As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

At-Tazkira — Hoofdstuk 6: Fitan, oorlogen en tekenen van Yawm al-Qiyāmah

Auteur: Imam Al-Qurtubi

Onderwerp: Hiernamaals & eindtijd

Lees dit boek in de online lezer

Hoofdstuk 6: Fitan (beproevingen), oorlogen en tekenen van Yawm al-Qiyāmah

6.1 Het bloed/leven, het bezit en de eer van een mu’min zijn onschendbaar (harām) en vallen onder de bescherming van Allāh

Van Abû Sa`īd al-Khudrī (رضي الله عنه): Hij heeft tijdens de Afscheidsḥaj het volgende overgeleverd: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voorwaar, jullie meest heilige en gezegende dag is deze dag.

De meest heilige maand is deze maand waarin wij ons bevinden.

En op aarde is er geen heiliger en waardevoller plaats dan deze stad.

Zo zijn jullie bloed, jullie bezittingen en jullie eer voor elkaar even heilig als deze gezegende dag, deze gezegende maand en deze gezegende stad; en het is voor jullie onderling verboden.

Heb ik het niet overgebracht?”

Toen de aanwezigen zeiden: “Ja,”

Toen zei Rasûlullāh: “O Allāh, wees getuige.” (Ibn Mājah, 3931; Tirmidhī, 2109; Imām Aḥmad, 3/80; Muslim, 11/199 en 170)

Ook Abû Bakr as-Siddīq (رضي الله عنه) en Jabir ibn `Abdullah (رضي الله عنه) hebben deze ḥadīth overgeleverd.

Van`Abdullah ibn `Amr ibn al-`al-ʿĀṣ (رضي الله عنهما): Terwijl ik ommegang (tawāf) rond de Ka‘bah verrichtte, kwam ik Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen. Hij zei: “Hoe mooi ben jij (o Ka‘bah)! Hoe aangenaam is jouw geur. Hoe heilig en gezegend ben jij. Bij Allāh, Degene in Wiens Hand mijn ziel is, het bezit en het leven van een mu’min zijn bij Allāh waardevoller en heiliger dan jij. En slecht denken en spreken over een mu’min is erger (dan het schenden van jouw heiligheid).” (Ibn Mājah, 3392)

Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het bloed, het bezit en de eer van een mu’min zijn voor een andere mu’min harām. (Muslim, 16/120-121; Abū Dāwūd, 4861; Tirmidhī, 1927; Ibn Mājah, 3933; Imām Aḥmad, 2/277 en 360)

En opnieuw van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degene die zijn zwaard op zijn mu’min-broeder richt, wordt vervloekt door alle engelen.” (Tirmidhī, 2167; Muslim, 17/169; Imām Aḥmad, 6/266) Tirmidhī zegt dat deze ḥadīth zowel ḥasan als ṣaḥīḥ is, al zijn er ook enkele gharīb overleveringen.

6.2 De toestand van degene die een mu’min doodt of daarbij hulp verleent

وَمَن يَقۡتُلۡ مُؤۡمِنٗا مُّتَعَمِّدٗا فَجَزَآؤُهُۥ جَهَنَّمُ خَٰلِدٗا فِيهَا وَغَضِبَ ٱللَّهُ عَلَيۡهِ وَلَعَنَهُۥ وَأَعَدَّ لَهُۥ عَذَابًا عَظِيمٗا ٩٣

En iedereen die bewust een gelovige doodt, zijn vergelding is de Hel om daarin eeuwig te verblijven. En de woede en de vloek van Allāh is over hem en Hij bereidt voor hem een grote bestraffing voor. (Nisā’, 4:93)

وَٱلَّذِينَ لَا يَدۡعُونَ مَعَ ٱللَّهِ إِلَٰهًا ءَاخَرَ وَلَا يَقۡتُلُونَ ٱلنَّفۡسَ ٱلَّتِي حَرَّمَ ٱللَّهُ إِلَّا بِٱلۡحَقِّ وَلَا يَزۡنُونَۚ وَمَن يَفۡعَلۡ ذَٰلِكَ يَلۡقَ أَثَامٗا ٦٨

En degenen die geen andere godheid naast Allāh aanroepen en die niemand doden, waarvan (het doden) door Allāh verboden is, behalve volgens een gerechtelijke zaak. En die geen ontucht plegen, want wie dat doet zal een bestraffing ontvangen!

يُضَٰعَفۡ لَهُ ٱلۡعَذَابُ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ وَيَخۡلُدۡ فِيهِۦ مُهَانًا ٦٩

De bestraffing zal voor hem op Yawm al-Qiyāmah verdubbeld worden en hij zal daarin met schande verblijven. (Furqān, 25:68-69)

Van Zayd ibn Thabit (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Bij Allāh, in Wiens Hand mijn ziel is, na het toekennen van deelgenoten aan Allāh is de grootste zonde op aarde het doden van iemand die door Allāh verboden is (behalve in gevallen van oorlog of qisas (wettelijke vergelding) waarin het is toegestaan).

En bij Allāh, in Wiens Hand mijn ziel is, wanneer iemand (zonder de door de Islām geoorloofde reden, dus onterecht en zonder rechtvaardige aanleiding) moord pleegt, dan vraagt/smeekt de aarde aan Allāh toestemming om deze persoon te verzwelgen.” Deze ḥadīth is overgeleverd door ḥāfiẓ Abû Nu`aym al-Isfahani.

Hāfiẓ Abû Nu`aym al-Isfahani overlevert van Abû ad-Dardā (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh vergeeft, als Hij wil, iedere zonde, behalve degene die sterft als mushrik en degene die opzettelijk en zonder recht een mu’min doodt. (Allāhu Taʿālā vergeeft deze mensen nooit). (Abū Dāwūd, 4250; Imām Aḥmad, 4/99; An-Nasā’ī, 3984)

Nogmaals is van Abû ad-Darda (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een mu’min blijft in een goede en waardevolle toestand zolang hij geen onrechtmatig bloed vergiet. Maar wanneer hij bloed vergiet waarop hij geen recht heeft, verliest hij zijn waarde en verdwijnen al zijn goede daden.” (Muslim, 2/133; Tirmidhī, 2195; Imām Aḥmad, 2/304 en 523)

Een geleerde uit Nīshāpūr, Abû Bakr an-Nishapuri, overlevert van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie zelfs met een half woord bijdraagt aan het doden van een mu’min, of dit aanmoedigt/veroorzaakt, zal op Yawm al-Qiyāmah op zijn voorhoofd worden geschreven: ‘Dit is degene die verstoken is van de barmhartigheid van Allāh.” (al-Bukhārī, 12/187; An-Nasā’ī, 2/163; Abū Dāwūd, 4250; Imām Aḥmad, 4/99)

Al-Harawī zegt: Met “een half woord” wordt bedoeld dat iemand slechts een deel van het woord “dood” uitspreekt.

Dus zelfs als iemand niet volledig zegt “dood hem”, maar bijvoorbeeld alleen “dood…”, en hierdoor een mu’min wordt gedood, of zelfs de kleinste vorm van ondersteuning biedt, dan draagt hij dezelfde zonde. Ook indirecte steun en aanwijzingen vallen hieronder.

Als voorbeeld is gezegd: “Het zwaard is (voor de kāfir en de munāfiq) de beste ‘g.” De betekenis van deze ḥadīth is: “Het zwaard is de beste ‘genezing’ voor de kāfir en de munāfiq.”

6.3 Fitnah (onenigheid en interne strijd onder de muslims) is als een schaduw in de duisternis of als regendruppels die een overstroming veroorzaken. Over het vermijden van fitnah, proberen mensen ervan weg te houden en de verdienste van ʿibādah in tijden van fitnah

وَٱتَّقُواْ فِتۡنَةٗ لَّا تُصِيبَنَّ ٱلَّذِينَ ظَلَمُواْ مِنكُمۡ خَآصَّةٗۖ وَٱعۡلَمُوٓاْ أَنَّ ٱللَّهَ شَدِيدُ ٱلۡعِقَابِ ٢٥

En vrees de beproeving die niet alleen degenen die fouten maakt onder jullie zal treffen. En weet dat Allāh streng in de bestraffing is. (Anfāl, 8:25)

كُلُّ نَفۡسٖ ذَآئِقَةُ ٱلۡمَوۡتِۗ وَنَبۡلُوكُم بِٱلشَّرِّ وَٱلۡخَيۡرِ فِتۡنَةٗۖ وَإِلَيۡنَا تُرۡجَعُونَ ٣٥

Iedere ziel zal de dood ervaren. Wij zullen jullie testen (op jullie geduld en dankbaarheid) met zowel kwade als goede beproevingen (armoede, rijkdom, ziekte en gezondheid). En tot Ons zullen jullie terugkeren (voor de beloning). (Anbiyā’, 21:35)

In vele andere āyāt worden muslims gewaarschuwd voor fitnah.

Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Neem voorzorg tegen fitnah door goede daden te verrichten. Want er zullen duistere en verwarrende fitnah komen. Op een dag zal het komen en toeslaan. Het zal zo zijn dat men ’s ochtends als mu’min opstaat en ’s avonds als kāfir in bed ligt, of als kāfir opstaat en de nacht als mu’min doorbrengt. Sommigen verlaten om een eenvoudig werelds voordeel hun godsdienst (dīn).” (al-Bukhārī, 12/187.; Nasâ`î, 2/163.; Abû Dāwūd, 4250.; İmam Ahmed, 4/99)

Van Zaynab bint Jahsh (رضي الله عنها), één van de echtgenotes van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): Op een dag kwam Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) onrustig naar buiten en gaf de mensen de volgende raad: “Lā ilāha illa Allāh! Wee de Arabieren vanwege een naderend kwaad! Binnenkort zal een fitnah hen treffen. Ya’jūj en Ma’jūj zijn opnieuw dichter bij het doorbreken van hun muur gekomen; op dit moment hebben zij hun handen als een ring gevormd en wachten (op de teken).”

Ik zei: “Zullen wij ook vernietigd worden terwijl er onder ons nog goede mensen zijn?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ja, wanneer slechte en harām zaken wijdverspreid raken (zullen jullie vernietigd worden).” (Bukhari 13/106; Muslim. 18/7 en 8; İbn Mâjah, 3953.; İmam Ahmed, 6/428)

Van Usamah (ibn Zayd) (رضي الله عنه): Op een dag liep Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) langs de buitenwijken van Madīnah en zei: “Zien jullie wat ik zie? Ik zie dat beproevingen (fitan) en rampen als regendruppels neerdalen op de plaatsen waar jullie huizen staan.” (Muslim. 18/7 en 8; Imām Ahmed. 5/200 en 208.; İmam Bukhari. 13/11)

Van Qurz ibn `Alqamah (رضي الله عنه), uit de stam van Khuza‘ah: Er kwam een man naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en vroeg: “Zal ook aan de dīn al-Islām een einde komen?”Hij zei: “Als Allāhu Taʿālā voor iemand het goede wil of hij nu Arabier is of niet dan schenkt Hij hem de Islām. Op de plaatsen waar zulke mensen leven, zal de Islām overheersen.”

De man vroeg: “En wat gebeurt er daarna?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Daarna zullen er duistere tijden komen.”

De man zei: “Nee, bij Allāh, dat zullen wij niet doen!”Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Jawel, jullie zullen dat zeker doen! Bij Allāh, daar zullen zeer slechte dingen gebeuren. Alles zal met elkaar verward raken, Jullie zullen zelfs zover gaan dat jullie elkaar de nek afhakken/naar elkaars hals grijpen”. (Imām Ahmad, 3/477) Deze ḥadīth is ook overgeleverd door al-al-Bayhaqī en Abū Dāwūd. Volgens Abū Duḥyah Abū al-Khaṭṭāb is deze ḥadīth ṣaḥīḥ.

De auteur, al-Qurtubi, zegt: “Wij hebben deze ḥadīth ook gehoord van de grote geleerde en qāḍī Abû Amir Yahya ibn Abdurrahman.

Met “duisternis” (zulmah) in de ḥadīth wordt ook “wolk” bedoeld. In een āyah staat immers:

فَكَذَّبُوهُ فَأَخَذَهُمۡ عَذَابُ يَوۡمِ ٱلظُّلَّةِۚ إِنَّهُۥ كَانَ عَذَابَ يَوۡمٍ عَظِيمٍ ١٨٩

Maar zij verloochenden hem, dus de bestraffing van de dag van de schaduw (bewolkt) greep hen, voorwaar, dat was de bestraffing van een Grote Dag. (Shu‘arā’, 189)

Van Ummu Salamah (رضي الله عنها), één van de andere echtgenotes van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd op een nacht angstig wakker en zei:“Subḥānallāh! Hoeveel schatten zijn er deze nacht geopend en hoeveel verborgen zaken zijn onthuld. En hoeveel fitnah is er neergezonden. Wie zal de vrouwen in de vertrekken (d.w.z. zijn gezegende echtgenotes) wakker maken voor de ṣalāh? Vele vrouwen die denken dat zij in deze wereld bedekt zijn, zullen in het Hiernamaals naakt worden (opgewekt).” (al-Bukhārī, 13/20; Tirmidhī, 2196; Imām Aḥmad, 6/297) Deze ḥadīth is ook overgeleverd door Imām Muslim.

Van `Ubayd ibn `Umayr: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “O jullie die in jullie huizen zorgeloos slapen! Het vuur (van fitnah) is ontbrand. Binnenkort zullen fitan als regendruppels op de aarde neerdalen. Als jullie wisten wat ik weet, zouden jullie weinig lachen en veel huilen.”

Volgens Hasan al-Qābisī heeft ʿUbayd ibn ʿUmayr, ook al noemde hij niet van wie hij deze ḥadīth hoorde, het was een betrouwbaar persoon. Hij is een ḥadīth geleerde en de ummah heeft vertrouwen in hem.

Daarom wordt deze ḥadīth als aanvaardbaar beschouwd.

Van Salim ibn `Abdullah via `Abdullah ibn `Umar (رضي الله عنهما) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Binnenkort zullen er vele fitan ontstaan onder de moslims.”

(Hij wees met zijn hand naar het oosten en zei:) “Van daaruit zullen zij komen, totdat jullie elkaars nekken neerslaan / doden.”

Terwijl Musa (عليه السلام) ooit per ongeluk iemand uit zijn volk had gedood, en Allāhu Taʿālā hem (desondanks) herinnerde:

وَقَتَلۡتَ نَفۡسٗا فَنَجَّيۡنَٰكَ مِنَ ٱلۡغَمِّ وَفَتَنَّٰكَ فُتُونٗاۚ

…Toen doodde jij een man, maar Wij redden jouw van een groot probleem en hebben je met een zware beproeving beproefd… (Tāhā, 20:40)

Van Mi`qāl ibn Yasar (رضي الله عنه), an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer er fitnah uitbreekt (onder de muslims), is ʿibādah verrichten gelijk aan het verrichten van hijrah met mij van Makkah naar Madīnah.” (Muslim, 18/88; Tirmidhī, 2201; Ibn Mājah, 3985; Imām Aḥmad, 5/25)

Met de uitdrukking “wee de Arabieren” wordt verdriet bedoeld, niet berisping. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft hiermee gebeurtenissen aangekondigd die na hem zouden plaatsvinden.

In die tijd waren de ṣaḥābah (رضي الله عنهم) arm en bezaten weinig van de weredse goederen. Zij hadden noch een land noch wereldlijke macht en hielden zich verre van status en uiterlijk vertoon. De niet-Arabieren (`ajam: met name de Perzen en andere volkeren) bezaten daarentegen veel bezittingen en veel rijkdom. Na verloop van tijd zou deze macht en rijkdom overgaan naar de moslims. De niet-Arabische volkeren zouden deze gunsten verliezen vanwege hun onrechtvaardigheid en ongeloof (kufr). De ḥadīth verwijst ook naar deze ontwikkeling.

Vervolgens zouden ook de moslims zelf beproefd worden met de macht en het rijkdom.

Zoals in de āyah wordt gezegd:وَإِن تَتَوَلَّوۡاْ يَسۡتَبۡدِلۡ قَوۡمًا غَيۡرَكُمۡ ثُمَّ لَا يَكُونُوٓاْ أَمۡثَٰلَكُم ٣٨

…En als jullie je afkeren, zal Hij jullie door een ander volk vervangen, waarna zij niet als jullie zijn. (Muhammad, 47:38)

Deze āyah duidt er eveneens op dat macht en heerschappij in de loop der tijd zullen overgaan naar anderen.

“Ja, wanneer het kwaad en slechte mensen onder jullie toenemen (zullen jullie vernietigd worden)”: Deze ḥadīth geeft aan dat, zelfs als niet alle muslims verdorven raken, wanneer het kwaad/de harām zaken zich onder de meerderheid van de ummah verspreiden, ook anderen daardoor getroffen zullen worden.

De geleerden hebben de bovenstaande ḥadīth als volgt uitgelegd: Wanneer immorele en slechte mensen talrijk worden, zullen ook de vrome en rechtschapen mensen daarvan schade ondervinden. Maar als het goede, dat wil zeggen de vrome en moreel oprechte mensen, de meerderheid vormt, dan zullen zelfs de slechte en immorele mensen die onder hen leven (in het wereldse leven) gespaard blijven van beproevingen en vernietiging.

Wanneer echter de slechte mensen de overhand krijgen en degenen die in strijd met de Islām leven dominant worden, dan geldt: als de goede mensen hen waarschuwen, zich tegen hen verzetten en zich inspannen om de geboden van Allāh te laten overheersen, zullen zij beschermd worden tegen de rampen die anderen treffen.

وَٱتَّقُواْ فِتۡنَةٗ لَّا تُصِيبَنَّ ٱلَّذِينَ ظَلَمُواْ مِنكُمۡ خَآصَّةٗۖ وَٱعۡلَمُوٓاْ أَنَّ ٱللَّهَ شَدِيدُ ٱلۡعِقَابِ ٢٥

En vrees de beproeving die niet alleen degenen die fouten maakt onder jullie zal treffen (maar iedereen). En weet dat Allāh streng in de bestraffing is.

(Aʿrāf, 8:25)وَلَا تَزِرُ وَازِرَةٞ وِزۡرَ أُخۡرَىٰۚ

…en geen enkele drager zal een last van een ander dragen… (An`ām, 6:164)

كُلُّ نَفۡسِۭ بِمَا كَسَبَتۡ رَهِينَةٌ ٣٨

Ieder persoon is een onderpand voor wat hij verdiend heeft. (Muddaththir, 74:38)

لَا يُكَلِّفُ ٱللَّهُ نَفۡسًا إِلَّا وُسۡعَهَاۚ لَهَا مَا كَسَبَتۡ وَعَلَيۡهَا مَا ٱكۡتَسَبَتۡۗ

Allāh belast niemand boven zijn vermogen. Hij ontvangt beloning voor (het goede) wat hij verricht heeft en (alléén) voor hem is de bestraffing voor wat hij doet…. (Baqarah, 2:286)

Volgens metgezellen zoals Zayd ibn Thabit, `Alī ibn Abi Talib en `Abdullah ibn Mas`ûd (رضي الله عنهم), is de betekenis van deze āyah, luidt als volgt: fitnah, beproevingen en bestraffing zal uiteindelijk (in het Hiernamaals) vooral de onrechtplegers en immorele mensen treffen, terwijl de muslims en rechtschapenen, met de toestemming van Allāh, beschermd zullen worden.

Wij zeggen: wanneer iemand geconfronteerd wordt met iets dat tegen het bevel van Allāh ingaat, moet hij ingrijpen:Als hij daartoe in staat is, moet hij het met zijn hand tegenhouden.Als hij dat niet kan, dan met zijn tong (door het te veroordelen).En als hij daartoe niet in staat is, dan moet hij het met zijn hart afkeuren, dat wil zeggen, een duidelijke afwijzende houding aannemen.

Van Abû Sa'id al-Khudri (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie van jullie iets ziet dat tegen het bevel van Allāh ingaat, laat hem het met zijn hand veranderen. Als hij dat niet kan, dan met zijn tong.

En als hij dat niet kan, dan met zijn hart en dat is de zwakste vorm van īmān.” (Muslim, 2/22; Abū Dāwūd, 4318; An-Nasā’ī, 8/111; Tirmidhī, 2172; Ibn Mājah, 1275; Imām Aḥmad, 3/10 en 20)

Van sommige ṣaḥābah is ook overgeleverd dat als iemand niet met zijn hand of tong kan ingrijpen, hij driemaal moet zeggen: “O Allāh! Dit is een zaak die tegen Uw bevel ingaat. Ik accepteer dit niet en ik ben hier niet tevreden mee.” Wie dit doet, redt zichzelf. Als zelfs één persoon dit doet, worden de andere moslims vrijgesteld van verantwoordelijkheid. Maar als niemand dit doet, dan dragen alle aanwezige moslims de verantwoordelijkheid.

Volgens de bevelen en de wijsheid van Allāh geldt dat degene die het kwaad ondersteunt of het kwaad niet tegenhoudt, gelijk is aan degene die het kwaad verricht. Zelfs degene die het niet uitvoert of ziet, maar er in zijn hart tevreden mee is, draagt verantwoordelijkheid. In een āyah staat:

وَقَدۡ نَزَّلَ عَلَيۡكُمۡ فِي ٱلۡكِتَٰبِ أَنۡ إِذَا سَمِعۡتُمۡ ءَايَٰتِ ٱللَّهِ يُكۡفَرُ بِهَا وَيُسۡتَهۡزَأُ بِهَا فَلَا تَقۡعُدُواْ مَعَهُمۡ حَتَّىٰ يَخُوضُواْ فِي حَدِيثٍ غَيۡرِهِۦٓ إِنَّكُمۡ إِذٗا مِّثۡلُهُمۡۗ إِنَّ ٱللَّهَ جَامِعُ ٱلۡمُنَٰفِقِينَ وَٱلۡكَٰفِرِينَ فِي جَهَنَّمَ جَمِيعًا ١٤٠

En het is al tot jullie geopenbaard in het Boek, dat als jullie de āyāt van Allāh horen en zij verworpen en bespot worden, dat jullie niet met hen (die dit doen) zitten, totdat zij over andere zaken spreken. Anders zouden jullie zullen jullie zeker zoals hen zijn. Zeker, Allāh zal de hypocrieten en ongelovigen allen in de Hel verzamelen. (Nisā’, 4:140)

فَلَوۡلَا كَانَ مِنَ ٱلۡقُرُونِ مِن قَبۡلِكُمۡ أُوْلُواْ بَقِيَّةٖ يَنۡهَوۡنَ عَنِ ٱلۡفَسَادِ فِي ٱلۡأَرۡضِ إِلَّا قَلِيلٗا مِّمَّنۡ أَنجَيۡنَا مِنۡهُمۡۗ وَٱتَّبَعَ ٱلَّذِينَ ظَلَمُواْ مَآ أُتۡرِفُواْ فِيهِ وَكَانُواْ مُجۡرِمِينَ ١١٦

Waren er maar onder de generaties vóór jullie bezitters van inzicht geweest die weerhielden van het verderf op aarde (maar deze waren er niet) met uitzondering van hen die Wij hebben gered. Degenen die zondigden joegen de weelde na waarin zij leefden, en zij waren misdadigers. (Hud, 11:116)

فَلَمَّا نَسُواْ مَا ذُكِّرُواْ بِهِۦٓ أَنجَيۡنَا ٱلَّذِينَ يَنۡهَوۡنَ عَنِ ٱلسُّوٓءِ وَأَخَذۡنَا ٱلَّذِينَ ظَلَمُواْ بِعَذَابِۭ بَـِٔيسِۭ بِمَا كَانُواْ يَفۡسُقُونَ ١٦٥

En toen zij vergaten waarmee zij vermaand waren, toen redden Wij degenen die het kwade verboden, maar Wij grepen degenen die het kwaad beoefenden met een zware straf want zij waren opstandig. (Aʿrāf, 7:165)

Uit deze āyāt begrijpen wij dat slechts degenen die zich tegen het kwaad verzetten, gered zullen worden.

وَإِذۡ قَالَتۡ أُمَّةٞ مِّنۡهُمۡ لِمَ تَعِظُونَ قَوۡمًا ٱللَّهُ مُهۡلِكُهُمۡ أَوۡ مُعَذِّبُهُمۡ عَذَابٗا شَدِيدٗاۖ قَالُواْ مَعۡذِرَةً إِلَىٰ رَبِّكُمۡ وَلَعَلَّهُمۡ يَتَّقُونَ ١٦٤

En toen zei een gemeenschap onder hen: “Waarom preken jullie tot een volk wat Allāh zal vernietigen of met een zware bestraffing zal bestraffen?” (De prekers) zeiden: “Om vrij van schuld te zijn voor onze Heer en misschien zullen zij Allāh vrezen.

(Aʿrāf, 7:164), over degenen die dit zeggen, is volgens `Abdullah ibn `Abbas (رضي الله عنهما) geen specifiek oordeel vermeld.

Van `Urs ibn Umayrah (رضي الله عنه), van de stam Kindah, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer op aarde een zonde wordt begaan en iemand die dit ziet het afkeurt en daartegen optreedt, dan is het alsof hij het niet heeft gezien.” (d.w.z. hij wordt er niet verantwoordelijk voor gehouden en wordt door deze slechtheid niet geestelijk aangetast). Maar wie het niet ziet en er vervolgens, (wanneer hij ervan hoort), tevreden mee is (dat wil zeggen degene die geen afwijzende houding aannemt of die het steunt), wordt beschouwd alsof hij het wel heeft gezien.” (Abū Dāwūd, 4323)

Dit oordeel geldt met name voor het nalaten van de verplichte zaken (farā’iḍ, mv van farḍ) en het begaan van harām zaken.

Er wordt verhaald dat iemand in het bijzijn van al-Sha'bī sprak over de martelaarschap van Uthman ibn Affan (رضي الله عنه) en beweerde dat hij het verdiende om gedood te worden. Daarop zei ash-Shaʿbī tegen hem: “Dan heb jij nu ook deelgenomen aan de zonde van degenen die ʿUthmān (رضي الله عنه) hebben gedood.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degenen die een onrechtpleger zien en hem niet tegenhouden, moeten vrezen dat de bestraffing die Allāh voor die onrechtpleger heeft bestemd, hen allen zal treffen.” (Tirmidhī, 2168; Abū Dāwūd, 4216; Ibn Mājah, 4005; Imām Aḥmad, 1/7)

Samengevat: Wanneer daden die ingaan tegen het bevel van Allāh, zonden en immoraliteit zich verspreiden, treft de ramp iedereen. Niemand wordt van deze beproeving en bestraffing uitgezonderd. In zo’n situatie moeten de moslims deze zonden óf tegengaan, óf die plaats verlaten en zich ergens anders vestigen.

Zo was ook het oordeel over de volkeren vóór ons: wanneer de tijd van bestraffing aanbrak, beval Allāhu Taʿālā de anbiyā’ (عليهم السلام) en de muslims die hen volgden om daar weg te trekken, terwijl degenen die achterbleven werden vernietigd.

Ibn Wahb zegt: Het is niet toegestaan in gebieden te verblijven waar zonden openlijk worden begaan en de bevelen van Allāh niet worden nageleefd. Het is zelfs verplicht (farḍ) om daar, indien mogelijk, weg te trekken. Zo verliet Abû ad-Dardā (رضي الله عنه) een gebied toen Muawiya ibn Abi Sufyan (رضي الله عنه) de handel in het kopen en verkopen van goud toestond die hij als rente (ribā) beschouwde.

Imām Mālik zegt: “Wanneer het valse (bāṭil) de overhand krijgt over de waarheid (ḥaq), is dat een teken van het einde van de wereld. In zulke tijden worden degenen gered die zich vasthouden aan de weg van de vroegere geleerden (gemeenschap). Zowel een kleine als een grote mate van valsheid kan tot vernietiging leiden. Zelfs wanneer niet alle zonden zich verspreiden, is het al voldoende dat enkele verboden zaken openlijk worden begaan om bestraffing te veroorzaken.

Mensen moeten zich in zulke tijden verzetten tegen degenen die harām begaan en verplichtingen (farā’iḍ) nalaten. Op zijn minst dienen muslims afkeer te hebben van zulke mensen en het is voor hen noodzakelijk om boos op hen te worden.

Volgens Abû’l-Hasan al-Qābisī is het voor redding in deze wereld en in het Hiernamaals voldoende om de bevelen van Allāh te volgen, de weg van de meerderheid van de geleerden te bewandelen en afkeur te tonen tegenover wat in strijd is met de bevelen van Allāh.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een groep uit mijn ummah zal tot aan Yawm al-Qiyāmah op de waarheid/rechte pad blijven en blijven strijden voor de waarheid” (Muslim, 1/373; Abū Dāwūd, 2467; Tirmidhī, 2229; Ibn Mājah, 7; Imām Aḥmad, 4/104)

Imām Mālik zegt verder: Het is voor een mu’min niet toegestaan in een land te wonen waar kufr en onrecht overheersen. Evenmin is het toegestaan om in gebieden te blijven wonen waar de salaf (de rechtschapen vroege moslimgemeenschap, de ashâb‑i kirâm en de geleerden) worden beledigd.

Abû Amir zegt: “Het oordeel van Imām Mālik geldt in algemene zin: wanneer in een land kufr of onrecht de overhand heeft, of wanneer kāfirs en onrechtplegers de meerderheid vormen, is het niet toegestaan daar te verblijven”.

`Umar ibn `Abd al-Aziz zei over dit oordeel: “In Madīnah is er (slechts) één goede man, één in Makkah, één in Irak, in Yemen is die-en-die goed en in ash-Shām is die-en-die goed en de rest (van de wereld) is gevuld met onrecht.”

Abû Amir antwoordde `Umar bin `Abdulaziz als volgt: “In een tijd zoals deze is het voldoende om je terug te trekken, je tong te beheersen en je nergens mee te bemoeien, zich in afzondering bezig te houden met zijn familie, de wereld los te laten en genoegen te nemen met weinig wereldse bezittingen en een bescheiden bestaan. In zo’n situatie is het immers niet mogelijk om te vluchten of te emigreren (hijrah).”

Sufyān ath-Thawrī zegt: “Wat hier bedoeld wordt, zijn tijden waarin goede mensen schaars zijn en niemand te vertrouwen is. Zelfs in zulke tijden is het nog steeds passend de wereld rond te reizen en een goede plek te zoeken”.

Verder wordt verteld dat Sufyān ath-Thawrī zei: “Bij Allāh, ik weet niet waar ik zou moeten wonen.” Ze stelden voor in Khurāsān te wonen; hij antwoordde: “Daar zijn zoveel verschillende rechtsscholen (madhāhib) en met een bescheiden bestaan volstaan (is voldoende).”Ze stelden voor in Shām te wonen; hij antwoordde: " Daar is niets anders dan schijn en vertoon." Toen ze vroegen naar Irak, zei hij: “Dat is het land van de onrechtvaardigen." Toen ze vroegen of het mogelijk was in Makkah te wonen, antwoordde hij: "In Makkah verliest een mens zijn gezondheid en verstand.”

Qāḍī Abū Bakr ibn al-‘Arabī zegt: “In zulke tijden blijf je ofwel in je huis, of je trekt je terug naar een afgelegen plek waar niemand is en verblijft daar, of je woont in een plaats waar niemand je kent. Daar spreek je met niemand. En als je toch moet spreken, beperk het dan tot het noodzakelijke, maar houd je tong, en vooral je hart, van hen verwijderd”.

Ibn Wahb overlevert van Zubayr bin ‘Awwām (رضي الله عنه): In de tijd van Rasûlullāh vond er in het oosten een aardbeving plaats. Wij vroegen: "O Rasûlullāh! Kan de plaats waar de moslims wonen ook ineenstorten of door een aardbeving worden getroffen? Hij antwoordde: "Ja, als het kwaad en de slechten toenemen, zal het ineenstorten."

Volgens de geleerden, als het kwaad en de zonden in gebieden waar de muslims wonen wijdverspreid raken en niemand zich ermee bemoeit, dan gaat iedereen die daar woont ten onder. Maar in de hadīth wordt vermeld dat in het Hiernamaals iedereen "naar zijn intenties" of "naar zijn daden" wordt opgewekt en behandeld. In de Qur'ān wordt dit onderwerp toegelicht: يَوۡمَ تُبۡلَى ٱلسَّرَآئِرُ ٩ De Dag dat alle geheimen onderzocht zullen worden.

(Tāriq, 86:9)Wat verborgen is in mensen, zijn hun intenties of daden.

6.4 Hoe lang zal de Islām overheersen en wanneer zal dit tijdperkveranderen?

Van `Abdullāh bin Mas‘ūd (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft ons eens als volgt tot advies/godsvrucht gemaand: “De Islām zal (vanaf de hijrah) 35, 36 of 37 jaar overheersen. Daarna zal de situatie keren, en degenen die dan ten onder gaan, zullen dezelfde straf ondergaan als de volken die eerder ten onder zijn gegaan. Als zij hun godsdienst kunnen behouden, zullen zij nog zeventig jaar in vrede leven.”

Ibn Mas‘ūd (رضي الله عنه) vroeg: “Zullen deze zeventig jaar als een voortzetting van de vorige jaren toegevoegd worden?” Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Nee, het zal vanaf het begin beginnen.” (Abū Dāwūd, 4234; Imām Aḥmad, 1/390)

Al-Ḥarawī zegt dat, indien de Islām 35 jaar lang de overhand heeft, de in de hadīth genoemde periode betrekking heeft op de tijd tot aan de belegering van het huis van ‘Uthmān (رضي الله عنه). Wanneer men echter 36 jaar als uitgangspunt neemt, verwijst dit naar Ṭalḥa en Zubayr (رضي الله عنهما), die tegenover ‘Alī (رضي الله عنه) stonden tijdens de slag van al-Jamal. In het 37e jaar na de hijrah vond vervolgens de slag van Ṣiffīn plaats.

al-Khaṭṭābī zegt: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft hier van te voren aangekondigd dat er onder de muslims een zeer groot incident zal plaatsvinden. Dit incident is zo groot dat het een enorme fitnah zal veroorzaken.

6.5 Op de dag van ‘Uthmāns (رضي الله عنه) martelaarschap werd de poort van de fitnah geopend

Van de neef van ‘Abdullāh ibn Salām (رضي الله عنهما): Tijdens de onrust in Madīnah ging ‘Abdullāh ibn Salām (رضي الله عنه) naar ‘Uthmān ibn ‘Affān (رضي الله عنه). ‘Uthmān vroeg hem: “Khayr, wat is er aan de hand?”Hij antwoordde: “Ik ben gekomen om je te helpen.”Daarop zei ‘Uthmān: “Dat is niet nodig. Zeg ook tegen degenen buiten dat zij moeten uiteengaan. In deze situatie van onrust is het beter dat je vertrekt dan dat je bij mij blijft.”Vervolgens ging ‘Abdullāh ibn Salām (رضي الله عنه) naar buiten en sprak de mensen toe: “O mensen, luister! Vóórdat ik geëerd werd met de Islām, heette ik zo-en-zo, zoon van zo-en-zo. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft mij persoonlijk de naam ‘Abdullāh gegeven. De volgende āyāt zijn over mij neergezonden:قُلۡ أَرَءَيۡتُمۡ إِن كَانَ مِنۡ عِندِ ٱللَّهِ وَكَفَرۡتُم بِهِۦ وَشَهِدَ شَاهِدٞ مِّنۢ بَنِيٓ إِسۡرَٰٓءِيلَ عَلَىٰ مِثۡلِهِۦ فَـَٔامَنَ وَٱسۡتَكۡبَرۡتُمۡۚ إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَهۡدِي ٱلۡقَوۡمَ ٱلظَّٰلِمِينَ ١٠Zeg: “Vertel mij! Als dit van Allāh is, en jullie ontkennen het, terwijl er een getuige van de Kinderen van Israël verklaart dat deze Koran van Allāh is, dus hij geloofde terwijl jullie te trots zijn.” Waarlijk! Allāh leidt het onrechtvaardige volk niet. (Aḥqāf, 46:10)وَيَقُولُ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ لَسۡتَ مُرۡسَلٗاۚ قُلۡ كَفَىٰ بِٱللَّهِ شَهِيدَۢا بَيۡنِي وَبَيۡنَكُمۡ وَمَنۡ عِندَهُۥ عِلۡمُ ٱلۡكِتَٰبِ ٤٣En degenen die ongelovig zijn, zeggen: “Jij bent geen Boodschapper.” Zeg: “Voldoende als getuige tussen mij en jullie is Allāh en degenen die kennis over het Boek hebben.” (Ra‘d, 13:43)

De zwaardmacht van Allāh is scherper dan jullie zwaarden. In dit gebied waar een Nabī is gezonden, bevinden zich ook de engelen die met jullie samen wachten. Indien jullie ‘Uthmān (رضي الله عنه) tot shahīd maken door hem te doden, zullen de engelen van barmhartigheid zich van jullie afwenden en zal het zwaard van Allāh worden getrokken. En wanneer het zwaard van Allāh eenmaal is getrokken, zal het tot aan Yawm al-Qiyāmah niet meer in de schede worden teruggebracht.” Daarop begonnen de opstandelingen in de menigte te roepen: “Dood deze jood en ook ‘Uthmān!” en zij hitsten de mensen op. (Tirmidhī, 9/137 en 139) Volgens at-Tirmiḏī heeft deze hadīth in sommige opzichten ḥasan, maar bevat zij ook enkele gharīb overleveringen.

Volgens ons heeft ‘Abdullāh ibn Salām (رضي الله عنه) deze woorden óf uit de Tawrah geleerd (met de goedkeuring van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), óf hij heeft ze rechtstreeks van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) geleerd.

Een vergelijkbare situatie is te vinden in wat Ḥudhayfah (رضي الله عنه) tegen ‘Umar (رضي الله عنه) zei: “Tussen u en de fitnah bevindt zich een deur, en die deur zal worden gebroken (door uw martelaarschap).”

Volgens ons zijn deze woorden niet afkomstig van Ḥudhayfah (رضي الله عنه) zelf; het is aannemelijk dat hij dit van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft vernomen.

Siyar-geleerden (biograven) en historici vermelden dat zich in die periode opstandige en verderfzaaiende mensen rondom het huis van ‘Uthmān (رضي الله عنه) bevonden. Onder hen was een ellendige man genaamd Kinānah ibn Bishr, die het huis binnenging en ‘Uthmān (رضي الله عنه) tot shahīd maakte.

Op dat moment was ‘Uthmān (رضي الله عنه) de Qur’ān aan het reciteren. Hij werd met het zwaard gedood, en zijn bloed stroomde over de āyah:

فَإِنۡ ءَامَنُواْ بِمِثۡلِ مَآ ءَامَنتُم بِهِۦ فَقَدِ ٱهۡتَدَواْۖ وَّإِن تَوَلَّوۡاْ فَإِنَّمَا هُمۡ فِي شِقَاقٖۖ فَسَيَكۡفِيكَهُمُ ٱللَّهُۚ وَهُوَ ٱلسَّمِيعُ ٱلۡعَلِيمُ ١٣٧

En als zij (de mensen van het boek, zowel de Joden als de Christenen) geloven in hetzelfde als waarin jullie geloven, dan (pas) zijn zij rechtgeleid. Maar als zij zich afwenden, dan zijn zij het die de vijandschap (jegens jullie) verkeren. Allāh (belooft) dat Hij voor jullie voldoende zal zijn tegen hen (die zich vijandig opstellen tegenover de waarheid waarmee Mohammed is gekomen). En Hij is de Alhorende, de Alwetende. (Baqarah, 2:137)

Volgens sommige overleveringen werd ʿUthmān (رضي الله عنه) gedood door een Egyptische man genaamd ʿAmmār, die zijn keel doorsneed.Volgens andere berichten werd hij gedood door iemand van Romeinse, dat wil zeggen Byzantijnse, afkomst. Weer andere bronnen vermelden dat hij werd gedood door een man die bekend stond als “al-Mawt al-Aswad” (de Zwarte Dood), die ook “ad-Dam al-Aswad” (het Zwarte Bloed) werd genoemd. Er wordt gezegd dat hij van Egyptische afkomst was. Deze man sneed eerst de hand van ‘Uthmān (رضي الله عنه) af. Toen zijn hand werd afgehakt, zei ‘Uthmān (رضي الله عنه) tegen degenen die hem wilden doden: “Dit is het teken van de blijde tijding die mij is gegeven.” Want hierover was eerder een hadīth overgeleverd.

Van Abū Mūsā al-Ash‘arī (رضي الله عنه): Op een dag waren wij met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in een tuin. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beval mij de poort te sluiten. Op dat moment werd er aangeklopt. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ga en open de deur en geef degene aan de deur de blijde tijding dat hij tot de mensen van het Paradijs behoort.”De persoon die kwam was Abū Bakr (رضي الله عنه). Daarna kwam er opnieuw iemand die toestemming vroeg om binnen te komen. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei opnieuw: “Ga en open de deur en geef hem de blijde tijding dat hij tot de mensen van het Paradijs behoort.” Ik ging kijken en het was ‘Umar (رضي الله عنه).Daarna klopte nog iemand aan. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wachtte een tijdje en zei toen: “Ga en open de deur en geef hem de blijde tijding van het Paradijs, ondanks de beproevingen die hem zullen treffen (en waarvoor hij geduldig zal zijn).” De persoon die toen kwam was ‘Uthmān (رضي الله عنه) (Muslim, 15/171; Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/408 en 4/407)

Deze hadīth is ook door al-Bukhārī (رحمه الله) vermeld in het hoofdstuk dat hij aan ‘Uthmān (رضي الله عنه) heeft gewijd. (al-Bukhārī, 7/53)

Betrouwbare bronnen geven echter aan dat de identiteit van de moordenaar van ‘Uthmān (رضي الله عنه) niet met zekerheid vaststaat. Onder de opstandelingen bevonden zich mensen uit Egypte en andere gebieden, en over hun leiders worden verschillende namen genoemd.

Er waren ook mensen die zich rondom zijn huis hadden verzameld om ‘Uthmān (رضي الله عنه) te helpen, zoals ‘Abdullāh ibn ‘Umar en Zayd ibn Thābit (رضي الله عنهم).

Zayd ibn Thābit kwam gewapend naar ‘Uthmān (رضي الله عنه) en zei: “Wij zijn degenen die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en de eerste moslims hebben bijgestaan; wij zijn de Anṣār. Geef ons het bevel, dan zullen wij hen allen met het zwaard neerslaan. Maar de khalīfah ‘Uthmān (رضي الله عنه) gaf geen toestemming en zei: “Nee, dat is absoluut niet nodig.”

Op het moment dat hij shahīd werd, bevonden zich in het huis bij hem: de zonen van ‘Alī en de kleinzonen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), al-Ḥasan en al-Ḥusayn, evenals ‘Abdullāh ibn ‘Umar, ‘Abdullāh ibn az-Zubayr, Abū Hurayrah, ‘Abdullāh ibn ‘Āmir ibn Rabī‘ah en Marwān ibn al-Ḥakam (رضي الله عنهم). Zij waren allen bewapend, maar ‘Uthmān (رضي الله عنه) gaf geen van hen toestemming om te vechten. Hij beval hen hun zwaarden in de schede te steken en óf naar hun huizen terug te keren óf binnen te blijven. Az-Zubayr en Marwān (رضي الله عنهما) zeiden dat zij zijn bevel zouden gehoorzamen, maar hem niet zouden verlaten.De belegering werd steeds heviger. Niemand mocht het huis van ‘Uthmān (رضي الله عنه) verlaten; zelfs het halen van water werd niet toegestaan. Er wordt overgeleverd dat ‘Uthmān (رضي الله عنه) zijn vasten verbrak met onzuiver of zout water.

Volgens az-Zubayr ibn Bakkār duurde de belegering twee maanden en tien dagen. Volgens al-Wāqidī werd het huis van `Uthmān 49 dagen belegerd. Sommige muʾmins kwamen om een compromis te bepleiten ten behoeve van ‘Uthmān (رضي الله عنه), maar dit leidde tot geen resultaat.

Salīt ibn Abī Salīt zei: “De khalīfah ‘Uthmān (رضي الله عنه) gaf ons geen toestemming. Anders zouden wij de menigte daar hebben uiteengeslagen en hen allen met het zwaard hebben gedood, daartoe waren wij in staat.”

Daarna ging de meest ellendigen onder de mensen het huis binnen en doodden ‘Uthmān (رضي الله عنه) tot shahīd.

Abū ‘Umar ibn ‘Abd al-Bar (رحمه الله) overlevert van ‘Ā’ishah (رضي الله عنها): Op een dag zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen mij: “Laat iemand van mijn metgezellen bij mij komen.”‘Ā’ishah vroeg: “Wilt u Abū Bakr?” Hij antwoordde: “Nee.”Zij vroeg: “Wilt u ‘Umar?” Hij zei: “Nee.”Zij vroeg: “Wilt u de zoon van uw oom (d.w.z. ‘Alī (رضي الله عنه)?” Hij zei: “Nee.”Toen zei zij: “Dan wilt u zeker ‘Uthmān?” Hij antwoordde: “Ja.”Toen ‘Uthmān (رضي الله عنه) kwam, nam Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn rechterhand vast. Op dat moment veranderde de kleur van ‘Uthmān.Op de dag dat zijn huis werd belegerd, kwamen de aṣḥābi Kirām en andere muʾmins naar de khalīfah ‘Uthmān (رضي الله عنه) en zeiden: “Geef ons toestemming zodat wij u kunnen beschermen en deze oproerkraaiers kunnen neerslaan.”‘Uthmān (رضي الله عنه) antwoordde: “Nee. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft mij hierover een belofte laten doen, en ik heb hem die belofte gegeven. Ik zal geduldig zijn met wat mij overkomt.” (Imām Aḥmad, 6/52)

In een andere overlevering van ‘Ā’ishah (رضي الله عنها) zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم):“O ‘Uthmān! Allāh zal jou een gewaad laten dragen. Op een dag zullen de mensen proberen het van jou af te nemen. Sta niet toe dat iemand jou het gewaad dat Allāh jou heeft gegeven, uittrekt.” (Tirmidhī, 3705; Ibn Mājah, 112; Imām Aḥmad, 6/175) Volgens at-Tirmiḏī heeft deze hadīth zowel ḥasanals gharīb-overleveringen.

Ibn ‘Umar (رضي الله عنهما) zei: “Terwijl Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) sprak over fitan, wees hij naar ‘Uthmān (رضي الله عنه) en zei: ‘Deze man zal onrechtvaardig worden gedood.”Volgens at-Tirmiḏī is deze hadīth zowel ḥasan als ṣaḥīḥ. (Tirmidhī, 3708)

Van ‘Abdullāh ibn ‘Umar (رضي الله عنهما): Tijdens deze fitan kwam hij bij ‘Uthmān (رضي الله عنه) en hoorde hem zeggen: “De mensen buiten zeggen tegen mij: of je treedt af als khalīfah, of wij zullen jou doden.”‘Abdullāh vroeg: “Bent u onsterfelijk in deze wereld?”‘Uthmān antwoordde: “Nee.”Daarop vroeg ‘Abdullāh: “Kunnen zij u dan meer doen dan doden?”‘Uthmān antwoordde weer: “Nee.”‘Abdullāh vroeg verder: “Kunnen zij u het Paradijs of de Hel garanderen?”En opnieuw antwoordde ‘Uthmān: “Nee.”Hierop adviseerde ‘Abdullāh: “Trek nooit deze khalīfah-mantel van Allāh van u af. Want anders zal iedereen die de khalīfah na u niet mag, hem willen doden of afzetten.”

Over het martelaarschap van ‘Uthmān (رضي الله عنه) bestaan verschillende meningen. Volgens sommigen werd hij op 88-jarige leeftijd shahīd gemaakt, volgens anderen op 90-jarige leeftijd. Qatādah meldt dat hij 86 jaar was. Zoals Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had voorspeld, werd hij als een onderdrukte (maẓlūm) gedood.

De moordenaars, die hem shahīd hadden gemaakt, wierpen zijn lichaam op een verlaten stuk land. Drie dagen lang mocht niemand zijn lijk benaderen. Later haalden enkele mensen hem ‘s nachts stiekem weg om hem te begraven. Er werd geen toestemming gegeven om hem op de al-Baqī’-begraafplaats te begraven.

Hij werd tijdelijk begraven naast de al-Baqī’-begraafplaats op een plek die bekend stond als Kawkab-weide. (Later voegde Mu‘āwiyah (رضي الله عنه) dit gedeelte bij de al-Baqī’-begraafplaats).

‘Uthmān (رضي الله عنه) werd op de nacht van 8 Dhū al-Ḥijjah in het 35e jaar na de hijrah (vrijdag, 7 juni 656) tot shahīd gemaakt.

Er wordt vermeld dat ongeveer 4.000 mensen zich tegen ‘Uthmān (رضي الله عنه) hadden verzet.

Er bestaat onenigheid over de vraag of ‘Uthmān (رضي الله عنه) weerstand kon bieden tegen degenen die zich tegen hem keerden. Onze geleerden zijn het erover eens dat hij op geen enkele manier tot een verdrag met de opstandelingen is gekomen, omdat zij wilden dat hij als khalīfah zou aftreden.

Het is eveneens bekend dat hij zijn aṣḥāb en andere muʾmins niet toestond de opstandelingen aan te vallen. Volgens sommige geleerden zouden de aṣḥāb (رضي الله عنهم) en andere muʾmins in staat zijn geweest om de opstandelingen onder controle te krijgen als hij dat bevel had gegeven. Andere geleerden zijn echter van mening dat dit niet mogelijk was geweest.

Sommige van onze geleerden stellen dat dit een kwestie van takdīr ilāhī (Goddelijke beschikking) was; dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) van tevoren had voorspeld wat zou gebeuren, en dat ‘Uthmān (رضي الله عنه) daarom zijn qadar accepteerde, wetende dat, zelfs als hij het niet zou accepteren, er niets veranderd zou worden.

(De historicus) Ibn Sa‘d vertelt: `Abdullah ibn Abī Rabi‘ah (رَحِمَهَا اللهُ) bevond zich in de stad San‘ā, waar de situatie voor ‘Uthmān (رضي الله عنه) kritiek was. Toen hij hoorde dat ‘Uthmān (رضي الله عنه) in moeilijkheden verkeerde, haastte hij zich te hulp. Safwān ibn `Umayyah ontmoette hem; Safwān was te paard, terwijl `Abdullah op een muildier reed. Toen het paard het muildier aanviel, viel `Abdullah van het muildier en brak zijn been.

Hierop keerde `Abdullah terug naar Makkah.Op dat moment was ‘Ā’ishah (رضي الله عنها) ook in Makkah en verzamelde mannen om tegen de moordenaars van ‘Uthmān (رضي الله عنه) te strijden. `Abdullah kwam daarop naar de Masjid al-Ḥarām, spreidde daar een kleed uit en riep de mensen op tot hulp. Hij verklaarde dat hij alle kosten voor degenen die zich bij de strijd zouden voegen, zou dragen. Het is mogelijk dat `Abdullah al vóór het martelaarschap van ‘Uthmān (رضي الله عنه) in Makkah aanwezig was. Toen ‘Uthmān (رضي الله عنه) echter tot shahīd werd gemaakt en `Abdullah niet tijdig kon bijstaan, steunde hij waarschijnlijk ‘Ā’ishah (رضي الله عنها) in haar inspanningen voor vergelding. Allāh weet het het beste.

In die tijd bevond ‘Ā’ishah (رضي الله عنها) zich voor de Haj in Makkah.

Na de martelaarschap van ‘Uthmān (رضي الله عنه) kwamen Zubayr, Ṭalḥa en ‘Alī (رضي الله عنهم) naar haar toe en adviseerden haar, als echtgenote van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en moeder van de ummah, in te grijpen: Zij hebben bovendien deze āyāt als argument of bewijs gebruikt: لَّا خَيۡرَ فِي كَثِيرٖ مِّن نَّجۡوَىٰهُمۡ إِلَّا مَنۡ أَمَرَ بِصَدَقَةٍ أَوۡ مَعۡرُوفٍ أَوۡ إِصۡلَٰحِۭ بَيۡنَ ٱلنَّاسِۚ وَمَن يَفۡعَلۡ ذَٰلِكَ ٱبۡتِغَآءَ مَرۡضَاتِ ٱللَّهِ فَسَوۡفَ نُؤۡتِيهِ أَجۡرًا عَظِيمٗا ١١٤Er is geen goeds in het meeste van hun geheime gesprekken, behalve (bij) degenen die de liefdadigheid in Allāh’s naam beveelt of het goede of verzoening tussen de mensheid, en wie dat doet om het genoegen van Allāh te bereiken, zullen Wij een grote beloning geven. (Nisā, 4:114)

Deze aṣḥāb informeerden ‘Ā’ishah (رضي الله عنها) ook dat de moordenaars van ‘Uthmān (رضي الله عنه) zich in Baṣrah hadden verzameld. De verdere gebeurtenissen zijn ons reeds bekend.

In het jaar dat ‘Uthmān (رضي الله عنه) shahīd werd gemaakt, was ‘Ā’ishah (رضي الله عنها) op Haj (muḥājirah). Ṭalḥa, Zubayr en Ya‘lā (رضي الله عنهم) kwamen bijeen en zeiden tegen haar in Makkah: “Vanaf nu kan het volk, om hun moeder te zien en het recht van hun Nabī te eerbiedigen, naar jou komen. Wij hopen dat jij erop uitgaat en daarheen gaat.”

‘Ā’ishah (رضي الله عنها) verzette zich tegen hun verzoeken, waarop zij haar wezen op de āyah van Allāh: surah Nisā āyah 114 (zie hierboven). Hiermee probeerden zij haar te overtuigen.

Men vertelde ‘Ā’ishah (رضي الله عنها) dat er in Baṣrah veel mensen op de been waren tegen ‘Uthmān (رضي الله عنه) te strijden en dat de situatie bijna onvermijdelijk leek. Deze mensen hadden zich opgesteld voor de strijd. Zij hebben zelfs de pijl en boog willen gebruiken tegen ‘Alī (رضي الله عنه) en zijn metgezellen. Hij waarschuwde hen: “Gebruik geen pijlen, trek geen zwaarden, val niet aan met speren.” Maar iemand van de tegenpartij, die niet naar hem luisterde, schoot een pijl af en doodde een van de metgezellen van ‘Alī (رضي الله عنه). Het lichaam werd naar ‘Alī (رضي الله عنه) gebracht, die riep: “O Allāh, wees getuige!” Nog een pijl werd naar zijn kant gegooid, waardoor een tweede man stierf, waarop ‘Alī (رضي الله عنه) opnieuw zei: “O Allāh, wees getuige!” Daarna volgde een derde pijl, en opnieuw sprak hij: “O Allāh, wees getuige!”Toen richtte ‘Alī zich tot Zubayr (رضي الله عنهما): “O Abā ‘Abdullāh, kom dichterbij, zodat ik je een hadīth kan herinneren die wij beiden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hebben gehoord.” Zubayr antwoordde: “Aan mijn kant is er garantie/is er een zekerheid.” ‘`Alī bevestigde: “Aan mijn kant is er garantie/is er een zekerheid.”Na deze wederzijdse verzekering trad Zubayr naar voren. ‘Alī (رضي الله عنه) zei: “Herinner je je het moment waarop wij beiden samen speelden en lachten, en Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ons zag en naar jou toe kwam en zei: “Er zal een dag komen dat jij tegen ‘Alī oorlog zal voeren en hem onrecht zal aandoen. Herinner je dat?”Toen Zubayr (رضي الله عنه) dit hoorde, zei hij: “O Allāh!

Daar had ik nog niet aan gedacht.” Net toen hij zijn paard wilde keren om te vertrekken, vroeg de zoon van Zubayr, `Abdullah: “Waar ga je heen?”Zijn vader, Zubayr, legde uit: “‘Alī herinnerde me aan wat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd; daarom ga ik niet weg. Dit is de reden waarom ik van hier vertrek.” Daarop zei `Abdullah tegen zijn vader: “Je kunt niet zomaar vertrekken. Je hebt de scherpe zwaarden van de Banu Hāshim gezien en de kracht en vaardigheid van degenen die ze hanteren. Is dat waarom je weggaat?”Zubayr antwoordde zijn zoon: “Schande over jou! Beschuldig jij mij, je vader, van lafheid? Breng onmiddellijk mijn speer!” Zubayr greep zijn speer en stormde tussen de aanhangers van ‘Alī (رضي الله عنه). ‘Alī (رضي الله عنه) instrueerde zijn mannen: “Maak ruimte voor hem; hij wil naar buiten.” Het leger splitste zich onmiddellijk in tweeën, met de kern van het leger in het midden. Na deze actie keerde Zubayr terug en zei tegen zijn zoon: “Zijn moeder moge hem vergeven! Zou een man die zo tot aanval overgaat laf zijn, denk je dat?” zei hij, en vervolgens vertrok hij?” Deze overlevering is in zijn kern betrouwbaar wat betreft de gebeurtenissen. Het gesprek tussen Zubayr en zijn zoon `Abdullah is echter niet authentiek.

(Al-Hākim, Al-Mustadrak 3/366; Ibn Abī Shaybah, Musannaf, h:37827; …Al-Albānī, Silsilat al-Ṣaḥīḥah, h:2659: “De formuleringen verschillen per overleveringsketen, maar de kern van het verhaal is consistent. Ibn Kathīr noemt deze overlevering gharīb”.)

Uiteindelijk escaleerde de strijd. Het leger was talrijk en bestonden allen uit zelfstandige strijders die vrijelijk en onafhankelijk van elkaar opereerden. Hun aantal werd op 17.000 geschat, hoewel dit onderwerp omstreden is. Daarvan behoorden 4.000 tot de Āzd-stam en 1.100 tot de Dabbah-stam. De overige strijders kwamen uit andere lagen van de bevolking. Allen behoorden tot de voorstanders van onze moeder `A’ishah (رضي الله عنها). Tijdens deze strijd werden ongeveer duizend strijders aan de zijde van `Alī (رضي الله عنه) gedood; sommigen geven aan dat het aantal slachtoffers onder zijn mannen iets lager was.

De handen van de zeventig kamelenhouders, die de teugels van de kameel waarop A’ishah (رضي الله عنها) zat trokken, werden afgehakt. Wanneer de hand van een van hen werd afgehakt, nam onmiddellijk een ander zijn plaats in, waardoor in totaal zeventig mannen hun hand verloren. Allen behoorden tot de Dabbah-stam. Tijdens de strijd zongen deze mannen het volgende couplet:

“Wij zijn van de lieden van al-Jamal, de zonen van Dabbah,Wanneer de dood komt, lopen wij het tegemoet zonder vrees,Voor ons is de dood zoeter dan honing.”

Het symbool van deze strijd was de kameel die geslacht werd, want de kameel was met beschermende dekens en bepantsering bedekt om hem te beschermen.

Volgens enkele geleerden van kennis ontstond de gebeurtenis in Baṣrah spontaan en onverwacht, zonder dat iemand aanvankelijk de strijd wilde beginnen. Geen van de partijen wilde als eerste oorlog voeren, waardoor alles traag verliep.

Hun terughoudendheid kwam voort uit de wens niet de stempel te krijgen: “Deze partij begon als eerste de strijd.” Omdat het wezenlijke punt van de kwestie iets was dat de partijen onderling op vreedzame wijze hadden kunnen oplossen. Uiteindelijk was zowel de vrede als de scheiding tussen hen gebaseerd op wederzijdse instemming.

De moordenaars van Uthmān (رضي الله عنه) daarentegen waren bezorgd over hun eigen veiligheid. Ze vreesden elk moment omsingeld en gedood te worden. Daarom kwamen zij bijeen om overleg te plegen, maar daarbij ontstond verdeeldheid onder hen. Vervolgens besloten ze zich in twee groepen te verdelen. Op die manier kozen zij ervoor de oorlog tussen de twee legermachten te laten uitbreken. Want een deel van hen sloot zich aan bij het leger van ʿAlī (رضي الله عنه), terwijl een ander deel zich bij het leger van de tegenpartij voegde. Zo wisten zij door een tactische afspraak een oorlog tussen de twee legers te ontketenen.

Deze mensen, die zich in twee groepen hadden verdeeld, begonnen elkaar wederzijds met pijlen te beschieten. Als de pijlen van de zijde van Talhah kwamen, riep de opstokerige groep aan de zijde van `Alī (رضي الله عنه): “We worden aangevallen door het leger van Talhah en Zubeyr!” en beschuldigden zij de andere partij van het breken van de afspraak. Als daarentegen `Alī’s mannen pijlen afvuurden, riepen de oproerzaaiers: “De mannen van `Alī hebben het akkoord verbroken!” Zo begonnen beide partijen elkaar te beschuldigen door te stellen dat juist de ander het verdrag had geschonden, terwijl zij tegelijk benadrukten dat zij geen voorstanders waren van bloedvergieten.

In werkelijkheid wilden geen van beide partijen bloed vergieten, en hun ontkenning van schuld was gerechtvaardigd vanuit hun perspectief, omdat zij zich niet bewust waren van het spel dat werd gespeeld. Het naleven van het akkoord en gehoorzaamheid aan Allāh was de juiste weg. Toch was er inmiddels een oorlog begonnen, en beiden wilden zich nog steeds terugtrekken met deze intentie. Dit was ook de overheersende en algemeen aanvaarde mening.

Toen de dag aanbrak, brak er op een donderdagmorgen een bloedige strijd uit tussen de partijen.

Dit gebeurde in het jaar 36 na de Hijrah (656 n.Chr.), in de maand Jumādā al-Ākhirah, en duurde tot ongeveer de tijd van de salāh al-`asr.

In Ṣaḥīḥ Muslim in het hoofdstuk over fitan (beproevingen): van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam vanuit het huis van ʿĀʾishah (رضي الله عنها) naar buiten en zei: “De oorsprong van ongeloof/fitnah zal van die kant komen, precies vanaf dit punt, waar het hoorn van de satan (shayṭān) ontstaat.” (al-Bukhārī, h:3279; Muslim, Fiten, h:2905/45-50). Met de uitdrukking “de hoorn van de shayṭān” wordt de oostelijke richting bedoeld.

Met betrekking tot de overleveringsketen van deze ḥadīth is er ongeveer een halve pagina gewijd aan de overleveraars, en op basis daarvan is de formulering “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam naar buiten uit het huis van Ḥafṣah (رضي الله عنها)”; dit wordt beschouwd als een tegenstrijdig overgeleverd (muḍṭarib) hadith en dient daarom niet in aanmerking genomen te worden.

De overleveraar wijst vervolgens op een andere overlevering van ʿAbdullāh ibn Saʿīd, waarin staat dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bij het huis van ʿĀʾishah (رضي الله عنها) stond, met zijn hand naar het oosten wees en zei: “Voorwaar, de fitnah zal van daar komen, vanwaar de hoorn van de shayṭān ontstaat.”En Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) herhaalde dit tweeof driemaal. (Muslim, Fitan, h:2905)

Aḥmad ibn Ḥanbal vermeldt in zijn Musnad: …Toen ʿĀʾishah (رضي الله عنها) op weg was naar de strijd en de plaats genaamd Ḥawʾab bereikte, hoorde ze het geblaf van honden.

Daarop zei zij: “Ik denk dat ik van hieruit terug moet keren, want Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tegen ons: ‘Wie van jullie zal degene zijn die het geblaf van de honden van Ḥawʾab zal horen?”Daarop zei az-Zubayr ibn al-ʿAwwām (رضي الله عنه) tegen haar: “Dan dien je terug te keren. Misschien zul jij zo vrede tussen de mensen tot stand brengen.”(De ḥadīth is authentiek (ṣaḥīḥ). Hij is overgeleverd door Ahmad b. Hanbal in Musned 6/52,97; I… en al-Albani in as-Ṣaḥīḥah 1/853, h:474. Albani heeft een uitgebreide beoordeling gegeven over de authenticiteit van deze ḥadīth, met zeer belangrijke en waardevolle toelichtingen, die geïnteresseerden in zijn werk kunnen raadplegen.”)

Abû Bakr b. Abi Shaybah overlevert van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie van jullie zal de eigenaar zijn van die kameel met het zeer harige kop? Want rondom haar zullen vele mensen gedood worden, totdat er bijna niemand meer overblijft.” (De ḥadīth is authentiek (ṣaḥīḥ) Qadī Abū Bakr b. ʿArabī). Zie İbn Abi Shaybah, Musannaf, h:37785; İbn Abdulbar, al-İstiab, 4/1885; Bazzar, Musnad, h:3273-3274; en Albani, es-Sahiha, 1/853, h:474.)

Al-Qurṭubī veroordeelt deze overlevering zeer streng, omdat Qādī Abū Bakr b. ʿArabī deze bekritiseerde, de muhaddithīn die het overleverden terechtwees en zelfs verachtte, en stelde dat deze overlevering niet ṣaḥīḥ was. Tegelijkertijd beweert hij dat deze overlevering tot de meest ṣaḥīḥ overleveringen behoort. Hij accepteert de overlevering van Ibn Abī Shaybah en de overleveraars in de sanad als thiqah (betrouwbaar, integer en geloofwaardig) (Abū Bakr b. ʿArabī, al-Awāsim min al-Qawāsim, p. 148)

Abū Jaʿfar al-Ṭabarī zegt dat `Aishah (رضي الله عنها), toen de oorlog voorbij was, vanuit Baṣrah terug naar Madīnah wilde reizen. `Alī (رضي الله عنه) heeft haar met grote eerbied laten begeleid door iemand die haar volledig uitrustte en van hulpmiddelen voorzag voor de reis. Hij stond degenen die met `Aishah naar Madīnah wilden gaan toe om mee te reizen. Hij heeft `Aishah naar Madīnah begeleid met ongeveer veertig vrouwen uit bekende families van Baṣrah. Tevens stuurde hij `Aishah's broer, Muhammad, volledig uitgerust mee. `Aishah vertrok vanuit Baṣrah op een zaterdag halverwege de maand Rajab, in het jaar 36 H/656 M. Hijzelf begeleidde haar een paar mijlen op weg.`Alī (رضي الله عنه) liet zijn eigen zonen gedurende een hele dag meereizen om `Aishah (رضي الله عنها) te begeleiden. (at-Ṭabarī, Tārīkh ar-Rusul wa al-Mulūk, 4/510-544)

ToelichtingAls wordt gevraagd: “Waarom voerde `Alī (رضي الله عنه) geen qisās (wettelijke vergelding) uit op de moordenaars van ʿUthmān (رضي الله عنه)?”, dan luidt het antwoord:

Omdat `Alī (رضي الله عنه) geen recht had op het bloedwraakrecht. Met andere woorden, omdat hij geen familielid van ʿUthmān (رضي الله عنه) was, had hij geen recht om in deze zaak op te treden.

Degene die aanspraak kan maken op dit recht, zijn de kinderen van ʿUthmān (رضي الله عنه).

ʿUthmān (رضي الله عنه) had meerdere kinderen, waarvan de oudste `Amr was. Zowel `Amr als zijn zoon Aban stonden bekend als muhaddithīn en als fuqahāʾ. Tijdens het incident van al-Jamal was ʿUthmān’s zoon Walīd aanwezig bij `Aishah (رضي الله عنها). De Mushaf (Qur’ān) van ʿUthmān (رضي الله عنه) bevond zich eveneens bij deze zoon, omdat de Qurʾān op zijn schoot lag ten tijde van ʿUthmān’s (رضي الله عنه) martelaarschap. Zijn zoon Walīd verbleef ook bij zijn vader op dat moment. Ibn Qutaybah vermeldt deze informatie in zijn werk al-Māʿārif. (Ibn Kutaybah, al-Māʿārif, p. 202)

ʿUthmān’s (رضي الله عنه) zoon Walīd stond bekend als zeer vrijgevig en toegewijd persoon. Zijn andere zoon, Saʿīd, bekleedde het gouverneurschap in Khurāsān namens Muʿāwiyah. Deze personen die hier worden genoemd, waren de kinderen van ʿUthmān (رضي الله عنه) die nog in leven waren op het moment van zijn martelaarschap. Daarom waren zij degenen die aanspraak konden maken op het bloedwraakrecht van hun vader. Geen van hen benaderde `Alī (رضي الله عنه) om de moordenaars van hun vader te vinden en te bestraffen. Ook is nergens vermeld dat zij zo’n verzoek zouden hebben ingediend.

Als zij `Alī (رضي الله عنه) hadden benaderd, zou hij ongetwijfeld het vonnis hebben uitgesproken dat aan hen toekwam. Want volgens de overlevering van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was `Alī (رضي الله عنه) in die tijd de meest bevoegde qādi en rechter om hierover uitspraak te doen; hij was deskundig en ervaren op dit gebied.

De informatie die we hierboven gaven, vormde het eerste antwoord. Er is echter ook een tweede verklaring.

Ten tijde van de gebeurtenissen waren er geen twee rechtvaardige getuigen aanwezig bij `Alī (رضي الله عنه) die tegen de moordenaars van ʿUthmān (رضي الله عنه) konden getuigen. Daardoor had `Alī (رضي الله عنه), zonder getuigen, geen bevoegdheid om op basis van een abstracte aanklacht de vermeende dader aan te wijzen en te straffen. Terwijl de naaste familie van ʿUthmān (رضي الله عنه) zelf zwijgzaam bleef, had `Alī (رضي الله عنه) evenmin het recht om de moordenaars van ʿUthmān (رضي الله عنه) op te sporen en te bestraffen. Dit is het duidelijkste bewijs waarom `Alī (رضي الله عنه) zich niet met de zaak bemoeide en het onderzoek staakte.

Bovendien, nadat Muʿāwiyah het kalifaat en de heerschappij had overgenomen, inclusief veel gebieden zoals Egypte en de omliggende regio’s, en nadat `Alī (رضي الله عنه) was vermoord, heeft hij nooit actie ondernomen tegen degenen die onder verdenking stonden van de moord op ʿUthmān (رضي الله عنه). Hij deed niets om hen via qisās te straffen. Veel van de verdachten die ervan verdacht werden ʿUthmān (رضي الله عنه) te hebben gedood, behoorden tot de bevolking van Egypte, Kūfah en Baṣrah, die volledig onder Muʿāwiyah’s heerschappij en toezicht vielen. Geen van hen werd bestraft via qisās.

Daarentegen, voordat Muʿāwiyah kalief werd en heerschappij uitoefende, wendde hij zich tot `Alī (رضي الله عنه) met het verzoek om qisās en eiste hij de bestraffing van de moordenaars. Om die reden protesteerde hij zelfs tegen `Alī (رضي الله عنه) met de woorden: “We kunnen geen eed van trouw afleggen aan iemand die de moordenaars van ʿUthmān (رضي الله عنه) beschermt en geen qisās uitvoert.”

Vanuit shariʿahs oogpunt was Muʿāwiyah’s bezwaar ongegrond.

Integendeel, hij was verplicht om persoonlijk `Alī (رضي الله عنه) de eed van trouw af te leggen; dit was een godsdienstige plicht. Toen men in de moskee van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), het centrum van de openbaring, `Alī de eed van trouw aflegde, onderworpen de Muhājirīn en Ansār zich voor hem, toonden gehoorzaamheid en spraken hun tevredenheid en hun goedkeuring uit over `Alī’s khalifaatschap en hun keuze voor hem. Dat Muʿāwiyah daar niet aanwezig was en geen eed van trouw aflegde, was niet correct. Bovendien waren degenen die `Alī (رضي الله عنه) op deze positie hadden gebracht de vooraanstaande en deskundige personen die bekendstaan als Ahl al-ʿAqd.

Terwijl iedereen `Alī (رضي الله عنه) de eed van trouw aflegde, was het niet juist dat de bevolking van Shām de eis stelde dat men pas trouw zou zweren als eerst de moordenaars van ʿUthmān (رضي الله عنه) werden opgespoord. `Alī (رضي الله عنه) zei juist tegen hen: “Leg eerst de eed van trouw af en wees gehoorzaam; daarna kunnen jullie je zaak aankaarten. Zo zullen jullie het gewenste resultaat bereiken.”

Muʿāwiyah en zijn aanhangers zeiden ook: “De moordenaars van ʿUthmān (رضي الله عنه) waren de hele ochtend en avond samen met jou, we zagen ze bij jou staan, en toch ben jij niet iemand aan wie men de eed van trouw kan afleggen.”

Toch was de persoon die het meest recht had en het juiste standpunt innam `Alī (رضي الله عنه). Want als hij in zo’n periode van chaos en verwarring geprobeerd zou hebben de moordenaars te straffen, zouden hun verwanten, clans en aanhangers zich tegen `Alī (رضي الله عنه) hebben gekeerd en in opstand zijn gekomen. `Alī (رضي الله عنه) zou zich dan bevinden tussen twee cirkels van oorlog, en een derde oorlog had kunnen ontstaan.

Om deze reden handhaafde `Alī (رضي الله عنه) een voorzichtig beleid en wachtte hij op het juiste en geschikte moment en omstandigheden. Eerst moest hij van iedereen de eed van trouw verkrijgen, de situatie moest tot rust komen, en afwijkende stemmen moesten tot een minimum worden beperkt, zodat hij vervolgens rechtvaardig kon oordelen en zijn juridische bevoegdheid correct kon uitoefenen.

Abū Bakr Ibn al-ʿArabī zegt: “Als het toepassen van een straf op een schuldige tot chaos of fitnah zou leiden, dan heeft de leider van de ummah volgens algemeen aanvaarde opvatting het recht om de uitvoering van qisās uit te stellen; hierover bestaat geen meningsverschil.

Dit geldt ook voor de situatie van Ṭalḥah en Zubayr (رضي الله عنهما). Zij hebben geen poging ondernomen om `Alī (رضي الله عنه) van zijn functie te ontheffen en hadden ook geen bezwaar tegen zijn toewijding aan de Islaam. Toch waren Ṭalḥah en Zubayr (رضي الله عنهما) aanvankelijk van mening dat de moordenaars van ʿUthmān (رضي الله عنه) gevangen genomen en gedood moesten worden om hun straf te ondergaan.”

Volgens Ibn Wahb vertelde Muhammad b. Yazīd b. Abī Ziyād al-Sakafī: “Ik vergezelde Qays b. Kharāshah en Kaʿb al-Kinānī tot Siffīn. Daar stopte Kaʿb even en zei toen: ‘La ilāha illa Allāh! O mijn Allāh, zal in dit gebied het bloed van de moslims worden vergoten? Er zal zelfs meer bloed vloeien dan in enig ander gebied op aarde.”

Qays, die hierop boos werd, richtte zich tot Kaʿb en zei: “O Abû Ishāq, hoe weet jij dat? En wat heeft dat (in naam van Allāh) te betekenen, dat je zo spreekt? Dit behoort tot de verborgen kennis die Allāh aan Zichzelf heeft voorbehouden.” Waarop Kaʿb antwoordde: “Er is geen stukje aarde waarover in de Tawrah, die Allāh aan Mūsa ( عليه السلام) heeft geopenbaard, geen kennis is.

Alles wat is gebeurd en alles wat zal gebeuren, staat (in Lawh al Mahfûd) geschreven tot aan Yawm al-Qiyāmah.”(al-Ṭabarī, al-Kabīr, 18/345-346, h: 678; Ibn ʿAbdulberr, al-Istiʿāb, 3/1286-1287; Ibn Ḥajar al-ʿAsqalānī, al-Isābah, 3/245. Ibn Ḥajar schrijft deze overlevering toe aan Ḥasan b. Sufyān en vermeldt dat de overleveraars ṣiqah waren. Er is echter een onderbreking (inqiṭāʿ) in de sanad. Er is bovendien een onbekende, niet-geïdentificeerde overleveraar in de keten. Al-Haythamī heeft deze overlevering ook vermeld in Majmaʿ al-Zawāʾid (7/265) en gezegd dat deze door al-Ṭabarānī is overgeleverd, maar dat het om een mursal-overlevering gaat.)

Wat betreft de Siffīn-gebeurtenissen: toen Muʿāwiyah (رضي الله عنه) hoorde dat ``Alī (رضي الله عنه) in beweging kwam en richting Irak trok, vertrok hij zelf vanuit Dimasq (Damascus). Zijn vertrek viel in de tweede helft van de maand Muharram. Muʿāwiyah kwam aan in Siffīn en plaatste zijn leger op strategische posities vóórdat `Alī arriveerde. Deze locaties lagen in een gebied dicht bij de rivier de Eufraat.

Muʿāwiyah liet hier, ten behoeve van de bayt al-māl, een palijs bouwen. Het gebied van Siffīn bestond uit robust, rotsachtig terrein. De mensen van Shām bezetten snel de verschillende strategische punten, zoals de toegangswegen en uitgangspunten en met name de plaatsen waar water kon worden verkregen in bezit. `Alī (رضي الله عنه) werd niet toegestaan om deze plaatsen te passeren of water te nemen. Zij namen het gebied volledig onder hun controle.

`Alī (رضي الله عنه) gaf hun raad en vermaande hen. Hij herinnerde hen aan de ḥadīth van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), waarin het verboden wordt om waterbronnen in de woestijn te ontzeggen.

Maar niets daarvan had effect; zij wezen hem af en keerden zich van hem af. Zij verwezen op hun beurt naar de regels die gelden voor de behandeling van opstandelingen en rebellen, aangezien zij `Alī (رضي الله عنه) en zijn aanhangers als opstandelingen beschouwden. Uiteindelijk begonnen de zwaarden, pijlen en speren te spreken.

Toen `Alī (رضي الله عنه) de overhand kreeg, gaf hij zowel mannen als vrouwen toestemming om van het water gebruik te maken. Vervolgens liet hij op een hoger gelegen plek bij de Eufraat een masjid bouwen. Gedurende de tijd dat zij hier verbleven konden ze daar de verplichte ṣalāh in gemeenschap verrichten. Want een ṣalāh in gemeenschap levert zevenentwintig graden meer beloning op dan een ṣalāh die men alleen verricht. Deze ḥadīth is overgeleverd door `Abdullah Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما) en is ook opgenomen in de Ṣaḥīḥ-verzamelingen. Deze overlevering is niet alleen door ` Abdullah Ibn ʿUmar overgeleverd, maar ook door andere rechtvaardige en betrouwbare metgezellen.

Tot degenen die hun ṣalāh achter `Alī (رضي الله عنه) verrichtten, behoorden ook deelnemers aan de slag van Badr en degenen die onder de boom van Bayʿah al-Riḍwān hun trouw aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hadden betuigd. Dit waren mensen met wie Allāh tevreden was.

De vaandeldragers van `Alī (رضي الله عنه) waren dezelfde personen die samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hadden gestreden tegen de mushrikīn. `Alī (رضي الله عنه) en Muʿāwiyah (رضي الله عنه) verbleven in Siffīn gedurende zeven maanden. Er zijn ook overleveringen die spreken van negen of drie maanden.

Tussen de twee kampen waren er voordat de strijd echt begon al ongeveer zeventig overvallen geweest. In de drie dagen die bekendstaan als Ayyām al-Bīḍ (de 13e, 14e en 15e van de maand), bereikten deze gevechten hun hoogtepunt. Het aantal doden aan beide zijden bedroeg ongeveer 73.000.

Deze informatie is overgeleverd door Abū Isḥāq, die bekendstaat onder de bijnaam Safīnah of Sufaynah en als rechtvaardig en betrouwbaar wordt aangemerkt. De benaming Safīnah verwijst naar een vogel die, wanneer hij op een boom neerstrijkt, daar niet blijft en niets achterlaat. Deze metafoor werd gebruikt om de intensiteit van de strijd te beschrijven.

Tijdens de hevigste nachten van de strijd klonk er een geluid dat deed denken aan het gehuil van honden. Daarom werd deze nacht “Laylah al-Harīr” genoemd. In die nacht stortten de strijders zich grommend op elkaar en bleven zij elkaar met pijlen bestoken totdat hun pijlen op waren. Vervolgens bevochten zij elkaar met speren en deden zij elkaars bloed vloeien. Zij zetten het gevecht voort totdat hun zwaarden braken. Te midden van dit alles was niets anders te horen dan het kletteren van zwaarden en het gedempte gemompel van de strijdersUiteindelijk, toen zelfs de zwaarden geen effect meer hadden, vielen zij elkaar aan door stenen te werpen alsof het katapulten waren. Alsof dat nog niet genoeg was, gingen de strijdende partijen op hun knieën zitten, gooiden zij zand naar elkaar en beten zij elkaar zelfs. Uiteindelijk ging de zon onder en viel de duisternis in, terwijl het stof nog steeds opsteeg. Op een gegeven moment waren de vaandels en banieren niet meer zichtbaar. Vier salāt-tijden waren verstreken, want de strijd was begonnen na het verrichten van de ṣalāh al-fajr en duurde voort tot diep in de nacht. Dit vond plaats in de maand Rabīʿ al-Awwal van het jaar 39 na de Hidjrah (659 n.Chr.).

Aḥmad ibn Ḥanbal vermeldt in zijn werk Tārīkh, evenals anderen, dat deze gebeurtenis in de maand Rabīʿ al-Awwal plaatsvond. Volgens al-Zubayr ibn Bakkār bedroeg het aantal strijders uit Shām 1135, terwijl de Irakezen ongeveer 1120 of 1130 man telden.

Hij verwoordde dit in dichtvorm:

“Als de kamelen getuige waren geweest van wat ik heb gezien,dan zou je hebben gezien hoe de kamelen zich in de slag bij Ṣiffīn door elkaar vermengden.In de ochtend kwamen de Irakezen in beweging,alsof zij golven van de zee waren die over elkaar heen rolden.Wij rukten op naar hen als regenbrengende wolken,waarbij wij de vleugels van het leger verhieven.”

Ook wordt er gedichtregels overgeleverd door Ibn Shihāb al-Zuhrī:“Zij zeiden tegen ons: ‘Wij hebben gezien dat jullie trouw hebben gezworen aan ʿAlī.’Wij antwoordden: ‘Integendeel, wij zijn gekomen om te strijden.’Zij vielen ons aan met speren,en wij weerden ons met onze handen en handpalmen.Telkens wanneer wij zeiden: ‘Zij zijn verslagen,’verschenen er opnieuw groepen en legereenheden tegenover ons.Zij keerden hun rug niet om om te vluchten,zoals lafaards dat doen.”

Ibn Shihāb al-Zuhrī vermeldt dat deze gedichtregels werden voorgedragen door ʿĀʾishah (رضي الله عنها), en dat hij niemand kende die in poëzie edeler en oprechter was dan zij. Tevens vermeldt hij dat ʿAlī (رضي الله عنه) en zijn aanhangers, volgens de ijmāʿ van de geleerden, de rechtmatige partij vormden, aangezien hij de ware Imām en leider was. De tegenpartij werd aangemerkt als bāghī (opstandige groep).

Van Abū Saʿīd al-Khudrī: Degene die beter is dan ik, Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم), heeft mij hierover bericht tijdens het graven van de greppel. Terwijl hij het hoofd van ʿAmmār streelde, zei hij: “Arme Ibn Sumayyah, een opstandige groep/ bāghī zal jou doden.” (Muslim, Fitan, h:2915)

Ibn ʿAbd al-Barr vermeldt in al-Istīʿāb dat Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd:“ʿAmmār zal worden gedood door een opstandige groep/bāghī.”( İbn Abdulbar, al-Istīʿāb, 2/480)De overleveringen hierover hebben volgens hem het niveau van tawātur bereikt.[Tawātur al-ḥadīth: Een overlevering van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) die door zoveel onafhankelijke ketens is doorgegeven dat het onmogelijk is dat zij allemaal hebben gelogen.]

Imām Abū Manṣūr al-Bāghdādī vermeldt in zijn werk al-Fark Bayna’l-Firāq dat de leer van Ahl as-Sunnah een solide en juiste geloofsovertuiging is. Hij stelt dat ʿAlī (رضي الله عنه) in de Slag bij Ṣiffīn terecht handelde, en dat hij zelfs in het conflict met de aanhangers van de Jamal (Talḥa, Zubayr en ʿĀʾishah (رضي الله عنها) de rechtmatige partij was. Met andere woorden: in de Jamal-gebeurtenis was ʿAlī (رضي الله عنه) aan de legitieme zijde, terwijl degenen die tegen hem streden als bāghī (opstandigen) werden beschouwd. Het is echter niet correct om hen als kāfir te beschouwen. De andere partij in de Slag bij Ṣiffīn bestond uit Muʿāwiyah en zijn leger. (Abū Manṣūr al-Bāghdādī, al-Fark Bayna’l-Firāq)

Imām Abū’l-Maʿālī al-Juwaynī vermeldt in zijn werk al-Irshād, in het gedeelte over ʿAlī (رضي الله عنه), het volgende: “Ali, die aan het leiderschap (wilāyah) werd aangesteld, was werkelijk de Imām en staatshoofd die in het recht stond. Degenen die tegen hem vochten, waren bāghī (opstandigen). Een goede mening hebben (husn al‑zan) jegens hen is uitsluitend doordat men voor hen alleen maar goed en gunstigheid wil. Ook al hebben zij fouten gemaakt, de situatie blijft aldus.” Imām al-Juwaynī behandelt deze kwestie in het laatste gedeelte van zijn boek.

Voor jou is het woord van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) voldoende. Want Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tegen Ammār (رضي الله عنه): “Een groep die jou als bāghī beschouwt, zal je doden.” Zoals in de eerdere regels is vermeld, behoort deze overlevering tot de meest authentieke en vaststaande overleveringen. Zelfs Muʿāwiyah, omdat deze ḥadīth een vaststaande en betrouwbare overlevering is, heeft geprobeerd deze niet te ontkennen; hij zei slechts: “Zij die hem uit Medīnah hebben verwijderd, hebben hem gedood.”Als de genoemde ḥadīth twijfelachtig was geweest, had Muʿāwiyah dit onmiddellijk afgewezen en niet geaccepteerd. Hij zou de overleveraar ook hebben beschuldigd van liegen en lasteren.ʿAlī (رضي الله عنه) antwoordde op de woorden van Muʿāwiyah: “Dus Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft Hamza (رضي الله عنه) gedood door hem buiten Madīnah te brengen?” In feite waren deze woorden van ʿAlī geen antwoord aan Muʿāwiyah op zichzelf, maar een uitdrukking die hem werkelijk tot zwijgen bracht, zijn woorden tegenhield, en een bewijs (hujjah) vormde. Zeker, het beste weet slechts Allāh.Degene die ons deze informatie heeft overgeleverd is Imām ḥāfiẓ Abū al-Khattāb b. Dīhya.

6.6 Na elke periode komt een slechte periode en het ontstaan van fitan

Zubayr bin ʿAdī vertelt: Wij bezochten Anas bin Mālik (رضي الله عنه). We klaagden hem over enkele problemen die de pelgrims tegenkwamen. Hij gaf ons het volgende advies: “Wees geduldig, want er zullen moeilijkere tijden komen dan die jullie vandaag meemaken.” (al-Bukhārī, 13/19 en 20; Imām Aḥmad, 3/132 en 177)Anas bin Mālik (رضي الله عنه) verklaarde dat hij dit persoonlijk van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had gehoord. Imām Tirmidhī heeft deze ḥadīth ook overgeleverd en verklaard dat deze zowel ṣaḥīḥ als ḥasan is. (Tirmidhī, 2202)

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De tijd zal korter worden, kennis zal afnemen, genot en gemak zullen toenemen, fitan zullen ontstaan en al-harj zal toenemen.” Toen de aanwezigen vroegen: “Wat is al-harj, o Rasûlullāh?” antwoordde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Moorden, moorden.” (al-Bukhārī, 13/13; Muslim, 16/222; Abū Dāwūd, 4235; Ibn Mājah, 4052; Imām Aḥmad, 2/233)

In de ḥadīth wordt met “het korter worden van de tijd” bedoeld dat de menselijke levensduur korter zal worden en de zegen (barakah) zal afnemen. Er zijn ook degenen die het interpreteren als het korter worden van de uren, dat wil zeggen dat de dagen sneller zullen voorbijgaan.

In een andere overlevering over dit onderwerp staat het volgende: “De tijd zal korter worden, zodat een jaar zal voorbijgaan als een maand, een maand als een week, een week als een dag, een dag als een uur, en een uur zal voorbijgaan als het flitsen van een vlam.” (Imām Aḥmad, 2/538; Muslim, 4/264; Tirmidhī, 2332) Volgens Tirmidhī zijn sommige overleveringen van deze ḥadīth ḥasan, terwijl andere gharīb zijn.

Hammad bin Salamah zegt: Ik vroeg aan Abū Sinān wat de betekenis van deze ḥadīth is. Hij gaf aan dat het betekent dat het leven gemakkelijker zal worden en het comfort zal toenemen.

Volgens al-Khattābī is de betekenis van de ḥadīth als volgt: De Mahdī zal komen en rechtvaardigheid zal heersen op aarde. Mensen zullen in veiligheid en vrede leven. Zo zullen mensen niet merken hoe snel de dagen voorbijgaan, want mooie/goede dagen gaan snel voorbij, terwijl moeilijke dagen langzaam en zwaar voorbijgaan.

Met het toenemen van comfort in de ḥadīth wordt bedoeld dat rijkdom en bezit zullen toenemen en luxe zal toenemen. Het korter worden van de tijd wordt daarmee in verband gebracht.

6.7 Zich afzijdig houden van de fitan, in tijden van fitnah de wapens neerleggen en een principieel standpunt innemen tegenover de fitnah

Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “(In tijden van fitnah) is het beste wat een mu’min kan doen, zich tevredenstellen met een schaap en zich terugtrekken in de bergen, of op een plaats waar niemand hem ziet, om zo zijn godsdienst (dīn) te beschermen tegen de fitnah.” (al-Bukhārī, 6/350; Abū Dāwūd, 4267; Nasāʾī, 5036; Ibn Mājah, 3980; Imām Aḥmad, 3/6 en 30) Imām Mālik heeft deze ḥadīth eveneens overgeleverd.

Van Abū Bakrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De komst van fitan is nabij, en de fitan zullen elkaar opvolgen. In tijden van fitnah is degene die stil blijft staat beter dan degene die loopt, en degene die loopt is beter dan degene die rent. Wie een kameel heeft, laat hem zich tevredenstellen met zijn kameel. Wie een schaap heeft, laat hem zich tevredenstellen met zijn schapp en ervoor opkomen. Wie een stuk land bezit, laat hem zich tevredenstellen met zijn land en niets anders nastreven.”Een man die daar aanwezig was, vroeg: “Wat moet iemand doen die geen schaap of kameel heeft?” Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Als hij geen schaap of kameel heeft, laat hij zijn zwaard tegen een steen slaan (dat wil zeggen: laat hem zich tevredenstellen met zijn eigen toestand en zich niet met anderen inlaten.) Op deze manier moet hij zichzelf beschermen en zich verre houden van de fitnah. O Allāh, heb ik overgebracht? Heb ik overgebracht?”Iemand anders vroeg: “Wat als twee groepen met elkaar vechten en ik ongewild of onder dwang één van beide partijen volg, en vervolgens iemand mij doodt met een zwaard of een pijl?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Die persoon zal zowel jouw zonden als zijn eigen zonden dragen en het Hellevuur binnengaan.” (Muslim, 18/9; Abū Dāwūd, 4236; Imām Aḥmad, 1/185)

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer de fitan zijn uitgebroken, is degene die zit beter dan degene die staat, degene die staat beter dan degene die loopt, en degene die loopt beter dan degene die rent. Wie zich niet op een afstand houdt van de fitnah, wordt uiteindelijk door de fitnah getroffen.

Zoek in tijden van fitnah, indien mogelijk, een toevluchtsoord en vermijd de fitnah.” (al-Bukhārī, 6/612; Muslim, 18/8; Tirmidhī, 2194; Imām Aḥmad, 2/282) Volgens Tirmidhī is deze ḥadīth zowel ḥasan als ṣaḥīḥ.

6.8 Het bevel van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) om zich in tijden van fitnah terug te trekken in huis en voor zijn gezin opkomen

Van Abū Burdah via Muḥammad bin Maslamah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Let op! (Zeer binnenkort) zullen er verschillende fitan, verwarring en onderlinge verdeeldheid ontstaan. Wanneer die tijd komt, neem dan je zwaard en geef het aan iemand over. Vervolgens ga je naar huis en blijf je daar zitten, totdat iemand jou lastigvalt of een beproeving jou treft.” (Tirmidhī, 2203; Ibn Mājah, 3962; Imām Aḥmad, 3/493) Muḥammad bin Maslamah (رضي الله عنه) zei: Ik heb deze tijden meegemaakt en heb gehandeld zoals in de ḥadīth is opgedragen.

Van Abū Mūsā al-Ashʿarī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De komst van fitan is zeer nabij, verglijkbaar met de donkere nachten. In die tijden zal iemand de ochtend ingaan als mu’min, maar de avond bereiken als kāfir. In zulke tijden is degene die zit beter dan degene die staat, en degene die staat beter dan degene die loopt.”De aanwezigen vroegen: “O Rasûlullāh, wat beveelt u ons aan in zulke tijden te doen?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Blijf in jullie woningen en waak over je gezin (houd ze weg van fitan).” (Abū Dāwūd, 4242; Ibn Mājah, 3961; Imām Aḥmad, 4/408)

Volgens de geleerden hield Muḥammad bin Maslamah (رضي الله عنه) zich afzijdig van de conflicten en meningsverschillen die onder de Ṣaḥābah ontstonden. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had hem bevolen om in dergelijke situaties zijn zwaard neer te leggen, een houten zwaard te nemen en zich volledig afzijdig te houden.

Abū Bakrah, ʿAbdullāh bin ʿUmar, Usāmah bin Zayd, Abū Ẓar, Ḥudhayfah, ʿImrān bin Ḥuṣayn, Abū Mūsā, Aḥbān bin Ṣayfī, Saʿd bin Abī Waqqāṣ en vele andere metgezellen (رضي الله عنهم) hebben zich niet met deze fitan ingelaten. Onder de Tābiʿīn (degenen die de Ṣaḥābah hebben ontmoet en van hen kennis hebben genomen) kunnen onder anderen Shurayḥ en Ibrāhīm an-Nakhaʿī genoemd worden als voorbeelden van degenen die zich in tijden van fitnah terugtrokken.

Volgens ons is het zich terugtrekken in afzondering het meest juiste houding bij conflicten tussen moslims.

Toch is er ook beloning voor degenen die deze fitan proberen te beëindigen. Degene die onbedoeld een fout maakt, krijgt één beloning; degene die het juiste treft, krijgt een veelvoud aan beloning.

De uitdrukking “Blijf in jullie woningen en waak over je gezin.” duidt erop dat men anderen geen schade moet toebrengen en zich ook moet beschermen tegen schade van anderen.Al-Ḥasan al-Baṣrī heeft, zonder de volledige keten van Ṣaḥābah overleveraars te vermelden, de volgende ḥadīth overgeleverd: “De toevlucht en schuilplaats van de muslims zijn hun huizen.”

Het is ook toegestaan zich terug te trekken naar bergen en afgelegen plaatsen buiten de woningen. De uitspraak in de Qur’ān: إِذۡ أَوَى ٱلۡفِتۡيَةُ إِلَى ٱلۡكَهۡفِ … ١٠(Gedenk) toen de jonge mannen voor bescherming naar de grot vluchtten… (Kahf, 18:10)

6.9 In tijden van fitnah niet afwijken van de waarheid en jezelf beschermen tegen de fitnah. In tijden van fitnah zullen alle deugdzamen en alle goede daden verdwijnen

Van ʿAdīsah bint Aḥbān: ʿAlī (رضي الله عنه) kwam van daar en ging Baṣrah binnen en begaf zich naar het huis van mijn vader (Aḥbān bin Ṣayfī). Hij vroeg mijn vader: “Zul je mij helpen tegen deze mensen?”Mijn vader riep zijn dienares en vroeg haar zijn zwaard te brengen. Toen zij het zwaard bracht, haalde hij het zwaard een handspan uit de schede. Het zwaard was van hout. Hij zei tegen ʿAlī (رضي الله عنه): “Mijn vriend en jouw neef, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), heeft een belofte van mij genomen. Hij heeft mij opgedragen dat wanneer er verdeeldheid ontstaat onder de moslims, mijn zwaard van hout zal zijn. Als je wilt, zal ik je helpen.”Daarom zeiʿAlī (رضي الله عنه): “Ik heb noch jou noch jouw zwaard nodig.”

Van Zayd bin Shuraḥbīl, via Abū Mūsā al-Ashʿarī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Vóór Yawm al-Qiyāmah zullen er gebeurtenissen plaatsvinden die als een donkere nacht zijn: duister, verwarrend en troebel. Zo zal een man ’s ochtends zijn huis verlaten als mu’min en ’s avonds terugkeren als kāfir. Een ander zal ’s ochtends opstaan als kāfir en ’s avonds als mu’min naar bed gaan. In zulke tijden is degene die zit beter dan degene die staat, degene die staat beter dan degene die loopt, en degene die loopt beter dan degene die rent. Breek in die tijden jullie dolken en speren, vernietig jullie schilden en sla jullie zwaarden tegen stenen. Als iemand van jullie wordt aangevallen of iemand die zich in zijn huis heeft teruggetrokken wordt lastiggevallen, wees dan als de beste van de twee zonen van Ādam (عليه السلام), (dat wil zeggen: Hābīl), (trek geen zwaard tegen je broeder en kies ervoor gedood te worden).” (Tirmidhī, 2204; Ibn Mājah, 3961; Imām Aḥmad, 4/272 en 277; Abū Dāwūd, 4239)

In een andere overlevering vroeg Saʿd bin Abī Waqqāṣ (رضي الله عنه): “O Rasûlullāh, wat als iemand mijn huis binnendringt en mij wil doden?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Wees als de beste van de twee zonen van Ādam (عليه السلام), (dat wil zeggen: Hābīl), (trek geen zwaard tegen je broeder en kies ervoor gedood te worden).” (Abū Dāwūd, 4237; Ibn Mājah, 3961; Imām Aḥmad, 1/185)

Daarna reciteerde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het volgende āyah:لَئِنۢ بَسَطتَ إِلَيَّ يَدَكَ لِتَقۡتُلَنِي مَآ أَنَا۠ بِبَاسِطٖ يَدِيَ إِلَيۡكَ لِأَقۡتُلَكَۖ إِنِّيٓ أَخَافُ ٱللَّهَ رَبَّ ٱلۡعَٰلَمِينَ ٢٨Als je je hand tegen mij opheft om mij te doden, zal ik nooit mijn hand tegen jou opheffen om je te doden, want ik vrees Allāh, de Heer der Werelden. (Mā’idah, 5:28)

Van ʿAbdullāh bin ʿAmr (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er zal een tijd komen waarin mensen hun beloften niet nakomen. Het vertrouwen tussen mensen zal afnemen. Rust en veiligheid zullen verdwijnen. Wat zullen jullie dan doen?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verstrengelde zijn vingers en zei: “Alles zal dan zo door elkaar raken.”Toen de aanwezigen vroegen: “O Rasûlullāh, wat moeten wij dan doen?” antwoordde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Handel naar wat jullie kennen/weten, en distancieer je van wat jullie niet weten en niet kennen.

Houd je bezig met jullie eigen zaken en blijf weg van anderen.” (Ibn Mājah, 3957; Imām Aḥmad, 2/162) Abū Dāwūd en de ḥadīth-ḥāfiẓ Abū Nuʿaym hebben deze ḥadīth eveneens overgeleverd.

Van ʿUmar (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Jullie zullen in een toestand terechtkomen waarin jullie omringd zullen worden door mensen die niet betrouwbaar zijn en van wie jullie het kwaad vrezen.”Toen de aanwezigen vroegen: “Wat zal dan onze toestand zijn?”, antwoordde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Handel naar wat jullie kennen/weten, en distancieer je van wat jullie niet weten en niet kennen. Daarna zullen jullie zeggen: ‘O mensen! Help ons, bevrijd ons van deze onderdrukking! Is er niemand die ons beschermt tegen onze aanvallers?” (Imām Aḥmad, 2/162 en 220; an-Nasāʾī, 4/143) Deze ḥadīth wordt (volgens ons) als gharīb beschouwd, want wij weten niet of er een dergelijke overlevering bestaat tussen Muḥammad bin Kaʿb, al-Ḥasan en Shuraykh.

Van ʿAbdullāh ʿAmr bin al-ʿĀṣ, ʿAbdullāh (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer je ziet dat het vertrouwen tussen mensen afneemt en dat zij hun beloften niet nakomen, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verstrengelde daarbij zijn vingers, en wanneer je getuige bent van (goed en kwaad) met elkaar vermengd zijn geraakt…”De aanwezigen zeiden: “Moge onze leven voor u worden opgeofferd, o Rasûlullāh! Wat beveelt u ons dan te doen?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Trek je terug in je woning, zorg goed voor jullie gezin, beheers je tong, handel naar datgene waarvan je zeker weet dat het juist is, en distancieer je van wat je niet kent en waarover je twijfelt.

Houd je bezig met je eigen zaken en bemoei je niet met wat anderen doen.” (Imām Aḥmad, 2/212) Abū Dāwūd en an-Nasāʾī hebben deze ḥadīth eveneens overgeleverd.

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) luidt als volgt: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “(Sprak tot de Ṣaḥābah) In de tijd waarin jullie nu leven (dat wil zeggen: de periode van voorspoed waarin Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nog leefde), als jullie één van de tien (verplichte) zaken die jullie zijn bevolen te doen nalaten (terwijl jullie de andere negen verrichten), zullen jullie ten onder gaan. Maar er zal een tijd komen waarin iemand gered zal worden als hij slechts één van de verplichtingen verricht (en de andere negen nalaat).” (Tirmidhī, 2267) Volgens Tirmidhī is deze ḥadīth gharīb. Er is echter in dezelfde betekenis ook een (ṣaḥīḥ) ḥadīth overgeleverd van Abū Ẓar (رضي الله عنه).

UitlegMet de term gharbalah in de ḥadīth wordt bedoeld dat de goede mensen zullen overlijden en dat er alleen nog maar de slechte mensen overblijven. In zulke tijden zullen degenen die de plaats van de goede mensen innemen eveneens slecht zijn.

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Zoals dadels van de tak vallen, zo zullen jullie allen uit elkaar bewegen (sterven en verdwijnen). Goede mensen onder jullie zullen overlijden (en er zullen geen nieuwe goede mensen bijkomen). Alleen de slechte mensen zullen overblijven (en er zullen slechte nieuwe generaties volgen). In zulke tijden is, indien mogelijk, sterven beter dan in leven blijven.” (Ibn Mājah, 4038)

Van Mirdās al-Aslamī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Goede en deugdzame mensen zullen één voor één overlijden. Wat overblijft, is als wol en overgebleven dadels. Van deze overgeblevenen zal er bij Allāh geen enkele waarde zijn” (al-Bukhārī, 11/251)

In een andere overlevering staat:“Allāhu (سبحانه وتعالى) geeft geen acht op degenen die overblijven.”

Khattāb bin Dihyah zegt dat Mirdās ibn Mālik uit de stad Aslam is. Hij woonde in Kufah, behoorde tot de vooraanstaande geleerden, en was een betrouwbare overleveraar. Deze ḥadīth is ṣaḥīḥ.

Volgens de auteur (al-Qurtubī) heeft alleen Imām al-Bukhārī deze ḥadīth overgeleverd. Qays ibn Abū Ḥāzim vermeldt dezelfde ḥadīth ook in zijn werk Rikāq.

Met de uitdrukking “en wanneer je getuige bent van (goed en kwaad) met elkaar vermengd zijn geraakt…” in de ḥadīth wordt bedoeld dat de waarheid en de leugen, en het juiste en het verkeerde, zo met elkaar verstrengeld raken dat men ze niet meer van elkaar kan onderscheiden.

6.10 In de tijd van fitnah: het bestuderen van Allāh’s Boek en handelen naar wat men leert. Wanneer de fitnah verschijnt en zich verspreidt niet de gemeenschap van de muslims verlaten. Gehoorzaamheid aan (de legitieme en rechtsgeldige) khalīfah, zelfs als hij onrechtvaardig lijkt

Van Nasr ibn Asim al-Laysī: “Tijdens een reis vertelde (Khālid ibn Khālid) al-Yashkūrī het volgende verhaal: Een groep van de zonen van Lays kwam en wij vroegen (hen naar hun doel)”. Ze zeiden: “De zonen van Lays kwamen naar jullie om over een ḥadīth te vragen.” Ik zei: “Is Abū Mūsā al-Ash‘arī hier eerder niet geweest? Ik had gehoord dat hij door Kufah was doorgereisd.” Ze antwoordden: “Ja, Abū Mūsā is ook hier geweest. We hebben hem gevraagd en naar Kufah uitgenodigd. Mijn vriend en ik hebben hem hetzelfde gevraagd.”

Ik vertel het als volgt: “Ik kwam met mijn vriend naar de moskee. In de moskee was een kring van mensen. Iedereen luisterde met grote aandacht naar de ḥadīth die een man aan het overbrengen was. Ik ging erbij zitten. Een man kwam naar me toe, en ik vroeg hem wie de spreker was. Hij vroeg: “Ben je een inwoner van Baṣrah?” Toen ik ja zei, antwoordde hij: “Ik wist het al. Als je uit Kufah was, zou je het geweten hebben. Deze man is Ḥuzayfah (رضي الله عنه).”Daar vertelde Ḥuzayfah (رضي الله عنه) het volgende: “Iedereen stelde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vragen over goede en prettige zaken, terwijl ik juist vroeg naar de moeilijke en slechte situaties.”Op een keer vroeg ik: “O Rasûlullāh! Zullen er na deze slechte gebeurtenissen ook weer goede dingen komen?” Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beval: "O Ḥuzayfah! Leer het Boek van Allāh en handel naar wat je daaruit leert.” Dit bevel herhaalde hij drie keer.Ik vroeg opnieuw: “O Rasûlullāh! Zullen er na deze mooie gebeurtenissen weer slechte dingen komen?” Hij zei: “Ja, er zullen verwarrende zaken en slechte gebeurtenissen plaatsvinden.”Toen vroeg ik: “O Rasûlullāh! Zullen er na deze slechte dingen weer goede dingen komen?” Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ja! Er zullen verwarrende gebeurtenissen en slechte voorvallen plaatsvinden”.Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ja! (Ondanks dat de mensen in deze toestand zijn, zal er onder hen toch) een groep van moslims zijn die achter de rook blijven en langs de rand blijft staan.” Ik vroeg: “O Rasûlullāh! Wat betekent die gemeenschap achter de rook?” Hij zei: “Zij volgen de meerderheid niet en beschermen zichzelf tegen hen.”Ik vroeg nogmaals: “O Rasûlullāh! Zullen er na deze mooie dingen weer slechte dingen komen?” Hij zei: “Ja.

Er zullen verdoofde en verblindende, verwarrende gebeurtenissen plaatsvinden. Deze gebeurtenissen zullen degenen die volgen naar het Hellevuur leiden. O Ḥuzayfah! Blijf jezelf, want zelfs met een takje of takje als bestaansmiddel te leven, is beter dan bij deze gebeurtenissen betrokken raken.”

Hafız Abû Nuaym overlevert van Muʿādz bin Jabal (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Accepteer de geschenken en giften die aan jullie gegeven worden. Als het om omkoping gaat, neem deze dan niet aan. Jullie zouden om het idee dat jullie arm en behoeftig worden, niet terugschrikken voor omkoping. De overmacht van de Islām zal blijven voorduren zolang men handelt naar Allahs Boek. Daarna zullen de sultans (dat wil zeggen het bestuur van de staat) en Allahs Boek van elkaar gescheiden worden. Verlaat nooit het Boek van Allāh. Daarna zullen bestuurders komen die jullie niet als hun gelijken zien. Als jullie hen niet gehoorzamen, zullen ze jullie doden. Als jullie hen gehoorzamen, zullen ze jullie van het pad van Allāh afleiden.”

De aanwezigen vroegen: “O Rasûlullāh! Wat beveelt U ons dan te doen?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Wanneer zo'n tijd komt, handelt dan zoals de discipelen van ʿĪsā (عليه السلام). De discipelen werden gekruisigd en met zagen gesneden, maar keerden toch niet van het pad van Allāh af. Sterven in gehoorzaamheid aan Allāh is beter dan leven in rebellie tegen Allāh.”

Abû İdrīs al-Hawlānī overlevert van Ḥudzayfah (رضي الله عنه): Mensen vroegen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar goede dingen. Ik daarentegen vroeg naar slechte gebeurtenissen. Ik vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “O Rasûlullāh! Wij waren in de tijd van onwetendheid in een slechte toestand. Toen kwam de Islām en Allāh schonk ons deze zegeningen. Maar zullen er toch slechte gebeurtenissen en slechte mensen komen?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Ja.”

Ik vroeg: “Zullen er na deze slechte dingen weer goede dingen komen?”

Hij antwoordde: “Ja, dan zal er een rook zijn (Een tijdelijk verdrag of een wazige, onduidelijke sfeer).”

Ik vroeg wat dit betekent, en hij antwoordde: “Op dat moment zullen de mensen daden verrichten die niet mijn sunnah zijn. Sommige dingen van hen zullen je goed bevallen, maar andere zullen je niet bevallen.”

Ik vroeg: “Zullen er na deze goede dingen opnieuw slechte dingen komen?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ja, er zullen mensen en gebeurtenissen zijn die naar het Hellevuur uitnodigen. Wie zich hiervan niet kan onthouden, zal naar de Hel gaan.”

Ik vroeg: “Hoe zullen wij hen herkennen?”

Hij zei: “Ze zullen eruitzien zoals wij en zullen zeggen wat wij zeggen.”

Ik vroeg: “Wat beveelt u ons dan in die tijd?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Verlaat de meerderheid van de muslims niet. En gehoorzaam de leiders van de muslims.”

Ik vroeg: “Wat doen we als er geen gemeenschap of leider van de muslims is?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Gehoorzaam dan niemand. Trek je terug. Als je kunt overleven met de wortel van een plant, doe dat dan. Zorg dat je sterft in die toestand.” (al-Bukhārī, 13/35.; Muslim, 12/236.; İmam Ahmed, 5/403)

In een andere overlevering heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het volgende gezegd:

“Na ons zullen er leiders over de ummah heersen die mijn weg niet volgen en die zich niet aan mijn sunnah houden. Sommigen van deze leiders zullen uiterlijk mensen zijn, maar hun harten zullen zijn als die van shayāṭīn."

Ik vroeg: "Wat beveelt u ons dan te doen?"

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: "Gehoorzaam hen. Zelfs als zij jullie slaan en jullie bezit onrechtmatig afnemen, kom niet in opstand.” Deze overlevering behoort tot Imām Muslim.

De overlevering van Abû Dāwūd luidt als volgt:

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Een rook (dat wil zeggen een tijdelijke) vrede.’ Ik vroeg: ‘Wat zal daarna gebeuren?’ Hij zei: “Als er op aarde een khalīfah is die zich houdt aan de bevelen van Allāh, volg hem dan, zelfs als hij je slaat en je bezit (onrechtmatig) afneemt. Als je daartoe niet in staat bent, trek je dan terug en leef desnoods van een stukje tak totdat de dood je bereikt.”

Ik vroeg opnieuw: “Wat zal daarna gebeuren?”

Hij zei: “Daarna zal de Dajjāl verschijnen. Bij de Dajjāl zal er een rivier en een vuur zijn. Wie zich in zijn vuur bevindt, wordt gered van fitnah en zonde en zal de beloning (van Allāh) ontvangen. En wie zich laat misleiden door zijn rivier, dat wil zeggen zijn genietingen, zal verantwoordelijk worden gehouden en zal zeker de vergelding/straf (van Allāh) krijgen.”

Ik vroeg: “Wat zal daarna gebeuren?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Daarna zal al-Qiyāmah plaatsvinden.”

In de ḥadīth wordt als voorbeeld het woord "qudzāt" genoemd. Dit woord duidt op iets kleins dat in het oog komt en irriteert. Hetzelfde woord wordt ook gebruikt voor iets zoals stof en aarde die zich in voedsel mengt. Met dergelijke voorbeelden wordt beschreven wat mensen in tijden van verwarring/fitnah zullen meemaken. Wat hier bedoeld wordt, is het kwaad dat zich in de harten van mensen bevindt. Hoewel mensen uiterlijk lijken samen te leven, zal er in werkelijkheid onderlinge onenigheid en verdeeldheid zijn.

Ook het woord "jazal" dat in de ḥadīth voorkomt (met dezelfde betekenis als "jazar") betekent de wortel van een boom. Imām Muslim heeft dit woord in zijn boek op deze manier uitgelegd.

6.11 Als twee muslims elkaar met het zwaard tegemoet treden, zijn zowel de doder als de gedode bestemd voor het Hellevuur.

Van Aḥnaf bin Qays: Ik vertrok (om ʿAlī (رضي الله عنه) te helpen). Onderweg kwam ik Abû Bakrah (رضي الله عنه) tegen. Hij vroeg: “Waar ga je naartoe, Aḥnaf?”

Ik zei: “Ik ga de zoon van de oom van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) te hulp.”

Hij zei tegen mij: "Ga terug naar je huis, Aḥnaf. Ik heb Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) persoonlijk het volgende horen zeggen:

“Wanneer twee muslims elkaar met het zwaard tegemoet treden en tegenover elkaar komen te staan, dan zijn zowel de doder als de gedode in het Hellevuur.”

Daarop zei ik: “Wij begrijpen waarom de doder in het Hellevuur is, maar waarom is de gedode dat ook, o Rasûlullāh?”

Hij antwoordde: “Omdat ook hij hem ook had willen doden (de intentie had zijn broeder te doden; als hij de kans had gehad).” (Muslim, 18/11.; İbn Mâjah, 3964.; İmam Ahmed, 4/401 ve 5/43.; al-Bukhārī, 10/85)In sommige overleveringen wordt gezegd: “Ook de gedode zou zijn broer zeer graag hebben gedood.”

Onze geleerden geven aan dat deze ḥadīth niet gaat over de ṣaḥābah, maar heeft een andere bedoeling. Zij hebben ook de volgende āyah als bewijs aangehaald:

وَإِن طَآئِفَتَانِ مِنَ ٱلۡمُؤۡمِنِينَ ٱقۡتَتَلُواْ فَأَصۡلِحُواْ بَيۡنَهُمَاۖ فَإِنۢ بَغَتۡ إِحۡدَىٰهُمَا عَلَى ٱلۡأُخۡرَىٰ فَقَٰتِلُواْ ٱلَّتِي تَبۡغِي حَتَّىٰ تَفِيٓءَ إِلَىٰٓ أَمۡرِ ٱللَّهِۚ فَإِن فَآءَتۡ فَأَصۡلِحُواْ بَيۡنَهُمَا بِٱلۡعَدۡلِ وَأَقۡسِطُوٓاْۖ إِنَّ ٱللَّهَ يُحِبُّ ٱلۡمُقۡسِطِينَ ٩

En als twee partijen of groepen onder de gelovigen tegen elkaar vechten, sticht dan vrede tussen hen, maar als één van de twee opstandig is tegen de ander, bevecht dan degene die opstandig is tot hij terugkeert naar het bevel van Allāh.

En als hij zich voegt, sluit dan een rechtvaardige vrede en wees onpartijdig. Waarlijk! Allāh heeft de rechtvaardigen lief. (Hujjurāt, 49:9)

In deze āyah wordt toegestaan om te strijden en zich in te zetten om de onderlinge verhoudingen tussen muslims te herstellen. Als de muslims zich niet verzetten tegen dergelijke conflicten, dan zou een van de bevelen van Allāh veronachtzaamd worden.

Daarom gaat de ḥadīth: “Zowel de doder als de gedode is in het Hellevuur” niet over de metgezellen en leerlingen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), oftewel de ṣaḥābah. Want de ṣaḥābah vochten niet op basis van eigen begeerten, maar voor wat zij als waarheid beschouwden.

Aṭ-Ṭabarī zei: “Als het bij elke onenigheid tussen muslims verplicht was zich terug te trekken, het zwaard neer te leggen, in huis te blijven en zich niet met de gebeurtenissen te bemoeien, dan zouden noch de sharīʿah, noch de door de Islām vastgestelde straffen (ḥudūd) toegepast kunnen worden. Het resultaat zou zijn dat de wereld vervuld zou raken van zonden. De munāfiqs zouden de overhand krijgen, en iedereen zouden kunnen doden wie zij willen, het bezit van anderen afnemen en zich vergrijpen aan de eer van anderen. Om dit te voorkomen, is het noodzakelijk om slechte daden tegen te gaan.

De ḥadīth: "Weerhoud de zondaar en de dwaas van hun (slechte) daden" ondersteunt deze opvatting.

Volgens ons heeft de overlevering van Abû Bakrah (رضي الله عنه) betrekking op datgene wat wij hierboven hebben genoemd, namelijk strijd en gevechten buiten de door de Islām toegestane voorwaarden. Op basis van de ḥadīth: “Wanneer muslims om wereldse zaken strijden, dan zijn zowel de doder als de gedode bestemd voor het Hellevuur," begrijpen wij dat niet degenen die strijden voor wat de Islām als legitiem beschouwt en beveelt, maar degenen die elkaar bevechten uit eigen belangen en wereldse motieven, tot het Hellevuur zullen behoren.

Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Bij Allāh, Yawmu’l Qiyāmah zal niet plaatsvinden totdat er een tijd komt waarin niet bekend is wie wie heeft gedood en om welke reden iemand is gedood.”

Een van de ṣaḥābah vroeg: “Hoe zal dat zijn?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Door een sfeer van verwarring en onrust (fitnah). In zo’n toestand zijn zowel de doder als de gedode in het Hellevuur.” (Muslim, 18/35)

Hieruit blijkt dat degene die niet weet waarvoor hij strijdt, zijn begeerten volgt of om wereldse redenen strijdt en daarbij doodt of gedood wordt, tot het Hellevuur behoort. De situatie van degene die strijdt op basis van een sharʿī grondslag is echter anders.

Daarom zijn wij van mening dat de ṣaḥābah niet hebben gestreden uit eigen begeerten of uit eigenbelang. Evenmin handelden zij uit onwetendheid. Zij streden allen voor wat zij als waarheid beschouwden, indien nodig, hun leven daarvoor opgeofferd. Zelfs wanneer zij zich zouden hebben vergist, past het ons niet hen te bekritiseren. Wij hebben daartoe geen recht. Dit is in strijd met de juiste omgangsvormen (adab) en met de essentie van de Islām.

Allāhu Taʿālā zegt in de Qur’aan:

۞ لَّقَدۡ رَضِيَ ٱللَّهُ عَنِ ٱلۡمُؤۡمِنِينَ إِذۡ يُبَايِعُونَكَ تَحۡتَ ٱلشَّجَرَةِ فَعَلِمَ مَا فِي قُلُوبِهِمۡ فَأَنزَلَ ٱلسَّكِينَةَ عَلَيۡهِمۡ وَأَثَٰبَهُمۡ فَتۡحٗا قَرِيبٗا ١٨

Voorwaar, Allāh was vergenoegd met de gelovigen toen zij hun gelofte aan jou onder de boom aflegden. Hij wist wat in hun harten was en (vanwege hun oprechtheid) deed Hij (innerlijke) rust en kalmte op hen neerdalen. En Hij beloonde hen met een nabije overwinning. (Fath, 48:18)

مُّحَمَّدٞ رَّسُولُ ٱللَّهِۚ وَٱلَّذِينَ مَعَهُۥٓ أَشِدَّآءُ عَلَى ٱلۡكُفَّارِ رُحَمَآءُ بَيۡنَهُمۡۖ ت ٢٩

Mohammed is de Boodschapper van Allāh, en degenen die bij hem zijn, zijn streng tegenover de ongelovigen en barmhartig voor henzelf… (Muhammad, 48:29)

لَا يَسۡتَوِي مِنكُم مَّنۡ أَنفَقَ مِن قَبۡلِ ٱلۡفَتۡحِ وَقَٰتَلَۚ أُوْلَٰٓئِكَ أَعۡظَمُ دَرَجَةٗ مِّنَ ٱلَّذِينَ أَنفَقُواْ مِنۢ بَعۡدُ وَقَٰتَلُواْۚ وَكُلّٗا وَعَدَ ٱللَّهُ ٱلۡحُسۡنَىٰۚ ١٠

… Degenen van jullie die vόόr de overwinning (bij Makkahh) bijdragen gaven en vochten zijn niet gelijk. Zij staan hoger in rang dan degenen die daarna besteedden en vochten (op weg van Allāh).

Maar voor allen heeft Allāh het beste beloofd. .... (Hadid, 57:10)

Hieruit volgt dat de ṣaḥābah hun oordelen baseerden op grond van islamitisch bewijs en een eigen interpretatie (ijtihād*) hebben gevormd. De mening van sommigen kan juister zijn geweest dan die van anderen; dit is een normale zaak. Maar zij zijn allen ṣaḥābah. Over hen allen zijn er āyāt geopenbaard en Allāhu Taʿālā heeft verklaard tevreden te zijn met hen.

Sommigen hebben later hun mening herzien. Zo heeft ʿAbdullāh bin ʿUmar (رضي الله عنهما) later veel spijt gehad dat hij ʿAlī (رضي الله عنه) niet had geholpen. Want ʿAbdullāh (رضي الله عنهما) had in de tijd van fitnah ervoor gekozen zich terug te trekken en neutraal te blijven. Terwijl de zijde van Muʿāwiyah (رضي الله عنه) degene was die het akkoord verbrak. In dat geval had men zich bij ʿAlī (رضي الله عنه) moeten aansluiten.

[Ijtihād: het zich maximaal inspannen om een religieus oordeel te vormen op basis van de bronnen van de Islām.]

ʿAbdurraḥmān bin Abzā vertelt: “Wij maakten de gebeurtenis van Ṣiffīn mee. Van degenen die aanwezig waren bij de bayʿah van ar-Riḍwān, bevonden zich 800 personen aan de zijde van ʿAlī (رضي الله عنه). Van hen zijn er 63 shahīd geworden (رضي الله عنهم). ʿAmmār bin Yāsir (رضي الله عنه) was ook daar aanwezig. Hij bevond zich aan de zijkant, terwijl andere ṣaḥābah zich om hem heen hadden verzameld. Hij zei tegen Hāshim bin ʿUtbah (رضي الله عنه): "Hāshim! Sta op en ga vooruit.

Het Paradijs bevindt zich onder de schaduw van de zwaarden. Vandaag worden de geliefden van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) als shuhadā’ gedood. Vandaag vallen de helpers van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) neer. Als wij verslagen worden, zullen de bergen op ons neerstorten. Wij staan aan de kant van de waarheid (ḥaq), en zij staan aan de kant van het onwaarheid (bāṭil).”

Om onze houding te bepalen ten aanzien van de gebeurtenissen tussen de aṣḥāb van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), is het voldoende de volgende āyah te overwegen:

تِلۡكَ أُمَّةٞ قَدۡ خَلَتۡۖ لَهَا مَا كَسَبَتۡ وَلَكُم مَّا كَسَبۡتُمۡۖ وَلَا تُسۡـَٔلُونَ عَمَّا كَانُواْ يَعۡمَلُونَ ١٣٤

Dat was een gemeenschap die nu is voorbijgegaan. Zij zullen de beloning krijgen van wat zij verdiend hebben en jullie van wat jullie verdiend hebben. En jullie zullen niet ondervraagd worden over wat zij gewoonlijk deden. (Baqarah, 2:134)In onze excegese (tafsīr) van de Qur’aan hebben wij dit onderwerp reeds uitgebreid behandeld bij de uitleg van sūrah al-Ḥujurāt. Hier sluiten wij af met de volgende ḥadīth: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er zullen zich onder mijn aṣḥāb bepaalde gebeurtenissen voordoen. Maar Allāhu Taʿālā zal hun zonden vergeven, alleen al omdat zij in mijn gezelschap zijn geweest. Degenen die daarna zulke zaken verrichten (en degenen die over deze onderwerpen spreken), zullen echter tot het Hellevuur behoren.”

قُلۡ هُوَ ٱلۡقَادِرُ عَلَىٰٓ أَن يَبۡعَثَ عَلَيۡكُمۡ عَذَابٗا مِّن فَوۡقِكُمۡ أَوۡ مِن تَحۡتِ أَرۡجُلِكُمۡ أَوۡ يَلۡبِسَكُمۡ شِيَعٗا وَيُذِيقَ بَعۡضَكُم بَأۡسَ بَعۡضٍۗ ٱنظُرۡ كَيۡفَ نُصَرِّفُ ٱلۡأٓيَٰتِ لَعَلَّهُمۡ يَفۡقَهُونَ ٦٥

Zeg: “Hij heeft de macht om de bestraffing voor jullie van boven of van onder jullie voeten te sturen, of jullie te bedekken met verwarring in de partijstrijd en jullie het geweld te laten proeven van elkaar.” Zie hoe Wij de Tekenen hebben uitgelegd. Hopelijk zullen zij het begrijpen. (Anʿām, 6: 65)

Van Thawbān (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāhu Taʿālā heeft voor mij de aarde uitgespreid, en ik zag haar oosten en westen. En ik heb gezien tot welke gebieden mijn ummah heerschappij zal verkrijgen. Mijn ummah werd de rode en de witte schatten gegeven.”(Muslim, 18/13) Ibn Mājah heeft uitgelegd dat met ‘de rode en de witte schatten’ goud en zilver worden bedoeld.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vervolgde: “Ik heb mijn Rab gevraagd om mijn ummah niet gezamenlijk te vernietigen door honger en droogte, en om hen niet te onderwerpen aan een vijand van buitenaf.”

Mijn Rab zei: “O Muḥammad! Wanneer Ik eenmaal een oordeel in een bepaalde zaak heb gegeven, wordt dit niet teruggedraaid. Ik heb jouw ummah begunstigd met het feit dat zij niet door honger en niet gezamenlijk vernietigd zullen worden.

Bovendien zal ik hen geen vijand van buitenaf sturen, behalve degene die uit hun eigen midden komt. Zelfs als de hele wereld zich tegen hen zou verenigen, zouden zij hen geen schade kunnen toebrengen. Maar zij zullen elkaar bestrijden, elkaar doden en elkaar tot krijgsgevangenen maken.” (Abû Dāwūd, 4232.; Tirmizi, 2176.; İbn Mâjah, 3952.; İmam Ahmed, 5/278 en 284)

In Abī Dāwūd wordt het volgende toegevoegd:

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik vrees dat er over mijn ummah leiders zullen komen die van het pad van Allāh zijn afgeweken. Wanneer zulke leiders eenmaal komen en het zwaard tegen mijn ummah trekken, zal deze toestand voortduren tot aan de Qiyāmah. Velen uit mijn ummah zullen zich niet bij de mushriks aansluiten en een ander deel van mijn ummah afgoden blijft aanbidden, zal de Qiyāmah niet losbarsten. Uit mijn ummah zullen dertig leugenaars opstaan die zullen beweren dat zij nabī zijn. Ik ben de laatste van de anbiyā’; na mij is er geen nabī. Ondanks dit alles zal er altijd een groep uit mijn ummah zijn die op de waarheid blijft. Niemand zal hen kunnen tegenhouden.”

Van Muʿāz bin Jabal (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte op een dag de ṣalāh langer. Toen hij klaar was, zeiden wij: “O Rasûlullāh! Vandaag hebt u de ṣalāh lang gehouden”.

Hij zei: “Vandaag heb ik ṣalāh van vrees en behoefte (ṣalāh al-khawf en ṣalāh al-hājah ) verricht. Ik heb Allāh drie zaken gevraagd voor mijn ummah:Twee ervan zijn mij gegeven, maar één is mij geweigerd. Ik heb Allāh gevraagd om geen vijanden van buitenaf over mijn ummah te sturen; dit werd toegestaan. Ik heb gevraagd dat mijn ummah niet, (zoals de vroegere volkeren), door verdrinking vernietigd zal worden; ook dit werd toegestaan. Ik heb gevraagd dat zij niet onderling met elkaar zullen strijden; dit werd niet toegestaan.” (İbn Mâjah, 3951.; İmam Ahmed, 3/146 ve 156.; İmam Muslim, 18/14.)

Van Saʿd bin Abī Waqqāṣ (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) keerde op een dag terug uit al-ʿĀliyah. Volgens een andere overlevering kwam hij met een groep ṣaḥābah naar de moskee in de wijk van Banū Muʿāwiyah. Daar verrichtte hij twee rakʿāt ṣalāh en wij verrichtten de ṣalāh met hem. Daarna deed hij langdurig duʿāʾ. Toen hij klaar was met zijn duʿāʾ, wendde hij zich tot ons en zei: “Ik heb mijn Rab om drie zaken gevraagd. Twee daarvan heeft Hij mij gegeven en één heeft Hij niet toegestaan. Ik heb gevraagd dat mijn ummah niet door honger en niet door verdrinking gezamenlijk vernietigd zal worden; deze twee verzoeken zijn aan mij gegeven. Ik heb gevraagd dat zij niet onderling zullen strijden en geen vijanden van elkaar zullen worden; maar dit verzoek is mij niet toegestaan." (Abû Dāwūd, 4232.; İbn Mâjah, 3951.; İmam Ahmed, 5/240.; Tirmizi, 2176)

Ook an-Nasāʾī heeft deze ḥadīth overgeleverd en verklaard dat zij ṣaḥīḥ is.

Ḥabbāb bin al-Arat (رضي الله عنه) behoorde tot degenen die in Badr als shuhadāʾ zijn gevallen. Tot aan zijn shahādah volgde hij elke nacht Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in de masjid en verrichtte hij samen met hem de ṣalāh tot aan de ochtend. Deze sahābī vertelt: Op een nacht verrichtte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een lange ṣalāh en deed een zeer lange duʿāʾ. Ḥabbāb (رضي الله عنه) zei: “Mijn moeder en vader zouden zich voor u opofferen, o Rasûlullāh! Ik heb u nog nooit zo zien ṣalāh en duʿāʾ verrichten.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: "Ja, ik heb de ṣalāh van vrees en behoefte verricht. Ik heb Allāhu Taʿālā drie bijzondere zaken gevraagd voor mijn ummah. Twee daarvan heeft Hij mij geschonken en één heeft Hij niet aanvaard.

Ik heb Allāh gevraagd mijn ummah niet, zoals eerdere umam, gezamenlijk te vernietigen; dit heeft Hij aanvaard. Ik heb gevraagd geen vijanden over hen te sturen en hen niet door hun vijanden te laten overwinnen; ook dit heeft Hij aanvaard. Ik heb gevraagd dat mijn ummah zich niet in groepen zal splitsen (en elkaar niet zal bestrijden); dit heeft Hij niet aanvaard.”

In de ḥadīth van Abû Mūsā al-Ashʿarī (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:

"Vóór al-Qiyāmah zal er harj zijn."

Abû Mūsā vroeg wat harj betekent. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: "Harj betekent doden."

Abû Mūsā zei: "Wij doden de mushriks ."

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: "Het is niet het doden van mushriks, maar het doden van moslims onder elkaar. Zo zal (moslim) persoon zijn buurman doden. Hij zal zelfs de zoon van zijn oom en zijn verwanten doden.” (İbn Mâjah, 3909.; İmam Ahmed, 2/392 ve 4/391)

6.12 Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft bericht over welke soorten fitan zullen plaatsvinden

Van Ḥudhayfah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft ons zodanige preken gegeven dat er niets onbesproken is gebleven. In deze preken heeft hij ons niets over de fitan onthouden. Hij heeft alle zaken met betrekking tot de fitan volledig uitgelegd.

Wie wilde, nam ervan wat hij wilde nemen, en sommige zaken (van de fitan) werden vergeten. Het kan zijn dat ik zelf ook iets ben vergeten, maar mijn vrienden onder de ṣaḥābah kennen alles wat van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) is overgeleverd. Zelfs als wij iets vergeten, kunnen wij het weer herinneren. Net zoals iemand een bekende kan vergeten wanneer hij hem lange tijd niet ziet, maar hem weer herkent zodra hij hem opnieuw ziet. (Muslim (18/15) en Abû Dâwûd (4221)

Van Ḥudhayfah (رضي الله عنه): “Bij Allāh, ik weet niet of de ṣaḥābah van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het zijn vergeten, of dat het hen is doen vergeten. Maar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft niets met betrekking tot de fitan onbesproken gelaten. Zelfs de namen van degenen die fitnah zouden veroorzaken en de namen van de driehonderd mensen om hen heen heeft hij afzonderlijk genoemd. Hij noemde zelfs hun stammen en de namen van hun vaders.” (Abû Dâwûd, 4222)

Van Ḥudhayfah bin al-Yamān (رضي الله عنه): Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ons over de fitan vertelde, zei hij: “Drie van deze fitan zullen niets achterlaten. Andere fitan zijn als zomerse winden; sommige zijn groot en andere klein.” (Muslim, 18/15; Abû Dâwûd, 4221)

Van ʿAbdullāh bin ʿUmar (رضي الله عنهما): Wij zaten met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), en hij vertelde ons over de fitan. Daarna noemde hij de fitnah van al-Ahlās.

Toen men hem vroeg wat dit was, zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Dit is een fitnah van angst en vluchten. Daarna zal de ergste fitnah komen. De rook van het vuur die deze fitnah met zich meebrengt, zal ontstaan van onder de voeten van een man uit mijn familie. Hoewel deze man beweert tot mijn familie te behoren, behoort hij in werkelijkheid niet tot mijn familie. Mijn familie en mijn geliefden zijn slechts degenen met taqwā (godsvrezenden). Wie geen taqwā bezit, behoort niet tot mijn familie en niet tot mijn geliefden.

Daarna zal de fitnah van ad-Duhaymā komen. Geen enkele moslim zal eraan kunnen ontsnappen.

Telkens wanneer men denkt dat de fitan voorbij zijn, zullen zij opnieuw beginnen.

Het zal zover komen dat een man ’s ochtends als muʾmin opstaat en ’s avonds als kāfir gaat slapen. En een ander zal als kāfir zijn huis verlaten en als moslim terugkeren.

Daarna zullen de mensen zich opsplitsen in twee groepen:een groep waarin alleen moslims zijn, zonder enige munāfiq,en een andere groep waarin geen enkele muʾmin is, maar allen munāfiq.

Wanneer dat gebeurt, verwacht dan de Dajjāl. De Dajjāl zal diezelfde dag komen, of de dag daarna verschijnen.” (Abû Dâwûd, 4224; Imām Aḥmad, 2/133)

Het woord “maqām” (een specifieke plaats) waar Ḥudhayfah (رضي الله عنه) naar verwijst, wordt in sommige overleveringen genoemd als “majlis” (bijeenkomst). Wat door Abū Zayd is overgeleverd, ondersteunt dit: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) leidde ons op een dag in de ṣalāh al-fajr. Daarna ging hij op de mimbar staan en sprak ons toe tot aan de middag. Vervolgens, na de ṣalāh, ging hij opnieuw op de mimbar staan en sprak tot aan de ṣalāh al-ʿaṣr. Na het verrichten van de ṣalāh al-ʿaṣr bleef hij spreken tot aan de ṣalāh al-maghrib-. Hij vertelde over vele gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden en nog zullen plaatsvinden. Wij luisterden naar alles en memoriseerden het”. Dit is de overlevering van Muslim.

De overlevering van at-Tirmiḏī luidt als volgt: Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) leidde ons op een dag in de ṣalāh al-ʿaṣr en hield daarna een preek (khuṭbah). Daarin vertelde hij over vele gebeurtenissen die zullen plaatsvinden tot aan Yawm al-Qiyāmah. Wij hebben dit allemaal gememoriseerd, maar sommigen van ons zijn het later vergeten. (at-Tirmidhī (2191)

Hier lijkt het alsof er slechts sprake is van één maqām één plaats / één enkele bijeenkomst.

In de eerste ḥadīth wordt echter gesproken over meerder dan één preek (khuṭbah), terwijl in de tweede ḥadīth slechts één khuṭbah wordt genoemd.

Hoewel dit op het eerste gezicht een tegenstrijdigheid lijkt, zijn wij van mening dat het om twee verschillende gebeurtenissen op verschillende dagen gaat.

Op een dag hield Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) alleen na de ṣalāh al-ʿaṣr een khuṭbah. Op een andere dag sprak hij gedurende de hele dag. Het is ook mogelijk dat de overlevering van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) over dezelfde gebeurtenis gaat. Waarschijnlijk heeft Abū Saʿīd (رضي الله عنه) niet het volledige voorval overgeleverd, maar zich beperkt tot wat na de ṣalāh al-ʿaṣr werd gezegd. En Allāh weet het het beste.

De term “al-Ahlās” wordt gebruikt voor zaken die langdurig en aanhoudend zijn. Zo wordt voor iemand die voortdurend bij zijn huis blijft en zich ermee bezighoudt het woord “ḥils” gebruikt, wat duidt op gehechtheid aan zijn huis. Het meervoud daarvan is “ahlās”.

Deze fitnah heeft mogelijk deze naam gekregen omdat zij lang zal voortduren en zwaar zal zijn. In deze gebeurtenissen zullen veel mensen omkomen en zal er veel materieel verlies zijn.

De uitdrukking “dukhān” duidt op het begin van de fitnah en op het feit dat deze zich, net als rook, overal verspreidt en iedereen treft.

De term “Duhaymā” is het meervoud van “duhmā” en wordt gebruikt voor zware en slechte zaken.

Uit deze aḥādīth begrijpen wij dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vele belangrijke gebeurtenissen heeft aangekondigd die tot aan Yawm al-Qiyāmah zullen plaatsvinden.

De ṣaḥābah hebben echter, al dan niet bewust, veel van deze zaken niet overgeleverd. Mogelijk komt dit doordat deze onderwerpen niet tot de kern van de godsdienst behoren. Het kan ook zijn dat Allāhu Taʿālā heeft gewild dat een deel hiervan in vergetelheid is geraakt.

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Ik heb van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kennis geleerd die twee volle boeken zouden vullen. Het eerste deel heb ik aan iedereen verteld, maar van het tweede deel heb ik echter niets gezegd. Als ik dat zou vertellen, zou ik vrezen dat mijn keel zou worden doorgesneden.”

Het woord “fustāṭ” dat in de ḥadīth voorkomt, betekent “grote tent”. Dit duidt erop dat de moslims zich in grote groepen zullen opsplitsen en elkaar zullen bestrijden. Deze groepen zullen volledig van elkaar gescheiden zijn. Elke groep zal de andere herkennen, maar zij zullen niet op elkaar lijken en zich niet met elkaar vermengen.

In Egypte is ook een stad gesticht met de naam al-Fustāṭ, waarvan de naam van ditzelfde woord is afgeleid. (al-Bukhārī 1/216)

6.14 Fitnah die als zeegolven zal komen. De ondergang van de ummah zal plaatsvinden door de handen van jongeren uit Quraysh

Van Shaqīq (al-Balkhī) via Ḥudhayfah (رضي الله عنه): Wij zaten met ʿUmar bin al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه). Hij vroeg: “Wie van jullie herinnert zich de ḥadīth van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) over de fitan?”

Ḥudhayfah antwoordde: “Ik weet het.”

ʿUmar (رضي الله عنه) zei: “Jij bent inderdaad moedig. Vertel, hoe ken jij deze ḥadīth?”

Daarop vertelde Ḥudhayfah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:

“Een mens zal beproefd worden met zijn familie, zijn bezit en zijn buren. Hij zal de ṣalāh, de vasten, de zakāh en het gebieden van het goede en het verbieden van het verwerpelijke ontkennen.” (İbn Mâjah, 3955)

Toen zei ʿUmar (رضي الله عنه): “Ik bedoel dit niet. Ik vraag naar de fitan die vlak voor Yawm al-Qiyāmah zullen komen, als de golven van de zee.”

Ḥudhayfah antwoordde: “O Amīr al-Muʾminīn, wat heb jij met die fitan te maken? Tussen jou en die fitan bevindt zich een gesloten deur.”

ʿUmar (رضي الله عنه) vroeg: “Zal die deur geopend worden of zal zij gebroken worden?”

Ḥudhayfah antwoordde: “Ik denk dat zij gebroken zal worden.”

Daarop zei ʿUmar (رضي الله عنه): “Dan zou het beter zijn als zij gesloten blijft!”

Shaqīq zei: Ik vroeg aan Ḥudhayfah: “Wist ʿUmar (رضي الله عنه) wat deze deur betekende?”

Ḥudhayfah antwoordde: “Ja, net zoals je ’s ochtends weet dat de avond gaat komen, zo wist hij het ook.”

Masrūq zei: Wij vroegen aan Ḥudhayfah wat deze deur was, en hij antwoordde:

“Die deur was ʿUmar zelf.” (Tirmizi, 2258.; İbn Mâjah, 3955)

Deze overleveringen zijn ook opgenomen door al-Bukhārī en Muslim. (al-Bukhārī, 2/8.; Müslim, 18/17)

De ḥadīth die is overgeleverd door Imām Mālik bin Anas (رحمه الله) luidt als volgt:

Op een dag kwam ʿUmar bin al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه) bij ʿAlī bin Abī Ṭālib (رضي الله عنه). Hij zag dat ʿAlī aan het huilen was en vroeg: “Waarom huil je?”

ʿAlī (رضي الله عنه) antwoordde: “Deze jood – namelijk Kaʿb al-Aḥbār – zegt dat u een van de poorten van de Hel bent. Daarom huil ik.”

ʿUmar (رضي الله عنه) zei daarop: “Ik hoop dat Allāhu Taʿālā mij in Zijn Paradijs zal opnemen. Maar uiteindelijk gebeurt wat Allāh wil.”

Vervolgens stuurde ʿUmar (رضي الله عنه) een boodschapper om Kaʿb al-Aḥbār te laten komen. Toen Kaʿb bij hem kwam, zei hij: “O Amīr al-Muʾminīn! Bij Allāh, ik ben van mening dat u vóór het einde van de maand Dhū al-Ḥijjah het Paradijs zult binnengaan.”

ʿUmar (رضي الله عنه) zei: “Hoe zit dat? Je zegt dat ik (tot de inwoners van) het Paradijs zal zijn, en tegelijkertijd dat ik (tot de inwoners van) de Hel behoor!”

Kaʿb al-Aḥbār antwoordde: “Volgens wat ik begrijp uit het Boek dat Allāh heeft geopenbaard, bent u een van de poorten van de Hel, dat wil zeggen: u bent een barrière die de mensen ervan weerhoudt de Hel binnen te gaan. Wanneer u overlijdt, zullen de mensen voortdurend in de Hel blijven vallen.”

Van ʿAmr bin Yaḥyā bin Saʿīd via zijn grootvader: Mijn grootvader zei: “Wij zaten in de masjid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) met Abū Hurayrah. Marwān was ook bij ons. Daar leerde Abū Hurayrah mij de volgende ḥadīth: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De ondergang van mijn ummah zal plaatsvinden door de handen van jonge mannen uit Quraysh.” (al-Bukhārī, 13/9.; İmam Ahmed, 2/324)

Marwān zei daarop:“Moge de vloek van Allāh op hen rusten.”

Waarop Abū Hurayrah (رضي الله عنه) zei: “Als je wilt, kan ik hun namen en hun stammen één voor één noemen.”

De grootvader van ʿAmr zei: “Toen wij later in Shām waren met Marwān en er bepaalde gebeurtenissen plaatsvonden, zei Marwān: “Zouden dit de jongeren kunnen zijn die in de ḥadīth worden genoemd?”

Ik antwoordde: “U weet het het beter.”

In een andere ḥadīth, eveneens overgeleverd door Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Mijn ummah zal vernietigd worden door die-en-die stam van Quraysh.”

Abū Hurayrah vroeg: “Wat beveelt u ons dan te doen?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Houd afstand van hen en zorg er ook voor dat anderen zich van hen afzijdig houden.” (Muslim, 18/41.; İmam Ahmed, 2/301)

Onze geleerden رَحِمَهُم اللهُ zeggen: Uit deze ḥadīth blijkt dat Abū Hurayrah (رضي الله عنه) over uitgebreide kennis beschikte met betrekking tot de fitan. Hij wist van de gebeurtenissen die in de toekomst zouden plaatsvinden. In sommige overleveringen heeft Abū Hurayrah (رضي الله عنه) zelfs aanwijzingen gegeven over de plaatsen waar deze gebeurtenissen zouden plaatsvinden. Ook noemde hij de namen en stammen van degenen die fitnah zouden veroorzaken. En Allāh weet het het beste en het meest juiste.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft ook gewezen op wat zijn familie en verwanten zou overkomen. Hij waarschuwde zijn ṣaḥābah hierover en gaf zijn ummah vermaand en opgedragen om zorg te dragen voor zijn familie en zijn geliefden. En inderdaad, zo is het gebeurd: leiders uit de Banū Umayyah, zoals Yazīd bin Muʿāwiyah en ʿUbaydullāh bin Ziyād, hebben vele mensen uit de Ahl al-Bayt (directe familie) van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), evenals uit de ṣaḥābah, de Muhājirūn en de Anṣār, gedood en hun bezittingen geplunderd. Ook het onrecht dat al-Ḥajjāj en Sulaymān bin ʿAbd al-Malik en diens zoon hebben gedaan, behoort tot deze gebeurtenissen.

[Allen behoorden tot de Quraysh-stam.]

6.14 De aankondiging van de shahādah van Ḥusayn (رضي الله عنه). (Allāhu Taʿālā en Zijn Rasûl (صلى الله عليه وسلم) zijn niet tevreden met degene die Ḥusayn (رضي الله عنه) heeft gedood

Van Anas bin Ḥārith (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Dit kind van mij zal in het land Irak worden gedood. Wie van jullie die tijd meemaakt, laat hem mijn kind helpen.”

Anas zegt: “Op dat moment bevond Ḥusayn (رضي الله عنه) zich bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم)”.

Imām Aḥmad heeft in zijn Musnad van Thābit bin Anas (رحمه الله) het volgende voorval overgeleverd: De engel die belast is met de regen vroeg toestemming om binnen te treden bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Hij gaf toestemming en droeg Ummu Salamah (رضي الله عنها) op om niemand binnen te laten.

Vervolgens kwam Ḥusayn (رضي الله عنه) en wist langs Ummu Salamah naar binnen te gaan. Hij klom op de schouders van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), ging daarna op zijn schoot zitten en klom vervolgens weer op zijn schouders.

De engel die aanwezig was, vroeg aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Houdt u van Ḥusayn?”

Hij antwoordde: “Ja.”

De engel zei: “Maar sommige mensen uit uw ummah zullen degene die jij liefhebt doden. Als u wilt, kan ik u laten zien waar hij gedood zal worden.”

Daarop strekte hij zijn hand uit en bracht (uit het verborgene) een handvol rode aarde. Ummu Salamah (رضي الله عنها) bewaarde deze aarde in haar hoofddoek.

Thābit zei: “Wij zagen dit, en die aarde leek op de aarde van Karbalāʾ.” (İmam Ahmed, 3/243)

Van Musʿab bin az-Zubayr: Ḥusayn (رضي الله عنه) heeft maar liefst vijfentwintig keer de Ḥaj te voet verricht.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei over Ḥasan en Ḥusayn (رضي الله عنهما): “Deze twee zijn heren van de jongeren in het Paradijs.” (Tirmizi, 3768.; İbn Mâjah, 118.; İmam Ahmed, 3/3 ve 62)

In een andere ḥadīth zei hij: “Deze twee zijn voor mij de meest geliefde gunsten in deze wereld; zij zijn het licht van mijn ogen.” (al-Bukhārī, 7/95.; İmam Ahmed, 2/85 ve 93)

Abū Dāwūd heeft overgeleverd: Op een dag hield Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een khuṭbah in de masjid.

Toen Ḥasan en Ḥusayn (رضي الله عنهما) binnenkwamen, onderbrak hij zijn preek, daalde van de mimbar af, nam hen in zijn armen en ging vervolgens verder met zijn khuṭbah.

Hij zei: “Wanneer ik hen zie, kan ik mij niet inhouden.”

En hij vervolgde met de du`ā’: O Allāh, ik hou van hen; houd ook van degenen die van hen houden.” (Tirmizi, 3769)

De moordenaars toonden geen genade aan Ḥusayn (رضي الله عنه) en degenen die bij hem waren. Ondanks dat het een vrijdag was, vielen ze hem aan bij een plaats genaamd Taf, in de buurt van Kūfah, en maakten hem en de 61 metgezellen die bij hem waren, shahīd.

Volgens historici overleed Muʿāwiyah (رضي الله عنه) in het 60e jaar van Hijrah (680 n.Chr.). Daarna kwam Yazid aan de macht als kalief. Walīd bin ʿUtbah kwam naar Madīnah om eed van trouw te ontvangen en probeerde Ḥusayn en ʿAbdullāh bin Zubayr (رضي الله عنهما) diezelfde nacht heimelijk te laten trouwzweren, maar zij weigerden en stelden dat ze openlijk zouden trouwzweren of helemaal niet. De volgende nacht vertrokken ze naar Makkah. Het was de laatste nacht van de maand Rajab, een zondag (5 mei 680 n.Chr.).

Ḥusayn (رضي الله عنه) bracht de maanden Shaban, Ramadan, Shawwal en Dhu al-Qi’dah door in Makkah en vertrok [zonder Haj te hebben verricht] op Yawm at-Tarwiyah (8 Dhu al-Hijjah 60/11 augustus 680) richting Kūfah. ʿUbaydullāh bin Ziyād stuurde een kavalerie-eenheid om Ḥusayn (رضي الله عنه) te doden, onder leiding van ʿUmar, zoon van Ṣad bin Abī Waqqās. `Umar bereikte Ḥusayn (رضي الله عنه) in Karbalâ. Volgens de overleveringen had`Ubaydullāh bin Ziyād, Hur ibn Yazid ar-Riyâhî de opdracht gegeven Ḥusayn (رضي الله عنه) gevangen te nemen en in hechtenis te houden. Onder `Umar’s bevel stond 4.000 soldaten. Hij heeft versterkingseenheden gestuurd en het aantal soldaten dat tegen Ḥusayn (رضي الله عنه) werd gezonden, bereikte 24.000.

`Umar, zoon van Ṣad bin Abī Waqqās trok op tegen Ḥusayn (رضي الله عنه) onder de belofte dat hij gouverneur van Ray zou worden.

Na een lange achtervolging werd Ḥusayn (رضي الله عنه) samen met zijn metgezellen omsingeld en op 10 Muharram 61 (10 oktober 681) tot shahīd gemaakt, sommige bronnen melden dat het op 11 of 12 Muharram was. De plek waar hij tot shahīd werd, werd Karbala, ook wel Tif (of Taf) genoemd. Hij was 56 jaar oud toen hij shahīd werd. Volgens overleveringen werd hij geboren op 6 Shaban, 4e hidjra (11 januari 626).

Volgens sommige overleveringen werd hij samen met 82 metgezellen tot shuhadā’, waarvan de meesten sahābah waren. Volgens Jaʿfar al-Ṣādiq (رَحِمَهُ اللهُ) had Ḥusayn (رضي الله عنه) meer dan 30 zwaardsteken op zijn lichaam.

Er is onenigheid over wie precies Ḥusayn (رضي الله عنه) tot shahīd heeft gemaakt.

Sommigen zeggen dat het de inwoners van Kūfah waren; anderen beweren dat het ʿUmar, zoon van Ṣad bin Abī Waqqās, was, maar waarschijnlijk was hij alleen de commandant en heeft hij het niet zelf gedaan. Onder de ruiters die Ḥusayn (رضي الله عنه) aanvielen, waren ook Egyptenaren en Jemenieten.

Volgens Halifah bin Hayyât heeft de verdoemde Shamr bin Zil'jawshan Ḥusayn (رضي الله عنه) tot shahīd gemaakt, zijn hoofd afgesneden en naar `Umar gebracht. Shamr was een van `Umar’s commandanten. `Umar meldde het incident aan `Ubeydullah bin Ziyad, die antwoordde: "Je hebt dit gezien, waarom heb je die man (Shamr) niet onthoofd?" en beval dat de man naar hem zou worden gebracht. Shamr bracht Ḥusayn's (رضي الله عنه) afgesneden hoofd naar `Ubeydullah, die vervolgens opdracht gaf deze man (Shamr) te onthoofden. Volgens sommige overleveringen was het uiteindelijk Yazid bin Muʿawiyah die Shamr onthoofdde.

Imâm Ahmed van ʿAbdullâh bin ʿAbbâs (رضي الله عنهما): Ik zag eens Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ’s nachts, bedekt met stof en aarde, een kom in zijn hand met bloed erin, waarmee hij zijn vinger doopte. Op de vraag wat dit was, zei hij: “Dit is het bloed van Ḥusayn en degenen die bij hem waren. Sindsdien kijk ik hiernaar.” (İmam Ahmed, 1/242)

Degenen aan de zijde van Ḥusayn’s (رضي الله عنه) die niet shahīd werden, waren gevangengenomen, waaronder zijn zoon ʿAlî, de dochters Zaynab en Ummu Kulthûm van ʿAlî en Fâtimah, en ook de dochters Fâtimah en Sakînah van Ḥusayn (رضي الله عنهم).

Volgens Muḥammad bin Ḥanîfah werden 17 mensen samen met Ḥusayn (رضي الله عنه) shahīd geworden. Volgens Ibn ʿAbdulbar waren er 16 mannelijke shuhadā’.

Sommige overleveringen spreken van 23 leden van Ahl al-Bayt die shahīd werden.

Imâm al-Bukhârî beschrijft het leven van Anas bin Mālik (رضي الله عنه) en vermeldt het volgende: Het hoofd van Ḥusayn (رضي الله عنه) werd, bedekt met stof en aarde, in een vat naar ʿUbaydullāh bin Ziyād gebracht. Anas bin Mālik (رضي الله عنه) zei dat Ḥusayn (رضي الله عنه) van alle familieleden het meest leek op an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). ʿUbaydullāh gaf opdracht om zijn hoofd op een spies te plaatsen, waarna de vervloekte en verachtelijke man, Ṭāriq bin Mubārak, het gezegende hoofd van Ḥusayn (رضي الله عنه) op een lans plaatste en het bij de poort van de stad die naar `Ubeydullah werd genoemdte laten tentoonstellen. Vervolgens ging ʿUbaydullāh naar de moskee, verzamelde de mensen en uitte daar afschuwelijke en ongepaste woorden over Ḥusayn (رضي الله عنه).

Behalve Ḥusayn (رضي الله عنه) werden ook de hoofden van enkele van zijn zusters en familieleden afgehakt. Deze werden overgedragen aan de ellendige Ḥur bin Qays en naar Shām gestuurd. Het gezegende hoofd van Ḥusayn (رضي الله عنه), dat naar het paleis van Yazīd werd gebracht, werd op diens bevel in een gouden schaal geplaatst en bij de stadspoorten tentoongesteld.

Een van de tābiʿī, Khālid bin ʿAffān, nam het gezegende hoofd van Ḥusayn (رضي الله عنه) van de plaats waar het was opgehangen en verborg het. Deze man behoorde tot de vooraanstaande tābiʿīn en stond bekend als een deugdzaam persoon. Hij verdween met het hoofd van Ḥusayn (رضي الله عنه), waarop de mensen van Shām hem een maand lang zochten totdat zij hem uiteindelijk vonden en ondervroegen.

Er is geen eenduidige overlevering over waar het hoofd van Ḥusayn (رضي الله عنه) zich precies bevond. Volgens Abū al-ʿAlāʾ al-Hamadānī stuurde Yazīd het hoofd naar Madīnah. De vooraanstaanden van Banū Hāshim en de familie van Abū Sufyān kwamen overeen om bloedwraak te voorkomen. Op bevel van Yazīd werden ook de gevangengenomen familieleden van Ḥusayn (رضي الله عنه) vrijgelaten en naar Madīnah gestuurd, waarbij in hun behoeften werd voorzien.

Het hoofd van Ḥusayn (رضي الله عنه) werd overgedragen aan de gouverneur van Madīnah, ʿAmr bin Saʿīd bin al-ʿĀṣ. Hij zei: “Had ik dit hoofd maar nooit ontvangen.” Op zijn bevel werd het hoofd gewassen, in een lijkwade gewikkeld en begraven op de begraafplaats al-Baqīʿ, naast zijn moeder Fāṭimah (رضي الله عنها).

Zubayr bin Bakkār bevestigt deze overlevering; hij was een geleerde met kennis van geschiedenis.

Volgens de (shiitische) Imāmiyyah-mathhab werd het hoofd van Ḥusayn (رضي الله عنه) veertig dagen na zijn martelaarschap (met de wil van Allāh) teruggebracht naar zijn lichaam in Karbalāʾ. Zij beschouwen deze dag als een dag van bezoek (ziyārah).

Sommigen beweren ook dat het zich in (Egypte) ʿAsqalān of in al-Qāhirah(Kairo) bevindt, maar deze laatste twee opvattingen zijn onjuist en zonder grond.

Degenen die Ḥusayn (رضي الله عنه) shahīd hebben gemaakt, hebben uiteindelijk hun straf gekregen. Zes jaar later liet Mukhtār (as-Saqafī), samen met ʿAmr ibn Saʿd, de betrokkenen bij dit voorval wegens hun opstand met het zwaard doden.

يُعۡرَفُ ٱلۡمُجۡرِمُونَ بِسِيمَٰهُمۡ فَيُؤۡخَذُ بِٱلنَّوَٰصِي وَٱلۡأَقۡدَامِ ٤١

De misdadigers zullen herkend worden aan hun kenmerken en zij zullen bij hun voorlokken en hun voeten gegrepen worden. (ar-Rahmān, 55:41)

At-Tirmidhī vertelt: ʿUbaydullāh bin Ziyād had het hoofd van Ḥusayn (رضي الله عنه) laten ophangen in de Rahabah-moskee. Na enige tijd begonnen de mensen te roepen: “Hij komt, hij komt!” en renden zij erheen. Plotseling zagen zij een slang met meerdere koppen verschijnen, die het graf van ʿUbaydullāh binnenging en daarna weer naar buiten kwam en verdween. Dit tafereel werd door de mensen twee of drie keer waargenomen.

Volgens onze geleerden was dit een straf voor hen. Vervolgens liet Allāh Mukhtār (as-Saqafī) opstaan tegen deze opstandelingen en hun aanhangers. Eerst trok Muḏḥij bin Ibrāhīm bin Mālik met een leger van 20.000 man op tegen ʿUbaydullāh, op vijf mijl afstand van Mawsil. Het leger van ʿUbaydullāh bestond uit 33.000 man. De strijd begon met pijlen; daarbij werden 73 Irakezen en 7.000 mensen uit Shām gedood.

Uiteindelijk werd ook ʿUbaydullāh bin Ziyād gedood. Muḏḥij dankte Allāh, omdat hij hem eigenhandig had gedood. Daarna werden de hoofden van 7.000 gedoden naar Mukhtār gestuurd; zij behoorden allemaal tot het leger dat betrokken was bij het doden van Ḥusayn (رضي الله عنه).

De auteur, al-Qurṭubī, zegt: Voor overleveringen over dit onderwerp kan men het werk van al-Ḥāfiẓ Abū al-Khaṭṭāb bin Dihyah raadplegen, getiteld “Maraj al-Baḥrayn fī fawāʾid al-Mashriqiyyīn wa’l-Maghribiyyīn”.

UitlegVergelijkbare slechte daden als die van ʿUbaydullāh bin Ziyād werden eerder verricht door Bishr bin Artāh.

Hij uitte beledigingen aan het adres van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en doodde mensen van Ahl al-Bayt. Deze man doodde ook twee zonen van ʿUbaydullāh, de zoon van al-ʿAbbās (رضي الله عنه).

Abū Bakr bin Shaybah vermeldt, na een lange ḥadīth, het volgende: Abū Ẓar al-Ghifārī (رضي الله عنه), een metgezel van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), zocht na elke ṣalāh toevlucht bij Allāh tegen fitan en rampen/ellendes.

Soms verrichtte hij lang en uitgebreid ṣalāh, met langdurige rukūʿ en sujūd, en verrichtte veel duʿāʾs.

Toen men hem vroeg: “Waartegen zoek je toevlucht bij Allāh?”, antwoordde hij: “Ik zoek toevlucht bij Allāh tegen vernedering en rampen/ellendes.

Er zal een tijd komen waarin vrouwen openlijk ongepaste woorden zullen uitten en hun benen zullen ontbloten.

Ik vraag Allāh mij die tijden niet te laten meemaken, maar jullie zullen die dagen meemaken.”

Abū ʿUmar Ibn ʿAbdulBar vertelt: Na de gebeurtenis van al-Ḥakam stuurde Muʿāwiyah (رضي الله عنه) een man genaamd Bishr bin Artāh met een leger naar Madīnah. Op dat moment was Abū Ayyūb al-Anṣārī (رضي الله عنه) daar gouverneur, aangesteld door ʿAlī (رضي الله عنه). Toen hij hoorde dat Bishr naderde, verliet Abū Ayyūb (رضي الله عنه) Madīnah en ging naar ʿAlī (رضي الله عنه) (in Kūfah). Bishr trok Madīnah binnen, besteeg de mimbar en zei: “Waar is die oude man die hier gisteren zat (d.w.z. ʿUthmān (رضي الله عنه)?” Vervolgens zei hij: “O mensen van Madīnah! Of jullie leggen vandaag de eed van trouw aan mij af, of ik laat hier geen enkele volwassen man in leven!”

Daarna liet Bishr alle inwoners van Madīnah bijeenkomen en nam van hen de eed van trouw (bayʿah) af. Aan Banū Salamah stuurde hij echter een boodschap: “Voor jullie is er noch bescherming, noch bayʿah. Breng mij Jābir bin ʿAbdullāh.” Dit werd aan Jābir (رضي الله عنه) overgebracht. Intussen was Bishr al naar Shām teruggekeerd. Een van de echtgenotes van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), onze moeder (رضي الله عنها), bemiddelde, waarna Jābir bin ʿAbdullāh (رضي الله عنه) naar Shām ging en legde bayʿah af aan Muʿāwiyah (رضي الله عنه).

Vervolgens ging Bishr naar Makkah. Daar was Abū Mūsā al-Ashʿarī (رضي الله عنه) gouverneur. Uit vrees voor zijn leven verliet hij Makkah, maar later stuurde Bishr hem een bericht waarin hij hem veiligheid garandeerde.

Daarna trok Bishr richting Yemen. Onderweg werden velen gedood omdat zij geen bayʿah wilden afleggen of omdat zij in opstand kwamen. In die periode was ʿUbaydullāh bin ʿAbbās door ʿAlī (رضي الله عنه) als gouverneur van Yemen aangesteld. Ook hij verliet de stad en zocht toevlucht in Kūfah, terwijl hij ʿUbaydullāh bin ʿAbdī Maddād als plaatsvervanger achterliet. Bishr bereikte Yemen en doodde zowel ʿUbaydullāh bin ʿAbdī Maddād als de twee zonen van ʿUbaydullāh bin ʿAbbās (رضي الله عنهما), waarna hij terugkeerde naar Shām.

Abū ʿAmr ash-Shaybānī vertelt: Muʿāwiyah (رضي الله عنه) stuurde Bishr eropuit om de aanhangers van ʿAlī (رضي الله عنه) te bestrijden. Bishr doodde ook de twee zonen van ʿUbaydullāh bin ʿAbbās.

De inwoners van Madīnah vluchtten en zochten hun toevlucht in al-Ḥarrah. Bishr trok ook op tegen Hamadān en doodde daar vele mensen.

Ibn Abī Umayyah vertelt: Wij waren op veldtocht met Bishr bin Artāh toen een man werd gebracht die Manṣūr heette. Hij had enkele dingen gestolen. Bishr zei: “Ik heb deze ḥadīth zelf gehoord: ‘Tijdens de oorlog worden geen handen afgehakt; anders zou ik zijn hand hebben laten afhakken.”( Abū Dāwūd, 4245; at-Tirmiḏī, 1450; an-Nasāʾī, 8/91)

Abū Muḥammad ʿAbd al-Ḥaq zegt: Bishr werd geboren in de tijd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), maar hij had een slechte reputatie. Hij behandelde de verwanten en aanhangers van ʿAlī (رضي الله عنه) zeer slecht. Zo liet hij de twee jonge zonen van ʿUbaydullāh ibnʿAbbās, de keel doorsnijden en stuurde hun afgehakte hoofden naar hun moeder. De arme vrouw verloor hierdoor haar verstand. ʿAlī (رضي الله عنه) liet haar bij zich brengen en zorgde voor haar.

Ibn Dihyah bevestigt ook dat ʿUbaydullāh bin ʿAbbās (رضي الله عنهما) zijn verstand verloor.

6.15 In fitnah-tijden is het woord scherper en gevaarlijker dan het zwaard

Van ʿAbdullāh bin ʿUmar (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er zullen zodanige fitan komen dat de Arabieren hun doden in het vuur zullen verbranden. In die tijd is het woord schadelijker en gevaarlijker dan het zwaard.” (Abū Dāwūd, 4245; Ibn Mājah, 3967; Imām Aḥmad, 2/212, 2178)Volgens at-Tirmiḏī is deze ḥadīth gharīb. Volgens Muḥammad bin Ismāʿīl (Imām al-Bukhari) heeft Ziyād bin Samīn van ʿAbdullāh bin ʿUmar (رضي الله عنهما) geen andere ḥadīth overgeleverd dan deze, en in deze overlevering is bovendien een schakel in de keten weggelaten.

Abū Dāwūd overlevert, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Binnenkort zullen er fitan komen die blind, doof en stom maken. Wie zich daar niet van afzijdig houdt, wordt erdoor getroffen. In zulke tijden is deelname aan fitnah met de tong gevaarlijker dan deelname met het zwaard.” (Abū Dāwūd, 4244; Ibn Mājah, 3968)

Van ʿAbdullāh bin ʿUmar (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Pas op voor fitan waarin het spreken scherper is dan het trekken van het zwaard.”

UitlegMet de uitdrukking “het verbranden van de doden” wordt bedoeld dat deze gebeurtenissen de mensen in deze wereld zwaar zullen treffen en hen zullen meeslepen achter de shayṭān en hun begeerten.

Wat betreft de kwestie dat ‘het woord scherper is dan het zwaard’ betekent onder meer: liegen om slechte leiders tevreden te stellen, de bronnen van de godsdienst (dīn) verkeerd weergeven of verkeerd uitleggen. Bovendien wordt hier ook bedoeld: aanzetten tot fitnah, chaos, verdeeldheid en het vergieten van bloed.

In een ḥadīth die door Imām al-Bukhārī en Muslim is overgeleverd van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een man kan door één enkel woord zo diep in de Hel vallen als de afstand tussen het oosten en het westen.” (Muslim, 18/117; Imām Aḥmad, 2/379)

In een andere overlevering van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een man kan door één enkel woord, vanwege wat het teweegbrengt, dieper in de Hel vallen dan de afstand tussen het oosten en het westen.” (al-Bukhārī, 11/308; at-Tirmiḏī, 2413; Muslim, 18/117)

En in nog een ḥadīth zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Wanneer iemand één woord spreekt dat de toorn van Allāh opwekt, zal zeventig jaar naar beneden vallen in de Hel.” (at-Tirmidhī, 2314; Ibn Mājah, 3970; Imām Aḥmad, 3/469)

Met woorden ‘de toorn van Allāh opwekt’ worden bedoeld: leugens, laster, loze uitspraken, of woorden die men zegt om mensen te vermaken terwijl ze onwaar zijn. Zo zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Wee degene die liegt om mensen aan het lachen te maken. Wee hem, wee hem!”

Van ʿAbdullāh bin Masʿūd (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie vanwege zijn luxe en gemak een woord spreekt dat Allāh boos maakt, zal door Allāh dieper in de Hel geworpen worden dan de afstand tussen hemel en aarde.”

6.16 In tijden van fitnah is geduld de meest voortreffelijke houding, en het verkiezen om gedood te worden (in plaats van zelf te doden) is aanbevolen. Wie zich afzijdig kan houden van de fitnah, behoort tot de mensen van het Paradijs.

Van Abū Ẓar (رضي الله عنه): Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op een dag zei: “O Abū Ẓar.”Antwoordde ik: “Tot uw dienst, o Rasûlullāh, beveel mij.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wat zul jij doen wanneer de mensen sterven en de graven hun woningen worden?”

Hij zei: “Allāh en Zijn Rasûl weten het het beste.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Dan is het aan jou om geduldig te zijn,” of: “Dan zul je geduldig zijn.”

Vervolgens zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) opnieuw: “O Abū Ẓar.”

Hij antwoordde: “Tot uw dienst, o Rasûlullāh, beveel mij.”

Hij zei: “Wat zul jij doen wanneer Aḥjār az-Zayt* worden vertroebeld?”

Hij zei: “Wij doen wat Allāh en Zijn Rasûl ons bevelen.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Keer dan terug naar waar je vandaan bent gekomen,” of: “Blijf bij degene van wie je geboren bent /afstamt.”

Hij vroeg: “Wat als ik dan mijn zwaard trek?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Dan ben jij als andere mensen en is er geen verschil meer tussen jou en hen.”

Daarop vroeg hij: “Wat beveelt u mij dan aan?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ga dan je woning binnen, ga niet naar buiten en bescherm je familie.”

Hij vroeg: “En als zij mijn woning binnendringen?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als de glans van het zwaard boven je verschijnt, bedek dan je gezicht met je kleed zodat je het niet ziet. Zo zul je gered worden. Degene die jou met het zwaard aanvalt, zal zowel zijn eigen zonde als jouw zonde dragen.” (Abû Dāwūd, 4241.; İbn Mâjah, 3958)

In een andere overlevering wordt toegevoegd dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:

O Abū Ẓar, er zal een tijd over de mensen komen van angst en honger, waarin niemand zijn huis zal kunnen verlaten om naar de moskee te gaan, en wie in de moskee is, zal niet in staat zijn terug te keren naar zijn huis. Hoe zul jij je dan gedragen?”

Abū Ẓar antwoordde: “Allāh en Zijn Rasûl weten het het beste,” of: “Wij doen wat Allāh en Zijn Rasûl ons bevelen.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:“Wees dan kuis en houd je vast aan goed gedrag (akhlāq).”

En hij zei verder: “Er zal een dag komen van dood en strijd, en Aḥjār az-Zayt zal gevuld zijn met bloed. Wat zul je dan doen? Trek je dan terug in je huis en blijf onder een bedekking. Degene die jou met het zwaard aanvalt, zal zijn eigen zonde en jouw zonde dragen.”

Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Verlaat jullie huizen niet en zorg voor jullie families.”

Toen er werd gevraagd: “En als zij onze huizen binnendringen?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wees als een oude, zieke of trage kameel, beweeg niet zolang je niet gedwongen wordt. Ga niet vooruit zolang niemand je daartoe dwingt.” Deze ḥadīth is ook overgeleverd door Abû `Ubayd.

Miqṭāt bin Aswad (رضي الله عنه) verklaarde dat hij deze hadīth rechtstreeks had gehoord:

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Gelukkig is degene op wie de fitnah geen invloed heeft of die zich van fitnah kan afzijdig houden! Maar wee degene die door beproevingen wordt getroffen en geduld moet betrachten.” (Abû Dâwud, 4243)

Van Anas bin Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er zal een tijd komen waarin het behouden van je geloof (īmān) en je goede karakter (akhlāq) moeilijker zal zijn dan het vasthouden van vuur in je hand.” (Tirmizî, 2260)

UitlegHet woord ‘wasīf’ in de hadīth betekent letterlijk ‘bediende’. De bedoelde betekenis hier is echter het verrichten van diensten zoals het wassen en begraven van overledenen. De hadīth verwijst naar tijden waarin mensen hun doden in hun huizen zullen wassen en daar begraven, omdat niemand naar buiten kan komen of er geen ruimte in de begraafplaatsen is.

’Aḥjāru’z-zayt’ (de stenen van (de plaats van) olie ) is een plaats in Madīnah waar volgens de hadīth bloed zal worden vergoten.

Volgens ‘Umar bin Shaybah was dit het huis van Ummu Kilāb, een gebied dat toebehoorde aan de Asad-stam. Eerder stond er een stenen kerk, die later werd afgebroken, waarna er drie stenen overbleven.

Muhammad bin Yahyā vroeg Ka’b (al-Aḥbār) waar deze locatie precies was. Hij gaf aan dat hij dit wist en beschreef het. Oorspronkelijk was het een plek waar mensen olie produceerden, niet de locatie die door Zawrā werd genoemd, maar een plek in de wijk van de zonen van Abudu’l-Ashhal.

UitlegDe hadīth vermeldt dat de kameel “Awrāk” werd genoemd. Dit betekent een oude, zieke of trage kameel. Ook werd het gebruikt voor een suf dier. Volgens Asmāʾī zijn zulke kamelen eigenlijk smakelijk van vlees, maar ze zijn niet geschikt als rijdier of lastdier en dus niet waardevol in de ogen van de Arabieren.

De term “zware” kameel verwijst naar een zwak en langzaam dier. Met andere woorden, tijdens de fitnah wordt een dienaar bevolen om zich van de gebeurtenissen afzijdig te houden, zijn activiteiten traag of voorzichtig uit te voeren, en indien mogelijk zonder iets te doen zich terug te trekken en in afzondering te leven.

Er zijn verschillende opvattingen over het advies van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aan Abū Ẓar (رضي الله عنه) om zich terug te trekken en om, in plaats van te doden, liever gedood te worden. Volgens onze geleerden geldt dit alleen voor situaties van fitnah, dat wil zeggen conflicten tussen moslims onderling. In zo’n geval dient men zich afzijdig te houden, niet aan te vallen en zich niet in de strijd te mengen. Dit is ook de uiterlijke betekenis van de hadīth.

De hadīth kan echter ook zo begrepen worden: wanneer er verdeeldheid en strijd ontstaat onder de gelovigen, is het het beste om de mening van de meerderheid van de geleerden te volgen, niet zelfstandig te oordelen, en de zaak over te laten aan bevoegde en deskundige personen. In zo’n situatie behoort men geen partij te kiezen tussen strijdende moslimgroepen, en indien mogelijk volledig neutraal te blijven.

De opvatting van de meerderheid van de geleerden mag uitsluitend worden uitgelegd of bijgesteld door rechtmatige leiders en bevoegde geleerden.

Voor overige moslims is het niet toegestaan om hierin zelfstandig te oordelen of een eigen voorkeur te bepalen.

Moslims die geen positie van bestuurder of geleerde bekleden, dienen te handelen en te praktiseren volgens de duidelijk vastgestelde bepalingen uit de Qurʾān (āyāt) en de Sunnah (ahadīth), evenals volgens de opvattingen die door de meerderheid van de geleerden zijn aangenomen.

In zulke verwarrende tijden is het immers moeilijk om de waarheid van leugen te onderscheiden. Bovendien zal iedereen beweren dat hij op de waarheid zit. Daarom is het noodzakelijk om vast te houden aan de opvattingen van eerdere geleerden en zich te onthouden van discussies. Dit was ook de houding van ʿImrān bin Ḥuṣayn en Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما), evenals van andere Ṣaḥābah.

Ook ʿUbaydah as-Salmānī koos ervoor om zich in dergelijke situaties afzijdig te houden en zich terug te trekken in zijn huis. Tegelijkertijd handelde hij naar de hadīth: “Wie gedood wordt terwijl hij zijn bezit en zijn leven verdedigt, is een shahīd.” (İbn Mâjah, 2095.; Tirmizi, 1420.; İmam Ahmed, 2/324)Op basis hiervan verdedigde hij zichzelf wanneer dat nodig was.

Het verdedigen van iemands leven en bezit is toegestaan, en kan zelfs verplicht (wājib) zijn. Want het is niet geoorloofd om stil te blijven tegenover de onrechtvaardigen en zij die opzettelijk de levens en eigendommen van moslims belagen.

Dit is naar onze mening de juiste opvatting, en het komt ook overeen met de uiterlijke betekenis van de ahadīth die zijn overgeleverd door Imām al-Bukhārī en Imām Muslim (رَحِمَهَا اللهُ).

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Eens vroeg een man: “O Rasûlullāh, wat beveelt u mij als iemand mijn bezit wil afnemen?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:“Geef je bezit niet af.”

De man vroeg: “En als hij mij aanvalt?”

Hij zei: “Verdedig jezelf.”

De man vroeg: “En als hij mij doodt?”

Hij zei: “Dan ben jij een shahīd.”

De man vroeg: “En als ik hem dood?”

Hij zei: “Dan behoort hij tot de inwoners van het Hellevuur.” (Muslim, 2/163)

Ibn al-Mundhir zei: De kern van de overleveringen die ons hebben bereikt is:“Wie wordt gedood terwijl hij zijn bezit verdedigt, is een shahīd.” (al-Bukhārī, 5/123.; Müslim, 6/164.; Abû Dāwūd, 4772.; Nasâ`î, 7/115.; Tirmizi, 1418.; İbn Mâjah, 2580.; İmam Ahmed, 1/79)

Dit is ook wat wij van de geleerden hebben geleerd. Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما) gaf aan dat het toegestaan is om zich met wapens te verdedigen tegen dieven en struikrovers. Dit is tevens de opvatting van al-Ḥasan al-Baṣrī, Qatādah, Imām Mālik, Imām ash-Shāfiʿī, Isḥāq en Nuʿmān (d.w.z. Nuʿmān ibn Thābit, Imām Abū Ḥanīfah) رَحِمَهُم اللهُ.

Abū Bakr zei: volgens de meerderheid van de geleerden mag een persoon zichzelf verdedigen wanneer zijn leven of bezit onrechtmatig wordt aangevallen. Hiervoor zijn geen specifieke voorwaarden gesteld; men mag zich in zulke gevallen zichzelf verdedigen.

Echter, tegenover de rechtmatige leider is het in zo’n situatie niet toegestaan om in opstand te komen. De rechtmatige leider vertegenwoordigt immers het geheel van de mensen en de geleerden, en zijn besluit wordt beschouwd als het besluit van de gemeenschap. Bovendien leidt verzet tegen de leider tot wanorde en fitnah. Daarom is het bevolen om niet in opstand te komen tegen de (zolang hij volgens de Islām regeert) onrechtvaardige leider, maar hem te gehoorzamen.

6.17 Het begin van de ummah van Muḥammad is goed (khayr) en voorspoedig (`afiyah), maar het einde zal beproevingen (imtiḥānāt) en rampspoeden (balāyā) zijn

Van ʿAbdullāh bin ʿUmar (رضي الله عنهما): “Wij waren op reis met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Eén van zijn muʾadhdhins riep: “Kom naar de gezamenlijke ṣalāh.” Wij verzamelden ons voor de ṣalāh, waarna Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ons het volgende vertelde: “Alle anbiyā’ vóór mij hebben zich ingespannen om hun umam te onderrichten in datgene wat zij als goed voor hen zagen. Het begin van mijn ummah zal goed en voorspoedig zijn, maar aan het einde zullen er beproevingen en rampspoeden komen.

En deze ummah zal dingen doen die jullie niet bevallen. Er zullen fitan zijn waarin alles met elkaar vermengd en verward raakt. Daarna zullen er zulke gebeurtenissen plaatsvinden waarbij de mensen zullen zeggen: ‘Dit is ons einde.’ Maar ook die zullen voorbijgaan. Vervolgens zullen er opnieuw gebeurtenissen komen, en de mensen zullen opnieuw zeggen: ‘Nu is ons einde.’

Allāh zal degene die Hij wil redden van het Hellevuur en het Paradijs schenken aan wie Hij wil, aan zulke beproevingen onderwerpen. Wie in deze situaties zijn geloof in Allāh en de Laatste Dag (al-Ākhirah) behoudt, zal gered worden. Wens voor de mensen wat je voor jezelf wenst, en behandel hen zoals jij behandeld wilt worden.

“Wanneer de mensen een imām (d.w.z. een khaliefahah) de eed van trouw (bayʿah) hebben gegeven, zich aan hem hebben overgegeven en zich met hun hart aan hem hebben verbonden, en daarna iemand anders komt die tegen de khaliefahah opstaat om zelf khaliefahah te worden, sla dan de nek door van degene die later komt.”(Muslim, 12/233.; İbn Mâjah, 3956.; İmam Ahmed, 2/168 ve 191)

Van ʿAbdurraḥmān bin ʿAbdī Rabbī al-Kaʿbah: Ik kwam naar Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما) en vroeg: “Heb jij dit werkelijk van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gehoord?”

Hij antwoordde: “Ja, met deze oren heb ik het gehoord en onthouden.”

Ik zei: “Jouw neef Muʿāwiyah staat toe dat mensen elkaars bezit afnemen en elkaar doden, terwijl Allāh in de Qur’ān zegt:يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ لَا تَأۡكُلُوٓاْ أَمۡوَٰلَكُم بَيۡنَكُم بِٱلۡبَٰطِلِ إِلَّآ أَن تَكُونَ تِجَٰرَةً عَن تَرَاضٖ مِّنكُمۡۚ وَلَا تَقۡتُلُوٓاْ أَنفُسَكُمۡۚ إِنَّ ٱللَّهَ كَانَ بِكُمۡ رَحِيمٗا ٢٩

O jullie die geloven! Eet niet onrechtmatig van elkaars eigendommen, behalve als het handel met wederzijdse overeenstemming onder jullie is. En doodt jezelf niet. Zeker, Allāh is de Genadevolste voor jullie. (Nisā, 4:29)

Na een korte stilte antwoordde Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما): “Gehoorzaam Mu`āwiyah in wat overeenkomt met de bevelen van Allāh. Maar in wat in strijd is met Allahs bevelen, volg hem niet en wijs hem daarop terecht.”

UitlegMet de uitspraak: “sla dan de nek door van degene die later komt (als khaliefahah)” wordt volgens sommigen bedoeld dat hij (de zittende khaliefahah) moet (uit zijn functie) worden afgezet, aangezien dit feitelijk het einde van zijn aanspraak betekent.

Volgens anderen wordt letterlijk het doden bedoeld, en zij baseren zich op andere overleveringen waarin expliciet gesproken wordt over: ”Wat er ook gebeurt, hak zijn nek af met het zwaard”. Dit is de uiterlijke (letterlijke) betekenis van de hadīth.

Weer andere geleerden stellen dat, indien de eerste leider rechtvaardig is, de tweede moet worden afgezet en niet gevolgd.

6.18 Het is geoorloofd om in tijden van fitnah de dood bij Allāh Taʿālā te wensen. In tijden van fitnah is wat onder de aarde is beter dan wat boven de aarde is.

Imām Mālik overlevert van Yaḥyā bin Saʿīd, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft de volgende duʿāʾ verricht: “O mijn Rab! Schenk mij het vermogen om goede en mooie daden te verrichten, bescherm mij om slechte daden te verrichten. Laat mij de armen en weerlozen liefhebben. En wanneer U Uw dienaren met fitan wilt beproeven, neem dan mijn rūḥ tot U zonder mij met deze fitan te beproeven.” (Tirmizi, 3233.; İmam Ahmed, 5/243)

Eerder hebben wij van Imām Mālik, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), de volgende hadīth genoemd: an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei tegen Abū Hurayrah (رضي الله عنه): “Als je daartoe in staat bent, sterf.”

Toen Abū Hurayrah (رضي الله عنه) naar de reden vroeg, zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم):“Dat je sterft terwijl je weet waarvoor je sterft, is beter dan sterven zonder te weten waarvoor je sterft.”

Volgens Imām Mālik zocht ʿUmar (رضي الله عنه) eveneens toevlucht bij Allāh tegen het beproefd worden met zulke fitan en daardoor in dwaling te raken of dat zijn īmān/akhlāq zouden veranderen. Hij wenste shahīd te worden voordat zulke gebeurtenissen zouden plaatsvinden.

Wij zeggen: er is ook een hadīth overgeleverd van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), zij het met een onderbroken overleveringsketen, met een vergelijkbare betekenis. In deze overlevering, van Naḍr bin Shumayl, zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Ik heb medelijden met de Arabieren, want binnenkort zullen er zeer slechte zaken over hen komen. Als het mogelijk is, verkies dan te sterven (d.w.z. vraag Allāh om een goede dood vóórdat deze gebeurtenissen plaatsvinden).”

Deze hadīth is bedoeld om moslims te waarschuwen en alert te maken op fitan. In zulke tijden is het zeer moeilijk om de īmān te beschermen en geen fouten te maken. Daarom mag een moslim in zulke omstandigheden Allāh vragen om een goede dood, indien dat beter voor hem is.

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer jullie besten jullie leiders zijn, jullie rijken vrijgevig zijn en jullie zaken onderling met overleg verlopen, dan is het beter voor jullie om boven de aarde te zijn dan eronder.Maar wanneer jullie slechtsten jullie leiders zijn, jullie rijken gierig zijn en jullie zaken door vrouwen worden bestuurd, dan is het beter voor jullie om onder de aarde te zijn dan erboven.” (Tirmizi, 2266) Volgens at-Tirmiḏī is deze hadīth gharīb, omdat de enige overleveraar Ṣāliḥ al-Murrī is. Over hem is weinig bekend, al wordt hij als een goede man beschouwd, aangezien er niets slechts over hem is overgeleverd.

Ook van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De Qiyāmah zal niet plaatsvinden totdat een man langs een graf gaat en zegt: ‘Ach, was ik maar in zijn plaats.”( al-Bukhārī, 13/75; Imām Aḥmad, 2/236; Muslim, 18/34; Ibn Mājah, 4037)

Er is gezegd dat dit een tijd zal zijn waarin de dīn al-Islām niet wordt nageleefd en waarin de wereld gevuld zal zijn met zonden en rampspoeden

Shuʿbah zei, van Abū Zurʿā en ʿAbdullāh, dat er tijden zullen komen waarin een man bij een graf zal staan en zal wensen dat hij in de plaats van de overledene was. Maar hij zal dit niet uit liefde voor Allāh zeggen, maar vanwege de moeilijkheden van de omstandigheden waarin hij zich bevindt.

Wij zeggen: de samenvatting van al deze overleveringen is dat deze ummah geconfronteerd zal worden met zware beproevingen. Het goede en het slechte, de waarheid en de leugen zullen met elkaar vermengd raken, en het kwaad en de slechten zullen toenemen. De mens zal in een toestand verkeren waarin hij zelfs ontevreden zal zijn over zichzelf, zijn familie en zijn bezit. De meeste mensen zullen door deze fitan worden meegesleept, en slechts weinigen zullen zich kunnen beschermen en geduldig blijven.

De enige weg om in zulke omstandigheden het geloof (īmān), geduld (sabr) en vertrouwen op Allāh (tawakkul) te behouden, is door zich vast te houden aan de aanbidding (ʿibādah).In een hadīth is overgeleverd: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het verrichten van ʿibādah in tijden van fitnah is in beloning en deugdzaamheid als hijrah (emigratie van Makkah naar Madīnah) met mij.”

Wij hebben eerder al meerdere kwesties hierover besproken, en indien Allāh het wil, zullen wij er op het juiste moment opnieuw op terugkomen.

6.19 De oorzaken van fitan en beproevingen

Abū Nuʿaym heeft, via ʿUbaydah bin al-Jarrāḥ en ʿUmar bin al-Khaṭṭāb (رضي الله عنهما), de volgende hadīth overgeleverd:

ʿUmar (رضي الله عنه) vertelde: Op een dag pakte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) mij bij mijn baard. Ik voelde de droefheid op zijn gezicht. Toen zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Voorwaar, wij behoren tot Allāh en tot Hem zullen wij terugkeren. Jibrīl (عليه السلام) kwam plotseling naar mij en zei: ‘Wij behoren tot Allāh en tot Hem keren wij terug.’

Ik zei: ‘Ja, wij behoren tot Allāh en tot Hem zullen wij terugkeren. Maar waarom zeg je dit nu?’

Jibrīl (عليه السلام) zei: ‘Er zullen in de loop van de tijd veel gebeurtenissen over jouw ummah komen.’

Ik vroeg: ‘Zullen deze gebeurtenissen ertoe leiden dat mijn ummah kāfir wordt, of dat zij van de waarheid afdwalen?’

Hij zei: ‘Beide zullen gebeuren.’

Ik zei: ‘Hoe kunnen zij dit doen terwijl ik hun het Boek van Allāh heb nagelaten?’

Jibrīl (عليه السلام) zei: ‘Hun leiders en hun geleerden zullen hen met het Boek van Allāh op de proef stellen. De leiders zullen de rechten van de mensen niet respecteren en hen onderdrukken. Zij zullen degenen onder hun gezag doden. Op die manier zal de ummah beproefd worden.

Ook de geleerden en degenen die de Qurʾān kennen, zullen fatāwā (godsdienstige oordelen/adviezen) geven naar de wensen en verlangens van deze leiders. Zij zullen hen niet tegenhouden van hun dwaling, maar hen er zelfs toe aanzetten.’

Ik vroeg: ‘Zal er dan niemand gered worden?’

Jibrīl (عليه السلام) zei: ‘Degenen die geduldig zijn, zullen gered worden. Geduld betekent: nemen wat jou gegeven wordt en afstand nemen van wat jou verboden wordt.’”

al-Bazzār overlevert van ʿAbdullāh bin ʿUmar (رضي الله عنهما) de volgende hadīth:

“Wanneer in een gemeenschap zonden en schandelijke daden toenemen die ingaan tegen het bevel van Allāh, dan zullen zeker pest (ṭāʿūn) en hongersnood zich onder hen verspreiden. Zij zullen getroffen worden door ziekten en tekorten die nooit eerder zijn gezien.

Wanneer een volk bedrog pleegt in maat en gewicht, dan zullen zij worden getroffen door honger, armoede en onrechtvaardige leiders.

Wanneer een volk nalaat de zakāh at te dragen, dan zou er, ware het niet voor de dieren, geen enkele druppel regen uit de hemel neerdalen.

Wanneer een volk het verbond met Allāh en Zijn Rasûl (صلى الله عليه وسلم) verbreekt, dan zal Allāh een vijand over hen sturen die hen zal beroven van wat zij bezitten.

En wanneer de leiders van de ummah ophouden te handelen naar het Boek van Allāh, dan zal Allāh hen onderling verdeeld maken.” (İbn Mâjah, 4019)

Abū ʿUmar ibn ʿAbd al-Barr heeft deze hadīth eveneens overgeleverd.

Abū Bakr al-Khaṭīb overlevert van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما): Een man kwam naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en vroeg: “Welke mu’min is het beste?”

Hij antwoordde: “Degene met het beste karakter (akhlāq).”

De man vroeg vervolgens: “Wie is de meest verstandige moslim?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degene die het meest aan de dood denkt en zich er het best op voorbereidt, is de meest verstandige.”

Vervolgens zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “O Muhājirūn! Wanneer in een samenleving slechte daden wijdverbreid raken, zullen daar hongersnoden en ziekten verschijnen die nooit eerder zijn gezien.”

ʿAṭāʾ al-Khurāsānī zei: “In samenlevingen waar ribā (rente) wordt geconsumeerd, zullen aardbevingen en verzakkingen plaatsvinden. Wanneer leiders en rechters afwijken van rechtvaardigheid, zal de regen uitblijven. Wanneer ontucht (zinā) toeneemt, zullen sterfgevallen toenemen. Wanneer de zakāh wordt verwaarloosd, wordt het levensonderhoud moeilijk.

Wanneer rechtvaardig wordt omgegaan met de ahl adh-dhimmah (joden en christenen die jizya betalen), wordt de staat versterkt.” Dit is ook overgeleverd door Abū Nuʿaym.

Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما) zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Wanneer mijn ummah zich laat meeslepen aan uiterlijk vertoon en de rijkdommen van Byzantium en Perzië tot haar dienst komen, dan zullen de slechten de overhand krijgen over de goeden.” (Tirmidzi, 2261) Volgens at-Tirmiḏī is deze hadīth gharīb.

Abū Ḥāzim vertelde: Abū Bakr (رضي الله عنه) hield eens een khuṭbah. Na het prijzen van Allāh zei hij: “O mensen! Jullie kennen allemaal de āyah:يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ عَلَيۡكُمۡ أَنفُسَكُمۡۖ لَا يَضُرُّكُم مَّن ضَلَّ إِذَا ٱهۡتَدَيۡتُمۡۚ إِلَى ٱللَّهِ مَرۡجِعُكُمۡ جَمِيعٗا فَيُنَبِّئُكُم بِمَا كُنتُمۡ تَعۡمَلُونَ ١٠٥

O jullie die geloven! Aan jullie (de hoede over) jullie zelf. Als jullie de juiste leiding volgen, kunnen jullie niet gekwetst worden door degenen die dwalen. De terugkeer van jullie allen is tot Allāh, dan zal Hij jullie vertellen over alles wat jullie plachten te doen. (Māidah, 5:105)

Wij hebben Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) horen zeggen: ‘Wanneer mensen het slechte zien en het niet proberen te veranderen, dan zal Allāh hen allen met Zijn bestraffing treffen.” (İbn Mâjah, 4005.; İmam Ahmed, 1/502.; Abû Dāwūd, 4338.; Tirmizi, 2168)

Van ʿAbdullāh bin ʿAmr bin al-ʿĀṣ (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stelde de volgende vraag: “Wanneer de verovering van Byzantium en Perzië aan jullie wordt geschonken, wat voor volk zullen jullie dan zijn?”

ʿAbd ar-Raḥmān bin ʿAwf (رضي الله عنه) antwoordde: “Wij zullen zijn zoals Allāh ons heeft bevolen.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Of jullie zullen een ander gemeenschap worden: jullie zullen met elkaar strijden, elkaar benijden, elkaar de rug toekeren en wrok koesteren. Jullie zullen nog andere dingen doen. Daarna zullen jullie als arme vluchtelingen elkaar de nek afhakken.” (Müslim, 18/96.; İbn Mâjah, 3996)

Van ʿAmr bin ʿAwf (رضي الله عنه), die de afgevaardigde was van de zonen van Âmir bin Luay en die deelnam aan de Slag van Badr: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stuurde Abū ʿUbaydah bin al-Jarrāḥ naar Bahrein om de jizyah te innen. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) onderhield goede betrekkingen met de bevolking van Bahrein en had al-ʿAlāʾ bin al-Ḥaḍramī daar als gouverneur aangesteld. Abū ʿUbaydah keerde terug uit Bahrein. Toen de moslims in Madīnah dit hoorden, stroomden zij bij de salāh al-maghrīb massaal naar de moskee. Na de salāh glimlachte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei: “Jullie hebben waarschijnlijk gehoord dat Abū ʿUbaydah iets heeft meegebracht uit Bahrein. Ik ben niet bang dat jullie arm zullen worden. Ik vrees eerder dat jullie overvloed aan vermogen en politieke positie/rang zullen krijgen, zoals degenen vóór jullie. Zij gingen elkaar bevechten om rijkdom/welvaart en macht en gingen daardoor ten onder. Ik vrees dat hetzelfde met jullie zal overkomen.” (Muslim, 18/95.; Tirmizi, 2462.; İbn Mâjah, 3997.; İmam Ahmed, 4/137)

In een andere overlevering staat: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Zoals vermogen en rang hen hebben verleid en weggerukt, zo zullen zij ook jullie verleiden en wegrukken.”

Volgens de hadīth overgeleverd door Usāmah bin Zayd (رضي الله عنه) zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Na mij heb ik voor jullie geen grotere fitnah achtergelaten dan die van de vrouwen.” (İbn Mâjah, 3998.; Tirmizi, 2930.; İmam Ahmed, 5/200 ve 210.; al-Bukhārī, 9/137.;Muslim, 17/54)

Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Elke ochtend dalen twee engelen neer en roepen: ‘Wee de mannen die onder de vrouwen zullen lijden! En wee de vrouwen vanwege de beproeving door mannen!” (İbn Mâjah, 3999)

Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei in een khuṭbah:“De wereld is vers en zoet. Allahu Ta`ala heeft deze wereld aan jullie overgedragen en het is Zijn wens om te zien hoe jullie daar zullen handelen. Wees dus op jullie hoede voor de wereld, en in het bijzonder voor de vrouwen.” (İbn Mâjah, 4000.; İmam Ahmed, 3/46 ve 84)

Volgens de overlevering van Muslim luidt het:“Vrees het Hellevuur en wees op jullie hoede voor de vrouwen, want de eerste fout waarin Banū Isrāʾīl viel en hun eerste beproeving was de kwestie van de vrouwen.” (Muslim, 17/55)

Van Kaʿb bin ʿIyāḍ (رضي الله عنه) zei dat hij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft horen zeggen: “Elke ummah heeft een beproeving; de beproeving van mijn ummah is rijkdom/welvaart.” (Tirmizi, 2336.; İmam Ahmed, 4/160) At-Tirmidhī vermeldt dat deze hadīth via verschillende overleveringsketens is gekomen ṣaḥīḥ, ḥasan en gharīb.

Van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie op het platteland woont, ondervindt moeilijkheden. Zich bezighouden met jacht leidt tot achteloosheid. En wie dicht bij de sultan/heerser verblijft, wordt beproefd.” (Abû Dāwūd, 2842.; Nasâ`î, 7/195.; Tirmizi, 2256.; İmam Ahmed, 1/357)

Deze hadīth is ook overgeleverd door Abū Hurayrah (رضي الله عنه), en wordt als ḥasan en gharīb beschouwd, omdat deze via één overleveraar (Sufyān ath-Thawrī) is overgeleverd.

ToelichtingAllāhu Taʿālā waarschuwt ons, zowel in de āyāt als via de woorden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), voor de beproeving van rijkdom en vrouwen:

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓاْ إِنَّ مِنۡ أَزۡوَٰجِكُمۡ وَأَوۡلَٰدِكُمۡ عَدُوّٗا لَّكُمۡ فَٱحۡذَرُوهُمۡۚ ١٤

O, jullie die geloven! Waarlijk, onder jullie vrouwen en onder jullie kinderen zijn vijanden voor jullie, hoed je dus voor hen! … (at-Taghābun, 64:14)إِنَّمَآ أَمۡوَٰلُكُمۡ وَأَوۡلَٰدُكُمۡ فِتۡنَةٞۚ وَٱللَّهُ عِندَهُۥٓ أَجۡرٌ عَظِيمٞ ١٥

Jullie welvaart en jullie kinderen zijn slechts beproevingen, terwijl bij Allāh een grote beloning is. (at-Taghābun, 64:15)

Hoe men hiermee om moet gaan leren we eveneens uit de āyāt:فَٱتَّقُواْ ٱللَّهَ مَا ٱسۡتَطَعۡتُمۡ وَٱسۡمَعُواْ وَأَطِيعُواْ وَأَنفِقُواْ خَيۡرٗا لِّأَنفُسِكُمۡۗ وَمَن يُوقَ شُحَّ نَفۡسِهِۦ فَأُوْلَٰٓئِكَ هُمُ ٱلۡمُفۡلِحُونَ ١٦

Vrees daarom Allāh volgens jullie vermogen; luister en gehoorzaam en geef in liefdadigheid, dat is beter voor jullie. En wie van zijn eigen hebzucht wordt gered, is succesvol.

إِن تُقۡرِضُواْ ٱللَّهَ قَرۡضًا حَسَنٗا يُضَٰعِفۡهُ لَكُمۡ وَيَغۡفِرۡ لَكُمۡۚ وَٱللَّهُ شَكُورٌ حَلِيمٌ ١٧

Als jullie Allāh een goede lening geven, dan zal Hij die voor jullie verdubbelen, en jullie vergeven. En Allāh is Waarderend, Verdraagzaam. (at-Taghābun, 64:16-17)

In deze āyāt wordt duidelijk dat mensen getest zullen worden door hun liefde voor bezittingen, kinderen en familie. Bovendien zullen er allerlei beproevingen en tegenslagen voortkomen uit deze liefdes. Degenen die geduld hebben en trouw blijven aan de geboden van Allāh kunnen zich beschermen tegen deze fitan (beproevingen).

De āyah zegt hierover:

زُيِّنَ لِلنَّاسِ حُبُّ ٱلشَّهَوَٰتِ مِنَ ٱلنِّسَآءِ وَٱلۡبَنِينَ وَٱلۡقَنَٰطِيرِ ٱلۡمُقَنطَرَةِ مِنَ ٱلذَّهَبِ وَٱلۡفِضَّةِ وَٱلۡخَيۡلِ ٱلۡمُسَوَّمَةِ وَٱلۡأَنۡعَٰمِ وَٱلۡحَرۡثِۗ ذَٰلِكَ مَتَٰعُ ٱلۡحَيَوٰةِ ٱلدُّنۡيَاۖ وَٱللَّهُ عِندَهُۥ حُسۡنُ ٱلۡمَـَٔابِ ١٤

Voor de mensen is de liefde voor begeerlijke zaken aantrekkelijk gemaakt, evenals de liefde voor vrouwen (in eerste instantie), kinderen, goud en zilver, (en ook) gemerkte paarden, vee (kamelen, koeien en schapen) en (vruchtbare) gronden (akkers en plantages). Dit zijn de geneugten van het huidige wereldse leven. En Allāh, bij Hem is de beste terugkeer. (Āl ʿImrān, 3:14)

Vervolgens zijn nog mooiere dingen beloofd dan dit alles:

۞ قُلۡ أَؤُنَبِّئُكُم بِخَيۡرٖ مِّن ذَٰلِكُمۡۖ لِلَّذِينَ ٱتَّقَوۡاْ عِندَ رَبِّهِمۡ جَنَّٰتٞ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهَا ٱلۡأَنۡهَٰرُ خَٰلِدِينَ فِيهَا وَأَزۡوَٰجٞ مُّطَهَّرَةٞ وَرِضۡوَٰنٞ مِّنَ ٱللَّهِۗ وَٱللَّهُ بَصِيرُۢ بِٱلۡعِبَادِ ١٥

Zeg: (O Mohammed) “Zal ik jullie iets vertellen dat veel beter is dan dit? Voor de godvrezenden zijn er Tuinen (het Paradijs) bij hun Heer, daar onderdoor stromen rivieren. Daarin (is hun)eeuwige (verblijfplaats) en (daar zijn) reine metgezellen. En Allāh zal tevreden met hen zijn. En Allāh is de Alziende over (Zijn) dienaren.” (Āl ʿImrān, 3:15)

Vervolgens wordt godvrezendheid (taqwā) geboden tegenover dergelijke verlangens, zodat men niet in dwaling vervalt; en om aan dwaling te ontkomen zijn berouw (tawbah) en het vragen om vergiffenis (istighfār) voorgeschreven.

ٱلصَّٰبِرِينَ وَٱلصَّٰدِقِينَ وَٱلۡقَٰنِتِينَ وَٱلۡمُنفِقِينَ وَٱلۡمُسۡتَغۡفِرِينَ بِٱلۡأَسۡحَارِ ١٧

(Dat zijn) degenen die geduldig zijn, degenen die waarachtig zijn, en gehoorzaam met een oprechte toewijding in de aanbidding tot Allāh. Degenen die bidden en om Allāh’s vergeving smeken in de laatste uren van de nacht. (Āl ʿImrān, 3:17)

In de hadīth wordt gezegd dat het woord Mutayta afkomstig is van het werkwoord Matta, wat betekent: zwaarwichtig of pronkerig lopen. Volgens al-Jawharī betekent het lopen met uitgestrekte armen. Deze hadīth voorspelt dat de ummah de Persische en Byzantijnse gebieden zal veroveren, en dat rijkdom en vertoon zullen toenemen.

De uitspraak:“Daarna zullen jullie, als arme vluchtelingen elkaar de nek afhakken”betekent dat deze haat en conflicten ieders macht en rijkdom zullen meesleuren.

Mensen zullen in deze omgeving van vijandschap niet in staat zijn zichzelf te beschermen, zoals arme vluchtelingen dat ook niet kunnen. Volgens Kadī ʿIyāḍ zullen arme en dakloze mensen leiding over de ummah krijgen. Volgens ons is de eerste interpretatie beter, zoals duidelijk wordt uit de context van de hadīth. Deze mening is die van onze leraar Abū’l-ʿAbbās al-Qurtubī: eerst zal de ummah rijkdom en macht verwerven, maar later zullen zij elkaar bestrijden en daardoor hun rijkdom verliezen.

Beide situaties worden door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) niet goedgekeurd: noch dat de ummah in rijkdom zal opscheppen, noch dat zij elkaar zullen bestrijden en hun kracht verliezen. De hadīth waarschuwt voor beide uitersten die de ummah kunnen treffen. Allāh weet het het beste.

Volgens As-Samarqandī betekent het ‘elkaar de nek afhakken’ dat sommigen over anderen heersen.

6.20 Gehoorzaamheid leidt tot barmhartigheid en welzijn

Abū Nuʿaym overlevert van Abū ad-Dardāʾ (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: Allāhu Taʿālā `Azza wa Jalla zei: “Ik ben Allāh. Er kan geen ander godheid zijn behalve Ik. Ik ben de Eigenaar van alles en de ware Bestuurder van alle zaken. Ook de harten van de bestuurders zijn in Mijn Hand. Wanneer Mijn dienaren Mij gehoorzamen, verzacht Ik de harten van hun leiders. Dan behandelen de leiders en gezagdragers hun onderdanen met barmhartigheid en rechtvaardigheid.

Maar wanneer Mijn dienaren Mij ongehoorzaam zijn en afwijken van Mijn bevel, leg Ik woede en wraak in de harten van hun leiders. Dan behandelen zij hun onderdanen slecht.

Besteed in zulke tijden jullie tijd niet aan het vervloeken van jullie leiders, maar wend je tot Mij met smeekbeden en aanbidding. Gedenk Mij, zodat Ik de harten en het gedrag van jullie leiders verander.”

Imām Mālik heeft deze hadīth ook overgeleverd. Er is echter gezegd dat deze overlevering gharīb is, omdat er enkele overleveraars in de keten ontbreken. De hadīth is via ʿAlī bin Maʿbad overgeleverd. ʿAlī heeft die van Wahb bin Rāshid overgeleverd.