HOOFDSTUK 4: DE WEEGSCHAAL (Mīzān)
4.1: Het bestaan en de realiteit van de Weegschaal
Allāhu Ta’ālā zegt:
وَنَضَعُ ٱلۡمَوَٰزِينَ ٱلۡقِسۡطَ لِيَوۡمِ ٱلۡقِيَٰمَةِ فَلَا تُظۡلَمُ نَفۡسٞ شَيۡـٔٗاۖ وَإِن كَانَ مِثۡقَالَ حَبَّةٖ مِّنۡ خَرۡدَلٍ أَتَيۡنَا بِهَاۗ وَكَفَىٰ بِنَا حَٰسِبِينَ ٤٧
Op Yawmu’l Qiyāmah zullen Wij weegschalen van rechtvaardigheid opstellen, niemand zal dan in wat dan ook onrechtvaardig behandeld worden. En al gaat het om het gewicht van een mosterdzaadje: Wij zullen het (naar voren) brengen. En Wij zijn als Berekenaars voldoende. (anbiyā’, 21:47)
فَأَمَّا مَن ثَقُلَتۡ مَوَٰزِينُهُۥ ٦ Voor degenen wiens Weegschaal (met goede daden) dan zwaar weegt.
فَهُوَ فِي عِيشَةٖ رَّاضِيَةٖ ٧ Hij zal een plezierig leven leiden.
وَأَمَّا مَنۡ خَفَّتۡ مَوَٰزِينُهُۥ ٨ Maar voor degene wiens Weegschaal licht weegt.
فَأُمُّهُۥ هَاوِيَةٞ ٩ Zijn toevlucht is de Hawiyah (een van de lagen van de Hel). (Qāriʿah, 101:6‑9)
Onze geleerden zeggen: het opstellen van de Weegschalen gebeurt nadat de dienaren hun verantwoording hebben afgelegd. Tijdens die afrekening wordt bepaald: welke daad geaccepteerd wordt, hoeveel beloning of straf een daad verdient, en welke zonden vergeven worden. Daarna worden deze vaststellingen gewogen op de Weegschaal. Volgens de āyah is de Weegschaal het criterium voor het uiteindelijke oordeel dat iemand toekomt. Daarom is het wegen van de daden op de Weegschaal het laatste wat geschiedt.وَمَنۡ خَفَّتۡ مَوَٰزِينُهُۥ فَأُوْلَٰٓئِكَ ٱلَّذِينَ خَسِرُوٓاْ أَنفُسَهُمۡ فِي جَهَنَّمَ خَٰلِدُونَ ١٠٣
En degenen wiens weegschalen licht wegen: zij zijn degenen die zichzelf verloren hebben, in de Hel zullen zij verblijven. (Mu’minūn, 23:103)
Deze āyah beschrijft de toestand van de kāfirs. Het gaat hier dus niet om zondige mu’mins, want geen enkele daad van een mu’min gaat verloren. In de vervolg āyāt wordt verklaard:
وَمَنۡ خَفَّتۡ مَوَٰزِينُهُۥ فَأُوْلَٰٓئِكَ ٱلَّذِينَ خَسِرُوٓاْ أَنفُسَهُم بِمَا كَانُواْ بِـَٔايَٰتِنَا يَظۡلِمُونَ ٩
En zij die een lichte schaal hebben (door zonden), dat zijn de (ware) verliezers omdat zij Onze Āyāt plachten te ontkennen. (Aʿrāf, 7:9)
أَلَمۡ تَكُنۡ ءَايَٰتِي تُتۡلَىٰ عَلَيۡكُمۡ فَكُنتُم بِهَا تُكَذِّبُونَ ١٠٥
Werden niet Mijn Āyāt aan jullie gereciteerd, en hebben jullie die niet verloochend? (Mu’minūn, 23:103‑105)
Zo zijn degenen van wie de Weegschaal in surah Al-Qāriʿah licht weegt de kāfirs. Het vervolg van de āyah geeft aan dat hun uiteindelijke verblijfplaats de Hel zal zijn. Voor zondige mu’mins is de Hel niet hun ware vaderland, maar hun tijdelijke woonplaats.
En al gaat het om het gewicht van een mosterdzaadje: Wij zullen het (naar voren) brengen. En Wij zijn als Berekenaars voldoende. (zie hierboven anbiyā’, 21:47)
Deze āyah geldt specifiek voor de mu’mins.
Zo is, zoals eerder besproken, voor de kāfirs ook een afrekening, maar hun afrekening is niet bedoeld om zichzelf te verdedigen. Het doel is dat hun zonden aan het licht komen en dat zij vernederd worden voor iedereen.
قُلۡ إِنَّمَآ أَنَا۠ بَشَرٞ مِّثۡلُكُمۡ يُوحَىٰٓ إِلَيَّ أَنَّمَآ إِلَٰهُكُمۡ إِلَٰهٞ وَٰحِدٞ فَٱسۡتَقِيمُوٓاْ إِلَيۡهِ وَٱسۡتَغۡفِرُوهُۗ وَوَيۡلٞ لِّلۡمُشۡرِكِينَ ٦
Zeg: “Ik ben slechts een mens zoals jullie. Mij is geopenbaard dat jullie God slechts één God is, richt jullie daarom standvastig tot Hem, en zoek vergiffenis bij Hem. En wee de afgodenaanbidders.”
ٱلَّذِينَ لَا يُؤۡتُونَ ٱلزَّكَوٰةَ وَهُم بِٱلۡأٓخِرَةِ هُمۡ كَٰفِرُونَ ٧
(Zij zijn ) Degenen die de Zakat niet betalen en die niet in het Hiernamaals geloven. (Fussilat, 41:6-7)
مَا سَلَكَكُمۡ فِي سَقَرَ ٤٢
(Zij zeggen:) “Wat heeft hen naar de Hel gevoerd?”
قَالُواْ لَمۡ نَكُ مِنَ ٱلۡمُصَلِّينَ ٤٣
Zij zullen zeggen: “Wij waren niet onder degenen die hun gebeden verrichten.
وَلَمۡ نَكُ نُطۡعِمُ ٱلۡمِسۡكِينَ ٤٤
Noch plachten wij de armen te voeden. (Muddaththir, 74:42‑44)
Ook de kāfirs zullen dus ter verantwoording worden geroepen voor de ṣalāh en zakāh.
Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah wordt een grote, stevige man voor Allāh gebracht, maar in zijn Weegschaal is geen enkele daad, zelfs niet zo klein als een mug.” (Al-Bukharī, 8/7426; Muslim, 17/129) Als bewijs hiervoor kan de āyah worden aangehaald:
أُوْلَٰٓئِكَ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ بِـَٔايَٰتِ رَبِّهِمۡ وَلِقَآئِهِۦ فَحَبِطَتۡ أَعۡمَٰلُهُمۡ فَلَا نُقِيمُ لَهُمۡ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ وَزۡنٗا ١٠٥
Dat zijn degenen die de Tekenen van hun Heer en de ontmoeting met Hem ontkennen. Dus hun werken zijn vruchteloos en op Yawmu’l Qiyāmah zullen Wij hun daden geen gewicht toekennen. (Kahf, 18:105)
Volgens onze geleerden is de betekenis van deze āyah en hadīth dat de kāfirs geen enkele goede daad hebben. Daarom is er geen noodzaak om een Weegschaal voor hen op te stellen, want er is geen enkele kleine goede daad die in de Weegschaal kan worden gewogen.Van Abū Saʿīd al‑Khudrī (رضي الله عنه), hij zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah wordt een man gebracht die zoveel daden heeft als de berg Tihāmah, maar zelfs het kleinste ervan wordt niet op de Weegschaal gelegd of gewogen.” Dat wil zeggen: deze daden hebben ofwel geen betekenis, of zijn geteld als schulden van de dienaar, of al deze daden kunnen allemaal slechte daden zijn.
4.2: De hoedanigheid van de Weegschaal (Mīzān) en het wegen van de daden. De speciale beloning voor degene die voorziet in de nood van zijn muʾmin-broeder.
Van ʿAbdullāh ibn ʿAmr (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu Taʿālā zal op Yawmu’l Qiyāmah enkele mannen uit mijn ummah afzonderen. Zij zullen op Yawmu’l Qiyāmah worden aangevoerd, gezeten boven op de hoofden van bepaalde dieren. Ze zullen 99 daden-registers bij zich hebben. Elk daden-register zal zo lang en zo groot zijn als het oog reikt.Aan hen zal (één voor één) worden gevraagd: ‘Zie jij iets in wat hier geschreven staat waartegen je bezwaar maakt? Is jou enig onrecht aangedaan?’ Zij zullen antwoorden: ‘Nee, o mijn Rab.’Daarna zal worden gevraagd: ‘Heb jij hiervoor een verontschuldiging?’
De man zal ook daarop antwoorden: ‘Nee, o mijn Rab.’Daarop zal Allāhu Taʿālā zeggen: ‘Maar jij hebt bij Ons een goede daad die hier niet vermeldt is en die bij Ons bewaard is.’Vervolgens zal er een halsketting worden gebracht waarop geschreven staat:Ashhadu allâ ilaha illallâh wa ashhadu anna Muhammad’an abduhu wa Rasûluh.Allāhu Taʿālā zal tegen Zijn dienaar zeggen: ‘Breng jouw Weegschaal eens hier.’De dienaar zal zeggen: ‘O mijn Rab! Wat betekent dit kleine stukje tegenover al deze daden-registers?’Allāhu Taʿālā zal zeggen: ‘Breng jouw Weegschaal eens hier. Vandaag zal niemand ook maar het gewicht van een atoom onrecht worden aangedaan.’Daarop zullen de daden-registers (waarin zijn sayyiāt zijn opgeschreven) op één schaal worden gelegd, en het kleine stukje waarop de getuigenis staat op de andere schaal. Dat kleine kaartje zal zwaarder wegen. Want niets weegt zwaarder dan de Naam van Allāh.” (at-Tirmiḏī, 2439.; Ahmad b. Hanbal, 2/213) Volgens at-Tirmiḏī is deze ḥadīth zowel ḥasan als gharīb. Ook Ibn Mājah heeft deze ḥadīth overgeleverd.
In de ḥadīth betekent het woord “bitāqah” een hanger of halsketting. Het is tevens de naam van een muntstuk dat door de Egyptenaren werd gebruikt. Dit muntstuk is iets groter dan een vingertop en het zo klein dat het in de handpalm past.
In de tafsīr van al-Qushayrī wordt nog een andere ḥadīth vermeld …van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei : “Wanneer de Weegschaal van degene die de nood van zijn mu’min broeder verlicht heeft, wordt opgesteld, zal ik bij zijn Weegschaal komen staan.
Als zijn goede daden niet zwaarder wegen, zal ik voor hem voorspraak (shafāʿah) verrichten.” (Ibn Mājah, 4300)
UitlegDe Weegschaal (Mīzān) is werkelijkheid en wij geloven (īmān) hier in. Maar de toestand van de mensen verschilt. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:“Tegen mij zal worden gezegd: ‘O Muhammed! Neem uit jouw ummah degenen die niet ter verantwoording zullen worden geroepen en leid hen (meteen) het Paradijs binnen.” In een āyah wordt gezegd:“يُعۡرَفُ ٱلۡمُجۡرِمُونَ بِسِيمَٰهُمۡ فَيُؤۡخَذُ بِٱلنَّوَٰصِي وَٱلۡأَقۡدَامِ ٤١
De misdadigers zullen herkend worden aan hun kenmerken en zij zullen bij hun voorlokken en hun voeten gegrepen worden. (ar-Raḥmān, 55:41)
De toestand van degene die mu’min is, die zowel goede als slechte daden heeft verricht, is anders. Voor hen is er afrekening. De toestand van de kāfirs is eveneens anders. Ook voor hen is er afrekening, maar hun verdediging en hun verontschuldigingen zullen niet worden aanvaard.
Imām al-Ghazālī zegt: Voor de 70.000 personen die zonder afrekening het Paradijs zullen binnengaan, zal geen Weegschaal worden opgesteld. Hun daden-registers zullen niet worden openbaar gemaakt. Aan hen zal een vrijbrief worden gegeven waarop staat:“Lâ ilaha illallâh Muhammadur Rasûlullāh. Dit is de vrijbrief die aan die-en-die, zoon van die-en-die, is gegeven. Voor deze persoon is er voortaan geen angst en geen verdriet meer”.
Ik zeg: in een ḥadīth heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gezegd: “Op Yawmu’l Qiyāmah zullen de weegschalen worden voorbereid en opgesteld. Vervolgens zullen de lieden van de ṣalāh (degenen die hun ṣalāh volledig verrichtten en daarin standvastig waren) worden voorgeleid en hun beloningen met deze weegschalen gewogen en (de beloning) overvloedig uitgedeeld.
Daarna zullen de lieden van de vasten op dezelfde wijze hun beloning ontvangen. Vervolgens zullen de mensen van de sadaqah, degenen die het geven van sadaqah tot een gewoonte hebben gemaakt, hun beloningen ontvangen. Evenzo zal met degenen die de Haj hebben verricht zo worden gehandeld.
Voor de lieden van beproeving (degenen die op weg van Allāh moeilijkheden hebben ondergaan, of in strijd zware ontberingen hebben doorstaan, of geduldig zijn geweest bij allerlei tegenslagen) zal geen Weegschaal worden opgesteld. Ook hun daden-registers zullen niet worden onderzocht. Ze zullen hun beloning zal zonder in overvloed krijgen.”
Deze ḥadīth wordt vermeld door Qāḍī Mundzir ibn Saʿīd al-Balūṭī (رَحِمَهُ اللهُ).
Ḥāfiẓ Abū Nuʿaym vermeldt een soortgelijke ḥadīth van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما):
“Op Yawmu’l Qiyāmah zal de martelaar (shāhid) (bij Allāh) voorgebracht worden en ter verantwoording worden geroepen. Vervolgens zal degene die lefdadigheid (sadaqah) gaf ter verantwoording worden geroepen. Maar voor degenen die geduldig waren in beproevingen zal geen Weegschaal worden opgesteld. Zij zullen niet worden afgerekend en hun daden-registers zullen niet worden opengeslagen.
Aan hen zal zo’n buitengewone behandeling en zo’n grote beloning worden geschonken dat andere muʾmins, wanneer zij dit zien, zouden wensen dat hun eigen lichamen in stukken waren verdeeld, zodat ook zij op die manier konden worden begunstigd.
Deze ḥadīth is gharīb. Want van Jābir al-Juʿfī heeft slechts Qatādah één ḥadīth overgeleverd.
al-Ḥusayn (رضي الله عنه) zoon vanʿAlī (رضي الله عنه) vertelt: Mijn grootvader Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft mij als volgt geadviseerd: “O mijn zoon! Wees tevreden (met wat Allāh je heeft gegeven), dan zul je de rijkste (van de mensen) zijn. Vervul de verplichtingen (farāʾiḍ mv van farḍ) zorgvuldig, dan zul je tot de meest toegewijden in ʿibādah onder de mensen behoren.
O mijn zoon!
In het Paradijs is er een boom, die Balwāwordt genoemd. Degenen die geduldig zijn geweest bij beproevingen zullen op Yawmu’l Qiyāmah niet ter verantwoording worden geroepen. Voor hen zal geen Weegschaal worden opgesteld. Hun daden-registers zullen niet worden gebracht. Deze boom is speciaal voor hen bestemd.” Daarna reciteerde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de volgende āyah:
قُلۡ يَٰعِبَادِ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ ٱتَّقُواْ رَبَّكُمۡۚ لِلَّذِينَ أَحۡسَنُواْ فِي هَٰذِهِ ٱلدُّنۡيَا حَسَنَةٞۗ وَأَرۡضُ ٱللَّهِ وَٰسِعَةٌۗ إِنَّمَا يُوَفَّى ٱلصَّٰبِرُونَ أَجۡرَهُم بِغَيۡرِ حِسَابٖ ١٠
Zeg: “O mijn dienaren die geloven, vrees jullie Heer. Voor degenen die het goede doen in deze wereld is er goedheid, en de aarde van Allāh is uitgestrekt. Slechts degenen die geduldig zijn (tijdens de vasten, in gehoorzaamheid aan Allāh en Zijn beproevingen), zullen hun beloning volledig ontvangen zonder berekening (in maten of eenheden.” (Zumar, 39: 10) Deze ḥadīth wordt overgeleverd door Abū al-Faraj, ook bekend als Ibn al-Jawzī, in zijn werk ‘De tuin der geliefden’.
Hier kan de volgende vraag opkomen: De toestand van de mu’mins begrijpen wij. Hun goede en slechte daden worden op de Weegschaal geplaatst en gewogen. Afhankelijk van wat zwaarder weegt, worden zij behandeld. Maar hoe zal de Weegschaal voor een kāfir worden opgesteld? Aangezien de kāfir geen goede daden heeft, hoe zullen zijn daden dan worden gewogen en op basis waarvan zal de Weegschaal worden opgesteld?
Ons aantwoord is: dit kan op twee manieren worden uitgelegd:
De ontkenning en het ongeloof van de kāfir, samen met zijn slechte daden, worden gebracht en op één schaal van de Weegschaal gelegd. Vervolgens wordt gezegd: “Heb jij enige goede daad? Als je die hebt, breng die dan en leg die op de andere schaal.” Maar de kāfir vindt niets om neer te leggen. Daarop zal de lege schaal omhoog gaan. Dat wil zeggen: de slechte daden wegen zwaar. Dit betekent dat zijn Weegschaal licht zal zijn. Allāhu Taʿālā heeft in de āyah niet gezegd dat er voor de kāfirs geen Weegschaal zal worden opgesteld of dat hun daden niet zullen worden gewogen. Integendeel, er wordt duidelijk gemaakt dat hun daden zullen worden gewogen, maar dat de zijde van de goede daden licht, dat wil zeggen leeg, zal zijn. Dit is één mogelijke uitleg.
Een andere uitleg is dat een kāfir mogelijk bepaalde goede daden heeft verricht, zoals het onderhouden van familiebanden, het bezoeken van verwanten, het vrijlaten van een slaaf of het op andere manieren helpen van mensen. Al deze goede daden worden vervolgens op één schaal van de Weegschaal geplaatst. Op de andere schaal worden zijn slechte daden en zijn ongeloof geplaatst. Maar de ontkenning en het ongeloof (kufr) van de kāfir zullen uitzonderlijk zwaar wegen. Want er bestaat geen enkele daad die in de Weegschaal het gewicht van het geloof (īmān van een mu’min) kan evenaren.
Een andere mogelijke vraag die kan rijzen is: Als de goede daden van de kāfir ook licht wegen, moet hij dan niet alsnog de beloning voor deze daden ontvangen? Immers, Allāh zal geen enkele goede daad, hoe klein ook, onbeloond laten.
Het antwoord hierop is als volgt: Toen aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de situatie van ʿAbdullāh ibn Jūdʿān werd voorgelegd, werd verteld dat ʿAbdullāh gastvrij en vrijgevig was, zorg had voor vrienden en buren, en anderen hielp. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei over deze daden: “Nee, nee, niets van dit alles wordt aanvaard. Want hij heeft nooit één keer gezegd: ‘O mijn Rab! Vergeef mijn zonden.”
Toen Adiy (رضي الله عنه) vroeg naar de situatie van zijn vader Hatim, kreeg hij hetzelfde antwoord van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): dat de goede daden van zijn vader geen waarde hadden. In de āyah staat:وَنَضَعُ ٱلۡمَوَٰزِينَ ٱلۡقِسۡطَ لِيَوۡمِ ٱلۡقِيَٰمَةِ فَلَا تُظۡلَمُ نَفۡسٞ شَيۡـٔٗاۖ وَإِن كَانَ مِثۡقَالَ حَبَّةٖ مِّنۡ خَرۡدَلٍ أَتَيۡنَا بِهَاۗ وَكَفَىٰ بِنَا حَٰسِبِينَ ٤٧
Op Yawmu’l Qiyāmah zullen Wij weegschalen van rechtvaardigheid opstellen, niemand zal dan in wat dan ook onrechtvaardig behandeld worden. En al gaat het om het gewicht van een mosterdzaadje: Wij zullen het (naar voren) brengen. En Wij zijn als Berekenaars voldoende. (Anbiyā, 21:47)
Dat betekent dat Allāhu Taʿālā ook alle goede daden van de kāfir op de andere schaal van de Weegschaal zal leggen. Maar deze goede daden zullen hem niet het Paradijs binnenleiden.
Zoals eerder in aḥadīth is vermeld, ontvangt de kāfir de beloning voor zijn goede daden ofwel in het leven of bij het overlijden:
In het wereldse leven ontvangt hij de tegenprestatie voor deze goede daden door gezondheid of door extra gunsten die hem worden geschonken.
Of tijdens het moment waarop zijn rûḥ wordt genomen, wordt dit enigszins voor hem verlicht als vergelding voor zijn goede daden.
Of hij ontvangt de tegenprestatie doordat zijn bestraffing in de Hel wordt verminderd.
Wat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) over Abū Ṭālib heeft gezegd, vormt hiervoor het bewijs.
Toen aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd gevraagd of Abū Ṭālib, die hem had geholpen maar īmān/Islām niet had aanvaard, dan helemaal geen tegenprestatie voor zijn hulp zou krijgen, antwoordde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Ja, deze hulp hebben hem voordeel gebracht. Daarom zag ik hem in de Hel op een oven liggen. Als hij deze goede daden niet had verricht, zou hij zich in de diepste diepten van de Hel bevinden,” (Al-Bukharī, 7/193; Muslim, 3/84.; Ahmad b. Hanbal, 1/206 ve 210)Hieruit volgt dat wat Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd over Ibn Cudʿān en Abū ʿAdiy, een bewijs is dat zij het Paradijs niet zullen binnengaan.
Sommige kalām-geleerden (theologen), met name de Muʿtazilah, hebben de Mīzān (de Weegschaal) verworpen. Als bewijs voerden zij aan dat de daden van de mens aʿrāḍ zijn, dat wil zeggen bijkomstige of abstracte zaken. Volgens hen hebben daden geen zelfstandige uiterlijke werkelijkheid en kunnen zij daarom niet op een Weegschaal worden geplaatst.
De overlevering van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) zegt echter het tegenovergestelde. Volgens deze overlevering zullen de daden op Yawmu’l Qiyāmah een vorm en een lichaam aannemen. Allāh, Die de mens uit een druppel heeft geschapen en Die de mensen na hun dood opnieuw tot leven zal wekken, is tot alles in staat.
Volgens een andere opvatting zullen niet de daden zelf, maar de registers waarin deze daden zijn opgeschreven gewogen worden. In dat geval zullen de registers van degene met veel goede daden uit meer pagina’s bestaan en daardoor zwaarder zijn. Wanneer zij op de Weegschaal worden gelegd, zullen zij dus zwaar wegen. Hetzelfde geldt voor degene met veel slechte daden. Dit is ook de mening van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما). Als bewijs wordt de volgende āyah aangehaald:
وَإِنَّ عَلَيۡكُمۡ لَحَٰفِظِينَ ١٠ Maar waarlijk, er zijn zeker bewakers (Engelen) over jullie.
كِرَامٗا كَٰتِبِينَ ١١ Eervollen, schrijvenden. (Infiṭār, 82:10–11)
Mujāhid, ad-Ḍaḥḥāk en al-Aʿmash beschouwden de Weegschaal als een metafoor. Volgens hen betekent dit dat Allāh de goede en slechte daden van de mens zal berekenen en hem overeenkomstig zal behandelen.
Volgens ons moet de Mīzān letterlijk worden opgevat. Zoals de aarde en de hemelen verschillende niveaus en lagen hebben, zo is ook de Weegschaal werkelijk en reëel. In sommige overleveringen wordt vermeld dat één schaal van de Weegschaal waarop de daden zullen worden gewogen van licht (nūr) zal zijn en de andere van duisternis (ẓulmah). De goede daden zullen op de schaal van licht worden gelegd en de slechte daden op de schaal van duisternis.
Eveneens wordt overgeleverd dat op Yawmu’l Qiyāmah het Paradijs aan de rechterzijde van de ʿArsh zal worden geplaatst en de Hel aan de linkerzijde. De Weegschaal zal recht vóór de ʿArsh, bij Allāh, worden opgesteld. De schaal voor de goede daden zal zich rechts bevinden en die voor de slechte daden links. Deze overlevering wordt vermeld door at-Tirmiḏī in zijn werk Nawādir al-`Uṣūl.
Van Salman al-Fārisī (رضي الله عنه): Deze Weegschaal is zo enorm dat zij, als de aarde en de hemelen erop gelegd zouden worden, in staat zou zijn om ze te wegen. Toen de engelen vroegen wat dit was, zei Allāhu Taʿālā: “Hiermee zal Ik de daden van wie Ik wil onder Mijn dienaren wegen.” Deze Weegschaal heeft twee schalen en ook een tong.
Volgens onze geleerden kan de Mīzān niet als metafoor worden opgevat. Want als men dit doet, zou men ook de Ṣirāṭ (de Brug) als metafoor moeten beschouwen. Dan zouden zelfs het Paradijs en de Hel symbolisch moeten worden opgevat.
Als men de Mīzān niet als werkelijkheid maar als een metafoor ziet, dan zouden ook alle toestanden van het Hiernamaals, de wederopstanding van de arwāh en het bijeenbrengen van de lichamen niet werkelijk zijn. Maar deze zaken zijn werkelijk, en wij geloven (īmān) daarin. Anders zouden de engelen slechts natuurlijke positieve krachten zijn de duivels zouden dan ook alleen maar negatieve krachten of slechte neigingen betekenen. Terwijl al deze zaken een werkelijke, bestaande realiteit hebben. De opvattingen van degenen die dit alles als metafoor of vergelijking beschouwen, zijn ongegrond en onjuist. Zulke interpretaties en verklaringen zijn leeg en overbodig. Het past ons als mu’mins om in al deze zaken te geloven in hun werkelijke betekenis. De ware aard ervan is bij Allāh bekend. En Allāh is tot alles in staat.
Dus, het opstellen van de Weegschaal, het brengen en lezen van de daden-registers, het wegen van deze registers op de Weegschaal, en het opschrijven van īmān/kalimah ash-shadadah op een halsketting die vervolgens op de Weegschaal wordt gelegd, al deze handelingen zijn letterlijk en werkelijk. Wij geloven daarin.
Onze geleerden (رحمهم الله) zeggen: Op Yawmu’l Qiyāmah zijn er drie soorten mensen:
Degenen met ihsān en itqān (degene die bedreven zijn in het verrichten van goede daden, met perfectie en nauwkeurigheid). Dat wil zeggen: degenen die goede daden verrichten: hun goede daden worden op de schaal van licht (nūr) gelegd. Kleine zonden worden op de andere schaal geplaatst, maar Allāhu Taʿālā verwijdert het gewicht van deze kleine zonden. Hierdoor weegt de schaal van goede daden zwaar en de schaal van slechte daden is bijna leeg en wordt omhoog getild.
Mu'mins met gemengde situatie, d.w.z. die grote zonden hebben begaan: hun goede daden worden op de schaal van licht (nûr) geplaatst, hun slechte daden op de schaal van duisternis (ẓulmah), en beide worden gewogen. Als hun slechte daden zwaarder wegen, gaan ze naar de Hel; als hun goede daden, hoe klein het verschil ook is, zwaarder zijn, gaan ze het Paradijs binnen. Maar als Allāh wil, kan Hij hen vergeven.
Als hun goede en slechte daden gelijk wegen, behoren zij tot de bewoners van Aʿrāf. Als hun goede daden zwaar wegen maar zij een schuld aan een ander hebben (ḥaq al-ʿibād), dan worden hun goede daden verdeeld onder degenen aan wie zij iets verschuldigd zijn. Als hun goede daden niet voldoende zijn, dan wordt het tekort van hun slechte daden afgetrokken. Hier hebben wij eerder al naar verwezen.
Volgens Aḥmad ibn Ḥarb zullen mensen op Yawmu’l Qiyāmah in drie groepen worden herrezen en bijeengebracht:
Degenen met veel goede daden,
De groep van de behoeftigen,
Degenen die, ondanks veel daden, deze verspilden of waarvan de daden werden verdeeld onder mensen aan wie zij verplichtingen hadden (ḥaq al-ʿibād), zoals vermeld in de ḥadīth.
Sufyān ath-Thawrī zegt: Zeventig fouten jegens Allāh worden als licht en gemakkelijk beschouwd in vergelijking met één fout jegens een medemens. Want als Allāh wil, kan Hij deze fouten vergeven, maar zolang de rechtmatige medemens niet tevreden is, wordt er niet vergeven.
Volgens ons is dit correct. Allāh is onafhankelijk en rijk; Hij heeft geen behoefte aan hetgeen Hij van Zijn dienaren ontvangt. Hij kan vergeven en zelfs overvloedig belonen. De mens daarentegen is arm; om het Paradijs te bereiken en de Hel te vermijden, heeft hij de rechten nodig die hij van anderen verschuldigd is.
Wat betreft de kāfir: het ongeloof en slechte daden van de kāfir worden op de schaal van duisternis (ẓulmah) geplaatst. De andere schaal blijft leeg. Hierdoor weegt de schaal met slechte daden zwaar, terwijl de lege schaal omhoog wordt getild. Vervolgens beveelt Allāh dat deze persoon in de Hel wordt geworpen. Bovendien zal de kāfir voor elke slechte daad de straf ondergaan.
De kleine zonden en fouten van een mu’min zonder grote zonden worden vergeven. Dit komt doordat hij zich inspant om grote zonden te vermijden. Al zijn goede daden in het Paradijs worden volledig beloond.
De daden van een mu’min die goede daden heeft verricht en geen grote zonden heeft begaan, worden openbaar gemaakt zodat zijn goede daden zichtbaar zijn voor anderen.
De daden van de kāfir worden openbaar gemaakt om zijn schande te tonen en om te laten zien dat hij de straf verdient. De daden van een mu’min met grote zonden worden gewogen om zijn situatie duidelijk te maken. Als Allāhu Taʿālā hen vergeeft, worden zij gered. Degenen die recht hebben op voorspraak (shafāʿah) kunnen door shafāʿah ook gered worden. Uiteindelijk zal echter, nadat de straf is ondergaan, de persoon met īmān in zijn hart uit de Hel worden gehaald en het Paradijs binnengelaten.
Hier kan de vraag rijzen: Zoals eerder besproken, worden de toestanden van mensen in de āyāt en aḥadīth in detail beschreven. Maar hoewel het in de āyāt en ahadīth wordt vermeld dat de djinn ook naar de Hel of het Paradijs zullen gaan, is er geen gedetailleerde informatie over hun afrekening of het wegen van hun daden op Yawmu’l Qiyāmah.
وَٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَعَمِلُواْ ٱلصَّٰلِحَٰتِ أُوْلَٰٓئِكَ أَصۡحَٰبُ ٱلۡجَنَّةِۖ هُمۡ فِيهَا خَٰلِدُونَ ٨٢
En degene die geloven en goede daden verrichten, zij zullen de bewoners van het Paradijs zijn, zij zullen daarin voor altijd verblijven. (Baqarah, 2:82)
Deze āyah omvat ook de djinn, want in een andere āyah over de bewoners van de Hel worden de djinn expliciet genoemd:
أُوْلَٰٓئِكَ ٱلَّذِينَ حَقَّ عَلَيۡهِمُ ٱلۡقَوۡلُ فِيٓ أُمَمٖ قَدۡ خَلَتۡ مِن قَبۡلِهِم مِّنَ ٱلۡجِنِّ وَٱلۡإِنسِۖ إِنَّهُمۡ كَانُواْ خَٰسِرِينَ ١٨
Zij zijn degenen over wie het woord (van bestraffing) bewaarheid zal worden onder de voorafgaande generaties van Djinn en mensen. Waarlijk! Zij waren verliezers.
(Ahqāf, 46:18)
Als zij naar de Hel kunnen gaan, kunnen zij ook naar het Paradijs gaan.
يَٰمَعۡشَرَ ٱلۡجِنِّ وَٱلۡإِنسِ أَلَمۡ يَأۡتِكُمۡ رُسُلٞ مِّنكُمۡ يَقُصُّونَ عَلَيۡكُمۡ ءَايَٰتِي وَيُنذِرُونَكُمۡ لِقَآءَ يَوۡمِكُمۡ هَٰذَاۚ قَالُواْ شَهِدۡنَا عَلَىٰٓ أَنفُسِنَاۖ وَغَرَّتۡهُمُ ٱلۡحَيَوٰةُ ٱلدُّنۡيَا وَشَهِدُواْ عَلَىٰٓ أَنفُسِهِمۡ أَنَّهُمۡ كَانُواْ كَٰفِرِينَ ١٣٠
O gemeenschap van djinn en mensen! Zijn er uit jullie eigen middens dan geen Boodschappers tot jullie gekomen, die de Āyāt (uit Mijn boeken) aan jullie voordroegen? Werden jullie dan niet gewaarschuwd voor jullie ontmoeting op de aangezegde Dag (der Opstanding)? Zij zullen (toegeven en) zeggen: “Wij getuigen tegen onszelf.” Voorzeker, het was het wereldse leven dat hen heeft bedrogen en zij zullen tegen zichzelf getuigen dat zij kāfirs waren. (An`ām, 6:130)
وَإِذۡ صَرَفۡنَآ إِلَيۡكَ نَفَرٗا مِّنَ ٱلۡجِنِّ يَسۡتَمِعُونَ ٱلۡقُرۡءَانَ فَلَمَّا حَضَرُوهُ قَالُوٓاْ أَنصِتُواْۖ فَلَمَّا قُضِيَ وَلَّوۡاْ إِلَىٰ قَوۡمِهِم مُّنذِرِينَ ٢٩
En (gedenk) toen Wij een aantal (zeven of negen) Djinn (vanuit Jemen) in jouw richting stuurden om naar de Koran te luisteren. Toen zij daarbij aanwezig waren (bij de fadjr-recitatie van Mohammed) zeiden zij: “Luister aandachtig!” Na afloop keerden zij (vervuld met vrees voor de bestraffing) terug als waarschuwers voor hun (Joodse) volk.
قَالُواْ يَٰقَوۡمَنَآ إِنَّا سَمِعۡنَا كِتَٰبًا أُنزِلَ مِنۢ بَعۡدِ مُوسَىٰ مُصَدِّقٗا لِّمَا بَيۡنَ يَدَيۡهِ يَهۡدِيٓ إِلَى ٱلۡحَقِّ وَإِلَىٰ طَرِيقٖ مُّسۡتَقِيمٖ ٣٠
Zij zeiden: “O volk van ons! Waarlijk, wij hebben over een Boek (de Koran) gehoord dat ná (de Thora van) Mozes is neergedaald, ter bevestiging van wat daarvόόr was. Het leidt naar de Waarheid (van de Islām) en naar het rechte Pad. (Ahqāf, 46:29-30)
وَأَنَّا مِنَّا ٱلۡمُسۡلِمُونَ وَمِنَّا ٱلۡقَٰسِطُونَۖ فَمَنۡ أَسۡلَمَ فَأُوْلَٰٓئِكَ تَحَرَّوۡاْ رَشَدٗا ١٤
Sommigen onder ons zijn moslim, en onder ons zijn er die afwijken (van het rechte Pad). En iedereen die de Islām omhelst, heeft het rechte Pad gekozen. (Jin, 72:14)
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft speciaal met de djinn gesproken en verklaard dat er onder hen ook rechtvaardigen en mu’mins zijn. Hij gaf aan dat de mu’mins onder hen onze broeders zijn en dat zij deelnemen aan ons voedsel.
Net zoals de engelen op Yawmu’l Qiyāmah ter verantwoording worden geroepen en wij hen zullen ontmoeten, zo zullen de djinn eveneens ter verantwoording worden geroepen en worden wij op die dag met hen samengebracht en met hen spreken.
De ḥadīth: “Op Yawmu’l Qiyāmah wordt een munt tevoorschijn gehaald waarop staat: “Ashhadu al la ilāae illallāh wa ash-hadu anna Muhammeden abduhu wa Rasūluh’ betekent niet dat dit de getuigenis van geloof (īmān) is die men uitspreekt. Want wanneer iets op één schaal van de Weegschaal wordt gelegd, wordt het tegenovergestelde op de andere schaal geplaatst. Goede daden (ḥasanāt) worden op één schaal gelegd en slechte daden (sayyiāt) op de andere.
Het is onmogelijk om geloof (īmān) en ongeloof (kufr) samen te brengen door het ene op de ene schaal te leggen en het andere op de andere schaal. Daarom is het letterlijk plaatsen van de Kalimat ash-Shahādah op de Weegschaal onmogelijk. Echter, wanneer een dienaar de Kalimat ash-Shahādah uitspreekt en tot īmān komt, wordt het een goede daad (ḥasanah) en wordt het samen met andere goede daden op de Weegschaal gelegd.
Anderen zeggen: Het gedenken/opzeggen van de Kalimah at-Tawḥīd met perfectie (ihsān) en verborgen voor de schepselen, met volledige oprechtheid/zuivere intentie (ikhlāṣ), levert beloning op bij Allāhu Taʿālā. En Allāh schenkt (deze daad van de dienaar) op de Dag der Afrekening aan de dienaar met de hoogste rang.. Hoeveel fouten of grote zonden de dienaar ook heeft, Allāhu Taʿālā bedekt deze. Want Allāhu Taʿālā is uiterst genereus tegenover Zijn dienaren en Hij schenkt aan wie Hij wil.
Ik zeg dat dit wordt bevestigd door de ḥadīth: “Ja, er is ḥasanah voor jou bij Ons.” Hier wordt niet gezegd “er is īmān (geloof) voor jou”, maar alleen dat er een goede daad (ḥasanah) is.
Toen aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd gevraagd of het zeggen van la ilāha illallāh als een ḥasanah wordt gerekend, antwoordde Hij: “Het behoort tot de grootste ḥasanāt.”(Ahmad b. Hanbal, 5/169)
Het kan ook worden opgevat dat met deze ḥadīth wordt bedoeld dat de Kalimah ash-Shahādah de laatste woorden zijn die iemand uitspreekt bij het heengaan uit deze wereld. Want in een ḥadīth van Muʿādh b. Jabal (رضي الله عنه), zegt Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): "Degene van wie het laatste woord in deze wereld ‘lā ilāha illallāh’ is, voor hem wordt het Paradijs verplicht."
Sommige van onze geleerden hebben uitgelegd dat īmān (geloof) niet op de Weegschaal wordt gewogen; alleen voor muʾmins in moeilijke situaties wordt door de gunst van Allāhu Taʿālā een dergelijke behandeling toegepast.
Want: “De Kalimah at-Tawḥīd is de grootste weldaad daad en goedheid (ḥasanah).” Daarom, als de īmān van een mu’min die grote zonden heeft begaan op de Weegschaal zou worden gelegd, zou de kant van de goede daden, ongeacht het aantal slechte daden, zwaarder wegen.. Maar de realiteit is anders: mu’mins die grote zonden hebben begaan zullen ook hun straf in de Hel ondergaan. Daarom wordt īmān niet gewogen op de Weegschaal; het wordt apart afgerekend. Allāhu Taʿālā zal aan dienaren die goede intentie hebben en oprecht zijn (in hun geloof), zelfs als hun daden weinig of licht zijn, een speciale beloning (iḥsān) geven.
Hetzelfde geldt voor ongeloof (kufr): als ongeloof op één schaal van de Weegschaal wordt gelegd, ongeacht hoeveel goede daden op de andere schaal liggen, zal de schaal van het kwaad, waarin ongeloof zich bevindt, zwaar wegen.
Zoals in een ḥadīth wordt vermeld: "Er is geen daad die zwaarder weegt op de Weegschaal dan goed karakter." (Abû Dāwūd, 4778; Aḥmed b. Ḥanbal, 6/451; at-Tirmiḏī , 2002)
“Ik zag een man uit mijn ummah van wie de goede daden als licht werden beoordeeld. Allāhu Taʿālā beval dat ook de eenvoudige daden van deze man op de Weegschaal gelegd zouden worden. Toen deze erbij werden geteld, wogen zijn goede daden zwaarder.”
In deze aḥadīth wordt gesproken over degenen die goede intenties hebben, oprechte zijn (in hun geloof) en goed karakter bezitten. Als hun goede daden licht wegen, zal Allāhu Taʿālā hen een speciale behandeling geven. Dit soort uitzonderlijke gunsten geldt echter niet voor iedereen of op dezelfde manier voor iedereen. Hier is geen situatie die indruist tegen de rechtvaardigheid. Want Allāhu Taʿālā wist of vermindert de goede daden van een dienaar niet, behalve bij een kāfir. Integendeel, Hij kan mu’mins slechte daden uitwissen/vergeven of zijn goede daden vermeerderen. Daaruit blijkt dat de goddelijke rechtvaardigheid in feite overhelt naar barmhartigheid, dus in het voordeel van de goede daden van de dienaar.
Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): Er kwam een man en ging bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zitten en zei: “O NabīAllah! Ik heb twee slaven. Zij liegen tegen mij, bedreigen mij en verzetten zich tegen mij. Daarom scheld ik hen uit en sla hen. Wat zal mijn toestand zijn?”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Hun beledigingen en slechte behandeling tegenover jou vormen een verzoening (kafārah ) voor jouw zonden. Maar als jij hen meer straft dan zij verdienen, dan zal er van jouw goede daden worden afgenomen en aan hen worden gegeven.
Lees jij niet de āyah: وَنَضَعُ ٱلۡمَوَٰزِينَ ٱلۡقِسۡطَ لِيَوۡمِ ٱلۡقِيَٰمَةِ فَلَا تُظۡلَمُ نَفۡسٞ شَيۡـٔٗاۖ وَإِن كَانَ مِثۡقَالَ حَبَّةٖ مِّنۡ خَرۡدَلٍ أَتَيۡنَا بِهَاۗ وَكَفَىٰ بِنَا حَٰسِبِينَ ٤٧
Op Yawmu’l Qiyāmah zullen Wij weegschalen van rechtvaardigheid opstellen, niemand zal dan in wat dan ook onrechtvaardig behandeld worden. En al gaat het om het gewicht van een mosterdzaadje: Wij zullen het (naar voren) brengen. En Wij zijn als Berekenaars voldoende. En Wij zullen op Yawmu’l Qiyāmah de meest rechtvaardige weegschalen opstellen’?” (Anbiyāʾ, 21:47)
Daarop begon de man te huilen en zei: “Dan heb ik geen andere keuze dan mij van hen te scheiden. Wees u getuige: ik schenk hun de vrijheid.” (at-Tirmiḏī , 3615)
Aḥmed b. Ḥanbal heeft deze ḥadīth zowel via ʿAbdurraḥmān b. Ghazwān als via Wahb b. Munabbih overgeleverd. Nadat Imām Aḥmed deze ḥadīth had overgeleverd, zei hij: Het doorslaggevende is het oordeel dat na de Weegschaal volgt. Als Allāhu Taʿālā de dienaar wil vergeven, dan verzegelt Hij het resultaat van de Weegschaal met het goede. Als Hij hem niet wil vergeven, dan worden de slechte daden zoals zij zijn vastgelegd bekrachtigd en wordt dat oordeel verzegeld. (Aḥmed b. Ḥanbal, 6/280). Ook Abū Nuʿaym heeft deze ḥadīth overgeleverd. Volgens ons is deze ḥadīth ṣaḥīḥ.
Want Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Waar het werkelijk om gaat, is de uitkomst van de daden, dat wil zeggen het uiteindelijke oordeel.” (al-Bukhārī, 11/499; Muslim, 112; Aḥmed b. Ḥanbal, 5/335) En Allāh weet hethet best.
4.3: De lieden van al-Aʿrāf
Van Jābir b. ʿAbdullāh (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah worden de weegschalen opgesteld (waarop de daden worden gewogen). De goede daden en de slechte daden worden gewogen. Van wie de goede daden, al is het maar iets, zwaarder wegen dan zijn slechte daden, die zal het Paradijs binnengaan. Van wie de slechte daden zwaarder wegen dan zijn goede daden, die zal de Hel binnengaan.”
Men vroeg: “O Rasûlullāh, wat gebeurt er met degenen van wie de goede daden en de slechte daden gelijk zijn?”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Zij zijn de lieden van al-Aʿrāf. Zij zullen het Paradijs niet binnengaan, maar zij zullen het wel begeren.”
Ibn al-Mubārak heeft … van ʿAbdullāh b. Masʿūd (رضي الله عنه) overgeleverd: “Op Yawmu’l Qiyāmah zullen de mensen ter verantwoording worden geroepen. Degenen van wie de goede daden talrijker zijn dan de slechte daden, zullen het Paradijs binnengaan. Degenen van wie de slechte daden talrijker zijn dan de goede daden, zullen de Hel binnengaan.
فَمَن ثَقُلَتۡ مَوَٰزِينُهُۥ فَأُوْلَٰٓئِكَ هُمُ ٱلۡمُفۡلِحُونَ ١٠٢
Degenen wiens weegschalen zwaar wegen: zij zijn degenen die de welslagenden zijn.
وَمَنۡ خَفَّتۡ مَوَٰزِينُهُۥ فَأُوْلَٰٓئِكَ ٱلَّذِينَ خَسِرُوٓاْ أَنفُسَهُمۡ فِي جَهَنَّمَ خَٰلِدُونَ ١٠٣
En degenen wiens weegschalen licht wegen: zij zijn degenen die zichzelf verloren hebben, in de Hel zullen zij verblijven. (Mu’mins, 23:102-103)
De Weegschaal kan zwaar of licht uitvallen, zelfs al is het met het gewicht van een dadelof graankorrel. Degenen van wie de Weegschaal in evenwicht is, dus van wie de goede daden en de slechte daden gelijk zijn, dat zijn de lieden van al-Aʿrāf.” Daarna reciteerde hij de eerdergenoemde ḥadīth.
Van Ka`b al-Akhbar vertelt: Op Yawmu’l Qiyāmah komen twee vrienden die elkaar in het wereldse leven kenden. Eén wordt in de Hel geworpen.
Hij zegt tegen de ander: “Ik heb slechts één goede daad (over). Als ik die aan jou geef, zal ik tot de lieden van al-Aʿrāf behoren. Maar neem deze daad en ontsnap uit de Hel. Ik zal hier wachten.” Vervolgens beveelt Allāhu Ta’ālā dat beiden het Paradijs binnengaan, want Allāh is waardiger om Zijn dienaren te begunstigen.
Imām Ghazālī (رحمه الله) schrijft in zijn boek Kashf ul-`Ulum al-Akhirah:
“Op Yawmu’l Qiyāmah komt een man voor Allāh. Hij wordt ter verantwoording geroepen en zijn daden worden gewogen. Maar zijn goede en slechte daden zijn gelijk. De engelen zoeken iets om de balans te corrigeren, maar kunnen niets vinden.
Dan beveelt Allāh Ta`ālā deze dienaar: ”Ga maar zoeken en vraag eens rond: heb je dan een kennis die je een goede daad zal bewijzen?”
De man gaat al zijn kennissen langs, maar vindt niemand.
Iedereen zegt: ‘Ik vrees dat mijn daad de balans zal verstoren.’
Net als hij zijn hoop verliest, verschijnt iemand en vraagt: ‘Wat wil je?’
De man antwoordt: ‘Slechts één goede daad. Ik heb zoveel mensen gezien met duizenden beloningen, maar ze gaven me er niet één.’
De andere man zegt: “Toen ik voor Allāh stond, zag ik in mijn daden-register dat ik slechts één goede daad had. Maar die zou mij niets baten. Ik zie dat jij het meer nodig hebt dan ik. Het is voor jou bestemd. Neem hem maar, het is van jou.”
De man die deze enkele daad ontvangt, komt met vreugde voor Allāh. Allāh Ta`ālā, hoewel Hij de waarheid kent, wil het van de dienaar horen: ‘Wat is er aan de hand?’ De man antwoordt: ‘Mijn Rab! Er kwam een man die ik niet kende en hij gaf me één enkele goede daad.’ Allāh Ta`ālā beveelt dat deze man voor Hem wordt gebracht. Toen de man voor Allāh stond, zei Hij: ‘Ik ben vrijgeviger en rijker dan jij. Neem elkaars hand en jullie beiden gaan het Paradijs binnen.’
Er is nog een andere man wiens goede en slechte daden gelijk zijn.
Allāh Ta`ālā zegt tegen hem: ‘Jouw goede en slechte daden zijn gelijk. Je kunt noch het Paradijs binnengaan, noch de Hel.’
Op dat moment brengen de engelen een blad uit zijn daden-register, waarop staat: ‘Woede’. Dit wordt op de kant van de slechte daden gelegd. Daarom wegen zijn slechte daden zwaarder en wordt hij in de Hel geworpen.”
Uitleg:In de ahādīth wordt het woord Mīzān (Weegschaal) vaak enkelvoudig gebruikt, terwijl in de Qur’ān het meervoud voorkomt en meerdere Mawāzīn worden genoemd. Zoals een dichter zei:
"Een Koning wiens gerechtigheid alles regelt,Voor elk geval is er een Mīzān.Hij beheerst alles in de wereld van de engelen.Voor alles is er een bepaald moment."
In werkelijkheid kan er één enkele Mīzān zijn, maar omdat de daden van meerdere mensen gewogen worden, wordt het meervoud gebruikt. Bijvoorbeeld: in de ayāt over het volk van Ad:
كَذَّبَتۡ عَادٌ ٱلۡمُرۡسَلِينَ ١٢٣: Het volk van ‘Ad verloochende de Boodschappers. (Shu`arah, 26:123)
en over Noeh (عليه السلام):
كَذَّبَتۡ قَوۡمُ نُوحٍ ٱلۡمُرۡسَلِينَ ١٠٥ Het volk van Noah verloochende de Boodschappers. (Shu`arah, 26:106)wordt ‘Boodschappers’ meervoudig gebruikt, hoewel er één specifieke Rasûl wordt bedoeld. Sommige geleerden zeggen dat mawāzīn (weegschalen) niet verwijst naar de Mīzān zelf, maar naar de ‘gewogen daden’ (mawzūn), en dat dit daarom meervoudig is.
Lâlakâî heeft in zijn Sunan van Anas b. Mâlik (رضي الله عنه) de volgende marfûʿ ḥadīth overgeleverd (dat wil zeggen: rechtstreeks toegeschreven aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zonder tussenkomst van de overleveraar van de tab`īn): “Op Yawmu’l Qiyāmah is er een engel die verantwoordelijk is voor de Mīzān waarop de daden van de mensen worden gewogen. De zoon van Âdam wordt gebracht en vóór de Mīzān geplaatst, tussen de twee schalen.
Als zijn goede daden zwaarder wegen, roept de engel: ‘Goed nieuws voor de zoon van die-en-die! Hij behoort tot de bewoners van het Paradijs. Hij zal hierna nooit meer verdriet kennen.’ En deze stem wordt door allen op het Mahshar-plein gehoord.
Maar als zijn goede daden licht wegen, zegt de engel: “Wee de zoon van die-en-die! Hij behoort tot de bewoners van de Hel. Hij zal hierna nooit meer vreugde kennen en zijn zaken zullen nooit meer voorspoedig verlopen.”
Hudzayfah (رضي الله عنه) zei: de engel die verantwoordelijk is voor de Mīzān is Jibrîl (عليه السلام).
Over de lieden van al-Aʿrāf bestaan verschillende opvattingen. Volgens sommigen zijn dit degenen in het Paradijs die de minste genietingen zullen ontvangen.
Van ʿAbdullâh b. al-Hârith (رضي الله عنه) (Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم )zei:) “De lieden van al-Aʿrāf wachten in een vallei bij de rivier die ‘Hayât’ wordt genoemd. De twee oevers van deze rivier zijn geplaveid met goud. Tussen hen en het Paradijs bevindt zich deze rivier. Zij worden bevolen de rivier in te gaan. Zij gaan erin en komen eruit. Het grootste deel van hun lichamen wordt helder wit, maar in hun nek blijft een vlek achter. Vervolgens gaan zij opnieuw erin. Elke keer dat zij erin gaan en eruit komen, wordt hun witheid groter. Daarna wordt hun gevraagd: ‘Wat wensen jullie nu?’ Zij noemen hun wensen. Er wordt tegen hen gezegd: ‘Ga heen. Wat jullie wensen, zal jullie zeventigmaal worden gegeven.’ Zij zijn degenen die in het Paradijs de minste genietingen zullen ontvangen. Volgens een andere overlevering zal er een vlek in hun nek blijven, waaraan zij als lieden van al-Aʿrāf herkend zullen worden.”
De geleerden hebben over de lieden van al-A‘rāf, dat wil zeggen degenen die als laatsten het Paradijs zullen binnengaan, twaalf verschillende opvattingen naar voren gebracht:
Volgens Ibn Masʿûd, Kaʿb al-Akhbar, Ibn Wahb en Ibn ʿAbbâs (رضي الله عنهم) verwijst de lieden van al-Aʿrāf naar degenen die in de eerder genoemde ḥadīth worden genoemd, namelijk degenen van wie de goede en slechte daden in evenwicht zijn.
Volgens Mujâhid zijn de lieden van al-Aʿrāf de juristen (fuqahâ’) en de geleerden ` (ulamā).
Volgens al-Mahdawî zijn de lieden van al-Aʿrāf de martelaren (shuhadâ’).
Volgens al-Qushayrî zijn de lieden van al-Aʿrāf mu’mins met goede daden die niet naar hun eigen daden kijken maar zich bezighouden met wat anderen doen.
Volgens Shurahbîl b. Saʿd zijn de lieden van al-Aʿrāf degenen die tegen hun vaders ingingen, ten strijde trokken en als shuhadâ’ stierven. At-Tabarî vermeldt hierover een ḥadīth.
Sommigen zeggen dat onder de lieden van al-Aʿrāf ook al-ʿAbbâs, Hamzah, ʿAlî en Jaʿfar at-Tayyâr (رضي الله عنهم) zullen zijn. Zij zullen op al-Aʿrāf wachten en de gezichten van degenen die hen liefhadden wit maken en die van degenen die hen niet liefhadden zwart. Ath-Thaʿlabî schrijft deze mening toe aan Ibn ʿAbbâs (رضي الله عنهما).
Sommigen zeggen dat de lieden van al-Aʿrāf degenen zijn die zullen getuigen over de daden van de mensen. Volgens deze mening zal er uit elke ummah zo’n groep zijn, en zij zullen als laatsten het Paradijs binnengaan. Dit is de mening van an-Nahhâs.
Volgens az-Zajjâj zijn het de anbiyā’ (عليهم السلام) die als laatsten het Paradijs binnengaan. Zij wachten op al-Aʿrāf tot hun ummah het Paradijs binnengaat.
Er zijn ook meningen dat degenen die kleine zonden hebben begaan op al-Aʿrāf zullen wachten. Volgens Qâdî Abû al-Muhammad behoren daartoe ook degenen die naast kleine zonden kleine vormen van schade aan mensen hebben toegebracht.
Volgens een overlevering van Ibn Wahb van Ibn ʿAbbâs (رضي الله عنهم) zijn de mu’mins die grote zonden hebben begaan, in wezen de lieden van al-Aʿrāf. Dit is ook de mening van Ibn al-Mubârak en wordt ondersteund door ad-Dahhâk.
Sommigen zeggen dat ook degenen die buitenechtelijk geboren zijn daar zullen wachten. Al-Qushayrî vermeldt deze mening van Ibn ʿAbbâs (رضي الله عنهما).
Volgens een andere mening bevinden zich onder de lieden van al-Aʿrāf ook engelen die belast zijn met het onderscheiden van de mu’min en de kāfir onder de mensen. Allāhu Taʿālā zegt:وَأَنَّهُۥ كَانَ رِجَالٞ مِّنَ ٱلۡإِنسِ يَعُوذُونَ بِرِجَالٖ مِّنَ ٱلۡجِنِّ فَزَادُوهُمۡ رَهَقٗا ٦
En waarlijk, er waren mannen onder de mensheid die bescherming zochten bij de (mannelijke) Djinn (uit vrees voor ongeluk tijdens hun reizen), maar zij deden hen enkel in zonde en ongeloof toenemen. (Jin, 72:6)
4.4: Wat is al-A‘rāf?
Al-A‘rāf is een gebied tussen het Paradijs en de Hel. Sommigen hebben overgeleverd dat het een verheven plaats is. Volgens een overlevering van Anas (رضي الله عنه) en andere metgezellen zal de berg Uhud worden gebracht en op al-A‘rāf worden geplaatst. In de tafsīr (al-Jāmiʿ li-Aḥkām al-Qurʾān) van sūrah al-A‘rāf zijn hierover ook andere overleveringen vermeld. Zo kan men bijvoorbeeld de tafsīr van Ibn ‘Abd al-Bar raadplegen.
Volgens Sa‘īd ibn Jubayr betekent lieden van al-A‘rāf: degenen die als laatsten het Paradijs zullen binnengaan. Deze vooraanstaande geleerde baseert deze opvatting op Ibn Mas‘ūd (رضي الله عنه). Nadat de bewoners van het Paradijs en de bewoners van de Hel bekend zijn en iedereen naar zijn rechtmatige plaats is gegaan, zal Allāh zich als laatsten met de lieden van al-Aʿrāf bezighouden en over hen beslissen. Dit betekent echter niet dat zij slecht zijn. Er is een verschil tussen de reden waarom degenen van wie de zonden en goede daden gelijk zijn tot de mensen van al-A‘rāf behoren, en het feit dat sommige anbiyā’ tot het einde worden opgehouden. De anbiyā’, de rechtschapenen en de geleerden zullen bij een rivier aan de rand van het Paradijs, de rivier genaamd “Hayāt”, wachten om te getuigen over andere mensen of om voor hen voorspraak (shafā`ah) te doen.
Ook de engelen met een taak zullen daarom achterblijven.
Ibn ‘Atiyyah zegt dat Sālim, de vrijgelatene van Hudhayfah (رضي الله عنه), er sterk naar verlangde tot de mensen van al-A‘rāf te behoren, omdat dit mu’mins zijn met fouten.
Lieden van al-A‘rāf zijn dus van drie soorten:
Degenen van wie de zonden en goede daden gelijk zijn. Allāh zal over hen een beslissing nemen.
Degenen die goede daden verrichten maar ook zonden hebben, zoals mensen die goed handelen maar zich schuldig maken aan roddel, of die anderen onrecht aandoen. Zelfs wanneer hun goede daden zwaarder wegen, zal hun zaak vanwege hun volharding in verkeerde daden tot het laatst worden uitgesteld en zullen zij afzonderlijk ter verantwoording worden geroepen.
anbiyā’ (عليهم السلام), geleerden, martelaren, mensen die uit elke generatie en periode zijn uitgekozen om te getuigen over wie goed of slecht is, engelen en metgezellen zoals ‘Alī, Hamzah en Ja‘far al-Tayyār (رضي الله عنهم). Zij zullen vanwege hun taak als laatsten het Paradijs binnengaan.
Zij zullen bij de rivier Hayāt aan de rand van het Paradijs wachten, voorspraak doen voor degenen die naar de Hel gaan, getuigen over anderen of oordelen over degenen van wie de toestand nog niet duidelijk is.
4.5: Ieder mens zal volgen wat hij (in het wereldse leven) placht te volgen. Degenen die het laatst van de ummah zullen overblijven zijn de munāfiqs
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Op Yawmu’l Qiyāmah zal Allāh alle mensen in één vallei verzamelen.
Vervolgens zal Allāh zich aan Zijn dienaren openbaren en hen bevelen: ‘Ieder mens zal volgen wat hij (in het wereldse leven) placht te volgen en waarin hij geloofde.’ Degenen die afgoden aanbaden, zullen hun afgod volgen.Degenen die verschillende zaken aanbaden, zullen datgene volgen wat zij aanbaden. Degenen die het vuur aanbaden, zullen zich bij het vuur voegen. Kortom, ieder zal zich voegen bij wat hij aanbad. Uiteindelijk zullen alleen degenen die in Allāh geloofden overblijven.” (at-Tirmiḏī , 2557)
Ook Muslim heeft een ḥadīth overgeleverd van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):
Enkele mensen kwamen naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en vroegen: “O NabīAllah, zullen wij onze Rab zien op Yawmu’l Qiyāmah?” Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg: “Hebben jullie enige moeite om de volle maan te zien in de nacht van volle maan?” Zij antwoordden: “Nee, o NabīAllah.” Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Zo zullen jullie Allāh zien. Allāh zal ons allen verzamelen en zeggen: ‘Laat iedereen zich voegen bij datgene waarin hij geloofde.’ Degenen die de zon aanbaden zullen zich bij de zon verzamelen. Degenen die de maan aanbaden zullen zich bij de maan verzamelen. Degenen die hun tāghūt (afgoden of onrechtvaardige kāfir-heersers) als goden namen, zullen zich rondom hen verzamelen.Er blijven dan alleen de mu’mins over, en onder hen bevinden zich ook de munāfiqs. Daarna zal Allāh zich aan de mu’mins tonen in een gedaante die zij eerder kenden en zeggen: ‘Ik ben jullie Rab.’ De mu’mins zullen zeggen: ‘Wij zoeken onze toevlucht bij Allāh tegen u. U bent niet onze Rab. Onze Rab (lijkt niet op deze gedaante), wij zullen Hem herkennen in Zijn ware gedaante.’
(De munāfiqs zullen zich echter laten misleiden door die gedaante en Hem niet in Zijn ware gedaante erkennen.)
Vervolgens zal Allāh zich aan de mu’mins in Zijn ware gedaante openbaren en zeggen: ‘Ik ben jullie Rab.’ De mu’mins zullen antwoorden: ‘Ja, U bent onze Rab.’
Daarna zal de Sirāt over de Hel worden geplaatst. Ik zal als eerste, samen met mijn ummah, eroverheen gaan. Op die dag zal niemand spreken behalve de anbiyā’. De anbiyā’ zullen du`ā’ verrichten en vragen: ‘O onze Rab, help ons!
O onze Rab, red ons!” (Muslim)
De grote faqīh en geleerde Abū Bakr ibn Burjān schrijft in zijn boek Irshād het volgende:
“Op Yawmu’l Qiyāmah zal het de mensen die daar recht op hebben worden geïnspireerd om voorspraak te verrichten. Ook aan de anbiyā’ zal worden geïnspireerd om voorspraak te verrichten. Op dat moment zal worden bevolen dat de gehele nakomelingschap van Ādam (عليه السلام) naar voren komt. Zij zullen in zeven groepen worden verdeeld en zo op het Mahshar-plein blijven wachten.
De eerste groep bestaat uit degenen die bewust ontkenden en volhardden in hun ontkenning (kufr).
De tweede groep zijn degenen die ongelovig (kāfir ) werden uit onwetendheid en dwaasheid, door anderen te volgen. Deze twee groepen zullen rechtstreeks in de Hel worden geworpen.هُنَالِكَ تَبۡلُواْ كُلُّ نَفۡسٖ مَّآ أَسۡلَفَتۡۚ وَرُدُّوٓاْ إِلَى ٱللَّهِ مَوۡلَىٰهُمُ ٱلۡحَقِّۖ وَضَلَّ عَنۡهُم مَّا كَانُواْ يَفۡتَرُونَ ٣٠
Daar! Iedereen zal (precies) weten wat hij hiervoor verdiend heeft, en zij zullen tot Allāh teruggebracht worden, hun rechtmatige Heer, en hun bedachte valse goden zullen van hen verdwijnen. (Yūnus, 10:30)
فَكُبۡكِبُواْ فِيهَا هُمۡ وَٱلۡغَاوُۥنَ ٩٤
Dan zullen zij op hun gezichten in het (vuur) geworpen worden, Zij en de dwalenden.
وَجُنُودُ إِبۡلِيسَ أَجۡمَعُونَ ٩٥ En samen met het hele leger van Iblies. (Shu`arā’, 94-95)
De derde groep zijn degenen die anderen dan Allāh aanbaden.
Omdat zij geen enkel bewijs kunnen aanvoeren voor hun polytheisme (shirk) en niemand voor hen voorspraak zal doen, zullen zij eveneens in de Hel worden geworpen.فَكُبۡكِبُواْ فِيهَا هُمۡ وَٱلۡغَاوُۥنَ ٩٤ Dan zullen zij op hun gezichten in het (vuur) geworpen worden, Zij en de dwalenden.وَجُنُودُ إِبۡلِيسَ أَجۡمَعُونَ ٩٥ En samen met het hele leger van Iblies.قَالُواْ وَهُمۡ فِيهَا يَخۡتَصِمُونَ ٩٦ Zij zullen zeggen terwijl zij redetwisten:تَٱللَّهِ إِن كُنَّا لَفِي ضَلَٰلٖ مُّبِينٍ ٩٧ “Bij Allāh, wij hebben zeker een duidelijke fout gemaakt.إِذۡ نُسَوِّيكُم بِرَبِّ ٱلۡعَٰلَمِينَ ٩٨ Dat wij jullie (valse goden) gelijkstelden aan de Heer der Werelden.وَمَآ أَضَلَّنَآ إِلَّا ٱلۡمُجۡرِمُونَ ٩٩ En niemand heeft ons wereld van de Djinn en de wereld van de Engelen. De fouten laten begaan behalve de misdadigers.فَمَا لَنَا مِن شَٰفِعِينَ ١٠٠ Nu hebben wij geen bemiddelaars.وَلَا صَدِيقٍ حَمِيمٖ ١٠١ Noch een naaste vriend.فَلَوۡ أَنَّ لَنَا كَرَّةٗ فَنَكُونَ مِنَ ٱلۡمُؤۡمِنِينَ ١٠٢ (Helaas!) Als wij slechts een kans hadden om terug te keren, zullen wij zeker onder de mu’mins zijn!”إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَأٓيَةٗۖ وَمَا كَانَ أَكۡثَرُهُم مُّؤۡمِنِينَ ١٠٣ Waarlijk, daarin is zeker een Teken, maar de meesten van hen zijn geen mu’mins.
(Shu‘arā’, 26:94-103)
De vierde groep zijn degenen die wel in Allāh geloofden maar geen īmān hadden in de anbiyā’ (عليهم السلام). Dit zijn onwetenden. Zij geloven in Allāh maar kennen Zijn eigenschappen niet of kennen die verkeerd. Zij zullen worden ondervraagd over de anbiyā’ en de geopenbaarde boeken.
Daarna wordt de vijfde groep gebracht: de joden.
Vervolgens de zesde groep: de christenen. Deze twee groepen zullen hongerig, dorstig en vernederd voor Allāh worden gebracht. Wanneer hun wordt gevraagd wat zij wensen, zullen zij om water vragen. Zij zullen echter geen water krijgen. Zij zullen naar de rand van de Hel worden gebracht en erin vallen alsof zij in een afgrond storten.
De laatste groep bestaat uit de munāfiqs en de mu’mins. Na de afrekening zullen zij van elkaar worden gescheiden. De munāfiqs zullen in het Hellevuur worden geworpen en alleen de mu’mins zullen overblijven.
In een ḥadīth over de voorspraak van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wordt overgeleverd dat hij zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah zal de gehele wereld vlak worden gemaakt als een uitgestrekte schotel of een platbrood. Ieder mens zal slechts een plaats hebben ter grootte van zijn voeten om op te staan. Vervolgens zal ik als eerste voor het Goddelijke Hof worden geroepen. Onder de mensen zal ik de laatste zijn die in sujūd gaat, (want ik zal in sujūd wachten voor de voorspraak).
Wanneer mij toestemming wordt gegeven (om te spreken), zal ik zeggen: ‘O mijn Rab, Jibrīl (عليه السلام) heeft mij hierover (voorspraak) geïnformeerd.’
Jibrīl (عليه السلام) zal die dag aan de rechterzijde van de ‘Arsh staan en zijn mond niet openen.
Ik zal zeggen: ‘U hebt Jibrīl naar mij gezonden en hij heeft mij meegedeeld dat dit Uw bevel is.’
Maar Jibrīl (عليه السلام) zal niet spreken.
Dan zal Allāh zeggen: ‘Wat jij zegt is waar,’ en Hij zal mij de toestemming tot voorspraak geven.
Ik zal zeggen: “O mijn Rab, dit zijn Uw mu’min-dienaren. Zij hebben U op verschillende plaatsen op aarde aanbeden en geprobeerd Uw bevelen uit te voeren.’ Dit is de Maqām al-Maḥmūd* (de geprezen/lofwaardige plaats).”
[*: De verheven positie die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op Yawmu’l Qiyāmah zal krijgen, waarin hij de grote voorspraak (ash-shafāʿah al-ʿuẓmā) zal verrichten voor de mensheid. Dit is de positie waarvoor alle mensen hem zullen prijzen, omdat hij zal bemiddelen zodat het oordeel begint.]
Daarna zal de Sirāt worden geplaatst. Volgens een opvatting zullen de eerste drie groepen reeds in de Hel worden geworpen voordat de Sirāt wordt opgesteld. Vervolgens zullen de mensen van het Boek (Ahli Kitāb) en anderen die de Hel verdienen erin vallen. De mu’mins zullen overeenkomstig hun daden en de mate van hun īmān over de Sirāt gaan: sommigen langzaam, sommigen met gevaar om te vallen, en sommigen zonder enige moeite.
Moge Allāh ons allen bijstaan. De Sirāt is een brug die moeilijk te passeren is: dunner dan een haar, scherper dan een zwaard en rechter dan een staf.
Later, in shā’ Allāh, zal hier uitgebreider op worden ingegaan.
UitlegIn de hadīth wordt vermeld dat de mu’mins op Yawmu’l Qiyāmah Allāhu Taʿālā zullen zien zoals zij de volle maan op een wolkeloze nacht kunnen zien. De exacte aard hiervan kennen wij niet, maar wij geloven erin. Dit is door de macht van Allāh, en het is een groot geschenk voor de mu’mins.
Temidden van zo’n menigte zal elke mu’min zonder moeite en duidelijk worden geëerd met het aanschouwen van het Gelaat (Wajh) van Allāhu Taʿālā.
Verder wordt in de hadīth aangegeven dat Allāhu Taʿālā aan de mu’mins en de munāfiqs zal verschijnen in een vorm die anders is dan Zijn eigen ware verschijning, maar die lijkt op iets wat mensen eerder hebben gezien. Dit is bedoeld als beproeving om de mu’mins van de munāfiqs te onderscheiden.
De munāfiqs beweren te geloven, terwijl zij in werkelijkheid niet geloven of onvoldoende overtuigd zijn; hun geloof (īmān) blijft slechts bij een bewering. Om de waarachtigheid daarvan te toetsen, vinden er ook in het graf beproevingen en moeilijkheden. Eerder hebben wij dit onderwerp al toegelicht in andere ahadīth. Op Yawmu’l Qiyāmah zal vervolgens het onderscheid tussen de mu’min en de munāfiq duidelijk worden door middel van beproevingen en tests. Zoals eerder vermeld, zullen de munāfiqs op Yawmu’l Qiyāmah aanvankelijk onder de muʾmins worden gerekend en samen met hen worden opgewekt.
Er is een hadīth waarin staat: “Vrees de zeven beproevingen en moeilijkheden die al je daden kunnen vernietigen.” (Al-Bukharī, 10/232; Muslim, 2/83) Dit zijn de genoemde tests en beproevingen. [ Volgens de geleerden zijn deze 7 beproevingen/tests: beproefd worden door rijkdom en armoede, gezondheid en ziekte, macht en zwakheid, geliefden of familie, beproevingen van het hart, vijanden en vervolging en de dood en het graf.]
يَوۡمَ يُكۡشَفُ عَن سَاقٖ وَيُدۡعَوۡنَ إِلَى ٱلسُّجُودِ فَلَا يَسۡتَطِيعُونَ ٤٢
(Gedenk) de dag waarop de onderbenen ontbloot zullen worden en zij opgeroepen worden om te knielen, maar zij zullen daartoe niet in staat zijn. (Qalam, 68:42)“Die dag zullen de schenen van de mens ontbloot worden.” (Al-Bukharī, 4848; Muslim, 4/2187)
Ibn Mubārak … van Ibn ‘`Abbās (رضي الله عنهما), die deze āyah en hadīth als volgt heeft uitgelegd: Dit wijst erop hoe streng het oordeel zal zijn. Op die Dag zal men tot in de kleinste details ter verantwoording worden geroepen en zal niets van de waarheid verborgen kunnen blijven. De toestand van de mensen zal uiterst benauwend en angstaanjagend zijn.
Abû’l-Lays as-Samarqandī overlevert in zijn tafsīr (uitleg van de Qur’ān) van surah Nūn, … Van Burdah bin Abû Musa (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah zal elke gemeenschap geconfronteerd worden met datgene wat zij waardeerden en als heilig beschouwden. Het zal hun verschijnen in de vorm van wat zij aanbaden. Ieder zal volgen wat hij in het wereldse leven volgde. Alleen de lieden van at-Tawḥīd blijven over. Wanneer aan hen wordt gevraagd: ‘Wat denken jullie?’ zeggen de mu’mins: ‘Wij hebben één Rab, wij hebben Hem niet gezien, maar wij hebben Hem altijd aanbeden.’ Allāhu Taʿālā zal vervolgens vragen: ‘Zullen jullie Hem herkennen als jullie Hem zien?’ Wanneer de mu’mins bevestigen, vraagt Allāhu Taʿālā: ‘Hoe zullen jullie Hem herkennen?’ De mu’mins antwoorden: ‘Niets is aan Hem gelijk!’ Vervolgens zal Allāhu Taʿālā het gordijn opheffen en zullen de mu’mins Allāhu Taʿālā aanschouwen en zich voor Hem neerwerpen.
(Maar de munāfiqs) staan rechtop, alsof zij een dierlijk skelet op hun rug dragen. Zij willen zich neerwerpen, maar kunnen dat niet. Allāhu Taʿālā zegt tegen de mu’mins: “Mijn dienaren! Hef jullie hoofden op. Ik zal in plaats van jullie de joden en christenen in de Hel plaatsen.”
Abû Burdah vermeldde dat deze hadīth door `Umar bin ‘Abdulaziz werd overgeleverd, en het wordt zelfs gerapporteerd dat `Umar bin ‘Abdulaziz zei: “La Ilāha Illa Allāh!
Tot nu toe heb ik geen mooiere hadīth gehoord.”
De auteur (van dit boek: al-Qurtubī) zegt: De ahadīth verduidelijken elkaar. De versen van de Qur’ān worden het duidelijkst verklaard door de ahadīth. Het āyah:
"يَوۡمَ يُكۡشَفُ عَن سَاقٖ وَيُدۡعَوۡنَ إِلَى ٱلسُّجُودِ فَلَا يَسۡتَطِيعُونَ ٤٢
(Gedenk) de dag waarop de onderbenen ontbloot zullen worden en zij opgeroepen worden om te knielen, maar zij zullen daartoe niet in staat zijn. (Qalam, 68:42),
wordt in deze ahadīth als volgt uitgelegd: Allāhu Ta‘ālā zal Zich openbaren aan Zijn dienaren, en het zal duidelijk worden wie goed of slecht is.
Imām Gazzâlî schrijft in zijn boek o Kashfu `Ulūmi’l-Akhirah dat over de āyah van sûrah Qalam 68:42, het volgende: Op die dag zal iedereen zich buigen in eerbied en smeken tot Allāh, behalve de kāfir. Wanneer de kāfir probeert te buigen, zal hij op zijn neus vallen of omrollen. De mushriks en de munāfiqs zullen eveneens niet kunnen buigen.
Imām al-Bukhārī geeft aan dat iedereen, behalve de mushriks , uit angst voor de afrekening en de verschrikkingen van al-Qiyāmah en al-Maḥshar in sujūd zal neervallen. Deze sujūd is echter niet bedoeld als aanbidding; het zal daarom degene zonder īmān of zonder rechtschapen (ṣāliḥ) daden niet redden.
4.6: De Sirāt (Brug), wat is het, hoe passeer je hem, wie valt eraf, en de genade van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) voor zijn ummah
وَإِن مِّنكُمۡ إِلَّا وَارِدُهَاۚ كَانَ عَلَىٰ رَبِّكَ حَتۡمٗا مَّقۡضِيّٗا ٧١
En er is niemand onder jullie of hij treedt daar binnen; dit is een besluit van jullie Heer dat vervuld moet worden.(Maryam, 19:71)
Volgens sommige geleerden moet een persoon zeven vragen beantwoorden en zeven zaken moeten zwaar wegen op zijn balans op de Weegschaal om veilig over de Sirāt te kunnen gaan:
Geloof (Īmān): Hij moet de Kalimatu’sh-Shahādah oprecht (ikhlās) uitspreken met zijn tong en bevestigen met zijn hart, en zover hij kan zijn verplichte daden verrichten. Zodra hij deze vraag heeft beantwoord, gaat hij door naar de volgende vraag.
Ṣalāh: De Weegschaal wordt opgesteld voor het wegen van de salawāt. Als deze volledig zijn, dan wordt overgegaan tot de andere afrekening.
Ramadān-vasten: Vervolgens wordt men ter verantwoording geroepen voor de vasten in de maand Ramadān. Als zijn vasten volledig is, wordt hij gered.
Zakāh: Daarna wordt men ter verantwoording geroepen voor de zakāh.Wanneer hij ook deze beproeving doorstaat, gaat men verder met de volgende vragen.
Haj en `Umrah: Indien deze plichten volledig zijn, gaat hij door naar de volgende vraag.
De volgende afrekening is wudū’ en ghusl.
De zwaarste afrekening: afrekening voor de rechten van medemensen.
Imām Gazzâlî schrijft in Kashfu `Ulūmi’l-Akhirah dat op Yawmu’l Qiyāmah blijven de laatste overgeblijven mu’mins: de waarheidsgetrouwen, de gelovigen, de mensen met goed karakter, de geleerden, de martelaren en de anbiyā’.
De twijfelaars, nonchalante en onverschillige mensen, munāfiqs en alle kāfirs worden uitgesloten.
Allāhu Ta‘ālā verschijnt eerst van de linkerzijde van de `Arsh (Troon) in een vorm die mensen kennen en zegt: "Ik ben jullie Rab."
De mu’mins zeggen: “Wij zoeken bescherming bij Allāh tegen jou. Onze Rab is aan niets gelijk.”
Vervolgens verschijnt Allāhu Ta‘ālā van de rechterzijde van de `Arsh in een andere gestalte, maar de mu’mins accepteren dit ook niet.
Uiteindelijk verschijnt Allāhu Ta‘ālā aan de mu’mins in Zijn eigen ware vorm, waarop zij zich in sujūd begeven.
Imām Gazzâlî gaat verder: Onder de mensen gaan de anbiyā’ eerst het Paradijs binnen. Dus zij zijn degenen die als eersten de Sirāt zullen oversteken.
Binnen de anbiyā’ gaan eerst de Rusul (meervoud van Rasūl), de anbiyā’ aan wie een Boek is gegeven. Daarna gaan de anbiyā’ aan wie geen Boek is gegeven, dus degenen die opriepen tot de Shari`ah (Wet) van de vorige nabī, naar binnen. Gevolgd door martelaren en awliyā (heiligen), vervolgens de geleerden, de mensen van het hart (geestelijk zuiveren), en daarna de overige mu’mins.
Niet iedereen passeert de Sirāt op dezelfde manier: sommigen vallen eraf, sommigen blijven met hun voeten hangen, die zijn de lieden van al-A`raf, sommigen kruipen erover, en anderen doen duizend jaar over. Maar wie de eer krijgt om Allāhu Ta‘ālā te aanschouwen, zal uiteindelijk de Sirāt moeten passeren.
Hadīth van Imām Muslim van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De Sirāt wordt over het midden van de Hel geplaatst. Daarover zullen de anbiyā’ met hun umam passeren. Eerst zullen ik en mijn ummah passeren. Op die dag spreekt niemand behalve de anbiyā’. De anbiyā’ zeggen alleen: 'O Allāh, red ons, red ons.”
In een andere hadīth van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:“Op de Sirāt zijn doornige punten zoals die van een stekelige struik, die blijven haken aan de slechte daden van de mensen. Alleen Allāh kent de grootte van deze doornen. Sommigen blijven hangen en vallen in de elHelHel, sommigen blijven tijdelijk, afhankelijk van hun zonden."
“Mensen naderen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Wanneer hij toestemming krijgt om op te staan, verschijnen "Amanah" en "Rahmah" aan beide zijden van de Sirāt. De eerste zal als een bliksemschicht passeren.” Abū Hurayrah (رضي الله عنه) vroeg: “O Rasûlullāh, moge mijn moeder en vader voor u geofferd worden, wat betekent passeren als een bliksemschicht?” Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: "Zie je de bliksem niet? Voor je ogen knipperen, is hij voorbij.
Vervolgens gaan anderen voorbij, als de wind of als vogels die snel voorbijtrekken. Degenen die als laatsten overblijven, beginnen te worstelen. Ik zal voor de mensen bemiddelen en tot Allāh bidden: “Mijn Rab! Bescherm hen!” Daarna komen de mensen van wie geen goede daden meer over zijn. Aan de rand van de Sirāt hangen doornen; sommigen worden eraan gekrabd, waardoor hun innerlijk pijn voelt, en zij die worden gevangen, vallen in de Hel. Bij Allāh, degene die in de Hel valt, bereikt pas na zeventig jaar de bodem.
Awf geeft de mening van ʿAbd bin Sufyān Ukaylī weer: Mensen passeren de Sirāt volgens hun mate van īmān en hun daden. Sommigen gaan zo snel als de bliksem, sommigen als de wind, sommigen als een vogel. Anderen gaan als een pijl of als een paard snel voorbij. Sommigen rennen, anderen lopen. Degene die als laatste over de Sirāt gaat, zal kruipend passeren.
… Van Abū Zurʿah (رضي الله عنه): “De Sirāt wordt door Allāh boven de Hel geplaatst. Mensen passeren naargelang hun daden: Degene met de beste daden zal als een bliksemschicht passeren. De volgende zal gaan als de wind, daarna zullen anderen passeren als de snelste dieren en het Paradijs binnengaan. De daaropvolgenden zullen rennend passeren, daarna zullen anderen lopend overgaan. De laatsten zullen op hun buiken kruipend komen.Wanneer één van hen vraagt: “O mijn Rab, waarom laat U mij zo voortkruipen?”, antwoordt Allāhu Ta‘ālā als volgt: “Ik ben het niet Die jou laat voortkruipen. Wat jou vertraagt, zijn jouw eigen daden, jouw eigen handelingen”.
…Van Abdullah b. Masʿūd (رضي الله عنه): “Met Allahs genade zul je de Sirāt passeren en met Zijn barmhartigheid het Paradijs binnengaan. Hoe je de Sirāt passeert en welke rang je in het Paradijs krijgt, hangt af van je eigen daden.”
Van Muʿādh b.
Anas al-Juhānī: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie een mu’min beschermt tegen (de aanval of woorden van) een vijand, zal Allāhu Ta‘ālā een engel aanstellen om zijn lichaam te beschermen tegen het Hellevuur op Yawmu’l Qiyāmah. Wie een mu’min lastert (of aanvalt), zal Allāhu Ta’ālā diegene op de Sirāt tegenhouden.” (Abū Dāwūd 4862)
Een andere hadīth vermeldt: "Velen zullen van de Sirāt vallen. De meesten zijn vrouwen."Abû’l-Faraj Ibnu’l-Jawzī heeft deze hadīth overgeleverd
In een andere hadīth zegt Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Wanneer de mensen zich verzamelen bij de ingang van de Sirāt, zal een engel roepen: ‘O schepselen van de Almachtige Allāh! Kom, steek de Sirāt over. Laat de opstandigen en de onrechtplegers op de Sirāt wachten of naar beneden vallen.’
Iedereen zal bevend van angst de Sirāt betreden. Degenen die op aarde zwak, onderdrukt en nederig waren, zullen vooruitgaan en oversteken. Degenen die op aarde hoogmoedig en onrechtvaardig waren, zullen niet kunnen oversteken. Daarna zal iedereen overeenkomstig zijn daden langzaam of snel passeren.
Wanneer mijn ummah over de Sirāt gaat, zal de brug hen beginnen te schudden. Mijn ummah zal dan huilen en roepen: ‘Muhammad, Muhammad!’
Uit barmhartigheid voor hen zal ik naar voren treden. Jibrīl (عليه السلام) zal mijn hand vasthouden en mij helpen. Ik zal mijn stem verheffen en zeggen: ‘O mijn Rab! Ik vraag niet alleen om mijn dochter Fātimah, maar om heel mijn ummah.’ Zo zal ik shafāʿah doen.
De engelen zullen aan de rechteren linkerzijde van de Sirāt staan en smeken: ‘O Rab, red hen, red hen!’
Dit is een zeer moeilijk en zwaar moment. Ondertussen zullen de onrechtplegers en opstandigen één voor één in de Hel vallen. Sommigen zullen rechts vallen, anderen links.
De Zabāniyah (de engelen die de Hel bewaken en verantwoordelijk zijn voor het straffen van de zondaars in de Hel) zullen hen onmiddellijk grijpen en in ketenen slaan.
De Zabāniyah zullen tegen degenen die in de Hel vallen zeggen: ‘Werd jullie niet verboden de harām zaken te verrichten? Werden jullie niet gewaarschuwd voor het vuur van de Hel? Is er geen Nabī tot jullie gekomen?” Deze hadīth is overgeleverd door Abû’l-Faraj Ibnu’l-Jawzī.
Volgens sommige geleerden, die de ahadīth over de Sirāt hebben onderzocht, is de Sirāt dunner dan een haar en scherper dan een zwaard. Dat de Sirāt zo dun is, vormt voor degenen met goede daden een verlichting, maar voor zondaren en kāfirs is het een kwelling. Wij weten niet hoe lang de Sirāt is of waarop zij lijkt. Sommigen hebben haar een dunne en verborgen brug genoemd, anderen een “mysterieus” pad. Allāh weet het het beste. Ook al weten wij niet hoe zij eruitziet of wat haar aard is, wij geloven (īmān) in het bestaan van de Sirāt.
Dat de Sirāt scherper is dan een zwaard en dunner dan een haar heeft twee betekenissen:
Kāfirs en zondaren zullen moeite hebben om erop te blijven staan en zullen vallen.
Dat het dun is, betekent ook dat het niet lijkt op de bruggen die wij kennen; zij is geen materiële brug zoals op aarde, maar subtiel en geestelijk van aard.
Op de Sirāt bevinden zich ketenen en doornen, en engelen staan aan beide zijden. De dunheid kan dus metaforisch zijn. Het duidt erop dat het figuurlijk/mystiek van aard is of dat het voor de kāfirs moeilijk te passeren zal zijn. Voor mu’mins is de Sirāt een ruime en gemakkelijke weg. De ware aard ervan is echter alleen bij Allāh bekend.
Wij zeggen: Allāh Die in staat is de vogels in de lucht te houden, is ook in staat Zijn dienaren over elke vorm dan ook over de Hel te laten passeren. Allāh Die de sterren en planeten in de ruimte houdt, kan over de Hel iedere brug plaatsen die Hij wil. De Sirāt kan dus zowel letterlijk als figuurlijk begrepen worden: zij kan een materiele brug zijn, of een brug van licht of van duisternis.
…
وَمَن لَّمۡ يَجۡعَلِ ٱللَّهُ لَهُۥ نُورٗا فَمَا لَهُۥ مِن نُّورٍ ٤٠ … En hij waarvoor Allāh niet het licht heeft aangewezen, voor hem is er geen licht. (Nûr, 24:40)
… ٱللَّهُ ٱلَّذِي رَفَعَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ بِغَيۡرِ عَمَدٖ تَرَوۡنَهَاۖ Allāh is Degene Die de hemelen heeft verheven zonder pilaren die jullie kunnen zien… (Ra`ad, 13:2)
… خَلَقَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ بِغَيۡرِ عَمَدٖ تَرَوۡنَهَاۖ Hij heeft de hemelen en de aarde geschapen, zonder pilaren die jullie kunnen zien… (Luqmān, 31:10)
Yahyā ibn Yemān verhaalt: Ik ontmoette een man met pikzwart haar en een zwarte baard, een jonge man. Hij was op een nacht gaan slapen en had gedroomd dat hij het Mahshar-plein was gepasseerd. Toen hij de Sirāt betrad en overstak, werd zijn haar en baard volledig grijs. Toen hij wakker werd, zag hij dat zijn haar en baard daadwerkelijk grijs waren geworden.
Volgens de bovenstaande āyāt en ahadīth zullen alle mensen over de Sirāt gaan. Sommigen zullen oversteken, anderen zullen vallen. Overleveringen van onder anderen Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) en Ibn Masʿūd (رضي الله عنه) bevestigen dit.
وَإِن مِّنكُمۡ إِلَّا وَارِدُهَاۚ كَانَ عَلَىٰ رَبِّكَ حَتۡمٗا مَّقۡضِيّٗا ٧١
En er is niemand onder jullie of hij treedt daar binnen; dit is een besluit van jullie Heer dat vervuld moet worden. (Maryam, 19: 71)
Van Yaʿlā ibn Munabbih (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah zal de Hel tegen de mu’min (die zich op de Sirāt bevindt) zeggen: ‘Ga snel voorbij. Jouw licht zal mijn vuur doven.’”
Naar de Sirāt komen betekent dat men de Sirāt betreedt. Iedereen zal ongetwijfeld de Sirāt betreden. Volgens de hadīth die door Abū Sa‘īd al-Khudrī (رضي الله عنه) is overgeleverd, zullen de zondaars en kāfirs hun zonden dragend de Sirāt betreden.
Van Jābir ibn ʿAbdullāh (رضي الله عنه), ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Goed of slecht, iedereen zal de Sirāt betreden en boven de Hel komen. Maar het vuur zal, zoals bij Ibrāhīm (عليه السلام), de mu’mins niet schaden of verbranden.”(Aḥmed b. Ḥanbel, 3/329)
ثُمَّ نُنَجِّي ٱلَّذِينَ ٱتَّقَواْ وَّنَذَرُ ٱلظَّٰلِمِينَ فِيهَا جِثِيّٗا ٧٢
Dan zullen Wij degenen redden die Allāh vrezen en Hem plichtsgetrouw waren. En Wij zullen de onrechtvaardigen daarin op hun knieën achterlaten. ( Maryam, 19:72)
Ibn Mubārak, Sufyān en een ander persoon vermelden via Khālid ibn Mā‘d dat de mensen vroegen: “Zal onze Rab ons niet redden wanneer wij over het vuur gaan?” Hij antwoordde: “Jullie zullen eroverheen gaan terwijl het vuur gedoofd is.”
Abū ʿUmar, bekend als Ibn ʿAbdulbar, vermeldt in zijn werk Tamḥīd de hadīth: Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bezocht een zieke en zei: “Wees gerust. Allāhu Ta‘ālā zegt: ‘Dit is Mijn Hellevuur/de Hel.
Ik zal zijn vuur ook mijn mu’min dienaar laten bereiken, zodat hij zijn deel van de Hel krijgt.” (at-Tirmiḏī , 2088; İbni Mâjah, 3470.; Ahmad b. Hanbal, 2/440)
Volgens sommigen wordt met de Hel die de mu’mins zien bedoeld dat het in het graf wordt getoond. Onschuldige mu’mins zullen de Hel daarna niet meer zien. Maar zondige mu’mins zullen, bij het oversteken van de Sirāt, het effect van de vlammen ervaren. Sommigen zullen bijna in de Hel vallen maar gered worden door de toegestane shafā‘ah.
Samengevat: Aangezien de Sirāt boven de Hel wordt gelegd, zullen alle mensen, mu’mins of kāfirs, de Hel zien. Sommigen zien het slechts zonder effect te ondervinden. Anderen voelen de hitte licht. Weer anderen vallen niet in het vuur maar voelen het effect ervan. Sommigen vallen bijna maar worden gered. Zondige mu’mins zullen vallen en branden naar mate van hun zonden, behalve degenen die Allāh heeft vergeven. kāfirs zullen er voor eeuwig niet uitkomen.
De hadīth die door Ibn Mas`ûd (رضي الله عنه) in Dārimī is overgeleverd, vat dit het best samen: “Alle mensen zullen naar de Hel komen (dat wil zeggen, ze zullen op de Sirāt staan die boven de vlammen van de Hel ligt). Iedereen zal naar mate van zijn daden door het vuur beïnvloed worden. Sommigen zullen er met bliksemsnelheid overheen gaan en gered worden. Anderen als de wind, weer anderen als een paard. Sommigen te paard, sommigen te voet, maar allen zullen het vuur ontkomen.” (at-Tirmiḏī , 3159; Ahmad b. Hanbal, 1/435)
4.7 Wat is het kenmerk van de mu'mins wanneer zij zich op de Ṣirāṭ bevinden?
Van Muġīrah b. Shuʿba (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah zal het kenmerk van de mu'mins zijn: ‘Onze Rab, red ons, red ons.” (at-Tirmiḏī , 2432)
De overlevering van Muslim luidt als volgt: “Jullie Nabī (صلى الله عليه وسلم) zal op Yawmu’l Qiyāmah op de Sirāt staan en zeggen: ‘O Rab! Red hen, red hen.”
4.8 Degenen die op de Sirāt niet eens de tijd van een oogwenk hoeven te wachten
Abū Nasr, bekend als al-Wā’ilī, vermeldt in zijn werk Ibānah … van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Leer de mensen mijn weg/sunnah. Onderwijs hun wat ik heb gedaan en wat ik heb gezegd. Doe dit of de mensen het nu willen of niet. Als jullie op de Sirāt niet eens de tijd van een oogwenk hoeven te wachten om het Paradijs binnen te gaan (doe het), voeg dan niets aan de godsdienst van Allāh toe op basis van jullie eigen meningen of zonder bewijs.”
Volgens al-Wā’ilī is de keten van overlevering gharīb, maar de tekst is ḥasan.
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degene die op de beste wijze ṣadaqah geeft, zal de Sirāt gemakkelijk passeren. Wie de nood van een persoon zonder verwanten of bezittingen verlicht, voor hem zal Allāhu Taʿālā zijn erfgenamen rechtschapen maken.”
Abū’l-Qāsim, bekend als al-Khatalī, vertelt: … van zijn shaykh die bekend stond als Abū Jaʿfar: Ik zag in een droom dat ik aan de rand van de Hel stond. Met ontzetting keek ik naar wat daar gebeurde en dacht: hoe zal ik hier overheen komen? Toen hoorde ik achter mij een stem die zei: “Laat je last achter en ga er over.” Ik draaide mij om en vroeg: “Wat is mijn last?” De stem antwoordde: “Laat de wereldse zaken achter je en ga er over.”
…. Abū’d-Dardā’ (رضي الله عنه) gaf zijn zoon het advies: Stel je huis niet boven de masjid. De masājid zijn de huizen van degenen die Allāh vrezen. Ik heb Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) horen zeggen: “Wie de masjid boven zijn huis verkiest, schenkt Allāh hem barmhartigheid en barakah, en Hij zal hem de Sirāt gemakkelijk laten passeren.”
Volgens ons bevestigt deze hadīth de bovengenoemde droom. Want wie de masjid verkiest en deze als zijn verblijf beschouwt, geeft de voorkeur aan het werken voor het Hiernamaals boven de wereldse zaken en zijn familie.
4.9: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zal zich op Yawmu’l Qiyāmah zeker op één van deze drie plaatsen bevinden
Van Anas (رضي الله عنه): Ik verzocht Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) om op Yawmu’l Qiyāmah voor mij shafāʿah te verrichten. Hij zei: “InshāʾAllah zal ik het doen.”
Ik vroeg: “Waar zal ik u die dag vinden?”Hij antwoordde: “Zoek mij bij de Sirāt (de Brug).”
Ik vroeg: “En als ik u daar niet vind?”Hij zei: “Zoek mij dan bij de Mīzān (de Weegschaal).”
Ik vroeg: “En als ik u ook daar niet vind, waar moet ik u dan zoeken?”Hij zei: “Zoek mij dan bij de Ḥawḍ al-Kawthar. Want ik zal mij op Yawmu’l Qiyāmah zeker op één van deze drie plaatsen bevinden.” (at-Tirmiḏī , 2433; Aḥmed b. Ḥanbal, 3/278) Volgens at-Tirmiḏī is deze hadīth ḥasan.
Een soortgelijke hadīth is overgeleverd door ʿĀʾishah (رضي الله عنها), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er zijn drie momenten waarop niemand naar een ander omkijkt of iemand anders zoekt: bij het wegen van de daden, bij het uitdelen van de daden-registers en bij het oversteken van de Sirāt.
4.10: De engelen die de anbiyā’ en hun gemeenschappen (umam) verwelkomen na het passeren van de Sirāt. En de vernedering van degenen die vijandig waren tegenover de anbiyā’ en de mu’mins
Ibn Mubārak overlevert van `Abdullāh ibn Salām (رضي الله عنه) en zegt:
Op Yawmu’l Qiyāmah zal Allāhu Taʿālā alle anbiyā’ één voor één voor Zich brengen. Ook hun umam zal afzonderlijk worden geroepen en verzameld. Als laatste zullen Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) en zijn ummah worden gebracht en in het midden geplaatst. Daarna wordt de Sirāt opgesteld en een stem zal roepen: “Waar is Aḥmad en zijn ummah?”
Daarop zal Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) opstaan en zijn ummah zal hem volgen. Goede en slechte (mensen), mu’min en munāfiq, iedereen van de ummah van Muḥammad zal hem volgen tot aan de Sirāt.
Allāhu Taʿālā zal de ogen van de vijanden van de Islām blind maken, en zij zullen van alle kanten in het Hellevuur vallen. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en de rechtschapen dienaren die in hem geloofden, zullen oversteken. Nadat de mu’mins de Sirāt hebben overgestoken, zullen de engelen hen ontvangen en naar het Paradijs begeleiden. De engelen zullen hun de weg tonen en hen tot aan het Paradijs vergezellen.
Wanneer zij het Paradijs bereiken, zal de Kursī van Allāh op een plaats en in een richting worden opgesteld die wij niet kennen. De mu’mins zullen daar hun Rab ontmoeten.
Daarna zullen alle anbiyā’ afzonderlijk worden geroepen en samen met hun umam de Sirāt oversteken. Als laatste zal Nūḥ (عليه السلام) komen en oversteken.
4.11: De tweede Sirāt, dat wil zeggen de Brug die zal worden opgericht tussen het Paradijs en de Hel
Waarde broeder, moge Allāh tevreden met je zijn en je genadig zijn. De eerste en oorspronkelijke Sirāt is de brug waarover wij hierboven hebben gesproken. Ieder mens zal deze brug passeren: wiens daden zwaar wegen of licht wegen, kāfir of mu’min behalve degenen die zonder afrekening het Paradijs binnengaan. Voor hen is er een bijzondere behandeling. Alleen de mu’mins zullen uiteindelijk aan de Sirāt ontkomen.
Daarna zal echter een tweede Sirāt worden opgericht. Deze Sirāt is speciaal bestemd voor degenen die de Sirāt boven de Hel zijn gepasseerd, zodat zij het Paradijs kunnen bereiken. Iedereen die de eerste Sirāt is overgestoken, zal ook deze Sirāt passeren.
Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer de mu’mins de Sirāt zijn overgestoken, zij zullen op de Sirāt vast komen te zitten/ tegengehouden op een plaats tussen het Paradijs en de Hel. Daar zullen onderlinge afrekeningen tussen de mu’mins worden vereffend en bepaalde rechten van dienaren worden geïnd. Zo zullen zij volledig gezuiverd worden en zal er geen enkele schuld meer overblijven. Vervolgens zal een stem vanuit het Paradijs hen oproepen.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/57, 63 en 74)
Volgens ons betekent de hadīth: “De mu’mins zullen van het vuur worden gered” dat zij de Sirāt boven de Hel zullen passeren en niet, of slechts in geringe mate, door de vlammen worden geraakt. Daarna verschilt de toestand van iedere mu’min afhankelijk van zijn daden en (de sterkte van) zijn geloof (īmān).
Volgens Muqātil zullen de mu’mins, nadat zij de Sirāt hebben gepasseerd, op een Brug tussen het Paradijs en de Hel worden tegengehouden. Daar zullen zij de laatste openstaande rechten onderling vereffenen en elkaar vrijspreken. Daarna zullen zij ook deze brug passeren en het Paradijs binnengaan. Daar zullen zij worden ontvangen door Riḍwān, de leider van de engelen die belast is met het Paradijs, en zijn helpers. Zij zullen zeggen: “Salāmun ʿalaykum. Verheug jullie, dit is een blijde tijding voor jullie! Treed het Paradijs binnen. Vanaf nu zullen jullie hier nooit meer uitgaan.”
Ad-ad-Dāraquṭnī vermeldt een hadīth waarin staat dat de mu’mins na het passeren van de Sirāt direct het Paradijs zullen binnengaan. Volgens ons kan dit betekenen: nadat zij ook de hierboven genoemde tweede brug zijn gepasseerd. De hadīth over deze tweede brug wordt immers genoemd door Imām al-Bukhārī. Allāh weet het het beste.
De mu’mins van wie ad-ad-Dāraquṭnī zegt dat zij zonder te wachten bij deze tweede brug rechtstreeks het Paradijs zullen binnengaan, zouden degenen kunnen zijn die zonder afrekening het Paradijs betreden of degenen die shafāʿah ontvangen. Op dit onderwerp zullen wij later terugkomen.
In een authentieke hadīth zegt Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Degenen die het verdienen om het Paradijs binnen te gaan, zullen worden tegengehouden tussen het Paradijs en de Hel en zij zullen ter verantwoording worden geroepen voor wat zij aan overschotten bezaten.”
Tussen deze hadīth en de voorgaande bestaat geen tegenstrijdigheid. Het enige verschil is datgene waarvoor zij ter verantwoording worden geroepen. Dit betekent dat de toestand van iedere mu’min niet gelijk is.
وَيُدۡخِلُهُمُ ٱلۡجَنَّةَ عَرَّفَهَا لَهُمۡ ٦
En Hij doet hen het Paradijs binnengaan dat Hij aan hen bekend heeft gemaakt.
(Muḥammad, 47: 6)
Volgens sommige geleerden duidt deze āyah erop dat de mu’mins in het Paradijs verschillende graden zullen hebben. Dat wil zeggen: iedere mu’min zal, overeenkomstig (de mate van) zijn īmān en zijn daden, een eigen rang en positie hebben.
Voor de vastenden is er een speciale behandeling. Voor degenen die de Jumʿah-ṣalāh niet verwaarloosden, zijn er specifieke zegeningen. Met andere woorden: de plaats van iedere mu’min is reeds vooraf bepaald. De engelen die belast zijn met het Paradijs zullen de mu’mins begeleiden en ieder naar zijn eigen specifieke verblijfplaats brengen.
De hadīth van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) wijst hier eveneens op. Allāh weet het het beste.
4.12: De persoon met tawhid-geloof (dus een mu’min) die de Hel binnengaat, schade van het vuur ondervindt, maar door voorspraak (shafā`ah) opnieuw daaruit zal worden gehaald
Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Degenen die het verdienen om voor altijd in de Hel te blijven (dat wil zeggen: degenen in wier harten geen enkel greintje īmān aanwezig is) zullen daar niet sterven. Zij zullen niet sterven en vervolgens opnieuw tot leven worden gebracht.
Daarnaast zijn er mensen die, (ondanks dat zij īmān bezitten), vanwege bepaalde zonden of fouten het Hellevuur binnengaan. Zij zullen daar sterven (tot as verbranden). Vervolgens zal Allāhu Taʿālā hun shafāʿah schenken, of Hij zal degenen die bevoegd zijn tot shafāʿah toestaan om voor hen te bemiddelen.
Daarna zullen zij in groepen worden samengebracht en in de rivieren van het Paradijs worden geworpen. Vervolgens zal tegen de bewoners van het Paradijs worden gezegd: “Kom en reinig jullie broeders.”
Daarop zullen zij opnieuw tot leven komen, zoals planten uit de aarde ontspruiten.” (Muslim, 3/37; Ibn Mājah, 4009; Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/5 en 11)
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hoedde in zijn jeugd schapen. Daarom wordt in de hadīth als voorbeeld het in groepen bijeenbrengen genoemd, zoals kudde schapen naar het water worden geleid.
Voor degenen die voor altijd in de Hel zullen blijven, is er geen dood. Wanneer hun lichamen door het vuur zijn verteerd, zullen zij opnieuw worden geschapen.
Voor de zondige mu’mins daarentegen is er wel een vorm van dood. Deze dood is een barmhartigheid, omdat hij hen bevrijdt van het eeuwige en ondraaglijke vuur van de Hel. Door de hevigheid van de bestraffing zullen zij sterven zoals men in het wereldse leven werkelijk sterft. Daarmee hebben zij hun straf ondergaan en worden zij niet verder door de bestraffing getroffen. Voor degenen die eeuwig in de Hel blijven, is er echter geen dood en geen ontsnapping:
إِنَّ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ بِـَٔايَٰتِنَا سَوۡفَ نُصۡلِيهِمۡ نَارٗا كُلَّمَا نَضِجَتۡ جُلُودُهُم بَدَّلۡنَٰهُمۡ جُلُودًا غَيۡرَهَا لِيَذُوقُواْ ٱلۡعَذَابَۗ إِنَّ ٱللَّهَ كَانَ عَزِيزًا حَكِيمٗا ٥٦
Zeker!
Degenen die niet in Onze Tekenen geloven, zullen Wij in het vuur verbranden en iedere keer als hun huid geroosterd is, zullen Wij hun huid vervangen, zodat zij de bestraffing zullen proeven. Waarlijk, Allāh is" Almachtige, Alwijs. (Nisā’, 4:56)
Sommige geleerden zijn van mening dat de hier genoemde dood niet letterlijk begrepen moet worden, maar figuurlijk. Daarmee bedoelen zij dat deze mensen in een toestand terechtkomen waarin zij de bestraffing niet meer waarnemen. Doordat hun lichamen verbrand en aangetast zijn, verliezen zij hun vermogen om waar te nemen en te voelen, waardoor zij de bestraffing niet langer ervaren.
Volgens hen geldt dit echter uitsluitend voor de zondige mu’mins. Voor degenen die voor altijd in de Hel verblijven, is er geen sprake van een dergelijke verlichting.
Zij onderbouwen dit met de toestand van slaap: hoewel een mens in zijn slaap niet werkelijk sterft, neemt hij de gebeurtenissen om zich heen niet waar. Zo zouden de mu’mins, nadat zij enige tijd bestraft zijn, in een toestand raken die lijkt op slaap, gevoelloos en zonder waarneming.
ٱللَّهُ يَتَوَفَّى ٱلۡأَنفُسَ حِينَ مَوۡتِهَا وَٱلَّتِي لَمۡ تَمُتۡ فِي مَنَامِهَاۖ فَيُمۡسِكُ ٱلَّتِي قَضَىٰ عَلَيۡهَا ٱلۡمَوۡتَ وَيُرۡسِلُ ٱلۡأُخۡرَىٰٓ إِلَىٰٓ أَجَلٖ مُّسَمًّىۚ إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَأٓيَٰتٖ لِّقَوۡمٖ يَتَفَكَّرُونَ ٤٢
Het is Allāh Die de zielen afvoert bij het intreden van de dood, alsook (de zielen) van de levenden die (tijdelijk) slapen.
(Dan) houdt Hij de zielen achter waarvoor Hij de dood heeft bepaald, en stuurt de rest voor een vastgestelde termijn terug (naar hun levenloze lichamen om te kúnnen ontwaken)." Waarlijk, hierin zijn Tekenen voor mensen die diep nadenken. (Zumar, 39:42)
Anderen verklaren dat hiermee een toestand van bewusteloosheid wordt bedoeld:
وَنُفِخَ فِي ٱلصُّورِ فَصَعِقَ مَن فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَمَن فِي ٱلۡأَرۡضِ إِلَّا مَن شَآءَ ٱللَّهُۖ ثُمَّ نُفِخَ فِيهِ أُخۡرَىٰ فَإِذَا هُمۡ قِيَامٞ يَنظُرُونَ ٦٨
En er zal op de bazuin geblazen worden, waarop alles wat in de hemelen en op aarde is zal bezwijken, behalve (voor) wie Allāh wil (dat deze blijft leven). Dan zal er een tweede maal geblazen worden en dan zullen zij staan en wachten. (Zumar, 39:68)
Dat wil zeggen: de zondige mu’mins zullen door de hevigheid van de bestraffing het bewustzijn verliezen, en daarmee zal hun bestraffing tot een einde komen.
Degenen die deze laatste opvatting verdedigen, geven de toestand van Mūsā (عليه السلام) als voorbeeld. Mūsā (عليه السلام) vroeg om Allāhu Taʿālā te mogen zien. Daarop manifesteerde Allāhu Taʿālā Zich aan een berg; de berg werd tot gruis verbrijzeld en Mūsā (عليه السلام) viel door de hevigheid van de gebeurtenis neer en verloor het bewustzijn. Maar hij stierf niet.
وَلَمَّا جَآءَ مُوسَىٰ لِمِيقَٰتِنَا وَكَلَّمَهُۥ رَبُّهُۥ قَالَ رَبِّ أَرِنِيٓ أَنظُرۡ إِلَيۡكَۚ قَالَ لَن تَرَىٰنِي وَلَٰكِنِ ٱنظُرۡ إِلَى ٱلۡجَبَلِ فَإِنِ ٱسۡتَقَرَّ مَكَانَهُۥ فَسَوۡفَ تَرَىٰنِيۚ فَلَمَّا تَجَلَّىٰ رَبُّهُۥ لِلۡجَبَلِ جَعَلَهُۥ دَكّٗا وَخَرَّ مُوسَىٰ صَعِقٗاۚ فَلَمَّآ أَفَاقَ قَالَ سُبۡحَٰنَكَ تُبۡتُ إِلَيۡكَ وَأَنَا۠ أَوَّلُ ٱلۡمُؤۡمِنِينَ ١٤٣
En toen Mozes op de aangewezen tijd en plaats bij Ons kwam en zijn Heer tot hem sprak, zei hij: “O, mijn Heer! Toon mij U, zodat ik U kan zien.” Allāh zei: “Je zult Mij nimmer (kunnen) zien, maar kijk naar de berg, als deze stil op zijn plaats blijft staan, dan zul je Mij zien.” Dus toen zijn Heer zich aan de berg openbaarde, liet Hij deze instorten en tot stof vergaan, en Mozes viel bewusteloos neer. Toen hij weer bijkwam, zei hij: “Verheerlijkt bent U, ik wend mij tot U in berouw en ik ben de eerste onder de mu’mins.” (A`rāf, 7:143)
Men zou zich kunnen afvragen: als zij de bestraffing uiteindelijk toch niet zullen voelen, waarom zullen zij dan de Hel binnengaan? Hierin schuilt een wijze les en een duidelijke waarschuwing voor de mu’mins. Zij zullen de Hel binnengaan en de verschrikking en de bestraffing met eigen ogen aanschouwen.
Er zijn dus twee soorten mu’mins die de Hel zullen binnengaan:
De eerste groep zal de Hel binnengaan en er vervolgens weer uitkomen zonder de bestraffing werkelijk te voelen.
Hun zonden zijn niet zodanig zwaar dat zij volledige verbranding in het vuur verdienen. Of, zij zullen ondanks hun zonden, door middel van de shafāʿah en door de barmhartigheid van Allāh worden gered. Deze behandeling dient als een wijze les en een waarschuwing, zodat zij de barmhartigheid van Allāh werkelijk zullen beseffen.
De tweede groep bestaat uit de zondige mu’mins, van wie de Weegschaal licht weegt. Sommigen van hen zullen eveneens door shafāʿah en de barmhartigheid van Allāh worden gered. Anderen zullen, naar verhouding van hun zonden, bestraffing in de Hel ondergaan. Maar uiteindelijk zullen ook zij uit de Hel worden gehaald en het Paradijs binnengelaten.
4.13: Zij die op weg naar de Hel waren, maar van de Hel gered worden. Dit zijn de zondige mu’mins die in het wereldse leven goede daden hebben verricht. Zij zijn degenen die door de barmhartigheid van Allāh en door shafāʿah gered zullen worden.
Abū Ḥāmid al-Ghazālī vermeldt van Anas (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:
“Op Yawmu’l Qiyāmah zal een man uit het Paradijs naar degenen in de Hel verblijven komen kijken.
Iemand uit de Hel zal hem toeroepen: ‘O jij daar! Herken je mij?’
De man uit het Paradijs zal zeggen: ‘Nee, ik herken je niet. Wie ben je?’
De man in de Hel zal zeggen: ‘Weet je het niet meer? Op een dag in de wereld kwam jij naar mij en vroeg mij om water. Ik heb jou toen water gegeven.’
De man uit het Paradijs zal zeggen: ‘Nu herinner ik het mij.’
Daarop zal de man in de Hel zeggen: ‘Wees alstublieft mijn bemiddelaar (shafāʿah), zodat ik hieruit gered word.’
Vervolgens zal de man uit het Paradijs tot Allāhu Taʿālā zeggen: ‘O mijn Rab, ik zag vandaag iemand in de Hel. Hij vroeg mij of ik hem herkende. Ik vroeg hem wie hij was. Hij zei dat hij degene was die mij in de wereld water had gegeven en hij vroeg mij om shafāʿah.’
Daarop zal Allāhu Taʿālā voor deze dienaar shafāʿah toestaan en de man zal uit de Hel worden gehaald.” Allāh weet het het beste.
4.14: De kwestie van wie voorspraak (shafāʿah) zal doen voor hen die de Hel binnengaan. Resulullah (صلى الله عليه وسلم) is een van de vijf personen met een speciale shafāʿah-recht. Over wie na shafāʿah in de Hel zal blijven.
Van ʿUthmān ibn ʿAffān (رضي الله عنه), de derde Rechtgeleide Khaliefah, Resulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah zijn er drie (groep) mensen die het recht hebben op shafāʿah: anbiyā’, geleerden en martelaren.” (Ibn Mājah, 4313)
Abū ʿUmar ʿUthmān ibn Aḥmad, bekend als Ibn al-Sammāk, zegt: … van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه): Onze Nabī (صلى الله عليه وسلم) is een van de vijf speciale personen aan wie het recht van voorspraak is verleend. De anderen zijn: Jibrīl (عليه السلام), Ibrāhīm (عليه السلام), Mūsā (عليه السلام) en ʿĪsā (عليه السلام). Daarna krijgen andere engelen toestemming om shafāʿah te verrichten. Vervolgens wordt shafāʿah toegestaan voor (andere) anbiyā’, daarna voor de geleerden en vrienden van Allāh, en vervolgens voor de martelaren. Daarna wordt tegen degenen die in de Hel achterblijven gezegd:
مَا سَلَكَكُمۡ فِي سَقَرَ ٤٢ (Zij zeggen:) “Wat heeft hen naar de Hel gevoerd?”
قَالُواْ لَمۡ نَكُ مِنَ ٱلۡمُصَلِّينَ ٤٣ Zij zullen zeggen: “Wij waren niet onder degenen die hun gebeden (salawā) verrichten.
وَلَمۡ نَكُ نُطۡعِمُ ٱلۡمِسۡكِينَ ٤٤ Noch plachten wij de armen te voeden. (Mudaththir, 74-42-44)
فَمَا تَنفَعُهُمۡ شَفَٰعَةُ ٱلشَّٰفِعِينَ ٤٨ Dus is geen bemiddeling of geen bemiddelaar voor hen van enig nut. (Mudaththir, 74-48)
ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه) zegt: “Dit zijn degenen die als laatste in de Hel zullen blijven.”
De auteur (al-Qurtubī) رَحِمَهُ اللهُ zegt: “Zoals eerder vermeld, dit is Maqām al-Maḥmūd.”
Abū Dāwūd heeft het volgende overgeleverd: … van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه), Resulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer Allāhu Taʿālā shafāʿah toestaat, gaat eerst Rūḥ al-Qudūs, Jibrīl (عليه السلام), naar voren.
Daarna komt Ibrāhīm (عليه السلام) voor shafāʿah. Vervolgens krijgen Mūsā (عليه السلام) en ʿĪsā (عليه السلام) toestemming voor shafāʿah. Uiteindelijk wordt an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) shafāʿah toegestaan. Deze vijf hebben een speciale shafāʿah-recht. Niemand die daarna shafāʿah verricht, heeft zo’n uitgebreide bevoegdheid.
Daarna zullen de geleerden en martelaren shafāʿah verlenen, maar het aantal dat zij redden, zal minder zijn dan het aantal dat deze vijf redden.”
Van ʿAbdullāh ibn Abī’l-Jūdʿā (رضي الله عنه): Ik hoorde van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم):“Van mijn ummah zal het aantal dat door shafāʿah uit de Hel wordt gered en naar het Paradijs binnengaat, groter zijn dan het aantal (leden) van de stam van Tamīm.” (at-Tirmiḏī , 2433) Deze hadīth is ḥasan en ook op andere gronden ṣaḥīḥ. Maar Ibn Abi'l-Jud'â heeft geen andere ḥadīth hierover overgeleverd.
De auteur (al-Qurtubī) رَحِمَهُ اللهُ vermeldt dat al-al-Bayhaqī in zijn werk Dalāʾil al-Nubuwwah de volgende ḥadīth heeft overgeleverd: … van Abū Umāmah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Van mijn ummah zal slechts zoveel personen door shafāʿah het Paradijs binnengaan als het aantal leden van de stammen Mudar en Rabiʿah.”
Van Abû Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Sommige mensen van mijn ummah hebben het recht om shafāʿah te verrichten voor een gemeenschap. Anderen kunnen shafāʿah verrichten voor een stam. Sommigen voor een familie, en weer anderen voor een enkel individu.
Degenen voor wie zij shafāʿah verrichten, zullen het Paradijs binnengaan.” (at-Tirmiḏī , 2440; Aḥmad b. Ḥanbal, 4/212) Volgens at-Tirmiḏī is deze ḥadīth ḥasan.
al-Bazzār overlevert in zijn Musnad, via Sabītī, een andere hadīth van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een mu’min (die geen zonden heeft of wiens goede daden zwaarder wegen op de Weegschaal) kan shafāʿah verrichten voor twee of drie (andere zondige) mu’mins.”
Qāḍī `Iyāḍ meldt, bij het bespreken van shafāʿah en met verwijzing naar Kabʾī, dat iedere saḥābī, dus iedereen die in het gezelschap van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was, het recht op shafāʿah heeft.
Ibn Mubārak heeft de volgende ḥadīth overgeleverd met vermelding van ʿAbdurrahmān ibn Yazīd ibn Jābir (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er is iemand uit mijn ummah genaamd Silā bin ʿAshyam, op Yawmu’l Qiyāmah zullen die en die mensen door zijn shafāʿah het Paradijs binnengaan.”
Hier kan de vraag rijzen: hoe kan shafāʿah mogelijk zijn voor iemand die zich in de Hel bevindt? Volgens de Qurʾān zegt Allāhu Taʿālā:
رَبَّنَآ إِنَّكَ مَن تُدۡخِلِ ٱلنَّارَ فَقَدۡ أَخۡزَيۡتَهُۥۖ وَمَا لِلظَّٰلِمِينَ مِنۡ أَنصَارٖ ١٩٢
Onze Heer! Waarlijk, degenen die U naar het Hellevuur verwijst, heeft U waarlijk vernederd en nooit zullen de onrechtvaardigen helpers vinden. (Al-i ʿImrān, 3:192)
يَعۡلَمُ مَا بَيۡنَ أَيۡدِيهِمۡ وَمَا خَلۡفَهُمۡ وَلَا يَشۡفَعُونَ إِلَّا لِمَنِ ٱرۡتَضَىٰ وَهُم مِّنۡ خَشۡيَتِهِۦ مُشۡفِقُونَ ٢٨
Hij weet wat vóór hen is en wat achter hen is en zij kunnen niet bemiddelen voor Hem behalve met degene waar Hij tevreden mee is. En zij hebben ontzag en vrees voor Hem. (anbiyā’, 21:28)
۞ وَكَم مِّن مَّلَكٖ فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ لَا تُغۡنِي شَفَٰعَتُهُمۡ شَيۡـًٔا إِلَّا مِنۢ بَعۡدِ أَن يَأۡذَنَ ٱللَّهُ لِمَن يَشَآءُ وَيَرۡضَىٰٓ ٢٦
En er zijn vele Engelen in de hemel wier bemiddeling niets baat, behalve nadat Allāh toestemming geeft voor wie Hij wil en voor wie Hem behaagt. (Najm, 53:26)
Uit deze āyāt kan worden afgeleid dat Allāh degenen met wie Hij tevreden is niet in het Hellevuur zal doen binnengaan. Hieruit zou men kunnen begrijpen dat degenen die het Hellevuur betreden, degenen zijn met wie Allāh niet tevreden is.
Volgens de Muʿtazilah kan iemand die eenmaal in de Hel terechtkomt daar niet meer uit ontsnappen en is shafāʿah voor hen niet mogelijk.
De geleerden van Ahl as-Sunnah zijn daarentegen tot de volgende conclusie gekomen door niet slechts één āyah, maar alle āyāt en ahadīth gezamenlijk in overweging te nemen: shafāʿah is mogelijk voor zondige mu’mins, mits zij vasthouden aan de islamitische geloofsovertuiging. En shafāʿah is alleen mogelijk met de toestemming van Allāh.
De eerste genoemde āyah betreft de eeuwige bewoners van de Hel: kāfirs, hypocrieten en de Ahl al-Kitāb. Voor hen is shafāʿah niet mogelijk; zelfs als het geprobeerd wordt, zal het geen effect hebben. Het beloofde van Allāh blijft onwrikbaar. In de beloften en wetten van Allāh vindt geen verandering plaats. Saʿīd ibn al-Musayyib en Qatādah waren deze mening ook toegedaan. Met de āyah 192 in surah Al-i ʿImrān (zie hierboven) “en nooit zullen de onrechtvaardigen helpers vinden” worden eveneens de kāfirs bedoeld, dat wil zeggen degenen die eeuwig in de Hel zullen verblijven.
De woorden of ‘khizy’ in de Qurʾān (Al-i ʿImrān, 3:192) verwijzen naar de ‘vernietiging’ van de kāfirs. Dus de kāfirs zullen een slecht einde hebben omdat zij eeuwig in de Hel zullen blijven. Voor mu’mins die in de Hel komen, is het een “beschamende” toestand. Hieruit volgt dat zondige mu’mins niet vernietigd zullen worden. Hun einde zal niet zijn zoals dat van de kāfirs. Nadat zij uit de Hel zijn gehaald, zal Allāh hen vergeven; Hij zal hun hun tekortkomingen niet opnieuw verwijten en hun zonden niet meer in herinnering brengen.
… يَوۡمَ لَا يُخۡزِي ٱللَّهُ ٱلنَّبِيَّ وَٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ مَعَهُ …
…op de Dag waarop Allāh de Profeet en degenen die met hem geloven niet zal vernederen…(Tahrīm, 66:8)
Het woord "khizy" in de āyah betekent dat er geen bestraffing over hen zal komen.
… يَوۡمَ لَا يُخۡزِي ٱللَّهُ ٱلنَّبِيَّ وَٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ مَعَهُ …
…op de Dag waarop Allāh de Profeet en degenen die met hem geloven niet zal vernederen…(Tahrīm, 66:8)
Het woord "khizy" in de āyah betekent dat er geen bestraffing over hen zal komen. Degene die de waarheid kent is Allāh.
4.15: De overige shafā`ah-plichtigen. De toestand van de inwoners van de Hel
Ibn al-Mubārak … van `Abdullah bin Amr bin `al-ʿĀṣ (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Vasten (in de maand Ramadā) en de Qur’ān zullen op Yawmu’l Qiyāmah voorspraak doen voor een dienaar. De vasten zegt: ‘O mijn Rab! Ik heb deze dienaar overdag onthouden van eten, drinken en (sexuele) begeerte. Doet U ook voorspraak voor deze dienaar.’ De Qur’ān zegt: ‘Ik heb deze dienaar verhinderd om ’s nachts te slapen. Doet U ook voorspraak voor deze dienaar. Op die manier wordt hem voorspraak gedaan. (Aḥmad b. Ḥanbal, 2/174)
Van Abû Sa`īd al-Khudrî (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Nadat de mu’mins uit de Hel zijn gered, zal de strengste behandeling van Allāh gericht zijn op de mu’mins in de Hel die nog rechten van andere dienaren op zich hebben.”
(Muslim 3/25-28; Nasāʾī 8/112-114; Aḥmad b. Ḥanbal, 3/94)
Van Abû Sa`īd al-Khudrî (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De bewoners van het Paradijs zullen Allāh dringend (met volharding) smeken voor hun mu’min broeders in de Hel: ‘O onze Rab! Zij hebben samen met ons ṣalāh verricht, gevast en de Haj verricht.’ Vervolgens zegt Allāh tegen de mu’mins: ‘Haal dan jullie bekenden uit de Hel.’ De vasten van deze mensen, heeft verhinderd dat de Hel hen zou verzwelgen. Zo zullen veel mensen die tot aan hun enkels of knieën in het vuur van de Hel zijn gezonken, gered worden. Uiteindelijk zullen de mu’mins die het recht hebben om shafā`ah te mogen doen zeggen: ‘O onze Rab! Wij hebben gehandeld zoals U ons beval. Niemand van degenen die we kenden, die ṣalāh verrichtten en vastten, is achtergebleven.’
Daarna geeft Allāh het bevel: ‘Ga opnieuw en haal jullie bekenden met een halve dīnār aan goedheid/ īmān uit de Hel.’
Zo worden opnieuw veel mensen gered.
Vervolgens geven de mu’mins aan: ‘O onze Rab! We hebben ook deze opdracht uitgevoerd; niemand met een halve dīnār aan goedheid/īmān bleef achter.’
Allāhu Ta’ālā, geeft dan het bevel: ‘Ga nu, doorzoek de Hel opnieuw, en breng ook degene terug die in zijn hart zelfs maar een greintje goedheid/ īmān heeft.
Mu’mins voeren de opdarcht uit.Zo worden nog meer mensen gered. Uiteindelijk zullen de mu’mins zeggen: ‘O onze Rab! Er is nu niemand met ook maar een greintje goedheid/ īmān in zijn hart achtergebleven in de Hel.” (İbni Mâjah, 60)
Abû Sa`īd al-Khudrî zei: “Als deze ḥadīth je nog niet volledig overtuigt, lees dan de āyah:
إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَظۡلِمُ مِثۡقَالَ ذَرَّةٖۖ وَإِن تَكُ حَسَنَةٗ يُضَٰعِفۡهَا وَيُؤۡتِ مِن لَّدُنۡهُ أَجۡرًا عَظِيمٗا ٤٠
Zeker! Allāh doet zelfs geen kwaad ter grote van een atoom, maar als er iets goeds gedaan wordt,verdubbelt Hij het en geeft Hij een grote beloning. (Nisā, 4:40)
Abû Sa`īd al-Khudrî vervolgt: “Uiteindelijk zal Allāh zeggen: ‘De engelen hebben shafā`ah gedaan. De anbiyā’ hebben shafā`ah gedaan. Daarna is het aan alle mu’mins toestemming gegeven om shafā`ah te doen. Maar Ikzelf heb nog geen shafā`ah gedaan.’ Vervolgens zal Allāh een vuur van de Hel nemen en dit op mu’mins leggen die geen enkele goedheid hebben. Deze mu’mins zullen uiteenvallen zoals een musje. Daarna zal Allāh deze mu’mins in het water van de ‘Levensrivier’ plaatsen. Zij zullen opnieuw tot leven komen, en de schade die de Hel hen heeft toegebracht, zal verdwijnen, zoals groene grassprieten uit de aarde tevoorschijn komen.” Ook al‑Bukhârî vermeldt deze passages.
Zo zullen ook mu’min dienaren die geen enkele daad van goedheid hebben maar geloof (īmān) in hun hart dragen, door de genade van Allāh uit de Hel worden gered en het Paradijs binnentreden.
Hatali, Abû’l-Kasım İshak bin İbrahim bin Muhammed vermeldt in zijn werk Dibaj, … van Ibn `Abbās (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer Allāh op Yawmu’l Qiyāmah het definitieve oordeel over de mensen heeft geveld, zal Hij van onder Zijn Troon (`Arsh) een geschrift tevoorschijn halen. Daarin staat: ‘Mijn barmhartigheid heeft Mijn toorn overwonnen. Ik ben barmhartiger en liefdevoller dan ieder ander die barmhartig en liefdevol is.’ Vervolgens zal Hij nog eens evenveel mensen als er bewoners van het Paradijs zijn uit het Hellevuur halen en hen in het Paradijs plaatsen.”
In een andere overlevering staat: “Door middel van dit geschrift zal een aantal dienaren dat tweemaal zo groot is als degenen voor wie het Paradijs reeds is vastgesteld, uit het Hellevuur worden gered.”
Uit deze ḥadīth begrijpen wij dat het geloof (īmān) kan toenemen en afnemen. Dit hebben wij ook vermeld bij de uitleg van surah Āl ʿImrān. Met het woord ‘khayr’ (goedheid) dat in de bovengenoemde ḥadīth voorkomt, wordt īmān bedoeld. In de ḥadīth wordt gesproken over īmān ter grootte van een dīnār, een halve dīnār of zelfs een greintje.
In de overlevering van Qatādah en Maʿbad bin Hilāl, van Anas (رضي الله عنه), wordt in plaats van ‘khayr (goedheid)’ het woord ‘īmān’ gebruikt. Volgens deze overlevering zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “(Op Yawmu’l Qiyāmah ) zal ik zeggen: ‘Mijn ummah, mijn ummah (zij vragen om shafā`ah).’
Daarop zal Allāh zeggen: ‘Ga en haal degene uit het Hellevuur in wiens hart een mosterdzaadje aan īmān is.’
En ik zal dit bevel uitvoeren.”
Deze ḥadīth is lang en is overgeleverd door Muslim.
Dat het woord ‘goedheid’ wordt gebruikt in plaats van īmān komt doordat goede daden en het vervullen van verplichtingen wijzen op een sterk en zuiver īmān. In een āyah staat:
… وَمَا كَانَ ٱللَّهُ لِيُضِيعَ إِيمَٰنَكُمۡۚ .. En Allāh zal jullie geloof (īmān) nooit verloren laten gaan… (Baqarah, 2:143) Hiermee wordt in werkelijkheid de ṣalāh bedoeld.
Volgens een geleerde wordt in de bovengenoemde hadīth bedoeld dat het om het hart van de dienaar gaat, dat wil zeggen: om de goede intentie van de persoon. Dit is ook de betekenis die wordt uitgedrukt in de hadīth: “Daden worden beoordeeld naar intenties.” Als een dienaar geen enkele goede daad heeft verricht, wordt naar zijn hart gekeken. Als het hart zuiver is (dat wil zeggen dat er īmān in aanwezig is) en hij heeft geen kans gehad om goede daden te verrichten maar is van nature een goed mens met andere woorden, als zijn hart geneigd is tot goedheid, dan zal Allāhu Taʿālā hem barmhartigheid en vergiffenis schenken.
Het bewijs voor de zuiverheid van het hart en de rechtschapenheid van een mens is vrees voor Allāh. Wanneer in een hart vrees voor Allāh aanwezig is, wanneer iemand berouw heeft over zijn zonden en verdriet voelt omdat hij geen goede daden heeft verricht of verplichtingen niet heeft nagekomen, dan bevindt zich īmān in dat hart. Allāh zal de īmān van Zijn dienaar nooit onbeantwoord laten. Wie īmān in zijn hart heeft, zal uiteindelijk het Paradijs binnengaan. Dat hij eventueel eerst gestraft wordt, behoort tot de beschikking van Allāh. Allāh kan, als Hij wil, de bestraffing verminderen of volledig wegnemen.
Zoals eerder vermeld: zelfs als een kāfir goede daden heeft verricht, kan Allāh zijn dood vergemakkelijken als vergelding voor zijn goede daden, of zijn bestraffing in het Hellevuur enigszins verminderen. Als dit al geldt voor een kāfir, dan is het des te aannemelijker voor een mu’min.
Het belangrijkste punt hier is het volgende: de Wil van Allāh (absolute, eeuwige en almachtige Wil die alles bepaalt) is geneigd naar het goede van de dienaar. Dat wil zeggen: er is een goddelijke Wil om de bestraffing van de dienaar te verlichten of om zijn goede daden te vermeerderen.
Er is geen goddelijke Wil om zijn slechte daden te vermeerderen of zijn goede daden te verminderen.
Met īmān wordt het geloof in at-Tawḥīd bedoeld. At-Tawḥīd betekent zich verre houden van elke vorm van shirk. Het betekent oprecht en met overtuiging ‘Lā ilāha illa Allāh’ zeggen.
Hasan al-Basrī heeft, aanvullend op de ḥadīth van hierboven van Anas (رضي الله عنه), nog de volgende ḥadīth vermeld: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vervolgde in de ḥadīth over de shafāʿah en zei: “Ik zal voor de vierde keer voor Allāh verschijnen. Nadat ik Hem heb geprezen en verheerlijkt, zal ik in sujūd ter aarde vallen.
Vervolgens zal Allāh tegen mij zeggen: ‘Hef je hoofd op, o Muhammad! Vraag wat je wilt, het zal je gegeven worden. Vraag om shafāʿah en jouw shafāʿah zal aanvaard worden.’
Ik zal zeggen: ‘O mijn Rab! Ik vraag om toestemming tot shafāʿah voor iedereen die ‘Lā ilāha illa Allāh’ heeft gezegd.’ Daarop zal Allāh zeggen: ‘Nee! Dat recht behoort jou niet toe. Bij Mijn Macht en bij Mijn overige Eigenschappen: degenen die ‘Lā ilāha illa Allāh’ hebben gezegd (maar geen enkele andere goede daad hebben), zal Ík uit het Hellevuur halen.”
Abubakr al-al-Bazzār vermeldt in zijn Musnad, van Abû Saʿid al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voor degenen die voor altijd in het Hellevuur zullen blijven is er geen dood en geen nieuw leven. Maar voor degenen die Allāh uit het Hellevuur wil halen, is er wel dood. Zij zullen sterven en vergaan. Daarna zullen zij, met goddelijke toestemming, uit het Hellevuur worden gehaald en in de ‘Levensrivier’ worden geworpen. Het water van deze rivier zal hen raken en zij zullen groeien/tot leven komen en ontkiemen zoals gras of gewas uit de aarde.
Uiteindelijk zullen zij het Paradijs binnentreden. De bewoners van het Paradijs zullen hen ‘degenen die uit het Hellevuur zijn gekomen’ noemen. Daarop zullen deze mensen hierover bij Allāh klagen. Vervolgens zal Allāh verbieden dat zij nog langer ‘degenen die uit het Hellevuur zijn gekomen’ worden genoemd.”
Van Anas (رضي الله عنه), Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er zijn mensen die, nadat zij in het Hellevuur bestraft zijn, daaruit zullen worden gehaald en het Paradijs zullen binnengaan. De bewoners van het Paradijs zullen hen ‘degenen die uit het Hellevuur zijn gekomen’ noemen.” (al-Bukhārī 11/416; Abū Dāwūd 4716; Ibn Mājah 4315; Aḥmad ibn Ḥanbal 3/133)
Van de sahābī, ʿImrān ibn Husayn (رضي الله عنه), an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er zijn mensen die door mijn shafāʿah uit het Hellevuur zullen worden gehaald en het Paradijs zullen binnentreden. Zij zullen ‘degenen die uit het Hellevuur zijn gekomen’ worden genoemd.” (at-Tirmiḏī 2600)
Van Anas (رضي الله عنه), an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Mijn voorspraak is voorbehouden aan degenen uit mijn ummah die grote zonden hebben begaan.” (at-Tirmiḏī 2435)
Abū Muhammad ʿAbdulhaq heeft dezelfde ḥadīth overgeleverd. Ook Jābir (رضي الله عنه) heeft deze ḥadīth overgeleverd. (Abū Dāwūd 4715; Aḥmad ibn Ḥanbal 3/213)
Dāraqutnī vermeldt, van Abū Umāmah (رضي الله عنه), an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ja, ik zal bij de slechten van mijn ummah zijn.”
Toen de sahābah vroegen: “En hoe zit het met de goeden?”, antwoordde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “De goeden van mijn ummah zullen door hun eigen daden het Paradijs binnengaan. De slechten zullen door mijn shafāʿah gered worden.” (Ibn Mājah 4311)
… Van Abū Mūsā al-Ashʿarī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu Taʿālā stelde mij voor de keuze: óf de helft van mijn ummah rechtstreeks het Paradijs binnen te laten, óf het recht op voorspraak (shafāʿah). Ik koos voor de shafāʿah. Want door de shafāʿah kan ik meer mensen het Paradijs binnenleiden. Denk niet dat ik shafāʿah zal doen voor de rechtschapen, Allāh-vrezende moslims. Nee. Ik zal mijn recht op shafāʿah gebruiken voor de mu’mins die fouten hebben gemaakt en zonden hebben begaan.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/75)
… VanʿAwf ibn Mālik al-Ashjaʿī (رضي الله عنه) heeft een vergelijkbare ḥadīth overgeleverd. Volgens deze overlevering vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Weten jullie wat Allāhu Taʿālā mij deze nacht heeft beloofd?”
De aanwezigen antwoordden:“Wij weten het niet. Allāh en Zijn Rasûl weten het beter.”
Hij zei: “Mij werd de keuze gegeven: de helft van mijn ummah het Paradijs binnen te leiden of het recht op shafāʿah. Ik koos voor de shafāʿah.”
Daarop zeiden zij: “O Rasûlullāh, verricht duʿāʾ zodat ook wij jouw shafāʿah mogen ontvangen.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Iedere mu’min zal mijn shafāʿah ontvangen.” (Ibn Mājah, 4317)
Als al deze aḥadīth niet voldoende zijn om iemand te overtuigen, dan is het nuttig om de volgende āyah te lezen:
إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَغۡفِرُ أَن يُشۡرَكَ بِهِۦ وَيَغۡفِرُ مَا دُونَ ذَٰلِكَ لِمَن يَشَآءُۚ وَمَن يُشۡرِكۡ بِٱللَّهِ فَقَدِ ٱفۡتَرَىٰٓ إِثۡمًا عَظِيمًا ٤٨
Waarlijk, Allāh vergeeft het niet als er naast Hem deelgenoten worden aanbeden, maar daarnaast vergeeft Hij wat Hij wil, en iedereen die Allāh deelgenoten toekent, heeft zeker een afschuwelijke zonde begaan. (Nisāʾ, 4:48)
In de overlevering van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) wordt vermeld dat degenen die uit de Hel zullen worden gered, een zegel van parel om hun hals zullen hebben. In de overlevering van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) wordt daarentegen verklaard dat het zegel zich op hun voorhoofden zal bevinden.
Hoewel dit op het eerste gezicht tegenstrijdig lijkt, is dat in werkelijkheid niet zo. Uit deze twee verschillende overleveringen begrijpen wij dat sommige mensen die later uit de Hel worden gered, herkenbaar zullen zijn aan hun schouders of hals, terwijl anderen herkenbaar zullen zijn aan hun gezichten. In de ḥadīth die door Jābir (رضي الله عنه) is overgeleverd, wordt eveneens vermeld dat degenen die op het laatste moment door shafāʿah uit de Hel worden gered, een zegel op hun hals zullen hebben en dat degenen die reeds eerder het Paradijs zijn binnengegaan hen aan dat zegel zullen herkennen.
Het woord “hals” in de ḥadīth kan echter ook als beeldspraak worden gebruikt om de gehele mens aan te duiden. In de āyah waarin gesproken wordt over het “vrijmaken van een hals” betekent dit het bevrijden van een mens. Eveneens duidt de uitdrukking “zijn hoofd redden” op het verkrijgen van vrijheid. In een ḥadīth zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Laat niemand het recht van Allāh vergeten dat rust op zijn hoofd en op zijn rug.”
Hiermee worden de verplichtingen en schulden bedoeld die op de mens rusten.
Wanneer wij dus de overleveringen van Abū Saʿīd al-Khudrī, Abū Hurayrah en Jābir (رضي الله عنهم) samen beschouwen, begrijpen wij dat degenen die eerder het Paradijs zijn binnengegaan, de mensen die later zullen binnentreden zullen herkennen aan de zegels op hun voorhoofden.
Er kan nog een andere vraag opkomen. De vasten, de ṣalāh en het lezen van de Qur’ān zijn geen zelfstandige wezens; zij bestaan uit de daden en handelingen van mensen. Hoe kunnen zij dan voorspraak doen?
Hier moet men begrijpen dat ook de daden en handelingen van de mens door Allāh zijn geschapen. Hoewel zij in onze beleving geen zelfstandige wezens zijn, bestaan zij wel degelijk. Allāhu Taʿālā zal hun in het Hiernamaals een concrete vorm geven. Zoals op Yawmu’l Qiyāmah onze organen, die in deze wereld niet spreken, zullen spreken, zo zullen ook onze daden en handelingen op die dag zichtbaar en tastbaar verschijnen.
In een ḥadīth wordt dit duidelijk verklaard:
“De Qur’ān zal op Yawmu’l Qiyāmah verschijnen in de gedaante van een mens (en tegen degene die hem reciteerde) zeggen: ‘Ik ben degene die jou ’s nachts wakker hield en overdag dorstig liet (en voorspraak doen)” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 5/352; Ibn Mājah, 3781)
Imām Muslim vermeldt dezelfde ḥadīth en verklaart dat hiermee de beloning bedoeld wordt die voortkomt uit het reciteren van de Qur’ān.( Muslim, 6/90)
Ook Nawwās ibn Samʿān (رضي الله عنه) heeft een ḥadīth met dezelfde betekenis overgeleverd: “Op Yawmu’l Qiyāmah zullen degenen die de Qur’ān reciteerden, degenen die ernaar handelden en de Qur’ān waarmee zij handelden (op het Mahshar-plein) naar voren worden gebracht. Als eerste zullen sūrah al-Baqarah en sūrah ĀliʿImrān worden gebracht.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 4/183)
Sommige van onze geleerden hebben verklaard dat voor degene die de āyah reciteert:
شَهِدَ ٱللَّهُ أَنَّهُۥ لَآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ وَٱلۡمَلَٰٓئِكَةُ وَأُوْلُواْ ٱلۡعِلۡمِ قَآئِمَۢا بِٱلۡقِسۡطِۚ لَآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ ٱلۡعَزِيزُ ٱلۡحَكِيمُ ١٨
Allāh getuigt dat er geen godheid is dan Hij, en de Engelen en degenen die kennis hebben getuigen ook; handhavende de rechtvaardigheid. Er is geen god dan Hij, de Almachtige, de Alwijze. (Āl ʿImrān, 3:18)
Allāh 70.000 engelen zal scheppen en dat deze engelen tot aan Yawmu’l Qiyāmah voor deze persoon istighfār (vergiffenis) zullen vragen.
Allāhu Taʿālā, Die bij machte is om voor één āyah 70.000 engelen te scheppen, is ook bij machte om de beloningen van de gereciteerde Qur’ān, de verrichte ṣalāh of de vasten op Yawmu’l Qiyāmah te scheppen in de vorm van een concrete, tastbare gestalte.
In de ḥadīth die is overgeleverd door Qays ibn ʿĀṣim al-Munqarī (رضي الله عنه) wordt dit duidelijk verwoord: “O Qays, je moet voor jezelf een metgezel voorbereiden die levend samen met jou in het graf begraven zal worden, terwijl jij dood bent. Als jij deze metgezel eerder goed hebt behandeld, zal hij jou ook in het graf goed behandelen. Als jij hem in de wereld nabijheid hebt getoond, zal hij jou in het graf nabij zijn. Hij zal niet zonder jou uit het graf opstaan, en jij zult niet zonder hem opstaan. Tijdens de afrekening zal hij bij jou komen en naast jou staan. Als deze metgezel goed is, zal hij jouw vriend zijn en jou helpen. Als hij niet goed is, dan is zijn angst alleen al voldoende voor jou.
Deze metgezel zijn jouw daden.”
In een ḥadīth die is overgeleverd door Ibn al-Jawzī wordt vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah zal het berouw (tawbah) van de dienaar in een mooie gedaante komen met een aangename geur om zich heen. Maar deze schoonheid zal alleen door de mu’min worden gezien, en de geur zal alleen de mu’mins bereiken. Daarop zullen de kāfirs tegen de mu’mins zeggen: ‘Waarom kunnen wij de aangename geuren die jullie ruiken niet ruiken? Waarom kunnen wij niet zijn zoals jullie? Waarom zien wij niet wat jullie zien?’
Daarop zal de tawbah tot de kāfirs spreken: ‘Omdat jullie in de wereld nooit bij mij in de buurt kwamen. Als jullie in de wereld bij mij waren geweest, dan hadden jullie nu kunnen zien wat de mu’mins zien.’
De kāfirs zullen dan zeggen: ‘Dan tonen wij nu ook berouw.’
Daarop zal een stem van achter de ʿArsh hen toespreken: ‘Beterschap! Wat een groot verlies! Want de kansen zijn voorbijgegaan. De tijd om berouw te tonen is voorbij. Als jullie in de wereld berouw hadden getoond, dan zouden jullie nu Mijn barmhartigheid hebben verkregen.’
Na deze toespraak zal de tawbah zich van de kāfirs afwenden. De engelen van barmhartigheid zullen zich eveneens van de kāfirs verwijderen. Vervolgens zal Allāhu Taʿālā tot de engelen van de bestraffing zeggen: ‘O wachters van de Hel, kom en neem deze vijanden van Allāh mee.” Moge Allāh ons bijstaan. Allāh weet het het beste.
4.16: Degenen die door shafāʿah worden gered, zullen te herkennen zijn aan de sporen van sujūd op hun voorhoofden en aan de verlichting van hun gezichten
Uit de eerder overgeleverde ḥadīth van Abū Saʿīd al-Hudrī (رضي الله عنه) begrijpen wij dat de mu’mins zullen zeggen: “Onze Rab! Zij waren onze broeders in de wereld. Wij vastten en verrichtten ṣalāh samen met hen. Wij hebben samen de Haj verricht.” Allāhu Taʿālā zal dan bevelen: “Ga en haal degenen die jullie kennen uit de Hel.”
In de ḥadīth overgeleverd door Abū Hurayrah (رضي الله عنه) wordt iets soortgelijks verteld, gevolgd door:
“Sommige mensen zullen in de Hel straf ondergaan totdat Allāhu Taʿālā het oordeel onder de dienaren heeft volbracht. Daarna zal Allāh, uit barmhartigheid jegens Zijn dienaren, degenen die in de Hel zijn maar wiens hart geen shirk of kufr bevat, willen redden. Daarop zal Hij de engelen bevelen dat degenen die ‘lā ilāha illallāh’ zeggen uit de Hel worden gehaald. De mu’mins zullen herkenbaar zijn aan de sporen van sujūd op hun voorhoofden, want het vuur van de Hel vernietigt het hele lichaam behalve de plekken waar sujūd is verricht. Allāhu Taʿālā heeft het vuur verboden deze sporen te beschadigen. Zij die gered worden uit de Hel zullen in een verwoeste en beschadigde toestand zijn, en er zal Levenswater over hen worden gesprenkeld. Degenen die in de Hel straf hebben ondergaan zullen hierdoor als aren gaan groeien.” (Muslim, 22)
Jābir (رضي الله عنه) heeft een andere ḥadīth overgeleverd: “Degenen die in de Hel zijn geweest maar wier lichamen, behalve hun voorhoofden, door het vuur zijn verbrand, zullen uit de Hel worden gehaald en het Paradijs binnengaan.” (Muslim, 3/50; Ahmad b. Hanbal, 3/355)
Uit deze ḥadīth blijkt dat de gezichten van mu’mins, anders dan die van kāfirs, door het vuur van de Hel niet beschadigd zullen worden en niet zwart zullen verkleuren. De gezichten van kāfirs daarentegen zullen donker groen of volledig zwart zijn. De ḥadīth overgeleverd door Abū Hurayrah (رضي الله عنه) wijst hier ook op: “Ik zal shafāʿah verlenen voor degenen uit mijn ummah die grote zonden hebben begaan (mu’mins). Zij zullen in de Hel sterven (onder de gevolgen van de straf). Deze mensen zijn degenen die via de eerste poort van de Hel zijn binnengekomen. Hun gezichten worden niet zwart. Hun ogen zullen ook geen schade door de straf ondervinden. Zij zullen niet gebonden worden met ketens. Zij zullen ver verwijderd zijn van de duivels (shayāṭīn).
(In tegenstelling tot kāfirs) zullen zij niet met verschillende folterwerktuigen worden gestraft. Sommigen zullen een maand in de Hel verblijven en daarna worden gered. Anderen zullen zes (maanden of jaren of eeuwen) verblijven. De mu’min die het langst in de Hel zal zijn, zal daar 7.000 jaar verblijven, vanaf de schepping van de wereld tot aan Yawmu’l Qiyāmah, en daarna worden gered om het Paradijs binnen te gaan.”
Dit is een lange ḥadīth. In shāʾ Allāh zullen wij in latere secties de volledige ḥadīth behandelen. At-Tirmiḏī heeft deze ḥadīth overgeleverd in zijn werk Nawādir al-`Usūl.
Abū Ḥāmid al-Ghazzālī vermeldt in zijn boek over het Hiernamaals het volgende:
De mu’mins die grote zonden hebben begaan, jong en oud, vrouw en man, worden verzameld in de Hel. Mālik, de engel die verantwoordelijk is voor de Hel, komt en vraagt: “Hé, jullie die in de Hel zijn! Waarom zijn jullie handen niet gebonden? Waarom zijn jullie gezichten niet zwart geworden? Ik heb in deze Hel nog nooit iemand zo goed verzorgd gezien als jullie.”
Zij antwoorden: “Sta ons toe om te huilen voor onze zonden.” Mālik zegt: “Huil dan, maar huilen zal hier niet helpen.” In die toestand en vol ellende huilen zij wel duizend jaar lang. Allāhu Taʿālā beveelt vervolgens aan Mālik: “Laat het vuur via de eerste poort van de Hel naar binnen gaan.”
Mālik gaat naar de eerste poort en vult deze met vuur. Net wanneer het vuur van de Hel de zondige mu’mins dreigt te bereiken, zeggen zij: “Lā ilāha illallāh.” Het vuur nadert hen niet en trekt zich 500 jaar terug. Zij beginnen opnieuw te huilen. Allāhu Taʿālā beveelt het vuur: “Verslind hen,” en aan Mālik: “Laat het vuur via de eerste poort van de Hel naar binnen gaan.” Het vuur bereikt hun harten, maar op dat moment grijpt Mālik in en verwijdert het vuur van de mu’mins: “O Hellevuur!
Je kunt het hart dat de Qur’ān bevat niet raken.” Zie, het is hun geloof (īmān) dat hen heeft gered. Daarna willen de Zabāniyah, met vuur in hun handen, een andere groep straffen.
Mālik grijpt in en zegt: “Hoe kunnen jullie degenen die de vasten tijdens Ramaḍān hebben verricht straffen?”
De uitdrukking “Het afronden van de afrekening van de dienaren door Allāhu Taʿālā” is hier figuurlijk bedoeld. In de Qur’ān staat:
سَنَفۡرُغُ لَكُمۡ أَيُّهَ ٱلثَّقَلَانِ ٣١ Wij zullen spoedig met jullie afrekenen, O jullie ath-thaqalān (Djinn en mensen)! (ar-Rahmān, 55:21)
Wat hier bedoeld wordt, is de ernst en hevigheid van het gebeuren. Voor Allāhu Taʿālā is echter niets moeilijk, en voor Hem bestaat tijd niet. Voor Allāhu ar-Raḥmān is het oordeel over alle schepselen in één enkel ogenblik voltooid:
إِنَّمَآ أَمۡرُهُۥٓ إِذَآ أَرَادَ شَيۡـًٔا أَن يَقُولَ لَهُۥ كُن فَيَكُونُ ٨٢
Waarlijk, als Hij zich voorgenomen heeft iets (te scheppen) dan luidt Zijn bevel slechts: “Wees!” en het is. (Yāsīn, 36:82)
4.17: Degenen die op Yawmu’l Qiyāmah Allahs barmhartigheid, vergeving en genade zullen ontvangen
Hasan al-Baṣrī zegt dat Allāhu Taʿālā op Yawmu’l Qiyāmah het volgende beveelt:
“Steek de Sīrāṭ over in hoop op Mijn vergeving. Alleen door Mijn barmhartigheid kunnen jullie het Paradijs binnengaan. Toch zullen jullie, naargelang jullie daden, verschillende graden hebben.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft in een ḥadīth gezegd: “Van achter de `Arsh klinkt een stem: ‘O ummah van Muhammad! Wat Ik aan degenen voor jullie heb gegeven, heb Ik ook volledig aan jullie gegund. Wat van Mijn zegeningen overblijft, is ook voor jullie. Verdeel dit onder elkaar en betreed nu met Mijn barmhartigheid het Paradijs binnen.”
Sanābuhī vertelt: Ik bezocht ʿUbādah ibn Sāmit (رضي الله عنه) terwijl hij op zijn sterfbed lag. Toen ik hem zo zag, begon ik te huilen.
Hij zei tegen mij: “Waarom huil je? Laat mij jullie een ḥadīth overleveren die ik van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heb gehoord, (zodat jullie de waarheid begrijpen en stoppen met huilen): “Voor degene die ‘lā ilāha illa Allāh’ zegt en dit oprecht in zijn hart gelooft, is de straf van de Hel verboden.” (at-Tirmiḏī , 2638; Ahmad b. Hanbal, 4/402)
Volgens de ḥadīth overgeleverd door Salmān al-Fārisī (رضي الله عنه) heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gezegd: “Toen Allāhu Taʿālā de hemelen en de aarde schiep, creëerde Hij honderd vormen van barmhartigheid. Hij verspreidde (99 ervan) tussen de aarde en de hemel, en slechts één stuurde Hij naar de wereld. Door het aandeel van deze ene barmhartigheid tonen zelfs vogels en wilde dieren genade voor hun jongen. Op Yawmu’l Qiyāmah zal Allāhu Taʿālā de mensen behandelen met al deze honderd vormen van barmhartigheid.” (al-Bukhārī, 11/301; at-Tirmiḏī , 3541; Aḥmad ibn Ḥanbal, 4/312 en 5/439) Ibn Mājah overlevert dezelfde ḥadīth, van Abū Saʿīd al-Hudrī (رضي الله عنه) (Ibn Mājah, 4294)
Andere overleveringen van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:
“Wanneer het moment van de Qiyāmah komt, zal deze ene barmhartigheid zich verenigen met de overige negenennegentig, en met deze honderd vormen van barmhartigheid zal Allāhu Taʿālā Zijn dienaren behandelen.”
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) reciteerde het volgende āyah:
وَمَا يَذۡكُرُونَ إِلَّآ أَن يَشَآءَ ٱللَّهُۚ هُوَ أَهۡلُ ٱلتَّقۡوَىٰ وَأَهۡلُ ٱلۡمَغۡفِرَةِ ٥٦
En zij trekken er geen lering uit, tenzij Allāh het wil. Hij is het Die vrees toekomt en Hij is het Die het toekomt om te vergeven. (Muddaththir, 74:56)
Daarna zei Hij: “Allāhu Taʿālā zegt: ‘Ik ben Degene Die het meest toekomt om gevreesd te worden. Vrees daarom niemand naast Mij. Neem niemand anders als godheid naast Mij. Het past Mij om degene die Mij geen polytheisme (shirk) toekent, te vergeven.” (Ibn Mājah, 4299) at-Tirmiḏī heeft dezelfde ḥadīth overgeleverd en vermeld dat deze overlevering in één opzicht ḥasan is en in een ander opzicht gharīb. (at-Tirmiḏī , 9/248)
Van ʿAbdullāh ibn Abī Awfā (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Bij Allāh, Allāh is barmhartiger voor Zijn dienaar dan een moeder die het meest medogend is tegenover haar kind.”
ʿUmar (رضي الله عنه) vertelt: Wij waren samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Een vrouw had een verlaten kind gevonden. Zij nam het in haar armen en gaf het borstvoeding. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg ons: “Zou deze vrouw dit kind slecht kunnen behandelen?”
Wij zeiden: “Als zij dat had gewild, had zij zich niet om hem bekommerd. Maar zij is een vrouw, en vrouwen zijn barmhartig tegenover kinderen.”
Daarop zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Allāhu Taʿālā is barmhartiger voor dit kind dan deze vrouw.” (Muslim, 17/70; al-Bukhārī, 10/426)
at-Tirmiḏī heeft van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), de volgende ḥadīth overgeleverd:
“Twee mannen worden in de Hel geworpen. Zij beginnen zo hevig te schreeuwen en te jammeren dat Allāhu Taʿālā beveelt dat zij uit de Hel worden gehaald en voor Hem worden gebracht. Wanneer zij voor Hem staan, vraagt Allāhu Taʿālā: ‘Waarom jammerden jullie zo?’
Zij antwoorden: ‘Wij deden dat in de hoop dat U ons genadig zou zijn.’
Allāhu Taʿālā zegt: ‘Mijn barmhartigheid voor jullie is dat jullie jezelf opnieuw terugwerpen naar de plaats waar jullie vandaan kwamen.’
Eén van de twee gaat en werpt zichzelf in het Hellevuur, maar het Hellevuur verbrandt hem niet; het is koel geworden.
De ander werpt zichzelf niet erin.
Allāhu Taʿālā vraagt hem: ‘Waarom heb jij jezelf niet in het Hellevuur geworpen zoals je metgezel?’
Hij zegt: ‘O mijn Rab, ik hoopte dat U ons, nadat U ons eruit had gehaald, niet opnieuw daarin zou teruggooien.’
Daarop zegt Allāhu Taʿālā: ‘Laat het dan zijn zoals jij hoopte.’
Vervolgens gaan beiden het Paradijs binnen.” (at-Tirmiḏī , 2599)
at-Tirmiḏī zegt dat de isnād van deze ḥadīth zwak is, omdat de overleveraar Ibn Anʿam uit Afrika is, die deze ḥadīth via Rushdīn ibn Saʿd heeft overgeleverd. Ibn Anʿam wordt door de hadithgeleerden als zwak beschouwd.
Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overleverde van Allāhu Taʿālā, dat Hij hem het volgende heeft geopenbaard: “Wie Mij ook maar één keer gedenkt en Mij op welke plaats dan ook vreest, die zal Ik uit de Hel halen.” (at-Tirmiḏī , 2549)
… Van ʿUbādah ibn aṣ-Ṣāmit (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer Yawmu’l Qiyāmah aanbreekt en Allāhu Taʿālā het definitieve oordeel over de dienaren heeft voltrokken, blijven er twee mannen over. Allāhu Taʿālā beveelt dat zij in de Hel worden geworpen.
Terwijl zij naar de Hel lopen, kijkt één van hen achterom. Allāhu Taʿālā beveelt dat deze dienaar wordt teruggebracht en vraagt: ‘Waarom keek jij achterom?’
Hij antwoordt: ‘Ik keek in de hoop dat U mij misschien het Paradijs zou binnenlaten.’
Daarop beveelt Allāhu Taʿālā dat deze dienaar naar het Paradijs wordt gebracht.
Nadat hij het Paradijs is binnengegaan, zegt hij: ‘Allāhu Taʿālā heeft mij in het Paradijs zóveel gunsten geschonken dat, zelfs als ik, wat mij is gegeven, onder alle bewoners van het Paradijs zou verdelen, dan denk ik niet dat het ooit zou opraken.”
ʿUbādah ibn aṣ-Ṣāmit (رضي الله عنه) zegt dat, toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deze ḥadīth vertelde, er vreugde op zijn gezicht te zien was. (Ahmad b. Hanbal, 5/330)
4.18: Wat zal Allāhu Taʿālā op Yawmu’l Qiyāmah als eerste tot de mu’mins zal zeggen? En wat zullen de mu’mins als eerste van Allāhu Taʿālā vragen?
ʿAbdullāh ibn al-Mubārak heeft … van Muʿādh ibn Jabal (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg: “Willen jullie dat ik jullie vertel wat Allāhu Taʿālā op Yawmu’l Qiyāmah als eerste tot de mu’mins zal zeggen, en wat de mu’mins als eerste aan Allāh zullen zeggen?”
De aanwezigen antwoordden: “Ja, o Rasûlullāh!”
Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Allāhu Taʿālā zal op Yawmu’l Qiyāmah tot de mu’mins zeggen: ‘Zijn jullie tevreden om bij Mij te komen?’
De mu’mins zullen antwoorden: ‘Ja, zeker, onze Rab!’
Allāhu Taʿālā zal vragen: ‘Wat heeft jullie tot dit antwoord gebracht?’
Zij zullen zeggen: ‘Uw vergeving, Uw barmhartigheid en Uw welbehagen.’
Daarop zal Allāhu Taʿālā zeggen: ‘Dan heb Ik jullie Mijn barmhartigheid gegund.” (Ahmad b. Hanbal, 5/238) Deze ḥadīth is ook overgeleverd door Abū Dāwūd at-Tayālisī.
Ḥāfiẓ Abū Nuʿaym heeft…van Zayd ibn Aslam overgeleverd: Er was eens een man uit vroegere tijden. Hij verrichtte veel ʿibādāt en gaf mensen vermaningen en adviezen. Maar hij joeg de mensen voortdurend angst aan, waarschuwde hen met de toorn van Allāh en dreef hen tot wanhoop.
Toen deze man stierf en voor Allāhu Taʿālā werd gebracht, zei hij: “O mijn Rab, wat is mijn bestemming?”
Allāhu Taʿālā zei: “Jouw bestemming is de Hel.”
De man vroeg: “Hoe zit het dan met mijn aanbiddingen en mijn overige daden?”
Allāhu Taʿālā zei: “Toen jij in de wereld was, joeg jij de mensen angst aan en weerhield je hen ervan te vertrouwen op Mijn barmhartigheid. Vandaag onthoud Ik jou Mijn barmhartigheid.”