As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

At-Tazkira — Hoofdstuk 5: Het Paradijs (al-Jannah) en de Hel (al-Jahannam)

Auteur: Imam Al-Qurtubi

Onderwerp: Hiernamaals & eindtijd

Lees dit boek in de online lezer

HOOFDSTUK 5:ONDERWERPEN OVER HET PARADIJS (AL-JANNAH) EN DE HEL (AL-JAHANNAM)

5.1 De wegen naar al-Jannah (het Paradijs) zijn omringd door moeilijkheden, terwijl de weg naar het al-Jahannam (het Hellevuur) versierd is met mooie/aangename zaken

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “De weg naar het Paradijs is versierd met makāriḥ (zaken die zwaar vallen voor de nafs of die onaangenaam zijn). De weg naar het Hellevuur is versierd met shahawāt (aangename en verleidelijke zaken voor de nafs).” (Muslim, 17/165) al-Bukhārī heeft deze hadīth eveneens overgeleverd. (al-Bukhārī, 11/320) Muḥammad ibn ʿĪsā at-Tirmiḏī verklaarde dat deze hadīth ṣaḥīḥ is, maar in bepaalde opzichten ook gharīb. (at-Tirmiḏī, 2559)

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: Toen Allāhu Taʿālā het Paradijs schiep, stuurde Hij Jibrīl (عليه السلام) en zei: “Ga en bekijk het Paradijs en zie wat Ik heb voorbereid voor degenen die daarin zullen binnengaan.”Jibrīl (عليه السلام) bekeek het Paradijs en naar de zegeningen die voorbereid zijn voor de Paradijsbewoners. Daarna keerde hij terug naar Allāh en zei: “O mijn Rab, iedereen die hiervan hoort, zal het willen binnengaan.”Toen beval Allāhu Taʿālā dat de weg naar het Paradijs gevuld moest worden met makāriḥ, (zaken die zwaar vallen voor de nafs of die onaangenaam zijn). Vervolgens zei Hij: “Ga nu en bekijk wat degenen die het Paradijs willen bereiken op hun weg zullen tegenkomen.”Jibrīl (عليه السلام) bekeek het en keerde terug en zei: “O mijn Rab, ik vrees dat in deze toestand niemand het Paradijs zal bereiken.”Daarop beval Allāhu Taʿālā opnieuw: “Ga en bekijk het Hellevuur en zie wat Ik heb voorbereid voor de bewoners van het Hellevuur.”Jibrīl (عليه السلام) ging naar het Hellevuur en zag dat de vlammen elkaar verslinden.

Hij keerde terug en zei: “O mijn Rab, degene die dit hoort, zal het Hellevuur beslist niet binnengaan.”Vervolgens beval Allāhu Taʿālā dat de wegen naar het Hellevuur versierd moesten worden met shahawāt (aangename en verleidelijke zaken voor de nafs) en Hij stuurde Jibrīl (عليه السلام) opnieuw naar het Hellevuur.Jibrīl (عليه السلام) bekeek het Hellevuur en keerde terug en zei: “O mijn Rab, iedereen die van deze plaats hoort, zal hier niet komen.” (at-Tirmiḏī, 2560; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/332; Abū Dāwūd, 4718; al-Nasāʾī, 3763)

De hadīth legt uit dat de “makāriḥ” op de weg naar het Paradijs verwijst naar zaken die zwaar vallen voor de nafs of die onaangenaam zijn, zoals (gehoorzamen) aan Allāhu Taʿālā’s geboden en het geduldig doorstaan van beproevingen.

De “shahawāt” op de weg naar het Hellevuur zijn het tegenovergestelde: gemakkelijke, aangename en verleidelijke dingen voor de nafs, zoals verboden (ḥarām) handelingen, luiheid, ongeduld, opstandigheid en dergelijke slechte eigenschappen.”

Goede daden vereisen inspanning en geduld. Een mens moet geduldig zijn bij de beproevingen die hem treffen. Dit alles behoort tot de makāriḥ. Dat wil zeggen: het bereiken van het Paradijs vraagt om inzet en standvastigheid. De weg naar het Hellevuur gaan daarentegen gebeurt door het leven op zijn beloop te laten: door het volgen van wat de nafs aangenaam vindt, door opstandig te zijn tegenover wat iemand overkomt, door kwaad met kwaad te vergelden en door geen nuttige daden voor anderen te verrichten.

In een andere hadīth staat: “De wegen naar het Paradijs zijn gevuld met verdriet, terwijl de weg naar het Hellevuur gemakzucht en comfort is.”

5.2 Het Paradijs vragen om haar bewoners, en het Hellevuur eisen degenen die haar verdienen

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “(Op Yawm al-Qiyāmah) zullen het Paradijs en het Hellevuur spreken.Het Hellevuur zal zeggen: ‘De onderdrukkers en tirannen behoren tot mij.’Het Paradijs zal zeggen: ‘De onderdrukten en armen behoren tot mij.’Allāhu Taʿālā zal tot het Hellevuur zeggen: ‘Jij bent Mijn bestraffing (ʿadhāb); door jou zal Ik straffen wie Mijn bestraffing verdient.’En tot het Paradijs zal Hij zeggen: ‘Jij bent Mijn barmhartigheid (raḥmah); door jou zal Ik barmhartigheid schenken aan wie Mijn barmhartigheid verdient.’ Daarna zal Hij zeggen: ‘Ik zal jullie beiden vullen met Mijn dienaren.’ (al-Bukhārī, 8/594; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/50 en 3/79; Muslim, 17/180)Volgens at-Tirmiḏī is deze hadīth zowel ḥasan als ṣaḥīḥ.(at-Tirmiḏī, 2561)

Al-Hākim Abū ʿAbdullāh vermeldt in zijn werk ʿUlūm al-Ḥadīth dat aan Ḥuzaymah ibn Muḥammad een vraag werd gesteld over een hadīth van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم). De hadīth luidde: “Het Paradijs en het Hellevuur discussiëren met elkaar. Het Paradijs zegt: “Ik ben de verblijfplaats van de zwakken.”

Toen aan Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd gevraagd wie deze zwakken zijn, zei hij:“Degenen die status, rijkdom en roem afwijzen, en er niet naar verlangen.”Volgens de overlevering vindt deze uitwisseling tussen het Paradijs en het Hellevuur veertig tot vijftig keer per dag plaats.

De auteur al-Qurṭubī benadrukt dat de metgezellen deze overleveringen niet zelf hebben verzonnen. Zij zouden dit niet zeggen zonder bewijs. Zij hebben dit ongetwijfeld van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) gehoord.

Met “miskīn” wordt verwezen naar nederige, bescheiden (muʾmins). Hoogmoedige mensen zullen het Paradijs niet binnengaan.

Een duʿāʾ van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) luidt:“O mijn Rab! Schenk mij het leven als een miskīn en laat mij sterven als een miskīn. Laat mij op Yawm al-Qiyāmah worden verzameld onder de masākīn.” (at-Tirmiḏī, 2352; Ibn Mājah, 4126; Aḥmad ibn Ḥanbal, 4/162)

In een andere hadīth wordt vermeld dat na deze discussie tussen het Paradijs en het Hellevuur, het Hellevuur bij Allāhu Taʿālā beklaagde over het feit dat de nederigen naar het Paradijs gaan, terwijl de tirannen naar de Hel worden gestuurd.

5.3 Beschrijving van de bewoners van het Paradijs en het HellevuurWie zijn de slechtste en meest ongelukkige mensen?

Van`Iyādh ibn Himār, bekend als al-Mujāshīʿī (رحمه الله), Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Drie groepen mensen behoren tot de bewoners van het Paradijs:

Een rechtvaardige en goedhartige sultan, (of iemand die onder een dergelijke heerser leeft).

Iemand die genadig is en goed doet aan alle mu’mins, metname aan zijn verwanten.

Iemand die kinderen heeft en toch kuis en bescheiden blijft.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 4/162)

In het vervolg van de hadīth wordt gezegd: “Vijf groepen mensen behoren tot de bewoners van het Hellevuur:

Degene die er een gewoonte van maakt alleen te leven, geen gezin wenst en niet werkt.

Degene die, zodra je je ook maar een ogenblik afwendt, onmiddellijk de kans grijpt om te verraden.

Degene die dag en nacht verlangt naar andermans rijkdom en familie.

De gierigen.

De leugenaars en de onzedelijken.”

Van Harīs ibn Wahb (رضي الله عنه) uit de stam van Ḥuzāʿ, Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Willen jullie weten wie de bewoners van het Paradijs zijn? Het zijn de bescheiden en nederige mensen. Bij Allāh, zij zijn het meest waardevol onder de mensen. En weten jullie wie de bewoners van het Hellevuur zijn? De onderdrukkers en de hoogmoedigen zijn de bewoners van het Hellevuur.” (al-Bukhārī, 10/489; Muslim, 17/186; at-Tirmiḏī, 2605; Aḥmad ibn Ḥanbal, 4/306; Ibn Mājah, 4116)

Een andere hadīth van Harīs ibn Wahb (رضي الله عنه), uit de stam van Ḥuzāʿ, Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De onderdrukkers, degenen die geen barmhartigheid in hun harten hebben, de grove mensen en de hoogmoedigen zullen het Paradijs niet binnengaan.” (Abū Dāwūd, 4780; Aḥmad ibn Ḥanbal, 4/227)

Van Ibn ʿImrān (رضي الله عنه), Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu Taʿālā straft niemand die niet tiranniek of obstinaat (koppig, halsstarrig of eigenwijs) is. Een obstinaat persoon is iemand die zich tegen Allāh verzet en weigert ‘Lā ilāha illā Allāh’ te zeggen.” (Ibn Mājah, 4297)

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Behalve degene die ongelukkig (shaqī) is, zal niemand het Hellevuur binnengaan.”

Toen werd gevraagd wie de shaqī is, antwoordde Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم): “De shaqī is degene die ongelukkig is, niet doet wat Allāh beveelt en weigert zich te onderwerpen aan de geboden van Allāh.” (Ibn Mājah, 4298; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/349)

Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De bewoners van het Paradijs zijn degenen die door mensen met lof worden herinnerd en die zelf anderen ook in lof gedenken.Degene die niet goed over anderen spreekt, of die geen lofprijzing over anderen doet, of die luistert naar wat er slechts over anderen wordt gezegd, behoort tot de bewoners van het Hellevuur.” (Ibn Mājah, 4224)

Van Anas (رضي الله عنه): Op een dag trok er een begrafenisstoet voorbij. De mensen die daar waren spraken goed over de overledene. Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “(Het Paradijs) is verplicht voor hem. (Het Paradijs) is verplicht voor hem. (Het Paradijs) is verplicht voor hem.”Daarna trok er een andere begrafenisstoet voorbij. De mensen spraken niet goed over deze overledene. Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei opnieuw: “(Het Hellevuur) is verplicht voor hem. (Het Hellevuur) is verplicht voor hem. (Het Hellevuur) is verplicht voor hem.”ʿUmar (رضي الله عنه) kwam en zei: “Moge mijn ouders voor jou worden opgeofferd,” en vroeg naar de wijsheid hiervan.Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Voor de begrafenisstoet waar jullie goed over spraken is het Paradijs verplicht geworden. Voor degene over wie jullie slecht spraken is het Hellevuur verplicht geworden. Jullie zijn de getuigen van Allāh op aarde.” (al-Bukhārī, 2/130; Muslim, 4/150)

Net zoals de engelen op Yawm al-Qiyāmah zullen getuigen over het geloof (īmān) en de daden van de mensen, zo zullen ook de muʾmins getuigen. Over dit onderwerp zijn eerder al enkele overleveringen vermeld. De engelen zijn de getuigen van Allāh in de hemelen, en de muʾmins zijn de getuigen op aarde.

ʿĀ’ishah (رضي الله عنها) zegt: “Het Paradijs is de verblijfplaats van de gulle mensen. Het Hellevuur daarentegen is de bestemming van de gierigen.”

Zayd b. ʿAslam zegt: “Allāhu Taʿālā heeft ons bevolen gul te zijn zodat wij het Paradijs kunnen binnengaan. Hij verbood gierigheid, want gierigheid leidt een mens naar het Hellevuur.”

Hāfiẓ Abū Nuaym, … van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie de sterkste onder de mensen wil zijn, laat hij zich dan volledig op Allāh vertrouwen (tawakkul). Wie de edelste onder de mensen wil zijn, laat hij dan Allāh vrezen. Wie de rijkste onder de mensen wil zijn, laat hij dan niet vertrouwen op wat hij bezit, maar op wat Allāh in Zijn macht heeft. Zal ik jullie vertellen wie de slechtste mensen zijn?”De aanwezigen antwoordden: “Ja, O Rasūlullāh.”Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degene die alleen eet en anderen geen (eten) aanbiedt, en die slecht handelt jegens degenen onder zijn gezag, is slecht. Willen jullie weten wie nog slechter is?”De aanwezigen antwoordden: “Ja, O Rasūlullāh.”Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) vervolgde: “Degene die haat koestert jegens mensen en door anderen wordt gehaat, is slechter. Willen jullie weten wie nog slechter is?”De aanwezigen antwoordden: “Ja, O Rasūlullāh.”Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degene die geen begrip toont voor anderen, geen excuses accepteert en niemand vergeeft, is slechter dan de voorgaande.

Willen jullie weten wie nog slechter is?”De aanwezigen antwoordden: “Ja, O Rasūlullāh.”Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degenen die niemand iets goeds brengen en bij wie de mensen voortdurend afvragen wanneer ze weer kwaad zullen doen, behoren tot de slechtste mensen”.Maryam ibn ʿĪsā (عليه السلام) adviseerde de Banu Isrā’īl: ‘O kinderen van Israël! Spreek geen wijze woorden uit bij de onwetenden. Jullie doen die mensen (en de wijsheid) tekort. jullie zouden hen daarmee benadelen. Maar onthoud wijze woorden niet van degenen die ze verdienen, want ook dat zou verkeerd zijn.’

Op een andere gelegenheid adviseerde hij: ‘Doe geen onrecht aan de onderdrukker. Help hem ook niet. O kinderen van Israël! Er zijn drie soorten handelingen die duidelijk en juist zijn, die moet je doen, die duidelijk verkeerde zijn, die moet je vermijden; en de twijfelachtige, daar moet je voorzichtig mee zijn en deze aan Allāh overlaten.”Abū Nuaym zegt: “Deze hadīth is van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) overgeleverd en de enige overlever van deze hadīth is Kaʿb ibn Muḥammad.”

Het woord muqsiṭ dat in de bovenstaande hadīth voorkomt, betekent: rechtvaardig. Met een rechtvaardige sultan wordt bedoeld: een rechtvaardige bestuurder, maar ook het leven onder het gezag van zo’n rechtvaardige heerser.

Met “barmhartigheid in hun harten” wordt bedoeld dat iemand luistert naar raadgevingen. Een verhard hart betekent niet alleen hardvochtigheid, maar ook het afsluiten van de oren voor de waarheid.

Het woord muwaffiq betekent iemand die goede en rechtschapen daden verricht.

Met ‘bescheiden en nederige mensen’ wordt bedoeld: mensen die niet hoogmoedig zij, zich niet diep in wereldse zaken verzanden en godsvruchtig zijn in alle opzichten van de godsdienst (dīn).

Met “de bewoners van het Hellevuur behoort” wordt bedoeld: iemand die zijn verstand niet gebruikt en geen goede daden verricht. Iemand die zijn verstand niet gebruikt, kan geen onderscheid maken tussen goed en fout en zal uiteindelijk in dwaling vervallen.

Daarnaast verricht hij ook geen goede daden en kent hij het verschil tussen ḥarām en ḥalāl niet. Hij is onwetend, en zo iemand zal uiteindelijk in het Hellevuur terechtkomen.Dit is de opvatting van onze shaykh Abū al-ʿAbbās ( رَحِمَهُ اللهُ)

“Shinẓīr” betekent een slecht en immoreel persoon.

“Jawwāẓ” betekent een hooghartig en trots persoon. Het wordt ook gebruikt voor iemand met een leeg en verhard hart, en voor een tiranniek en dwaas persoon.

“ʿUtul” wordt gebruikt voor iemand die in overmatige luxe leeft en veel eet.

“Jaʿẓarī” is een term die wordt gebruikt voor harde en ruwe mensen.

Dit is ook de opvatting van de auteur al-Qurṭubī (رحمه الله).

Volgens onze shaykh wordt “zamīn” gebruikt voor slechte mensen en voor degenen die anderen minachten. Het heeft ook de betekenis van roddelaar.

Er is overgeleverd dat deze hadīth (zie hierboven) werd gezegd over al-Walīd ibn al-Mughīrah. Sommigen zeggen echter dat deze hadīth betrekking heeft op al-Akhnas ibn Sharīq.

Op het eerste gezicht lijkt er een tegenstrijdigheid te zijn tussen de hadīth:“Voor degene over wie jullie slecht spraken is het Hellevuur verplicht geworden”en de hadīth: “Spreek geen kwaad over jullie overledenen.”

De hadīth “Gedenk jullie doden met goedheid (spreek niet kwaad over hen)” heeft echter betrekking op muʾmins. De overledene over wie de ṣaḥābah geen goede woorden spraken, behoorde tot een van de munāfiqs.

Sommige geleerden hebben verklaard dat het toegestaan is om slecht te spreken over degenen die openlijk zonden begaan en daarin volharden. De uitspraak “er is geen roddel (ghībah) over een fāsiq” verwijst hiernaar.

Andere geleerden zeggen dat het toegestaan is om de tekortkomingen van een (muʾmin) overledene te noemen zolang hij nog niet begraven is, maar dat het na de begrafenis verboden is om slecht over hem te spreken.

De uitspraak “Jullie zijn de getuigen van Allāh op aarde” heeft betrekking op geleerde en rechtschapen mensen. De getuigenis van onwetende of zondige mensen heeft geen waarde.

Ook de getuigenis van iemand die vijandschap koestert tegenover een ander wordt niet aanvaard, zelfs niet als hij zelf een rechtschapen persoon is. Zijn getuigenis tegen degene met wie hij vijandschap heeft, wordt noch in deze wereld noch in het Hiernamaals geaccepteerd.

In een andere overlevering van al-Bukhārī wordt gezegd: Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De muʾmins zijn de getuigen van Allāh op aarde.”

Van ʿUmar (رضي الله عنه), Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degene over wie vier mensen goed spreken, behoort tot de bewoners van het Paradijs.”Toen er werd gevraagd: “En als drie mensen getuigen?” kregen wij als antwoord: “Drie is ook voldoende.”Toen werd gevraagd: “En als twee mensen?”Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degene over wie twee mensen getuigen, behoort ook tot de bewoners van het Paradijs.”Wij vroegen niet naar de getuigenis van één persoon. (al-Bukhārī, 5/252)

Sommige geleerden stellen als voorwaarde dat deze vier personen rechtvaardig en van goed karakter moeten zijn. Volgens Abū Muḥammad ʿAbd al-Ḥaq is het echter voldoende dat zij muʾmins zijn. Dat wil zeggen: de getuigenis van elke muʾmin is geldig.

… van ʿAbdullāh ibn Sāʾib (رضي الله عنه): Wij waren bij een begrafenis samen met Ibn Masʿūd (رضي الله عنه). Hij vroeg mij: “Denk je dat deze overledene tot de bewoners van het Paradijs behoort of tot het Hellevuur?”Ik antwoordde: “Hoe zou ik dat kunnen weten? Heb ik daar dan kennis van?”Hij zei: “Wat weet je over deze man?”Ik antwoordde: “Hij is een goed mens; de mensen kennen hem ook zo.”Daarop zei hij: “Dan behoort hij tot de bewoners van het Paradijs. Want de muʾmins zijn de getuigen van Allāh en Allāh aanvaardt de getuigenis van Zijn mu’min dienaren.”

In een hadīth zei Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم): “ Wanneer Allāhu Taʿālā een dienaar liefheeft, roept Hij Jibrīl (عليه السلام) en zegt: ‘Ik houd van deze dienaar, heb jij hem ook lief.’Daarop zal Jibrīl (عليه السلام) hem liefhebben en hij roept in de hemelen: ‘Allāh houdt van deze dienaar, heb hem daarom ook lief.’Vervolgens zullen de bewoners van de hemelen hem ook liefhebben. waarna hij ook geliefd wordt onder de mensen op aarde. (at-Tirmiḏī, 3161; Aḥmad ibn Ḥanbal, 5/263)Hetzelfde geldt voor afkeer: wanneer Allāh niet tevreden is met een dienaar, zullen ook de andere schepselen een afkeer van hem hebben. (al-Bukhārī, 10/461; Muslim, 16/184)

5.4 Over de bewoners van het Paradijs en het Hellevuur

Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er zijn twee soorten mensen van het Hellevuur die ik zelf niet heb gezien:

Mannen die zwepen vasthouden, die lijken op de staart van een koe, en daarmee mensen slaan.

Vrouwen die zich bedekken, maar in werkelijkheid onbedekt zijn. Zij voelen zich aangetrokken tot anderen en anderen voelen zich aangetrokken tot hen. Hun hoofden lijken op de bulten van een kameel.

Deze mensen zullen het Paradijs niet binnengaan, en zelfs de geur ervan niet ruiken. De geur van het Paradijs komt op een bepaalde afstand tot hen.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/356)

Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degenen wiens harten als die van vogels zijn, zullen het Paradijs binnengaan.” (Muslim, 7/177; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/331)

De geleerden hebben deze laatste hadīth op twee manieren geïnterpreteerd:

Volgens sommigen zijn de harten van vogels vol angst. Vogels zijn de meest gevoelige en meest angstige wezens onder de schepselen. Daarom worden mensen met zulke angstige harten tot het Paradijs toegelaten.

Volgens anderen zijn vogels nederige en zwakke wezens. Mensen die zwak en nederig van hart zijn, zullen geen tirannen zijn, niet in opstand komen tegen Allāh, goede daden verrichten en niet trots zijn. Zulke mensen behoren tot de bewoners van het Paradijs.

Een hadīth die over de mensen van Yemen wordt overgeleverd zegt: “De mensen van Yemen hebben gevoelige harten en zijn nederig.” ( Aḥmad ibn Ḥanbal, 4/154)

Wij voegen een derde interpretatie toe: de harten van vogels zijn zowel fijngevoelig als zacht, daarom zijn ze rein. Onschuldige dieren dus. Mensen wier harten zo rein zijn, zullen ook tot het Paradijs toegelaten worden.

Vanr Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:“Het merendeel van de bewoners van het Paradijs zijn puur van hart.”

Hier betekent ‘puur’ dat zij zich ver van zonden houden en oprecht van bedoeling zijn.

Volgens Khalīl ibn Aḥmad ibn Ḥanbal betekent “sawt” pijn of kwelling. Volgens al-Farrā betekent het zweep.

De uitdrukking “vrouwen die zich bedekken maar eigenlijk onbedekt zijn” verwijst naar vrouwen die uiterlijk bedekt zijn, maar in hun hart geen zedelijkheid, godsdienst (dīn) of schaamte hebben.

Volgens sommige van onze geleerden luidt de betekenis van de ḥadīth als volgt: Sommige vrouwen lijken ogenschijnlijk bedekt, maar hun kleding voldoet niet aan de vereisten. De kleding bedekt de awrah (intieme delen) van de vrouw niet. Dit wordt hiermee bedoeld.

Sommige geleerden stellen dat met dit soort vrouwen degenen worden bedoeld die zich kleden voor luxe en uiterlijk vertoon, of zich versieren om zich te tonen aan niet-maḥārim*

De betekenis van het woord “mayl” dat in het vervolg van de hadīth voorkomt, wordt op twee manieren uitgelegd:

Zij gehoorzamen hun echtgenoten en familie niet en zijn ook ongehoorzaam aan Allāh.

Zij trekken de aandacht van anderen en verleiden hen, waardoor zij anderen tot zonde aanzetten.

Wat betreft hun hoofden die lijken op de bulten van kamelen: hiermee wordt overdreven versiering en pronkzucht bedoeld. Zij wikkelen grote doeken om hun hoofd om indrukwekkend over te komen, terwijl hun doel juist is om op te vallen.

In sommige overleveringen wordt vermeld dat sommige vrouwen naast hun hoofdbedekking nog extra dingen op hun hoofd plaatsen, waardoor het bovenste deel opgehoogd lijkt. Anderen stylen hun haar op een vergelijkbare manier.

Dit zijn de verschillende interpretaties die zijn gegeven over de betekenissen die in deze hadīth worden genoemd.

[maḥārim: personen met wie een huwelijk permanent verboden is volgens de islamitische wet.]

5.5 Wie vormen de meerderheid van de bewoners van het Paradijs?Over de grootste groep die zich in het Hellevuur zal bevinden

Van Usāmah ibn Zayd (رضي الله عنه): Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik stond bij de poort van het Paradijs en keek naar binnen. Ik zag dat de meesten die het Paradijs binnengingen, de arme, en behoeftige mensen (masākīn: e.v. miskīn) waren. Vervolgens keek ik bij de poort van het Hellevuur en zag dat de meerderheid van haar bewoners vrouwen waren.” (Muslim, 17/53; al-Bukhārī, 11/415; Aḥmad ibn Ḥanbal, 5/209)

In een hadīth die Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) heeft overgeleverd over de zonsverduistering, wordt aan het einde gezegd: “Ik keek naar het Hellevuur en zag een (duister) tafereel zoals vandaag, en ik zag dat de meeste bewoners vrouwen waren.”

Toen aan Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd gevraagd waarom vrouwen de meerderheid vormen in het Hellevuur, antwoordde hij: “Vanwege hun kufr.”

Toen werd gevraagd: “Bedoelt u dat zij Allāh ontkennen?”

Wanneer werd gevraagd of de hier genoemde 'inkâr' het ontkennen van Allāh betreft, antwoordde hij: “Zij ontkennen de gunsten en het goede dat hun wordt gedaan. Je kunt een vrouw een leven lang goed behandelen, maar bij de kleinste tegenslag zegt zij: ‘Ik heb nooit iets goeds van jou gezien.” (al-Bukhārī, 2/540; Muslim, 6/213; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/159 en 3/318)

In een ḥadīth van saḥābī ʿImrān ibn Ḥusayn (رَضِيَ اللهُ عَنْهُ) wordt het volgende verteld:

“In het Paradijs is de kleinste groep vrouwen.” (Muslim, 17/53; Aḥmad ibn Ḥanbal, 4/427)

Volgens onze ʿulamā’ is de reden dat vrouwen vaak in het Hellevuur terechtkomen dat zij soms ongeduldig en intolerant zijn. Ze hechten veel waarde aan hun comfort en denken niet altijd aan de consequenties als dat comfort wordt verstoord. Ze handelen vaker vanuit hun gevoelens dan vanuit hun verstand.

ʿAlī (رَضِيَ اللهُ عَنْهُ) zei over vrouwen: “O mannen! Wees geen slaaf van jullie vrouwen. Stel ze niet aan als jullie heersers. want dan raakt de orde verstoord. Hun gehoorzaamheid vervalt, en zij zijn gehecht aan wereldse zaken en hun lusten Laat hen jullie niet van het rechte pad afleiden.

Maar bescherm en waak over de goede en rechtschapen onder hen.Een andere ḥadīth zegt: “De grootste beproeving voor mannen zijn vrouwen.” (al-Bukhārī, 13/137; Muslim, 17/54; Aḥmad ibn Ḥanbal, 5/200; Tirmidhi, 2780)

Sommige overleveringen benadrukken dat voor vrouwen de grootste beproeving mannen zijn.

Uiteg

Van Abū Hurayrah (رَضِيَ اللهُ عَنْهُ), Rasūlullāh (صَلَّى اللهُ عَلَيْهِ وَسَلَّم) zei: “Iedereen uit mijn ummah zal het Paradijs binnentreden, behalve de opstandigen.”

Toen er werd gevraagd wie de opstandigen zijn, antwoordde hij: “Wie mij gehoorzaamt, zal het Paradijs binnengaan. Wie mijn geboden negeert en niet serieus neemt, dat zijn de opstandigen (en zij zullen het Paradijs niet binnengaan).” (al-Bukhārī, 13/249; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/361)

Ibn Abī Dunyā en Abū Isḥāq hebben dezelfde ḥadīth overgeleverd: `Iyād (رَضِيَ اللهُ عَنْهُ) vertelt: Op Yawm al-Qiyāmah zal de wereld in de gedaante van een verweerde en levendig groene oude vrouw op Mahshar-plein verschijnen. Alle schepselen kijken naar haar en er wordt aan hen gevraagd: “Herkennen jullie haar?”

Zij antwoorden: “Verre van dat! Wij kennen haar niet. Wij zoeken ons toevlucht bij Allāh.”

Daarop wordt hen gezegd: “Zij is de wereld waarnaar jullie vol begeerte zijn gerend, waarvoor jullie hebben gestreden en waarover jullie afgunst hebben gekoesterd.”

Vervolgens wordt de wereld in het vuur geworpen. De wereld vraagt: “O mijn Rab! Waar zijn mijn vrienden? Waar zijn degenen die mij achterna liepen?”

Allāhu Taʿālā beveelt dan: “Stuur ook haar vrienden en degenen die haar volgden naar haar.”

5.6 Waarzeggers zijn in het Hellevuur

Abū Dāwūd heeft, met Galib al-Kattān als bron, een hadīth overgeleverd. Galib heeft dit op zijn beurt van een man geleerd. Die man had het weer van zijn vader en zijn grootvader gehoord. Zijn grootvader kwam vervolgens naar Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei: “Mijn vader is een oude man. Hij kijkt in water en ziet de toekomst. Hij heeft mij gestuurd zodat ik u uw toekomst kan voorspellen.”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: "Allāh Ta'ālā toont sommige dienaren de toekomst. Dat is waar. Maar (zij die dit niet op de juiste manier volgens de Islāmitische regels doen), zijn voorbestemd voor het Hellevuur.” (Abû Dâwud, 2918)In een andere authentieke overlevering over de stam van Hawâzin zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Ga jullie wijze mensen halen. Laat hen over jullie oordelen."

Volgens onze geleerden betekent `arîf de vooraanstaande wijze personen van een stam en de waarzeggers. Men dacht dat zij het ongeziene en de toekomst konden kennen (dus waarzeggers en astrologen).

Rasûlullāh benadrukt dat intuïtie en kennis waar zijn. Het is nodig dat er zulke wijze mensen onder mensen zijn. Wat hier echter voorbestemd is voor het Hellevuur, is dat deze praktijk destijds op basis van magie of waarzeggerij werd uitgevoerd.

Daarnaast is het verboden om onrechtvaardig of zonder kennis te oordelen over mensen. Deze waarzeggers of zogenaamd wijze personen gaven hun mening aan stamhoofden over de toekomst of over de zaken van de gemeenschap naar eigen goeddunken. Dit is onrechtvaardigheid, en onrechtvaardigen zijn in het Hellevuur.

… van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik heb medelijden met degenen die over mensen oordelen en de zaken van mensen op zich nemen.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/352)

5.7 Onrechtplegers (zâlimûn) en degenen die de familiebanden verwaarlozen komen niet in het Paradijs

Allāhu Ta‘ālā zegt in de āyah:

وَلَا تَقۡعُدُواْ بِكُلِّ صِرَٰطٖ تُوعِدُونَ وَتَصُدُّونَ عَن سَبِيلِ ٱللَّهِ مَنۡ ءَامَنَ بِهِۦ وَتَبۡغُونَهَا عِوَجٗاۚ وَٱذۡكُرُوٓاْ إِذۡ كُنتُمۡ قَلِيلٗا فَكَثَّرَكُمۡۖ وَٱنظُرُواْ كَيۡفَ كَانَ عَٰقِبَةُ ٱلۡمُفۡسِدِينَ ٨٦

En zit niet op iedere weg, terwijl jullie degenen die in Hem geloven bedreigen en afhouden van het Pad van Allāh, wensend dat het krom was. En gedenk toen jullie met weinigen waren en Hij jullie talrijk deed worden. En zie hoe het einde van de verderfzaaiers was. (A‘rāf, 7:86)

Er wordt vermeld dat deze (āyah) geopenbaard is naar aanleiding van de onrechtplegers (zâlimûn) en degenen die onrechtvaardige belastingen innen.

In een andere āyah zegt Allāhu Ta‘ālā:

فَهَلۡ عَسَيۡتُمۡ إِن تَوَلَّيۡتُمۡ أَن تُفۡسِدُواْ فِي ٱلۡأَرۡضِ وَتُقَطِّعُوٓاْ أَرۡحَامَكُمۡ ٢٢

Zouden jullie dan, als jullie je afwenden onheil in het land verrichten en de familiebanden geweld aandoen?

أُوْلَٰٓئِكَ ٱلَّذِينَ لَعَنَهُمُ ٱللَّهُ فَأَصَمَّهُمۡ وَأَعۡمَىٰٓ أَبۡصَٰرَهُمۡ ٢٣

Zij zijn degenen die Allāh vervloekt heeft, en die Hij doof en blind heeft gemaakt (in het Hiernamaals). (Muhammad, 47:22-23)

Via Jubayr van zijn vader Mut‘im (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:“(Degenen die de banden met buren en familie verbreken) komen niet in het Paradijs.” (Muslim, 16/113; Tirmidhi, 1909; Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/80 en 83) Ibn Abī Amr, met verwijzing naar Sufyān ath-Thawrī, legt uit dat deze ḥadīth betrekking heeft op degenen die geen zorg dragen voor hun familie. al-Bukhārī vermeldt deze ḥadīth ook in zijn Sahih.

Van `Ukbe ibn ‘Āmir (رضي الله عنه), hij heeft van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gehoord:“Degene die onrechtvaardig (belastingen int of de bezittingen van mensen in beslag neemt) zal niet in het Paradijs komen.” (Abû Dâwûd, 2921; Aḥmad ibn Ḥanbal, 4/143)

Volgens onze geleerden betekent “maks” belasting en heffing. Zakāh, en het geld dat van de markt wordt genomen of de goederen die van handelaren worden geïnd, vallen hieronder. Wat hier echter bedoeld wordt, zijn geen toegestane (shar‘ī) belastingen, maar oneerlijke of illegitieme geïnde belastingen.

Zowel “maks” als het verbreken van de banden met familie en buren en hen niet helpen, doen iemand niet buiten de kring van het geloof (īmān) treden. Degenen die dit doen, behoren tot de mensen van de grote zonden. Als zij mu’mins zijn, zullen zij niet eeuwig in het Hellevuur verblijven. Door voorspraak (shafā`ah) of door de goddelijke barmhartigheid kunnen zij uit het Hellevuur worden gehaald.

5.8 Over de drie personen die als eersten het Paradijs en het Hellevuur zullen binnengaan

Abubakr ibn Abû Shaybah, van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De drie personen die als eersten het Paradijs zullen binnengaan zijn:een martelaar, een kuise man met een gezin (vrouw en kinderen), en een persoon die zijn plichten tegenover de dienaren vervult maar tevens zeer toegewijd is aan aanbidding.De drie personen die als eersten het Hellevuur zullen binnengaan zijn:een onrechtvaardige leider/tirannieke bestuurder, de persoon die ondanks zijn welvaart geen zakāh en sadaqah geeft, en de arme persoon die neerziet op anderen/anderen veracht (en Allāh ongehoorzaam is).” (at-Tirmiḏī, 1642; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/425)

5.9 Wie zal als eerste door het vuur van het Hellevuur worden verbrand?

Abû Hurayrah (رضي الله عنه) zegt dat hij de volgende ḥadīth rechtstreeks van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gehoord: “Op Yawm al-Qiyāmah zal als eerste over een martelaar worden geoordeeld. Zijn daden zullen aan hem worden getoond, waarna hem gevraagd zal worden waarom hij deze heeft verricht. Hij zal zeggen: ‘O mijn Rab, ik heb gestreden omwille van Uw welbehagen en ben martelaar geworden.”Maar Allāhu Ta‘ālā zal zeggen: ‘Nee, je spreekt niet de waarheid. Jij streed enkel zodat anderen jou een moedige man zouden noemen.’ Daarna zal hij op zijn gezicht worden gesleept en in het Hellevuur worden geworpen.Vervolgens zal een geleerde en iemand die de Qur’ān reciteerde worden gebracht. Op dezelfde wijze worden zijn daden voor hem voorgelegd en hij wordt ter verantwoording geroepen waarom hij het heeft verricht. Hij zal zeggen: ‘O mijn Rab, ik heb kennis opgedaan en onderwezen omwille van U. Ik heb de Qur’ān geleerd en gereciteerd omwille van U.’Allāhu Ta‘ālā zal zeggen: ‘Nee, je spreekt niet de waarheid. Jij deed dit zodat mensen zouden zeggen: wat een geleerde, wat een mooie recitatie.’ Vervolgens zal bevolen worden dat hij in het Hellevuur geworpen wordt, en ook hij zal op zijn gezicht worden gesleept en in het Hellevuur worden geworpen.Daarna zal een persoon worden gebracht aan wie Allāhu Ta‘ālā allerlei bezittingen en gunsten had gegeven. De gunsten die hem in het wereldse leven waren gegeven zullen hem worden getoond en hij zal ze erkennen.Vervolgens zal hij ter verantwoording worden geroepen wat hij ermee heeft gedaan. Hij zal zeggen: ‘Ik heb zulke en zulke goede daden verricht, voor Uw welbehagen. Ik heb zulke en zulke dingen gedaan.’Allāhu Ta‘ālā zal zeggen: ‘Nee, jij deed dit enkel zodat mensen zouden zeggen: wat een vrijgevig persoon is hij en zo geschiedde het.’Daarna zal bevolen worden dat ook hij wordt gesleept en in het Hellevuur worden geworpen.” (Muslim, 13/50 ve 51)

Na het overleveren van deze ḥadīth voegde at-Tirmiḏī toe dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vervolgens op zijn knieën sloeg en zei: "O Abû Hurayrah! Deze drie personen zijn degenen die als eersten door het vuur van het Hellevuur zullen worden verbrand.” (at-Tirmiḏī, 2382)

5.10 De persoon die het Paradijs binnengaat zonder verantwoording te moeten afleggen

Van Imrān ibn Husayn (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Uit mijn ummah zullen 70.000 personen het Paradijs binnengaan zonder dat zij ter verantwoording worden geroepen.” (Muslim, 3/88)

Toen de aanwezigen vroegen wie deze mensen waren, zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم):

“Het zijn degenen die de hoop op Allāh nooit verliezen, alles ten goede interpreteren (husn-i zan), tevreden zijn met wat van Allāh komt, en die hun vertrouwen op Allāh stellen.” (al-Bukhārī, 11/406; Aḥmad ibn Ḥanbal, 4/436)

Van Abû Umamah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: Allāhu Ta‘ālā heeft mij beloofd dat Hij 70.000 personen uit Mijn ummah zonder verantwoording in het Paradijs zal plaatsen. Bovendien heeft Hij beloofd dat bij elke groep van duizend van deze mensen nog eens 70.000 mensen, (hoewel zij wel ter verantwoording zullen worden geroepen), niet gestraft zullen worden.”( at-Tirmiḏī, 2437)

at-Tirmiḏī noemt deze ḥadīth gharīb. Ibn Mājah heeft dezelfde ḥadīth opgenomen. (Ibn Mājah, 4286) Abubakr al-al-Bazzār overlevert deze ḥadīth eveneens, met verwijzing naar Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) (Aḥmad ibn Ḥanbal, 5/337).

at-Tirmiḏī vermeldt een andere overlevering van Abdurrahmān, de zoon van Abubakr (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu Ta‘ālā heeft Mij beloofd dat 70.000 mensen van mijn ummah het Paradijs zullen binnengaan zonder verantwoording.”

‘Umar (رضي الله عنه) vroeg: “O Rasûlullāh! Heb je niet meer gevraagd?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Ik heb meer gevraagd, maar dit aantal is wat is gegeven.” (Ahmed b. Hanbal, 1/197 en 2/172)

Abû Wahb wees bij het uitleggen van deze ḥadīth met zijn hand naar iets, maar vermeldde niet hoe groot het precies was. Alleen Allāh kent de waarheid.

at-Tirmiḏī, met verwijzing naar Nafī’, vermeldt een overlevering van Ummu Qays, de zus van Ukkāshah ibn Mihsan (رضي الله عنه) uit de Asad stam: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nam een in Madīnah gebruikte munt in zijn hand en wees het gebied aan van de begraafplaats van Bakī’ tot Garghad, en zei: “Van hier tot hier zullen 70.000 personen stralend als de maan het Paradijs binnengaan zonder verantwoording te hoeven afleggen.”

Een man stond op en zei: "O Rasûlullāh! Verricht du`ā’ dat ik ook tot hen mag behoren."

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: "In orde, jij zult ook onder hen zijn."

Een andere man vroeg hetzelfde, maar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: "Ukkāshah ging je voor.” Muslim heeft dezelfde ḥadīth eveneens opgenomen.

Hafs ibn Abû Jāfir, uit Quraysh, overlevert van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: "Op Yawm al-Qiyāmah zullen de mensen die kennis van de ḥadīth bezitten (ahl al-ḥadīth) komen. Allāhu Ta‘ālā beveelt Jibrīl (عليه السلام) hen te vragen wie zij zijn. Zij zullen antwoorden: ‘Wij zijn degenen die ons bezighouden met de kennis van ḥadīth en naar de aḥadīth handelen.’

Allāhu Ta‘ālā zegt daarop: “Gaat het Paradijs binnen als beloning voor jullie ad‘iyah (ev du‘ā’) en respect voor an-NabīAllah."

Van `ʿAbdullāh ibn ‘Umar (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawm al-Qiyāmah zullen tronen worden geplaatst met koepels van parels, en er zal worden geroepen: 'Waar zijn de juristen (fuqahā) en de geleerden ( `ulamā’)? Waar zijn degenen die de adhān oproepen en mensen die de ṣalāh leiden? Kom hier en neem jullie plaats in! Vandaag hoeven jullie niet bang te zijn.”

Allāhu Ta‘ālā zal de rechten die zij hadden tegenover medemensen aflossen en hun geschillen oplossen. Deze mensen zullen het Paradijs binnengaan zonder verantwoording te hoeven afleggen.”

… Van Ayyūb al-Ansārī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voor een mu’min is het leren (of onderwijzen) van een onderwerp meer verdienstelijk dan een jaar vrijwillige (nafl) ṣalāh. Het is zelfs méér verdienstelijk dan het vrijlaten van een slaaf uit de nakomelingen van Ismā‘īl (عليه السلام).

Degene die kennis zoekt, zijn vrouw respecteert, en goed zorgt voor zijn ouders (en ook grootouders), en hen helpt, zal zonder verantwoording af te leggen rechtstreeks het Paradijs binnengaan.”

Dezelfde hadīth is ook overgeleverd door Ismāʿīl, de zoon van ʿAbd al-Ghafūr, via Hārūn, via Yaḥyā, de zoon van Ḥusayn, de zoon van ʿAlī.

5.11 Meer dan de helft van de bewoners van het Paradijs zal tot de ummah van Muhammad (صلى الله عليه وسلم) behoren

Van Abū Sa‘īd al-Hudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Eens sprak Allāhu Ta‘ālā tot Ādam (عليه السلام), en Ādam (عليه السلام) antwoordde: ‘Beveel, o Allāh.’ Allāhu Ta‘ālā zei: ‘Ga en (begin met) het selecteren uit jouw nakomelingen degenen die naar het Hellevuur zullen gaan.’

Ādam (عليه السلام) vroeg: ‘O mijn Rab! Hoeveel zullen er naar het Hellevuur gaan? Hoe moet ik hen scheiden?’

Allāhu Ta‘ālā zei: ‘Selecteer 999 van elke 1.000 personen en reserveer hen voor het Hellevuur.’"

In de voortzetting van dezelfde ḥadīth zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Ik hoop dat een kwart van de bewoners van het Paradijs uit mijn ummah zal zijn.”

Toen de metgezellen dit hoorden, dankten zij Allāh. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei verder: “Misschien zal Allāhu Ta‘ālā een derde van de bewoners van het Paradijs uit mijn ummah kiezen.”

De metgezellen waren nog blijer. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vervolgde: "Inshā’Allāh zal de helft van de bewoners van het Paradijs tot ons behoren.”

Deze ḥadīth is ook overgeleverd door Hafiz Abū Nu‘aym en al-Bukhārī.

In een andere ḥadīth zei onze Nabī Muhammad (صلى الله عليه وسلم): "Op Yawm al-Qiyāmah zullen alle mensen (en djinn) in 120 rijen staan. De lengte van elke rij is gelijk aan 40.000 jaar lopen, en de breedte is gelijk aan 20.000 jaar lopen.”

Toen hem werd gevraagd: “Hoeveel rijen zullen de mu’mins zijn?”

Antwoordde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “De mu’mins zullen 3 rijen vormen."

Toen hem werd gevraagd naar de overige 117 rijen, antwoordde hij: "Die zullen de mushriks (polytheisten) zijn.”

Toen hem werd gevraagd hoe men de mu’mins van de mushriks kan onderscheiden, zei hij: “De mu’mins zullen duidelijk herkenbaar zijn, als een spierwitte veer op een gitzwarte huid.”

Er zijn enkele verschillen in de verhoudingen en aantallen tussen deze ḥadīth en de voorgaande ḥadīth. Daarom wordt de eerste ḥadīth als betrouwbaarder beschouwd. Deze tweede ḥadīth wordt als “gharīb” beschouwd. Qutbī heeft deze ḥadīth in een van zijn werken onderzocht.”

Abū Bakr ibn Abū Shaybah, … van Abū Sa‘īd al-Khudrī (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wat zouden jullie zeggen als een derde van de bewoners van het Paradijs uit jullie (ummah van Muhammad (صلى الله عليه وسلم) komt?”

De sahābah antwoordden: “Allāh en Zijn Rasûl weten het het best.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg vervolgens: “En wat als de helft van de bewoners van het Paradijs uit deze ummah zou zijn, zouden jullie daar verbaasd over zijn?”

De sahābah antwoordden opnieuw: “Allāh en Zijn Rasûl weten het het best.”

Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Op Yawm al-Qiyāmah zullen alle mensen in 120 rijen staan. Tachtig rijen zullen uit mijn ummah bestaan.”

Van ‘Abdullāh ibn Mas‘ūd (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawm al-Qiyāmah zullen 120 rijen mensen het Paradijs binnengaan, waarvan 80 rijen uit mijn ummah zijn.” Volgens Muslim wordt deze ḥadīth als zwak beschouwd.

In een vergelijkbare ḥadīth overgeleverd door Ibn Husayb (رضي الله عنه) staat:"Het Paradijs zal worden bevolkt door 120 rijen mensen. Tachtig rijen zijn uit mijn ummah. De overige 40 rijen behoren tot andere umam.”( Ibn Mājah, 4289; at-Tirmiḏī, 2546) Volgens at-Tirmiḏī wordt deze ḥadīth als ḥasan beoordeeld, al kan hij in bepaalde opzichten ook als gharīb worden aangemerkt.

Het verzoek aan Ādam (عليه السلام) om de “bewoners van het Hellevuur” te scheiden betekent dat hij de personen die naar het Hellevuur zullen gaan moest selecteren. Sommige geleerden vermelden dat Ādam (عليه السلام) dit deed met hulp van de engelen.

De sahābah, metgezellen en vrienden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), vroegen zich af of zij in die één duizenste deel zouden vallen.

In de voortzetting van de ḥadīth staat: ”Van het volk van Ya’jūj en Ma’jūj zullen 999 personen worden geselecteerd (voor het Hellevuur), en van de mu’mins wordt 1 persoon genomen.” Dit betekent dat de verhouding van de sahābah en mu’mins één duizenste deel is.

Echter, deze één duizenste deel vertegenwoordigt niet de gehele ummah van Muhammad (صلى الله عليه وسلم). Alleen degenen die mu’min zijn, behoren tot dit deel. Degenen die binnen deze ummah kāfir of munāfiq zijn, vallen in de 999ste deel, dat wil zeggen het deel van de bewoners van het Hellevuur. Het noemen van hen (de bewoners van het Hellevuur) als “ummah” is figuurlijk bedoeld; de echte ummah dat zijn de mu’mins.

Sommige aḥadīth benadrukken dat degenen die van het pad van Allāh afdwalen en de Sunnah van de Rasûl niet volgen, niet tot deze ummah worden gerekend. Voor zulke mensen is er geen voorspraak (shafā‘ah).

5.12 Hoeveel poorten heeft het Hellevuur? De angsten en gevaren die mensen bij de poorten van het Hellevuur opwachten. De namen van de poorten van het Hellevuur.

In vele ayāt en aḥādīth worden verschillende namen van het Hellevuur genoemd, zoals: Laẓā, Nār, Cahannam, Jahīm, Saqar, Sa‘īr en Hutamah:Ma‘ārij, 70:15-16كـَلَّآۖ إِنَّهَا لَظَىٰ ١٥ In geen geval! Waarlijk, het zal het Hellevuur zijn!

نَزَّاعَةٗ لِّلشَّوَىٰ ١٦ Die de hoofdhuid wegrukt.

Muddaththir, 74:27-29وَمَآ أَدۡرَىٰكَ مَا سَقَرُ ٢٧ En wat laat jou precies weten wat het Hellevuur is?

لَا تُبۡقِي وَلَا تَذَرُ ٢٨ Zij (het Hellevuur) laat niet (onverteerd) achter en zij laat niet met rust.

لَوَّاحَةٞ لِّلۡبَشَرِ ٢٩ Zij verschroeit (de huid) van de mens.

Qāri‘ah, 101:10-11وَمَآ أَدۡرَىٰكَ مَا هِيَهۡ ١٠ En wat laat jou weten wat zij is?

نَارٌ حَامِيَةُۢ ١١ Dat is een laaiend Hellevuur!

Humazah, 104:5-6وَمَآ أَدۡرَىٰكَ مَا ٱلۡحُطَمَةُ ٥ En wat laat jou weten wat het verpletterende Hellevuur is?

نَارُ ٱللَّهِ ٱلۡمُوقَدَةُ ٦ Het Hellevuur dat Allāh heeft aangestoken.

‘Abdullāh Ibn Mubārak overlevert van Khālid ibn Abū ‘Imrān (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het vuur van het Hellevuur verteert alles wat erin komt. Het verbrandt de mens volledig, tot aan zijn hart (en zijn hersenen, zijn huid, vlees en alle organen). Daarna trekt het zich terug (dat wil zeggen: het dooft uit en vervolgens wordt deze persoon opnieuw in zijn oorspronkelijke staat teruggebracht). Daarna keert het vuur weer terug en verbrandt hem opnieuw tot in zijn hart. Dit zal zich eindeloos blijven herhalen.”

Na deze ḥadīth reciteerde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) enkele ayāt:

Humazah, 104:6: نَارُ ٱللَّهِ ٱلۡمُوقَدَةُ ٦ Het Hellevuur dat Allāh heeft aangestoken.

Takwīr, 81:12: وَإِذَا ٱلۡجَحِيمُ سُعِّرَتۡ ١٢ En wanneer het Hellevuur wordt ontstoken.

Nisā’, 4:10: إِنَّ ٱلَّذِينَ يَأۡكُلُونَ أَمۡوَٰلَ ٱلۡيَتَٰمَىٰ ظُلۡمًا إِنَّمَا يَأۡكُلُونَ فِي بُطُونِهِمۡ نَارٗاۖ وَسَيَصۡلَوۡنَ سَعِيرٗا ١٠

Waarlijk, degenen die onrechtmatig de eigendommen van de wezen eten, eten slechts tot er vuur in hun buiken komt en zij zullen verbrand worden in een laaiend vuur!

Mulk, 67:5: وَلَقَدۡ زَيَّنَّا ٱلسَّمَآءَ ٱلدُّنۡيَا بِمَصَٰبِيحَ وَجَعَلۡنَٰهَا رُجُومٗا لِّلشَّيَٰطِينِۖ وَأَعۡتَدۡنَا لَهُمۡ عَذَابَ ٱلسَّعِيرِ ٥

En voorwaar, Wij hebben de nabije hemel met lampen versierd, en Wij maakten die om er de duivels mee te verdrijven. En Wij hebben voor hen een bestraffing in het laaiende Hellevuur voorbereid.

Fātir, 35:36: وَٱلَّذِينَ كَفَرُواْ لَهُمۡ نَارُ جَهَنَّمَ لَا يُقۡضَىٰ عَلَيۡهِمۡ فَيَمُوتُواْ وَلَا يُخَفَّفُ عَنۡهُم مِّنۡ عَذَابِهَاۚ كَذَٰلِكَ نَجۡزِي كُلَّ كَفُورٖ ٣٦

Maar degenen die ongelovig zijn, voor hen zal het vuur van het Hellevuur zijn. En er is geen beschikking (om dood te gaan) voor hen bepaald, zodat zij zullen sterven, noch zal de bestraffing voor hen verlicht worden. Dus Zo vergelden Wij elke ongelovige!

Nisā’, 4:145: إِنَّ ٱلۡمُنَٰفِقِينَ فِي ٱلدَّرۡكِ ٱلۡأَسۡفَلِ مِنَ ٱلنَّارِ وَلَن تَجِدَ لَهُمۡ نَصِيرًا ١٤٥

Waarlijk, de hypocrieten zullen in de laagste diepte van het Hellevuur zijn, jullie kunnen geen helper voor hen vinden.

Baqarah, 2:24: فَإِن لَّمۡ تَفۡعَلُواْ وَلَن تَفۡعَلُواْ فَٱتَّقُواْ ٱلنَّارَ ٱلَّتِي وَقُودُهَا ٱلنَّاسُ وَٱلۡحِجَارَةُۖ أُعِدَّتۡ لِلۡكَٰفِرِينَ ٢٤

Maar als jullie dat niet kunnen doen, en jullie kunnen dat nooit doen, vrees dan het vuur dat door een brandstof gevoed wordt dat uit mensen en stenen bestaat, zij is gereed gemaakt voor de ongelovigen.

Zumar, 16: لَهُم مِّن فَوۡقِهِمۡ ظُلَلٞ مِّنَ ٱلنَّارِ وَمِن تَحۡتِهِمۡ ظُلَلٞۚ ذَٰلِكَ يُخَوِّفُ ٱللَّهُ بِهِۦ عِبَادَهُۥۚ يَٰعِبَادِ فَٱتَّقُونِ ١٦

Zij zullen bedekkingen van vuur boven hen hebben en bedekkingen (van vuur) beneden hen, hiermee beangstigt Allāh Zijn dienaren: “O Mijn dienaren, vrees Mij hiervoor!”

5.13 Toen het Hellevuur werd geschapen, werden de engelen bang

Ibn Mubārak overlevert .. van Ibn al-Munkadir: “Toen het Hellevuur werd geschapen, werden de engelen heel bang. Ze raakten in paniek en hun harten beefden. Dit bleef zo totdat Ādam (عليه السلام) werd geschapen. Toen Ādam (عليه السلام) werd geschapen, verdween de angst van de engelen en vergaten zij de vrees voor het Hellevuur.”

Mihrān ibn Maymūn vertelt: “Toen het Hellevuur was geschapen, klonk er op bevel van Allāhu Ta‘ālā een verschrikkelijk geluid. Dit geluid dat leek op een gebrul was het geritsel van de vlammen. Toen de engelen dit hoorden, vielen zij op hun gezichten. Daarna vielen zij allen in sajdah (ter aarde werping).

Daarop zei Allāhu Ta‘ālā tegen de engelen: “Wees niet bang! Sta op en hef jullie hoofden. Ik heb grote zegeningen voorbereid voor Mijn dienaren die Mij niet ongehoorzaam zijn. Dit is de bestraffing die Ik heb voorbereid voor de opstandigen.”

De engelen zeiden: ‘O mijn Rab! Wij waren erg bang. Laat ons de bewoners van het Paradijs zien, zodat wij gerustgesteld worden.

Het bewijs hiervoor is deze āyah:

إِنَّ ٱلَّذِينَ هُم مِّنۡ خَشۡيَةِ رَبِّهِم مُّشۡفِقُونَ ٥٧

Waarlijk! Degenen (die in Allāh geloven (waaronder ook de engelen) die in ontzag en vrees (hun hoofden buigen) voor hun Heer leven. (Mū’minūn, 23:57)

Het straffen met vuur behoort alleen tot Allāh, dat wil zeggen dat het een vorm van goddelijke bestraffing is. Daarom zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Straf niemand met vuur en dood geen enkel levend wezen door het in vuur te werpen.”

Allāh weet het het best.

5.14 Angst hebben voor het Hellevuur en huilen uit angst voor het Hellevuur

Ibn Wahb overlevert van Zayd ibn Aslam (رَحِمَهُم اللهُ ) de volgende gebeurtenis: Jibrīl (عليه السلام) kwam op een dag, vergezeld door Israfīl (عليه السلام), naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Israfīl (عليه السلام) zag er uitgeput uit; zijn gelaat was bleek en verwelkt.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg aan Jibrīl (عليه السلام): “Wat is er met Israfīl? Wat is er aan de hand?”

Jibrīl (عليه السلام) antwoordde: “Toen hij voor een opddracht ging, zag hij het vuur van het Hellevuur. Alleen al het korte aanschouwen van dat vuur heeft zijn vleugels beschadigd, en zijn kleur is zo verbleekt."

Ibn Mubārak vermeldt via Maṭraf ibn Muhammad en andere geleerden een andere gebeurtenis: Er was een jonge man uit de Ansār. Uit angst voor het vuur van het Hellevuur begon hij te huilen en sloot hij zich op in zijn huis. Men bracht dit Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) onder zijn aandacht. Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de jongeman bezocht, omhelsde de jongen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en viel plotseling dood neer.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beval: “Was hem en wikkel hem in een lijkwade (kafan). Het vuur van het Hellevuur heeft zijn longen verbrand.”

Harāitī vertelt in zijn boek over de graven over een gebeurtenis met ʿĪsā (عليه السلام):

ʿĪsā (عليه السلام) ontmoette 4.000 vrouwen. Hun uiterlijk was veranderd. Toen hij vroeg waarom ze zo waren, zeiden de vrouwen: “Bij de gedachte aan het Hellevuur, raakten we in deze toestand. Voor degene die het Hellevuur binnengaat is het moeilijk; daar is noch verkoeling noch iets te drinken.”

لَّا يَذُوقُونَ فِيهَا بَرۡدٗا وَلَا شَرَابًا ٢٤ Zij zullen daarin geen koelte en geen drank proeven. (Naba 78:24)

5.15 Over degene die van Allāh het Paradijs verzoekt en bescherming tegen het Hellevuur zoekt

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer iemand drie keer van Allāh het Paradijs verzoekt, verricht het Paradijs voor die persoon de volgende du`ā’: ‘O mijn Rab! Schenk voor Uw dienaar het Paradijs.”

En degene die drie keer bescherming tegen het Hellevuur bij Allāh zoekt, verricht het Hellevuur voor die persoon de volgende du`ā’: ‘O mijn Rab! Red Uw dienaar van het Hellevuur.” (Trimizi, 2572; An-an-Nasā’ī, 5521; Ibn Mājah, 4340; Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/208)

al-Bayhaqī: … van Abū Hurayra (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op een hete dag werpt Allāhu Ta‘ālā een blik op de aarde en de hemel. Daar verricht een dienaar vanaf de aarde (de volgende) du`ā’): ‘O mijn Rab! Wat een hete dag! Bescherm ons tegen het vuur van het Hellevuur.”

Daarop beveelt Allāhu Ta‘ālā aan het Hellevuur: “Een van Mijn dienaars zocht zijn toevlucht bij Mij tegen jou. Wees getuige. Ik heb die dienaar bevrijd van jou en van jouw vuur en hitte.”

Op een zeer koude dag werpt Allāhu Ta‘ālā opnieuw een blik op de aarde en de hemel. Daar verricht een dienaar vanaf de aarde (de volgende) du`ā’): “O mijn Rab! Wat een koude dag! Bescherm ons tegen de kou van het Hellevuur.”

Allāhu Ta‘ālā beveelt opnieuw aan het Hellevuur: “Zie, een van Mijn dienaars zocht zijn toevlucht bij Mij tegen jou. Wees getuige. Ik heb die dienaar bevrijd van jou en jouw intense kou.”

Toen men vroeg: “Bestaat er ook kou in het Hellevuur?” antwoordde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Ja, er is een kou die uitsluitend voor de kāfir bestemd is. Het lichaam van de kāfir zal door deze kou uiteen vallen.”

5.16 Andere uitleg en bewijzen uit de Qur’ān en de Sunnah

Op basis van de Qur’ān en de Sunnah kunnen we zeggen: goede en deugdzame daden met oprechtheid (ikhlās), samen met het geloof (īmān), brengen een persoon dichter bij het Paradijs en houden hem op dezelfde manier verder van het vuur van het Hellevuur. Zolang een persoon īmān heeft (mu’min is), hoe meer goede daden hij verricht, hoe verder hij van het Hellevuur verwijderd wordt en hoe dichter hij bij het Paradijs komt. Bovendien blijft zijn rang in het Paradijs toenemen.

Van Abū Sa‘īd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degene die één dag vast voor Allahs welbehagen, verwijdert Allāhu Ta‘ālā die persoon van het Hellevuur met een afstand gelijk aan 70 jaar lopen, voor dat ene dag vasten.” (al-Bukhārī, 6/47; Muslim, 8/33; Ibn Mājah, 1717; An-an-Nasā’ī, 4/173)

Abū Hurayrah (رضي الله عنه) heeft dezelfde hadīth overgeleverd. (An-an-Nasā’ī, 4/172; Tirmidzī, 1622; Ibn Mājah, 1395 en 1718; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/300)

Van Abū Umāmah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Tussen degene die één dag vast voor Allahs welbehagen en het Hellevuur wordt een enorme gracht geplaatst die zich uitstrekt van oost tot west. De diepte van deze gracht is gelijk aan de afstand tussen de aarde en de hemel. Dit is de beloning die Allāhu Ta‘ālā aan Zijn dienaar geeft voor slechts één dag vasten.” (Tirmidzī, 1624) Tirmidzī merkt op dat deze hadīth ‘gharīb’ is.

Ahmad ibn Sulaymān, bekend als al-at-Tabarānī, overlevert: … vanʿAbdullāh ibn `Umar (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degene die zijn broer voedt tot hij verzadigd is en water geeft tot zijn dorst gelest is, plaatst Allāhu Ta‘ālā tussen hem en het Hellevuur 70 grachten als obstakel. De breedte en diepte van elke gracht is gelijk aan een afstand van 100 jaar lopen.”

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degene die op de juiste manier een goede wudū’ verricht en daarna een (zieke) mu’min bezoekt, wordt van het Hellevuur 70 jaar verder verwijderd.” (Abū Dāwūd, 3081)

Van een van de sahabi, Adī ibn Ḥātim (رضي الله عنه): Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Al is het een halve dadel (als sadaqah) bescherm jezelf tegen het vuur van het Hellevuur.”( al-Bukhārī, 11/400; Muslim, 7/100) Deze formulering is van Imām Muslim; Imām al-Bukhārī heeft een vergelijkbare tekst.

5.17 Hoeveel niveaus heeft het Hellevuur en wie bevindt zich in elk niveau?

In Qur’ān staat:إِنَّ ٱلۡمُنَٰفِقِينَ فِي ٱلدَّرۡكِ ٱلۡأَسۡفَلِ مِنَ ٱلنَّارِ وَلَن تَجِدَ لَهُمۡ نَصِيرًا ١٤٥

Waarlijk, de hypocrieten zullen in de laagste diepte van het Hellevuur zijn, jullie kunnen geen helper voor hen vinden. (Nisā’, 4:145)

De Hel heeft zeven niveaus. Naar beneden gaande niveaus worden ṭabaqah genoemd, naar boven gaande niveaus darajah. In het Paradijs is er darajah (verheffing) en in het Hellevuur is er ṭabaqah (verlaging). Met andere woorden: het Hellevuur heeft zeven verschillende lagen of plaatsen.

De hypocrieten bevinden zich op de laagste laag, genaamd Hawiyah. Dit is het deel van het Hellevuur waar de bestraffing het hevigst is en waar de genade van Allāh het verst weg is.

De extreme hardheid van deze straf voor de hypocrieten komt door hun hypocrisie; verraad aan de mu’mins en de mu’mins in de rug steken. Bij de kāfirs is het kwaad te voorzien en kunnen maatregelen worden genomen.

Volgens de geleerden is de bovenste laag van het Hellevuur bestemd voor de zondige mu’mins uit de ummah van Muhammad (صلى الله عليه وسلم). De straf daar is lichter. Degenen die daar verblijven zullen niet eeuwige het Hellevuur verblijven. Op een dag zullen zij zeker uitgaan en het Paradijs binnengaan.

De volgende lagen zijn in volgorde van de ernst van de bestraffing:Laẓā, Hutamah, Sa‘īr, Saqār, Jahīm, en de laagste laag is Hawiyah. In boeken over Zuhd en Raqā’iq (praktische vroomheid en hartverzachtende herinneringen) worden deze lagen en wie zich in elke laag bevindt uitvoerig beschreven. Volgens Dāhhāk is het als volgt:

Op de bovenste laag bevinden zich zondige mu’mins.

Daaronder bevinden zich christenen, nog lager de joden.

Vervolgens de Sabiërs en Majusiërs.

Daaronder de polytheisten.

Op de laagste laag bevinden zich de hypocrieten (munāfiqs).

Mu‘ādh ibn Jabal (رضي الله عنه) beschrijft de slechte onder de mensen van kennis als volgt:

"Degenen die preken om mensen bezig te houden, zullen bestraft worden in de bovenste laag van het Hellevuur.

Degenen die met hun kennis de onrechtvaardigen ondersteunen, zullen in de tweede laag worden bestraft.

Degenen die hun kennis verbergen, zullen in de derde laag worden bestraft.

Degenen die kennis zoeken omwille van roem, zullen in de vierde laag worden bestraft.

Degenen die de religies van de joden en christenen leren en er waarde aan hechten, zullen in de vijfde laag worden bestraft.

Degenen die zichzelf als zeer geleerd beschouwen en denken alles te weten, zullen zich in de zesde laag van het Hellevuur bevinden.

En degenen die naar eigen inzicht fatwā geven, zullen bestraft worden in de zevende en laagste laag van het Hellevuur.”

Mu‘ādh ibn Jabal (رضي الله عنه) kan deze woorden niet uit zichzelf hebben gesproken; hij moet hiervoor een bewijs hebben gehad of iets hebben gehoord van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).

5.18 Het vuur van het Hellevuur wordt elke dag opnieuw aangewakkerd en haar poorten worden, uitgezonderd vrijdag, andere dagen van de week opengehouden

Abū Nu‘aym overlevert,… van ‘Abdullāh ibn ‘Amr ibn al-‘Ās (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: "Het vuur van het Hellevuur wordt elke dag opnieuw aangewakkerd; het wordt dagelijks opnieuw ontstoken en laat zijn vlammen oplaaien. Haar poorten zijn elke dag geopend, behalve op vrijdag. Op vrijdag brandt het vuur van het Hellevuur niet en zijn haar poorten gesloten."

Deze ḥadīth wordt als gharīb beschouwd, omdat ‘Abdullāh buiten deze overlevering geen andere ḥadīth via Makhūl heeft overgeleverd. Deze ḥadīth is alleen via Nu‘mān tot ons gekomen. Dat wil zeggen: op vrijdag gaat niemand het Hellevuur binnen en ondergaat niemand bestraffing. Dat is wat uit deze ḥadīth begrijpen.

5.19 De Hel heeft zeven poorten

لَهَا سَبۡعَةُ أَبۡوَٰبٖ لِّكُلِّ بَابٖ مِّنۡهُمۡ جُزۡءٞ مَّقۡسُومٌ ٤٤

Zij heeft zeven poorten, aan iedere poort is er een klasse toegewezen. (Ḥijr, 15:44)

وَسِيقَ ٱلَّذِينَ كَفَرُوٓاْ إِلَىٰ جَهَنَّمَ زُمَرًاۖ حَتَّىٰٓ إِذَا جَآءُوهَا فُتِحَتۡ أَبۡوَٰبُهَا َ ٧١

En zij die ongelovig zijn zullen in groepen naar het Hellevuur gedreven worden. Wanneer zij deze bereiken, zullen de poorten daarvan geopend worden… (Zumar, 39:71)

Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De Hel heeft zeven poorten. Eén van deze poorten is bestemd voor degenen die het zwaard trekken tegen mijn ummah.” Deze ḥadīth is overgeleverd door Tirmidzī. Volgens Tirmidzī is deze ḥadīth gharīb, omdat de enige overleveraar Mighwal ibn Mālik is.

Volgens ons is Mighwal oorspronkelijk afkomstig uit Kūfa en een betrouwbare persoon. Vele geleerden van ḥadīth, waaronder al-Bukhārī en Muslim, hebben overleveringen van hem overgeleverd.

5.20 Afstand tussen de poorten van het Hellevuur en de voorbereiding van de straf op elk niveau

Sommige geleerden hebben de āyah:

لَهَا سَبۡعَةُ أَبۡوَٰبٖ لِّكُلِّ بَابٖ مِّنۡهُمۡ جُزۡءٞ مَّقۡسُومٌ ٤٤

Zij heeft zeven poorten, aan iedere poort is er een klasse toegewezen. (Ḥijr, 15:44)

als volgt uitgelegd: Elke poort van de zeven poorten van het Hellevuur ligt op een afstand van 500 jaar reis van de andere. In deze niveaus zullen kāfirs, munāfiqs en zondige mu’mins afzonderlijk gestraft worden.

Eerste poort - al-Jahannam (de Hel)De naam van deze poort is al-Jahannam, afkomstig van het woord jahm, wat ook “aanval” betekent. Het vuur dat uit deze poort komt, reikt tot aan de gezichten van de mensen. De vlammen die op hun gezichten slaan, verbranden hun vlees tot as. Dit is de poort met de lichtste straf. Hier zullen degenen uit de ummah van Muhammad (صلى الله عليه وسلم) die grote zonden hebben begaan, gestraft worden. In tegenstelling tot de andere poorten zullen zij niet voor altijd in het Hellevuur blijven.

Tweede poort – al-LazāDe naam van dit niveau en poort is al-Laẓā. Het vuur verbrandt handen en voeten tot as. In dit niveau bevinden zich degenen die niet geloven in wat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gebracht. Specifiek voor dit niveau is dat degenen zonder het geloof in tawhīd zullen hier worden gestraft. (Volgens Dhahhāk zullen hier de christenen gestraft worden.)

Derde poort – as-SaqarDit niveau heet as-Saqar. Het vuur verbrandt geen botten, alleen het vlees. De betekenis van Saqar is ook dit. (Volgens Dhahhāk zullen hier de joden gestraft worden.)

Vierde poort – al-HutamahDit nivea opent via de poort al-Hutamah, genoemd in surah Humazah. Het vuur hier verbrandt ook botten en interne organen. De vlammen dringen vanaf de voeten door tot het hart.

إِنَّهَا تَرۡمِي بِشَرَرٖ كَٱلۡقَصۡرِ ٣٢ Waarlijk! Zij (het Hellevuur) werpt vonken als kastelen.

كَأَنَّهُۥ جِمَٰلَتٞ صُفۡرٞ ٣٣ Alsof zij gele kamelen waren. (Murselāt, 77:32-33)

De bewoners van dit niveau beginnen te huilen, maar hun tranen raken op. Vervolgens stroomt er bloed uit hun ogen, en daarna droogt ook dat op.

Ten slotte verdwijnen zelfs de oogwitten. Moge Allāh ons beschermen tegen een dergelijke straf. (Volgens Dhahhāk zullen hier de Sabianen gestraft worden.)

Vijfde poort – al-JahīmDit nivea heet al-Jahīm. Een enkele vonk van het vuur hier is groter dan de wereld. Deze naam verwijst naar de enorme omvang van het vuur. (Volgens Dhahhāk zullen hier de Majūs (Zoroastristen) en polytheïsten (mushriks ) gestraft worden.)

Zesde poort – as-SaîrDe zesde poort opent naar het niveau as-Saîr, wat “vuur dat nooit dooft” betekent. Het vuur hier brandt sinds de dag dat het Hellevuur werd geschapen. In dit niveau zijn duizenden paleizen, in elk paleis duizenden kamers, en in elke kamer duizenden soorten straffen en verschillende dieren. De straf hier is zo intens dat de bewoners van de vijf voorgaande niveaus erdoor beïnvloed worden en toevlucht zoeken bij Allāh. (Volgens Dhahhāk zullen hier de kāfirs en andere polytheïsten (mushriks )gestraft worden.)

Zevende poort – al-HâviyahDe zevende en onderste poort heet al-Hâviyah, wat “gloeiende kool” of “lava” betekent. Als het vuur hier even zou afzwakken, wordt het onmiddellijk weer heviger. Zelfs het vuur zelf zou hier zwak afsteken (tegen al-Hâviyah) en toevlucht zoeken bij Allāh. De vlammen van de andere niveaus van het Hellevuur vluchten weg voor deze vlam.

مَّأۡوَىٰهُمۡ جَهَنَّمُۖ كُلَّمَا خَبَتۡ زِدۡنَٰهُمۡ سَعِيرٗا ٩٧

… Hun verblijfplaats zal het Hellevuur zijn en als het Hellevuur afneemt zullen Wij voor hen de felheid van het vuur doen toenemen. (Isrā, 17:97)

Dit is de plek met de zwaarste straf in het Hellevuur. De vlammen hier zijn als een berg;سَأُرۡهِقُهُۥ صَعُودًا ١٧ Wij zullen het tot een berg opstapelen. (Muddaththir, 74:17)

Hiermee worden de vlammen bedoeld, die als bergen omhoog rijzen.

(Volgens Dhahhāk zullen hier de hypocrieten (munāfiqs) worden gestraft.

إِنَّ ٱلۡمُنَٰفِقِينَ فِي ٱلدَّرۡكِ ٱلۡأَسۡفَلِ مِنَ ٱلنَّارِ وَلَن تَجِدَ لَهُمۡ نَصِيرًا ١٤٥

Waarlijk, de hypocrieten zullen in de laagste diepte van het Hellevuur zijn, jullie kunnen geen helper voor hen vinden. ( Nisā’, 4:145)

Degenen die in de laatste zes niveau gestraft worden, blijven voor altijd in het Hellevuur. Alleen degenen uit het bovenste niveau (mu’mins van wie de zonden groter zijn dan hun verdiensten) blijven niet eeuwig in het Hellevuur. Zij ontvangen straf naar de mate van hun zonden en gaan daarna naar het Paradijs. Dit is eerder uitgebreid uitgelegd in de voorgaande secties.

De poorten van het Hellevuur zijn gemaakt van een soort ijzer: ze openen niet, breken niet en branden niet. Wie hier binnengaat, kan niet zonder toestemming vertrekken. Elk niveau van het Hellevuur is bedekt met doornen. Ondanks het vuur dat overal brandt, blijft het daar pikdonker.

5.21 De grootte en majesteit van het Hellevuur. Hoeveel engelen zijn in het Hellevuur in functie?

Van `Abdullāh ibn Mas‘ūd (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah zal het Hellevuur worden voortgesleept. Het heeft 70.000 kettingen. Aan het uiteinde van elke ketting houden 70.000 engelen vast.”( Muslim, 17/179; Tirmidhi, 2573)

Ibn Jahb vermeldt, van Zayd ibn Aslam (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd bezocht door Jibrīl (عليه السلام). Hij bleef een tijd en vertrok daarna. Nadat Jibrīl (عليه السلام) was vertrokken, keken wij naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zagen dat hij van streek was. Wij stuurden ʿAlī (رضي الله عنه) om te vragen wat er aan de hand was. ʿAlī (رضي الله عنه) kwam bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en vroeg wat er gebeurd was. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: "Jibrīl (عليه السلام) kwam naar mij en reciteerde de āyah: '

كـَلَّآۖ إِذَا دُكَّتِ ٱلۡأَرۡضُ دَكّٗا دَكّٗا ٢١ Nee! Wanneer de aarde met klappen verpulverd wordt. (Fajr, 89:21)

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vervolgde: "Op Yawmu’l Qiyāmah zal het Hellevuur door de engelen worden gesleept naar het Mahshar-plein. Het heeft 70.000 kettingen. Aan het uiteinde van elke ketting trekken 70.000 engelen, waarbij zij proberen het Hellevuur onder controle te houden. Soms wordt het Hellevuur echter zo majestueus dat hij uit hun handen ontsnapt. Dan slagen de engelen er met moeite in hem opnieuw vast te grijpen. Als zij hem loslieten, zou het Hellevuur iedereen daar verbranden en verzwelgen."

het Hellevuur is de naam die wordt gegeven aan alle niveaus die wij eerder hebben genoemd. In specifieke zin wordt het woord het Hellevuur gebruikt voor de hoogste niveau (van de Hel). Hier zullen de mu’mins met meer zonden (sayyiāt) dan verdiensten (hasanāt) hebben, bestraffing ondergaan. Maar in algemene zin is het Hellevuur de naam die wordt gegeven aan de zeven poorten, inclusief Saqar en Hāwiyah.

Uit de ahādīth begrijpen wij dat het Hellevuur en het Paradijs al zijn geschapen toen het universum werd geschapen, en mogelijk zelfs nog eerder.

Ook de ahādīth over het graf wijzen hierop. Op Yawmu’l Qiyāmah zal het Hellevuur naar een plaats worden gebracht waar de mensen het kunnen zien. Daarna wordt het teruggebracht naar zijn plaats en daar gevestigd.

De uitdrukking van 70.000 kettingen die in de hadīth wordt genoemd, duidt op de enorme grootte van het Hellevuur. Dat het soms uit de handen van de engelen ontsnapt, is te wijten aan de woede die het Hellevuur voelt tegenover de kāfirs en de zondaren. Dat de engelen moeite hebben om het Hellevuur onder controle te houden, is bovendien een aanwijzing voor de hevigheid van de bestraffing daarin.

Ibn Wahb overlevert van ʿAbdurrahmān ibn Zayd (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De afstand tussen de twee schouders van de engelen die belast zijn met het Hellevuur is gelijk aan de afstand tussen het oosten en het westen.”

Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما): “De afstand tussen de schouders van de engelen die belast zijn met het Hellevuur bedraagt een reis van één jaar. Een mens zou een heel jaar nodig hebben om van de ene schouder naar de andere te lopen. Deze engel is zo sterk dat hij met één slag van zijn knots 70.000 mensen in het Hellevuur werpt.”

Met de āyah:

عَلَيۡهَا تِسۡعَةَ عَشَرَ ٣٠ Over haar waken negentien (engelen). (Al-Muddaththir, 74:30)

wordt de engelen die leiding geven over deze engelen bedoeld. Dat wil zeggen: er zijn 19 grote engelen die verantwoordelijk zijn voor de engelen van het Hellevuur. Aan het hoofd van al deze engelen staat Mālik.

Wat betreft het aantal engelen dat hier werkzaam is:

… وَمَا يَعۡلَمُ جُنُودَ رَبِّكَ إِلَّا هُوَۚ …En niemand kent an de legerscharen van jullie Heer, behalve Hij. (Al-Muddaththir, 74:31)

5.22 Over de breedte van het Hellevuur en het aantal koepels ervan

وَإِذَآ أُلۡقُواْ مِنۡهَا مَكَانٗا ضَيِّقٗا مُّقَرَّنِينَ دَعَوۡاْ هُنَالِكَ ثُبُورٗا ١٣

En als zij (de bewoners van het Hellevuur) in een nauwe plaats daarvan gegooid worden, aan elkaar geketend, dan zullen zij daar om hun vernietiging roepen. (Al-Furqān, 25:13)

وَقُلِ ٱلۡحَقُّ مِن رَّبِّكُمۡۖ فَمَن شَآءَ فَلۡيُؤۡمِن وَمَن شَآءَ فَلۡيَكۡفُرۡۚ إِنَّآ أَعۡتَدۡنَا لِلظَّٰلِمِينَ نَارًا أَحَاطَ بِهِمۡ سُرَادِقُهَاۚ وَإِن يَسۡتَغِيثُواْ يُغَاثُواْ بِمَآءٖ كَٱلۡمُهۡلِ يَشۡوِي ٱلۡوُجُوهَۚ بِئۡسَ ٱلشَّرَابُ وَسَآءَتۡ مُرۡتَفَقًا ٢٩

En zeg: “De Waarheid is van jullie Heer.” Ieder die wil, laat hem geloven en ieder die niet wil, laat hem ongelovig zijn. Waarlijk, Wij hebben voor de onrechtvaardigen een vuur voorbereid waarvan de muren hen zullen omringen. En als zij om hulp vragen dan zullen zij water krijgen als kokende olie, dat hun gezichten zal branden. Vreselijk om te drinken en een kwade rustplaats. (Kahf, 18:29)

Ibn al-Mubārak overlevert: …Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) vroeg ons op een dag: "Weten jullie hoe groot het Hellevuur is?"

Ik antwoordde: “Neen”. Daarop zei hij: “Je hebt gelijk gesproken. Niemand weet dat. Op die Dag zullen de lichamen van de bewoners van het Hellevuur enorm groot zijn. Tussen de schouder en de nek van één persoon zullen zich tientallen valleien van bloed en etter bevinden."

Daarna vroeg hij: “Weet je hoe groot de Brug (Sirāt) is die over het Hellevuur zal worden geplaatst?”

Wij antwoordden opnieuw: “Neen”. Hij zei dat deze zo groot is dat alle mensen erop zullen passen, en hij verwees naar de volgende hadīth:

ʿĀ’ishah (رضي الله عنها) vroeg, met betrekking tot de āyah:

وَمَا قَدَرُواْ ٱللَّهَ حَقَّ قَدۡرِهِۦ وَٱلۡأَرۡضُ جَمِيعٗا قَبۡضَتُهُۥ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ وَٱلسَّمَٰوَٰتُ مَطۡوِيَّٰتُۢ بِيَمِينِهِۦۚ سُبۡحَٰنَهُۥ وَتَعَٰلَىٰ عَمَّا يُشۡرِكُونَ ٦٧

Zij achten Allāh niet met de achting die Hem toekomt, terwijl Hij op Yawm al-Qiyāmah de aarde volledig in Zijn greep heeft, en de hemelen in Zijn rechterhand opgerold zullen zijn. Verheerlijkt is Hij, en Verheven boven alles wat zij als deelgenoten aan Hem toekennen! (Zumar, 39: 67)

“Waar zullen de mensen zich dan bevinden?”

Zij kreeg van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het volgende antwoord: "Op dat moment zullen alle mensen zich op de Brug boven het Hellevuur bevinden.” (at-Tirmiḏī, 3241) Volgens at-Tirmiḏī is deze hadīth ṣaḥīḥ.

Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Elke koepel van het Hellevuur heeft vier muren, en elke muur is zo groot als een afstand van veertig jaar lopen.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/29; at-Tirmiḏī, 7/305)

Ibn al-Mubārak overlevert: … van Qatādah (رضي الله عنه): De Onderstaande) āyah heeft hij als volgt uitgelegd::وَإِذَآ أُلۡقُواْ مِنۡهَا مَكَانٗا ضَيِّقٗا مُّقَرَّنِينَ دَعَوۡاْ هُنَالِكَ ثُبُورٗا ١٣

En als zij in een nauwe plaats daarvan gegooid worden, aan elkaar geketend, dan zullen zij daar om hun vernietiging roepen. (Furqān, 25:13)

“De Hel is in werkelijkheid zeer groot. Maar om de kāfir te bestraffen, zal zij vernauwd worden en zijn lichaam samenpersen.” Saʿlabī en Qushayrī vermelden ook dat deze uitleg teruggaat op Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما).

5.23 De Hel bevindt zich onder de grond. De zee is een sluier tussen de Hel en de aarde

Van ʿAbdullāh ibn ʿAmr (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Of iemand nu een strijder is, een Haj of een ʿumrah verricht, wie over zee reist, moet weten dat zich onder de zee vuur bevindt.” Volgens Abū ʿUmar is de overleveringsketen van deze hadīth zwak.

ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما), zei: “Verricht geen wuḍū’ met zeewater, want de zee is één van de lagen van het Hellevuur.” Volgens Abū ʿUmar is ook de overleveringsketen van deze hadīth zwak.

Wahb ibn Munabbih (رَحِمَهُ اللهُ) zegt in de tafsīr van surah Qāf:

Dhū’l-Qarnayn (عليه السلام) kwam bij een berg en zag dat zich onder deze berg nog andere kleinere bergen bevonden. Hij vroeg aan die berg: "Wie ben jij?"

De berg antwoordde: "Ik ben de berg Qāf."

Hij vroeg: "En wat zijn deze dingen naast jou?"

De berg Qāf zei: "Dit zijn mijn aderen en kanalen. Naar elke stad stroomt er vanuit mij een kanaal. Wanneer Allāh een aardbeving op een plaats wil laten plaatsvinden, geeft Hij mij het bevel. Ik breng dan het kanaal dat naar die stad leidt in beweging, en zo ontstaat daar een aardbeving."

Dhū’l-Qarnayn (عليه السلام) zei tegen de berg Qāf: "Kun je mij iets tonen dat wijst op de Grootheid van Allāh?"

De berg Qāf zei: "Ik kan dat doen, maar de meeste mensen zullen het als verbeelding of onzin beschouwen."

Dhū’l-Qarnayn (عليه السلام) zei: "Toch, laat mij er een klein voorbeeld van zien."

De berg Qāf zei: "Achter mij bevindt zich een berg die zich op een afstand van 500 jaar bevindt. De breedte en lengte ervan zijn elk 500 jaar. Het is een berg van ijs en sneeuw. Als die berg er niet was, zou het Hellevuur mij verbranden en tot as maken."

Onze shaykh (al-Qurṭubī) zegt: "Deze overleveringen duiden erop dat het Hellevuur zich dicht bij de wereld bevindt."

5.24 Over het koken van de zeeën op Yawm al-Qiyāmah. De zon en maan zullen ook in het vuur geworpen en verbrand worden

وَإِذَا ٱلۡبِحَارُ سُجِّرَتۡ ٦ En wanneer de zeeën tot koken gebracht worden. (Takwīr, 6)

Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) zegt over deze āyah: “Dat wil zeggen: de zeeën zullen in brand vliegen en vuur worden.”

وَجُمِعَ ٱلشَّمۡسُ وَٱلۡقَمَرُ ٩ En de zon en de maan samen zullen komen. (Qiyāmah,75: 9)

Ibn Wahb vertelt, ʿAtā ibn Yasār heeft deze āyah als volgt verklaard: “De zon en de maan zullen worden samengebracht en opgerold tot een bol. Daarna zullen zij in het vuur worden geworpen en verbranden.”

Abū Dāwūd overlevert in zijn Musnad, via Yazīd ar-Rukāshī, van ʿAnas (رضي الله عنه) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De zon en de maan zullen worden gebracht als twee onvruchtbare ossen en in het vuur geworpen.” Kaʿb al-Aḥbār vermeldt ook een vergelijkbare overlevering.

De wijsheid achter het in het Hellevuur werpen en verbranden van de zon en de maan is als volgt: sommige afgodendienaars (mushriks ) vereren de maan en de zon. Op Yawmu’l Qiyāmah zullen deze in het vuur worden geworpen en verbrand, om aan deze mushriks te tonen dat hun religie leeg en ongegrond is. Zo raken de mushriks volledig hopeloos.

Daarnaast is dit ook een straf voor de zon en de maan, omdat zij door aanbidding van de kāfirs hun deel van de bestraffing verdienen.

Via ʿIkrimah, van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu Taʿālā schiep het gehele universum en stelde de regels vast waarmee het universum zou functioneren. Daarna schiep Hij uit het licht van de ʿArsh de zon en de maan. Uiteindelijk schiep Hij Ādam (عليه السلام).”

5.25 Over hoe heet het vuur van het Hellevuur is en de hevigheid van de bestraffing daarin

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het vuur van het Hellevuur werd duizend jaar lang aangewakkerd totdat het roodgloeiend werd. Daarna werd het nog eens duizend jaar aangewakkerd totdat het wit werd. Vervolgens hebben (de engelen) het nog eens duizend jaar aangewakkerd en werd het pikzwart.”(at-Tirmiḏī, 2591; Ibn Mājah, 4320)

at-Tirmiḏī zegt: deze hadīth, overgeleverd van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), is mawqūf; dat wil zeggen dat er een onderbreking is in de overleveringsketen. Toch is dit de meest authentieke overlevering hierover, want niemand anders dan Yaḥyā ibn Abū Bakr, heeft dit via Shurayk overgeleverd (رَحِمَهُم اللهُ).

Ibn al-Mubārak zegt dat de ḥadīth van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) met dezelfde betekenis aan hen is verteld, maar het is niet expliciet aangegeven dat het een hadīth van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was.

Imām Mālik overlevert … van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), die zei: “Denken jullie dat het vuur van het Hellevuur is zoals het vuur van deze wereld? Nee, helemaal niet. Het vuur van het Hellevuur is pikzwart als teer.”

Ibn al-Mubārak overlevert … van Salmān al-Fārisī (رضي الله عنه): “Het vuur van het Hellevuur is pikzwart en duister. Noch zijn vlam, noch zijn gloed geeft enig licht.

كُلَّمَآ أَرَادُوٓاْ أَن يَخۡرُجُواْ مِنۡهَا مِنۡ غَمٍّ أُعِيدُواْ فِيهَا وَذُوقُواْ عَذَابَ ٱلۡحَرِيقِ ٢٢

Iedere keer als zij daarvan (de benauwdheid en duisternis waarin zij verkeren) weg proberen te komen, uit leed, worden zij daartoe terug gedreven en (er zal) tegen hen gezegd worden: “Proef de bestraffing van het branden!” (Haj, 22:22)

Imām Mālik overlevert, … van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het vuur dat jullie in deze wereld ontsteken, is slechts één van de zeventig delen van het vuur van het Hellevuur, of het heeft slechts een zeventigste van de intensiteit van het vuur van het Hellevuur.” (al-Bukhārī, 6/330; at-Tirmiḏī, 2589; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/313)

De metgezellen zeiden: “O Rasûlullāh, zelfs dat is al zeer hevig.”

Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Het zal zelfs nog negenenzestig keer sterker worden gemaakt.” (Muslim, 17/179)

Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het vuur dat jullie in deze wereld gebruiken, is zeventig keer (kouder) dan het vuur van het Hellevuur. Een deel van het vuur van het Hellevuur is tweemaal met water gedoofd en zo veranderd in het vuur van de wereld. Dit wereldse vuur smeekt Allāh om niet terug te keren naar het Hellevuur.”

Deze overlevering is afkomstig van Ibn Mājah. Sufyān ibn ʿUyaynah heeft een soortgelijke hadīth overgeleverd van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het vuur van het Hellevuur is zeventig keer heviger dan het vuur dat jullie in deze wereld gebruiken. Als het vuur van het Hellevuur niet tweemaal met water was gedoofd, zou het op aarde niet bruikbaar zijn geweest.”

Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) zei: “Het vuur dat wij gebruiken is zo geworden doordat het vuur van het Hellevuur zeven keer in zeewater is ondergedompeld. Anders zou het onmogelijk zijn dit vuur in de wereld te gebruiken.” Deze opvatting is overgeleverd door Abū ʿUmar.

ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه) zei: “Het vuur dat wij in deze wereld gebruiken, is het vuur van het Hellevuur dat tien keer in zeewater is gewassen.”

Toen aan Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) werd gevraagd naar de relatie tussen het vuur van deze wereld en dat van het Hellevuur, antwoordde hij: “Het wereldse vuur is verkregen doordat het vuur van het Hellevuur zeventig keer in water is ondergedompeld. Anders zou niemand dit vuur kunnen benaderen.”

In een andere hadīth, van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:“Op Yawmu’l Qiyāmah zal de meest welvarende en gelukkigste man uit de wereld onder de bewoners van het Hellevuur worden gebracht. Hij zal in het Hellevuur worden geplaatst en er weer uit worden gehaald.

Vervolgens zal Allāhu Taʿālā hem vragen: ‘Herinner jij je dat je ooit iets goeds hebt meegemaakt?’

Hij zal zeggen: ‘Nee, mijn Rab. Ik herinner mij niet dat ik ooit iets goeds heb meegemaakt.’

Daarna zal een man uit de bewoners van het Paradijs worden gebracht die in de wereld een zwaar leven heeft gehad. Hij zal in het Paradijs worden geplaatst. Vervolgens zal Allāhu Taʿālā hem vragen: ‘Denk eens na: heb jij ooit iets slechts meegemaakt? Of herinner je je dat je ooit verdrietig was of wanhopig?’

Hij zal antwoorden: ‘Bij Allāh, mijn Rab, ik herinner mij niet dat ik ooit verdriet heb gehad of dat mij iets slechts is overkomen.” (Muslim, 17/149; Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/203; Ibn Mājah, 4321)

… Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als een man die in het Hellevuur wordt bestraft zijn hand naar de wereld zou uitstrekken, zou de hitte ervan alles op aarde verbranden en tot as doen vergaan.

En als één van de engelen die belast zijn met het Hellevuur een klein stukje vuur in zijn hand zou nemen en dit naar de wereld zou brengen en het aan de mensen zou tonen, dan zouden alle levende wezens bij het zien van dit vuurblok neervallen en sterven, door de impact van dit teken van Allāh's toorn.”

al-Bazzār vermeldt in zijn Musnad, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als er in deze moskee 100.000 of zelfs meer mensen aanwezig zouden zijn, en vervolgens iemand van degenen die in het Hellevuur worden bestraft naar binnen zou komen en daar zou blazen, dan zou iedereen binnenin verbranden en tot as vergaan.”

De betekenis van deze hadīth is als volgt: Zelfs als al het vuur van de wereld zou worden samengebracht, zou het nog niet meer zijn dan één zeventigste deel van de hitte van het vuur van het Hellevuur zijn. Met andere woorden: zelfs als we al het brandbare op aarde zouden verzamelen en het grootste vuur ter wereld zouden ontsteken, zou het nog steeds zeventig keer kouder zijn dan het vuur van het Hellevuur.

De betekenis van de daaropvolgende ahādīth is als volgt: Het vuur dat zeventig keer heter is dan het wereldse vuur behoort tot het niveau laag van het Hellevuur. Het vuur in de andere niveau’s is nog vele malen heviger. Zo vermeldt een hadīth dat het vuur in sommige lagen van het Hellevuur 960 keer sterker is dan dat van het eerste niveau

5.26 Spreken en klagen van het Hellevuur en over de diepte van het Hellevuur

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De Hel sprak en klaagde aldus tot Allāh: ‘Mijn Rab! Mijn vuur heeft zichzelf overweldigd; de vlammen in mij verteren elkaar en raken opgebrand.’Daarop gebood Allāhu Taʿālā dat het Hellevuur tweemaal zou worden geventileerd en tot rust gebracht: één keer in de winter en één keer in de zomer.” (at-Tirmiḏī, 2592; Ibn Mājah, 4319; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/238) al-Bukhārī en Muslim hebben deze hadīth eveneens overgeleverd.( al-Bukhārī, 2/18; Muslim, 5/119)

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Op een keer hoorden wij een beving en een gebrul. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg of wij wisten wat dat was.Wij antwoordden: “U weten het beter.”

Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Dit is een steen die zeventig jaar geleden in het Hellevuur werd geworpen, en hij heeft zojuist de bodem bereikt.” ( Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/371; Muslim, 17/179)

Ḥasan al-Baṣrī heeft, via ʿUtbah ibn Ghazwān, in de moskee van Baṣrah de volgende hadīth van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overgeleverd: “Een enorme steen wordt in het Hellevuur geworpen en blijft zeventig jaar lang naar beneden vallen, maar bereikt nog steeds niet de bodem.” (at-Tirmiḏī, 2575)

Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما) zei: “Het vuur van het Hellevuur is uiterst hevig, zeer groot en zeer diep. Haar pilaren en poorten zijn van ijzer.” at-Tirmiḏī zegt: deze hadīth is gharīb, omdat het niet bekend is of Ḥasan al-Baṣrī daadwerkelijk van ʿUtbah heeft overgeleverd.

Hishām ibn Bashīr, heeft via Ibn Abī Maryam al-Khuzāʿī, van Ummāmah (رضي الله عنه), een soortgelijke overlevering vermeld.

Ibn al-Mubārak heeft, via Yūnus ibn Yazīd, en az-Zuhrī, nog een andere hadīth overgeleverd van Muʿādh ibn Jabal (رضي الله عنه) over dit onderwerp.

Kaʿb al-Aḥbār zei: “Wanneer het Hellevuur buldert (door het ontbranden van haar vuur), raken zelfs de grote engelen en de anbiyā’ in angst en vallen zij bewusteloos neer.”

Dat het Hellevuur bij Allāh klaagt, moet niet figuurlijk worden opgevat, maar letterlijk. Op Yawmu’l Qiyāmah zullen alle schepselen op hun eigen manier spreken. Wij kunnen de aard hiervan niet volledig begrijpen.

Volgens de geloofsprincipes van Ahl as-Sunnah is er voor spreken geen taal, lichaam of uitspraak noodzakelijk. Bovendien hoeft een wezen dat spreekt niet noodzakelijk levend te zijn in de zin die wij begrijpen. Dus het Hellevuur kan op haar eigen manier spreken.

In eerdere ahādīth is al vermeld dat het Paradijs en het Hellevuur met elkaar discussiëren.

De Qur’ān wijst ook op bepaalde handelingen van het Hellevuur: كـَلَّآۖ إِنَّهَا لَظَىٰ ١٥ In geen geval! Waarlijk, het zal het Hellevuur zijn!

نَزَّاعَةٗ لِّلشَّوَىٰ ١٦ Die de hoofdhuid wegrukt.

تَدۡعُواْ مَنۡ أَدۡبَرَ وَتَوَلَّىٰ ١٧ Het zal hem opeisen, die zich afwendt en wegloopt.

وَجَمَعَ فَأَوۡعَىٰٓ ١٨ Die (rijkdommen) verzamelde en achterhield. (Ma`arij 70:15-18)

Wat Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) over het Hellevuur heeft verteld, zijn niet zijn eigen meningen. Hij moet dit gehoord hebben van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), want de asḥāb waren zeer trouw aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Laat degenen die opzettelijk iets aan mij toeschrijven wat ik niet heb gezegd, zich klaarmaken voor het Hellevuur.” Deze overlevering is afkomstig van Rāzīn.

Over dit onderwerp zijn ook andere ahādīth bekend. Over de āyah:

إِذَا رَأَتۡهُم مِّن مَّكَانِۭ بَعِيدٖ سَمِعُواْ لَهَا تَغَيُّظٗا وَزَفِيرٗا ١٢

Wanneer ze (de bewoners van het Paradijs) het Hellevuur van verre ziet, horen zij haar brullen en bulderen.

(Furqān, 25:12) Bij de interpretatie van dit āyah is deze ḥadīth overgeleverd: “Er verschijnt een hoofd uit het Hellevuur. Het heeft ogen en een tong. Zoals een vogel zijn omgeving scant en meteen herkent wie gevangen moet worden genomen, zo wordt ook degene die naar het Hellevuur gaat geïdentificeerd.”

In een andere hadīth staat: “Er verschijnt een hoofd uit het Hellevuur, en zoals een vogel een korreltje gerst grijpt, pakt het de kāfir en trekt hem eruit.” Volgens Abū Muhammad Ibn al-ʿArabī is deze hadīth authentiek. Dat wil zeggen, deze bewaker in het Hellevuur haalt de kafir uit de menigte, zoals een vogel een zaadje uit de aarde selecteert en eruit haalt.

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawmu’l Qiyāmah verschijnt een hoofd uit het Hellevuur. Het heeft twee ogen en twee oren. Het ziet en hoort. Het heeft een tong en spreekt en zegt: ‘Ik heb drie taken: de tirannen en onderdrukkers, de polytheïsten en de afgodendienaars.” (at-Tirmiḏī, 2/95; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/336) Abū Saʿīd (رضي الله عنه) heeft dezelfde hadīth overgeleverd. Volgens at-Tirmiḏī is deze hadīth in één opzicht ṣaḥīḥ en in een ander opzicht gharīb.

Ibn Wahb vertelt: zijn leraar Khālid ibn Allāf vertelde hem dat in de Qur’ān staat:وَجِاْيٓءَ يَوۡمَئِذِۭ بِجَهَنَّمَۚ يَوۡمَئِذٖ يَتَذَكَّرُ ٱلۡإِنسَٰنُ وَأَنَّىٰ لَهُ ٱلذِّكۡرَىٰ ٢٣

En op de Dag dat het Hellevuur wordt getoond. Op die Dag zal de mens zich (zijn slechte daden) herinneren. Maar wat baat hem dan nog de herinnering? (Fajr, 89:23)

Met andere woorden, op Yawmu’l Qiyāmah zal het Hellevuur worden voortgetrokken door 70.000 engelen. Wanneer de mensen het Hellevuur van verre zien (zie hierboven Furqān, 25:12), raken zij in angst. Zij geraken in paniek. Zelfs mu’mins en awliyāʾ vallen op hun knieën van schrik. Iedereen bekommert zich om zijn eigen situatie, terwijl Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zich zorgen maakt om zijn ummah.

5.27 Over de ketens, boeien en andere straffen voor de bewoners van het Hellevuur

وَلَهُم مَّقَٰمِعُ مِنۡ حَدِيدٖ ٢١ En voor hen zijn er kromme ijzeren staven. (Haj, 22:21)

إِذِ ٱلۡأَغۡلَٰلُ فِيٓ أَعۡنَٰقِهِمۡ وَٱلسَّلَٰسِلُ يُسۡحَبُونَ ٧١

Wanneer de ijzeren kettingen en de ketenen om hun nekken hangen worden zij gesleept.

فِي ٱلۡحَمِيمِ ثُمَّ فِي ٱلنَّارِ يُسۡجَرُونَ ٧٢

In het kokende water, vervolgens zullen zij in het Hellevuur verbrand worden. (Ghāfir, 40:71-72)

ثُمَّ فِي سِلۡسِلَةٖ ذَرۡعُهَا سَبۡعُونَ ذِرَاعٗا فَٱسۡلُكُوهُ ٣٢

Bindt hem vast met een ketting waarvan de lengte zeventig el (de afstand van elleboog tot vingertoppen) is!” (Hāqqa, 69:32)

إِنَّ لَدَيۡنَآ أَنكَالٗا وَجَحِيمٗا ١٢

Waarlijk, bij Ons zijn (voor de bewoners van het Hellevuur) ketenenen een laaiend Hellevuur. (Muzammil, 73:12)

In de overleveringen van Ibn Mas’ūd (رضي الله عنه) wordt vermeld dat voor elke bewoners van het Hellevuur speciale ketens en boeien zijn met hun namen erop geschreven.

In een overlevering wordt het als volgt beschreven: er wordt een speciale wolk voor de bewoners van het Hellevuur geschapen, die lijkt op de wolken op aarde. Wanneer de bewoners van het Hellevuur deze wolk zien, worden ze heel blij. Als Allāh Ta’ālā hen vraagt of zij een wens hebben, zeggen zij: “Wij willen ijskoud water.” Vervolgens geeft Allāh Ta’ālā opdracht aan de wolk om ijzeren kogels, ketens en doornen te laten regenen.

Muhammad ibn Munkadir, zegt: “Zelfs als we al het ijzer op aarde zouden verzamelen, zouden we zulke ketens niet kunnen maken. In het Hellevuur zijn talloze ketens, boeien, kogels, speren en zwepen.”

Ibn al-Mubārak vertelt: over de ketens van 70 el (de afstand van elleboog tot vingertoppen) die in de āyah genoemd worden, heeft zijn leraar Sufyān, van diens leraar Da’lūq ibn Bashīr, de volgende uitleg gehoord: de el die in de āyah genoemd wordt, is niet zoals wij het kennen.

Elk van deze el bestaat uit 70 el en de lengte van een el is ongeveer de afstand tussen Makkah en Kufa.

Abdullāh ibn Bakr zegt dat hij van ‘Ubayy ibn Ka‘b (رضي الله عنه) heeft gehoord: de term 70 el in de āyah is symbolisch. Om één enkele keten in het Hellevuur te maken, zou men al het ijzer op aarde moeten verzamelen.

Tāwūs en Qutbī zeggen: “In het Hellevuur is een engel die zoveel handen heeft als er bewoners van het Hellevuur zijn, en zelfs de hemel kan het gewicht van één van zijn handen of vingers niet eens wegen.”

5.28 Hoe zullen de bewoners van de Hel het Hellevuur binnentreden?

Ibn Wahb zegt, via zijn leraar ‘Abdurraḥmān ibn Zayd: “Op Yawmu’l Qiyāmah zal het Hellevuur degenen die tot het Hellevuur behoren tegemoetkomen met vlammen zo groot als sterren. Wanneer de bewoners van het Hellevuur dit zien, proberen zich om te draaien en te vluchten. Daarop geeft Allāh Ta’ālā de engelen de opdracht: ‘Grijp allen die vluchten en breng hen terug.’

يَوۡمَ تُوَلُّونَ مُدۡبِرِينَ مَا لَكُم مِّنَ ٱللَّهِ مِنۡ عَاصِمٖۗ وَمَن يُضۡلِلِ ٱللَّهُ فَمَا لَهُۥ مِنۡ هَادٖ ٣٣

Een Dag waarop jullie je zullen omdraaien en vluchten, er is voor jullie geen redder. En wie door Allāh tot dwaling gebracht wordt: voor hem is er geen leiding.

Opdat zij niet ontsnappen, worden hun ogen verblind en hun handen en voeten gebonden.” (Ghāfir, 40:33)

‘Abdurraḥmān ibn Zayd vervolgt: “Daarna wordt ieder van hen door duizend engelen vastgegrepen en terug gebracht. De plaats waar deze engelen stappen zakt in, en alles wat zij vastgrijpen wordt verbrijzeld. Deze engelen zijn zó krachtig.

Degenen die in het Hellevuur worden geworpen beginnen te vallen, en deze val zelf is al een enorme bestraffing. Zij vallen tientallen jaren en slaan uiteindelijk neer op de bodem (van het Hellevuur). Daar worden zij opnieuw gegrepen door andere aangewezen engelen.

De bewoners van het Hellevuur proberen aan deze bestraffing te ontsnappen door tegen de muren van het Hellevuur op te klimmen. Ondanks de ketens om hun voeten proberen zij te vluchten, maar zij worden opnieuw gegrepen door de aangewezen engelen en teruggeworpen in het Hellevuur. Zo blijft hun bestraffing voortduren.”

Niet alle bewoners van het Hellevuur ondergaan dezelfde bestraffing. De bestraffing van zondige mu’mins verschilt van die van kāfirs en munāfiqs. Bovendien is er voor elke zonde een afzonderlijke bestraffing.

5.29 Dat het Hellevuur van het Hellevuur de bewoners van het Hellevuur omhoog werpt zodat de bewoners van het Paradijs hen kunnen aanschouwen

Volgens een overlevering nemen de vlammen van het Hellevuur de bewoners van het Hellevuur bij de lurven, slingeren hen rond als gloeiende kolen en vuur en heffen hen de lucht in. Soms werpt het vuur van het Hellevuur hen zo hoog dat de bewoners van het Paradijs hen kunnen zien, maar er is een scheiding tussen hen.

وَنَادَىٰٓ أَصۡحَٰبُ ٱلۡجَنَّةِ أَصۡحَٰبَ ٱلنَّارِ أَن قَدۡ وَجَدۡنَا مَا وَعَدَنَا رَبُّنَا حَقّٗا فَهَلۡ وَجَدتُّم مَّا وَعَدَ رَبُّكُمۡ حَقّٗاۖ قَالُواْ نَعَمۡۚ فَأَذَّنَ مُؤَذِّنُۢ بَيۡنَهُمۡ أَن لَّعۡنَةُ ٱللَّهِ عَلَى ٱلظَّٰلِمِينَ ٤٤

En de bewoners van het Paradijs zullen tegen de bewoners van het Hellevuur roepen: “Wij hebben zeker ontdekt dat het waar is wat onze Heer ons beloofd heeft; hebben jullie ook ontdekt dat het waar is wat jullie Heer jullie beloofd heeft?” Zij zullen zeggen: “Ja” Dan zal een roeper tussen hen verklaren: “De vloek van Allāh is over de onrechtvaardigen.” (A`rāf, 7:44)

وَنَادَىٰٓ أَصۡحَٰبُ ٱلنَّارِ أَصۡحَٰبَ ٱلۡجَنَّةِ أَنۡ أَفِيضُواْ عَلَيۡنَا مِنَ ٱلۡمَآءِ أَوۡ مِمَّا رَزَقَكُمُ ٱللَّهُۚ قَالُوٓاْ إِنَّ ٱللَّهَ حَرَّمَهُمَا عَلَى ٱلۡكَٰفِرِينَ ٥٠

En de bewoners van het Hellevuur zullen tegen de bewoners van het Paradijs roepen: “Giet over ons wat water of iets waarmee Allāh jullie voorzien heeft.” Zij zullen zeggen “Beiden heeft Allāh voor de ongelovigen verboden.” (A`rāf, 7:50)

Abū Muḥammad ‘Abdulḥaq heeft over de tafsīr van de āyah:وَأَمَّا ٱلَّذِينَ فَسَقُواْ فَمَأۡوَىٰهُمُ ٱلنَّارُۖ كُلَّمَآ أَرَادُوٓاْ أَن يَخۡرُجُواْ مِنۡهَآ أُعِيدُواْ فِيهَا وَقِيلَ لَهُمۡ ذُوقُواْ عَذَابَ ٱلنَّارِ ٱلَّذِي كُنتُم بِهِۦ تُكَذِّبُونَ ٢٠

En voor degenen die verdorven zijn: hun verblijfplaats zal het Hellevuur zijn. Iedere keer als zij daarvan weg willen, worden zij daar teruggebracht, en er zal tegen hen gezegd worden: “Proef de bestraffing van het Hellevuur die jullie plachten te ontkennen.” (Sajdah, 32:20), de volgende uitspraken van de geleerden overgeleverd: “Er kunnen bij iemand vragen opkomen zoals: hoe kunnen de bewoners van het Paradijs de bewoners van het Hellevuur zien, terwijl het Paradijs en het Hellevuur gescheiden zijn? Tussen hen bevindt zich immers een barrière en een sluier, en er is geen doorgang van de ene naar de andere.

Dat zulke vragen bij iemand opkomen is begrijpelijk. Maar men moet niet vergeten dat Allāh Ta’ālā, Die de arwāh (zielen) in een voor ons onbekende toestand laat verblijven tot zij opnieuw tot leven worden gebracht, ook in staat is om de bewoners van het Paradijs en de bewoners van het Hellevuur elkaar te laten zien en met elkaar te laten spreken. Daarin is niets vreemds aan.

5.30 In het Hellevuur zijn bergen, greppels, valleien, zeeën, woestijnen, putten, ketels, gevangenissen, bruggen en wegen. In het Hellevuur zijn ook schorpioenen en slangen. De bestraffing die is beloofd voor degene die alcohol drinkt en dronken rondloopt

Van Abū Sa‘īd al-Khudrī (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd:“In het Hellevuur is een heuvel. De kāfir klimt hier in 70 jaar op (in de hoop te ontsnappen), maar valt daarna weer naar beneden. Dit blijft zo eeuwig doorgaan.” (at-Tirmiḏī, 2616; Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/75) Volgens at-Tirmiḏī is deze hadīth gharīb, omdat deze slechts via één overleveraar is overgeleverd, namelijk iemand die bekend staat als Abū Luḥay‘ah.

Eerder werd in de overlevering van Anas (رضي الله عنه) vermeld dat degene die in een staat van dronkenschap sterft, op Yawmu’l Qiyāmah ook in een staat van dronkenschap zal verkeren en in het Hellevuur bestraft zal worden op een speciale plaats die “Sukrān” wordt genoemd.

In de āyāt wordt voor sommige zonden het woord “wayl” genoemd. (zie Baqarah, 79; Ṭūr, 11; Dhāriyāt, 60; Mā‘ūn, 4)Oorspronkelijk wordt het woord “wayl” gebruikt als een uitdrukking van medelijden en dreiging. Echter, in een hadīth … van Abū Sa‘īd al-Khudrī (رضي الله عنه) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Wayl is een vallei in het Hellevuur. De kāfir rolt daarin 40 jaar en bereikt toch de bodem niet.” Abū Sa‘īd zegt dat de vallei genaamd “Wayl” zich tussen twee bergen bevindt. (at-Tirmiḏī, 3164; Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/75)

In de āyah:وَظِلّٖ مِّن يَحۡمُومٖ ٤٣ En schaduwen van zwarte rook (Yahmūm). (Waqi'ah, 56:43)

met “Yahmūm” wordt een berg in het Hellevuur bedoeld. Dit is de opvatting van Ibn Zayd.

Yahmūm is afgeleid van het woord “ḥamīm”. Deze berg is een plaats waar hete vlammen stromen. De bewoners van het Hellevuur zoeken beschutting onder de schaduw ervan om af te koelen en te rusten

لَّا بَارِدٖ وَلَا كَرِيمٍ ٤٤ Niet koel en niet voedzaam en verzadigend. (Waqi'ah, 56:44)

dat wil zeggen: het is juist verzengend heet en biedt geen verkoeling. Integendeel, het vermeerdert de bestraffing en de hitte.

“En het is niet voedzaam of verzadigend” (Waqi'ah, 56:44), dat wil zeggen: het verzadigt niet, maar maakt juist nog hongeriger. Bovendien is het afschuwelijk.

Dit is de opvatting van Dahhāk en Sa‘īd ibn al-Musayyib.

وَجَعَلۡنَا بَيۡنَهُم مَّوۡبِقٗا ٥٢ … en Wij zullen een barrière tussen hen plaatsen. (Kahf, 18:52)

Nawf al-Bukālī zegt hierover: het woord “mawbiq” dat in deze āyah voorkomt, betekent een afgrond. Deze afgrond vormt een scheiding tussen de mu’mins (die in het Hellevuur bestraft worden) en de overige bewoners van het Hellevuur.

Toen aan ʿĀʾishah (رضي الله عنها), één van de echtgenotes van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), werd gevraagd wat de betekenis is van de āyah:

فَخَلَفَ مِنۢ بَعۡدِهِمۡ خَلۡفٌ أَضَاعُواْ ٱلصَّلَوٰةَ وَٱتَّبَعُواْ ٱلشَّهَوَٰتِۖ فَسَوۡفَ يَلۡقَوۡنَ غَيًّا ٥٩

Maar na hen volgden andere generaties, die de salāh opgaven en hun lusten volgden. Dus worden zij in de Ghayyā gegooid. (Maryam, 19:59)

“… in de Ghayyā gegooid”, antwoordde zij dat dit een rivier in het Hellevuur is. Ghayyā betekent een diepe kuil. Deze kuil is gevuld met bloed en etter.

Over het woord “falaq” in de āyah:

قُلۡ أَعُوذُ بِرَبِّ ٱلۡفَلَقِ ١ Zeg: “Ik zoek mijn toevlucht tot de Heer van de dageraad. (Falaq 113:1)

bestaan verschillende meningen. Volgens Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) is falaq een gevangenis in het Hellevuur. Volgens Kaʿb is het een verblijfplaats of oven in het Hellevuur.

Wanneer de deur ervan wordt geopend, beginnen alle bewoners van het Hellevuur te schreeuwen vanwege de hevigheid van het vuur dat daaruit voortkomt. Dit is wat we hebben vernomen van Hāfiẓ Abū Nuʿaym al-Iṣfahānī*.

ʿAbdullāh ibn al-Mubārak heeft, via … de volgende overleveringen doorgegeven:

In het Hellevuur bevindt zich een berg genaamd Saʿūd. Een kāfir klimt veertig jaar lang deze berg op, maar wordt daarna weer naar beneden geworpen. سَأُرۡهِقُهُۥ صَعُودًا ١٧ Ik zal hem beladen met een zware bestraffing (Saʿūd). (Muddathir 74:16)

Ook is er in het Hellevuur een toren genaamd Hawā. Een kāfir wordt van deze toren naar beneden geworpen en bereikt de bodem (van het Hellevuur) pas na veertig jaar.

وَمَن يَحۡلِلۡ عَلَيۡهِ غَضَبِي فَقَدۡ هَوَىٰ ٨١

... En wie door Mijn woede getroffen wordt zal waarlijk ten onder gaan (Hawā).” (Tāhā, 20:81)

In het Hellevuur is er een vallei genaamd Asāmah. Deze is gevuld met slangen en schorpioenen. De schorpioenen daar zijn zo groot als muildieren. De slangen hebben zeventig tanden en dragen zeventig soorten gif.

In het Hellevuur zijn er zeventig soorten ziekten. Dit zijn ziekten die specifiek voor het Hellevuur zijn.

[*: Abū Nuʿaym al-Iṣfahānī (948–1038 n.Chr.), was een grote geleerde in de hadīth-wetenschap , afkomstig uit Isfahan (huidige Iran) en bekend om zijn uitgebreide kennis van overleveraars en ketens (isnād). Zijn bekendste werken zijn: Ḥilyat al-Awliyāʾ (een beroemd werk over vrome voorgangers en asceten) en Maʿrifat al-Ṣaḥābah (over de metgezellen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم)]

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voorwaar, in het Hellevuur is er een vallei die pikzwart en duister is, met een uiterst vieze geur. Allāhu Ta`ālā zal daarin degenen bestraffen die anderen naast Hem aanbaden.”

Abū Nuʿaym al-Iṣfahānī overleverde een ḥadīth: “In het Hellevuur is er een vallei genaamd Lamlam. In deze vallei bevindt zich een kuil genaamd Habhab. Allāhu Ta`ālā zal de onderdrukkers en de tirannieke heersers daar bestraffen. Moge Allāh ons beschermen tegen deze bestraffing.”

Ibn al-Mubārak … van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “In het Hellevuur is er een vallei genaamd Lamlam. Moge Allāh ons allen beschermen tegen de bestraffing en het vuur van deze valleien in het Hellevuur.”

Imām Mālik ibn Anas vermeldt in Muwattā: .. van ʿAlī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Alles wat bedwelmt (dronken maakt), is verboden (harām). Allāhu Ta`ālā is zeer boos op drie soorten mensen. Op Yawm al-Qiyāmah zal Hij hen niet aankijken en niet met hen spreken. Deze mensen zullen in het Hellevuur in een kuil genaamd Mansā worden bestraft. Deze drie soorten mensen zijn: degenen die de qadar (raadsbesluit) ontkennen, degenen die iets aan de godsdienst (dīn) van Allāh toevoegen, en degenen die alcoholhoudende dranken drinken.”

Mansā betekent “vergeten personen” of “vergeten plaats”. Deze ḥadīth is overgeleverd door Imām Mālik ….

Ibn Wahb overlevert via … Shuʿayb ibn ʿAmr een ḥadīth van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم):

“Degenen die zich tegen Allāh verzetten/ongehoorzaam zijn, zich in deze wereld trots tonen met hun rijkdom en status en mensen kleineren, zullen in het Hellevuur zo klein zijn als rondvliegend stof. Iedereen in het Hellevuur zal hierop trappen. Zij zullen heen en weer worden geslingerd door de adem van mensen en de wind die ontstaat door hun bewegingen. Zij zullen in het Hellevuur worden gevoed met het bloed en zweet van degenen die in het Hellevuur worden bestraft.”

Dezelfde ḥadīth is door ʿAbdullāh ibn al-Mubārak overgeleverd via Muḥammad ibn Ajlān en ʿAmr ibn Shuʿayb. (Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/178) Volgens at-Tirmiḏī is deze ḥadīth ḥasan.(at-Tirmiḏī, 2492)

Jābir (رضي الله عنه) vertelt dat een man uit de regio Jayshān in Yemen naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam en hem naar een plaatselijke drank vroeg. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg of deze drank bedwelmend was, en de man bevestigde dat dit het geval was. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei daarop: “Allāhu Ta`ālā heeft een belofte: degenen die bedwelmende middelen gebruiken, zullen in het Hellevuur worden gevoed met het bloed, zweet en andere afschuwelijke vloeistoffen van de bewoners van het Hellevuur.”

Van Zayd ibn Sābit (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik ben geëmigreerd naar Madīnah en heb me daar gevestigd. Mijn graf zal ook hier zijn. Op Yawm al-Qiyāmah zal ik hier weer worden opgewekt en naar het Mahshar-plein komen. Mijn ummah heeft rechten over mij. Het is de plicht van mijn ummah om voor mijn vrienden en familie te zorgen en hen te beschermen. Ik zal getuigen en voorspraak doen voor degenen die mijn testament nakomen. Voor degenen die mijn testament niet nakomen en mijn Sunnah niet volgen, is er grote bestraffing in het Hellevuur.

Deze bestraffing bestaat uit het eten en drinken van het zweet en andere afschuwelijke vloeistoffen van de bewoners van het Hellevuur.”

Deze ḥadīth is gharīb, aangezien Zayd ibn Hārithah en zijn vader, en Abû’z-Zinād, als enige overleveraars worden genoemd, evenals zijn zoon ʿAbdurrahmān.

Via Mūsā ibn Asad van ʿAlī ibn Abī Ṭālib (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:

“Zoek toevlucht bij Allāh voor de Put van Verdriet.”

De mensen vroegen: “O Rasûlullāh! Wat is de Put van Verdriet?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “De Put van Verdriet is iets waarvan zelfs het Hellevuur zelf zeventig keer per dag toevlucht zoekt bij Allāh vanwege de bestraffing daarin. Deze bestraffing is bestemd voor degenen die kennis verwerven voor vertoon, en degenen die de Qur’ān lezen voor vertoon of persoonlijk gewin.”(at-Tirmiḏī, 2383; Ibn Mājah, 256)

Bovenkant formulier

5.31 Waarmee is de rand van het Hellevuur omgeven? Degenen die mu’mins kwellen en lastigvallen, en de bestraffingen die hen te wachten staat

ʿAbdullāh ibn al-Mubārak zegt: een man vertelde ons een overlevering die hij van Mansūr en Mujāhid had gehoord. Yazīd ibn Shajarah was één van de bevelhebbers van Muʿāwiyah ibn Abī Sufyān (رضي الله عنه). Op een dag stuurde Muʿāwiyah hem met een eenheid op pad. Toen zij de vijand ontmoetten, werden de soldaten van Yazīd verslagen. Daarop verzamelde Yazīd zijn mannen opnieuw en sprak hen toe: “Alle lof zij Allāh. Ik zeg jullie: vergeet de gunsten die Allāh jullie heeft geschonken niet. Luister naar wat ik uit een ḥadīth heb geleerd. De kern van wat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd is als volgt: “Op Yawm al-Qiyāmah zullen jullie allen bij jullie namen en met jullie reputatie/daden worden geroepen. De goeden zullen als goed worden aangesproken, en de slechten zullen met hun slechte daden worden genoemd. Er zal gezegd worden: ‘O die-en-die! Dit is jouw licht.’ En: ‘O die-en-die! Dit zijn jouw goede daden.’

Weet dat het Hellevuur, net als een zee, een oever heeft. Op deze oever bevinden zich slangen en andere angstaanjagende en wilde dieren. Daar zijn ook schorpioenen die groter zijn dan muildieren. Wanneer degenen die in het Hellevuur worden bestraft smeken om eruit te komen, worden zij uit het Hellevuur gehaald en op deze oever geworpen. De afschrikwekkende wezens, de schorpioenen en slangen vallen hen dan aan. Daarop smeken zij: ‘Gooi ons terug in het Hellevuur en red ons van hier!’ Vervolgens worden zij weer in het Hellevuur geworpen.

Door de hevigheid van de bestraffing in het Hellevuur wordt hun huid losgetrokken. Daarna zullen de engelen vragen: ‘Hoe is de bestraffing van Allāh?’ Zij zullen antwoorden: ‘Zeer zwaar en pijnlijk.’ De engelen zullen dan zeggen: “Zo behandelden jullie ook de mu’mins in de wereld.”

Wij zeggen: voor degene die Allāh gehoorzaamt en zich niet overgeeft aan zijn begeerten, voor die is het Paradijs. Degenen die de shayṭān niet gehoorzamen en niet gehecht zijn aan het wereldse leven, zullen nooit aan zulke bestraffingen worden blootgesteld. Maar degenen die hun begeerten volgen en het wereldse leven aanbidden, hun bestemming is zoals hierboven beschreven. Degenen die hun zonden en opstandigheid negeren en hun nafs niet zuiveren, en de shayṭān volgen, zullen terechtkomen op de plaatsen van de hierboven genoemde bestraffingen:

فَأَمَّا مَن طَغَىٰ ٣٧ Dan, voor degenen die de grenzen (van Allāh) overtreden.

وَءَاثَرَ ٱلۡحَيَوٰةَ ٱلدُّنۡيَا ٣٨ En de voorkeur aan het wereldse leven gaven.

فَإِنَّ ٱلۡجَحِيمَ هِيَ ٱلۡمَأۡوَىٰ ٣٩ Waarlijk, hun verblijfplaats zal het Hellevuur zijn.

وَأَمَّا مَنۡ خَافَ مَقَامَ رَبِّهِۦ وَنَهَى ٱلنَّفۡسَ عَنِ ٱلۡهَوَىٰ ٤٠ En wat betreft degenen die de macht van hun Heer vreesden (in Allāh geloven, Hem gehoorzamen, Zijn wetten naleven) en de ziel weerhield van slechte begeerten.

فَإِنَّ ٱلۡجَنَّةَ هِيَ ٱلۡمَأۡوَىٰ ٤١ Waarlijk, hun verblijfplaats is het Paradijs. (Nāzi`āt, 79: 37-41)

De betekenis van de āyah:

فَلَا ٱقۡتَحَمَ ٱلۡعَقَبَةَ ١١ Maar hij heeft niet getracht om het steile pad te begaan. (Balad, 90:11) is als volgt: De kāfir zal er nooit in slagen om uit het Hellevuur te ontsnappen. In het Hellevuur bevindt zich een berg genaamd Saʿūd, die de kāfir zal beklimmen in de hoop eruit te komen. Maar ontsnappen uit het Hellevuur is onmogelijk. Deze “steile pad” in de āyah verwijst naar Saʿūd. Elke keer dat de kāfir de top bereikt, zal hij weer naar beneden worden geworpen, naar de diepten van het Hellevuur.

De manier om deze “steile pad” te overwinnen, dus om aan het Hellevuur te ontsnappen, is door goede daden te verrichten:فَكُّ رَقَبَةٍ ١٣ (Dat is) het bevrijden van een slaaf.

أَوۡ إِطۡعَٰمٞ فِي يَوۡمٖ ذِي مَسۡغَبَةٖ ١٤ Of het geven van voedsel op een dag van hongersnood.

يَتِيمٗا ذَا مَقۡرَبَةٍ ١٥ Aan een verwante wees.

أَوۡ مِسۡكِينٗا ذَا مَتۡرَبَةٖ ١٦ Of aan een arme behoeftige. (Balad, 90:13–16)

Onderkant formulier

5.32 In het Hellevuur zullen mensen en stenen als brandstof worden gebruikt

فَإِن لَّمۡ تَفۡعَلُواْ وَلَن تَفۡعَلُواْ فَٱتَّقُواْ ٱلنَّارَ ٱلَّتِي وَقُودُهَا ٱلنَّاسُ وَٱلۡحِجَارَةُۖ أُعِدَّتۡ لِلۡكَٰفِرِينَ ٢٤

Maar als jullie dat niet kunnen doen, en jullie kunnen dat nooit doen, vrees dan het vuur dat door een brandstof gevoed wordt dat uit mensen en stenen bestaat, zij is gereed gemaakt voor de ongelovigen. (Baqarah, 2:24)

Het woord “waqûd” in de āyah betekent letterlijk hout en verwijst ook naar andere materialen die gebruikt worden om vuur te maken. Het woord “an-nās” (mensen) in de āyah omvatten in de algemene zin ons allen. Moge Allāh ons beschermen tegen zo’n situatie.

Volgens de overlevering bestaat het brandhout van het Hellevuur uit jongeren, ouderen en vrouwen die hun kuisheid niet bewaren.

Ibn al-Mubārak overlevert van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم)’s oom, ʿAbbās ibn ʿAbd al-Muṭṭalib (رضي الله عنه), die de volgende ḥadīth: “Deze godsdienst (dīn) zal op een dag overwinnen en zelfs over de zeeën reiken. Een rijdende krijger zal zijn paard de zee insturen en, voor Allāh’s welbehagen, de zeeën oversteken om te strijden. Daarna zal een generatie komen die veel Qur’ān zal reciteren en zal opscheppend zeggen: ‘Is er iemand die meer en beter Qur’ān reciteert dan wij?’ Vervolgens zal iemand onder hen naar degene die naast hem staat vragen: ‘Kun je één goed persoon zien onder deze mensen?’ Zij zullen antwoorden: ‘Nee, zo iemand is er niet.’ Deze behoren tot de ummah van Muḥammad. Deze zullen in het Hellevuur als brandhout verbranden.” Deze overlevering is via een andere keten… ook van ʿAbbās ibn ʿAbd al-Muṭṭalib (رضي الله عنه) overgeleverd.

Het woord “al-hijārah” (stenen) dat in de āyah wordt genoemd, zijn vuurstenen. Volgens Ibn al-Mubārak is dit ook de mening van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه) en enkele andere metgezellen. Volgens Ibn Masʿūd (رضي الله عنه) hebben deze stenen vijf kenmerken: zij branden snel en hevig, ontbranden gemakkelijk, stinken vreselijk, produceren veel en verstikkende rook, kleven aan het lichaam en geven intense hitte af.

Sommige geleerden zijn van mening dat de stenen die samen met mensen verbranden, verwijzen naar afgodsbeelden. Immers, de āyah zegt:

إِنَّكُمۡ وَمَا تَعۡبُدُونَ مِن دُونِ ٱللَّهِ حَصَبُ جَهَنَّمَ أَنتُمۡ لَهَا وَٰرِدُونَ ٩٨

Zeker! Jullie, en wat jullie nu naast Allāh aanbidden zijn niets dan brandstof voor het Hellevuur. Jullie zullen er binnentreden. (Anbiyāʾ, 21:98)

Het brandhout in het Hellevuur heeft twee betekenissen:

Het verwijst naar degenen die in het Hellevuur bestraft zullen worden.

Het verwijst naar dingen die degenen in het Hellevuur zullen kwellen, zoals afgodsbeelden. Deze worden verbrand en verergeren de bestraffing van de bewoners van het Hellevuur. Als bewijs wordt de ḥadīth aangehaald: “Alles wat de mensen pijn doet/schade berokkent, behoort tot de bewoners van het Hellevuur.”

Deze ḥadīth kan op twee manieren worden uitgelegd:

Degenen die mensen, en in het bijzonder mu’mins, pijn doen, zullen in het Hiernamaals in het vuur van het Hellevuur bestraft worden.

Dieren of andere gevaarlijke wezens die mensen pijn doen of angst aanjagen, zullen eveneens in het Hellevuur zijn en zullen de bewoners van het Hellevuur kwellen.

5.33 Een kāfir zal een lichaam hebben dat aanzienlijk groter en breder is dan in de wereld zodat hij in het Hellevuur aan een nog grotere bestraffing wordt blootgesteld. In het Hellevuur zal een mu’min voor elk orgaan worden bestraft naar verhouding van de zonden die hij ermee heeft begaan.

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “(Wanneer hij zich in het Hellevuur bevindt) zullen de kuiten van een kāfir zo groot zijn als de berg Uhud. De dikte van zijn huid zal gelijk zijn aan een afstand van drie dagen lopen.” (Muslim, 17/186; at-Tirmiḏī, 2579; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/328)

In een andere overlevering van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De dikte van de huid van een kāfir zal tweeënveertig el bedragen. De plaats waarop hij in het Hellevuur zit zal zo groot zijn als de afstand tussen Makkah en Madīnah.” (at-Tirmiḏī, 2577) Volgens at-Tirmiḏī is deze ḥadīth zowel ḥasan als ṣaḥīḥ. Vanuit een ander perspectief is zij echter ook gharīb, aangezien de overlevering via al-A‘mash als gharīb wordt beschouwd.

…Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De knieën van een kāfir zullen zo groot zijn als Bayzā. Zijn heupen zullen zo breed zijn als Rabazah.”Rabazah wordt gebruikt om de afstand tussen Makkah en Madīnah aan te duiden. Bayzā is de naam van een berg.

In een overlevering van Ibn al-Mubārak, … van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawm al-Qiyāmah zullen de kuiten van een kāfir groter zijn dan de berg Uhud. Dit is zodat hij meer bestraft wordt en de bestraffing sterker ervaart.”

… Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De kuiten van een kāfir zijn zo groot als de berg Uhud. Zijn knieën zijn zo groot als de berg Bayzā. Zijn voorhoofd is zo groot als de berg Warakān. Zijn heupen zijn zo breed als de afstand tussen Madīnah en Rabazah. Zijn ogen zullen zeventig el groot zijn. Zijn buik zal zo groot zijn als de berg Izām.” (at-Tirmiḏī, 2578; Ibn Mājah, 4322)

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei over de berg Warakān: “Allāh de Verhevene openbaarde Zich aan een berg, waarop deze in zes delen uiteenviel. Drie daarvan vielen in Makkah: Sawr, Subayr en Hirā.

Drie daarvan vielen in Madīnah: Uhud, Warakān en Razwā.”

In een overlevering van …‘Ubayd ibn ‘Umayr (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het oog van een kāfir en de dikte van zijn huid zullen zeventig el bedragen. Zijn kuit zal zo groot zijn als de berg Uhud. Zijn overige ledematen zullen in verhouding daaraan even groot zijn.”

Abū’l-Mahārik vermeldt, van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De tong van een kāfir zal één of twee farsakh (10-12 km) lang zijn en over de grond slepen. Iedereen die voorbijgaat zal eroverheen lopen.” (at-Tirmiḏī, 2580; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/92)

Van Samurah ibn Jundub (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “(Van de bewoners van het Hellevuur) zal de één tot aan zijn hielen in het vuur worden ondergedompeld. Een ander zal tot aan zijn knieën in het vuur wegzinken. Bij weer een ander zal het vuur tot aan zijn keel reiken. En bij sommigen zal het vuur zelfs boven hun hoofd uitstijgen.” (Muslim, 17/180; Aḥmad ibn Ḥanbal, 5/10 en 18)

Hieruit begrijpen we dat de toestand van elke kāfir in het Hellevuur niet hetzelfde is. De toestand van de onrechtplegers verschilt van die van degenen die uit koppigheid ontkennen. Ook is de toestand van degenen die anbiyā’ (عليهم السلام) hebben vermoord niet gelijk zijn aan die van andere kāfirs.

De bestraffing van de kāfirs die de mu’mins onderdrukken, hen pijnigen en proberen mensen van het geloof (imān) en de goede zedelijkheid (akhlāq) af te brengen, is nog zwaarder.

Sommige kāfirs zullen grotere lichamen hebben dan anderen. Sommigen zullen via hun tong bestraft worden, terwijl anderen bestraft worden via andere lichaamsdelen.

Er zijn ook bewoners van het Hellevuur die slechts tot aan hun hielen in het vuur worden ondergedompeld; dat wil zeggen dat de bestraffing niet boven hun knieën uitkomt. Anderen worden tot aan hun middel of nek in het vuur geplaatst. Sommigen zullen zelfs volledig in de bestraffing verdrinken.

al-Qutbī vermeldt in zijn werk “Uyūn al-Akhbār”, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), marfû` (overlevering die teruggaat tot an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Wanneer Allāhu Ta‘ālā een definitief oordeel velt onder Zijn dienaren, zullen degenen met veel goede daden het Paradijs binnengaan. Degenen van wie de goede en slechte daden gelijk zijn, zullen veertig jaar op de Ṣirāṭ wachten en daarna het Paradijs binnengaan. Als hun slechte daden zwaarder wegen, zullen zij via een speciale poort voor de mu’mins het Hellevuur binnengaan. Nadat zij naar verhouding van hun zonden zijn bestraft, zullen zij uit het Hellevuur worden gehaald. Sommigen van hen zullen tot aan hun hielen in de bestraffing worden ondergedompeld, anderen tot aan hun knieën, en weer anderen tot aan hun middel.”

De grote geleerde en faqīh Abū Bakr ibn Burjān zegt: In de āyah wordt aangegeven dat de mu’mins naar gelang hun daden bestraft zullen worden:

وَلِكُلّٖ دَرَجَٰتٞ مِّمَّا عَمِلُواْۖ وَلِيُوَفِّيَهُمۡ أَعۡمَٰلَهُمۡ وَهُمۡ لَا يُظۡلَمُونَ ١٩

En voor allen (gelovig) zullen er gradaties zijn (in de hemel of de hel), in overeenstemming met hun daden. Opdat (Allāh) hen volledig voor hun daden zal vergelden. Zonder dat hen daarbij onrecht wordt aangedaan. (Ahqāf, 46:19)

Wat betreft de kāfirs: de bestraffing zal hen van alle kanten omsluiten:

لَهُم مِّن فَوۡقِهِمۡ ظُلَلٞ مِّنَ ٱلنَّارِ وَمِن تَحۡتِهِمۡ ظُلَلٞۚ ذَٰلِكَ يُخَوِّفُ ٱللَّهُ بِهِۦ عِبَادَهُۥۚ يَٰعِبَادِ فَٱتَّقُونِ ١٦

Zij zullen bedekkingen van vuur boven hen hebben en bedekkingen (van vuur) beneden hen, hiermee beangstigt Allāh Zijn dienaren: “O Mijn dienaren, vrees Mij hiervoor!” (Zumar, 39:16)

Van Hārith ibn Qays (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Binnen mijn ummah zal een groep die talrijker is dan de stam van Muḍar, door mijn voorspraak het Paradijs binnengaan. En binnen mijn ummah zijn er ook mensen van wie het lichaam in het Hellevuur zo groot zal worden als de afstand tussen twee bergen.” (Ibn Mājah, 4323)

5.34 De bestraffing waaraan de plegers van grote zonden worden onderworpen

VanʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawm al-Qiyāmah zullen degenen die afgodsbeelden en standbeelden maken de zwaarste bestraffing ondergaan.” (Muslim, 14/92; al-Bukhārī, 10/382; Aḥmad ibn Ḥanbal, 1/375)

Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه), an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawm al-Qiyāmah zullen degenen die het zwaarst bestraft worden zijn degenen die de anbiyā’ van Allāh hebben gedood, of door de anbiyā’ van Allāh zijn gedood, en ook degenen die afgodsbeelden en standbeelden maken.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 1/407)

De geleerde Ibn ʿAbd al-Bar, bekend als Abū ʿUmar, evenals Ibn Mājah en Ibn Wahb: van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawm al-Qiyāmah zullen de geleerden voor wie hun kennis geen nut heeft gebracht de zwaarste bestraffing ondergaan.” De ḥadīth-geleerden beschouwen deze overlevering als zwak, omdat ʿUthmān ibn Muqassim tot de Muʿtazilah-secte behoort en niet algemeen bekend is.

… van Shaqī ibn Māniʿ (رضي الله عنه), an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er zijn vier soorten mensen van wie de bestraffing zó zwaar is dat ook de andere bewoners van het Hellevuur erdoor worden gekweld. Zij rennen heen en weer tussen vuur en kokend water, en hun geschreeuw doet het Hellevuur beven. Iedereen in het Hellevuur heeft last van hun geroep. De bewoners van het Hellevuur klachen tegen elkaar en zeggen: ‘Wat is er met deze mensen? Door hen wordt onze bestraffing nog zwaarder.’

Dan wordt gezegd: ‘Eén van hen zit opgesloten in een kist van vuur. Van een ander zijn de ingewanden uitgerukt. Bij een derde stromen bloed en etter uit zijn mond. De vierde eet voortdurend zijn eigen vlees.’

Men vraagt: ‘Wat heeft degene gedaan die in een kist van vuur zit?’Er wordt geantwoord: ‘Hij at onrechtmatig de bezittingen van mensen en betaalde zijn schulden niet terug.’

Men vraagt: ‘Wat heeft degene gedaan wiens ingewanden naar buiten zijn uitgerukt?’Er wordt geantwoord: ‘Hij was in de wereld niet zorgvuldig met zijn reinheid na het doen van zijn behoefte en bekommerde zich niet om de onreinheid die op zijn kleding kwam.’

Men vraagt: ‘En degene uit wiens mond bloed en etter stromen?’Er wordt geantwoord: ‘Dat is iemand die in de wereld slechte woorden sprak.’

En degene die zijn eigen vlees eet: ‘Dat is iemand die zich bezighield met roddel (ghībah).”

De bestraffing in het Hiernamaals voor degene die op aarde mensen heeft gemarteld en mishandeld

Van Khālid ibn Walīd (رضي الله عنه), an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawm al-Qiyāmah zullen degenen die in de wereld mensen het meest hebben gemarteld en onderdrukt, de zwaarste bestraffing ondergaan.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 4/90)In zijn werk Tārīkh vermeldt Imām al-Bukhārī een overlevering met dezelfde betekenis.

Dezelfde overlevering is van Hākim ibn Hāzim, via zijn zoon Khālid: Abū ʿUbayda (رضي الله عنه) had een (Armeense) slaaf. Toen Khālid ibn Walīd (رضي الله عنه) iets tegen hem zei, vroegen de aanwezigen: “Ben je boos op onze commandant?”Abū ʿUbayda (رضي الله عنه) antwoordde: “Nee! Ik ben niet boos, en ik ben ook niet gekomen om boos te zijn. Ik herinnerde me alleen een ḥadīth van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Op Yawm al-Qiyāmah zullen degenen die in de wereld mensen het meest hebben gemarteld en onderdrukt, de zwaarste bestraffing ondergaan.”

Ook in Muslim wordt een vergelijkbare ḥadīth overgeleverd.

Hizām ibn Hākim ibn Hishām, bezocht ooit Damascus en zag daar mensen in de zon werden vastgehouden. Toen hij vroeg wat er aan de hand was, kreeg hij als antwoord:“Deze mensen (niet-moslims) worden op deze manier gestraft omdat zij de jizya (een belasting die wordt geheven op niet-moslims) die onder een islamitische heerschappij leven) niet hebben betaald.”

Hierop zei Hishām: “Ik heb een ḥadīth van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gehoord (over dit onderwerp),” en hij reciteerde de ḥadīth: “Allāhu Ta‘ālā zal degenen die in de wereld mensen hebben gemarteld, op Yawm al-Qiyāmah bestraffen.” (Muslim, 16/168; Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/403 en 468)

5.34a De bestraffing voor degenen die de mensen het goede aanbevelen, maar zelf niet verrichten, of die het kwade te verhinderen maar zelf wel verrichten

Mensen die advies geven maar zelf het tegenovergestelde doen, degenen die bevriend zijn met onrechtplegers, en degenen die de onrechtplegers steunen, zullen in het Hellevuur als honden dienen.

Van Usāmah ibn Zayd (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “(Op Yawm al-Qiyāmah) wordt een man in het vuur gegooid, en daar vermalen en geroosterd wordt zoals voer voor dieren. De andere bewoners van het Hellevuur kijken toe en zeggen: “O die-en-die! Jij gaf ons toch raad in de wereld? Je zei ons toch het goede te verrichten en raadde je ons niet af om het slechte te vermijden?”De man antwoordt: ‘Ja, ik raadde jullie aan, maar ik deed het zelf niet. Ik zei: doe het kwade niet, maar ik deed het zelf wel.” (al-Bukhārī, 6/331; Aḥmad ibn Ḥanbal, 5/209)

Ook in Muslim wordt een vergelijkbare ḥadīth overgeleverd: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een man wordt in het vuur gegooid. De man houdt zijn buik vast en loopt als een ezel heen en weer.De andere bewoners van het Hellevuur verzamelen zich om hem en zeggen: ‘O die-en-die! Jij gaf ons toch raad in de wereld? Je zei ons toch het goede te verrichten en raadde je ons niet af om het slechte te vermijden?”Hij antwoordt: ‘Ja, ik raadde jullie aan, maar ik deed het zelf niet. Ik zei: doe het kwade niet, maar ik deed het zelf wel.” (Muslim, 18/118)

Hāfiẓ Abū Nu’aym van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:

“Tijdens de Isrā’ werd mij de toestand van een groep mensen getoond. Hun lippen werden met ijzeren scharen doorgesneden, waarna ze weer teruggezet werden en de bestraffing ging door. Toen ik aan Jibrīl ( عليه السلام) vroeg wie zij waren, zei hij: ‘Dit zijn de predikers van jouw ummah. Ze adviseerden de mensen het goede te verrichtten, maar deden het tegenovergestelde. Ze legden Allahs geboden uit, maar handelen er niet naar.”

Ibn al-Mubārak … van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Tijdens de Isrā’ werd mij de toestand van een groep mensen getoond. Hun lippen werden met ijzeren scharen doorgesneden en vervolgens weer teruggezet, zodat de bestraffing doorging. Toen ik aan Jibrīl ( عليه السلام) vroeg wie zij waren, zei hij: ‘Dit zijn de predikers van jouw ummah. Ze adviseerden de mensen het goede te verrichten, maar ze deden het zelf niet. Ze lazen Allahs Boek, maar handelden er niet naar.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/120, 231, 239) Deze ḥadīth verwijst naar āyah 44 in surah al-Baqarah:۞ أَتَأۡمُرُونَ ٱلنَّاسَ بِٱلۡبِرِّ وَتَنسَوۡنَ أَنفُسَكُمۡ وَأَنتُمۡ تَتۡلُونَ ٱلۡكِتَٰبَۚ أَفَلَا تَعۡقِلُونَ ٤٤

Jullie gebieden vroomheid en rechtvaardigheid en dat alle daden voor de gehoorzaamheid van Allāh zijn van de mensen maar jullie vergeten het zelf, terwijl jullie de Geschriften reciteren. Hebben jullie dan geen verstand?

Volgens de overlevering van Hāfiẓ Abū Nu’aym zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم):“Op Yawm al-Qiyāmah zal Allāh sommige zaken die Hij de geleerden niet vergeeft, wel toestaan en vergeven aan de onwetenden.”Deze ḥadīth is gharīb, omdat niemand anders deze overlevering heeft gehoord, behalve van Jaʿfar ibn Sayyār die hem via Aḥmad ibn Ḥanbal heeft overgeleverd.

Aḥmad ibn Ḥanbal overlevert: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie de onrechtplegers steunt, met hen bevriend is of hun onderdrukking niet verhindert, zal in het Hellevuur als hond dienen.” Deze ḥadīth is gharīb, aangezien Muḥammad ibn Muslim, van Ṭāwūs alleen deze ḥadīth bekend is.

Volgens sommige grote geleerden zal de toestand van drie soorten mensen op Yawm al-Qiyāmah zeer slecht zijn:

Iemand met ondergeschikten of slaven (onder zijn gezag):Als hij degenen onder zijn gezag goed disciplineert, opvoedt en tot volwassenheid brengt, maar zelf een opstandige/ongehoorzame dienaar is, zal deze persoon het Hellevuur ingaan, terwijl degenen die hij heeft opgevoed het Paradijs binnengaan.De mensen in het Hellevuur zullen uitroepen: “Wat een zonde voor deze man! Wat een slechte rijkdom! Wat een slechte situatie! Daarop begint de man die in het Hellevuur was gegooid te schreeuwen en te jammeren: “Ze waren mijn bezit, ik heb hen opgevoed, en hoe kunnen zij naar het Paradijs gaan terwijl ik naar het Hellevuur ga!”Een aangewezen engel antwoordt: “Omdat zij goed waren opgevoed, en jij hebt geen goede akhlāq gehad. Zij deden goede daden, terwijl jij je bezighield met lege en slechte zaken.”

Iemand die rijk is geworden maar geen goede daden heeft verricht:Als een man hard werkt, rijk wordt maar geen zakāh afdraagt en vervolgens sterft, waarna zijn bezit aan zijn erfgenamen wordt nagelaten en zij het besteden op de weg van Allāh, dan zullen de erfgenamen het Paradijs binnengaan, terwijl de erflater in de Hel zal zijn.De persoon begint in het Hellevuur te schreeuwen en te jammeren: “Wat een vreemde zaak! Deze rijkdom en bezittingen waren van mij, en ik ga naar het Hellevuur, terwijl zij mijn rijkdom uitgeven aan goede doelen en het Paradijs binnengaan!”De aangewezen engel zegt tot deze man: “Omdat zij Allāh gehoorzaamden en jij opstandig/ongehoorzaam was. Jij was gierig, zij waren vrijgevig; zij gaven sadaqah en zākah en hielpen de behoeftigen. Daarom ga jij naar het Hellevuur en zij naar het Paradijs.”

Een geleerde die onderricht geeft maar zelf niet ernaar handelt:Als een persoon kennis bezit en mensen leert wat goed is, en de mensen handelen naar die kennis, maar de geleerde zelf handelt er niet naar, dan zal de geleerde in het Hellevuur komen, terwijl degenen die naar zijn kennis handelden het Paradijs binnengaan.De geleerde zal jammerend zeggen: “Wat jammer! Wat een toestand! Deze mensen gaan het Paradijs binnen met de kennis die ik hen heb geleerd, waarom kan ik dat niet?”De aangewezen engel antwoordt: “Omdat zij handelden naar wat jij hen leerde, en jij deed niet wat je wist en adviseerde. Daarom ben jij in het Hellevuur, en zij in het Paradijs.” Deze overlevering is vermeld door Abū’l-Faraj Ibn al-Jawzī.

Ibrāhīm an-Nakhaʿī (رحمه الله) zei: “Ik ben terughoudend om de volgende drie āyāt te reciteren:”

۞ أَتَأۡمُرُونَ ٱلنَّاسَ بِٱلۡبِرِّ وَتَنسَوۡنَ أَنفُسَكُمۡ وَأَنتُمۡ تَتۡلُونَ ٱلۡكِتَٰبَۚ أَفَلَا تَعۡقِلُونَ ٤٤

Jullie gebieden vroomheid en rechtvaardigheid en dat alle daden voor de gehoorzaamheid van Allāh zijn van de mensen maar jullie vergeten het zelf, terwijl jullie de Geschriften reciteren. Hebben jullie dan geen verstand? (Baqarah, 2:44)

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ لِمَ تَقُولُونَ مَا لَا تَفۡعَلُونَ ٢

O, jullie die geloven! Waarom zeggen jullie wat jullie niet doen?

كَبُرَ مَقۡتًا عِندَ ٱللَّهِ أَن تَقُولُواْ مَا لَا تَفۡعَلُونَ ٣

Groot is de woede bij Allāh dat jullie zeggen wat jullie niet doen. (Saf, 61:2-3)

وَمَآ أُرِيدُ أَنۡ أُخَالِفَكُمۡ إِلَىٰ مَآ أَنۡهَىٰكُمۡ عَنۡهُۚ

…Ik wil niet handelen in strijd met wat ik jullie verkondig…(Hûd, 11:88)

Wij zeggen: wat uit deze overleveringen begrepen dient te worden is dat de mensen met kennis een grotere verantwoordelijkheid dragen dan degenen zonder kennis. Daarom zijn degenen met kennis verplicht meer goede daden te verrichten dan degenen die het niet weten. Ook geldt dat wie de mensen adviseert, zelf een voorbeeld dient te zijn en eerst moet handelen naar wat hij anderen leert/adviseert. (Deze overleveringen betekenen dus niet dat men kennis moet laten of dat men moet stoppen met het aansporen tot het goede en het verbieden van het kwade.)

Dit is ook de betekenis van de ḥadīth: “Degene die op Yawm al-Qiyāmah het zwaarst bestraft zal worden, is degene wiens kennis hem niet heeft gebaat.”

Van Abū Umāmah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degenen die anderen adviseren maar zelf niet handelen naar wat zij zeggen, zullen op Yawm al-Qiyāmah in de diepste delen van het Hellevuur worden bestraft.

Wanneer hun gevraagd wordt wie zij zijn, zullen zij antwoorden: ‘Wij riepen de mensen op tot het goede, maar handelden zelf in strijd daarmee .”

Over de āyah:

إِنَّ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ بِـَٔايَٰتِنَا سَوۡفَ نُصۡلِيهِمۡ نَارٗا كُلَّمَا نَضِجَتۡ جُلُودُهُم بَدَّلۡنَٰهُمۡ جُلُودًا غَيۡرَهَا لِيَذُوقُواْ ٱلۡعَذَابَۗ إِنَّ ٱللَّهَ كَانَ عَزِيزًا حَكِيمٗا ٥٦

Zeker! Degenen die niet in Onze Tekenen geloven, zullen Wij in het vuur verbranden en iedere keer als hun huid geroosterd is, zullen Wij hun huid vervangen, zodat zij de bestraffing zullen proeven. Waarlijk, Allāh is Almachtige, Alwijs. (Nisā, 4:56), zei al-Ḥasan al-Baṣrī: “De huid van de kāfirs zal elke dag 70.000 keer verbranden en opnieuw worden geschapen, zodat zij de bestraffing blijven ondergaan.”

Maar de zondige mu’mins zijn niet zoals zij. Zij sterven door de intensiteit van de bestraffing en worden slechts gestraft naar de mate van hun zonden. Voor de kāfirs is er echter geen dood.

5.35 Over het eten, drinken en kledij van de bewoners van het Hellevuur

سَرَابِيلُهُم مِّن قَطِرَانٖ وَتَغۡشَىٰ وُجُوهَهُمُ ٱلنَّارُ ٥٠

Hun kleding zal van pek zijn en het Hellevuur zal hun gezichten bedekken. (İbrahim, 14:50)

إِنَّ شَجَرَتَ ٱلزَّقُّومِ ٤٣ Waarlijk, de Zaqqoemboom.

طَعَامُ ٱلۡأَثِيمِ ٤٤ Zal het voedsel voor de zondaren zijn.

كَٱلۡمُهۡلِ يَغۡلِي فِي ٱلۡبُطُونِ ٤٥ Als kokende olie zal het in hun buiken komen.(Dukhān, 44:43-45)

فَلَيۡسَ لَهُ ٱلۡيَوۡمَ هَٰهُنَا حَمِيمٞ ٣٥ Dus op deze Dag heeft hij geen vrienden hier.

وَلَا طَعَامٌ إِلَّا مِنۡ غِسۡلِينٖ ٣٦ Noch enig voedsel, behalve vuil van het uitwassen van wonden. (Hāqqa, 69:35-36)

لَّا يَذُوقُونَ فِيهَا بَرۡدٗا وَلَا شَرَابًا ٢٤ Zij zullen daarin geen koelte en geen drank proeven.

إِلَّا حَمِيمٗا وَغَسَّاقٗا ٢٥ Behalve kokend water en een vieze vloeistof die veschrikkelijk koud is (ghassāq). (Naba, 78:24-25)

وَقُلِ ٱلۡحَقُّ مِن رَّبِّكُمۡۖ فَمَن شَآءَ فَلۡيُؤۡمِن وَمَن شَآءَ فَلۡيَكۡفُرۡۚ إِنَّآ أَعۡتَدۡنَا لِلظَّٰلِمِينَ نَارًا أَحَاطَ بِهِمۡ سُرَادِقُهَاۚ وَإِن يَسۡتَغِيثُواْ يُغَاثُواْ بِمَآءٖ كَٱلۡمُهۡلِ يَشۡوِي ٱلۡوُجُوهَۚ بِئۡسَ ٱلشَّرَابُ وَسَآءَتۡ مُرۡتَفَقًا ٢٩

En zeg: “De Waarheid is van jullie Heer.” Ieder die wil, laat hem geloven en ieder die niet wil, laat hem ongelovig zijn.

Waarlijk, Wij hebben voor de onrechtvaardigen een vuur voorbereid waarvan de muren hen zullen omringen. En als zij om hulp vragen dan zullen zij water krijgen als kokende olie (muhl), dat hun gezichten zal branden. Vreselijk om te drinken en een kwade rustplaats. (Kahf, 18:29)

تُسۡقَىٰ مِنۡ عَيۡنٍ ءَانِيَةٖ ٥ Hen wordt te drinken gegeven van een kokende bron.

لَّيۡسَ لَهُمۡ طَعَامٌ إِلَّا مِن ضَرِيعٖ ٦ Geen voedsel zal er voor hen zijn, behalve een giftige plant met doornen (Ḍarī`). (Ghāshiyah, 5-6)

Volgens de Qur’ān excegeten (mufassirûn) is Zaqqum een plant waarvan de wortels zich in de zesde niveau van het Hellevuur bevinden. Deze groeit en ontwikkelt zich door de vlammen van het Hellevuur, terwijl gewone planten groeien met koel water. De bewoners van het Hellevuur zullen zich met deze plant voeden.

Ḍarīʿ is een plant die in de lente groeit en in de zomer uitdroogt. De bladeren zijn hard en droog. Wanneer deze groen is, eten kamelen ervan, maar zodra zij verdort, eet geen enkel dier het meer.

Ghassāq is een rivier in het Hellevuur. Het bloed, etter en verbrande resten van vlees en huid van degenen die bestraft worden, stromen daarin samen.

Muhl is de benaming voor gesmolten metalen zoals goud, zilver of ijzer.

5.36 De bewoners van het Hellevuur zullen hevige honger en dorst lijden en daarop volgend hun smeekbeden en de antwoorden daarop

وَنَادَىٰٓ أَصۡحَٰبُ ٱلنَّارِ أَصۡحَٰبَ ٱلۡجَنَّةِ أَنۡ أَفِيضُواْ عَلَيۡنَا مِنَ ٱلۡمَآءِ أَوۡ مِمَّا رَزَقَكُمُ ٱللَّهُۚ قَالُوٓاْ إِنَّ ٱللَّهَ حَرَّمَهُمَا عَلَى ٱلۡكَٰفِرِينَ ٥٠

En de bewoners van het Hellevuur zullen tegen de bewoners van het Paradijs roepen: “Giet over ons wat water of iets waarmee Allāh jullie voorzien heeft.” Zij zullen zeggen “Beiden heeft Allāh voor de ongelovigen verboden.” (A`rāf, 7:50)

Volgens al-al-Bayhaqī, volgens Ka`b ibn Muḥammad al-Karzī zullen de bewoners van het Hellevuur vijf keer tot Allāh smeken. De eerste vier keer zal Allāh antwoorden, maar de vijfde keer niet, en daarna zal Hij nooit meer tot hen spreken.

1e du`ā’ van de kāfirs:

قَالُواْ رَبَّنَآ أَمَتَّنَا ٱثۡنَتَيۡنِ وَأَحۡيَيۡتَنَا ٱثۡنَتَيۡنِ فَٱعۡتَرَفۡنَا بِذُنُوبِنَا فَهَلۡ إِلَىٰ خُرُوجٖ مِّن سَبِيلٖ ١١

Zij zullen zeggen: “Onze Heer! U hebt ons tweemaal laten sterven, en U hebt ons tweemaal het leven gegeven! Nu bekennen wij onze zonden, is er dan nog een terugkeer van de weg (de bestraffing)?” (Ghāfir, 40:11)

Allāh zal antwoorden:ذَٰلِكُم بِأَنَّهُۥٓ إِذَا دُعِيَ ٱللَّهُ وَحۡدَهُۥ كَفَرۡتُمۡ وَإِن يُشۡرَكۡ بِهِۦ تُؤۡمِنُواْۚ فَٱلۡحُكۡمُ لِلَّهِ ٱلۡعَلِيِّ ٱلۡكَبِيرِ ١٢

(Nee) Dit is omdat jullie ongelovig waren toen Allāh als Enige God werd aangeroepen. Maar toen er deelgenoten aan Hem werden toegevoegd, geloofden jullie daarin! Dus het oordeel ligt uitsluitend bij Allāh, de Allerhoogste, de Allergrootste. (Ghāfir, 40:12)

2e du`ā’ van de kāfirs:

وَلَوۡ تَرَىٰٓ إِذِ ٱلۡمُجۡرِمُونَ نَاكِسُواْ رُءُوسِهِمۡ عِندَ رَبِّهِمۡ رَبَّنَآ أَبۡصَرۡنَا وَسَمِعۡنَا فَٱرۡجِعۡنَا نَعۡمَلۡ صَٰلِحًا إِنَّا مُوقِنُونَ ١٢

En als jullie maar konden zien wanneer de misdadigers hun hoofd voor hun Heer lieten hangen (zeggende): “Onze Heer! Wij hebben het nu gezien en gehoord, stuur ons dus terug, wij zullen goede daden verrichten. Waarlijk! Wij geloven nu met zekerheid.” (Sajdah, 32:12)

Allāh zal antwoorden:فَذُوقُواْ بِمَا نَسِيتُمۡ لِقَآءَ يَوۡمِكُمۡ هَٰذَآ إِنَّا نَسِينَٰكُمۡۖ وَذُوقُواْ عَذَابَ ٱلۡخُلۡدِ بِمَا كُنتُمۡ تَعۡمَلُونَ ١٤

Proeven jullie dan (de bestraffing) omdat jullie de ontmoeting van deze Dag vergaten. Wij zullen jullie ook vergeten. Proef dus de eeuwige bestraffing voor wat jullie plachten te doen. (Sajdah, 32:14)

3e du`ā’ van de kāfirs:

وَهُمۡ يَصۡطَرِخُونَ فِيهَا رَبَّنَآ أَخۡرِجۡنَا نَعۡمَلۡ صَٰلِحًا غَيۡرَ ٱلَّذِي كُنَّا نَعۡمَلُۚ أَوَلَمۡ نُعَمِّرۡكُم مَّا يَتَذَكَّرُ فِيهِ مَن تَذَكَّرَ وَجَآءَكُمُ ٱلنَّذِيرُۖ فَذُوقُواْ فَمَا لِلظَّٰلِمِينَ مِن نَّصِيرٍ ٣٧

Daarin zullen zij roepen: “Onze Heer! Haal ons weg, wij zullen goede daden verrichten, anders dan die wij plachten te doen.”

(Allāh zal antwoorden): “Hebben Wij jullie geen lang leven gegeven, zodat wie wilde de vermaningen ter harte kon nemen? En de waarschuwer is tot jullie gekomen. Proef daarom (de bestraffing). Voor de onrechtplegers is er geen helper.” (Fātir, 35: 37)

4e du`ā’ van de kāfirs:

قَالُواْ رَبَّنَا غَلَبَتۡ عَلَيۡنَا شِقۡوَتُنَا وَكُنَّا قَوۡمٗا ضَآلِّينَ ١٠٦

Zij zullen zeggen: “Onze Heer! Onze tegenspoed overkwam ons en wij waren een dwalend volk. (Mu’minûn, 23:106)

قَالَ ٱخۡسَـُٔواْ فِيهَا وَلَا تُكَلِّمُونِ ١٠٨

Hij (Allāh) zal zeggen: “Blijf daarin en lijdt. En spreek niet tot Mij!” (Mu’minûn, 23:108)

Na deze woorden zal Allāh de kāfirs niet meer aanspreken.

Volgens Ibn al-Mubārak heeft hierover meer informatie gegeven, via dezelfde overleveringsketen, zullen de bewoners van het Hellevuur zich daarna tot de aangewezen engelen wenden:

وَقَالَ ٱلَّذِينَ فِي ٱلنَّارِ لِخَزَنَةِ جَهَنَّمَ ٱدۡعُواْ رَبَّكُمۡ يُخَفِّفۡ عَنَّا يَوۡمٗا مِّنَ ٱلۡعَذَابِ ٤٩

En degenen in het Hellevuur zullen tegen de bewakers (Engelen) van het Hellevuur zeggen: “Roep jullie Heer aan om de bestraffing voor een dag te verlichten!” (Ghāfir, 40:49)

قَالُوٓاْ أَوَلَمۡ تَكُ تَأۡتِيكُمۡ رُسُلُكُم بِٱلۡبَيِّنَٰتِۖ قَالُواْ بَلَىٰۚ قَالُواْ فَٱدۡعُواْۗ وَمَا دُعَٰٓؤُاْ ٱلۡكَٰفِرِينَ إِلَّا فِي ضَلَٰلٍ ٥٠

Zij (de engelen) zullen zeggen: ”Waren jullie Boodschappers niet tot jullie gekomen met de duidelijke bewijzen?” Zij zullen zeggen: “Ja.” Zij (de engelen) zullen antwoorden: “Roep dan aan!” Maar de aanroeping van de ongelovigen is niets dan een dwaling / tevergeefs! (Ghāfir, 40:50)

Wanneer de kāfirs geen hulp krijgen van de engelen, wenden zij zich tot Mālik, de leider van de engelen die belast zijn met het Hellevuur. Mālik bevindt zich in het midden van het Hellevuur, op een positie van waaruit hij alles kan overzien.وَنَادَوۡاْ يَٰمَٰلِكُ لِيَقۡضِ عَلَيۡنَا رَبُّكَۖ قَالَ إِنَّكُم مَّٰكِثُونَ ٧٧

En zij zullen roepen: “O Malik! (bewaker van het Hellevuur) Laat jou Heer een einde aan ons maken.” Hij (Mālik ) zal zeggen: “Waarlijk, jullie zullen hier voor altijd verblijven.” (Zukhruf, 43:77)

Zij smeken hem tachtig jaar lang, maar Mālik kijkt hen niet eens aan. Een aardse jaar is 365 degen, 12 maanden en elk maand is 30 of 31 dagen. Maar men moet bedenken dat één dag in het Hellevuur gelijkstaat aan duizend jaar van onze wereldse tijd:وَيَسۡتَعۡجِلُونَكَ بِٱلۡعَذَابِ وَلَن يُخۡلِفَ ٱللَّهُ وَعۡدَهُۥۚ وَإِنَّ يَوۡمًا عِندَ رَبِّكَ كَأَلۡفِ سَنَةٖ مِّمَّا تَعُدُّونَ ٤٧

En zij vragen jou om de bestraffing te bespoedigen! En Allāh is niet nalatig in Zijn belofte. En waarlijk, één dag met jullie Heer is als duizend jaren in jullie berekening. (Haj, 22:47)

Na tachtig jaar wendt Mālik zich tot hen: Hij (Mālik ) zal zeggen: “Waarlijk, jullie zullen hier voor altijd verblijven.” (zie hierboven: Zukhruf, 43:77)

Daarna beseffen de bewoners van het Hellevuur dat er geen uitweg is. Zij zeggen tegen elkaar: “Laten we geduldig zijn. Misschien zal Allāh ons vergeven of zal geduld onze bestraffing verlichten. In het wereldse leven waren goede mensen geduldig en ontvingen hun beloning?”

Zij proberen lange tijd geduldig te zijn, maar wanneer dit niets oplevert, beginnen sommigen te jammeren:

قَالُواْ لَوۡ هَدَىٰنَا ٱللَّهُ لَهَدَيۡنَٰكُمۡۖ سَوَآءٌ عَلَيۡنَآ أَجَزِعۡنَآ أَمۡ صَبَرۡنَا مَا لَنَا مِن مَّحِيصٖ …٢١

Zij zullen zeggen: “Als Allāh ons geleid had, dan zouden wij jullie geleid hebben. Het is voor ons gelijk of wij ongeduld tonen of geduldig zijn, er is geen vluchtplaats voor ons.” (Ibrahim, 14:21)

Vervolgens neemt Iblis het woord en zegt:

وَقَالَ ٱلشَّيۡطَٰنُ لَمَّا قُضِيَ ٱلۡأَمۡرُ إِنَّ ٱللَّهَ وَعَدَكُمۡ وَعۡدَ ٱلۡحَقِّ وَوَعَدتُّكُمۡ فَأَخۡلَفۡتُكُمۡۖ وَمَا كَانَ لِيَ عَلَيۡكُم مِّن سُلۡطَٰنٍ إِلَّآ أَن دَعَوۡتُكُمۡ فَٱسۡتَجَبۡتُمۡ لِيۖ فَلَا تَلُومُونِي وَلُومُوٓاْ أَنفُسَكُمۖ مَّآ أَنَا۠ بِمُصۡرِخِكُمۡ وَمَآ أَنتُم بِمُصۡرِخِيَّ إِنِّي كَفَرۡتُ بِمَآ أَشۡرَكۡتُمُونِ مِن قَبۡلُۗ إِنَّ ٱلظَّٰلِمِينَ لَهُمۡ عَذَابٌ أَلِيمٞ ٢٢

En shaytān zei toen de zaak besloten was: “Waarlijk, Allāh heeft jullie een ware belofte gedaan. En ik heb jullie ook iets beloofd maar ik heb jullie verraden. Ik had geen gezag over jullie, behalve dat ik jullie geroepen heb en jullie mijn (roep) beantwoord hebben. Geef mij dus niet de schuld maar geef jullie zelf de schuld. Ik kan jullie niet helpen, noch kunnen jullie mij helpen. Ik ontken (het feit) dat jullie mij voordien als deelgenoot naast Allāh hebben geplaatst. Waarlijk, er is een pijnlijke bestraffing voor de onrechtvaardigen.” (Ibrahim, 14:22)

Op dat moment verliezen zij alle hoop. Zelfs woede heeft geen nut meer.

Zij zeggen:إِنَّ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ يُنَادَوۡنَ لَمَقۡتُ ٱللَّهِ أَكۡبَرُ مِن مَّقۡتِكُمۡ أَنفُسَكُمۡ إِذۡ تُدۡعَوۡنَ إِلَى ٱلۡإِيمَٰنِ فَتَكۡفُرُونَ ١٠

Voorwaar, tot degenen die ongelovig waren zal (op die Dag) geroepen worden:“Allāh’s afkeer is groter dan jullie afkeer; toen jullie tot het geloof werden opgeroepen, maar het weigerden.” (Ghāfir, 40:10)

Allāh zal antwoorden:وَلَوۡ شِئۡنَا لَأٓتَيۡنَا كُلَّ نَفۡسٍ هُدَىٰهَا وَلَٰكِنۡ حَقَّ ٱلۡقَوۡلُ مِنِّي لَأَمۡلَأَنَّ جَهَنَّمَ مِنَ ٱلۡجِنَّةِ وَٱلنَّاسِ أَجۡمَعِينَ ١٣

En als Wij wilden, zeker! Dan zouden Wij iedere ziel haar Leiding geven, Maar het Woord is door Mij bepaald: dat Ik het Hellevuur met zowel Djinn als mensen zal vullen. (Sajdah 32:13)

Volgens sommige geleerden is deze āyah een antwoord op de tweede du`ā’ van de kāfirs in het Hellevuur.

Bij de derde keer zullen zij zeggen:وَأَنذِرِ ٱلنَّاسَ يَوۡمَ يَأۡتِيهِمُ ٱلۡعَذَابُ فَيَقُولُ ٱلَّذِينَ ظَلَمُواْ رَبَّنَآ أَخِّرۡنَآ إِلَىٰٓ أَجَلٖ قَرِيبٖ نُّجِبۡ دَعۡوَتَكَ وَنَتَّبِعِ ٱلرُّسُلَۗ أَوَلَمۡ تَكُونُوٓاْ أَقۡسَمۡتُم مِّن قَبۡلُ مَا لَكُم مِّن زَوَالٖ ٤٤

En waarschuw de mensheid voor de Dag wanneer de bestraffing tot hen zal komen; dan zullen de zondaren zeggen: “Onze Heer! Geef ons nog een klein beetje uitstel, wij zullen Uw oproep beantwoorden en de Boodschappers volgen!” (Er zal tot hen gezegd worden): “Hebben jullie vroeger niet gezworen dat jullie (de wereld niet voor het Hiernamaals) zullen verlaten?” (Ibrahim, 14:44)

وَسَكَنتُمۡ فِي مَسَٰكِنِ ٱلَّذِينَ ظَلَمُوٓاْ أَنفُسَهُمۡ وَتَبَيَّنَ لَكُمۡ كَيۡفَ فَعَلۡنَا بِهِمۡ وَضَرَبۡنَا لَكُمُ ٱلۡأَمۡثَالَ ٤٥

En jullie verbleven in de woonplaatsen van de mensen die zichzelf onrecht hebben aangedaan, en het is voor jullie duidelijk geworden hoe Wij met hen omgaan. En Wij hebben voor jullie vergelijkingen gemaak.

(Ibrahim, 14:45)أَلَمۡ تَكُنۡ ءَايَٰتِي تُتۡلَىٰ عَلَيۡكُمۡ فَكُنتُم بِهَا تُكَذِّبُونَ ١٠٥

Werden niet Mijn Āyāt aan jullie gereciteerd, en hebben jullie die niet verloochend?

قَالُواْ رَبَّنَا غَلَبَتۡ عَلَيۡنَا شِقۡوَتُنَا وَكُنَّا قَوۡمٗا ضَآلِّينَ ١٠٦

Zij (kāfirs) zullen zeggen: “Onze Heer! Onze tegenspoed overkwam ons en wij waren een dwalend volk.

رَبَّنَآ أَخۡرِجۡنَا مِنۡهَا فَإِنۡ عُدۡنَا فَإِنَّا ظَٰلِمُونَ ١٠٧

Onze Heer! Breng ons hier uit; als wij het herhalen, dan zijn wij zeker onrechtvaardigen.”

قَالَ ٱخۡسَـُٔواْ فِيهَا وَلَا تُكَلِّمُونِ ١٠٨

Hij (Allāh) zal zeggen: “Blijf daarin en lijdt. En spreek niet tot Mij! (Mu’minûn, 105-108)

De kāfirs zullen op dat moment de waarheid beseffen en zich in een volledig wanhopige en ellendige toestand bevinden:قَالُواْ وَهُمۡ فِيهَا يَخۡتَصِمُونَ ٩٦ Zij (kāfirs) zullen zeggen terwijl zij redetwisten:

تَٱللَّهِ إِن كُنَّا لَفِي ضَلَٰلٖ مُّبِينٍ ٩٧ “Bij Allāh, wij hebben zeker een duidelijke fout gemaakt.

إِذۡ نُسَوِّيكُم بِرَبِّ ٱلۡعَٰلَمِينَ ٩٨ Dat wij jullie (valse goden) gelijkstelden aan de Heer der Werelden.

وَمَآ أَضَلَّنَآ إِلَّا ٱلۡمُجۡرِمُونَ ٩٩ En niemand heeft ons wereld van de Djinn en de wereld van de Engelen. "de fouten laten begaan behalve de misdadigers.

فَمَا لَنَا مِن شَٰفِعِينَ ١٠٠ Nu hebben wij geen bemiddelaars.

وَلَا صَدِيقٍ حَمِيمٖ ١٠١ Noch een naaste vriend.

فَلَوۡ أَنَّ لَنَا كَرَّةٗ فَنَكُونَ مِنَ ٱلۡمُؤۡمِنِينَ ١٠٢ (Helaas!) Als wij slechts een kans hadden om terug te keren, zullen wij zeker onder de gelovigen zijn!”

إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَأٓيَةٗۖ وَمَا كَانَ أَكۡثَرُهُم مُّؤۡمِنِينَ ١٠٣ Waarlijk, daarin is zeker een Teken, maar de meesten van hen zijn geen gelovigen. (Shu`arah: 96-103)

إِنَّآ أَنذَرۡنَٰكُمۡ عَذَابٗا قَرِيبٗا يَوۡمَ يَنظُرُ ٱلۡمَرۡءُ مَا قَدَّمَتۡ يَدَاهُ وَيَقُولُ ٱلۡكَافِرُ يَٰلَيۡتَنِي كُنتُ تُرَٰبَۢا ٤٠

Waarlijk, Wij hebben jullie gewaarschuwd voor een naderende bestraffing op de Dag dat de mens zal zien wat zijn handen voeger bedreven (goed en slecht). En de ongelovige zal zeggen: “Wee mij! Was ik maar aarde. (Naba’, 78:40)

… van Abū ad-Dardā’ (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De bewoners van het Hellevuur die bestraft worden, zullen zo’n hevige honger krijgen (dat zij door die honger zelfs de bestraffing waarin zij verkeren vergeten). Zij smeken om voedsel en drinken. Daarop wordt hun een droge en stekelige plant als voedsel gegeven, die, wanneer men ervan eet, in de keel blijft steken. Deze plant stilt hun honger niet en neemt die ook niet weg; (integendeel, hij blijft vastzitten en vergroot hun dorst).

Dan herinneren zij zich het water dat zij tijdens hun leven op aarde dronken. Telkens wanneer er iets in hun keel vastzat of zij dorst hadden, namen zij water tot zich. Daarom vragen zij nu om water.

Er wordt hen kokend water gebracht. Wanneer zij het naar hun mond brengen, brandt de hitte hun gezichtshuid. Desondanks drinken zij het, gedreven door wat in hun keel vastzit en hun enorme dorst. Wanneer het water hun buik binnengaat, zal het hun ingewanden verscheuren.”

Gebaseerd op een ḥadīth van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), beschrijft Abû Hurayrah het kokende water in het Hellevuur, namelijk ‘ḥamīm’, als volgt: “Het kokende water, ‘ḥamīm’ genoemd, wanneer het over het hoofd van een mens wordt gegoten, brandt het door tot in zijn buik en doet het zijn ingewanden smelten. Vervolgens stromen deze (gesmolten resten) via zijn lichaam naar buiten, tot onder zijn voeten. Daarna wordt hij weer in zijn oorspronkelijke staat teruggebracht, zodat de bestraffing voortduurt.” (Tirmidzi, 2582; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/374)

Van Abū Umāmah (رضي الله عنه), over de ayat:

مِّن وَرَآئِهِۦ جَهَنَّمُ وَيُسۡقَىٰ مِن مَّآءٖ صَدِيدٖ ١٦

Vóór hen ligt het Hellevuur. En hij wordt gedwongen om kokend water te drinken.

يَتَجَرَّعُهُۥ وَلَا يَكَادُ يُسِيغُهُۥ وَيَأۡتِيهِ ٱلۡمَوۡتُ مِن كُلِّ مَكَانٖ وَمَا هُوَ بِمَيِّتٖۖ وَمِن وَرَآئِهِۦ عَذَابٌ غَلِيظٞ ١٧

Hij zal het met kleine teugen drinken en hij zal grote problemen ondervinden in het doorslikken daarvan. En de dood zal hem van alle kanten benaderen, maar hij zal niet sterven en voor hem zal een grote bestraffing zijn. (Ibrahim, 14:16-17)

zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Hij zal etterachtig water te drinken krijgen. Hij zal proberen het te drinken en door te slikken, maar hij zal daar nauwelijks toe in staat zijn. Vervolgens worden dood en allerlei vormen van vernietiging hem van alle kanten bereiken. En daarna zal er nog een zwaardere bestraffing volgen.” (at-Tirmidzi, 2583; Aḥmad ibn Ḥanbal, 5/256)

كَمَنۡ هُوَ خَٰلِدٞ فِي ٱلنَّارِ وَسُقُواْ مَآءً حَمِيمٗا فَقَطَّعَ أَمۡعَآءَهُمۡ ١٥

... (Is dit) gelijk (aan de ellende van) degenen die voor altijd in het vuur zullen wonen en kokend water te drinken krijgen, zodat het in hun buiken snijdt? (Muhammad, 47:15)

وَإِن يَسۡتَغِيثُواْ يُغَاثُواْ بِمَآءٖ كَٱلۡمُهۡلِ يَشۡوِي ٱلۡوُجُوهَۚ بِئۡسَ ٱلشَّرَابُ وَسَآءَتۡ مُرۡتَفَقًا ٢٩

... En als zij om hulp vragen dan zullen zij water krijgen als kokende olie, dat hun gezichten zal branden. Vreselijk om te drinken en een kwade rustplaats.

(Kahf, 18:29)

In een andere ḥadīth wordt gezegd:

“Als één druppel van de Zaqqûm, die in het Hellevuur als voedsel aan de kāfirs wordt gegeven, op de aarde zou vallen, zou alles wat op aarde leeft vergaan. Hoe zal het dan zijn voor degene die ervan moet eten!” ( Aḥmad ibn Ḥanbal, 1/338; at-Tirmidzi, 2585; Ibn Mājah, 4325) Volgens at-Tirmiḏī is deze ḥadīth zowel ṣaḥīḥ als ḥasan.

5.37 Het huilen en jammeren van de bewoners van het HellevuurDe toestand van degene met de lichtste bestraffing in het Hellevuur

Ibn al-Mubārak zegt: … Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:

“O mensen! Huil. En als jullie niet alleen kunnen huilen, huil dan samen (of: als jullie niet om jezelf kunnen huilen, huil dan voor elkaar). De bewoners van het Hellevuur zullen huilen totdat er geen tranen meer in hun ogen overblijven. Hun tranen zullen op hun gezichten stollen in aderen over hun gezicht liggen.Vervolgens zullen de traan(buizen) uitdrogen en zal er bloed uit hun ogen stromen, totdat hun ogen (uit hun kassen) wegvloeien. De tranen en het bloed die uit hun ogen stromen, zullen zo overvloedig zijn dat er een meer ontstaat waarin een schip zou kunnen varen.”

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De bewoners van het Hellevuur beginnen te huilen totdat hun tranen opdrogen. Daarna begint er bloed uit hun ogen te stromen, en het stromende bloed zal op hun gezichten lijken alsof het greppels heeft uitgesleten. Als er een schip in hun tranen zou zijn, zou het kunnen varen.” (Ibn Mājah, 4324)

Van an-Nuʿmān ibn Bashīr (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawm al-Qiyāmah is de persoon die de lichtste bestraffing in het Hellevuur krijgt als volgt: aan zijn voeten worden twee vurige kolen vastgemaakt. Door de hitte van deze kolen zal zijn hersenen koken.” (Muslim, 3/85 ve 86; al-Bukhārī, 11/417; Aḥmad ibn Ḥanbal, 4/271 ve 274)

Ook Abū Mūsā al-Ashʿarī (رضي الله عنه) heeft soortgelijke uitspraken gedaan (mawqūf).

Al deze overleveringen verwijzen naar de volgende āyah:

فَلۡيَضۡحَكُواْ قَلِيلٗا وَلۡيَبۡكُواْ كَثِيرٗا جَزَآءَۢ بِمَا كَانُواْ يَكۡسِبُونَ ٨٢

Laat hen dus maar een beetje lachen en veel huilen als vergelding voor hetgeen zij plachten te bedrijven. (Tawbah, 9:82)

Van Abū Ẓar al-Ghifārī (رضي الله عنه), hij zei: “Als jullie alles zouden weten wat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ons heeft verteld, of wat wij bij hem hebben gezien, dan zouden jullie voortdurend huilen en nauwelijks lachen.

Degenen die in deze wereld diep bedroefd zijn over hun eigen toestand en huilden om hun zonden en tekortkomingen, zullen in het Hiernamaals voortdurend lachen. En het tegenovergestelde is ook waar: degenen die in deze wereld veel lachten en zich verheugden, zullen in het Hiernamaals veel verdriet hebben en veel huilen. De volgende āyah verwijst hiernaar:

وَإِذَا ٱنقَلَبُوٓاْ إِلَىٰٓ أَهۡلِهِمُ ٱنقَلَبُواْ فَكِهِينَ ٣١

En wanneer zij terugkeerden naar hun familie, keerden zij verheugd terug.(Mutaffin, 83:31) (at-Tirmidzi, 2312; Ibn Mājah, 4190; Aḥmad ibn Ḥanbal, 6/146 ve 5/173)

5.38 Voor iedere mu’min zal een kāfir als boetedoening (fidyah) in het Hellevuur worden geworpen

…Van Abū Burda en zijn vader (رضي الله عنهم), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer Allāhu Taʿālā op Yawm al-Qiyāmah alle schepselen verzamelt, zal Hij de ummah van Muhammad (صلى الله عليه وسلم) toestemming geven om neer te knielen (sujūd). De ummah van Muhammad zal zich in sujūd werpen en daar lange tijd in blijven. Vervolgens zal Allāhu Taʿālā tot hen zeggen: ‘Hef jullie hoofden op. Voor ieder van jullie hebben Wij als fidyah (een kāfir) in het Hellevuur geplaatst.” (Ibn Mājah, 4291)

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Deze ummah is de ummah van barmhartigheid. Zij zullen hun eigen bestraffing vaststellen. Op Yawm al-Qiyāmah zal voor iedere mu’min een mushrik naar het Hellevuur worden gestuurd en er zal gezegd worden: ‘Dit is degene die in jouw plaats in het Hellevuur zal branden.” (Ibn Mājah, 4292; Aḥmad ibn Ḥanbal, 4/408)

Volgens ons zijn de ketens van overlevering (isnād) van deze twee ahadīth niet bijzonder sterk, maar de betekenis ervan is wel ṣaḥīḥ. Zo stelt ook ad-Dāraquṭnī dat het niet correct is om hadīth over te leveren van Jabbārah ibn Mighlas. Toch is de betekenis van deze aḥādīth, wanneer zij samen met andere overleveringen worden beschouwd, juist.

Van Abū Mūsā al-Ashʿarī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawm al-Qiyāmah zal Allāhu Taʿālā aan iedere mu’min een jood en een christen toewijzen en zeggen: ‘Dit is degene die in jouw plaats in het Hellevuur zal branden.” (Muslim, 17/85; Aḥmad ibn Ḥanbal, 4/410)

In een andere overlevering zegt Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Voor iedere mu’min zal een jood of een christen worden aangewezen die in zijn plaats in het Hellevuur zal branden”. (Muslim, 17/85–86; Aḥmad ibn Ḥanbal, 4/398)

Volgens onze geleerden lijken deze ahadīth op het eerste gezicht betrekking te hebben op alle moslims, maar in werkelijkheid zijn zij specifiek voor zondige mu’mins. Allāhu Taʿālā heeft hun deze gunst verleend zodat zij niet in het Hellevuur bestraft worden.

De opvatting die aan ons is overgeleverd via Abū Burdah van zijn vader wordt ondersteund door de volgende hadīth:“Op Yawm al-Qiyāmah zullen sommige moslims komen met zonden zo groot als bergen, maar hun zonden zullen van hen worden weggenomen en op joden en christenen worden gelegd.” (Muslim, 17/86)

Normaal gesproken draagt niemand de zonden van een ander.(zie Anʿām, 164) Maar hier is er sprake van barmhartigheid voor de mu’mins en bestraffing voor de joden en christenen. Allāhu Taʿālā zal de bestraffing van de joden en christenen vermeerderen; dit is een straf voor hun ongehoorzaamheid ondanks dat er anbiyā’ tot hen zijn gezonden.

In de eerder genoemde ahadīth over de ondervraging in het graf werd iets soortgelijks vermeld. De engelen, Munkar en Nakīr, zullen eerst de plaats van de mu’min in het Hellevuur tonen en daarna zijn plaats in het Paradijs, en zij zullen zeggen:“Dit was jouw plaats in het Hellevuur, maar Allāhu Taʿālā heeft het voor jou vervangen door deze plaats in het Paradijs.”

Wij zeggen: hier is nog een andere kwestie. Dat is het feit dat Allāhu Taʿālā de erfenissen van de kāfirs aan de mu’mins geeft. De landerijen en bezittingen die voorheen aan de kāfirs toebehoorden, zijn aan de mu’mins als erfenis gegeven:أُوْلَٰٓئِكَ هُمُ ٱلۡوَٰرِثُونَ ١٠

Zij zijn zeker de erfgenamen. (Mu’minûn, 23:10)

In dat geval kunnen ook de zonden van de kāfirs als een soort erfenis worden overgedragen:وَقَالُواْ ٱلۡحَمۡدُ لِلَّهِ ٱلَّذِي صَدَقَنَا وَعۡدَهُۥ وَأَوۡرَثَنَا ٱلۡأَرۡضَ نَتَبَوَّأُ مِنَ ٱلۡجَنَّةِ حَيۡثُ نَشَآءُۖ فَنِعۡمَ أَجۡرُ ٱلۡعَٰمِلِينَ ٧٤

En zij zullen zeggen: “Alle lofprijzingen en dankbetuigingen komen (alléén) Allāh toe, Die Zijn belofte is nagekomen en ons het land heeft doen erven. Wij verblijven in het Paradijs zoals wij willen. Wat een uitmuntende beloning voor de weldoeners! (Zumar, 39:74)

5.39 Zal het Hellevuur gevuld worden?

يَوۡمَ نَقُولُ لِجَهَنَّمَ هَلِ ٱمۡتَلَأۡتِ وَتَقُولُ هَلۡ مِن مَّزِيدٖ ٣٠

(Gedenk) De dag wanneer Wij tot het Hellevuur zullen zeggen: “Ben jij al vol?” Zal zij zeggen: “(Komen) er nog meer?” (Qāf, 50:30)

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Telkens wanneer de bewoners van het Hellevuur daarin worden geworpen, zal het Hellevuur blijven zeggen: ‘Komen er niet meer?’ Uiteindelijk zal Allāhu Taʿālā het Hellevuur samenpersen en haar uiteinden naar elkaar toe brengen, waardoor zij ineengeperst worden. Daarop zal het Hellevuur zeggen: ‘O mijn Rab! Bij Uw macht en Uw vrijgevigheid, ik verlang niet naar meer.’ Toch zal het Hellevuur niet gevuld worden. Vervolgens zal Allāhu Taʿālā andere schepselen creëren en hen plaatsen in het deel dat nog niet gevuld is.” (Muslim, 17/184; al-Bukhārī, 11/545; Jāmiʿ at-Tirmiḏī, 3272; Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/234)

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De Hel raakt nooit verzadigd; de bewoners die erin worden geworpen vullen het Hellevuur niet. Vervolgens zal Allāhu Taʿālā een last op het Hellevuur leggen, en het Hellevuur zal zich samentrekken. Dan zal het Hellevuur, die aangeeft dat zij vol is, Allāh smeken. Allāh wil Zijn dienaren geen onrecht aandoen en wil hen niet naar het Hellevuur sturen. Het Paradijs daarentegen zal niet gevuld worden. Allāhu Taʿālā zal nieuwe schepselen scheppen en hen plaatsen in het deel van het Paradijs dat nog leeg is.”

Over de uitspraak van het Hellevuur “Komt er nog meer?” bestaan verschillende opvattingen:

Volgens de eerste opvatting wijst dit op de belofte dat het Hellevuur volledig gevuld zal worden. Dit is de mening van de meerderheid van de geleerden, onder wie Mujāhid. Ook de letterlijke betekenis van de hadīth wijst hierop.

Volgens een tweede opvatting duidt dit op de woede van het Hellevuur. Als plaats waar de toorn van Allāh zich manifesteert, draagt het Hellevuur een intense woede tegenover de kāfirs.

In eerdere ahadīth wordt vermeld dat het Hellevuur, wanneer ze naar de Mahshar-plein wordt gebracht, zich losrukt van de engelen en de kāfirs aanvalt. Ook de geluiden en vlammen die het Hellevuur voortbrengt uit deze woede zijn in ahadīth beschreven. De āyah:تَكَادُ تَمَيَّزُ مِنَ ٱلۡغَيۡظِۖ كُلَّمَآ أُلۡقِيَ فِيهَا فَوۡجٞ سَأَلَهُمۡ خَزَنَتُهَآ أَلَمۡ يَأۡتِكُمۡ نَذِيرٞ ٨

Zij barst bijna in woede uit. Iedere keer dat daar een groep in wordt geworpen, zal zijn bewaker vragen: “Is er geen waarschuwer tot jullie gekomen?” (Mulk, 67:8), wijst op deze tweede betekenis.

Een andere betekenis die uit de hadīth kan worden afgeleid is dat mensen niet in één keer in het Hellevuur worden geworpen, maar stuk voor stuk, in troepen, in groepen. Mensen die samen leefden, dezelfde zonden begingen of kāfirs die elkaar kenden, zullen gezamenlijk in het Hellevuur worden geworpen en daar met elkaar redetwisten en ruzie maken. Zoals in de voorgaande āyah: Mulk, 67:8

De uitspraken in de hadīth over het samentrekken van het Hellevuur door Allāhu Taʿālā, het in Zijn greep nemen of het samenknijpen ervan, moeten figuurlijk worden opgevat en duiden op Zijn macht. Allāhu Taʿālā zal het Hellevuur samenpersen en tot rust brengen, zodat er niet nog meer mensen daarin worden geworpen en haar woede wordt gestild.

5.40 De eigenschappen, naam en stam van de persoon die als laatste uit het Hellevuur zal komen en als laatste het Paradijs zal binnengaan

Van `Abdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik ken de man die als laatste uit het Hellevuur zal komen en als laatste het Paradijs zal binnengaan. Wanneer deze man uit het Hellevuur komt, zal hij eruitzien als steenkool. Allāhu Taʿālā zal tot hem bevelen: ‘Ga en treed het Paradijs binnen.’ Hij zal gaan en kijken, en denken dat het Paradijs al vol is.

Hij zal zeggen: ‘O mijn Rab! Het lijkt alsof het Paradijs vol is.’

Allāhu Taʿālā zal opnieuw bevelen: ‘Ga en treed het Paradijs binnen.’

De man zal opnieuw gaan kijken en weer terugkeren en zeggen: ‘O mijn Rab! Het lijkt alsof het Paradijs vol is.’

Daarop zal Allāhu Taʿālā zeggen: ‘Ga en treed binnen. Voor jou is er een plaats ter grootte van de wereld en daarboven nog tienmaal zoveel.’ Of Hij zal zeggen: ‘Ik heb jou tienmaal de wereld gegeven.’

De man zal (uit vreugde en verbazing) zeggen: ‘O mijn Rab! U bent de Bezitter en Rab van alles. Maakt U een grap met mij?’

Terwijl Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dit vertelde, glimlachte hij en sloot af met de woorden: “Dit is de laagste rang en de geringste gunst in het Paradijs.” (Muslim, 3/39; al-Bukhārī, 11/418; Ibn Mājah, 4339; Aḥmad ibn Ḥanbal, 1/379)

Van `Abdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:“Een man zal als laatste uit het Hellevuur komen. Hij zal struikelend lopen en soms op het vuur stappen, waardoor hij zich verbrandt, totdat hij uiteindelijk uit het Hellevuur ontsnapt. Wanneer hij eruit is gekomen, zal hij zich omdraaien naar het Hellevuur en de volgende du`ā’ verrichten: ‘Alle lof zij Degene Die mij van jou heeft gered. O Allāh! Wat mij is overkomen, is niemand anders overkomen.’

Vervolgens zal er een boom voor hem verschijnen. Hij zal zeggen: ‘O mijn Rab! Breng mij dichter bij deze boom, zodat ik in zijn schaduw kan rusten en van zijn water kan drinken.’

Allāhu Taʿālā zal zeggen: ‘O zoon van Ādam! Als Ik jou dit geef, zul je om meer vragen.’ De man zal zeggen: ‘Nee, mijn Rab,’ en hij zal beloven niets anders te vragen.Allāhu Taʿālā zal hem verontschuldigen en genade schenken, want hij heeft geen geduld meer. Hij zal hem toestaan dichterbij te komen.

De man zal onder de boom komen, rusten, verkoeling vinden en drinken. Daarna zal hij een nog mooiere boom zien. Hij zal zeggen: ‘O mijn Rab! Laat mij naar die boom gaan, zodat ik onder zijn schaduw kan rusten en van zijn water kan drinken.’

Allāhu Taʿālā zal opnieuw zeggen: Als Ik jou dit geef, zul je om meer vragen.’ De man zal zweren dat hij niets meer zal vragen. Allāhu Taʿālā weet dat hij zijn belofte niet zal nakomen, maar Hij zal hem toch verontschuldigen en toestaan dichterbij te komen.

Wanneer hij bij deze boom komt, zal hij een nog veel mooiere boom zien. Zo zal hij steeds dichter bij het Paradijs komen, totdat hij de geluiden ervan hoort.

De man zal zeggen: ‘O mijn Rab! Mag ik daar binnengaan?’

Allāhu Taʿālā zal zeggen: ‘Had jij Mij niet beloofd niets meer te vragen? Wat als je weer om meer vraagt? Wat als Ik jou een plaats in het Paradijs geef ter grootte van tweemaal de wereld, maar je mag niets meer vragen!’

De man zal (uit vreugde en verbazing) zeggen: ‘U bent de Rab der werelden. Waarom zou U met mij een grap maken?”

Abdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه) lachte toen hij deze hadīth vertelde. Toen hem werd gevraagd waarom hij lachte, zei hij: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) lachte ook zo. Toen wij hem vroegen: ‘O Rasûlullāh, waarom lacht u?’ zei hij: ‘Ik lach om wat Allāhu Taʿālā doet glimlachen. Allāhu Taʿālā zal tegen deze man zeggen: “Ik maak geen grap met jou. Ik ben in staat alles te doen wat Ik wil.” (Muslim, 3/42; Aḥmad ibn Ḥanbal, 1/392 en 410)

Van de zoon van ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb, ʿAbdullāh (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De man die als laatste het Paradijs zal binnengaan, behoort tot de stam van Juhaynah en zijn naam is Juhaynah. In het Paradijs zullen de mensen over hem zeggen: “Juhaynah weet het meest over het Hellevuur en heeft er veel ervaring mee.”

Deze hadīth is overgeleverd door Abū Ḥafṣ ʿUmar ibn ʿAbd al-Majīd, bekend als al-Muyānishī, van Quraysh-afkomst, in zijn werk “al-Ikhtiyār”.

Ook Abū Bakr ibn ʿAlī ibn Thābit (bekend als al-Khaṭīb), heeft via ʿAbd al-Malik ibn al-Ḥākim hetzelfde hadīth overgeleverd van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه).

Daarnaast heeft Abū Bakr ibn ʿAlī ibn Thābit, via dezelfde overleveringsketen, van Nāfiʿ en vervolgens van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما) het volgende hadīth overgeleverd: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De man die als laatste het Paradijs zal binnengaan, behoort tot de stam van Juhaynah en zijn naam is Juhaynah. De bewoners van het Paradijs zullen onder elkaar zeggen: ‘Juhaynah kent het Hellevuur het beste. Vraag hem of er nog iemand in het Hellevuur is achtergebleven.”

Deze hadīth is ook overgeleverd door al-ad-Dāraquṭnī. Ook Mālik ibn Anas heeft het overgeleverd. In sommige overleveringen wordt vermeld dat de naam van deze man “Hannād” is. En Allāh weet het het beste en het meest juiste.

De uitspraak in de hadīth: “O mijn Rab, maakt U een grap met mij?” is door de geleerden op verschillende manieren uitgelegd:

Volgens sommige geleerden zei de man dit uit verbazing en vreugde, doordat hij overweldigd werd en zich niet goed kon uitdrukken. Een vergelijkbaar voorbeeld is de hadīth waarin Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beschrijft hoe iemand die zijn verloren kameel terugvindt, uit vreugde zegt: “O mijn Rab! U bent mijn dienaar en ik ben Uw Rab,” terwijl hij zich verspreekt door zijn blijdschap.

Volgens een andere uitleg kan “istihzāʾ” (spot) ook de betekenis hebben van “intiqām” (vergelding). Volgens deze geleerden bedoelde de man: “O mijn Rab! Zal mij geen vergelding worden aangedaan voor wat ik in het wereldse leven heb verricht?”

Het lachen of glimlachen van Allāhu Taʿālā duidt op Zijn welbehagen en tevredenheid met Zijn dienaar, zoals verwoord door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Ook het verheugd zijn over de tawbah van een dienaar wijst op Zijn tevredenheid met de dienaar.

Wanneer er gesproken wordt over het “plannen” of “valstrik beramen” van Allāhu Taʿālā, betekent dit dat Hij de plannen en listen van de mensen verijdelt/tenietdoet en tegen hen laat keren. Evenzo betekent het nemen van “wraak” dat Hij hen vergeldt voor hun daden; dit is een metaforische uitdrukking. Allāhu Taʿālā heeft geen behoefte aan wraak en vindt geen genoegen in het bestraffen van Zijn dienaren.

Integendeel, Allāhu Taʿālā heeft de mensen verstand geschonken en anbiyā’ gezonden, en hen op verschillende manieren gewaarschuwd, zodat zij niet gestraft hoeften te worden. Dat het Hellevuur, ondanks dat zij niet vol raakt, (de bewoners) samenperst en verdrukt, is omdat zij er geen verlangen naar heeft dat er nog meer dienaren het Hellevuur binnengaan.

5.41 Degenen met Tawhīd-geloof worden uit het Hellevuur gehaald

Abū’l-Qāsim, bekend als al-Tabarani, overlevert … van Jabir ibn ʿAbdullāh (رضي الله عنه),

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degenen uit mijn ummah die veel zonden hebben, zullen het Hellevuur binnengaan en daar bestraft worden gedurende de tijd die Allāh heeft bepaald. De polytheisten (mushriks ) zullen tegen deze mu’mins zeggen: ‘Wat is er gebeurd? Jullie waren toch mu’mins en wij waren mushriks ? Want wat was het verschil tussen ons? Waar is jullie geloof (īmān) gebleven?’ en zij zullen hen bespotten. Daarop zal Allāhu Taʿālā alle mu’mins uit het Hellevuur halen.”

Vervolgens reciteerde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de volgende āyah:رُّبَمَا يَوَدُّ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ لَوۡ كَانُواْ مُسۡلِمِينَ ٢

Er zal een tijd komen dat de kāfirs, (wanneer zij het Hellevuur binnengaan), wensen datzij moslim zouden zijn. (Ḥijr, 15:2)

… Van Anas ibn Malik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een man zal zich duizend jaar in het Hellevuur bevinden en zeggen: ‘O Ḥannān, O Mannān (O de Meest Genadevolle, o de Meest Gulle)!’ Allāh aanroepende. Allāhu Taʿālā zal Jibrīl (عليه السلام) bevelen om deze man te brengen. Jibrīl (عليه السلام) gaat en ziet dat alle bewoners van het Hellevuur op hun gezichten over de grond kruipen. Hij keert terug en zegt: ‘O mijn Rab! Ik heb hem niet gezien.’

Allāhu Taʿālā beschrijft de plaats van die dienaar aan Jibrīl (عليه السلام). Hij gaat opnieuw, vindt de man en brengt hem. Wanneer de man voor Allāhu Taʿālā wordt gebracht, zegt Hij: ‘Zeg Mijn dienaar, wat vind je van je plaats in het Hellevuur?’

De dienaar zegt: ‘De slechtste plaats die ik ooit heb gezien.’

Daarop beveelt Allāhu Taʿālā: ‘Breng Mijn dienaar terug naar zijn plaats in het Hellevuur.’

De man zegt: ‘O mijn Rab! Ik hoopte dat U mij, nadat U mij uit het Hellevuur had gehaald, niet opnieuw zou terugsturen.’

Daarop beveelt Allāhu Taʿālā dat Zijn dienaar wordt vrijgelaten.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/330)

Wanneer Allāhu Taʿālā wil dat alle mu’mins uit het Hellevuur worden gehaald, zullen de aanhangers van andere religies zeggen: “Jullie waren niet zoals wij. Jullie geloofden (īmān) en wij ontkenden. Jullie geloofden in Allāh en wij in andere zaken. Waarom zijn jullie vandaag op dezelfde plaats als wij?”

Daarna zullen zij de mu’mins bespotten en zeggen: “Zullen jullie dan net als wij eeuwig bestraft worden? Of waren jullie woorden in het wereldse leven leugens? Wat voor nut had jullie īmān dan?”

Daarop zal Allāhu Taʿālā in een woede ontsteken zoals Hij nooit eerder heeft gedaan en alle mu’mins uit het Hellevuur halen. Vervolgens worden deze mu’mins in een rivier geworpen die zich tussen het Paradijs en het Hellevuur bevindt, nabij de Ṣirāṭ, en die bekendstaat als de rivier van het leven. Van het water van deze rivier wordt over hen gesprenkeld. Daar krijgen zij opnieuw leven: hun lichamen worden opnieuw geschapen en de sporen van de bestraffing verdwijnen. Daarna rusten zij daar en verblijven in de schaduw. Vervolgens zullen zij allen het Paradijs binnengaan. Op hun voorhoofden zal geschreven staan: “Dit zijn de dienaren die door Allāhu Taʿālā uit het Hellevuur zijn gehaald.”

Er is echter één man achtergebleven. Deze man blijft duizend jaar in de rivier van het leven en kan niet van daaruit het Paradijs binnengaan. Allāhu Taʿālā geeft een engel de opdracht om hem te bevrijden. De engel komt, maar kan de man niet vinden of eruit halen. De engel keert terug naar Allāh en zegt: “O mijn Rab! U hebt mij de taak gegeven om deze dienaar te redden, maar al zeventig jaar zoek ik en kan hem niet vinden.”

Daarop beveelt Allāhu Taʿālā: “Hij bevindt zich in dat dal, onder die specifieke rots. Ga en haal hem daar vandaan.” De engel gaat, vindt de man en redt hem.

Later, wanneer de andere mu’mins uit het Hellevuur zijn bevrijd, raken zij ongemakkelijk van de inscriptie “bewoner van het Hellevuur” op hun voorhoofden en klagen hierover bij Allāhu Taʿālā.

Allāhu Taʿālā wijst daarop een engel aan die de inscriptie van hun voorhoofden verwijdert.

Nog een tijd later beveelt Allāhu Taʿālā aan iedereen in het Paradijs: “Kijk eens naar het Hellevuur, zien jullie daar iemand die jullie kennen?” Hierop wordt het Hellevuur aan de bewoners van het Paradijs getoond. De bewoners van het Paradijs bekijken het Hellevuur. Sommigen zien hun vader, anderen hun buurman, en zij raken bedroefd. Allāhu Taʿālā beveelt dat de plekken van deze bekenden worden bedekt met platen van vuur en ijzer. Vervolgens worden alle deuren en ramen van het Hellevuur gesloten. Vanaf dat moment is de binnenkant van het Hellevuur niet meer zichtbaar en zijn de stemmen van haar bewoners niet hoorbaar. Ook de vlammen en het gesis van het Hellevuur verdwijnen. Daarna vergeten de bewoners van het Paradijs het Hellevuur volledig en leven zij voor eeuwig in zegeningen.

Hiermee wordt de betekenis van de āyāt duidelijk:

إِنَّهَا عَلَيۡهِم مُّؤۡصَدَةٞ ٨

Waarlijk, hun (deuren van het vuur, bedekt met platen van vuur en ijzer) worden gesloten. (Humazah, 104:8)

لَا يَسۡمَعُونَ حَسِيسَهَاۖ ١٠٢

Zij zullen het gesuis (van het Hellevuur) niet horen. (Anbiyāʾ, 21:102 )

UitlegIn de eerder overgeleverde ḥadīth van Abû Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) hebben we reeds op dit onderwerp gewezen. De mu’mins die in het Hellevuur worden bestraft, zullen na het ondergaan van hun straf eruit worden verlost en het Paradijs binnengaan. Voordat zij echter het Paradijs betreden, zullen zij door een rivier gaan die bekendstaat als de rivier van het leven. Aan de oevers van deze rivier zullen hun lichamen, die door de bestraffing in het Hellevuur waren beschadigd, worden hersteld en bevrijd van alle schade die zij in het Hellevuur hebben geleden.

De maximale duur die een mu’min in het Hellevuur doorbrengt, is volgens sommige geleerden de tijd vanaf de schepping van de wereld tot aan Yawm al-Qiyāmah, wat zij schatten op 7.000 jaar. Er bestaan uiteenlopende meningen onder de geleerden: sommige astronomen stellen dat de wereld 7.000 jaar oud is, anderen dat er tot Yawm al-Qiyāmah 7.000 jaar zullen verstrijken, weer anderen zeggen dat de totale levensduur van de aarde 12.000 jaar is, en sommige geleerden berekenen dit op 360.000 jaar, gebaseerd op een jaar dat 365 dagen telt.[De bovenstaande gegevens over de ouderdom van de aarde waren gebaseerd op de opvattingen van mensen uit die tijd en zijn niet wetenschappelijk onderbouwd.]

Volgens de Ahl as-Sunnah zijn degenen die voor altijd in het Hellevuur zullen blijven met name genoemd: Iblīs, Firaun, Hāmān en Qarūn. Algemeen wordt aangenomen dat alle kāfirs voor altijd in het Hellevuur zullen verblijven. Voor hen is er geen dood en hun bestraffing is zwaar.

إِنَّ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ بِـَٔايَٰتِنَا سَوۡفَ نُصۡلِيهِمۡ نَارٗا كُلَّمَا نَضِجَتۡ جُلُودُهُم بَدَّلۡنَٰهُمۡ جُلُودًا غَيۡرَهَا لِيَذُوقُواْ ٱلۡعَذَابَۗ إِنَّ ٱللَّهَ كَانَ عَزِيزًا حَكِيمٗا ٥٦

Zeker! Degenen die niet in Onze Tekenen geloven, zullen Wij in het vuur verbranden en iedere keer als hun huid geroosterd is, zullen Wij hun huid vervangen, zodat zij de bestraffing zullen proeven. Waarlijk, Allāh is Almachtige, Alwijs. (Nisāʾ, 4:56)

Sommige geleerden (buiten Ahli Sunnah wa’l Jama`ah) beweren echter dat ook de kāfirs op een dag uit het Hellevuur zullen worden gehaald, of dat zij er niet voor eeuwig zullen blijven maar vernietigd of vergeten zullen worden.

Als bewijs hiervoor voeren zij aan dat Allāh’s toorn niet groter is dan Zijn genade. Immers, Allāhu Taʿālā is geen onrechtvaardige en straft mensen niet meer dan zij verdienen. Elk zonde en zelfs ongeloof heeft dan ook een passende straf.

Maar dit is een verkeerde opvatting. Immers, Allāhu Taʿālā heeft voor elke zonde een straf vastgesteld, maar de straf voor ongeloof (kufr) en afgoderij / het toekennen van deelgenoten aan Allāh (shirk) is eeuwige bestraffing. Allāhu Taʿālā heeft deze wet ingesteld en aan de mensen bekendgemaakt. Er zijn anbiyā’ gestuurd, en de mens is in staat deze waarschuwingen en leringen te begrijpen. Daarom is dit de straf voor degenen die, ondanks al deze waarschuwingen, Zijn geboden en vermaningen negeren. Omdat Allāh barmhartig is, waarschuwt Hij Zijn dienaren.

Bovendien zou het idee dat de kāfirs niet voor altijd in het Hellevuur blijven betekenen dat er verandering zou plaatsvinden in de wetten van Allāh of dat Allāh Zijn beloften niet zou nakomen. In dat geval zouden de mu’mins het Paradijs niet binnengaan, en zelfs mu’mins of anbiyā’ zouden in het Hellevuur terechtkomen, wat volstrekt absurd en in strijd met de Islām zou zijn.Er zijn vele āyāt die bevestigen dat het Paradijs eeuwig is (voor mu’mins) en dat het Hellevuur eeuwig is voor de kāfirs: zie Hūd, 108; Ḥijr, 48; Inshiqāq, 25; Tawbah, 21-22; Nūr, 40)

إِنَّ ٱلَّذِينَ كَذَّبُواْ بِـَٔايَٰتِنَا وَٱسۡتَكۡبَرُواْ عَنۡهَا لَا تُفَتَّحُ لَهُمۡ أَبۡوَٰبُ ٱلسَّمَآءِ وَلَا يَدۡخُلُونَ ٱلۡجَنَّةَ حَتَّىٰ يَلِجَ ٱلۡجَمَلُ فِي سَمِّ ٱلۡخِيَاطِۚ وَكَذَٰلِكَ نَجۡزِي ٱلۡمُجۡرِمِينَ ٤٠

Waarlijk, degenen die Onze Tekenen naast zich neer leggen en ze met arrogantie behandelen, voor hen zullen de poorten van de hemel zich niet openen en zij zullen het Paradijs niet binnengaan tot de kameel door het oog van de naald gaat. Zo vergelden Wij de misdadigers. (A`rāf, 7:40)

فَٱلۡيَوۡمَ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ مِنَ ٱلۡكُفَّارِ يَضۡحَكُونَ ٣٤ Maar op deze Dag zullen de gelovigen over de ongelovigen lachen.

عَلَى ٱلۡأَرَآئِكِ يَنظُرُونَ ٣٥ Op hoge rustbanken kijken zij toe.

هَلۡ ثُوِّبَ ٱلۡكُفَّارُ مَا كَانُواْ يَفۡعَلُونَ ٣٦ Worden de ongelovigen niet vergolden voor wat zij deden? (Mutaffifī, 83: 34-36)

Ibnü’l-Mubarak overlevert: …Van Abû Sālih (رضي الله عنه), brengt de volgende uitleg over de āyah:

ٱللَّهُ يَسۡتَهۡزِئُ بِهِمۡ وَيَمُدُّهُمۡ فِي طُغۡيَٰنِهِمۡ يَعۡمَهُونَ ١٥

Allāh spot met hen en zal hen blindelings in hun overtreding verder laten afdwalen. (Baqarah 2:15)

Aan de kāfirs in het Hellevuur wordt gezegd: “Kom maar naar buiten” en de poorten van het Hellevuur worden geopend. Net wanneer zij de poort willen verlaten, worden alle poorten weer gesloten. Zo wordt er op deze manier onrecht gedaan aan de kāfirs (in de vorm van goddelijke rechtvaardigheid) en zo worden zij vernederd. Al dit wordt vervolgens getoond aan de mu’mins in het Paradijs, en de mu’mins kijken ernaar en lachen.

Uitleg…Van Anas ibn Mâlik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degenen die in deze wereld spotten met de dienaren van Allāh zullen op Yawm al-Qiyāmah naar de poorten van het Paradijs worden gebracht, en het zal hen worden gezegd: ‘Ga het Paradijs binnen.’ Net wanneer zij naar binnen willen gaan, zullen de poorten worden gesloten. Daarna worden de poorten van het Paradijs opnieuw geopend en opnieuw zal worden gezegd: ‘Ga het Paradijs binnen.’ Net wanneer zij naar binnen willen gaan, zullen de poorten weer worden gesloten. De poorten van het Paradijs zullen een derde keer worden geopend en het zal opnieuw worden gezegd: ‘Ga het Paradijs binnen,’ maar deze keer zullen zij niet komen.

Op dat moment zal Allāh Ta’ālā zeggen: ‘Waren jullie niet degenen die in de wereld met Mijn dienaren spotten en hen kleineerden? Ik zal jullie als laatste ter verantwoording roepen.’

Zij zullen in het Mahshar-plein wachten totdat zij verdrinken in hun eigen zweet. Uiteindelijk zullen zij niet langer kunnen volhouden en du`ā’ verrichten: ‘O onze Rab! Beslis alstublieft over ons. Stuur ons óf naar het Paradijs óf naar het Hellevuur.”

Uitleg “Op Yawm al-Qiyāmah zullen sommige mensen voor het Paradijs worden gebracht. Zij zullen de geur van het Paradijs ruiken en de binnenkant ervan zien. Maar het zal hun niet worden toegestaan het te betreden, en er zal tot hen worden gezegd: “Keer terug, voor jullie is hier geen plaats.”

Daarna zullen zij terugkeren naar de andere mensen. Vervolgens zullen zij zeggen: “O onze Rab!

Had U ons maar, zonder ons het Paradijs te tonen, rechtstreeks in het Hellevuur geworpen. Dit is een zeer zware bestraffing.”

Daarop zal Allāh Ta’ālā zeggen: ‘Dit is Mijn Wil. Want wanneer jullie onder de mensen waren, gedroegen jullie je vroom, maar wanneer jullie bij Mij waren (dus wanneer niemand jullie zag), pleegden jullie zonden.’”

5.42 De plaatsen van de bewoners van het Paradijs in het Hellevuur zijn voor de kāfirs, en de plaats van de kāfirs in het Paradijs is een erfenis voor de mu’mins

Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft ons meegedeeld, dat Allāh Ta’ālā voor iedere mens zowel een plaats in het Paradijs als een plaats in het Hellevuur heeft geschapen. Wanneer de kāfirs het Hellevuur binnengaan, wordt hun plaats in het Paradijs overgenomen door de moslims. En wanneer de mu’mins het Paradijs binnengaan, laten zij hun plaats in het Hellevuur als erfenis achter voor de kāfirs.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft hierover gezegd: “Ieder van jullie heeft twee verblijfplaatsen: één in het Paradijs en één in het Hellevuur. Wanneer iemand sterft en het Hellevuur binnengaat, dan wordt zijn plaats in het Paradijs als erfenis gegeven aan een mu’min.” (Ibn Mājah, 4341)

Het bewijs hiervoor is de āyah:

أُوْلَٰٓئِكَ هُمُ ٱلۡوَٰرِثُونَ ١٠ Zij (mu’mins) zijn zeker de erfgenamen. (Mu’minūn (23:10)

5.43 Het Paradijs en het Hellevuur zijn eeuwig. De dood zal op de Sirāt worden geofferd. De kwestie wie de dood zal slachten op de Sirāt

Van ‘Abdullāh ibn ‘Umar (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer de bewoners van het Paradijs het Paradijs zijn binnengegaan en de bewoners van het Hellevuur in het Hellevuur zijn geworpen, zal de dood naar een plaats tussen het Paradijs en het Hellevuur worden gebracht en worden geslacht. Daarna zal er worden uitgeroepen: ‘O bewoners van het Paradijs! Er is geen dood meer. En o bewoners van het Hellevuur! Ook voor jullie is er geen dood meer.”

Hierdoor zal de vreugde van de bewoners van het Paradijs toenemen, terwijl de kāfirs van verdriet ten onder zullen gaan. (al-Bukhārī, 11/410; Muslim, 17/186; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/118 en 120)

Van Abû Sa‘īd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer de bewoners van het Paradijs in het Paradijs zijn en de bewoners van het Hellevuur in het Hellevuur, zal de dood worden gebracht in de gedaante van een henna-getinte ram. Vervolgens wordt hij tussen het Paradijs en het Hellevuur geplaatst en aan de bewoners van het Paradijs wordt gevraagd: “Herkennen jullie dit?”

Zij zullen verbaasd kijken en zeggen: “Ja, wij herkennen het. Is dit niet de dood?” En zij zullen bevestigd worden.

Daarna zal dezelfde vraag worden gesteld aan de bewoners van het Hellevuur: “O bewoners van het Hellevuur! Herkennen jullie dit?”

Ook zij zullen bevestigend antwoorden. Vervolgens zal de dood, in de vorm van een ram, worden geslacht.

Daarna zal er worden uitgeroepen:“O bewoners van het Paradijs! Jullie zijn voor eeuwig, er is geen dood meer. En ook jullie, o bewoners van het Hellevuur! Jullie zijn voor eeuwig, er is geen dood meer.” (al-Bukhārī, 8/428; Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/9)

Daarna reciteerde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de volgende āyah:وَأَنذِرۡهُمۡ يَوۡمَ ٱلۡحَسۡرَةِ إِذۡ قُضِيَ ٱلۡأَمۡرُ وَهُمۡ فِي غَفۡلَةٖ وَهُمۡ لَا يُؤۡمِنُونَ ٣٩

En waarschuw hen voor de Dag van droefheid en spijt, als over hun zaak besloten wordt, zij zijn (nu) achteloos en zij geloven niet. (Maryam (19:39)

Van Abû Sa‘īd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawm al-Qiyāmah zal de dood in de vorm van een henna-getinte ram naar het Mahshar-plein worden gebracht. Vervolgens wordt hij tussen het Paradijs en het Hellevuur geplaatst. Iedereen zal toekijken naar wat er gaat gebeuren. Als iemand van vreugde zou kunnen sterven, dan zouden op dat moment alle bewoners van het Paradijs van vreugde sterven. En als verdriet iemand zou kunnen sterven, dan zou niemand van de bewoners van het Hellevuur in leven blijven vanwege hun verdriet.” (at-Tirmidzi, 2558) Volgens at-Tirmiḏī is deze ḥadīth zowel ḥasan als ṣaḥīḥ.

Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawm al-Qiyāmah wordt de dood gebracht en op de Sirāt geplaatst. Vervolgens zal tegen de bewoners van het Paradijs worden gezegd: ‘Jullie herkennen dit toch? Jullie waren bang dat dit jullie uit het Paradijs zou verdrijven.

En tegen de bewoners van het Hellevuur zal worden gezegd: ‘Ook jullie herkennen dit toch? Jullie hoopten dat dit jullie uit het Hellevuur zou redden en verheugden jullie daarop.’

Allen zullen het bevestigend beantwoorden. Daarna zal de dood, op bevel van Allāh, op de Sirāt worden geslacht/gedood. Vervolgens zal zowel de bewoners van het Paradijs als de bewoners van het Hellevuur worden aangekondigd: ‘Voor jullie is er geen dood meer.” (Ibn Mājah, 2327; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/3337; at-Tirmidzi, 2557) Volgens at-Tirmiḏī is ook deze ḥadīth zowel ḥasan als ṣaḥīḥ.

UitlegVolgens ons zijn al deze aḥādīth authentiek (ṣaḥīḥ) en komen zij overeen met de betekenis van de āyāt. Het leven in het Hiernamaals kent geen einde.

Daar is geen dood en geen einde (van het bestaan), noch is er een ander doel om naartoe te gaan. Daar bestaat geen tijd zoals wij die kennen; er is voortdurende en eeuwige tijd.

وَٱلَّذِينَ كَفَرُواْ لَهُمۡ نَارُ جَهَنَّمَ لَا يُقۡضَىٰ عَلَيۡهِمۡ فَيَمُوتُواْ وَلَا يُخَفَّفُ عَنۡهُم مِّنۡ عَذَابِهَاۚ كَذَٰلِكَ نَجۡزِي كُلَّ كَفُورٖ ٣٦

Maar degenen die ongelovig zijn, voor hen zal het vuur van het Hellevuur zijn. En er is geen beschikking (om dood te gaan) voor hen bepaald, zodat zij zullen sterven, noch zal de bestraffing voor hen verlicht worden. Dus Zo vergelden Wij elke ongelovige! (Fātir, 35:36)

إِنَّ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ بِـَٔايَٰتِنَا سَوۡفَ نُصۡلِيهِمۡ نَارٗا كُلَّمَا نَضِجَتۡ جُلُودُهُم بَدَّلۡنَٰهُمۡ جُلُودًا غَيۡرَهَا لِيَذُوقُواْ ٱلۡعَذَابَۗ إِنَّ ٱللَّهَ كَانَ عَزِيزًا حَكِيمٗا ٥٦

Zeker! Degenen die niet in Onze Tekenen geloven, zullen Wij in het vuur verbranden en iedere keer als hun huid geroosterd is, zullen Wij hun huid vervangen, zodat zij de bestraffing zullen proeven. Waarlijk, Allāh is" Almachtige, Alwijs.

(Nisā, 4:56) ۞ هَٰذَانِ خَصۡمَانِ ٱخۡتَصَمُواْ فِي رَبِّهِمۡۖ فَٱلَّذِينَ كَفَرُواْ قُطِّعَتۡ لَهُمۡ ثِيَابٞ مِّن نَّارٖ يُصَبُّ مِن فَوۡقِ رُءُوسِهِمُ ٱلۡحَمِيمُ ١٩

Deze twee tegenstanders redetwisten met elkaar over hun Heer. Voor degenen die ongelovig zijn zal er kleding van vuur uitgesneden worden, kokend water zal over hun hoofden uitgegoten worden.

يُصۡهَرُ بِهِۦ مَا فِي بُطُونِهِمۡ وَٱلۡجُلُودُ ٢٠

Daarmee zal alles wat in hun buiken is smelten of verdwijnen, en ook (hun) huiden.

وَلَهُم مَّقَٰمِعُ مِنۡ حَدِيدٖ ٢١

En voor hen zijn er kromme ijzeren staven.

كُلَّمَآ أَرَادُوٓاْ أَن يَخۡرُجُواْ مِنۡهَا مِنۡ غَمٍّ أُعِيدُواْ فِيهَا وَذُوقُواْ عَذَابَ ٱلۡحَرِيقِ ٢٢

Iedere keer als zij daarvan weg proberen te komen, uit leed, worden zij daartoe terug gedreven en (er zal) tegen hen gezegd worden: “Proef de bestraffing van het branden!” (Haj, 22:19-22)

UitlegHier kan de volgende vraag rijzen: de dood is niet een wezen zoals wij dat begrijpen. Het is een gebeurtenis of iets spiritueels. Hoe kan het in de vorm van een ram zijn?

Of hoe kan het naar het Mahshar-plein komen en daar geslacht, dat wil zeggen gedood, worden?

Het brengen van de dood in de vorm van een ram kan figuurlijk zijn. Of de ram kan de dood symboliseren. Of in werkelijkheid kan de dood in de gedaante van een ram worden gebracht. In ieder geval zullen zowel de bewoners van het Paradijs als de bewoners van het Hellevuur begrijpen dat het de dood is. Het slachten van de dood wijst op de eeuwigheid.

Volgens at-Tirmiḏī is dit de mening van geleerden zoals Sufyān as-Thawri, Ibn al-Mubārak, Ibn ‘Uyaynah (Sufyān) en al-Wakī’.

Volgens ons zijn deze uitdrukkingen letterlijk te worden opgevat. Dat wil zeggen, de dood zal in de gedaante van een ram worden gebracht. Dit gebeurt door Allāh Ta’ālā’s bepaling en macht. Immers, aan Ādam (عليه السلام) is de Engel des Doods verschenen in de gedaante van een henna-getinte ram, waarna hij zijn 4.000 vleugels uitsloeg en zichtbaar werd.

Ibn ‘Abbās (رضي الله عنهما) zegt over:

ٱلَّذِي خَلَقَ ٱلۡمَوۡتَ وَٱلۡحَيَوٰةَ ٢ Degene Die de dood en het leven heeft geschapen.. (Mulk, 67:2)

De dood en het leven zijn beiden wezens. Allāh Ta’ālā heeft beiden geschapen. De dood is als een ram. Wij beseffen dit pas op het moment van de dood. Het leven is geschapen in de gedaante van een paard.

Inderdaad, Samiri heeft het paard van het leven gezien en door wat aarde van zijn spoor te nemen, heeft hij het kalfsbeeld dat hij maakte tot leven gewekt:قَالَ بَصُرۡتُ بِمَا لَمۡ يَبۡصُرُواْ بِهِۦ فَقَبَضۡتُ قَبۡضَةٗ مِّنۡ أَثَرِ ٱلرَّسُولِ فَنَبَذۡتُهَا وَكَذَٰلِكَ سَوَّلَتۡ لِي نَفۡسِي ٩٦

(Samiri) zei: “Ik zag wat zij niet zagen, ik volgde de voetstappen van de Boodschapper naar mijn beste vermogen, doch dat heb ik thans opgegeven. Aldus heeft mijn ziel het voor mij vergemakkelijkt. (TāHā, 20: 96)

5.43a Tekenen van de Grote Veldslagen (Malâhim)Van Mu‘ādh b. Jabal (رضي الله عنه) zei: Awf b. Mālik (رضي الله عنه) vertelde mij: Tijdens de expeditie van Tabūk kwam ik bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Hij zei: “Tel de zes gebeurtenissen voorafgaan aan Yawm al-Qiyāmah: - mijn heengaan; - de verovering van al-Bayt al-Maqdis (Jeruzalem); - twee plagen (pest) die jullie snel zullen doden als schapen; - toename van rijkdom als iemand honderd dīnār ontvangt wordt hij toch boos; - ontstaan van een fitnah die geen enkel huis van de Arabieren onaangetast laat;- een wapenstilstand tussen jullie en de Bani Asfar (Romeinen), maar zij zullen zich daar niet aan houden en jullie aanvallen met tachtig vlaggen, waarbij onder elke vlag twaalfduizend mannen zijn zijn.” (al-Bukhārī, 3176)

Abū Qāsim at-Ṭabarānī heeft in zijn Muʿjam al-Kabīr (18/42) een ḥadīth met een vergelijkbare strekking overgeleverd.

Na het woord “twaalfduizend” voegt hij toe: “Op die dag zal het kamp van de mu’mins zich bevinden in Fustāt, in een stad genaamd Dimashq, in de buurt van al-Ghūṭa.”

De keten van overleveraars is vermeld door Abû’l-Khātib b. Duhayr in zijn boek Marāji’ al-Bahrayn fī Fawā’id al-Mashriqayn wa’l-Maghribayn.

Awf b. Mālik (رضي الله عنه) was getuige van het overlijden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en aanwezig bij de vreedzame verovering van al-Bayt al-Maqdis onder leiding van de amīr van de mu’mins, ʿUmar (رضي الله عنه). Daarna zag hij hoe ʿUmar (رضي الله عنه) in Madīnah de schatten van de (Perzische koning) Kisra verdeelde. Vervolgens was hij getuige van de veldslagen van Jamal en Siffīn.

Awf b. Mālik (رضي الله عنه) was eerder ook getuige van de ramp die bekend staat als de “Pest van Amwas” in Damascus, waarbij in die periode zesentwintigduizend mensen stierven door de pest, en in Madīnah vijfentwintigduizend. Amwas ligt ergens tussen Ramla en al-Bayt al-Maqdis. Tijdens deze plaag stierf tevens de vertrouwenspersoon van de ummah, Abû `Ubaydah b. Jarrah (رضي الله عنه). De fiqh-leider van de mu’mins, Mu‘ādh b. Jabal (رضي الله عنه), stierf eveneens aan de pest. Aḥmad ibn Ḥanbal (رحمه الله) schrijft in zijn boek Tārikh: “De Pest van Amwas vond plaats in het twaalfde en zeventiende jaar AH.”

Awf b.

Mālik (رضي الله عنه) leefde tot aan het kalifaat van ʿAbdulmalik b. Marwān, dat wil zeggen tot het 73e jaar van de Hidjrah, en tijdens zijn leven vonden deze vijf gebeurtenissen plaats.

De historicus al-Wāqidī meldt dat Awf b. Mālik (رضي الله عنه) in het 93ste jaar AH in Damascus overleed. Als dit correct is, heeft Awf b. Mālik (رضي الله عنه) dus tot de periode van ʿAbdulmalik b. Marwān geleefd. Allāh weet het het best.

5.44 Het Paradijs: aantal poorten, hun namen en hun eigenschappen

Allāh Ta’ālā beschrijft het Paradijs in de Qur’ān op verschillende manieren. Vooral in de surahs ar-Raḥmān, al-Wāqiʿah, al-Ghāshiyah en al-Insān wordt het Paradijs op een manier beschreven die begrijpelijk is voor mensen. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf echter meer concrete en gedetailleerde uitleg naast deze āyāt. Onder deze ahadīth zijn er veel die ṣaḥīḥ en ḥasan zijn overgeleverd. De mensen van geloof (īmān), godsvrucht (taqwā), goede moraal (akhlāq) en kennis (`ālim) vóór ons hebben de ṣaḥīḥ en de juiste meningen over dit onderwerp verzameld. Moge Allāh tevreden met hen zijn en ons samenbrengen met deze nobele mensen op Yawm al-Qiyāmah.

Ibn Wahb vertelt, met verwijzing naar Ibn Zayd, het volgende: toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de eerste āyāt van surah al-Insān reciteerde, was er een donkere man bij hem die voortdurend vragen stelde. Op een gegeven moment waarschuwde ʿUmar (رضي الله عنه): “Dat is genoeg, laat Rasûlullāh met rust.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei daarop: “Laat hem met rust, O ʿUmar! Laat hem vragen.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ging verder met de recitatie van de āyāt. Toen de āyāt over de djinns werden bereikt, blies de man op dat moment zijn laatste adem. Hierop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “De rūḥ van jullie broeder is uit zijn lichaam getreden, vanwege zijn verlangen naar het Paradijs.”

5.45 De toestand van de bewoners van het Paradijs in deze wereld

Ibn Wahb overlevert opnieuw van Ibn Zayd (رَحِمَهُمَا اللهُ): “Allāh Ta’ālā zegt dat degenen die het Paradijs binnengaan in deze wereld mensen waren die Allāh vreesden en die vaak huilden uit vrees voor Allāh en vanwege hun zonden.”Ook wordt vermeld dat de bewoners van het Paradijs in deze wereld mensen waren die barmhartig en rechtvaardig waren, en rechtvaardige eerlijkheid toonden:

قَالُوٓاْ إِنَّا كُنَّا قَبۡلُ فِيٓ أَهۡلِنَا مُشۡفِقِينَ ٢٦

Zeggend: “Voorwaar, wij waren vroeger (toen we op aarde waren) temidden van onze verwanten bevreesd (voor Allāh). (Tûr, 52:26)

Degenen die in deze wereld veel lachen, zich volledig overgeven aan wereldse zaken, tevreden zijn met de genoegens van dit leven en het Hiernamaals vergeten, en een sterk verlangen naar de wereld hebben, behoren tot de bewoners van het Hellevuur. Dit wordt door deze āyah aangeduid:

إِنَّهُۥ كَانَ فِيٓ أَهۡلِهِۦ مَسۡرُورًا ١٣

Waarlijk, bij zijn familie was hij verheugd. (Inshiqāq, 84:13)

Eerder hebben we al over overleveringen met betrekking tot het Paradijs en de bewoners ervan gesproken.

5.46 Hoeveel Paradijzen zijn er?

In de āyāt staat:

وَلِمَنۡ خَافَ مَقَامَ رَبِّهِۦ جَنَّتَانِ ٤٦

En voor wie vreesde om (bij de afrekening) voor zijn Heer te staan (en de zonde afzweert), zijn er twee Tuinen (in het Paradijs)! (ar-Rahmān, 55:46)

Verder wordt gezegd:

وَمِن دُونِهِمَا جَنَّتَانِ ٦٢

En naast deze twee zijn er twee andere Tuinen. (ar-Rahmān, 55:62)

Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) legde de āyah (ar-Rahmān, 55:46) als volgt uit:

“Degene die zijn verplichte (farḍ) handelingen vervult, heeft twee Paradijzen. Degene die meer doet en Allāh veelvuldig vreest, heeft daarbovenop nog twee Paradijzen”.

at-Tirmiḏī vermeldt dat het ene Paradijs is voor degene die zijn lusten heeft verlaten, en het andere voor degene die Allāh vreest. Daarnaast zijn er aparte zegeningen voor mooie daden en het verlaten van slechte daden.

Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De twee Paradijzen (genoemd in de āyah) zijn twee tuinen (die de dienaar in het Paradijs) wordt gegeven. De breedte van elke tuin is honderd jaar wandelafstand. In het midden van elke tuin is een paleis van licht. De zegeningen en de weelderige begroeiing nemen nooit af, integendeel, ze groeien voortdurend. De wortels van de bomen gaan nooit verloren en de takken blijven groeien.”

… Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De kleinste tuin is gevuld met kleine paleizen, de andere met grotere paleizen en paviljoenen.

Volgens Mujāhd behoort één van deze tuinen tot het Paradijs ʿAdn en de andere tot Na`īm.

Over de āyah (ar-Rahmān, 55:62) zegt Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) dat deze twee tuinen gevuld zijn met dadelpalmen en andere bomen, en daarnaast zijn er nog twee tuinen gevuld met andere bomen (met verschillende vruchten) en planten.

Māwardī legt uit dat de eerste twee tuinen bestemd zijn voor de hurī’s (de zuivere, mooie en eeuwig jonge metgezellen van het Paradijs die aan de mu’mins is beloofd) als een bijzondere zegen voor de dienaar, terwijl de andere twee tuinen zijn gereserveerd voor andere dienaren die in het Paradijs verblijven. Met andere woorden, mannen en vrouwen zullen in het Paradijs niet op dezelfde plek zijn.

Volgens ons heeft elke dienaar overvloedige zegeningen in het Paradijs, maar de uitverkoren dienaren bij Allāh hebben nog meer zegeningen. De uitverkoren dienaren en de anbiyā’ ontvangen het meeste van alles. Dus elke mu’min ontvangt een Paradijs; godvruchtige (taqwā) dienaren hebben er twee, en de speciale en uitverkoren mu’mins ontvangen twee keer zoveel zegeningen. Dit is ook de mening van Ḥalīmī.

De reden hiervoor is dat de eerste āyah (ar-Rahmān, 55:46) en de tweede āyah (ar-Rahmān, 55:62) verschillende kenmerken van het Paradijs beschrijven:

In de eerste twee Paradijzen zijn er twee stromende bronnen (ar-Rahmān, 55:50), in de andere twee Paradijzen zijn er twee overvloedige bronnen (ar-Rahmān, 55:66).

In de eerste twee Paradijzen zijn er vruchten van elke soort, in paren (ar-Rahmān, 55:52); in de andere twee zijn er dadels en granaatappels (ar-Rahmān, 55:68).

In de eerste twee Paradijzen leunen de bewoners op tapijten, gevoerd met zijde brokaat (ar-Rahmān, 55:54); in de andere twee leunen ze op groene kussens en op prachtige tapijten (ar-Rahmān, 55:76).

De hurī’s in de eerste twee Paradijzen zijn “schoon zoals robijnen en koraal” (ar-Rahmān, 55:58); de hurī’s in de andere twee Paradijzen zijn “goede en mooie vrouwen” (ar-Rahmān, 55:70).

De āyāt “Voor degene die respect heeft voor de positie van Allāh en Zijn geboden volgt, zijn er twee Paradijzen” (ar-Rahmān, 55:46) en “Daarnaast zijn er nog twee andere Paradijzen” (ar-Rahmān, 55:62) wijzen erop dat er in totaal vier Paradijzen zijn, niet zeven. We zullen later insha’Allāh nogmaals op dit onderwerp terugkomen.

5.47 De beschrijving van het Paradijs en de zegeningen die Allāh Ta’ālā heeft voorbereid voor de bewoners van het Paradijs

Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Allāh Ta’ālā zegt: ‘Voor Mijn rechtschapen dienaren heb Ik (in het Paradijs) zegeningen voorbereid die geen oog ooit heeft gezien, geen oor ooit heeft gehoord en die in geen enkel hart zijn opgekomen. Ik heb deze niet aan jullie getoond, zodat het een beproeving voor jullie is en zodat jullie ernaar verlangen.” (Muslim, 17/166; al-Bukhārī, 8/516; Ibn Mājah, 4328; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/495)

Daarna reciteerde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de volgende āyah:

فَلَا تَعۡلَمُ نَفۡسٞ مَّآ أُخۡفِيَ لَهُم مِّن قُرَّةِ أَعۡيُنٖ جَزَآءَۢ بِمَا كَانُواْ يَعۡمَلُونَ ١٧

Niemand weet wat voor hen verborgen blijft voor plezier, als een beloning voor wat zij plachten te doen. (Sajdah (32:17)

Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Op een dag vroeg ik aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Waaruit is de gehele schepping geschapen?”

Hij antwoordde: “Uit water.”

Ik vroeg: “Waaruit is het Paradijs geschapen en waarop is het gebouwd?”

Hij antwoordde: “Het is gebouwd op twee pilaren, één van goud en één van zilver. Het is versierd met musk en versierd met parels en koraal. Degene die het Paradijs binnengaat zal nooit meer verdriet kennen; de zegeningen daarin doen alle angst en zorgen vergeten. Degene die het binnengaat zal geen dood en geen ziekte meer kennen. De mens zal daar niet ouder worden. Geen enkel onheil zal hem treffen. Zijn kleding zal niet verslijten en zijn geur zal niet verdwijnen.” (at-Tirmiḏī, 2526)

at-Tirmiḏī zegt: naar mijn mening is deze overlevering niet sterk, maar er bestaan andere overleveringen met dezelfde betekenis die wel ṣaḥīḥ zijn. Bijvoorbeeld, deze ḥadīth is ook via Abû Hurayrah (رضي الله عنه) met een authentieke overleveringsketen overgeleverd.

5.48 De rivieren van het Paradijs, evenals de bergen en valleien daarin, en de tekenen die in deze wereld daarnaar verwijzen.

مَّثَلُ ٱلۡجَنَّةِ ٱلَّتِي وُعِدَ ٱلۡمُتَّقُونَۖ فِيهَآ أَنۡهَٰرٞ مِّن مَّآءٍ غَيۡرِ ءَاسِنٖ وَأَنۡهَٰرٞ مِّن لَّبَنٖ لَّمۡ يَتَغَيَّرۡ طَعۡمُهُۥ وَأَنۡهَٰرٞ مِّنۡ خَمۡرٖ لَّذَّةٖ لِّلشَّٰرِبِينَ وَأَنۡهَٰرٞ مِّنۡ عَسَلٖ مُّصَفّٗىۖ وَلَهُمۡ فِيهَا مِن كُلِّ ٱلثَّمَرَٰتِ وَمَغۡفِرَةٞ مِّن رَّبِّهِمۡۖ كَمَنۡ هُوَ خَٰلِدٞ فِي ٱلنَّارِ وَسُقُواْ مَآءً حَمِيمٗا فَقَطَّعَ أَمۡعَآءَهُمۡ ١٥

Is het (geluk) van het Paradijs dat aan godvrezenden beloofd is, waar rivieren zijn met water waarvan de smaak en de geur niet verandert; rivieren van melk waarvan de smaak niet verandert; rivieren van wijn (zonder alcohol), heerlijk voor degenen die het drinken; en rivieren van zuivere "honing, waarin voor hen allerlei soorten fruit zijn; en de vergiffenis van hun Heer. (Is dit) gelijk (aan de ellende van) degenen die voor altijd in het vuur zullen wonen en kokend water te drinken krijgen, zodat het in hun buiken snijdt? (Muḥammad (47:15)

Volgens overleveringen stromen deze rivieren zonder bedding of kanalen.

Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “In het Paradijs zijn er zulke rivieren die ontspringen achter de heuvels van musk en stromen tussen de bergen van musk.”

… van ʿAwf ibn ʿAmr via zijn vader en grootvader (رضي الله عنهم), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Vier bergen behoren tot de bergen van het Paradijs, vier rivieren komen uit het Paradijs, en vier veldslagen hebben een band met het Paradijs.”

Toen werd gevraagd welke dat zijn, antwoordde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “De berg Uḥud – wij houden van hem en hij houdt van ons. De berg Ṭūr is ook een van de bergen van het Paradijs.

Ook de berg Libanon behoort daartoe (En er wordt gezegd dat de vierde berg Jūdī is).

De vier rivieren die uit het Paradijs komen zijn: de Nijl, de Eufraat, de Sayhān en de Jayhān.

En de veldslagen van Badr, Uḥud, al-Khandaq en Khaybar hebben een verbinding met het Paradijs.”

Een andere ḥadīth die via dezelfde overleveringsketen is overgeleverd luidt als volgt:

De eerste militaire expeditie van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was naar Abwā’. Daar kwamen zij bij de vallei van Rawḥā’ en bereikten zij de stroom van Zābiyah, waar zij de ṣalāh verrichtten.

Vervolgens vroeg hij: “Is er iemand die deze plek kent?”

Toen de aanwezigen antwoordden: “U weet het beter, o Rasûlullāh,” zei hij:

“Deze berg komt uit het Paradijs. Moge Allāh zegen schenken aan deze berg en aan de mensen die hier wonen. De vallei van Rawḥā’ is een van de valleien van het Paradijs. Vóór mij hebben zeventig anbiyā’ hier de ṣalāh verricht. Ook Mūsā (عليه السلام) is hierlangs gekomen. Zeventigduizend van de Banū Isrā’īl zijn hier geweest en zijn van hieruit naar de Kaʿbah gegaan.”

Ḥakīm ibn Muʿāwiyah, van zijn vader, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “In het Paradijs zijn er rivieren waarin zowel water als melk stroomt. In sommige rivieren stromen aangename en zuivere dranken. Daarna vertakken deze rivieren zich en verspreiden zij zich over het gehele Paradijs.” (at-Tirmiḏī, 2571; Aḥmad ibn Ḥanbal, 5/5) Volgens at-Tirmiḏī is deze ḥadīth zowel ṣaḥīḥ als ḥasan.

Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De Sayhan, de Jayhan, de Nijl en de Eufraat zijn rivieren die uit het Paradijs voortkomen.” (Muslim, 17/476; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/289)

Volgens een overlevering van Kaʿb behoort ook de Tigris tot de rivieren van het Paradijs.

Imām al-Bukhārī overlevert, ..van Anas (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Toen ik naar de hemel van de wereld opsteeg, zag ik daar twee rivieren stromen. Ik vroeg aan Jibrīl (عليه السلام): ‘Wat zijn deze?’

Hij antwoordde: ‘Dit zijn de Nijl en de Eufraat en hun vertakkingen.’

Daarna gingen wij verder. Nadat wij de laagste hemel waren gepasseerd, zag ik een waterstroom die door smaragd en parels stroomde. Jibrīl (عليه السلام) stak zijn hand in het water en er verspreidde zich een geur van musk.

Toen ik vroeg wat dit was, zei hij: ‘Dit is al-Kawthar, dat Allāh aan jou en jouw ummah heeft geschonken.”

5.49 Wanneer het Einde der Tijden (Qiyāmah) nadert, zullen de wateren van deze rivieren verdwijnen. Ya’jūj en Ma’jūj zullen verschijnen en de Qur’ān en kennis zullen verdwijnen

… Van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh Ta’ālā heeft vijf rivieren op aarde laten stromen: de rivier Sayhan in India, de rivier Jayhan in Balkh, de Eufraat en de Tigris in Irak, en de Nijl in Egypte. Deze vijf rivieren zijn afkomstig uit één rivier die zich onder in het Paradijs bevindt.

Deze wateren zijn, op verzoek van de bergen, door Jibrīl (عليه السلام) met zijn vleugels naar de aarde gebracht. Al deze wateren zijn gezonden om in de behoeften van de mensen te voorzien.

Hiernaar wordt verwezen in de āyah:

وَأَنزَلۡنَا مِنَ ٱلسَّمَآءِ مَآءَۢ بِقَدَرٖ فَأَسۡكَنَّٰهُ فِي ٱلۡأَرۡضِۖ وَإِنَّا عَلَىٰ ذَهَابِۭ بِهِۦ لَقَٰدِرُونَ ١٨

En Wij stuurden uit de hemel water neer in (afgemeten) hoeveelheid, waarna Wij het blijvend in de grond vasthouden. En waarlijk, Wij zijn in staat om het weg te nemen.

stromen. (Mu’minūn (23:18)

Wanneer Ya’jūj en Ma’jūj zich op aarde zullen verspreiden, zal Allāh Ta’ālā Jibrīl (عليه السلام) bevel geven. Jibrīl (عليه السلام) zal dan komen en de Qur’ān, de kennis en het water van deze vijf rivieren van de aarde wegnemen.

Al deze zaken zullen van de aarde worden weggenomen en naar de hemel worden opgeheven. Het bewijs hiervoor is de āyah: zie hierboven (Mu’minūn (23:18)Wanneer dit alles is weggenomen, zullen de mensen op aarde hun godsdienst vergeten en alles verliezen wat hen in deze wereld en in het Hiernamaals tot voordeel zou zijn.”

5.50 Waar stroomt het water van het Paradijs vandaan?

Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh heeft beloofd degene in Zijn Paradijs binnen te laten gaan die in Allāh en Zijn Rasûl gelooft, zijn (vijfmaals daags) ṣalāh correct verricht en de vasten (in de maand Ramadān) verricht. Ongeacht of zo iemand strijdt op de weg van Allāh of dat hem dat niet is gegeven, verandert dit niets aan de situatie”.

Toen degenen die erbij waren vroegen: “O Rasûlullāh! Welke (blijde boodschappen) verkondigt u aan de mensen?” Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “In het Paradijs is slechts 100 graden en 100 soorten zegeningen gereserveerd voor degenen die op weg van Allāh jihad verrichten. Tussen elk van deze honderd graden is er een afstand zoals tussen de aarde en de hemelen. Wanneer jullie du`ā’ tot Allāh verrichten, vraag dan om Firdaws. Firdaws bevindt zich in het midden en het hoogste punt van het Paradijs. Boven Firdaws bevindt zich de `Arsh van Mawlā Ta`ālā. Al het water van het Paradijs stroomt vanuit Firdaws." (al-Bukhārī, 6/11.; at-Tirmidzi, 2529.; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/335)

Dezelfde ḥadīth is ook overgeleverd door Ibn Mâjah.

Volgens Abû Hatim is Firdaws het hoogste punt van het Paradijs. Volgens Qatadah is Firdaws de meest waardevolle, mooiste en middelste plaats van het Paradijs. Sommige geleerden zeggen dat de naam Firdaws voor het gehele Paradijs wordt gebruikt. Net zoals de naam Jahannam alle lagen van het Hellevuur omvat, is Firdaws een soortnaam zoals het Paradijs. Want in de āyah staat:ٱلَّذِينَ يَرِثُونَ ٱلۡفِرۡدَوۡسَ هُمۡ فِيهَا خَٰلِدُونَ ١١

Die het Paradijs (Firdaws) zullen erven. Zij zullen daarin voor altijd verblijven. (Mu’minūn (23:11)

Volgens Munabbih ibn Wahb, is er niet slechts één Firdaws, maar meerdere Firdaws.

5.51 Degenen die in de wereld harām drank drinken, zullen in het Paradijs niets kunnen drinken. Wat zullen de bewoners van het Paradijs dragen en in welke soort bekers zullen zij eten en drinken?

Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie in de wereld zijde draagt (mannen), zal het in het Paradijs het niet dragen. Wie in de wereld alcohol drinkt, zal in het Hiernamaals geen enkele drank mogen drinken. En wie in de wereld uit gouden of zilveren bekers eet of drinkt, zal in het Hiernamaals van dit soort voorwerpen verstoken zijn.” (al-Bukhārī, 6/11; at-Tirmidzi, 2529; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/335)

Deze ḥadīth wordt ook overgeleverd door an-Nasā’ī.

In een andere ḥadīth wordt gezegd: “Voor degene die alcohol heeft gedronken en niet berouw toont, is elke drank in het Hiernamaals harām gemaakt.” (al-Bukhārī, 10/30; Muslim, 13/173; an-Nasā’ī, 8/318; at-Tirmidzi, 1864; Aḥmad ibn Ḥanbal 2/19 en 35)

Imām Mālik overlevert van Nāfī’, dat degenen die zijde dragen of uit gouden en zilveren bekers eten en drinken, zullen in het Hiernamaals van deze zegeningen verstoken zijn.

Abû Dâwud overlevert … van Sa‘īd al-Khudrī (رضي الله عنه): “Degene die in de wereld zijde droeg, zal het in het Hiernamaals het niet dragen. Zelfs als iemand zijde in het Paradijs zou dragen, zal hij van dit soort zegeningen verstoken blijven. Andere bewoners van het Paradijs daarentegen zullen in het Paradijs zijde dragen.”

5.52 Welke soorten bomen en vruchten zullen er in het Paradijs zijn?Welke vruchten uit het Paradijs zijn er ook in de wereld?

Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu Ta‘ālā heeft voor Zijn goede dienaren zegeningen voorbereid die geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord en geen menselijk hart zich kan voorstellen.

فَلَا تَعۡلَمُ نَفۡسٞ مَّآ أُخۡفِيَ لَهُم مِّن قُرَّةِ أَعۡيُنٖ جَزَآءَۢ بِمَا كَانُواْ يَعۡمَلُونَ ١٧

Niemand weet wat voor hen verborgen blijft voor plezier, als een beloning voor wat zij plachten te doen. (Sajdah, 32:17), dit āyah wijst hierop."

In het Paradijs is er een boom waarvan een ruiter 100 jaar in de schaduw kan reizen, en toch bereikt hij het einde van de schaduw niet.

وَظِلّٖ مَّمۡدُودٖ ٣٠ In uitgestrekte schaduw. (Wāqi`ah, 56:30), dit āyah bevestigt dit.

Zelfs één zweep in het Paradijs is waardevoller dan alles in de wereld. Het āyah dat zegt:

فَمَن زُحۡزِحَ عَنِ ٱلنَّارِ وَأُدۡخِلَ ٱلۡجَنَّةَ فَقَدۡ فَازَۗ وَمَا ٱلۡحَيَوٰةُ ٱلدُّنۡيَآ إِلَّا مَتَٰعُ ٱلۡغُرُورِ ١٨٥

… En al wie van het (angstaanjagende en allesverterende) vuur wordt weggehouden en (de begeerlijke tuinen van) het Paradijs wordt toegewezen, zal (met absoluut succes) slagen. (Want het schijnsucces van) het (vergankelijke) wereldse leven is slechts de (kortstondige) genieting van een (verliesgevend) waandenkbeeld. (Ali Imrān, 3:185), dit āyah laat dit duidelijk zien. Volgens at-Tirmidzi is deze ḥadīth zowel ḥasan als ṣaḥīḥ.

Ibn al-Munārak overlevert van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er is een boom in het Paradijs waarvan een ruiter 100 jaar in de schaduw kan reizen en de schaduw eindigt nooit.

Deze boom wordt de boom van de eeuwigheid genoemd.” (Muslim, 17/168.; al-Bukhārī, 6/319.; at-Tirmidzi, 2523.; Ibn Mājah, 4335.; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/404 ve 3/110)

Van Asma (رضي الله عنها), de zus van ʿĀ’ishah (رضي الله عنها) en de dochter van Abū Bakr (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beschreef Sidrah al-Muntahā als volgt: “Een ruiter kan honderd jaar tussen de takken rondrijden en toch komt er geen einde aan. Of: honderd ruiters kunnen in zijn schaduw rusten. Onder die boom is de grond bedekt met kussens van goud.” (al-Bukhārī, 1/458 ve 13/478.; Muslim, 2/214.; An-an-Nasā’ī, 1/217.; Aḥmad ibn Ḥanbal, 1/257, 3/148 ve 4/208) Volgens at-Tirmiḏī is deze overlevering zowel ḥasan als ṣaḥīḥ. De overlever Yaḥyā twijfelde of Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei dat honderd ruiters onder zijn schaduw rusten, of dat één ruiter honderd jaar in zijn schaduw voortgaat.

ʿAbd al-Razzāq overlevert … van Anas (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik bereikte de zevende hemel en kwam bij Sidrah al-Muntahā. Haar wortels en takken waren zo uitgestrekt dat zij mijn hele ummah zou kunnen bedekken. Er stroomden twee rivieren overheen, en uit haar stam kwamen nog twee verborgen rivieren voort. Ik vroeg Jibrīl (عليه السلام) wat dit was. Hij zei: ‘De verborgen rivieren zijn rivieren die naar het Paradijs stromen. De twee zichtbare rivieren zijn de Eufraat en de Nijl.”

al-Bukhārī overlevert eveneens, via Qatāda en Imām Mālik, van Ibn Saʿsaʿa (رضي الله عنه), een ḥadīth met dezelfde betekenis.

Van ʿAlī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “O ʿAlī! Kweek watermeloenen en eet ervan, want de watermeloen is een vrucht van het Paradijs. Het water van de watermeloen komt uit het Paradijs, en ook zijn geur. In één hap watermeloen heeft Allāhu Taʿālā genezing geschapen voor zeventig ziekten. Voor elke hap van de watermeloen wordt er tien goede daden opgeschreven en worden tien zonden van de dienaar uitgewist. De āyah: ‘

وَأَنۢبَتۡنَا عَلَيۡهِ شَجَرَةٗ مِّن يَقۡطِينٖ ١٤٦

En Wij lieten een pompoen over hem groeien. (Saffāt, 37:146) is daar een bewijs voor.”

Verder zijn er in het Paradijs nog vele andere vruchten zoals granaatappel, dadel, olijf en druif:

وَهُوَ ٱلَّذِيٓ أَنشَأَ جَنَّٰتٖ مَّعۡرُوشَٰتٖ وَغَيۡرَ مَعۡرُوشَٰتٖ وَٱلنَّخۡلَ وَٱلزَّرۡعَ مُخۡتَلِفًا أُكُلُهُۥ وَٱلزَّيۡتُونَ وَٱلرُّمَّانَ مُتَشَٰبِهٗا وَغَيۡرَ مُتَشَٰبِهٖۚ كُلُواْ مِن ثَمَرِهِۦٓ إِذَآ أَثۡمَرَ وَءَاتُواْ حَقَّهُۥ يَوۡمَ حَصَادِهِۦۖ وَلَا تُسۡرِفُوٓاْۚ إِنَّهُۥ لَا يُحِبُّ ٱلۡمُسۡرِفِينَ ١٤١

En Hij is" Degene Die de Tuinen doet ontstaan, gestutte en niet gestutte, en de dadelpalm en oogsten waarvan de vruchten verschillen in vorm en smaak, olijven en granaatappels, gelijk en verschillend. Eet van haar fruit als het vrucht draagt, maar betaal de prijs (de zakat) op de oogstdag. Maar wees niet buitensporig. Waarlijk, Hij houdt niet van de buitensporigen. (Anʿām, 6:141)

5.53 Over wat de bewoners van het Paradijs zullen dragen

أُوْلَٰٓئِكَ لَهُمۡ جَنَّٰتُ عَدۡنٖ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهِمُ ٱلۡأَنۡهَٰرُ يُحَلَّوۡنَ فِيهَا مِنۡ أَسَاوِرَ مِن ذَهَبٖ وَيَلۡبَسُونَ ثِيَابًا خُضۡرٗا مِّن سُندُسٖ وَإِسۡتَبۡرَقٖ مُّتَّكِـِٔينَ فِيهَا عَلَى ٱلۡأَرَآئِكِۚ نِعۡمَ ٱلثَّوَابُ وَحَسُنَتۡ مُرۡتَفَقٗا ٣١

Zij! Voor hen zullen er eeuwig durende Tuinen zijn; daar stromen rivieren onder door, daarin zullen zij versierd worden met gouden armbanden en zij zullen groene kleding dragen van fijne zijde en zwaar brocaat. Zij zullen daarin rusten op verheven sofa’s. Hoe goed is de beloning en wat een uitmuntende rustplaats! (Kahf, 18:31)

إِنَّ ٱللَّهَ يُدۡخِلُ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَعَمِلُواْ ٱلصَّٰلِحَٰتِ جَنَّٰتٖ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهَا ٱلۡأَنۡهَٰرُ يُحَلَّوۡنَ فِيهَا مِنۡ أَسَاوِرَ مِن ذَهَبٖ وَلُؤۡلُؤٗاۖ وَلِبَاسُهُمۡ فِيهَا حَرِيرٞ ٢٣

Waarlijk, Allāh zal degenen die geloven en goede daden verrichten naar de Tuinen verwijzen, waaronder rivieren stromen. Daarin zullen zij gesierd worden met gouden armbanden en parels en hun kleding zal daar van zijde zijn. (Ḥaj, 22:23)

… Van Barā’ ibn ʿĀzib (رضي الله عنه): Er werd een zijden mantel geschonken aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). De aanwezigen namen de mantel en begonnen deze aan elkaar te tonen. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg: “Vinden jullie het zo mooi?”

Zij antwoordden: “Ja.”

Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Bij Allāh, in Wiens Hand mijn rūḥ is!

Zelfs de zakdoeken die aan Saʿd ibn Muʿādh in het Paradijs zijn gegeven, zijn veel mooier en waardevoller dan dit.” (al-Bukhārī, 7/122; Muslim, 16/22; at-Tirmiḏī, 1723; Ibn Mājah, 157; Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/209 en 121)

Een andere overlevering … van ibn Muʿādh (رضي الله عنهم): ʿAṭārid ibn Ḥājib gaf een versierde kleding als geschenk aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) trok deze kleding onmiddellijk aan.

De mensen kwamen en begonnen de kleding aan te raken. Iedereen vond het erg mooi. Sommigen zeiden: “O Rasûlullāh! Is dit voor jou uit de hemel neergedaald?”

Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Vinden jullie het zo mooi? Bij Allāh, in Wiens Hand mijn rūḥ is! Zelfs de zakdoeken die aan Saʿd ibn Muʿādh in het Paradijs zijn gegeven, zijn veel mooier en sierlijker dan dit. Jij, jongeman! Breng dit naar Abū Jahm en breng zijn anbijāniyyah (eenvoudige mantel) voor ons terug.”

5.54 Van de bomen en vruchten van het Paradijs zullen de kleding van het Paradijs, de paarden van het Paradijs en de bijbehorende uitrustingen voortkomen

Ibn al-Mubārak overlevert: … van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “In het Paradijs is er een boom genaamd Ṭūbā. Allāhu Taʿālā beveelt deze boom: ‘Geef Mijn dienaren wat jij maar wilt.’

Daarop komt er uit de takken van die boom een paard tevoorschijn. Het paard verschijnt met zijn zadel, hoofdstel en andere uitrusting al op zich. Vervolgens komen uit deze boom ook andere zaken voort die nodig zijn om te reizen en het dragen van lasten. Daarna komen er kledingstukken en sieraden uit voort.”

an-Nasā’ī overlevert van ʿAbdullāh ibn ʿAmr ibn al-ʿĀṣ (رضي الله عنهما): Op een dag bevonden wij ons in de aanwezigheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Er kwam een man en zei:“O Rasûlullāh! Wat zullen de bewoners van het Paradijs dragen? Zal Allāh deze kleding scheppen of moeten wij die zelf naaien? Kunt u het ons uitleggen?”

De aanwezigen begonnen te lachen.

Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Waarom lachen jullie? De man weet het niet en vraagt het aan iemand die het wel weet!”

Na een korte stilte zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Waar is de man die vroeg wat men in het Paradijs zal dragen?”

De mensen wezen hem aan en zeiden: “Hij is hier.”

Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Nee (het is niet nodig om daar kleding te maken). Want in het Paradijs zullen kledingstukken voortkomen uit de planten en bomen.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) herhaalde dit drie keer. (Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/203)

En Allāh weet het het beste.

5.55 De stammen van de bomen in het Paradijs zijn van goud

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) zei: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft ons het volgende verteld: “In het Paradijs is er geen enkele boom waarvan de stam niet van goud is.” (at-Tirmiḏī, 2525) Volgens at-Tirmiḏī is deze ḥadīth in sommige opzichten ḥasan en in sommige overleveringen als gharīb overgeleverd.

In het volgende hoofdstuk zullen wij, inshā’Allāh, opnieuw terugkomen op deze ḥadīth.

5.56 Over de dadels en andere vruchten in het Paradijs

Ibn al-Mubārak overlevert: … van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), hij vertelde Ḥammād:“De stammen van de dadelbomen in het Paradijs zijn van groene smaragd. Hun takken zijn van rood goud. Hun bladeren zijn een schaduw voor de bewoners van het Paradijs. Daar is voor iedereen plaats; het is meer dan voldoende voor iedereen.

De vruchten van deze bomen zijn groot en overvloedig. Zij hangen in trossen. Zij zijn witter dan melk en zoeter dan honing. Zij zijn zachter dan boter. Er zit geen enkele rotte of beschadigde vrucht tussen.”

Ibn Wahb heeft via Ibn Zayd een ḥadīth overgeleverd: Een man kwam en zei:“O Rasûlullāh! Zullen er in het Paradijs dadels zijn? Ik houd namelijk erg van dadels.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Ja. Bij Degene in Wiens Hand mijn rūḥ is! De stammen van de dadelbomen daar zijn van goud. Hun takken en wortels zijn ook van goud. Hun bladeren zijn mooier dan ooit iemand heeft gezien.

Elke tak en stam van die bomen is van goud. Hun bladeren zijn van goud. Hun vruchten zijn van goud. De vruchten hangen in trossen. Zij zijn zachter dan boter en zoeter dan honing.”

In een ḥadīth die Ibn al-Jawzī overlevert van Jarīr ibn ʿAbdullāh (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nam een tak in zijn hand en zei: “O Jarīr! Je zult nergens in het Paradijs een tak zoals deze vinden.”

Daarop vroeg Jarīr (رضي الله عنه): “Waar zullen dan de dadels en bladeren zijn?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “De wortels, stammen en takken van de bomen daar zijn van goud en parels. En daarop bevinden zich de vruchten.”

5.57 Het zaaien van gewassen in het Paradijs

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Op een dag sprak Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) met een man die uit de woestijn was gekomen en zei: “Op een dag zal een man in het Paradijs Allāhu Taʿālā om toestemming vragen om gewassen te zaaien.

Allāhu Taʿālā zal zeggen: ‘Heb jij niet alles wat je wenst gekregen?’

De man zal antwoorden: ‘Zeker wel. Maar ik houd ervan om te zaaien en te oogsten.’

Daarop zal (met toestemming van Allāhu Taʿālā) het gewas groeien. Hij zal het water geven, laten groeien en vervolgens oogsten. De opbrengst zal zich opstapelen als bergen.

Daarop zal Allāhu Taʿālā zeggen: “O zoon van Ādam (عليه السلام)! Niets kan jou ooit verzadigen!”

Toen zei de aanwezige man: “O Rasûlullāh! Die man is vast iemand van Quraysh of van de Anṣār, want wij weten niets van landbouw.”

Hierop glimlachte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).

5.58 Hoeveel poorten heeft het Paradijs? Wat zijn hun namen en aan wie zijn ze toegewezen?

In de Qur’ān staat:وَسِيقَ ٱلَّذِينَ ٱتَّقَوۡاْ رَبَّهُمۡ إِلَى ٱلۡجَنَّةِ زُمَرًاۖ حَتَّىٰٓ إِذَا جَآءُوهَا وَفُتِحَتۡ أَبۡوَٰبُهَا وَقَالَ لَهُمۡ خَزَنَتُهَا سَلَٰمٌ عَلَيۡكُمۡ طِبۡتُمۡ فَٱدۡخُلُوهَا خَٰلِدِينَ ٧٣

En degenen die hun Heer vreesden zullen in groepen naar het Paradijs geleid worden; als zij daar aankomen, zullen de poorten worden geopend en de wachters zullen zeggen: “Salamoen aleikoem! Jullie hebben het goed gedaan, kom binnen om hier eeuwig te verblijven.” (Zumar, 39:73)

Volgens geleerden zijn er hier acht poorten, en het Paradijs is in acht secties verdeeld. Als bewijs citeren zij de volgende ḥadīth: van ʿUmar (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie van jullie wudū’ verricht en deze correct voltooit en zegt:‘Ashhadu allā ilāha illallāh wa ashhadu anna Muḥammadan ʿabduhu wa Rasūluh’voor hem zullen de acht poorten van het Paradijs geopend worden. Hij kan via welke hij wil het Paradijs binnengaan.” (Muslim, 3/118; Aḥmad ibn Ḥanbal, 4/146 en 153)

Sommige geleerden citeren andere overleveringen over het aantal poorten van het Paradijs. Bijvoorbeeld, in Imām Māliks Muwattā’ wordt vermeld:

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie twee keer uit zijn rijkdom op weg van Allāh geeft, zal in het Paradijs aangesproken worden: ‘O dienaar van Allāh! Zie wat jij goeds hebt gedaan.’

Wie zijn ṣalāh niet verwaarloost, zal via de poort genaamd Salāh het Paradijs binnengaan.De strijders (mujāhidīn) zullen via de poort Jihād het Paradijs binnengaan.Wie goede daden verricht in liefdadigheid, krijgt de poort Sadaqah toegewezen.Wie zijn vasten verricht, zal het Paradijs binnengaan via de poort genaamd Rayyān.”

Hierop vroeg Abū Bakr (رضي الله عنه): “Is het verplicht dat ieder door zijn eigen poort gaat? Kan niemand door een andere poort binnenkomen, (of kan men door meerdere poorten gaan)?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Ja, men kan. Inshā’Allāh zul jij ook tot hen behoren.” (al-Bukhārī, 4/111; Muslim, 7/115; at-Tirmiḏī, 3674; Aḥmad ibn Ḥanbal, 4/386)

Volgens Abū ʿAbdullāh, bekend als al-Hākim at-Tirmiḏī (niet te verwarren met de Hadīth-geleerde at-Tirmiḏī die in 892 stierf; al-Hākim overleed in 910), wordt in zijn werk Nawādir al-`Usūl het volgende over het Paradijs vermeld: Er is een poort in het Paradijs, bekend als de Poort van Barmhartigheid (Rahmah), toegewezen aan Muḥammad (صلى الله عليه وسلم). Deze poort wordt ook de Poort van Tawbah genoemd. Sinds Allāhu Taʿālā het Paradijs schiep, is deze poort altijd open geweest en zal nooit gesloten worden, behalve op de Dag dat de zon uit het westen opkomt. Na Yawm al-Qiyāmah zal deze poort opnieuw geopend worden.

De andere poorten zijn verdeeld en toegewezen op basis van de goede daden van de mensen. Zo is er een poort genaamd de poort van Salāh, een andere de poort van Rayyān (Vasten), poorten van Zakāh en Sadaqah, poorten van Haj en Jihād, poort van ṣilah (voor hen die hun familie en buren onderhouden en helpen), en poort van ʿUmrah. Extra poorten voor Hajj, ʿUmrah en ṣilah zijn ook aanwezig. Hieruit volgt dat er in totaal elf poorten in het Paradijs zijn.

In een ḥadīth overgeleverd door Abū al-Ḥasan, bekend als al-Ājurī, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “In het Paradijs is er een poort die ‘Duḥā’ (de voormiddag) wordt genoemd.

Op Yawm al-Qiyāmah zal een engel roepen: ‘Waar zijn degenen die de ṣalāh van Duḥā verrichtten? Kom en treed binnen! Deze poort is voor jullie bestemd.” Deze ḥadīth wordt vermeld in het boek “Naṣīḥah” van al-Ājurī.

In dat geval wordt de poort die specifiek is toegewezen aan de ummah van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) de dertiende poort. Want at-Tirmiḏī overlevert via Sālim ibn ʿAbdullāh en zijn vader ʿAbdullāh ibn `Umar (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De breedte van de poort die aan mijn ummah is toegewezen om het Paradijs binnen te gaan, is gelijk aan de afstand die een ruiter in drie (dagen of maanden) aflegt. Maar wanneer mijn ummah het Paradijs binnengaat, zullen zij door de drukte samengedrukt worden, en hun schouders zullen tegen elkaar gedrukt worden.” (at-Tirmiḏī, 2548) at-Tirmiḏī zei: Ik vroeg deze ḥadīth aan Muḥammad, dat wil zeggen Imām al-Bukhārī, maar hij gaf aan deze niet te kennen. En Imām al-Bukhārī zei verder: Khālid ibn Abū Bakr, heeft veel zwakke (munkar) overleveringen doorgegeven van Sālim ibn ʿAbdullāh.

Wij zeggen: met “de poort die aan mijn ummah is t oegewezen” in de ḥadīth wordt bedoeld: de overige mu’mins van wie de daden niet volledig zijn zoals hierboven genoemd. Want degenen die de hierboven genoemde daden en goede werken verrichten, zullen via hun specifieke poorten het Paradijs binnengaan. Dit maakt het de dertiende poort (waardoor de mu’mins het Paraijs binnen gaan). Omdat de overige mensen via deze poort zullen binnengaan, zal deze druk en vol zijn. Zoals eerder vermeld in aḥadīth, zal het merendeel van degenen die het Paradijs binnengaan eenvoudige mensen (die oprechte, onthechte gelovigen met een zuiver hart) zijn. En Allāh weet het het beste.

Ook op basis van de volgende ḥadīth, overgeleverd door ʿUmar (رضي الله عنه), kan worden gesteld dat het aantal poorten van het Paradijs meer dan acht is: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie wudū’ verricht en dit op de juiste wijze voltooit en vervolgens zegt:‘Ashhadu allā ilāha illallāh wa ashhadu anna Muḥammadan ʿabduhu wa Rasūluh’voor hem worden de acht poorten van het Paradijs geopend, en hij kan binnengaan via welke hij wil.” (Muslim, 3/118; Aḥmad ibn Ḥanbal, 4/146 en 153)

at-Tirmiḏī vermeldt in zijn werk “at-Tamhīd” dat hij de exacte bewoording niet volledig zeker wist: of er werd gezegd “de poorten van het Paradijs worden geopend” of “de acht poorten van het Paradijs worden geopend”. Tirmizî is hierover niet helemaal zeker.

Volgens Abū Dāwūd, an-Nasā’ī en Ibn Sajar wordt in de ḥadīth alleen vermeld: “acht poorten”, zonder enige toevoeging.

Op basis hiervan kunnen wij stellen dat het Paradijs acht poorten heeft.

Volgens ons is het aantal poorten van het Paradijs meer dan acht. En Allāh weet het het beste. Moge Allāhu Taʿālā ons beschermen tegen het maken van fouten.

De uitdrukking in de ḥadīth “de poorten van het Paradijs” gevolgd door “en acht poorten worden geopend” is hiervoor een bewijs. De voegletter “wa” (en) duidt erop dat er naast deze acht poorten nog andere poorten van het Paradijs bestaan.

Net zoals in de āyah:

هُوَ ٱللَّهُ ٱلَّذِي لَآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ ٱلۡمَلِكُ ٱلۡقُدُّوسُ ٱلسَّلَٰمُ ٱلۡمُؤۡمِنُ ٱلۡمُهَيۡمِنُ ٱلۡعَزِيزُ ٱلۡجَبَّارُ ٱلۡمُتَكَبِّرُۚ سُبۡحَٰنَ ٱللَّهِ عَمَّا يُشۡرِكُونَ ٢٣

Hij is Allāh! Degene naast Wie er geen god is. De Koning, de Heilige, de Gever van veiligheid, de Vertrouwende, de Beschermer, de Almachtige, de Onderwerper, de Geweldige. Verheven is Allāh boven hetgeen zij met Hem vereenzelvigen. (Ḥashr , 59:23)

De naam “al-Mutakabbir” (de Geweldige) die hier wordt genoemd, is niet hetzelfde als de voorgaande zeven Namen, maar een afzonderlijke, achtste Naam die specifiek is voor Allāhu Taʿālā.

Op basis van deze āyah kan men stellen dat de hierboven genoemde opvattingen (dat het beperkt is tot slechts acht) niet volledig zijn. Want zoals de acht genoemde Namen in de āyah verschillend zijn, zo zijn ook de uitdrukkingen “acht poorten” en “de poorten van het Paradijs” in de ḥadīth niet identiek.

Wij (Imām Qurtubī) hebben dit eerder uiteengezet in de tafsīr van sūrah al-Barā’ah (al-Tawbah) en sūrah al-Kahf.

Khālid ibn ʿUmayr vertelt: ʿUtbah ibn Ghazwān was de bestuurder van Baṣrah. Op een dag hield hij een preek (khuṭbah). Hij prees Allāh en noemde een eerder genoemde ḥadīth, waarin werd vermeld dat de afstand tussen de twee pilaren van (een poort) van het Paradijs gelijk is aan een reisafstand van veertig jaar lopen. Toch zullen de mensen daar vanwege de drukte samengedrukt worden.

In een ḥadīth over de voorspraak (shafāʿah), overgeleverd door Anas (رضي الله عنه), zegt Rasûlullāh (صلى الله عليه: “Bij Degene in Wiens Hand de rūḥ van Muḥammad is! De afstand tussen de pilaren van het Paradijs is als de afstand tussen Makkah en Buṣrā.”

Van Sahl ibn Saʿd (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه) zei: “Van mijn ummah zullen 70.000 of 700.000 mensen (door mijn voorspraak) het Paradijs binnengaan.”

De overlever Abū Ḥāzim twijfelde of het 70.000 of 700.000 was.

“Zij zullen het Paradijs binnengaan terwijl zij elkaar vasthouden en tegen elkaar aandrukken. De laatste zal niet binnengaan voordat de eerste is binnengegaan. Hun gezichten zullen stralen als de volle maan.” (Muslim, 3/92 en 18/102; Aḥmad ibn Ḥanbal, 5/3, 4/184 en 3/29)

Samengevat: wanneer wij al deze overleveringen samen beschouwen, zien wij dat het Paradijs meer dan acht poorten heeft. Wanneer wij alle overleveringen bijeenbrengen, kan men zeggen dat het totale aantal poorten zestien bedraagt.

Imām ʿAbd al-Karīm Abū al-Qāsim al-Qushayrī, bekend als al-Qushayrī, overlevert in zijn werk “al-Taḥbīr”, Rasûlullāh (صلى الله عليه) zei:“Goed gedrag (akhlāq) is een halssieraad/geschenk dat Allāh om de hals legt van Zijn dienaren met wie Hij tevreden is. Dit halssieraad is verbonden aan een ketting van barmhartigheid, en het uiteinde van deze ketting van barmhartigheid is vastgemaakt aan één van de poorten van het Paradijs. Deze ketting trekt de persoon en brengt hem via die poort het Paradijs binnen.

Slecht gedrag (akhlāq) daarentegen is een halssieraad dat om de hals wordt gelegd van degenen die de woede van Allāhu Taʿālā verdienen.

Dit halssieraad is verbonden aan een ketting van bestraffing, en het uiteinde van deze ketting is vastgemaakt aan één van de poorten van het Hellevuur.”

De auteur van het werk “Firdaws” overlevert van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه) zei: “In het Paradijs is er een poort genaamd de Poort van Vreugde. Alleen degenen die kleine kinderen blij maken, zullen via deze poort het Paradijs binnengaan.”

Met de uitdrukking “twee keer (of een paar) “infāq” (uitgeven of besteden op weg van Allāh) die in de ḥadīth wordt genoemd, wordt volgens al-Ḥasan al-Baṣrī bedoeld: twee stuks van goud, zilver, kleding of andere zaken geven, of tweemaal geven.

Volgens al-Bājī kan de betekenis ook zijn: twee dagen vasten of twee keer de ṣalāh verrichten.

De eerste uitleg is echter sterker. Want al-Ājurī heeft van een ḥadīth overgeleverd die hierop wijst. In deze ḥadīth, overgeleverd door Abū Ẓar (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie op weg van Allāh een paar (twee stuks) uitgeeft, voor hem wordt het Paradijs zichtbaar gemaakt.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vervolgde: “(Met ‘paar’ wordt bedoeld:) twee muildieren, twee dirham, twee kledingstukken of twee sandalen.”

Wat betreft de verschillen in de overleveringen over de breedte van de poorten van het Paradijs: het is mogelijk dat sommige poorten breder zijn en andere verschillende afmetingen hebben.

Van Sahl ibn Saʿd (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “In het Paradijs is er een poort genaamd ar-Rayyān. Degenen die vasten, zullen via deze poort binnengaan. Wanneer de laatste van hen is binnengegaan, zal deze poort worden gesloten en daarna zal niemand meer hier doorheen gaan.” (al-Bukhārī, 4/111.; Muslim, 8/32.; An-an-Nasā’ī, 4/168.; at-Tirmidzi, 765)

En Allāh weet het het beste.

Maar volgens onze opvatting geldt dit ook voor de andere poorten: voor elke daad is er een specifieke poort, en alleen degenen die die daad verrichten, zullen via die poort binnengaan.

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): De namen van sommige mensen zullen bij elke poort worden afgeroepen. Dit is een eer en een bijzondere gunst voor hen. Zo iemand kan via elke poort binnengaan die hij wil, maar hij zal meestal binnengaan via de poort die behoort bij de daad die hij het meest verrichtte.

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie van jullie is vandaag aan het vasten?”

Abū Bakr (رضي الله عنه) antwoordde: “Ik.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg: “Wie van jullie heeft vandaag een begrafenis bijgewoond?”

Abū Bakr (رضي الله عنه) antwoordde: “Ik.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg verder: “Wie van jullie heeft vandaag een arme gevoed of geholpen?”

Abū Bakr (رضي الله عنه) antwoordde opnieuw: “Ik.”

Daarna vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Wie van jullie heeft vandaag een zieke bezocht?”

Opnieuw antwoordde Abū Bakr (رضي الله عنه): “Ik.”

Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Wie al deze dingen verricht, zal het Paradijs binnengaan.” (Muslim, 7/117.; Aḥmad ibn Ḥanbal, 6/359)

Abū Dāwūd heeft in zijn Musnad, … van Abū Umāmah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een man wordt naar één van de poorten van het Paradijs gebracht. Hij heft zijn hoofd op en leest wat er op de poort geschreven staat: ‘Voor sadaqah wordt tienvoudige beloning gegeven. Maar een lening die aan iemand wordt gegeven (om te helpen), wordt achttienvoudig teruggegeven. Want alleen iemand die werkelijk behoeftig is, vraagt om een lening.

Maar degene die zakāh of andere liefdadigheid (sadaqah) ontvangt, kan ook iemand zijn die niet werkelijk behoeftig is.”

Ibn Mājah overlevert … van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “In de nacht van al-Isrā’ (Miʿrāj) zag ik boven één van de poorten van het Paradijs geschreven staan: ‘Voor sadaqah wordt tienvoudige beloning gegeven, en voor wat als lening aan mensen wordt gegeven, wordt achttienvoudige beloning gegeven.’

Ik vroeg Jibrīl (عليه السلام): ‘Waarom is het geven van een lening meer belonend dan sadaqah?’

Hij antwoordde: ‘Een bedelaar kan vragen terwijl hij geen echte behoefte heeft. Maar iemand die om een lening vraagt, doet dat alleen wanneer hij werkelijk behoeftig is.” (Ibn Mājah, 2431)

5.59 Over de rangen/graden/niveau’s van het Paradijs en wat de mu’min daar te wachten staat

… van Muʿādh ibn Jabal (رضي الله عنه): Ik heb van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gehoord:

“In het Paradijs zijn er honderd graden. Elke graad is hoger dan de andere, zoals de afstand tussen de hemel en de aarde. De hoogste rang is al-Firdaws. In het midden bevindt zich ook al-Firdaws. De Troon (ʿArsh) van Allāhu Taʿālā bevindt zich boven al-Firdaws. Alle rivieren van het Paradijs ontspringen uit al-Firdaws. Wanneer jullie Allāhu Taʿālā iets vragen, vraag dan om al-Firdaws.” (at-Tirmiḏī, 2529; Ibn Mājah, 4331; Aḥmad ibn Ḥanbal, 5/316)

Een ḥadīth met dezelfde betekenis is ook overgeleverd door al-Bukhārī via Abū Hurayrah (رضي الله عنه). Deze overlevering is ṣaḥīḥ.

Ibn Wahb overlevert: …van ʿUtbah ibn ʿUbayd (رضي الله عنه): Een man kwam naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en vroeg: “O Rasûlullāh! Hoeveel niveaus heeft het Paradijs?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Het Paradijs heeft honderd graden. Tussen elke graad is een afstand als die tussen de hemel en de aarde.

In de laagste graad zijn alle paleizen, gebouwen en bezittingen van zilver.In de tweede graad zijn de huizen, kleding en bezittingen van goud.In de derde graad is alles van parels en koraal.

Hoe de overige zevenennegentig graden zijn, dat weet alleen Allāh.”

In een ḥadīth overgeleverd door Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) wordt gezegd:“Het Paradijs bestaat uit honderd graden, honderd niveaus. Deze niveaus zijn zo ruim dat als alle schepselen samen zouden komen, zij slechts één niveau zouden vullen.” (at-Tirmiḏī, 2532)

In een andere overlevering van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Tegen degene die de Qur’ān veel reciteert of deze uit het hoofd kent, zal in het Paradijs worden bevolen: ‘Reciteer en stijg in graad.’

Hij begint te reciteren, en bij elke āyah stijgt hij één graad, totdat hij bij de laatste āyah zijn hoogste rang bereikt.” (Ibn Mājah, 3780 ve 3047.; at-Tirmidzi, 2914.; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/192 ve 3/40)

Abū Dāwūd heeft van `Abdullāh ibnʿUmar(رضي الله عنهما) een andere ḥadīth overgeleverd met dezelfde strekking: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “In het Paradijs wordt tegen de sāhib (lieden van) al-Qur’ān gezegd: ‘Reciteer zoals je in de wereld reciteerde. Terwijl je leest, zul je (in rang) stijgen. De rang waar je uiteindelijk zult komen, is de rang die je bereikt bij het reciteren van de laatste āyah.” (Abû Dāwūd, 1464)

Muʾyānishī, een Qureyshiet genaamd ʿAbdul-Ḥamīd ibn Abū Ḥafṣ ʿUmar, overlevert in zijn werk ‘Selecties uit aḥadīth en andere overleveringen’ de volgende ḥadīth van `ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het Paradijs is ingedeeld en gerangschikt volgens het aantal āyāt in de Qur’ān, namelijk 6.226 āyāt. Elke rang is hoger dan de rang eronder met een afstand gelijk aan die tussen de aarde en de hemel. De hoogste rang bevindt zich bij Illiyyūn. Deze hoogste plaats heeft 7.000 zuilen, elk van robijn, en hun schittering strekt zich uit tot afstanden die dagen verlicht kunnen worden.”

ʿĀ’ishah (رضي الله عنها) zei: “Er zijn net zoveel niveaus in het Paradijs als er āyāt in de Qur’ān zijn. De hoogste rang is voor degenen die veel Qur’ān reciteren (of deze uit het hoofd kennen en ernaar handelen).” Deze overlevering is van Makkī (رَحِمَهُ اللهُ)

Volgens de geleerden verwijst de term “sāhib al-Qur’ān” in de ḥadīth naar degenen die de Qur’ān onderwijzen, uit het hoofd leren en reciteren.

De ware sāhib al-Qur’ān is echter degene die ook handelt naar de Qur’ān, en de harām en halāl daarin naleeft.

Volgens Imām Mālik zijn er mensen die de Qur’ān reciteren maar er geen nut van ondervinden. Bij de behandeling van de aḥadīth van ʿAbbās (رضي الله عنه) en Abū Hurayrah (رضي الله عنه), hebben we gezien dat degenen die de Qur’ān reciteren uit vertoon of voor persoonlijk gewin, wat voor gevolgen hen te wachten staan. (Zulke mensen vallen buiten de beloning en de goedkeuring van deze ḥadīth). Deze aḥadīth zijn voldoende voor de uitleg van het onderwerp.

Een voorbeeld van een ḥadīth: Hūdbah ibn Abū Hūdbah Ibrahim overlevert van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie de Qur’ān leert en onderwijst maar er niet naar handelt, en bovendien hetgeen hij uit de Qur’ān heeft geleerd, vervalst/verandert en naar eigen inzicht interpreteert, heeft in de Qur’ān zelf genoeg bewijs en getuige om naar het Hellevuur te worden gestuurd. Maar degene die de Qur’ān leert en ernaar handelt, heeft voldoende getuige in de Qur’ān om naar het Paradijs te gaan.” (Muslim 6/83; Abū Dāwūd 4829; Ibn Mājah 214; at-Tirmiḏī 2865; Aḥmad ibn Ḥanbal 4/397, 404)

In de overlevering van al-Bukhārī staat: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De mu’min die de Qur’ān leest en ernaar handelt (met hetgeen hij heeft geleerd), is als een sinaasappel: zowel geur als smaak is heerlijk. De mu’min die de Qur’ān niet leest maar wel ernaar handelt, is als een vrucht die heerlijk smaakt maar geen aangename geur heeft.” (al-Bukhārī 9/66)

Deze en soortgelijke aḥadīth zijn voldoende om het onderwerp te begrijpen. In onze werken Fadilah al-Adzkār en Ahkām al-Qur’ān hebben we ook dit besproken. Lof aan Allāh!

Er zijn honderd niveaus in het Paradijs voor de strijders (mujāhidīn), maar er zijn nog meer niveaus voor de Qur’ān. Voor degenen die de Qur’ān leren, onderwijzen en handelen naar wat ze hebben geleerd, zijn alle niveaus van het Paradijs beloofd.

Moge Allāh ons helpen en ons oprechtheid schenken.

5.60 Over de paleizen in het Paradijs en voor wie zij zijn voorbereid

لَٰكِنِ ٱلَّذِينَ ٱتَّقَوۡاْ رَبَّهُمۡ لَهُمۡ غُرَفٞ مِّن فَوۡقِهَا غُرَفٞ مَّبۡنِيَّةٞ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهَا ٱلۡأَنۡهَٰرُۖ وَعۡدَ ٱللَّهِ لَا يُخۡلِفُ ٱللَّهُ ٱلۡمِيعَادَ ٢٠

Maar degenen die Allāh vrezen en hun plichten tot hun Heer (Allāh) vervullen, voor hen worden liefelijke kamers gebouwd, de ene boven de ander, waaronder rivieren stromen. Als een belofte van Allāh, en Allāh breekt de belofte niet. (Zumar, 39:20)

وَمَآ أَمۡوَٰلُكُمۡ وَلَآ أَوۡلَٰدُكُم بِٱلَّتِي تُقَرِّبُكُمۡ عِندَنَا زُلۡفَىٰٓ إِلَّا مَنۡ ءَامَنَ وَعَمِلَ صَٰلِحٗا فَأُوْلَٰٓئِكَ لَهُمۡ جَزَآءُ ٱلضِّعۡفِ بِمَا عَمِلُواْ وَهُمۡ فِي ٱلۡغُرُفَٰتِ ءَامِنُونَ ٣٧

En het is niet jullie weelde, noch jullie kinderen, die jullie nader tot Ons brengen, maar wie gelooft en goede daden verricht; voor hen zal er een veelvoudige beloning zijn voor wat zij deden en zij zullen in de hoge plaatsen in vrede en veiligheid verblijven. Aan hen zal, als beloning voor hun geduld, de hoogste rang in het Paradijs worden gegeven. (Saba, 34:37)

Van Sahl ibn Saʿd (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Iedereen in het Paradijs zullen zich rondom deze paleizen bewegen, zoals sterren en planeten langs de horizon bewegen. Zij zullen elkaar over deze paleizen vertellen.”

De aanwezigen zeiden: “O NabīAllah! Deze zijn toch voor de anbiya? Anderen kunnen daar toch niet komen!”

Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Nee, zo is het niet. Bij Degene in Wiens Hand mijn rūḥ is!

Ook degenen die in Allāh geloven en de anbiya volgen, zullen deze plaatsen binnengaan.” (Muslim, 17/168; al-Bukhārī, 11/416; at-Tirmiḏī, 2556; Aḥmad ibn Ḥanbal, 5/340)

Al-Ḥākim at-Tirmiḏī overlevert: … van Sahl ibn Saʿd (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft de āyah:

أُوْلَٰٓئِكَ يُجۡزَوۡنَ ٱلۡغُرۡفَةَ بِمَا صَبَرُواْ وَيُلَقَّوۡنَ فِيهَا تَحِيَّةٗ وَسَلَٰمًا ٧٥

Degenen die met de hoogste plaats (in het Paradijs) door hun geduld beloond zullen worden. Daarin zullen zij met groeten en woorden van vrede en respect ontvangen worden. (Furqān, 25:75)

“Dit is een paleis gemaakt van rode robijn, groene diamant of witte parel. Er zal geen enkele onvolmaaktheid of vlek op zijn. De bewoners van het Paradijs zullen zich eromheen bewegen zoals sterren van oost naar west bewegen.

Abū Bakr (رضي الله عنه) en ʿUmar (رضي الله عنه) zullen ook in dit paleis zijn. En zij zullen daar de grootste eer en gunst ontvangen.”

al-Ḥākim at-Tirmiḏī overlevert: … van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degenen die elkaar liefhebben omwille van Allāh, zullen in paleizen van rode robijn verblijven Elk paleis zal 70.000 kamers hebben.

Door hun schoonheid zullen de ogen van de bewoners van het Paradijs verblind raken, net zoals bij het kijken naar de zon.

De bewoners van het Paradijs zullen tegen elkaar zeggen: ‘Geef ons toestemming om eens naar deze dienaren te kijken.’

Wie naar hen kijkt, zal verblind raken zoals bij het kijken naar zonlicht.

De bewoners van deze paleizen zullen groene zijden kleding dragen en op hun voorhoofden zal: ‘Dit zijn degenen die elkaar liefhadden omwille van Allāh’ geschreven staan.”

In een ḥadīth die door ath-Thaʿlabī is overgeleverd van Abū ʿImrān ibn ʿUmar (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer degenen die in ʿIlliyyūn (de hoogste rang) verblijven naar het Paradijs kijken, zullen de ogen van de andere bewoners van het Paradijs verblind raken en zij zullen zeggen: ‘O Allāh! Wat is dit een prachtig licht!’

Er zal tegen hen worden gezegd: “Dit is nog maar weinig! In ʿIlliyyūn zijn er nog mooiere dingen dan dit. De mooiste daar is degene die zich werkelijk aan Allāh heeft overgegeven en al zijn beloften aan Allāh is nagekomen.”

Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De bewoners van de paleizen (waarover in de āyāt blijde tijdingen zijn gegeven), zullen degenen die in ʿIlliyyūn (de hoogste rang) verblijven, benijden. Zij zullen hen bekijken zoals sterren zich aan de horizon bewegen.

Abū Bakr (رضي الله عنه) en ʿUmar (رضي الله عنه) zullen ook in ʿIlliyyūn zijn; en zij zullen daar zelfs de meeste eer ontvangen.” (at-Tirmiḏī, 3658; Ibn Mājah, 96; Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/27, 93 en 98)

Van ʿAlī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “In het Paradijs zijn er paleizen waarvan de binnenkant van buitenaf zichtbaar is, en waarvan de buitenkant van binnenuit zichtbaar is.” (at-Tirmiḏī, 2527)

Een bedoeïen vroeg: “Voor wie zijn deze paleizen, o Rasûlullāh?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Voor degenen die zich onthouden van slechte en zinloze woorden en juist het goede spreken, die vriendelijk en zacht van aard zijn, die mensen voeden en gastvrij zijn, die veel vasten en ’s nachts de ṣalāh verrichten terwijl anderen slapen. (Aḥmad ibn Ḥanbal, 5/343)

Ḥāfiẓ Abū Nuʿaym overlevert: …van Jābir ibn ʿAbdullāh (رضي الله عنهما): Op een dag kwam Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei: “Zal ik jullie vertellen over de paleizen in het Paradijs? Daar zijn paleizen met de kleur van edelstenen. Wanneer je van binnen kijkt, zie je de buitenkant; en wanneer je van buiten kijkt, zie je de binnenkant.

Daar bevinden zich allerlei genietingen die geen oog ooit heeft gezien en geen oor ooit heeft gehoord: verschillende soorten stoffen, tapijten en kleding.”

Wij zeiden: “Moge onze vaders en moeders voor u opgeofferd worden, o Rasûlullāh! Voor wie zijn deze?”

Hij antwoordde: “Voor degenen die de salām verspreiden, die voortdurend vasten, die vrijgevig zijn en die de ṣalāh verrichten terwijl de mensen slapen.”

Wij zeiden: “Moge onze vaders en moeders voor u opgeofferd worden, o Rasûlullāh! Niet iedereen kan dit doen!”

Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Luister, ik zal het uitleggen:Wie zijn mu’min broeder groet met salām-groet wanneer hij hem ziet, heeft de salām verspreid.Wie zijn gezin voedt tot zij verzadigd zijn, wordt als vrijgevig beschouwd.Wie de Ramaḍān-vasten onderhoudt en daarnaast elke maand drie dagen vast, wordt beschouwd als iemand die voortdurend vast.En wie de ʿIshā’- ṣalāh in gemeenschap verricht, wordt beschouwd als iemand die de nacht in ṣalāh heeft doorgebracht.

Want wanneer jullie de ʿIshā’- ṣalāh verrichten, slapen de joden, de christenen en de majūs (vuuraanbidders).”

Hier zijn enkele belangrijke punten die begrepen moeten worden. De paleizen die in de aḥadīth en āyāt op verschillende manieren worden beschreven, verschillen afhankelijk van de daden van de mensen. Sommige paleizen zijn hoger, andere lager. Deze paleizen zijn elk met verschillende eigenschappen gebouwd.

De uitdrukkingen in de aḥadīth zoals “zich bewegend van oost naar west”, “ondergaand” en “verdwijnend” verwijzen naar de beweging van de sterren. Dat wil zeggen: sommige van deze paleizen bevinden zich dichterbij en andere verder weg. De mensen zullen zich rondom deze paleizen bewegen en ze zullen komen en gaan om de paleizen te bekijken.

De ḥadīth zegt: “Bij Degene in Wiens Hand mijn rūḥ is! Degenen die in Allāh geloven en de anbiya bevestigen…” Hier wordt naast geloof (īmān) geen andere daad genoemd, omdat hier de zuivere en werkelijke betekenis van geloof wordt bedoeld. Anders zou iemand met slechts algemene vorm van īmān de hoogste rangen bereiken, en dat is niet mogelijk. Als dat zo was, zouden alle mensen (die met hun tong en hart) het geloof in tawḥīd aannemen, de hoogste rang in het Paradijs krijgen. Dit is echter niet het geval.

Want in de āyah wordt duidelijk gemaakt dat deze hoge rangen zijn beloofd aan degenen die geduld hebben:أُوْلَٰٓئِكَ يُجۡزَوۡنَ ٱلۡغُرۡفَةَ بِمَا صَبَرُواْ وَيُلَقَّوۡنَ فِيهَا تَحِيَّةٗ وَسَلَٰمًا ٧٥

Degenen die met de hoogste plaats (in het Paradijs) door hun geduld beloond zullen worden. Daarin zullen zij met groeten en woorden van vrede en respect ontvangen worden. (Furqān, 25:75)

Geduld (ṣabr) betekent hier: zich inspannen in aanbidding, de verplichtingen van īmān vervullen en de eigen verlangens opofferen. Dit is de eigenschap van degenen die de hoogste rangen bereiken.

In een andere āyah wordt gezegd:وَمَآ أَمۡوَٰلُكُمۡ وَلَآ أَوۡلَٰدُكُم بِٱلَّتِي تُقَرِّبُكُمۡ عِندَنَا زُلۡفَىٰٓ إِلَّا مَنۡ ءَامَنَ وَعَمِلَ صَٰلِحٗا فَأُوْلَٰٓئِكَ لَهُمۡ جَزَآءُ ٱلضِّعۡفِ بِمَا عَمِلُواْ وَهُمۡ فِي ٱلۡغُرُفَٰتِ ءَامِنُونَ ٣٧

En het is niet jullie weelde, noch jullie kinderen, die jullie nader tot Ons brengen, maar wie gelooft en goede daden verricht; voor hen zal er een veelvoudige beloning zijn voor wat zij deden en zij zullen in de hoge plaatsen in vrede en veiligheid verblijven. (Saba, 34:37)

Uit deze āyah blijkt dat noch bezit noch familie voldoende is om deze rang te bereiken. Deze rangen worden uitsluitend verkregen door īmān samen met goede daden. Alleen degenen die dit combineren, ontvangen een meervoudige beloning. Hun verblijfplaats zijn deze paleizen.

Hier is īmān een vereiste: oprecht en volledig overgeven aan Allāh is de eerste vereiste. Maar dit alleen is niet voldoende. Naast īmān zijn er ook andere voorwaarden en verplichtingen.

Een andere betekenis hier is dat goede daden uitsluitend omwille van Allāh worden verricht. Dit is een fundamenteel aspect van īmān. Ware īmān zorgt ervoor dat daden niet uit vertoon of andere motieven worden uitgevoerd. Daarom hebben de daden van degenen die naast de tevredenheid van Allāh nog andere bedoelingen nastreven, geen werkelijke waarde. De beloofde rangen zijn voor degenen die geloven en alles wat zij doen uitsluitend voor Allāh verrichten.

Degenen wiens īmān gebrekkig is, of die handelen voor andere doelen dan de tevredenheid van Allāh, zullen deze rangen nooit bereiken.

Dit is ook de opvatting van al-Ḥākim at-Tirmiḏī. De āyāt over dit onderwerp zijn duidelijk genoeg.

إِنَّ ٱلۡأَبۡرَارَ يَشۡرَبُونَ مِن كَأۡسٖ كَانَ مِزَاجُهَا كَافُورًا ٥

Waarlijk, de vromen zullen drinken uit een beker waarvan de mengdrank ‘Kafoer’ (kamfer) is. (Insān, 76:5)

“يُسۡقَوۡنَ مِن رَّحِيقٖ مَّخۡتُومٍ ٢٥ Zij zullen zuivere gezegelde wijn te drinken krijgen.

خِتَٰمُهُۥ مِسۡكٞۚ وَفِي ذَٰلِكَ فَلۡيَتَنَافَسِ ٱلۡمُتَنَٰفِسُونَ ٢٦

Waarvan het zegel van muskus is, en laat daarom degenen die willen wedijveren, wedijveren.

وَمِزَاجُهُۥ مِن تَسۡنِيمٍ ٢٧ En zijn mengdrank is van (de bron) Tasnim.

عَيۡنٗا يَشۡرَبُ بِهَا ٱلۡمُقَرَّبُونَ ٢٨ Een bron waarvan de nabij gebrachten drinken. (Mutaffifīn, 83:25-28)

Uit deze āyāt begrijpen wij het volgende:

Er is een verschil tussen “al-abrār” (de goede, rechtschapen mensen) en “al-muqarrabūn” (de uitverkorenen en degenen met een hoge rang)”. De goeden drinken namelijk van water met een aangename geur, terwijl de uitverkorenen drinken van een drank waarvan zowel de smaak als de geur bijzonder en verheven is.

Hieruit volgt dat de graden en rangen van deze twee groepen, evenals de plaatsen waar zij zullen verblijven, van elkaar verschillen. Zelfs in wat zij eten en drinken bestaan er onderlinge verschillen.

De reden voor dit onderscheid ligt in de inspanning die wordt geleverd in het vervullen van de vereisten van het geloof (īmān).

De graden, rangen en de overige genietingen in het Paradijs zullen overeenkomstig zijn met de daden van de mensen.

كـَلَّآ إِنَّ كِتَٰبَ ٱلۡأَبۡرَارِ لَفِي عِلِّيِّينَ ١٨

Nee! Waarlijk, het boek van de deugdzamen wordt in de ‘hoge plaats’ (Illiyyûn) bij Allāh bewaard. (Mutaffifīn, 83:18)

Illiyyûn bevindt zich naast de `Arsh van Allāh en is de hoogste rang. Hun verblijfplaatsen zijn van licht.

فَأَمَّا مَنۡ أُوتِيَ كِتَٰبَهُۥ بِيَمِينِهِۦ فَيَقُولُ هَآؤُمُ ٱقۡرَءُواْ كِتَٰبِيَهۡ ١٩ Dan zal degene die zijn daden-register in zijn rechterhand krijgt, zeggen: “Neem, lees mijn daden-register!

إِنِّي ظَنَنتُ أَنِّي مُلَٰقٍ حِسَابِيَهۡ ٢٠ Zeker, ik was er van overtuigd dat ik mijn afrekening zou ontmoeten!”

فَهُوَ فِي عِيشَةٖ رَّاضِيَةٖ ٢١ Dus zal hij in een weltevreden leven zijn.

فِي جَنَّةٍ عَالِيَةٖ ٢٢ In een hooggelegen Tuin (het Paradijs). Hāqqah, 69: 19-22)

Uitleg:Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “In het Paradijs zijn er paleizen zonder daken en zonder pilaren.”

Degenen die daar waren vroegen: “Hoe zullen de mensen daar binnengaan?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Zij zullen binnengaan zoals vogels.”

Zij vroegen: “Voor wie zijn deze paleizen?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Voor degenen die ziekten hebben doorstaan, die honger hebben geleden en voor wie beproevingen zijn gekomen (en die daar geduldig in waren).” Deze overlevering behoort toe aan Abû al-Qasim Zahir, die bekendstaat als al-Shihāmī.

Uitleg:…

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawm al-Qiyāmah zullen sommige mensen verschijnen. Ze zijn geen anbiya of martelaren. Zelfs anbiya en martelaren zullen jaloers worden op de zegeningen die deze mensen ontvangen en het aanzien dat zij bij Allāh krijgen.”

Toen vroegen de aanwezigen wie deze mensen zijn, zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم):“Dit zijn de mensen die Allāh geliefd maakt bij de mensen, en de mensen bij Allāh. Zij lopen op aarde omwille van Allāh rond en geven advies/vermaning aan de mensen.”

Daarop vroegen zij: “We begrijpen wie Allāh geliefd maakt bij de mensen, maar hoe maken zij de mensen geliefd bij Allāh?”Rasûlullāh ī (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Er zijn sommige mensen die zich inspannen opdat de mensen niet doen wat Allāh verboden heeft, en die hen aanbevelen Allāh's geboden te volbrengen. Wie Allāh's geboden uitvoert en zich onthoudt van wat verboden is, die wordt door Allāh bemind.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 5/343)

5.61 Over de andere paleizen en huizen in het Paradijs en voor wie deze bestemd zijn

Âjurî overlevert van Haşan El-Basrī de volgende overlevering: Toen hij aan Husayn ibn `Imrān (رضي الله عنه) en Abû Hurayrah (رضي الله عنه) vroeg wat de betekenis is van de āyah:

وَعَدَ ٱللَّهُ ٱلۡمُؤۡمِنِينَ وَٱلۡمُؤۡمِنَٰتِ جَنَّٰتٖ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهَا ٱلۡأَنۡهَٰرُ خَٰلِدِينَ فِيهَا وَمَسَٰكِنَ طَيِّبَةٗ فِي جَنَّٰتِ عَدۡنٖۚ وَرِضۡوَٰنٞ مِّنَ ٱللَّهِ أَكۡبَرُۚ ذَٰلِكَ هُوَ ٱلۡفَوۡزُ ٱلۡعَظِيمُ ٧٢

Allāh heeft de gelovige mannen en vrouwen Tuinen beloofd waar rivieren onderdoor stromen, om daarin voor altijd te verblijven. En goede verblijfplaatsen in de Tuinen van Eden (‘Adn). Maar het genoegen van Allāh is beter en machtiger. Een overweldigend succes. (Tawbah, 9:72), antwoordden zij: “Je hebt het aan de juiste persoon gevraagd. Wij hebben hetzelfde aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gevraagd.” Vervolgens reciteerden zij deze ḥadīth: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “In het Paradijs is er een paleis van parels. Binnen dit paleis zijn 70 gebouwen. Elk gebouw is gemaakt van rode robijn. In elk gebouw zijn 70 kamers gemaakt van groene smaragd. In elke kamer zijn 70 tapijten en op elk tapijt liggen 70 bedden in verschillende kleuren. Op elk bed wachten 70 huri’s. Bovendien is in elke kamer een tafel met 70 verschillende gerechten. Ook zijn er in elke kamer 70 mannelijke en vrouwelijke dienaren. Allāhu Ta‘ālā zal iedere mu’min de kracht geven om van al dit voedsel te genieten en omgang te hebben met deze vrouwen.” Âcurî vermeldt deze ḥadīth in zijn werk Nasīhah.

Ibn Wahb overlevert, via Ibn Zayd, van zijn vader, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:

“Er wordt in het Paradijs aan één persoon een paleis gegeven met zeventig kamers. In elke kamer wachten 70 huri’s. In elke kamer zijn 70 deuren. Uit elke deur komen verschillende geuren van het Paradijs naar binnen. Bovendien is er een deur waar een bijzondere geur uitkomt.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) reciteerde hierbij de āyah:

فَلَا تَعۡلَمُ نَفۡسٞ مَّآ أُخۡفِيَ لَهُم مِّن قُرَّةِ أَعۡيُنٖ جَزَآءَۢ بِمَا كَانُواْ يَعۡمَلُونَ ١٧

Niemand weet wat voor hen verborgen blijft voor plezier, als een beloning voor wat zij plachten te doen. (Sajdah, 32:17)

Van Husayn ibn Burayd (رضي الله عنه): Op een ochtend beval Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dat `Umar ibn al-Khattāb (رضي الله عنه) moest komen. Toen hij kwam, zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “O `Umar! Vertel eens, wat heb jij gedaan dat je voor mij het Paradijs verdiende? Bij het binnengaan van het Paradijs hoorde ik vóór mij jouw voetstappen. Toen ik het Paradijs betrad, zag ik een groot, rechthoekig paleis van goud.”

Ik vroeg: “Voor wie is dit?”Men zei: “Voor een Arabier.”Ik zei: “Maar ik ben een Arabier! Voor wie is dit paleis dan?”Men zei: “Voor iemand uit de Quraysh.”Ik zei: “Maar ik ben Qurayshi! Voor wie is dit paleis dan?”Men zei: “Voor een man uit de ummah van Muhammad (صلى الله عليه وسلم).”Ik zei: “Maar ik hoor tot de ummah van Muhammad (صلى الله عليه وسلم). Voor wie is dit paleis dan?”Men antwoordde: “ Voor`Umar ibn al-Khattāb.” (at-Tirmidzi, 3688.)

Daarop zei Bilāl ibn Rabah (رضي الله عنه): “O Rasûlullāh! Voordat ik de adhān oproep, bid ik eerst twee raka‘āt (salāh). Daarna neem ik opnieuw wudū’ en roep dan de adhān op. Maar ik zie iemand die voor mij twee raka‘āt salāh heeft verricht (dat was `Umar (رضي الله عنه).”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei daarop: “Dankzij deze twee raka‘āt (salāh) heeft ` Umar mij ingehaald.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/191, 5/34 ve 360; at-Tirmidzi, 3689) Volgens at-Tirmidzi is deze ḥadīth zowel ḥasan als ṣaḥīḥ.

@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@

Abû’l-Qasim Sulayman ibn Ahmad al-Tabarani, beter bekend als Tabarânî, overlevert een ḥadīth van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه). Taberânî geeft deze ḥadīth echter in verkorte vorm weer: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Toen ik het Paradijs binnenging, zag ik ineens een paleis van goud. Toen ik vroeg voor wie dit was, zeiden zij: “Voor `Umar ibn al-Khattāb.”

Abû Muhammad al-Darimi overlevert in zijn werk Musnad, van `ʿAbdullāh ibn Burayd (رضي الله عنه), … Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:

Voor degene die 10 keer Qul Huwa Allāhu Ahad (surah al-Ikhlāṣ) reciteert, wordt er een paleis in het Paradijs gebouwd.

Voor degene die 20 keer reciteert, worden er twee paleizen gebouwd.

Voor degene die 30 keer reciteert, worden er drie paleizen gebouwd.

`Umar ibn Hattab (رضي الله عنه) vroeg: “Als we nog vaker reciteren, zullen er dan meer paleizen zijn?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Zij zullen nog ruimer en groter zijn dan deze.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 5/437)

Tayâluslu Abû Dāwūd overlevert: …Van Abû Musa al-Ash‘ari (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Toen Allāhu Ta‘ālā de rūḥ van het kind van een dienaar nam, vroeg Hij aan de engelen: “Hoe reageerde Mijn dienaar hierop?” De engelen antwoordden: “Hij prees U en keerde geduldig terug naar zijn huis.” Vervolgens beval Allāhu Ta‘ālā de engelen: “Bouw voor deze dienaar een paleis in het Paradijs en noem het het Paleis van Dankzegging (Hamd).”

5.62 Hoge rustbedden en zitplaatsen

Over de āyah:

وَفُرُشٖ مَّرۡفُوعَةٍ ٣٤ Op verheven rustbedden. (Waqi`ah, 56:34)

Overlevert at-Tirmidzi van Abû Sa‘id al-Khudri (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De hoogte van die rustbedden is gelijk aan de afstand tussen de aarde en de hemel, ongeveer een afstand die 500 jaar lopen beslaat.” (at-Tirmidzi, 2540)

at-Tirmidzi merkt op dat deze ḥadīth gharīb is, omdat de enige overleveraar Sa`īd ibn Rushdîn is.

Volgens de geleerden verwijzen de rustbedden en zetels in de āyah naar rangen en graden. Elke graad is hoger dan de vorige met een afstand gelijk aan die tussen de aarde en de hemel.

Wij zeggen dat sommige geleerden menen dat met deze rustbedden de vrouwen, namelijk de huri’s, worden bedoeld. In het Paradijs zijn dus waardevolle, deugdzame en mooie vrouwen aanwezig. In de Arabische taal worden vrouwen soms ook aangesproken met termen zoals ‘bedekking’ of ‘kleding’. Soms wordt zelfs de term “ooi (vrouwelijk schaap)” gebruikt.

In een ḥadīth staat: “Het kind behoort aan degene van wie het is geboren (of van in wiens bed het geboren is). Voor degene die zich aan overspel schuldig maakt, is er besteniging.”

In de Qur’ān staat: هُنَّ لِبَاسٞ لَّكُمۡ وَأَنتُمۡ لِبَاسٞ لَّهُنَّۗ

…Zij zijn (als) kleding voor jullie en jullie zijn (als) kleding voor hen… (Baqarah, 2:187)

In een ander gerelateerd āyah wordt gezegd:إِنَّ هَٰذَآ أَخِي لَهُۥ تِسۡعٞ وَتِسۡعُونَ نَعۡجَةٗ وَلِيَ نَعۡجَةٞ وَٰحِدَةٞ فَقَالَ أَكۡفِلۡنِيهَا وَعَزَّنِي فِي ٱلۡخِطَابِ ٢٣

Waarlijk, deze broeder van mij heeft negenennegentig ooien, terwijl ik slechts één ooi heb, en hij zegt: “Geef het aan mij, en hij heeft mij in de spraak overweldigd.” (Sa`d, 38:23)

6.63 Over de paviljoenen en avenues in het Paradijs. Waaraan de bewoners van het Paradijs in de wereld worden herkend en welke aanbiddingen hen tot bewoners van het Paradijs maken

Van Abû Musa al-Ash‘ari (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “In het Paradijs bevindt zich een paviljoen van parels, met een breedte van zeventig mijl. In iedere hoek wachten de echtgenotes en familie van de mu’min. Deze vrouwen zijn voor anderen niet zichtbaar. De mu’min zal bij hen verblijven en met hen zijn tijd doorbrengen.”

In een andere overlevering wordt gezegd:

“In het Paradijs is er een paviljoen met een hoogte van 60 mijl. In elke hoek bevindt zich een echtgenote die op de mu’min wacht. Andere mu’mins kunnen hen niet zien.”

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “In het Paradijs is er een avenue waar iedereen samenkomt. Daar waait een wind met de geur van muskus. Deze raakt de gezichten van de mu’mins en trekt in hun kleding. Hierdoor worden zij nog mooier en gaan zij nog aangenamer ruiken. Vervolgens keren zij in deze schoonheid en geur terug naar hun families. Hun families zeggen dan: ‘Bij Allāh! Jullie zijn nog mooier geworden sinds jullie weggingen, en jullie geur is nog aangenamer geworden.” (Muslim, 17/170)

Sa'id ibn al-Musayyab (رضي الله عنه) zag op een dag Abû Hurayrah (رضي الله عنه).

Hij verrichtte du`ā’ voor hem: “Moge Allāh ons samenbrengen in dezelfde straat in het Paradijs.”

Daarop vroeg Sa‘īd: “Zijn er dan straten en markten in het Paradijs?”

Abû Hurayrah antwoordde bevestigend en noemde de bovenstaande ḥadīth. (at-Tirmidzi, 2549.; Ibn Mājah, 4336)

In het vervolg van deze overlevering wordt gezegd: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:

“In het Paradijs is er een avenue gevuld met engelen. Daar bevinden zich schoonheden die geen oog ooit heeft gezien, geen oor ooit heeft gehoord en die nooit in het hart/gedachten van een mens zijn opgekomen. Daar is alles wat men begeert, zonder dat men ervoor hoeft te betalen. Op deze weg ontmoeten mu’mins elkaar en spreken zij met elkaar. Mu’mins van verschillende rangen komen daar samen. Sommigen dragen mooiere kleding dan anderen, maar niemand voelt jaloezie of verdriet.”

Deze ḥadīth, overgeleverd door Abû Ishrin, is zwak.

De overlevering van Ibn Majah is vollediger en authentieker: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer de bewoners van het Paradijs het Paradijs binnengaan, beginnen zij daar rond te wandelen. Iedereen wandelt zich naar gelang zijn daden.

Op een tijd die overeenkomt met de vrijdag in de wereld, krijgen de mu’mins toestemming en worden zij geëerd met het aanschouwen van Allāhu Ta‘ālā’s Aangezicht. Zij zien ook de ‘Arsh. Allāhu Ta‘ālā manifesteert Zich aan hen in een van de tuinen van het Paradijs.

Voor de mu’mins worden zitplaatsen gebracht van licht en parels. Sommigen krijgen zitplaatsen van smaragd of goud. Zelfs de laagste rang heeft een zitplaats die geurt naar muskus en kamfer. Van daaruit aanschouwen zij Allāhu Ta‘ālā.”

Abû Hurayrah (رضي الله عنه) vroeg:“O Rasûlullāh, zullen wij Allāhu Ta‘ālā kunnen zien?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Is het mogelijk dat iemand de zon op een heldere dag of de volle maan in de nacht niet kan zien?”

Zij antwoordden: “Nee.”

Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Op dezelfde manier zullen jullie geëerd worden met het aanschouwen van Allāhu Ta‘ālā’s Aangezicht.”

In die bijeenkomst zal iedereen met Allāhu Ta‘ālā spreken. Allāhu Ta‘ālā zal tegen één van hen zeggen: “O Mijn dienaar, herinner jij je dat je op die en die dag in de wereld dit en dat deed?”. En zal enkele van zijn fouten aanhalen.

De dienaar zal zeggen: “O mijn Rab, had U mij dat niet vergeven?”

Allāhu Ta‘ālā zal zeggen: “Zeker, door Mijn vergevenis heb jij deze rang bereikt.”

Terwijl zij zo in gesprek zijn, zal er een wolk boven hen verschijnen die een heerlijk geurende regen laat neerdalen.Daarna zal Allāhu Ta‘ālā zeggen: “Sta op en ga. Neem wat jullie maar wensen.”

Vervolgens worden de mu’mins naar de markt van het Paradijs gestuurd.

De ḥadīth gaat op deze manier verder en eindigt met: “Daar zal niemand verdrietig zijn over wat een ander heeft, en niemand zal jaloers zijn op de schoonheid van een ander.”

“Vervolgens keren wij terug naar onze huizen. Daar worden wij door onze echtgenotes ontvangen, die zeggen: ‘Welkom terug! Wat zien jullie er mooi uit en wat ruiken jullie heerlijk. Toen jullie het huis verlieten, zagen jullie er niet zo uit.”Wij zullen antwoorden: “Vandaag bevonden wij ons bij onze Rab, Al-Jabbâr (De Overweldigende/De Herstellende).

Toen wij bij Hem waren, werden wij zoals jullie ons nu zien.”

Van `Ali ibn Abi Tālib (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “In het Paradijs is er een markt. Maar daar vindt geen handel plaats. Er zijn daar mannelijke en vrouwelijke verschijningsvormen. Een persoon verschijnt daar in de vorm die hij of zij het mooist vindt.” (at-Tirmidzi, 2550; Imām Ahmed, 1/156) Volgens at-Tirmidzi is deze ḥadīth ḥasan, maar op sommige punten ook gharīb.

… Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “In het Paradijs zijn talloze markten en bazaars. Daar wordt geen handel gedreven. Wanneer de bewoners van het Paradijs hierheen komen, overvalt hen een aangename rust. Zij gaan zitten en mijmeren op zetels van parel. Hun leven op aarde komt in hun gedachten: de aanbiddingen die zij voor Allāh verrichtten, de vasten, de moeilijkheden die zij doorstonden en de zegeningen die zij ontvingen. Vervolgens denken zij aan hun dood en aan andere gebeurtenissen uit hun leven.” Allāh weet het het beste.

5.64 Niemand kan het Paradijs binnengaan zonder certificaat en decreet

Khātib ibn Abû Bakr Ahmed overlevert: … van Salman al-Farsi (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Niemand zal het Paradijs binnengaan zonder een document waarop staat: ‘In de naam van Allāh, de Barmhartige, de Genadevolle. Dit is het certificaat dat gegeven is aan [zo-en-zo]. Breng hem naar het Paradijs, waar bomen zijn die dicht opeengepakt staan en waarvan de bladeren elkaar raken.”

Ahmed ibn Hanbal vermeldt deze ḥadīth ook in zijn Musnad.

Volgens ons verwijst deze ḥadīth naar degenen die het Paradijs binnengaan zonder rekenschap te hoeven afleggen.

5.65 Eerst de armen (fuqarā’) in het Paradijs

Ibn al-Mubarak overlevert: … van Sa‘id ibn al-Musayyab (رضي الله عنه): Er kwam een man naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en vroeg: “O Rasûlullāh! Wie zijn de meest geliefde dienaren van Allāhu Ta‘ālā?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Zij die Allāh vrezen, zich aan Zijn geboden onderwerpen, nederig zijn, respectvol en veelvuldig Allāh gedenken.”

De man vroeg: “Zullen deze als eersten het Paradijs binnengaan?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Nee.”

De man vroeg: “Wie zal dan als eerste het Paradijs binnengaan?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De armen zullen als eerste het Paradijs binnengaan. De aangestelde engelen zullen zeggen: ‘Hebben jullie rekenschap afgelegd? Ga eerst rekenschap afleggen, en kom dan terug.’

De armen zullen antwoorden: ‘Welke rekenschap? Wij hebben geen rijkdom gekregen om te besteden of gierig mee te zijn. We hebben geen positie gehad om te onderdrukken of rechtvaardig te oordelen. Wij ontvingen de geboden van Allāh en leefden naar die richtlijnen en aanbaden Hem, totdat wij stierven.”

De engelen zeggen dan: “Mashallah! Ga dan het Paradijs binnen.”

In een andere overlevering zei de an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Let op de armen. Vrees hun rechten te schenden.Op Yawm al-Qiyāmah zal Allāh vragen: ‘Waar zijn Mijn zuivere dienaren?’ De engelen zullen vragen: ‘Op wie doelt U?’ Allāhu Ta‘ālā zal zeggen: ‘Breng Mijn arme dienaren, die tevreden zijn met hun lot en geduldig zijn, en plaats hen in het Paradijs.’”

De armen beginnen dan te eten en te drinken in het Paradijs, terwijl de rijken nog rekenschap moeten afleggen.

Abû Sa‘id al-Khudri (رضي الله عنه) zegt dat de armen die met de metgezellen van Makkah naar Madīnah emigreerden 500 jaar eerder het Paradijs binnengaan dan de rijken.

Deze ḥadīth werd door Atiyyah al-‘Awfi via zijn zoon Suleiman aan A’mesh overgeleverd. Volgens at-Tirmidzi is deze ḥadīth ḥasan, maar op sommige punten ook gharīb.

Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De armen zullen 500 jaar eerder, dat wil zeggen een halve dag volgens het schema van het Hiernamaals, het Paradijs binnengaan dan de rijken.”

Volgens at-Tirmidzi is deze ḥadīth zowel ṣaḥīḥ als ḥasan.

Een andere overlevering: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De armen zullen een halve dag, oftewel 500 jaar, eerder het Paradijs binnengaan dan de rijken.” (at-Tirmidzi, 2354.; Ibn Mājah, 4122.; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/296, 343 ve 451)

at-Tirmidzi merkt op dat ook deze ḥadīth zowel ṣaḥīḥ als ḥasan is.

De auteur Al-Qurtubi (رَحِمَهُ اللهُ) zegt: Het verschil dat in de aḥadīth voorkomt, wijst erop dat niet alle armen (fuqarā’) dezelfde rang hebben. In de ḥadīth die is overgeleverd door Abû Bakr ibn Abi Shaybah, worden namelijk de eerste drie groepen genoemd die het Paradijs zullen binnengaan. Hier is geen sprake van twijfel of tegenstrijdigheid.

De reden dat er in de aḥadīth verschillende tijdsaanduidingen worden genoemd, ligt in de verschillen in daden. Sommige armen zullen het Paradijs 500 jaar eerder binnengaan, terwijl anderen daarna binnengaan, maar nog steeds 40 jaar vóór de rijken.

Volgens ons zijn de arme muhājirs, degenen die van Makkah naar Madīnah zijn geëmigreerd, die als eersten het Paradijs zullen binnengaan. Zij zullen 500 jaar vóór alle anderen binnengaan. De overige arme mu’mins zullen het Paradijs 40 jaar eerder dan de rijken binnengaan.

Wij zeggen: deze aḥadīth worden aangehaald als bewijs voor de voortreffelijkheid van de armen. Over de reden hiervan bestaan echter verschillende opvattingen, en er zijn zelfs vele werken over geschreven.

Aan Abû Ali al-Daqqaq werd gevraagd: “Wat is beter: armoede of rijkdom?”

Hij antwoordde: “Rijkdom is voortreffelijker, want rijkdom is een eigenschap van Allāh, terwijl armoede een eigenschap van de dienaren is. De eigenschappen van Allāh zijn verheven boven die van de dienaren.”

In de Qur’ān staat:

هَٰٓأَنتُمۡ هَٰٓؤُلَآءِ تُدۡعَوۡنَ لِتُنفِقُواْ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ فَمِنكُم مَّن يَبۡخَلُۖ وَمَن يَبۡخَلۡ فَإِنَّمَا يَبۡخَلُ عَن نَّفۡسِهِۦۚ وَٱللَّهُ ٱلۡغَنِيُّ وَأَنتُمُ ٱلۡفُقَرَآءُۚ وَإِن تَتَوَلَّوۡاْ يَسۡتَبۡدِلۡ قَوۡمًا غَيۡرَكُمۡ ثُمَّ لَا يَكُونُوٓاْ أَمۡثَٰلَكُم ٣٨

Zie! Jullie behoren tot degenen die opgeroepen zijn om voor de zaak van Allāh uit te geven. En onder jullie zijn er die gierig zijn. En wie gierig is: voorwaar, dat is slechts ten koste van zichzelf. Maar Allāh is Behoefteloos terwijl jullie de behoeftigen zijn. En als jullie je afkeren, zal Hij jullie door een ander volk vervangen, waarna zij niet als jullie zijn. (Muhammad, 47:38)

Hieruit volgt dat een mens, zelfs als hij bezit heeft, in werkelijkheid arm is. Dat iemand ‘rijk’ wordt genoemd, is slechts in figuurlijke zin: hij is onafhankelijk van anderen en kan uitgeven aan degenen die onder zijn zorg vallen.

Maar wanneer een rijke gehecht raakt aan zijn bezit, wordt hij geen dienaar van Allāh, maar de dienaar van zijn bezit: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Moge degene die een slaaf wordt van de dīnār (goud) vervloekt zijn.” (Ibn Mājah, 4135.; al-Bukhārī, 11/253)

Een rijke die gehecht is aan bezit, is in werkelijkheid arm. Degene die bezit heeft zonder eraan gehecht te zijn, valt hier niet onder. Dit soort bezit is slechts een middel voor het leven in deze wereld. Wie zijn verlangens beheerst, geen hebzucht heeft naar bezit, tevreden is met wat hij heeft en niet meer verlangt, is werkelijk rijk.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Rijkdom is niet dat men veel bezit heeft. Ware rijkdom is de rijkdom van de ziel, namelijk innerlijke voldoening van het hart en tevredenheid.” (Ibn Mājah, 4137.; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/2 ve 261.; Muslim, 7/140)

Volgens ons is er (naast het hebzuchtig zijn en het niets waarderen) nog een derde toestand, die werkelijk de hoogste en meest gewenste rang vertegenwoordigt. Dit is de rang van “niet meer dan het nodige vragen”. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichte de du`ā’: “O mijn Rab! Schenk de familie van Muhammed ruime voorziening.” (at-Tirmidzi, 2165; Ibn Mâjah, 2363; Imām Ahmed, 1/26)

In sommige overleveringen wordt het geformuleerd als: “Geef een voldoende mate van voorziening.” (Muslim, 7/145 ve 146)

Inderdaad, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) streefde ernaar in de wereld een goede levensomstandigheid te hebben en bad ook om beschermd te worden tegen armoede, tegenspoed en hulpeloosheid. Daarom is het voor een mu’min niet wenselijk om rijkdom af te wijzen of afhankelijk te zijn van anderen.

Van Anas ibn Malik (رضي الله عنه) vertelt dat hij van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gehoord: “Op Yawm al-Qiyāmah zal elke persoon, arm of rijk, wensen: ‘Had ik in de wereld maar voldoende voorziening gekregen!”( Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/117)

Hiermee wordt een middenweg bedoeld tussen rijkdom en armoede. In een ḥadīth wordt gezegd: “Het beste in alles is de gulden middenweg.” Voor een rijke mu’min betekent voldoende voorziening dat hij genoeg bezit zonder overdaad; voor een arme mu’min betekent dit het ontvangen van iets dat beter is dan volledige afhankelijkheid.

Daarom zijn de mu’mins die 500 jaar vóór de rijken het Paradijs binnengaan, niet de armen en behoeftigen, maar degenen die voldoende bezitten voor hun behoeften en geen hebzucht naar meer wensen.

De Qur’aan staat:

وَكَذَٰلِكَ جَعَلۡنَٰكُمۡ أُمَّةٗ وَسَطٗا لِّتَكُونُواْ شُهَدَآءَ عَلَى ٱلنَّاسِ وَيَكُونَ ٱلرَّسُولُ عَلَيۡكُمۡ شَهِيدٗاۗ ١٤٣

Dus hebben Wij van jullie een rechtvaardig volk gemaakt (de oemmah van Mohammed), opdat jullie getuigen zullen zijn voor de mensheid en opdat de Boodschapper een getuige zal zijn voor jullie… (Baqarah, 2: 143)

Deze gematigdheid is dus het mooiste, en het is één van de eigenschappen die de ummah van Muhammed (صلى الله عليه وسلم) beter (khayr) maakt.

Uitleg`ʿAbdullāh ibn Umar (رضي الله عنهما): Tijdens een preek (khutbah) in Jababiyah zei [mijn vader] `Umar: “O mensen! Ik ben nu in de positie van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en vertel jullie wat ik van hem heb gehoord. Hij heeft ons het volgende geadviseerd: Volg mijn metgezellen. Dit is mijn testament voor jullie. Volg daarna hun nakomelingen als voorbeeld. Daarna zal leugen zich verspreiden. Onder hen zijn mensen die zweren, maar hun eed is niet geldig; mensen die getuigen, maar hun getuigenis wordt niet geaccepteerd.

Wanneer een man en een vrouw alleen zijn, is de derde aanwezige een shaytān (dat wil zeggen, zij volgen de shaytān).Onttrekt niet van de gemeenschap. Valt niet in verdeeldheid. Wie alleen/geisoleerd is, zijn vriend is de shaytān. Alleen als twee mensen (samenkomen voor Allāh), kan de shaytān niet tussen hen komen.

Wie het Paradijs wil binnengaan, onttrekt zich niet aan de gemeenschap.

Een mu’min is iemand die tevreden is over zijn goede daden en verontrust over zijn slechte daden.” (at-Tirmidzi, 2165.; Ibn Mājah, 2363.; Aḥmad ibn Ḥanbal, 1/26)

at-Tirmidzi vermeldt dat deze ḥadīth zowel ḥasan als ṣaḥīḥ overleveringen heeft en ook als gharīb overgeleverd is.

5.66 Eigenschappen van de bewoners van het Paradijs, hun graden en de kleding die zij zullen dragen. Hoe lang zullen de bewoners van het Paradijs zijn en welke leeftijd zullen zij hebben? Welke taal zullen de bewoners van het Paradijs spreken? In het Paradijs zal niemand ongehuwd blijven. Over met wie de bewoners van het Paradijs zullen trouwen

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De eersten van mijn ummah die het Paradijs zullen binnengaan, zullen stralen als de maan in de nacht van de volle maan. Degenen die daarna binnengaan, zullen zijn als de andere sterren en planeten aan de hemel.” (al-Bukhārī, 6/362.; Muslim, 17/171 ve 172.; at-Tirmidzi, 2535.; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/230)

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ieder van hen heeft een verschillende rang. Daar zullen de mensen niet naar het toilet gaan. Zij zullen niet zweten. Zij zullen geen slechte geur hebben. Hun kammen zijn van goud.”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Hun kammen zijn van zilver. Zij worden gewassen met musk. Zij worden gedroogd met parels. En zij worden uitgehuwelijkt aan de ḥūrī’s (de metgezellen van het Paradijs die door Allāh speciaal zijn geschapen voor de bewoners)” Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Aan ieder van hen worden twee echtgenotes gegeven. Al hun schoonheid is zichtbaar. Daar zullen de mensen nooit met hun echtgenoten discussiëren of ruzie maken. Zij houden van elkaar en zijn aan elkaar gehecht. Allen gedenken zij Allāh.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De bewoners van het Paradijs zullen allen één karakter en één moraal hebben, namelijk zoals die van hun vader Ādam (عليه السلام).” En er wordt gezegd: “Daar zal iedereen een lengte hebben zoals die van hun vader Ādam (عليه السلام), namelijk zestig armlengte.” Abū Kurayb vermeldt ook dat de bewoners van het Paradijs allen hetzelfde karakter zullen hebben.

Toen aan Abū Hurayrah (رضي الله عنه) werd gevraagd: “Zullen er in het Paradijs meer mannen zijn of meer vrouwen?”, antwoordde hij: “Voor elke man zullen er twee vrouwen zijn.”

Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De schoonheid van de vrouwen in het Paradijs zal zelfs door zeventig lagen kleding zichtbaar zijn. Zelfs wanneer men naar hun kleding kijkt, zal de schoonheid van hun lichaam zichtbaar zijn. Het bewijs hiervoor is de āyah: ‘

كَأَنَّهُنَّ ٱلۡيَاقُوتُ وَٱلۡمَرۡجَانُ ٥٨

Als waren zij (de vrouwen van het Paradijs ) van robijn en koraal. (ar-Raḥmān,55:58)

Robijn is een steen waarvan iemand (in de duisternis van de nacht) door zijn glans de weg kan vinden.” (at-Tirmiḏī, 2533)

Imām al-Bukhārī heeft, door de overleveringsketen over te slaan en direct Abū Hurayrah (رضي الله عنه) als bron te nemen, de volgende ḥadīth overgeleverd: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als slechts één van de vrouwen van het Paradijs aan de wereld zou verschijnen, zou de hemel van de wereld gevuld worden met haar licht en haar geur. Zelfs een haar op haar hoofd is waardevoller en mooier dan de hele wereld.” (al-Bukhārī, 11/418)

…Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De bewoners van het Paradijs zullen jong, krachtig en sterk zijn. Niemand zal een baard of snor hebben. Daar zal niemand verouderen. Niemand zijn kleding zal verslijten of vuil worden.” (at-Tirmidzi, 2539) at-Tirmiḏī heeft vermeld dat deze ḥadīth als gharīb wordt beschouwd.

…Van Muʿādh ibn Jabal (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Iedereen in het Paradijs zal jong, sterk en moedig zijn. Niemand zal een baard of snor hebben. De leeftijd van de bewoners zal 30 of 33 jaar zijn.” (at-Tirmidzi, 2545.; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/343 ve 415) at-Tirmiḏī heeft ook deze ḥadīth als gharīb bestempeld.

Dezelfde ḥadīth is ook door Qatādah overgeleverd zonder vermelding van de volledige overleveringsketen.

Al-Muyānishī overlevert: Van ʿAbdullāh ibn Jābir (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Niemand in het Paradijs zal een baard of snor hebben, behalve Mūsā ibn ʿImrān (عليه السلام).

Zijn baard zal tot aan zijn borst reiken.”

Van Saʿd ibn Abī Waqqāṣ (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als je slechts iets ter grootte van een vingernagel van de genietingen en schoonheid van het Paradijs naar de wereld zou brengen, zou zijn schoonheid de hele hemel vullen. Als je één van de bewoners van het Paradijs naar de wereld zou brengen, zouden de mensen door de glans van zijn licht de zon niet meer kunnen zien, zoals de sterren verdwijnen door het licht van de zon.” (at-Tirmidzi, 2539)

Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه), an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Iedereen die het Paradijs verdient en sterft, zal op Yawm al-Qiyāmah worden opgewekt als een dertigjarige, niet jonger en niet ouder. Ook de bewoners van het Hellevuur zullen in dezelfde leeftijd zijn.” (at-Tirmidzi, 1562) Volgens at-Tirmiḏī is deze ḥadīth gharīb, omdat de enige overleveraar Rushdīn is.

In de ḥadīth die door Abū Hurayrah (رضي الله عنه) is overgeleverd, wordt vermeld dat er in het Paradijs voor iedere man twee echtgenotes zullen zijn; terwijl in de ḥadīth die door ʿImrān ibn Ḥuṣayn (رضي الله عنه) is overgeleverd, wordt aangegeven dat het aantal vrouwen in het Paradijs minder zal zijn dan het aantal mannen.

Volgens onze geleerden is hier geen tegenspraak. Het aantal vrouwen uit deze wereld dat het Paradijs zal binnengaan, zal minder zijn dan het aantal mannen. (Maar in het Paradijs zullen er ook ḥūrī’s zijn. In dat geval zal het totale aantal vrouwen, samen met de ḥūrī’s , groter zijn dan het aantal mannen.)

Volgens ons kan hier nog een andere betekenis zijn: dat veel vrouwen in de eerste instantie naar het Hellevuur zullen gaan; maar daarna, door voorspraak (shafāʿah), sommigen van hen uit het Hellevuur zullen worden gehaald en het Paradijs zullen binnengaan.

Want wie “Lā ilāha illa Allāh” zegt, zal niet eeuwig in het Hellevuur blijven. In dat geval zullen vrouwen aanvankelijk vanwege hun zonden naar het Hellevuur gaan.

Daardoor zal in het begin het aantal mannen in het Paradijs groter zijn. Maar later, door voorspraak of doordat vrouwen hun straf hebben ondergaan en vervolgens het Paradijs binnengaan, zal het aantal vrouwen in het Paradijs toenemen.

Wat betreft de ḥūrī’s : hun aantal zal zeer groot zijn. Dit is onze opvatting. Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه), an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “De persoon met de laagste rang in het Paradijs zal 80.000 dienaren en 72 ḥūrī’s hebben.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/76; at-Tirmiḏī, 1562) Volgens at-Tirmiḏī is deze ḥadīth gharīb.

Er zijn echter ook andere ahādīth met dezelfde betekenis die deze overlevering ondersteunen. Bijvoorbeeld de ḥadīth die door Abū Umāmah (رضي الله عنه) is overgeleverd. Ook ad-Dārimī heeft hierover een ḥadīth overgeleverd.

Wat betreft het feit dat de kammen in het Paradijs van goud of zilver zullen zijn: hiermee wordt eigenlijk bedoeld dat de mensen in het Paradijs geen behoefte zullen hebben om hun haar te kammen. Want daar zal de mens niet vuil worden en zullen zijn kledingstukken niet verslijten. In dat geval is er ook geen behoefte aan reiniging of het gebruik van geurstoffen.

5.67 De bedekking in het Paradijs is niet uit noodzaak, maar ter versiering.

Het eten en drinken in het Paradijs is ook niet vanwege honger of dorst, maar voor genot en plezier. Want in de āyah wordt dit als volgt beschreven:

إِنَّ لَكَ أَلَّا تَجُوعَ فِيهَا وَلَا تَعۡرَىٰ ١١٨

Waarlijk, daarin is voor jou geen honger en jij bent er niet naakt.

وَأَنَّكَ لَا تَظۡمَؤُاْ فِيهَا وَلَا تَضۡحَىٰ ١١٩

Jij hebt er zeker geen dorst en jij wordt er niet blootgesteld aan hitte. (Tāhā, 20:118-119)

En in het Paradijs is er nog veel meer dan dit. Wij geloven er slechts in; wij kunnen niet volledig weten wat er is. Dit alles is een gunst en eerbetoon/waardering voor de mu’mins. Maar om het voor ons begrijpelijk te maken, wordt er gesproken in termen van zegeningen die wij kennen.

Voor het Hellevuur geldt hetzelfde. In de āyāt wordt gezegd:إِذِ ٱلۡأَغۡلَٰلُ فِيٓ أَعۡنَٰقِهِمۡ وَٱلسَّلَٰسِلُ يُسۡحَبُونَ ٧١

Wanneer de ijzeren kettingen en ketenen om hun nekken hangen worden zij gesleept.

فِي ٱلۡحَمِيمِ ثُمَّ فِي ٱلنَّارِ يُسۡجَرُونَ ٧٢

In het kokende water, vervolgens zullen zij in het Hellevuur verbrand worden. (Ghafir/Mu’min, 40:71-72)

Hier worden voorbeelden gegeven van bestraffingen die wij in deze wereld kennen.

Volgens ash-Shaʿbī zijn dit voorbeelden bedoeld om de mensen angst aan te jagen en en hen de bestraffing kunnen te laten begrijpen. In werkelijkheid zijn er nog veel meer en andere vormen van bestraffing.

Ibn al-Mubārak heeft, via zijn leraren Saʿīd ibn Abī Ayyūb en ʿUqayl, die het weer van Ibn Shihāb az-Zuhrī hebben overgeleverd, het volgende bericht doorgegeven:

Wanneer de mensen uit hun graven zullen opstaan, zullen zij de Syrische taal (Suryānī) spreken.

In het Paradijs zal men Arabisch spreken. Eerder hebben wij hierover al een overlevering vermeld.

Volgens Sufyān ath-Thawrī zullen de mensen op Yawm al-Qiyāmah Suryānī spreken, totdat zij het Paradijs binnengaan. Zodra zij het Paradijs binnengaan, zullen zij Arabisch spreken.

5.68 Over de ḥūrī’s en de vrouwen uit de wereld die het Paradijs binnengaan: kennismaking en gesprekken. Over de schoonheid van de ḥūrī’s en de mu’min vrouwen die het Paradijs binnengaan

Volgens wat ons is geleerd, zullen alle vrouwen die vanuit deze wereld het Paradijs binnengaan, dezelfde leeftijd hebben. De ḥūrī’s die als zegeningen in het Paradijs gegeven zullen worden, zullen echter verschillend van kleur en vorm zijn.

Van ʿAlī (رضي الله عنه), an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “In het Paradijs zijn veel ḥūrī’s . Hun stemmen zijn krachtig en mooi. Niemand heeft ooit zo’n stem gehoord of ernaar geluisterd. De ḥūrī’s in het Paradijs zeggen: ‘Wij zijn onsterfelijk. Wij verouderen niet. Wij zijn het mooiste geschenk en maken niemand verdrietig, wij zorgen dat men altijd gelukkig is. Wij fronsen nooit, wij glimlachen altijd. Felicitaties voor degenen die bij ons zijn.” (at-Tirmiḏī, 2564) Dezelfde aḥadīth zijn door Abū Hurayrah en Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنهما) overgeleverd. Volgens at-Tirmiḏī is deze ḥadīth gharīb.

Van A’īshah (رضي الله عنها) an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer de ḥūrī’s zich op deze manier provocerend spreken, antwoorden de mu’min vrouwen uit de wereld die het Paradijs binnengaan: ‘Wij verrichtten ṣalāh, maar jullie hebben nooit ṣalāh verricht. Wij hebben gevast, hebben jullie ooit gevast? Wij waren gezuiverd (wudû’), hebben jullie wudû’ verricht? Wij gaven sadaqah toen wij in de wereld waren, maar jullie hebben nooit sadaqah gegeven.’ Zo zwijgen de ḥūrī’s uiteindelijk.”Het beste en het juiste daarvan weet Allāhu Ta`ālā.

Ibn Wahb overlevert van Kaʿb ibn Muḥammad al-Qarzī: “Ik zweer bij Allāh, Die geen andere godheid naast Zich heeft, dat zelfs één van de ḥūrī’s van het Paradijs, als zij in de wereld zou verschijnen, het licht van de zon en de maan zou overschaduwen en alle ogen zou verblinden. Zelfs haar kleding is waardevoller en mooier dan de hele wereld.”

Abū Hurayrah (رضي الله عنه) zegt: “In het Paradijs zijn ḥūrī’s genaamd ‘Oogappel’. Wanneer er één van hen gaat lopen, volgen er 70.000 vriendinnen naast haar. Aan haar rechteren linkerzijde zijn dienaren aanwezig. Dit geldt voor degenen die de goedheid verspreiden en het kwaad bestrijden.”

Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) zegt: “In het Paradijs zijn ook ḥūrī’s genaamd ‘Vaandeldragers’. Als één van hen haar hand in de zee steekt, wordt al het water zoet.

Op hun nekken staat geschreven: ‘Laat wie wil werken voor het welbehagen van Allāh, zich inspannen en ijver tonen.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beschrijft de ḥūrī’s naar aanleiding van wat hij zag tijdens de Israʾ-nacht: “Zij stralen als de maan. Hun glans is zichtbaar over 1030 armlengte. Op hun hoofden zijn honderd vlechten. In elke vlecht zijn 70.000 haren en speldjes. Elk van hen straalt opnieuw als de maan en edelstenen. Op hun voorhoofd zijn twee inscripties van parel en edelsteen. Op de eerste regel staat: ‘Bismillāhir Raḥmānir Raḥīm’. Op de tweede regel staat: ‘Laat wie wil, zich overgeven aan Allāh en werken voor Zijn welbehagen.’

Jibrīl ( عليه السلام) zei tegen mij: ‘Er zijn er nog meer. Breng goed nieuws aan je ummah. Zeg tegen je ummah dat zij hard moeten werken.”

Abū Qāsim al-Ḥātalī overlevert: …‘Atā as-Sulamī vroeg aan Mālik ibn Dīnār: “Zou u mij mooie blijde boodschappen kunnen geven?” Hij antwoordde: “In het Paradijs zijn zulke prachtige ḥūrī’s dat iedereen in het Paradijs over hun schoonheid spreekt. Als de dood in het Paradijs niet zou zijn opgeheven, zouden degenen die hun schoonheid zien, ter plekke doodvallen.”

`Atā bleef precies 40 dagen onder de indruk van Māliks woorden.

Ibn al-Mubārak: …van Ibn Masʿūd (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer je naar de ḥūrī’s in het Paradijs kijkt, zie je hun binnenste. Ze zijn zo mooi en glad dat, zelfs als ze 70 lagen kleding dragen, hun schoonheid nog zichtbaar is. Zoals rode wijn zichtbaar blijft in een wit glazen beker, zo blijft de schoonheid van deze ḥūrī’s , en hun vlees onder hun huid, zichtbaar door de lagen kleding heen.”

Ibn al-Mubārak vermeldt ook via Rūshdīn en Ibn Anʿām, die beiden hadden gehoord van Hibbān ibn Abū Jabal: “Wanneer de mu’min vrouwen uit deze wereld het Paradijs binnengaan, zullen zij veel mooier en waardevoller zijn dan deze ḥūrī’s .

Iedere mu’min vrouw zal mooi zijn naar de waarde van haar daden.”

Ibn al-Mubārak vermeldt vervolgens, zonder de tussenliggende overleveringsketen:

“De mu’min vrouwen zullen in het Paradijs 70.000 keer mooier en waardevoller zijn dan de ḥūrī’s .”

5.69 De bruidsschat van de ḥūrī’s zijn goede daden

In de ayāh zegt Allāhu Ta‘ālā:

وَبَشِّرِ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَعَمِلُواْ ٱلصَّٰلِحَٰتِ أَنَّ لَهُمۡ جَنَّٰتٖ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهَا ٱلۡأَنۡهَٰرُۖ كُلَّمَا رُزِقُواْ مِنۡهَا مِن ثَمَرَةٖ رِّزۡقٗا قَالُواْ هَٰذَا ٱلَّذِي رُزِقۡنَا مِن قَبۡلُۖ وَأُتُواْ بِهِۦ مُتَشَٰبِهٗاۖ وَلَهُمۡ فِيهَآ أَزۡوَٰجٞ مُّطَهَّرَةٞۖ وَهُمۡ فِيهَا خَٰلِدُونَ ٢٥

En breng degenen die geloven en goede daden verrichten (en hierin standvastig blijven) blijde tijding , dat er voor hen tuinen zullen zijn waar rivieren onderdoor stromen. Elke keer als zij daarvan fruit ontvangen zullen zij zeggen: “Zie hier hetgeen ons reeds voorheen werd gegeven” en het soortgelijke zal hun gegeven worden en zij zullen daar reine echtgenoten hebben en zij zullen daar voor altijd verblijven. (Baqarah, 2:25)

Hakim at-Tirmidhi vermeldt in zijn boek ‘Nawâdiru’l-`Usûl’ de volgende ḥadīth: Van Abū Mas‘ūd (رضي الله عنه) van de stam Ġhifār, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:

“Voor één dag vasten in (de maand) Ramaḍān is er een ḥūrī die wacht in een paviljoen versierd met parels. Haar aankondiging staat in de āyah:

حُورٞ مَّقۡصُورَٰتٞ فِي ٱلۡخِيَامِ ٧٢ Schonen (ḥūrī’s) in paviljoenen gehuisvest. (ar-Raḥmān, 55:72)

Elke ḥūrī heeft zeventig verschillende soorten en kleuren kleding. Zij heeft zeventig soorten geuren. Elke ḥūrī beschikt over zeventig tapijten van parels en robijnen. Op elk tapijt staan zeventig bedden en zetels. Aan iedere vrouw zijn 70.000 mannelijke en 70.000 vrouwelijke dienaren toegewezen. Iedere dienaar draagt een schaal/kruik met verschillende soorten eten en drinken. Geen enkele schaal/kruik heeft dezelfde smaak als een andere.

Voor degenen die met deze ḥūrī’s zullen huwen, zijn er eveneens rode bedden versierd met robijnen. Deze gunsten zijn slechts voorbereid voor één dag vasten; voor andere goede daden zijn er nog andere gunsten.”

Abû Isa at-Tirmidhi overlevert van Mikdām ibn Ma‘d (رضي الله عنه) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Bij Allāh, er zijn voor de shahīd zes gunsten, waaronder dat hij zal huwen met 72 ḥūrī’s .”

Wij hadden deze ḥadīth eerder genoemd bij het bespreken van hoe men wordt gered van de beproevingen van het graf. Volgens ons ondersteunen deze aḥādīth elkaar. Daaruit blijkt dat voor iedere man die het Paradijs binnengaat, naast de ḥūrī’s , twee mu’min-vrouwen uit de wereld zijn die ook het Paradijs zijn binnengetreden. Ook de ḥadīth van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) wijst in deze richting.

Yahya ibn Muadh al-Razi zei: “Het kan moeilijk zijn om de wereld te verlaten, maar het verliezen van het Hiernamaals (ākhirah) is nog pijnlijker en ernstiger. Het verlaten van de wereld is de bruidsschat van het Hiernamaals; het Hiernamaals wordt verkregen door de wereld te verlaten.”

Er is ook gezegd dat de bruidsschat van de ḥūrī’s het zorgen voor de moskeeën (masājid) is. al-Tha'labi overlevert van Anas (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het onderhouden en schoonmaken van de moskeeën is de bruidsschat van de ḥūrī’s .”

Van Abū Ghursāfah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het verwijderen van een stukje vuil uit de moskee is de bruidsschat van de ḥūrī’s .”

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De bruidsschat van de ḥūrī’s in het Paradijs is het uitdelen van dadels en het delen van zijn brood.”

Al-Tha‘labī overlevert van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:“Jullie geven zoveel bezit uit om te trouwen met de dochter van die en die man, maar jullie slaan het trouwen met een ḥūrī af voor een kleine hap, een dadel of een gering geschek.”

Muhammad ibn Numan al-Maqarrī vertelt: “Ik zat met Jalā al-Maqarrī in Makkah in al-Masjid al-Ḥarām, toen er een lange oudere man met een mooie verschijning naar ons toe kwam.Jalā stond op en voerde een langdurig gesprek met hem.Daarna kwam hij terug en zei: ‘Weten jullie wie deze oude man is?’ Wij zeiden nee.

Hij zei: ‘Deze man had Allāh gevraagd om ḥūrī’s in ruil voor 4000 ṭawāf (ommegangen rond de Ka`bah). Hij heeft ze voltooid. Daarna zag hij in een droom iemand in prachtige kleding.

Toen hij vroeg wie zij was, zei zij: “Ik ben de ḥūrī die jij van Allāh hebt gevraagd; ik ben jou gegeven in ruil voor 4000 ṭawāf. Maar wat geef je voor mijn kleding?” Hij beloofde nog eens 1000 ṭawāf. Nu is hij daarmee bezig.”

Sahnûn vertelt: “In Egypte was er een man genaamd Sa‘īd. Hij had een vrome moeder die veel ‘ibādah verrichtte. Zij stonden ’s nachts op voor de ṣalāh. Wanneer Sa‘īd slaperig werd, maakte zijn moeder hem wakker en zei: ‘Wie bang is voor het Hellevuur slaapt niet; en wie wil trouwen met de ḥūrī’s slaapt niet.’”

Sābit vertelt: “Mijn vader was iemand die op weg van Allāh was, verrichtte veel ṣalāh. Op een dag zag hij in een droom een vrouw die op geen enkele vrouw van de wereld leek.

Hij vroeg: ‘Wie ben jij?’

Zij zei: ‘Ik ben een ḥūrī, een dienares van Allāh.’

Mijn vader zei: ‘Wil je met mij trouwen?’

Zij zei: ‘Vraag mij (aan Allāh) en betaal mijn bruidsschat.’

Toen hij vroeg wat haar bruidsschat was, zei zij: ‘Veel nachtelijke ṣalāh verrichten.’

Mudar al-Qarī vertelt: “Op een nacht werd ik erg slaperig en viel in slaap. Ik kon mijn ḥizb (vijf bladzijde) uit de Qur’ān niet afmaken. In mijn droom zag ik een mooie dienares met een document in haar hand.

Zij vroeg: ‘Kun je lezen en schrijven?’

Ik zei: ‘Ja.’

Zij gaf het papier en zei: ‘Lees.’

Toen ik het las, verdween mijn slaap.”

Ook Mālik ibn Dinar heeft een soortgelijk voorval verteld.

5.70 Waarom zijn de ḥūrī’s geschapen?

Abû `Isa at-Tirmidhi overlevert: Toen aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd gevraagd waarvan de ḥūrī’s zijn geschapen, antwoordde hij:“ De ḥūrī’s zijn uit drie dingen geschapen: de minst waardevolle onder hen is geschapen uit musk, de mooiere uit amber, en de mooiste en meest waardevolle uit kamfer. Hun haren en wimpers zijn geschapen uit licht.”

In een andere overlevering van at-Tirmiḏī: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik vroeg Jibrīl (عليه السلام) waarvan Allāhu Ta‘ālā de ḥūrī’s heeft geschapen. Hij zei tegen mij: ‘O Muḥammad! Allāh heeft de ḥūrī’s geschapen uit een mengsel van amber en saffraan, en Hij laat hen in een cocon verblijven. Wanneer zij voor het eerst worden geschapen, zijn zij als een wit ei van musk. Daarna wordt hun een lichaam geschonken.”

Ibn Abbas (رضي الله عنهما) vertelt: ““Allāhu Ta‘ālā, Jalla wa Jalālahu, heeft hun voeten tot aan de kuiten uit saffraan geschapen, van de kuiten tot de borst uit musk, van de borst tot het hoofd uit amber en hun hoofd van kamfer. Ze dragen 70.000 verschillende soorten bedekkingen. Wanneer zij lopen, verlichten zij hun omgeving zoals de zon de aarde verlicht. Door de fijnheid van hun huid en kleding zijn zelfs hun ingewanden zichtbaar tijdens het lopen. In hun haar zijn 70.000 vlechten van musk gevlochten, en elke vlecht wordt vastgehouden en gedragen door een vrouwelijke dienares. Hun dienaressen verklaren: ‘Dit is een geschenk van Allāh voor wat Zijn geliefde (dienaren) hebben verricht.”

5.71Als een vrouw als maagd trouwt, zal zij in het Hiernamaals haar echtgenoot zijn

Ibn Wahb en Imām Malik overleveren: Asmā, de dochter van Abû Bakr (رضي الله عنها), was getrouwd met Zubayr ibn al-‘Awwām (رضي الله عنه). Soms was zij ongehoorzaam tegen haar man, en hij berispte haar. Op een dag sloeg Zubayr Asmā en zijn co-vrouw. Zijn co-vrouw was iets fatsoenlijker; Asmā was wat opvliegender. Daarom had Zubayr Asmā harder geslagen.

Asmā (رضي الله عنها) ging daarop naar haar vader Abû Bakr (رضي الله عنه) om over haar man te klagen. Hij adviseerde haar: “O mijn dochter. Wees geduldig. Je man is een goed mens. Hij is een inwoner van het Paradijs. Misschien zul jij dankzij hem ook het Paradijs binnengaan en in het Paradijs zijn echtgenote worden.”

Volgens de overleveringen, die ons hebben bereikt, zal een vrouw die als maagd trouwt, in het Paradijs ook de echtgenote van haar man zijn.

Abû Bakr ibn al-Arabi schrijft in zijn werk Ahkāmu’l-Qur’ān: “Dit is een gharīb ḥadīth.”

Sommigen zeggen dat wanneer een vrouw meerdere keren getrouwd is geweest, zij in het Paradijs met de echtgenoot zal zijn met wie zij het laatst getrouwd was.

Hudhayfah (رضي الله عنه) heeft zijn vrouw het volgende nagelaten: “Ik wil in het Paradijs bij jou zijn; trouw daarom niet met een ander als ik sterf.”

Mu‘āwiyah ibn Abī Sufyān (رضي الله عنه) wilde met Umm ad-Dardā (رضي الله عنها) trouwen. Umm ad-Dardā weigerde en citeerde een ḥadīth dat zij van haar man Abû ad-Dardā (رضي الله عنه) had gehoord: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een vrouw zal in het Paradijs met degene zijn met wie zij als laatste getrouwd was.” Zij voegde eraan toe: “Mijn man zei: ‘Ik wil in het Paradijs bij jou zijn, trouw daarom niet met een ander.”

Abû Bakr an-Najād overlevert van Anas (رضي الله عنه): Umm Ḥabībah (رضي الله عنها) vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Als een vrouw twee keer getrouwd is geweest, met wie zal zij dan in het Paradijs zijn?” Hij antwoordde: “Met degene van de twee die het beste karakter heeft. Goed karakter is in deze wereld en in het Hiernamaals het meest waardevol.”

Dus als een vrouw meerdere keren getrouwd is geweest, zal zij in het Paradijs met de echtgenoot zijn die het meest vroom en het beste van karakter was.

5.72 In het Paradijs is er echt eten, drinken en huwen; er is geen honger, slaap of toiletbezoek

Van Jābir ibn ‘Abdullāh (رضي الله عنه), ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “De bewoners van het Paradijs eten en drinken, maar zweten niet. Zij gaan niet naar het toilet, worden niet vuil en stinken niet.” (Muslim, 17/173)

Toen zij vroegen: “Als er geen honger en geen toiletbezoek is, waarom eten zij dan?” antwoordde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Zij eten en drinken voor genot en plezier. Daarna prijzen zij Allāh en roepen tasbīh (subhanallah) en takbīr (Allāhu Akbar) op.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/364)

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een mu’min-man krijgt in het Paradijs zoveel kracht voor intimiteit.Toen hen werd gevraagd of hij daar de kracht voor zou hebben, zei hij: “Hij zal de kracht van honderd mannen krijgen. ” (at-Tirmiḏī, 2536)

Zayd ibn Arqam (رضي الله عنه) overlevert volgens at-Tirmiḏī dezelfde ḥadīth, dat zowel ḥasan als ṣaḥīḥ is.

Dārimī overlevert in zijn Musnad, ook van Zayd ibn Arqam (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “In het Paradijs krijgt een mu’min-man de kracht van honderd mannen voor eten, drinken en intimiteit.”

Een jood vroeg: “Hoe kan iemand die zo veel eet en drinkt niet naar het toilet gaan?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Er komt een zweet uit zijn lichaam, en zijn maag wordt weer leeg.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 4/371)

`Abdullāh ibn Ayyūb, beter bekend als al-Muḥramī, overlevert van Ibn ‘Abbās (رضي الله عنهما): Wij vroegen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Kunnen we in het Paradijs met onze echtgenoten samen kunnen zijn zoals op aarde?”Hij antwoordde: “Ja. Bij Allāh, Die mijn leven in Zijn hand houdt, krijgt een man in het Paradijs na één maaltijd de kracht van honderd vrijgezelle mannen.”

al-Bazzār overlevert van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd gevraagd over intimiteit met vrouwen in het Paradijs, antwoordde hij: “Ja, in het Paradijs krijgt een man elke dag de kracht van honderd vrijgezelle mannen voor intimiteit.”

Bezzār overlevert van Abū Sa‘īd al-Khudrī (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:“In het Paradijs ervaren de bewoners, telkens wanneer zij intimiteit hebben met hun echtgenoten, alsof zij nog nooit met elkaar hebben gevreeën.”

Ibn al-Mubārak heeft van Abū Kalābah deze mening overgeleverd: “In het Paradijs komt er eten en drinken voor een man. Hij eet eerst smakelijk en zordat zijn maag vol is. Vervolgens drinkt hij van de drank die voor hem staat en er komt een aangenaam ruikend zweet uit zijn lichaam. Dit zweet verterend het eerder gegeten voedsel, zodat hij weer honger krijgt. Als bewijs hiervoor geldt de āyah:

وَسَقَىٰهُمۡ رَبُّهُمۡ شَرَابٗا طَهُورًا ٢١ … hun Heer zal hen een zuivere drank geven. (Insān, 76:21)

Dārimī overlevert … van Abū Umāmah (رضي الله عنه) dat Allāhu Ta‘ālā Aan iedere dienaar die Allāh het Paradijs heeft toegewezen 72 ḥūrī’s zal geven: 70 daarvan zijn de vrouwen die naar de mu’mins zijn toegevallen, zijn het deel dat uit het aandeel van de inwoners van het Hellevuur is weggenomen, en de resterende zijn vrouwen met wie men op aarde getrouwd was of die hij als erfgenis van de aarde had. (Ibn Mājah, 4337)

Hishām ibn Haldun zegt: De (mu’min) vrouwen die naar het Hellevuur gaan zullen geërfd worden door de bewoners van het Paradijs. Bijvoorbeeld, de vrouw van Fir’aun zal eveneens met een van de bewoners van het Paradijs worden verenigd.

Het overgeleverde ḥadīth van Abû Hurayrah (رضي الله عنه) luidt als volgt:

Aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd gevraagd of er in het Paradijs seksuele betrekkingen tussen vrouwen en mannen zouden zijn, antwoordde hij: "Ja, daar is gemeenschap. Noch de vrouw noch de man zal daar moe worden of verzadigd raken. Daar is een onophoudelijke liefde en lust.”

Dârakutnî overlevert van Jābir ibn `ʿAbdullāh (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd gevraagd of er slaap in het Paradijs zou zijn. Hij antwoordde: "Nee. Slaap is de broer van de dood. En in het Paradijs is er geen dood (dus is er daar ook geen slaap)." Degene die het mooiste en het meest juiste weet, is Allāhu Ta’ālā.

5.572a Als een mu’min in het Paradijs kinderen wil hebben, zal dat kind in één enkel ogenblik in de baarmoeder van de moeder geworpen en geboren worden, en vervolgens in datzelfde ogenblik opgroeien.

Van Abû Sa’īd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer een mu’min in het Paradijs een kind wil, zal de zwangerschap, geboorte en groei van dat kind in één enkel ogenblik plaatsvinden. Alles gebeurt onmiddellijk op het moment dat hij het wil.” (at-Tirmidzi, 2563; Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/9)

Volgens at-Tirmidzi is deze ḥadīth zowel ḥasan als gharīb. Volgens de overlevering van Ibn Majah: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “In het Paradijs gebeurt alles in een enkel ogenblik (met de tijd van het Paradijs).” (Ibn Majah (4338)

at-Tirmidzi zegt dat geleerden hierover van mening verschillen. Sommigen zeggen dat er seksuele betrekkingen in het Paradijs zullen zijn, maar dat deze geen kinderen zullen voortbrengen. Volgens Tâwus, Mujāhid en Ibrāhīm an-Nakhā`ī is dit het geval.

De ḥadīth overgeleverd door Ishāk ibn Ibrāhīm wordt als bewijs hiervoor aangehaald: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als een mu’min in het Paradijs een kind wil, zal dit onmiddellijk gebeuren. Maar hij zal nooit zo’n wens hebben.”

De ḥadīth overgeleverd door Abû Rāzin al-`Ukaylī zegt: “De bewoners van het Paradijs zullen geen kinderen hebben.” Degene die het het beste weet, is Allāh.

5.73 In het Paradijs zal niets ooit verouderen, veranderen of bederven

Van Abû Sa’īd al-Khudrī en Abû Hurayrah (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: "(Op Yawm al-Qiyāmah) verkondigt iemand: “Vanaf nu zijn jullie gezond, ziek worden zal er niet meer zijn. Hier is leven, geen dood. Hier is jeugd, geen veroudering. Hier is genot van zegeningen, geen verdriet.” (Muslim, 17/175; at-Tirmidzi, 3246; Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/95) Het bewijs hiervoor is het volgende āyah in de Qur’ān:وَنُودُوٓاْ أَن تِلۡكُمُ ٱلۡجَنَّةُ أُورِثۡتُمُوهَا بِمَا كُنتُمۡ تَعۡمَلُونَ ٤٣

… En er zal tot hen geroepen worden: “Dit is het Paradijs, dat jullie hebben geërfd wegens wat jullie plachten te doen.” (A`rāf, 7:43)

Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degene die het Paradijs binnengaat leeft alleen zijn leven. Daar is geen pijn of verdriet. Noch verveling of moeheid. De kleding van degene die in het Paradijs leeft zal niet slijten. En men zal nooit oud worden.” (Muslim, 17/174; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/369 en 407)Toen we spraken over de hurī’s, hebben we verteld dat de ḥūrī’s zeggen: "Wij zijn eeuwig; wij zullen nooit sterven."

Aan een vrouw die het Paradijs heeft verdiend, zal de persoon met wie zij zal trouwen van tevoren worden getoond.

Ibn Wahb overlevert van (zijn leraar) Ibn Zeyd, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: "Wanneer een vrouw die het Paradijs heeft verdiend in de hemel is, wordt haar gevraagd: 'Wil je de persoon zien met wie je in de wereld getrouwd was?'

Als ze ja zegt, wordt het gordijn voor haar opgeheven en ziet zij haar echtgenoot die nog leeft. De vrouw ziet en herkent hem. Het is alsof haar echtgenoot van ver komt; ze verlangt naar hem en wil naar hem toe gaan. Dan herinnert zij zich de ruzies en conflicten die er tussen hen waren en wordt daar verdrietig van.

Vervolgens zegt ze tegen haar echtgenoot (maar hij hoort haar niet): ‘Jammer voor jou. Laat deze (slechte) daden achter. Want je zult niet lang in deze wereld blijven.” (at-Tirmidzi, 1174)

Van Mu’āz ibn Jabal (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer een vrouw haar echtgenoot verdriet doet, zegt de hurī die haar in het Paradijs opwacht: 'Schande over jou! Waarom maak je je echtgenoot verdrietig? Op een dag zul je hem verliezen. Hij zal jou verlaten en zich bij ons voegen.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 5/42)

Ibn Majah overlevert dezelfde ḥadīth. Volgens at-Tirmidzi is deze ḥadīth gharīb.

5.74 Er zijn vogels, paarden en kameel in het Paradijs

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Er werd aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gevraagd over al-Kawthar, waarop hij antwoordde: “Al-Kawthar is een rivier in het Paradijs die Allāh mij heeft geschonken. Het is witter dan melk en zoeter dan honing. Hun nekken zijn slank en sierlijk, (zoals de takken van) dadelpalmen.” (at-Tirmidzi, 2014)

Volgens `Umar (رضي الله عنه) gaat het hier om struisvogels.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vervolgde: “Wat deze vogels eten is nog veel mooier en waardevoller dan henzelf.” Volgens at-Tirmidzi is deze ḥadīth ḥasan.

Sa`labī overlevert van Abû’d-Dardā (رضي الله عنه) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “In het Paradijs zijn zulke mooie vogels dat hun nekken als torens zijn. Iedereen in het Paradijs krijgt zulke vogels. De vogels vertellen hun eigenaars: 'O mijn eigenaar! Ik ben onder de `Arsh gegaan en heb de kostbare dingen van het Paradijs gezien. Ik heb van het water van Tasnīm gedronken. Eet van mij, zodat je altijd gelukkig en vredig bent. Eet van mij, zodat je kunt vertellen aan je vrienden dat niemand ooit zoiets heeft gegeten.'

Vervolgens verschijnen voor de bewoners van het Paradijs vogels in alle mogelijke kleuren. Iedereen kan van deze vogels nuttigen zoveel als hij wil. Degene die van deze vogels eet, kan in het Paradijs vliegen en overal heen gaan waar hij wil."

Toen `Umar (رضي الله عنه) zei: “O NabīAllah! Dit moeten struisvogels zijn.” Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Degene die van deze vogels eet, zal nog gelukkiger en mooier zijn dan de vogels zelf.”

Suleyman ibn Buraydah overlevert van zijn vader: Een man vroeg aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) of er paarden in het Paradijs zijn.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Als Allāh Ta’ālā jou het Paradijs binnen laat gaan, kun je zelfs op een zijden zadel vliegen als je dat wilt.”

Een andere man vroeg aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) of er kamelen in het Paradijs zijn. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Zolang Allāh Ta’ālā jou het Paradijs laat betreden, zal alles daar zijn wat je wenst.”

Imām Muslim overlevert van Abū Mas‘ūd al-Ansārī (رضي الله عنه: Een man bracht een lastdier (dromedaris) naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei: "O Rasûlullāh! Ik wijd dit toe aan de weg van Allāh.”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh Ta’ālā zal op Yawm al-Qiyāmah voor dit ene dier dat je hebt gewijd, 700 dromedarissen schenken.”

Ibn Wahb overlevert, …de volgende ḥadīth: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “In het Paradijs heeft zelfs degene die de minste zegeningen ontvangt een miljoen bedienden. Hij zal ook een paard hebben van rode robijn. De vleugels van dit paard zullen van goud zijn.

وَإِذَا رَأَيۡتَ ثَمَّ رَأَيۡتَ نَعِيمٗا وَمُلۡكٗا كَبِيرًا ٢٠

En als jij rondkijkt, dan zie jij een vreugde en een groot koninkrijk. (Insān, 76:20)

İbnu’l-Mubârak heeft, van Shafi` ibn Mânî, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De bewoners van het Paradijs vliegen over tapijten en kleden, of zij worden rondgevoerd op tronen. Op vrijdag bestijgen zij een prachtig paard, dat niet zweet en geen geur verspreidt, volledig uitgerust is met zijn tuig, en zij bezoeken Allāhu Taʿālā.”

İkrimah (رضي الله عنه) zei dat ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), nadat hij de āyah had gereciteerd:

وَإِذَا رَأَيۡتَ ثَمَّ رَأَيۡتَ نَعِيمٗا وَمُلۡكٗا كَبِيرًا ٢٠

En als jij rondkijkt, dan zie jij een vreugde en een groot koninkrijk. (Insān, 76:20)

Heeft hij de paarden in het Paradijs beschreven.

Er wordt overgeleverd dat İbnu’l-Mubârak deelnam aan een veldtocht.

Daar zag hij een man die zeer bedroefd was omdat zijn paard was gestorven. Hij zei tegen hem: “Wil je dit (gestorven paard) aan mij verkopen voor 400 dirham?”De man verkocht het.

Die nacht zag de man in een droom het paard dat hij aan ʿAbdullāh ibn al-Mubârak had verkocht. En wat zag hij? Zijn paard kwam op Yawm al-Qiyāmah, vergezeld door 700 andere paarden. De man wilde zijn paard terugnemen, maar dat kon nu niet meer. Toen hij naar de reden vroeg, werd er tegen hem gezegd: “Heb jij dit alles gisteren niet verkocht aan İbnu’l-Mubârak?”

De volgende ochtend ging de man meteen naar İbnu’l-Mubârak en vroeg hem zijn paard terug te geven. Toen İbnu’l-Mubârak hem naar de reden vroeg, vertelde de man wat hij in zijn droom had gezien. Daarop zei İbnu’l-Mubârak tegen hem: “Wat jij in je droom hebt gezien, zien wij terwijl wij wakker zijn,” en hij gaf het paard niet terug.

Volgens de auteur, al-Qurṭubī, is dit verhaal waar. Dit omdat deze gebeurtenis overeenkomt met de hadīth die eerder door Imām Muslim is overgeleverd, van de metgezel Abū Masʿūd (رضي الله عنه).

5.75 De mooiste geur in het Paradijs is de geur van henna, en overal in het Paradijs is het vervuld van geuren

İbnu’l-Mubârak overlevert van … de mening van `ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما): In het Paradijs zal de mooiste geur die van henna zijn. Daar zullen ook prachtige paarden en rijdieren zijn waarop de mensen zullen reizen, en bovendien zullen er voorwerpen voor gebruik en inrichting van henna zijn.

Volgens een overlevering, zonder isnād, van Abû Hurayrah (رضي الله عنه) zullen van de Tûbā-boom in het Paradijs kledingstukken en andere gebruiksvoorwerpen voor de mensen neerdalen.

Wij zijn van mening dat deze uitspraken van de twee metgezellen zeker op de openbaring zijn gebaseerd, omdat degenen die door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn opgevoed in zulke zaken niet naar eigen inzicht spreken.

Abū Bakr Ahmad ibn ʿAlī ibn Sābit, overlevert van `Abdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Toen Allāhu Taʿālā het Paradijs schiep, vulde Hij het overal met geuren. Deze geuren mengde Hij met henna. De boom die Allāhu Taʿālā het meest bemint is de henna-boom. Wie henna draagt, zal, wanneer hij loopt, de aarde voor hem du`ā’ verrichten om zegeningen. De engelen zenden ook salawāt en verrichten du`ā’ voor hem.”

Tirmidhi vermeldt in zijn boek ‘Shamāil’ van Abū ʿUthmān al-Hindī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wees nooit een lekkere geur af die jullie als geschenk of gunst wordt geschonken, want lekkere geur komt uit het Paradijs.” (Tirmidhi, 2792) Tirmidhi zegt dat dit de enige hadīth is die Hannān heeft overgeleverd. …

Zoals hierboven vermeld, volgens de overlevering van Abû Hurayrah (رضي الله عنه) zonder isnād, zal van de Tûbā-boom in het Paradijs de kleding en andere gebruiksvoorwerpen voor de mensen neerdalen.

Al deze overleveringen en meningen hebben Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) als bron. Naar onze mening hebben deze metgezellen dit van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) geleerd.

5.76 In het Paradijs zullen ook schapen en geiten zijn

Van `ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Onder de dieren in het Paradijs zullen ook schapen zijn.” (Ibn Mājah, 2306)

al-Bazzār overlevert van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Behandel geiten goed en verzorg ze. Behandel ze niet slecht. Let op ze, want de geit zal tot de dieren in het Paradijs behoren.”

In de āyah over Ibrāhīm (عليه السلام) staat:

وَفَدَيۡنَٰهُ بِذِبۡحٍ عَظِيمٖ ١٠٧ En Wij gaven hem ter vervanging (van zoon Ismāʿīl (عليه السلام) een groot offerdier. (Sāffāt, 37:107)

Hieruit blijkt dat het (ram)offer dat aan Ibrāhīm (عليه السلام) werd gegeven groot en kostbaar was, omdat het uit het Paradijs kwam. Volgens Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) heeft dit (ram)offer veertig jaar in het Paradijs gegraasd.

5.77 Het Paradijs heeft geuren, kan spreken en luisteren

al-Bayhaqī overlevert van Anas (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Toen Allāhu Taʿālā het ʿAdn Paradijs schiep, plantte Hij verschillende bomen en vroeg het Paradijs: ‘Vertel, wat denk je?’ Het Paradijs antwoordde: ‘Hoe gelukkig zijn de mu’mins! Allen zijn gered en allen hebben succes behaald.”قَدۡ أَفۡلَحَ ٱلۡمُؤۡمِنُونَ ١

Voorspoedig zijn de gelovigen. (in Allāh en Zijn Boodschapper doordat zij handelen naar Zijn geboden en wegblijven van Zijn verboden). (Mūminūn, 23:1)

al-Bazzār overlevert van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Allāhu Taʿālā schiep in het Paradijs tegels van goud en zilver en doordrenkte deze met de intense muskusgeurToen beval Hij het Paradijs: ‘Vertel nu eens.’ Het Paradijs antwoordde weer: ‘Hoe gelukkig zijn de mu’mins! Allen zijn gered en allen hebben succes behaald.’ Hierop zei Allāhu Taʿālā tegen het Paradijs: ‘Goed zo! Blijf op deze plaats. Hier zullen de ware koningen en de ware rijken verblijven.”

Er wordt ook overgeleverd, zonder dat wordt vermeld of het een hadīth van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) is, dat de volgende woorden zijn gezegd: “Allāhu Taʿālā heeft het Paradijs versierd met tegels van goud en zilver, en er gebouwen van gemaakt en bomen en planten daarin geplant. Daarna vroeg Hij het Paradijs hoe het (deze plaats) vond. Het Paradijs antwoordde weer: ‘Hoe gelukkig zijn de mu’mins! Allen zijn gered en allen hebben succes behaald.’

Toen kwamen de engelen het Paradijs bezoeken en zeiden vol bewondering: “Wat een mooie plaats! Hier zullen zeker de koningen wonen.”

Een andere hadīth van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Toen Allāhu Taʿālā het Paradijs schiep, beval Hij: ‘Versier je.’ Het Paradijs versierde zich. Daarna beval Allāhu Taʿālā: ‘Spreek nu.’ Het Paradijs sprak en zei: “Felicitaties aan de mu’mins waarvan U tevreden bent.”

An-Naṣā’ī overlevert van de metgezel Fudayl ibn ʿUbayd (رضي الله عنه): Ik hoorde dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik ben jullie leider.

Wie in mij (mijn boodschap en profeetschap) gelooft, zich overgeeft (aan de Islām) en vervolgens jihād verricht op weg van Allāh, zal ik het Paradijs doen binnengaan. Voor deze mensen is er één paleis bij de voet, één paleis in het midden en één paleis op de hoogste plaatsen van het Paradijs. Degene die zo leeft, niet uit is op rijkdom of status en niet wegloopt voor moeilijkheden, zal sterven op de wijze waarop hij wil sterven.”

Volgens ʿUmar ibn ʿAbdulʿAzīz, Zuhdī, Kalbī en Mujāḥid zullen de mu’min djinn verblijven aan de voet en langs de randen van het Paradijs, en niet in het binnenste ervan.

Volgens een overlevering van Imām Mālik, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Vrouwen die zich bedekken maar in werkelijkheid onbedekt zijn, vrouwen die zich tot mannen aangetrokken voelen en mannen tot zich doen aantrekken, zullen het Paradijs niet binnengaan, en zij zullen zelfs de geur van het Paradijs niet kunnen ruiken. Terwijl de geur van het Paradijs tot vijfhonderd jaar ver kan worden waargenomen.”

In een andere hadīth, overgeleverd door ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما), staat: “Wie opzettelijk en zonder recht een mens doodt, zal de geur van het Paradijs niet kunnen ruiken, terwijl de geur van het Paradijs vanaf veertig jaar afstand te ruiken is.” (al-Bukhārī, 12/259.; Abû Dāwūd, 2760.; An-an-Nasā’ī, 8/24.; at-Tirmidzi, 1403.; Ibn Mājah, 2686.; Aḥmad ibn Ḥanbal, 5/50)

5.78 Het Paradijs heeft een bodem en bronnen. Om bomen te planten in het Paradijs moet men tasbīḥ (subhānAllah zeggen) en Allāh gedenken

Van `ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft ons het volgende meegedeeld: “Tijdens de nacht van al-Isrāʾ (en al-Miʿrāj) ontmoette ik Ibrāhīm (عليه السلام). Wij spraken met elkaar. Hij zei tegen mij: ‘Breng veel salām van mij over aan jouw ummah en vertel hun dat de grond van het Paradijs schoon is en het water zoet. Vertel hun ook dat het Paradijs valleien en bronnen heeft, en dat er gewassen, vruchten en allerlei planten en bomen zijn. Wie dit alles in het Paradijs wenst, laat hem zeggen:Subḥānallāhi wal-ḥamdu lillāhi wa lā ilāha illa Allāhu wa Allāhu akbar.” (at-Tirmiḏī, 3462)

Met dezelfde betekenis is ook een hadīth overgeleverd van Abū Ayyūb al-Anṣārī (رضي الله عنه). Volgens at-Tirmiḏī is deze hadīth zowel ḥasan als gharīb.

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Op een dag kwam Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar mij toe terwijl ik een boom aan het planten was. Hij vroeg: “O Abū Hurayrah, wat ben je aan het planten?” Ik zei: “Ik plant een boom.” Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Zal ik je een betere manier tonen om bomen te planten? Elke keer dat jij zegt:Subḥānallāhi wal-ḥamdu lillāhi wa lā ilāha illa Allāhu wa Allāhu akbar,wordt er voor jou een boom in het Paradijs geplant.” (Ibn Mājah, 3807)

Van Jābir ibn ʿAbdullāh (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie zegt: Subḥānallāhi’l-ʿAẓīm wa bi ḥamdihī, voor hem wordt een boom in het Paradijs geplant.” (at-Tirmiḏī, 9465)

Volgens at-Tirmiḏī hebben deze aḥādīth overleveringen die ḥasan, ṣaḥīḥ en ook gharīb zijn.

5.79 Om in het Paradijs een paleis of andere bezittingen te verkrijgen, moet men Allāh gedenken

Aṭ-Ṭabarī vermeldt in zijn werk over ethiek en omgangsvormen, van Ḥākim ibn Muḥammad al-Aḥmasī als bron, het volgende: Om in het Paradijs een huis, verblijfplaats of land te bezitten, is het nodig Allāh te gedenken. Hoe meer en hoe beter een mens Allāh gedenkt, des te meer en des te mooiere paleizen hij in het Paradijs zal bezitten. In het Paradijs is de “valuta” het gedenken van Allāh.

Volgens de auteur (al-Qurṭubī) betekent dhikr: Allāh vrezen, Hem gehoorzamen, Zijn bevelen uitvoeren en Zijn verboden vermijden.

Een ḥadīth die is overgeleverd is: an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Alleen degene die de bevelen van Allāhu Taʿālā naleeft, wordt beschouwd als iemand die Allāh gedenkt. Zelfs als hij tekortkomingen heeft in zijn ṣalāh, zijn vasten of andere daden, geldt hij toch als iemand die Allāh gedenkt. Maar wie tegen de bevelen van Allāh ingaat, wordt geacht Allāh te zijn vergeten, ook al zijn zijn ṣalāh, vasten en vele daden ogenschijnlijk volledig.

Abū ʿAbdullāh Muḥammad heeft deze hadīth eveneens vermeld in zijn werk Āyāt al-Aḥkām. Ook al-ʿĀmirī heeft deze hadīth opgenomen in zijn werk ash-Shihāb met zijn eigen toelichting.

Hieruit begrijpen wij dat het gedenken van Allāh niet slechts bestaat uit het uitspreken van takbīr of tasbīḥ, maar uit het naleven van de bevelen en verboden van Allāhu Taʿālā (in alle aspecten van het leven).

(De gerespecteerde en bekende) geleerde Saʿīd ibn Jubayr zei: Degene die de bevelen van Allāh naleeft, is degene die Allāh werkelijk gedenkt. Degene die zich niet volledig aan Allāh overgeeft, behoort niet tot de mensen van dhikr, ongeacht hoe vaak hij de Qurʾān reciteert of hoeveel takbīr en tasbīḥ hij uitspreekt.

Daarna heeft hij de volgende hadīth overgeleverd: an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degene die de bevelen van Allāh naleeft, wordt gezien als iemand die Allāh gedenkt, ook al beweegt zijn tong niet. Maar wie niet volgens de bevelen van Allāh leeft, gedenkt Allāh niet, ongeacht hoeveel tasbīḥ hij verricht of hoe vaak hij de Qurʾān reciteert.”

Volgens de auteur (al-Qurṭubī) رَحِمَهُ اللهُ is degene die Allāh met zijn tong gedenkt en de Qurʾān reciteert, maar niet naar Zijn bevelen leeft, iemand die de geboden van Allāh licht opvat en er als het ware mee spot.

Over de āyah: وَلَا تَتَّخِذُوٓاْ ءَايَٰتِ ٱللَّهِ هُزُوٗاۚ وَٱذۡكُرُواْ نِعۡمَتَ ٱللَّهِ عَلَيۡكُمۡ وَمَآ أَنزَلَ عَلَيۡكُم مِّنَ ٱلۡكِتَٰبِ وَٱلۡحِكۡمَةِ يَعِظُكُم بِهِ

… En bespot de āyāt van Allāh niet, maar gedenk Allāh’s gunsten aan jullie en wat Hij aan jullie van het Boek heeft neergezonden en de Wijsheid waarmee Hij jullie aanwijzingen geeft... (Baqarah, 2:231)

Onze geleerden hebben gezegd: Dit houdt in dat men, nadat men de bevelen van Allāh heeft geleerd, ze ook daadwerkelijk moet naleven en niet moet nalaten ernaar te handelen.

Hieronder valt ook het verrichten van tawbah en istighfār voor de zonden. Want geen berouw tonen en volharden in fouten betekent eveneens dat men de bevelen van Allāh niet serieus neemt. En Allāh weet het het beste.

5.80 De hoogste en laagste rang in het Paradijs en de beloningen die aan elk worden gegeven

Van Mughīrah ibn Shubbah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd:

“Mūsā (عليه السلام) vroeg Allāhu Taʿālā: ‘O mijn Rab! Wat is de laagste rang in het Paradijs? Mag ik die zien?’ Allāhu Taʿālā antwoordde: ‘Er is een man die pas in het Paradijs zal binnengaan nadat alle anderen reeds het Paradijs zijn binnengaan

Hij zal tot Mij zeggen: “O mijn Rab! Iedereen is het Paradijs binnengaan en heeft zijn plaats ingenomen. Is er nog een plek voor mij? Wat zal ik doen?”’

Daarop vroeg Allāhu Taʿālā aan die man: ‘Als Ik je in het Paradijs net zoveel zegeningen geef als alle koningen op aarde bezitten, zou je dan tevreden zijn?’ De man antwoordt dat hij tevreden zou zijn.

Daarop zegt Allāhu Taʿālā tegen deze persoon, die als laatste het Paradijs binnengaat: ‘Ik geef je al deze zegeningen en daarbovenop nog vijf keer zoveel extra.’ De man zegt: ‘O mijn Rab! Ik accepteer het.’Allāhu Taʿālā vervolgt: ‘Ik geef je nog tien keer zoveel extra. Alles wat je hart begeert, alles wat je wilt, en alles wat je ogen zien, dat alles geef Ik je.’De man zegt dat hij hiermee ook tevreden is.

Daarna vroeg Mūsā (عليه السلام) Allāhu Taʿālā naar wat de persoon op de hoogste rang in het Paradijs bezit. Allāhu Taʿālā zei: ‘Ziehier, mijn eigenlijke verlangen, mijn dienaar is degene die zijn zoals degenen die jullie hebben genoemd. Voor hen heb Ik bijzondere zegeningen klaargezet. Voor hen heb Ik speciale bomen laten groeien. Al deze zegeningen bewaar Ik speciaal. Alles wat Ik heb voorbereid, is iets dat niemand eerder heeft gezien, gehoord of zelfs maar heeft kunnen bedenken.’ (Muslim, 3/45 ve 46)

Al deze zaken worden ondersteund door de volgende āyah.

فَلَا تَعۡلَمُ نَفۡسٞ مَّآ أُخۡفِيَ لَهُم مِّن قُرَّةِ أَعۡيُنٖ جَزَآءَۢ بِمَا كَانُواْ يَعۡمَلُونَ ١٧

Niemand weet wat voor hen verborgen blijft voor plezier, als een beloning voor wat zij plachten te doen. (Sajdah, 32:17)

Van `Abdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd:

“De man die als laatste uit het Hellevuur wordt bevrijd en als laatste het Paradijs binnengaat, zal in een verwoeste en ellendige toestand, door de kwelling van de straf komen.

Wanneer Allāhu Taʿālā hem beveelt het Paradijs binnen te gaan, zegt hij: ‘O mijn Rab! Het Paradijs is vol.’

Allāhu Taʿālā beveelt hem drie keer om het Paradijs binnen te gaan, maar telkens zegt de man dat het Paradijs vol is. Daarop zegt Allāhu Taʿālā tot hem: ‘Ga nu het Paradijs binnen. Ik geef je een plaats in het Paradijs gelijk aan tien keer de aarde.” (al-Bukhārī 11/418; Muslim 3/39)

Een andere hadīth: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Degene die de laagste rang in het Paradijs heeft, zal zeven paleizen bezitten. Eén van goud, één van zilver, één van parel, één van smaragd, één van robijn, één die niemand ooit heeft gezien, en het zevende paleis zal lijken op de ʿArsh en de kleur van de ʿArsh hebben. In elk paleis zullen tapijten, zijden kleren en ḥūrī’s aanwezig zijn. Alleen Allāh weet hoe mooi ze zijn en hoe ze eruitzien.”

Deze hadīth is overgeleverd door al-Qutbī in zijn werk over geselecteerde ahadīth.

Een andere hadīth, overgeleverd door Ḥasan al-Baṣrī zonder de tussenliggende ṣaḥābah te noemen: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Degene die op de laagste rang in het Paradijs woont, zal een miljoen dienaren hebben.”

Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Degene die in het Paradijs de minste zegeningen ontvangt, kan alle tuinen, andere zegeningen en dienaren in duizend jaar bekijken. De grootste zegen die aan de dienaren in het Paradijs wordt gegeven, is het voortdurend verheerlijkt worden door het aanschouwen van het Aangezicht van Allāhu Taʿālā.” (at-Tirmiḏī 2553; Aḥmad ibn Ḥanbal 2/64)

De Qurʾān verwijst hiernaar:وُجُوهٞ يَوۡمَئِذٖ نَّاضِرَةٌ ٢٢ Sommige gezichten zullen op die Dag verlicht zijn.

إِلَىٰ رَبِّهَا نَاظِرَةٞ ٢٣ Naar hun Heer kijkend. (Qiyāmah 75:22-23)

Volgens at-Tirmiḏī is deze hadīth ‘gharīb’, omdat de tussenliggende ṣaḥābah niet worden genoemd.

In een andere overlevering, overgeleverd door at-Tirmiḏī van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degene die in het Paradijs het minste ontvangt, zal 80.000 dienaren en 72 echtgenotes hebben. Deze man zal een paleis bezitten, zo groot als de afstand tussen Jābiyah en Sanʿā’, gemaakt van parel, koraal en robijn.”

`Abdullāh ibn al-Mubārak (bekend als Ibnu’l-Mubārak) vermeldt, op gezag van Sufyān as-Thawrī en Mujāḥid, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degene die in het Paradijs het minste ontvangt, zal van het ene uiteinde van zijn bezit en heerschappij naar het andere uiteinde slechts in 1.000 jaar kunnen reizen. Deze persoon kan dus slechts in duizend jaar het gehele bereik van de zegeningen die hem gegeven zijn overzien.

Degenen die de hoogste rangen hebben, worden elke ochtend en avond verheerlijkt door het aanschouwen van het Aangezicht van Allāhu Taʿālā.”

In dit verband zijn er, op gezag van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما), soortgelijke overleveringen waarvan niet is aangegeven of het een hadíth is met dezelfde betekenis.

Uit al deze overleveringen blijkt dat zelfs degene die in het Paradijs de minste zegeningen krijgt, zal worden begunstigd met zegeningen die ons begrip in deze wereld te boven gaat. Allāhu Taʿālā weet het het best.

5.81 De tevredenheid van Allāhu Taʿālā is waardevoler dan alles in het Paradijs

Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Wanneer Allāhu Taʿālā tot de bewoners van het Paradijs zegt: ‘O jullie die in het Paradijs verblijven!’, antwoorden allen: ‘Beveel, o onze Rab! Beveel! Alles behoort U toe.’

Daarop vraagt Allāhu Taʿālā: ‘Zijn jullie tevreden met de zegeningen die Ik jullie gegeven heb?’

De bewoners van het Paradijs antwoorden: ‘O onze Rab! Hoe zouden wij niet tevreden zijn? U hebt ons dingen gegeven die niemand vóór ons ooit heeft ontvangen.’

Vervolgens vraagt Allāhu Taʿālā: ‘Willen jullie dat Ik jullie iets geef dat nog waardevoller is dan dit alles?’

Zij antwoorden: ‘O onze Rab! Wat kan waardevoller zijn dan dit alles?’

Waarop Allāhu Taʿālā zegt: ‘Ik ben tevreden met jullie. Voortaan zal Ik nooit meer boos op jullie worden en zal Ik geen woede jegens jullie tonen.’’ (al-Bukhārī, 11/415.; at-Tirmidzi, 2555.; Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/88.; Muslim, 17/168)

5.82 Verheven/ geëerd worden met het aanschouwen van Allāhu Taʿālā’s Aangezicht is schoner dan alle eerder genoemde zegeningen

Van Suhayb (رضي الله عنه) ,Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer de mensen het Paradijs binnengaan, vraagt Allāhu Taʿālā: ‘Willen jullie misschien nog iets anders dat Ik jullie kan geven?’ De bewoners van het Paradijs antwoorden: ‘O onze Rab! Lijkt het alsof wij niet tevreden zijn? U hebt ons van het Hellevuur gered en ons het Paradijs gegeven. Wat zouden wij nog meer kunnen wensen?’

Daarop wordt het gordijn voor hun ogen opgeheven en worden zij geëerd met het aanschouwen van het Aangezicht van Allāh (Jamâlullāh). Op dat moment vergeten zij al het goede en al de zegeningen die zij eerder hebben gezien, omdat zij nog nooit iets zo moois hebben aanschouwd.” (Muslim, 3/17; at-Tirmiḏī, 3105)

In een andere overlevering wordt vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bij deze gelegenheid ook de āyah reciteerde:

لِّلَّذِينَ أَحۡسَنُواْ ٱلۡحُسۡنَىٰ وَزِيَادَةٞۖ وَلَا يَرۡهَقُ وُجُوهَهُمۡ قَتَرٞ وَلَا ذِلَّةٌۚ أُوْلَٰٓئِكَ أَصۡحَٰبُ ٱلۡجَنَّةِۖ هُمۡ فِيهَا خَٰلِدُونَ ٢٦

Voor degenen die het goede hebben gedaan is er het beste en zelfs nog meer. Grauwheid noch vernedering zal hun gezichten bedekken. Zij zijn de bewoners van het Paradijs, en zij zullen daarin voor altijd verblijven. (Yūnus, 10:26)

an-Nasâ`î heeft ook overgeleverd van Suhayb (رضي الله عنه): Men vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wat dit āyah (Yūnus, 10:26) betekent, antwoordde hij: “Degenen die het Paradijs verdienen, zullen het binnengaan; degenen die het Hellevuur verdienen, zullen die binnengaan. Daarna roept een engel: ‘O jullie bewoners van het Paradijs! Allāhu Taʿālā heeft jullie beloofd dat jullie nog meer zegeningen zullen ontvangen.’

De bewoners van het Paradijs antwoorden: ‘Is dat niet genoeg? Onze goede daden wogen zwaar, onze slechte daden zijn vergeven. Wij zijn van het Hellevuur gered en in het Paradijs gebracht.’

Daarna wordt het gordijn voor hun ogen opgeheven en aanschouwen zij het Aangezicht van Allāh.

Voor de bewoners van het Paradijs is er geen mooiere zegen dan het en ontmoeten en aanschouwen van Allāhu Taʿālā.” (Muslim, 3/17; at-Tirmiḏī, 2552; Ibn Mājah, 187; Aḥmad ibn Ḥanbal, 4/333)

Uitleg over de āyah surah Yūnus, 10:26: Abû Dâwud overlevert van Suhayb (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) legt uit: Wanneer degenen die het Paradijs hebben verdiend daar binnengaan, kondigt (een engel) aan: “O bewoners van het Paradijs! Allāhu Taʿālā heeft jullie beloofd dat er nog meer zegeningen voor jullie zijn."

De bewoners reageren verbaasd: "Is dat niet genoeg? Onze goede daden wegen zwaar, onze slechte daden zijn vergeven, we zijn gered van het Hellevuur en het Paradijs binnengegaan. Wat meer zou er nog kunnen zijn?”

Deze aankondiging aan de bewoners van het Paradijs wordt drie keer herhaald. Daarna verschijnt Allāhu Taʿālā Zelf aan de bewoners van het Paradijs, en allen aanschouwen Zijn Aangezicht (Jamālullāh). Voor hen is dit de grootste zegen en het gelukkigste moment in het Paradijs.

Volgens onze sheikh heeft Suhayb (رضي الله عنه) het volgende ḥadīth overgeleverd:

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer degenen die het Paradijs hebben verdiend het Paradijs binnengaan, wordt hen gezegd: "O bewoners van het Paradijs! Allāhu Taʿālā heeft voor jullie een belofte die jullie nog nooit eerder getuige van zijn geweest."

De bewoners antwoorden verbaasd: "Is dat niet genoeg? Onze goede daden wegen zwaar, onze slechte daden zijn vergeven, we zijn gered uit het Hellevuur en het Paradijs binnengegaan. Wat zou er nog meer kunnen zijn?"

Op dat moment wordt het gordijn voor hen opgeheven en aanschouwen allen het Aangezicht van Allāhu Taʿālā (Jamālullāh). Voor hen is dit de grootste zegen en het gelukkigste moment.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) reciteerde hierbij de āyah van surah Yūnus, 10:26.

Volgens Imām Ahmed en Haris ibn Abi Usāmah is dit de betekenis van dit āyah in de context van het Paradijs: de beloofde zegeningen zijn het Paradijs zelf, en de extra, bijzondere beloning is het aanschouwen van het Aanzicht van Allāhu Taʿālā.

Volgens de overlevering van Imām Muslim, van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei over de āyah van surah Yūnus, 10:26: “In het Paradijs zijn de mooie dingen die beloofd worden aan degenen die goede daden verrichten, het Paradijs zelf. De extra beloofde zegeningen bestaan uit het geëerd worden met het aanschouwen van de Aangezicht van Allāhu Taʿālā (Jamālullāh).”

Ibnu’l-Mubarak overlevert van Abû Musa al-Ash’ari (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawm al-Qiyāmah stuurt Allāhu Taʿālā een engel naar de bewoners van het Paradijs en vraagt: "Hebt Allāhu Taʿālā jullie alles gegeven wat Hij in jullie wereldse leven heeft beloofd?"

De bewoners zien om zich heen naar de gunsten waarin zij verblijven. bekijken hun kledij, gebouwen en andere zegeningen, en bevestigen dat alles aanwezig is. De engel herhaalt de vraag drie keer, en telkens zeggen ze: “Ja, Allāhu Taʿālā heeft ons alles gegeven wat Hij beloofd heeft.”

Dan zegt de engel: "Nee, er ontbreekt nog iets."

Hij reciteert de āyah: surah Yūnus, 10:26.

Hieruit begrijpen we dat “de mooie dingen” (al-husnā) verwijzen naar het Paradijs zelf, en “de extra zegeningen” (al-ziyādah) het grootste genot zijn: het aanschouwen van het Aanzicht van Allāhu Taʿālā (Jamālullāh).

De overleveringen van an-Nasâ`î, Abû Dâwud en Âjurî vullen elkaar aan.

In sommige overleveringen wordt vermeld dat Allāhu Taʿālā zelf de bewoners van het Paradijs aanspreekt met: “Als jullie iets meer willen, zal Ik het geven.” In andere overleveringen wordt gezegd dat een engel deze vraag stelt. Dit vormt geen verschil of tegenstrijdigheid.

Met het “opheffen van het gordijn” wordt bedoeld dat de obstakels die het menselijke oog beletten grote gebeurtenissen en goddelijke zaken te zien, worden weggenomen. Door bepaalde oorzaken kunnen mensen de ware realiteiten niet waarnemen. Deze belemmeringen worden in de overleveringen metaforisch “gordijnen” genoemd.

Het noemen van de dingen die het zien van Allāhu Taʿālā verhinderen als “gordijn” is figuurlijk, omdat Allāhu Taʿālā vrij is van elke tekortkoming. Dat wij Hem niet zien, gebeurt volgens Zijn beschikking. Er is verder niets dat het zien van Zijn Aangezicht zou kunnen belemmeren zodra Hij dit beoogt.

Sommige aḥadīth vermelden dat wanneer Allāhu Taʿālā zich in het Paradijs aan de mu’mins manifesteert, de stromende rivieren stil zullen staan en de bomen hun bladeren zullen verliezen. De bedekkingen en andere voorwerpen in het Paradijs zullen door dit prachtige verschijnsel zweven en verspreid worden. Vervolgens zal een heerlijk geurige wind door het hele Paradijs waaien, de vogels zullen vliegen en het Paradijs opvrolijken, en de hurī’s en dienaren zullen de omgeving vullen.

Abû’l-Ma`ālī (de leraar van Imām Al-Ghazzālī, Imām Juwaynī, (overleden in 1085) schrijft in zijn “Raddiyah” (de weerlegging ) aan as-Sijzī (echte naam Abû Nasr, overleden 1052): “Dit alles gebeurt met de toestemming en het bevel van Allāhu Taʿālā. Hoewel wij Allāhu Taʿālā in deze wereld niet kunnen zien, wijzen veel gebeurtenissen op Zijn eigenschappen. Het feit dat wij Allāhu Taʿālā in deze wereld niet kunnen zien, is zowel een beproeving als praktisch onmogelijk onder de omstandigheden van deze wereld.

Toen Mūsā (عليه السلام) verlangde Allāhu Taʿālā te zien, manifesteerde Hij Zich op de berg, en doordat de berg daardoor uiteenviel tot stof en aarde, wijst dit eveneens op deze werkelijkheid: وَلَمَّا جَآءَ مُوسَىٰ لِمِيقَٰتِنَا وَكَلَّمَهُۥ رَبُّهُۥ قَالَ رَبِّ أَرِنِيٓ أَنظُرۡ إِلَيۡكَۚ قَالَ لَن تَرَىٰنِي وَلَٰكِنِ ٱنظُرۡ إِلَى ٱلۡجَبَلِ فَإِنِ ٱسۡتَقَرَّ مَكَانَهُۥ فَسَوۡفَ تَرَىٰنِيۚ فَلَمَّا تَجَلَّىٰ رَبُّهُۥ لِلۡجَبَلِ جَعَلَهُۥ دَكّٗا وَخَرَّ مُوسَىٰ صَعِقٗاۚ فَلَمَّآ أَفَاقَ قَالَ سُبۡحَٰنَكَ تُبۡتُ إِلَيۡكَ وَأَنَا۠ أَوَّلُ ٱلۡمُؤۡمِنِينَ ١٤٣

En toen Mozes op de aangewezen tijd en plaats bij Ons kwam en zijn Heer tot hem sprak, zei hij: “O, mijn Heer! Toon mij U, zodat ik U kan zien.” Allāh zei: “Je zult Mij nimmer (kunnen) zien, maar kijk naar de berg, als deze stil op zijn plaats blijft staan, dan zul je Mij zien.” Dus toen zijn Heer zich aan de berg openbaarde, liet Hij deze instorten en tot stof vergaan, en Mozes viel bewusteloos neer. Toen hij weer bijkwam, zei hij: “Verheerlijkt bent U, ik wend mij tot U in berouw en ik ben de eerste onder de gelovigen.” (A`rāf, 7:143)

5.83 Het zien van Allāhu Taʿālā’s (Aangezicht)

Abū Bakr ibn Qays overlevert van zijn vader, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De voorwerpen van de twee Paradijzen zijn allemaal van zilver. De voorwerpen van twee Paradijzen zelf zijn van goud, en hun inhoud eveneens. Tussen Allāhu Taʿālā en Zijn dienaren bevindt zich een ‘Kibriyā’ (grootsheid en majesteit) gordijn. De bewoners van het Paradijs zullen Allāhu Taʿālā zien in het Paradijs van ʿAdn.” (Muslim, 3/16.; al-Bukhārī, 8/624.; Aḥmad ibn Ḥanbal, 4/411)

Van Jarīr ibn ʿAbdullāh (رضي الله عنه): Wij waren samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Het was volle maan. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) keek naar de maan en zei: “Zoals jullie de maan nu zien, zo zullen jullie Allāhu Taʿālā voor je zien in het Paradijs. Wees daar zeker van. Als het mogelijk is om salāh te verrichten vóór de zonsopgang of vóór de zon ondergaat, doe dat dan.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 4/360)

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) reciteerde hierbij ook het volgende āyah:

فَٱصۡبِرۡ عَلَىٰ مَا يَقُولُونَ وَسَبِّحۡ بِحَمۡدِ رَبِّكَ قَبۡلَ طُلُوعِ ٱلشَّمۡسِ وَقَبۡلَ ٱلۡغُرُوبِ ٣٩

Wees daarom geduldig met alles wat zij zeggen, en verheerlijk jouw Heer met de lof die Hem toekomt vόόr zonsopkomst en vόόr zonsondergang. (Qāf, 50:39)(al-Bukhārī, 8/597; Muslim, 5/134; Abû Dāwūd, 4703; at-Tirmidzi, 3554)Volgens Tirmidzī is deze ḥadīth zowel ḥasan als ṣaḥīḥ.

Abū Dāwūd overlevert van Abū Razīn al-Ukaylī (رضي الله عنه): Ik vroeg aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Zullen wij allemaal Allāhu Taʿālā in het Paradijs kunnen zien?”

Hij antwoordde: “Ja.”Toen ik vroeg hoe dit zou zijn en hoe wij dat moesten geloven, zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “O Abū Razīn! Kunnen jullie allemaal de maan zien op een nacht met volle maan?”Ik antwoordde: “Ja”.

Daarop antwoordde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Allāhu Taʿālā is groter en majestueuzer. De maan is slechts één van de schepselen van Allāh. (Als jullie de maan kunnen zien, zouden jullie dan Allāhu Taʿālā niet kunnen zien?) Maar Allāhu Taʿālā is groter, werkelijker en majestueuzer dan de maan.” (Abū Dāwūd, 4705; Ibn Mājah, 180; Aḥmad ibn Ḥanbal, 4/11-12)

Het ‘Kibriyā-gordijn’ is metaforisch bedoeld. Het geeft aan dat door de majesteit en grootsheid van Allāhu Taʿālā de dienaren Hem niet kunnen zien. In een ḥadīth staat: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Mijn bedekking en dat wat Mij voor Mijn dienaren verbergt, is Mijn grootsheid. Mijn majesteit is het gordijn.” (Muslim, 16/173; Ibn Mājah, 4175; Abū Dāwūd, 4090; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/376, 427)

Allāhu Taʿālā heeft Zichzelf niet aan iedereen getoond uit hoofde van Zijn Almacht en Verheven status; alleen de mu’mins in het Paradijs hebben deze gave gekregen. Volgens al-Bayhaqī en sommige andere geleerden wordt hiermee geen fysiek gordijn of stoffelijk object bedoeld. Het is een metaforisch concept, omdat bedekking iets voor schepselen is en Allāhu Taʿālā daar geen behoefte aan heeft.

“Wie zich tegen Mij verzet en met Mij in discussie treedt, die zal Ik grijpen en uiteenscheuren, waarna Ik hem in het Hellevuur zal werpen”, in deze ḥadīth worden eveneens dergelijke metaforische uitdrukkingen en vergelijkingen gebruikt.

5.84 De begroeting van Allāhu Ta‘ālā aan de mu’mins in het Paradijs en het beantwoorden van hun groet

Muhammad ibn Munkadir overlevert van Jābir ibn ‘Abdullāh (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Terwijl de mu’mins in het Paradijs hun dagen doorbrengen te midden van de genietingen, verschijnt er achter hen een licht. Vervolgens wordt Allāhu Ta‘ālā zichtbaar (tajalli) voor hen en zegt: ‘As-Salāmu ‘alaykum, o bewoners van het Paradijs.’Dit āyah is hiervan het bewijs:سَلَٰمٞ قَوۡلٗا مِّن رَّبّٖ رَّحِيمٖ ٥٨

(Er wordt hen gezegd:) “Vrede zij met u.” Een woord van een Meest Barmhartige Heer. (Yāsīn, 36:58)

Wanneer de mu’mins Allāhu Ta‘ālā zien, zullen zij alles en alle genietingen van het Paradijs vergeten. Nadat de ontmoeting met Allāhu Ta‘ālā is beëindigd, zullen de mu’mins het licht van Allāhu Ta‘ālā nooit vergeten; de indruk van wat zij gezien hebben zal voortdurend voor hun ogen blijven.” (Ibn Mājah, 184)

Met het ‘zichtbaar worden’ (tajalli) van Allāhu Ta‘ālā wordt bedoeld dat Hij door de mu’mins gezien wordt. Het zich manifesteren (tajalli) is een uitdrukking die gebruikt wordt voor hen met een verheven rang. Daarom is deze formulering gekozen. Allāhu Ta‘ālā is verheven boven plaats (Hij is niet gebonden aan ruimte). Daarom kunnen wij voor Hem geen aanduidingen gebruiken zoals beneden, boven, voor of achter. Dat Zijn rang verheven is, betekent niet dat Hij zich ‘boven’ bevindt, maar verwijst naar Zijn verheven graad en positie.

Ook het geven van de salām door Allāhu Ta‘ālā is niet zoals ons salām geven. Allāhu Ta‘ālā bezit de eigenschap van spreken (kalām), dus Hij spreekt. Maar Zijn spreken is niet zoals ons spreken. Wij hebben voor het spreken een mond, een tong en woorden nodig. Terwijl Hij Degene is Die de mond, de tong en de woorden heeft geschapen. Zijn eigenschap van spreken is niet vergankelijk zoals de onze, maar eeuwig en zonder begin. Hierin geloven wij. Uit de āyah:سَلَٰمٞ قَوۡلٗا مِّن رَّبّٖ رَّحِيمٖ ٥٨

(Er wordt hen gezegd:) “Vrede zij met u.” Een woord van een Meest Barmhartige Heer. (Yāsīn, 36:58), begrijpen wij dat de mu’mins met Allāhu Ta‘ālā zullen spreken. Hoewel wij de aard (het ‘hoe’) daarvan niet kennen, geloven wij erin.

(Dat Allāhu Ta‘ālā in deze wereld met Mūsā (عليه السلام) heeft gesproken, is hier eveneens een bewijs: surah Tāhā, 11 en surah Nāzi‘āt, 16.

Uit de uitdrukking: “Wanneer zij Allāhu Ta‘ālā zien, zullen zij alles en alle genietingen van het Paradijs vergeten,” leiden wij af dat de mu’mins Allāhu Ta‘ālā duidelijk en rechtstreeks zullen aanschouwen.

Daarna zal er opnieuw een scheiding (ḥijāb) tussen Allāhu Ta‘ālā en de dienaar worden geplaatst. Maar de mu’mins zullen wat zij gezien hebben nooit vergeten en zullen ernaar verlangen Allāhu Ta‘ālā opnieuw te ontmoeten. De invloed van wat zij gezien hebben zal lange tijd blijven voortduren; de bewoners van het Paradijs zullen als het ware buiten zichzelf zijn, de genietingen waarin zij verkeren vergeten en geen aandacht schenken aan iets anders. De reden voor dit alles is de overweldigende majesteit en schoonheid van wat zij gezien hebben. Want de ontmoeting met Allāhu Ta‘ālā overtreft alle lichamelijke en begeertegebonden genietingen van het Paradijs in schoonheid. Toch zal Allāhu Ta‘ālā, uit Zijn barmhartigheid en genade, de mu’mins terugbrengen naar hun eerdere toestand, zodat zij opnieuw van de genietingen van het Paradijs kunnen genieten.

Dat het licht (nūr) van Allāhu Ta‘ālā en de schoonheid van wat zij hebben gezien voor hun ogen blijven, komt door de overweldigende majesteit, grootsheid en schoonheid van hetgeen zij hebben aanschouwd.

Een verhaal

Er wordt verteld dat men aan Majnūn, wiens echte naam Qays was, vroeg: “Zullen wij Laylā voor je roepen?”

Waarop Majnūn antwoordde: “Is Laylā niet bij mij, dat jullie haar voor mij willen roepen?” Toen men hem vroeg: “Houd je van Laylā?” gaf Majnūn het volgende antwoord: “Liefde is een middel om te bereiken. Terwijl ik met Leyla al lang herenigd ben. Laylā is van mij en ik ben van Laylā.” Allāh weet de ware werkelijkheid.

لَهُم مَّا يَشَآءُونَ فِيهَا وَلَدَيۡنَا مَزِيدٞ ٣٥

Daar zullen zij hebben wat zij wensen en Wij hebben nog meer. (Qāf, 50:35)

Yaḥyā ibn Salām heeft, via Ḥasan al-Baṣrī, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De bewoners van het Paradijs zullen elke vrijdag Allāhu Ta‘ālā ontmoeten. Zij zullen plaatsnemen op een troon van kamfer, terwijl voor hen een rivier stroomt waarvan de oevers gevuld zijn met muskus. Op dat moment zullen er overal dienaressen tevoorschijn komen die met prachtige stemmen de Qur’ān reciteren, met een schoonheid die niemand ooit eerder heeft waargenomen en ook nooit zal waarnemen. Wanneer de ontmoeting ten einde is, zal iedereen zoveel hij wil van de geuren en de mooie zaken meenemen naar zijn eigen paleizen. Als Allāhu Ta‘ālā de mu’mins niet naar hun woningen had teruggestuurd, dan zouden zij vanwege de schoonheid die zij op die vrijdag in het Paradijs zagen, daar nooit meer zijn vertrokken.”

‘Abdullāh al-Muzanī vertelt: In het Paradijs zullen de mu’mins op elke feestdag en eenmaal per week Allāhu Ta‘ālā bezoeken. Zij zullen voor Allāhu Ta‘ālā verschijnen, gehuld in hun mooiste kleding en op de meest verfijnde wijze versierd. Zij zullen op de mooiste rijdieren komen, en Allāhu Ta‘ālā zal hen rijkelijk begunstigen.

‘Abdullāh al-Muzanī en Ibn al-Mubārak hebben van ‘Abdullāh ibn Mas‘ūd (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ”Haast jullie naar de vrijdag-ṣalāh en wees er als eersten bij. In het Paradijs zullen de mu’mins elke vrijdag plaatsnemen op zetels gemaakt van muskus en kamfer en Allāhu Ta‘ālā ontmoeten; zij zullen dicht bij Allāhu Ta‘ālā verblijven”.

Ibn al-Mubārak zei: Degene die het eerst komt voor de vrijdag-ṣalāh en vooraan staat, zal die dag het dichtst bij Allāh zijn. En hoe eerder de overige mu’mins naar de vrijdag-ṣalāh komen en hoe dichter zij bij de voorste rijen staan, des te dichter zij bij Allāhu Ta‘ālā zullen zijn.

Yaḥyā ibn Salām heeft hetzelfde gezegd en voegde daaraan toe: Op die dag zullen zij dingen zien die zij nog nooit eerder hebben gezien, zo mooi en verbazingwekkend.

Yaḥyā ibn Salām en Ḥasan al-Baṣrī betekenen de āyāt:

لَهُم مَّا يَشَآءُونَ فِيهَا وَلَدَيۡنَا مَزِيدٞ ٣٥

Daar zullen zij hebben wat zij wensen en Wij hebben nog meer. (Qāf, 50:35)

لِّلَّذِينَ أَحۡسَنُواْ ٱلۡحُسۡنَىٰ وَزِيَادَةٞۖ وَلَا يَرۡهَقُ وُجُوهَهُمۡ قَتَرٞ وَلَا ذِلَّةٌۚ أُوْلَٰٓئِكَ أَصۡحَٰبُ ٱلۡجَنَّةِۖ هُمۡ فِيهَا خَٰلِدُونَ ٢٦

Voor degenen die het goede hebben gedaan is er het beste en zelfs nog meer. Grauwheid noch vernedering zal hun gezichten bedekken. Zij zijn de bewoners van het Paradijs, en zij zullen daarin voor altijd verblijven. (Qāf, 10:35)

Als volgt uitgelegd: met die ‘toename’ (ziyādah), dus extra gunst, wordt het ontmoeten van Allāhu Ta‘ālā bedoeld. Voor de bewoners van het Paradijs is er niets mooiers dan de ontmoeting met Allāhu Ta‘ālā op vrijdags. Want op die dag zullen zij Degene zien Die hun al deze prachtige en waardevolle gunsten heeft geschonken.

In de ḥadīth wordt vermeld dat de mu’mins zullen op zetels zitten, gemaakt van welriekende stoffen (eerder is vermeld dat de geur van henna tot de mooiste geuren behoort en dat de mu’mins tijdens de ontmoeting met Allāhu Ta‘ālā op zitplaatsen van hennahout zullen plaatsnemen).

Volgens Abū Sa‘īd al-Khudrī (رضي الله عنه) behoort ook het huwen met ḥūrī’s tot de extra gunsten die in het Paradijs zullen worden gegeven.

Hāfiz Abū Nuaym vermeldt de woorden van Kasīr ibn Murrah als volgt:

“Met de hierboven genoemde overvloedige gunsten wordt bedoeld dat Allāhu Ta‘ālā een wolk zal sturen die over de mu’mins komt en alles zal geven wat Hij wil”.

‘Abdullāh ibn ‘Amr (رضي الله عنه) zegt: “Degenen die de hoogste rang in het Paradijs hebben, zullen elke ochtend en elke avond Allāhu Ta‘ālā ontmoeten.

Hieruit blijkt dat de rangorde van de mu’mins in het Paradijs niet voor iedereen hetzelfde is: sommigen zullen alleen van vrijdag tot vrijdag Allāhu Ta‘ālā zien, terwijl anderen Hem dagelijks zullen zien, en sommige mu’mins zullen twee keer per dag Allāhu Ta‘ālā ontmoeten.

Abū Yazīd (Bayazīt) al-Bistāmī zegt: “Er zijn dienaren van Allāhu Ta‘ālā die, zelfs voor een enkel moment in het Paradijs, verdrietig zijn wanneer zij Zijn schoonheid niet zien. Net zoals de kāfirs klagen over het Hellevuur, zullen deze dienaren elk ogenblik dat zij Allāhu Ta‘ālā niet aanschouwen, het Paradijs betreuren”.

5.85 Enkele mooie uitspraken van geleerden over de āyāt en aḥadīth betreffende het Paradijs.

وَنَزَعۡنَا مَا فِي صُدُورِهِم مِّنۡ غِلّٖ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهِمُ ٱلۡأَنۡهَٰرُۖ ٤٣

En Wij zullen uit hun harten gevoelens van haat en pijn verwijderen; rivieren stromen onder het Paradijs… (A‘rāf, 7:43)

‘Abdullāh ibn ‘Abbās (رضي الله عنه) legde deze āyah als volgt uit: “Voor degenen die het Paradijs als eersten binnengaan, zullen twee rivieren verschijnen. Uit het water van de eerste rivier drinken zij, waarbij Allāhu Ta‘ālā de haat en alle slechte gevoelens uit hun harten verwijdert. In de tweede rivier zullen zij zich wassen, waardoor zij als herboren worden en een prachtig uiterlijk krijgen”.

عَٰلِيَهُمۡ ثِيَابُ سُندُسٍ خُضۡرٞ وَإِسۡتَبۡرَقٞۖ وَحُلُّوٓاْ أَسَاوِرَ مِن فِضَّةٖ وَسَقَىٰهُمۡ رَبُّهُمۡ شَرَابٗا طَهُورًا ٢١

Hun kleding zal van fijne groene zijde en goud borduursel zijn. Zij zullen versierd worden met zilveren armbanden en hun Heer zal hen een zuivere drank (dat alle vuil en onreinheid reinigt) geven. (Insān, 76:21)

‘Alī (رضي الله عنه) legde deze āyah als volgt uit: “Degenen die het Paradijs verdienen, zullen na het binnengaan een stukje verder lopen en bij een boom komen waar twee rivieren er onderdoor stromen. Wanneer zij in de eerste rivier baden, zal hun lichaam veranderen en zullen zij een mooi uiterlijk krijgen. Wanneer zij uit de tweede rivier drinken, worden al hun zorgen en kwade gevoelens gewist. Vervolgens zullen engelen hen in het Paradijs ontvangen en zeggen:

وَسِيقَ ٱلَّذِينَ ٱتَّقَوۡاْ رَبَّهُمۡ إِلَى ٱلۡجَنَّةِ زُمَرًاۖ حَتَّىٰٓ إِذَا جَآءُوهَا وَفُتِحَتۡ أَبۡوَٰبُهَا وَقَالَ لَهُمۡ خَزَنَتُهَا سَلَٰمٌ عَلَيۡكُمۡ طِبۡتُمۡ فَٱدۡخُلُوهَا خَٰلِدِينَ ٧٣

En degenen die hun Heer vreesden zullen in groepen naar het Paradijs geleid worden; als zij daar aankomen, zullen de poorten worden geopend en de wachters zullen zeggen: “Salamoen aleikoem! Jullie hebben het goed gedaan, kom binnen om hier eeuwig te verblijven.” (Zumar, 39:73)

Ibn al-Mubārak vermeldt dat ‘Alī (رضي الله عنه) de volgende uitleg gaf over de āyāt:

En degenen die hun Heer vreesden zullen in groepen naar het Paradijs geleid worden… (zie hierboven (Zumar, 39:73)

Bij het binnengaan van het Paradijs zullen de mu’mins een boom zien waaronder twee rivieren stromen. Wanneer zij in de eerste rivier baden, zullen zij jong worden; hun haar zal nooit meer wit worden, hun lichamen zullen niet ouder worden en zij zullen geen ziekte kennen. Vervolgens zullen zij van de tweede rivier drinken, waardoor al hun innerlijke zorgen en slechte eigenschappen worden weggewist. Daarna zullen engelen die in het Paradijs zijn aangesteld de mu’mins ontvangen met de woorden: “Salamoen aleikoem! Jullie hebben het goed gedaan, kom binnen om hier eeuwig te verblijven.” (zie hierboven Zumar, 39:73)

Daarna zullen de overige dienaren en ḥūrī’s van het Paradijs zich rondom de mu’mins verzamelen. Iedereen zal naar zijn eigen toegewezen mu’min gaan en hen op een prachtige wijze begroeten. Vervolgens zal ieder hun in het Paradijs toegewezen partner ontmoeten. De dienaren die aan de mu’mins in het Paradijs zijn gegeven, zullen helpen, begeleiden en hen bedienen.

Bij al deze gunsten zullen de bewoners van het Paradijs zeggen:

وَنَزَعۡنَا مَا فِي صُدُورِهِم مِّنۡ غِلّٖ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهِمُ ٱلۡأَنۡهَٰرُۖ وَقَالُواْ ٱلۡحَمۡدُ لِلَّهِ ٱلَّذِي هَدَىٰنَا لِهَٰذَا وَمَا كُنَّا لِنَهۡتَدِيَ لَوۡلَآ أَنۡ هَدَىٰنَا ٱللَّهُۖ

En Wij zullen uit hun harten gevoelens van haat en pijn verwijderen; rivieren stromen onder het Paradijs. En zij zullen zeggen: “Alle lof en dank is aan Allāh, Die ons hiertoe geleid heeft, nooit hadden wij de Leiding kunnen vinden, ware het niet dat Allāh ons geleid heeft! … (A‘rāf, 7:43)

Khubtī vermeldt, zonder de keten van overlevering te vermelden, van ‘Alī (رضي الله عنه) de volgende ḥadīth: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft de āyah:يَوۡمَ نَحۡشُرُ ٱلۡمُتَّقِينَ إِلَى ٱلرَّحۡمَٰنِ وَفۡدٗا ٨٥

De Dag waarop Wij de godvrezenden (muttaqīn) voor de Barmhartige verzamelen als afgevaardigden. (Maryam, 19:85) als volgt uitgelegd: “Ze zullen op rijdieren naar de Allāh blijven komen. Wanneer de mu’mins uit hun graven opstaan, zullen zij kamelen met gouden zadels berijden. Zowel hun kamelen als zijzelf zijn versierd met allerlei kostbare stenen en kleding. Voor de poort van het Paradijs zullen twee rivieren stromen. De mu’mins zullen uit het water drinken en wanneer het water hun maag bereikt, zal Allāhu Ta‘ālā alle slechte eigenschappen en zorgen van het aardse leven uit hun harten verwijderen.

De āyah:عَٰلِيَهُمۡ ثِيَابُ سُندُسٍ خُضۡرٞ وَإِسۡتَبۡرَقٞۖ وَحُلُّوٓاْ أَسَاوِرَ مِن فِضَّةٖ وَسَقَىٰهُمۡ رَبُّهُمۡ شَرَابٗا طَهُورًا ٢١

Hun kleding zal van fijne groene zijde en goud borduursel zijn. Zij zullen versierd worden met zilveren armbanden en hun Heer zal hen een zuivere drank (dat alle vuil en onreinheid reinigt) geven. (Insān, 76:21), verwijst hiernaar.

Daarna zullen zij zich in de tweede rivier wassen, waardoor hun haar nooit meer grijs zal worden en hun huid niet zal verouderen.

Vervolgens zullen zij aan de poort van het Paradijs kloppen. Bij het kloppen op de poort zullen zij een zó prachtige stem horen dat ieder schepsel dat deze stem hoort, betoverd zal worden. De poort zal geopend worden door Ridwān (het hoofd van de engelen in het Paradijs). Wanneer de mu’mins de schoonheid van Ridwān zien, zullen zij zo blij zijn dat zij in dankbaarheid in sajdah neervallen. Ridwān zal de mu’mins toespreken: “Welkom, geliefde dienaren en vrienden van Allāh. Ik ben verantwoordelijk voor deze plaats en Allāh heeft mij ter beschikking gesteld voor jullie dienst. Kom, ik zal jullie naar jullie verblijven brengen en jullie paleizen van goud laten zien. Van buitenaf kun je het interieur van deze huizen zien. Ze zijn gemaakt van nūr en zijn zeer mooi en transparant”.

Daarop zullen de mu’mins vragen: “O Ridwān! Is dit allemaal voor ons?” Ridwān zal antwoorden: “Ja, dit alles is van jullie.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vervolgde: “Als de dood niet was geofferd, zouden allen in het Paradijs op dat moment van vreugde sterven.

Vervolgens zal Ridwān, aan iedere mu’min afzonderlijk zeggen: ‘Kom, ik zal je de gunsten tonen die Allāh voor jou heeft voorbereid.’

Ieder zal vervolgens de paleizen die voor hem bestemd zijn, bezoeken.

Daarna zullen zij hun paviljoenen en de aan hen toegewezen landerijen bekijken. Vervolgens zullen zij hun kamers één voor één verkennen.

In één kamer zullen zij een kamer van robijn aantreffen, honderd armlengte hoog, versierd aan alle kanten met verschillende kleuren en kostbare edelstenen.In een andere kamer ligt een tapijt van meer dan een mijl lang, met daarop een groot bed. Zo zullen vijftig kamers boven elkaar zijn gebouwd. Ook de lading die op deze bedden ligt, zal aanzienlijk zijn.

وَفُرُشٖ مَّرۡفُوعَةٍ ٣٤ (In het Paradijs zijn) verheven rustbedden. (Wāqi`ah, 56:34)

Hier is alles, de bedden, dekens en tapijtenis, uit licht (nūr) geschapen.

Daarna zal er een kroon op het hoofd van de mu’min worden gezet. Deze kroon bestaat uit zeventig delen, en elk deel bevat zeventig robijnen. Zodra deze kroon op het hoofd van de mu’min wordt gezet, zal het gezicht van de mu’min door de gloed van de kroon stralend wit lichten. Zij zullen drie lagen kleding dragen: de eerste laag is van goud, de tweede van zilver, en daarnaast een kledingstuk van parels:

إِنَّ ٱللَّهَ يُدۡخِلُ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَعَمِلُواْ ٱلصَّٰلِحَٰتِ جَنَّٰتٖ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهَا ٱلۡأَنۡهَٰرُ يُحَلَّوۡنَ فِيهَا مِنۡ أَسَاوِرَ مِن ذَهَبٖ وَلُؤۡلُؤٗاۖ وَلِبَاسُهُمۡ فِيهَا حَرِيرٞ ٢٣

Waarlijk, Allāh zal degenen die geloven en goede daden verrichten naar de Tuinen verwijzen, waaronder rivieren stromen. Daarin zullen zij gesierd worden met gouden armbanden en parels en hun kleding zal daar van zijde zijn. (Haj, 22:23)

Het āyah:جَنَّٰتُ عَدۡنٖ يَدۡخُلُونَهَا وَمَن صَلَحَ مِنۡ ءَابَآئِهِمۡ وَأَزۡوَٰجِهِمۡ وَذُرِّيَّٰتِهِمۡۖ وَٱلۡمَلَٰٓئِكَةُ يَدۡخُلُونَ عَلَيۡهِم مِّن كُلِّ بَابٖ ٢٣

Eeuwige tuinen van het ‘Adn (het Paradijs), waar zij zullen binnentreden en (ook) degenen van hun vaders, en hun vrouwen en hun kinderen die rechtvaardig handelen. En de Engelen zullen door elke poort tot hen binnentreden. (Ra`d, 13:23)

legt ‘Abdullāh ibn ‘Abbās (رضي الله عنه) als volgt uit: “Er zijn zeven Paradijzen: Jalāl, Salām, ‘Adn, Ma‘wā, Khuld, Firdaws en Na‘īm.

Volgens sommige geleerden zijn er vier Paradijzen. Deze geleerden halen als bewijs de āyāt uit surah ar-Raḥmān:

وَمِن دُونِهِمَا جَنَّتَانِ ٦٢

En naast deze twee zijn er twee andere Tuinen. (ar-Raḥmān, 55:62)

In deze āyāt worden vier Paradijzen genoemd; een vijfde wordt niet vermeld. Het woord Ma`wā in surah as-Sajdah āyah 19: “Ma`wā” wordt gezien als een andere naam voor het gehele Paradijs. Evenzo wordt de term Paradijs soms gebruikt als algemene aanduiding voor al deze vier Paradijzen.

In de āyāt wordt soms enkelvoudig “Jannah” (Paradijs) genoemd, soms meervoudig “Jannāt”.

Zo wordt gesproken van de Paradijzen van ‘Adn. ‘Adn betekent verblijf of plaats. Ma‘wā heeft dezelfde betekenis: schuilplaats of onderkomen.

Het Paradijs wordt ook wel het verblijf van vrede (salām) of eeuwigheid genoemd – dit zijn geen aparte Paradijzen, maar verschillende beschrijvingen van hetzelfde Paradijs. Omdat er in het Paradijs geen dood is, wordt het ook het verblijf van eeuwigheid genoemd. Omdat er geen verdriet of zorgen zijn, wordt het ook het verblijf van vrede, oftewel redding, genoemd.

Het Paradijs van Na‘īm wordt soms enkelvoudig (Jannah an-Na‘īm) en soms meervoudig (Jannāt an-Na‘īm) genoemd, en dit is eveneens een andere naam voor het Paradijs, omdat het overal rijk is aan gunsten (na‘īm).

Dus volgens sommige geleerden zijn dit verschillende Paradijzen, terwijl andere geleerden dit zien als verschillende namen voor hetzelfde Paradijs.

(Wij nemen de āyāt uit surah ar-Raḥmān als uitgangspunt en zeggen) dat er vier Paradijzen zijn. “Het Paradijs heeft acht poorten.” De betekenis van deze ḥadīth is als volgt: elk Paradijs heeft twee poorten, waardoor de vier Paradijzen samen acht poorten hebben. In surah az-Zumar āyah 73 (zie hierboven) staat: … zullen de poorten worden geopend … wijst er ook op dat het Paradijs meerdere poorten heeft.

De bewoners van het Paradijs zijn in twee groepen verdeeld: degenen die als eersten binnengaan, dat wil zeggen de hoogste rang, de muqarrabūn en de mensen van ‘Illiyyūn en degenen die later binnengaan, namelijk aṣḥāb al-yamīn (de mu’mins die hun daden-registratie in hun rechterhand ontvangen).

De eerste twee Paradijzen die in sūrah ar-Raḥmān worden genoemd, zijn voor de rechtschapen mu’mins en de geliefde dienaren van Allāh die als eersten het Paradijs binnengaan:

وَلِمَنۡ خَافَ مَقَامَ رَبِّهِۦ جَنَّتَانِ ٤٦

En voor wie vreesde om (bij de afrekening) voor zijn Heer te staan (en de zonde afzweert), zijn er twee Tuinen (in het Paradijs)! (ar-Raḥmān, 55:46)

De andere twee Paradijzen zijn bestemd voor de overige mu’mins die later het Paradijs binnengaan:وَمِن دُونِهِمَا جَنَّتَانِ ٦٢ En naast deze twee zijn er twee andere Tuinen. (ar-Raḥmān, 55:62)

Sa‘īd ibn Jubayr heeft, via ‘Abdullāh ibn ‘Abbās en Abū Mūsā al-Ash‘arī (رضي الله عنهم), de volgende uitleg overgeleverd over de bovenstaande āyāt (ar-Raḥmān, āyah 46 en 62): de eerste twee Paradijzen zijn voor de muqarrabūn: Het is voor Allāhu Ta‘ālā’s bijzondere en uitverkoren dienaren, terwijl de andere twee Paradijzen zijn voorbereid voor de overige bewoners van het Paradijs.

Met betrekking tot de āyah: إِنَّ ٱللَّهَ يُدۡخِلُ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَعَمِلُواْ ٱلصَّٰلِحَٰتِ جَنَّٰتٖ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهَا ٱلۡأَنۡهَٰرُ يُحَلَّوۡنَ فِيهَا مِنۡ أَسَاوِرَ مِن ذَهَبٖ وَلُؤۡلُؤٗاۖ وَلِبَاسُهُمۡ فِيهَا حَرِيرٞ ٢٣

Waarlijk, Allāh zal degenen die geloven en goede daden verrichten naar de Tuinen verwijzen, waaronder rivieren stromen. Daarin zullen zij gesierd worden met gouden armbanden en parels en hun kleding zal daar van zijde zijn. (Haj, 22:23)

zeggen de Qur’ān excegeten (mufassirūn): in het Paradijs zullen drie lagen kleding van zijde worden gedragen: één versierd met goud, één met parels en één met zilver. In de genoemde āyah worden alleen goud en parels genoemd, maar de volgende āyāt hebben ook betrekking op dit onderwerp: surah al-Haj āyah 23 (zie hierboven) en:

عَٰلِيَهُمۡ ثِيَابُ سُندُسٍ خُضۡرٞ وَإِسۡتَبۡرَقٞۖ وَحُلُّوٓاْ أَسَاوِرَ مِن فِضَّةٖ وَسَقَىٰهُمۡ رَبُّهُمۡ شَرَابٗا طَهُورًا ٢١

Hun kleding zal van fijne groene zijde en goud borduursel zijn. Zij zullen versierd worden met zilveren armbanden en hun Heer zal hen een zuivere drank geven. (Insān, 76:21)

Yaḥyā ibn Salām overlevert van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:

“Een mu’min zal in het Paradijs verblijven in een paleis versierd met parels. In het midden van dit paleis bevindt zich een boom. Alles wat mu’min nodig heeft aan kleding en andere zaken, bevindt zich aan deze boom. Mu’min reikt ernaar en neemt wat hij nodig heeft.

Ibn al-Mubārak van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: Een mu’min heeft in het Paradijs een paleis van parels met veertig kamers. In het midden van het paleis staat een boom; wat mu’min ook wenst, hij neemt het van deze boom.

Abū Hurayrah (رضي الله عنه) zei: De twee zijden van het kledingstuk dat een geliefde dienaar van Allāh draagt (de binnenen buitenkant), zullen als het ware met elkaar discussiëren. De buitenkant zegt: “Ik ben beter dan jij, want jij bedekt het lichaam, maar ik bedek jou.” De binnenkant zegt daarop: “Nee, ik ben waardevoller en belangrijker voor deze geliefde dienaar van Allāh, want jij raakt zijn lichaam niet, terwijl ik dat wel doe.”

In eerdere aḥadīth is vermeld dat degene die in het wereldse leven gouden sieraden of zijden kleding draagt, hiervan in het Hiernamaals verstoken zal worden. Over dit onderwerp is een authentieke ḥadīth overgeleverd door Abū Sa‘īd al-Khudrī (رضي الله عنه).

Abū ‘Amr (رحمه الله) zegt: “Met het drinken van alcohol is het eveneens zo. Degenen die in het wereldse leven alcohol drinken, zullen in het Hiernamaals dorst lijden en verstoken blijven van alle soorten drank, behalve degene die berouw toont”.

Volgens ons geldt hetzelfde voor degene die uit gouden en zilveren schalen (eet en drinkt): ook hij zal hiervan in het Hiernamaals verstoken blijven, (zelfs als hij het Paradijs binnengaat). Wie echter berouw toont, zal uit deze onthouding gered worden.

Van Abū Mūsā al-Ash‘arī (رضي الله عنه, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie in het wereldse leven naar zang en muziek luistert, zal in het Hiernamaals niet kunnen luisteren naar de prachtige gezangen van de geestelijke (rūḥānī) wezens.” Toen aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd gevraagd wie deze rūḥānī wezens zijn, antwoordde hij: “Zij zijn degenen die in het Paradijs, met toestemming van Allāh, de Qur’ān reciteren en Allāh met hun mooie stemmen gedenken.”

at-Tirmiḏī vermeldt in zijn boek ‘Geselecteerde aḥadīth’: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degene die alcohol drinkt, (als man) zijde draagt, uit gouden en zilveren schalen eet en drinkt en naar muziek luistert, zal, zolang hij in het Hellevuur is, van deze zaken worden verstoken en daarmee bestraft worden. Maar als zij, met of zonder voorspraak het Paradijs binnengaan, zullen zij daarvan niet verstoken blijven. Want het onthouden van deze zaken is een vorm van kwelling en bestraffing, en in het Paradijs is geen kwelling of bestraffing.

Volgens ons geven de ahādīth van Abū Sa‘īd al-Khudrī en Abū Mūsā al-Ash‘arī (رضي الله عنهما) aan dat degenen die in het wereldse leven alcohol dronken en zijde droegen, ook al betreden zij het Paradijs, mogelijk van bepaalde gunsten verstoken blijven. Dit wordt echter niet gezien als bestraffing of kwelling, aangezien er in het Paradijs geen sprake is van bestraffing.

Het duidt eerder op verschil in rang en niveau: niet alle bewoners van het Paradijs hebben dezelfde positie. Sommigen hebben een lagere rang, anderen een hogere. Degenen die in het wereldse leven dergelijke zaken gebruikten, zullen, ook al betreden zij het Paradijs, een lagere rang hebben en daardoor bepaalde gunsten missen. Dit wordt echter niet als een straf beschouwd.

In surah al-Insān āyah 21 (zie hierboven) wordt vermeldt dat “Hun kleding zal van fijne groene zijde en goud borduursel (istabraq en sundus ) zijn.”Sundus betekent fijn zijdeachtig fluweel, terwijl istabraq wordt gebruikt voor dikker, zwaarder fluweel.

De kleding van de bewoners van het Paradijs is groen, omdat groen aangenaam is voor het oog en het niet vermoeit. Zwart is minder aangenaam voor het oog, en wit is wel mooi, maar kan vermoeiend zijn. Groen daarentegen is zowel mooi als rustgevend voor het oog.

أُوْلَٰٓئِكَ لَهُمۡ جَنَّٰتُ عَدۡنٖ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهِمُ ٱلۡأَنۡهَٰرُ يُحَلَّوۡنَ فِيهَا مِنۡ أَسَاوِرَ مِن ذَهَبٖ وَيَلۡبَسُونَ ثِيَابًا خُضۡرٗا مِّن سُندُسٖ وَإِسۡتَبۡرَقٖ مُّتَّكِـِٔينَ فِيهَا عَلَى ٱلۡأَرَآئِكِۚ نِعۡمَ ٱلثَّوَابُ وَحَسُنَتۡ مُرۡتَفَقٗا ٣١

Zij! Voor hen zullen er eeuwig durende Tuinen zijn; daar stromen rivieren onder door, daarin zullen zij versierd worden met gouden armbanden en zij zullen groene kleding dragen van fijne zijde en zwaar brocaat. Zij zullen daarin rusten op verheven sofa’s. Hoe goed is de beloning en wat een uitmuntende rustplaats! (Kahf, 18:31)

مُتَّكِـِٔينَ عَلَىٰ سُرُرٖ مَّصۡفُوفَةٖۖ وَزَوَّجۡنَٰهُم بِحُورٍ عِينٖ ٢٠

Leunend op rustbanken, tegenover elkaar. En Wij zullen hen huwen met deugdzame vrouwen, met grote, mooie ogen. (Tûr, 52:20)

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “In het Paradijs zal iemand elke maand met duizend ḥūrī’s trouwen. Met elke ḥūrī zal hij een gezinsleven leiden dat vergelijkbaar is met dat in het wereldse leven.

Ibn `Abbās (رضي الله عنهما) zei: “In het Paradijs zal iemand zeventig jaar met één enkele ḥūrī getrouwd zijn. Het verlangen zal nooit afnemen, en na elke gemeenschap zal zij opnieuw maagd zijn. Hij zal noch vermoeidheid noch veveling voelen”.

إِنَّآ أَنشَأۡنَٰهُنَّ إِنشَآءٗ ٣٥

Waarlijk, Wij hebben hen (ḥūrī’s / vrouwen van de bewoners van het Paradijs) tot een wonderlijke schepping gemaakt.

فَجَعَلۡنَٰهُنَّ أَبۡكَارًا ٣٦

En Wij hebben hen maagdelijk gemaakt.

عُرُبًا أَتۡرَابٗا ٣٧

Liefdevol (toegewijd aan hun echtgenoten) en gelijk in leeftijd.

(Wāqi`ah, 56:35-37)

Over deze āyah heeft Musayyab ibn Shurayk een ḥadīth overgeleverd: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Dit betreft vrouwen die in het wereldse leven weduwe of op leeftijd waren; in het Paradijs zullen zij jong en maagd zijn. Na elke gemeenschap zullen zij opnieuw maagd worden.

`Ā’ishah bint Abi Bakr (رضي الله عنها) vroeg of de maagden in het Paradijs angst of pijn zouden voelen. Daarop antwoordde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Neen, daar is geen angst en geen pijn.”

Verder heeft Yahyā ibn Selām, van Muʿādh ibn Jabal (رضي الله عنه), an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een man zal in het Paradijs zeventig jaar met zijn echtgenote doorbrengen zonder vermoeidheid of verveling. Daarna zal uit een andere kamer een nog mooiere stem hem roepen: “Nu ben ik aan de beurt.” Wanneer hij vraagt wie zij is, zal zij zeggen: “Ik ben van datgene waarover Allāhu Taʿālā heeft gezegd:

لَهُم مَّا يَشَآءُونَ فِيهَا وَلَدَيۡنَا مَزِيدٞ ٣٥

Daar zullen zij hebben wat zij wensen en Wij hebben nog meer. (Qāf, 50:35)

Vervolgens zal hij de komende zeventig jaar met haar doorbrengen. Daarna zal weer een andere, nog mooiere stem hem roepen. Wanneer hij vraagt wie zij is, zal zij zeggen: “Ik ben van datgene waarover Allāhu Taʿālā heeft gezegd:فَلَا تَعۡلَمُ نَفۡسٞ مَّآ أُخۡفِيَ لَهُم مِّن قُرَّةِ أَعۡيُنٖ جَزَآءَۢ بِمَا كَانُواْ يَعۡمَلُونَ ١٧

Niemand weet wat voor hen verborgen blijft voor plezier, als een beloning voor wat zij plachten te doen. (Sajdah, 32:17)

Daarna zal hij bij haar komen en eveneens zeventig jaar met haar doorbrengen.

Zo zal het huwelijksleven van de mens in het Paradijs blijven voortduren.

كَذَٰلِكَ وَزَوَّجۡنَٰهُم بِحُورٍ عِينٖ ٥٤

Zo is het. En Wij zullen hen met schone meisjes die grote mooie ogen hebben, verenigen. (Dukhān, 44:54)

Het woord ḥūrī in de āyāt duidt op een vrouw met een heldere, lichte huid, en ʿayn betekent dat zij grote, mooie ogen hebben. Dit is ook de opvatting van de meeste geleerden, waaronder Qatādah.

Qatādah zegt:

إِنَّ أَصۡحَٰبَ ٱلۡجَنَّةِ ٱلۡيَوۡمَ فِي شُغُلٖ فَٰكِهُونَ ٥٥

Waarlijk, de bewoners van het Paradijs zullen op die Dag bezig zijn met prettige dingen. (Yāsīn, 36:55)

De betekenis van deze āyah is als volgt: met ‘bezig zijn op die Dag’ wordt bedoeld dat men een aangename tijd zal doorbrengen. Dit betreft met de ḥūrī’s en etenswaren en dranken in het Paradijs. Ḥasan al-Baṣrī (رحمه الله) heeft ook uitgelegd dat wat in deze āyah bedoeld wordt, gelukzaligheid is.

Volgens deze geleerden hebben de āyāt:

هُمۡ وَأَزۡوَٰجُهُمۡ فِي ظِلَٰلٍ عَلَى ٱلۡأَرَآئِكِ مُتَّكِـُٔونَ ٥٦

Zij en hun vrouwen zullen zich in de schaduwen bevinden, op rustbanken leunend. (Yāsīn, 36:55)

أُوْلَٰٓئِكَ لَهُمۡ رِزۡقٞ مَّعۡلُومٞ ٤١ Voor hen (de bewoners van het Paradijs) zal er een bekende voorziening zijn. (Sāfāt, 37:41)

Deze twee āyāt hebben twee betekenissen. Volgens de eerste mening zullen ze zich naar wens in het Paradijs kunnen ontspannen.

Dit is de mening van Muqātil.

Volgens de tweede mening zullen ze zich ‘s ochtends en ‘s avonds ontspannen, of alleen tijdens de eetmomenten (op andere momenten zullen ze rondwandelen of tijd met hun echtgenoten doorbrengen). Dit is de mening van Ibn al-Sa’īb (رَحِمَهُم اللهُ ).

Degenen die de tweede mening aanhangen, brengen als bewijs de āyah aan:

لَّا يَسۡمَعُونَ فِيهَا لَغۡوًا إِلَّا سَلَٰمٗاۖ وَلَهُمۡ رِزۡقُهُمۡ فِيهَا بُكۡرَةٗ وَعَشِيّٗا ٦٢

Zij zullen daarin geen onzinnige gesprekken horen maar slechts de vredesgroet. En zij zullen daar hun levensonderhoud hebben, in de ochtend en de middag. (Maryam, 19:62)

Volgens onze geleerden bestaat er in het Paradijs geen nacht en dag, want het Paradijs is volledig verlicht, er is nooit duisternis. Het moment van nacht en dag in het Paradijs wordt begrepen door het openen en sluiten van de poorten. Volgens Ibn al-Jawzī, ook bekend als Abū al-Faraj, wordt het avondtijdstip vastgesteld wanneer de poorten van het Paradijs sluiten. Wanneer de poorten openen, begrijpen de bewoners dat het ochtend is.

at-Tirmiḏī, wiens echte naam Abū ‘Abdallāh Abū Isā is, heeft in zijn boek “Geselecteerde aḥadīth” overgeleverd van Abū Kalābah (رضي الله عنه): Er kwam een man en vroeg: “O Rasûlullāh! Zal er nacht zijn in het Paradijs?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg: “Waarom stel je zo’n vraag?” De man antwoordde: "In de āyah staat: En zij zullen daar hun levensonderhoud hebben, in de ochtend en de middag. (zie hierboven Maryam, 19:62)

Ochtend en avond zijn momenten van nacht en dag." Hierop antwoordde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): "Er zal geen nacht zijn in het Paradijs. Alles is gevuld met het licht (nūr). Dit licht stroomt ‘s ochtends en ‘s avonds in het Paradijs.

Tijdens de ṣalāh-tijden worden de bewoners van het Paradijs gezegend met diverse geschenken. De engelen geven de bewoners van het Paradijs de salām-groet. Zo worden ook de ṣalāh-tijden begrepen.”

Uit de āyāt blijktdat er ook vruchten in het Paradijs zijn.

وَأَمۡدَدۡنَٰهُم بِفَٰكِهَةٖ وَلَحۡمٖ مِّمَّا يَشۡتَهُونَ ٢٢

En Wij zullen hen van fruit en vlees voorzien, zoals zij dat wensen. (Ṭūr, 22)

Er zullen alle soorten verse en gedroogde vruchten in het Paradijs zijn.

Ibn ‘Abbās (رضي الله عنهما) zegt dat uit de āyah:وَدَانِيَةً عَلَيۡهِمۡ ظِلَٰلُهَا وَذُلِّلَتۡ قُطُوفُهَا تَذۡلِيلٗا ١٤

En haar schaduwen zijn voor hen dichtbij en de trossen fruit daarvan hangen laag, binnen hun bereik. (Insān, 76:14)

Blijkt dat hiermee de takken van de bomen en hun schaduw in het Paradijs worden bedoeld. “en de trossen fruit daarvan hangen laag, binnen hun bereik”. (zie hierboven Insān, 76:14) Dat wil zeggen, de takken van de bomen buigen door het gewicht van de vruchten naar de grond. Ook liggen de vruchten laag zodat de bewoners gemakkelijk kunnen eten wat ze willen. Sommige rijpe vruchten zullen vanzelf op de grond vallen.

Ibn al-Mubārak overlevert van Barrā ibn ‘Āzib (رضي الله عنه): Hij legt de 14de āyah van surah al-Insān (zie hierboven) als volgt uit: De bewoners van het Paradijs zullen zoveel vruchten eten als zij willen, van welke plaats zij ook wensen. Sommigen zullen vruchten van lage takken plukken, anderen zullen op de grond liggen om te eten.

Ibn Wahb overlevert: van Zayd ibn Aslam (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: "De bewoners van het Paradijs, die een lengte hebben van 60 armlengte, zullen staand dadels eten van de palmbomen, zonder dat zij de bomen hoeven te beklimmen."

Yaḥyā ibn Salām overlevert van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei "De bewoners van het paradijs zullen, terwijl zij op hun bed liggen, de vruchten die zij wensen van de bomen kunnen plukken en eten. Zij zullen zelfs, zonder zich te verplaatsen, naar andere bomen reiken en daarvan de vruchten plukken.”

De āyah: يُطَافُ عَلَيۡهِم بِصِحَافٖ مِّن ذَهَبٖ وَأَكۡوَابٖۖ وَفِيهَا مَا تَشۡتَهِيهِ ٱلۡأَنفُسُ وَتَلَذُّ ٱلۡأَعۡيُنُۖ وَأَنتُمۡ فِيهَا خَٰلِدُونَ ٧١

Gouden dienbladen en kopjes zullen onder hen rondgaan. Daarin is alles wat hun harten verlangen, alles waar de ogen zich in kunnen verheugen, en jullie zullen daarin voor altijd verblijven. (Zukhruf, 43:71) heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) als volgt uitgelegd: “De persoon met de minste genietingen in het Paradijs zal aan zijn hof door 10.000 dienaren worden bediend. Iedere dienaar zal twee kruiken in zijn hand hebben: één van goud en één van zilver. De kleur en inhoud van elke kruik zal verschillen van de andere." Deze ḥadīth is vermeld door al-Qutbī in zijn werk over ‘Geselecteerde aḥādīth’.

De mufassirūn zeggen: de persoon die zich op de laagste rang in het paradijs bevindt, zal 70.000 dienaren hebben. Deze zullen hem bedienen met 70.000 kruiken. In elke kruik bevindt zich een andere gunst, en geen enkele lijkt op de andere. Deze persoon zal eten en drinken zoveel hij wil. Eveneens zullen hem met evenveel bekers dranken worden aangeboden.

In andere āyāt wordt gezegd:

وَدَانِيَةً عَلَيۡهِمۡ ظِلَٰلُهَا وَذُلِّلَتۡ قُطُوفُهَا تَذۡلِيلٗا ١٤

En haar schaduwen zijn voor hen dichtbij en de trossen fruit daarvan hangen laag, binnen hun bereik.

وَيُطَافُ عَلَيۡهِم بِـَٔانِيَةٖ مِّن فِضَّةٖ وَأَكۡوَابٖ كَانَتۡ قَوَارِيرَا۠ ١٥

En onder hen wordt rondgegaan met zilveren schalen en glazen van kristal. (Insān, 76:14-15)

Verder wordt vermeld dat zij, hoewel zij als kristal zijn, ‘zilveren schalen en glazen van kristal’ zullen zijn.

Volgens Mujāhid en as-Suddī zijn deze schalen zuiver en helder, maar van zilver. Dat wil zeggen: zij zijn gemaakt van puur zilver, maar de inhoud ervan is transparant. De aarde in deze wereld is zoals wij die kennen, maar de aarde van het paradijs is van zilver of goud. Daarom worden de schalen in het Paradijs gemaakt van goud en zilver. Toch schitteren zij als glas en zijn zij als kristal.

Ibn ‘Abbās (رضي الله عنهما) is eveneens deze mening toegedaan, want de aarde van het paradijs bestaat uit goud en zilver. Zoals in deze wereld voorwerpen die van aarde zijn gemaakt doorzichtig en kleurloos kunnen zijn, zo zullen ook de voorwerpen in het paradijs, die van goud en zilver zijn gemaakt, een transparant inhoud hebben.

Uit de āyah:

قَوَارِيرَاْ مِن فِضَّةٖ قَدَّرُوهَا تَقۡدِيرٗا ١٦

Kristalhelder, gemaakt van zilver. Zij zullen de maat daarvan bepalen volgens hun wensen. (Insān, 76:16), blijkt dat de voorwerpen in het paradijs de vorm en grootte zullen hebben die de bewoners wensen.

Volgens Ibn ‘Abbās (رضي الله عنهما) en Mujāhid is de betekenis van deze āyah als volgt: in het paradijs wordt ieder behandeld naar gelang zijn daden en rang.

Daarom is ook de mate waarin iemands wensen worden vervuld afhankelijk van zijn rang. Sommigen zullen in mooiere bekers nog voortreffelijkere dranken ontvangen.

Volgens de āyah: إِنَّ ٱلۡأَبۡرَارَ يَشۡرَبُونَ مِن كَأۡسٖ كَانَ مِزَاجُهَا كَافُورًا ٥

Waarlijk, de vromen zullen drinken uit een beker waarvan de mengdrank ‘Kafoer’ (kamfer) is. (Insān, 76:5), zullen er voor degenen met een hogere rang speciale dranken worden geschonken.

De āyah: يُطَافُ عَلَيۡهِم بِكَأۡسٖ مِّن مَّعِينِۭ ٤٥

Zij zullen een beker aan elkaar doorgeven (met drank) uit een stromende bron. (Ṣāffāt, 37:45)

bevestigt dezelfde betekenis. Deze drank zal hen echter niet bedwelmen: لَا فِيهَا غَوۡلٞ وَلَا هُمۡ عَنۡهَا يُنزَفُونَ ٤٧

Deze drank kent geen beneveling en zij worden er niet dronken van. (Ṣāffāt, 37:47)

Wat zij drinken zal hun gezondheid ook niet schaden. Daarom zullen zij geen pijn of ongemak ervaren (zie hierboven Ṣāffāt, 37:47)

Ka’s (of kās) in de 45ste āyah van surah Ṣāffāt, betekent een beker die gevuld is met drank; het verwijst naar een gevulde schaal of drinkbeker. Een lege beker wordt geen kās genoemd. Dat betekent dat de beker die in de āyah wordt genoemd, gevuld is. De drank in het paradijs is echter bijzonder en samengesteld uit zuivere en welriekende bestanddelen: " een beker waarvan de mengdrank ‘Kafoer’ (kamfer) is. (zie hierboven Insān, 76:5) dit is de betekenis van de āyah.

وَشَجَرَةٗ تَخۡرُجُ مِن طُورِ سَيۡنَآءَ تَنۢبُتُ بِٱلدُّهۡنِ وَصِبۡغٖ لِّلۡأٓكِلِينَ ٢٠

En een boom die groeit op de Berg Sinai, die olie en een gerecht voor hen die eten levert. (Mu’minūn, 23:20)

وَيُسۡقَوۡنَ فِيهَا كَأۡسٗا كَانَ مِزَاجُهَا زَنجَبِيلًا ١٧

En daarin wordt er voor hen geschonken uit een beker waarvan de mengdrank gember is. (Insān, 76:17)

Omdat de Arabieren gember en dranken waarin het gemengd is liefhadden, wordt dit voorbeeld gegeven. Dat wil zeggen: voor de mu’mins zijn er in het Paradijs zaken die hen zullen behagen.

عَيۡنٗا فِيهَا تُسَمَّىٰ سَلۡسَبِيلٗا ١٨

Er bevindt zich daarin een bron die Salsabil genoemd wordt. (Insān, 76:18)يُسۡقَوۡنَ مِن رَّحِيقٖ مَّخۡتُومٍ ٢٥

Zij zullen zuivere gezegelde wijn te drinken krijgen. (Muṭaffifīn, 83:25)

خِتَٰمُهُۥ مِسۡكٞۚ وَفِي ذَٰلِكَ فَلۡيَتَنَافَسِ ٱلۡمُتَنَٰفِسُونَ ٢٦

Waarvan het zegel van muskus is, en laat daarom degenen die willen wedijveren, wedijveren. (Muṭaffifīn, 83:26)

Dat wil zeggen: wanneer zij deze dranken hebben gedronken, blijft er een aangename smaak in hun mond en een heerlijke geur in hun neus achter.

‘Abdullāh ibn Mas‘ūd (رضي الله عنه) heeft de 26ste āyah van surah Muṭaffifīn, (zie hierboven) als volgt uitgelegd: Wanneer wij het hebben over het koken door vrouwen, zeggen wij vaak dat er op het einde nog heerlijke specerijen aan het gerecht zijn toegevoegd. Op dezelfde manier wordt er ook muskus toegevoegd aan de dranken in het paradijs.

Ibn al-Wahb en ‘Abdullāh ibn al-Mubārak hebben eveneens deze opvatting gedeeld.

‘Abdullāh ibn al-Mubārak vermeldt dat Abū ad-Dardā’ (رضي الله عنه) de āyah:

وَمِزَاجُهُۥ مِن تَسۡنِيمٍ ٢٧ En zijn mengdrank is van (de bron) Tasnim. (Muṭaffifīn, 83:27) (of: na al deze dranken zullen zij muskus drinken) als volgt heeft uitgelegd: deze drank is wit als zilver, heeft een aangename geur en een zuivere, heerlijke smaak. Door wat zij drinken zullen de bewoners van het paradijs volledig rein worden en heerlijk geuren.

De 26ste āyah van surah Muṭaffifīn (zie hierboven) spoort aan tot het verrichten van goede daden in deze wereld.

De 27ste āyah van surah Muṭaffifīn (zie hierboven): Deze āyah is door Qatādah als volgt uitgelegd: dit is de meest waardevolle en meest bijzondere drank in het paradijs. Tasnīm verwijst naar een verheven, zoete bron die van hoog komt. Het woord wordt ook gebruikt voor tranen.

Abû Muqātil overlevert van Alī ibn Abī Ṭālib (رضي الله عنه)’s zoon en de kleinzoon van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), al-Ḥasan ibn ʿAlī (رضي الله عنه), an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) die deze āyah bevestigt en uitlegt: “In het Paradijs zijn er vier waterbronnen. Twee daarvan ontspringen van onder de Troon (`Arsh) van Allāh.

عَيۡنٗا يَشۡرَبُ بِهَا عِبَادُ ٱللَّهِ يُفَجِّرُونَهَا تَفۡجِيرٗا ٦

Een bron waarvan de dienaren van Allāh zullen drinken. Zij laten deze overvloedig stromen. (Insān, 76:6), De bron die in deze āyah wordt genoemd, is één daarvan. De andere twee zijn de wateren die genoemd worden in:

فِيهِمَا عَيۡنَانِ نَضَّاخَتَانِ ٦٦ In beiden bevinden zich twee overvloedige bronnen. (ar-Raḥmān, 55:66). Deze (twee bronnen) ontspringen van boven de `Arsh. De namen van deze twee wateren zijn Salsabīl (Insān, 76:18 ) en Tasnīm (Muṭaffifīn 83:27).”

Deze ḥadīth is opgenomen door at-Tirmiḏī in zijnboek ‘Geselcteerde aḥadīth’.

Volgens at-Tirmiḏī is Tasnīm speciaal voor degenen die later uit het Hellevuur worden gehaald. Kāfūr is voor de rechtschapenen. Met toevoeging van gember en Salsabīl worden er speciale dranken bereid voor de uitverkoren dienaren van Allāh.

Met “al-abrār” worden de rechtschapen dienaren bedoeld: de oprechten (zondeloze en godvrezende mu’mins) en de Ṣiddīqūn (de bijzondere dienaren en awliyā’). De Ṣiddīqūn worden ook “al-muqarrabūn” genoemd, dat wil zeggen: dicht bij Allāh staande bijzondere en uitverkoren dienaren.

Volgens al-Ḥasan al-Baṣrī zijn de dranken van de bewoners van het Paradijs witter dan melk en zoeter dan honing:

يُطَافُ عَلَيۡهِم بِكَأۡسٖ مِّن مَّعِينِۭ ٤٥ Zij zullen een beker aan elkaar doorgeven (met drank) uit een stromende bron.

بَيۡضَآءَ لَذَّةٖ لِّلشَّٰرِبِينَ ٤٦ Wit, verrukkelijk voor de drinkers.

وَعِندَهُمۡ قَٰصِرَٰتُ ٱلطَّرۡفِ عِينٞ ٤٨

En bij hen zullen kuise vrouwen zijn, hun blikken weerhoudend met mooie ogen.

كَأَنَّهُنَّ بَيۡضٞ مَّكۡنُونٞ ٤٩ Rein, alsof zij zorgvuldig bewaarde eieren waren. (Ṣāffāt, 37:45-49)

dat wil zeggen: mooie vrouwen en ḥūrī. Alleen hun echtgenoten zullen hen zien.

وَحُورٌ عِينٞ ٢٢ En schonen, met mooie, grote, schitterende ogen.

كَأَمۡثَٰلِ ٱللُّؤۡلُوِٕ ٱلۡمَكۡنُونِ ٢٣ Zoals welbewaarde parels. (Wāqi`ah, 56:22-23)

فِيهِنَّ خَيۡرَٰتٌ حِسَانٞ ٧٠ Daarin zullen goede en mooie vrouwen zijn. (ar-Raḥmān, 55:70)

Volgens al-Ḥasan al-Baṣrī en Ibn Zayd zijn deze ḥūrī’s volkomen zuiver. Daarom worden zij als stralend wit beschreven. Zij zijn onaangeraakt en door niemand gezien, daarom worden zij vergeleken met parels die net uit hun schelp komen.

ʿAbdullāh ibn al-Mubārak zei: “Als deze ḥūrī’s naar de wereld zouden komen, zou de hemel gevuld worden met hun licht. Door de glans van slechts één van hen zouden onze ogen verblind raken en zouden wij niets meer kunnen zien.”

Met de mooie ḥūrī ‘s die in de āyah worden genoemd, wordt zowel uiterlijke schoonheid (gezicht en lichaam) als innerlijke schoonheid (karakter) bedoeld.

Het woord ḥūrī betekent: licht van huid. Zij verblijven in hun paviljoenen of paleizen en wachten op hun echtgenoten.

Volgens ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) zijn de paviljoenen in het Paradijs als paleizen bekleed met parels. Zij zijn breder dan een mijl en elke paviljoen heeft 4000 met goud versierde pilaren.

Dit is ook de mening van Qatāda ibn Diʿāmah en ʿIkrimah.

Volgens Abū al-Dardāʾ (رضي الله عنه) zijn deze paviljoenen van parels en hebben zeventig deuren, versierd met diamant.

at-Tirmiḏī vermeldt over de āyah: حُورٞ مَّقۡصُورَٰتٞ فِي ٱلۡخِيَامِ ٧٢

Schonen (ḥūrī’s ) in paviljoenen gehuisvest. (ar-Raḥmān, 55:72)

dat Abū al-Aḥwaṣ dezelfde mening had: deze paviljoenen zijn met parels bekleed.

Volgens overleveringen vormen de wolken die afkomstig zijn van de `Arsh van Allāh rivieren van mijlen lang rondom deze paviljoenen. In elk paviljoen is een eigen, bijzondere terrein en water voorhanden

ad-Dāraquṭnī vermeldt, via Muʿtamir ibn Sulaymān, dat de maagdelijke ḥūrī’s zijn geschapen uit de rivieren van het Paradijs.

Volgens al-Ḥakīm at-Tirmiḏī, Abū ʿUbayd en Qatādah is er in het Paradijs ook “Rafraf”.

Rafraf is groene kussens (rustbedden, fijne tapijten) en is iets speciaals voor de bewoners van het Paradijs, dat naar alle richtingen beweegt. Een persoon kan ermee gaan waar hij wil. Degenen die op rafraf rijden ervaren genot en reizen naar plaatsen met aangename winden. Zij horen de stem van Isrāfīl (عليه السلام). Volgens overleveringen heeft Isrāfīl (عليه السلام) de mooiste stem onder de schepselen van Allāh.

فَأَمَّا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَعَمِلُواْ ٱلصَّٰلِحَٰتِ فَهُمۡ فِي رَوۡضَةٖ يُحۡبَرُونَ ١٥

Wat betreft degenen die geloven en goede daden verrichten: zij zullen een gelukkig leven in de Tuinen der Vreugde gaan leiden. (Rûm, 30:15)

Dat wil zeggen: zij zien mooie dingen en horen prachtige geluiden (van water en vogels).

مُتَّكِـِٔ ينَ عَلَىٰ رَفۡرَفٍ خُضۡرٖ وَعَبۡقَرِيٍّ حِسَانٖ ٧٦

Leunend op groene kussens (rafraf) en op prachtige tapijten. (ar-Raḥmān, 55:76)

وَنَمَارِقُ مَصۡفُوفَةٞ ١٥ En in rijen gezette kussens. وَزَرَابِيُّ مَبۡثُوثَةٌ ١٦ En uitgerolde tapijten. (Ghāshiyah, 88:15-16)

Deze zijn versierd met robijnen en andere edelstenen.

فِي سِدۡرٖ مَّخۡضُودٖ ٢٨ Temidden van lotusbomen zonder doornen.

وَطَلۡحٖ مَّنضُودٖ ٢٩ En bananenbomen vol met vruchten. (Wāqiʿah, 56:28-29)

عَلَىٰ سُرُرٖ مُّتَقَٰبِلِينَ ٤٤ Op rustbanken tegenover elkaar. (Sāffāt, 37:44)

وَبَشِّرِ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَعَمِلُواْ ٱلصَّٰلِحَٰتِ أَنَّ لَهُمۡ جَنَّٰتٖ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهَا ٱلۡأَنۡهَٰرُۖ كُلَّمَا رُزِقُواْ مِنۡهَا مِن ثَمَرَةٖ رِّزۡقٗا قَالُواْ هَٰذَا ٱلَّذِي رُزِقۡنَا مِن قَبۡلُۖ وَأُتُواْ بِهِۦ مُتَشَٰبِهٗاۖ وَلَهُمۡ فِيهَآ أَزۡوَٰجٞ مُّطَهَّرَةٞۖ وَهُمۡ فِيهَا خَٰلِدُونَ ٢٥

En breng degenen die geloven en goede daden verrichten (en hierin standvastig blijven) blijde tijding , dat er voor hen tuinen zullen zijn waar rivieren onderdoor stromen. Elke keer als zij daarvan fruit ontvangen zullen zij zeggen: “Zie hier hetgeen ons reeds voorheen werd gegeven” en het soortgelijke zal hun gegeven worden en zij zullen daar reine echtgenoten hebben en zij zullen daar voor altijd verblijven. (Baqarah, 2:25)

5.86 De toestand van de kinderen van de moslims en de niet-moslims

Abū ʿAmr vermeldt in zijn werk et-Tamhīd ve’l-Istidhkār, en at-Tirmiḏī in zijn boek Nawādiru’l-`Uṣūl, van Alī ibn Abī Ṭālib (رضي الله عنه) de volgende āyah als volgt uitlegde:

كُلُّ نَفۡسِۭ بِمَا كَسَبَتۡ رَهِينَةٌ ٣٨ Ieder persoon is een onderpand voor wat hij verdiend heeft.

إِلَّآ أَصۡحَٰبَ ٱلۡيَمِينِ ٣٩ Behalve degenen aan de rechterzijde. (Muddaththir, 74: 38-39)

Hij zei: Met degenen (die als onderpand worden genomen) worden de kinderen van de mu’mins bedoeld. Ook andere mufassirūn zijn deze mening toegedaan en baseren zich op dezelfde overlevering als bewijs. Al-at-Tirmiḏī voegde daaraan toe dat zij als onderpand worden genomen omdat zij geen daden (aʿmāl) hebben.

Volgens Abū ʿAmr is de opvatting van de meerderheid van de geleerden dat de kinderen van de moslims in het Paradijs zullen zijn.

Sommige geleerden hebben zich echter onthouden van een uitspraak hierover. Volgens hen weten wij niet of de kinderen van mu’mins en mushriks in het Paradijs of in het Hellevuur zullen zijn. Tot deze geleerden behoren Ḥammād ibn Zayd, Ḥammād ibn Salama, ʿAbd Allāh ibn al-Mubārak en Isḥāq ibn Rāhawayh. Zij gebruiken als bewijs de ḥadīth die is overgeleverd van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Toen aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd gevraagd naar de toestand van kinderen (in het Hiernamaals), hij zei: “Allāh weet het beste wat zij zouden hebben gedaan en wat hun uiteindelijke toestand zou zijn.” (al-Bukhārī 3/245; Muslim 16/205; al-Nasāʾī 7/57)

Deze ḥadīth is van toepassing op alle kinderen. Omdat er in de ḥadīth geen onderscheid wordt gemaakt tussen (de kinderen van) mu’mins of anderen, hebben de bovengenoemde geleerden deze mening aangenomen.

al-Ḥalīmī zegt in zijn werk Minhāj ad-Dīn: “Er is geen verschil tussen de toestand van de kinderen van mu’mins en die van mushriks . (De vraag in de ḥadīth had, gezien de vraagstellers, betrekking op de kinderen van mu’mins.) Als de toestand van de kinderen van mu’mins niet met zekerheid bekend is, dan kunnen wij ook niets met zekerheid zeggen over de kinderen van mushriks . Allāh weet het het beste.

Als bewijs wordt ook een ḥadīth genoemd die is overgeleverd van een van de echtgenotes van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Er was eens een kind overleden, waarop één van de echtgenotes van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Hoe gelukkig is dit kind! Het behoort tot de vogels van het Paradijs.”

Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Hoe weet jij dat? Allāh heeft het Paradijs geschapen en heeft degenen geschapen die ernaartoe zullen gaan. En Hij heeft het Hellevuur geschapen en heeft degenen geschapen die het zullen vullen.” (Abû Dāwūd 4713; Aḥmad ibn Ḥanbal 2/244)

Al-Ḥalīmī verklaart dat in deze ḥadīth geen definitieve uitspraak over de kinderen kan worden gedaan, omdat hun toestand mogelijk afhangt van het īmān van hun ouders. Zijn de ouders mu’min, dan zullen kinderen die op jonge leeftijd overlijden in het Paradijs verkeren. Zijn de ouders echter mūnafiqs of kāfirs, dan kan hun situatie anders zijn, waardoor de opvatting van degenen die zeggen dat de kinderen van niet-mu’mins in het Hellevuur zullen zijn plausibel is. Tegelijkertijd geldt ook de tegenovergestelde mogelijkheid, aangezien de ḥadīth aangeeft dat beide uitkomsten mogelijk zijn en de uiteindelijke waarheid alleen door Allāh جل جلاله wordt geweten.

Deze overlevering dateert waarschijnlijk van vóór de openbaring van de āyah die dit onderwerp verduidelijkt. Later werd de situatie van de kinderen nader toegelicht in de Qur’ān:

وَٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَٱتَّبَعَتۡهُمۡ ذُرِّيَّتُهُم بِإِيمَٰنٍ أَلۡحَقۡنَا بِهِمۡ ذُرِّيَّتَهُمۡ وَمَآ أَلَتۡنَٰهُم مِّنۡ عَمَلِهِم مِّن شَيۡءٖۚ كُلُّ ٱمۡرِيِٕۭ بِمَا كَسَبَ رَهِينٞ ٢١

En degenen die geloven en wiens nageslacht hen in het geloof volgen: Wij zullen hen met hun nageslacht verenigen, en Wij zullen de beloning voor hun daden niet verminderen. Ieder mens staat borg voor wat hij verdiend heeft. (Tûr, 52:21)

In sommige qirā’āt wordt deze āyah ook zo gelezen:

“… Wij zullen de kinderen (en kleinkinderen) van degenen die geloven bij hen plaatsen in het Paradijs...” (Tûr, 52:21)

Op basis van deze āyah kan worden gesteld dat de kinderen van mu’mins in het Hiernamaals eveneens als mu’min zullen worden beschouwd.

Een andere ḥadīth bevestigt dit standpunt en geeft aan dat de kinderen van mu’mins het Paradijs zullen binnengaan: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: Ik wenste van Allāhu Taʿālā om degenen die in het Paradijs en degenen die in het Hellevuur zijn, te aanschouwen,

Jibra’īl en Mīkā’īl (عليهم السلام) kwamen terwijl ik sliep en ze zeiden: ‘Sta op, laten we gaan.’ Ik stond op en we vertrokken.

Ik hoorde kinderen huilen. Toen ik vroeg wie zij waren, werd mij verteld: ‘Dit zijn de kinderen van mu’mins die op jonge leeftijd zijn overleden. Ibrāhīm (عليه السلام) heeft voor hen garant gestaan en zij zijn allemaal bij hun ouders geplaatst (in het Paradijs).”

Hieruit blijkt dat de kinderen van mu’mins in het Paradijs zijn. De auteur (al-Qurṭubī) vermeldt dat deze ḥadīth is overgeleverd door Abū Dāwūd.

Van Ā’ishah bint Ṭalḥa (رضي الله عنها), via Ā’ishah (رضي الله عنها): “Er was een kind overleden en men vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) om de salāh al-janazah voor het kind te verrichten”. Ā’ishah zei: “Wat een geluk voor dit kind! Het zal een van de duiven van het Paradijs zijn.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde haar: “O Ā’ishah!

Weet jij niet dat Allāhu Taʿālā het Paradijs heeft geschapen en degenen die erheen zullen gaan? Evenzo heeft Hij het Hellevuur geschapen en degenen die erheen zullen gaan. Ieder zal volgen wat zijn vader heeft gevolgd.” (Muslim 16/212)

Op basis van dergelijke aḥadīth en āyāt hebben sommige geleerden verklaard dat de kinderen van mu’mins in het Paradijs zullen zijn, terwijl de kinderen van kāfirs in het Hellevuur.

Een ḥadīth overgeleverd door Sammah ibn Yazīd al-Jūfī (رضي الله عنه) wordt hiervoor als bewijs aangehaald: Er kwam een groep bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), waaronder mijn broer. Zij vroegen: “O Rasûlullāh! Onze moeder is overleden voor de Islām. Ze was gastvrij, hielp haar verwanten, vastte en verrichtte andere goede daden. Zullen deze haar redden?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Nee.”

Vervolgens vroegen zij: “Wij hadden ook een dochter die onze moeder begraven heeft voor de Islām. Wat is haar toestand?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Weet je niet dat zowel degene die levend begraven heeft als degene die begraven is, in het Hellevuur is? Behalve degenen die hun kinderen levend begroeven maar later de Islām accepteerden en wier zonden vergeven zijn.”

Volgens Abū ʿAmr is deze ḥadīth met een ṣaḥīḥ isnād overgeleverd. Het kan echter ook een persoonlijke beantwoording zijn voor de vraagstellers en niet algemeen gelden.

In sommige overleveringen van Salamah ibn Zayd (رضي الله عنه) wordt vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Mijn moeder is samen met jullie moeder in het Hellevuur.”

Ook Abū Dāwūd vermeldt via dezelfde overlevering:“Mijn moeder was gastvrij en goed voor haar buren. Ze begroef een dochter levend voor de Islām. Als ik iets van haar nalatenschap zou besteden op weg van Allāh, zou dat haar helpen?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Iemand die de Islām niet accepteert, profiteert daar niet van.

Jouw moeder en het kind dat levend begraven werd, zijn in het Hellevuur.”Toen hij zag dat ik bedroefd was, voegde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) toe: “Mijn moeder is ook in het Hellevuur. Voor beiden is er geen redding.”

Hāfiẓ Abū Nuaym en andere geleerden overleveren van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه) een soortgelijk incident: twee zonen van een vrouw genaamd Malikah kwamen bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zeiden: “O NabīAllah! Onze moeder diende haar man, was gehoorzaam en zorgzaam, lief voor haar kinderen en gastvrij. Maar zij begroef een dochter levend voordat wij de Islām accepteerden (in de tijd van de jahiliyah).”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Jullie moeder is in het Hellevuur.”

De twee vertrokken bedroefd, zichtbaar van streek. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) liet hen terugroepen. Ze keerden terug, enigszins gerustgesteld, hopend op aanvullende woorden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Toen zei hij: “Mijn moeder is samen met jullie moeder in het Hellevuur.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 1/398)

Bāqiyyah ibn Walīd ibn Yazīd al-ʿAlmānī overlevert, van Ā’ishah (رضي الله عنها), betreffende de kinderen van mu’mins: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De kinderen (en kleinkinderen) zijn bij hun vaders.”

Ik vroeg: “O Rasûlullāh! Ook al hebben zij geen daden verricht?”Hij antwoordde: “Allāh weet het best wat zij zouden verrichten en wat zij niet zouden verrichten.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 6/84)

Ā’ishah voegde eraan toe: Ik heb ook naar de kinderen van kāfirs gevraagd. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Zij zijn eveneens bij hun vaders.”

Opnieuw vroeg ik: “Ook al hebben zij geen daden verricht?”En hij antwoordde: “Allāh weet het best wat zij wel en niet zouden verrichten.”

Volgens Abū ʿAmr is ʿAbdullāh ibn Qāys betrouwbaar en zijn overleveringen ṣaḥīḥ. Bāqiyyah ibn Walīd echter wordt als een zwakke overleveraar beschouwd. Desondanks is deze ḥadīth ook via andere betrouwbare kanalen overgeleverd, altijd van Ā’ishah (رضي الله عنها): ze zegt: Ik vroeg aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) over de toestand van de kinderen van mu’mins op Yawm al-Qiyāmah, en hij antwoordde: “Zij zullen in het Paradijs zijn.”

Ik vroeg over de kinderen van kāfirs die stierven vóór hun volwassenheid zei hij: “Zij zullen in het Hellevuur zijn.”

Ik vroeg: “O Rasûlullāh! Zij hebben niets (noch goed noch kwaad) gedaan en waren nog niet verantwoordelijk (voor hun daden)!”Hij zei: “Jouw Rab weet beter wat zij hebben verricht. Bij Allāh, indien je wilt, kan Ik je hun geluid van verdriet in het Hellevuur laten horen.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 6/208)

Abū ʿUmar (Ibn ʿAbdilbar) vermeldt dat Abū `Uqayl, vriend van Bahiyyah, zulke overleveringen niet ernstig nam. Ook andere geleerden zoals Abū Ahmad ibn ʿAlī en Abū Muhammed ʿAbdulhak hebben deze ḥadīth opgenomen in hun boeken.

Abū Dāwūd overlevert van Ā’ishah (رضي الله عنها). Ik vroeg over de kinderen van kāfirs:

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Zij zijn in het Hellevuur, o Ā’ishah.”“En de kinderen van mu’mins?”, vroeg ze.Hij antwoordde: “Zij zijn in het Paradijs, o Ā’ishah.”“Maar hoe kan dat? Zij hebben niets verricht, noch goed, noch slecht,” zei ze.Hij antwoordde: “Jouw Heer weet beter wat zij hebben verricht dan jij.”

Volgens sommigen zullen de kinderen op Yawm al-Qiyāmah beproefd worden en op basis daarvan naar het Paradijs of het Hellevuur gaan. Als bewijs wordt een ḥadīth aangehaald overgeleverd door Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) sprak over degenen die stierven in de periode zonder nabī, dat wil zeggen, tijden waarin geen nabī werd gezonden, of wanneer er wel een nabī was maar men hem niet kon ontmoeten of zijn boodschap horen, over hen die verstandelijke beperkt waren, en over kinderen die op jonge leeftijd overleden: “Degene aan wie geen nabī is gestuurd of die de boodschap van de nabī niet heeft ontvangen, zal zeggen: ‘Er is geen nabī of Boek naar mij gezonden.’ Vervolgens zal hij zeggen:

وَلَوۡ أَنَّآ أَهۡلَكۡنَٰهُم بِعَذَابٖ مِّن قَبۡلِهِۦ لَقَالُواْ رَبَّنَا لَوۡلَآ أَرۡسَلۡتَ إِلَيۡنَا رَسُولٗا فَنَتَّبِعَ ءَايَٰتِكَ مِن قَبۡلِ أَن نَّذِلَّ وَنَخۡزَىٰ ١٣٤

En als Wij hen niet voor zijn komst met een bestraffing vernietigd hadden, zouden zij beslist gezegd hebben: “Onze Heer! Als U ons slechts een Boodschapper had gestuurd, dan zouden wij zeker Uw Tekenen gevolgd hebben voordat wij vernederd en verworpen zouden zijn.” (Tāhā, 20:134), zal deze āyah reciteren.

Degene die verstandelijk beperkt was, zal zeggen: ‘O mijn Rab, had ik maar verstand gekregen om het goede van het kwade te onderscheiden.’ Degene die jong is overleden zal zeggen: ‘O mijn Rab, ik heb noch goede noch slechte daden verricht.”

Vervolgens zal Allāhu Taʿālā hen bevel geven dat zij naar het Hellevuur gaan.

Allāhu Taʿālā zal tot hen bevelen: “Kom op! Kom en betreed het Hellevuur.”

Volgens de kennis van Allāhu Taʿālā komen degenen die bestemd zijn voor het Paradijs, dat wil zeggen, degenen die, indien hen de gelegenheid werd geboden, goede daden zouden verrichten, en zij betreden het Hellevuur. Degenen die volgens Allahs beschikking voor het Hellevuur bestemd zijn, dat wil zeggen, degenen die, als zij de kans hadden, slechte daden zouden verrichten, weigeren het Hellevuur te betreden in ongehoorzaamheid aan Allahs bevel.

Waarop Allāhu Taʿālā zegt: “Jullie gehoorzamen Mijn bevel nog niet, hoe zouden jullie dan de bevelen van de anbiyā’ gehoorzamen?”

Abû `Umar zegt: Deze woorden zijn van Abû Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه), maar deze ṣaḥābī heeft zelf niet aangegeven of het een ḥadīth is. Abû Nuaym heeft het daarentegen als ḥadīth overgeleverd, zonder de tussenliggende overleveringsketen te vermelden.Volgens de auteur (Qurtubī) is deze overlevering zwak, aangezien het Hiernamaals een plaats van beloning is en geen beproeving.

Volgens al-Ḥalīmī is deze ḥadīth niet ṣaḥīḥ en is zij in strijd met de fundamentele geloofsprincipes van de moslims en met de primaire bronnen (dat wil zeggen de āyāt en de aḥādīth). Het Hiernamaals is geen plaats van beproeving, want daar zal iedereen Allāhu Taʿālā met zekerheid zien. Wat duidelijk gezien wordt, kan door niemand ontkend worden. De kinderen zullen in het Hiernamaals óf verstand bezitten, óf verstoken zijn van verstandelijke vermogens. Indien zij geen verstandelijke vermogens bezitten, worden zij sowieso niet beproefd. En als zij wel verstand bezitten, is er alsnog geen beproeving, want het Hiernamaals is geen plaats van beproeving.

Abû `Umar zegt: “Dit zijn overleveringen die door sufi’s (mensen van de tasawwuf) zijn overgeleverd (of slechts door ḥadīth geleerden zijn overgeleverd zonder grondig onderzoek). In deze overleveringen zitten vanuit meerdere invalshoeken problemen. De imams van de ḥadīth (muhaddithûn) en de fuqahā hebben dan ook geen waarde gehecht aan deze overleveringen.

Op basis hiervan kunnen geen stellige uitspraken worden gedaan, want īmān is een gewichtige zaak en hierin kan niet gehandeld worden op basis van zwakke of twijfelachtige overleveringen.

Imām al-Bukhārī overlevert van Samurah ibn Jundab (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “In het Paradijs is de lange man Ibrāhīm (عليه السلام), en om hem heen bevinden zich degenen die op jonge leeftijd zijn gestorven. Want ieder kind wordt geboren op de fiṭrah (dat wil zeggen: geboren met de aanleg om Allāh te kennen, in de staat van de Islām).”

Aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd gevraagd: “Geldt dit ook voor de kinderen van de mushriks ?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Ja, ook de kinderen van de mushriks (worden op de fiṭrah geboren).” (al-Bukhārī, 12/438–439; Aḥmad ibn Ḥanbal, 5/14 en 3/135)Deze ḥadīth is lang; hier is slechts het relevante gedeelte aangehaald.

Een andere ḥadīth die eveneens door Imām al-Bukhārī is overgeleverd: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De oude man die onder de boom in het Paradijs staat, is Ibrāhīm (عليه السلام), en om hem heen bevinden zich de kinderen.” (al-Bukhārī, 3/251–252., Aḥmad ibn Ḥanbal, 5/14 en 3/153)

Dit is eveneens de mening van de meerderheid van de geleerden. Zij hebben deze twee aḥādīth als bewijs aangevoerd en benadrukt dat deze tot de meest authentieke aḥādīth behoren. Hieruit volgt dat ook de kinderen van de mushriks , oftewel de kāfirs, die op jonge leeftijd zijn overleden, zich in het Paradijs bevinden. Daarnaast wordt deze opvatting ondersteund door een ḥadīth die is overgeleverd door ʿĀʾishah (رضي الله عنها).

Abû `Umar overlevert: Toen Khadījah (رضي الله عنها) aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg naar de toestand in het Hiernamaals van de zonen en dochters van niet-moslims die op jonge leeftijd gestorven zijn, antwoordde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Zij zijn met hun vaders (in het Hellevuur).”

Later, toen dezelfde vraag opnieuw aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd gesteld, antwoordde hij: “Allāh weet het beste wat hun daden zijn en wat hun toestand zal zijn.”

Nadat de āyāt over de geloofszaken in hun geheel waren neergezonden, en in het bijzonder de āyah:مَّنِ ٱهۡتَدَىٰ فَإِنَّمَا يَهۡتَدِي لِنَفۡسِهِۦۖ وَمَن ضَلَّ فَإِنَّمَا يَضِلُّ عَلَيۡهَاۚ وَلَا تَزِرُ وَازِرَةٞ وِزۡرَ أُخۡرَىٰۗ وَمَا كُنَّا مُعَذِّبِينَ حَتَّىٰ نَبۡعَثَ رَسُولٗا ١٥

Iedereen die recht gaat, gaat slechts recht ten bate van zichzelf. En iedereen die dwaalt, dwaalt slechts voor zijn eigen verlies. Niemand kan de last van een ander dragen. En Wij bestraffen nooit (iemand van jullie) tot Wij een Boodschapper hebben gezonden (die verduidelijkt wat er van jullie wordt verwacht). (Isrā, 17:15)

stelde Khadījah (رضي الله عنها) dezelfde vraag opnieuw. Daarop antwoordde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Zij zijn op de fiṭrah,” of: “Zij zijn in het Paradijs.”

Volgens ons is deze ḥadīth voldoende duidelijk. Er is geen tegenspraak tussen de uitspraak “Allāh weet het beste wat hun daden zijn en wat hun toestand zal zijn” en deze laatste aḥādīth. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf namelijk aanvankelijk aan dat er geen openbaring over dit onderwerp was en dat hij het niet wist.

Toen vervolgens de āyah “Niemand kan de last van een ander dragen” (zie hierboven Isrā, 17:15) werd geopenbaard, werd de zaak verduidelijkt, en gaf Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aan dat (alle kinderen, inclusief die van de mushriks ) in het Paradijs zullen zijn.

Want eerder was in Makkah de volgende āyah geopenbaard:قُلۡ مَا كُنتُ بِدۡعٗا مِّنَ ٱلرُّسُلِ وَمَآ أَدۡرِي مَا يُفۡعَلُ بِي وَلَا بِكُمۡۖ إِنۡ أَتَّبِعُ إِلَّا مَا يُوحَىٰٓ إِلَيَّ وَمَآ أَنَا۠ إِلَّا نَذِيرٞ مُّبِينٞ ٩

Zeg: “Ik ben geen nieuwe Boodschapper. Noch weet ik wat er met mij of jullie zal gebeuren. Ik volg slechts wat aan mij geopenbaard is, en ik ben niets anders dan een duidelijke waarschuwer.” (Aḥqāf, 46:9)

Dat wil zeggen: in die tijd was er nog geen definitief oordeel gekomen over wat het lot van de mushriks z ou zijn en hoe men zich tegenover hen moest gedragen. Daarna werd de volgende āyah geopenbaard:هُوَ ٱلَّذِيٓ أَرۡسَلَ رَسُولَهُۥ بِٱلۡهُدَىٰ وَدِينِ ٱلۡحَقِّ لِيُظۡهِرَهُۥ عَلَى ٱلدِّينِ كُلِّهِۦ وَلَوۡ كَرِهَ ٱلۡمُشۡرِكُونَ ٣٣

Hij is het Die Zijn Boodschapper gestuurd heeft met Leiding en om de godsdienst van de waarheid over alle andere godsdiensten superieur te maken, zelfs als de polytheïsten het haten. (Tawbah, 9:33)

وَلَقَدۡ سَبَقَتۡ كَلِمَتُنَا لِعِبَادِنَا ٱلۡمُرۡسَلِينَ ١٧١

En waarlijk, Ons woord is voorafgegaan aan Onze gezonden dienaren (profeten).

إِنَّهُمۡ لَهُمُ ٱلۡمَنصُورُونَ ١٧٢ Voorwaar, zij zijn het die geholpen zullen worden. (Sāffāt, 37: 171-172)

وَأُخۡرَىٰ تُحِبُّونَهَاۖ نَصۡرٞ مِّنَ ٱللَّهِ وَفَتۡحٞ قَرِيبٞۗ وَبَشِّرِ ٱلۡمُؤۡمِنِينَ ١٣

En (Hij schenkt) nog iets waar jullie van houden: hulp van Allāh en een nabije overwinning. En geef goed nieuws aan de gelovigen. (Saf, 61:13)

Met deze laatste āyāt is duidelijk gemaakt wat het uiteindelijke lot van de mushriks zal zijn.

Wiens oorspronkelijke naam Muḥammed is, İbn Sanjar, overlevert van Ḥasnâ binti Muʿāviyah en zij van haar oom: Ik vroeg aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): ‘Wie zullen zich in het Paradijs bevinden?’ Hij zei: “Nabī is in het Paradijs. Degene die op jonge leeftijd overlijdt is in het Paradijs. Degene die levend in de grond is begraven is in het Paradijs. En de martelaar is ook in het Paradijs.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 5/409)

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik heb Allāhu Taʿālā gevraagd om de kinderen niet te bestraffen, en Hij heeft mijn verzoek ingewilligd.”

Volgens sommigen zullen de kinderen van de mushriks in het Paradijs de muʾmins dienen. Dat wil zeggen dat zij zich in het Paradijs zullen bevinden, maar als dienaren. Als bewijs hiervoor hebben zij de volgende ḥadīth aangevoerd:Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De kinderen van de mushriks die op jonge leeftijd zijn overleden, zullen in het Paradijs dienen.”Deze ḥadīth is overgeleverd door Abû `Umar.

Volgens ons is deze ḥadīth niet ṣaḥīḥ.

De algemene opvatting van de geleerden bevestigt echter dat de kinderen van de mushriks zich in het Paradijs zullen bevinden of daar zullen dienen.

Daarnaast wordt in de āyah gezegd:وَإِذۡ أَخَذَ رَبُّكَ مِنۢ بَنِيٓ ءَادَمَ مِن ظُهُورِهِمۡ ذُرِّيَّتَهُمۡ وَأَشۡهَدَهُمۡ عَلَىٰٓ أَنفُسِهِمۡ أَلَسۡتُ بِرَبِّكُمۡۖ قَالُواْ بَلَىٰ شَهِدۡنَآۚ أَن تَقُولُواْ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ إِنَّا كُنَّا عَنۡ هَٰذَا غَٰفِلِينَ ١٧٢

En (gedenk) toen jullie Heer het nageslacht van de Kinderen van Adam uit hun lendenen nam, en hen deed getuigen over zichzelf (zeggende): “Ben Ik niet jullie Heer?” Zij zeiden: “Ja! Wij getuigen” (‘qālū balā’) zodat jullie op Yawm al-Qiyāmah niet zullen zeggen: “Waarlijk, wij wisten dit niet. (Aʿrāf, 7:172)

Vervolgens zijn deze mensen weer teruggebracht in de lendenen van hun vaders. Hieruit volgt dat alle mensen in het begin “Lā ilāhe illa Allāh” hebben aanvaard. Daarna hebben zij echter uit eigen wil gekozen voor het goede of het kwade.

Er is reeds vastgelegd, terwijl men zich nog in de moederschoot bevindt, of iemand tot de bewoners van het Paradijs of tot de bewoners van het Hellevuur zal behoren. Wanneer iemand aanvankelijk als behorend tot het Hellevuur is opgeschreven, maar leeft als iemand van het Paradijs, zal hem uitstel worden gegeven totdat hij uiteindelijk de daden van de bewoners van het Hellevuur verricht en in die toestand overlijdt.

Op basis hiervan geldt voor degene die op jonge leeftijd overlijdt:

1. Als hij uit een muʾmin-geslacht komt, dan is hij zowel volgens het verbond van “qālū balā” (zie hierboven Aʿrāf, 7:172) een muʾmin.

Het is aannemelijk dat hij later, wanneer hij volwassen wordt, een muʾmin zal zijn. Deze persoon behoort dus tot de bewoners van het Paradijs.

2. Als hij uit het geslacht van de mushriks komt, dan heeft hij vanwege zijn jonge leeftijd nog geen eigen keuze gemaakt. Omdat hij geen keuze heeft gemaakt, blijft hij op het oorspronkelijke verbond van “qālū balā” (zie hierboven Aʿrāf, 7:172), en is hij dus een muʾmin. De 172ste āyah uit sūrat al-Aʿrāf vormt hiervoor het bewijs. Ook deze persoon behoort dus tot de bewoners van het Paradijs.

Wij zeggen: hoe de situatie ook is, men kan stellen dat Allāhu Taʿālā de kinderen van de mushriks zal vergeven, zelfs als zij zondig zouden zijn (want eerder is in de aḥādīth reeds gesproken over de kwestie van de shafāʿah). De uitspraak in de ḥadīth: “Allāh weet het beste wat zij gedaan hebben en wat hun toestand zal zijn” wijst er eveneens op dat het oordeel hierover aan Allāhu Taʿālā toebehoort.

Abbān overlevert van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Toen aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd gevraagd naar de kinderen van de mushriks, zei hij: “Zij hebben geen goede daden waardoor zij in de hoogste graden van het Paradijs zouden verblijven, maar zij hebben ook geen slechte daden waardoor zij in het Hellevuur bestraft zouden worden. Zij zullen in het Paradijs zijn, maar zij zullen (de bewoners van het Paradijs) dienen.”

Yaḥyā ibn Salām overlevert in zijn Tafsīr, Abū Dāwūd in zijn Musnad en ook Ḥāfiẓ Abū Nuʿaym, allen van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): “Ik vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar de kinderen van de mushriks die op jonge leeftijd zijn overleden. Zij hebben immers geen zonden waardoor zij in het Hellevuur bestraft zouden worden, maar zij hebben ook geen goede daden om het Paradijs te verdienen.”Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Zij zullen in het Paradijs dienen.”

al-Ḥākim at-Tirmiḏī overlevert eveneens van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ieder kind, of het nu van een kāfir of een muʾmin is, wordt geboren op de fiṭrah (van de Islām). Daarna komen de shayāṭīn over hen en distantiëren hen van de godsdienst van Allāh. Zij maken hen christen, jood, magiër of willen dat zij mushrik worden.”

Daarnaast overlevert at-Tirmiḏī van ʿIyāḍ ibn Ḥammād al-Mujāshiʿī (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tijdens een preek (khuṭbah): “Allāhu Taʿālā heeft mij opgedragen jullie het volgende te leren: ‘Ik heb al Mijn dienaren geschapen op de tawḥīd (geloof). Daarna kwamen de shayāṭīn tot hen en verwijderden hen van Mijn godsdienst. Zij (de shayāṭīn ) droegen hen op om naast Allāh andere goden te aanbidden (shirk), en ik heb voor hen de dingen die Ik aanvankelijk aan hen had beloofd, verboden gemaakt. (Muslim, 7/197 en 199)

At-at-Tirmiḏī zegt: Kinderen blijven vrij van zonde totdat zij het wereldse leven beginnen te begrijpen en zelfbewust worden. In die fase worden zij gerekend tot de Islām. Zodra zij echter het onderscheid tussen goed en kwaad kunnen maken, kiezen zij zelf. Op basis daarvan behoren zij uiteindelijk tot de bewoners van het Paradijs of tot de bewoners van het Hellevuur. Degenen die tot de bewoners van het Hellevuur gaan behoren, worden de gunsten ontnomen die hun in hun kinderjaren, toen zij tot de bewoners van het Paradijs werden gerekend, waren toegezegd.

Afgezien van de anbiyā’ zijn er voor de mensen talrijke tekenen in de schepping en in het leven die hen leiden naar het kennen van Allāhu Taʿālā en Zijn geboden, zoals de maan, de zon, de sterren, het scheiden van de zeeën van elkaar en het verschil tussen dag en nacht.

Volgens ons ondersteunen ook deze laatste aḥādīth onze opvatting. Hieruit volgt dat ook de kinderen van de mushriks die op jonge leeftijd overlijden, tot de bewoners van het Paradijs behoren.

Wat betreft de kwestie van de fiṭrah: hiervoor kan men het gedeelte van de tafsīr van sūrah ar-Rūm in ons tafsīr werk raadplegen.

5.87 Beloning voor degenen die hun kind op jonge leeftijd hebben verloren

Abû Ḥassān zegt: Twee van mijn kinderen waren overleden. Ik vroeg aan Abû Hurayrah (رضي الله عنه) of hij een ḥadīth kende die mijn hart zou kunnen verlichten. Abû Hurayrah (رضي الله عنه) antwoordde: “Ja, kinderen die op jonge leeftijd overlijden zijn de gidsen van het Paradijs. Zij zullen hun vader tegemoetkomen, zich aan zijn kleding vastklampen en hem het Paradijs binnenleiden.” (Muslim, 16/182; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/488 en 510)

Abū Dāwūd overlevert van Shuʿbah en Muʿāwiyah ibn Kurrah (رضي الله عنهما): Er was een man uit de Anṣār die samen met zijn zoon naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam en over zijn zoon klaagde. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg: “Houd je van je zoon?”De man antwoordde: “Ja.”Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Moge Allāh jou liefhebben zoals jij hem liefhebt.”

Na enige tijd werd de man niet meer gezien. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg naar hem. Men zei: “O Rasûlullāh, zijn zoon is overleden.”Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Wat zijn toestand ook zal zijn, wanneer hij bij de poort van het Paradijs komt, zal (zijn overleden kind) hem tegemoetkomen, de poort openen (en hem naar binnen leiden).”

De aanwezigen vroegen: “O Rasûlullāh, geldt deze blijde tijding alleen voor hem of ook voor ons?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Nee, dit geldt voor jullie allen.” (Nasāʾī, 2/296; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/226 en 3/436)

Overgeleverd door Abû `Umar in zijn werk at-Tamhīd, waarin hij de ḥadīth als ṣaḥīḥ beschouwt.

Abū Dāwūd overlevert in zijn Musnad van ʿUbādah ibn aṣ-Ṣāmit (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Vrouwen die in het kraambed overlijden (dat wil zeggen: muʾmin-vrouwen die tijdens de bevalling sterven), zullen door hun kinderen bij hun bed worden vastgepakt en het Paradijs binnengeleid.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/489)

De eerste betekenis die wij uit deze aḥādīth halen, is dat de kinderen van de muʾmins tot de bewoners van het Paradijs behoren. Dit bevestigt de opvatting die eerder is genoemd.

Dit is ook de betekenis van de āyah:وَٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَٱتَّبَعَتۡهُمۡ ذُرِّيَّتُهُم بِإِيمَٰنٍ أَلۡحَقۡنَا بِهِمۡ ذُرِّيَّتَهُمۡ وَمَآ أَلَتۡنَٰهُم مِّنۡ عَمَلِهِم مِّن شَيۡءٖۚ كُلُّ ٱمۡرِيِٕۭ بِمَا كَسَبَ رَهِينٞ ٢١

En degenen die geloven en wiens nageslacht hen in het geloof volgen: Wij zullen hen met hun nageslacht verenigen, en Wij zullen de beloning voor hun daden niet verminderen. Ieder mens staat borg voor wat hij verdiend heeft. (Ṭūr, 21)

Hoewel sommige geleerden zich tegen deze opvatting hebben uitgesproken en hebben gezegd dat deze āyah uitsluitend betrekking heeft op de kinderen van de anbiyā’ (عليهم السلام) en moge Allāh ons hun shafāʿah doen verkrijgen, (is de juiste opvatting zoals hierboven vermeld).

Imām al-Bukhārī overlevert van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie drie kinderen verliest vóórdat zij de `aql en bulūgh*- leeftijd bereiken, voor hem zal er een barrière tussen hem en het Hellevuur worden geplaatst en hij zal het Paradijs binnengaan.” (al-Bukhārī, 3/118; Aḥmad ibn Ḥanbal, 2/276 en 3/306)[*: ʿaql is verstand/vermogen om morele keuzes te maken en bulūgh is de leeftijd/puberteit waarop men religieus verantwoordelijk wordt.]

De auteur (al-Qurṭubī) zegt: Onze geleerden zijn het erover eens dat met de uitdrukking “voordat zij de `aql en bulūghleeftijd bereiken” bedoeld wordt: vóór de puberteit hebben bereikt.

Imām at-Tirmiḏī overlevert van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie in zijn leven drie kinderen heeft begraven die de leeftijd van de bulūgh nog niet hebben bereikt, zullen een bescherming krijgen tegen het Hellevuur zijn.” (at-Tirmiḏī, 1061; Ibn Mājah, 1606; Aḥmad ibn Ḥanbal, 1/426)

Toen Abû Ẓar (رضي الله عنه) vroeg: “En wat als iemand twee kinderen heeft verloren?” antwoordde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Ook degene met twee (wordt beschermd).”

Toen Ubayy ibn Kaʿb (رضي الله عنه) vroeg: “En als iemand één kind heeft verloren?” antwoordde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Ook die persoon (wordt beschermd), mits het zijn eerste kind was.” (at-Tirmiḏī, 1061) Volgens at-Tirmiḏī is deze ḥadīth gharīb. Ibn Mājah heeft deze eveneens overgeleverd.

Deze ḥadīth toont aan dat de kinderen van muʾmins die op jonge leeftijd overlijden, in het Paradijs zullen zijn.

Abū ʿUmar ibn ʿAbdulbar zegt: “De geleerden waren het erover eens dat de kinderen van muʾmins die op jonge leeftijd overlijden in het Paradijs zijn. Er moet geen aandacht worden gegeven aan opvattingen die daarbuiten vallen.”

Er zijn echter enkele khabar-i wāḥid (een overlevering via één keten van overleveraars) via betrouwbare overleveraars van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) waarin wordt gezegd: “Degene die voorbestemd is voor het Hellevuur, wordt al in de moederschoot als inwoner van het Hellevuur bepaald, want een toegewezen engel komt en schrijft zijn levensonderhoud en zijn levensduur op.” (Ibn Mājah, 46.; Aḥmad ibn Ḥanbal, 4/76)Deze ḥadīth geldt echter niet voor de kinderen van muʾmins, want het kind van een muʾmin bevindt zich in de buik van een bewoner van het Paradijs en blijft zo beschouwd totdat het de bulūgh bereikt.

Van ʿĀ’ishah (رضي الله عنها): “Allāhu Taʿālā heeft zowel het Paradijs als degenen die daarin zullen verblijven geschapen. De bewoners van het Paradijs zullen de voetsporen van hun ouders volgen. Evenzo heeft Allāhu Taʿālā het Hellevuur geschapen, evenals degenen die daarin zullen worden geplaatst. De kinderen van degenen die naar het Hellevuur gaan, zullen hun voorbeeld volgen.”Deze ḥadīth is zwak, omdat de overleveraar Ṭalḥa ibn Yahyā geen betrouwbare persoon was en de inhoud in tegenspraak is met andere ḥadīth en āyāt.

5.88 Wat zullen de bewoners van het Paradijs het eerst eten?

Van Abū Saʿīd al-Ḥudrī (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op Yawm al-Qiyāmah zal de wereld als een brood zijn. Zoals jullie tijdens een reis je brood in je hand houden, zo zal Allāhu Taʿālā de wereld in Zijn hand nemen en deze gebruiken als voedsel voor de bewoners van het Paradijs.”

Een jood kwam en vroeg: “O Abû Qāsim! Zal ik je vertellen wat de bewoners van het Paradijs eerst zullen eten?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ja”.De jood zei: “Die dag zal de wereld als een brood zijn.” Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) glimlachte tot zijn tanden zichtbaar waren. Daarna vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Wil je dat ik je vertel wat ze daarnaast zullen eten?” Hij zei: “Ja”. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Balām en Nūn.”De jood vroeg: “Wat is dat?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Het is rundvlees en vis. Uit slechts één lever daarvan worden 70.000 mensen verzadigd.” (al-Bukhārī, 11/372; Muslim, 17/135)

Van Rasûlullāhs (صلى الله عليه وسلم) dienaar Sāwban (رضي الله عنه): Ik zat bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) toen een joodse rabijn binnenkwam en zei: ‘Vrede zij met jou, Muḥammad.’ Ik stootte hem aan en zei: ‘Waarom stoot je me aan? “Zeg je dan niet Rasûlullāh?”, waarschuwde ik.Rabijn zei: ‘Ik noem hem bij de naam die mensen hem hebben gegeven.’ Toen zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): ‘Ja, mijn naam is Muḥammad, dat is de naam die men mij heeft gegeven.’ De rabijn zei: ‘Ik ben gekomen om u iets te vragen.’ Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Wat schiet je ermee op als ik het je vertel?’ De rabijn zei: ‘Ik zal luisteren naar wat je gaat zeggen.’ Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zweeg even en zei toen: ‘Vraag het maar.’”

De rabijn vroeg: “Waar zullen zij zijn wanneer de wereld en de hemelen verdwijnen op Yawm al-Qiyāmah?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “In een donkere plek nabij de Brug (Ṣirāṭ).”De rabijn vroeg: “Wie zal als eerste de Brug overgaan?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De arme muʾmins die van Makkah naar Madīnah zijn geëmigreerd.”De rabijn vroeg: “Wat zullen ze eten wanneer ze het Paradijs als eerste binnengaan?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Vislever.”De rabijn vroeg: “En daarna?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een os die in het Paradijs is grootgebracht zal worden geslacht, en allen zullen daarvan eten.”De rabijn vroeg: “Wat zullen ze drinken wanneer ze het Paradijs als eerste binnengaan?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ze zullen drinken van het water dat Salsabīl wordt genaamd.” (Muslim, 3/226-227)

UitlegEr is geen andere overlevering vergelijkbaar met deze ḥadīth die door Imām Muslim is overgeleverd. De ḥadīth is zeer duidelijk en authentiek (ṣaḥīḥ).

In de ḥadīth wordt één van de namen van Allāh genoemd: “al-Jabbār”. Deze naam is bijzonder geschikt, omdat zij de goddelijke macht aanduidt die past bij de ḥadīth waarin wordt beschreven dat de wereld als een soort cirkel of draaiend geheel zal zijn.

Het woord “nuzūl” dat in de ḥadīth voorkomt, verwijst naar een lichte snack of tussendoortje, iets dat wordt gegeten voor de hoofdmaaltijd. Het duidt op de eerste etenswaren die men zal nuttigen bij het binnengaan van het Paradijs, waarna de eigenlijke maaltijd zal volgen.

In een ḥadīth wordt gezegd: “In deze wereld en in het Hiernamaals is het mooiste van de hoofdmaaltijden vlees.”

Ibn al-Mubārak zegt dat Kaʿb het volgende heeft verteld: wanneer de mu’mins het Paradijs binnengaan, zegt Allāhu Taʿālā: “Iedere gast wordt de eerste keer dat hij komt, met gastvrijheid ontvangen. Mijn geschenk aan jullie is vis en rundvlees”, en Hij biedt hen vis en rundvlees aan.

5.89 De poort van het Paradijs is “Lā Ilāha Illa Allāh” en “de salāh”

Van Jābir ibn ʿAbdullāh (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De sleutel van de ṣalāh is wudû’, en de sleutel van het Paradijs is de ṣalāh.” (Muslim, 668; Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/340) Deze ḥadīth wordt ook door Abū Dāwūd overgeleverd.

al-Bayhaqī overlevert: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft Muʿāz ibn Jabal (رضي الله عنه) bij zijn uitzending naar Yemen geadviseerd: “Wanneer je daar aankomt, zullen de lieden van het Boek (joden en christenen) je bevragen over de sleutel van het Paradijs om je te beproeven. Vertel hun dat de sleutel van het Paradijs ‘Lā Ilāha Illa Allāh’ is.”

Imām al-Bukhārī overlevert: Men vroeg aan Wahb: “Is ‘Lā Ilāha Illa Allāh’ niet de sleutel van het Paradijs?” Hij antwoordde: “Ja, maar elke sleutel heeft tanden. Maar als de sleutel geen tanden heeft, werkt het niet.”

UitlegVolgens ons is de sleutel van het Paradijs tawḥīd, oftewel geloof in de eenheid van Allāh, en de tanden van de sleutel zijn de aanbiddingen (ʿibādāt). Er zijn ook geleerden die zeggen dat alleen tawḥīd voldoende is.

In veel āyāt van de Qur’ān worden geloof en goede daden samen genoemd, bijvoorbeeld:

وَبَشِّرِ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَعَمِلُواْ ٱلصَّٰلِحَٰتِ أَنَّ لَهُمۡ جَنَّٰتٖ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهَا ٱلۡأَنۡهَٰرُۖ َ ٢٥

En breng degenen die geloven en goede daden verrichten (en hierin standvastig blijven) blijde tijding , dat er voor hen tuinen zullen zijn waar rivieren onderdoor stromen… (Baqarah, 2:25)

إِنَّ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَعَمِلُواْ ٱلصَّٰلِحَٰتِ كَانَتۡ لَهُمۡ جَنَّٰتُ ٱلۡفِرۡدَوۡسِ نُزُلًا ١٠٧

Waarlijk! Degenen die geloven en goede daden verrichten zullen de Tuinen van het Paradijs als hun verblijf krijgen. (Kahf, 18:107)

En in nog vele andere āyāt worden īmān en daden (ʿamal) samen genoemd. Dit komt overeen met de eerder genoemde aḥadīth.

Van Abû Ẓar (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degene die sterft zonder enig deelgenoot aan Allāh toe te kennen, zal het Paradijs binnengaan.” Abû Ẓar vroeg: “Zelfs als hij overspel of diefstal pleegt?” Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Ja, zelfs als hij overspel pleegt of steelt, zal hij het Paradijs binnengaan.” (al-Bukhārī, 10/283; Muslim, 2/93-94; Aḥmad ibn Ḥanbal, 1/382, 3/79, 5/166, 6/450)at-Tabarānī overlevert van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer de Engel des Doods komt om iemands rūḥ weg te nemen, onderzoekt hij die persoon van top tot teen, maar vindt op geen enkel lichaamsdeel één goed werk. Dan opent en bekijkt hij ook zijn hart; ook daar is niets. Daarna onderzoekt hij het gezichtshaar en ziet dat een deel van de tong zegt: ‘Lā Ilāha Illa Allāh’. De engel zegt dan tegen de man: ‘Vreugde voor jou! Door dit oprechte geloof zul je het Paradijs binnengaan.”

5.90 Degene die ‘Lā Ilāha Illa Allāh’ zegt is beschermd

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik ben bevolen om tegen degenen te strijden die niet ‘Lā Ilāha Illa Allāh’ zeggen en die niet geloven in mij en wat ik heb gebracht. Als zij geloven, worden hun bezit en hun leven beschermd door mij.

Wat zij eerder hebben gedaan, en eventuele rechten van mensen op hen, wordt overgelaten aan Allāh’s oordeel.” (Muslim, 1/206; al-Bukhārī, 3/262; an-Nasā’ī, 7/77; at-Tirmiḏī, 2606 en 2608; Ibn Mājah, 71 en 3928; Aḥmad ibn Ḥanbal, 1/11 en 2/377)