُونَ ٢ O, jullie die geloven! Waarom zeggen jullie wat jullie niet doen?

كَبُرَ مَقۡتًا عِندَ ٱللَّهِ أَن تَقُولُواْ مَا لَا تَفۡعَلُونَ ٣ Groot is de woede bij Allāh dat jullie zeggen wat jullie niet doen. (Saf, 61:12-3)

Het bedekken van grote zonden en het omzetten van kleine zonden in beloningen voor goede daden (hasanāt) geldt voor zaken die aangaan tussen Allāh en de dienaar.

Wat betreft zaken tussen de dienaren onderling, het recht van een ander (ḥaq al-ʿabd): daar is vergelding (qiṣāṣ) noodzakelijk. In dat geval zal iemand óf van zijn goede daden moeten afstaan aan degene tegenover wie hij schuld heeft, óf hij zal, naar rato van zijn schuld, de slechte daden van die persoon op zich moeten nemen.

Later zullen wij hier, in shāʾ Allāh, uitvoerig op terugkomen.

Volgens Tabarî, Nuhâs en andere geleerden zal Allāh op Yawmu’l Qiyāmah de mens ter verantwoording roepen voor wat in zijn gedachten opkomt, ongeacht of hij in staat was het uit te voeren of niet. Of hij datgene wat in zijn hart opkwam nu heeft gedaan of niet, hij zal er rekenschap over afleggen. Als bewijs wordt het volgende āyah aangehaald:

لِّلَّهِ مَا فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَمَا فِي ٱلۡأَرۡضِۗ وَإِن تُبۡدُواْ مَا فِيٓ أَنفُسِكُمۡ أَوۡ تُخۡفُوهُ يُحَاسِبۡكُم بِهِ ٱللَّهُۖ فَيَغۡفِرُ لِمَن يَشَآءُ وَيُعَذِّبُ مَن يَشَآءُۗ وَٱللَّهُ عَلَىٰ كُلِّ شَيۡءٖ قَدِيرٌ ٢٨٤

Aan Allāh behoort alles wat in de hemelen is en wat op aarde is. En of jullie nu openlijk laten zien wat jullie denken of jullie verbergen het; Allāh zal jullie daarvoor ter verantwoording roepen. Hij vergeeft wie Hij wil en Hij bestraft wie Hij wil. En Allāh is tot alle zaken in staat. (Baqarah, 2:284) Deze kwestie hebben wij uitgelegd in de uitleg (tafsīr) van het betreffende āyah.

Van `Abdullah ibn Mesʿūd (رضي الله عنه): Allāh Ta‘âlâ zal de zonden van een dienaar die Hij in de wereld verborgen heeft gehouden, ook in het Hiernamaals niet openbaar maken. Het bewijs voor deze opvatting is de volgende hadīth: “Allāh zal de zonden van de dienaar die hij in de wereld niet aan anderen heeft getoond (of waarvoor Hij niet onmiddellijk bestraft heeft) op Yawmu’l Qiyāmah verborgen houden.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 6/145; Ṣaḥīḥ Muslim, 16/143.)

In een andere hadīth, van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:

“Wie de zonde van een mu’min niet aan anderen vertelt (of hem vergeeft), Allāh zal op Yawmu’l Qiyāmah de zonden van die dienaar bedekken.” (Ṣaḥīḥ Muslim, 16/135; Al-Bukharī, 5/97; at-Tirmiḏī, 1426; İbn Mājah, 2544; Aḥmad ibn Ḥanbal, 4/159)

In een andere overlevering wordt vermeld: “Wie een fout van een mu’min bedekt, Allāhu Ta‘âlâ zal op Yawmu’l-Qiyāmah ook een fout van die dienaar bedekken.” (İbn Mājah, 2546)

Imām Gazâlî zegt dat met deze ahādīth bedoeld wordt dat iemand de fouten en overtredingen die tegen hem persoonlijk zijn begaan niet alleen vergeeft, maar ook niet verder verspreidt. Dat wil zeggen: hij pleegt geen ghībah en maakt het niet bekend bij anderen.

Dit is een zeer nobele houding. Allāh Ta‘âlâ zal op Yawmu’l Qiyāmah op dezelfde wijze met deze dienaar omgaan.

Dat Allāh Ta‘âlâ de zonden van een dienaar die Hij in de wereld verborgen heeft gehouden in het Hiernamaals niet zal bestraffen, is een bewijs dat de opvatting van Ahl as-Sunnah juist is.

Volgens Ahl as-Sunnah kan Allāh Ta‘âlâ de straffen die Hij de mu’mins heeft beloofd, verlichten of geheel opheffen..

Abû Bakr ibn al-ʿArabî zegt: In het wereldse leven stonden grote en edelmoedige mensen wijd en zijd bekend om hun vergevingsgezindheid. Vergeven behoort tot de waardigheid van grootsheid. Vrijgevig zijn (ikrām) is ook een teken van grootsheid. Zo is Allāh, de Sultan der sultans en grootste der groten, meer waardig om te vergeven en vrijgevig te zijn tegenover Zijn dienaren. Daarom wil Allāhu Ta‘âlâ het beste voor Zijn dienaren.

Om deze reden wordt voor goede daden overvloedige beloning gegeven. Wanneer straf wordt gegeven voor slechte daden, wordt er verlichting in de straf toegepast. Allāh Ta‘âlâ zoekt een reden om de straffen van de dienaren te verzachten of hun rang te verhogen. Deze regeling geldt echter niet voor de kāfirs; het is alleen van toepassing op de mu’mins. In een āyah wordt hiernaar verwezen:

إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَغۡفِرُ أَن يُشۡرَكَ بِهِۦ وَيَغۡفِرُ مَا دُونَ ذَٰلِكَ لِمَن يَشَآءُۚ وَمَن يُشۡرِكۡ بِٱللَّهِ فَقَدِ ٱفۡتَرَىٰٓ إِثۡمًا عَظِيمًا ٤٨

Waarlijk, Allāh vergeeft het niet als er met Hem deelgenoten worden aanbeden, maar daarnaast vergeeft Hij wat Hij wil, en iedereen die Allāh deelgenoten toekent, heeft zeker een afschuwelijke zonde begaan. (Nisā, 4:48)

غَافِرِ ٱلذَّنۢبِ وَقَابِلِ ٱلتَّوۡبِ شَدِيدِ ٱلۡعِقَابِ ذِي ٱلطَّوۡلِۖ لَآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَۖ إِلَيۡهِ ٱلۡمَصِيرُ ٣

De Vergever van de zonden en de Aanvaarder van het berouw, de Strenge in de bestraffing, de Bezitter van grote macht. Geen god is er dan Hij, tot Hem is de uiteindelijke terugkeer. (Ghāfir, 40:2)

De wil van Allāh kan op twee manieren tot uiting komen:

Door shafā`ah te verlenen aan wie Hij wil, met name aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en andere uitverkoren dienaren.

Het andere is dat Hij [Allāh] naar Zijn eigen besluit vergeeft.

3.32: Allāh Ta‘âlâ zal op Yawmu’l Qiyāmah rechtstreeks met de dienaar spreken

Van `Adiy ibn Hātim (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah zal Allāh Ta‘âlâ zonder tussenpersoon of tolk met jullie allemaal spreken, zonder uitzondering. Wanneer Hij naar rechts kijkt, zal (de dienaar) zijn eerder verrichte goede daden zien. Wanneer Hij naar links kijkt, zal hij zijn eerder verrichte slechte daden zien. Wanneer hij recht voor zich uit kijkt, zal hij het Hellevuur zien dat zijn gezicht rakt. Bescherm jezelf tegen het Hellevuur, al is het maar met een halve dadel (dat wil zeggen: doe een goede daad en geef sadaqah, zelfs al is het maar ter grootte van een halve dadel.”).” (Muslim, 7/101; Ahmad b. Hanbal, 4/377; al-Buhârî, 13/423)

Ibn Hajar vermeldt, … van Adiy (رضي الله عنه), de toevoeging: “Bescherm jezelf tegen het Hellevuur, al is het maar met een goed woord.” Al-Bukhârî en at-Tirmiḏī vermelden deze toevoeging ook. Volgens at-Tirmiḏī is deze hadīth zowel ḥasan als vanuit een ander aspect ṣaḥīḥ.

Van Anas ibn Mâlik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah wordt een dienaar bij Allāh gebracht. Allāh Ta‘âlâ zegt: “Ik heb je zoveel gunsten gegeven, zelfs meer dan je nodig had. Wat heb jij ermee gedaan?”

De dienaar antwoordt: “O mijn Rab! Ik heb ze geplant en geoogst en vermenigvuldigd. Als U het toestaat, zal ik alles naar U brengen.”

Allāh Ta‘âlâ zegt: (“Nee, Ik vraag niet wat je ermee hebt gebracht), maar wat heb je ermee gedaan.”

De dienaar antwoordt: “De dienaar die leeg voor Allāh verschijnt, zal naar de Hel gaan.” (at-Tirmiḏī, 2427)

(Abû Bakr) ibn al-ʿArabî bespreekt deze hadīth in zijn werk “Handboek van de Murîdīn”. Hij voegt eraan toe: “Wanneer de dienaar dit zegt, zal hij uit schaamte door de grond zakken.” Ibn al-ʿArabî geeft aan dat deze hadīth behoort tot de mursal-overleveringen die Hasan (al-Basrî) direct doorgeeft, zonder de tussenliggende ṣaḥābī te vermelden. Harawî zegt dat de dienaar op dat moment uit schaamte stil zal staan als een offerlam.

Volgens Abû `Ubaydah betekent het woord bazj of bazaj in de hadīth een lam, terwijl Jawharî het interpreteert als een geitlam.

Wij zeggen dat de beschreven personen in deze hadīth mu’mins zijn die ter verantwoording zullen worden geroepen. Zoals we eerder hebben vermeld, zullen sommige mu’mins zonder afrekening rechtstreeks het Paradijs binnengaan. Dit betekent dat deze situatie niet geldt voor de dienaren die het Paradijs zullen binnengaan zonder verantwoording te hoeven afleggen.

Waardevolle broeder! Bescherm jezelf tegen de zonden die je bewust begaat.

Want Allāh Ta‘âlâ zal je op Yawmu’l Qiyāmah als volgt aanspreken: “En gedroeg je goed in hun bijzijn, maar stiekem beging je zonden. Je schaamde je voor de mensen, maar waarom schaamde je je dan niet voor Mij? Zag Ik je niet overal? Was Ik niet barmhartiger voor jou en dichterbij jou dan de anderen?

Ik heb deze zonden van jou niet aan iemand getoond, zodat je je niet zou schamen en misschien berouw zou tonen en ervan af zou zien; Ik heb je niet beschaamd. Maar wat heb jij gedaan? Je bleef volharden in deze zonden en beging dezelfde zonde keer op keer. Terwijl Ik je zoveel zegeningen heb gegeven, waarom handelde je toch zo?”

Van `Abdullah ibn Masʿūd (رضي الله عنه), hij zegt: “Op Yawmu’l Qiyāmah zullen jullie allemaal alleen voor Allāh staan, zoals iemand die onder een stralende maan staat. Allāh Ta‘âlâ zal tegen jullie allen zeggen: ‘O zoon van Adam! Vertel eens, wat heb je in de wereld gedaan? Wat heb je de anbiyā’ geantwoord? Heb je (hun boodschap) aanvaard of niet? Ik heb je ogen gegeven, maar je keek ermee naar dat wat niet geoorloofd was! En Ik wist toch wat je ogen hebben gezien. Was Ik niet ook op de hoogte van wat je oren hebben gehoord?’

Op deze manier zal Hij al je ledematen noemen. Je schaamte en gevoel van bescheidenheid zullen tegen je getuigen. Zelfs als je ontkent, zullen je organen alles toegeven wat je hebt gedaan. Wij zoeken onze toevlucht bij Allāh om in zo'n schandelijke toestand te belanden.

Allāh Ta‘âlâ heeft de mu’min beloofd dat zijn zonden niet aan anderen zullen worden getoond. Dat wil zeggen dat de zonden van de mu’min niet openbaar worden gemaakt en dat de mu’min niet zal worden vernederd.” (`Abdullah ibn Mubârak, Zuhd, 38)Wat betreft de kāfirs: hun situatie is onderwerp van discussie. Later zullen we specifiek ingaan op de toestand van de kāfir en de munâfiq.

3.33: De toestand van de djin in het Hiernamaals

Allāh Ta‘âlâ heeft beloofd dat alle dienaren ter verantwoording zullen worden geroepen en de gevolgen van hun daden zullen zien. Daarna zal Allāh het Paradijs en de Hel vullen met mensen. Maar wat er met de djinn zal gebeuren, is niet bekendgemaakt. Zullen zij ook ter verantwoording worden geroepen? Zal Allāh met hen spreken?

Als antwoord zeggen wij het volgende: Wij zeggen dat Allāh Ta‘âlâ heeft bevestigd dat de djinn, net als de mensen, verantwoordelijk zijn en dus ter verantwoording zullen worden geroepen. In een āyah wordt gezegd:

يَٰمَعۡشَرَ ٱلۡجِنِّ وَٱلۡإِنسِ أَلَمۡ يَأۡتِكُمۡ رُسُلٞ مِّنكُمۡ يَقُصُّونَ عَلَيۡكُمۡ ءَايَٰتِي وَيُنذِرُونَكُمۡ لِقَآءَ يَوۡمِكُمۡ هَٰذَاۚ قَالُواْ شَهِدۡنَا عَلَىٰٓ أَنفُسِنَاۖ وَغَرَّتۡهُمُ ٱلۡحَيَوٰةُ ٱلدُّنۡيَا وَشَهِدُواْ عَلَىٰٓ أَنفُسِهِمۡ أَنَّهُمۡ كَانُواْ كَٰفِرِينَ ١٣٠

O gemeenschap van Djinn en mensen! Zijn er uit jullie eigen middens dan geen Boodschappers tot jullie gekomen, die de Āyāt (uit Mijn boeken) aan jullie voordroegen? Werden jullie dan niet gewaarschuwd voor jullie ontmoeting op de aangezegde Dag (der Opstanding)? Zij zullen (toegeven en) zeggen: “Wij getuigen tegen onszelf.” Voorzeker, het was het wereldse leven dat hen heeft bedrogen en zij zullen tegen zichzelf getuigen dat zij kāfirs waren. (An`ām, 6:130)

“Daarom zullen ook de djinn ter verantwoording worden geroepen. Omdat zij rekenschap moeten afleggen, zijn zij verstandige wezens en verantwoordelijk voor het naleven van de geboden en verboden van Allāh.”

Omdat de anbiyā’ en Boodschappers (Rusul) allemaal mensen waren, wordt er in de teksten over het algemeen over mensen gesproken. Dit is op zich niet vreemd.

Het feit dat meestal mensen worden genoemd, betekent niet dat de djinn niet ter verantwoording worden geroepen of niet naar het Paradijs of de Hel zullen gaan. Net zoals in de ahādīth vaak mannen worden genoemd, en geen vrouwen, geldt dat ook hier. In de overleveringen over de ondervraging in het graf of andere kwesties gaat het over mannen.

Dit betekent niet dat vrouwen niet zullen worden bevraagd in het graf of niet de andere toestanden van het Hiernamaals zullen ervaren.

Binnen alle schepselen hebben mensen en djinn een bijzondere positie en worden zij samen “thaqalayn” (twee werelden van wezens) genoemd. Dat wil zeggen dat zij een speciale plaats hebben onder de schepselen. Dus zullen ook de djinn ter verantwoording worden geroepen en uiteindelijk naar het Paradijs of de Hel binnengaan. Alles wat wij tot nu toe hebben besproken en wat wij hierna zullen bespreken, is ook van toepassing op de djinn.

أُوْلَٰٓئِكَ ٱلَّذِينَ حَقَّ عَلَيۡهِمُ ٱلۡقَوۡلُ فِيٓ أُمَمٖ قَدۡ خَلَتۡ مِن قَبۡلِهِم مِّنَ ٱلۡجِنِّ وَٱلۡإِنسِۖ إِنَّهُمۡ كَانُواْ خَٰسِرِينَ ١٨

Zij zijn degenen over wie het woord (van bestraffing) bewaarheid zal worden onder de voorafgaande generaties van Djinn en mensen. Waarlijk! Zij waren verliezers. (Ahqāf, 46:18)وَلَقَدۡ ذَرَأۡنَا لِجَهَنَّمَ كَثِيرٗا مِّنَ ٱلۡجِنِّ وَٱلۡإِنسِۖ لَهُمۡ قُلُوبٞ لَّا يَفۡقَهُونَ بِهَا وَلَهُمۡ أَعۡيُنٞ لَّا يُبۡصِرُونَ بِهَا وَلَهُمۡ ءَاذَانٞ لَّا يَسۡمَعُونَ بِهَآۚ أُوْلَٰٓئِكَ كَٱلۡأَنۡعَٰمِ بَلۡ هُمۡ أَضَلُّۚ أُوْلَٰٓئِكَ هُمُ ٱلۡغَٰفِلُونَ ١٧٩

Voorzeker, Wij hebben velen van de Djinn’s en de mensen voor de Hel geschapen.

Zij hebben harten waarmee zij (de waarheid) niet begrijpen, zij hebben ogen waarmee zij niet zien en zij hebben oren waarmee zij (de āyāt) niet horen. Zij zijn zoals het vee! Neen, hun dwaling is zelfs erger (want) zij zijn de achtelozen! (A`rāf, 7:179)

3.34 Het recht van een medemens (ḥaq al-ʿabd) en vergelding/wederkerige rechtvaardigheid (qisās) (dat wil zeggen de inning van het recht van de dienaar)

Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah zullen alle rechten van een medemens worden verrekend. Zelfs het recht van het hoornloze schaap zal worden genomen van het schaap met hoorns.” (at-Tirmiḏī, 2420; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/323 ve 411)

Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie een schuld heeft bij zijn broeder of hem onrecht heeft aangedaan, laat hem vandaag nog met hem in het reine komen (zijn ḥaq halāl maken), vóórdat de Dag komt waarop er noch dinār noch dirham nut zullen hebben. Op die Dag zullen jullie schulden aan jullie broeder worden afgelost met jullie goede daden. Als hij geen goede daden heeft, dan zullen de zonden van zijn broeder aan hem worden toegevoegd.” (al-Bukhārī, 5/101; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/506 ve 435)

Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Weten jullie wie failliet is?” Zij antwoordden: “De failliete persoon is degene die zijn vermogen of geld heeft verloren of verspild.” Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “De failliete persoon binnen mijn ummah is degene die op Yawmu’l-Qiyāmah verschijnt met zijn ṣalāh, vasten en zakāh volledig verricht, maar die iemand heeft uitgescholden, een ander valselijk beschuldigd, andermans bezit onrechtmatig genomen, het bloed van iemand vergoten of iemand geslagen. Al deze onrechtvaardigheden zullen worden verrekend met zijn goede daden en aan de benadeelden worden gegeven. Uiteindelijk zullen al zijn goede daden verdeeld zijn onder de schuldeisers. De goede daden raken op, maar de schuldeisers nooit. De schuldeisers zullen hun zonden op hem laden. Daarna zal hij in het Hellevuur worden geworpen. Dat is de echte failliete persoon.” (Muslim, 16/13; at-Tirmiḏī , 2418)

Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie in deze wereld sterft met een schuld in vermogen of geld, zal op Yawmu’l Qiyāmah, wanneer er geen geld of bezit meer bestaat, zijn schulden zien worden afgelost met zijn goede daden.

Wat betreft de mu’min die (door een geldige reden) zijn schulden niet kon aflossen en andere schade aan mensen heeft toegebracht: dat behoort aan Allāh en Zijn Rasûl.” (İbn Mājah, 2414; Ahmad b. Hanbal, 2/82 ve 70)

Van ʿAbdullāh b. Unays (رضي الله عنه), Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het volgende zeggen: “Allāh zal de dienaren of mensen verzamelen. De mensen zullen naakt en onbesneden worden verzameld. Zij zullen niets bij zich hebben: geen vermogen, geen bezit, geen huizen, geen eigendommen en geen enkel teken; zij zullen helemaal niets bezitten. Allāhu Ta’ālā zal tot de dienaren zeggen: “Al het vermogen en bezit behoort Mij toe. Ik ben de ware erfgenaam van alles. Ik ben de ware schuldeiser. Ik ben Degene die de schuld van Mijn dienaren zal aflossen.”

Deze woorden zullen de mensen van dichtbij en van veraf horen (de goddelijke oproep omringt hen van alle kanten).

Wie naar het Paradijs gaat, kan het niet betreden zonder de rechten van degenen die naar het Hellevuur gaan te hebben afgelost, zelfs als hij een klein onrecht heeft begaan, al heeft hij iemand geduwd of gestoot. Wie naarde Hel gaat, kan zelfs de kleinste schulden aan een persoon die het Paradijs binnengaat niet onbetaald laten voordat hij de Hel betreedt.”

Wij vroegen: “Maar zullen wij die dag dan niet naakt en ellendig zijn? Hoe zullen wij dan onze schulden aflossen?”Hij antwoordde: “Jullie zullen elkaar afrekenen met jullie goede en slechte daden (onderling uitwisselen voor de verzoening).” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/495) Deze hadīth is ook overgeleverd door Jābir ibn ʿAbdullāh (رضي الله عنه).

Van Barrā (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie een schuld heeft, zal op Yawmu’l Qiyāmah daarvoor in gijzeling worden gehouden.” (Nasā`ī, 7/315; Abû Dāwûd, 3341.; Aḥmad ibn Ḥanbal, 5/20)

De hadīth-ḥāfiẓ Abū Nuʿaym vertelt, op gezag van Zāzān via Abū ʿUmar, dat hij in het gezelschap van Ibn Masʿūd (رضي الله عنه) verkeerde. De leden van Banū Hudhayl en Jemenieten waren aanwezig. Hij liet hen dicht bij hem plaatsnemen. Toen ik zei: “Hebt u mij ver weg geplaatst omdat ik een vreemdeling ben?”, riep hij mij bij zich, en ik ging naar hem toe. Tussen mij en ʿAbdullāh ibn Masʿūd zat slechts één persoon. Daar hoorde ik het volgende van hem: “Op Yawmu’l Qiyāmah verzamelen alle mensen zich onder het bevel van een slaaf of slavin. Vervolgens zal een stem de mensen één voor één oproepen: “O mensen! Dit is de zoon van zo-en-zo. Wie er recht op (medemens) heeft, laat hem komen en opeisen.” Een vrouw zal bijvoorbeeld komen om het recht van haar zoon, broer of man op te eisen, (maar het recht wordt niet aan haar gegeven; het gaat naar de rechtmatige eigenaar.)

Ibn Masʿūd (رضي الله عنه) las vervolgens het volgende āyah voor:

فَإِذَا نُفِخَ فِي ٱلصُّورِ فَلَآ أَنسَابَ بَيۡنَهُمۡ يَوۡمَئِذٖ وَلَا يَتَسَآءَلُونَ ١٠١

Dan, als de trompet geblazen wordt, zal er geen verwantschap meer zijn onder hen op die Dag, noch zullen zij elkander vragen. (Mu’mins, 23:101) Bovenkant formulier

Onderkant formulier

Daarna komen degenen die nog een vordering op deze man hebben. Tegen hem wordt gezegd: “Kom, los hun rechten af.” De man zal zeggen en zijn excuus naar voren brengen, zeggende: “O mijn Rab! Alles wat ik had, heb ik in de wereld achtergelaten. Wat kan ik hun nog geven?”

Allāh zal de engelen bevelen: “Neem van zijn goede daden en verdeel die onder zijn schuldeisers”. Als er daarna nog schuldeisers overblijven en de man een rechtschapen en goede persoon is, dan zal Allāh de beloning van deze rechtschapene vermeerderen zodat zijn schulden volledig en zelfs ruimschoots worden afgelost.

إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَظۡلِمُ مِثۡقَالَ ذَرَّةٖۖ وَإِن تَكُ حَسَنَةٗ يُضَٰعِفۡهَا وَيُؤۡتِ مِن لَّدُنۡهُ أَجۡرًا عَظِيمٗا ٤٠

Zeker! Allāh doet zelfs geen kwaad ter grote van een mosterdzaadje, maar als er iets goeds gedaan wordt,verdubbelt Hij het en geeft Hij een grote beloning. (Nisā, 4:40)

Maar als hij een slecht persoon is, zal hij zeggen: “O mijn Rab! Ik heb alles in de wereld achtergelaten. Wat kan ik hun geven?” Als hij goede daden heeft, worden die onder de schuldeisers verdeeld. Als de schuldeisers daarna nog niet voldaan zijn, zal Allāh de engelen bevelen: “Neem van de slechte daden en zonden van deze schuldeisers en voeg die toe aan de zonden van deze man.”Vervolgens zal deze slechte persoon in het Hellevuur worden geworpen.

VanʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه): Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen:

“Op Yawmu’l Qiyāmah zal een kind dat een schuld bij zijn ouders heeft, vanwege die schuld worden tegengehouden en vastgehouden totdat er is afgerekend. Het zal hem niet baten dat hij zegt: ‘Ik ben toch jullie kind! Eisen jullie zelfs van mij jullie recht op?” (Abû Nuʿaym, 4/202)

Razīn vermeldt, van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah zal een man zich vastklampen aan de kraag van een andere man die hij helemaal niet kent.

De man die wordt vastgegrepen zal zeggen: “Wat is er met jou aan de hand? Ik ken je helemaal niet! Wat wil je?”

Degene die zich aan zijn kraag vastklampt, zal aanklagt indienen: “Jij zag mij zonden begaan en slechte daden verrichten, maar je hebt mij er niet van weerhouden.”

Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه): “Op Yawmu’l Qiyāmah zal een vrouw blij zijn dat zij iets te vorderen heeft van haar vader, haar zoon of haar echtgenoot. Want op die Dag zullen er geen familiebanden en geen andere banden zijn. Niemand zal die Dag zijn recht aan een ander kwijtschelden.

Van Jābir ibn ʿAbdullāh (رضي الله عنه) zei: Op een keer keerde ik terug van een overzeese reis en dacht bij mezelf: laat ik Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bezoeken. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg mij: “Vertel eens, wat heb je in het land van Ḥabashah (Abessinië) gezien?”

Ik vertelde: “Op een dag zag ik een oude vrouw met een kruik vol water op haar hoofd. Een jongeman kwam langs, greep de kruik vast en duwde de oude vrouw. Zij viel op de grond, de kruik brak en het water stroomde eruit.De vrouw sprak verwijtend toe: “Op een dag zullen degenen die vóór ons leefden en degenen die na ons komen, samen worden verzameld. Op die Dag zullen de handen en voeten van de mensen spreken/getuigen. Dan zal er tussen mij en jou worden geoordeeld. Laten we zien wat jij die Dag zult doen.”

Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Die vrouw heeft de waarheid gesproken. Allāh zal geen rust geven, (noch in deze wereld, noch in het Hiernamaals), aan een gemeenschap waarin de zwakke wordt onderdrukt door de sterke en het recht van de zwakke niet wordt genomen van de sterke.” (Ibn Mājah, 4010)

Sommige groeperingen buiten de Ahl as-Sunnah-overtuiging, met name bepaalde Muʿtazilieten, verwerpen de bovengenoemde aḥādīth.

“Volgens hen zou het (Allāh behoede ons) oneerlijk zijn als Allāh de zonden van mensen zonder reden zou uitwissen, hun zonden zou vergeven en in plaats daarvan goede daden zou toerekenen, of hen zou belonen voor daden die zij niet hebben verricht.”

Als bewijs voeren zij het volgende āyah aan:

… وَلَا تَزِرُ وَازِرَةٞ وِزۡرَ أُخۡرَىٰۚ… geen enkele drager zal een last van een ander dragen… (An`ām, 6:164)

Als antwoord zeggen wij: De basis van de islamitische wetgeving zijn de āyāt (van de Qurʾān) en de aḥādīth. Zonder bewijs kan men in deze zaken niet redeneren op basis van louter verstand. Het verstand moet zich in dit soort kwesties onderwerpen aan de voorschriften van de shari`ah. Als wij alles wat ons verstand niet volledig kan bevatten zouden ontkennen, dan zouden wij vele bepalingen van de dīn moeten verwerpen.

Allāh doet Zijn dienaren geen onrecht. De daden die een mu’min oprecht verricht omwille van Allāh worden nooit teniet gedaan. Voor een slechte daad wordt slechts één sayyiah opgeschreven. Goede daden daarentegen kunnen vermenigvuldigd worden. Allāh legt een dienaar geen zonden op die hij niet heeft begaan of waartoe hij geen aanleiding heeft gegeven.

Wanneer iemand het voornemen heeft om het goede te verrichten, wordt hem één hasanah opgeschreven; verricht hij die daad daadwerkelijk, dan worden er meerdere hasanāt opgeschreven. Alleen al het voornemen tot het goede is een hasanāt en brengt beloning.

Wie echter het voornemen heeft om een zonde te begaan, krijgt daarvoor geen sayyiāt opgeschreven zolang hij die niet uitvoert, al zal hij er wel verantwoording voor moeten afleggen. Pas wanneer hij de zonde daadwerkelijk begaat, wordt er een sayyiah genoteerd.

Allāh verhindert Zijn dienaren niet om het goede te verrichten. Als zij door omstandigheden worden tegengehouden, wordt hun de beloning alsnog opgeschreven. Wat betreft de slechte daden: als Allāh wil, kan Hij iemand ervan weerhouden. In dat geval wordt er geen sayyiah genoteerd voor die niet-uitgevoerde daad, al kan er wel rekenschap over worden gevraagd.

Hieruit blijkt dat de rechtvaardigheid van Allāh altijd in het voordeel van de goede daden van Zijn dienaren overhelt. De volgende āyāt ondersteunen de bovengenoemde aḥādīth:وَنَضَعُ ٱلۡمَوَٰزِينَ ٱلۡقِسۡطَ لِيَوۡمِ ٱلۡقِيَٰمَةِ فَلَا تُظۡلَمُ نَفۡسٞ شَيۡـٔٗاۖ وَإِن كَانَ مِثۡقَالَ حَبَّةٖ مِّنۡ خَرۡدَلٍ أَتَيۡنَا بِهَاۗ وَكَفَىٰ بِنَا حَٰسِبِينَ ٤٧

Op Yawmu’l Qiyāmah zullen Wij weegschalen van rechtvaardigheid opstellen, niemand zal dan in wat dan ook onrechtvaardig behandeld worden. En al gaat het om het gewicht van een mosterdzaadje: Wij zullen het (naar voren) brengen. En Wij zijn als Berekenaars voldoende. (Anbiyā, 21:47)وَلَيَحۡمِلُنَّ أَثۡقَالَهُمۡ وَأَثۡقَالٗا مَّعَ أَثۡقَالِهِمۡۖ وَلَيُسۡـَٔلُنَّ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ عَمَّا كَانُواْ يَفۡتَرُونَ ١٣

En waarlijk, zij zullen hun eigen lasten dragen en andere lasten naast hun lasten, en waarlijk, zij zullen ondervraagd worden op Yawmu’l Qiyāmah over wat zij plachten te verzinnen. (Ankabût, 29:13)

لِيَحۡمِلُوٓاْ أَوۡزَارَهُمۡ كَامِلَةٗ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ وَمِنۡ أَوۡزَارِ ٱلَّذِينَ يُضِلُّونَهُم بِغَيۡرِ عِلۡمٍۗ أَلَا سَآءَ مَا يَزِرُونَ ٢٥

Zij zullen op Yawmu’l Qiyāmah hun eigen last volledig dragen en ook de last van degenen die zij zonder kennis misleiden. Kwaad is het zeker wat zij zullen dragen! (Nahl, 16:25)

Hieruit volgt dat de dienaren geen zonde zullen dragen die zij zelf niet hebben begaan of waartoe zij geen aanleiding hebben gegeven.

Dus elke mu’min moet zijn eigen nafs ter verantwoording roepen / zichzelf ter verantwoording roepen ʿUmar (رضي الله عنه) zei: “Roep jezelf ter verantwoording voordat Allāh jullie ter verantwoording roept. Weeg dus jullie goede en slechte daden tegen elkaar af voordat Allāh jullie daden weegt.”

Zichzelf ter verantwoording roepen betekent: berouw tonen over je zonden, je tekortkomingen herstellen en de rechten van anderen (haq al- `abd) teruggeven. Wie dit werkelijk doet, zal het Paradijs binnengaan zonder ondervraagd te worden.

Maar als men dat niet doet, dan zullen op Yawmu’l Qiyāmah degenen die wij onrecht hebben aangedaan ons bij hoofd en haar grijpen.

Iemand zal ons bij de arm vastpakken en zeggen: “Deze man heeft mij onrecht aangedaan.” Een ander zal zeggen: “Hij sprak slechte woorden tegen mij.”

Weer een ander zal zeggen: “Hij heeft mij bespot.”Een ander: “Hij pleegde roddel over mij.”Een ander: “Hij was een slechte buurman.”Weer een ander: “Hij bedroog mij in de handel.”Nog een ander: “Hij loog tegen mij” of “Hij heeft mijn toevertrouwde bezit niet beschermd.”

Ook degenen die wij niet hebben geholpen terwijl wij daartoe in staat waren, zullen komen en zeggen: “ O mijn Rab, deze persoon zag dat mij onrecht werd aangedaan. Hij had de mogelijkheid om mij te helpen, maar hij deed het niet. Ik klaag hem bij U aan.”

Wie de roddel over zijn mu’min-broeder aanhoorde en hem niet verdedigde, zal in het Hiernamaals eveneens ter verantwoording worden geroepen.

Degene over wie geroddeld werd zal zeggen: “Hij luisterde terwijl er over mij geroddeld werd en hij verdedigde mij niet.”

Een ander zal zeggen: “ O mijn Rab, deze man zag mij een zonde begaan of een fout maken. Ik wist het niet, maar hij wist het wel en waarschuwde mij niet.

Leg mijn zonden op hem.”

In de hadīth wordt vermeld: “Allāh spreekt de dienaren toe met een stem die van dichtbij en van veraf wordt gehoord.” Met deze uitdrukking wordt geen stem of klank bedoeld zoals wij die kennen, met letters en geluidsgolven. De goddelijke toespraak zal plaatsvinden op een wijze die anders is dan wat wij begrijpen. Ook wanneer Allāh spreekt tot de engelen die hoge rangen bekleden, gebeurt dit op een manier die anders is dan de menselijke communicatie.

In een āyah wordt eveneens vermeld dat Allāh aan de honingbij heeft geopenbaard. De openbaring en het spreken hier zijn niet hetzelfde als de openbaring aan de anbiyā’.

In sommige hadīth‑teksten zien we ook uitdrukkingen waarbij mensen bij hun naam naar het Maḥshar-plein worden geroepen, of waarbij de dienaren persoonlijk bij hun naam worden aangesproken.

Een ander punt dat hier aandacht verdient, is het volgende: De werkzaamheden van de engelen worden soms aan Allāh toegeschreven. Het is dus ook mogelijk dat de dienaren via de engelen worden aangesproken. In werkelijkheid is Allāh de ware Handelende; de daden van de engelen behoren uiteindelijk tot Hem. Allāh sprak tot Mûsā (عليه السلام): إِنَّنِيٓ أَنَا ٱللَّهُ لَآ إِلَٰهَ إِلَّآ أَنَا۠ فَٱعۡبُدۡنِي وَأَقِمِ ٱلصَّلَوٰةَ لِذِكۡرِيٓ ١٤

Waarlijk! Ik ben Allāh, er is geen god dan Ik, aanbid Mij dus en verricht de gebeden om Mij te gedenken. ( Ṭā Hā 20:14)

Hier zien wij duidelijk dat Allāh rechtstreeks tot een mens sprak. Als Allāh in deze wereld tot Zijn dienaren spreekt, dan is er niets onbegrijpelijks aan dat Hij hen in het Hiernamaals, het oneindig leven, eveneens zal toespreken.

Wanneer wij de Qurʾān reciteren en de āyah lezen: “Waarlijk, Ik ben Allāh,” (Ṭā Hā 20:14) dan zijn die woorden niet van ons, maar van Allāh.

Daarom is de aanspreking die via de engelen op Yawmu’l Qiyāmah plaatsvindt in werkelijkheid het Woord van Allāh. Hij is Degene die beveelt en oordeelt, terwijl de engelen enkel boodschappers zijn.

Er bestaat verschil van mening over het bijeenbrengen (ḥashr) van de dieren en het toepassen van vergelding (qiṣāṣ) tussen hen.

Volgens Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) verwijst het bijeenbrengen van dieren en andere levende wezens naar hun dood; dat wil zeggen dat zij na hun overlijden niet opnieuw tot leven zullen worden gebracht.

Volgens Ḍaḥḥāq heeft Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) ook een andere opvatting. Volgens die opvatting zullen ook de dieren op Yawmu’l Qiyāmah opnieuw tot leven worden gewekt en ter verantwoording worden geroepen.

Volgens Abû Ḏar, Abû Hurayrah, ʿAmr ibn al-ʿĀṣ (رضي الله عنهم), al-Ḥasan al-Baṣrī en vele andere geleerden, zullen de dieren eveneens worden bijeengebracht. In een āyah staat:وَإِذَا ٱلۡوُحُوشُ حُشِرَتۡ ٥ En wanneer de wilde dieren verzameld worden. (Takwīr 81:5)

وَمَا مِن دَآبَّةٖ فِي ٱلۡأَرۡضِ وَلَا طَٰٓئِرٖ يَطِيرُ بِجَنَاحَيۡهِ إِلَّآ أُمَمٌ أَمۡثَالُكُمۚ مَّا فَرَّطۡنَا فِي ٱلۡكِتَٰبِ مِن شَيۡءٖۚ ثُمَّ إِلَىٰ رَبِّهِمۡ يُحۡشَرُونَ ٣٨

Er is geen bewegend schepsel op aarde, noch een vogel die op zijn vleugels vliegt, of het behoort tot een gemeenschap zoals die van jullie. We hebben niets uit het (alomvattende) Boek (nl. al-Lawh al- Mahfûdh) weggelaten. Dan zullen zij tot hun Heer verzameld worden. (Anʿām 6:38)

Abû Hurayrah (رضي الله عنه) zei dat Allāh op Yawmu’l Qiyāmah alle dieren, vogels en andere levende wezens zal bijeenbrengen. In de hadīth wordt immers vermeld dat het hoornloze schaap vergelding zal krijgen van het schaap met hoorns.

Daarna zal Allāh tot de andere levende wezens en dieren, behalve de mens, bevelen: “Wordt stof.”Als bewijs dat deze schepselen tot stof zullen terugkeren, wordt het volgende āyah aangehaald.

إِنَّآ أَنذَرۡنَٰكُمۡ عَذَابٗا قَرِيبٗا يَوۡمَ يَنظُرُ ٱلۡمَرۡءُ مَا قَدَّمَتۡ يَدَاهُ وَيَقُولُ ٱلۡكَافِرُ يَٰلَيۡتَنِي كُنتُ تُرَٰبَۢا ٤٠

Waarlijk, Wij hebben jullie gewaarschuwd voor een naderende bestraffing op de Dag dat de mens zal zien wat zijn handen voeger bedreven (goed en slecht). En de kāfir zal zeggen: “Wee mij! Was ik maar aarde. (Nabaʾ 78:40)

Volgens Ibn ʿUmar en Ibn ʿAmr (رضي الله عنهم) zal, nadat de dieren tot stof zijn geworden, dit stof over de kāfirs worden uitgestrooid. In een ander āyah staat:

وَوُجُوهٞ يَوۡمَئِذٍ عَلَيۡهَا غَبَرَةٞ ٤٠

En gezichten (van de kāfirs ) zullen op die Dag met stof bedekt zijn. (ʿAbasa 80:40)

Sommige geleerden hebben als bewijs dat dieren daadwerkelijk zullen worden opgewekt en aanwezig zullen zijn op de Maḥshar-plein het volgende āyah aangehaald: “Er is geen bewegend schepsel op aarde, noch een vogel die op zijn vleugels vliegt, of het behoort tot een gemeenschap zoals die van jullie… (zie Anʿām 6:38 hierboven).

Er is echter ook bezwaar tegen deze opvatting. Volgens degenen die dit bezwaar maken, geldt de afrekening uitsluitend voor mensen (en djinn). Het samenbrengen van de wilde dieren waarnaar in de āyah wordt verwezen, zou plaatsvinden tijdens de gebeurtenissen van de Opstanding (Qiyāmah), vóórdat alle levende wezens sterven. De uitdrukking in de hadīth dat het hoornloze schaap vergelding zal krijgen van het schaap met hoorns zou dan een vergelijking zijn. Daarmee wordt bedoeld dat de afrekening uiterst streng zal zijn.

Hier willen wij nog een andere hadīth vermelden: “Elk levend wezen spitst op vrijdag zijn oren en wacht op Yawmu’l Qiyāmah.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/486)

En ook:

“De djinn, de mensen, de bomen, de stenen en alles wat de aḏān van de mu’aḏḏin horen, zullen op Yawmu’l Qiyāmah in de voordeel getuigen van de mu’aḏḏin getuigen.” (al-Bukhārī, 2/87; Ibn Mājah, 723)

Imām Mālik vermeldt in zijn werk al-Muwaṭṭaʾ en Ibn Mājah in zijn Sunan, van Abû Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه), in een hadīth die wij eerder hebben genoemd, dat wanneer in het graf de engelen van de bestraffing de overledene slaan of wanneer het graf hem samendrukt, alle levende wezens het geluid van deze slagen en de kreet van de overledene zullen horen.

Hoewel dieren geen verstand (zoals de mens) hebben, bezitten zij toch waarneming en besef; zij horen of zien. Daarom zullen alle levende wezens op het Maḥshar-plein worden samengebracht. De dieren zullen, net als de mensen, getuige zijn van de afrekening, en de rechten die zij op mensen hebben zullen ook van de mensen worden opgeëist.

Er zijn bovendien vele āyāt die als bewijs kunnen worden aangehaald dat ook dieren het goddelijke woord zullen vernemen.

تُسَبِّحُ لَهُ ٱلسَّمَٰوَٰتُ ٱلسَّبۡعُ وَٱلۡأَرۡضُ وَمَن فِيهِنَّۚ وَإِن مِّن شَيۡءٍ إِلَّا يُسَبِّحُ بِحَمۡدِهِۦ وَلَٰكِن لَّا تَفۡقَهُونَ تَسۡبِيحَهُمۡۚ إِنَّهُۥ كَانَ حَلِيمًا غَفُورٗا ٤٤

De zeven hemelen en de aarde en alles wat daarin is verheerlijken Hem en er is niets dat Hem niet verheerlijkt om Zijn lofprijzingen. Maar jullie begrijpen hun verheerlijking niet. Waarlijk, Hij is Verdraagzaam,Vergevingsgezind. (al-Isrāʾ 17:44)

وَلِلَّهِۤ يَسۡجُدُۤ مَن فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِ طَوۡعٗا وَكَرۡهٗا وَظِلَٰلُهُم بِٱلۡغُدُوِّ وَٱلۡأٓصَالِ۩ ١٥

En voor Allāh (alleen) knielt ieder die in de hemelen en op aarde is, gewillig of ongewillig, en ook hun schaduwen (onderwerpen zich) in de ochtend en de avond. (ar-Raʿd 13:15)

أَلَمۡ تَرَ أَنَّ ٱللَّهَ يَسۡجُدُۤ لَهُۥۤ مَن فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَمَن فِي ٱلۡأَرۡضِ وَٱلشَّمۡسُ وَٱلۡقَمَرُ وَٱلنُّجُومُ وَٱلۡجِبَالُ وَٱلشَّجَرُ وَٱلدَّوَآبُّ وَكَثِيرٞ مِّنَ ٱلنَّاسِۖ وَكَثِيرٌ حَقَّ عَلَيۡهِ ٱلۡعَذَابُۗ وَمَن يُهِنِ ٱللَّهُ فَمَا لَهُۥ مِن مُّكۡرِمٍۚ إِنَّ ٱللَّهَ يَفۡعَلُ مَا يَشَآءُ۩ ١٨

Zien jullie niet dat iedereen die in de hemelen en op aarde is en de zon en de maan, de sterren en de bergen en de bomen, de dieren en velen van de mensheid voor Allāh knielen? Maar er zijn vele (mensen) waarvoor de bestraffing gerechtvaardigd is. En iedereen die door Allāh vernedert wordt, kan door niemand geëerd worden. Waarlijk! Allāh doet wat Hij wil. (al-Ḥajj 22:18)

De ter aarde werping (sajdah) die in deze āyāt wordt genoemd, betekent gehoorzaamheid en het verheerlijken van Allāh.

Sommige schepselen verheerlijken met woorden, andere op een wijze die wij niet kennen.قُلۡ إِنِّي عَلَىٰ بَيِّنَةٖ مِّن رَّبِّي وَكَذَّبۡتُم بِهِۦۚ مَا عِندِي مَا تَسۡتَعۡجِلُونَ بِهِۦٓۚ إِنِ ٱلۡحُكۡمُ إِلَّا لِلَّهِۖ يَقُصُّ ٱلۡحَقَّۖ وَهُوَ خَيۡرُ ٱلۡفَٰصِلِينَ ٥٧

Zeg (O Mohammed): “Ik berust mij op een duidelijk bewijs van mijn Heer, maar jullie ontkennen. Ik heb geen macht over wat jullie willen verhaasten. Het besluit ligt uitsluitend bij Allāh, Hij verklaart de Waarheid en Hij is de beste Rechter.” (al-Anʿām 6:57)

Wie met het licht en de blik, die Allāh schenkt, kijkt, zal de werkelijkheid kunnen begrijpen. Wat op Yawmu’l Qiyāmah zal plaatsvinden, zullen wij niet begrijpen met de zintuigen van dit wereldse leven, maar met het inzicht dat Allāh zal schenken.

Wat wij daar zullen meemaken (en de antwoorden die wij op het Maḥshar-plein of in het graf zullen geven) overstijgen het menselijke verstand. Dit alles zal plaatsvinden door de leiding en gunst van Allāh.

Degenen die Allāh niet helpt en aan wie Hij deze gunsten niet schenkt, zullen die Dag deze werkelijkheden niet kunnen bevatten en deze schoonheden niet kunnen zien.أَوۡ كَظُلُمَٰتٖ فِي بَحۡرٖ لُّجِّيّٖ يَغۡشَىٰهُ مَوۡجٞ مِّن فَوۡقِهِۦ مَوۡجٞ مِّن فَوۡقِهِۦ سَحَابٞۚ ظُلُمَٰتُۢ بَعۡضُهَا فَوۡقَ بَعۡضٍ إِذَآ أَخۡرَجَ يَدَهُۥ لَمۡ يَكَدۡ يَرَىٰهَاۗ وَمَن لَّمۡ يَجۡعَلِ ٱللَّهُ لَهُۥ نُورٗا فَمَا لَهُۥ مِن نُّورٍ ٤٠

Of (de toestand van de kāfirs ) is als de duisternis van een grote diepe zee, overweldigt door een grote golf, met een grote golf aan haar top en daarboven donkere wolken, duisternis op duisternis.Als iemand zijn hand uitsteekt, kan hij die nauwelijks zien! En hij waarvoor Allāh niet het licht heeft aangewezen, voor hem is er geen licht. (an-Nūr 24:40)

Volgens ons zijn de ahadīth die zowel door Abû Hurayrah (رضي الله عنه) als door Abû Sa'id al-Khudrī (رضي الله عنه) zijn overgeleverd, authentiek/sahīh.

De aarde (en alles wat zich daarop bevindt zoals grond, bomen en stenen) zal op Yawmu’l Qiyāmah alles wat haar heeft plaatsgevonden vertellen en alles wat is gebeurd openbaar maken. Ook zal de aarde, wanneer de mensen rekenschap afleggen, getuigen of wat gezegd wordt waar is of niet.

…Van Abû Ḏar al-Ghifārī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah zal Allāhu Taʿālā het recht van het hoornloze schaap nemen van het schaap met hoorns.” Deze hadīth is ook overgeleverd door Ibn Wahb.

Over deze ḥadīth heeft Abû Ḏar (رضي الله عنه) het volgende uiteengezet: “Bij Allāh, op Yawmu’l Qiyāmah zal ieder geschil aan bod komen. Groot en klein, iedere zaak zal worden beslist. Zelfs een schaap zal zijn recht opeisen van een ander schaap. Zelfs dingen zonder leven zullen verslag doen van alles wat mensen en dieren hebben gedaan.

… Van Abû Ḏar (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zag twee schapen. Eén van hen stootte de ander met zijn hoorns. Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “O Abû Ḏar! Weet jij waarom deze twee schapen met elkaar vechten?”

Abû Ḏar (رضي الله عنه) antwoordde: “Nee.”

Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Maar Allāhu Taʿālā weet het. En op Yawmu’l Qiyāmah zal Hij tussen hen oordelen.”

Abû Dāwûd zegt dat Abû Ḏar (رضي الله عنه) hierover het volgende verklaarde: “Allāhu Taʿālā zal het recht van het ene schaap van het andere nemen. Daarna zal Hij hen beiden het bevel geven zich in stof te veranderen. Zo zullen zij verdwijnen.”

إِنَّآ أَنذَرۡنَٰكُمۡ عَذَابٗا قَرِيبٗا يَوۡمَ يَنظُرُ ٱلۡمَرۡءُ مَا قَدَّمَتۡ يَدَاهُ وَيَقُولُ ٱلۡكَافِرُ يَٰلَيۡتَنِي كُنتُ تُرَٰبَۢا ٤٠

Waarlijk, Wij hebben jullie gewaarschuwd voor een naderende bestraffing op de Dag dat de mens zal zien wat zijn handen voeger bedreven (goed en slecht). En de kāfir zal zeggen: “Wee mij! Was ik maar aarde. (an-Naba, 78:40)

Imām Al-Qushayri zegt: “Alle wilde en tamme dieren en ook de kruipende wezens zullen op Yawmu’l Qiyāmah voor Allāh worden verzameld. Vervolgens zullen zij zich ter aarde neerwerpen (sajadah).

De engelen zullen zeggen: “Sta op. Vandaag is geen dag van de sajdah. Vandaag is de dag van de afrekening en de vergelding.”

De dieren zullen zeggen: “Dit is onze ter aarde werping (sajdah) van dankbaarheid. Wij danken Allāh dat de bestraffing die de zonen van Ādam zal treffen, ons niet treft en dat wij zullen verdwijnen.”

De engelen zullen zeggen: “Allāhu Taʿālā heeft jullie niet hierheen gebracht voor beloning of straf, maar opdat jullie getuigen over wat de mensen hebben gedaan.”

UitlegVolgens sommige geleerden is de ṣawm (vasten in de maand Ramadān) een daad van aanbidding die uitsluitend voor Allāh is en waarvan de beloning aan Hem toebehoort. In een qudsī-hadīth heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overgeleverd dat Allāhu Taʿālā hem het volgende heeft geopenbaard: “De ṣawm is voor Mij, en Ik zal daarvoor zelf de beloning geven.” (al-Bukhārī, 4/103; Muslim, 8/29; at-Tirmiḏī, 764; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/257)

Volgens deze geleerden kan de beloning van de ṣawm niet aan anderen worden gegeven in het kader van ḥuqūq al-ʿibād (rechten van medemensen). De schulden die iemand tegenover anderen heeft, zullen dan worden verrekend met zijn andere goede daden.

Zij stellen ook dat de beloning van de ṣawm verborgen is en niet in het openlijke daden-register wordt vermeld. Daarom kunnen schuldeisers geen aanspraak maken op de beloning van de ṣawm. Wanneer de goede daden van een schuldenaar opraken, zullen de zonden van de schuldeisers op hem worden gelegd.

Als de ṣawm van de schuldenaar volledig en oprecht is, en deze beloning niet aan anderen kan worden overgedragen, zal de ṣawm voor hem voorspraak doen, met andere woorden de vasten zal hem van de Hel redden.

Qāḍī Abū Bakr Ibn al-ʿArabī zegt in zijn werk “Het handboek van de murīds” over deze opvatting: “Dit is een zeer mooie uitleg en interpretatie. InshaAllah, moge het zo zijn zoals zij zeggen.

Moge onze ṣawm ons in het Hiernamaals (Ākhirah) redden.”

UitlegṢafwān ibn Sulaym heeft via ʿIddah overgeleverd dat hun vader een van de metgezellen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het volgende had gehoord: “Wie iemand met wie een verdrag is gesloten onrecht aandoet, iets van zijn recht ontneemt, hem verantwoordelijk stelt voor zaken die hij niet kan uitvoeren, of probeert iets van hem af te nemen zonder zijn instemming, op Yawmu’l Qiyāmah zal ik zijn tegenpartij zijn en zijn recht van de schuldenaar opeisen.” (Abû Dāwûd, 3036) Abū Muḥammad ʿAbd al-Ḥaqq heeft deze hadīth eveneens bevestigd.

3.35: Allāhu Taʿālā zal op Yawmu’l Qiyāmah vijanden met elkaar verzoenen en Hij weet hoe Hij schuldeisers tevreden zal stellen

Ibn Abi al-Dunya heeft een hadīth overgeleverd die wij ook hebben opgenomen in ons boek “Veertig ahadīth”. Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): “Op een dag zaten wij met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Hij glimlachte zó dat zijn tanden zichtbaar werden. Er werd gevraagd: “O Nabī van Allāh, mogen wij weten waarom u lacht?”

Hij antwoordde: “Er waren twee mannen uit mijn ummah. Toen zij op Yawmu’l Qiyāmah voor Allāhu Taʿālā verschenen, klaagde één van hen en zei: “ O Rab, haal mij mijn recht terug van mijn broeder.’

Allāhu Taʿālā zal tegen de schuldenaar zeggen: “Kom op, voldoe de rechten van je broerder.”

De schuldenaar zal zeggen: ‘O Rab, ik heb geen goede daden meer over. Ik heb niets om te geven.’

De schuldeiser zal zeggen: ‘O Rab, draag dan van mijn zonden over op hem.’”

Op dat moment vulden de ogen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zich met tranen. Daarna zei hij: “Dat is het moment waarop een dienaar iemand zoekt om zijn zonden aan iemand over te dragen.”

Daarop zal Allāhu Taʿālā tegen de schuldeiser zeggen: ‘Hef je hoofd op en kijk naar de tuinen van het Paradijs.’

De schuldeiser zal zijn hoofd opheffen. Wanneer hij de genietingen van het Paradijs ziet, zal hij overweldigd en vol opwindig vragen: ‘O Rab, voor wie is dit?’

Allāhu Taʿālā zal antwoorden: ‘Voor degene die de prijs ervoor betaalt.’

De schuldeiser zal vragen: ‘Wie kan daarvoor de prijs betalen?’

Allāhu Taʿālā zal antwoorden: ‘Jij kunt dat.’

Hij zal vragen: ‘Hoe dan?’

Allāhu Taʿālā zal antwoorden: ‘Als jij afstand doet van jouw recht tegenover je broeder, dan geef Ik jou wat je daar ziet.’

Daarop zal de schuldeiser zeggen: ‘Ik schenk hem al mijn rechten.’

Allāhu Taʿālā zal dan zeggen: ‘Waarom wacht je nog? Neem je broeder bij de hand en ga samen het Paradijs binnen.’”

Vervolgens reciteerde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het volgende āyah:

فَٱتَّقُواْ ٱللَّهَ وَأَصۡلِحُواْ ذَاتَ بَيۡنِكُمۡۖ وَأَطِيعُواْ ٱللَّهَ وَرَسُولَهُۥٓ إِن كُنتُم مُّؤۡمِنِينَ ١

…Vrees Allāh dus en beslecht alle geschillen tussen jullie en gehoorzaam Allāh en Zijn Rasûl, als jullie mu’mins zijn. (Al-Anfāl, 8:1)

ʿAbd ar-Raḥmān ibn Abī Bakr zegt: Een mu’min zal op Yawmu’l Qiyāmah degene die hem iets verschuldigd is vasthouden en zeggen: “Ik heb een vordering bij deze dienaaar.”

Allāhu Taʿālā zal zeggen: “Ik ben het meest waardig om de schuld van Mijn dienaar te voldoen.” Daarna zal Hij de schuldenaar vergeven en de schuldeiser tevreden stellen.

Ik zeg: dit alles geldt voor degenen voor wie Allāh geen bestraffing wil. Sommige dienaren hebben misschien goede eigenschappen die wij niet kennen. Daarom kan Allāhu Taʿālā hen willen vergeven. In zo’n geval zal Allāh Zijn dienaar bijstaan.

Degenen die uit onwetendheid fouten hebben gemaakt of oprecht berouw hebben getoond, behoren tot deze groep.

رَّبُّكُمۡ أَعۡلَمُ بِمَا فِي نُفُوسِكُمۡۚ إِن تَكُونُواْ صَٰلِحِينَ فَإِنَّهُۥ كَانَ لِلۡأَوَّٰبِينَ غَفُورٗا ٢٥

Jullie Heer weet het beste wat in jullie innerlijk aanwezig is. Als jullie rechtvaardig zijn dan, waarlijk, is Hij altijd de meest vergevende voor degenen die zich steeds opnieuw in gehoorzaamheid en berouw tot Hem keren. (Al-Isrāʾ, 17:25)

In de āyah betekent het woord “awwāb” weliswaar “iemand die berouw toont”, maar het duidt specifiek op iemand die spijt heeft van de zonde die hij heeft begaan en zich inspant om diezelfde zonde niet opnieuw te begaan. Dit is ook de opvatting van Hasan al-Basri en Imām Al-Ghazzali.

3.36: De eerste groep die ter verantwoording zal worden geroepen, is de ummah van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم)

Van Ibn `Abbās (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wij zijn de laatste van de gemeenschappen (umam), maar wij zullen als eersten ter verantwoording worden geroepen. (Op Yawmu’l Qiyāmah) zal worden omgeroepen: ‘Waar is de ongeletterde ummah en haar Nabī?’ Wij zijn de laatsten (in komst), maar de eersten (in afrekening).” (Ibn Mājah, 4290; Aḥmad ibn Ḥanbal, 1/282)

In een andere overlevering van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) wordt vermeld:

“De andere gemeenschappen zullen ons volgen naar het Maḥshar-plein . Wij zullen voorop lopen, met op onze voorhoofden een roodheid die voortkomt uit de wuḍūʾ. Wanneer de andere gemeenschappen ons zien, zullen zij zeggen: ‘Deze hele gemeenschap moet wel uit anbiyāʾ bestaan.” Ook Abû Dāwûd heeft deze hadīth opgenomen in zijn Musnad.

3.37: De eerste daad waarover de dienaar ter verantwoording zal worden geroepen, is zijn ṣalāh. Wat betreft de onderlinge rechten tussen mensen (ḥuqūq al-ʿibād), zal het eerste waarover geoordeeld wordt, het vergieten van bloed zijn.

Van `Abdullah ibn Masud (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: Op Yawmu’l-Qiyāmah zal het eerste (onderwerp) van oordeel tussen mensen het vergieten van bloed zijn.” (Muslim, 11/167; Ibn Mājah, 2610; Aḥmad ibn Ḥanbal, 1/388, 442; al-Bukhārī, 12/187; an-Nasa'i, 7/83; at-Tirmidhi, 1414)

Van `Abdullah ibn Masud (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het eerste daad waar de dienaar naar gevraagd zal worden (op Yawmu’l-Qiyāmah) is de ṣalāh. En het eerste waarover tussen mensen zal worden geoordeeld, zijn de bloedzaken (dat wil zeggen: bloedwraak en het doden (het vergieten van bloed). (an-Nasa`i, 7/83)

Ṣaḥīḥ al-Bukhārī vermeldt dat Ali ibn Abi Talib (رضي الله عنه) zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah zal ik als eerste ter verantwoording worden geroepen.” Hiermee verwees hij naar zijn tweegevecht tijdens de Slag van Badr.

Abû Ḏar al-Ghifari (رضي الله عنه) zei dat de āyah:

۞ هَٰذَانِ خَصۡمَانِ ٱخۡتَصَمُواْ فِي رَبِّهِمۡۖ فَٱلَّذِينَ كَفَرُواْ قُطِّعَتۡ لَهُمۡ ثِيَابٞ مِّن نَّارٖ يُصَبُّ مِن فَوۡقِ رُءُوسِهِمُ ٱلۡحَمِيمُ ١٩

Deze twee tegenstanders redetwisten met elkaar over hun Heer. Voor degenen die ongelovig zijn zal er kleding van vuur uitgesneden worden, kokend water zal over hun hoofden uitgegoten worden. (Al-Ḥaj, 22:19), werd geopenbaard over ʿAlī en de twee mannen die op de dag van Badr in tweegevecht traden (Hamza ibn Abd al-Muttalib) en `Ubaydah ibn al-Harith (رضي الله عنهم). Ook Ṣaḥīḥ al-Bukhārī en Ṣaḥīḥ Muslim ondersteunen deze uitleg.

Muhammed b. Ka'b al-Karzī vermeldt, via een man uit de Ansār, nog een andere ḥadīth.

Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) sprak over zijn metgezellen en zei: “De eerste kwestie (waarover op Yawmu’l Qiyāmah) onder mijn metgezellen recht zal worden gesproken, is die van het vergieten van bloed. Voor Allāhu Ta‘ālā zullen degenen worden voorgeleid die als vijanden zijn gedood tijdens de strijd op weg van Allāh. Daarna worden degenen die hen hebben gedood geroepen en de hoofden van de gedoden worden, terwijl het bloed nog stroomt, in hun schoten gelegd. Het hoofd van de gedode zal spreken en zeggen: ‘O mijn Rab, vraag deze man waarom hij mij heeft gedood.’

Allāh Jalla wa Ta‘ālā zal dan aan de (mujāhid) vragen: ‘Waarom heb jij hen gedood?’ (De mu’min mujāhid) zal zeggen: ‘Ik heb hen gedood terwijl ik streed voor Uw welbehagen.’ Hoewel Allāh het het beste weet, (vraagt Hij dit opdat de waarheid openbaar wordt en de overige dienaren getuige zijn). Allāhu Ta‘ālā zal zeggen: ‘Wat jij zegt is waar.’ Op dat moment zal het gezicht van de mu’min stralen als de zon. Daarna beveelt Hij de engelen hem naar het Paradijs te brengen.

Vervolgens komt het hoofd van de gedode (shahīd) in de schoot van degene die hem heeft gedood en zegt: ‘O mijn Rab, vraag degene die mij heeft gedood waarom hij mij heeft gedood.’ Allāhu Ta‘ālā zal aan de moordenaar vragen: ‘Waarom heb jij deze man gedood?’ De moordenaar zal zeggen: ‘Ik heb hem gedood voor mijn eigen nafs.’ Allāhu Ta‘ālā zal zeggen: ‘Wat een afschuwelijke daad heb jij verricht.’

Op die manier wordt het recht van iedere gedode verhaald op zijn doder en wordt iedere onderdrukker ter verantwoording geroepen voor wat hij de onderdrukte heeft aangedaan. Het laatste oordeel behoort aan Allāh. Hij straft wie Hij wil en Hij vergeeft wie Hij wil.” (an-Nasā`ī, 3995)

Van ‘Abdullāh ibn ‘Abbās (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:

“De man die (ten onrechte) is gedood, zal met zijn afgeslagen hoofd in één hand en met zijn andere hand zijn moordenaar vasthoudend, terwijl hij geheel met bloed bedekt is, voor Allāh verschijnen en zeggen: ‘O mijn Rab, deze man heeft mij gedood.’ Allāhu Ta‘ālā zal tegen de moordenaar zeggen: ‘Wat voor een daad heb jij begaan?’ En alleen hierdoor zal hij in het Hellevuur worden geworpen.” (an-Nasā`ī, 7/85 en 8/63; at-Tirmiḏī, 5020; İbni Mājah, 2621; Aḥmad ibn Ḥanbal, 1/222)

İbn'ul-al-Mubārak heeft deze hadīth rechtstreeks overgeleverd van `Abdullah İbni Mas`ûd (رضي الله عنه), waarbij hij de tussenliggende overleveraars overslaat. Als bron van zijn overlevering noemt hij Salamah ibn Hammad en Asım ibn Abû Wa`il.

at-Tirmiḏī vermeldt in zijn werk Jâmi' een ander hadīth … van İbni `Abbās (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De de slachtoffer van een doodslag grijpt de moordenaar bij zijn haren en sleept hem tot onder de `Arsh. In de andere hand draagt hij zijn afgehakte hoofd. Zijn schoot is gevuld met bloed. Hij zegt: ‘O mijn Rab! Zie, dit is mijn moordenaar,’ terwijl hij tot de voet van de `Arsh wordt gebracht.” (at-Tirmiḏī, 3039; Ibni Mājah, 2621; Aḥmad ibn Ḥanbal, 4/63 en 1/222) at-Tirmiḏī merkt op dat deze hadīth in sommige opzichten ḥasan is en in andere opzichten gharīb.

Imām Mālik vermeldt in een overlevering die hij van Yahya bin Sa‘īd heeft gehoord: “Volgens wat ik gehoord heb, is de eerste daad waarvoor een dienaar ter verantwoording wordt geroepen zijn ṣalāh. Als zijn ṣalāh wordt aanvaard, begint de afrekening van zijn overige daden. Als zijn ṣalāh niet wordt aanvaard of gebrekkig is, worden zijn andere daden niet in aanmerking genomen.”

Wij kennen een soortgelijke hadīth.

Abû Dāwûd en at-Tirmiḏī hebben sommige overleveraars in de keten overgeslagen: van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah zal de eerste daad waarover een dienaar rekenschap moet afleggen is zijn ṣalāh. Onze Rab, Jalla wa Jalalahu, beveelt de engelen: Onderzoek de ṣalāh van Mijn dienaar. Kijk of het volledig is of incompleet. Als het volledig is, noteer als het volledig in zijn daden-register. Als het incompleet is, kijk dan of hij nawafil of sunnah heeft verricht. Zo ja, vul dan de verplichte ṣalāh van Mijn dienaar daarmee aan. Daarna worden de andere daden op dezelfde manier in volgorde beoordeeld.” (an-Nasā`ī, 1/223; Aḥmad ibn Ḥanbal, 4/103; Abû Dāwûd, 850; İbni Mājah, 1425 en1426) at-Tirmiḏī noemt deze hadīth ḥasan en gharīb.[Het eerste waarover een dienaar ter verantwoording zal worden geroepen qua daden, is de ṣalāh. Voor de daden komen echter ook de onderwerpen ‘īmān’ en ‘jihād’ aan bod.] (opmerking Turkse vertaler)]

3.38: ṢalāhAbû `Umar İbni Abdulbar zegt: Het aanvullen van de farḍdoor nafilahof sunnah-ṣalāh is van toepassing op degenen die hun farḍ-ṣalāh per ongeluk of uit vergetelheid niet hebben verricht. Allāh weet het het beste.

Evenzo geldt dit voor degenen die hun ṣalāh verrichten maar zonder opzet bepaalde rukūʿ, sujūd of de andere verplichte onderdelen van de ṣalāh onbewust verwaarlozen. Maar voor degenen die opzettelijk de farḍṣalāh verlaten of bewust hun tekortkomingen niet herstellen; voor zulke personen vult nafilahṣalāh hun farḍṣalāh niet aan.” Allāh weet het het beste. Moge Allāh genade schenken aan İbni Abdulbar.

Een ḥadīth die onder de Shāmī (Syriërs) rondgaat is: "Degene die zijn ṣalāh verricht maar rukūʿ, sujūd of khushūʿ (de nederigheid en volkomen concentratie van het hart voor Allāh) verwaarloost, kan deze tekortkomingen aanvullen door extra tasbīh te verrichten" (Taberani, Muʿjam’l-Kabir, 18/22) wordt naar onze mening niet geaccepteerd.

Ik zeg: een mens moet zijn ṣalāh, vooral de farḍṣalawāt, volledig verrichten. Hij moet rukūʿ, sujūd en de ṣalāh-houdingen (tadil-i arkân) moeten volledig en correct zijn. En zijn khushūʿ mag niet ontbreken. Als hij tekortkomingen of tekenen van onachtzaamheid vertoont, dient hij nafilah-ṣalāh te verrichten. Hij mag zich nooit gemakzuchtig opstellen of de weg van opgeven kiezen met de gedachte dat zijn daden toch onvolledig zijn. Integendeel, hij dient juist met nog meer volharding door te gaan met zijn aanbiddingen.

Maar hij mag de farḍ-ṣalawāt niet verwaarlozen om nafilah te verrichten. De farḍ-ṣalawāt staan centraal, maar ook nafilah verdienen aandacht, want zij vullen eventuele tekortkomingen aan.

De ṣalah is een belangrijke aanbidding (`ibādah), en degenen die opzettelijk de farḍṣalawāt verwaarlozen, eindigen slecht. In de āyah staat: فَخَلَفَ مِنۢ بَعۡدِهِمۡ خَلۡفٌ أَضَاعُواْ ٱلصَّلَوٰةَ وَٱتَّبَعُواْ ٱلشَّهَوَٰتِۖ فَسَوۡفَ يَلۡقَوۡنَ غَيًّا ٥٩

Maar na hen volgden andere generaties, die de gebeden (ṣalawāt) opgaven en hun lusten volgden. Dus worden zij in de Hel (Ghay) gegooid.

(Meryem, 19:59)De geleerden zeggen dat een tekort in de ṣalāh betekent dat rukūʿ of sujūd niet correct is uitgevoerd of dat de ṣalāh niet op tijd werd verricht. Maar als iemand de ṣalāh bewust en opzettelijk verlaat en deze daarna ook willens en wetens niet inhaalt, dan is hij volgens een deel van de geleerden een kāfir.

Van Abû Mas`ûd al-Ansârî (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degene wiens rukūʿ en sujūd en de ṣalāh-houdingen (tadil-i arkân) van de ṣalāh niet volledig en correct zijn uitvoeren, ontvangt geen beloning voor zijn ṣalāh.” (at-Tirmiḏī, 265) Volgens at-Tirmiḏī is deze ḥadīth aan de ene kant ṣaḥīḥ en aan de andere kant ḥasan.

Volgens de geleerden onder de ashāb van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) is het naleven van de verplichte onderdelen van de ṣalāh, zoals in rukūʿ en sujūd, verplicht. (İbni Mājah, 870; Abû Dāwûd, 855; Aḥmad ibn Ḥanbal, 4/122)

Volgens Imām Shafiʿi, Imām Ahmad en Ishaq is de ṣalāh van degene die in de rukūʿ en sujūd tekortschiet, niet volledig tot rust komt, en die na de rukūʿ en sujūd niet volledig rechtop gaat staan, is ongeldig. Deze ḥadīth verwijst naar dezelfde regel.

Van Hudzayfah (رضي الله عنه): Hij zag een man wiens rukūʿ en sujūd niet volledig waren. Toen de man zijn ṣalāh had beëindigd, zei Hudzayfah tegen hem: “Jij hebt geen ṣalāh verricht. Als jij nu zou sterven terwijl je zo ṣalāh verricht, dan zou je het niet hebben verricht zoals Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het heeft voorgeschreven.” (al-Bukhārī, 2/395)

Imām An-Nasā’ī vermeldt een ander voorval: Hudzayfah (رضي الله عنه) zag een man die haastig ṣalāh verrichtte. Toen de man klaar was, vroeg Hudzayfah: “Hoelang verricht jij de ṣalāh al op deze manier?” De man antwoordde: “Al veertig jaar verricht ik op deze manier mijn ṣalāh verrichten.” Hudzayfah zei daarop: “Dan heb jij nooit ṣalāh verricht.”

Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De eerste daad waarvoor de dienaar op Yawmu’l Qiyāmah ter verantwoording wordt geroepen, is zijn ṣalāh. Als zijn ṣalāh volledig is, wordt in zijn daden-register genoteerd dat zijn ṣalāh volledig is. Is zij niet volledig, dan zegt Allāhu Ta‘ālā: ‘Kijk naar de nawāfil van Mijn dienaar; vinden jullie daar iets?’

Als hij nawāfilṣalāh heeft verricht, worden de tekortkomingen van de farḍṣalāh daaruit aangevuld. Daarna wordt overgegaan tot de overige daden en zo wordt over al zijn daden geoordeeld.”

In het vervolg van de hadīth zegt ‘Umar (رضي الله عنه): “Als er een tekort is in zijn ṣalāh, dan gaan ook zijn andere daden verloren.”

Van Nu‘mān b. Murra al Ansārī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wat denken jullie over degene die alcohol drinkt, steelt en overspel/fornicatie (zinā) pleegt? Al deze handelingen zijn grote zonden (fawāḥish) en vereisen bestraffing. Maar de slechtste dief is degene die zijn ṣalāh steelt.”

Zij zeiden: “O Rasûlullāh, hoe steelt iemand zijn ṣalāh?”

Hij zei: “Door zijn rukūʿ en sujūd niet volledig te verrichten.” (İmam Mālik, Muvatta,1/108)

Van `Ubādah b.

Sāmit (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer iemand zijn ṣalāh correct en volledig verricht, zijn rukūʿ en sujūd naar behoren uitvoert, dan zal zijn ṣalāh (op Yawmu’l Qiyāmah) komen en de volgende du`ā’ verrichten: ‘Moge Allāh tevreden zijn met jou. Zoals jij mij mooi en volledig hebt verricht en mij niet hebt verwaarloosd, moge Allāh jou vandaag beschermen.’ Daarna wordt zijn rang verhoogd en wordt zijn ṣalāh in een mooie vorm aan de mensen getoond.

Maar als iemand zijn ṣalāh gebrekkig verricht en nalatig is in zijn rukūʿ of sujūd, dan zal zijn ṣalāh tegen hem zeggen: ‘Zoals jij mij hebt verwaarloosd, moge Allāh jou verwaarlozen.’ Vervolgens wordt deze ṣalāh als een vuil of versleten kleding opgevouwen en in zijn gezicht geworpen.”

De eerste voorwaarde om de ṣalāh volledig te verrichten is dat men de ṣalawāt op tijd verricht. Daarna is het noodzakelijk om de wudū’ en de reinheid correct uit te voeren. Degene die zijn ṣalāh niet op tijd verricht of zijn wudū’ niet volgens de voorwaarden verricht, heeft een gebrekkige ṣalāh. En wie een gebrekkige ṣalāh heeft, diens andere daden hebben geen waarde.Wie geen ṣalāh verricht, kan geen ware godvrezend persoon zijn.

Van Abû Saʿīd al-Hudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer Allāhu Taʿālā de dienaar ter verantwoording roept, zal Hij hem uiteindelijk vragen: ‘Waarom heb jij, toen je een slechte daad zag, daar niet tegen opgetreden?’ De dienaar zal niets kunnen zeggen, maar daarna zal Allāh hem zijn antwoord ingeven en hij zal zeggen: ‘O mijn Rab, ik had mij omwille van Uw welbehagen van de mensen teruggetrokken.” (İbni Mājah, 4017; Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/29)

Opnieuw van Abû Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Onderschat geen enkel bevel van Allāh. Wanneer jullie op Yawmu’l Qiyāmah ter verantwoording worden geroepen, zal Allāhu Taʿālā jullie vragen: ‘Waarom heb jij niets gezegd toen je zaken zag die tegen Mijn bevelen ingingen?’

De dienaar zal zeggen: ‘O mijn Rab, ik was bang voor de mensen.’

Daarop zal Allāhu Taʿālā zeggen: ‘Was Ik niet Degene voor Wie jij eigenlijk vrees had moeten hebben?”(İbni Mājah, 2008; Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/47 ve 91) Abû Nasr al-Wāʾilī zegt dat dit ook is overgeleverd van …ʿAmr bin Murra (رضي الله عنه).

Van ʿAbdullāh İbni ʿAbbās (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Keer je niet af en blijf niet zwijgend toekijken wanneer een onschuldig persoon wordt mishandeld. Wie getuige is van dit onrecht en het niet probeert te stoppen, over hem rust de vloek van Allāh. Evenzo, blijf niet passief wanneer een onschuldig persoon wordt gedood; ook over hem zal een vloek uit de hemel neerdalen.” (Abû Nuaym, 9/354) Deze hadīth is gharīb. Want de overleveraar Asad, die in de keten wordt genoemd, is niet algemeen bekend. Voor zover bekend heeft hij weinig overgeleverd van ʿIkrimah. En de enige die van Asad heeft overgeleverd, is Mandil bin ʿAlī, bekend als al-Ghanawī.

3.39: De ledematen van de kāfirs en munāfiqs zullen zelf tegen hen getuigen

Allāh zegt: ٱلۡيَوۡمَ نَخۡتِمُ عَلَىٰٓ أَفۡوَٰهِهِمۡ وَتُكَلِّمُنَآ أَيۡدِيهِمۡ وَتَشۡهَدُ أَرۡجُلُهُم بِمَا كَانُواْ يَكۡسِبُونَ ٦٥

Deze Dag zullen Wij hun monden verzegelen en hun handen zullen tot Ons spreken, en hun benen zullen getuigen over wat zij plachten te verrichten. (Yāsīn, 36:65)

يَوۡمَ تَشۡهَدُ عَلَيۡهِمۡ أَلۡسِنَتُهُمۡ وَأَيۡدِيهِمۡ وَأَرۡجُلُهُم بِمَا كَانُواْ يَعۡمَلُونَ ٢٤

Op de Dag dat hun tongen, hun handen en hun benen of voeten tegen hen zullen getuigen over wat zij gewend zijn te doen. (Nûr, 24:24)

وَقَالُواْ لِجُلُودِهِمۡ لِمَ شَهِدتُّمۡ عَلَيۡنَاۖ قَالُوٓاْ أَنطَقَنَا ٱللَّهُ ٱلَّذِيٓ أَنطَقَ كُلَّ شَيۡءٖۚ وَهُوَ خَلَقَكُمۡ أَوَّلَ مَرَّةٖ وَإِلَيۡهِ تُرۡجَعُونَ ٢١

En zij zullen tegen hun huiden zeggen: “Waarom getuigen jullie tegen ons?” Zij zullen zeggen: “Allāh laat ons spreken zoals Hij alle dingen laat spreken en Hij heeft jullie de eerste keer geschapen en tot Hem zullen jullie terugkeren.” (Fussilat, 41:21)

Van Mu‘āwiyah b. Ḥaydah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah zullen jullie met een bit in de monden (verzegeld) naar het Maḥshar-plein worden gebracht. Die dag zullen eerst de knieën en handpalmen van de mens spreken.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 5/3)

Van Anas bin Mālik (رضي الله عنه), Wij waren bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Hij glimlachte en zei: “Willen jullie weten waarom ik glimlachte?”

Wij antwoordden: “U weet het beter.”

Hij vervolgde: “Ik glimlachte om het gesprek van een dienaar met Allāhu Ta‘ālā.

Die dienaar vraagt: ‘Heb U mij niet beloofd dat U mij geen onrecht zult aandoen?’ Allāhu Ta‘ālā antwoordt: ‘Ja, Ik zal geen onrecht aandoen aan Mijn dienaar.’ De dienaar zegt: ‘Ik zie niemand anders die tegen mij kan getuigen dan mezelf.’Allāhu Ta‘ālā zegt daarop: ‘Jij zult tegen jezelf getuigen, en de Kirām al-Kātibīn (de edele schrijvende engelen) zijn voldoende getuigen voor jou.’ Daarna verzegelt Allāh het mond van de dienaar en beveelt zijn andere ledematen: ‘Vertel eens wat deze dienaar heeft gedaan.’

De ledematen van de dienaar beginnen stuk voor stuk te getuigen.

Dan geeft Allāhu Ta‘ālā de dienaar weer zijn spraak terug, en de dienaar begint in discussie te gaan met zijn ledematen: ‘Blijf op een afstand van mij! Wee jullie! Jullie kunnen mijn ledematen niet zijn.” (Muslim, 18/104-105; Ahmad b. Hanbal, 1/61)

Van Abū Sa‘īd al-Ḥudrī en Abū Hurayrah (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah zal een dienaar voor Allāh gebracht worden. Allāhu Ta‘ālā zegt: “Heb Ik jou geen oren, ogen, vermogen en kinderen gegeven? Heb Ik niet alle levende wezens en planten tot jouw dienst gesteld? Heb Ik je niet toegestaan een positie en status op aarde te hebben en je roem te verwerven Is het niet zo? Je wist toch dat je op een dag zo voor Mij zou verschijnen?”Als de dienaar zegt: “Nee”, zal Allāhu Ta‘ālā zeggen: “Zoals jij dit vergeten bent, zo vergeet Ik jou vandaag.” Volgens at-Tirmiḏī is deze hadīth sahiḥ, hoewel het op een punt gharīb is. Ṣaḥīḥ Muslim vermeldt dezelfde hadīth van Abū Hurayrah (رضي الله عنه).

Van Anas bin Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah zal een kāfir voor Allāh gebracht worden en hij zal gevraagd worden: “Als jij de hele wereld vol goud zou bezitten, zou je dat vandaag dan niet als fidyah geven om jezelf vrij te kopen?”

De kāfir zal ‘ja’ antwoorden. Allāhu Ta‘ālā zal zeggen: “Maar in deze wereld had Ik je iets veel eenvoudigers gevraagd.”

Volgens Ṣaḥīḥ Muslim is de overlevering iets anders: “Ik had je iets veel eenvoudigers gevraagd, maar jij hebt je verzet.”

De uitspraak in de hadīth: “Het eerste lichaamsdeel van de mens dat zal spreken, is zijn knie” kan op twee manieren worden begrepen.

De hadīth kan figuurlijk bedoeld zijn. Daarmee wordt aangegeven dat alle ledematen zullen spreken of dat de mens zich in een uiterst benarde situatie zal bevinden. Zoals wordt gezegd: “Dit is Ons Boek (daden-register) dat Wij voor jullie hebben opgesteld; het zal jullie alles duidelijk maken.” (al-Bukhārī, 11/400; Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/218)

Als iemand een slechte dienaar is en zijn slechte daden openlijk verricht, dan betekent dit dat er geen oprechtheid (ikhlās) in zijn hart is. Wat hij dan met zijn tong of hart zou zeggen, heeft geen waarde meer. Daarom zullen juist de andere ledematen die de zonden hebben begaan, aan het woord worden gelaten. Deze uitleg wordt als sterker beschouwd. Dit is ook de opvatting van Zayd ibn Aslam. Moge Allāh ons ervoor behoeden in zo’n toestand terecht te komen.

De uitspraak in de hadīth waarin Allāhu Ta‘ālā tegen de dienaar zegt: “Heb Ik je niet toegestaan een positie en status op aarde te hebben en je roem te verwerven?” verwijst naar rijkdom en macht.

De rijke heerst over de rijkdommen in de wereld. Degene met positie en rang bestuurt mensen naar zijn wil. Hij neemt een aandeel van hun bezittingen. Zijn ondergeschikten dienen hem en tonen hem eerbied.

De woorden van Allāh: “Vandaag zal Ik jou vergeten” betekenen dat Allāh Zich niet met zijn toestand zal bezighouden en hem niet met Zijn barmhartigheid zal begunstigen. De dienaar zal slechts de vergelding krijgen die overeenkomt met zijn daden. Deze dienaar zal niet profiteren van de goddelijke gunsten die in andere overleveringen worden genoemd, zoals voorspraak (shafā`ah), het vergeven van kleine zonden of het omzetten van zonden in hasanāt. Immers, Allāhu Ta‘ālā zou Zijn dienaren nooit onrechtvaardig behandelen. Niets geschiedt buiten Zijn kennis.

Er bestaat een meningsverschil over het verschijnen van de kāfir voor Allāh en ter verantwoording roepen. Volgens ons zal ook de kāfir voor Allāh verschijnen en ter verantwoording worden geroepen. De volgende āyāt vormen hiervoor het bewijs:

فَلَنَسۡـَٔلَنَّ ٱلَّذِينَ أُرۡسِلَ إِلَيۡهِمۡ وَلَنَسۡـَٔلَنَّ ٱلۡمُرۡسَلِينَ ٦

Dan zeker, zullen Wij die (mensen) ondervragen aan wie (Profeten) gezonden waren en waarlijk, Wij zullen de Boodschappers ondervragen. (A‘rāf, 7:6)وَلَوۡ تَرَىٰٓ إِذۡ وُقِفُواْ عَلَىٰ رَبِّهِمۡۚ قَالَ أَلَيۡسَ هَٰذَا بِٱلۡحَقِّۚ قَالُواْ بَلَىٰ وَرَبِّنَاۚ قَالَ فَذُوقُواْ ٱلۡعَذَابَ بِمَا كُنتُمۡ تَكۡفُرُونَ ٣٠

Als jij maar kon zien wanneer zij voor hun Heer gebracht worden! Hij zal zeggen: “Is dit (opstanding en de verrekening) niet de Waarheid?” Zij zullen zeggen: “Ja, bij onze Heer!” Hij zal dan zeggen: “Proeven jullie dan de bestraffing, want jullie geloofden niet.” (An‘ām, 6:30)

وَمَنۡ أَظۡلَمُ مِمَّنِ ٱفۡتَرَىٰ عَلَى ٱللَّهِ كَذِبًاۚ أُوْلَٰٓئِكَ يُعۡرَضُونَ عَلَىٰ رَبِّهِمۡ وَيَقُولُ ٱلۡأَشۡهَٰدُ هَٰٓؤُلَآءِ ٱلَّذِينَ كَذَبُواْ عَلَىٰ رَبِّهِمۡۚ أَلَا لَعۡنَةُ ٱللَّهِ عَلَى ٱلظَّٰلِمِينَ ١٨

En wie begaat er een grotere zonde dan degene die een leugen over Allāh verzint? Zulke (mensen) zullen voor Allāh gebracht worden en de getuigen zullen zeggen: “Dit zijn degenen die over hun Heer gelogen hebben!” Geen twijfel! De vloek van Allāh is op de onrechtvaardigen. (Hūd, 11:18)ثُمَّ إِنَّ عَلَيۡنَا حِسَابَهُم ٢٦ Dan zullen Wij rekenschap van hen vragen. (Ghāshiyah, 88:26)وَقَالَ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ لِلَّذِينَ ءَامَنُواْ ٱتَّبِعُواْ سَبِيلَنَا وَلۡنَحۡمِلۡ خَطَٰيَٰكُمۡ وَمَا هُم بِحَٰمِلِينَ مِنۡ خَطَٰيَٰهُم مِّن شَيۡءٍۖ إِنَّهُمۡ لَكَٰذِبُونَ ١٢

En degenen die ongelovig zijn zeggen tegen de mu’mins: “Volg onze manier en wij zullen jullie zonden dragen.” Nooit zullen zij iets van hun zonden dragen.

Zeker, zij zijn leugenaars.

وَلَيَحۡمِلُنَّ أَثۡقَالَهُمۡ وَأَثۡقَالٗا مَّعَ أَثۡقَالِهِمۡۖ وَلَيُسۡـَٔلُنَّ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ عَمَّا كَانُواْ يَفۡتَرُونَ ١٣

En waarlijk, zij zullen hun eigen lasten dragen en andere lasten naast hun lasten, en waarlijk, zij zullen ondervraagd worden op Yawmu’l Qiyāmah over wat zij plachten te verzinnen. (‘Ankabūt, 29:12-13)

Wij zeggen: volgens sommige van onze geleerden worden de mensen, wat betreft hun afrekening, in drie categorieën onderverdeeld. De āyāt en de aḥādīth maken dit duidelijk:

Degenen die zonder afrekening het Paradijs binnengaan. Deze zijn eerder genoemd.

Degenen van wie de afrekening gemakkelijk zal zijn. Dit zijn de mu’mins zonder zonden.

Degenen van wie de afrekening zwaar zal zijn. Dit zijn de zondige moslims en de kāfirs.

De mu’mins die zonder afrekening het Paradijs binnengaan, staan het dichtst bij de barmhartigheid van Allāh. Degenen die het verst verwijderd zijn van Zijn barmhartigheid zijn de kāfirs. Daarom voegen wij hier een vierde categorie aan toe:

Degenen die zonder enige afrekening de Hel zullen binnengaan: dit zijn de kāfirs die buitensporig ver zijn gegaan in hun ongeloof (kufr) en daarin voortrekkers en leiders (in het ongeloof en polytheisme) waren. De toorn en de vloek van Allāh zullen over hen zijn. Zij zullen zonder afrekening rechtstreeks in de Hel worden geworpen.

İbni al-Mubārak meldt in zijn werk Dakâik, … van İbni `Abbās (رضي الله عنهما): Nadat deze kāfirs naar de Hel zijn weggevoerd, worden de daden-registers geopend en begint de afrekening van de schepselen. De weegschalen worden opgesteld. Zoals Allāh zegt in de Qur’ān:

كـَلَّآ إِنَّهُمۡ عَن رَّبِّهِمۡ يَوۡمَئِذٖ لَّمَحۡجُوبُونَ ١٥

Nee! Waarlijk, zij zullen zeker op die Dag van hun Heer afgescheiden zijn. (Mutaffifīn, 83:15)

وَلَا يُسۡـَٔلُ عَن ذُنُوبِهِمُ ٱلۡمُجۡرِمُونَ ٧٨…Maar de misdadigers zullen niet over hun zonden gevraagd worden. (want Allāh kent hun zonden al) (Qasas, 28:78)

وَلَا يُكَلِّمُهُمُ ٱللَّهُ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ وَلَا يُزَكِّيهِمۡ وَلَهُمۡ عَذَابٌ أَلِيمٌ …١٧٤

… Allāh zal op Yawmu’l Qiyāmah niet tot hen spreken en Hij zal hen niet reinigen en voor hen is er een pijnlijke bestraffing. (Baqarah, 2:174)

أَلۡقِيَا فِي جَهَنَّمَ كُلَّ كَفَّارٍ عَنِيدٖ ٢٤

(Allāh zegt tegen de twee Engelen:) “Werp iedere koppige kāfir in de Hel.” (Qāf, 50:24)

De Yawmu’l Qiyāmah is de plaats waar mensen verantwoording afleggen, vragen gesteld krijgen en antwoorden geven. Dat sommige mensen niet ter verantwoording worden geroepen, staat niet in tegenspraak met de ayāt. Daarin is geen twijfel of iets dat niet te begrijpen valt.

Volgens İkrimah zullen op Yawmu’l Qiyāmah sommige mensen verantwoording moeten afleggen, terwijl anderen daarvoor geen rekenschap hoeven te geven of vragen te hoeven beantwoorden.

Een andere overlevering van İbni `Abbās (رضي الله عنهما) vermeldt dat bij deze hardnekkige kāfirs het onderzoek niet bedoeld is om hun zaken te verklaren of zich te verdedigen, maar om hen te vernederen en te straffen. Aan zulke kāfirs zal worden gevraagd: “Laat eens zien waarom je dit en dat deed,” en hun daden zullen hen recht in het gezicht worden gegooid. Dit wordt bevestigd door de Qur’ān:

فَوَرَبِّكَ لَنَسۡـَٔلَنَّهُمۡ أَجۡمَعِينَ ٩٢ Bij jouw Heer, Wij zullen hen allen zeker tot de verantwoording roepen.

عَمَّا كَانُواْ يَعۡمَلُونَ ٩٣ Voor alles wat zij gedaan hebben. (Hijr, 92-93)

Een andere uitleg is dat de kāfirs afzonderlijk zullen worden ondervraagd over de betekenis van de Kalima-i-Tawḥīd, waarom zij niet in Allāh geloofden, waarom zij de boodschappers niet accepteerden en waarom zij de geboden en āyāt van Allāh hebben afgewezen, en dat zij bewijs moeten leveren voor hun weigering.

وَقَالَ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ لِلَّذِينَ ءَامَنُواْ ٱتَّبِعُواْ سَبِيلَنَا وَلۡنَحۡمِلۡ خَطَٰيَٰكُمۡ وَمَا هُم بِحَٰمِلِينَ مِنۡ خَطَٰيَٰهُم مِّن شَيۡءٍۖ إِنَّهُمۡ لَكَٰذِبُونَ ١٢

En degenen die ongelovig zijn zeggen tegen de mu’mins: “Volg onze manier en wij zullen jullie zonden dragen.” Nooit zullen zij iets van hun zonden dragen. Zeker, zij zijn leugenaars.

وَلَيَحۡمِلُنَّ أَثۡقَالَهُمۡ وَأَثۡقَالٗا مَّعَ أَثۡقَالِهِمۡۖ وَلَيُسۡـَٔلُنَّ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ عَمَّا كَانُواْ يَفۡتَرُونَ ١٣

En waarlijk, zij zullen hun eigen lasten dragen en andere lasten naast hun lasten, en waarlijk, zij zullen ondervraagd worden op Yawmu’l Qiyāmah over wat zij plachten te verzinnen. (`Ankebut, 29:12-13)

Er zijn vele ayāt die dit bevestigen. Men kan ook kijken naar de āyah aan het einde van surah Mu’mins:

فَإِذَا نُفِخَ فِي ٱلصُّورِ فَلَآ أَنسَابَ بَيۡنَهُمۡ يَوۡمَئِذٖ وَلَا يَتَسَآءَلُونَ ١٠١

Dan, als de trompet geblazen wordt, zal er geen verwantschap meer zijn onder hen op die Dag, noch zullen zij elkander vragen. (Mu’minun, 23:101)

Allāh weet het het beste. Alle lof en dank behoren aan Allāh.

Volgens Imām Muslim is de overlevering van İbni al-Mubārak hierboven een ietwat zwakke opvatting.

Sommigen verwijzen naar de overlevering in Sunan van Lâlakâi als bewijs: ʿĀʾishah (رضي الله عنها) vertelt dat op Yawmu’l Qiyāmah elke dienaar die rekenschap aflegt, het Paradijs binnengaat. Want de afrekening is bedoeld voor het geven van beloning voor de goede daden en het wegen van zonden. Voor een kāfir zijn er geen goede daden. Zijn afrekening en oordeel liggen volledig bij Allāh. Zoals Allāh zegt:

وَلَا يُكَلِّمُهُمُ ٱللَّهُ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ وَلَا يُزَكِّيهِمۡ وَلَهُمۡ عَذَابٌ أَلِيمٌ …١٧٤

… Allāh zal op Yawmu’l Qiyāmah niet tot hen spreken en Hij zal hen niet reinigen en voor hen is er een pijnlijke bestraffing. (Baqarah, 2:174)

Volgens ons verschilt deze opvatting van ʿĀʾishah (رضي الله عنها) van andere opvattingen, omdat niet iedereen die rekenschap aflegt noodzakelijkerwijs het Paradijs zal binnengaan. Sommige kāfirs zullen ook worden afgerekend.

Het feit dat Allāh niet met kāfirs spreekt, wijst op Zijn woede jegens hen. Een andere āyah verduidelijkt dit:

قَالَ ٱخۡسَـُٔواْ فِيهَا وَلَا تُكَلِّمُونِ ١٠٨

(Allāhu Ta’ālā zal tegen de kāfirs) zeggen: “Blijf daarin en lijdt. En spreek niet tot Mij!” (Mu’minun, 23:108)

Met andere woorden, deze āyah betekent dat kāfirs niet zullen worden toegestaan om te spreken of excuses aan te voeren. وَلَا يُسۡـَٔلُ عَن ذُنُوبِهِمُ ٱلۡمُجۡرِمُونَ ٧٨…Maar de misdadigers zullen niet over hun zonden gevraagd worden. (want Allāh kent hun zonden al) (Qasas, 28:78)

فَيَوۡمَئِذٖ لَّا يُسۡـَٔلُ عَن ذَنۢبِهِۦٓ إِنسٞ وَلَا جَآنّٞ ٣٩

Op die Dag zullen de mensen of de djinn niet ondervraagd worden over hun zonden. (ar-Rahman, 55:39)

De betekenis van de bovenstaande āyāt is volgens sommigen dat engelen niet hoeven te vragen of iemand een mu’min of kāfir is. Engelen weten reeds wie mu’min en wie kāfir is. Ze kennen hun zonden en goede daden. De afrekening en de Weegschaal zijn bedoeld om dit aan de mensen te tonen. Opdat ieder zijn eigen fouten en goede daden zelf zal zien en erkennen. Zo zal de rechtvaardigheid van Allāh volledig zichtbaar worden.

Op Yawmu’l Qiyāmah zal het verschil tussen kāfirs en mu’mins duidelijk zijn uit hun gezichten en hun gedragingen. Het gezicht van de mu’min zal tekenen van ṣalāh en wudû’ tonen en zijn gezicht zal stralen. Het gezicht van de kāfir zal pikzwart zijn. Daarnaast zullen kāfirs in verbijstering en angst verkeren, terwijl mu’mins, die reeds geloven en bekend zijn met deze kennis, rustig wachten op het oordeel dat over hen zal worden uitgesproken.

3.40: De aarde, de nacht en de dag die getuigen van de daden van de mensen

Allāhu Ta’ālā zegt:وَجَآءَتۡ كُلُّ نَفۡسٖ مَّعَهَا سَآئِقٞ وَشَهِيدٞ ٢١

En iedereen zal naar voren komen met bij haar een (Engel als) voortdrijver en een (Engel als) als getuige. (Qāf, 50:21)

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) reciteerde de āyah:يَوۡمَئِذٖ تُحَدِّثُ أَخۡبَارَهَا ٤ Die Dag zal zij (de aarde) een verklaring afleggen. (Zilzāl, 99:4)

Vervolgens vroeg hij: “Weet je wat op die Dag de verklaring is dat de aarde zal afleggen?”

Wij antwoordden: “Allāh en Zijn Rasûl weten het het beste.”

Daarop zei hij: “Op die Dag zal de aarde verslag overbrengen over alles waarvan zij getuige van is geweest. Zij zal de daden van de gemeenschappen stuk voor stuk onthullen: ‘Die en die natie deed op dat tijdstip en die plaats dit en dat,’ en zo zal zij hun daden één voor één bekendmaken.” (at-Tirmiḏī, 2429) Volgens at-Tirmiḏī bestaan er drie verschillende overleveringen van deze hadīth: één is gharīb, één is ḥasan en één is ṣaḥīḥ.

Van Ma‘qal ibn Yasār (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Elke nieuwe dag die aanbreekt zegt: ‘O zoon van Ādam, ik ben een nieuwe dag. Ik weet wat je morgen zult doen. Wat je vandaag deed, zal ik je morgen mededelen. Jij kunt mij niet zien. Maar ik heb er velen zoals jij gezien en meegemaakt.

En de nacht spreekt op dezelfde wijze tot de mens (maar de mens hoort dit niet).”

Deze hadīth wordt als gharīb beschouwd, omdat Zayd al-‘Ammī de enige is die dit van Mu‘āwiyah heeft overgeleverd, en deze overlevering is niet via andere wegen bekend.

Deze hadīth heb ik van niemand anders gehoord.

Ibn al-Mubārak vermeldt tevens van Abdullah ibn ‘Amr (رضي الله عنهما): “Op Yawmu’l Qiyāmah zal de aarde waarop de mens sujūd verrichtte, evenals de boom en de steen die daarvan getuige waren, naar voren komen en getuigen.”

Van ʿUthmān ibn ʿAffān (رضي الله عنه), hij zei over de volgende āyāt:وَجَآءَتۡ سَكۡرَةُ ٱلۡمَوۡتِ بِٱلۡحَقِّۖ ذَٰلِكَ مَا كُنتَ مِنۡهُ تَحِيدُ ١٩

En de toestand van de dood zal echt komen: “Dit is wat jullie wilden ontvluchten.”

وَنُفِخَ فِي ٱلصُّورِۚ ذَٰلِكَ يَوۡمُ ٱلۡوَعِيدِ ٢٠

En de trompet zal geblazen worden. Dat zal de dag zijn waarvoor de waarschuwing (gegeven is).

وَجَآءَتۡ كُلُّ نَفۡسٖ مَّعَهَا سَآئِقٞ وَشَهِيدٞ ٢١

En iedereen zal naar voren komen met bij haar een (Engel als) voortdrijver en een (Engel als) als getuige. (Qāf, 50:19-21)

Op die Dag zullen er twee engelen bij de mens zijn. Eén zal hem leiden naar de plaats waar Allāh hem beveelt te gaan. De andere is de engel die de daden van de mens zal bekendmaken.” (Abdullah ibn al-Mubārak in Zawā’id az-Zuhd, 365)

Van Abû Sa`īd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Deze rijkdom is een aangename zegen en een vriend van de mu’min. Maar ook de arme, de wees en de reiziger hebben daar recht op.” (Muslim, 7/144; al-Bukhārī, 3/328; An-Nasā’ī, 50; Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/21 en 91)

“Wie iets in bezit neemt dat niet rechtmatig van hem is, zal ervan eten maar nooit verzadigd van raken. Op Yawmu’l Qiyāmah zal deze rijkdom tegen hem getuigen.”

In een eerder genoemde hadīth werd ook gezegd: “De stem van de mu’adhdhin (degene die de adhān uitroept) wordt gehoord door mensen, djin, bomen, stenen en aarde, en zij zullen op Yawmu’l Qiyāmah getuigen.”

Dit is eveneens overgeleverd door Abû Sa`īd al-Khudrī (رضي الله عنه). Imām Mālik en andere hadīthgeleerden hebben deze overleveringen ook vermeld.

Beste broeder! Verlies (deze kennis) nooit uit het oog. Zoals je ziet, zullen tijd en plaats getuigen van je daden. Zelfs je eigen lichaamsdelen zullen spreken over wat tegen jou is. Maar de uiteindelijke getuige is Allāh zelf. Niets blijft voor Hem verborgen. Allāh vergeet niets.

وَمَا تَكُونُ فِي شَأۡنٖ وَمَا تَتۡلُواْ مِنۡهُ مِن قُرۡءَانٖ وَلَا تَعۡمَلُونَ مِنۡ عَمَلٍ إِلَّا كُنَّا عَلَيۡكُمۡ شُهُودًا إِذۡ تُفِيضُونَ فِيهِۚ وَمَا يَعۡزُبُ عَن رَّبِّكَ مِن مِّثۡقَالِ ذَرَّةٖ فِي ٱلۡأَرۡضِ وَلَا فِي ٱلسَّمَآءِ وَلَآ أَصۡغَرَ مِن ذَٰلِكَ وَلَآ أَكۡبَرَ إِلَّا فِي كِتَٰبٖ مُّبِينٍ ٦١

Wat jij ook doet, en welk gedeelte van de Koran jij ook reciteert en wat voor werk jij ook doet, Wij zijn daarvan Getuigen, als jullie dat doen. En niets ter grote van het gewicht van een atoom (of een kleine mier) is voor jouw Heer op de aarde of in de hemel verborgen. En niets kleiners dan dat en niets groter dan dat, of het staat in een duidelijk Boek. (Yūnus, 10:61)

3.41: Mensen zullen ook in het Hiernamaals getuigen over wat zij in de wereld hebben waargenomen

`Abdullah İbni al-Mubārak overlevert: Sulayman b. Rashid heeft het volgende verteld:“Volgens de overleveringen die mij bekend zijn, zal degene die getuige is geweest van een gebeurtenis in deze wereld, in het Hiernamaals als eerste over die gebeurtenis worden ondervraagd. Evenzo zal degene die iets goeds over een ander heeft gezegd, op Yawm al-Qiyāmah door Allāhu Ta‘âlâ als getuige van die persoon worden aangewezen.” (Zawaidu'z-Zuhd, 397)

Volgens ons is dit een zeer juiste mening. Vanuit de Qur'ān kan men ook bewijs voor deze mening vinden.

وَجَعَلُواْ ٱلۡمَلَٰٓئِكَةَ ٱلَّذِينَ هُمۡ عِبَٰدُ ٱلرَّحۡمَٰنِ إِنَٰثًاۚ أَشَهِدُواْ خَلۡقَهُمۡۚ سَتُكۡتَبُ شَهَٰدَتُهُمۡ وَيُسۡـَٔلُونَ ١٩

En zij maken de engelen die de dienaren van de Barmhartige zijn, tot vrouwen. Waren zij getuigen van hun schepping? Hun getuigenissen zullen genoteerd worden en zij zullen ondervraagd worden! (Zukhruf, 43:19)

مَّا يَلۡفِظُ مِن قَوۡلٍ إِلَّا لَدَيۡهِ رَقِيبٌ عَتِيدٞ ١٨

Geen woord uit hij, of de bewaker staat bij hem klaar. (Qāf, 50:18)

3.42: Ter verantwoording roepen van de anbiyā’ en de getuigenis van de ummah van Muhammed (صلى الله عليه وسلم)

Allāh zegt het volgende:فَلَنَسۡـَٔلَنَّ ٱلَّذِينَ أُرۡسِلَ إِلَيۡهِمۡ وَلَنَسۡـَٔلَنَّ ٱلۡمُرۡسَلِينَ ٦

Dan zeker, zullen Wij die (mensen) ondervragen aan wie (Profeten) gezonden waren en waarlijk, Wij zullen de Boodschappers ondervragen.

فَلَنَقُصَّنَّ عَلَيۡهِم بِعِلۡمٖۖ وَمَا كُنَّا غَآئِبِينَ ٧

Dan zeker, Wij zullen hen (het hele verhaal) met kennis vertellen en Wij waren zeker niet afwezig. (A`rāf, 7:6-7)

فَوَرَبِّكَ لَنَسۡـَٔلَنَّهُمۡ أَجۡمَعِينَ ٩٢

Bij jouw Heer, Wij zullen hen allen zeker tot de verantwoording roepen. (Hijr, 15:92)Allereerst zullen de mensen ondervraagd worden over de anbiyā’.

Maar voordat dit plaatsvindt, zal aan de anbiyā’ gevraagd worden om te getuigen over de wijze waarop de mensen op hun oproep hebben gereageerd en hoe zij hen hebben beantwoord.

وَيَوۡمَ يُنَادِيهِمۡ فَيَقُولُ مَاذَآ أَجَبۡتُمُ ٱلۡمُرۡسَلِينَ ٦٥

En (gedenk) de Dag dat (Allāh) hen zal roepen en zeggen: “Wat voor antwoord gaven jullie aan de Boodschappers?” (Qasas, 28:65)

In werkelijkheid weet ieder mens dit. Maar door de verschrikking van Yawmu’l Qiyāmah en de hevigheid van de goddelijke toespraak zullen de tongen verstijven en zullen de mensen verbijsterd blijven staan.

يَوۡمَ يَجۡمَعُ ٱللَّهُ ٱلرُّسُلَ فَيَقُولُ مَاذَآ أُجِبۡتُمۡۖ قَالُواْ لَا عِلۡمَ لَنَآۖ إِنَّكَ أَنتَ عَلَّٰمُ ٱلۡغُيُوبِ ١٠٩

Op de Dag dat Allāh alle Boodschappers zal verzamelen en hen dan zal zeggen: “Wat was het dat (men) jullie heeft geantwoord?” Zullen zij zeggen: “Wij hebben er geen kennis van, waarlijk, alleen U bent de Alwetende van het verborgene.” (Māidah, 5:109)

Daarna zal Allāhu Ta‘ālā eerst Nūh (عليه السلام) naar voren roepen en er zal worden gezegd:“De verschrikking van deze Dag heeft de verstandelijke vermogens van de mensen verlamd; zij kunnen geen antwoord geven.”

Vervolgens zal Allāhu Ta‘ālā de anbiyā’ toestemming geven. Zij zullen dan verklaren hoe hun volk hen heeft behandeld. Alle anbiyā’ zullen handelen zoals Allāh het hun heeft bevolen en zij zullen alles wat zij zagen en waarvan zij getuige van waren, volledig en waarheidsgetrouw uiteenzetten.

Zo zal ‘Īsā (عليه السلام) antwoorden:وَإِذۡ قَالَ ٱللَّهُ يَٰعِيسَى ٱبۡنَ مَرۡيَمَ ءَأَنتَ قُلۡتَ لِلنَّاسِ ٱتَّخِذُونِي وَأُمِّيَ إِلَٰهَيۡنِ مِن دُونِ ٱللَّهِۖ قَالَ سُبۡحَٰنَكَ مَا يَكُونُ لِيٓ أَنۡ أَقُولَ مَا لَيۡسَ لِي بِحَقٍّۚ إِن كُنتُ قُلۡتُهُۥ فَقَدۡ عَلِمۡتَهُۥۚ تَعۡلَمُ مَا فِي نَفۡسِي وَلَآ أَعۡلَمُ مَا فِي نَفۡسِكَۚ إِنَّكَ أَنتَ عَلَّٰمُ ٱلۡغُيُوبِ ١١٦

En (gedenk) toen Allāh zei: “O, Isa, zoon van Maryam! Heb jij tegen de mensen gezegd: “Aanbidt mij en mijn moeder als twee goden naast Allāh?” Hij (Isa) zei: “Verheerlijkt zij U! Het is niet aan mij om te zeggen waarop ik geen recht heb. Als ik zo iets gezegd had, dan zou U dat zeker geweten hebben.

U weet wat in mijn binnenste is, terwijl ik niet weet wat in U is, waarlijk, U en alleen U bent de Alwetende van alles wat verborgen en onzichtbaar is. (Māidah, 5:116)

Sommige anbiyā’ zijn boven anderen verheven. Daarom heeft Allāhu Ta‘ālā in de Qur’ān het voorbeeld van ‘Īsā (عليه السلام) genoemd.

Van Abū Sa‘īd al-Khudrī (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah zal een nabī worden gebracht met slechts één persoon achter zich, een andere nabī zal komen met twee personen en weer een andere nabī met drie personen naar het Maḥshar-plein . Zo komen er nog vele andere anbiyā’. Allāhu Ta‘ālā zal aan Zijn nabī vragen: ‘Heb jij je taak vervuld? Heb jij (wat je van Allāh ontving) aan jouw volk overgebracht?’

De nabī zal antwoorden: ‘Ja.’

Daarna zal zijn volk worden geroepen en aan hen zal worden gevraagd: ‘Heeft jullie nabī jullie de boodschap overgebracht?’

Zij zullen antwoorden: ‘Nee.’

Daarop zal Allāhu Ta‘ālā tot de nabī zeggen: “(De mensen beweren dat jij hen de boodschappen niet hebt overgebracht)‘Wat zeg jij hierop? Heb jij een getuige?”

De nabī zal antwoorden: ‘Ja. Mijn getuige is Muhammad (صلى الله عليه وسلم) en zijn ummah.’

Daarna zal de ummah van Muhammad (صلى الله عليه وسلم) worden opgeroepen en zal aan hun gevraagd worden: “Heeft deze nabī zijn boodschap volledig overgebracht?”Zij zullen antwoorden: ‘Ja, dat heeft hij.’

Allāhu Ta‘ālā zal vragen: ‘Wat is jullie bewijs hiervoor?’

De ummah van Muhammad (صلى الله عليه وسلم) zal zeggen: “Ja, wij hebben bewijs. Onze Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft ons alles hierover bericht. Wij hebben het allemaal aanvaard en wij getuigen ervan.”

En Allāh zegt in de Qur’ān: وَكَذَٰلِكَ جَعَلۡنَٰكُمۡ أُمَّةٗ وَسَطٗا لِّتَكُونُواْ شُهَدَآءَ عَلَى ٱلنَّاسِ وَيَكُونَ ٱلرَّسُولُ عَلَيۡكُمۡ شَهِيدٗاۗ

Dus hebben Wij van jullie een rechtvaardig volk gemaakt (de oemmah van Mohammed), opdat jullie getuigen zullen zijn voor de mensheid en opdat de Rasûl een getuige zal zijn voor jullie…(Baqara, 2:143) (İbni Mâjah, 4284; Ahmad b. Hanbal, 3/58)

Ṣaḥīḥ al-Bukhārī vermeldt ook een hadīth van Abû Sa`īd al-Khudrī (رضي الله عنه) in dezelfde betekenis: "Op Yawmu’l Qiyāmah zal Allāhu Ta`âlâ Nuh (عليه السلام) tot Zich roepen. Nuh (عليه السلام) zal antwoorden: ‘Uw bevel is boven mijn hoofd/ik gehoorzaam aan Uw opdracht, o mijn Rab!’ en naar het Mahshar-plein komen.

Allāhu Ta`âlâ zal vragen: ‘Heb jij de godsdienst (dīn: Islām) aan jouw mensen verkondigd?’ Nuh (عليه السلام) zal antwoorden: ‘Ja.’ Vervolgens wordt de ummah van Nuh (عليه السلام) geroepen en gevraagd: ‘Heeft Nuh jullie de godsdienst uitgelegd?’ De ummah van Nuh (عليه السلام) zal zeggen: ‘Niemand is tot ons gekomen om ons iets te verkondigen.’ Hierop zal Allāhu Ta`âlâ aan Nuh (عليه السلام) vragen: ‘Wie zal nu getuigen dat jij de godsdienst hebt verkondigd?’ Nuh (عليه السلام) zal antwoorden: ‘Muhammad (صلى الله عليه وسلم) en zijn ummah zullen voor mij getuigen.’ De ummah van Muhammad (صلى الله عليه وسلم) zal dan komen en getuigen dat Nuh (عليه السلام) zijn taak (verkondiging van de godsdienst) heeft vervuld.” (al-Bukhārī, 13/316.; Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/32)

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) las hierop ook de āyah:

وَكَذَٰلِكَ جَعَلۡنَٰكُمۡ أُمَّةٗ وَسَطٗا لِّتَكُونُواْ شُهَدَآءَ عَلَى ٱلنَّاسِ وَيَكُونَ ٱلرَّسُولُ عَلَيۡكُمۡ شَهِيدٗاۗ

Dus hebben Wij van jullie een rechtvaardig volk gemaakt (de oemmah van Mohammed), opdat jullie getuigen zullen zijn voor de mensheid en opdat de Rasûl een getuige zal zijn voor jullie…(Baqara, 2:143)

Ibn al-Mubārak vermeldt in zijn werk Raqā’ik de volgende mursal-hadīth:

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: "Op Yawmu’l Qiyāmah, wanneer Allāhu Ta`âlâ al Zijn schepselen bij Zich verzamelt, zal eerst Isrāfīl (عليه السلام) worden geroepen en gevraagd: ‘Heb jij Mijn verbond vervuld?’ Isrāfīl (عليه السلام) zal antwoorden: ‘Ja, ik heb de gegeven taak vervuld en mijn woord gehouden.

Wat aan mij is overgebracht, heb ik aan Jibrīl doorgegeven.’ Vervolgens wordt Jibrīl (عليه السلام) geroepen en gevraagd: ‘Heeft Isrāfīl jou dit overgebracht?’ Jibrīl (عليه السلام) zal antwoorden: ‘Ja, Isrāfīl heeft het mij overgebracht.’

Hierop wordt Isrāfīl (عليه السلام) vrijgelaten.

Daarna wordt gevraagd: ‘En jij, wat heb jij gedaan? Heb jij de gegeven taak vervuld en het verbond dat jou was toevertrouwd overgebracht?’ Jibrīl (عليه السلام) antwoordt: ‘Ja, ik heb datgene wat aan mij werd overgebracht ook aan de anbiyā’ doorgegeven.’

Vervolgens worden de anbiyā’ geroepen en gevraagd: ‘Heeft Jibrīl jullie Mijn verbond overgebracht?’ De anbiyā’ antwoorden: ‘Ja.’ Hierop wordt ook Jibrīl (عليه السلام) vrijgelaten. Dan wordt aan de anbiyā’ gevraagd: ‘En jullie, wat hebben jullie gedaan?’ Zij antwoorden: ‘Wij hebben het aan onze ummah verkondigd.’

Daarna worden de umam (m.v. van ummah: gemeenschappen) geroepen en gevraagd: ‘Hebben de anbiyā’ jullie het verbond dat Ik hen gaf overgebracht?’ Sommige gemeenschappen antwoorden: ‘Ja.’ Anderen zeggen dat de anbiyā’ hen niets hebben verkondigd (of dat er helemaal geen nabī onder hen is gekomen). Hierop zeggen de anbiyā’: ‘Wij hebben getuigen. Wat zij zeggen is niet waar. Wij hebben Uw verbond overgebracht.’ Als gevraagd wordt: ‘Wie zijn jullie getuigen?’ antwoorden zij: ‘Muhammad (صلى الله عليه وسلم) en zijn ummah zijn onze getuigen.’

Vervolgens wordt de ummah van Muhammad (صلى الله عليه وسلم) geroepen en gevraagd: ‘Vertel ons, hebben deze anbiyā’ hun ummah het verbond dat Ik hen gaf overgebracht?’ De ummah van Muhammad (صلى الله عليه وسلم) antwoordt: ‘Ja, onze Rab. Wij getuigen dat de anbiyā’ hun taak van verkondiging hebben vervuld.’

De (kāfir) gemeenschappen protesteren: ‘Hoe kunnen zij over ons getuigen?

Ze hebben ons niet eens gezien!’ Allāhu Ta`âlâ vraagt dan aan het ummah van Muhammad (صلى الله عليه وسلم): ‘Hoe kunnen jullie getuigen over mensen die jullie niet hebben gezien?’ De ummah van Muhammad (صلى الله عليه وسلم) antwoordt: ‘Onze Rab! U heeft ons een Nabī gestuurd en āyāt gezonden. In het Boek dat U heeft gezonden, staan verhalen waarin wordt verteld hoe de anbiyā’ hun taak vervulden en hun boodschap verkondigden. Wij hebben hierin geloofd en wij getuigen nu over alles.’

Hierop zegt Allāhu Ta`âlâ: ‘Goed gesproken. Wij hebben jullie tot een middelmatig ummah geschapen, zodat jullie op (Yawmu’l Qiyāmah) getuige kunnen zijn over de gemeenschappen vóór jullie. De Nabī (صلى الله عليه وسلم) zal dan op (Yawmu’l Qiyāmah) jullie getuige zijn. Het āyah van surah Baqara, 2:143 is het bewijs hiervoor. ’ (Ibn al-Mubārak, Zawaidu’z-Zuhd, 1598)

Ebū Muhammad vermeldt dezelfde hadīth in zijn boek Akībah.

Ebū Muhammad vervolgt: met “middelmatig ummah” wordt ook bedoeld dat deze ummah rechtvaardig is. Daarna zullen alle anbiyā’ één voor één worden opgeroepen, gevolgd door alle mensen, die bij hun naam zullen worden opgeroepen. Vervolgens zullen alle handelingen van de mensen, groot of klein, goed of slecht, openbaar worden gemaakt.

De auteur (al-Qurtubī) zegt dat Ebū Hāmid al-Ghazzālī in zijn eerder genoemde werk over het Hiernamaals het volgende geschreven: Nadat Allāhu Ta`âlâ alle mensen heeft beoordeeld en (rechtvaardig) heeft geoordeeld, zullen deze gebeurtenissen plaatsvinden. Nadat Allāhu Ta`âlâ de rechten van de dieren op de mensen heeft vastgesteld, zal aan de dieren bevolen worden om tot aarde te vergaan. De kāfirs en andere zondaars die dit zien, zullen dan wensen dat zij, zoals de dieren, worden vernietigd en zo aan de straf van de Hel ontsnappen.

يَوۡمَئِذٖ يَوَدُّ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ وَعَصَوُاْ ٱلرَّسُولَ لَوۡ تُسَوَّىٰ بِهِمُ ٱلۡأَرۡضُ وَلَا يَكۡتُمُونَ ٱللَّهَ حَدِيثٗا ٤٢

Op die Dag wensen degenen die niet in de Rasûl geloofden en hem ongehoorzaam waren, dat zij in de aarde begraven waren, maar zij zullen nooit in staat zijn om maar een enkel feit voor Allāh verborgen te houden. (Nisā, 4:42)

De kāfirs zullen liever tot aarde vergaan dan naar de Hel te worden gestuurd. Maar Allāhu Ta`âlâ zal bevel geven dat de Lawh al-Mahfūd (de registers waarin alle dingen die ooit hebben bestaan, zijn opgeschreven en bewaard) wordt gebracht. De kāfirs zullen worden gevraagd: “Wat stond er geschreven in de Tawrat, Injīl, Zabūr en Furqān?” Daarna zal Jibrīl (عليه السلام) worden geroepen en ter verantwoording worden geroepen: “Vertel, heb jij de bepalingen die op de Lawh al-Mahfūd zijn opgeschreven, aan de mensen overgebracht?”

Jibrīl (عليه السلام) zal zich verdedigen: “Mijn Rab! Ik heb de Tawrat aan Mūsā (عليه السلام), de Zabūr aan Dāwūd (عليه السلام), de Injīl aan ʿĪsā (عليه السلام) en de Qur’ān aan Muhammad (صلى الله عليه وسلم) overgebracht en hen onderwezen. Aan de andere anbiyā’ heb ik Uw geboden en verboden bekendgemaakt.”

Vervolgens wordt Nūḥ (عليه السلام) opgeroepen: “O Nūḥ! Vertel, Jibrīl beweert dat hij Mijn geboden aan jou heeft overgebracht.” Nūḥ (عليه السلام) zal antwoorden: “Ja, Jibrīl spreekt de waarheid.” Vervolgens wordt hem gevraagd: “En jij, wat heb jij gedaan?” Nūḥ (عليه السلام) zal antwoorden: “Ik heb het mijn ummah verteld, maar zij kwamen in opstand tegen mij en luisterden niet.”

Daarna wordt het volk van Nūḥ (عليه السلام) opgeroepen en wordt hun gevraagd: “Heeft Nūḥ jullie de geboden van Allāh overgebracht?” (Het volk dat al ongelovig was, zal ontkennen) zeggen: “Hij liegt. Hij heeft ons niets verkondigd.”

Daarop zal Allāhu Taʿālā zeggen: “O Nūḥ! Jouw volk ontkent. Heb jij nog een ander bewijs?” Nūḥ (عليه السلام) zal antwoorden: “Ja, de ummah van Muhammad (صلى الله عليه وسلم) is getuige voor ons.”

Het volk van Nūḥ (عليه السلام) zal dan protesteren: “Hoe kan dat? Wij behoren tot vroegere umam. Hoeveel later zijn zij wel niet gekomen?”

Vervolgens zullen sommigen uit de ummah van Muhammad (صلى الله عليه وسلم) worden gebracht en om hun getuigenis zal worden gevraagd. Zij zullen de āyah reciteren:

إِنَّآ أَرۡسَلۡنَا نُوحًا إِلَىٰ قَوۡمِهِۦٓ أَنۡ أَنذِرۡ قَوۡمَكَ مِن قَبۡلِ أَن يَأۡتِيَهُمۡ عَذَابٌ أَلِيمٞ ١

Waarlijk, Wij hebben Noah tot zijn volk gestuurd (zeggende): “Waarschuw jouw volk voordat er een pijnlijke bestraffing tot hen komt.” (Nūḥ, 71:1)

En zo zullen zij voor Nūḥ (عليه السلام) getuigen. Daarna zal Allāhu Taʿālā tot het volk van Nūḥ (عليه السلام) zeggen: “De waarheid is duidelijk geworden. Jullie hebben de bestraffing verdiend.” Zo zal Nūḥ (عليه السلام) worden gered.

Daarna wordt het volk van ‘Ād samen met hun Nabī Hūd (عليه السلام) gebracht en ter verantwoording geroepen. Ook zij ontkennen hun Nabī en beweren dat Hūd (عليه السلام) hun niets heeft verkondigd. Maar de ummah van Muhammad (صلى الله عليه وسلم) zal ook hier getuigen door de āyah te reciteren:

كَذَّبَتۡ عَادٌ ٱلۡمُرۡسَلِينَ ١٢٣ Het volk van ‘Ad verloochende de Boodschappers.

(Shuʿarā’, 26:123)

Vervolgens komen het volk van Thamūd en hun Nabī Ṣāliḥ (عليه السلام) naar voren en worden ter verantwoording geroepen. Ook hier zal de ummah van Muhammad (صلى الله عليه وسلم) getuigen door de āyah te reciteren:

كَذَّبَتۡ ثَمُودُ ٱلۡمُرۡسَلِينَ ١٤١ (Het volk van) Thamoed verloochenden de Boodschappers. (Shuʿarā’, 26:141)

Zo zal de ummah van Muhammad (صلى الله عليه وسلم) voor alle anbiyā’ getuigen met bewijzen uit de Qur’ān.

وَعَادٗا وَثَمُودَاْ وَأَصۡحَٰبَ ٱلرَّسِّ وَقُرُونَۢا بَيۡنَ ذَٰلِكَ كَثِيرٗا ٣٨

En (ook) ‘Ad en Thamoed en het volk van Ar- Rass, en vele generaties daartussen. (Furqān, 25:38)ثُمَّ أَرۡسَلۡنَا رُسُلَنَا تَتۡرَاۖ كُلَّ مَا جَآءَ أُمَّةٗ رَّسُولُهَا كَذَّبُوهُۖ فَأَتۡبَعۡنَا بَعۡضَهُم بَعۡضٗا وَجَعَلۡنَٰهُمۡ أَحَادِيثَۚ فَبُعۡدٗا لِّقَوۡمٖ لَّا يُؤۡمِنُونَ ٤٤

Vervolgens stuurden Wij in opeenvolging Onze Boodschappers.Telkens wanneer een Rasûl tot een volk kwam, werd hij ontkend.Toen deden Wij hen elkaar opvolgen (in hun vernietiging), en Wij maakten hen tot onderwerp van verhalen. Ten onder gaat het volk dat niet gelooft! (Mu’minūn, 23:44)

أَلَمۡ يَأۡتِكُمۡ نَبَؤُاْ ٱلَّذِينَ مِن قَبۡلِكُمۡ قَوۡمِ نُوحٖ وَعَادٖ وَثَمُودَ وَٱلَّذِينَ مِنۢ بَعۡدِهِمۡ لَا يَعۡلَمُهُمۡ إِلَّا ٱللَّهُۚ جَآءَتۡهُمۡ رُسُلُهُم بِٱلۡبَيِّنَٰتِ فَرَدُّوٓاْ أَيۡدِيَهُمۡ فِيٓ أَفۡوَٰهِهِمۡ وَقَالُوٓاْ إِنَّا كَفَرۡنَا بِمَآ أُرۡسِلۡتُم بِهِۦ وَإِنَّا لَفِي شَكّٖ مِّمَّا تَدۡعُونَنَآ إِلَيۡهِ مُرِيبٖ ٩

Heeft jullie het nieuws niet bereikt van degenen vóór jullie, het volk van Noah, en ‘Ad, en Thamoed? En degenen na hen? Niemand kent hen, behalve Allāh. Tot hen kwamen hun Boodschappers met duidelijke bewijzen, maar zij legden hun handen over hun monden en zeiden: “Waarlijk, wij geloven niet aan datgene wat aan jou gestuurd is en wij verkeren echt in grote twijfel over datgene waartoe jij ons uitnodigt.” (Ibrāhīm, 14:9)

Zo zullen alle umam en alle anbiyā’ één voor één ter verantwoording worden geroepen. De mu’mins en de anbiyā’ zullen worden gered.

De kāfirs daarentegen, hun misdaden zullen worden bewezen en hen openlijk worden voorgehouden.

Daarna zal ʿĪsā (عليه السلام) ter verantwoording worden geroepen. Hij zal ter verantwoording worden geroepen over of hij de godsdienst (dīn) heeft overgebracht en of hij zijn ummah het geloof in de Drie-eenheid heeft onderwezen. (Er zal tegen hem worden gezegd): وَإِذۡ قَالَ ٱللَّهُ يَٰعِيسَى ٱبۡنَ مَرۡيَمَ ءَأَنتَ قُلۡتَ لِلنَّاسِ ٱتَّخِذُونِي وَأُمِّيَ إِلَٰهَيۡنِ مِن دُونِ ٱللَّهِۖ قَالَ سُبۡحَٰنَكَ مَا يَكُونُ لِيٓ أَنۡ أَقُولَ مَا لَيۡسَ لِي بِحَقٍّۚ إِن كُنتُ قُلۡتُهُۥ فَقَدۡ عَلِمۡتَهُۥۚ تَعۡلَمُ مَا فِي نَفۡسِي وَلَآ أَعۡلَمُ مَا فِي نَفۡسِكَۚ إِنَّكَ أَنتَ عَلَّٰمُ ٱلۡغُيُوبِ ١١٦

En (gedenk) toen Allāh zei: “O, Isa, zoon van Maryam! Heb jij tegen de mensen gezegd: “Aanbidt mij en mijn moeder als twee goden naast Allāh?” Hij (Isa) zei: “Verheerlijkt zij U! Het is niet aan mij om te zeggen waarop ik geen recht heb. Als ik zo iets gezegd had, dan zou U dat zeker geweten hebben. U weet wat in mijn binnenste is, terwijl ik niet weet wat in U is, waarlijk, U en alleen U bent de Alwetende van alles wat verborgen en onzichtbaar is.

(Mā’idah, 5:116) Zo zal hij zichzelf vrijpleiten.قَالَ ٱللَّهُ هَٰذَا يَوۡمُ يَنفَعُ ٱلصَّٰدِقِينَ صِدۡقُهُمۡۚ لَهُمۡ جَنَّٰتٞ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهَا ٱلۡأَنۡهَٰرُ خَٰلِدِينَ فِيهَآ أَبَدٗاۖ رَّضِيَ ٱللَّهُ عَنۡهُمۡ وَرَضُواْ عَنۡهُۚ ذَٰلِكَ ٱلۡفَوۡزُ ٱلۡعَظِيمُ ١١٩

Allāh zei: “Dit is de Dag waarop de waarachtigen (in hun geloof) van hun waarachtigheid zullen profiteren (van de geneugten in de eeuwige Tuinen): voor hen zijn de Tuinen waar rivieren onderdoor stromen – zij zullen daarin voor altijd verblijven. Allāh is tevreden over hun (verrichte daden) en zij over Hem (vanwege de Paradijslijke beloningen). Dat is het grote succes. (Mā’idah, 5:119)

Daarna zal Muhammad (صلى الله عليه وسلم) worden geroepen. Er zal gezegd worden:

“O Muhammad! Jibrīl (عليه السلام) zegt dat hij Mijn āyāt aan jou heeft overgebracht. Wat heb jij gedaan? Heb jij ze aan jouw volk verkondigd?”

Vervolgens zal ook het ummah getuigen. Zo zullen de goeden en de slechten van elkaar worden onderscheiden.

وَٱمۡتَٰزُواْ ٱلۡيَوۡمَ أَيُّهَا ٱلۡمُجۡرِمُونَ ٥٩

“Ga op deze Dag (van de mu’mins) weg, O jullie misdadigers!” (Yā Sīn, 36:59)

Over dit āyah zei al-Aṣmaʿī dat, toen Ādam (عليه السلام) in het rijk van ‘alastu bi-rabbikum’ (Ben Ik niet jullie Rab?: zie Aʿrāf (7:172) werd opgedragen de mensen voor het Hellevuur te selecteren, vroeg hij: “Hoe moet ik dat doen?” Allāhu Taʿālā zei: “Stuur van elke duizend, negenhonderdnegenennegentig naar het Hellevuur.” Op Yawmu’l Qiyāmah zal duidelijk worden wie dat zijn. Dan zal ieders schuld vaststaan en niemand zal kunnen ontkennen wat hij heeft gedaan.

3.43: De toestand van de getuigen tijdens de afrekening

De geleerden hebben gezegd dat de afrekening zal plaatsvinden in aanwezigheid van de getuigen en de anbiyā’.

بَلَىٰ قَدۡ جَآءَتۡكَ ءَايَٰتِي فَكَذَّبۡتَ بِهَا وَٱسۡتَكۡبَرۡتَ وَكُنتَ مِنَ ٱلۡكَٰفِرِينَ ٥٩

(Allāh zal antwoorden:) “Nee! Waarlijk, tot jou zijn Mijn tekenen gekomen en jij hebt die ontkend en was trots en jij behoorde tot de kāfirs .” (Zumar, 39:69)

فَكَيۡفَ إِذَا جِئۡنَا مِن كُلِّ أُمَّةِۭ بِشَهِيدٖ وَجِئۡنَا بِكَ عَلَىٰ هَٰٓؤُلَآءِ شَهِيدٗا ٤١

Hoe (zal het) dan (zijn) als Wij van ieder volk een getuige (een Profeet) oproepen en Wij jou (O Mohammed) als getuige tegen deze mensen oproepen? (Nisā’, 4:41)

De eerste getuigen van elke gemeenschap zijn hun anbiyā’. Ook is gezegd dat de engelen die de daden hebben opgeschreven, zullen getuigen. In aanwezigheid van de anbiyā’ zal aan hun ummah worden gevraagd:

وَيَوۡمَ يُنَادِيهِمۡ فَيَقُولُ مَاذَآ أَجَبۡتُمُ ٱلۡمُرۡسَلِينَ ٦٥

En (gedenk) de Dag dat (Allāh) hen zal roepen en zeggen: “Wat voor antwoord gaven jullie aan de Boodschappers?” (Qaṣaṣ, 28:65)

Daarna zal aan de anbiyā’ worden gevraagd: “Hoe hebben zij gereageerd op de oproep?”

Zij zullen antwoorden:

قَالُواْ سُبۡحَٰنَكَ لَا عِلۡمَ لَنَآ إِلَّا مَا عَلَّمۡتَنَآۖ إِنَّكَ أَنتَ ٱلۡعَلِيمُ ٱلۡحَكِيمُ ٣٢

Zij zeiden: “Verheerlijkt bent U, wij hebben geen kennis behalve van wat U ons onderwezen heeft. U bent de Alwetende, de Alwijze.” (Baqarah, 2:32)

Hier is een collectieve afrekening.

Daarna volgt de individuele afrekening. Wanneer ieder mens afzonderlijk wordt berecht, zullen nabī en de twee engelen die belast waren met het opschrijven van zijn daden, getuigen, vóór hem of tegen hem.

Imām al-Ghazālī schrijft in zijn boek Kashfu ʿUlūmi’l-Ākhirah het volgende:

Op het Maḥshar -plein zal een stem roepen:

ٱلۡيَوۡمَ تُجۡزَىٰ كُلُّ نَفۡسِۭ بِمَا كَسَبَتۡۚ لَا ظُلۡمَ ٱلۡيَوۡمَۚ إِنَّ ٱللَّهَ سَرِيعُ ٱلۡحِسَابِ ١٧

(Op) deze Dag zal iedere ziel vergolden worden voor wat zij heeft verricht. Op die Dag is er geen onrecht. Waarlijk, Allāh is snel in de afrekening. (Ghāfir, 40:17)

Vervolgens zal een boek worden gebracht dat de gehele horizon, van oost tot west, bedekt. En opengelegd. Daarin staan de daden van alle schepselen tot in de kleinste details opgetekend.

وَوُضِعَ ٱلۡكِتَٰبُ فَتَرَى ٱلۡمُجۡرِمِينَ مُشۡفِقِينَ مِمَّا فِيهِ وَيَقُولُونَ يَٰوَيۡلَتَنَا مَالِ هَٰذَا ٱلۡكِتَٰبِ لَا يُغَادِرُ صَغِيرَةٗ وَلَا كَبِيرَةً إِلَّآ أَحۡصَىٰهَاۚ وَوَجَدُواْ مَا عَمِلُواْ حَاضِرٗاۗ وَلَا يَظۡلِمُ رَبُّكَ أَحَدٗا ٤٩

En het Boek zal geplaatst worden en jullie zullen de misdadigers angstig zien vanwege wat daarin is opgeschreven. Zij zullen zeggen: “Wee voor ons! Wat voor soort boek is dit, dat niets kleins of niets groots verzwijgt maar het zelfs berekend!” En zij zullen ontdekken dat al hun daden vόόr hen worden geplaatst en jullie Heer behandelt niemand onrechtvaardig. (Kahf, 49)

Alles wat de mensen in de wereld deden, wordt dagelijks aan Allāh voorgelegd.

En Hij beveelt de aangestelde engelen om het vast te leggen:هَٰذَا كِتَٰبُنَا يَنطِقُ عَلَيۡكُم بِٱلۡحَقِّۚ إِنَّا كُنَّا نَسۡتَنسِخُ مَا كُنتُمۡ تَعۡمَلُونَ ٢٩

Dit is Ons Boek, dat in Waarheid tot jullie spreekt. Waarlijk, Wij schrijven op wat jullie plegen te doen. (Jāthiyah, 45:29)

Daarna begint de persoonlijke afrekening. Iedereen zal één voor één naar voren komen en worden ondervraagd. De tongen, handen, voeten en andere ledematen van de mensen zullen getuigen over wat zij hebben gedaan:

يَوۡمَ تَشۡهَدُ عَلَيۡهِمۡ أَلۡسِنَتُهُمۡ وَأَيۡدِيهِمۡ وَأَرۡجُلُهُم بِمَا كَانُواْ يَعۡمَلُونَ ٢٤

Op de Dag dat hun tongen, hun handen en hun benen of voeten tegen hen zullen getuigen over wat zij gewend zijn te doen. (Nūr, 24:24)

Volgens sommige overleveringen zal een man voor Allāh worden gebracht. Wanneer hem naar zijn slechte daden wordt gevraagd, zal hij ze ontkennen. Maar zijn eigen ledematen zullen zijn zonden bevestigen. Daarop zal hij zijn eigen organen verwijten dat zij tegen hem hebben getuigd. Die ledematen zullen zich dan verdedigen door te zeggen dat zij dit niet uit eigen verlangen deden, maar dat Allāh hun had bevolen het zo te doen.

3.44: Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zal over zijn ummah getuigen

Ibn al-Mubārak verhaalt dat hij het hoorde van een man uit de Anṣār…:

“De daden van de ummah worden, zonder uitzondering, elke dag, ’s ochtends en ’s avonds, aan Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) getoond. Daarom zal Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) in het Hiernamaals als getuige optreden. Het bewijs hiervoor is de āyah:

فَكَيۡفَ إِذَا جِئۡنَا مِن كُلِّ أُمَّةِۭ بِشَهِيدٖ وَجِئۡنَا بِكَ عَلَىٰ هَٰٓؤُلَآءِ شَهِيدٗا ٤١

Hoe (zal het) dan (zijn) als Wij van ieder volk een getuige (een Profeet) oproepen en Wij jou (O Mohammed) als getuige tegen deze mensen oproepen? (Nisā’, 4:41)

Uit enkele overleveringen die eerder zijn genoemd, hebben wij vernomen dat de daden van de dienaren iedere maandag en donderdag aan Allāh worden voorgelegd. Daarnaast worden de daden van de mensen op vrijdag ook voorgelegd aan de anbiyā’ en ouders.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ziet dagelijks de daden van zijn ummah. Daarnaast worden deze daden op vrijdag opnieuw aan hem getoond, samen met de overige anbiyā’.

3.45: De straf voor wie geen zakāh geeft, en de toestand op het moment van afrekening van degenen die mensen bedriegen en hun rechten ontnemen

Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei:

“Wie goud of zilver bezit en sterft zonder de zakāh ervan te hebben betaald, voor hem zullen deze bezittingen op Yawmu’l Qiyāmah in het Hellevuur worden verhit en tot platen worden gesmolten. Daarmee zullen zijn zijden, buik en rug worden gebrandmerkt, zodat zijn hele lichaam ermee wordt getekend. Telkens wanneer zij afkoelen, worden zij opnieuw verhit en wordt hij opnieuw gebrandmerkt. Dit zal vijftigduizend jaar voortduren, totdat er tussen de mensen is geoordeeld en hij zijn weg te zien krijgt: óf naar het Paradijs, óf naar het Hellevuur.” (Muslim, 7/64)

In dezelfde betekenis is ook een overlevering opgenomen door Imām al-Bukhārī.

Verder is overgeleverd dat wie de zakāh van kamelen en runderen niet betaalt, op Yawmu’l Qiyāmah gedurende vijftigduizend jaar door deze dieren zal worden vertrapt.

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie van Allāh rijkdom heeft gekregen maar de zakāh daarvan niet afdraagt, zal op Yawm al-Qiyāmah zijn vermogen zien verschijnen in de vorm van een tweekoppige slang. Zij zal hem grijpen, zich aan zijn kaken vastbijten en zeggen: “Ik ben jouw bezit. Ik ben jouw schat”. Allāh zegt: وَلَا يَحۡسَبَنَّ ٱلَّذِينَ يَبۡخَلُونَ بِمَآ ءَاتَىٰهُمُ ٱللَّهُ مِن فَضۡلِهِۦ هُوَ خَيۡرٗا لَّهُمۖ بَلۡ هُوَ شَرّٞ لَّهُمۡۖ سَيُطَوَّقُونَ مَا بَخِلُواْ بِهِۦ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِۗ وَلِلَّهِ مِيرَٰثُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِۗ وَٱللَّهُ بِمَا تَعۡمَلُونَ خَبِيرٞ ١٨٠

En laat degenen die begerig achterhouden wat Allāh hen van Zijn overvloed heeft gegeven, niet denken dat dit goed voor hen is. Nee, het is slecht voor hen. De dingen die zij begerig achterhouden zullen aan hun nekken vastgebonden worden als een ketting op Yawmu’l Qiyāmah.

En aan Allāh behoort de erfenis van de hemelen en de aarde, en Allāh is zich welbewust van alles wat jullie doen. (Āl ʿImrān, 3:180)

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stond op een dag op en sprak over degenen die mensen bedriegen en onrechtmatig bezit nemen: “Laat Mij op Yawm al-Qiyāmah niemand van jullie aantreffen met een blatende kameel om zijn nek, die naar mij komt en zegt: ‘O Rasulullah, help mij!’En dat ik dan moet zeggen: ‘Ik kan niets voor jou doen. Ik heb jou dit immers meegedeeld.’

Laat mij niemand aantreffen met een hinnikkend paard om zijn nek, die zegt: ‘O Rasulullah, help mij!’En dat ik zeg: ‘Ik kan niets voor jou doen. Ik heb jou dit immers meegedeeld.’

Laat mij niemand aantreffen met een blatend schaap om zijn nek, die zegt: ‘O Rasulullah, help mij!’En dat ik zeg: ‘Ik kan niets voor jou doen. Ik heb jou dit immers meegedeeld.’

Laat mij niemand aantreffen met een schreeuwende persoon om zijn nek, die zegt: ‘O Rasulullah, help mij!’En dat ik zeg: ‘Ik kan niets voor jou doen. Ik heb jou dit immers meegedeeld.’

Laat mij niemand aantreffen met een wapperend kledingstuk om zijn nek, die zegt: ‘O Rasulullah, help mij!’En dat ik zeg: ‘Ik kan niets voor jou doen. Ik heb jou dit immers meegedeeld.’

Laat mij niemand aantreffen met goud en zilver om zijn nek, die zegt: ‘O Rasulullah, help mij!’En dat ik zeg: ‘Ik kan niets voor jou doen. Ik heb jou dit immers meegedeeld.” (Al-Bukharī, 3073; Muslim, 1831)

Dit betekent: wie zich iets toe-eigent dat hem niet toekomt of het nu dieren, goederen, kleding of geld is zal het op Yawmu’l Qiyāmah als een last met zich meedragen, zichtbaar voor iedereen.

Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah wordt voor iedereen die de amana (toevertrouwde verantwoordelijkheid) verraadt of zijn woord niet houdt, een banier opgericht, en er wordt uitgeroepen: 'Dit is de ondankbaarheid van de zoon van zo-en-zo.” (Aḥmad ibn Ḥanbal 2/29 ve 142; Muslim, 12/42)

Een overlevering met dezelfde betekenis is ook overgebracht door Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه). (alal-Bukhārī, 6/283; Muslim, 12/44; Aḥmad ibn Ḥanbal 1/411 ve 2/75)

Van ʿAmr b. al-Ḥamk al-Ḥuzāʾī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:

“Wanneer iemand het vertrouwen van een ander schendt en daardoor die persoon wordt gedood, zal op Yawm al-Qiyāmah voor de moordenaar een banier worden opgericht die zijn ontrouw en verraad aanduidt.” (Abû Dāwûd, 1285)

Allāh zegt in de Qur’ān:

وَمَا كَانَ لِنَبِيٍّ أَن يَغُلَّۚ وَمَن يَغۡلُلۡ يَأۡتِ بِمَا غَلَّ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِۚ ثُمَّ تُوَفَّىٰ كُلُّ نَفۡسٖ مَّا كَسَبَتۡ وَهُمۡ لَا يُظۡلَمُونَ ١٦١

Geen enkele Profeet mag –onwettigeen deel van de oorlogsbuit nemen en iedereen die zijn metgezellen bedriegt als het over de oorlogsbuit gaat, zal op Yawmu’l Qiyāmah datgene wat hij nam, meebrengen. Dan zal iedere ziel vergoed krijgen wat hij verricht heeft en zij zullen niet onrechtvaardig behandeld worden. (Āl ʿImrān, 3:161)

Volgens onze geleerden zal deze situatie plaatsvinden zoals Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft verklaard. Iedereen zal op het Mahshar verschijnen, zijn verraad op zijn rug dragend. Wat hij heeft gestolen of onrechtmatig heeft verkregen, zal op Yawmu’l Qiyāmah op zijn rug worden gelegd of om zijn nek worden gehangen, en zo zal hij gestraft worden. Daarnaast zullen de goederen die hij stal of onrechtmatig verkreeg met al hun gewicht op zijn rug worden geladen

Imām al-Ghazālī legt uit dat degene die de zakāh van zijn kamelen niet betalen, op Yawmu’l Qiyāmah de zwaarste kamelen op zijn rug zullen krijgen. Degene die de zakāh van een koe niet betaalt of onrechtmatig een rund bezit, zal de zwaarste ossen op zijn rug krijgen. Terwijl hij dit gewicht draagt, zullen deze dieren ook pijn veroorzaken. Hierover wordt in de ḥadīth gesproken. Bovendien zullen deze dieren angstaanjagende geluiden maken, waardoor de harten van de dief of verrader die hen draagt, worden vervuld van vrees. Zoals de āyah zegt: zie hierboven Āl ʿImrān, 3:180: De dingen die zij begerig achterhouden zullen aan hun nekken vastgebonden worden als een ketting op Yawmu’l Qiyāmah

Wij sluiten ons aan bij deze opvattingen en bevestigen dat de ahādīth authentiek zijn. Dit zijn de bestraffingen die Allāh heeft beloofd voor wie zijn zakāh niet afdraagt, toevertrouwde zaken schendt, bewust zijn schulden niet terugbetaalt en anderen misleidt in handel of in welke aangelegenheid dan ook. Moge Allāh ons allen beschermen tegen een dergelijke kwelling.

Vóór de komst van de Islām hieven de Arabieren vlaggen voor mensen die grove overtredingen hadden begaan, overeenkomstig hun misdrijf.

Dit deden zij op jaarmarkten en in het Haj seizoen. Zo werd iedereen getuige van wie wat was en wat hij had gedaan.

Van Samurah b. Jundub (رضي الله عنه): “Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tijdens een veldtocht buit verkreeg, beval hij Bilāl (رضي الله عنه) om de mensen op te roepen hun buit te brengen. Daarop kondigde Bilāl aan dat men de buit moest inleveren. (Toen de mensen) de buit hadden gebracht, nam (Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een vijfde deel apart en verdeelde de rest. Na de verdeling kwam een man met een teugel van (kamelen)haar en zei: “O Rasûlullāh, dit is de buit die wij in handen hebben gekregen.”

Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) driemaal: “Heb jij Bilāl niet gehoord toen hij het aankondigde?”

(De man) zei: “Jawel.”

(Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wat heeft jou dan tegengehouden om het op tijd te brengen?”

Daarop bood de man zijn verontschuldigingen aan bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), maar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Breng het dan maar op Yawmu’l Qiyāmah. Ik zal het nu in geen geval van je aannemen.” (Abû Dāwûd, 2712)

Van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) is de volgende hadīth overgeleverd:

“Op Yawmu’l Qiyāmah wordt een steen zevenvoudig verzwaard en in de Hel geworpen. Er verstrijken zeventig jaar voordat hij de bodem bereikt. Daarna wordt de eigenaar van (de zonde die deze steen vertegenwoordigt in de Hel geworpen) en hem wordt bevolen die steen terug te brengen.” De āyah: وَمَن يَغۡلُلۡ يَأۡتِ بِمَا غَلَّ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِۚ…en iedereen die zijn metgezellen bedriegt (en hun rechten onrechtmatig toe-eigenen) als het over de oorlogsbuit gaat, zal op Yawmu’l Qiyāmah datgene wat hij nam, meebrengen…

(Ali Imrān, 3:161) vormt hiervoor het bewijs.

In de ahādīth wordt vermeld dat op Yawmu’l Qiyāmah ieder mens een vlag, een teken en een banier zal hebben. Dieven zullen een eigen banier hebben, zodat voor iedereen duidelijk zal zijn dat zij dieven waren. Ieder mens zal een afzonderlijke vlag hebben overeenkomstig zijn daden.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zal de banieren van “Hamd” en “Karam” hebben. De ummah van Muḥammad zal zich daar verzamelen.

…Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Imru’ al-Qays (de beroemde dichter uit de jahiliyyah-periode) zal op Yawmu’l Qiyāmah de vlag van de dichters dragen en de dichters die hem volgden naar de Hel leiden.” (Ahmad b. Hanbal, 2/228)

Zo zal ieder die een bepaalde daad voorging, leiding geven aan degenen die hem daarin volgden. Degenen die slechte daden verrichtten, zullen de vlag volgen van degene die zij volgden en zo naar de Hel gaan. Degenen die goede daden verrichtten, zullen zich aansluiten bij de rechtschapenen die zij volgden en gered worden.

“Er zijn vele mensen die met stof en aarde bedekt zijn, maar zij zullen niet in de nabijheid van de poorten van het Paradijs worden toegelaten.” (Muslim, 1174)

“Allāh houdt van de muttaqī, de welgestelde en degene die in het verborgene (ṣadaqah geeft en in het verborgene aanbidt).” (Ahmad b. Hanbal, 1/186)

Imām al-Ghazālī schrijft in zijn boek Kashf ʿUlūm al‑Ākhirah:

Op Yawmu’l Qiyāmah zal als eerste uitspraak worden gedaan over bloedwraak en als eerste zal er recht worden gesproken over de moordenaars. De eersten die hun beloning zullen ontvangen, zijn de blinden. Daarna zal iedere groep zich onder een eigen banier verzamelen. De vrijgevigen zullen een eigen banier hebben. Ook de Ṣaḥābah zullen zich onder verschillende vlaggen verzamelen. De engelen zullen zich om hen heen verzamelen als een bruidstoet.

Zondaars zullen eveneens in groepen worden verzameld en ter verantwoording worden geroepen.

Ook de geleerden (`ulamā’) en de martelaren (shuhadā’) zullen een eigen banier hebben.

Volgens authentieke overleveringen zullen eerst de anbiyā’ aan wie een Boek is gegeven voorspraak (shafā‘ah) doen voor de mensen. Daarna zullen achtereenvolgens de overige anbiyā’ voorspraak doen, en als laatste de geleerden en de martelaren.

Ibrāhīm (عليه السلام) zal met een witte banier in zijn hand komen en een stem zal roepen: “Waar zijn de armen?” en de armen zullen zich verzamelen rond Ibrāhīm (عليهما السلام). Tot de armen zal worden gezegd: “Welkom, jullie die in de wereld een leven als in een gevangenis hebben geleid.” Daarna zal dezelfde stem de rijken oproepen. De rijken zullen komen en zich verzamelen rond Sulaymān (عليه السلام).

In een andere overlevering wordt gezegd dat er vier groepen mensen zijn die in het bijzonder ter verantwoording zullen worden geroepen. De eerste groep zijn degenen aan wie bezit en positie zijn gegeven. Aan hen zal worden gevraagd: “Waarom hebben jullie niet ʿibādah verricht? Waarom hebben jullie de bevelen van Allāh niet opgevolgd?” Zij zullen zeggen: “Allāh gaf ons bezit en positie. Wij hebben ons hieraan overgegeven en vergaten de bevelen van Allāh.”

Allāhu Ta’ālā zal tot hen zeggen: “Wie had meer macht en bezit, jullie of Sulaymān?” Zij zullen antwoorden: “Natuurlijk was Sulaymān (عليه السلام) rijker en machtiger dan wij.” Daarop zal Allāh zeggen: “Maar Sulaymān deed niet zoals jullie. Zijn bezit en positie weerhielden hem er niet van Allāh te aanbidden en Zijn bevelen op te volgen.”

Vervolgens zullen degenen die in de wereld beproevingen en tegenslagen hebben ondergaan ter verantwoording worden geroepen. Zij zullen zeggen: “O onze Rab, wij hebben in de wereld veel geleden en vele rampen doorstaan. Daarom konden wij U niet aanbidden en Uw bevelen niet naleven.”

Allāh zal zeggen: “Wie heeft zwaardere beproevingen gekend, jullie of Ayyūb?”

Zij zullen zeggen: “Wat Ayyūb (عليه السلام) heeft doorstaan, heeft niemand doorstaan.”

Daarop zal Allāh zeggen: “Hij was zeer rijk, knap en had kinderen. Daarna raakte hij zijn bezittingen kwijt, stierven zijn kinderen en werd hij ziek. Toch bleef hij standvastig in zijn aanbidding en in het naleven van de bevelen van Allāh.

Daarna zullen de jongeren voor Allāh worden gebracht en ter verantwoording worden geroepen. Zij zullen zeggen: “U gaf ons jeugd en schoonheid, en wij raakten daardoor afgeleid en vergaten Uw bevelen.” Allāh zal zeggen: “Waren jullie mooier dan Yūsuf?” Zij zullen antwoorden: “Zeker niet.”

Vervolgens zullen de armen ter verantwoording worden geroepen. Zij zullen hun armoede als excuus aanvoeren en zeggen dat zij door hun zorg voor levensonderhoud geen gelegenheid hadden voor aanbidding. Daarop zal Allāh zeggen: “Waren jullie armer dan ʿĪsā?” En hun verontschuldigingen zullen niet worden aanvaard.

De uitdrukking in de hadīth: “Dit is het verraad van die-en-die, zoon van die-en-die” vormt een bewijs dat mensen op Yawmu’l Qiyāmah zullen worden opgeroepen met hun eigen naam en de naam van hun vader. Dit onderwerp is eerder al besproken. Sommigen menen dat mensen op die Dag met de naam van hun moeder zullen worden geroepen, maar deze opvatting is naar onze mening niet juist. In de ahādīth wordt immers duidelijk vermeld dat zij met de naam van hun vader zullen worden geroepen.

De uitdrukking in de hadīth: “Hiermee zal zijn gezicht, buik en rug worden gebrandmerkt” is bedoeld als een voorstelling en voorbeeld. Dit zijn de ledematen die doorgaans expliciet worden genoemd. Dit betekent echter niet dat de bestraffing uitsluitend tot deze ledematen beperkt blijft. Sommigen zijn van mening dat de bestraffing alleen deze organen betreft, maar uit de ahādīth blijkt dat de bestraffing niet beperkt blijft tot enkele ledematen, maar het hele lichaam zal treffen.

De opvatting van de soefi's is als volgt: als iemand jaagt op roem en aanzien, zal zijn gezicht worden gebrandmerkt. Wie de arme niet helpt, zijn buik zal met vuur worden gebrandmerkt. En als iemand het bezit van onderdrukten heeft verduisterd, zal via zijn rug worden gestraft.

Wat betreft de uitdrukking “vijftigduizend jaar” die in de ahādīth wordt genoemd: in de āyah staat:

تَعۡرُجُ ٱلۡمَلَٰٓئِكَةُ وَٱلرُّوحُ إِلَيۡهِ فِي يَوۡمٖ كَانَ مِقۡدَارُهُۥ خَمۡسِينَ أَلۡفَ سَنَةٖ ٤

De Engelen en de Geest stijgen naar Hem op in een dag waarvan de maat vijftigduizend jaren is. (Maʿārij, 70:4)

Dit betekent: als iemand anders dan Allāh de dienaar ter verantwoording zou roepen, zou hij daar vijftigduizend jaar voor nodig hebben. Voor Allāh daarentegen is dit zeer gemakkelijk en geenszins moeilijk. Wat een dienaar in duizenden jaren niet zou kunnen volbrengen, voltrekt Allāh Subḥānahu wa Taʿālā in een halve dag, een halve nacht of zelfs korter.

Ibn al-Yamān zegt dat de afrekening van iedere dienaar over één enkele kwestie duizend jaar zal duren. Maar in de hadīth staat: “Bij Allāh, voor een mu’min zal de afrekening worden verlicht. Voor een mu’min zal de afrekening slechts zo lang duren als de tijd die nodig is om een verplichte ṣalāh te verrichten.” Deze hadīth is eerder genoemd en werd overgeleverd door Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه).

Ibn al-Mubārak overlevert, … van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De afrekening van een mu’min zal slechts zo lang duren als de tijd die nodig is om een verplichte ṣalāh te verrichten.” (Aḥmad ibn Ḥanbal 3/75)

Dat wil zeggen: ondanks de lengte en de ontzagwekkendheid van die Dag zal een mu’min dit slechts als zo’n korte tijd ervaren.

Ibn ʿAzīz vermeldt in zijn werk Garību’l-Qur’ān een hadīth waarin staat dat de afrekening van de gehele schepping minder dan een halve dag zal duren.

In een andere overlevering wordt gezegd dat alles zal plaatsvinden in een tijd die korter is dan het moment waarin iemand met zijn hand zijn gezicht bedekt.

Op het eerste gezicht lijkt deze overlevering in tegenspraak met de eerder genoemde hadīth. Wat hier echter bedoeld wordt, is dat wat voor de dienaar vijftigduizend jaar lijkt te duren, voor Allāhu Ta`ālā slechts een zeer kort ogenblik is. Voor een mu’min zal deze periode van vijftigduizend jaar bovendien verlicht worden, zodat zij voor hem slechts enkele uren zal aanvoelen. En Allāh weet het het beste.

3.46: Het ter verantwoording roepen van bestuurders

Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie leiding geeft over tien mensen, zal op Yawmu’l Qiyāmah hierover ter verantwoording worden geroepen. Er zal rechtvaardig over hem worden geoordeeld en hij zal ook de straf voor al zijn overtredingen ondergaan.” (Ahmad b. Hanbal, 2/431 ve 5/285)

`Umar (رضي الله عنه) vroeg op een dag aan Abû Ḏar (رضي الله عنه) een hadīth te overleveren. Abû Ḏar las toen de volgende hadīth voor: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Iedere bestuurder zal op Yawmu’l Qiyāmah op de brug boven de Hel worden geplaatst. De brug wiebelt zo erg dat geen enkel bot van die bestuurder op zijn plaats blijft. Als hij een rechtvaardige en gehoorzame bestuurder is, zal hij de brug oversteken. Maar een onrechtvaardige leider of iemand die de geboden van Allāh niet, zal van de brug vallen, zal van de brug vallen en (voor elk onrecht dat hij beging) 50 jaar in de Hel verblijven.”

Na het horen van deze hadīth vroeg `Umar (رضي الله عنه): “Wie zou dan nog bestuurder willen worden?”Abû Ḏar antwoordde: “Degene wiens neus en gezicht Allāh in het stof wil wrijven.”

Deze hadīth werd overgeleverd door Abû’l-Faraj İbnu’l-Jawzî. (رضي الله عنهم ورحمهم الله: Moge Allāh tevreden met hen zijn en hen genade schenken.

Onze hadīth geleerden hebben het volgende van Abû Humayd as-Sâidî (رضي الله عنه) overgeleverd, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had een man genaamd İbnu'l-Lutbiyyah van de stam van de Asad als belastingambtenaar aangesteld. Toen de man terugkwam (van zijn missie) zei hij: “Dit is verzameld als zakāh, en dit is aan mij als geschenk gegeven,” terwijl hij sommige goederen afzonderde.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beklom onmiddellijk de mimbar en zei, na Allāh te hebben lofgeprezing en verheerlijkt: “Wat is dit! Wij stellen iemand aan als zakāh-ambtenaar, en hij richt zich tot ons en zegt: ‘Dit is van jullie, en dit is aan mij gegeven als geschenk.’ Laat hem maar thuis bij zijn ouders wachten om te zien of iemand hem iets geeft of niet. Bij Allāh, als iemand dit doet zoals deze man, zal een kameel die hij ontvangt op Yawmu’l Qiyāmah brullend komen. En als het een koe of schaap is, zal dit dier ook brullend (op zijn rug geladen) komen.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hief zijn handen op totdat zijn oksels zichtbaar werden en verrichtte de volgende du`ā’: “O mijn Rab, wees getuige! Ik heb de boodschap overgebracht! O Allāh, ik heb de boodschap overgebracht.” (Al-Bukharī, 11/524; Muslim, 12/219;Ahmad b. Hanbal, 5/423)

Abû Dāwûd overlevert deze hadīth ook via Buraydah (رضي الله عنه). In de overlevering van Abû Dāwûd staat het volgende toegevoegd: “Wij betalen degenen die wij belasten met hun taak. Maar wie meer neemt dan wat wij hebben gegeven (zonder onze toestemming) zal als dief en verrader ter verantwoording worden geroepen.” (Abû Dāwûd, 2942)

3.47: Ḥawḍ al-Kawthar (het Bassin van al‑Kawthar) en over degenen die ervan zullen drinken en onder welke voorwaarden

Volgens de auteur van het boek Qutu’l Qulûb (het Voedsel van de Harten), Abû Tâlib, en anderen, is de ‘Ḥawḍ’ die aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) is toegekend een gebeurtenis ná het oversteken van de Brug (Sirāt).

Maar volgens de juiste opvatting zijn er twee Ḥawḍ die specifiek aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn gegeven. De eerste bevindt zich op het Mahshar-plein, vóórdat de Sirāt wordt overgestoken, terwijl de mensen wachten. De tweede bevindt zich in het Paradijs.

Beide worden ‘Kawthar’ genoemd. Het woord Kawthar is afgeleid van het Arabische ‘kathîr’, wat ‘veel’ betekent. Het duidt op overvloed, het meest en het beste, en draagt ook de betekenis van zegening (rijkelijke schenking).

Er bestaat verschil van mening over het moment waarop de mu’mins uit Ḥawḍ al-Kawthar zullen drinken: vóór de afrekening, dus vóórdat de Weegschalen van de daden (Mīzān) worden opgesteld, of erna. Volgens sommigen komt eerst de afrekening en daarna het drinken uit Ḥawḍ al-Kawthar. Volgens anderen zullen de mu’mins vóór de afrekening uit Ḥawḍ al-Kawthar drinken.Volgens Abû’l-Hasan al-Qâbisî is de tweede mening de juiste: eerst zal men uit Ḥawḍ al-Kawthar drinken en daarna zal de afrekening beginnen.

Wij zeggen: de mensen zullen reeds hongerig en dorstig uit hun graven worden opgewekt, (zoals iemand die uit de slaap ontwaakt met honger en dorst). Terwijl zij wachten op de afrekening, zullen zij zwaar lijden: zij zullen baden in zweet, overweldigd worden door angst en vrees, en door de lange wachttijd nog ellendiger worden. En Allāh weet het het beste.

Imâm al-Ghazâlî schrijft in zijn boek Kashfu ʿUlûmi’l-Âkhirah:

“Sommige geleerden die vóór ons boeken schreven, waren van mening dat men pas ná het oversteken van de Sirāt uit Ḥawḍ al-Kawthar zal drinken. Maar dit is een onjuiste opvatting.”Wij geven echter de voorkeur aan de hadīth die door Imām Bukhârî is overgeleverd via Abû Hurayrah (رضي الله عنه), waarin an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Terwijl ik bij Ḥawḍ al-Kawthar ben, zal er een groep naderen. Mij wordt getoond wie zij zijn. Vervolgens zal een man (een engel) tussen ons verschijnen en zeggen: ‘Volg mij.’

Ik zal dan vragen: ‘Waar breng je hen naartoe?’

Wanneer die man mij vertelt dat zij naar de Hel zullen gaan, zal ik naar de reden hiervan vragen Er zal worden gezegd: ‘Zij hebben zich afgewend (van de bevelen van Allāh).’

Daarna zal er nog een groep komen. Ook hen zal ik herkennen. Maar opnieuw zal diezelfde man tussen ons verschijnen en hen meenemen.

Wanneer ik vraag waarheen, zal worden gezegd dat ook zij zich ook hebben afgewend en daarom naar de Hel gaan.

De meesten van hen zullen zo in de Hel worden geworpen. Slechts enkelen zullen gered worden, zoals een paar overgebleven loslopende kamelen.” (al-Bukhārī, 13/3.; Muslim, 3/136.; İbn Mājah, 4302.;Ahmad b. Hanbal, 1/357)

Deze hadīth is ṣaḥīḥ en wijst erop dat Ḥawḍ al-Kawthar zich op het Mahshar-plein bevindt, vóór de Ṣirāṭ. Want de Ṣirāṭ is een brug die over de Hel is gespannen. De bewoners van de Hel kunnen daar niet overheen; alleen de bewoners van het Paradijs. Als men pas ná het passeren van de Ṣirāṭ uit Ḥawḍ al-Kawthar zou drinken, dan zouden de helbewoners niet bij die Ḥawḍ al-Kawthar kunnen komen.

Volgens een overlevering van Ibn ʿAbbās ((رضي الله عنهما) vroegen sommigen aan Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) of er water zal zijn terwijl men op het Mahshar-plein wacht. Hij antwoordde: “Bij Allāh, in Wiens Hand mijn ziel is, op het Mahshar-plein zal er water zijn. De geliefde dienaren van Allāh zullen komen en drinken uit de vijvers die speciaal aan de anbiyā’ zijn toegewezen. Daarna zal Allāhu Taʿālā 70.000 engelen sturen. Deze engelen zullen met vurige staven in hun handen de kāfirs wegdrijven bij Ḥawḍ al-Kawthar die afzonderlijk aan iedere Nabī zijn toegewezen.”

Van Abū Ẓar (رضي الله عنه): Ik vroeg aan Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) uit welke bekers wij zullen drinken bij Ḥawḍ al-Kawthar.

Hij zei: “Bij Allāh, in Wiens Hand de ziel van Muhammed is, bij de vijver zullen er meer drinkbekers en fonteinen zijn dan het aantal sterren. Meer dan de sterren en planeten die men in een donkere nacht ziet. Het zijn bekers die uit het Paradijs zijn gebracht. Wie daaruit drinkt, zal nooit meer dorst krijgen.” (Muslim, 15/162.; at-Tirmiḏī, 2445.; İbn Mājah, 4302)

Van Thawbān (رضي الله عنه): Er werd aan Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) gevraagd naar de breedte van zijn Ḥawḍ al-Kawthar. Hij zei: “Van mijn plaats (Madīnah) tot aan ʿAmmān.”

En toen hem werd gevraagd naar de drank ervan, zei hij: “Witter dan sneeuw en zoeter dan honing.” (Muslim, 2301)

Van Anas (رضي الله عنه): Op een dag waren wij samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Wij zagen plotseling een zware last op hem neerkomen. Daarna hief hij zijn hoofd op en glimlachte. Toen wij vroegen waarom hij glimlachte, antwoordde hij: “Net is deze āyah aan mij geopenbaard: ‘In de Naam van Allāh, de Barmhartige, de Genadevolle.

إِنَّآ أَعۡطَيۡنَٰكَ ٱلۡكَوۡثَرَ ١

Waarlijk, Wij hebben jou de overvloed geschonken. (Kawthar, 108:1)

Daarna vroeg hij: “Weten jullie wat al-Kawthar is?”Wij antwoordden: “Allāh en Zijn Rasûl weten het het beste.”Hij zei vervolgens: “Dit is een rivier die Allāh speciaal aan mij heeft toegewezen. Op Yawmu’l Qiyāmah zal mijn ummah hieruit drinken. Het is een zoet en gezegend water. Naast dit water zullen er (uit het Paradijs gebrachte) bekers zijn, zoveel als het aantal sterren. Op dat moment zal er een man komen, maar hij zal geen toestemming krijgen om ervan te drinken.

Dan zal ik zeggen: ‘O mijn Rab!

Deze man behoort ook tot mijn ummah.’ Dan zal tot mij gezegd worden: ‘Weet jij wat deze man na jou heeft gedaan?” (Muslim, 4/112; Abû Dāwûd, 4721; Nasa`i, 2/133 ve 134)

Van `Abdullah b. ʿAmr (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De breedte van Ḥawḍ al-Kawthar, die aan mij is toegewezen, is zo groot als een maandreis. De lengte is even groot. Het water is witter dan een sneeuw en ruikt beter dan musk. Het aantal bekers bij deze Ḥawḍ is meer dan het aantal sterren. Wie ervan drinkt, zal nooit meer dorst krijgen, voor eeuwig niet. (Muslim, 15/55, Ahmad b. Hanbal, 3/384) Deze hadīth wordt ook genoemd door Imām al-Bukhārī. (al-Bukhārī, 11/463)

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De breedte van mijn Ḥawḍ strekt zich uit van Aylah tot Adnā. Het water is witter dan sneeuw, en de smaak is beter dan melk en honing. Naast deze Ḥawḍ zullen er meer bekers zijn dan het aantal sterren. Ik zal (aan het hoofd van deze Ḥawḍ staan) de mensen (de mu’mins) laten drinken, zoals een herder zijn kamelen laat drinken.”

De metgezellen vroegen: “O Rasûlullāh! Zult u ons daar ook herkennen?”Hij antwoordde: “Ja. ik zal jullie herkennen. Die dag zal jullie gezicht niet lijken op het gezicht van andere ummah. Jullie voorhoofd zal stralen door de wudū’.” (Muslim, 3/136; İbn Mājah, 4303; Ahmad b. Hanbal, 4/424)

Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De breedte van de Ḥawḍ die aan mij is toegewezen is zo groot als de afstand tussen de Kaʿbah en al-Quds. Het water is zo wit als melk. Er zijn meer fonteinen en bekers dan sterren. Op Yawmu’l Qiyāmah zal ik de Nabī zijn met de meeste volgers (tabīʿīn/ummah).” (İbn Mājah, 4301; Ahmad b. Hanbal, 4/424)

Sommige mensen zien tussen deze overleveringen een tegenstrijdigheid. Maar dat is niet het geval. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft op verschillende momenten verschillende eigenschappen van Ḥawḍ al-Kawthar genoemd. In deze uiteenlopende beschrijvingen speelde ook mee dat de toehoorders verschillend waren.

Rasûlullāh Muhammad Mustafa (صلى الله عليه وسلم) beschreef de toestanden van het Hiernamaals (Ākhirah) overeenkomstig het kennisniveau en de belangstelling van de mensen. Aan degenen die uit Shām kwamen, werd al-Quds en omgeving als voorbeeld genoemd. Aan de mensen uit Yemen werd het uitgelegd aan de hand van de steden Ṣanʿā’ en ʿAdan. Soms werden afstanden ook uitgedrukt in tijd. Zo is in een hadīth vermeld dat men van de ene kant van Ḥawḍ al-Kawthar naar de andere slechts in een maand kon reizen.

De manier van verkondigen en de wijsheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was zo: iedere groep en ieder mens werd aangesproken op een manier die zij konden begrijpen. Dit is onze visie betreffende de verschillende overleveringen. Maar Allāh weet het het beste.

Ḥawḍ al-Kawthar bevindt zich op Yawmu’l Qiyāmah op de aarde die opnieuw geschapen zal zijn: plat als een brood en wit als een ei.

Ik zeg: de uitspraken van de geleerden en van de metgezellen over de kwestie van al-Kawthar, zoals ook bij andere aangelegenheden van het Hiernamaals, zijn niet afkomstig uit henzelf.

Zij hebben deze overgeleverde opvattingen ongetwijfeld gehoord van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). De geëerde vrienden en metgezellen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) spraken immers niet zonder bewijs over dergelijke zaken.

Van Anas (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Boven mijn Ḥawḍ zijn vier zuilen. Bij de eerste zuil staat Abū Bakr. De tweede zuil wordt vastgehouden door ʿUmar. De derde zuil wordt vastgehouden door ʿUthmān. En degene die de vierde zuil vasthoudt is ʿAlī.” (رضي الله عنهم أجمعين)

De auteur van het werk al-Ghaylāniyyā, Abū Bakr ash-Shāfiʿī, heeft deze hadīth als marfūʿ overgeleverd via Ḥamīd, zonder de tābiʿī in de keten te vermelden. Nadat hij deze hadīth had genoemd, zei deze geleerde: “Wie Abū Bakr liefheeft maar ʿUmar niet, voor hem zal Abū Bakr niet laten drinken van dit water. Wie ʿUthmān liefheeft maar ʿAlī niet, voor hem zal ʿUthmān niet toestaan dat hij van deze vijver drinkt. En wie ʿAlī liefheeft maar een afkeer heeft van ʿUthmān, zal eveneens niet tot deze vijver worden toegelaten. (رضي الله عنهم أجمعين)”

Abū Dāwūd at-Tayālisī heeft overgeleverd … van Zayd ibn Arqām (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah zal slechts één groep van jullie (dat wil zeggen asḥāb al-kirām (رضي الله عنهم) behoren tot een gemeenschap van 100.000 of 70.000 groep mensen die zullen drinken uit deze Ḥawḍ die mij is toegewezen.”

Op de dag dat Zayd ibn Arqām deze hadīth noemde, gaf hij aan dat het aantal asḥāb al-kirām toen 8.000 of 9.000 bedroeg.

(Abū Dāwūd, nr. 4720; Aḥmad ibn Ḥanbal, 4/367 en 369)

3.48: De armen onder de Muhajirûn zullen als eersten bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aan de Ḥawḍ aankomen

Van Sunābih al-Aḥmasī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Weet dat ik bij Ḥawḍ al-Kawthar jullie voorganger zal zijn (dat wil zeggen: ik zal vooruitgaan om alles voor te bereiden). En ik zal tegenover de andere gemeenschappen (umam) trots op jullie aantal zijn. Daarom, dood elkaar na mij niet.” (Ibn Mājah, nr. 3944; zie ook: Muslim, 15/64; Aḥmad ibn Ḥanbal, 5/48 en 50)

Van Thawbān (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De breedte van mijn Ḥawḍ strekt zich uit van ʿAdan tot het land van Aylah. Het water is witter dan melk en zoeter dan honing. De fonteinen zijn talrijker dan de sterren aan de hemel. Wie van dit water drinkt, zal nooit meer dorst hebben. De eersten die op Yawmu’l Qiyāmah naar mij komen en drinken uit deze Ḥawḍ al-Kawthar die mij is toegewezen, zijn de arme Muhājirīn (mu’mins emigranten uit Makkah). Hun haren zijn verward en hun kleren zijn vuil. Zij die niet trouwen met vrouwen wier harten vol geloof zijn, en voor wie de deuren van hun huizen niet met respect en liefde opengaan.”

Toen ʿUmar (رضي الله عنه) deze hadīth hoorde, huilde hij en zei: “Ik ben getrouwd met gehoorzame vrouwen en de deuren van mijn huis worden voor mij met respect geopend. Maar ik zal mijn kleding niet vaak wassen en mijn haar niet veel kammen.”

Deze hadīth is overgeleverd door at-Tirmiḏī .

Anas (رضي الله عنه) zei: “Degenen die als eersten zullen drinken uit Ḥawḍ al-Kawthar zijn degenen die zich inspannen op weg van Allāh. Wanneer de nacht over hen valt, zijn zij bedroefd omdat zij vrezen dat zij zijn tekortgeschoten in hun inspanning op weg van Allāh.”

3.49: Degenen die van Ḥawḍ al-Kawthar zullen worden verdreven

Van Anas (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “(Op Yawmu’l Qiyāmah) zullen sommige mensen uit mijn asḥāb (ummah) bij mijn Ḥawḍ al-Kawthar naderen, maar zij zullen niet toegelaten worden. Ik zal zeggen: ‘Zij behoren tot mijn asḥāb (ummah),’ en ik zal hen proberen te verdedigen. Maar er zal gezegd worden: ‘Jij weet niet wat zij daarna hebben gedaan,’(en zij zullen niet toegestaan worden).” (Muslim, 15/64; Ahmad b. Hanbal, 5/48 ve 50)

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een groep van mijn asḥāb zal bij mijn Ḥawḍ al-Kawthar naderen, maar zij zullen ervan worden verdreven. Wanneer ik zeg: ‘O mijn Rab! Zij behoren tot mijn asḥāb,’ zal Allāhu Taʿālā tot mij zeggen: ‘Jij weet niet welke daden zij na jou hebben verricht. Zij keerden zich na jou terug (van hun dīn).” (al-Bukhārī, 11/464; Imām Aḥmad, 2/298 en 300)

Van Asmā’ bint Abī Bakr (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik zal bij Ḥawḍ al-Kawthar staan en toezien wie van jullie komt en wie niet. Dan zal een groep mensen verschijnen, maar zij zullen niet bij Ḥawḍ al-Kawthar worden toegelaten.

Ik zal zeggen: ‘Mijn Rab! Zij behoren tot mij, zij behoren tot mijn ummah.’

Er zal tegen mij gezegd worden: ‘Weet jij wat zij na jou allemaal hebben gedaan? Kort na jou zijn zij (van hun dīn) afgeweken.” (al-Bukhārī, 11/466)

In sommige overleveringen staat: “Ik zal deze mensen herkennen, maar zij zullen niet bij Ḥawḍ al-Kawthar worden toegelaten.”

Volgens een overlevering van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) werd aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gevraagd: “O Rasûlullāh, hoe zult u uw ummah na uw overlijden herkennen?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voorzeker, op hun gezichten zal het teken van licht en glans zichtbaar zijn door de wudū’.”

Deze uitdrukking is eerder al genoemd. Met het woord “asḥāb” in de hadīth wordt hier “ummah” bedoeld; beide hebben in deze context dezelfde betekenis.

Volgens onze geleerden رَحِمَهُم اللهُ zullen degenen die zich van de dīn van Allāh (Islām) afkeren of proberen zaken die in strijd zijn met de geest van de Islām in de dīn introduceren, niet tot Ḥawḍ al-Kawthar worden toegelaten. Onder de moslims zullen degenen die het eerst en het verst van de vijver worden verdreven de Khawārij, de Rāfiḍah en de Muʿtazilah zijn.

Volgens sommigen zijn er ook bepaalde mu’mins die wel van het water van Ḥawḍ al-Kawthar zullen drinken maar daarna toch de Hel zullen binnengaan. Hun bestraffing zal echter lichter zijn doordat zij van dit water hebben gedronken. Zelfs in de Hel zullen zij geen dorst lijden. Allāh weet het het beste.

Na de Rāfiḍah komen de onrechtvaardige/tirannieke bestuurders. Ook zij zullen ver verwijderd blijven van de shafāʿah en van Ḥawḍ al-Kawthar.

Van Kaʿb ibn ʿUjrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf hem het volgende advies: “Ik doe du`ā’ dat Allāh (de mu’mins) beschermt tegen bepaalde leiders die na mij zullen komen. O Kaʿb ibn ʿUjrah! Wie hen helpt en hun woorden volgt, behoort niet tot mij en niet tot mijn ummah. En ik behoor niet tot hen. Zij zullen zelfs mijn Ḥawḍ al-Kawthar niet kunnen naderen.

Maar degenen bij wie zulke leiders aankloppen, hen geen hulp bieden en zich tegen hun woorden verzetten, behoren tot mij en tot mijn ummah. Ik behoor ook tot hen. Zij zullen drinken uit Ḥawḍ al-Kawthar dat voor mij bestemd is.

O Kaʿb ibn ʿUjrah! De ṣalāh is het mooiste bewijs en de beste gids. Geduld (sabr) is de meest beschermende vesting. Ṣadaqah dooft zonden zoals water vuur dooft; het weerhoudt van het verrichten van kwaad en wist slechte daden uit. O Kaʿb ibn ʿUjrah!

Een stuk vlees (dier) dat is gegroeid met water wat niet rechtmatig is verkregen, is slechter dan vuur.” (at-Tirmiḏī , nr. 614; An-Nasā’ī, 2/187; Aḥmad ibn Ḥanbal, 4/343) Imām at-Tirmiḏī zegt dat deze hadīth in één opzicht gharīb is, maar vanuit een andere overleveringsketen ṣaḥīḥ. Hij heeft deze hadīth ook opgenomen in zijn boek over Fitan (Beproeveningen).

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De Ḥawḍ al-Kawthar die mij is toegewezen heeft de lengte tussen Aylah en Makkah. De kranen ervan zijn zo talrijk als de sterren aan de hemel. Wie hier op aarde niet in gelooft, zal in het Hiernamaals van deze gunst verstoken blijven.”

Van ʿUthmān ibn Maʿẓūn (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “O ʿUthmān! Wijk niet af van mijn sunnah. Wie van mijn sunnah afwijkt en sterft zonder berouw (tawbah), de engelen zullen hem op Yawmu’l Qiyāmah bij zijn gezicht grijpen en hem slaan terwijl zij hem wegjagen bij Ḥawḍ al-Kawthar.”

De volledige versie van deze hadīth hebben wij aan het einde van ons boek over zuhd (ascese of wereldverzaking) en qanāʿah (tevredenheid met wat Allāh je heeft gegeven) vermeld.

3.50: Iedere Nabī heeft een Ḥawḍ

Van Samurah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:“Iedere Nabī heeft een eigen Ḥawḍ al-Kawthar. Allen zullen aan de rand van zijn Ḥawḍ al-Kawthar wachten en nagaan hoeveel mensen ze water zullen laten drinken. Ik hoop dat degenen die naar mijn Ḥawḍ al-Kawthar komen het talrijkst zullen zijn.” (at-Tirmiḏī, 2443)

Abū ʿĪsā (at-Tirmiḏī ) zegt: deze hadīth is ḥasan, maar in een bepaald opzicht ook gharīb. De overleveraar van deze hadīth is Qatādah, die het via Ḥasan al-Baṣrī van Samurah (رضي الله عنه) heeft gehoord.

Van Ḥusayn (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Iedere Nabī (عليه السلام) heeft een Ḥawḍ al-Kawthar, behalve Ṣāliḥ (عليه السلام). In plaats van een Ḥawḍ al-Kawthar zal hij kamelenmelk hebben.” Deze overlevering is door Bakrī, ook bekend als Ibn al-Wāsiṭī, overgeleverd.

3.51: Al-Kawthar die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in het Paradijs zal worden gegeven

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Tijdens de nacht van Hemelreis (Miʿrāj), terwijl ik in het Paradijs rondging, kwam ik bij een rivier. De twee oevers waren versierd met koepels gevuld met parels. Toen ik Jibrīl (عليه السلام) vroeg wat dit was, zei hij: “Dit is al-Kawthar dat jouw Rab jou heeft beloofd.”Zelfs de modder op de bodem geurde als musk.” (al-Bukhārī, 7/217)

In de overlevering van Abū ʿĪsā at-Tirmiḏī staat als toevoeging:

“Daarna kwamen wij bij Sidrat al-Muntahā. Daar werden wij geconfronteerd met een geweldig licht.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/207) Volgens at-Tirmiḏī is deze hadīth zowel ṣaḥīḥ als ḥasan.

Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) vertelde, toen hij sprak over de gebeurtenis van de Hemelreis van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), het volgende: “Wij kwamen bij een prachtige en indrukwekkende rivier. Zij was wit als melk, zonder golven en geheel vlak. Zij was zoeter dan honing. Haar oevers waren bekleed met parelkoepels. Toen ik Jibrīl (عليه السلام) vroeg wat dit was, zei hij: ‘Dit is al-Kawthar dat Allāh jou heeft beloofd.’ Ik stak mijn hand in het water; de modder rook als musk en de stenen waren als parels.”

Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De Kawthar is een rivier in het Paradijs. De beide zijden zijn geplaveid met goud. De bedding waar het water stroomt is bedekt met parels en robijnen. De aarde ervan geurt als musk. Het water is zoeter dan honing en witter dan sneeuw.” (at-Tirmiḏī , 3661 en 3599; Ibn Mājah, 4334) at-Tirmiḏī zegt dat deze hadīth ḥasan is. Allāh weet het het beste.