Hoofdstuk 7: De bespreking van de Malāḥim (grote eschatologische veldslagen of bloedige conflicten in de Einde der Tijden (Âkhirah)
7.1 Voortekenen van oorlog
Abū Dāwūd overlevert van Muʿādh bin Jabal (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het tot bloei komen van Bayt al-Maqdis is een voorteken van de verwoesting van Yathrib (Madīnah). De verwoesting van Yathrib is een voorteken dat er oorlog zal uitbreken. Het uitbreken van die oorlog is een voorteken van de (hernieuwde) verovering van Constantinopel. En de verovering van Constantinopel is een voorteken van de komst van de Dajjāl.” (Abû Dāwūd, 4294)
al-Bukhārī overlevert van ʿAwf bin Mālik (رضي الله عنه): Tijdens de expeditie van Tabūk ging ik naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), terwijl hij zich in een leren tent bevond. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wacht de zes voortekenen vóór de Qiyāmah af:
Mijn overlijden,
De verovering van Bayt al-Maqdis,
Een verwoestende epidemie (mawtān/ṭāʿūn) die jullie zal treffen. Het zal jullie verwoesten zoals een epidemie een schapen kudde verdelgt.
Een enorme toename van rijkdom/vermogen, zelfs als jullie iemand 100 goudstukken geven, zal hij het verachten, vol woede tegen jullie blijven en zijn wrok blijven koesteren.
Daarna zal er zo’n fitnah opkomen dat het de gehele Arabische samenleving zal omvatten, zonder ook maar iemand buiten te sluiten.
Daarna zal er een vrede tussen jullie en de leden van de gele ras (de Byzantijnen) ontstaan. Daarna zullen zij jullie verraden en met tachtig banieren tegen jullie optrekken, waarbij onder elke banier twaalfduizend strijders staan.” (al-Bukhārī, 3176)
Abū al-Qāsim aṭ-Ṭabarānī vermeldt in al-Muʿjam al-Kabīr een soortgelijke overlevering, waarin wordt toegevoegd: “Op die dag zal het hoofdkwartier van de moslims zich bevinden in al-Ghūṭah, nabij Dimashq (Shām).”
(De overlevering is authentiek (ṣaḥīḥ). Aṭ-Ṭabarānī heeft deze vermeld in zijn werk al-Muʿjam al-Kabīr (18/42). Ook Abū Dāwūd heeft deze overgeleverd (ḥadīth nr. 4298). Al-Ghūṭah bevindt zich tegenwoordig binnen de grenzen van Syrië …)
Deze overlevering is ook vermeld door Abū al-Khaṭṭāb ibn Dihyah in zijn werk Maraj al-Baḥrayn fī Fawāʾid al-Mashriqayn wa’l-Maghribayn, met zijn eigen isnād.
Volgens hem heeft ʿAwf bin Mālik al-Ashjaʿī (رضي الله عنه): het overlijden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) meegemaakt, en was hij aanwezig bij de vreedzame verovering van Bayt al-Maqdis samen met Amīr al-Muʾminīn ʿUmar (رضي الله عنه). Dit vond plaats in het tiende jaar AH, vijf dagen vóór het einde van de maand Dhū al-Qaʿdah. Daarna was hij ook aanwezig bij de verdeling van de bezittingen en schatten van Kisrā, die onder leiding van Amīr al-Muʾminīn ʿUmar (رضي الله عنه) werden verdeeld. Later nam hij eveneens deel aan de veldslagen van al-Jamal en Ṣiffīn.Hij maakte eveneens de grote epidemie mee die bekendstaat als de pest van ʿAmwās, die in Shām uitbrak en waarbij ongeveer 25.000 mensen omkwamen. Volgens al-Madīnī bedroeg dit aantal 25.000 mensen. ʿAmwās is de naam van een plaats gelegen tussen ar-Ramlah en Bayt al-Maqdis.
Tijdens deze epidemie overleden ook:
Abū ʿUbaydah bin al-Jarrāḥ (رضي الله عنه), bekend als “de betrouwbare van deze ummah”,
en Abū Abdurrahmān Muʿādh bin Jabal (رضي الله عنه), die ook een faqīh was.
Aḥmad b. Ḥanbal heeft in zijn werk Tārīkh gezegd dat de pest van ʿAmwās plaatsvond in het jaar 18 AH Degene die deze overlevering van Aḥmad b. Ḥanbal heeft doorgegeven is Abū Zurʿa ar-Rāzī. Hij zei: “De pestepidemie vond plaats in het jaar 17 of 18 AH In het jaar 17 keerde ʿUmar (رضي الله عنه) terug. Het woord ‘Mutān’ is in de Arabische taal een term die in een bepaalde dialectvorm wordt gebruikt; daarnaast zijn er ook mensen die het uitspreken als ‘Mawtān’. De meest gangbare uitspraak is ‘Mawtān’. Het woord ṭāʿūn betekent pest, epidemie en dood.”
Volgens de uitleg van Abū ʿUbaydah verwijst het woord dat in de ḥadīth van al-Bukhārī voorkomt, met de betekenis “zoals een epidemie een schapen kudde verdelgt”, naar een besmettelijke ziekte die geen enkel levend dier spaart. Want het betreffende woord betekent “datgene wat onmiddellijk doodt”. Volgens een andere uitleg duidt dit woord op een ziekte die zich in de borst manifesteert en als het ware de nek van het levende wezen breekt. Tijdens deze ziekte overleden vijf genoemde personen, en van hen bleef alleen ʿAwf b. Mālik (رضي الله عنه) in leven. Hij leefde tot aan de tijd van de kalief ʿAbd al-Malik b. Marwān en dat komt overeen met het jaar 73 na Hidjrah. Hij was tijdens de Slag van Ṣiffīn al meer dan honderd jaar oud.
Al-Wāqidī zei: “ʿAwf b. Mālik (رضي الله عنه) overleed in Shām in het jaar 93 AH” Als wat al-Wāqidī heeft gezegd correct is, dan is ʿAwf b. Mālik (رضي الله عنه) overleden in de tijd van al-Walīd b. ʿAbd al-Malik b. Marwān. En Allāh weet het het beste.
7.2 De oorlogen met de Byzantijnen en het vijandig samenkomen van volkeren tegen de moslims
Ibn Mājah overlevert van ʿAwf b. Mālik al-Ashjaʿī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Er zal tussen jullie en de Banū al-Aṣfar (de Byzantijnen) een vredesverdrag zijn. Daarna zullen zij jullie verraderlijk aanvallen. Zij zullen tegen jullie optrekken onder tachtig vaandels. Onder elk vaandel zullen zich twaalfduizend gewapende mannen bevinden.” (Ibn Mājah, 4095; de ḥadīth is ṣaḥīḥ. Ibn Mājah heeft in het voorgaande hoofdstuk ook een langere overlevering met dezelfde strekking vermeld onder nummer 4094. Ook al-Bukhārī heeft dit vermeld onder nummer 1376)
Er wordt overgeleverd van Dhū Mikhmar, die tot de metgezellen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) behoorde, dat hij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft horen zeggen: “In de nabije toekomst zullen de Rūm (Byzantijnen) met jullie een veilig vredesverdrag sluiten. Vervolgens zullen jullie samen met hen tegen een vijand strijden.Jullie zullen de overwinning behalen en buit verwerven.Jullie zullen de buit verdelen en de strijd veilig beëindigen. Daarna zullen jullie vertrekken, totdat jullie een gebied met heuvels bereiken. Dan zal iemand van de kruisdragers zijn kruis omhoogheffen en roepen: ‘De kruisdragers hebben overwonnen!’ Een moslim zal dit niet kunnen verdragen en zal onmiddellijk het kruis breken. Op dat moment zullen de Byzantijnen het verdrag verbreken en zich verzamelen om tegen jullie te strijden. Zij zullen dan hun legers tegen jullie in beweging brengen onder tachtigduizend vaandels, en onder elk vaandel zullen zich twaalfduizend soldaten bevinden.” (Ibn Mājah, 4089; de ḥadīth is ṣaḥīḥ)
Abū Dāwūd heeft aan bovenstaande overlevering toegevoegd: “De muslims zullen onmiddellijk naar hun wapens grijpen en de strijd met hen aangaan. Allāh zal deze groep eren met het martelaarschap.” (Abû Dāwūd, 4293)
Aḥmad b. Ḥanbal heeft dit in zijn werk al-Musnad overgeleverd. De ḥadīth is wat betreft de isnād ṣaḥīḥ en vastgesteld (sabit) (m.a.w. de ḥadīth is betrouwbaar omdat de keten van overleveraars correct en sterk is). Volgens wat al-Awzāʿī heeft vermeld, is Dhū Mikhmar de zoon van de broer van an-Najāshī. Volgens Ibn Dihya heeft Abū ʿAmr deze man gerekend tot de vrijgelaten slaven van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
Ibn Mājah en Abū Dāwūd hebben deze twee aḥadīth overgeleverd van Muʿādh b. Jabal (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De grootste strijd, de verovering van Costantiniyyah (Istanbul) en de verschijning van ad-Dajjāl zullen plaatsvinden. Al deze gebeurtenissen zullen zich binnen zeven maanden voltrekken.” (Ibn Mājah, 4092; Abū Dāwūd, 4294; Tirmidzi heeft deze ḥadīth ook overgeleverd en hem als 'ḥasan ṣaḥīḥ' (goede-authentieke) geclassificeerd)
VanʿAbdullāh b. Busr (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Tussen de grote strijd en de verovering van Madīnah zullen zes jaren verstrijken, en in het zevende jaar zal ad-Dajjāl verschijnen.” (Ibn Mājah, 4093; Abū Dāwūd, 4296)
Er wordt overgeleverd van Yusayr b. Jābir, hij zei: “In Kūfah begon een rode wind te waaien. Op dat moment kon een man niets anders zeggen dan: ‘O ʿAbdullāh b. Masʿūd! Het Uur is aangebroken!”
De overleveraar zei: Op dat moment leunde ʿAbdullāh b. Masʿūd (رضي الله عنه) ergens tegenaan. Toen hij dit hoorde, ging hij meteen zitten en zei: “De Qiyāmah zal niet aanbreken totdat er geen erfenis meer te verdelen valt en totdat mensen door middel van buit vreugde en overvloed verkrijgen.” Vervolgens wees Ibn Masʿūd (رضي الله عنه) met zijn hand in de richting van Shām en zei: “Er zal een moment komen waarop vijanden zich verzamelen en zich gereedmaken om de moslims aan te vallen. De moslims zullen tegen hen hun krachten verzamelen om met hen te strijden.”
Daarop vroeg ik hem: “Bedoel je met de vijanden die zich tegen de moslims zullen verzamelen de Rum (Byzantijnen) zijn?” Hij antwoordde: “Ja.” Op dat moment zal er een zeer hevige strijd plaatsvinden, en in die mate zullen er ook mensen zijn die zich terugtrekken en afvallig worden.
Door de hevigheid van deze zware strijd zullen de moslims onderling een afspraak maken om te vechten tot de dood. Vanaf dat moment zal niemand zich terugtrekken; zij zullen doorgaan totdat de overwinning is behaald.
Uiteindelijk blijven ze doorgaan met vechten. Tenslotte vormt de nachtelijke duisternis een obstakel tussen hen. Ondanks deze zware strijd zal geen van beide partijen de overhand krijgen. Intussen zullen degenen uit de eerste groep, die plechtig beloofd hadden nooit terug te keren, volledig zijn uitgeroeid.
Daarna zullen de moslims opnieuw een tweede troep voorbereiden en onderling afspreken om tot de dood te vechten (zonder zich van het front terug te trekken). Ook zij zullen vertrekken met de afspraak niet terug te keren totdat de overwinning is behaald. Zij zullen opnieuw vechten tot de avond, maar geen van beide partijen zal de overwinning behalen. Met het invallen van de nacht zal ook de termijn van hun afspraak verstrijken.
Vervolgens zullen de moslims opnieuw onderling afspreken om niet terug te keren en tot de dood te strijden, en een derde groep uitzenden. Ook zij zullen vechten tot de avond, maar wederom zal geen van beide partijen de overwinning behalen. Intussen zal ook de termijn van hun afspraak verstreken zijn.
Uiteindelijk zullen op de vierde dag alle overgebleven moslims een aanval inzetten op de Rūm (Byzantijnen). Allāh zal de overwinning aan de moslims schenken. Dit zal een zodanige strijd op leven en dood zijn dat men zal zeggen: “Een dergelijke strijd is nog nooit vertoond,” of: “Er is nooit eerder een voorbeeld van zo’n strijd geweest.” Het zal zo’n hevige strijd zijn dat zelfs vogels die boven hen vliegen, niet ontkomen en dood neervallen.
Stel je een vader voor die honderd zonen heeft en hen allen naar het front heeft gestuurd; uiteindelijk keert er slechts één van hen terug. Als de situatie zo is, met welke buit kan iemand zich dan nog beroemen? Of welke erfenis kan er nog verdeeld worden? Is er überhaupt nog iemand overgebleven?
Terwijl zij zich in deze toestand bevinden, zullen zij plotseling vernemen dat een oorlog is losgebarsten die veel groter is dan de strijd die zij hebben meegemaakt. Dan zal er een boodschapper naar hen komen die hen zal berichten: “De Dajjāl is verschenen en heeft bezit genomen van jullie achtergelaten families en jullie land.” Wanneer de soldaten van het islamitische leger dit horen, zullen zij alles wat zij in handen hebben achterlaten en zich haasten richting hun families.
Het leger zal tien ruiters als voorhoede vooruitsturen om de situatie te verkennen. Volgens de overleveraar zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Voorwaar, ik ken hun namen en de namen van hun vaders, en ik ken zelfs de kleuren van hun paarden. Zij behoren tot de beste ruiters op aarde (of: zij zullen op die dag de beste ruiters op aarde zijn).” (Muslim, al-Fitan, 2899/37)
Abū Dāwūd overlevert van Thawbān (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Binnenkort zullen volkeren zich tegen jullie verzamelen, zoals hongerige mensen zich rond een eettafel verzamelen. En zij zullen anderen oproepen om zich bij hen aan te sluiten.” Daarop vroeg iemand die aanwezig was: “Zal dat komen doordat wij op die dag met weinigen zullen zijn?” Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Integendeel, jullie zullen op die dag talrijk zijn. Maar jullie grote aantal lijkt op het schuim en het wrakhout op een vloedgolf. (Hoeveel schuim en wrakhout er ook is, het kan de stroom niet tegenhouden.) Allāh zal de vrees voor jullie uit de harten van jullie vijanden verwijderen en ‘wahn’ in jullie harten werpen.”
Iemand vroeg: “O Rasûlullāh, wat is ‘wahn’?” Hij antwoordde: “Wahn is de liefde voor de wereld en een afkeer van de dood/dood gaan.” (Abū Dāwūd, al-Malāḥim, 4297; de ḥadīth is ṣaḥīḥ)
Met de “Banū al-Aṣfar” worden de Rūm (Byzantijnen) bedoeld.
Over waarom deze benaming aan hen is gegeven, zijn twee opvattingen genoemd:De eerste: volgens Ibn al-Anbārī trok er in een bepaalde periode een leger uit al-Ḥabashah (Abyssinië) naar de gebieden van de Rūm en nam deze in. Zij hadden vervolgens omgang met de vrouwen die zij daar aantroffen, en uit deze vrouwen werden kinderen ter wereld gebracht met een gele huidskleur. Dit is één opvatting.
De tweede: dit is de opvatting van Ibn Isḥāq. Volgens hem stammen zij af van al-Aṣfar b. ar-Rūm b. ʿĪṣū b. Isḥāq b. Ibrāhīm (عليه السلام). Deze tweede opvatting lijkt aannemelijker dan de eerste.
Al-Ḥāfiẓ Abū al-Khaṭṭāb b. Dihyah heeft vermeld dat in een authentieke overlevering Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Waarlijk, onder elk vaandel zullen zich 12.000 mannen bevinden.” In dat geval komt het totale aantal vijanden neer op 960.000.
In een lange marfūʿ-overlevering van Ḥudhayfah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh zal een man sturen, door de Byzantijnen ‘Dīmar’ genoemd en door hen aangeduid als Heraclius de Vijfde, een krijger, om een vredesverdrag met de Mahdī te sluiten. Dit zal plaatsvinden wanneer de moslims een overwinning behalen op de mushriks. Zij zullen onderling een vredesverdrag sluiten om zeven jaar lang niet te vechten. Vervolgens zal de Mahdī, terwijl zij zich in een vernederde toestand bevinden, de jizyah opleggen. Vanaf dat moment zal er voor geen enkele Rūm nog aanzien zijn. Overal zullen hun kruisen worden gebroken en neergehaald. Daarna zullen de moslims terugkeren naar Dimashq (Shām).
Terwijl de mensen zich in deze toestand bevinden, zal een man van de Rūm rondkijken en zien dat hun mannen en vrouwen in ketenen zijn geslagen en dat er halsbanden om hun nekken zijn gedaan.
Deze man, die niet in staat is om de aanblik te verdragen, zal een kruis oppakken en luid roepen: ‘O aanhangers van het kruis! Kom het kruis te hulp!’ Daarop zal een van de moslims opstaan, het kruis breken en zeggen: ‘De overwinning behoort aan Allāh en Hij is Degene die de overwinning schenkt.’ Vanaf dat moment zullen zij verraad plegen en zij zijn altijd al verraderlijk geweest.
Daarna zullen de koningen van de Rūm zich in het geheim in hun landen verzamelen. Via wegen die de moslims niet opmerken, zullen zij de islamitische gebieden binnendringen, terwijl de moslims dachten dat zij veiligheidsgaranties hadden verkregen. Ze hadden geen besef van de situatie. Terwijl de moslims in deze achteloosheid het vredesverdrag voortzetten, zullen de Rūm Antiochië binnentrekken onder 12 vaandels, met onder elk vaandel 12.000 soldaten. Waar zich ook een christen bevindt op het Arabisch schiereiland, in Shām of in Antiochië iedereen zal zich verzamelen rond degene die het kruis heeft opgeheven.
Daarop zal de Mahdī boodschappers sturen naar de mensen van Shām, al-Ḥijāz, Yemen, Kūfah, Baṣrah en ʿIrāq. Hij zal hen berichten dat de Rūm in beweging zijn gekomen en zich hebben verzameld om aan te vallen, en hij zal zeggen: ‘Help mij om jihād te voeren tegen deze gemeenschap, die vijanden zijn van Allāh en van jullie.’ Daarop zullen degenen in het oosten berichten: ‘Zij hebben ons vanuit Khurāsān, langs de oever van de rivier de Eufraat, aangevallen. “Zij hebben ons aangedaan wat zij ons wilden aandoen, en daardoor hebben zij ons verhinderd om naar jou toe te komen. Enkele mensen uit Kūfah en Baṣrah zullen zich bij de Mahdī voegen. Hij zal naar hen toe gaan, en ook moslims zullen hen tegemoetkomen. Al-Mahdī zal hen ontmoeten terwijl zij vergezeld zijn door moslims. Samen zullen zij naar Dimashq (Shām) gaan en de stad binnentreden. De Rūm zullen hen volgen en eveneens Dimashq binnentrekken.
Zij zullen daar ongeveer 40 dagen verblijven, het land verwoesten, mensen doden, huizen vernietigen en bomen omhakken.Daarna zal Allāh de moslims geduld schenken en de muslims helpen, waarna zij eropuit zullen trekken om de vijand te bestrijden. Er zal een hevige strijd uitbreken tussen de moslims en de Rūm. Veel moslims zullen daarbij shahīd worden. Waarlijk, het zal een oorlog zijn zoals nooit eerder gezien een strijd die nog angstaanjagender en heviger is dan alles wat eraan voorafging.
Op die dag zullen vier Arabische stammen afvallig worden: Salīm (of Sulaym), Nahd, Ghassān en Ṭayyiʾ. Zij zullen zich vervolgens bij de Rūm voegen en, overweldigd door de enorme angst en de grootsheid van de gebeurtenissen, zullen zij samen de overwinning behalen.”
Daarna zal Allāh opnieuw hulp, geduld en overwinning schenken aan de moslims. In de strijd die tussen hen en de Rūm uitbreekt, zullen zij vele van hen doden. Er zal zoveel bloed vloeien dat de paarden zich voortbewegen terwijl zij zich door het bloed heen banen. Het vuur van de strijd zal ontbranden en de gevechten zullen zo hevig zijn dat men elkaar als het ware met ijzer zal neermaaien.Sommige moslims proberen de wreedste vijanden met een gloeiend ijzer te doorboren en hem met een speer te verwonden. Zelfs wanneer iemand een harnas van ijzer draagt, zal hij toch gedood worden. Uiteindelijk zullen de moslims vele mushriks doden. Het bloed zal zo overvloedig zijn dat de paarden zich door hun bloed voortbewegen. Zo zal Allāh de moslims helpen en hun de overwinning schenken, terwijl Hij toorn zal laten neerdalen op de kāfirs. Dit is een uiting van de barmhartigheid en genade van Allāh jegens de muslims.
Op die dag zal er onder de moslims een groep zijn die behoort tot de besten van de dienaren van Allāh, de meest oprechten onder hen. Onder hen zal niemand zijn die in opstand komt, vlucht, twijfelt of tot de munāfiqs behoort.
Daarna zullen de moslims de gebieden van de Rūm binnentrekken. Elke stad en elk fort dat zij binnengaan, zal weerklinken van takbīr.
Door de macht van Allāh zullen de muren en vestingen instorten door dit geluid, waarna zij hun bezittingen als buit nemen en hun vrouwen en kinderen gevangennemen.
De dagen van de Mahdī zullen veertig jaar bedragen: tien jaar in al-Maghrib (de westelijke gebieden), twaalf jaar in Kūfah, twaalf jaar in Madīnah en zes jaar in Makkah. Zijn dood zal plotseling plaatsvinden. Terwijl de mensen zich in deze toestand bevinden, zal men spreken over de verschijning van de vervloekte ad-Dajjāl.* Met de wil van Allāh zal hierover bij de bespreking van de Mahdī voldoende uitleg volgen.
(*: Ik (de vertaler) heb de bron van deze informatie niet kunnen achterhalen. Al-ʿAynī vermeldt dit in zijn werk ʿUmdat al-Qārī (15/100) en schrijft het toe aan Ibn Dihya. Zie ook: ad-Dānī, as-Sunan al-Wāridah fī al-Fitan, 596)
حَتَّىٰٓ إِذَآ أَثۡخَنتُمُوهُمۡ فَشُدُّواْ ٱلۡوَثَاقَ فَإِمَّا مَنَّۢا بَعۡدُ وَإِمَّا فِدَآءً حَتَّىٰ تَضَعَ ٱلۡحَرۡبُ أَوۡزَارَهَاۚ
7.3 “En wanneer jullie hen verslagen hebben, bindt hen (de gevangenen) dan stevig vast of laat hen vrij (na) een losgeld, tot de oorlog voorbij is” (Muhammad, 47:4), uitleg van dit āyah.
Van Ḥudhayfah (رضي الله عنه): Allāhu Taʿālā schonk Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een overwinning. Ik ging naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei: “O Rasûlullāh, alle lof behoort toe aan Allāh; voortaan zal de Islām zich over de aarde vestigen. Zo werd de oorlogsdruk ook opgeheven.”Naar aanleiding van mijn toespraak zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “ Er zijn vóór dit moment nog zes fasen om alle oorlogsmoeilijkheden en lasten volledig te beëindigen, o Ḥudhayfah! Ga jij niet vragen wat die fasen zijn?”Ik zei: “Zeker wel,” en vroeg: “Wat is de eerste daarvan?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De eerste daarvan is mijn overlijden en de verovering van Bayt al-Maqdis. Daarna zullen twee groepen, die dezelfde zaak claimen, elkaar bevechten. Vervolgens zal rijkdom zo overvloedig worden dat wanneer iemand honderd dīnār (goudenmunten) aan een ander geeft, deze daarover nog boos wordt en wrok koestert. Daarna zal er een dodelijke epidemie uitbreken, zoals een plaag die een kudde schapen verdelgt. Dan zal er onder de Banū al-Aṣfar (de Rūm) een slaaf of jongeman opstaan, die zich in korte tijd zal vermenigvuldigen zoals een plant die in een maand groeit alsof zij in een jaar is gegroeid. Zijn volk zal zich tot hem aangetrokken voelen en hem tot leider maken, en zij zullen tegen hem zeggen: ‘Wij verwachten van jou dat jij de rijkdom die wij verloren hebben, voor ons terugwint.”
Daarop zullen zij een groot leger en een sterke macht vormen en in beweging komen. Uiteindelijk zullen zij het gebied tussen al-ʿArīsh en Antākiyah bereiken. Op die dag zal jullie leider (amīr) de beste leider zijn. Deze amīr zal zijn mensen vragen: “Wat raden jullie mij aan te doen in deze situatie?” Zijn raadgevers zullen antwoorden: “Laten wij tegen hen vechten totdat Allāh tussen ons oordeelt.”Maar hun amīr zal zeggen: “Ik vind dit niet erg gepast. Laten wij hun hun land teruggeven, onze kinderen en families op een veilige plek brengen en daarna het gevecht met hen aangaan.” Vervolgens zullen zij hun weg vervolgen en naar mijn stad (Madinah) komen. Zij zullen de mensen van Shām om hulp vragen, en die zullen hen te hulp komen.Hun amīr zal tegen hen zeggen: “Laat alleen degenen met mij meegaan die hun levens aan Allāh hebben verkocht en bereid zijn de vijand tegemoet te treden.” Uiteindelijk zullen zij de vijand ontmoeten.
Daarna zal hij de schede van zijn zwaard breken en blijven strijden totdat Allāh tussen hen oordeelt. Aan deze strijd zullen zeventigduizend of meer mensen vrijwillig deelnemen. Hun amīr zal zeggen: “Zeventigduizend zijn mij voldoende, omdat het slagveld niet meer kan bevatten.”Maar onder de rijen van het leger bevinden zich spionnen van de vijand, die verslag uitbrengen. Het leger trekt op naar de vijand, en wanneer beide legers tegenover elkaar staan, vraagt de vijand aan de amīr van de moslims om degenen onder zijn soldaten die verwantschap met hen hebben, vrij te laten en niet mee te laten vechten.De amīr van het islamitische leger roept daarop zijn mensen bijeen en zegt: “Weten jullie wat de vijand van ons verlangt?” Zij antwoorden: “Wij verlangen niets anders dan, met de hulp van Allāh, te strijden en de overwinning te behalen.”Daarop zegt de amīr: “Breek dan allemaal de schedes van jullie zwaarden.” Hijzelf trekt zijn zwaard en valt de vijand aan. Vervolgens wordt twee derde van de vijand gedood, en het resterende derde deel vlucht per schip.Eindelijk, wanneer de bergen van hun eigen landen in zicht komen, stuurt Allāh een wind over hen, waardoor zij gedwongen worden terug te keren naar hun havens en schuilplaatsen in Shām. Daar worden zij allen gevangengenomen en aan de kust, vóór hun schepen, onthoofd. Vanaf die dag zullen de lasten en moeilijkheden van de oorlog verdwijnen.(Opmerking van de vertaler: De bron van deze overlevering kon niet worden achterhaald. Echter, Imām Suyuti vermeldt deze in zijn werk ed-Durru’l-Mansûr (7/460). Suyuti schrijft deze overlevering toe aan İbn Abû Hatim. De isnād (keten van overleveraars) die door de auteur Qurtubi wordt gegeven, is echter zwak.In de isnād noemt Qurtubi de overleveraars als volgt: “İsmail b. Ayyash heeft de ḥadīth overgeleverd van Abdurrahman b. Ziyad b. An’um, deze van Rabia b. Sufyan b. Mani’ al-Mughafiri, en hij van Makhūl.
Makhūl heeft de ḥadīth via Huzayfah overgeleverd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).”Abdurrahman b. Ziyad wordt beschouwd als een zwakke overleveraar, waardoor de betrouwbaarheid van de keten discutabel is.Fakih Ibn Burjān vermeldt de ḥadīth ook in zijn boek al-Irshād, maar de isnād blijft onderwerp van discussie. Allāh weet het het beste.)
7.4 Oorlog met de Turken
Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), an-Nebi (صلى الله عليه وسلم) zei: “De Yawmu’l Qiyāmah zal niet aanbreken voordat jullie hebben gestreden tegen volkeren uit Huzistan en Kirman: niet-Arabische mensen met roodachtige gezichten, platte neuzen en kleine ogen. Hun gezichten lijken op op elkaar gestapelde schilden, en zij dragen schoeisel gemaakt van gevlochten haar.” (al-Bukhārī, 3590; Muslim, 2912/62)
Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nebi (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voordat Yawmu’l Qiyāmah aanbreekt, zullen jullie strijden tegen een volk wiens schoenen van haar zijn gemaakt. Hun gelaatshuiden zijn als op elkaar gestapelde schilden, hun gezichten zijn rood, hun ogen klein en hun neuzen plat.”Volgens een andere overlevering: “Zij dragen kleding van haar en lopen in geschoeide sandalen geweven van haar.” (al-Bukhārī, 3592 ve 2928; Muslim, 2912/64-66; Abû Dāwūd, 4303; Nasâ`î, 3177; İbn Mâjah, 4096; Tirmizi, 2215)
Van Abû Sa`Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De Yawmu’l Qiyāmah zal niet aanbreken totdat jullie hebben gevochten tegen een volk met kleine ogen en brede gezichten. Hun pupillen lijken op die van sprinkhanen. Hun gelaatshuiden zijn als op elkaar gestapelde schilden. Ze dragen schoenen van haar, gebruiken schilden van leer en binden hun paarden bij de dadelpalmbomen.”(Ibn Majah, 4099. Er is vermeld dat de ḥadīth ḥasan ṣaḥīḥ is.)
Van `Abdullah b. Buraydah (رضي الله عنه), Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een volk met kleine ogen zal oorlog tegen jullie voeren. Jullie zullen hen drie keer verdrijven voordat zij de Arabische Woestijn bereiken. Tijdens de eerste verdrijving zullen enkelen ontsnappen. Tijdens de tweede zullen enkelen overleven, terwijl anderen worden vernietigd. Tijdens de derde verdrijving zullen hun wortels volledig uitgeroeid worden.” (Abû Dāwūd, 4305. De ḥadīth is zwak)
7.5 De Turken en de moslims die elkaar onder hun bewind brengen
Imām Ahmad b. Hanbel heeft in zijn Musnad van `Abdullah b. Buraydah (رضي الله عنه) via zijn vader: zijn vader zei: “Ik zat bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) toen ik hem driemaal achter elkaar hoorde zeggen: ‘Mijn ummah zal een volk voor zich krijgen dat brede gezichten en kleine ogen heeft, en zij zullen hen besturen. Hun gezichten zijn als op elkaar gestapelde schilden. Zij zullen worden geleid totdat zij de Arabische Schiereiland bereiken. In de eerste aanval zullen enkelen van hen ontsnappen. In de tweede aanval zal een deel van hen vernietigd worden en een deel ontsnappen. In de derde aanval zal het resterende deel volledig uitgeroeid worden.”Daarop vroegen de sahābah: ‘O Rasûlullāh! Wie zijn zij?’Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: ‘Het zijn de Turken.’Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vervolgde: ‘Bij Allāh, in Wiens Hand mijn leven is, zij zullen hun paarden vastbinden aan de palen van de masājid van de muslims.’
De overleveraar zei dat Buraydah na het horen van deze ḥadīth altijd twee of drie kamelen bij zich hield en de benodigdheden en het water voor een reis klaar had liggen. Dit deed hij vanwege hetgeen hij van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had gehoord, als voorzorg tegen het gevaar van de Turken en om aan hen te kunnen ontsnappen. (Ahmad b. Hanbel, 23337/22949. De ḥadīth is in de isnād zwak. Abû Dāwūd, 4305; Hakim, Mustadrak, 8463/171. Hakim verklaarde de ḥadīth ṣaḥīḥ, en Al-Zahabi bevestigde dit in zijn werk Talkhīth.)
Imām Abû’l Khattāb `Umar b. Dihyah zegt dat dit een ṣaḥīḥ sanad is. Abû Abdullah Ahmad b. Hanbal, bekend als Imamu's-Sunnah en standvastig te midden van vele moeilijkheden en beproevingen, heeft dit overgeleverd via de rechtvaardige imām Abû Nuaym Fazl b. Dakkīn, wiens betrouwbaarheid door iedereen werd erkend. De overleveraar Bashīr b. Muhājir is betrouwbaar, en ook Anas b. Mālik (رضي الله عنه) bevestigde dit. Volgens sommige van de ḥadīth-imams die deze overleveringen doorgaven, wordt ook de betrouwbaarheid van Bashīr bevestigd.
Van `Abdullah b. Buraydah (رضي الله عنه) heeft via zijn vader: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er zal een volk met kleine ogen tegen jullie strijden.
Jullie zullen hen drie keer aanvallen, en uiteindelijk zullen jullie hen leiden tot het Arabische Schiereiland. In de eerste aanval zullen enkelen ontsnappen. In de tweede aanval zal een deel worden vernietigd en een deel ontsnappen. In de derde aanval zal hun wortel volledig worden uitgeroeid.”
(Opmerking van de vertaler: Abû Dāwūd, 4305, de ḥadīth is zwak. Deze ḥadīth staat in tegenspraak met de ḥadīth die in Ahmad b. Hanbel’s Musnad voorkomt. Geleerden die hierover een mening hebben gegeven, geven aan dat waarschijnlijk niet de overlevering in Abû Dāwūd, maar die in Musnad authentieker is.In feite wijst ook de uitleg van Abû Dāwūd in het werk Avnu’l-Mabud op dit punt. Daar wordt vermeld: “Iemand zoals al-Qurtubi kon niet begrijpen waarom hij ook deze tegenstrijdige ḥadīth in zijn Tadhkirah had opgenomen. Dit punt mag niet worden genegeerd.” Zie: Avnu’l-Mabud, 11/278-279; Seharenfiiri, Bezlu’l-Mechud Fi Halli Süneni Ebi Dāwūd, 12/351-352, 4305.)
In de eerste ḥadīth wordt voorspeld dat zo’n volk zal opstaan en tegen de muslims zal strijden, en hen zelfs zal doden. Zoals waargenomen, zijn dergelijke gebeurtenissen op de manier gebeurd zoals Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had voorspeld.
Daarom zal in zo’n situatie de enige beschermer van de muslims alleen Allāhu (سبحانه وتعالى) zijn. Alleen Allāh zal hen kunnen beschermen tegen aanvallen. Het doet bijna denken aan de beschrijving van Ya’jūj en Ma’jūj. Het lijkt alsof dit agressief volk dat zal opkomen, zal optreden als de voorhoede van Yajuj en Majuj.
Hafiz Sayyid Ibn Dihyah (رحمه الله) zegt dat in het jaar 617 AH, in de maand Jumada al-Ula, een Turks leger bekend als de Tataren opdook. Zij vormden een groot gevaar door hun moorddadige aanvallen, met als enig doel het doden van de muslims. Pogingen om deze aanval met sluwe of indirecte methoden te stoppen, waren door niemand succesvol.
Deze Tataren voerden oorlog tegen alle landen in Mawaraunnahir (Transoxanië: Centraal-Azië) en de omliggende gebieden, inclusief de regio Khorasān. Zij brachten een einde aan het Sassanidische rijk (een groot Perzisch rijk vóór de Islām). Dit leger bestond uit ongelovigen die de ar-Rahmān (de Barmhartige), Allāh, niet erkenden. De goden die zij als scheppers aanbaden, waren vuur. Zij noemden hun heersers Khān en Hāqān. Zij verwoestten alle gebouwen in de stad Nushāwar en lieten daar het aanbidden van vuur vrij toe. Alle inwoners van Khwarazm vluchtten en schuilden in grotten. Uiteindelijk drongen ze verder door, doodden sommigen en namen anderen gevangen, waarbij zij huizen en eigendommen vernietigden. Ze lieten water van de rivier Jayhoun over de stad stromen, waardoor alles onder water liep en de mensen verdronken. Daarna vernietigden zij het Razawi-heiligdom in Tus en plunderden de omgeving. Ze braken de familierelaties die Allāh had bevolen te bewaren, en vervingen de Ware Godsdienst (Islām) door een zeer laag niveau van geloof. Ze drongen door tot het Kuhistan-gebied en verwoestten steden zoals Ray, Qazwin, Abhur en Zanjan. Ze maakten ook steden als Ardabil, Maragheh en gebieden in Azarbaidzjan tot ruïnes.
In deze gebieden werden de wetenschappers en vooraanstaande personen uitgeroeid; er werd niemand gespaard. Ze gaven vrije hand aan het doden van vrouwen en het afsnijden van kinderen.
Vervolgens drongen zij door tot Irak. De grootste stad daar is Isfahan, met muren van 40 dhirāʿ hoog (ongeveer 20 meter), goed onderhouden en veilig. De inwoners hadden zich aan de studie van de ḥadīth gewijd. Daarom beschermde Allāhu (سبحانه وتعالى) hen tegen deze aanvallen.
Dankzij de kracht van hun geloof (îmān) beschermde de Allāh hen tegen de klauwen van het ongeloof (kufr). Hij verleende hen steun en genade en schonk hen Zijn gunst.
Zij traden de vijanden die hen tegemoetkwamen met de moed die in hun harten leefde en met hun īmān tegemoet.
Tegelijkertijd bevestigden zij op deze manier dat hun steden bekend stonden als steden van ruiters. Op dit punt had zich een menigte van een miljoen mensen verzameld. Ze vochten tegen de vijand als leeuwen. De bosrijke gebieden vervulden de rol van lansen sperenvelden. Zij droegen witte gewaden als madeliefjes, en daaroverheen zeer brede en stevige harnassen.
Voor de strijders op weg van Allāh (mujāhidīn) waren graden in het Paradijs voorbereid, terwijl voor de kāfirs niveaus in de Hel bestonden. In deze situatie was er geen andere oplossing dan hen ter plekke te doden. Hun vooraf bepaalde lotsbestemming dwong zo de moslims tot de strijd in Isfahan. Daarom verlieten zij Isfahan als pijlen die uit een boog schieten. De moslims realiseerden zich dat als zij op hun plek zouden blijven wachten, zij de vernietiging niet zouden ontkomen. Zo vluchtten zij zonder ook maar achterom te kijken en verlieten de stad. Ze vonden een weg via Hemedan en zetten hun vlucht voort. De strijd laaide volledig op. Mensen zouden sterven en hoofden zouden worden afgehakt.
De vijand beklom de Awrandof Awzand-berg en doodde daar de rechtvaardige muslims. Alles wat daar aan tuinen, boomgaarden en landerijen aanwezig is, verwoesten zij volkomen en plunderen de hele omgeving. De heiligdommen en de vrouwen van de muslims werden geschonden, hun dīn werd vernederd. De vijand veroverde tweederde van het gebied dat “Hoge-Oost” werd genoemd. Daar werden talloze mensen gedood. In het gebied dat “Tweede-Irak” genoemd wordt, werden bijna ontelbare mensen vermoord. Zij bonden hun paarden vast aan de palen van de moskeeën en gebruikte deze als stallen. Hierover bestaat ook een waarschuwende ḥadīth. Ze drongen diep door in Irak, overweldigden alles en vertrapten alles onder hun voeten.
Hun legers werden in beweging gebracht zoals Abû Righāl beschreef. Abû Righāl zei: “Ze versperden de wegen, verspreidden overal angst, namen alle macht en gezag in het land over.
Geen plek in het land bleef onaangeroerd; ze zaaiden angst in de harten van de mu’mins. Ze toonden hun overwicht overal door hun overwinning. Zij legden hun zwaarden op de nekken van de bevolking van het bezette gebied. Zij staken hun handen uit naar elk gebied, of het nu de vlakten, valleien of bergen van het land waren, om vernieling aan te richten. Ze lieten geen plaats ongeschonden door verwoesting en plundering. Ze lieten geen steen op de andere staan en vernielden alles rondom. Ongetwijfeld waren deze mensen precies degenen die in de waarschuwende ḥadīth werden genoemd. Volgens de ḥadīth zouden er drie aanvallen van de vijand zijn. In hun laatste aanvallen zouden zij de wortel van elke mu’min uitroeien. En inderdaad, dit gebeurde.
Ik zeg: Alhamdulillāh, hun opmars is nu voltooid; er blijft alleen over dat ze worden gedood en dat men tegen hen strijdt. Zoals we hebben aangegeven, hadden zij al hun Eerste en Tweede Irak-opmars uitgevoerd.
In deze periode maakten zij hun Derde Irak-opmars naar Bagdad en de omliggende gebieden. Tijdens deze opmars en plundertochten doodden zij de heersers van die gebieden, geleerden, vooraanstaande personen en de abidīn (die zich aan aanbidding wijdden).
Ze belegerden het Miyafarkin gebied en doodden alle heersers, koningen en mu’mins die daar waren. Vervolgens staken ze de rivier de Eufraat over en bereikten de stad Halep. Daar verwoestten ze alles en maakten het tot een ruïne. Uiteindelijk doodden ze iedereen die daar verbleef, totdat de stad volledig een dode stad was en geen enkel levend wezen overbleef.
Daarna marcheerden ze naar Damascus en Syrië. In korte tijd veroverden ze het gebied volledig en lieten niemand ongedeerd achter. Met hun zwaarden hakte men alles af wat boven de schouders uitstak. Deze angstwekkende terreur reikte zelfs tot in Egypte.
Voor de mu’mins was er nog maar één uitweg: het bereiken van het Hiernamaals. Te midden van deze gebeurtenissen verzamelde de koning van Egypte, bekend als al-Malik Muzaffar Kutz, al zijn kracht en legers en ging de vijand tegemoet. De situatie was uiterst ernstig; het kwam tot het uiterste.
Hij handelde met volledige vastberadenheid en een oprechte intentie.
Uiteindelijk ontmoetten zij elkaar bij Ayn Jalût. Al-Malik Muzaffar behaalde een duidelijk overwicht en overwinning. Deze overwinning leek op die van Tālūt tegen Jalût. Vele soldaten van de vijand werden gedood, en onmiddellijk trokken zij zich terug uit Damascus.
Zo keerde Damascus weer terug naar zijn vroegere staat als stad van de Islām, en elke mu’min keerde terug zoals vroeger. De vijand stak de rivier de Eufraat over en trok verslagen weg. Ze ondervonden een nederlaag zoals ze nooit eerder hadden gezien of meegemaakt. Alle vijanden kwamen terug in een toestand van onderdrukking, vernedering, verdrijving en mislukking.
(Opmerking van de vertaler: Tijdens de strijd van de Karluk-Turken tegen de Chinezen vroegen zij de Abbasiden om hulp. Dankzij deze goede betrekkingen vochten in 751 aan de oever van de rivier de Talas het Islamitische leger en het Turkse leger zij aan zij tegen de Chinezen en behaalden een zware overwinning op de vijand. Na de Slag bij Talas bekeerden de Turken zich tot de Islām en hebben zij eeuwenlang de vlag van de Islām gedragen. De Turken die in de aḥadīth worden genoemd, waren echter niet deze Turken van de 8e eeuw, maar de polytheïstische Mongolen, die ongeveer vijf eeuwen later een groot onheil over de Islamitische wereld brachten. Aan het begin van de 13e eeuw veroverde het Mongoolse leger onder leiding van Jengiz Khān (gestorven1227) de hele Islamitische wereld en richtte niet alleen enorme materiële verwoesting aan, maar bracht ook een zware klap toe aan het intellectuele en culturele erfgoed van de Islām.Vooral in Bagdad, de hoofdstad van het Abbassidische kalifaat, werden bibliotheken in brand gestoken en boeken in de Eufraat gegooid, zonder dat de omvang daarvan te bevatten was. Daarom hebben de aḥadīth geen betrekking op de Islamitische Turkse volkeren van die tijd.Ongetwijfeld was het gebied dat het meest werd getroffen door deze woeste stammen het gebied van de Islamitische Turkse staten, en dus de moslim Turkse bevolking daar.
De gebeurtenissen die in de aḥadīth werden beschreven, hebben zich als een soort wonder pas zes eeuwen later voltrokken.Het Mongoolse rijk bereikte zeer snel een enorme macht en werd bijna een wereldrijk. Tegenwoordig omvatte dit gebied landen zoals: China, Mongolië, Korea, Rusland, Oekraïne, Iran, Azerbeidzjan, Armenië, Georgië, Irak, Turkije, Kazachstan, Kirgizië, Oezbekistan, Pakistan, Hongarije, Polen, Tadzjikistan, Afghanistan, Turkmenistan en Moldavië, en drongen zelfs door tot de poorten van Wenen. Dit Mongoolse rijk, dat de grootste grenzen ooit bereikte, stortte echter zeer snel weer in.)
7.6 Overleveringen over Baṣrah, Bagdad en Alexandrië
Abû Dāwud al-Tayālisī … van ʿAbdurraḥmān b. Abū Bakr van zijn vader (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: "Mijn ummah zal zich zeker vestigen in een plaats genaamd Baṣrah. Hier zullen hun aantallen en dadelpalmgaarden toenemen. Daarna zal er een volk komen dat de zonen van Qanturah wordt genoemd. Zij zijn een volk met brede gezichten en kleine ogen.
Dit volk zal zich vestigen in het gebied rond een rivier die Tigris heet en die van hen is. De mu’mins zullen in drie groepen verdeeld worden:
Een deel zal de staarten van de kamelen volgen (en het woestijnleven kiezen, en zij zullen ten onder gaan.Een deel zal in hun poging hun leven te redden, in ongeloof (kufr) vallen.Een deel zal hun kinderen/gezinnen op hun rug dragen en strijden. Van hen zullen enkelen als shuhadāʾ sterven.
Allāh zal de overblijvende mu’mins voorspoed en overwinning schenken."(Deze ḥadīth, die als ḥasan (goede/aanvaardbare) ḥadīth wordt beschreven, is overgeleverd door Abû Dāwūd at-Tayalisi in zijn Musnad(869, 870). Ahmed b. Hanbel heeft het overgeleverd in zijn Musnad (5/44)
Abû Dāwud heeft de eerder genoemde ḥadīth via Muslim b. Abū Bakrah overgeleverd. Abū Bakrah zei: ik hoorde mijn vader vertellen dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: "Een groep van mijn ummah zal zich vestigen op een laaggelegen plek nabij de rivier de Tigris, op een plaats die zij Baṣrah zullen noemen. Over de rivier zal een brug zijn. De bevolking daar zal toenemen. Deze plaats zal vervolgens een van de steden van de muhājirūn worden. (Muhammad b. Yahyā en Maʿmar zeiden: in plaats van een van de steden van de muhājirūn, zal het een stad van de moslims zijn.)Wanneer de Einde der Tijden (Akhirah) nadert, zal een volk met brede gezichten en kleine ogen, de zonen van Qanturah, komen en zich aan de oever van de rivier vestigen. Dan zal de bevolking van dat gebied in drie groepen worden verdeeld:Een groep zal (zich bezighouden met wereldse zaken en) de staarten van ossen volgen, en zij zullen ten onder gaan.Een groep zal zich alleen om hun eigen leven bekommeren en om hun leven te redden de weg van ongeloof (kufr) kiezen.Een derde groep zal hun kinderen op hun rug dragen en strijden. Dit zijn degenen die als shuhadāʾ zullen sterven."(Abû Dāwūd, al-Malāḥim, 4306.
Er is vermeld dat deze ḥadīth ḥasan is. Deze overlevering is alleen door Abû Dāwud vermeld. Al-Mundhirī zei dat onder de overleveraars Saʿīd b. Jamḥān voorkomt. Yahya ibn Ma'in en Abû Dāwud hebben verklaard dat hij betrouwbaar (thiqah) is.)
Daarnaast zei Abû Dāwud: …Van Ibrāhīm b. Ṣāliḥ b. Dirham zei: ik hoorde mijn vader zeggen: “Wij waren op weg naar de Haj toen iemand ons vroeg: ‘Is er in jullie streek een dorp/stadje genaamd Ubullah (Baṣrah)?’”Wij zeiden: ‘Ja’.De man zei vervolgens: ‘Wie van jullie zal namens mij in de moskee van al-ʿAshshār twee of vier rakʿah ṣalāh verrichten en daarna zeggen: ik heb deze ṣalāh verricht namens Abū Hurayrah (رضي الله عنه)? Want ik heb mijn vriend Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) horen zeggen: “Voorwaar, op Yawmu’l Qiyāmah zullen er martelaren worden opgewekt vanuit de moskee van al-ʿAshshār. Met uitzondering van hen zal geen andere groep samen met de martelaren van Badr worden opgewekt.” (Deze ḥadīth is ook door Abû Dāwud overgeleverd in het hoofdstuk al-Malāḥim onder nummer 4308.)
… (Volgens een zeer zwakke overlevering) van ʿAlī (رضي الله عنه), ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Er zal een stad worden gebouwd tussen de rivieren de Eufraat en Tigris. Daar zal de meest tirannieke heerser van de Abbasiden zich bevinden. Die stad is de stad az-Zawrā.
Daar zal een zeer bloedige strijd plaatsvinden: vrouwen zullen als krijgsgevangenen worden genomen en mannen zullen worden afgeslacht zoals schapen worden geslacht.”Volgens Abū Qays werd aan ʿAlī (رضي الله عنه) gevraagd: “O leider van de mu’mins, heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deze stad de naam az-Zawrā gegeven?”Hij antwoordde: “De strijd zal in dat gebied plaatsvinden en zal daar voortduren totdat deze eindigt.”(Al-Khatīb al-Baghdādī heeft deze overlevering vermeld in zijn werk Tārīkh (1/38-39). De ḥadīth is zeer zwak qua isnād. In de keten bevindt zich Jaʿfar b. al-Munādī, en al-Khatīb al-Baghdādī heeft duidelijk vermeld dat hij zeer zwak is.)
ʿArṭah b. Mundhir zei: “Toen Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) en Ḥudhayfah b. al-Yamān (رضي الله عنه) samen aanwezig waren, vroeg iemand aan Ibn ʿAbbās: “Geef mij uitleg over de āyāt Ḥā Mīm, ʿAyn, Sīn, Qāf (Shūrā 1-2).”Ibn ʿAbbās wendde zich van hem af. De man herhaalde zijn vraag drie keer, maar telkens wendde Ibn ʿAbbās zich af en wilde geen antwoord geven.Daarop zei Ḥudhayfah (رضي الله عنه): “Ik zal jou de uitleg ervan geven, want het lijkt erop dat je niet zult ophouden met vragen. Deze āyah heeft betrekking op een man uit de nakomelingen van Ibn ʿAbbās. Zijn naam zal ʿAbdul-Ilāh of ʿAbdullāh zijn. Hij zal zich vestigen bij een rivier in het oosten. Op die rivier zullen twee steden worden gebouwd. De rivier zal tussen deze steden door stromen en hen van elkaar scheiden. Wanneer Allāh wil dat hun heerschappij vernietigd wordt en hun staat ten einde komt, zal Hij in de nacht een vuur naar één van deze steden sturen. Tegen de ochtend zal alles veranderd zijn in zwarte as.
Het vuur zal de stad volledig verwoesten, alsof daar nooit eerder een stad of nederzetting heeft bestaan.”De eigenaar van die plaats zal in de ochtend in verbijstering verkeren en zeggen: “Hoe is dit zo geworden?” Op die dag, bij het aanbreken van de ochtend, zal iedere tirannieke persoon zich daar verzamelen. Vervolgens zal Allāhu (سبحانه وتعالى) hen en dat gebied in de aarde doen verzinken. Dit is de uitleg van de āyāt “Ḥā Mīm, ʿAyn, Sīn, Qāf”. Dit behoort tot de vaststaande besluiten van Allāh, een beproeving en een oordeel.Daarom betekent “Ḥā Mīm” dat hetgeen zal gebeuren, onvermijdelijk zal plaatsvinden.“ʿAyn” betekent dat dit zal plaatsvinden als een vorm van Zijn rechtvaardigheid.“Sīn” betekent dat het zeker zal gebeuren.“Qāf” betekent dat deze gebeurtenis zich uitsluitend in deze twee steden zal voordoen.(Al-Khatīb al-Baghdādī, Tārīkh, 1/40; Nuʿaym b. Ḥammād, al-Fitan, 568, 886; Ibn Jarīr at-Tabarī, Tafsīr, 25/6. Dit is een zwakke overlevering qua isnād.)
Deze uitleg wordt ook ondersteund door een soortgelijke overlevering van Jarīr b. ʿAbdullāh al-Bajalī (رضي الله عنه), die zei dat hij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hoorde zeggen: “Er zal een stad worden gebouwd op de plaats die Tigris, Dujayl, Qutrbil en Sarat wordt genoemd. Alle tirannen op aarde zullen zich daar verzamelen, en ook de schatten zullen daarheen worden gebracht. Deze schatten zullen daar in de aarde worden verzonken.”In een andere overlevering staat: “Samen met de inwoners van die stad zullen zij in de aarde worden verzonken.” Dit zal zo snel gebeuren dat het sneller zal zijn dan het in de grond slaan van een ijzeren pin in zachte aarde.
(Al-Khatīb al-Baghdādī, Tārīkh, 1/28-30; ad-Dānī, as-Sunan al-Wārida fī al-Fitan, p. 350, 469; al-Muḥammalī, Amālī, p. 385; Ibn ʿAdī, al-Kāmil, 4/71; al-ʿUqaylī, ad-Ḍuʿafāʾ, 2/348, 3/16. Deze overlevering is zeer zwak.)
Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) zei dat ʿAlī b. Abī Tālib (رضي الله عنه) via deze kennis op de hoogte was van alle komende fitan.
Volgens al-Qushayrī en al-Thaʿlabī werd overgeleverd dat wanneer deze āyah werd geopenbaard, het gezicht van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) veranderde. Toen hem werd gevraagd: “O Rasûlullāh, wat maakt u verdrietig?” Hij zei: “De opeenvolgende āyāt hebben mij geïnformeerd over mijn ummah: dat zij zullen worden verzwolgen door de aarde, door fitan heen en weer geslingerd zullen worden, en dat een vuur hen zal verzamelen, en een wind hen naar de zee zal drijven. Ook de afdaling van ʿĪsā (عليه السلام) en de verschijning van de Dajjāl. Er werden mij āyāt (buitengewone gebeurtenissen) aangekondigd die elkaar opvolgen behoren hiertoe.”(Er is geen betrouwbare parallel gevonden; al-Thaʿlabī vermeldt iets soortgelijks in zijn tafsīr. Al-ʿUqaylī vermeldt dit in ad-Ḍuʿafāʾ.)Deze bewoordingen zijn afkomstig van al-Thaʿlabī.
De eerder genoemde ḥadīth over az-Zawrā: …VanʿAlī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Maar zijn ondergang zal plaatsvinden door de Sufyānī’s. Bij Allāh, het is alsof ik hen zie: hun muren zijn ingestort en hun gebouwen veranderd in ruïnes.”(Al-Khatīb al-Baghdādī vermeldt dit in Tārīkh, 1/38, maar deze overlevering is verzonnen. Volgens ad-Dāraqutnī bevat de keten een overleveraar die aḥadīth verzon op naam van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).)
Ibn Wahb vermeldt een overlevering van ʿAbdullāh b. ʿAmr b. al-ʿĀṣ (رضي الله عنهما). Aan ʿAbdullāh b. ʿAmr b. al-ʿĀṣ werd in Alexandrië gezegd: “De mensen zijn in paniek.”Daarop vroeg hij zijn zwaard en zijn paard. Op dat moment kwam een man en zei: “Waar komt deze angst en paniek vandaan?” Hij antwoordde: “Er werden schepen gezien vanuit de richting van Cyprus.”Daarop zei de man: “Laat mijn paard los.”De overleveraar zegt: wij zeiden tegen hem: “Moge Allāh je leiden, de mensen zijn al op oorlogspad, wat ben jij van plan te doen?”Toen zei de man: “Dit is geen oorlog die in Alexandrië wordt uitgevochten. Zij zullen alleen komen vanuit de Maghreb, uit de regio Antablus. Eerst komen er honderd, daarna nog eens honderd, totdat hij dit aantal tot negenhonderd bleef tellen.” (Abû Nuʿaym ibn Hammād vermeldt dit in al-Fitan (1442), maar de overlevering is zwak qua isnād.)
Al-Wāʾilī Abū al-Naṣr vermeldt in zijn werk al-ʾIbāna:…Van Kaʿb: “Ik heb in het boek dat aan Mūsā b. ʿImrān werd geopenbaard gezien dat er shuhadā’ van Alexandrië zullen zijn. Zij zullen in de brede valleien van Alexandrië shahīd worden.
Zij zullen beter zijn dan zowel de vroegere als de toekomstige shuhadā’.” (Deze overlevering kon niet worden teruggevonden. De keten die de auteur vermeldt is zwak omdat daarin Ruşdīn b. Saʿd voorkomt, die zwak is in overlevering.)
Enkele termen uit de ḥadīth worden als volgt uitgelegd:
Ubullah/Baṣrah: deze naam werd gegeven vanwege de zachte, steenachtige bodem van die plaats.
Banu Qanturah: hiermee worden de Turken bedoeld. Volgens overleveringen was “Qanturah” een slavin van Ibrāhīm (عليه السلام). Uit haar zouden kinderen zijn voortgekomen, en uit deze afstamming zouden de Turken ontstaan zijn. Volgens een andere overlevering stammen zij af van Yafith, de zoon van Nūḥ (عليه السلام).
Zij waren verdeeld in verschillende groepen. Sommigen leefden in steden en forten, anderen in bergen, vlaktes en valleien. Hun voornaamste bezigheid was jagen. Sommigen zouden zelfs dieren eten door de halsslagader open te snijden en het bloed te roosteren en te eten. Zij zouden ook aasvogels zoals gieren en kraaien eten.
Zij zouden geen vaste religieuze overtuiging hebben; sommigen zouden het zoroastrisme volgen, anderen het jodendom aannemen. Hun koningen werden “hakan” genoemd. De hakan droeg zijden kleding en een gouden kroon. Hij verscheen zelden onder het volk en mengde zich niet met hen. Onder hen waren zeer wrede individuen, en tovenarij kwam veel voor. De meerderheid zou zoroastrisch zijn geweest. Kortom, zij worden allen gerekend tot de afstammelingen van de zonen van Yafith.
Volgens een andere overlevering zouden de Turken, of een deel van hen, oorspronkelijk afkomstig zijn uit de regio Himyar in Jemen. Er wordt zelfs gezegd dat zij overblijfselen zijn van het volk van Tubbaʿ. En Allāh weet het het beste.
Deze informatie wordt vermeld door Abū ʿUmar b. ʿAbd al-Bar in zijn werk al-ʾIbānah.
Hafiz Abū Nuʿaym overlevert van Samurah b.
Jundub (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Binnenkort zal Allāh jullie handen (landen) vullen met niet-Arabische volkeren. Daarna zal Hij hen maken als ontsnappende leeuwen; zij zullen jullie strijders doden en jullie bezittingen als buit nemen.”(Abū Nuʿaym, Ḥilya, 3/24-25; Aḥmad b. Ḥanbal, Musnad, 5/17, 21; al-Ḥākim, al-Mustadrak, 4/512, 519; al-Ṭabarānī, al-Kabīr, 6921; al-al-Bazzār, Musnad, 2370. De isnād is zwak; al-Dhahabī vermeldt dat Muhammad b. Ziyād in de keten iemand is wiens overleveringen niet in aanmerking worden genomen.)
7.7 De deugd van Shām: bescherming tegen oorlogsgevaren en een toevluchtsoord
Van Abū ad-Dardāʾ (رضي الله عنه),Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Terwijl ik sliep, zag ik in mijn droom dat de basiszuil van het boek onder mijn hoofd werd weggenomen. Ik dacht dat deze zou worden meegenomen, maar ik volgde het met mijn ogen en zag dat het naar Shām werd gebracht. Weet: wanneer fitan verschijnen, zal de īmān zijn toevlucht nemen tot Shām.”(De ḥadīth is ṣaḥīḥ volgens al-al-Bazzār in zijn Musnad (3332), zie ook: Aḥmad b. Ḥanbal, Musnad, 4/198; 5/199, 22076; Sahih al-Targhīb, 3094.)
Abū Bakr Aḥmad b. Sulaymān zegt dat met “de basiszuil van het boek” de fundamenten van de Islām worden bedoeld. Abū Muḥammad ʿAbd al-Ḥaq heeft gezegd dat deze ḥadīth ṣaḥīḥ is. De fitan die hier bedoeld worden kunnen de beproevingen zijn die zullen verschijnen ten tijde van de Dajjāl. En Allāh weet het het beste.
Hafiz Abū Muḥammad ʿAbd al-Ghanī b. Saʿīd overlevert … van ʿĀʾishah (رضي الله عنها),
“Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd wakker uit zijn slaap in een staat van angst, zeggend: ‘Innā lillāhi wa innā ilayhi rājiʿūn’ (istirjah): Wij behoren toe aan Allāh en tot Hem zullen wij terugkeren.
Ik vroeg: ‘Mijn vader en moeder mogen voor u worden opgeofferd, wat is er gebeurd?’
Hij zei: ‘De zuil van de Islām werd onder mijn hoofd weggenomen. Vervolgens volgde ik die met mijn ogen, en ik zag dat deze midden in Shām werd geplaatst.
Daarop werd tegen mij gezegd: ‘O Muhammad, Allāh heeft Shām voor jou uitgekozen. Daarin heeft Hij voor jou eer gevestigd, en tot een verzamelplaats (Mahshar) gemaakt en tot een oord van toevlucht en bezinning. Wanneer Allāh iemand goedheid wil schenken, laat Hij hem in Shām verblijven en geeft Hij daar zijn voorziening gegeven. En wie Hij kwaad wil, schiet Hij als een pijl uit zijn pijlkoker, en die pijl blijft in het midden van Shām hangen. Vervolgens werpt Hij die af, en niemand kan daaraan ontkomen, noch in deze wereld, noch in het Hiernamaals.
(Opmerking van de vertaler: Ibn Asakir heeft dit overgeleverd in zijn werk Tarikhu Dimashq (1/112).Zie: Kanzu’l-Ummal, 38226. Deze overlevering is echter zwak wat betreft de isnād.
In de keten van overleveraars bevindt zich Ibn Hattaf, die beschuldigd is van leugenachtigheid en als verworpen (matrūk) wordt beschouwd.
“Shām” is niet slechts de stad die de hoofdstad is van Syria. De naam van die stad is namelijk Dimashq, die door westerlingen Damascus wordt genoemd.In werkelijkheid is “Shām” een geografische benaming die het gehele gebied van Syrië omvat, evenals grote delen van Iraq, Jordanie en het zuidoostelijke deel van Turkiye.
Later is deze benaming ook gebruikt om specifiek de hoofdstad van Syrië aan te duiden, in plaats van Dimashq. In de overleveringen wordt met “Shām” echter niet deze specifieke stadsnaam bedoeld, maar de volledige geografische regio die onder deze benaming valt. Het is daarom juister om de term “Shām” in de overleveringen in deze bredere, geografische betekenis te begrijpen.)
Volgens een overlevering van Abdulmelik b. Habib zei hij: “Het is aan mij door iemand, die ik betrouwbaar acht, als ḥadīth overgeleverd dat Allāhu (سبحانه وتعالى), over Shām het volgende heeft gezegd: ‘Jij bent de plaats die Ik onder de plaatsen heb uitverkoren en verheven. Ik zal de besten van Mijn dienaren in jou doen verblijven. De Mahshar zal in jou plaatsvinden. Wie jou verlaat om aan jou te ontsnappen, dat is vanwege Mijn toorn op hem. En wie uit verlangen naar jou tot jou komt, die komt tot jou door een welbehagen van Mij.”
(Opmerking van de vertaler: Ik ben geen overlevering tegengekomen via Abdulmelik b. Habib in deze vorm. Vanwege deze isnād is de ḥadīth zwak. Al-Tabarani heeft deze ḥadīth overgeleverd in zijn werk Musnad al-Shamiyyin (611). Ook heeft Ibn Asakir dit vermeld in Tarikhu Dımashq (1/69) als een marfūʿ ḥadīth via Abdullah ibn Hawala. Door kleine verschillen in bewoording bestaan er variaties in de overlevering van deze ḥadīth.)
Van Abû Darda (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ten tijde van de grote oorlog zal het kamp en de toevlucht van de mu’mins zich bevinden in de omgeving van een plaats genaamd Dimashq, een van de voortreffelijkste steden van Shām, gelegen in een streek van tuinen en boomgaarden.”
(Abû Dāwūd, Kitāb al-Malāhim, 3298. Er wordt vermeld dat deze ḥadīth ṣaḥīḥ is.Ahmad ibn Hanbal, 21218.)
.. Van Abû al-Zahiriyah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De plaats waar de mu’mins zich zullen terugtrekken wanneer de grote oorlogen uitbreken, is Dimashq. Hun toevlucht wanneer zij vluchten voor strijders is Bayt al-Maqdis. En hun toevlucht om te ontsnappen aan Ya’jūj en Ma’jūj is Bayt al-Tūr..” (Ibn Abi Shaybah, al-Musannaf, 19447 en 32465. Deze overlevering is zwak (daʿīf) vanwege een mursal isnād.)
De auteur vermeldt dat deze ḥadīth ṣaḥīḥ is, omdat er meerdere overleveringen in dezelfde betekenis zijn, zoals later ook zal blijken.
7.8 Als er oorlog uitbreekt, zendt Allāh een leger uit ter bekrachtiging van Zijn dīn
Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer hevige oorlogen uitbreken, zal Allāh een leger sturen uit de mawālī (vrijgemaakte slaven/niet-Arabische moslims). Zij zijn de sterkste ruiters van de Arabische volkeren en de beste in wapengebruik. Allāh zal door hen Zijn dīn versterken.” (Ibn Mājah, 4090)
7.9 De vernietiging van Makkah al Mukarramah en Madīnah al Munawwarah
Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De woongebieden zullen in Madīnah uitbreiden tot aan de regio die Ihāb of Yahāb wordt genoemd.”
De overleveraar Zuhayr zei: Ik vroeg Suhayl: “Wat is de afstand van de plek die hier Ihāb of Yahāb wordt genoemd?”Hij antwoordde: “Het is een afstand van zo-en-zoveel mijl.” (Muslim, 2903/43)
Van `Abdullah ibn Umar (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “In de nabije toekomst zullen de moslims in Madīnah belegerd worden. Zij zullen zo dicht naderen dat de verst verwijderde grenspost van hen Salāh zal zijn.”
Al-Zuhri verklaarde dat de grenspost die “Salāh” wordt genoemd, de naam is van een plaats nabij Khaybar. (Abû Dāwūd, 4250. Er wordt vermeld dat deze ḥadīth ṣaḥīḥ is.)
Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), hij hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Er zal een tijd komen waarin de moslims Madīnah zullen verlaten in de beste staat waarin het zich bevindt. Er zal dan niemand in Madīnah achterblijven behalve roofdieren en vogels die op zoek zijn naar voedsel. Daarna zullen twee herders uit de stam Muzaynah met hun schapen naar Madīnah trekken. Wanneer zij aankomen, zullen zij Madīnah volledig verlaten aantreffen. Wanneer zij bij de heuvel van Thaniyyat al-Wadāʿ komen, zullen zij voorover vallen en dood neervallen.” (al-Bukhārī, Faḍā’il Madīnah, 1874; Muslim, 1389/499; imām Malik, 1643; Ahmad ibn Hanbal, 7153.)
Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik zeg met zekerheid dat er een dag zal komen, waarop de inwoners van Madīnah, Madīnah zullen verlaten, ondanks al het goede en alle weldaden waarin zij zich bevinden, en zij zullen het achterlaten aan roofdieren, wolven en vogels.” (Muslim, 1389/498. Deze overlevering komt alleen in Muslim voor.)
Van Hudhayfah ibn al-Yaman (رضي الله عنه): “Ik heb Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) alles horen informeren over wat er tot Yawmu’l Qiyāmah zal gebeuren. Alles wat er was, heb ik hem over gevraagd.
Alleen één ding heb ik niet gevraagd: waarom de inwoners van Madīnah Madīnah zullen verlaten.” (Abû Dāwūd Al-Tayalisi, 433; Ahmad ibn Hanbal, 14325; Amr ibn Shabbah, Tārīkh Madīnah, 633; Al-Hakim, 4/472; Ibn Mandah, al-Īmān, 996; Ibn Asakir, 12/266. Deze overlevering wordt als ṣaḥīḥ beschouwd wat betreft de isnād.)
Van Abû Hurayra (رضي الله عنه), hij zei: “Zeker zullen de inwoners van Madīnah in twee groepen vertrekken: een deel in rijkdom en arrogantie, en een deel nadat zij hun bezit verloren hebben. Er werd hem gevraagd: ‘Wie zal hen uit Madīnah verdrijven?’Hij antwoordde: ‘Slechte bestuurders.” (Abû Zayd Amr ibn Shabbah, Tārīkh Madīnah, 622; Ibn Abd al-Bar, al-Tamhīd, 24/124. Deze ḥadīth is zwak qua isnād.)
… Van Jābir ibn `Abdullah (رضي الله عنه), Umar ibn al-Khattab (رضي الله عنه) was op de preekstoel (mimbar) en zei: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De inwoners van Madīnah zullen Madīnah verlaten, vervolgens zullen zij terugkeren en het opnieuw bevolken totdat het volledig gevuld is. Daarna zullen zij opnieuw vertrekken en er nooit meer naar terugkeren.” (Abû Zayd Amr ibn Shabbah, Tārīkh Madīnah, 641. Deze ḥadīth is zwak qua isnād.)
Van Abû Sa`īd al-Khudri (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Zeker zullen de inwoners van Madīnah uit Madīnah worden verdreven, daarna zullen zij er opnieuw er naar terugkeren. Vervolgens zullen zij opnieuw worden verdreven en er nooit meer naar Madīnah terugkeren. Bij hun vertrek zullen zij hun beste voedsel achterlaten.
Er werd gevraagd: ‘Wie zal dat achtergelaten voedsel eten?’ Hij zei: ‘Vogels en roofdieren zullen het eten.” (Abû Zayd Amr ibn Shabbah, Akhbaru’l Madīnah, 6329. Deze ḥadīth is heel zwak qua isnād.)
Van Abû Hurayra (رضي الله عنه) zei: “Bij Degene in Wiens hand mijn leven is, er zal zeker een grote oorlog in Madīnah plaatsvinden die alles wegveegt en kaal maakt. En met ‘kaal maken’ bedoel ik niet haar verwijderen, maar het wegvegen van het geloof (dīn). Daarna zullen zij iedereen uit Madīnah verdrijven, al is het over een afstand van een mutsā (zelfs over een zekere afstand die men normaal als ‘reis’ beschouwt).” (Abû Zayd Amr ibn Shabbah, Akhbaru’l Madīnah, 629. Deze ḥadīth is ḥasan qua isnād.)
Volgens een overlevering van Shaybani: “Alle vaandels en vlaggen in Madīnah zullen blijven staan op hun belangrijke posten, maar alle gebouwen zullen in ruïnes veranderen.”
Van Abû Hurayrah, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “In de eind der tijden (Akhirah) zal de Kaʿbah door twee dunbenige mannen uit Abessinië worden verwoest.” (al-Bukhārī, 1591,1596; Muslim, 2909/57-59)
Van Ibn Abbas (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik zie het voor me alsof ik een donkere man uit Abessinië zie, met een vreemde gang, grote voeten en een krachtig lichaam, die de Kaʿbah afbreekt terwijl hij de stenen één voor één uit de muur verwijdert.” (al-Bukhārī,1595)
In een lange overlevering van Hudhayfa ibn al-Yaman (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik zie als het ware een Abessijn met dunne benen, blauwe ogen, een platte neus en een grote buik, samen met zijn metgezellen, terwijl zij de stenen van de Kaʿbah één voor één losbreken en van hand tot hand doorgeven en in de zee werpen.”
(Ik heb deze ḥadīth niet kunnen terugvinden.
Echter heeft Badr al-Din al-`Ayni deze in zijn werk ʿUmdat al-Qārī (9/233) vermeld, toegeschreven aan Ibn al-Jawzi.)
In een lange overlevering van Abû’l-Faraj İbnu’l-Jawzi, Abû Ubayd al-Qasim ibn Sallam overlevert van Ali ibn Abi Talib (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Verricht veel ommegang (tawāf) om dit Huis (de Kaʿbah) voordat er een barrière tussen jullie en haar wordt geplaatst. Ik zie het alsof ik een Abessijn zie met een klein hoofd, een lange nek, kleine oren en dunne benen, terwijl hij op de Kaʿbah zit en haar vernietigt.” (Abû Ubayd al-Qasim ibn Sallam heeft dit vermeld in Ghara’ib al-Hadith (3/454); Nuaym ibn Hammad in al-Fitan (1874); Al-Fakihi in Akhbar Makkah (313); en Al-Azraqi in Akhbar Makkah (1/276). De isnād wordt als ṣaḥīḥ beschouwd.)
Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Tussen de Rukn (hoek met de Zwarte Steen) en de Maqām (de standplaats van Ibrāhīm عليه السلام) zal aan een man de eed van trouw (bayʿah) worden afgelegd. De eerste mensen die de heiligheid van dit Huis zullen schenden, zullen de inwoners zelf zijn. Wanneer zij de heiligheid ervan schenden, vraag niet meer of de Arabieren zullen vergaan of niet! Daarna zullen de Abessijnen komen om de Ka`bah te vernietigen. Zij zullen het zo zwaar verwoesten dat niemand het ooit nog zal kunnen herstellen. En zij zijn degenen die de schat ervan zullen blootleggen.” (Dit is een ṣaḥīḥ overlevering. Abû Dāwūd Al-Tayalisi heeft dit overgeleverd in zijn Musnad (2337; 2373); ook Ahmad ibn Hanbal in zijn Musnad (2/291, nr. 7850); en Ibn Hibban in zijn Sahih, in de sectie Tārīkh (3/69, nr. 6788)
Al-Ḥalīmī vermeldt in zijn werk hierover dat dit zal plaatsvinden in de tijd van ʿĪsā ibn Maryam (عليه السلام). In die periode zal iemand tot hem komen met het bericht dat een Abessijn zich richting het Huis van Allah heeft begeven om het te vernietigen. Daarop zal ʿĪsā (عليه السلام) acht of negen mannen uit het volk voor deze zaak uitzenden.
Abû Hamid al-Ghazali schrijft in zijn boek Manāsik al-Ḥajj: “Er zal geen dag voorbijgaan waarin de zon ondergaat zonder dat een van de abdāl* ommegang om de Kaʿbah heeft verricht. En er zal geen nacht aanbreken zonder dat een van de awtād** ommegang om de Kaʿbah heeft verricht. Wanneer hun tawāf ophoudt, zal dat een oorzaak zijn voor het opheffen van de Kaʿbah van de aarde.”
(* Abdāl: een groep bijzondere, vrome mensen die volgens sommige tradities altijd op aarde aanwezig zijn en elkaar vervangen.
**Awtād: “steunpilaren/pinnen”, later gebruikt als term voor zeer vrome mensen die volgens sommige tradities een spirituele rol in de wereld hebben)
Daarna zullen de mensen gillen dat de Kaʿbah van de aarde is weggenomen, zonder dat er nog enig spoor van over is. Na dit voorval zullen er zeven jaar verstrijken zonder dat ook maar één persoon nog naar deze plek komt om Ḥaj te verrichten. Vervolgens zal de Qurʾān uit de muṣḥafs worden weggenomen. Wanneer de mensen ’s ochtends opstaan en in de muṣḥafs kijken, zullen zij slechts witte bladzijden zien zonder ook maar één enkele letter. Daarna zal de Qurʾān ook uit de harten worden gewist. Iedereen zal wat hij uit het hoofd kende vergeten zijn, en niemand zal ook maar één woord ervan herinneren. Vanaf dat moment zullen de mensen zich richten op poëzie, liederen en verhalen uit de tijd van de jāhiliyyah. Daarna zal de Dajjāl verschijnen, en ʿĪsā, zoon van Maryam (عليه السلام), zal neerdalen en de Dajjāl doden. Vervolgens zal de komst van de Qiyāmah zeer nabij zijn, alsof het een zwangere vrouw is die op het punt staat te bevallen.
“Verricht veel tawāf rond dit Huis voordat het van de aarde wordt weggenomen.
Want dit Huis is twee keer verwoest en zal de derde keer van de aarde worden verwijderd.” ( Het wordt vermeld dat deze overlevering ṣaḥīḥ is. Ibn Khuzaymah heeft het in zijn Ṣaḥīḥ (2506) opgenomen; Ibn Hibban in zijn Ṣaḥīḥ (6753); Al-Hakim in al-Mustadrak (1/441); en Abû Nuaym in Tabaqāt al-Muḥaddithīn bi Isbahān (3/557)
De auteur (van dit boek) (رَحِمَهُ اللهُ) vermeldt vervolgens: er wordt overgeleverd dat de vernietiging van de Kaʿbah zal plaatsvinden nadat de Qurʾān uit de harten van de mensen is verwijderd en uit de muṣḥafs is gewist. Dit zal plaatsvinden na de dood van ʿĪsā (عليه السلام). Volgens de sterkere mening is dit ook de juiste volgorde, zoals later wordt uitgelegd.
Zoals in de ṣaḥīḥ overleveringen vaststaat, zal de oorspronkelijke oproep en aantrekkingskracht uiteindelijk naar Madīnah zijn: mensen zullen worden aangespoord om daarheen te gaan en zich daar te vestigen.
Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er zal een tijd komen waarin iemand tegen zijn neef of een naaste zal zeggen: ‘Kom, laten we naar een plaats gaan waar meer overvloed/rijkdom is.’ Als zij het wisten, zou Madīnah voor hen beter zijn. Bij Degene in Wiens hand mijn ziel is: wie Madīnah verlaat omdat hij het niet prettig vindt, Allāh zal iemand brengen die beter is dan hij om hem te vervangen. Madīnah is als een smidsbalg: het verdrijft het slechte eruit, zoals een smidsbalg het vuil en de roest uit ijzer verwijdert. En dit zal zo doorgaan totdat de Qiyāmah aanbreekt, totdat Madīnah de slechte mensen eruit heeft verdreven.” (Muslim, 1381/487; al-Bukhārī, 1871)
Van Sa'd ibn Abi Waqqās (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie de bewoners van Madīnah schade wil toebrengen, die zal Allāh doen wegsmelten en laten verdwijnen, zoals zout oplost in water.” (Muslim,1387/494)
Een vergelijkbare overlevering is ook overgeleverd van Abû Hurayrah (رضي الله عنه). Er bestaan veel soortgelijke overleveringen. Deze ḥadīth is echter apart van de eerder genoemde overlevering.
Wanneer dergelijke overleveringen naast elkaar worden geplaatst, kan het lijken alsof er een tegenstrijdigheid is, maar dat is niet zo. In werkelijkheid gaat het bij de aansporing om in Madīnah te blijven vaak om tijden waarin andere gebieden worden veroverd en mensen daarheen trekken vanwege wereldse voordelen.
Zoals overgeleverd van Sufyān ibn Abi Zuhayr (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Yemen zal worden veroverd. Een groep van de veroveraars zal uit Madīnah vertrekken en samen met hun families en volgelingen (naar het veroverd gebied) verhuizen. Als zij het wisten, zou Madīnah beter voor hen zijn.
Daarna zal Shām worden veroverd een groep van de veroveraars zal uit Madīnah vertrekken en samen met hun familes en volgelingen (naar het veroverd gebied) verhuizen. Als zij het wisten, zou Madīnah beter voor hen zijn.Daarna zal Irak worden veroverd, een groep van de veroveraars zal uit Madīnah vertrekken en samen met hun families en volgelingen (naar het veroverd gebied) verhuizen. Als zij het wisten, zou Madīnah beter voor hen zijn”.(al-Bukhārī, 1875; Muslim ibn al-Hajjaj, 1388/497; Malik ibn Anas, 1642)
De muḥaddithūn (hadithgeleerden) hebben deze overlevering doorgegeven, en de formulering die hier wordt gebruikt is die van imām Muslim.
Wanneer bekend wordt dat mensen Madīnah verlaten om zich in andere veroverde gebieden te vestigen, heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) juist aangemoedigd om in Madīnah te blijven en zich daar te vestigen.
Want Madīnah is het hoofdkwartier van de openbaring en het leven van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft zich hier afgespeeld. Zijn metgezellen waren daar met hem tijdens zijn leven en konden zijn gezegende gezicht zien. Na zijn overlijden bevindt zijn gezegende lichaam zich daar, en zijn meest waardevolle en belangrijkste werken en sporen zijn daar zichtbaar.
Daarom zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Wie in Madīnah geduld toont met de moeilijkheden en lasten ervan, voor hem zal ik op Yawmu’l Qiyāmah zeker voorspraak (shafā`ah) doen en getuige zijn.” (Muslim, 1377/482; Al-Tirmidhi, 3918, 3924; Ahmad ibn Hanbal, 7805)
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft ook gezegd: “Wie de mogelijkheid vindt om in Madīnah te sterven, laat hem dat dan nastreven. Want ik zal voorspraak doen voor degenen die in Madīnah sterven.” (Al-Tirmidhi, 3917; Ibn Majah, 3112; Ahmad ibn Hanbal, 5414)
Daarna veranderen de omstandigheden: wanneer fitnah en angst zich overal verspreiden, is het niet verwerpelijk om Madīnah te verlaten. In zulke situaties kan vertrek zelfs iets goeds zijn.
Wat betreft de ḥadīth over degene die “kwaad wil doen aan de mensen van Madīnah” (Muslim, 1387/89; Ibn Hajar al-Asqalani, Fath al-Bari, 4/112. Deze overlevering wordt in Fath al-Bari vermeld in de uitleg van ḥadīth nr. 1877. Ibn Majah, 3114; Ahmad ibn Hanbal, Musnad, 1561, 7428), dit wordt begrepen in de context van de periode waarin Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nog in leven was.
In een andere overlevering staat: “Niemand verlaat Madīnah uit afkeer ervan, of Allāh vervangt hem door iemand die beter is dan hij.” (Ahmad ibn Hanbal, 403 en 465; Al-Bazzar, 1186; Abû Ya'la, 5943; Majmaʿ al-Zawaʾid (3/301), waar Al-Haythami vermeldt dat de overleveraars van Al-Bazzar betrouwbaar zijn zoals die van de Ṣaḥīḥ)
Na het overlijden van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn er inderdaad metgezellen geweest die Madīnah hebben verlaten, maar Allāh heeft in plaats van hen geen mensen naar hier gevestigd die veel beter zijn dan deze. Daarom wordt deze betekenis vooral gekoppeld aan de periode waarin an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) nog leefde.
Allāh heeft degenen die Madīnah verlieten uit onvrede, altijd vervangen door steeds betere mensen naar Zijn Rasul gezonden. Dit punt is overigens zeer duidelijk. De uitspraak in de ḥadīth “die zal Allāh doen wegsmelten en laten verdwijnen” kan ook figuurlijk worden begrepen, als een verwijzing naar vernietiging of straf in dit wereldse leven. Dit is ook zichtbaar geworden in de geschiedenis: degenen die Madīnah vijandig benaderden, werden soms zwaar getroffen.
Een voorbeeld hiervan is Muslim ibn `Uqbah. De inwoners van Madīnah kwamen tegen hem in opstand. Toen hij op weg was naar Makkah om tegen `Abdullah b. Zubayr (رضي الله عنهما) te strijden en Madīnah verliet, werd hij door Allāh getroffen. Hij kreeg een zware, ondraaglijke ziekte: door een gele vloeistof die zich in zijn buik vormde, overleed hij drie dagen later op de plaats Qadid, kort na deze gebeurtenis.
Volgens imām at-Tabarī is deze persoon drie dagen na dit voorval gestorven op een bergachtige plek genaamd Harashî. Harashî is een berg in de regio Tihāmah, gelegen nabij al-Juhfah, op de route tussen Shām en Madīnah. Het ten onder gaan van Muslim ibn `Uqbah door ziekte vertoont gelijkenis met de dood van Yazid ibn Muawiyah.
Ook hij stierf ongeveer drie maanden nadat hij de inwoners van Madīnah, het heilige gebied (ḥaram), had aangevallen, waarbij de achtergebleven Muhājirūn en Anṣār werden gedood en de Kaʿbah in brand werd gestoken.
De oorzaak van zijn dood was een ziekte, namelijk difterie en een ontsteking in de borst. Hij overleed halverwege de maand Rabīʿ al-Awwal in Huwwarīn, een plaats nabij Ḥimṣ. Zijn lichaam werd vervolgens naar Dimashq (Shām) gebracht. Volgens sommige overleveringen leidde zijn zoon Khālid de salāh al-janazah, maar volgens de historicus Al-Masudi heeft zijn zoon Muʿāwiyah het verrichtte. Daarna werd hij begraven op de begraafplaats Bāb aṣ-Ṣaghīr. Hij was 73 jaar oud en regeerde drie jaar, acht maanden en twaalf dagen.
ToelichtingEen deel van de inwoners van Madīnah bestond uit de oorspronkelijke bewoners of hun nakomelingen. Ook zij waren, net als degenen vóór hen, mensen van goedheid; zoals Madīnah eerder een stad was die standvastig op het goede bleef, zo waren ook de latere generaties die daarna kwamen, mensen die op het goede bleven. Wat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hierover had gezegd, werd werkelijkheid. Na Rasûlullāhs (صلى الله عليه وسلم) overlijden werd Madīnah het centrumen de bron van het kalifaat. Het was uitgegroeid tot een vesting waar mensen naar verlangden: een plek waar zij bescherming zochten en zich wilden vestigen. Daarom stroomden mensen massaal toe om zich in Madīnah te vestigen. Zo werd Madīnah geleidelijk een steeds verder uitdijend woongebied. Zelfs degenen die eerder niet in deze regio woonden, kwamen erheen en vestigden zich daar.
Hier begonnen zij te verbouwen en handel te drijven. Zij bouwden huizen en maakten de stad steeds sterker. Madīnah breidde zich zo ver uit dat haar grenzen reikten tot een gebied dat Ihāb werd genoemd.
Toen Madīnah, onder deze omstandigheden, de mooiste positie en het hoogste punt van volmaaktheid bereikte, begonnen de omliggende gebieden te verarmen.
Bedoeïenen begonnen hun invloed te laten gelden, en er ontstonden onrust en fitnah. De inwoners van Madīnah raakten bezorgd, wat uiteindelijk leidde tot migratie uit Madīnah. Het centrum van het kalifaat werd daarna verplaatst naar Shām.
Yazīd stuurde vervolgens een groot leger, dat uit de bevolking van Syrië (Shām) was samengesteld, onder leiding van Muslim ibn `Uqbah al-Mizzī naar Madīnah. In het gebied van al-Ḥarrah Wāqim: een regio/veld aan de oostkant van Madīnah) vond een hevige strijd plaats, waarbij een groot deel van de inwoners van Madīnah werd gedood. Nadat de stad was ingenomen, gaf Muslim ibn `Uqbah zijn leger drie dagen de plundering ervan vrijelijk toegelaten met betrekking tot de levens, eer en bezittingen van de bevolking. Daarom werd dit bekend als de gebeurtenis van al-Ḥarrah, de naam die verwijst naar ‘Ḥur’ (het vrijelijk) toestaan van alles gedurende die dagen.
Daarom spreekt de dichter als volgt:
“Ook al hebt u ons op de dag van al-Ḥarrah onrechtvaardig gedood,wij zullen in Wāqim de eersten zijn die voor de Islām zijn gestorven.”
Ḥarrah gebeurtenis vond plaats in het jaar 63 na de Hidjrah, op een woensdag, twee dagen voor het einde van Dhū al-Ḥijjah, in een gebied dat bekendstaat als Ḥarrat Zuhrah, nabij een plaats genaamd Wāqim, op ongeveer een mijl afstand van de moskee van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).
Onder de slachtoffers bevonden zich ongeveer 1700 mensen uit de overgeblevenen Muhājirūn, de Anṣār en de meest vooraanstaande Tābiʿūn. In totaal liep het aantal doden, afgezien van vrouwen en kinderen, op tot in de tienduizenden. Onder hen bevonden zich ook ongeveer 700 geleerden en ḥuffāẓ, allen uit de Quraysh, van wie 97 openlijk onder marteling en zware onderdrukking werden gedood.
Imām al-ḥāfiẓ Abū Muḥammad ibn Ḥazm (رحمه الله), uit de vierde kennisgraad zegt: “Paarden zwierven rond in de moskee van Rasûlullāh.
Deze paarden deden hun behoefte tussen de plaats van het graf van Rasûlullāh en zijn mimbar.”
Moge Allāh de eer en waardigheid van de moskee behouden en ervoor zorgen dat zulke mensen haar nooit meer onder hun voeten vertrappen.
Muslim ibn ʿUqbah dwong de bevolking van Madīnah om trouw te zweren aan Yazīd, onder het voorbehoud dat zij diens slaven zouden zijn, met de mogelijkheid dat Yazīd hen zou vrijlaten of verkopen wanneer hij wilde. Yezīd ibn ʿAbdullāh ibn Zamʿa (رضي الله عنه), die hen eraan herinnerde dat zo’n gedwongen eed volgens de Qur’ān en de Sunnah niet correct was, werd onmiddellijk gearresteerd en op bevel gedood door onthoofding.
Volgens de overleveringen van de historici bleef er na deze wrede oorlog en bezetting niemand meer over in Madīnah. Vanaf dat moment werden de tuinen, boomgaarden en landbouwgronden van Madīnah overgelaten aan wilde dieren, vogels en zwervers en bedelaars. Zoals Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had aangekondigd, vonden deze gebeurtenissen plaats. En opnieuw, zoals Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had gezegd, zullen de mensen uiteindelijk weer terugkeren naar Madīnah, maar dan zal Madīnah leeg zijn, zonder bewoners. In een dergelijke periode zullen honden hun plaats innemen in de straten en op de muren van de moskee. En Allāh weet het het beste.
Abū Zayd ʿUmar ibn Shabbah zegt, overgeleverd via Ṣafwān van Shurayḥ ibn ʿUbayd: hij las in een boek dat in de Kaʿbah was, daarin stond dat er een grote ramp over de bewoners van Madīnah zal komen. De mensen van Madīnah zullen in paniek, angstig, vernederd en veracht hun stad verlaten. Bovendien zullen katten op zijden, fluwelen stoffen urineren op een manier waarbij niets gespaard blijft, en er zal niemand zijn die hen afschrikt of wegjaagt. Vossen zullen vrij door de straten van Madīnah rondlopen, zonder dat er iets is dat hen angst aanjaagt of wegjaagt.
(Abū Zayd ʿUmar ibn Shabba draagt deze informatie over uit het boek Tārīkh al-Madīna (p. 637).
Hij vermeldt dat hij een boek van Kaʿb al-Aḥbār heeft gelezen. De genoemde Shurayḥ heeft Kaʿb al-Aḥbār echter niet ontmoet.)
Wat betreft de overlevering over de twee herders: “Toen de twee herders bij de heuvel Saniyyat al-Wadāʿ in de omgeving van Madīnah aankwamen, vielen zij voorover en stierven beiden,” zeggen onze geleerden dat dit zal plaatsvinden aan het Einde der Tijden, wanneer de wereld ten onder gaat. Dit wordt ook als bewijs aangevoerd, zoals dit in deze ḥadīth van al-Bukhārī wordt vermeld.
In de betreffende ḥadīth staat: “Wanneer zij bij de heuvel van Thaniyyat al-Wadāʿ komen, zullen zij voorover vallen en dood neervallen.” Volgens een andere uitleg betekent dit dat zij de laatste twee personen zullen zijn die sterven en vervolgens worden verzameld. Want de verzameling (ḥashr) vinden pas plaats na de dood. Over ḥashr kan niet worden gesproken vóór de dood. Een andere interpretatie is dat hun dood het laatst plaatsvindt, waardoor ook hun ḥashr in die zin wordt uitgesteld.
Dāwūdī, Abū Jaʿfar Aḥmad ibn Naṣr, zegt in zijn uitleg van Ṣaḥīḥ al-Bukhārī:
“De genoemde twee herders waren op zoek naar een grasland waar zij hun schapen konden laten grazen.”
Seniyyat al-Wadāʿ is de heuvel die het dichtst bij Madīnah ligt in de richting van Makkah. Het “voorover op de grond vallen” betekent dat zij stierven en neervielen bij het blazen van de eerste Sûr (Bazuin). Met de uitdrukking “de laatsten die zullen worden verzameld (ḥashr)” wordt bedoeld dat deze twee personen zich bevonden in het verst gelegen gebied ten opzichte van Madīnah.
Want deze twee personen bevonden zich in de richting van degenen die in Madīnah tot leven zouden worden gewekt. Of de betekenis is dat niet dat sommige mensen achtereenvolgens uit hun graven zullen opstaan en elkaar zullen volgen, waarbij zij in korte opeenvolging uit hun graven tevoorschijn komen. Allāhu (سبحانه وتعالى), zegt immers:
إِن كَانَتۡ إِلَّا صَيۡحَةٗ وَٰحِدَةٗ فَإِذَا هُمۡ جَمِيعٞ لَّدَيۡنَا مُحۡضَرُونَ ٥٣
Het zal maar één enkele kreet zijn, zie dus! Zij zullen allen voor Ons worden gebracht! (Yā-Sīn, 36:53)
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Alle mensen zullen sterven. Op Yawmu’l Qiyāmah zal ik de eerste zijn wiens graf op de aarde wordt geopend en die naar buiten komt. En wat zie ik? Mūsā (عليه السلام) staat al, zich vasthoudend aan de pilaren van de Troon (`Arsh). Was hij eerder tot bewustzijn gekomen dan ik, of behoort hij tot degenen die Allāh heeft uitgezonderd? Dat weet ik niet.”(al-Bukhārī (2412, 398, 6518), Muslim (2373/160), Abū Dāwūd (4671), at-Tirmiḏī (3245), Aḥmad ibn Ḥanbal (27229)
Onze leraar Abū al-ʿAbbās al-Qurṭubī zegt: “Het is mogelijk dat de betekenis is dat zij de laatsten zijn die in Madīnah worden verzameld of daarheen worden gebracht. In Ṣaḥīḥ Muslim staat dit ook zo vermeld.”
De auteur (رَحِمَهُ اللهُ) zegt dat Ibn Shabbah dit onderwerp op een andere manier heeft vermeld, los van al deze overleveringen. Volgens wat deze persoon via Ḥudhayfa ibn al-`Usayd heeft overgeleverd van Ḥudhayfah ibn al-Yamān (رضي الله عنه), hij zei: “De laatsten die zullen worden verzameld, zijn twee mannen uit de stam Muzaynah. Zij zullen rondkijken en zien dat er niemand meer over is. Dan zullen zij tegen elkaar zeggen: ‘We zien niemand in onze omgeving. Laten we naar die en die familie gaan om te zien wat er gebeurt.’”
Zij gaan op weg, maar vinden daar niemand. Daarna zeggen zij: “Laten we naar Madīnah gaan.” Ook in Madīnah vinden zij niemand.
Vervolgens zeggen zij: “Laten we naar de woningen van Quraysh gaan bij al-Baqīʿ al-Gharqad.” Maar ook daar vinden zij geen mensen, alleen roofdieren en vossen.
Omdat zij nergens mensen aantreffen, zeggen zij: “Laten we naar Bayt al-Ḥarām gaan.” (ʿUmar ibn Shabbah, Tārīkh al-Madīnha, 639. Deze overlevering is qua isnād zwak.)
Abū Hurayra (رضي الله عنه) zegt: “De laatst verzamelde (ḥashr) personen zullen twee mannen zijn. Eén van hen zal uit de stam Juhaynah zijn en de ander uit de stam Muzaynah. Deze twee zullen elkaar vragen: ‘Waar zijn al deze mensen naartoe verdwenen?’ Daarom zullen zij naar Madīnah gaan, maar daar zullen zij niemand aantreffen. Alleen vossen zullen door de straten rondlopen. Op dat moment zullen twee engelen naar hen worden gestuurd. De engelen zullen hen met het gezicht naar de grond laten vallen, en zo zullen zij hen bij de rest van de mensen voegen.”
(Ibn Shabba vermeldt dit in Tārīkh al-Madīna, p. 626 — maar deze overlevering is zwak qua isnād.)
In de uitspraak die van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): “Er zal trouw (bayʿah) worden afgelegd aan een man tussen de Rukn en de Maqām,” wordt bedoeld dat deze man de Mahdī is, die aan het Einde der Tijden zal verschijnen zoals eerder beschreven, en over de hele wereld zal regeren. En Allāhu (سبحانه وتعالى), weet het het beste.
Volgens overleveringen rusten alle koninkrijken die in de wereld heersen, zijn in feite gebaseerd op vier koninkrijken. Twee daarvan behoren tot de mu’mins en twee tot de kāfirs. Het eerste mu’min koninkrijk is dat van Sulaymān (عليه السلام), de zoon van Dāwūd (عليه السلام). Het tweede is het rijk van Iskandar (Alexander)*. De twee kāfir koninkrijken zijn dat van Namrūd en dat van Buḫtunnaṣṣar.
En uit deze ummah zal een vijfde (mu’min koninkrijken) komen, namelijk de Mahdī.
[*: opmerking van de vertaler: uit de betrouwbare bronnen is niet af te leiden dat Alexander de Grote een moslim was.]
7.10 Al-Mahdī
De khaliefah die aan het Einde der Tijden zal verschijnen wordt de Mahdī genoemd. De tekenen van zijn komst worden in verschillende overleveringen vermeld:
Abû Nadrâ zei: Wij zaten bij Jābir ibn ʿAbdullāh (رضي الله عنهما), hij zei: “De tijd is nabij waarin er geen graan en dirhams meer naar de bevolking van Irak zullen worden gebracht volgens de maat van de kāfiz (een graanmaat).”
Wij vroegen hem: “Vanwaar, uit welke regio komt dit?”
Hij zei: “Dit zal komen vanuit de regio waar niet-Arabieren zich bevinden, want zij zullen dit verhinderen. De tijd is nabij waarin er geen belasting (dinār en mud) meer naar Shām zal worden gestuurd.”
Wij vroegen hem: “Waar komen deze belasting vandaan”.
Hij zei: “Deze belasting is een heffing die van de Romeinen (Rûm) komt.”
Daarna zei Jābir (رضي الله عنه) na een stilte dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd:
“In de laatste tijd van mijn ummah zal er een khaliefahah komen die rijkdom in grote hoeveelheden zal verzamelen en deze royaal uitdelen, zonder dat hij in staat zal zijn deze te tellen.”
De overleveraar zegt dat aan Abū Naḍra en Abū al-ʿĀlā werd gevraagd of dit de tijd van ʿUmar ibn ʿAbd al-ʿAzīz was. Zij antwoordden: “Nee, hij is het niet.” (Muslim, 2913/67; Ahmed b. Hanbel, 10629)
Van Ummu Salamah (رضي الله عنها), onze moeder, de echtgenote van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Er zal een meningsverschil ontstaan bij de dood van een khaliefah. Dan zal een man uit Madīnah vluchten en naar Makkah gaan. Sommige bewoners van Makkah zullen naar hem komen en hem, terwijl hij dat niet wil, dwingen om hun leider te worden. Tussen de Rukn en de Maqām zal men hem eed van trouw (bayʿah) afleggen. De machthebbers in Shām zullen daarop een leger sturen. Dit leger dat vanuit Shām vertrekt om Makkah aan te vallen, zal echter tussen Makkah en Madīnah in een gebied dat al-Baydāʾ wordt genoemd, door de aarde worden verzwolgen. Wanneer de mensen dit zien, zullen de rechtschapen dienaren in Shām, bekend als al-Abdāl, en de rechtschapen mensen in Irak, bekend als al-ʿAṣāʾib, naar Makkah komen en aan deze khaliefah bayʿah afleggen.
Daarna zal er een man uit Quraysh verschijnen, wiens ooms van moederszijde uit de stam Kalb komen.
Hij zal een macht verzamelen via zijn verwanten en die tegen hen inzetten. Maar de mensen uit Shām en Irak die de bayʿah hebben afgelegd, zullen de aanvalsstrijdmacht, die uit de stam Kalb is opgeroepen, verslaan en de overhand op hen verkrijgen. De ware en grootste spijt zal zijn bij degenen van de stam Kalb die geen deel kunnen nemen aan de buit die is achtergelaten door hun stamgenoten, nadat deze zijn verslagen door de troepen uit Shām en Irak die zich aan de zijde van de khaliefah hebben geschaard. Deze rijkdom zal onder de mensen worden verdeeld en er zal worden gehandeld volgens de praktijk die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bij zijn vertrek heeft achtergelaten. Daarna zal de Islām overal domineren. Deze khaliefah zal dit zeven jaar onder de mensen handhaven. In het zevende jaar zal hij overlijden en de moslims zullen zijn ṣalāh al-janāzah verrichten.” (Abū Dāwūd, 4286. Deze ḥadīth is echter zwak.)
Abû Shabbah overlevert… Van Abū Hurayra (رضي الله عنه), hij zei: “Er zal een leger uit Shām in Madīnah aankomen. Zij zullen iedereen doden die in staat is te vechten. Zij zullen de buiken van vrouwen opensnijden en zelfs de ongeboren kinderen doden, terwijl zij roepen: ‘Dood ook de slechte vruchten in hun buiken.’ Wanneer zij bij al-Baydāʾ in Dhū al-Ḥulayfah aankomen en zichtbaar worden, zal de aarde hen verzwelgen. De onderste zal naar de bovenste worden getrokken en de bovenste zal de onderste niet kunnen bereiken.”
Abū Miḥzam zegt: “Toen het leger van Ibn Duljah kwam, zeiden wij: dat zijn zij. Maar zij waren het niet.” (Ibn Shabbah, Tārīkh Madīnah, 628 en 574. Deze overlevering is echter zwak wat betreft de isnād.)
Ibn Shabbah overlevert …van Kaʿb al-Aḥbār (رضي الله عنه) zei: “O Hilāl, maak je klaar!”
Hilāl zegt: “Wij vertrokken en kwamen uiteindelijk aan in een gebied met struikgewas, op een plaats die Baṭn al-Muṣil wordt genoemd in al-ʿAqīq. In die tijd was daar nog steeds dat struikgewas aanwezig. Mijn metgezel zei tegen mij: ‘O Hilāl, waarlijk, ik zie de kenmerken van dit struikgewas in het Boek van Allāh.’
Ik vroeg: ‘Dit struikgewas?’
Wij daalden daar af, verrichtten de ṣalāh onder dat struikgewas en reden daarna weer op onze dieren verder.
Toen wij bij de hellingen van de plaats al-Baydāʾ kwamen, zei ʿAbd ar-Raḥmān tegen mij: ‘O Hilāl, ik zie hier de kenmerken van al-Baydāʾ.’
Ik zei tegen hem: ‘Je bevindt je al op al-Baydāʾ.’
Hij zei: ‘Bij Degene in Wiens hand mijn ziel is, ik weet uit het Boek van Allāh dat er een leger zal zijn dat van plan is het Huis van Allāh aan te vallen. Wanneer dit leger precies hier aankomt, zal de achterste van hen tegen de voorste zeggen: “Wees een beetje langzaam!” Daarna zal de aarde hen, hun spullen, hun bezittingen en hun kinderen tot aan Yawmu’l Qiyāmah verzwelgen.’
Wij gingen daarna verder tot wij bij ar-Rawḥāʾ aankwamen, waar wij onze dieren lieten rusten. Daar zei mijn metgezel weer: ‘O Hilāl, ik zie hier de kenmerken van ar-Rawḥāʾ.’ Ik zei: ‘Wij zijn ar-Rawḥāʾ binnengegaan.”(Ibn Shabbah, Tārīkh al-Madīna, 672, waarbij wordt opgemerkt dat de identiteit van Hilāl ibn Ṭalḥa al-Fihri niet duidelijk is en dat al-Bukhārī in al-Tārīkh al-Kabīr (5/272) vermeldt dat hij voorkomt onder de overleveraars van ʿAbd ar-Raḥmān ibn al-Ḥārith.)
ʿUmar ibn Shabbah overlevert …vanʿAbdullāh ibn ʿAmr (رضي الله عنه), hij zei: “Wanneer het leger bij al-Baydāʾ in de aarde wordt verzwolgen, is dat een teken van de verschijning van de Mahdī.” (Ibn Shabba, Tārīkh al-Madīna, 677) En hij vermeldt dat dit niet van Ibn ʿAmr maar van Ibn ʿUmar overgeleverd.)
Over de verschijning van de Mahdī zijn daarnaast nog twee andere tekenen vermeld. Met de wil van Allāh zullen deze ook worden genoemd.
De uitdrukking “na een stilte dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd…” duidt erop dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de waarheid heeft gesproken. Want Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft iets aangekondigd dat nog niet was gebeurd, maar in de toekomst zou plaatsvinden.
Een ander voorbeeld hiervan is de ḥadīth waarin wordt vermeld dat Irak de belasting niet meer zal sturen, noch in dirhams noch volgens de maat van de kāfiz. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft dit in de verleden tijdvorm verwoord. Dat komt doordat iets dat in de toekomst zal gebeuren, in het eeuwige weten van Allāh al als vaststaand en voltooid geldt. Zoals Allāhu (سبحانه وتعالى) in de Qur’aan zegt: أَتَىٰٓ أَمۡرُ ٱللَّهِ فَلَا تَسۡتَعۡجِلُوهُۚ سُبۡحَٰنَهُۥ وَتَعَٰلَىٰ عَمَّا يُشۡرِكُونَ ١
De beslissing van Allāh komt (zeker), probeer het dus niet te versnellen. Verheerlijkt en verheven is Hij boven alles wat zij als deelgenoten met Hem verenigen. (an-Naḥl, 16:1)
Zoals in de uitleg van deze ḥadīth wordt aangegeven, betekent de zin in wezen dat deze belastingen niet meer zullen komen. En Allāh weet het het beste.
De uitleg hiervan is dat zij daarna niet meer zullen gehoorzamen, maar zich zullen verzetten en in opstand komen, omdat zij zich van de Islām zullen afwenden. En wanneer zij zich afwenden van de Islām, zullen zij ook geen belasting (jizya) meer betalen. Dit zijn gebeurtenissen die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft aangekondigd, maar die nog niet in zijn tijd hadden plaatsgevonden; hij informeerde juist over wat in de toekomst werkelijkheid zou worden.
De verschijning van de Mahdī, het uitzenden van een leger tegen de Sufyānī’s en het wegzinken van dit leger in de aarde.
Van Ḥudhayfa ibn al-Yamān (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei, terwijl hij sprak over een fitnah tussen de mensen van het oosten en het westen: “Terwijl zij elkaar bestrijden door deze fitnah, zullen plotseling de Sufyānī’s uit een droge vallei verschijnen en zich in Damascus (Shām) vestigen. Zij zullen zich in twee groepen splitsen: een leger zal naar het oosten trekken en een ander naar Madīnah. Het leger dat naar het oosten trekt, zal de vervloekte stad binnenkomen die zich in de gebieden van Babel bevindt, en daar zullen zij zich vestigen.“
De overleveraar vervolgt: “Zij zullen daar meer dan drieduizend mensen doden. Zij zullen de eer van meer dan honderd meisjes/vrouwen schenden. Zij zullen driehonderd leiders van de Banū ʿAbbās doden. Daarna zullen zij daarvandaan vertrekken en zich richting Shām (Syrië) begeven.
Daarna zal vanuit Kūfah een leger vertrekken dat de vaandels van hidayah (leiding) in handen heeft, om het leger dat richting Syrië opgetrokken is aan te vallen. Zij zullen het vijandelijke leger binnen twee nachten inhalen en er zal een gevecht tussen hen plaatsvinden. Zij zullen hen allen doden, zonder dat er één persoon overblijft die zijn eigen mensen kan informeren.
Het leger uit Kūfah zal alle gevangenen die bij de vijand die zij bestreden hebben, bevrijden en ook de buit die zij in handen hebben, in beslag nemen.
Het tweede leger van de Sufyānī’s zal Madīnah binnengaan en het volledig verwoesten en alles in chaos achterlaten. Gedurende drie dagen en drie nachten zullen zij alles plunderen wat zich daar bevindt. Daarna zullen zij Madīnah verlaten en richting Makkah trekken.
Wanneer zij de plaats al-Baydāʾ bereiken, zal Allāhu (سبحانه وتعالى), Jibrīl (عليه السلام) naar hen sturen en zeggen: ‘O Jibrīl, ga en vernietig hen volledig.’ Jibrīl (عليه السلام) zal dan komen en met zijn voet op de aarde slaan, waarna de aarde zich zal opensplijten en hen zal verzwelgen.”
Dit āyah van onze Rab kondigt deze waarheid aan:
وَلَوۡ تَرَىٰٓ إِذۡ فَزِعُواْ فَلَا فَوۡتَ وَأُخِذُواْ مِن مَّكَانٖ قَرِيبٖ ٥١
En als jij hen zou zien, wanneer zij beven van angst, er zal dan voor hen geen ontkomen zijn en zij zullen van een nabije plaats gegrepen worden, (en dan zie jij de geweldige bestraffing). (Saba’, 34:51)
Van hen zullen slechts twee personen ontsnappen: één met de naam Bashīr en de ander met de naam Nadhīr, beiden uit de stam Juhaynah. Daarom wordt gezegd: “De absolute kennis (yaqīn) bevindt zich bij de Juhaynī.”
(Ibn Jarīr al-Ṭabarī, Tafsīr 22/127. Deze overlevering is zwak in isnād. Ook al-Khaṭīb al-Baghdādī vermeldt dit in Tārīkh (1/38).)
Een lange overlevering wordt ook toegeschreven aan Ḥudhayfa (رضي الله عنه) en vergelijkbaar aan Ibn Masʿūd (رضي الله عنه). Daarin staat ook:
“ʿUrwa ibn Muḥammad al-Sufyānī zal een leger sturen van 15.000 Perzen naar Kūfah. Ook zal hij een leger van 15.000 mannen sturen naar Makkah en Madīnah om tegen de Mahdī en zijn volgelingen te vechten.
Het eerste leger dat naar Kūfah wordt gestuurd, zal daar aankomen. Hij wint de overhand op de bewoners van Kūfah en behaalt de overwinning . Zij zullen vrouwen en kinderen gevangennemen en de mannen doden. Al hun bezittingen zullen zij in beslag nemen en daarna terugkeren.
Dan zal er een kreet uit het oosten klinken. Vervolgens zal een leider uit de Banū Tamīm, genaamd Shuʿayb ibn Ṣāliḥ, hen achtervolgen, de gevangenen bevrijden en hen terugbrengen naar Kūfah.”
Wat betreft het tweede leger: dit bereikt de stad van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), Madīnah. Daar voeren zij drie dagen onafgebroken strijd. Vervolgens vallen zij de stad plotseling binnen. Zij nemen alles wat er is, kinderen, vrouwen en bezittingen, en maken de mensen tot gevangenen. Daarna trekken zij verder in de richting van Makkah. Hun doel is te strijden tegen de Mahdī en degenen die zich bij hem hebben aangesloten. Wanneer zij uiteindelijk een plaats bereiken die al-Baydā’ wordt genoemd, doodt Allāh hun allen. Dit is de werkelijkheid waarnaar Allāhu (سبحانه وتعالى) verwijst in Zijn Boek: “
وَلَوۡ تَرَىٰٓ إِذۡ فَزِعُواْ فَلَا فَوۡتَ وَأُخِذُواْ مِن مَّكَانٖ قَرِيبٖ ٥١
En als jij hen zou zien, wanneer zij beven van angst, er zal dan voor hen geen ontkomen zijn en zij zullen van een nabije plaats gegrepen worden, (en dan zie jij de geweldige bestraffing). (Saba’, 34:51)
Abū al-Ḥasan Aḥmad ibn Jaʿfar al-Munādī heeft dit voorval met betrekking tot as-Sufyānī uitvoerig vermeld in zijn boek dat hij “al-Malāḥim” noemde. Degene die samen met zijn leger in de aarde zal worden verzwolgen, is juist deze persoon en zijn leger. Zijn naam is ʿUtbah ibn Hind, en hij zal in opstand komen samen met de bewoners van Dimashq (Shām). Deze man zegt: “O bewoners van Dimashq! Jullie weten dat ik tot jullie behoor en dat jullie bij ons een bijzondere en bevoorrechte positie hebben.
Mijn grootvader Muʿāwiyah ibn Abī Sufyān was jullie beschermheer (walī). Hij behandelde jullie goed en jullie hebben ook jegens hem gedaan wat deze goedheid vereiste.”
Vervolgens houdt hij een lange toespraak tot de mensen van Shām. Zijn redevoering is zo uitgebreid dat hij uiteindelijk komt bij een brief die door zijn grootvader is geschreven aan iemand van de stam Jurhum. Deze Jurhumī woonde in de nabije omgeving van Shām. Daarna brengt hij het onderwerp ter sprake van de stam Barkī in Libië en noemt hij een van hen. Vervolgens spreekt hij over de heerschappij van zijn grootvader tot aan de gebieden van al-Maghrib. De Jurhumī komt dan en legt hem de eed van trouw (bayʿah) af; zijn naam is ʿAqīl ibn Īkāl. Daarna komt de Barkī, wiens naam Hammām ibn Ward is. Vervolgens vertelt hij hoe de macht van zijn grootvader zich uitstrekte tot aan Egypte (Miṣr), over zijn strijd met de koning van Miṣr en hoe hij de koning liet doden bij de brug van al-Farqah of op een plaats op zeven dagreizen afstand daarvan. Daarna trok hij Miṣr binnen en liet hij meer dan zeventigduizend mensen onder de bevolking doden.
Daarna accepteerde het volk van Miṣr de nederlaag en legde hem de bayʿah af. Vervolgens verliet hij Miṣr en keerde terug naar Shām. Daarna stelde hij één voor één zijn bevelhebbers en leiders aan het volk voor. Hij presenteerde leiders uit de Arabieren, uit Ḥaḍramawt, uit de stam Khuzaʿah, uit Banū ʿAbs en uit Banū Thaʿlabah.
De overleveraar van dit verhaal spreekt over zeer vreemde gebeurtenissen. Het wordt als volgt beschreven wat er met het leger van as-Sufyānī gebeurt dat in de aarde zal worden weggezonken: de aarde zal openscheuren en hen tot aan hun kelen verzwelgen. Alleen hun hoofden zullen zichtbaar blijven. Met alle paarden van het leger, hun bezittingen, bagage, schatten, alles wat zij bezitten en de gevangenen die zij hebben meegenomen,
zal niets gebeuren.
Uiteindelijk zal dit nieuws Makkah bereiken, tot bij de Mahdī die daar aanwezig is. De Mahdī’s naam is Muḥammad ibn ʿAlī. Via zijn vader behoort zijn grootste voorvader tot al-Ḥasan, de oudste zoon van ʿAlī ibn Abī Ṭālib (رضي الله عنهما). Allāh zal voor hem de afstand verkorten, en de Mahdī zal op dezelfde dag aankomen op die plaats die al-Baydā’ wordt genoemd. En wat ziet hij: alle lichamen van de soldaten zijn in de aarde verzonken, alleen hun hoofden steken eruit, terwijl zij nog in leven zijn.
Bij deze gebeurtenis zullen de Mahdī en zijn metgezellen Allāh danken. Zij zullen huilen en moeite hebben hun emoties te beheersen. Als dank voor deze gunst van Allāh zullen zij Hem aanroepen (du`ā’), Hem verheerlijken met tasbīḥ en ḥamd, en vragen dat Allāh Zijn gunst voor hen vervolmaakt en hen welzijn (ʿāfiyah) schenkt.
Op dat moment zal de aarde de Sufyānī’s volledig verzwelgen. De achtergebleven bezittingen en de gevangenen zullen zij achterlaten zoals zij zijn.
De overleveraar vermeldt nog vele andere gebeurtenissen. Over de juistheid daarvan weet alleen Allāh de waarheid. De overleveraar stelt dat hij deze informatie uit het Boek van Dāniyāl heeft genomen en doorgegeven.
Al-Ḥāfiẓ Abū al-Khaṭṭāb ibn Diḥyah zegt: Dāniyāl (عليه السلام) was een nabī onder de anbiya van de Banū Isrā’īl. Hij sprak Hebreeuws en handelde volgens de sharīʿah van Mūsā ibn ʿImrān (عليه السلام). Hij kwam vóór ʿĪsā ibn Maryam (عليه السلام). Er is geen betrouwbare overlevering van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) over dit onderwerp.
Zonder een vastgestelde, overgeleverde basis zulke uitspraken doen en verwijzen naar het Boek van Dāniyāl, zoals hier gebeurt, tast de betrouwbaarheid van degene die deze informatie overdraagt aan en maakt hem niet als rechtvaardig (ʿādil) te beschouwen, tenzij hij duidelijk maakt dat hij deze berichten als verzonnen en onjuist beschouwt.
In dit Boek van Dāniyāl worden, met betrekking tot al-malāḥim (oorlogen en grote eindtijdgebeurtenissen), enkele toekomstige gebeurtenissen genoemd. Daarin bevinden zich echter onderling tegenstrijdige en conflicterende berichten, waarvan de tegenstrijdigheid duidelijk is als tussen een hyena en een vis. Het opvallendste en meest verwarrende is dat deze overleveringen gebaseerd lijken te zijn op begeerten en onzinnige verhalen.
In dit Boek zijn zoveel verzinsels dat het eerste verslag het laatste tegenspreekt en het laatste het eerste ontkracht. Degene die probeert deze tegenstrijdige berichten te interpreteren en te verklaren, wordt daarom verontschuldigd.
Daarnaast worden er zaken overgeleverd van leugenachtige en corrupte bronnen, terwijl ook uitspraken worden vermeld die toegeschreven worden aan de waarheidsgetrouwe en bevestigde an-Nabī Muḥammad (صلى الله عليه وسلم).
Bijvoorbeeld de overlevering die aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wordt toegeschreven, waarin wordt gezegd dat de Dajjāl zal verschijnen onder de joden van Isfahan in het jaar 300 hijri (912 nC). Wij hebben deze bewering in onze tijd bekritiseerd in het begin van de jaren 700 hijri (begin 1300 nC). Tot nu toe is dit niet gebeurd.
Hij begint zijn boek met een valse en verzonnen overlevering. Kan iemand die dat doet dan werkelijk geen vrees hebben voor Allāh en Zijn bestraffing?
Wat hij werkelijk overlevert, behoort tot de meest schandelijke zaken die vanuit islamitische perspectief kunnen worden gezien. In werkelijkheid zijn dergelijke overleveringen, die afkomstig zijn uit Israʾīliyyāt-bronnen, het resultaat van een vorm van “verjodisering”.
Het toeschrijven van zulke uitspraken aan an-Nabī Dāniyāl (عليه السلام) heeft geen enkele betekenis. Die leugens die onder zijn naam worden verspreid, evenals de valse en verzonnen informatie, komt uitsluitend van henzelf. In werkelijkheid is er geen enkele overlevering die werkelijk van Dāniyāl (عليه السلام) afkomstig is. Dit is hooguit gebaseerd op de uitvinders van zo’n boek zelf.
Al-Bukhārī vermeldt in de tafsīr van Sūrat al-Baqarah āyah 136 een overlevering van Abū Hurayrah (رضي الله عنه).
Volgens Abū Hurayrah lazen de mensen van het Boek, de joden, de Tawrāh in het Hebreeuws en legden zij deze voor de moslims uit in het Arabisch. Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Bevestig de mensen van het Boek niet en verklaar hen ook niet tot leugenaar. Zeg slechts: wij geloven in Allāh en in wat aan ons is neergezonden.” (al-Bukhārī, 4485 en 7362)
Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), hij zei: “Terwijl jullie het Boek van Allāh hebben, dat als laatste aan de Rasûlallāh is neergezonden, en jullie het rechtstreeks lezen zonder dat het vervormd is, hoe kunnen jullie dan nog de lieden van het Boek vragen? Jullie Boek (Qur’ān) vertelt jullie immers dat zij het Boek van Allāh (Tawrah en Injīl) hebben vervormd en veranderd, en dat zij met hun eigen handen iets schreven en dit vervolgens als het Boek van Allāh aan de mensen presenteerden, om daarmee een gering werelds voordeel te verkrijgen. Zeggen zij vervolgens: ‘Dit komt van Allāh’? Weerhoudt deze duidelijke kennis jullie er nog steeds niet van om hen te raadplegen? Nee, bij Allāh, wij hebben nooit gezien dat een jood van de lieden van het Boek naar jullie kwam om iets te vragen over dit neergezonden Boek (Qur’ān)” (al-Bukhārī, 7363)
Ibn Diḥyah (رحمه الله) zegt: hoe kan iemand die Allāh verraadt, valse beschuldigingen tegen Hem uit, Hem ontkent, zich tegen Hem verheft en zondigheid pleegt, werkelijk geloof (īmān) belijden?
Wat betreft de Ḥadīth over Dābbatu’l-Arḍ al-Arḍ: de komst daarvan wordt inderdaad door de Qurʾān vermeld. Daarom is het verplicht dit te bevestigen en erin te geloven. Allāhu (سبحانه وتعالى), zegt:
۞ وَإِذَا وَقَعَ ٱلۡقَوۡلُ عَلَيۡهِمۡ أَخۡرَجۡنَا لَهُمۡ دَآبَّةٗ مِّنَ ٱلۡأَرۡضِ تُكَلِّمُهُمۡ أَنَّ ٱلنَّاسَ كَانُواْ بِـَٔايَٰتِنَا لَا يُوقِنُونَ ٨٢
En als het woord voor hen bewaarheid wordt, zullen Wij uit de aarde een beest (Dābbatu min al-Arḍ) voortbrengen dat tegen hen zal spreken want de mensheid geloofde niet met zekerheid in Onze Tekenen. (an-Naml, 27:82)
Ik was in al-Andalus. Ik had daar veel waardevolle werken gelezen van de vooraanstaande Qur’ān lezer (qarī) Abū ʿAmr ʿUthmān ibn Saʿīd ibn ʿUthmān (رَحِمَهُ اللهُ), die in het jaar 444/1052 is overleden.
Onder zijn boeken bevond zich ook zijn werk met de lange titel “as-Sunan al-Wāridah bi-l-Fitan wa Ghawā’ilihā” (De overgeleverde sunan over beproevingen en hun grote gebeurtenissen), een boek over fitan en toekomstige gebeurtenissen, dat ik eveneens heb gelezen. Het was een werk in één deel.
De auteur heeft in dit boek alles verzameld zonder onderscheid te maken tussen authentiek/betrouwbaar (ṣaḥīḥ) en zwak/niet betrouwbaar (saqīm), tussen wat juist is en wat onjuist is. Hij heeft werkelijk alles opgenomen, alsof hij geen onderscheid kon maken tussen een gier en een struisvogel. Bij het opnemen van verzonnen overleveringen heeft hij zich afgewend van de authentieke en algemeen bekende betrouwbare overleveringen.
In dit boek heeft hij een hoofdstuk gewijd aan Dābbatu’l-Arḍen daaraan de volgende titel gegeven: “De gebeurtenissen, tekenen, wonderen en oorlogen die zullen plaatsvinden in az-Zawrā’ en de daaraan verbonden gebieden.”
Hij brengt dit over via overleveringsketens die teruggaan via ʿAbd ar-Raḥmān, Sufyān ath-Thawrī, Qays ibn Muslim en Ribʿī ibn Ḥirāsh tot aan Ḥudhayfah (رضي الله عنه), met een isnād in deze vorm.
Volgens Ḥudhayfah (رضي الله عنه) heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gezegd: “Er zal een gebeurtenis plaatsvinden in een plaats die az-Zawrā’ wordt genoemd.” De metgezellen die bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) waren, vroegen: “O Rasûlullāh, waar ligt az-Zawrā’?”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Het is een stad in het oosten. Tussen haar rivieren zullen zich de meest slechte, meest onrechtvaardige en meest meedogenloze schepselen van mijn ummah vestigen. Zij zullen met vier soorten bestraffing worden gestraft.”
Vervolgens vertelt deze persoon ook de ḥadīth over het verschijnen van de Sufyānī’s:De Sufyānī’s zullen met 360 ruiters op pad gaan en tot aan Shām komen. Daarna spreekt de auteur over het verschijnen van de Mahdī en zegt: “De naam van de Mahdī is Aḥmad ibn ʿAbdullāh.”
Daarna schrijft de auteur ook over het verschijnen van de Dābbatu’l-Arḍ: Van Ḥudhayfah (رضي الله عنه): Ik vroeg aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): ‘O Rasûlullāh, wat is de Dābbatu’l-Arḍ?” Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het is een wezen dat bedekt is met haar. Het is een schepsel met een grootte van zestig mijl. Degene die het achtervolgt zal het niet kunnen inhalen, en degene die vlucht zal niet aan haar kunnen ontsnappen.”
Daarna schrijft hij over Ya’jūj en Ma’jūj: Zij bestaan uit drie groepen: De eerste groep zal een lengte hebben als de lengte van een rijststengel. De tweede groep zal zodanig zijn dat hun lengte en breedte gelijk zijn; dit zal volgens de maat van een dziraʿ 120 bij 120 zijn.
Zie, hiertegen zal zelfs ijzer niet standhouden. De derde groep zal zodanig zijn dat zij één oor op de grond zullen leggen en zich met het andere zullen bedekken. (Deze overlevering wordt vermeld door de persoon genaamd Qārī (Qur’ān reciteur) Abū ʿAmr ʿUthmān ibn Saʿīd ibn ʿUthmān in zijn werk “as-Sunan al-Wāridah fī al-Fitan” (p. 596–676), over wie al-Qurṭubī met lof sprak. Deze overlevering is echter verzonnen. Een andere onderzoeker, ʿAbdullāh al-Minshāwī, zegt hierover: “Deze overlevering is, zoals al-Qurṭubī ook aangeeft, een mawḍūʿ (verzonnen) overlevering. Dit is bovendien duidelijk te zien in de bewoordingen ervan. Ik ben het niet tegengekomen in een authentieke bron.”)
De overleveringsketens die hier, onder de naam van Ḥudhayfah (رضي الله عنه), worden gebruikt, worden in het genoemde werk op enkele pagina’s behandeld. Het is echter duidelijk dat de overlevering verzonnen is en dat er tegenstrijdigheden in de tekst voorkomen.
In deze overlevering wordt ook gesproken over een stad genaamd “Makati”. Deze stad zou zich bevinden aan een zee waarin vrouwen niet aan boord van schepen worden meegenomen. Aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd gevraagd: “Waarom worden er geen vrouwen meegenomen op de schepen in deze zee?” Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Omdat deze schepen geen bodem hebben.”
Uiteindelijk zegt Ḥudhayfah (رضي الله عنه): ʿAbdullāh ibn Salām zei: “Bij Allāh, Die jou met de waarheid heeft gezonden, de kenmerken die u beschrijft staan in de Tawrāh. De lengte ervan is duizend mijl en de breedte is vijfhonderd mijl.” Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Het heeft 360 poorten, en uit elke poort zullen honderdduizend strijders tevoorschijn komen.”
Al-Ḥāfiẓ Abū al-Khaṭṭāb zegt: “Wij vermijden het om deze bladzijden te vullen met volledig verzonnen overleveringen.
Wij beperken ons tot het vaststellen van wat authentiek is, zodat dit ons dichter brengt bij de Rab van de hemelen en de aarde.”
De persoon genaamd ʿAbd ar-Raḥmān, die overlevert van Sufyān ath-Thawrī, is de Kūfī ʿAbd ar-Raḥmān ibn Hānī Abū Nuʿaym an-Nakhaʿī. Over hem zei Yaḥyā ibn Maʿīn: “Dit is iemand die buitengewoon veel leugens verzint en verspreidt.” Ook zei Aḥmad ibn Ḥanbal: “Hij stelt niets voor.” Ibn ʿAdī zei: “De overleveringen van deze man worden door betrouwbare en geleerde ḥadīthgeleerden niet in aanmerking genomen, en er wordt niet gehandeld naar zijn ḥadīth.”
Van Imām ath-Thawrī heeft ook ʿAmr ibn Yaḥyā, met de eerder genoemde isnād, een ḥadīth overgeleverd waarin staat: “Zij zullen met vier soorten bestraffing worden bestraft: één daarvan is dat zij in de aarde zullen wegzinken, een andere dat zij in een ander wezen zullen worden veranderd, en een andere dat zij door lasterlijke beschuldigingen ten onder zullen gaan.” Al-Burqānī zegt dat hier de vierde soort niet genoemd wordt.
(Deze informatie is overgeleverd door al-Khaṭīb al-Baghdādī in zijn werk Tārīkh (1/38). De isnād is zwak. Hoewel wordt beweerd dat deze overlevering ook voorkomt in Ṣaḥīḥ Muslim, in het hoofdstuk al-Fitan (2882/4-5), en dat de ḥadīth daarom authentiek zou zijn, hebben de bewoordingen van die ḥadīth geen verband met deze overlevering. Daar wordt alleen gesproken over het wegzinken in de aarde en over al-Baydā’. Daarom is het onjuist om via die weg deze ḥadīth als authentiek te bestempelen.)
De overleveringen van ʿUmar ibn Yaḥyā worden niet geaccepteerd en er wordt niet naar gehandeld. De ḥadīth van az-Zawrā’ is ook overgeleverd door Muḥammad ibn Zakariyyā al-Ghulābī, die van ʿAlī (رضي الله عنه) toeschrijft aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zou hebben gezegd: “Hun ondergang zal plaatsvinden door toedoen van de Sufyānī’s. Bij Allāh, het is alsof ik zie hoe hun verzakte daken instorten en hun muren neervallen en tot puin worden.” (al-Khaṭīb al-Baghdādī, Tārīkh, 1/38. De overlevering is mawḍūʿ (verzonnen)
Abū al-Ḥasan ad-ad-Dāraquṭnī heeft over de genoemde Muḥammad ibn Zakariyyā al-Ghulābī gezegd dat hij iemand is die aḥadīth verzint en deze toeschrijft aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
Wat betreft de omvang van de genoemde Dābbatu’l-Arḍ en de afmetingen van Ya’jūj en Ma’jūj zoals beschreven: dit toont duidelijk aan dat deze ḥadīth later verzonnen is. Iedereen met gezond verstand weet dat dit niet authentiek kan zijn. De beschrijving van zulke enorme schepselen is op zichzelf al een bewijs van de leugenachtigheid van degene die dit heeft verzonnen.
Bovendien is er al een probleem in de overleveringsketen. Daarnaast: welke stad heeft wegen en straten die een schepsel van zestig mijl groot kunnen dragen? En welke weg kan wezens dragen waarvan ieder een lengte en breedte heeft van 240 el (ongeveer 168 meter), zoals bij Ya’jūj en Ma’jūj wordt beschreven?
Ongetwijfeld heeft deze verdorven persoon zich zeer vrijpostig gedragen tegenover Allāh door zulke verzinsels toe te schrijven aan Zijn uitverkoren nabī, Muhammad Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Terwijl het juist in een authentieke ḥadīth, waarover de ḥadīthgeleerden consensus hebben, vaststaat dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Wie opzettelijk een leugen over mij vertelt, laat hem dan zijn plaats in de Hel voorbereiden.” (al-Bukhārī, 1291; Muslim, 3-4)
Daarna verwijten zij ons dat wij zaken uit hun Tawrāh zouden hebben overgenomen en beweren zij dat de joden ons daarom van onwaarheid beschuldigen; hoe dan ook grijpen zij dit aan om ons te bekritiseren.
Van Ummu Salamah (رضي الله عنها): Er werd Ummu Salamah gevraagd over het leger dat in de aarde zal wegzinken. Dit gebeurde in de tijd van ʿAbdullāh ibn az-Zubayr (رضي الله عنهما). Van Ummu Salamah (رضي الله عنها), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Een persoon zal toevlucht zoeken bij het Huis van Allāh (de Kaʿbah). Daarop zal er een leger tegen hem worden gestuurd. Wanneer dit leger de plaats bereikt die al-Baydā’ wordt genoemd, zal de aarde hen verzwelgen.”
Ik zei: “O Rasûlullāh, wat gebeurt er dan met degenen die tegen hun wil en onder dwang zijn meegegaan?” Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De aarde zal hen samen met de anderen verzwelgen. Maar degenen die gedwongen zijn meegegaan, zullen op Yawmu’l Qiyāmah worden opgewekt overeenkomstig hun intenties.”
De overleveraar Abū Jaʿfar zegt dat de plaats die al-Baydā’ wordt genoemd, zich binnen het gebied van Madīnah bevindt. Een andere overleveraar, ʿAbd al-ʿAzīz ibn Rufayʿ, zei dat hij tegen Abū Jaʿfar zei: “Ummu Salamah zei: ‘op een plaats op aarde die al-Baydā’ wordt genoemd.” Waarop Abū Jaʿfar antwoordde: “Nee, zo heeft zij het niet gezegd. Bij Allāh, Ummu Salamah zei: ‘dit is een plaats genaamd al-Baydā’, gelegen binnen het gebied van Madīnah.” (Muslim, 2882/4-5 en 2883/6-8; Ibn Mājah, 4063-4065)
Van ʿAbdullāh ibn Ṣafwān, die het hoorde van Ḥafṣah (رضي الله عنها), heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gezegd: “Zeker zal er een leger optrekken dat de Kaʿbah wil aanvallen. Wanneer het de plaats bereikt die al-Baydā’ wordt genoemd, zal het middelste deel van het leger door het openscheuren van de aarde worden verzwolgen.
De voorste troepen zullen de achterblijvers roepen, maar vervolgens zal de aarde ook hen verzwelgen. Niemand zal overblijven behalve iemand die ontsnapt om het nieuws te vertellen.” (Muslim, 2883/6-8)
Ibn Mājah heeft deze ḥadīth eveneens op dezelfde manier overgeleverd en heeft aan deze overlevering de volgende toevoeging gedaan: “Toen het leger van al-Ḥajjāj al-Ẓālim kwam, dachten wij dat zij het waren (waarover de overlevering sprak).” Ondertussen zei iemand, die verwijst naar ʿAbdullāh ibn Ṣafwān: “Ik getuig dat jij geen leugen hebt verzonnen door de naam van Ḥafṣah te gebruiken, en ik getuig ook dat Ḥafṣah niet heeft gelogen door de naam van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) te gebruiken.”(Muslim, 2882/4-5 en 2883/6-8; Ibn Mājah, 4063-4065)
Van ʿAbdullāh ibn Ṣafwān via de moeder der gelovigen, Ḥafṣah (رضي الله عنها), dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) met betrekking tot de Kaʿbah zei: “Een groep mensen zal hun toevlucht zoeken bij dit Huis. Zij zullen geen beschermer hebben en zij zullen weinig in aantal zijn, zonder de mogelijkheid om weerstand te bieden tegen hun vijanden. Tegen zulke mensen die als het ware met handen en armen gebonden zijn, zal een leger worden uitgestuurd. Wanneer dit leger het gebied bereikt dat al-Baydā’ wordt genoemd, zal het door de aarde worden verzwolgen.”
Yūsuf ibn Māhīk zei dat in die tijd de mensen van Shām zich richting Makkah zouden vertrekken, zei ʿAbdullāh ibn Ṣafwān: “Bij Allāh, het leger dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft genoemd dat Makkah zal aanvallen, is dit leger niet.” (Muslim, 2883/6-8)
7.11 De Mahdī en degenen die voor hem de weg voorbereiden
Van Thawbān (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Drie personen zullen strijden om jullie schat. Zij zijn allen kinderen van een khalīfah, maar de macht zal geen van hen bereiken. Daarna zal er vanuit het oosten een leger verschijnen met zwarte vlaggen. Zij zullen tegen jullie strijden en een ongekend aantal van jullie doden, meer dan ooit eerder door enig volk is gedood. Wanneer jullie hen zien, geef hen dan eed van trouw, zelfs al moet je kruipend over sneeuw gaan, want daarin bevindt zich de khalīfah van Allāh: de Mahdī.” (Ibn Mājah, 4084. De ḥadīth is qua isnād ṣaḥīḥ.)
Van ʿAbdullāh ibn al-Ḥārith ibn Juzʾ az-Zabīdī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Er zal een groep mensen uit het oosten verschijnen die de weg voor de Mahdī zullen voorbereiden.” (Ibn Mājah, 4088. De ḥadīth is zwak; al-Buṣīrī zei dat de zwakte komt doordat onder de overleveraars ʿAmr ibn Jābir en Ibn Laḥīʿah voorkomen.)
Hiermee wordt bedoeld dat zij zijn heerschappij zullen versterken en tot stand brengen.
Van ʿAlī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Uit de regio die Mawara’ an-Nahr (Centraal-Azië) wordt genoemd, zal iemand verschijnen genaamd Ḥārith ibn Ḥarrāth. Aan het hoofd van zijn leger zal een man staan die Manṣūr heet, net zoals de Quraysh an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hebben gesteund en voorbereid. Zo zal deze persoon de Ahl al-Bayt ondersteunen en voorbereiden. In zo’n situatie is het hun plicht om hem te helpen of om zijn oproep te volgen.” (Abû Dāwūd, 4290.)
7.12 Naam en eigenschappen van de Mahdī
Mahdī zal samen met ʿĪsā (عليه السلام) verschijnen en hem helpen bij het doden van de Dajjāl.
Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه), an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er zal een Mahdī uit mijn ummah verschijnen. Als zijn levensduur kort is, zal hij zeven jaar onder jullie blijven; en als hij langer leeft, zal hij negen jaar onder jullie blijven. In zijn tijd zal mijn ummah in een zodanige overvloed leven dat zoiets nooit eerder is gezien. De aarde zal haar gewassen overvloedig voortbrengen en niets van haar opbrengst zal worden opgeslagen. Op die dag zal het bezit zonder berekening/in grote hoeveelheden toenemen. Een man zal naar de Mahdī komen en zeggen: ‘O Mahdī, geef mij!’ waarop hij zal zeggen: ‘Neem wat je wilt.”(De overlevering die als sahīḥ wordt genoemd, heb ik met deze bewoording niet in Abū Dāwūd kunnen terugvinden. Bij at-Tirmiḏī staat deze als 2232 vermeld, en bij Ibn Mājah als 4083.
In Abū Dāwūd, in het hoofdstuk over de Mahdī, wordt in ḥadīth nummer 4286 wel vermeld dat de Mahdī na zijn verschijning ongeveer zeven jaar zal leven, terwijl in ḥadīth nummer 4287 juist expliciet wordt vermeld dat hij negen jaar zal blijven. Daarom komen de bewoordingen in deze twee overleveringen niet overeen met de tekst die hier wordt aangehaald.)
Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “De Mahdī zal uit mijn nageslacht komen. Hij zal een breed voorhoofd hebben en een neus die lang, fijn en licht gebogen is in het midden. Zoals de aarde gevuld is met onrecht en onderdrukking, zo zal hij haar vullen met waarheid en rechtvaardigheid. Zijn heerschappij zal zeven jaar duren.” (Abû Dāwūd, 4285)
De ḥadīthgeleerde ʿAbd ar-Razzāq ibn Hammām overlevert … van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه), hij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft ons geïnformeerd over de rampen die deze ummah zullen treffen. De rampspoeden zullen zich zo verspreiden dat mensen niemand zullen vinden bij wie zij bescherming kunnen zoeken. Juist op dat moment zal Allāh een man uit mijn nageslacht, uit mijn Ahl al-Bayt, sturen. Zoals de aarde met onrecht was gevuld, zo zal hij haar vullen met waarheid en rechtvaardigheid. Zowel degenen in de hemel als degenen op aarde zullen tevreden met hem zijn.
De hemel zal haar regen zonder beperking laten vallen en de aarde zal geen enkel deel van haar gewassen en vruchten achterhouden. Zozeer zelfs dat de levenden zouden wensen dat er geen dood meer was. Hij zal zo zeven, acht of negen jaar in deze overvloed leven.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 3/37, 52; al-ʿUqaylī in “ad-Ḍuʿafā’” (4/259). Zie ook Mishkāt, 5457)
In feite is deze ḥadīth van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) in verschillende vormen overgeleverd.
Van ʿAbdullāh (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als er nog slechts één dag van de wereld rest vóór het aanbreken van het Hiernamaals, zal Allāh die dag verlengen totdat Hij een man uit mijn ummah of uit mijn Ahl al-Bayt zendt. Hij zal mijn naam dragen zoals zijn vader mijn naam draagt.” (er is overeenstemming onder de hadithgeleerden over dit gedeelte) (Abū Dāwūd, 4282; Tirmizi, 3230; ḥadīth is ḥasan en ṣaḥīḥ.)
At-Tirmidhī heeft een ḥadīth in dezelfde betekenis overgeleverd en gezegd: “Dit is een ḥasan ṣaḥīḥ ḥadīth.”
In een lange overlevering van Ḥudhayfah (رضي الله عنه), overgeleverd als marfūʿ, staat ook: “Als er nog slechts één dag van de wereld over is, zal Allāh die dag zeker verlengen totdat Hij een man uit mijn Ahl al-Bayt zendt. De engelen zullen vóór hem staan en de Islām zal de overhand krijgen.” (De verificatie van deze ḥadīth is eerder reeds besproken.)
At-Tirmidhī overlevert deze ḥadīth via Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه).
Abū Saʿīd zegt: “Na de dood van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) begonnen wij ons zorgen te maken dat er bepaalde gebeurtenissen zouden plaatsvinden. Wij vroegen dit aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).” Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Waarlijk, er zal uit mijn ummah een Mahdī verschijnen. Hij zal vijf, of zeven, of negen jaar leven.” (De twijfel over deze aantallen komt van de overleveraar Zayd.)
Abū Saʿīd zegt verder: wij vroegen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Wat betekent deze onzekerheid?” Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Deze aantallen verwijzen naar de jaren dat hij als khalīfah zal regeren.” Daarna vervolgde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Een man zal naar hem toe komen en zeggen: ‘O Mahdī, help mij.’ Daarop zal de Mahdī hem zoveel geven als hij in zijn zoom kan dragen en kan meenemen.” (At-Tirmidhī (2232) heeft deze ḥadīth als ḥasan overgeleverd.)
Al-Ḥāfiẓ Abū Nuʿaym overlevert via Muḥammad ibn al-Ḥanafiyyah, van zijn vader ʿAlī (رضي الله عنه) dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “De Mahdī zal uit mijn Ahl al-Bayt zijn. Allāh zal zijn toestand in één nacht (of in twee dagen, zoals hij zei) verbeteren.”(Ibn Mājah, 4085; Abū Nuʿaym, 3/177. Hoewel is gezegd dat dit een ḥasan overlevering is, merkt al-Buṣīrī op dat er verschillende beoordelingen bestaan over de isnād van de ḥadīth. Ook al-Bukhārī heeft over enkele overleveraars, zoals Ibrāhīm ibn Muḥammad en Yāsīn al-ʿIjlī, aangegeven dat zij met de nodige terughoudendheid en twijfel beoordeeld dienen te worden.)
In het boek “Shihāb” vinden wij de volgende informatie: “Dag na dag zal slechts het geweld toenemen. De wereld zal steeds verder achteruitgaan.
Mensen zullen steeds gieriger worden. Het Hiernamaals zal aanbreken over de slechtste en meest verdorven mensen. En de Mahdī is niets anders dan ʿĪsā ibn Maryam ( عليه السلام).”
(¹ Al-Qudāʿī heeft deze ḥadīth overgeleverd in zijn werk “Musnad ash-Shihāb” (898). Ibn Mājah heeft deze eveneens vermeld onder nummer 4039. Deze overlevering is echter ernstig zwak. Al-Ḥākim vermeldt in al-Mustadrak (4/441) dat de overleveraar al-Jundī een onbekende (majhūl) persoon is.)
Volgens de overlevering van Ibn Mājah van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gezegd: “Deze zaak zal steeds moeilijker worden...” (Ook deze overlevering is ernstig zwak.) Ibn Mājah vermeldt dat deze ḥadīth alleen via Imām ash-Shāfiʿī is overgeleverd.
Wat betreft de uitspraak van de overleveraar: “De Mahdī is niets anders dan ʿĪsā ( عليه السلام),” dit is in tegenspraak met eerdere overleveringen. Sterker nog, deze ḥadīth is niet authentiek (ṣaḥīḥ) bevonden. De enige bron hiervoor is Muḥammad ibn Khālid al-Jundī. Hadīth-ḥāfiẓ Al-Ḥākim Abū ʿAbdullāh, de auteur van al-Mustadrak, heeft gezegd dat Muḥammad ibn Khālid al-Jundī onbekend is. Daarom is de isnād van deze ḥadīth vanuit dit perspectief problematisch.
Qatādah heeft deze ḥadīth via Abān ibn Ṣāliḥ, van al-Ḥasan, via Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in een lange versie overgeleverd, maar hij staat hierin alleen. Zijn overlevering via Abān is onbekend en wordt niet geaccepteerd, en zijn overlevering via al-Ḥasan is onderbroken (munqaṭiʿ).
De berichten over de verschijning van de Mahdī gaan uiteindelijk terug op an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).
De meest authentieke overleveringen hierover stellen dat de Mahdī uit de nakomelingen van Fāṭimah (رضي الله عنها) zal komen. Deze overleveringen zijn sterker dan deze specifieke ḥadīth. Daarom moet deze ḥadīth in dat licht worden beoordeeld.
De auteur van dit boek (رَحِمَهُ اللهُ), moge Allāh zijn graf met licht vullen, zegt: … degene die de bovenstaande ḥadīth heeft overgeleverd: ‘De Mahdī is niemand anders dan ʿĪsā ibn Maryam ( عليه السلام),’ is een onbekende overleveraar (majhūl). Hoewel Yaḥyā ibn Maʿīn, een tijdgenoot van Aḥmad ibn Ḥanbal, heeft vermeld dat hij betrouwbaar (thiqa) is. Ook Ibn Mājah heeft van hem overgeleverd.”
Abū al-Ḥasan Muḥammad ibn al-Ḥusayn ibn Ibrāhīm ibn ʿĀṣim al-Āburrī as-Sijzī zegt over de Mahdī: “Er zijn zoveel overleveringen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) over de Mahdī via verschillende overleveraars gekomen dat deze berichten het niveau van tawātur hebben bereikt. Volgens deze overleveringen zal de Mahdī uit de Ahl al-Bayt zijn en zal hij zeven jaar regeren. Hij zal de aarde vullen met rechtvaardigheid. Hij zal samen met ʿĪsā ibn Maryam (عليه السلام) verschijnen, en zij zullen de Dajjāl doden bij de poort van Lud in Palistina. De Mahdī zal de imām van deze ummah zijn en ʿĪsā (عليه السلام) zal gedurende de periode dat hij verblijft achter hem de ṣalāh verrichten.”
De auteur van dit boek (رَحِمَهُ اللهُ) zegt: de uitspraak van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “De Mahdī is niets anders dan ʿĪsā,” kan betekenen: “Er is geen volmaakte en zondeloze Mahdī behalve ʿĪsā.” Als de ḥadīth op deze manier wordt begrepen, dan komen de overleveringen over de Mahdī met elkaar overeen en is er geen tegenstrijdigheid meer tussen de aḥadīth.
7.13 Waar zal de Mahdī verschijnen en wat zijn de tekenen van zijn verschijning?
Er zal twee keer bayʿah aan de Mahdī worden afgelegd en hij zal degene zijn die tegen de Sufyānī zal strijden en hem zal doden.
Dit is eerder vermeld in de aḥadīth van Ummu Salamah (رضي الله عنها) en Abū Hurayrah (رضي الله عنه). In die overleveringen staat dat er bayʿah aan de Mahdī zal worden afgelegd tussen ar-Rukn en Maqām Ibrāhīm. (De ḥadīth van Umm Salamah (رضي الله عنها) is eerder behandeld onder rubriek 254, en die overlevering is een zwakke (ḍaʿīf) ḥadīth. De ḥadīth die via Abū Hurayrah (رضي الله عنه) is overgeleverd, is behandeld onder rubriek 253, en die ḥadīth is een authentieke (ṣaḥīḥ) overlevering.)
Hieruit lijkt te volgen dat er vóór die tijd geen bayʿah aan hem is afgelegd.
Maar dat is niet het geval. Volgens een overlevering van Ibn Masʿūd (رضي الله عنه) en andere metgezellen zal de Mahdī aan het Einde der Tijden verschijnen vanuit het uiterste westen van de Maghrib-landen (al-Maghrib al-Aqṣā). Overwinning en hulp zullen veertig mijl vóór hem uitgaan. De vlaggen die zij dragen zullen wit en geel zijn, en daarop zullen tekens en de Grote Naam van Allāh (al-Ism al-Aʿẓam) geschreven staan. Geen van de soldaten die zich onder zijn vaandel en standaard bevinden, zal teruggedreven worden.
Het verschijnen en de opkomst van deze vlaggen zal beginnen in een plaats genaamd Masīnah aan de kust van de zee in de Maghrib. De legers onder deze vlaggen zullen een verbond sluiten met een volk aan wie Allāh hulp en overwinning heeft beloofd. Over hen zegt Allāh:
أُوْلَٰٓئِكَ حِزۡبُ ٱللَّهِۚ أَلَآ إِنَّ حِزۡبَ ٱللَّهِ هُمُ ٱلۡمُفۡلِحُونَ ٢٢
…Zij zijn degenen die van de groep van Allāh zijn. Waarlijk, het is de groep van Allāh die zal slagen. (Mujādalah, 58:22)
De genoemde ḥadīth gaat verder als een lange overlevering. Daarin wordt onder andere het volgende vermeld: “Mensen zullen van alle kanten en uit alle gebieden naar hem toe komen en hem op die dag in Makkah bayʿah afleggen. Deze bayʿah zal plaatsvinden tussen ar-Rukn en Maqām Ibrāhīm.
De Mahdī zal echter niet instemmen met een tweede bayʿah na de eerste die aan hem is gegeven; hij zal deze met tegenzin accepteren. Want de eerste bayʿah was reeds in het gebied van al-Maghrib aan hem gegeven.
Vervolgens zal de Mahdī zeggen: ‘O mensen, kom met mij mee om te strijden tegen de vijand van Allāh en jullie vijand.’
De mensen zullen gehoor geven aan deze oproep en hem in niets tegenwerken. De Mahdī en de moslims die met hem zijn, zullen vanuit Makkah vertrekken richting Shām om te strijden tegen ʿUrwah ibn Muḥammad as-Sufyānī en degenen van de stam Kalb die samen met de Sufyānī optrekken.
Daarna zal het leger van de Sufyānī uiteenvallen. Vervolgens zal de Sufyānī zich bevinden bij de bomen rondom het meer van Ṭabariyyah. Op die dag zal degene die verliest, werkelijk verloren hebben en schade hebben geleden. Degene die zelfs maar met één woord, één takbīr of één kreet standvastig blijft, zal gered worden. En wie zich onthoudt van het strijden tegen de stam Kalb, heeft verloren.”
(Een dergelijke overlevering heb ik niet kunnen terugvinden. Wel is deze overlevering, met duidelijk afwijkende bewoordingen, overgeleverd door Ibn Abī Shaybah, aṭ-Ṭabarānī en al-Ḥākim hebben deze overlevering via Umm Salamah (رضي الله عنها) overgeleverd. Zie: Jāmiʿ al-Aḥādīth, 23/495-496 (26512/11103); Ibn Abī Shaybah, 7/460, nr. 37223; aṭ-Ṭabarānī, 23/295, nr. 656; al-Haythamī, 7/314; al-Ḥākim, nr. 8328 (Shāmilah).
De overleveringen die in deze bronnen voorkomen vertonen inhoudelijke gelijkenis met de hier genoemde overlevering, maar de bewoordingen zijn niet exact hetzelfde. (Vertaler)
Volgens een overlevering van Ḥudhayfah (رضي الله عنه) vroeg hij aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Hoe kan het toegestaan zijn hen te doden terwijl zij moslim zijn, degenen die Allāh als één erkennen en geen deelgenoten aan Hem toeschrijven?” An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Hun īmān is in werkelijkheid gebaseerd op afvalligheid (ridda), want zij zijn Khawārij. Zij verklaren op basis van hun eigen opvattingen zelfs alcohol toegestaan. Tegelijkertijd voeren zij strijd tegen Allāh.”
Daarop reciteerde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de volgende āyah:إِنَّمَا جَزَٰٓؤُاْ ٱلَّذِينَ يُحَارِبُونَ ٱللَّهَ وَرَسُولَهُۥ وَيَسۡعَوۡنَ فِي ٱلۡأَرۡضِ فَسَادًا أَن يُقَتَّلُوٓاْ أَوۡ يُصَلَّبُوٓاْ أَوۡ تُقَطَّعَ أَيۡدِيهِمۡ وَأَرۡجُلُهُم مِّنۡ خِلَٰفٍ أَوۡ يُنفَوۡاْ مِنَ ٱلۡأَرۡضِۚ ذَٰلِكَ لَهُمۡ خِزۡيٞ فِي ٱلدُّنۡيَاۖ وَلَهُمۡ فِي ٱلۡأٓخِرَةِ عَذَابٌ عَظِيمٌ ٣٣
De vergelding voor degenen die een oorlog tegen Allāh en Zijn Boodschapper aangaan en ellende over het land brengen, is slechts dat zij gedood of gekruisigd worden, of hun handen en voeten worden aan tegengestelde kanten afgehakt, of zij worden uit het land verbannen. Dat is hun vernedering in deze wereld en een grote bestraffing behoort hen toe in het Hiernamaals. (Māidah, 5:33)
(Deze ḥadīth heb ik niet met deze exacte bewoordingen kunnen terugvinden.
Wel heeft ad-Dānī een vergelijkbare overlevering vermeld in zijn werk “as-Sunan al-Wāridah fī al-Fitan” (nr. 596), die als een lange overlevering via Ḥudhayfah (رضي الله عنه) wordt doorgegeven. Deze ḥadīth is echter mawḍūʿ verzonnen)
De volledige ḥadīth zal later nog volgen. Het bericht over de Sufyānī is ook opgenomen door ʿAmr ibn ʿUbayd in zijn werk “Musnad”. En Allāh weet het het beste.
Van Muʿāwiyah ibn Abī Sufyān (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Na mijn overlijden zal het eiland dat al-Andalus wordt genoemd veroverd worden. De ongelovigen zullen daar de overhand krijgen, zij zullen hun bezittingen en vele steden van hen afnemen, en hun vrouwen en kinderen in gevangenschap nemen. Zij zullen het land verwoesten en het gebied zal grotendeels een woestijn worden. Het grootste deel van de bevolking zal daaruit worden verdreven, en hun bezittingen en hun land zullen in beslag worden genomen. Slechts een klein deel van het eiland zal overblijven. Op dat eiland zullen chaos, onrust, onzekerheid, angst en bezorgdheid toenemen. Dure tijden, schaarste en honger zullen overal heersen. Fitnah zal toenemen en mensen zullen elkaar vernietigen.
Op zo’n moment zal er vanuit het uiterste westen van de Maghrib een man verschijnen uit de familie van Fāṭimah, de dochter van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Die man is de Mahdī die aan het Einde der Tijden wordt verwacht. Hij is het eerste van de tekenen van de Qiyāmah.” (Deze overlevering heb ik in deze bewoordingen niet kunnen terugvinden.)
Deze ḥadīth die via Muʿāwiyah (رضي الله عنه) wordt overgeleverd, beschrijft gebeurtenissen die men in genoemde landen in grote lijnen inderdaad heeft waargenomen, behalve de verschijning van de Mahdī.
Sharik heeft in een ḥadīth overgeleverd, op basis van informatie die hem heeft bereikt, dat hij zei: “Vóór de verschijning van de Mahdī zullen er in de maand Ramaḍān twee zonsverduisteringen plaatsvinden.” (Abū Nuʿaym ibn Ḥammād heeft dit overgeleverd in zijn boek “al-Fitan” (nr. 642). De ḥadīth is wat betreft de isnād zwak (ḍaʿīf). Allāh weet het het beste.
Van … Muḥammad ibn ʿAlī: “Voor onze Mahdī zijn er twee tekenen die nog nooit sinds de schepping van de hemelen en de aarde zijn gezien. Het eerste is dat in de eerste nacht van Ramaḍān de maan zal verduisteren, en in het midden van Ramaḍān de zon zal verduisteren. Deze twee tekenen zijn sinds de schepping van de hemelen en de aarde nog niet voorgekomen.” (al-Dāraqutnī, “Sunan”, 2/65. Deze overlevering is niet per se verzonnen (mawḍūʿ), maar wel ernstig zwak. In de overleveringsketen bevindt zich ʿAmr ibn Shamr, die wordt beschouwd als metrūk al-ḥadīth (iemand wiens overleveringen worden verworpen), omdat hij bekend stond met het verzinnen van overleveringen.)
7.14 De Mahdī die Daylam Berg en Constantinopel in bezit neemt en Antiochië en de Gouden Kerk inneemt
Uitleg van de uitspraak van Allāh:
فَإِذَا جَآءَ وَعۡدُ أُولَىٰهُمَا بَعَثۡنَا عَلَيۡكُمۡ عِبَادٗا لَّنَآ أُوْلِي بَأۡسٖ شَدِيدٖ فَجَاسُواْ خِلَٰلَ ٱلدِّيَارِۚ وَكَانَ وَعۡدٗا مَّفۡعُولٗا ٥
Dus toen de belofte van de eerste van de twee in vervulling kwam, stuurden Wij tot jullie Onze dienaren die jullie een verschrikkelijke oorlog gaven. Zij kwamen in het allerbinnenste van jullie huizen. En het was een belofte die vervuld werd. (al-Isrāʾ, 17:5)
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als er van deze wereld nog slechts één dag over is vóór het aanbreken van de Qiyāmah, zal Allāh die dag zeker verlengen totdat er een man uit mijn Ahl al-Bayt komt die Daylam Berg en Constantinopel in bezit neemt (verovert).” (Ibn Mājah, 2779. al-Buṣīrī heeft vermeld dat de isnād van deze ḥadīth betwistbaar is. Onder de overleveraars bevindt zich Qays ibn Rabīʿ, die door Aḥmad ibn Ḥanbal, Ibn al-Madīnī, Waqīʿ, an-Nasāʾī en ad-Dāraqutnī als zwak is beoordeeld.)
Van Ḥudhayfah (رضي الله عنه), Nadat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), de volgende āyah reciteerde:
إِنَّمَا جَزَٰٓؤُاْ ٱلَّذِينَ يُحَارِبُونَ ٱللَّهَ وَرَسُولَهُۥ وَيَسۡعَوۡنَ فِي ٱلۡأَرۡضِ فَسَادًا أَن يُقَتَّلُوٓاْ أَوۡ يُصَلَّبُوٓاْ أَوۡ تُقَطَّعَ أَيۡدِيهِمۡ وَأَرۡجُلُهُم مِّنۡ خِلَٰفٍ أَوۡ يُنفَوۡاْ مِنَ ٱلۡأَرۡضِۚ ذَٰلِكَ لَهُمۡ خِزۡيٞ فِي ٱلدُّنۡيَاۖ وَلَهُمۡ فِي ٱلۡأٓخِرَةِ عَذَابٌ عَظِيمٌ ٣٣
De vergelding voor degenen die een oorlog tegen Allāh en Zijn Boodschapper aangaan en ellende over het land brengen, is slechts dat zij gedood of gekruisigd worden, of hun handen en voeten worden aan tegengestelde kanten afgehakt, of zij worden uit het land verbannen. Dat is hun vernedering in deze wereld en een grote bestraffing behoort hen toe in het Hiernamaals. (Māidah, 5:33)
zei hij: “Daarna zullen de Mahdī en de moslims die met hem zijn naar de stad Antiochië gaan. Deze stad is een grote stad aan de kust van de zee. Zij zullen daar drie keer takbīr opzeggen, waarna Allāh met Zijn kracht de muren aan de zeekant zal laten instorten.
Zij zullen de mannen doden en de vrouwen en kinderen gevangennemen, hun bezittingen in bezit nemen en vervolgens zal de Mahdī daar de controle overnemen en daar masājid bouwen. Hij zal de woongebieden van de moslims herstellen en de vloot mobiliseren. Daarna zullen zij optrekken naar Byzantium, Constantinopel en de Gouden Kerk. Onverwacht zullen zij een aanval uitvoeren op Constantinopel en Rome (het Byzantijnse Rijk) en daar oorlog voeren en vierduizend strijders doden. Daar zullen zij zeventigduizend meisjes onteren en vele steden en forten innemen. De bezittingen van de mensen daar zullen worden afgenomen, de mannen gedood en de vrouwen en kinderen gevangen genomen. Vervolgens zullen zij naar de Gouden Kerk gaan, waar zij grote schatten zullen vinden. In de Gouden Kerk zal de Mahdī bezittingen vinden en in bezit nemen, en hij zal ze vervolgens volledig terugsturen naar Bayt al-Maqdis.
Van Huzayfah (رضي الله عنه): Ik zei tegen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “O Rasûlullāh, Bayt al-Maqdis heeft bij Allāh een zeer grote betekenis en waarde. Over zijn grootsheid en majesteit valt niets te zeggen.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Dat bouwwerk was het meest waardevolle van alle bouwwerken en het meest majestueuze en schitterende. Allāh liet het bouwen door de hand van Sulayman (عليه السلام), de zoon van Dâwûd (عليه السلام). Want Allāh had de djinns onder zijn bevel gesteld. De djinns brachten voor hem goud en zilver uit de gouden zilverertsen. En zij brachten hem edelstenen, juwelen, robijnen en smaragden door in de zeeën te duiken en die eruit te halen. Allāhu (سبحانه وتعالى) zegt in de Qur’ān hierover:
وَٱلشَّيَٰطِينَ كُلَّ بَنَّآءٖ وَغَوَّاصٖ ٣٧
En ook de duivelse Djinn, allen waren (vakkundige) bouwers en (parel)duikers. (Sâd, 37)
Met andere woorden: de djinns brachten deze kostbaarheden en hij bouwde daarmee die bouwwerken.
Hij had een paleis van goud en een ander paleis van zilver. De zuilen van het ene waren van goud en de zuilen van het andere waren van zilver. Sulayman (عليه السلام) versierde de binnenen buitenkant van deze paleizen met robijnen, parels en smaragden. Allāh had de djinns onder zijn bevel gesteld en zij bouwden voor hem deze verschillende paleizen.
Huzeyfe (رضي الله عنه) vervolgde: Ik vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “O Rasûlullāh, hoe heeft de Byzantijnse keizer Kayser dit allemaal uit Bayt al-Maqdis kunnen wegnemen?” Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Toen de Israëlieten in opstand kwamen en hun anbiya doodden, stuurde Allāh de Babylonische koning, de zoroastrische Buhtunnasr, over hen. Deze koning heerste 700 jaar. En daarop doelt ook het volgende āyah:فَإِذَا جَآءَ وَعۡدُ أُولَىٰهُمَا بَعَثۡنَا عَلَيۡكُمۡ عِبَادٗا لَّنَآ أُوْلِي بَأۡسٖ شَدِيدٖ فَجَاسُواْ خِلَٰلَ ٱلدِّيَارِۚ وَكَانَ وَعۡدٗا مَّفۡعُولٗا ٥
Dus toen de belofte van de eerste van de twee in vervulling kwam, stuurden Wij tot jullie Onze dienaren die jullie een verschrikkelijke oorlog gaven. Zij kwamen in het allerbinnenste van jullie huizen. En het was een belofte die vervuld werd. (Isrâ, 17:5)
Buhtunnasr en zijn leger trokken Bayt al-Maqdis binnen; zij doodden de mannen en namen de vrouwen en kinderen gevangen. Zij plunderden de bezittingen en namen alles in beslag wat daar was. De kostbaarheden en bezittingen die zij buitmaakten laadden zij op zeventigduizend wagens en brachten ze naar Babel. Daar maakten de Babyloniërs de Israëlieten tot slaven en lieten hen allerlei vernedering, kwelling en onderdrukking ondergaan.
Zo leefden de Israëlieten onder hun juk in een zware staat van vernedering en onderdrukking.”
Uiteindelijk ontfermde Allāhu (سبحانه وتعالى) Zich over hen en had Hij medelijden met hen. Hij openbaarde aan een van de Perzische koningen (of aan een engel die belast was met het gebied van Perzië) dat hij moest optrekken tegen de zoroastriërs in het land Babel en dat hij wat zij van de Israëlieten hadden buitgemaakt van hen moest terugnemen. Op basis van deze openbaring en opdracht trok die koning (of engel) tegen hen op en trok het land Babel binnen. Daar nam hij alles terug wat de zoroastriërs van de Israëlieten hadden buitgemaakt en wat er nog van over was. Ook nam hij de kostbare juwelen, sieraden en versieringen terug die zij uit Bayt al-Maqdis hadden meegenomen en bracht die, zoals het vroeger was, weer terug naar Bayt al-Maqdis.
Die koning (of engel) zei toen tegen hen: “O Israëlieten, als jullie opnieuw in opstand komen tegen Allāh, dan zullen wij jullie opnieuw in gevangenschap brengen en doden.” En dat is wat wordt bedoeld in de volgende āyah:
عَسَىٰ رَبُّكُمۡ أَن يَرۡحَمَكُمۡۚ وَإِنۡ عُدتُّمۡ عُدۡنَاۚ وَجَعَلۡنَا جَهَنَّمَ لِلۡكَٰفِرِينَ حَصِيرًا ٨
Het kan zijn dat jullie Heer jullie genadig is, maar als jullie terugkeren, dan zullen Wij (tot Onze bestraffing) terugkeren. En Wij hebben de Hel tot een gevangenis van de ongelovigen gemaakt. (Isrâ, 17:8)
Hiermee wordt bedoeld: als jullie opnieuw in opstand komen, zullen Wij jullie opnieuw straffen.
Toen de Israëlieten terugkeerden naar Bayt al-Maqdis, keerden zij opnieuw terug naar ongehoorzaamheid en zonden. Toen stelde Allāh de Byzantijnse koning Kayser weer over hen aan. En dat is wat wordt aangegeven in de āyah:
إِنۡ أَحۡسَنتُمۡ أَحۡسَنتُمۡ لِأَنفُسِكُمۡۖ وَإِنۡ أَسَأۡتُمۡ فَلَهَاۚ فَإِذَا جَآءَ وَعۡدُ ٱلۡأٓخِرَةِ لِيَسُـُٔواْ وُجُوهَكُمۡ وَلِيَدۡخُلُواْ ٱلۡمَسۡجِدَ كَمَا دَخَلُوهُ أَوَّلَ مَرَّةٖ وَلِيُتَبِّرُواْ مَا عَلَوۡاْ تَتۡبِيرًا ٧
Zeggende: “Als jullie goed doen, doen jullie goed voor jullie zelf, en als jullie kwaad doen (doen jullie dat) tegen jezelf.” Toen de tweede belofte kwam voor de vervulling, (zonden Wij andere volkeren) om jullie met schande te treffen en de Moskee (van Sulayman (عليه السلام) binnen te treden, zoals zij het reeds eerder binnentraden, en om alles wat zij veroverd hadden te verwoesten.” (Isrâ,17: 7)
De keizer van Byzantium belegerde hen van land en van zee en vocht met hen. Zij namen een deel van hen gevangen en doodden een deel. Zij plunderden hun bezittingen en namen hun vrouwen mee. Ook namen zij alles wat waardevol was in Bayt al-Maqdis, zoals sieraden en juwelen, in beslag. Wat zij buitmaakten laadden zij op zeventigduizend wagens en brachten het weg; vervolgens plaatsten zij alles in de “Gouden Kerk”. Al die kostbaarheden bevinden zich daar nog steeds in hun bezit en zullen daar blijven totdat de Mahdī komt, ze in handen krijgt en ze terugbrengt naar Bayt al-Maqdis.
Met de komst van de Mahdī zullen de moslims de overweldigende macht krijgen over de polytheïsten en hen volledig overwinnen. Op dat moment zal Allāhu (سبحانه وتعالى) tegen hen de Byzantijnse koning sturen, die behoort tot de nakomelingen van Herakleios.
(Deze overlevering heb ik niet in deze exacte vorm op een andere plaats kunnen vinden.
Echter, ad-Dānī heeft een vergelijkbare overlevering geciteerd in zijn boek “as-Sunan al-Wārida fī al-Fitan”. Ook dit is opnieuw een vrij lange overlevering die wordt overgeleverd met gebruik van de naam van Huzeyfe (رضي الله عنه). Desondanks is deze overlevering in elk geval verzonnen.)
Dit is, zoals eerder in de ḥadīth is vermeld, volledig opgenomen in die ḥadīth; daar kan men het terugvinden. En Allāh weet het het beste.
7.15 De herovering van Constantinopel. Vanwaar en vanuit welke richting het zal worden veroverd en dat de verovering een teken zal zijn van de verschijning van Dajjāl, de nederdaling van an-Nabī Îsā (عليه السلام) en de dood van Dajjāl door an-Nabī Îsā (عليه السلام)
Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De Qiyāmah zal niet aanbreken totdat de Romeinen landen bij een plaats die Amâq of Dâbiq (plaatsnamen in de buurt van Aleppo) wordt genoemd. Op die dag zal een leger uit Madīnah, bestaande uit de beste mensen op aarde, tegen hen optrekken.
Wanneer dit leger zich in slagorde tegenover de vijand opstelt, zullen de Romeinen zeggen: ‘Haal degenen weg die zich tussen ons en hen bevinden en die van ons gevangen zijn genomen (of die van ons zijn en hen gevangen hebben genomen), zodat wij met hen kunnen vechten.’ De moslims zullen zeggen: ‘Bij Allāh, wij zullen nooit een scheiding maken tussen jullie en onze broeders.’ Vervolgens gaan zij de strijd met de Romeinen aan.
Daarop vlucht een derde van het islamitische leger; Allāh zal hun berouw nooit meer accepteren. Een derde wordt gedood als martelaren; zij zijn de meest waardevolle martelaren bij Allāh. De overgebleven derde blijft vechten voor de verovering en zij raken nooit in verdeeldheid of fitnah onder elkaar. Zij zijn degenen die Constantinopel zullen veroveren.
Terwijl zij hun wapens aan de takken van olijfbomen hebben gehangen en de buit aan het verdelen zijn, roept de shayṭān plotseling een kreet: ‘Waarlijk, de Masīḥ Dajjāl heeft jullie achtergelaten gebied en jullie families in handen!’
Zij raken hierdoor in verwarring en vertrekken onmiddellijk. Dit bericht is echter vals.
Wanneer zij in Şam (Syrië) aankomen, maken zij zich gereed voor de strijd en nemen zij slagorde aan. Op dat moment wordt de iqāmah voor de ṣalāh verricht. Juist dan daalt de zoon van Maryam (عليه السلام) neer en komt rechtstreeks naar hen toe. Wanneer de vijand van Allāh (Dajjāl ) hem ziet, begint hij te smelten zoals zout in water smelt. Als `Îsā (عليه السلام) hem met rust zou laten, zou hij volledig wegsmelten tot zijn ondergang. Maar Allāh laat hem doden door de hand van `Îsā (عليه السلام), en hij toont de moslims zijn bloed op de met bloed besmeurde speer van `Îsā (عليه السلام).” (Muslim, 2897/34)
Van ‘Amr b. ‘Avf via zijn vader van zijn grootvader (رضي الله عنهم): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De ṣalāh zal niet plaatsvinden (de Qiyāmah zal niet komen) totdat de kleinste eenheid van de islamitische strijdmacht in een plaats genaamd Bawlah in beweging komt.”
Daarna riep Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) drie keer achter elkaar: “Ali! Ali! Ali!”
Toen antwoordde ‘Alī (رضي الله عنه): “Mijn vader en moeder mogen voor u worden opgeofferd, zeg het, o Rasûlullāh.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Jullie zullen binnenkort tegen de zonen van Asfar (de Romeinen/Byzantijnen) strijden. En degenen die na jullie komen zullen met hen blijven strijden totdat de meest gerenommeerde eenheid van het islamitische leger verschijnt. Deze meest gerenommeerde eenheid zal bestaan uit een leger uit de mensen van de Hidjaz. Het zijn mensen die omwille van Allāh niet bang zijn voor de verwijten van een verwijter. Vervolgens zal deze gemeenschap Constantiniyyah (Istanbul) veroveren met tasbīh en takbīr (zeggend: Subhānallāh en Allāhu Akbar). Zij zullen daar een grote hoeveelheid buit verkrijgen die zij nog nooit eerder op enige plek hebben verkregen. Zij zullen de buit zelfs verdelen met hun schilden.
Op dat moment zullen er mensen komen die zeggen: ‘De Masīh Dajjāl is in jullie land verschenen.’ Weet: dit is een leugenachtig bericht. Degene die het gelooft en degene die het ontkent, zullen uiteindelijk beiden spijt krijgen.” (Ibn Majah, 4094. Deze overlevering komt alleen bij Ibn Majah voor.) (Tirmidhi, 2239. Deze overlevering is qua overleveringsketen ṣaḥīḥ, maar wordt door Tirmidhi als mawqūf overgeleverd.)
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Hebben jullie gehoord van een stad waarvan één kant aan zee ligt en de andere kant aan land?”
De aanwezigen zeiden: “Ja, O Rasûlullāh.”
Hij zei: “Een leger van zeventigduizend van de zonen van Ishāq zal niet tegen de bewoners daarvan vechten voordat de Qiyāmah aanbreekt. Wanneer dit leger daar aankomt, zullen zij niet vechten met wapens of pijlen. Zij zullen alleen zeggen: ‘Lā ilāha illallāh wallāhu akbar.’ Dan zal één zijde van de stad vallen en worden veroverd.”
De overleveraar ath-Thawr zei: “Wat ik weet is dat hij zei dat de kustfacade in hun handen zal vallen.”
Daarna zullen zij opnieuw zeggen: “Lā ilāha illallāh wallāhu akbar.” Dan zal de stad volledig vallen in hun handen vallen en zullen zij binnengaan en veel buit verkrijgen. Terwijl zij de buit aan het verdelen zijn, zal er iemand schreeuwend komen en zeggen: ‘De Dajjāl is verschenen.’ Dan zullen zij alles achterlaten en terugkeren. (Muslim, 2920)
Van Anas bin Mālik (رضي الله عنه) , hij zei: “De verovering van Constantiniyyay zal plaatsvinden samen met het aanbreken van de Qiyāmah. (Tirmidhī, 2239, heeft deze ḥadīth, zoals hier vermeld, als een mawqūf-overlevering doorgegeven en zei: “Deze ḥadīth is een gharīb-ḥadīth.”)
Constantiniyyah is een Byzantijnse stad. Deze stad zal worden veroverd wanneer de Dajjāl verschijnt.
De auteur (رَحِمَهُ اللهُ) vermeldt, zoals ook genoemd in het boek Tārīkh van aṭ-Ṭabarī (4/253-255), dat deze verovering plaatsvond in de tijd van ‘Uthmān (رضي الله عنه). Vervolgens werd in het jaar 27 na Hidjrah Afrika veroverd door het toedoen van ‘Abdullāh b. Abī Sarḥ. Dit vond plaats in de periode waarin ‘Uthmān (رضي الله عنه) ‘Amr b. al-‘Āṣ (رضي الله عنه) als gouverneur over Egypte had aangesteld. ‘Uthmān (رضي الله عنه) zette een gouverneur, die hij had aangesteld, niet af tenzij er klachten over hem waren.
‘Abdullāh b. Abī Sarḥ was een van de mannen van ‘Uthmān (رضي الله عنه), behorend tot zijn leger. ‘Uthmān (رضي الله عنه) stelde hem aan als bevelhebber en stuurde hem met zijn troepen naar Afrika. Tevens stuurde hij ‘Abdullāh b. Nāfi‘ b. ‘Abd al-Qays en ‘Abdullāh b. Nāfi‘ b. Ḥusayn. Beide ‘Abdullāhs behoorden tot de stam Fihr.
Toen Allāh de verovering van Afrika mogelijk maakte, trokken zij verder richting al-Andalus en betraden het via de kust.
‘Uthmān (رضي الله عنه) schreef aan de persoon die hij had aangesteld over de bevolking van al-Andalus de volgende brief: “Wat daarna volgt: Constantiniyyah zal worden veroverd vanuit al-Andalus. Als jullie het veroveren, dan zullen jullie delen in de beloning van degenen die het zullen veroveren.”
Er wordt gezegd: “Constantiniyyah werd in die tijd veroverd.” Echter, zoals vermeld in de ḥadīth en eerdere overleveringen, zal deze stad in een andere tijd opnieuw worden veroverd. Een van onze geleerden zei dat de eerder genoemde ḥadīth van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) wijst op een verovering door middel van oorlog, terwijl de ḥadīth die door Ibn Mājah is overgeleverd het tegenovergestelde aangeeft. De twee overleveringen lijken elkaar tegen te spreken. Allāh weet het het beste.
Ik zeg: mogelijk zal de Mahdī deze stad twee keer veroveren. De eerste keer zal hij haar met oorlog veroveren, en de tweede keer met takbīr (Allāhu akbar). Evenzo zal hij ook de Gouden Kerk tweemaal veroveren.
Zoals eerder vermeld: wanneer de Mahdī in al-Maghrib verschijnt, zullen de mensen van al-Andalus naar hem komen en zeggen: “O vriend (walī) van Allāh! Help het schier)eiland al-Andalus, want het is verloren gegaan, evenals de zeestraat. De mushriks en kāfirs onder de Byzantijnen hebben deze gebieden ingenomen.”
Daarop zal de Mahdī brieven sturen naar alle stammen van al-Maghrib, zoals Kazūlah, Hazālah, Fazālah en andere stammen. Hij zal hen oproepen om de dīn van Allāh en de sharī‘ah van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) te ondersteunen. Op deze oproep zullen mensen van alle kanten naar hem toe komen en hem gehoorzamen.
7.16 Zij handelen overeenkomstig zijn bevel.
Aan het hoofd van het leger zal de leider van de regio Khartūm staan. Hij was tevens de eigenaar van een snelle kameel en een van de naaste metgezellen van de Mahdī. Hij was iemand die de Islām oprecht diende en werkelijk een vriend van Allāh was. Op dat moment zullen tachtigduizend mensen, zowel te voet als te paard, hem bay‘ah afleggen. Dit zijn mensen met wie Allāh tevreden is. Allāhu Ta‘ālā zegt in de Qur’ān:
رَضِيَ ٱللَّهُ عَنۡهُمۡ وَرَضُواْ عَنۡهُۚ أُوْلَٰٓئِكَ حِزۡبُ ٱللَّهِۚ أَلَآ إِنَّ حِزۡبَ ٱللَّهِ هُمُ ٱلۡمُفۡلِحُونَ ٢٢ … Allāh is vergenoegd met hen en zij zijn vergenoegd met Hem. Zij zijn degenen die van de groep van Allāh zijn. Waarlijk, het is de groep van Allāh die zal slagen. (Mujādalah, 58:22) Zij hebben hun leven verkocht aan Allāh, en Allāh is de Bezitter van de grootste genade en weldaden.
Vervolgens zullen zij de zee oversteken en Sevilla tot aan Ḥimṣ bereiken. Al-Mahdī zal op de mimbar van al-Masjid al-Jāmi‘ (de Grote Moskee) zitten en daar een zeer welsprekende toespraak houden. De mensen van al-Andalus zullen komen, en alle moslim bevolking die zich daar bevindt zullen de Mahdī bay‘ah afleggen.
Daarna zullen zij, samen met alle moslims, optrekken naar de landen, met name naar het land van de Rūm (Byzantijnen). In deze periode zullen zij ongeveer zeventig steden van de Rūm veroveren. Deze steden zullen zij onverwachts aanvallen uit de handen van de vijand veroveren. (Hier eindigt de ḥadīth.)
In de ḥadīth komen ook de volgende woorden voor: “Daarna zullen de Mahdī en degenen die met hem zijn, samen in de Gouden Kerk de ṣalāh verrichten. In deze kerk zullen zij veel rijkdom aantreffen. Al-Mahdī zal deze bezittingen in beslag nemen en ze vervolgens eerlijk onder de mensen verdelen.
Daarna zullen zij in de kerk de Tābūt (de Kist), genaamd as-Sakīnah, vinden. In deze kist zal de ghifārah (hoofdbedekking) van ‘Īsā (عليه السلام) en de staf van Mūsā (عليه السلام) gevonden worden. Deze staf is degene die Ādam (عليه السلام) bij zich had toen hij uit het Paradijs werd neergezonden naar de aarde.
Toen de Byzantijnse koning Kayser Bayt al-Maqdis veroverde, nam hij deze staf mee samen met andere bezittingen en gevangenen, en liet hij alles naar zijn land overbrengen. Kayser bracht al deze zaken naar de Gouden Kerk. Sindsdien is het daar gebleven tot de komst van de Mahdī. Wanneer de Mahdī komt, zal hij het uit de kerk halen. Wanneer de moslims de staf in handen krijgen, zal er onder hen onenigheid ontstaan. Elke groep zal aanspraak maken op de staf en willen dat deze aan hen wordt toegewezen.
Wanneer Allāh wil dat alle moslims van al-Andalus hierin een aandeel krijgen, zal Hij hun meningen ongeldig maken. Zelfs de mensen met inzicht zullen hun helderheid van verstand verliezen en niet meer correct kunnen denken. Vervolgens zullen zij de staf in vier delen verdelen. Elk leger zal een deel nemen, omdat er op dat moment vier legers onder de moslims zullen zijn.
Wanneer zij dit doen, zal Allāh hen de overwinning ontnemen en hen zonder hulp achterlaten. Vanaf dat moment zal er onder hen onenigheid over deze kwestie ontstaan.
Ka‘b al-Aḥbār zei: “In die situatie zullen de mushriks de overhand krijgen over de moslims. Zij zullen hen tot aan de zee achtervolgen. Daar zal Allāh een engel in de gedaante van een kameel voor hen laten verschijnen. Deze kameel zal hen overzetten via de brug die door Dhū al-Qarnayn (عليه السلام) is gebouwd, want hij had die brug juist voor dit doel gebouwd.
De mensen zullen zo oversteken, terwijl de Rūm hen blijven achtervolgen, totdat zij het gebied van Fārs bereiken. Dit zal zo doorgaan: telkens wanneer de moslims een land verlaten en naar een ander trekken, zullen de mushriks hen blijven volgen. Zo zullen zij, terwijl de Rūm hen achtervolgen, uiteindelijk tot in Miṣr (Egypte) aankomen.”
In een overlevering van Ḥudhayfah (رضي الله عنه) wordt gezegd: “Zij zullen Miṣr veroveren tot aan al-Fayyūm, en daarna zullen zij terugkeren.”
Allāh weet het het beste.
7.17 ekenen van de Qiyāmah
Wat betreft het moment waarop de Qiyāmah zal plaatsvinden: niemand behalve Allāhu (سبحانه وتعالى) heeft daarvan kennis. In de bekende ḥadīth van Jibrīl is hierover reeds gezegd: “De ondervraagde (Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) weet hierover niet meer dan degene die de vraag stelt (Jibrīl).” (al-Bukhārī, 4777; Muslim, Īmān 8/1 en 9/5; Abū Dāwūd, 4695; at-Tirmiḏī, 2610; an-Nasā’ī, 4990; Ibn Mājah, 63)
Ash-Sha‘bī heeft deze ḥadīth ook overgeleverd, waarin wordt vermeld dat Jibrīl (عليه السلام), toen hij ‘Īsā (عليه السلام) ontmoette, door hem werd gevraagd: “Wanneer zal de Qiyāmah plaatsvinden?”
Daarop begon Jibrīl (عليه السلام) te beven binnen zijn vleugels en zei: “Degene die wordt gevraagd over de Qiyāmah weet niet meer dan degene die het vraagt. Het is een gebeurtenis die zwaar zal zijn voor de hemelen en de aarde en het zal jullie onverwachts overkomen.” (Abū Nu‘aym ibn Ḥammād heeft dit overgeleverd in al-Fitan (1781)
…Van Ḥudhayfah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er zijn tekenen van het naderen van de Qiyāmah.” Toen hem werd gevraagd: “Wat zijn die tekenen?” Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Dat de stemmen van de fāsiqs (zondaren) in de moskeeën verheven worden (het woord voeren) en dat de mensen van het kwaad de overhand krijgen over de mensen van het goede.”
Een bedoeïen vroeg: “O Rasûlullāh, wat beveelt u mij te doen (in zo’n tijd)?” Hij zei: “Laat hen met rust en blijf in je huis, gewikkeld in je kleden.”(Abū Nuʿaym heeft dit overgeleverd in zijn werk Hilyat al-Awliyāʾ (5/187–188). Ibn Abī al-Dunyā heeft het eveneens overgeleverd in zijn werk al-ʿUzlah (p. 193), eveneens via Makhūl als een mursal-overlevering.)
Deze overlevering via Makḥūl is een gharīb-overlevering. Wij hebben deze ḥadīth niet rechtstreeks van Makḥūl zelf op deze manier opgeschreven, maar slechts overgeleverd via Ḥamzah an-Nusaybī van Makḥūl.
Onze geleerden stellen dat het verschijnen van tekenen vóór de Qiyāmah bedoeld is als een waarschuwing voor de mensen.
Het is bedoeld om hen uit hun achteloosheid te doen ontwaken, zodat zij beseffen wat er komt. Het doel is om hen aan te zetten tot berouw en terugkeer naar de waarheid. Zo worden zij gewaarschuwd om niet plotseling, zonder voorbereiding, door deze gebeurtenis te worden overvallen vanwege de belemmeringen die hen kunnen afleiden. Wat van de mensen wordt gevraagd, is dat zij bij het verschijnen van de tekenen van de Qiyāmah hun eigen toestand onder ogen zien, waakzaam en voorbereid zijn, en zichzelf eraan herinneren wat op hen afkomt.
Wanneer deze tekenen zich manifesteren, behoren zij hun verbondenheid met de wereld te verminderen en zich voor te bereiden op de Dag van de Qiyāmah die Allāh onvermijdelijk heeft beloofd. Allāh weet het het beste.
Deze grote tekenen wijzen erop dat het einde van de wereld nabij is. Enkele daarvan zijn: - de verschijning van de Dajjāl, - de nederdaling van ‘Īsā (عليه السلام) en zijn doden van de Dajjāl, - de verschijning van Ya’jūj en Ma’jūj, en - de verschijning van de Dābbatu’l-Arḍ
- het opkomen van de zon uit het westen Dit alles behoort tot deze grote tekenen.
De uitleg van deze belangrijke tekenen zal later worden uiteengezet.
Voorafgaand aan deze grote tekenen zullen ook kleinere tekenen verschijnen, zoals: - het verdwijnen van kennis en de verspreiding van onwetendheid, - de verkoop van rechtspraak (de toename van omkoping), - de verspreiding van muziekinstrumenten en muzikanten, - de toename van alcoholgebruik en het openlijk drinken ervan, - vrouwen die zich beperken tot vrouwen en mannen tot mannen (toename van homoseksualiteit), - het bouwen van hoge gebouwen, - het versieren van moskeeën en masjids (kleine gebedshuizen) met ornamenten, - het aanstellen van jongvolwassenen worden benoemd tot overheids‑ en bestuursposities, - het vervloeken van de latere generaties van deze ummah door de voorgaande generaties en met vervloeking gedenken
- en de toename van chaos en fitnah.
Na het duidelijk worden van al deze berichten bestaat er bij het doorgeven van waarschuwende overleveringen een zekere noodzaak en verplichting, maar het is noodzakelijk dat zij worden vermeld, zodat mensen erover kunnen nadenken. Zo wordt duidelijk dat alles wat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ons heeft bericht de waarheid is, en dat zijn wonderen één voor één werkelijkheid worden.
7.18 “De afstand tussen mij en de Qiyāmah is als de ruimte tussen deze twee vingers”
Van Anas (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bracht zijn wijsvinger en middelvinger samen en zei: “De tijd tussen mijn zendig (als nabī) en het Uur (aanbreken van de Qiyāmah) is als de afstand tussen deze twee vingers.” (al-Bukhārī (4936, 5301, 6503, 6505); Muslim (2951); at-Tirmiḏī (2214) via Anas (رضي الله عنه); Ibn Mājah (4040) via Abū Hurayrah (رضي الله عنه)
De ḥadīth is bovendien via meerdere ketens overgeleverd door al-Bukhārī, Muslim, at-Tirmiḏī en Ibn Mājah; hoewel de bewoordingen verschillen, is de betekenis dezelfde. Het “Uur” verwijst naar de Qiyāmah, en het wordt zo genoemd vanwege de snelheid waarmee het zal aanbreken.
Zoals in de āyāt wordt vermeld:
فَهَلۡ يَنظُرُونَ إِلَّا ٱلسَّاعَةَ أَن تَأۡتِيَهُم بَغۡتَةٗۖ ١٨
Zij (de ongelovigen) wachten slechts op het uur dat plotseling tot hen zal komen… (Muhammad, 47:18)
وَلِلَّهِ غَيۡبُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِۚ وَمَآ أَمۡرُ ٱلسَّاعَةِ إِلَّا كَلَمۡحِ ٱلۡبَصَرِ أَوۡ هُوَ أَقۡرَبُۚ إِنَّ ٱللَّهَ عَلَىٰ كُلِّ شَيۡءٖ قَدِيرٞ ٧٧
En aan Allāh behoort het onzichtbare van de hemelen en de aarde. En de zaak van de Qiyāmah is niets dan het knipperen van het oog of zelfs minder. Waarlijk! Allāh is tot alle zaken in staat. (Nahl, 16:77)
ٱقۡتَرَبَ لِلنَّاسِ حِسَابُهُمۡ وَهُمۡ فِي غَفۡلَةٖ مُّعۡرِضُونَ ١
De afrekening is voor de mensheid dichtbij gekomen terwijl zij zich achteloos afkeren. (Anbiyā, 21:1)
ٱقۡتَرَبَتِ ٱلسَّاعَةُ وَٱنشَقَّ ٱلۡقَمَرُ ١
Het uur is nabij en de maan is gespleten. (Qamar, 54:1)
Er wordt overgeleverd dat toen de āyah:أَتَىٰٓ أَمۡرُ ٱللَّهِ فَلَا تَسۡتَعۡجِلُوهُۚ سُبۡحَٰنَهُۥ وَتَعَٰلَىٰ عَمَّا يُشۡرِكُونَ ١
De beslissing van Allāh komt (zeker), probeer het dus niet te versnellen. Verheerlijkt en verheven is Hij boven alles wat zij als deelgenoten met Hem verenigen. (Nahl 16:1) werd geopenbaard, sprong Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op uit zijn plaats, maar toen het vervolg “niet te versnellen” werd geopenbaard, ging hij weer zitten. (as-Suyūṭī, ad-Durr al-Manthūr, 5/107–108)
Volgens sommige geleerden was zijn opspringen uit vrees voor de nabijheid van de Qiyāmah. Volgens ad-Ḍaḥḥāk en al-Ḥasan is de eerste teken van de Qiyāmah de komst van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم). (as-Suyūṭī, ad-Durr al-Manthūr, 4/109; toegeschreven aan Ibn Mardawayh)
ʿAlī (رضي الله عنه) zei: “Een van de tekenen van de Qiyāmah is de toename van aambeien en plotselinge sterfgevallen.”(Er is geen informatie beschikbaar over welke geleerden deze overlevering hebben gecontroleerd. De genoemde overleveringsketen is echter zwak (daʿīf). Bovendien is de overlevering onderbroken (munqaṭiʿ), omdat ʿAlī b. al-Ḥusayn, bekend als Zayn al-ʿĀbidīn, deze niet rechtstreeks van zijn grootvader ʿAlī b. Abī Ṭālib (رضي الله عنه) heeft kunnen horen, aangezien hij hem niet heeft ontmoet en niet in zijn tijd heeft geleefd.)
Wanneer wordt gezegd: “an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vroeg aan Jibrīl (عليه السلام) wanneer de Qiyāmah zal plaatsvinden, waarop hij antwoordde: ‘Degene die ernaar wordt gevraagd weet hierover niet meer dan degene die het vraagt’,” dan blijkt hieruit dat ook Jibrīl geen kennis heeft van het tijdstip van het aanbreken van de Qiyāmah.
Aan de andere kant, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De tijd tussen mijn zendig (als nabī) en het aanbreken van de Qiyāmah is als de afstand tussen deze twee vingers.” (al-Bukhārī (4936, 5301, 6503–6505); Muslim (2951); at-Tirmiḏī (2214), overgeleverd via Anas (رضي الله عنه); Ibn Mājah (4040), overgeleverd via Abū Hurayrah (رضي الله عنه) dan lijkt dit te suggereren dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wel enige kennis heeft over de nabijheid van de Qiyāmah. Hoe kunnen deze twee ḥadīth-teksten dan met elkaar worden verzoend? Daarop wordt geantwoord:
De Qurʾān stelt dit principe duidelijk vast in de āyah van onze Rab:
يَسۡـَٔلُونَكَ عَنِ ٱلسَّاعَةِ أَيَّانَ مُرۡسَىٰهَاۖ قُلۡ إِنَّمَا عِلۡمُهَا عِندَ رَبِّيۖ لَا يُجَلِّيهَا لِوَقۡتِهَآ إِلَّا هُوَۚ ثَقُلَتۡ فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِۚ لَا تَأۡتِيكُمۡ إِلَّا بَغۡتَةٗۗ يَسۡـَٔلُونَكَ كَأَنَّكَ حَفِيٌّ عَنۡهَاۖ قُلۡ إِنَّمَا عِلۡمُهَا عِندَ ٱللَّهِ وَلَٰكِنَّ أَكۡثَرَ ٱلنَّاسِ لَا يَعۡلَمُونَ ١٨٧
Zij vragen jou (O Mohammed) over de Qiyāmah: “Wanneer zal de aangewezen tijd zijn?” Zeg: “De kennis daarvan is (alleen) bij mijn Heer. Niemand kan daar de tijd van openbaren, behalve Hij. Zwaar is de last voor de hemelen en de aarde. Het zal onverwachts over jullie komen.” Zij vragen jou alsof jij daar goede kennis van hebt. Zeg: “De kennis daarvan is (alleen) bij Allāh, maar de meeste mensen weten het niet.” (Aʿrāf, 7:187)
En ook:
فَهَلۡ يَنظُرُونَ إِلَّا ٱلسَّاعَةَ أَن تَأۡتِيَهُم بَغۡتَةٗۖ فَقَدۡ جَآءَ أَشۡرَاطُهَاۚ فَأَنَّىٰ لَهُمۡ إِذَا جَآءَتۡهُمۡ ذِكۡرَىٰهُمۡ ١٨
Zij (de ongelovigen) wachten slechts op het uur dat plotseling tot hen zal komen. Maar sommigen van haar voorboden zijn reeds gekomen. En als het tot hen komt, hoe kunnen zij dan nog hun vermaning krijgen? (Muḥammad, 47:18)
Hieruit blijkt dat de tijd van de Qiyāmah uitsluitend bij Allāh bekend is. Noch Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), noch enig ander schepsel heeft daar kennis van. Dit is een vaststaand principe dat door de Qurʾān wordt bevestigd.
Wat betreft de ḥadīth: “De tijd tussen mijn zendig (als nabī) en het aanbreken van de Qiyāmah is als de afstand tussen deze twee vingers.” de betekenis daarvan is dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de laatste Nabī is. Net zoals er na de middelvinger geen extra middelvinger meer komt, zo zal er na hem geen enkele nabī meer komen. Tussen de wijsvinger en de middelvinger bevindt zich geen andere vinger; zo is er ook na hem geen tussenliggende nabī meer.
Dit betekent niet dat hij kennis had van het exacte tijdstip van de Qiyāmah. Het betekent wel dat de wereld zijn laatste fase is ingegaan en dat de Qiyāmah nabij is, aangezien de voortekenen van de Qiyāmah elkaar snel opvolgen.
Allāh heeft in de Qurʾān al gewezen op de voortekenen van de Qiyāmah:
“Maar sommigen van haar voorboden zijn reeds gekomen.” (zie hierboven, Muḥammad, 47:18)
De eerste van deze tekenen is Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zelf, omdat hij de Nabī van de eindtijd is. Allāh heeft hem als laatste gezonden en na hem zal er geen nabī meer komen tot aan het aanbreken van de Qiyāmah.
Vervolgens heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) enkele voortekenen van de Qiyāmah genoemd, waaronder: “dat een slavin haar meesteres zal baren.” (al-Bukhārī (4777); Muslim, Kitāb al-Īmān (8/1 en 9/5); Abū Dāwūd (4695); at-Tirmiḏī (2610); an-Nasāʾī (4990); Ibn Mājah (63). In een andere overlevering komt het voor in de bewoording: “dat een slavin haar eigen meester zal baren.”)Daarna worden nog andere tekenen genoemd, zoals verder zal worden uitgelegd in de volgende hoofdstukken, met de wil van Allāh.
7.19 Uitleg over Dhū al-Khalasa
In de Ṣaḥīḥ al-Bukhārī en Ṣaḥīḥ Muslim staat een authentieke ḥadīth over Dhū al-Khalasa. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stuurde Jarīr ibn ʿAbdullāh al-Bajalī (رضي الله عنه) om dit afgodenhuis te vernietigen.
Jarīr (رضي الله عنه) zei: “Ik trok ernaartoe met 150 ruiters van de stam Ahmas. Wij hebben dat afgodenhuis afgebroken en vernietigd. En de mannen die wij daar aantroffen hebben wij gedood.” (al-Bukhārī, 3823; Muslim, 2476)
Abū al-Khaṭṭāb Ibn Diḥyah zei: Dhū al-Khalasa was een afgodenhuis waarin de afgoden stonden die werden aanbeden door de stammen Daws, Khathʿam, Bujaylah en andere Arabische stammen die zich daar hadden gevestigd. Er wordt ook gezegd dat het zelf een afgod was. Deze afgod werd opgericht door ʿAmr ibn Luḥay in de lagere regio’s van Makkah, en op andere plaatsen werden eveneens afgoden opgericht. Zij hingen kettingen om deze afgod en hingen er struisvogeleieren aan. Zij brachten er offers bij de afgodsbeeld.
Volgens een andere uitleg werd Dhū al-Khalasa door de Jemenieten beschouwd als hun “Kaʿbah”. De naam zou zijn gegeven omdat zij het aanbidden ervan beschouwden als iets zuivers en oprechts.
Het vermelden van deze ḥadīth in deze context wijst erop dat de mensen van Jemen opnieuw zouden afwijken van de Islām en zouden terugkeren naar de afgoderij van de jāhiliyyah. Vrouwen van de stam Daws zouden aan het Einde der Tijden in groepen komen en rondom deze plaats ommegang verrichten, waarbij zij zich bewegen alsof zij ṭawāf uitvoeren. Dit zal plaatsvinden nadat er niemand meer overblijft in wiens hart zelfs het gewicht van een mosterdzaadje īmān aanwezig is, zoals ook is overgeleverd in de ḥadīth van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De dagen en de nachten zullen zich uitstrekken, totdat zij opnieuw aan Lat en Uzza zullen aanbidden.” (Muslim, 2907) Dit betekent dat de Qiyāmah niet zal plaatsvinden totdat de afgoden Lat en al-ʿUzzā weer worden aanbeden.
In een eerder genoemde ḥadīth staat: “Hij zal hen leiden met zijn staf.” Dit is een beeldspraak die betekent dat hij de mensen zal sturen en naar één punt zal samenbrengen. Het betekent niet letterlijk dat hij hen met een stok zal drijven, maar dat hij gezag over hen zal hebben en hen zal leiden. Dit is slechts een voorbeeld.
Het betekent dat hij de mensen zal leiden en ervoor zorgen dat zij hem gehoorzamen en zich onder zijn gezag scharen. Het noemen van de staf in de ḥadīth duidt er bovendien op dat hij ook een harde houding zal aannemen en, wanneer nodig, dwang zal gebruiken tegenover hen.
Er is ook gezegd dat deze persoon met zijn staf de mensen zal leiden en besturen, net zoals men met kamelen en andere dieren richting geeft. Dit duidt erop dat hij met grote strengheid zal optreden en vijandig zal handelen.
Sommigen hebben gezegd dat deze persoon, de Qaḥṭānī, mogelijk dezelfde is als de man genaamd Jahjāḥ. Het woord “Jahjahah” verwijst naar het roepen van roofdieren; het betekent iemand die wilde dieren met zijn stem wegjaagt. Dit past bij de betekenis van zijn naam. Het noemen van de staf draagt ook een symbolische betekenis die past bij zijn naam en rol.
VanʿĀiz b. ʿAmr (رضي الله عنه), een van degenen die bij de boom onder an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de eed van trouw aflegden tijdens Verdrag van Hudaybiyyah, hij hoorde Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) het volgende zeggen: “Zeker, de slechtste herders (bestuurders) zijn degenen die hard en gewelddadig omgaan met degenen die onder hun gezag staan.” (Muslim, 1830)
Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) gebruikte hier de vergelijking met een herder om slechte bestuurders te beschrijven, omdat het woord “ḥuṭama” in de overlevering verwijst het naar een herder die geweld gebruikt tegen de kamelen die onder zijn beheer zijn gegeven, die ze breekt en verscheurt, en die ze schade toebrengt. Zo is ook de toestand van de slechte bestuurders. Daarom vertrouwen mensen hun bezit en zaken niet altijd toe aan zo iemand vanwege de schade die hij kan veroorzaken.
Evenzo zal niemand zijn kamelen toevertrouwen aan zo’n herder, omdat hij hard optreedt bij het leiden en beheren van de dieren.
Wat betreft de overlevering “totdat er een vuur uitbarst in de landen van Ḥijāz”: er is inderdaad een groot vuur verschenen. Dit vuur begon met een grote aardbeving.
Dit gebeurde in de maand Jumādā al-Ākhirah in het jaar 654 AH, in de nacht van woensdag op de derde helft van de maand, en het kalmeerde op vrijdag in de voormiddag. Toen verscheen er een vuur in Córdoba, en dit vuur ontstond in de richting van al-Ḥarra in de vlakte van Tanʿīm. Het was een gebied dat leek op een grote stad, omringd door dorpen en versterkingen. De stad had muren zoals grote forten, met kantelen zoals in kastelen, en torens en minaretten.
Men zag mensen die, zodra zij een berg bereikten terwijl zij onderweg waren, plots neervielen en door de berg als het ware werden “opgelost”.
Uit dit alles kwamen twee rivieren voort: één rood en één blauw. Zij maakten een geluid als donder en sleepten grote rotsblokken en bergen mee, totdat zij een meertje bereikten in de regio van Irak. Wat zij meenamen vormde een enorme massa puin, als een grote berg.
Uiteindelijk bereikte dit vuur de omgeving van Madīnah, waar het tot stilstand kwam. Door de zegen van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) waaide er een koude wind vanuit de omgeving van Madīnah.
Uit dit grote vuur kwam een geluid zoals het koken van de zee en het breken van grote golven. Dit vuur ging verder tot een plaats in Jemen, waar het die nederzetting verbrandde.
Al-Qurtubī zei: ik heb gehoord dat het ook zichtbaar was vanuit Makkah en vanaf de bergen van Buṣrā. Daarna verscheen er opnieuw een lokaal vuur dat het gehele Ḥaram-gebied verbrandde en tot as maakte, totdat zelfs metalen die op pilaren lagen smolten en instortten, terwijl alleen de muren bleven staan.
Daarna namen de Tataren (Mongolen) Baghdad in. Zij doodden sommigen en namen anderen gevangen. Baghdad was de steunpilaar en het hart van de Islām. Vanaf dat moment heerste overal angst; verdriet nam toe en door de Mongoolse invasie waren alle landen in verwarring.
Zonder khaliefah en zonder leider verkeerden de mensen in een toestand van dronkenschap.
De rampspoed nam toe en de fitnah werd steeds groter. Als Allāh’s vergeving, genade en gunst hen niet had bereikt, zou de situatie nog veel erger zijn geworden.
Wat betreft de uitspraak in de ḥadīth: “Het Uur zal niet komen totdat er een vuur verschijnt uit Ḥaḍramawt of uit deze streken”: het is mogelijk dat dit vuur hetzelfde is als het vuur dat wordt genoemd in de overlevering van Ḥudhayfah (رضي الله عنه).
Van Ḥudhayfah (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er is een vuur dat momenteel nog verborgen en sluimerend is, maar op jullie gericht is. Het zal verschijnen uit een vallei die Barhūt wordt genoemd en het zal alle mensen omsluiten. Daarin bevindt zich een uiterst pijnlijke bestraffing. Het zal alles verteren wat er bestaat, zowel bezit als levens. Dit vuur zal binnen acht dagen de hele wereld doorkruisen. Het zal zich voortbewegen zoals de wind en als wolken. De hitte die het ’s nachts verspreidt zal intenser zijn dan die van overdag. Het zal tussen de hemel en de aarde een geluid voortbrengen als een verzengende donderslag. Dit vuur zal van onder de Troon (`Arsh) komen, vanuit een uiterst verre plaats, en zich boven de hoofden van de schepselen bevinden.”
Ḥudhayfah (رضي الله عنه) zei: “O Rasulullah! Zal dat vuur op die dag ook de mu’min mannen en vrouwen treffen en hen verbranden?”Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Zullen er die dag nog mu’min mannen en vrouwen zijn? De mensen van die tijd zullen slechter zijn dan ezels. Zij zullen met elkaar omgaan zoals dieren, zonder huwelijksband. Er zal onder hen geen enkele man zijn die opstaat en zegt: ‘Kom tot bezinning, wat doen jullie?” (Abū Nuʿaym heeft dit overgeleverd in al-Ḥilyah (5/192–193) en Ibn ʿAsākir in Tārīkh Dimashq (64/267). De overlevering is zwak.)
De betekenis die met de uitdrukking “de kwast van zijn zweep” in de hadīth wordt bedoeld, is de beweging die voortkomt uit de zweep zelf tijdens het rijden of het slaan ermee.
In deze ḥadīth ligt ook een waarschuwing voor kāfirs en ontkennende zindiqs onder degenen die zich bezighouden met de geneeskunde. Het gaat hier niet slechts om iets dat betrekking heeft op ontzag of domheid. Echter, Allah (سبحانه وتعالى) schept uit Zijn macht wat Hij wil wanneer Hij wil; dit kan zowel uit levenloze als uit levende wezens zijn. De Barmhartige (ar-Raḥmān) de Schepper is tot alles in staat wat Hij wil. Bovendien hebben stenen en bomen, net als sprekende mensen, an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) begroet met de salām.
(VanʿAlī (رضي الله عنه): “Ik was samen met Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) in Makkah. Wij gingen op een dag op pad en bezochten enkele plekken van Makkah. Overal waar wij een berg tegenkwamen of een boom tegenkwamen, groetten zij hem met de woorden: ‘As-salāmu ʿalayka yā Rasulullah.” (Tirmidhī, 3626; Dārimī, 21)
In Sahih Muslim wordt overgeleverd van Jābir ibn Samurah (رضي الله عنه) dat Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik ken een steen in Makkah die mij begroette voordat ik als Nabī werd gezonden. En ik ken die steen nog steeds.” (Muslim, 2277)
Dit is in vele aḥādīth overgeleverd en vormt een bekende opvatting onder zowel vroegere als latere geleerden van de ʿaqīdah (geloofsleer).
De ḥadīth waarin wordt vermeld dat een rund en een wolf met Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft gesproken. (muttafaqun ʿalayh: Sahih al-Bukhari en Sahih Muslim) Overigens zegt ook Ibn Dihyah hetzelfde
(Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een man reed eens op een os, waarop de os zich tot hem wendde en zei: ‘Ik ben niet geschapen om bereden te worden, maar om het land te bewerken.’”Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik, Abū Bakr en ʿUmar geloven dit.”
En hij zei ook: “Een wolf greep eens een schaap. De herder achtervolgde hem en redde het schaap. Daarop zei de wolf: ‘Wie zal het op de Dag van de roofdieren van mij redden, wanneer er geen herder meer zal zijn behalve ik?”Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik, Abū Bakr en ʿUmar geloven dit.”(Sahih al-Bukhari 2324/5; Sahih Muslim 2388)
Wat betreft de uitspraak “dat het Arabische land zal veranderen van droogte naar groen en rivieren”: dit betekent dat de Arabieren hun oude levenswijze zullen verlaten. Zij zullen zich niet langer beperken tot eenvoudige vegetatie, maar zich richten op het aanleggen van waterwegen, het planten van bomen en landbouw. Tevens duidt dit op de bouw van grote bouwwerken en uitgebreide stedelijke ontwikkeling.
Abū ʿUmar ibn ʿAbd al-Bar overlevert van Abū Masʿūd (رضي الله عنه) an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Vóórdat de Qiyāmah aanbreekt, zal men alleen nog specifieke personen groeten (dus enkel bekenden), zal de handel zich sterk uitbreiden, en het zal zover komen dat een vrouw haar man zal verwijten dat hij geen verstand heeft van handel. De familiebanden zullen worden verbroken, en de ‘pen’ (schrijven) zal wijdverspreid raken. Valse getuigenissen zullen overal verschijnen, terwijl men zal weigeren om voor de waarheid en rechtvaardigheid te getuigen.” (Deze als ṣaḥīḥ beoordeelde ḥadīth is overgeleverd door Ibn ʿAbd al-Barr in zijn werk at-Tamhīd (17/297). Tevens is hij overgeleverd door Aḥmad ibn Ḥanbal in al-Musnad (1/407 en 419), door Sahih al-Bukhari (1049) en door aṭ-Ṭaḥāwī in Mushkil al-Āthār.)
Abū ʿAmr ibn ʿAbd al-Bar legt uit dat met “de wijdverspreiding van de pen” wordt bedoeld: de toename van boeken en geletterdheid. Abū Jaʿfar aṭ-Ṭaḥāwī heeft deze overlevering met een vergelijkbare betekenis overgeleverd, maar met een andere formulering: in plaats van “de vrouw zal haar man verwijten dat hij geen verstand heeft van handel”, vermeldt hij: “de vrouw zal haar man helpen in handel”. In zijn versie ontbreekt ook de passage over het verbreken van familiebanden.
Van ʿAmr ibn Taghlib, ik hoorde Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Tot de tekenen van de Qiyāmah behoort dat jullie zullen strijden tegen een volk dat sandalen van haar draagt. Tot de tekenen van de Qiyāmah behoort eveneens dat jullie zullen strijden tegen een volk met gezichten die lijken op lagen van op elkaar gestapelde huid. En tot de tekenen behoort ook dat de handel zal toenemen en dat de ‘pen’ (geletterdheid) wijdverbreid zichtbaar zal zijn.
(Abū Dāwūd aṭ-Ṭayālisī (1171) en verkort in Sahih al-Bukhari (2927)
Mubārak ibn Fuḍālah overlevert van al-Ḥasan, an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “De Qiyāmah zal niet plaatsvinden totdat kennis verdwijnt, rijkdom toeneemt, de pen (geletterdheid) sterk toeneemt en handel zich uitbreidt.”
Overleveraar Al-Ḥasan zei: “In onze tijd was het zo dat men zei: ‘De koopman van die stam’ of ‘de geletterde van die stam’, omdat er in een stam soms maar één koopman en één geletterde persoon was.” (İbn Abdulbar, at-Tamhid, 17/297-298)
Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه), hij zei: “Tot de tekenen (van de Qiyāmah) behoort dat moskeeën en masjids (in plaats van gebedshuizen) herbergen voor de reizigers worden, dat een man alleen degenen salām geeft die hij kent, dat man en vrouw samen handel drijven, dat de bruidsschatten van vrouwen en de prijzen van paarden sterk stijgen en daarna weer dalen, en daarna niet meer stijgen tot aan de Qiyāmah.” (Dit is een zwakke overlevering. Zij is overgeleverd door Abū Dāwūd aṭ-Ṭayālisī in al-Musnad en al-Muṣannaf (393), door ʿAbd ar-Razzāq (5137), door al-Ḥākim in al-Mustadrak (4/446), door al-al-Bayhaqī in as-Sunan al-Kubrā (3146) en door aṭ-Ṭabarānī in al-Muʿjam al-Kabīr (9486).
Van Muʿāwiyah (رضي الله عنه), ik hoord Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Tot de tekenen van de Qiyāmah behoort dat kennis afneemt, onwetendheid toeneemt, het aantal vrouwen toeneemt en het aantal mannen afneemt, totdat één man verantwoordelijk zal zijn voor vijftig vrouwen.” (Sahih al-Bukhari (80–81 en 5231) en Sahih Muslim (2671). Deze overlevering is afkomstig van Anas (رضي الله عنه), maar ik heb in al-Bukhari niet kunnen terugvinden dat deze ḥadīth via Muʿāwiyah (رضي الله عنه) is overgeleverd.)
Van Abū Mūsā (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er zal een tijd komen waarin iemand met zijn goud aan ṣadaqah en zakāh rondgaat, op zoek naar iemand die het wil aannemen, maar zal niemand vinden die het accepteert.
Juist op die dag zal, door de toename van het aantal vrouwen en de afname van het aantal mannen, veertig vrouwen zich tot één man wenden om in hun behoeften te worden voorzien (en onder zijn zorg te staan). (al-Bukhārī, 1414; Müslim, 1012)
Wat betreft de uitspraak in de ḥadīth: “veertig vrouwen zullen zich tot één man wenden…” en Allāh weet het het best, de bedoeling hiervan is het volgende: De mannen zullen in oorlogen gedood worden. Hun weduwen zullen achterblijven. Daarom zullen deze weduwen, vanwege hun seksuele behoeften en andere behoeften, achter één man aan gaan.
Bovendien wordt in een andere ḥadīth vermeld: “Zodat vijftig vrouwen slechts één man als hun eigen man zullen claimen” Deze vrouwen zullen ertoe overgaan een man te vragen hen te leiden en te besturen. De man zal hun handel, hun koop en verkoop en hun dagelijkse zaken op zich nemen.
Dit is in werkelijkheid gebeurd in Andalusië, in een periode die niet ver van onze tijd verwijderd is.
Er is ook gezegd: Door het afnemen van het aantal mannen en de sterke toename van verlangen en seksuele behoeften bij vrouwen, zullen ongeveer veertig vrouwen één man willen hebben. Elke vrouw zal tegen de man die zij op het oog heeft zeggen: “Kom, trouw met mij, neem mij tot vrouw.” Zo zullen zij hem willen claimen.
De meest geaccepteerde opvatting is echter dat veertig vrouwen één man zullen claimen zonder dat er sprake is van een huwelijk (nikāḥ), (wat duidt op het verdwijnen van moraal en zedelijkheid)
De uitdrukking “als hun eigen man zullen claimen” betekent: zij zullen zich door hem laten beschermen en onderhouden. Dit duidt op bescherming en verzorging, niet op genot.
Wat betreft het openlijk verrichten van zinā (seksuele betrekkingen buiten een geldig huwelijk (nikāḥ): dit is zeer wijdverbreid in Egypte en ze zijn erdoor beïnvloed geraakt. Ook het openlijk verspreiden van alcohol, kroegen en zinā behoort daartoe. Wij zoeken toevlucht bij Allāh tegen zichtbare en verborgen fitnah.
Wat betreft het afnemen van kennis en het toenemen van onwetendheid: dit is in alle landen duidelijk zichtbaar. Mijn bedoeling met de uitdrukking “het afnemen van kennis en het toenemen van onwetendheid” is dit.
Want wanneer kennis verdwijnt, zal het handelen naar kennis ook worden opgegeven.
Daarom zei ‘Abdullāh ibn Mas‘ūd (رضي الله عنه): “Het memoriseren van de Qur’ān betekent niet alleen het uit het hoofd leren van de woorden. Wat vereist is, is dat men de geboden en verboden ervan toepast en het vasthouden van hun grenzen.” (Abū Nu‘aym ibn Ḥammād, overgeleverd in Zawā’id az-Zuhd van ‘Abdullāh ibn al-Mubārak, nr. 203; de isnād is als ḥasan beoordeeld.)
Dit onderwerp zal later uitgebreider worden behandeld.
7.20 Hoe zal de kennis verdwijnen
Van `Abdullāh ibn ‘Amr (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allah neemt de kennis niet weg door haar uit de harten van de mensen te verwijderen, maar Hij neemt haar weg door het doen overlijden van de geleerden. Wanneer er geen geleerden meer overblijven, zullen de mensen onwetenden tot leiders nemen. Zij zullen om fatawa worden gevraagd en zonder kennis antwoorden geven. Zo zullen zij zelf dwalen en ook anderen doen dwalen.” (Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, nr. 7307; Ṣaḥīḥ Muslim, nr. 2673; at-Tirmiḏī, nr. 2652)
In een andere overlevering staat: “Totdat er onder de mensen geen enkele geleerde (‘ālim) meer overblijft. Dan zal het volk onwetenden tot leidere en gezagdragers nemen. Aan hen zullen vragen worden gesteld en zij zullen zonder kennis fatawa geven. Zij zullen zelf dwalen en anderen doen dwalen.” (Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, nr. 7307; Ṣaḥīḥ Muslim, nr. 2673)
Van Salamah ibn Ḥur (رضي الله عنه): Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen:“Tot de tekenen van de Qiyāmah behoort dat de mensen van de moskee onderling zullen twisten over wie de imām moet zijn, maar zij zullen geen persoon vinden die geschikt is om hen in de ṣalāh te leiden.” (Abû Dāwūd, nr. 581; Aḥmad ibn Ḥanbal, nr. 26597)
7.21 De aarde zal haar waardevolle schatten uit haar binnenste naar buiten werpen.
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Binnen afzienbare tijd zal de Eufraat, wanneer haar water zich terugtrekt, de goudschatten die onder haar (bodem) verborgen liggen onthullen. Wie daarbij aanwezig is, laat hem er niets van nemen.” (al-Bukhārī, 7119; Muslim, 2894; Abû Dāwūd, 4313; Tirmizi, 2569)
Deze formulering is overgeleverd door imaam al-Bukhārī en imaam Muslim.
In een overlevering bij Muslim staat: “Het Uur zal niet plaatsvinden totdat de Eufraat opdroogt en een berg van goud blootlegt. De mensen zullen erover vechten, en van elke honderd zullen er negenennegentig worden gedood. Ieder van hen (zal zich bij dit gevecht aansluiten) zeggende: ‘Misschien ben ik degene die zal overleven.” (Muslim, 2894)
In een overlevering bij Ibn Mājah staat: “De mensen zullen om dat goud vechten, en van elke tien zullen er negen worden gedood.” (Ibn Mājah vermeldt (nr. 4046) dat in het werk az-Zawā’id is aangegeven dat de isnād van deze ḥadīth als ṣaḥīḥ wordt beschouwd.)
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De aarde zal al haar kostbaarheden, alle gouden zilver(mijnen) die zij onder zich verborgen hield, als kolommen naar buiten werpen. Dan zal de moordenaar komen en zeggen: ‘Heb ik hiervoor gedood?’ En degene die de familiebanden verbrak zal komen en zeggen: ‘Heb ik hiervoor mijn familiebanden verbroken en wegen afgesneden?’ En de dief zal komen en zeggen: ‘Heb ik hiervoor mijn hand laten afhakken!’ Daarna zullen zij het allemaal laten liggen en er niets van nemen.” (Muslim, 1013; at-Tirmiḏī, 2208; Ibn Ḥibbān, 6697)At-Tirmidhī vermeldde in zijn versie echter niet de passage over de dief en het afhakken van de hand, en hij zei over de ḥadīth: “Ḥasan ṣaḥīḥ en gharīb.”
Al-Ḥalīmī (رحمه الله) schrijft in zijn boek Minhāj ad-Dīn dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:“Binnenkort zal door het terugtrekken van het water van de Eufraat een berg van goud verschijnen. Wie daarbij aanwezig is, moet er niets van nemen.”
Deze overlevering wekt de indruk dat dit Einde der Tijden zal plaatsvinden, zoals an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft aangekondigd. Hij heeft namelijk bericht dat rijkdom overvloedig zal worden en dat niemand (sadaqah/zakāh) nog zal aannemen.
Dit zal plaatsvinden in de tijd van ʿĪsā (عليه السلام).
Mogelijk zal deze enorme rijkdom en overvloed ontstaan door het verschijnen van die berg goud. Daarnaast zal ook de rijkdom die de moslims verkrijgen als buit van de mushriks een factor zijn.
Het kan ook zijn dat het verbod van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) om iets van dat goud te nemen, te maken heeft met het feit dat het Einde der Tijden nabij is en de tekenen van de Qiyāmah duidelijk zichtbaar worden. In zo’n toestand de wereld najagen en streven naar rijkdom, bezit en vermogen is zonder twijfel een uiting van onwetendheid en misleiding.
Een andere mogelijkheid is dat de hebzucht van de mensen naar dat goud hen zal leiden tot oorlog en gevechten.
Een andere mogelijkheid is dat deze situatie iemand er niet toe leidt om het uit het mijngebied te halen. Want wanneer iemand het daaruit neemt, zal hij vervolgens niemand vinden aan wie hij het recht van Allah (namelijk de zakāh) kan geven onder de behoeftigen. In dat geval zal hij ook geen zegen (voor zijn rijkdom) van Allāh krijgen. Daarom is het beter om zich verre te houden van dat goud.
De evenwichtige uitleg die hier gegeven wordt, is in feite wat de ḥadīth aangeeft. Allāhu (سبحانه وتعالى), weet het het beste.
7.22 De bestuurders en algemene toestand in de Einde der Tijden
Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Wij waren eens bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Hij sprak tot de mensen om hem heen. Toen kwam er een bedoeïen en hij zei: ‘Wanneer zal de Qiyāmah aanbreken?’
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde hem niet en ging verder met zijn gesprek. Daarop zeiden sommigen van de aanwezigen: ‘Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gehoord wat de man vroeg, maar hij antwoordde niet omdat hij de vraag niet prettig vond.’
Anderen zeiden: ‘Nee, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft de vraag niet gehoord.’
Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn gesprek beëindigde, riep hij: ‘Waar is degene die mij over de Qiyāmah heeft gevraagd?’
De man zei: ‘Hier ben ik, o Rasûlullāh.’
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Wanneer het vertrouwen verloren gaat, dan zal de Qiyāmah komen.’
De man vroeg: ‘En hoe raakt het vertrouwen verloren?’
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Wanneer de verantwoordelijkheid wordt toevertrouwd aan iemand die er niet geschikt voor is, verwacht dan de Qiyāmah.” (al-Bukhārī, 59; Ahmad ibn Hanbal, 8512)
Allāhu (سبحانه وتعالى) heeft duidelijk gemaakt dat de staatsfunctionarissen, leiders en gouverneurs betrouwbare en integere mensen over Zijn dienaren moeten zijn, en dat zulke mensen in functie moeten worden aangesteld. Daarnaast is het verplicht om hen advies te geven.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft dit ook in zijn aḥadīth benadrukt en gezegd:
“Ieder van jullie is een herder en ieder van jullie is verantwoordelijk voor zijn kudde.”(al-Bukhārī, 893 (2409, 2554, 2558) en 5188; Muslim, 1829; Abū Dāwūd, 2928; at-Tirmiḏī, 1705; Ahmad ibn Hanbal, 5145)
Daaruit volgt dat de taak van het staatsgezag is om vrome en betrouwbare mensen aan te stellen die geschikt zijn om de zaken van de gemeenschap te beheren. Als zulke belangrijke posities niet worden gegeven aan werkelijk vrome en betrouwbare mensen, dan wordt de door Allāh als verplicht gestelde verantwoordelijkheid van het vertrouwen verwaarloosd.
In de lange overlevering die door Muslim is overgeleverd, de ḥadīth van Jibrīl (عليه السلام), staat het volgende vermeld. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg aan Jibrīl (عليه السلام): “Vertel mij wanneer de Qiyāmah zal plaatsvinden.”
Waarop Jibrīl (عليه السلام) antwoordde: “Degene die hierover wordt gevraagd, weet niet meer dan degene die de vraag stelt.”
Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Vertel mij dan over de tekenen ervan.”
Jibrīl (عليه السلام) zei: “Dat je ziet dat een slavin haar meester baart, en dat je blotevoetse, arme herders elkaar zien wedijveren in het bouwen van hoge gebouwen.” (Muslim, 8/1; Abû Dāwūd, 4695)
In een andere overlevering is het volgende gezegd:
“Wanneer je ziet dat een vrouw haar meester baart, dan behoort dat tot de tekenen van de Qiyāmah. En wanneer je ziet dat blotevoetse, naakte en laag geplaatste, zichzelf niet kennende onwetenden de wereld domineren, dan behoort ook dat tot de tekenen van de Qiyāmah.” (Muslim, 10 (8-10/1,5,7)
Van Hudhayfah ibn al-Yamān (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De Yawmu’l Qiyāmah zal niet aanbreken zolang de schaamteloze zoon van schaamtelozen zich in dit wereldse leven niet het gelukkigst voelt.”
(at-Tirmidhī, 2209; Aḥmad ibn Ḥanbal, 22792. at-Tirmiḏī heeft over deze ḥadīth gezegd: “Het is een ḥasan gharīb ḥadīth. Wij kennen deze alleen als een overlevering die via ʿAmr ibn Abū ʿAmr is overgeleverd.”)
Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “In de nabije toekomst zullen er jaren/perioden komen waarin de mensen misleid en bedrogen worden. In die tijd zullen leugenaars als waarachtigen worden gezien, en mensen die in verraad leven, zullen worden voorgesteld en gezien als betrouwbare personen.
De betrouwbare persoon zal in die dagen als verrader worden bestempeld. En in die tijd zullen de woorden van de Ruwaybidah van kracht zijn.”
Er werd gevraagd: “Wat is de Ruwaybidah?”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Onbeduidende en onbelangrijke mensen die zich bezighouden met de publieke zaken en de openbare zaken beslissen.” (Ibn Mājah, 4036; Ahmad ibn Hanbal, 7852)
Er is ook een ḥadīth waarin het volgende wordt gezegd:
“Een van de tekenen van de Qiyāmah is dat herders het volk zullen gaan leiden. En dat blotevoetse, naakte en arme mensen elkaar zullen beconcurreren in het bouwen van gebouwen. En dat je zult zien dat een vrouw haar meester baart.”
(Ahmad ibn Hanbal, 2/394; ad-Dāraqutnī, 3/257; ad-Dānī, as-Sunan al-Wārida fīl-Fitan, 393; Abū Nuʿaym, Ḥilyat al-Awliyāʾ, 6/64. Deze ḥadīth heeft een zwakke keten, maar wordt ondersteund door de eerder genoemde ḥadīth van Jibrīl. Daarom is die ḥadīth een ondersteunende getuige voor deze overlevering.)
Abū ʿUbayd vermeldt in zijn werk al-Gharīb: an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het Uur zal niet aanbreken totdat ontucht en gierigheid wijdverspreid zijn, totdat de betrouwbare als verrader wordt gezien en de verrader als betrouwbaar, totdat de ‘Wuʿl’ vernietigd wordt en de ‘Tuḥūt’ status hebben gekregen.”
Daarop werd gevraagd: “O Rasûlullāh, wat zijn ‘Wuʿl’ en ‘Tuḥūt’?”
Hij antwoordde: “Wuʿl zijn de vooraanstaande mensen onder het volk. Tuḥūt zijn de gewone, lage en onbeduidende mensen die als het ware aan de rand van de samenleving rondzwerven; zij worden slechts gezien als het volk van de straat.”(Deze ḥadīth, waarvan is vermeld dat hij ṣaḥīḥ is, is overgeleverd door Abū ʿUbayd Qāsim ibn Sallām in zijn werk al-Gharīb al-Ḥadīth (3/125).
Ibn Ḥibbān in aṣ-Ṣaḥīḥ (6844), al-Ḥākim in al-Mustadrak (8644) en at-Ṭabarānī in al-Muʿjam al-Awsaṭ (3767) hebben hem eveneens overgeleverd.
Er is echter ook gezegd dat de keten van overlevering zwak is. al-Haythamī vermeldt dat er in de isnād Muhammad ibn Sulaymān ibn Wāliba voorkomt. Hij zegt: “Ik weet niet wie hij is. De overige overleveraars zijn betrouwbaar (thiqa).”)
Abū Nuʿaym heeft van Hudhayfah (رضي الله عنه) een overlevering met marfūʿ-isnād vermeld waarin de tekenen van de Qiyāmah worden genoemd, an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het aantal mensen in de moskeeën zal toenemen, maar hun stemmen zullen verheven zijn, en de mensen van het slechte (al-munkar) zullen de mensen van het goede (al-maʿrūf) overwinnen en de samenleving gaan domineren.
Toen een bedoeïen dit hoorde, zei hij: “O Rasûlullāh, wat beveelt u mij in zo’n situatie?”
Hij zei: “Laat het allemaal los en wacht gewoon in de verlaten hoek van jouw huis.”
(Abū Nuʿaym, Ḥilyat al-Awliyāʾ (5/187-188). In de keten van deze ḥadīth bevindt zich Ḥamza ibn Ḥamza an-Nuṣaybī. Deze persoon wordt als “matrūk” (verlaten als overleveraar) beschouwd. Ibn Abī ad-Dunyā heeft deze eveneens in zijn werk al-ʿUzlah (193) overgeleverd via Makhūl als een mursal overlevering met een zwakke isnād.)
In deze betekenis heeft ook een dichter het volgende gezegd:
O tijd, zou je ons dit ook nog aandoen?Je hebt ons niet geleid door mensen die ons in het gezicht aankijken, maar door mensen die ons de rug toekeren.
Je hebt de slechten als leiders over ons gesteld,en zo de laagste en onbeduidendste mensen boven ons geplaatst.
O tijd! Als jouw doel werkelijk vijandigheid tegenover ons is,dan is wat je ons hebt aangedaan al meer dan genoeg.
Iemand anders zei ook:
De mensen van adel en edele afkomst zijn allemaal voorbijgegaan.Wat overbleef zijn de mensen van het kwaad, en de ontkenners hebben de leiding in alles.
Ik ben achtergebleven tussen zulke mensen dat bijna allen,de misleide verwarring bedekken en hun dwaling versieren en tonen alsof het iets goeds is.
Onze geleerden zeggen dat alles wat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hierover heeft gemeld – zowel wat reeds is gebeurd als wat nog zal gebeuren – grotendeels al werkelijkheid is geworden. Taken zijn toevertrouwd aan mensen die er niet geschikt voor zijn, en de laagste en onbeduidendste groepen hebben de leiding over de mensen gekregen. Hun volgelingen, de onwetenden en ongeletterden, hebben de bestuurlijke macht overgenomen en zijn over landen gaan heersen.
Zij hebben de bezittingen van de mensen verzameld en bouwen hoge gebouwen. Dit zijn in grote mate realiteiten die wij vandaag de dag ook zien. Niemand luistert nog naar vermaning, en niemand weerhoudt zich van zonde of vermijdt deze. Zij zijn als het ware doof, stom en blind geworden.(De onderzoeker van dit werk, Yūsuf ibn Aḥmad Yūsuf al-Bakrī, zegt: “Moge Allāh Imām al-Qurṭubī genadig zijn. Wat zou hij hebben gezegd als hij vandaag de dag had geleefd en zou zien wat er gebeurt?” Daarmee uit hij zijn verwondering. Als vertaler kan ik mij daarbij aansluiten en ik kan niet anders dan zeggen: wat zou al-Qurṭubī zeggen?)
Qatāda zei: “Zij zijn doof voor het horen van de waarheid, stom in het spreken van de waarheid en blind in het zien van de waarheid. Dit zijn eigenschappen van bedoeïenen en onwetenden.”
In de uitdrukking die in de ḥadīth voorkomt “dat een slavin haar meester baart” wordt volgens een uitleg ook bedoeld dat niet-Arabieren de Arabieren zullen voortbrengen. Ibn Mājah vermeldt dit zo in zijn Sunan.(Deze uitleg is van Wakiʿ. Ibn Mājah vermeldt dit (63) bij de lange overlevering van de ḥadīth van Jibrīl (عليه السلام).)
Volgens onze geleerden zal dit als volgt gebeuren: tijdens de veroveringen van de moslims van niet-islamitische landen zullen zij veel slavinnen verkrijgen. Uit deze slavinnen zullen kinderen van hun meesters worden geboren.
Deze kinderen zullen, qua positie, de plaats van hun vaders innemen en daarmee ook een vorm van gezag dragen die met die positie samenhangt.
Volgens deze uitleg behoort deze toestand als een teken van de Qiyāmah tot de periode waarin de moslims veel gebieden veroveren en hun grenzen uitbreiden. Er zullen veel veroveringen plaatsvinden, en die veroveringen zullen dit soort gevolgen met zich meebrengen, wat volgens deze uitleg ook al is gebeurd.
Er is ook een andere uitleg gegeven: dat de meesters hun slavinnen die de moeders van hun kinderen zijn, zullen verkopen, en dat dit steeds vaker zal voorkomen. Zo zullen deze slavinnen van hand tot hand gaan en uiteindelijk door hun eigen kinderen worden gekocht zonder dat zij weten dat het hun moeders zijn, waarna die kinderen hun “meesters” over hen worden.
Wanneer zo’n situatie ontstaat, zal dat ook een teken van de Qiyāmah zijn. Dit omdat het zo wijdverbreid zal worden dat, door de verspreiding van onwetendheid, zelfs de verkoop van een ‘ummu walad’ (een slavin die een kind van haar meester heeft gebaard), terwijl dit eigenlijk verboden is, toch zou plaatsvinden. Hierdoor zullen islamitische regels lichtvaardig worden behandeld en genegeerd. Dit is de opvatting van degenen die zeggen dat het verboden is om een slavin te verkopen die een kind van haar meester heeft gebaard, en dit is de meerderheid van de geleerden.
Volgens een andere uitleg betekent het dat kinderen hun eigen moeders slecht behandelen en onrecht aandoen. Het kind zal zijn moeder behandelen zoals een meester zijn slavin behandelt: haar vernederen, als onbeduidend beschouwen en beledigen. In sommige overleveringen van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) wordt zelfs vermeld dat de vrouw behandeld zal worden als een slavin.
Wat betreft de uitspraak “dat een kind boos wordt op zijn moeder voordat de Qiyāmah aanbreekt”, zullen wij, met de wil van Allāh, dit later nog uitleggen en de bronnen daarvan vermelden.
al-Qurṭubī zegt dat deze situatie zo duidelijk en wijdverspreid is dat het ontkennen ervan niet mogelijk is. Volgens een interpretatie betekent “de meester van de slavin” degene die haar bezit, omdat hij degene is die haar vrijlaat en haar vrijheid mogelijk maakt. In dit verband heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) over Māriyah gezegd: “Haar kind heeft haar vrijgemaakt.” (Ibn Mājah, 2516)
Er is ook een vijfde mening.
Ik heb gehoord van onze leraar, de ḥadīthgeleerde, taalkundige en qāriʾ Abū Jaʿfar Aḥmad ibn Muḥammad ibn Muḥammad al-Qaysī al-Qurṭubī, bekend als Ibn Ḥujjah. Hij zei herhaaldelijk: “Dit verwijst naar de bezetting van islamitische landen door de ongelovigen. En dit is iets wat wij in onze tijd ook meemaken. In onze tijd hebben de vijanden Andalusië volledig bezet, net zoals zij ook Khurāsān en andere gebieden hebben ingenomen. Tijdens deze bezettingen worden vrouwen als gevangenen genomen terwijl zij zwanger zijn of kleine kinderen hebben. De overwinnaars scheiden hen van hun kinderen. Later groeien deze kinderen op en komen zij op een of andere manier weer samen met hun moeders of broers en zussen, waarna zij met elkaar trouwen. Dit heeft ook vaak plaatsgevonden.”
En uiteindelijk behoren wij Allāh toe en tot Hem keren wij terug. Deze overlevering wijst hier ook op: “Het Uur zal niet aanbreken totdat een vrouw haar echtgenoot heeft gebaard.”
Dit zijn de tekenen die passen bij de tekenen van de Qiyāmah. Want Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Het Uur zal niet aanbreken totdat de Romeinen de meerderheid van de mensen op aarde vormen.” (Deze ḥadīth is met deze formulering door Muslim overgeleverd. 9)
Allāh weet het het beste.
7.23 Wanneer in deze ummah vijftien dingen worden begaan, zullen de rampen beginnen.
Van ʿAlī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer mijn ummah deze vijftien daden verricht, dan hebben zij daarmee de komst van de rampen over zichzelf afgeroepen.”
Er werd gezegd: “O Rasûlullāh, wat zijn deze daden?”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer:- de buit (ghanīmah) circuleert onder een beperkte groep mensen; - het toevertrouwde (amānah) als buit wordt beschouwd en men er niet rechtmatig mee omgaat; - de zakāh wordt gezien als een lastige schuld die men niet wil aflossen;
- degene die zijn vrouw gehoorzaamt maar zijn moeder pijn doet en slecht behandelt; - degene die zijn vriend goed behandelt maar zijn vader slecht bejegent;
- in de moskeeën andere zaken dan de Islām luidruchtig besproken worden en wat Allāh en Zijn Rasûl hebben bevolen ook;
- verachtelijke mensen leiders worden over de gemeenschap; - iemand geëerd wordt uit vrees voor zijn kwaad;
- allerlei soorten alcoholhoudende dranken openlijk worden geconsumeerd;
- zijden kleding als luxe en mode wijdverspreid raakt;
- zangers en muzikanten in overvloed en overal zichtbaar worden; - muziekinstrumenten algemeen verspreid raken;
- de latere generaties van deze ummah hun voorgangers vervloeken.
Als deze zaken plaatsvinden, verwacht dan deze rampen en beproevingen: een rode wind, een overweldigende ramp, het wegzinken in de aarde of een gedaanteverandering in een andere vorm.” (at-Tirmidhī, 2210)
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Wanneer:- fayʾ (bezittingen verkrijgen van de vijanden zonder daadwerkelijke strijd) en ghanīmah (buit verkregen door oorlog/gevecht) worden circuleert onder een beperkte groep mensen;- het toevertrouwde (amānah als buit wordt gezien; - de zakāh als een zware last en eindeloze schuld wordt beschouwd;
- kennis wordt verworven voor andere doelen dan de Islām;
- een man zijn vrouw gehoorzaamt maar zijn moeder slecht behandelt; - een man zich aansluit bij zijn vrienden en zijn vader buitensluit;
- de stemmen van onwetenden zich verheffen in de moskeeën;
- de meest verdorven en slechte mensen leiders worden van hun stam;
- de meest verachtelijke persoon van de gemeenschap macht en leiding krijgt;
- men iemand gehoorzaamt uit vrees voor zijn kwaad;
- zangeressen en muzikanten de samenleving vullen en gewaardeerd worden;
- allerlei soorten alcoholhoudende dranken openlijk worden geconsumeerd;
- de latere generaties van deze ummah hun voorgangers vervloeken.
Als deze zaken plaatsvinden, verwacht dan rampen en beproevingen: een rode wind, een verwoestende storm, aardbevingen, het wegzinken in de aarde, een verandering van gedaante en ziel, lasterlijke beschuldigingen en doelwit worden van het worden bestenigd, en opeenvolgende rampen die elkaar zullen opvolgen als kralen van een gebroken ketting.” (at-Tirmidhī, 2211. at-Tirmiḏī heeft gezegd dat dit een gharīb ḥadīth is en dat deze slechts via deze overleveringsweg bekend is.)
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Aan het Einde der Tijden zal er een groep uit mijn ummah zijn die in apen en varkens zal worden veranderd.”
Daarop werd gezegd: “O Rasûlullāh, zelfs als zij getuigen dat er geen godheid is dan Allāh en dat u Rasûlullāh bent, en zelfs als zij vasten?”
Hij antwoordde: Ja.”
Toen werd gevraagd: “Rasûlullāh, wat hebben zij dan gedaan?”
Hij zei: “Zij hebben muzikanten, zangers en dansende vrouwen en andere verwerpelijke dingen aangenomen. Zij zullen alcohol drinken en in dronkenschap de nacht doorbrengen met spel en vermaak. En in de ochtend zullen zij veranderd zijn in apen en varkens.” (Abū Nuʿaym, Ḥilyat al-Awliyāʾ, 3/119-120. Abū Nuʿaym vermeldt dat deze ḥadīth als mursal via al-Ḥasan is overgeleverd en ook op andere manieren verbonden is overgeleverd, maar dat de overleveringsketen uiteindelijk onderbroken (munqaṭiʿ) is. Zie ook: al-Mīzān, 2/208.)
Van Abū Mālik al-Ashʿarī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Er zullen mensen uit mijn ummah zijn die alcoholhoudende dranken onder verschillende namen drinken, terwijl er bij hen trommels worden bespeeld en zangeressen optreden Allāh zal hen in de aarde doen wegzinken en uit hen zullen apen en varkens worden voortgebracht.” (Ibn Mājah, 4020)
…
Van Mālik ibn Abī Maryam, ʿAbd ar-Raḥmān ibn Ghanam zei: “Wij vroegen hem naar een drank genaamd ṭīlā. Hij zei: Ik hoorde van Abū Mālik al-Ashʿarī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Zeker zullen er mensen uit mijn ummah zijn die alcohol onder andere namen zullen drinken.” (Abū Dāwūd, 3688)
In de overlevering van Ibn Abī Shaybah staat de toevoeging: “Bij hen zullen muziekinstrumenten worden bespeeld en zangeressen zingen. Allāh zal hen in de aarde doen wegzinken en uit hen apen en varkens voorbrengen.” (Ibn Abī Shaybah, al-Muṣannaf, 23758) Deze uitdrukkingen zijn ook precies zo vermeld in de ḥadīth die eerder door Ibn Mājah is overgeleverd. Abū Muḥammad ʿAbd al-Ḥaqq zegt: “Allen hebben deze twee aḥadīth via Ḥumays van Muʿāwiyah ibn Ṣāliḥ overgeleverd.”)
ʿAbd ar-Raḥmān ibn Ghanam overlevert van Abū Mālik al-Ashʿarī of ʿĀmir, hij zei: “Bij Allāh, zij hebben tegen mij niet gelogen.” Hij vertelde dat hij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hoorde zeggen: “Voorwaar, ik moet nadrukkelijk zeggen dat er uit mijn ummah een aantal mensen zullen verschijnen; zij zullen tot gemeenschappen behoren die zina zullen plegen, zijde dragen, alcoholhoudende dranken drinken en muziekinstrumenten toegestaan verklaren. Bij Allāh, een aantal mensen zal de berghellingen als kampplaats gebruiken en er plekken voor ontspanning en recreatie aanleggen. ’s Ochtends zal hun vee met hun herders komen (en ’s avonds zullen zij weggaan en de kudde naar de stal brengen.) Wanneer een arme en behoeftige persoon naar hen toe komt, zullen zij zeggen: ‘Kom morgen terug.’ En zich van hen afwenden. Allāh zal de rusten recreatieplek, waar zij zo graag plezier hebben, ’s nachts op hen laten instorten en de overlevenden tot Yawmu’l Qiyāmah veranderen in apen en varkens.”( al-Bukhārī, 5590.)
Van Ḥudhayfah ibn al-Yamān (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd:
“Tot de tekenen dat de Qiyāmah nabij is, behoort het optreden van deze 72 zaken:Wanneer jullie zien dat de mensen de ṣalāh verwaarlozen en haar niet verrichten, - het toevertrouwde (amānah) verliezen, - rente (ribā) consumeren, - leugens als toegestaan beschouwen, - bloedwraak licht opvatten en - met elkaar wedijveren in het bouwen van hoge gebouwen, dan is de Qiyāmah nabij.
Wanneer jullie zien dat zij hun godsdienst verkopen voor wereldse zaken, -de familiebanden verbroken worden, - de zwakte in de rechtsnormen/uitspraken is ontstaan, - de leugenaar als waarachtig wordt beschouwd en de waarachtige als leugenaar, en - zijde als kleding wordt gedragen, dan is de Qiyāmah nabij.
Wanneer jullie zien dat onderdrukking en onrecht aan het licht is gekomen, - echtscheidingen toenemen, - plotselinge sterfgevallen zich voordoen, - verraders als betrouwbaar worden gezien en - de betrouwbare mensen als verraders worden beschouwd, dan is de Qiyāmah nabij.
Wanneer jullie zien dat de leugenaars bevestigd wordendegenen die de waarheid spreken als leugenaars worden beschouwd, - laster toeneemt, - de regen afneemt en uiteindelijk stopt, - kinderen vol woede zijn, - slechten de wereld domineren en - edele mensen verdwijnen, dan is de Qiyāmah nabij.
Wanneer jullie zien dat bestuurders tot de slechten, - de adviseurs tot de leugenaars en - de vertrouwenspersonen tot de verraders behorendegenen die verantwoordelijk zijn voor de goede omgang met het volk in werkelijkheid tirannen zijn; - - mensen uiterlijk zacht lijken maar innerlijk slechter zijn dan een rottend karkas en bitterder dan de colocynth, dan is de Qiyāmah nabij.
Allāh zal hen omringen met een beproeving (fitnah) waardoor zij in verwarring raken, zoals de dwalenden onder de Banū Isrāʾīl in verwarring raakten. - Goud zal wijdverspreid raken en wit (zilver) schaars worden. - Mensen zullen veel fouten maken en bestuurders zullen de mensen misleiden. - Versierde muṣḥafs zullen op de markt in omloop zijn, - moskeeën zullen rijkelijk worden versierd, maar de harten zullen verwoest zijn. - Hoge minaretten zullen worden gebouwd, wijn zal worden gedronken en de ḥad-straffen (vastgestelde, door Allāh bepaalde straffen) zullen niet meer worden toegepast.
- Een slavin zal haar meester baren. - Blotevoetse, arme herders zullen koningen worden. - Vrouwen zullen hun mannen in handelspartnerschap bijstaan. - Mannen zullen vrouwen imiteren en vrouwen mannen. - Mensen zullen voortdurend zweren bij Allāh. - Mensen zullen getuigen over zaken die zie niet hebben gezien. - Mensen zullen alleen degenen groeten die ze kennen. - Kennis zal worden gezocht voor andere doelen dan de godsdienst.- Met daden die voor het Hiernamaals bedoeld zijn, jaagt men wereldse belangen na. - Rijkdom en buit (ghanimah) zullen circuleren onder een beperkte groep. - Het toevertrouwde (amanah) zal als buit worden toegeëigend. - De zakāh zal als een last worden gezien. - De meest verachtelijke persoon van een volk wordt hun leider. - Een man zal zijn vader slecht behandelen en zijn moeder kwellen, maar zijn vriend goed behandelen en zijn vrouw gehoorzamen.- In de moskeeën en masjids zullen de stemmen van verdorven mensen luid klinken.- Dansende vrouwen en muziekinstrumenten zullen gewoon worden gezien. - Alcoholhoudende dranken zullen overal worden gedronken. - Onderdrukkers zullen eer en rang krijgen. - Oordelen zullen worden verkocht voor geld en het aantal veiligheidsdiensten zal toenemen. - De Qur’ān zal voortaan gezien worden als een zang of een liederlijk proza.- Fijne huiden van roofdieren zullen tot kleding gemaakt worden, die de onderkant zichtbaar maakt. - Moskeeën zullen als herberg worden gebruikt. - De latere generaties van deze ummah zullen hun voorgangers vervloeken.
- Een slavin zal haar meester baren. - Blotevoetse, arme herders zullen koningen worden. - Vrouwen zullen hun mannen in handelspartnerschap bijstaan. - Mannen zullen vrouwen imiteren en vrouwen mannen. - Mensen zullen voortdurend zweren bij Allāh. - Mensen zullen getuigen over zaken die zie niet hebben gezien. - Mensen zullen alleen degenen groeten die ze kennen. - Kennis zal worden gezocht voor andere doelen dan de godsdienst.- Met daden die voor het Hiernamaals bedoeld zijn, jaagt men wereldse belangen na. - Rijkdom en buit (ghanimah) zullen circuleren onder een beperkte groep. - Het toevertrouwde (amanah) zal als buit worden toegeëigend. - De zakāh zal als een last worden gezien. - De meest verachtelijke persoon van een volk wordt hun leider. - Een man zal zijn vader slecht behandelen en zijn moeder kwellen, maar zijn vriend goed behandelen en zijn vrouw gehoorzamen.- In de moskeeën en masjids zullen de stemmen van verdorven mensen luid klinken.- Dansende vrouwen en muziekinstrumenten zullen gewoon worden gezien. - Alcoholhoudende dranken zullen overal worden gedronken. - Onderdrukkers zullen eer en rang krijgen. - Oordelen zullen worden verkocht voor geld en het aantal veiligheidsdiensten zal toenemen. - De Qur’ān zal voortaan gezien worden als een zang of een liederlijk proza.- Fijne huiden van roofdieren zullen tot kleding gemaakt worden, die de onderkant zichtbaar maakt. - Moskeeën zullen als herberg worden gebruikt. - De latere generaties van deze ummah zullen hun voorgangers vervloeken.
Wanneer al deze zaken plaatsvinden, verwacht dan een rode wind, een overweldigende ramp, het wegzinken in de aarde, gedaanteveranderingen in andere dieren, laster, conflicten en opeenvolgende beproevingen die elkaar blijven opvolgen.” (Abū Nuʿaym, Ḥilyat al-Awliyāʾ (3/358-359); al-Ḥāfiẓ adh-Dhahabī heeft dit vermeld in zijn werk Talkhīṣ al-Ḥabīr (2/177) en gezegd dat de ḥadīth zowel zwak als munqaṭiʿ (onderbroken) is.
Zoals ook in at-Taqrīb is vermeld, bevindt zich in de keten Faraj ibn Fuḍālah, en hij is een zwakke overleveraar. Abū Nuʿaym zegt: “Deze ḥadīth lijkt op de overlevering van ʿAbdullāh ibn ʿUbayd ibn ʿUmayr, maar voor zover ik weet is deze ḥadīth niet van hem overgeleverd. Alleen Faraj ibn Fuḍālah heeft deze ḥadīth overgeleverd.”)
Al deze genoemde zaken zijn eerder al verspreid en in afzonderlijke aḥadīth voorbijgekomen.
Daarom zijn de betekenissen van wat hier wordt vermeld duidelijk, omdat alles al eerder is uitgelegd. Het enige wat hier anders is, is dat de uitdrukking “Fijne huiden van roofdieren zullen tot kleding gemaakt worden, die de onderkant zichtbaar maakt” niet voorkomt.
… Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Tot de tekenen van de Qiyāmah is, dat de nieuwe maan plotseling zichtbaar zal worden. Men zal dan zeggen: ‘dit is een maan van twee nachten.’ De moskeeën zullen veranderen in herbergen voor mensen. En plotselinge sterfgevallen zullen toenemen.” (Ziyāʾ al-Maqdisī, al-Mukhtārah, 2325 en 2327; at-Ṭabarānī, al-Muʿjam al-Awsaṭ, 9376; at-Ṭabarānī, Muʿjam aṣ-Ṣaghīr, 1132. Er is gezegd dat deze ḥadīth ḥasan is. ad-Daylamī, 6001. al-Haythamī zegt: “at-Ṭabarānī heeft deze overgeleverd in Muʿjam aṣ-Ṣaghīr, maar in de keten bevindt zich ʿAbd ar-Raḥmān ibn Azraq al-ʿAntamī, over wie ik geen betrouwbare informatie heb gevonden” (2/129)
Een andere ḥadīth zou dit verklaren, zegt al-Jawharī. Die luidt:
“Tot de tekenen van de Qiyāmah behoort dat de maan duidelijk gezwollen zal worden gezien.” (Er is gezegd dat deze ḥadīth ṣaḥīḥ is. at-Ṭabarānī, 10451; 6864; Muʿjam aṣ-Ṣaghīr, 877; Musnad ash-Shāmiyyīn, 3356.)
al-Ḥākim at-Tirmiḏī heeft dit overgeleverd in Nawādir al-`Uṣūl. Van Abū Umāmah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Er zal verwarring ontstaan onder mijn ummah. Mensen zullen naar degenen gaan die zij als geleerden beschouwen, maar dan zullen zij zien dat die geleerden veranderd zijn in apen en varkens.”
(al-Ḥākim at-Tirmiḏī, Nawādir al-Uṣūl, 2/196. Deze ḥadīth is zwak qua overleveringsketen. De overleveringsketen loopt via ʿUmar ibn Abī ʿUmar, Hishām ibn Khālid ad-Dimashqī, Ismāʿīl ibn ʿAyyāsh, al-Layth en Ibn Thābit, en is via Abū Umāmah (رضي الله عنه) overgeleverd.)
Abū ʿAbdullāh zegt: “Maskh (vervorming) betekent dat iemands schepping in zijn eigen vorm wordt veranderd. Dat mensen in een andere schepping worden veranderd, omdat zij zelf de waarheid hebben veranderd. Zij hadden namelijk de wetten van Allāh volgens hun eigen begeerten aangepast. Daarmee misleidden zij de mensen uiterlijk en schaadden zij hun geloof. Zij verhinderden dat mensen de waarheid zagen zoals zij werkelijk is. Daarom veranderde Allāh hun uiterlijk in een andere vorm. Zoals zij de waarheid ongeldig maakten en het valse deden verspreiden, zo veranderde Allāh ook hun schepping.”
7.24 Het wegnemen van vertrouwen (amānah) en geloof (īmān) uit de harten
Imām al-Bukhārī, Muslim, Ibn Mājah en andere ḥadīthgeleerden hebben deze overlevering vermeld. De hier gebruikte bewoording is afkomstig uit de overlevering van Muslim via Ḥudhayfah (رضي الله عنه).
Van Ḥudhayfah (رضي الله عنه, hij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vertelde ons twee zaken. De vervulling van één daarvan heb ik al gezien, en ik wacht op de vervulling van de andere.”
Hij vertelde ons dat de amānah in de harten van de mensen is neergelegd. Daarna werd de Qur’ān neergezonden, en de mensen leerden wat zij uit de Qur’ān en de Sunnah konden leren.
Vervolgens sprak hij over het wegnemen van de gevoeligheid voor de amānah en zei:
“Een man zal ’s nachts gaan liggen en slapen. Terwijl hij slaapt, zal de gevoeligheid voor de amānah uit zijn hart worden weggenomen, en er zal slechts een spoor achterblijven, zoals een blaar die ontstaat door een brandende kool die over de huid wordt gerold. Daarna zal hij opnieuw slapen en zal de rest van de amānah ook uit zijn hart worden weggenomen, en er zal opnieuw een spoor achterblijven, zoals een blaar die ontstaat door een gloeiende steen op de voet. Je ziet het opgezwollen, maar er zit niets in.
Daarna zal hij een steentje nemen en het over zijn voet laten rollen.”
Hij vervolgde: “Mensen zullen ’s ochtends wakker worden en handel drijven, en bijna niemand zal nog betrouwbaar (amīn) zijn. Zelfs zo dat wanneer er geen betrouwbare persoon meer onder de mensen is, zullen ze zeggen: ‘In de stam van die en die is een betrouwbare persoon.’ En over zo iemand zullen zij zeggen: ‘Wat een dappere man, wat een beleefde en intelligente persoon.’ Terwijl er in zijn hart niet eens een mosterdzaadje aan īmān zal zijn.”
Ḥudhayfah (رضي الله عنه) zei: “Er zijn tijden geweest waarin ik niet eens keek met wie ik zaken deed. Als het een moslim was, weerhield zijn godsdienst hem van bedrog. En als het een christen of jood was, weerhield de samenleving waarin hij leefde hem ervan om te bedriegen en zorgde ervoor dat ik mijn recht kreeg. Maar vandaag is dat niet meer zo. Tegenwoordig handel ik alleen nog met enkele van jullie.” (al-Bukhārī, al-Fitan, 6497, 7086; Muslim, al-Īmān, 143; Ibn Mājah, al-Fitan, 4053; at-Tirmiḏī, 2179)
7.25 Het verdwijnen van de kennis, de khushūʿ* en de farāʾiḍ (de verplichte handelingen)
Van Ziyād ibn Labīd, an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) legde ons iets uit en zei: “Dit alles zal plaatsvinden in een tijd waarin kennis zal verdwijnen.”
Ik vroeg: “O Rasûlullāh, hoe kan kennis verdwijnen terwijl wij de Qur’ān reciteren, hem onze kinderen onderwijzen en zij hem vervolgens weer aan hun kinderen onderwijzen, tot aan Yawmu’l Qiyāmah?”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Moge je moeder je verliezen, o Ziyād! Ik beschouwde jou onder de mensen van Madīnah als een van de meest verstandige geleerde. Zien de joden en de christenen niet de Tawrāh en de Injīl, terwijl zij niet begrijpen wat erin staat?” (Ibn Mājah, al-Fitan, 4048; Aḥmad ibn Ḥanbal, 17019. De keten wordt in az-Zawāʾid als ṣaḥīḥ beschreven en de overleveraars zijn betrouwbaar.)
…Van Abū ad-Dardāʾ (رضي الله عنه): Wij waren bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Hij keek naar de hemel en zei: ‘Dit is de tijd waarin kennis van de mensen zal worden weggenomen, totdat niemand nog iets ervan zal kunnen beheersen.”
Daarop zei een man uit de Anṣār, Ziyād ibn Labīd: “Hoe kan kennis van ons worden weggenomen. “Wij lezen de Qur’ān al. Bij Allāh, wij zullen hem zeker blijven reciteren en hem onderwijzen aan zowel onze vrouwen als onze kinderen.”
Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Moge je moeder je verliezen, o Ziyād! Ik dacht dat jij onder de mensen van Madīnah de meest geleerde was. De joden en christenen hebben de Tawrāh en de Injīl, maar wat heeft dat hen geholpen?”
Jubayr zei: “Ik ontmoette ʿUbādah ibn aṣ-Ṣāmit en vertelde hem wat Abū ad-Dardāʾ had gezegd. Hij zei: ‘Abū ad-Dardāʾ heeft de waarheid gesproken. Als je wilt, zal ik je vertellen wat als eerste van de mensen zal verdwijnen: dat is khushūʿ. Zo erg zelfs dat je een grote moskee binnenkomt en nauwelijks iemand zult vinden die werkelijk met khushūʿ salāh verricht.”
(at-Tirmidhī (2653) vermeldt een ṣaḥīḥ ḥadīth. al-Ḥākim, al-Mustadrak (3/59). at-Tirmiḏī vermeldt dat dit een gharīb ḥadīth is. Een van de overleveraars, Muʿāwiyah ibn Ṣāliḥ, wordt door de hadithgeleerden als betrouwbaar (thiqa) beschouwd.)
Er wordt ook overgeleverd via een andere keten…van ʿAwf ibn Mālik (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De tijd van het wegnemen van kennis is gekomen.”Een man uit de Anṣār, Ziyād ibn Walīd, zei: “ O Rasûlullāh, hoe kan kennis verdwijnen terwijl het is opgeschreven in boeken en in de harten wordt onthouden?”
Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Ik dacht dat jij de meest geleerde van de mensen van Madīnah was.”
In dit verband sprak hij over de joden en de christenen en hoe zij, ondanks het Boek van Allāh die in hun bezit was, van het rechte pad afweken en in dwaling vervielen.
Toen ik dit vertelde aan Shaddād ibn Aws, zei hij: “`Awf ibn Mālik heeft de waarheid gesproken. En als je wilt, zal ik je vertellen wat nog eerder zal verdwijnen: dat is khushūʿ. Zo erg dat er in de mensen geen enkele persoon meer zal worden gevonden met echte khushūʿ.” (De ḥadīth is ṣaḥīḥ. Aḥmad ibn Ḥanbal, 6/26; an-Nasāʾī, as-Sunan al-Kubrā, 5909; al-Ḥākim, al-Mustadrak, 1/179; al-al-Bayhaqī, al-Madkhal, 853; al-al-Bazzār, Musnad, 2741; at-Ṭabarānī, al-Muʿjam al-Kabīr, 75; at-Ṭabarānī, Musnad ash-Shāmiyyīn, 55; al-Khaṭīb al-Baghdādī, Iqtidhāʾ al-ʿIlm wal-ʿAmal, p. 58.)
Deze overleveringen maken duidelijk wat hiermee bedoeld wordt. De betekenis van “het verdwijnen van kennis” is dat men niet doet van wat de kennis vereist en niet meer handelt naar de kennis.ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه) heeft dit ook zo uitgelegd.
Hij zei: “Het memoriseren van de Qur’ān betekent niet alleen het onthouden van de woorden, maar het toepassen van de daarin voorgeschreven ḥudūd-straffen.” Wanneer men niet meer handelt naar de kennis, zal uiteindelijk ook het opschrijven en vastleggen ervan verdwijnen. Daarom zal er op een gegeven moment zelfs geen gereciteerde āyah meer op aarde zijn. Dit zal in het volgende hoofdstuk verder worden behandeld.
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Leer de farāʾiḍ (verplichte handelingen) en onderwijst ze aan de mensen. Het leren van de farāʾiḍ betekent het leren van de helft van de kennis. En kennis zal verdwijnen; kennis is het eerste dat uit mijn ummah zal worden weggenomen.” (ad-Dāraqutnī, 4/67; Ibn Mājah, 2719)
Deze bewoording zijn van ad-Dāraqutnī.
Alle lof behoort aan Allāh: er is geen tegenstrijdigheid tussen de aḥadīth. De khushūʿ betreft de kennis van het hart, terwijl de farāʾiḍ betrekking hebben op de uiterlijke daden. Zo zijn deze twee duidelijk van elkaar onderscheiden.
[*: khushūʿ: met je hart volledig aanwezig zijn bij Allāh, met nederigheid en concentratie]
7.26 De verzwakking van de Islām en het verdwijnen van de Qur’ān
Van Ḥudhayfah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Zoals een kledingstuk na verloop van tijd verslijt en verdwijnt, zo zal ook de Islām in de loop van de tijd slijten en zijn kracht verliezen. Zelfs een moslim zal niet meer weten wat de vasten is, wat de ṣalāh is, en wat de regels van Ḥaj en ʿumrah zijn, noch wat sadaqah en zakāh zijn.
Waarlijk, het Boek van Allāh, de Qur’ān, zal in één nacht worden weggenomen en er zal op aarde geen enkele āyah meer van overblijven.
Er zullen slechts enkele mensen overblijven onder de mensen. Onder hen zullen oude mannen en vrouwen zijn die zeggen: ‘Wij hebben dit woord van onze voorouders gehoord. Zij zeiden: lā ilāha illā Allāh, en wij herhalen wat zij zeiden.”
Daarop zei iemand genaamd Ṣilah: “Hun uitspraak van lā ilāha illā Allāh zal hen niet baten, want zij weten niet wat de ṣālah is, wat de vasten is, noch wat de plichten van Ḥaj en ʿumrah zijn, en wat sadaqah en zakāh zijn.”
Ḥudhayfah (رضي الله عنه) wendde zich van deze man, genaamd Ṣilah, af vanwege deze manier van spreken. Ṣilah herhaalde zijn vraag drie keer, en telkens wendde Ḥudhayfah (رضي الله عنه) zich van hem af. Uiteindelijk zei Ḥudhayfah (رضي الله عنه) tot hem drie keer:
“Dit woord zal hen redden van het Hellevuur.” (Ibn Mājah, al-Fitan, 4049)
(De auteur) zegt: dit zal alleen plaatsvinden na de dood van ʿĪsā (عليه السلام). Zoals vermeld in de overlevering van Muqātil ibn Sulaymān zal dit niet plaatsvinden in de tijd van de verschijning van Yaʾjūj en Maʾjūj.
Abū Ḥāmid (imām Ghazali) vermeldt ook degenen die dit als een marfūʿ overlevering beschouwen. ʿĪsā (عليه السلام) zal komen als een mujaddid* om de delen van de sharīʿah van Rasûlullāh (de Islām) die verzwakt zijn opnieuw te herstellen, niet als een nieuwe nabī. (Dergelijke interpretaties hebben geen bewijs in de Qur’ān of de authentieke Sunnah.)
Zoals later zal worden uitgelegd, zal ʿĪsā (عليه السلام) hiervan de bewijzen tonen.
[*Een mujaddid is iemand die aan het einde van elke eeuw door Allāh wordt gezonden om de Islamitische waarden terug te brengen naar zijn oorspronkelijke zuiverheid.]
7.27 De tien tekenen vóór het aanbreken van de Qiyāmah
Van Ḥudhayfah (رضي الله عنه), hij zei: Wij zaten in Madīnah in de schaduw van een muur. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bevond zich in een van zijn kamers. Hij kwam naar ons toe en zei: “Wat houdt jullie hier bezig?”
Wij zeiden: “Wij zijn met elkaar aan het praten.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Waarover praten jullie?”
Wij zeiden: “Over wanneer de Qiyāmah zal aanbreken.”
Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Jullie zullen (de Qiyāmah) niet zien voordat jullie tien tekenen hebben gezien:- de zon zal vanuit het westen opkomen. - er zal een rook verschijnen. - de Dajjāl zal verschijnen.- de Dābbatu’l-Arḍ zal verschijnen - drie instortingen zullen plaatsvinden: één in het oosten, één in het westen en één op het Arabisch schiereiland.
- ʿĪsā ibn Maryam (عليه السلام) zal neerdalen,.- de verschijning van Yaʾjūj en Maʾjūj. En de laatste daarvan is een vuur dat vanuit de richting van Aden, in Jemen, zal verschijnen. Het zal de mensen voortdrijven naar hun Verzamelplein (al-Maḥshar), zonder iemand achter te laten.”(Dit is overgeleverd door al-Qurṭubī in ʿUyūn al-Akhbār, maar ik kon de oorspronkelijke bron van deze overlevering niet vinden. Een andere overlevering ondersteunt echter deze betekenis.)
In een vergelijkbare overlevering van Muslim van Ḥudhayfah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het Uur zal niet aanbreken totdat de tien tekenen zich hebben voorgedaan: de zon die uit het westen opkomt, de Dajjāl, de rook (dukhān), de Dābbatu’l-Arḍ, Yaʾjūj en Maʾjūj, de neerdaling van ʿĪsā ibn Maryam (عليه السلام), drie instortingen (in het oosten, westen en op het Arabisch schiereiland), en een vuur dat uit de diepten van Aden verschijnt en de mensen voor zich aandrijft tot het Verzamelplein, totdat het hen voortdurend volgt, zowel tijdens hun rust in de nacht als tijdens hun bezigheden overdag (zal de Qiyāmah niet aanbreken).” (Muslim, 2901; Ibn Mājah, 4041 en 4055; at-Tirmiḏī, 2183)
Dat wil zeggen: het vuur zal dag en nacht blijven branden totdat het hen naar hun Verzamelplein heeft gebracht.
Deze ḥadīth is overgeleverd door at-Tirmiḏī en Ibn Mājah. at-Tirmiḏī heeft gezegd dat de ḥadīth ḥasan is.
In een andere overlevering (worden de tekenen samengevat als): de rook, de Dajjāl, de Dābbatu’l-Arḍ, de zon die uit het westen opkomt, de neerdaling van ʿĪsā ibn Maryam (عليه السلام), drie instortingen (oost, west en het Arabisch schiereiland), en het vuur uit Jemen dat de de mensen voor zich aandrijft tot de Verzamelplein.
(Muslim, 2901; Abū Dāwūd, 4311; at-Tirmiḏī, 2183; Ibn Mājah, 4055; Aḥmad ibn Ḥanbal, 15807)
Van Anas (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “De eerste tekenen van de Qiyāmah zijn een vuur dat de mensen zal verzamelen en hen van oost naar west zal voortdrijven.” (al-Bukhārī, 3329. al-Bukhārī heeft dit als muʿallaq overgeleverd.)
Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar(رضي الله عنهما) zei: ik had onthouden dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “De eerste tekenen van de Qiyāmah zijn: de zon die uit het westen opkomt en de Dābbatu’l-Arḍ die overdag onder de mensen verschijnt. Welke van deze twee ook het eerst komt, de andere zal kort daarna volgen.” (Muslim, 2941)
Van Ḥudhayfah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Ik zie het voor me alsof ik een Habashi man zie met dunne benen, blauwe ogen, een platte neus en een grote buik. Hij en zijn mannen leunden met hun voeten op de Kaʿbah en het leek of ze de stenen van Kaʿbah één voor één lostrokken. Zij geven die stenen van hand tot hand door en gooien ze in de zee. Op dat moment zullen ongewenste tekenen verschijnen: de zon die uit het westen opkomt, daarna de Dajjāl, daarna Yaʾjūj en Maʾjūj, en vervolgens de Dābbatu’l-Arḍ … die elkaar opvolgen.” (Ik kon deze ḥadīth niet vinden. Ik zag dat de commentator Badr ad-Dīn al-ʿAynī deze vermeldt in ʿUmdat al-Qārī (9/233), en hij schrijft het toe aan Ibn al-Jawzī.)
De tekenen van de Qiyāmah die in deze overleveringen worden genoemd, zijn niet noodzakelijk in een vaste chronologische volgorde bedoeld, maar worden in het algemeen samen vermeld. Alleen in de overlevering van Ḥudhayfah (رضي الله عنه) waar het woord “daarna” (thumma) wordt gebruikt, lijkt er een volgorde te zijn aangegeven. Echter, zoals later zal worden uitgelegd, is de kwestie niet zo eenvoudig.
De volgorde die in een andere overlevering van Ḥudhayfah (رضي الله عنه) wordt genoemd, is als volgt: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bevond zich in een van zijn kamers, terwijl wij beneden hem waren. Toen kwam Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar ons toe en zei: ‘Waarover spreken jullie?’
Wij zeiden: ‘Over de Qiyāmah.’
Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): ‘Jullie zullen de Qiyāmah niet zien voordat jullie tien tekenen hebben gezien: een verzakking in het oosten, een verzakking in het westen en een verzakking op het Arabisch schiereiland, de rook (dukhān), de Dajjāl, de Dābbatu’l-Arḍ, Yaʾjūj en Maʾjūj, de zon die uit het westen opkomt, en een vuur dat uit de diepte van Aden zal verschijnen en de mensen zal voortdrijven.’”
Sommige overleveraars hebben echter overgeleverd dat het tiende teken de neerdaling van ʿĪsā ibn Maryam (عليه السلام) is. Anderen hebben overgeleverd dat het tiende voorteken een wind is die de mensen naar de zee zal drijven.
(Muslim, 2901. Geleerden hebben veel discussie gevoerd over de volgorde van de tekenen van de Qiyāmah vanwege de verschillende overleveringen hierover. Voor meer details kan men o.a. Ibn Ḥajar al-ʿAsqalānī, Fatḥ al-Bārī (11/353–355) raadplegen, evenals andere werken die in de voetnoot worden genoemd. Daarnaast kunnen zij ook het werk van Shaykh Maḥmūd ʿAyyūbah, Faqad Jāʾat Ashrāṭuhā (p. 74–79), raadplegen. Eveneens kunnen zij het werk van Shaykh Yūsuf al-Wābil, Ashrāṭ as-Sāʿah (p. 239 e.v.) raadplegen.)
Volgens deze overlevering zouden de eerste tekenen de drie verzakkingen zijn. Sommige geleerden, zoals Ibn Wahb, vermelden dat sommige van deze gebeurtenissen al in de tijd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hebben plaatsgevonden. Dit is al eerder uitgelegd.
Abû Faraj Ibn al-Jawzī vermeldt dat dergelijke vreselijke verzakkingen (aardverschuivingen en grondverschuivingen) ook aardbevingen in ʿIrāq (Ajamistan) kunnen omvatten, waarbij vele mensen zijn omgekomen.
Volgens wat wij hebben gehoord van enkele van onze leraren en geleerden, heeft deze gebeurtenis plaatsgevonden in het oosten van Andalusië, in een stad.
Deze stad zou een nederzetting zijn geweest in een gebied dat “Tanda” werd genoemd. Het lag lager dan zeeniveau. Een berg stortte erop neer en bedekte het gebied volledig, waardoor het verdween.
Volgens wat enkele van onze vrienden en mensen uit onze directe omgeving ons hebben meegedeeld, heeft zich in een van de provincies van Burka een zeer zware aardbeving voorgedaan in een nederzetting die “Tarsah” heette. De muren en daken van alle gebouwen in dat gebied, evenals de muren van de binnenplaatsen, zijn op de mensen ingestort; bijna allen zijn onder het puin bedolven en slechts enkelen zijn ontkomen.
In de betreffende ḥadīth wordt het teken van de Dābbatu’l-Arḍ genoemd vóór de gebeurtenis van Yaʾjūj en Maʾjūj. Echter, dat is niet zo. Het eerste teken dat zal verschijnen is de komst van de Dajjāl. Daarna zal de neerdaling van ʿĪsā (عليه السلام) volgen. Vervolgens zullen Yaʾjūj en Maʾjūj verschijnen. Zoals later zal worden uitgelegd, zullen zij blijven bestaan totdat Allāh hen zal vernietigen door een ziekte die hun nekken aantast (parasitaire wormen), waardoor zij sterven.
Daarna zal Allāh de rūḥ van ʿĪsā (عليه السلام) nemen, en zo zal de wereld verstoken raken van de rechtvaardigen. De dagen zullen voor de mensen langer lijken, de belangrijke wetten van de Islām zullen verdwijnen en de mensen zullen terugkeren naar hun oude gewoonten en tradities.
Zoals bij eerdere gebeurtenissen zullen de ongelovigen, zondaren en dwalenden opnieuw in dwaling vervallen, zo zal Allāh ook in de Einde der Tijden een bewijs tegen hen plaatsen. Opnieuw zullen de ongelovigen en zondaren terugkeren naar hun oude gewoonten en zonden bedrijven. Daarna zal Allāh opnieuw een bewijs tegen hen plaatsen en vervolgens zijn rūḥ nemen.
Daarna zal Allāh een beest (Dābbatu’l-Arḍ) uit de aarde laten verschijnen Hierdoor zal de gelovige van de ongelovige gescheiden worden. De kāfirs en fasiqs zullen hierdoor hun toestand beseffen en zich ervan proberen te distantiëren.
Daarna zal de Dābbatu’l-Arḍ verdwijnen en zal er nog enige tijd worden uitgesteld.
Als zij dan nog steeds in hun ongehoorzaamheid volharden, zal de zon vanuit het westen opkomen. Na de opkomst van de zon uit het westen zal het berouw (tawbah) van zowel de kāfir als fāsiq niet meer worden aanvaard.
De tijd van verantwoordelijkheid en verplichting zal dan beëindigd zijn. Na het plaatsvinden van al deze gebeurtenissen zal de Qiyāmah in de nabije toekomst aanbreken.
Allāhu (سبحانه وتعالى) zegt in de Qur’ān:
وَمَا خَلَقۡتُ ٱلۡجِنَّ وَٱلۡإِنسَ إِلَّا لِيَعۡبُدُونِ ٥٦
En Ik (Allāh) heb de Djinn en de mens slechts tot Mijn aanbidding geschapen. (datgene waartoe alle profeten hebben opgeroepen). (adh-Dhāriyāt 51:56)
Omdat er dan voor hen geen enkele daad van aanbidding meer overblijft, zullen zij daarna niet lang meer op aarde blijven. Zo hebben sommige geleerden de tekenen van het Uur en de gebeurtenissen beschreven.
Wat betreft het verschijnsel van de rook (duḥān): in een ḥadīth die door Huzeyfa (رضي الله عنه) wordt overgeleverd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), staat: “Een van de tekenen van het Uur is het verschijnen van een rook die zich uitstrekt tussen het oosten en het westen. Deze rook zal veertig dagen op aarde blijven.” (Ibn Jarir at-Tabari vermeldt dit in zijn tafsīr, 25/114. De overlevering is qua isnād ernstig zwak. In de keten bevindt zich Ruwād ibn al-Jarrah; hij had zijn geheugen verloren, daarom werden zijn overleveringen verlaten.)
In een dergelijke situatie zal de gelovige zich net zo ongemakkelijk voelen als iemand die een verkoudheid of griep heeft gevat. De kāfir zal daarentegen verkeren als iemand die in een staat van dronkenschap is; de rook zal zijn mond, neusgaten, ogen en oren binnendringen en weer naar buiten komen. Er wordt zelfs gezegd dat deze rook behoort tot de sporen van het Hellevuur op Yawmu’l Qiyāmah.
Deze overlevering wordt toegeschreven aan ʿAlī, Ibn ʿUmar, Abû Hurayrah, Ibn ʿAbbās, Ibn Abī Mulayka en al-Hasan (رضي الله عنهم). Dit komt overeen met de betekenis van de āyah:
فَٱرۡتَقِبۡ يَوۡمَ تَأۡتِي ٱلسَّمَآءُ بِدُخَانٖ مُّبِينٖ ١٠
Wacht dan op de Dag waarop in de hemel een zichtbare rook verschijnt. (Dukhān, 44:10) Over deze āyah zegt Ibn Masʿūd (رضي الله عنه): “Dit heeft reeds plaatsgevonden bij de Quraysh. Zij werden getroffen door een periode van hongersnood. De honger was zo hevig dat zij de lucht tussen zichzelf en de hemel als een rook zagen. Zij werden zo zwaar getroffen dat zij zelfs botten moesten eten.”
“Of het nu gaat om al-Baṭsha, de rook (dukhān), al-Lizām of de āyah over de Romeinen (de overwinning van de Byzantijnen op de Perzen), dit alles heeft reeds in hun tijd plaatsgevonden.”
Deze overlevering van Ibn Masʿūd (رضي الله عنه) is in al-Bukhārī en Muslim opgenomen, evenals in andere verzamelingen. Met “al-Baṭsha” en “al-Lizām” wordt volgens sommige geleerden de Slag bij Badr bedoeld. Met de āyah van de Romeinen wordt het conflict tussen de Byzantijnen en de Perzische zoroastriërs bedoeld. Ook sūrah ar-Rūm (1–3) verwijst naar deze gebeurtenis. Wat betreft de āyah over de duḥān: deze is ook vermeld in Sūrah ad-Dukhān, āyāt 1–16.
(Buhārī, 4824 en 1007; Muslim, 2798. De bewoording van Muslim is de tekst van de ḥadīth die via Masrūq wordt overgeleverd.
Masrūq zegt: “Terwijl ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه) onder ons leunend lag te rusten en wij bij hem aanwezig waren, kwam er een man naar hem toe en zei: ‘O Abū ʿAbdurrahmān!
Bij de poorten van Kindah in Kūfah is er een verteller die verhalen vertelt en beweert dat de āyah van de duḥān (rook) zal komen, en dat deze de adem van de kāfirs zal verstikken en de mu’mins zal treffen als een griep. Wat zegt u daarvan?’”
Daarop ging Ibn Masʿūd (رضي الله عنه) rechtop zitten, zichtbaar boos, en zei: “O mensen! Laat degene die iets weet, slechts spreken over wat hij weet. En wie niet weet, laat hem zeggen: ‘Allāh weet het het beste.’ Want ook al zou hij niet zeggen: ‘Allāh weet het’, over een onderwerp dat geen van u kent, dan is Allāh toch nog steeds de beste die weet.”
Vervolgens reciteerde hij de woorden van Allāh: قُلۡ مَآ أَسۡـَٔلُكُمۡ عَلَيۡهِ مِنۡ أَجۡرٖ وَمَآ أَنَا۠ مِنَ ٱلۡمُتَكَلِّفِينَ ٨٦
Zeg (O Mohammed): “Ik vraag hier geen beloning voor van jullie, noch behoor ik tot de degenen die wat verzinnen. (Sād, 38:86)
Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zag dat zijn volk een terugval/vijandschap ten opzichte van de Islām had en hij bad tegen zijn volk: “O Allāh! Stel hen op de proef met een hongersnood zoals U de volk van Yūsuf (عليه السلام) zeven jaren op de proef stelde.”
De overleveraar zegt: “Toen trof de Quraysh een zware periode van hongersnood. De honger was zo intens dat zij werden vernietigd. Zij begonnen zelfs huiden en kadavers te eten. Wanneer iemand zijn hoofd ophief naar de hemel, leek het alsof hij rook zag vanwege de hevige honger. Toen kwam Abū Sufyān naar Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei: ‘O Muhammad! U bent gekomen met de oproep tot gehoorzaamheid aan Allāh en het onderhouden van familiebanden. Uw volk dreigt te sterven van de honger, bid tot Allāh voor hen.’”
Daarop openbaarde Allāh:
فَٱرۡتَقِبۡ يَوۡمَ تَأۡتِي ٱلسَّمَآءُ بِدُخَانٖ مُّبِينٖ ١٠
Wacht dan op de Dag waarop in de hemel een zichtbare rook verschijnt.
يَغۡشَى ٱلنَّاسَۖ هَٰذَا عَذَابٌ أَلِيمٞ ١١
De mensen bedekkend, die is een pijnlijke bestraffing.
رَّبَّنَا ٱكۡشِفۡ عَنَّا ٱلۡعَذَابَ إِنَّا مُؤۡمِنُونَ ١٢
(Zij zullen zeggen:) “Onze Heer! Verwijder de bestraffing van ons, waarlijk wij zijn gelovigen.”
أَنَّىٰ لَهُمُ ٱلذِّكۡرَىٰ وَقَدۡ جَآءَهُمۡ رَسُولٞ مُّبِينٞ ١٣
Hoe zullen zij zich laten vermanen, als er reeds een duidelijke Boodschapper tot hen is gekomen?
ثُمَّ تَوَلَّوۡاْ عَنۡهُ وَقَالُواْ مُعَلَّمٞ مَّجۡنُونٌ ١٤
Toen keerden zij zich van hem af en zeiden: “Hij is een bezeten onderwezene.”
إِنَّا كَاشِفُواْ ٱلۡعَذَابِ قَلِيلًاۚ إِنَّكُمۡ عَآئِدُونَ ١٥
Waarlijk, Wij zullen korte tijd de bestraffing verwijderen. Waarlijk! Jullie zullen terugkeren. (ad-Dukhān, 44:10–15)
Als deze duḥān, zoals de man uit Kindah beweerde, een toekomstige bestraffing van het Hiernamaals zou zijn, zou die dan ooit worden opgeheven? Allāh zegt immers:
يَوۡمَ نَبۡطِشُ ٱلۡبَطۡشَةَ ٱلۡكُبۡرَىٰٓ إِنَّا مُنتَقِمُونَ ١٦
(Gedenk) de Dag dat Wij hen zullen grijpen met de zware bestraffing.
Waarlijk, Wij zijn Vergelders. (ad-Dukhān, 44:16)
De “baṭsh” in de āyah verwijst naar de Dag van Badr, omdat “baṭsh” de greep van een leeuw is waarmee hij iets grijpt en neerwerpt. De Quraysh werden op de Dag van Badr getroffen en verslagen.
Of het nu de duḥān is, of de baṭsh, of de lizām, of de āyah van de Romeinen: al deze gebeurtenissen hebben reeds plaatsgevonden in hun tijd. (zie Muslim, 2798, al-Bukhārī, 4774)
Abū al-Khaṭṭāb ibn Diḥyah zegt: “Het juiste dat hier in aanmerking genomen moet worden berust op twee zaken. Eén daarvan is reeds gebeurd en heeft plaatsgevonden. De andere zal nog plaatsvinden en zal op zijn tijd gebeuren.
Wat betreft de gebeurtenis die al heeft plaatsgevonden: het is dat zij (Quraysh mushriks), wanneer zij naar de hemel keken, door hun honger de lucht zagen alsof deze gevuld was met rook. Maar deze ‘rook’ die zij meenden te zien was geen echte rook.
De echte rook, die wordt gerekend tot de tekenen van het Uur, is de rook die zal verschijnen wanneer de tekenen van het Uur zich beginnen te manifesteren, en die op zijn tijd zal verschijnen.
Wanneer dat gebeurt, is er geen belemmering dat mensen op die dag zullen zeggen: رَّبَّنَا ٱكۡشِفۡ عَنَّا ٱلۡعَذَابَ إِنَّا مُؤۡمِنُونَ ١٢
(Zij zullen zeggen:) “Onze Heer! Verwijder de bestraffing van ons, waarlijk wij zijn gelovigen.” (Dukhān, 44:12) Allāh heeft die betreffende bestraffing van hen weggenomen.
Wat betreft de uitspraak van Ibn Masʿūd (رضي الله عنه), deze is niet rechtstreeks aan Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) toegeschreven; het is een interpretatie van Ibn Masʿūd zelf. Want de overleveringen van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) wijzen iets anders aan dan wat Ibn Masʿūd heeft gezegd.
(De auteur) zegt: Volgens de overlevering van Ibn Masʿūd is er sprake van twee soorten rook.
Ook Mujāhid zegt, door Ibn Masʿūdovergeleverd: “Die rook bestaat uit twee soorten. Eén daarvan is al voorbij. De andere, die nog moet komen, is een rook die tussen hemel en aarde alles zal bedekken.
De mu’min zal dit ervaren als een griep of verkoudheid. De kāfir daarentegen zal zo getroffen worden dat zijn gehoor en zintuigen worden aangetast. Op dat moment zal een zuidelijke wind uit Jemen worden gezonden; de arwāh van elke mu’min man en vrouw zullen worden weggenomen, en er zullen alleen de slechtste mensen op aarde overblijven.
Wat betreft de termen “baṭsha” en “lizām”, hierover bestaan verschillende opvattingen. Ubay ibn Kaʿb (رضي الله عنه) verklaarde: “Dit verwijst naar de doding met het zwaard op de Dag van Badr.” Ook Ibn Masʿūd (رضي الله عنه) neigde naar deze mening, en dit is ook de opvatting van de meerderheid. Volgens deze uitleg hebben zowel “baṭsha” als “lizām” dezelfde betekenis.
Ibn Masʿūd (رضي الله عنه) zegt: “al-Baṭsha al-Kubrā is de gebeurtenis van Badr.” Er wordt ook gezegd dat dit kan verwijzen naar de Dag van de Opstanding. In wezen betekent het woord “baṭsh” het krachtig en pijnlijk grijpen of treffen.
Ibn Masʿūd heeft het geïnterpreteerd als de Dag van Badr, en dit komt overeen met wat bedoeld wordt in de āyah waarin “al-Baṭsha al-Kubrā” wordt genoemd. (at-Ṭabarī, Tafsīr, 25/117)
Wat betreft het woord “lizām”: dit betekent taalkundig gezien de uiteindelijke, beslissende uitspraak over een zaak, waarna niets meer overblijft om eraan toe te voegen.
De zin “de bestraffing zal jullie niet loslaten” (Furqān, 77; zie at-Ṭabarī, Tafsīr, 19/56)De laatste zin van deze laatste âyah van surah al‑Furqân eindigt met dit woord en geeft zekerheid aan. Het woord “lizām” wordt hier opgevat als voortdurende en onafwendbare bestraffing. Dit woord komt in de Qurʾān op twee plaatsen voor, waaronder in surah Ṭā-Hā (vers 129).
De kwestie van de Dajjāl is op verschillende plaatsen in dit boek behandeld. Wat betreft de Dābbatu’l-Arḍ (het Beest): Allāh zegt hierover:
وَإِذَا وَقَعَ ٱلۡقَوۡلُ عَلَيۡهِمۡ أَخۡرَجۡنَا لَهُمۡ دَآبَّةٗ مِّنَ ٱلۡأَرۡضِ تُكَلِّمُهُمۡ أَنَّ ٱلنَّاسَ كَانُواْ بِـَٔايَٰتِنَا لَا يُوقِنُونَ ٨٢
En als het woord voor hen bewaarheid wordt, zullen Wij uit de aarde een beest voortbrengen dat tegen hen zal spreken want de" mensheid geloofde niet met zekerheid in Onze Tekenen. (Naml, 27:82)
Uitleg hierover zal op de volgende pagina’s te vinden zijn (zie al-Bukhārī, 4864; Muslim, 2800)
Zoals de exegeten uitleggen is de Dābbatu’l-Arḍ een groot schepsel dat zal verschijnen vanuit een scheur bij de heuvel Ṣafā. Het zal niemand passeren zonder hem (te markeren). Bij de mu’min zal het een teken van geloof plaatsen; zijn gezicht zal stralen en er zal tussen zijn wenkbrauwen “mu’min” worden geschreven. Bij de kāfir zal het een teken van ongeloof plaatsen; zijn gezicht zal donker worden en er zal “kāfir” tussen zijn wenkbrauwen worden geschreven.
Volgens een overlevering van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما) wordt gezegd dat deze Dābbatu’l-Arḍ mogelijk dezelfde is als de Jassāsah, zoals genoemd in het verhaal over de Dajjāl.
In de ḥadīth staat: “Het laatste wat zal verschijnen is een vuur dat uit Jemen komt.” In een andere overlevering: “een vuur uit de diepten van Aden,” en in een andere: “een vuur uit de gebieden van de Ḥijāz.”
Volgens Qāḍī ʿIyāḍ kan het zijn dat hier twee vuren bedoeld zijn: twee vuren die samen mensen naar de plaats van de samenkomst (al-Maḥshar) drijven.
Of het kan betekenen dat het eerste ontstaan in Jemen is en zich daarna uitbreidt naar de Ḥijāz.
Het vuur dat uit de gebieden van de Ḥijāz zal voortkomen, zal, zoals in de vorige uitspraken is vermeld, opnieuw verschijnen. Uiteindelijk zal alleen dat vuur overblijven dat de mensen naar het Verzamelplein (al-Maḥshar) zal drijven. Dit is ook het vuur dat uit Jemen zal komen. Dit onderwerp is eerder al behandeld bij de bespreking van de opstanding (ḥashr) en zal ook nog terugkomen in het hoofdstuk over het opkomen van de zon vanuit het westen.
Wat betreft de āyah:
ٱقۡتَرَبَتِ ٱلسَّاعَةُ وَٱنشَقَّ ٱلۡقَمَرُ ١
Het uur is nabij en de maan is gespleten. (Qamar, 54:1)Volgens een overlevering vroegen de mensen van Makkah aan Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) om een wonder. Daarop toonde hij hun dat de maan in tweeën werd gespleten, waarbij een berg zichtbaar was tussen de twee delen, en hij zei: “Wees hier getuigen van.” (al-Bukhārī, 3869 (3636–3638) en 4864; Muslim, 280)Sommige geleerden zeggen dat “de maan is gespleten” betekent: “de maan zal in de toekomst gespleten worden.” Dit is vergelijkbaar met de uitspraak uit de Qur’ān:
أَتَىٰٓ أَمۡرُ ٱللَّهِ فَلَا تَسۡتَعۡجِلُوهُۚ سُبۡحَٰنَهُۥ وَتَعَٰلَىٰ عَمَّا يُشۡرِكُونَ ١
Het bevel van Allāh komt (zeker), probeer het dus niet te versnellen. Verheerlijkt en verheven is Hij boven alles wat zij als deelgenoten met Hem verenigen. (Naḥl, 16:1)
“Het bevel van Allāh kom”³, wat betekent: “het zal komen.”
Al-Ḥalīmī Abū ʿAbdullāh schrijft in zijn werk Minhāj ad-Dīn: “Ik heb in Bukhārā de maan gezien toen zij nog maar twee nachten oud was en gespleten leek in twee delen.
Elk deel had een breedte zoals men die ziet op de vierde of vijfde nacht. Ik bleef kijken tot ze zich weer zou verenigen, maar ik zag niet dat ze volledig samenkwam. Op dat moment leek zij, terwijl zij één was, op een citrusvrucht zoals een sinaasappel. Ik heb haar gevolgd totdat zij verdween, zonder dat ik het moment van samenkomen duidelijk zag.”
Hij zei verder: “Er waren mensen bij mij aanwezig, waaronder vooraanstaande personen, geleerden en anderen uit het volk. Zij zagen allen wat ik zag.”
Een betrouwbare persoon heeft mij ook verteld dat hij de maan in die toestand had gezien toen zij drie nachten oud was en gespleten leek.
Al-Ḥalīmī concludeerde: “Zo is de uitspraak van Allāh ‘de maan is gespleten’ zichtbaar geworden, op een wijze die kan behoren tot de tekenen van het Uur. Tegelijkertijd heeft Allāh dit vóór het Uur tot een teken gemaakt voor Zijn Rasûl (صلى الله عليه وسلم).”
7.28 Tekenen die na tweehonderd jaar (AH) verschijnen
Van Abū Qatāda (رضي الله عنه), Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De āyāt (tekenen) zullen na na tweehonderd (hidjri) jaar verschijnen.” (Ibn Mājah, 4057)
Van Anas (رضي الله عنه), Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Mijn ummah bestaat uit vijf lagen:De eerste laag zijn degenen die leven in de eerste veertig jaar; zij zijn de mensen van goedheid en taqwā.De tweede laag zijn degenen die leven tussen 41 en 120 jaar; zij zijn degenen die de familiebanden onderhouden en voortzetten.Daarna komt de laag die hen zal opvolgen (de derde laag), namelijk degenen die leven tussen 120 en 160 jaar; zij zullen elkaar de rug toekeren en hun onderlinge banden verbreken.Na deze periode zal een tijd van chaos (harj wa marj) beginnen. Pas op! Zoek redding in die tijd, zoek redding!” (Ibn Mājah, 4058)
Van Anas (رضي الله عنه),Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Mijn ummah wordt verdeeld in vijf lagen, elk van veertig jaar. Mijn generatie en die van mijn metgezellen zijn de mensen van kennis (`ilm) en geloof (imān).De tweede laag, van 40 tot 80 jaar, bestaat uit de mensen van goedheid en taqwā.”Vervolgens vervolgde hij de ḥadīth op dezelfde manier. (Ibn Mājah, 4058)
7.29 Degenen die in de aarde zullen wegzinken en degenen die in een andere gedaante zullen worden veranderd
Van Anas b. Malik (رضي الله عنه) zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tegen Anas:
“O Anas! Waarlijk, de mensen zullen verschillende steden bouwen. Onder deze steden zal er ook een stad zijn met de naam Busra (of Busayra). Als jouw weg daar langs voert of als je ernaartoe gaat, ga dan niet door het zoute gebied, noch langs de haven, noch door de markten en bazaars, en ga ook niet naar de deuren van de bestuurders. Mijn advies aan jou is dat je je weg vervolgt via de buitengebieden van die plaats. Want in dat gebied zullen veel verzakkingen van de aarde, stormen en ook aardbevingen plaatsvinden. Een volk zal ’s nachts gaan slapen en ’s ochtends wakker worden terwijl zij in apen en varkens zijn veranderd.” (Abû Dāwūd, 4307. Deze ḥadīth komt niet voor in andere hadithverzamelingen dan Abū Dāwūd. Er is vermeld dat de ḥadīth ṣaḥīḥ is.)
Er kwam een man bij `Abdullah b. `Umar (رضي الله عنهما) en zei tegen hem: “U krijgt de salām van die en die persoon.” Hij antwoordde: “Zoals ik heb gehoord, zou die man dingen die niet tot de dīn behoren, aan de samenleving als van de dīn presenteren. Als hij werkelijk zo handelt, geef hem dan geen salām van mij. Ik stuur hem geen salām terug. Want ik heb Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) horen zeggen: ‘In mijn ummah zullen er mensen zijn die in de aarde zullen worden verzonken en mensen die in een andere gedaante worden veranderd. En er zullen hevige stormen en rampen verschijnen.” (Ibn Mājah, Fitan, 4061)
Er is ook een soortgelijke overlevering van Sahl b. Sa'd (رضي الله عنهما). In eerdere overleveringen is al vermeld dat een leger dat op weg was om Makkah te verwoesten en tegen de Mahdī te vechten, in de aarde worden verzwolgen. Deze overleveringen zijn ook door Muslim en anderen overgeleverd. (Muslim, 2882–2883)
In eerdere bladzijden zijn eveneens aḥadīth van al-Bukhārī en andere hadithgeleerden overgeleverd, onder de titel: “Wanneer deze ummah vijftien kenmerken verricht.” (al-Bukhārī, 5590)
Jarir b. Abdullah al-Bajali (رضي الله عنه) wordt door as-Sa‘labī in zijn tafsīr aangehaald dat hij zei: ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Tussen de Tigris en de Dujayl, tussen Qutrabil en Sarat, zal een stad worden gebouwd. De tirannen van de wereld zullen zich daar verzamelen. Schatten zullen erheen gebracht worden.
En allen zullen daar in de aarde worden verzwolgen.”
In een andere overlevering staat: “Alle bewoners van die regio zullen in de aarde worden verzwolgen. Het is een plaats waar men zeer snel in de aarde wordt weggezogen, zoals een stevige paal die gemakkelijk in zachte grond wordt geslagen. Deze plaats heet Baghdad.” (Tārīkh al-Baghdād, 1/28–30; al-Sunan al-Wārida fī al-Fitan, p. 350–469)
Allāh (سبحانه وتعالى) weet het het beste.
7.30 De Dajjāl
Hier worden de eigenschappen van de Dajjāl behandeld, waaronder waar hij vandaan komt en uit welk gebied hij zal verschijnen, de tekenen van zijn komst, wat er bij zijn verschijning zal gebeuren, hoe men aan hem kan ontkomen, en zaken zoals het tot leven brengen van doden en het genezen van aangeboren blindheid en mensen met melaatsheid (al-baraṣ).
Ibn Dihyah zegt dat de geleerden over de Dajjāl hebben vermeld dat het woord in de taalkunde ongeveer tien betekenissen heeft:
De leugenachtige Dajjāl: omdat hij veel liegt (wordt hij Dajjāl genoemd); zulke personen worden ook “dajjāl” genoemd. Dit is genoemd door al-Khalīl en anderen. Het woord kan ook worden uitgesproken als “dijl/dijlah” en wordt in verband gebracht met leugen, omdat hij waarheid en valsheid met elkaar vermengt.
De naam Dajjāl is afgeleid van het woord “dajala”, wat betekent: een kameelwond bedekken met teer. De reden dat hij deze naam krijgt, is omdat hij de waarheid bedekt en verhult met magie en leugens. Dit is vergelijkbaar met iemand die de wonden van een gewonde en schurftige kameel bedekt met teer. Al-Aṣmaʿī vermeldt dat een kameel waarop deze behandeling is toegepast “dajjāla” wordt genoemd.
Het feit dat deze naam aan Dajjāl is gegeven omdat hij de hele aarde zal doorkruisen.
Het woord betekent in de taalkundige zin: iets bedekken of afdekken. Het wordt zo genoemd vanwege het feit dat hij de aarde volledig zal doorkruisen en “bedekken”. Ibn Durayd zegt dat voor alles wat bedekt wordt, in deze betekenis afgeleide vormen van dit woord worden gebruikt. Zelfs de naam van de rivier de Tigris (Dijla) is in verband hiermee genoemd, omdat deze het land van begin tot eind “bedekt” of doorkruist.
Omdat hij behalve Makkah en Madīnah de hele wereld zal doorkruisen.
Omdat hij mensen zal misleiden met zijn slechtheid.
Het kan ook betekenen: iets openscheuren of rondtrekken.
Het kan betekenen: iets eenvoudigs bedekken met goud of versiering.
Het kan betekenen: een slecht metaal vergulden om indruk te maken.
En tenslotte: mensen misleiden met versiering, bedrog en trucs.
Deze tien betekenissen zijn vermeld door Ḥāfiẓ Khattāb b. Dihya in zijn werk “Marājiʿ al-Baḥrayn fī Fawāʾid al-Mashriqayn wa al-Maghribayn”.
Van Abû Darda (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie de eerste tien āyāt van surah al-Kahf uit het hoofd leert, zal beschermd worden tegen de fitnah van de Dajjāl.”En in een andere overlevering: “Wie de laatste tien āyāt van surah al-Kahf uit het hoofd leert, zal beschermd worden tegen de fitnah van de Dajjāl.” (Muslim, 809; Abû Dāwūd, 4323; Musnad Ahmad, 21205)
Van Abû Bakr ibn Abi Shaybah overlevert van Faltan b. `Asim (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De valse Messias (al-Masīḥ ad-Dajjāl) is breed van voorhoofd, blind aan het linkeroog en heeft een brede, scheve neus.” (Abû Bakr ibn Abi Shaybah, 37458; Al-Bazzar, 3698; Al-Muʿjam al-Kabīr (al-at-Tabarānī), 860 (18/335); Musnad ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (al-Sadūsī), 33; Al-Haythami, Majmaʿ al-Zawāʾid, 7/348)
Van Hudhayfa ibn al-Yaman (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De Dajjāl is scheel aan het linkeroog, heeft dik haar en bij zich heeft hij een paradijs en een hel. Zijn vuur is in werkelijkheid het Paradijs, en zijn zogenoemde paradijs is in werkelijkheid het Hellevuur.” (Muslim, 2934, Musnad, 22768)
Eveneens van Hudhayfa (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik weet zeer goed wat er bij de Dajjāl zal gebeuren. Bij hem zullen twee stromende rivieren zijn. Eén daarvan lijkt wit water tot aan de horizon, en de andere lijkt een brandend vuur tot aan de horizon. Wie ze bereikt, laat hem naar de rivier gaan die hij als vuur ziet, zijn ogen sluiten en ervan drinken, want het is koud en helder water. Op zijn voorhoofd staat tussen zijn ogen ‘kāfir’ geschreven.
Iedere mu’min zal dat kunnen lezen, geletterd of niet.” (al-Bukhārī, 713, 3450, 4708; Muslim, 2934/169; Musnad Ahmad, 22768)
Van ʿAbdullāh Ibn ʿUmar (رضي لله عنھما), An-Nabī ( صلى لله علیھ وسلم ) sprak op een dag onder de mensen over de Masīh ad-Dajjāl (de bedrieger, de leugenaar). Hij zei: “Voorwaar, Allāh is niet eenogig. Weet dat de Masīh ad-Dajjāl een blind rechteroog heeft; zijn oog lijkt op een losse druif (uitpuilt).”
De overleveraar zei, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ging verder en zei: “Ik zag mezelf in een droom bij de Kaʿbah. Daar zag ik een donkere man, de mooiste onder de donkere mannen. Zijn haar hing tussen zijn schouders, netjes verzorgd, en er viel water van zijn hoofd. Hij liep tussen twee personen in terwijl hij zijn handen op hun schouders legde en in die toestand verrichtte hij ommegang om de Ka’bah (ṭawāf). Toen ik vroeg wie deze persoon was, werd mij gezegd: “Dit is de Messias, de zoon van Maryam (عليه السلام).”
Achter hem zag ik ook een andere persoon met zeer krullend haar, een misvormd en uitpuilend rechteroog. Deze persoon leek onder de mensen die ik zag het meest op een man die Ibn Qatan werd genoemd. Ook hij verrichtte de ṭawāf om het Huis van Allāh terwijl hij zijn handen op de schouders van twee personen had gelegd. Toen ik vroeg wie dit was, werd mij gezegd: “Dit is al-Masih ad-Dajjāl.” (al-Bukhārī, 3439-3440; Muslim, 169; Ahmad ibn Hanbal, 6099)
Van Ibn ‘Abbās (رضي الله عنهما), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “al-Masih ad-Dajjāl is scheel, heeft krullend zwart haar en een maanachtig gezicht. Zijn hoofd lijkt op een boom met takken of doornen. Hij is degene die alles slecht laat lijken en misleidt.
Hij lijkt onder de mensen op ‘Abd al-‘Uzzā ibn Qatan uit de stam Khuzā‘ah. Hij is de grootste van de vernietigers en hij is scheel.” (Ibn Abi Shaybah, Musannaf, 37470; Abdullah ibn Ahmad, 1004; al-Tabarani, al-Kabir, 11711)
Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “al-Masih ad-Dajjāl die tot dwaling leidt, is scheel aan beide ogen. Hij heeft een breed voorhoofd en uit zijn brede neusgaten komt damp. Hij lijkt sterk op Qatan ibn ‘Abd al-‘Uzzā.” Toen een man vroeg: “O Rasûlullāh, heeft hij iets wat op mij lijkt?”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Nee, jij bent een moslim, terwijl hij een kāfir is.” (Abû Bakr al-Tayalisi, Musnad, 2532; Ahmad ibn Hanbal, 2/291; Ibn Hajar, Fath al-Bari, 13/101)
Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه), an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “al-Masih ad-Dajjāl is scheel, heeft een breed voorhoofd en een scheve neus. Hij lijkt precies op Katan ibn ‘Abd al-‘Uzzā.”Toen een man vroeg: “O Rasûlullāh, schaadt zijn gelijkenis mij?” Hij antwoordde: “Nee, jij bent een mu’min, terwijl hij een kāfir is.”
Van Ubeyy ibn Ka‘b (رضي الله عنه): Terwijl Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aanwezig was er werd gesproken over de Dajjāl, of hij zelf opende het gesprek over de Dajjāl en zei: “Een van zijn ogen is als een groen glas. Zoek toevlucht bij Allāh tegen de bestraffing van het graf.”
(Abû Dāwūd al-Tayalisi, Musnad, 544; Ahmad ibn Hanbal, 5/123; al-Ziya’ al-Maqdisi, al-Mukhtarah, 1202; Abû Nu’aym, Hilyah, 4/363; al-Haythami, Majma‘ al-Zawa’id, 7/337.Er wordt gezegd dat de ḥadīth qua isnād authentiek is.)
Van Abû Bakr (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Waarlijk, de Dajjāl zal in het oosten verschijnen, in een gebied dat Khurāsān wordt genoemd. Een grote menigte mensen zullen hem volgen. Hun gezichten zijn als schilden bekleed met leer.” (Tirmidhī, 2237; Ibn Mājah, 4072; Ahmad ibn Hanbal, 13. Er wordt vermeld dat de ḥadīth authentiek is.)
Van Abû Sa‘īd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Zeventigduizend mensen van mijn ummah zullen de Dajjāl volgen. Allen zullen groene zijden kleding dragen.” (`Abd al-Razzāq, al-Musannaf, 20825; Abû Nu‘aym ibn Hammād, al-Fitan, 1549)
… Van Asmā’ bint Yazīd (رضي الله عنها): In aanwezigheid van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) werd er over de Dajjāl gesproken. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Waarlijk, drie jaar vóór zijn komst zal de hemel de regen beperken. In het eerste jaar zal een derde van de regen worden tegengehouden en de aarde zal een derde van haar opbrengst verminderen. In het tweede jaar zal twee derde van de regen worden tegengehouden en de aarde zal twee derde van haar opbrengst verminderen. In het derde jaar zal er geen regen uit de hemel vallen en niets zal uit de aarde groeien. De situatie zal zo ver gaan dat zelfs alle dieren met tanden en klauwen zullen sterven.”
(al-at-Tabarānī, al-Kabīr, 406; Abû Dāwūd al-Tayālisī, Musnad, 1633; ‘Abd al-Razzāq, al-Musannaf, 20821; Ahmad ibn Hanbal, 6/455; al-Mishkāt, 5490-5491; Nu‘aym ibn Hammād, 1549)
… Van Abū Umāmah (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “In het derde jaar zal er helemaal geen regen vallen en geen enkele plant zal groeien. Zelfs als er een enkele regendruppel uit de hemel valt, zal daaruit niets groeien. De aarde lijkt als koper en de hemel als glas. Uiteindelijk zullen de mensen sterven door honger en ontbering. De fitnah zal toenemen, het tumult zal losbarsten en de mensen zullen elkaar afslachten. De mensen zelf zullen de aarde met rampen overspoelen. Op dat moment zal de vervloekte Dajjāl verschijnen in een stadje in de richting van Isfahan, genaamd Yahūdiyyah. Hij zal rijden op een ezel die lijkt op een muildier. De afstand tussen de oren van zijn ezel zal veertig el zijn.” (Ibn Mājah, 4077. Echter, de ḥadīth die onze auteur hier vermeldt, komt niet overeen met de ḥadīth die is overgeleverd in Ibn Mājah. Deze ḥadīth is, wat betreft de isnād, een zwakke overlevering.)
De eigenschappen van de Dajjāl zijn als volgt: “Hij is fors gebouwd, lang van gestalte, met krullend en dicht haar. Zijn rechteroog is scheel, alsof het nooit geschapen is. Zijn andere oog is met bloed bedekt. Tussen zijn twee wenkbrauwen staat ‘kāfir’ geschreven. Iedereen die in Allāh gelooft, zal dit kunnen lezen. Hij zal driemaal schreeuwen zodat de mensen in het oosten en het westen hem kunnen horen.” (Zie de voetnoot van hierboven)
Er is overgeleverd dat er uit de zee een vrouw zal verschijnen, van een schoonheid die zelden wordt gezien. Zij zal de mensen uitnodigen om met haar het bed te delen. Zij zal alle landen rondtrekken. Wie met haar het bed deelt, zal Allāh ontkennen en een kāfir worden.
Precies in zo’n periode zal Allāhu Ta`ālā de Dajjāl over hen laten verschijnen.
Een van de tekenen van zijn komst is de herovering van Constantiniyyah (Istanbul).
Volgens de overlevering zal er tussen de verschijning van de Dajjāl en de verovering van Constantiniyyah zeven maanden liggen. Dit onderwerp is reeds eerder behandeld.
Van Ṣufaynah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hield ons een toesprak en zei:“Er is geen nabī geweest die zijn ummah niet heeft gewaarschuwd voor het gevaar van de Dajjāl. Let op! Zijn linkeroog is scheel, en aan zijn rechterhand bevindt zich een zeer harde nagel. Tussen zijn twee wenkbrauwen staat ‘kāfir’ geschreven. Bij hem zijn twee valleien: één daarvan is het paradijs en de andere is het vuur. Zijn vuur is in werkelijkheid het Paradijs en zijn paradijs is in werkelijkheid het Hellevuur.
De Dajjāl zal tegen de mensen zeggen: ‘Ben ik niet jullie rab die leven geeft en doet sterven?’
Bij hem zullen twee engelen zijn die lijken op twee van de anbiyā’’. Voorwaar, ik ken de namen van die twee anbiyā’’ en ook de namen van hun vaders. Als jullie willen, kan ik hun namen noemen. Eén van hen zal zich rechts van de Dajjāl bevinden en de ander links.
De Dajjāl zal zeggen: ‘Ben ik niet jullie rab die doet leven en sterven?’ Eén van de twee engelen zal zeggen: ‘Je liegt.’ Maar niemand van de mensen zal dat horen behalve zijn metgezel. De tweede engel zal, als bevestiging van de eerste, zeggen: ‘Je spreekt de waarheid.’ De mensen zullen deze woorden horen en denken dat de twee engelen de Dajjāl bevestigen. Dat is de beproeving (fitnah).”
Vervolgens zal de Dajjāl blijven voortgaan totdat hij bij Madīnah komt, maar hem zal de toegang worden geweigerd. Dan zal hij zeggen: “Dit is de stad van die en die man, val haar niet binnen om hem geen schade te berokkenen.”
Daarna zal hij verder reizen naar Shām.
Allāh zal hen allen vernietigen nabij een heuvel genaamd Ufayq.” (Abū Dāwūd, aṭ-Ṭayālisī, Musnad, 1106; Ibn Abī Shaybah, Muṣannaf, 37479; Aḥmad ibn Ḥanbal, 5/221; aṭ-Ṭabarānī, al-Kabīr, 6445; Ibn ʿAdī, al-Kāmil, 2/440)
Ibn Barhān schrijft in zijn boek Irshād: “Volgens mijn sterke vermoeden is één van de twee anbiyā’ op wie de engelen lijken, al-Masīḥ ʿĪsā ibn Maryam (عليه السلام), en de andere is Muḥammad (صلى الله عليه وسلم). Daarom heeft hij met betrekking tot hen geen verdere nadruk gelegd of een specifiek testament gegeven.”
Van ʿUbādah ibn aṣ-Ṣāmit (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voorwaar, ik heb met jullie reeds gesproken over al-Masīḥ ad-Dajjāl, maar ik vrees dat jullie nog niet volledig begrijpen hoe hij is. Voorwaar, al-Masīḥ ad-Dajjāl is kort, krombenig, met krullend haar en eenogig. Zijn oog is dof; het is noch uitpuilend noch diep verzonken. Als jullie twijfelen over hem, weet dan dat jullie Rab niet eenogig is.” (Abū Dāwūd, 4320; Aḥmad ibn Ḥanbal, 22258)
In een andere overlevering staat: Na de uitdrukking “Er was hier ooit water” volgen de volgende gegevens: “Zij trekken verder, totdat zij uiteindelijk de Wijn-berg bereiken. Dit is een berg in Bayt al-Maqdis.
Onder elkaar zeggen zij: ‘Wij hebben degenen op aarde gedood, laten wij nu ook degenen in de hemel doden.’
Vervolgens richten zij hun pijlen naar de hemel en schieten deze af. Daarop laat Allāh hun pijlen, met bloed besmeurd, naar hen terugkeren.” (Muslim, 2937; at-Tirmiḏī, 2240; Ibn Mājah, 4075; Aḥmad ibn Ḥanbal, 17177)
At-Tirmidhī heeft de overlevering over het afschieten van de pijlen door Ya’jūj en Ma’jūj vermeld in verband met deze ḥadīth en zei: “Daarna trekken zij verder, totdat zij de berg van Bayt al-Maqdis bereiken en zeggen: ‘Wij hebben degenen op aarde gedood, laten wij nu ook degenen in de hemel doden.’
Vervolgens richten zij hun pijlen naar de hemel en schieten deze af. Allāh zal hun pijlen, bloedrood gekleurd, naar hen terug laten keren.
En ʿĪsā ibn Maryam (عليه السلام) zal daar belegerd worden.”
Ook wordt in de ḥadīth, in plaats van de uitdrukking: “Zij werpen die kadavers waar Allāh wil,” vermeld: “Die vogels nemen de rottende kadavers op en dragen ze weg, waarna zij deze in een bodemloze kuil werpen.”
Er wordt gezegd dat de moslims de overgebleven pijlen, bogen en pijlkokers van hen gedurende zeven jaar als brandstof zullen gebruiken. Vervolgens gaat de ḥadīth verder met de woorden: “Daarna zal Allāh een regen zenden,” en zo vervolgt de overlevering tot het einde.
De hier genoemde overlevering komt ook voor bij at-Tirmiḏī en Ibn Mājah, al zijn er kleine verschillen tussen de versies. Uiteindelijk komen zij allen inhoudelijk op hetzelfde neer. Een van deze overleveringen, hoewel via verschillende ketens overgeleverd, luidt als volgt: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De moslims zullen de pijlen, bogen, pijlkokers en schilden die achtergelaten zijn door het volk van Ya’jūj en Ma’jūj, gedurende zeven jaar als brandstof gebruiken.” (Ibn Mājah, 4076. Er is vermeld dat deze ḥadīth ṣaḥīḥ is.)
Van Abū Umāmah al-Bāhilī (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hield een toespraak tot ons. In zijn toespraak legde hij de meeste nadruk op de kwestie van de Dajjāl en waarschuwde hij ons daarvoor.
Een deel van wat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei, is het volgende: “Vanaf de dag dat Allāh Ādam (عليه السلام) heeft geschapen en zijn nakomelingen over de aarde heeft verspreid, heeft Allāh geen grotere fitnah geschapen dan de fitnah van de Dajjāl. Er is geen nabī die door Allāh is gezonden zonder dat hij zijn ummah heeft gewaarschuwd voor de Dajjāl. Jullie zijn de laatste van de umam, en de Dajjāl zal zeker onder jullie verschijnen.
Als hij verschijnt terwijl ik nog onder jullie ben, dan zal ik namens iedere moslim tegen hem optreden. Maar als hij na mij verschijnt, dan is ieder verantwoordelijk voor zichzelf. En ter bescherming van elke moslim is Allāh mijn beschermer. Hij zal verschijnen uit een rotsachtig gebied tussen Shām en ʿIrāq en zal zich over de hele wereld verspreiden.
O dienaren van Allāh, blijf standvastig tegenover Dajjāl. Ik zal jullie zijn kenmerken beschrijven, zoals geen enkele nabī vóór mij dat heeft gedaan.
In het begin zal hij zeggen dat hij een nabī van Allāh is, terwijl er na mij geen nabī meer zal komen. Daarna zal hij zeggen: ‘Ik ben jullie rab (heer).’ Maar jullie zullen jullie Rab niet zien totdat jullie sterven. Zijn oog is scheel en gebrekkig, terwijl jullie Rab niet scheel is. Tussen zijn twee wenkbrauwen staat ‘kāfir’ geschreven. Iedere mu’min, of hij nu kan lezen of niet, zal dit kunnen lezen.
Tot Dajjāls beproevingen behoort dat hij een paradijs en een hel bij zich heeft. Wie beproefd wordt met wat hij zijn vuur noemt, laat hem dan Allāh om hulp vragen en enkele āyāt uit het begin van sūrah al-Kahf reciteren. Dat vuur zal hem niet schaden, maar, met de toestemming van Allāh, een bron van veiligheid worden, zoals het vuur voor Ibrāhīm (عليه السلام) was.
Tot Dajjāls beproevingen behoort ook dat hij tegen een bedoeïen zal zeggen: ‘Als ik jouw vader en moeder tot leven breng, zul jij dan getuigen dat ik jouw rab (heer) ben?’ Hij zal antwoorden: ‘Ja.’ Op dat moment zullen twee shayṭāns verschijnen in de gedaante van zijn vader en moeder en tegen hem zeggen: ‘O mijn zoon, volg hem, want hij is jouw rab.”
De fitnah van de Dajjāl is ook dat hij een man zal meenemen en hem met een zaag in tweeën zal delen en doden. Daarna zal hij zich tot de mensen wenden en zeggen: “Kijk eens naar deze dienaar van mij! Nu zal ik hem weer tot leven brengen, maar hij zal beweren dat hij een andere Rab heeft dan ik.”Vervolgens zal Allāhu Ta`ālā die dienaar weer tot leven brengen.
De vervloekte en walgelijke figuur zal de herleefde persoon vragen: “Wie is jouw Rab?”Hij zal antwoorden: “Mijn Rab is Allāh. Jij bent de Dajjāl de vijand van Allāh. Bij Allāh, ik ben nu nog zekerder geworden en mijn inzicht is geopend dat jij de Dajjāl bent.” (Ibn Mājah, 4077)
Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Die man zal de persoon binnen mijn ummah zijn met de hoogste rang in het Paradijs.”
Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) zei: “Wij dachten dat die man niemand anders kon zijn dan ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه), omdat alleen hij iemand was die Dajjāls weg kon blokkeren. (Ibn Mājah, hoofdstuk over de fitnah van de Dajjāl en de nederdaling van ʿĪsā (عليه السلام)
Muḥāribī zegt vervolgens: laten we terugkeren naar de ḥadīth via Abū Rāfiʿ. Abū Rāfiʿ (رضي الله عنه) zei: “Tot de beproevingen van de Dajjāl behoort dat hij langs een nederzetting zal gaan. De bewoners van die plaats zullen hem ontkennen, waarna al hun vee zal omkomen.
Een andere beproeving (van Dajjāl) is dat hij langs een andere nederzetting zal gaan, waar de bewoners hem zullen bevestigen.
Hun vee zal die dag terugkeren van de weide met meer melk dan normaal, met volle buiken en gezwollen flanken.
Hij zal geen enkel deel van de aarde overslaan, behalve Makkah en Madīnah; hij zal deze twee steden niet kunnen binnengaan. Want telkens wanneer hij een opening van deze twee steden probeert binnen te gaan, zullen engelen hem met hun zwaarden tegemoet treden en hem tegenhouden.
Dajjāl zal in een plek die al-Khuḍrāʾ az-Zurayb wordt genoemd, een gebied waar afval wordt gedumpt, neerstrijken. Op dat moment zal Madīnah haar bewoners drie keer doen beven, als een aardbeving.
Daarop zullen alle munāfiqs, zowel mannen als vrouwen, naar Dajjāl gaan en zich bij hem aansluiten, zonder dat er één achterblijft. Zoals een blaasbalg het vuil van ijzer verwijdert, zo zal Madīnah haar slechte en verdorven mensen eruit werpen.
Dat is de dag van verlossing en de dag van oprechtheid en zuiverheid.”
Ummu Sharik, de dochter van Abû ʿAskar (رضي الله عنهما), vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Waar zullen de Arabieren op die dag zijn?”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Zij zullen op die dag weinig in aantal zijn. Het grootste deel van hen zal zich in Bayt al-Maqdis bevinden. Hun imām (leider) zal een rechtschapen man zijn. Hij zal naar voren treden om hen de ṣalāh al-fajr voor te gaan. Op dat moment zal ʿĪsā ibn Maryam (عليه السلام) neerdalen.
Dan zal de imām zich terugtrekken en plaats maken zodat ʿĪsā ibn Maryam (عليه الس لام) naar voren kan komen om de ṣalāh te leiden. Maar ʿĪsā (عليه السلام) zal zijn handen op zijn schouders leggen en zeggen: ‘Verricht de ṣalāh, want voor jou is de iqāmah (opgeroepen voor de ṣalāh).’
Daarop zal de ware imām van de gemeenschap de ṣalāh al-fajr leiden.
Wanneer de imām de ṣalāh heeft voltooid, zal ʿĪsā (عليه السلام) zeggen: ‘Open de deur.’ De deur zal worden geopend en achter de deur zal de Dajjāl staan, samen met zeventigduizend joden, allen gewapend. Wanneer de Dajjāl ʿĪsā (عليه السلام) ziet, zal hij beginnen te smelten zoals zout in water smelt, en hij zal op de vlucht slaan. ʿĪsā (عليه السلام) zal hem toeroepen: ‘Je zult niet aan mij kunnen ontkomen en ontsnappen, want ik zal je slechts één zwaardslag toebrengen.’
Uiteindelijk zal ʿĪsā ibn Maryam (عليه السلام) hem inhalen bij de oostelijke poort van Lud en hem daar één slag toedienen en hem ter plekke doden. Vervolgens zal Allāhu Ta`ālā de joden verslaan, en zij zullen zich verspreiden en proberen zich te verbergen achter alles wat Allāh heeft geschapen.
Maar Allāh zal alles laten spreken (waarachter een jood zich verbergt). Geen steen, geen boom, geen muur en geen levend wezen zal zwijgen; het zal zeggen dat er een jood achter zich verscholen is. Alleen de struik genaamd Gharqad (joodse doornstruik) zal niet spreken, want dat is hun struik.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voorwaar, ʿĪsā ibn Maryam (عليه السلام) zal veertig jaar op aarde blijven. Zijn jaar zal als een half jaar zijn, zijn half jaar als een maand, zijn maand als een week, en zijn dagen zullen als vonken zijn. Iemand van jullie kan ’s ochtends bij de poort van Madīnah zijn en nog voor de avond de andere poort niet bereiken.”
Daarop werd gevraagd: “Hoe moeten wij in zulke korte dagen de ṣalāh verrichten?”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Zoals jullie in lange dagen de tijden van de ṣalāh normaal inschatten en verdelen, zo zullen jullie dat ook in deze korte dagen doen en vervolgens de ṣalāh verrichten.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei ook: “ʿĪsā ibn Maryam (عليه السلام) zal onder mijn ummah optreden als een rechtvaardige rechter en als een heerser die met waarheid oordeelt.”
Hij zal het kruis breken en het varken doden. Hij zal de jizyah (belasting voor niet-moslimonderdanen) afschaffen en de sadaqah (zakāh) laten staan. Vanaf dat moment zal er geen zakāh-ambtenaar meer worden aangesteld voor schapen en kamelen. Vijandigheid, haat en wrok zullen verdwijnen. De gifstoffen van alle giftige wezens zullen worden weggenomen. Zelfs een kind zal zijn hand in de bek van een slang steken zonder dat het dier schade toebrengt. Een klein meisje zal een leeuw opjagen, maar de leeuw zal haar geen kwaad doen. Een wolf zal zich in de kudde gedragen als een herdershond die haar beschermt. Zoals een vat vol water wordt, zo zal de aarde gevuld zijn met vrede. Iedereen zal één en dezelfde godsdienst (Islām) volgen; door godsdienstige eenheid zal alleen Allāh worden aanbeden.
Vanaf nu zullen de zware last en de verantwoordelijkheden van de oorlog niet langer bestaan. De rijkdom en macht van de Quraysh zullen verdwijnen. De aarde zal als een zilveren gedekte tafel lijken; volgens de belofte van ʿĀdam (عليه السلام) zal zij haar gewassen en vruchten voortbrengen.
Enkele mensen zullen zich verzamelen rond één druiventros en die zal voor allen voldoende zijn om verzadigd te worden. Evenzo zullen enkele mensen zich verzamelen rond één granaatappel, en die zal voor hen allen voldoende zijn. De prijs van een os zal stijgen tot een bepaalde waarde, terwijl een paard slechts voor een zeer lage prijs verkocht zal worden.
Wanneer aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd gevraagd waarom de paarden zo goedkoop zouden worden, zei hij: “Omdat er geen behoefte meer zal zijn om paarden te houden, nu oorlog verdwenen is.” En toen werd gevraagd waarom de prijs van ossen zal stijgen, zei hij: “Omdat het bewerken van de grond en landbouw volledig op hen zal rusten.”
Drie jaar vóór de verschijning van de Dajjāl zal er een periode van hongersnood beginnen. In die tijd zullen de mensen grote moeilijkheden en honger hebben.
Allāhu Ta`ālā zal in het eerste jaar van de hongersnood de hemel bevelen om een derde minder regen te laten vallen, en de aarde om een derde minder opbrengst te geven. Daardoor zal er minder regen vallen en zal de aarde minder vruchtbaar worden.
In het tweede jaar zal Allāh de hemel bevelen om twee derde van de regen tegen te houden, en de aarde om twee derde van haar opbrengst te verminderen.
In het derde jaar zal Allāh de hemel bevelen om helemaal geen regen meer te laten vallen, en vanaf dat moment zal er geen druppel regen meer vallen. De aarde zal worden bevolen haar volledige opbrengst te stoppen en geen gewassen meer voort te brengen.
Daarna zullen alle levende wezens, met of zonder nagels, omkomen, behalve degenen die Allāh wil sparen. Niemand zal van deze vernietiging worden uitgezonderd behalve wie Allāh dat wil.
Deze keer wordt Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gevraagd hoe de toestand van de mensen in zo’n situatie zal zijn. Hij zei: “Op die dag zal voor hen het uitspreken van ‘Lā ilāha illā Allāh’, ‘Allāhu Akbar’ en ‘Subḥānallāh’ (tahlīl, takblīr ve tasbīh) voldoende zijn als voedsel en drank.” (Abū Dāwūd, al-Malāḥim, 14; Ibn Mājah, al-Fitan, 4077. Zie ook: Ibn Mājah, 4040–4081)
Ibn Mâce vermeldt terwijl hij de namen van bepaalde geleerden noemt, dat zij hebben geadviseerd deze hadîth te leren aan leerkrachten die speciaal zijn opgeleid voor de opvoeding van kinderen. (Ibn Mājah, 4077. Deze ḥadīth wordt echter als zwak beschouwd qua isnād.)
Van Asmāʾ bint Yazīd al-Anṣārī (رضي الله عنها): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd gevraagd: “O Rasûlullāh! U heeft ons over de Dajjāl verteld. Bij Allāh, wij vrezen dat de fitnah van de Dajjāl zich zal openbaren voordat iemand van ons zijn deeg heeft gekneed en het tot brood heeft kunnen bakken, omdat u zegt dat de voedingsmiddelen zullen telkens opdrogen en (daarna) verdwijnen. Wat zal onze toestand zijn door de honger?”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wat voor de engelen voedsel en drank vervangt en hen voldoende is, zal ook voor jullie voldoende zijn.”
Daarop werd gezegd: “O Rasûlullāh! Engelen eten en drinken niet; zij zijn daarvan vrij, wat zult u ons dan aanbevelen?”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op die dag zal het voedsel en de drank van de mu’min slechts tasbīḥ zijn.” (al-Ṭabarānī, al-Kabīr, 406; Abū Dāwūd aṭ-Ṭayālisī, Musnad, 1633; ʿAbdurrazzāq, al-Muṣannaf, 20821; Aḥmad ibn Ḥanbal, 6/455, 27073; Mishkāt, 5491; Qiṣṣat al-Masīḥ ad-Dajjāl, 76–77)
ʿAbdurrazzāq overlevert van Asmāʾ bint Yazīd al-Anṣārī (رضي الله عنها): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was in mijn huis en sprak over de Dajjāl. Hij zei: “Drie jaar vóór de komst van de Dajjāl zal er een hongersnood zijn.In het eerste jaar zal een derde van de regen en een derde van de gewassen verdwijnen. In het tweede jaar zal twee derde van de regen en twee derde van de gewassen verdwijnen. In het derde jaar zal er helemaal geen regen vallen en zal de aarde geen gewassen meer voortbrengen. Alle levende wezens, of zij nu klauwen hebben of hoektanden, zullen omkomen.”
De grootste en ergste fitnah van de Dajjāl is dat hij mensen zal misleiden. Hij zal naar een bedoeïen komen en zeggen: “Als ik jouw kameel tot leven breng, erken jij mij dan als jouw heer?” De bedoeïen zal zeggen: “Ja.” Dan zal shayṭān zich in de gedaante van zijn kameel voordoen; mooier en vetter dan voorheen, met vollere uiers.
Hij zal ook naar iemand komen wiens broer en vader zijn gestorven en zeggen: “Als ik je broer en je vader tot leven breng, erken jij mij dan als jouw heer?”
Hij zal zeggen: “Ja.”
Vervolgens zal shayṭān verschijnen in de gedaante van zijn vader en zijn broer.
Asmāʾ (رضي الله عنها) zei: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stond op en ging naar buiten om zijn behoefte te doen. Toen hij terugkwam nadat hij zijn behoefte had gehad, waren de aanwezigen in een toestand van angst en verdriet door wat zij hadden gehoord. Ik leunde tegen de deur uit bezorgdheid.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg: “Asmāʾ, wat is er met je?” Ik zei: “O Rasûlullāh, u heeft ons angst aangejaagd door over de Dajjāl te spreken. Wat moeten wij doen?”
Hij zei: “Als hij verschijnt terwijl ik nog onder jullie ben, zal ik hem namens jullie tegenhouden. En als ik er niet meer ben, dan is mijn Rab de beschermer voor iedere mu’min.”
Ik zei: “O Rasûlullāh, wij kneden ons deeg en nog voordat we het kunnen bakken krijgen we honger. Wat zal dan de toestand van de mu’min zijn op die dag?”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De gedenkingen Subḥānallāh’ en ‘Quddūs, Subbūḥ, die voor de hemelse wezens als voedsel zijn en hun behoefte aan materieel eten wegnemen, zullen voor de mu’min voldoende zijn als voedsel.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 27032; Mishkāt al-Maṣābīḥ, 5491)
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “ʿĪsā ibn Maryam (عليه السلام) zal zeker neerdalen als een rechtvaardige rechter; hij zal het kruis breken, het varken doden en de jizya afschaffen. Dan zullen zelfs jonge vrouwelijke kamelen worden verlaten; niemand zal er nog naar verlangen. Vijandschap, haat en afgunst zullen verdwijnen en mensen zullen worden uitgenodigd tot bezit, maar niemand zal het accepteren.” (al-Bukhārī, 2222; Muslim, Kitāb al-Īmān, 15/243; Ibn Mājah, 4078; Aḥmad ibn Ḥanbal, 7622)
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wat zal jullie toestand zijn wanneer jullie imām (leider) onder jullie is (of terwijl hij jullie als imām heeft geleid) en ʿĪsā ibn Maryam neerdaalt?”
Ibn Abī Dhiʾb zei: “Weet jij wat ‘wanneer jullie imām (leider) onder jullie is’ betekent?”Hij zei: “Dat betekent dat hij jullie leidt volgens het Boek van Allāhu Ta`ālā en de Sunnah van jullie Rasûl.”
En hij voegde toe dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik zweer bij Hem in wiens hand mijn ziel is: ʿĪsā ibn Maryam (عليه السلام) zal neerdalen en hij zal zeker Ḥaj of ʿUmrah verrichten, of beide combineren, terwijl hij luid de talbiyah uitspreekt tussen Makkah en Madīnah, in de vallei van ar-Rawḥāʾ.” (Muslim, 1252; Aḥmad ibn Ḥanbal, 4231)
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) herhaalde zijn woorden drie keer en zei: “Voorwaar, al-Masīḥ ʿĪsā ibn Maryam (عليه السلام) zal mensen uit mijn ummah bereiken die zoals jullie zijn, of zelfs beter dan jullie.” (Ibn Marjān heeft deze ḥadīth vermeld in zijn boek al-Irshād. De ḥadīth is zwak. Ibn Abī Shaybah, al-Muṣannaf, 19344 en 36971; al-Ḥākim at-Tirmiḏī, Nawādir al-Uṣūl, 2/93; Nuʿaym ibn Ḥammād, al-Fitan, 1217; al-Ḥākim, al-Mustadrak, 3/41)
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer ʿĪsā ibn Maryam (عليه السلام) neerdaalt, zal hij zich bevinden onder de beste mensen op aarde, namelijk achthonderd mannen en vierhonderd vrouwen, die behoren tot de rechtschapenen van de vroegere umma.” (Abū Nuʿaym al-Iṣbahānī, Tārīkh al-Iṣbahān, 1166; ad-Daylamī, Musnad al-Firdaws, 8935; al-Hindī, Kanz al-ʿUmmāl, 38863)
Van ʿAbdullāh ibn ʿAmr (رضي الله عنهما). Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “ʿĪsā ibn Maryam (عليه السلام) zal neerdalen, trouwen en een kind krijgen. Hij zal vijfenveertig jaar op aarde blijven. Wanneer hij sterft, zal hij naast mij worden begraven, in mijn graf. En ik en ʿĪsā zullen opstaan uit één graf, tussen Abū Bakr en ʿUmar(رضي الله عنهما) (Ibn al-Jawzī, al-ʿIlal al-Mutanāhiyah, 1529. Ibn al-Jawzī zei dat dit geen ṣaḥīḥ ḥadīth is. Al-Ḥāfiẓ adh-Dhahabī heeft het ook vermeld in Mīzān al-Iʿtidāl, 4/281, en hij schreef deze overlevering toe aan Ibn Abī ad-Dunyā en verklaarde dat de ḥadīth munkar is. al-Mubārakfūrī, Tuḥfat al-Aḥwadhī, 10/62)
Er wordt gezegd dat ʿĪsā (عليه السلام), nadat hij de Dajjāl heeft gedood, zal trouwen met een Arabische vrouw.
Uit dit huwelijk zal een dochter worden geboren en vervolgens zal zij sterven. Twee jaar daarna zal ʿĪsā (عليه السلام) zelf overlijden. Deze informatie wordt genoemd door Abū al-Layth as-Samarqandī. Hij is hierin van mening dat afwijkt van Kaʿb al-Aḥbār, die stelde dat ʿĪsā (عليه السلام) twee kinderen zal hebben. (De bron is niet gevonden)
Abū Dāwūd aṭ-Ṭayālisī overlevert in zijn Musnad, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “ʿĪsā (عليه السلام) zal na zijn neerdaling veertig jaar op aarde leven, daarna sterven. De moslims zullen de ṣalāh over hem verrichten en hem begraven.” (Abū Dāwūd aṭ-Ṭayālisī, Musnad, 2541. De ḥadīth is qua isnād ṣaḥīḥ. Abū Dāwūd, Sunan, 4324)
Met dezelfde keten overlevert aṭ-Ṭayālisī opnieuw van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De anbiyā’ zijn broeders van elkaar, met verschillende moeders maar één godsdienst (Islām). Van alle mensen ben ik het dichtst bij ʿĪsā ibn Maryam (عليه السلام), want er is geen nabī tussen mij en hem. Wanneer jullie hem zien, herken hem dan: hij is van gemiddelde lengte, met een licht rossige, blanke teint. Het is alsof er water van zijn hoofd druppelt, ook al is het niet nat.
Hij zal het varken doden, het kruis breken, en in zijn tijd zal rijkdom overvloedig zijn. Alle religies behalve Islām zullen verdwijnen. Allāh zal in zijn tijd de misleidende al-Masīḥ ad-Dajjāl vernietigen. Veiligheid zal zich over de aarde verspreiden; leeuwen zullen met kamelen grazen, tijgers met runderen, en wolven met schapen. Kinderen zullen met slangen spelen zonder dat zij elkaar schade berokkenen.
ʿĪsā (عليه السلام) zal veertig jaar op aarde blijven, daarna sterven. De moslims zullen de ṣalāh over hem verrichten en hem begraven.” (al-Bukhārī, 3442–3443; Muslim, 2365/143–145; Abū Dāwūd, 4675; Ibn Ḥibbān, 6782; ʿAbdurrazzāq, al-Muṣannaf, 20845; Aḥmad ibn Ḥanbal, 9349. De gebruikte bewoording behoort tot Aḥmad ibn Ḥanbal. In de andere ḥadīthbronnen komen slechts één of twee zinnen uit deze langere tekst voor. Zo vind je de ḥadīth niet in deze volledige samenhang bij al-Bukhārī, Muslim en Abū Dāwūd. (Vertaler)
In sommige overleveringen wordt vermeld dat hij vierentwintig jaar op aarde zal blijven. (Deze overlevering is niet teruggevonden.)
In de overlevering van ʿAbdullāh ibn ʿAmr (رضي الله عنهما) staat:“Daarna zullen de mensen zeven jaar leven zonder dat er vijandschap tussen twee personen zal bestaan. Vervolgens zal Allāh een koele wind sturen vanuit de richting van Shām…” (Muslim, 2940. Deze ḥadīth, door Muslim overgeleverd, is eerder volledig vermeld. Dit wijst erop dat de verblijfsduur van ʿĪsā (عليه السلام) op aarde zeven jaar zal zijn. En Allāh weet het het beste.)
Kaʿb al-Aḥbār zei: “Voorwaar, ʿĪsā (عليه السلام) zal veertig jaar op aarde leven. In zijn tijd zullen zegeningen en overvloed sterk toenemen. De voorziening zal zo overvloedig zijn dat een man een druif zal eten en deze niet op kan krijgen. Een hele groep mensen zal zich rond één tros verzamelen en het zal voor hen allemaal voldoende zijn. Zelfs één granaatappel zal door een kameel gedragen worden.
En de levenden zullen langs de graven lopen en zeggen: “O jij die in het graf ligt, sta op en aanschouw de overvloed en zegeningen die Allāh heeft neergezonden.”
Het is overgeleverd dat ʿĪsā (عليه السلام) zal trouwen met een vrouw uit een bepaalde familie, en dat uit dit huwelijk twee kinderen zullen worden geboren. Hij zal aan één van hen de naam Muḥammad geven en aan de andere de naam Mūsā. In zijn tijd zullen de mensen samen met hem in goedheid leven en in overvloed. Deze periode zal veertig jaar duren.
Vervolgens zal Allāhu Ta`ālā de rūḥ van ʿĪsā (عليه السلام) nemen, en hij zal de dood proeven. ʿĪsā (عليه السلام) zal worden begraven in de kamer van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), naast hem.
Daarna zullen de besten van de ummah sterven en alleen de slechten zullen overblijven. De mu’mins zullen schaars worden. Dit sluit aan bij de ḥadīth van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “De Islām is begonnen als iets vreemds, en het zal terugkeren zoals het begonnen is als iets vreemds.” (Muslim, 146; at-Tirmiḏī, 2629; Ibn Mājah, 3986; Aḥmad ibn Ḥanbal, 4/73)
Een andere overlevering zegt dat ʿĪsā (عليه السلام) in Bayt al-Maqdis zal worden begraven op de begraafplaats van de anbiyā’. ( Deze overlevering is niet teruggevonden.)
Sommige mensen hebben gezegd dat, wanneer ʿĪsā (عليه السلام) neerdaalt en er in die tijd geen boodschapper meer zal zijn die nieuwe openbaring ontvangt om bevelen of verboden te brengen, de verplichting (taklīf) dan zou komen te vervallen.
Deze opvatting is echter verworpen en ongeldig op basis van de woorden van Allāhu Ta`ālā in Sūrat al-Aḥzāb (33:40):مَّا كَانَ مُحَمَّدٌ أَبَآ أَحَدٖ مِّن رِّجَالِكُمۡ وَلَٰكِن رَّسُولَ ٱللَّهِ وَخَاتَمَ ٱلنَّبِيِّـۧنَۗ وَكَانَ ٱللَّهُ بِكُلِّ شَيۡءٍ عَلِيمٗا ٤٠
Mohammed is niet de vader van één van jullie, maar hij is de Boodschapper van Allāh, en de laatste van de Profeten. En Allāh is Alwetend over alle zaken.
waar Allāh Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beschrijft als “de laatste van de anbiyā’”. En Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Na mij zal er geen nabī meer komen” (al-Bukhārī, 3455; Muslim, 1842) en: “Ik ben de afsluiter” (al-Bukhārī, 3532 en 4896; Muslim, 2354)
Hieruit blijkt duidelijk dat hij de laatste van de anbiyā’ en het zegel van de profetie is. Daarom is het niet toegestaan te denken dat ʿĪsā (عليه السلام) zal komen als een nieuwe boodschapper (Rasûl) met een nieuwe sharīʿah, of met een andere wet dan die van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم).
Hij zal integendeel neerdalen als volgeling van de Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Zoals Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen ʿUmar zei: “Als Mūsā vandaag zou leven, zou hij mij zeker volgen.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, 14736; ad-Dārimī, 435; al-al-Bayhaqī, Shuʿab al-Īmān, 176; Mishkāt al-Maṣābīḥ, 177)
Van Jābir ibn ʿAbdullāh (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er zal altijd een groep van mijn ummah blijven die de waarheid verdedigt tot aan Yawmu’l Qiyāmah. Wanneer ʿĪsā neerdaalt, zal de leider van de mu’mins hem uitnodigen om voor te gaan in de ṣalāh, maar hij zal zeggen: ‘Nee, jullie zijn elkaars leiders, als een eer van Allāh voor deze ummah.” (Muslim, 156/247; Aḥmad ibn Ḥanbal, 14707.
De hier gebruikte bewoording behoort tot Muslim en Aḥmad ibn Ḥanbal. De ḥadīth komt ook voor in andere ḥadīthbronnen naast deze twee.)
Wanneer ʿĪsā (عليه السلام) neerdaalt, zal hij komen als een rechtvaardige rechter die de sharīʿah van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) bevestigt en vernieuwt, en haar terugbrengt naar haar oorspronkelijke zuivere vorm.
De sharīʿah van de Islām is de laatste van alle wetgevingen, en Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) is de laatste van de boodschappers (Rasûl). Wanneer ʿĪsā (عليه السلام) neerdaalt, zal hij neerdalen als een rechtvaardige rechter.
Zelfs wanneer hij als rechter komt, zullen de moslims op die dag geen kracht of macht meer hebben, en ook geen Imām, qadi of mufti. De kennis zal grotendeels verdwenen zijn. Allāh zal de kennis wegnemen, en er zullen geen geleerden meer onder de mensen zijn.
Wanneer ʿĪsā (عليه السلام) uit de hemel neerdaalt, zal hij al kennis hebben over wat er op aarde is en wat er gebeurt, omdat Allāh hem dat vooraf zal hebben onderwezen in de islamitische sharīʿah: wat hebben de mensen nodig, wat moeten zij doen, waarmee moeten zij handelen en wat moeten zij in hun eigen belang verrichten? Al deze zaken die ʿĪsā (عليه السلام) nodig heeft, zullen hem worden onderwezen. Daarom zal hij, wanneer hij neerdaalt, deze zaken al weten.
In zo’n tijd zullen alle mu’mins zich verzamelen rond ʿĪsā (عليه السلام) en zich verenigen. Zij zullen ʿĪsā (عليه السلام) als rechter over de mu’mins aanstellen, want er zal niemand anders zijn die hiervoor geschikt is of deze taak kan vervullen.
Bovendien is het niet toegestaan dat de goddelijke bepalingen worden opgeheven of niet worden toegepast. En als de wereld nog blijft voortbestaan, dan moet de islamitische verplichting (taklīf) blijven bestaan totdat er op aarde niemand meer over is die “Allāh, Allāh” zegt.
Dit is duidelijk en een vaststaand feit. Hierop zal later nog worden teruggekomen.
Wat zou de wijsheid kunnen zijn van het feit dat ʿĪsā ( عليه السلام) niet op een ander moment, maar juist in een dergelijke tijd naar de aarde zal dalen?
Hierop kunnen drie antwoorden worden gegeven:
Ten eerste: zoals Allāhu Ta`ālā in Zijn Boek heeft uitgelegd, beweren de joden dat zij hem hebben gedood en gekruisigd en dat zij hem hebben uitgeschakeld. Daarom zijn er tussen ʿĪsā (عليه السلام) en de joden gebeurtenissen geweest. De joden beweren nog steeds dat zij hem hebben gedood en beschrijven hem als tovenaar en leugenaar, en zij belasteren zijn moeder. Allāh heeft hem echter vrijgesproken van al deze beschuldigingen. Allāhu Ta`ālā heeft de joden beschaming en vernedering opgelegd. Sinds de Islām sterk en dominant is geworden, heeft Allāh heeft hen niet de mogelijkheid gegeven om op eigen kracht overeind te blijven. Hij heeft hun nergens ter wereld, op geen enkele plek, de kans gegeven om macht te verkrijgen, een staat te stichten of kracht en welvaart te bezitten. Deze toestand van vernedering en onderdrukking zal voor hen blijven voortduren tot aan Yawmu’l Qiyāmah.
Wanneer de grootste tovenaar Dajjāl verschijnt, zullen ze zich bij hem aansluiten en hem eed van trouw zweren, omdat zij hem al verwachten. Zij zullen gereed en voorbestemde legermacht tot zijn beschikking vormen. Samen zullen zij zich tegen de moslims keren.
Op dat moment zal Allāhu Ta`ālā diegene neerzenden waarvan zij beweerden dat zij hem hadden gedood. Zo zal ʿĪsā (عليه السلام) tegenover hen allen verschijnen, zowel tegenover hen als tegenover de nog levende munāfiqs en degenen die zich tegen ʿĪsā (عليه السلام) verzetten.
Al deze groepen zien de Dajjāl als hun leider, erkennen hem als hun heer en verdedigen hem als hun meerdere, overtuigd dat de overwinning aan zijn zijde ligt. Toch zal ʿĪsā (عليه السلام) tegenover hem staan en hem doden.
Zo zal ʿĪsā (عليه السلام), samen met de mu’mins die naast hem zijn, de joden en het leger van de Dajjāl verslaan en uiteen slaan.
Op die dag zullen deze mensen, vijanden van de Islām, overal een uitweg zoeken om te vluchten en zich te verbergen. Waar zij zich ook achter een boom, steen of muur verschuilen, of achter wat zij ook maar als bescherming gebruiken om zich te verstoppen, al die dingen zullen spreken en zeggen: “O geest van Allāh (ʿĪsā), hier achter mij verbergt zich een jood.”
ʿĪsā (عليه السلام) en de mu’mins zullen dan onmiddellijk optreden en hem vragen om ofwel de Islām te accepteren of de dood te kiezen. Zo zullen alle kāfirs van elke klasse en laag worden gedood, en er zal geen enkele kāfir meer op aarde overblijven.
Ten tweede: het is mogelijk dat een van de wijsheden achter de neerdaling van ʿĪsā (عليه السلام) op aarde de volgende is. ʿĪsā (عليه السلام) zal misschien niet naar de wereld neerdalen om de Dajjāl te doden, maar eerder omdat zijn levensbestemming (ajal) nabij is. Want voor een schepsel dat uit aarde is geschapen is het niet gepast om in de hemel te sterven. Zijn toestand zal verlopen zoals in het woord van Allāhu Ta`ālā:
مِنۡهَا خَلَقۡنَٰكُمۡ وَفِيهَا نُعِيدُكُمۡ وَمِنۡهَا نُخۡرِجُكُمۡ تَارَةً أُخۡرَىٰ ٥٥
Uit haar hebben Wij jullie geschapen en daarin zullen Wij jullie doen terugkeren, en daaruit zullen Wij jullie opnieuw voortbrengen. (Tāhā, 20:55)
Daarom zal Allāhu Ta`ālā ʿĪsā (عليه السلام) in een periode waarin zijn dood nabij is naar de aarde laten neerdalen. Hij zal daar leven gedurende de tijd die Allāh heeft bepaald en vervolgens sterven. Na zijn dood zal hij dus in de aarde worden begraven. Zijn komst naar de wereld zal er echter ook toe leiden dat degenen die zijn dood ontkenden of zich van hem afkeerden, dit feit zullen horen en ervan op de hoogte zullen raken.
Na zijn overlijden zullen de mu’mins zich bezighouden met de begrafenisrituelen; zij zullen de ṣalāh al-janazah voor hem verrichten en hem begraven op de plaats waar de anbiyā’ worden begraven, uit de afstamming van zijn moeder Maryam. Dit is het Heilige Land, namelijk al-Quds en zijn omgeving. Uiteindelijk zal ʿĪsā (عليه السلام) op Yawmu’l Qiyāmah worden opgewekt samen met de andere anbiyā’ en naar de verzamelplaats komen. Volgens deze visie kan dit de reden van zijn neerdaling zijn.
Bovendien zal zijn komst samenvallen met de verschijning van de Dajjāl. Zo zal ʿĪsā (عليه السلام) hem bij de poort van Lud bereiken en hem daar doden. Dit zijn de soort berichten en overleveringen die op deze manier tot ons zijn doorgegeven. Wanneer de situatie op dat punt is gekomen, zal de fitnah van de Dajjāl al zo ver gevorderd zijn dat deze precies samenvalt met de periode waarin hij zichzelf tot heer heeft uitgeroepen. Maar op het moment dat de Dajjāl zich als heer verklaart, zullen de mu’mins, vanwege hun geringe aantal, niet in staat zijn om hem te weerstaan. Daarom is het passend en noodzakelijk dat ʿĪsā (عليه السلام) degene is die tegenover hem staat. En zo zal het ook gebeuren. ʿĪsā (عليه السلام) is degene die door Allāh is uitgekozen voor de boodschap. Allāh heeft hem het Evangelie (Injīl) gegeven en zijn moeder Maryam tot een teken en wonder gemaakt. Zijn neerdaling gebeurt dus in deze context, en niet uitsluitend om de Dajjāl te doden.
Ten derde: Toen ʿĪsā (عليه السلام) in het aan hem geopenbaarde Injīl en in de āyāt de deugd en verdienste van de ummah van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zag, bad en smeekte hij Allāh om zelf ook tot die ummah te mogen behoren.
In de versen wordt gezegd:
مُّحَمَّدٞ رَّسُولُ ٱللَّهِۚ وَٱلَّذِينَ مَعَهُۥٓ أَشِدَّآءُ عَلَى ٱلۡكُفَّارِ رُحَمَآءُ بَيۡنَهُمۡۖ تَرَىٰهُمۡ رُكَّعٗا سُجَّدٗا يَبۡتَغُونَ فَضۡلٗا مِّنَ ٱللَّهِ وَرِضۡوَٰنٗاۖ سِيمَاهُمۡ فِي وُجُوهِهِم مِّنۡ أَثَرِ ٱلسُّجُودِۚ ذَٰلِكَ مَثَلُهُمۡ فِي ٱلتَّوۡرَىٰةِۚ وَمَثَلُهُمۡ فِي ٱلۡإِنجِيلِ كَزَرۡعٍ أَخۡرَجَ شَطۡـَٔهُۥ فَـَٔازَرَهُۥ فَٱسۡتَغۡلَظَ فَٱسۡتَوَىٰ عَلَىٰ سُوقِهِۦ يُعۡجِبُ ٱلزُّرَّاعَ لِيَغِيظَ بِهِمُ ٱلۡكُفَّارَۗ وَعَدَ ٱللَّهُ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَعَمِلُواْ ٱلصَّٰلِحَٰتِ مِنۡهُم مَّغۡفِرَةٗ وَأَجۡرًا عَظِيمَۢا ٢٩
Mohammed is de Boodschapper van Allāh, en degenen die bij hem zijn, zijn streng tegenover de ongelovigen en barmhartig voor henzelf. Jij ziet hen buigen en neerknielen, Zijn (Allāh) genoegen zoekend. Op hun aangezicht is het spoor van het zich ter aarde werpen. Dit is hun beschrijving in de Thora.
Maar hun beschrijving in de Indjiel (Evangelie) is als het zaad van koren, dat zijn scheut uitspruit, en die versterkt, waardoor zij dik wordt en op eigen stengel komt te staan, tot vreugde der zaaiers en woede der ongelovigen. Allāh heeft degenen onder hen die geloven en goede daden verrichten, vergiffenis en een geweldige beloning beloofd. (Fath, 48:29)
Allāhu Ta`ālā verhoorde zijn du`ā’ en verhief hem naar de hemel.
Hij zal daar blijven tot het moment dat hij in de Einde der Tijden opnieuw naar de aarde neerdaalt. Wanneer hij neerdaalt, zal hij de voorschriften van de Islām die in onbruik waren geraakt opnieuw tot uitvoering brengen. Zijn komst zal samenvallen met de verschijning van de Dajjāl, en hij zal hem doden.
Binnen deze uitleg kan het doden van de Dajjāl door ʿĪsā (عليه السلام) als volgt worden begrepen: Wanneer ʿĪsā (عليه السلام) naar de aarde neerdaalt, zal hij zich onder de moslims bevinden. Op dat moment zal de fitnah van de Dajjāl wijd verspreid zijn en zal een algemene oproep tot strijd zijn uitgeroepen waarbij de jihād een individuele verplichting (farḍ al-`ayn) wordt. Omdat ʿĪsā (عليه السلام) een individu onder de moslims is, geldt die plicht ook voor hem. Zo zal ʿĪsā (عليه السلام), net als de andere moslims, deelnemen aan de jihād en zijn taak vervullen, en in die context zal het hem worden gegeven om de Dajjāl te doden. Daarmee behoort hij ook tot degenen die an-Nabī Muhammad (صلى الله عليه وسلم) volgt. Aldus neemt zijn plaats in binnen zijn oordeel. Succes komt van Allāh.
De plaats van het graf van ʿĪsā (عليه السلام) is onderwerp van discussie. Volgens al-Ḥalīmī zal hij worden begraven in het Heilige Land, in al-Quds. Volgens andere overleveringen zal hij, zoals eerder vermeld, naast an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) worden begraven.
Er zijn verschillende benaderingen en interpretaties gegeven met betrekking tot het woord “Masīh”. In totaal zijn er ongeveer 23 verklaringen aangevoerd om de betekenis ervan te duiden. Wanneer men deze verklaringen bekijkt, blijkt dat ze uiteindelijk grotendeels op hetzelfde neerkomen. Er is discussie over de Arabische oorsprong van het woord en in welke metrische vorm (wazn) het geplaatst moet worden. Hier zal niet ingegaan worden op de aspecten die niet relevant zijn voor ons onderwerp.
Het woord Masīh is in verband gebracht met betekenissen als aanraken, contact en wrijven (mash).
In overleveringen wordt Masīh gebruikt als bijnaam voor zowel ʿĪsā (عليه السلام) als voor de Dajjāl. In de Qurʾān komt het vooral voor met betrekking tot ʿĪsā (عليه السلام), terwijl er in de Qurʾān geen expliciet bewijs is voor het gebruik van Masīh voor de Dajjāl.
Wanneer Masīh wordt toegeschreven aan ʿĪsā (عليه السلام), wordt het zo verklaard dat hij, wanneer hij een zieke aanraakt, de zieke geneest, en wanneer hij een dode aanraakt, deze weer tot leven komt. Om die reden wordt hij Masīh genoemd.
Volgens een andere opvatting zou ʿĪsā (عليه السلام) de bijnaam Masīh hebben gekregen omdat hij platte voeten zou hebben; wanneer hij liep, raakte hij de grond volledig met de zool van zijn voet, en daarom zou hij Masīh genoemd zijn.
Volgens een overlevering zou de naam Masīh door Allāhu Ta`ālā speciaal aan ʿĪsā (عليه السلام) zijn gegeven, of omdat Zakariyyā (عليه السلام) hem heeft aangeraakt en gezegend (mash). Ook wordt gezegd dat het verband houdt met de schoonheid van zijn gezicht, zijn witte zilverachtige teint, zijn gestalte en zijn licht bruine huidskleur.
Het woord Masīh zou in taalkundige zin ook “zweten” kunnen betekenen. Zo wordt in een overlevering van `Ubay ibn Kaʿb (رضي الله عنه) zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf hij mij een klap op mijn borst, toen hij merkte dat ik verkeerde gedachten had. Daardoor brak er zweet uit. Op dat moment was het alsof ik naar Allāhu Ta`ālā aanschouwde. Al-Khaṭṭābī vermeldt dit in zijn uitleg.
In sommige verklaringen wordt het woord ook in verband gebracht met geslachtsgemeenschap, of zelfs met het woord zwaard.
Daarnaast wordt gezegd dat Masīh kan duiden op veel reizen over de aarde; iemand die ’s ochtends op een plek wordt gezien en ’s avonds op een andere plek. Ook wordt het gebruikt voor iemand die waar hij ook gaat zegen en overvloed brengt.
Wat de Dajjāl betreft, zou deze benaming hem gegeven kunnen zijn omdat hij de hele aarde zal doorkruisen, of omdat één van zijn ogen volledig blind is.
Tot slot wordt ook gezegd dat Jibrīl (عليه السلام) ʿĪsā (عليه السلام) heeft aangeraakt en gezegend, waardoor hij deze naam heeft gekregen. Samengevat zijn er veel verschillende verklaringen gegeven, maar al deze betekenissen zijn uiteindelijk interpretaties.
7.31 De ḥawāriyyūn (discipelen) van ʿĪsā (عليه السلام)
Er zal worden behandeld dat de ḥawāriyyūn van ʿĪsā (عليه السلام), wanneer hij neerdaalt, samen met hem de Ḥaj zullen verrichten en dat deze ḥawāriyyūn behoren tot Aṣḥāb al-Kahf.
In de eerder genoemde overlevering, …van de grootvader van ʿAbdullāh ibn ʿAwf (رضي الله عنهما): “De Yawmu’l Qiyāmah zal niet plaatsvinden totdat dienaar en boodschapper van Allāh (`Abdullah en Rasûlullāh) ʿĪsā ibn Maryam (عليه السلام), neerdaalt en de Ḥaj of de ʿumrah, of beide (de Ḥaj en de ʿumrah) samen verricht.”
Kathīr, een van de overleveraars, zei: “Ik heb deze overlevering aan Muḥammad ibn Kaʿb al-Quraẓī verteld. Hij zei tegen mij: ‘Wil je dat ik je nog meer informatie geef over deze ḥadīth?’ Ik zei: ‘Zeker.’ Hij zei: ‘Een man las de Tawrāh en de Injīl, werd moslim en leefde een goed islamitisch leven. Hij had deze ḥadīth van sommigen gehoord en zei: ‘Zal ik jullie deze ḥadīth als goed nieuws meedelen?’
Zij zeiden: ‘Zeker.’
Hij zei: ‘Ik getuig met zekerheid dat het in de Tawrāh die Allāh aan Mūsā (عليه السلام) heeft geopenbaard en in de Injīl die Allāh aan Zijn dienaar en boodschapper ʿĪsā (عليه السلام) heeft geopenbaard, geschreven staat dat hij naar de plaats genaamd Rawḥā zal gaan om de Ḥaj of de ʿUmrah te verrichten, of dat Allāh hem beide samen zal laten verrichten. Allāh zal Aṣḥāb al-Kahf en al-Raqīm tot zijn discipelen (ḥawāriyyūn) maken en zij zullen samen met hem de Ḥaj verrichten, want zij waren niet gestorven zonder de Ḥaj te hebben verricht.” (Al-Qurṭubī heeft deze informatie vermeld in zijn tafsīr (10/388). Er zijn authentieke overleveringen en ondersteunende bewijzen dat ʿĪsā (عليه السلام) de Ḥaj en de ʿumrah zal verrichten. Zie: Muslim, 1252.)
7.32 ʿĪsā (عليه السلام) zal ook ḥawāriyyūn uit deze ummah hebben
Wanneer ʿĪsā (عليه السلام) neerdaalt, zal hij zien dat hij ook ḥawāriyyūn heeft uit de ummah van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Al-Ḥākim at-Tirmiḏī Abū ʿAbdullāh vertelt in zijn boek Nawādir al-Uṣūl het volgende: “Tijdens de slag van Mu’tah stuurde Khālid ibn al-Walīd (رضي الله عنه) ʿAbd al-Raḥmān ibn Samurah (رضي الله عنه) naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) als brenger van goed nieuws.Toen ʿAbd al-Raḥmān binnenkwam en zei: “O Rasûlullāh!” Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tegen hem: “Blijf waar je bent. Zayd ibn Ḥārithah (رضي الله عنه) nam de vlag en vocht totdat hij als martelaar viel.
Daarna nam Jaʿfar (رضي الله عنه) de vlag en hij vocht totdat hij als martelaar viel. Vervolgens nam ʿAbdullāh ibn Rawāḥah (رضي الله عنه) de vlag en hij vocht totdat hij als martelaar viel. Moge Allāh hen allen genadig zijn.Ten slotte nam Khālid de vlag over en Allāh schonk hem de overwinning. Khālid is een zwaard van de zwaarden van Allāh.”
Hierop begonnen de metgezellen rondom Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) te huilen. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tegen hen: “Waarom huilen jullie?”
Zij zeiden: “Onze besten, onze edelen en de meest voortreffelijken onder ons zijn gestorven. Waarom zouden wij niet huilen?”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tegen hen: “Huil niet. Het voorbeeld van mijn ummah is als een tuin. De eigenaar verzorgt die, snoeit hem en maakt hem gereed. Sommige delen zijn wortels waarvoor hij nieuwe aanplant voorbereidt. Hij snoeit de zwakke delen weg, zodat hij elk jaar opbrengst geeft. Jaar na jaar blijft het groeien, totdat het uiteindelijk een tuin wordt met rijpe, overvloedige en gezegende vruchten.
Bij Allāh, Die mij als waarachtige nabī heeft gezonden: ʿĪsā ibn Maryam zal zeker in mijn ummah mensen vinden die zijn ḥawāriyyūn zullen opvolgen.” (Al-Ḥākim at-Tirmiḏī, Nawādir al-Uṣūl (1/616-617; 2/92-93); al-Maqdisī, al-Firdaws, 6403; Ibn ʿAsākir, Tārīkh Dimashq, 34/408-409; adh-Dhahabī, al-Mīzān, 4/339)
Met betrekking tot de slag van Mu’tah en het huilen van de Ṣaḥābah, herhaalde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn woorden driemaal en zei: “Zeker zullen er uit deze ummah groepen zijn die ʿĪsā al-Masīḥ zullen ontmoeten. Waarlijk, zij zullen zoals jullie zijn of zelfs beter dan jullie zijn. Allāh zal nooit een ummah vernederen waarvan het begin ik ben en het einde ʿĪsā al-Masīḥ is.” (al-Ḥākim, al-Mustadrak, 3/41) Allāh weet het het best.
7.33 De Dajjāl zal de moslims geen schade kunnen toebrengen
Van Ḥuẓayfa (رضي الله عنه): Wij waren bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Er werd gesproken over de Dajjāl.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een fitnah die onder sommigen van jullie zelf zal voortkomen, maakt mij meer bezorgd dan de fitnah van de Dajjāl. Er is geen kleine of grote fitnah of de fitnah van de Dajjāl overschaduwt die. Wie wordt gered van de fitnah vóór de Dajjāl, zal ook van Dajjāls fitnah worden gered. Bij Allāh, hij zal de moslims geen schade kunnen toebrengen, want tussen zijn ogen staat geschreven: kāfir.” (al-al-Bazzār, 2807; Aḥmad ibn Ḥanbal, 5/389; Ibn Ḥibbān, 6807; al-Haythamī, Majmaʿ az-Zawāʾid, 7/335)
In deze ḥadīth wordt gezegd: “De Dajjāl kan geen enkele mu’min schade toebrengen.” Maar er wordt ook vermeld dat hij een moslim die vanuit Madīnah naar hem toe gaat en hem confronteert, zal doden en in tweeën zal snijden. Is dat dan niet de grootste schade?
Het antwoord is dat dit niet de bedoeling is van de ḥadīth. De betekenis is dat het voor de moslim noodzakelijk is om niet door hem in fitnah te worden gebracht. Tegen hem moet men handelen zoals de Islām dat vereist. Dit is ook wat uit de overleveringen wordt begrepen. Degene die moslim is maar de eigenschappen van de Dajjāl niet kent (en de kennis hierover mist) en de bedriegerij van de Dajjāl niet weet te doorzien, en de zaken die twijfel over hem zouden kunnen wekken niet herkent, zal in zijn fitnah terechtkomen en hem volgen. Ook de eerdere ḥadīth heeft ditzelfde feit al duidelijk gemaakt.
Het is ook mogelijk dat hier de algemene formulering van de ḥadīth van toepassing is, die vervolgens kan worden gespecificeerd door deze en soortgelijke overleveringen.
7.34 Is Ibn Ṣayyād de Dajjāl?
Er wordt gesproken over Ibn Ṣayyād, ook bekend onder de kunyah (eretitel/bijnaam) Abū Yūsuf, wiens naam Ṣaf zou zijn. De vraag is of hij de Dajjāl is, wat de reden van zijn verschijning is, en welke kenmerken zijn ouders hadden, en dat hij mogelijk joods was. Al deze zaken zal hier worden behandeld.
al-Bazzār overlevert van Muḥammad ibn al-Munkadir dat hij zei:
“Toen ik zag dat Jābir ibn ʿAbdullāh (رضي الله عنهما) zwoer bij Allāh dat Ibn Ṣayyād de Dajjāl is, zei ik tegen hem: ‘Zweer jij daarvoor?’ Hij zei: ‘ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه) zwoer dat in aanwezigheid van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), en Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم)verwierp dat niet.” (al-Bukhārī, 7355; Muslim, F2929; Abū Dāwūd, 4331)
Nafiʿ zei dat Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما) zei: “Bij Allāh, ik twijfel er niet aan dat Ibn Ṣayyād de Dajjāl is.” (Abū Dāwūd, 4330. Abū Dāwūd heeft gezegd dat de isnād van de ḥadīth ṣaḥīḥ is (authentiek is wat betreft de overleveringsketen).
Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) vertelt: “Wij waren op reis met de intentie voor Ḥaj of ʿumrah. Onder ons bevond zich Ibn Ṣayyād. Wij sloegen ergens ons kamp op. Op dat moment ging iedereen een andere kant op en bleef ik alleen met Ibn Ṣayyād achter. Vanwege alles wat over hem gezegd werd, voelde ik grote onrust en hevige ontreddering.
Hij bracht zijn spullen en legde die naast mijn spullen. Ik zei tegen hem: “Het is extreem heet. Had je je spullen niet beter onder de schaduw van die boom kunnen zetten?” Hij deed wat ik zei. Toen kwam er een kudde schapen langs. Ibn Ṣayyād stond op, ging weg en bracht ons een grote kom melk. Hij zei: “O Abū Saʿīd, neem en drink.”
Ik zei: “Het is erg warm, en de melk is ook warm.”In werkelijkheid waren dit slechts excuses; mijn bedoeling was om niets te drinken van wat hij bracht.
Door mijn houding zei Ibn Ṣayyād: “Sommigen van jullie, ook al weten zij niets van wat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd, zouden dat toch moeten weten, jullie groep van de Anṣār. Ben jij niet iemand die de uitspraken van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het beste kent?
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft over de Dajjāl gezegd: ‘Hij is een kāfir.’ Terwijl ik een moslim ben. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft over hem gezegd: ‘Hij is onvruchtbaar, hij zal geen kinderen hebben.’ Terwijl ik mijn kind in Madīnah heb achtergelaten, nietwaar? Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: ‘Hij zal Madīnah en Makkah niet kunnen binnengaan.’ Terwijl ik uit Madīnah ben vertrokken en nu onderweg ben naar Makkah. Wat zeg je daarop?”
Volgens een andere overlevering zei hij: “Ik heb ook de Ḥaj verricht.”
Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه) zegt: “Door zijn woorden was ik bijna geneigd hem mijn excuses aan te bieden.”
Ibn Ṣayyād vervolgde: “Bij Allāh, ik ken hem zeker en ik herken hem. Ik weet ook waar hij geboren is en waar hij zich nu bevindt.”
Hiermee bracht hij mij in verwarring.
Abū Saʿīd zei: “Toen zei ik tegen hem: ‘Wee jou voor de rest van deze dag.”
Volgens een andere overlevering vroeg Abū Saʿīd hem: “Bevalt het je dat mensen zeggen dat jij die Dajjāl bent?”
Hij antwoordde: “Als de dingen met betrekking tot hem mij zouden worden voorgelegd, zou ik ze niet hebben afgewezen.” (Muslim, Fitan, 2927/89-91)
Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما) zei: “Ik heb Ibn Ṣayyād twee keer ontmoet. Tot een van degenen die bij hem waren vroeg ik: ‘Zeggen jullie ooit dat deze man de Dajjāl is?’ Hij zei: ‘Bij Allāh, nee.’ Ibn ʿUmar zei: ‘Bij Allāh, jij liegt tegen mij. Iemand van jullie heeft mij verteld dat hij niet zal sterven totdat hij meer bezit en meer kinderen heeft dan jullie allen. En vandaag is precies de dag waarop dat wordt beweerd.’ Daarna spraken wij verder en ik verliet hem.”
Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما) vertelt: Op een andere keer ontmoette ik hem opnieuw. Zijn oog stak uit de oogkas. Ik vroeg hem: “Wanneer is deze toestand in je oog ontstaan, die ik bij je zie?” Hij zei: “Ik weet het niet.”
Ik zei tegen hem: “Dus er is een aandoening in je ogen ontstaan en jij zegt dat je het niet eens weten?” Hij zei: “Als Allāh het wil, kan Hij zoiets ook in deze staf in jouw hand doen ontstaan.”
Op dat moment hoorde ik een geluid uit zijn keel dat nog luider was dan het hinniken van een ezel.
Een van mijn metgezellen die bij mij was, zei: “Ik bleef hem slaan met mijn staf totdat de stok brak. Maar bij Allah, ik was me er zelf niet van bewust dat ik dat deed.
Ibn ʿUmar ging vervolgens naar zijn zus, de moeder van de mu’mins, onze moeder Ḥafṣah (رضي الله عنها), en vertelde haar wat er was gebeurd. Zij zei tegen hem: “Wat wil jij van hem? Weet jij niet dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) over hem heeft gezegd: ‘Het eerste wat hem tegen de mensen zal opzetten en hem zal doen woeden, is een woede-uitbarsting.” (Muslim, 2932/98-99)
Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما) vertelt verder: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ging samen met `Ubay ibn Kaʿb (رضي الله عنه) van de Anṣār naar een dadelplantage waar Ibn Ṣayyād zich bevond. Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de tuin binnenging, verborg hij zich achter de stammen van de dadelpalmen om niet gezien te worden. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wilde Ibn Ṣayyād onverwacht observeren, zodat hij zou horen wat hij zei en wat hij zou beweren, om dit vervolgens aan zijn ashāb te tonen.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) trof Ibn Ṣayyād liggend op een bed, gewikkeld in een mantel, terwijl er een vreemd geluid uit zijn keel kwam. Zijn moeder stond achter een palmboom verborgen. Toen zij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zag, riep zij naar haar zoon: “O Ṣāfī! Muhammad is daar!” (want zijn oorspronkelijke naam was Ṣāfī). Zodra Ibn Ṣayyād de waarschuwing van zijn moeder hoorde, sprong hij op.
Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Als zij hem met rust had gelaten in zijn toestand, dan zou hij zichzelf duidelijk hebben ontmaskerd door zijn vreemde woorden en gedrag.” (Muslim, 2931; al-Bukhārī, 1355 (3056 ve 6174)
Volgens een overlevering zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen hem: “Ik heb iets in mijn gedachte over jou.” Hij zei: “Dat wat jij verborgen hebt gehouden is: dukh. Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Zwijg, verdwijn uit mijn zicht, ga weg en overschrijd je grenzen niet.”
Toen zei ʿUmar (رضي الله عنه): “O Rasûlullāh, laat mij zijn nek afslaan.” Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Als hij werkelijk de Dajjāl is, dan ben jij niet degene die hem zal doden. En als hij het niet is, dan heb je geen enkel voordeel om hem te doden.” (Muslim, 2930/95-96 en 2931; Abū Dāwūd, 4329)
Van Jābir ibn ʿAbdullāh (رضي الله عنهما), hij zei: “Wij verloren Ibn Ṣayyād tijdens de slag van al-Ḥarrah*.” (Abū Dāwūd, Kitāb al-Malāḥim, 4332; at-Tirmiḏī, 2248)(*De Slag van al-Ḥarrah was een gewelddadige gebeurtenis in het jaar 63 AH / 683 CE bij Madīnah.
Van Abū Bakrah (رضي الله عنه),Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De ouders van de Dajjāl zullen dertig jaar getrouwd zijn zonder kinderen te krijgen. Na dertig jaar zal er een kind geboren worden met schele ogen, zeer slecht en kwaadaardig. Hij zal weinig tot geen goeds brengen. Wanneer hij slaapt, slapen zijn ogen, maar zijn hart slaapt niet.”
Daarna beschreef Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de kenmerken van zijn ouders. Zijn vader is lang, stevig en fors gebouwd, met een neus die lijkt op de snavel van een vogel. Zijn moeder is een mollige vrouw met lange handen.
Abū Bakrah (رضي الله عنه) zegt: “Wij hoorden dat er in Madīnah bij de joden een kind was geboren. Ik en Zubayr ibn al-ʿAwwām (رضي الله عنه) gingen erheen en kwamen bij zijn ouders. Wat zagen wij? Precies de man en de vrouw die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had beschreven.”
Wij vroegen hen: “Hebben jullie een kind?” Zij zeiden: “Wij hebben dertig jaar gewacht zonder kinderen. Daarna werd er een scheel kind geboren, dat het meest schadelijk en minst nuttig van alle kinderen is. Zijn ogen slapen, maar zijn hart slaapt niet.”
Toen wij vertrokken, zagen wij het kind liggend op een fluwelen doek, mompelend. Hij stak zijn hoofd op en zei: “Wat hebben jullie tegen mijn ouders gezegd?”Wij vroegen: “Heb je ons gehoord?” Hij zei: “Ja. Mijn ogen slapen, maar mijn hart slaapt niet.” (at-Tirmidhī heeft gezegd dat deze ḥadīth ḥasan gharīb is en hij zei: “Wij kennen deze ḥadīth als overgeleverd via Hammād ibn Salamah.”
Al-Qurṭubī zegt dat Abū Dāwūd aṭ-Ṭayālisī over deze ḥadīth heeft gezegd: “Hammād ibn Salamah heeft het aan ons overgeleverd via ʿAlī ibn Zayd, van ʿAbdullāh ibn Abī Bakrah, die het van zijn vader heeft overgeleverd.”)
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Een jood vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar de Dajjāl: “Is hij van de nakomelingen van Ādam of van Iblīs?” Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Hij is niet van de nakomelingen van Iblīs, maar van de nakomelingen van Ādam. O gemeenschap van de joden! Hij zal van jullie geloof zijn.” (Ik heb deze overlevering niet kunnen terugvinden.)
Er wordt gezegd: “De Dajjāl is nog niet op de wereld gekomen. Hij zal in de Einde der Tijden geboren worden.” Echter, zoals wij hebben uiteengezet, is de eerste ḥadīth sterker en authentieker. Succes komt alleen van Allāh.
In dit verband zullen later nog verklaringen komen waarin wordt gesteld dat de Dajjāl Ibn Ṣayyād is.
Maar Allāh weet het het beste.
Abū Sulaymān al-Khaṭṭābī zegt dat er veel meningsverschillen bestaan over Ibn Ṣayyād. De mensen hebben hierover uiteenlopende verklaringen gegeven. Zelfs in de tijd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zou er iemand zijn die in Madīnah onder hen leefde, aanspraak maakte op het profeetschap, en tegen wie men toch niet optrad of hem verhinderde. Zelfs nadat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem had getest, zou hij tegen hem hebben gezegd: “Ga uit mijn zicht.” Toch zouden zij daarna in dezelfde stad blijven wonen. Zoiets is niet voorstelbaar.
Abū Sulaymān zegt: naar mijn mening kan deze gebeurtenis verband houden met het verdrag en de vrede die na de komst naar Madīnah werd gesloten tussen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en de joden en hun bondgenoten. In dat kader heeft hij mogelijk bepaalde zaken niet verder aan de orde gesteld en hen aan hun eigen situatie overgelaten.
Ibn Ṣayyād behoorde in dat geval mogelijk al tot hen, of hij kan zich later bij hen hebben aangesloten. Daardoor kan hij behandeld zijn alsof hij tot de joden behoorde. Het is dan ook mogelijk dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) later bepaalde berichten en informatie over hem heeft ontvangen.
Omdat deze man zich bezighield met waarzeggerij en uitspraken deed over het ongeziene, heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem juist op die punten op de proef gesteld, om zijn toestand te onderzoeken en te achterhalen wat zijn werkelijke situatie was.
Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) met hem sprak, zou hij zijn toestand hebben herkend en hebben begrepen wat voor iemand hij was. Hij zou hem hebben beschouwd als iemand die, net als andere tovenaars, met magie bezig hield, of als iemand die onder invloed stond van een hem toegewezen shayṭān.
In dat geval zou de shayṭān via de mond van Ibn Ṣayyād iets hebben uitgesproken. Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het woord “Dūkh” uit zijn mond hoorde, zou hij hem hebben berispt en gezegd: “Ga weg uit mijn zicht.” Daarmee werd duidelijk gemaakt dat zulke uitspraken voortkwamen uit influisteringen van de shayṭān.
De dingen die Ibn Ṣayyād zei, waren nooit van de aard van openbaring (waḥy). Want hij behoorde niet tot de anbiyā’ aan wie openbaring werd neergezonden, zodat hij via waḥy iets over het ongeziene (al-ghayb) zou kunnen meedelen. Evenmin behoorde hij tot de awliyā, aan wie kennis wordt ingegeven, zodat zij door het licht in hun harten de waarheid juist zouden treffen.
De man (Ibn Ṣayyād) sprak wartaal; in sommige van wat hij zei had hij toevallig gelijk, terwijl hij in andere zaken verviel in dwaling en fouten. Dit blijkt ook uit zijn uitspraak: “Er komt tot mij iemand die de waarheid spreekt en iemand die liegt.” (Muslim, 2930)
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tegen Ibn Ṣayyād naar aanleiding van deze uitspraak: “Daardoor wordt het voor jou onmogelijk om te onderscheiden wat waar is en wat onwaar is.”
De wijsheid hierachter is dat Ibn Ṣayyād een fitnah was. Allāh beproeft met hem Zijn mu’min dienaren, zodat degene die ten onder gaat, op basis van een duidelijk bewijs ten onder gaat, en degene die blijft leven, eveneens op basis van een duidelijk bewijs blijft leven. (Zie Ibn Kathīr, an-Nihāyah, 1/70. Voor meer informatie kan men dit en soortgelijke bronnen raadplegen.)
Allāhu Ta`ālā heeft ook het volk van Mūsā (عليه السلام) beproefd met het kalf. Daardoor zijn sommige groepen in fitnah vervallen en uiteindelijk ten onder gegaan. Anderen heeft Allāh daarentegen beschermd, waardoor zij gered werden.
De aḥadīth over Ibn Ṣayyād vertonen grote verschillen, vooral wat betreft de periode nadat hij volwassen werd. In sommige aḥadīth wordt vermeld dat hij later tawbah heeft gedaan en terugkwam op wat hij had gezegd. Vervolgens zou hij in Madīnah zijn overleden. Toen men zijn ṣalāh al-janāzah wilde verrichten, werd zijn gezicht onthuld zodat de mensen hem konden zien, en er werd tegen hen gezegd: “Wees getuigen over hem, leg getuigenis over hem af.”
Shaykh (Sulaymān) al-Khaṭṭābī zei dat de juiste opvatting in deze kwestie is dat de eden van Jābir ibn ʿAbdullāh (رضي الله عنه) en ʿUmar (رضي الله عنه), dat de Dajjāl Ibn Ṣayyād is, niet doorslaggevend zijn.
Ibn Jābir zei: “Wij zijn hem kwijtgeraakt tijdens de gebeurtenis van al-Ḥarrah.” Dit en soortgelijke aḥadīth zijn in tegenspraak met de berichten dat hij in Madīnah is overleden. En Allāh weet het het beste.
Wat betreft de vraag of de Dajjāl Ibn Ṣayyād is, hierover zal nadere informatie worden gegeven bij de ḥadīth van al-Jassāsah.
7.35 Ya’jûj en Ma’jûj
De vernietiging van de afscherming (sad) van Ya’jûj en Ma’jûj, hun verschijning, hun eigenschappen, hun kleding en hun voedsel zullen hier worden behandeld, evenals de betekenis van de uitspraak van Allāh: “Wanneer de belofte van mijn Heer komt, zal Hij het volledig verwoesten.”
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Ya’jûj en Ma’jûj zullen elke dag bezig zijn met het graven om de afscherming te doorbreken. Wanneer zij op een moment de zonnestralen zien, zegt hun leider tegen hen: ‘Ga terug, we zullen de rest morgen in de ochtend afmaken.’ Maar Allāhu Ta`ālā herstelt de afscherming telkens weer sterker dan ervoor, totdat hun vastgestelde termijn aanbreekt.
Wanneer Allāh wil dat zij naar de mensen worden gezonden, zullen zij opnieuw beginnen met graven. Opnieuw gebeurt dit op het moment dat de zonnestralen zichtbaar worden, en hun leider zegt tegen hen: ‘Stop en ga terug. Als Allāh het wil, zullen jullie morgen de rest voltooien.’
Wanneer zij de volgende dag terugkeren, zien zij dat het deel dat zij hadden gelaten, niet is hersteld zoals voorheen, maar open is gebleven. Dan maken zij het graven af en vallen via die opening de mensen aan. Zij drinken al het water op en de mensen verschansen zich in hun vestingen uit angst voor hen.
Zij schieten hun pijlen naar de hemel, en die komen terug met bloed besmeurd. Daarop zeggen zij: ‘Wij hebben degenen op aarde gedood en met degenen in de hemel afgerekend.’
Daarna zendt Allāh parasitaire kamelenwormen in hun nekken die hen zal treffen/doden.”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Bij Hem in Wiens hand mijn ziel is, de dieren op aarde zullen van hun vlees eten en zo vet worden, en hun uiers zullen vol melk worden door wat zij van hen hebben gegeten.” (İbn Mâjah, 4080; at-Tirmiḏī, 3153)
Kaʿb al-Aḥbār zegt: Ya’jûj en Ma’jûj zullen met hun schoppen en bijlen proberen de afscherming (sad) te doorbreken. Op het moment dat zij bijna naar buiten komen, zullen zij zeggen: “Laten we terugkeren zodat we morgen de rest kunnen openen.”
Wanneer zij de volgende dag terugkomen, vinden zij het weer zoals zij het hadden achtergelaten. Daarna breken zij het resterende deel ook open en komen zij naar buiten.
De eersten van hen zullen een meer bereiken en al het water dat daarin aanwezig is, zullen zij opdrinken totdat er niets meer van overblijft. De latere groepen die hen volgen, zullen bij dit meer aankomen en zien dat er slechts de modder is achtergebleven.
Zij zullen deze modder oplikken, het water eruit persen en zo het resterende vocht opdrinken totdat het volledig droog is. Wanneer de laatste groepen daar aankomen, zullen zij zeggen: “Hier is ooit water geweest.”
Vervolgens zullen zij hun pijlen naar de hemel richten en die in die richting afschieten. Zij zullen zeggen: “Wij hebben degenen op aarde uitgeschakeld en wij hebben ook de bewoners van de hemel overwonnen.”
Daarop wordt Allāh boos op hen en zendt Hij parasitaire wormen (naghaf) over hen. Deze parasitaire wormen dringen via hun nekken hun lichamen binnen en doden hen allemaal. Hun dode lichamen veroorzaken een ondraaglijke stank op aarde.
Daarna zendt Allāh vogels die hun kadavers oppikken en naar de zee brengen. Vervolgens laat Allāhu Ta`ālā veertig dagen regen neerdalen. Hierdoor wordt de aarde weer groen en vruchtbaar, zozeer dat één enkele granaatappel een hele familie kan voeden. Daarna wordt er een grote kreet gehoord. (ad-Dani, as-Sunan al-Waridatu Fil-Fitan, 679)
Van Abû Sa’id al-Khudri (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De plaats waar Ya’jûj en Ma’jûj zich bevinden zal worden geopend en zij zullen daaruit naar buiten komen. Allāhu Ta`ālā heeft gezegd:
حَتَّىٰٓ إِذَا فُتِحَتۡ يَأۡجُوجُ وَمَأۡجُوجُ وَهُم مِّن كُلِّ حَدَبٖ يَنسِلُونَ ٩٦
Totdat voor Gog en Magog (Ya’jûj en Ma’jûj) (de muur) geopend wordt en zij van iedere hoogte komen aansnellen. (Anbiyā, 21:96) Zij zullen de hele aarde bevolken. Door hun aanvallen zullen de moslims hun steden en woongebieden verlaten, en degenen die achterblijven zullen zich opsluiten in hun vestingen en steden. Zij zullen hun dieren niet achterlaten, maar meenemen.
Zij zullen uiteindelijk bij een rivier aankomen en al het water ervan opdrinken; er zal bijna geen enkele druppel overblijven.
Een van de laatkomers zal tegen de anderen zeggen: ‘Er was hier ooit water.’
Zij zullen vervolgens de overhand op aarde hebben. Hun spreker zal tegen hen zeggen: ‘We hebben eindelijk de bewoners van de aarde overwonnen; laten we nu terugkeren naar de bewoners van de hemel.’ Daarop zal één van hen zijn speer naar de hemel richten, waarna die bebloed naar hem terug zal keren.
Hij zal zeggen: ‘Wij hebben ook degenen in de hemel gedood.’
Terwijl zij zich in deze toestand bevinden, zal Allāhu Ta`ālā parasitaire wormen sturen die lijken op sprinkhanen. Deze parasitaire wormen zullen hen bij hun nekken grijpen. Vervolgens zullen zij allemaal als sprinkhanen in grote getale sterven en op elkaar vallen.
De moslims zullen ’s ochtends wakker worden en niets van hen horen.
Dan zullen de moslims zeggen: ‘Is er iemand onder jullie die zijn leven wil riskeren en kijken wat zij (Ya’jûj en Ma’jûj) hebben gedaan?’
Uiteindelijk zal iemand die zich hiervoor heeft voorbereid en zijn leven op het spel zet, naar beneden gaan en zien dat zij allemaal dood zijn. Hij zal terugkeren en roepen: ‘Goed nieuws! Al jullie vijanden zijn gestorven!’
De mensen zullen naar buiten komen en hun dieren loslaten. Maar hun dieren zullen niets anders vinden om te eten dan de lichamen van de doden. Zij zullen daarvan eten, en daardoor zullen zij net zo vet worden als vee dat zich tegoed doet aan gras.” (Ibn Mâjah, 4079. De ḥadīth is aangeduid als ḥasan. Musnad, 11306 en 11323)
`Abdullah ibn Masʿūd (رضي الله عنه) zei: “Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in een nacht Isrāʾ en Miʿrāj werd gevoerd, ontmoette hij Ibrāhīm, Mūsā en ʿĪsā (عليهم السلام). Zij bespraken samen de kwestie van Yawmu’l Qiyāmah.
Het gesprek begon met Ibrāhīm (عليه السلام). Zij vroegen hem naar Yawmu’l Qiyāmah, maar hij had daar geen kennis over.
Vervolgens vroegen zij het aan Mūsā (عليه السلام), maar ook bij hem was er geen kennis over Yawmu’l Qiyāmah.
Uiteindelijk richtten zij zich tot ʿĪsā (عليه السلام). Hij zei: ‘Mij is enige kennis gegeven over wat vóór Yawmu’l Qiyāmah zal gebeuren, maar de kennis van Yawmu’l Qiyāmah zelf behoort alleen aan Allāh.’
Daar werd ook de Dajjāl genoemd. ʿĪsā (عليه السلام) zei: ‘Ik zal naar de aarde neerdalen en hem doden.’
De mensen zullen dan terugkeren naar hun woonplaatsen. Maar zij zullen worden geconfronteerd met Ya’jûj en Ma’jûj, die van elke heuvel zullen verschijnen. Zij zullen al het water drinken dat zij vinden, en alles wat zij tegenkomen zullen zij vernielen, breken en verwoesten.
De mensen zullen hun toevlucht zoeken tot Allāh tegen hun kwaad. Ik zal dan Allāh smeken om hen te vernietigen. Hun lichamen zullen de aarde doen stinken.
Allāh zal regen doen neerdalen, en die regen/overstroming zal hen meesleuren tot aan de zee.
Daarna zullen de bergen tot stof worden vermalen, en de aarde zal zich uitspreiden zoals leer dat wordt uitgerekt. Daarover is mij reeds kennis gegeven.
Wanneer al deze gebeurtenissen plaatsvinden, zal de Yawmu’l Qiyāmah onverwacht komen, zoals een zwangere vrouw waarvan niemand weet wanneer zij zal bevallen; zo onverwacht zal ook de Yawmu’l Qiyāmah komen.” (Ibn Mâjah, 4081. De ḥadīth is door Ibn Mâjah overgeleverd en door Abû Bekir ibn Shaybah uitgewerkt (takhrīj). De formulering is van Ibn Mâjah.)
Ibn Abi Shaybah heeft hieraan de uitdrukking “nacht en dag” toegevoegd. ʿAwvām zei: “De bevestiging daarvan is te vinden in het Boek van Allāhu Ta`ālā:
حَتَّىٰٓ إِذَا فُتِحَتۡ يَأۡجُوجُ وَمَأۡجُوجُ وَهُم مِّن كُلِّ حَدَبٖ يَنسِلُونَ ٩٦
Totdat voor Gog en Magog (Ya’jûj en Ma’jûj) (de muur) geopend wordt en zij van iedere hoogte komen aansnellen. (Anbiyā, 21:96)
Zij zullen geen waterbron passeren zonder die op te drinken en uit te drogen, en waar zij ook langskomen zullen zij alles verwoesten en vernietigen.
Ibn Abi Shaybah voegt daaraan toe:
وَٱقۡتَرَبَ ٱلۡوَعۡدُ ٱلۡحَقُّ فَإِذَا هِيَ شَٰخِصَةٌ أَبۡصَٰرُ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ يَٰوَيۡلَنَا قَدۡ كُنَّا فِي غَفۡلَةٖ مِّنۡ هَٰذَا بَلۡ كُنَّا ظَٰلِمِينَ ٩٧
En de Ware Belofte nabij komt. Dan zul je de ogen van de ongelovigen in afgrijzing zien staren. “Wee voor ons! Wij waren hier beslist achteloos voor; nee, wij waren niets dan onrechtvaardigen. (Anbiyā, 21:97) (Ibn Mâjah, Kitāb al-Fitan; de ḥadīth is zwak (daʿīf). Zie: Ibn Abi Shaybah, 37525; Ahmad ibn Hanbal, 3546; adh-Dhahabī, al-Mīzān, 7/169)
ʿAmr ibn al-ʿĀṣ (رضي الله عنه) zei: “Voorwaar, Ya’jûj en Ma’jûj zijn geschapen voor de Hel. Zij hebben geen enkele vriend. Zij zijn in drie groepen verdeeld: een groep is één span lang, een tweede groep is twee spannen lang, en de overige derde groep heeft een lengte waarbij hun lengte en breedte gelijk zijn. Zij zijn allen uit de nakomelingen van Yāfith, de zoon van Nūh (عليه السلام).”
ʿAṭiyya ibn Hassān heeft overgeleverd dat hij zei: “Ya’jûj en Ma’jûj zijn twee gemeenschappen. In elke bevinden zich 400.000 mensen. Onder hen is niemand die op een ander lijkt.” (Nu‘aym b.
Ḥammād, 1630, 1649; ad-Dānī, as-Sunan al-Wārida fī al-Fitan, 673)
Al-Awzāʿī heeft overgeleverd dat hij zei: “De aarde is in zeven delen verdeeld. Zes delen daarvan worden bewoond door Ya’jûj en Ma’jûj, en het resterende deel wordt bewoond door de overige schepselen.” (ad-Dānī, 674)
Qatāda heeft overgeleverd dat hij zei: “De aarde is 24.000 farsakh*.” Hiermee bedoelde hij het gebied dat bewoond wordt door mensen en andere schepselen, zonder Ya’jûj en Ma’jûj. Van dit gebied zijn 12.000 farsakh het gebied van Hind, Sind. De resterende 8.000 farsakh behoren toe aan China. Een gebied van 3.000 farsakh behoort toe aan de Romeinen (Byzantijnen). De resterende 1.000 farsakh is het gebied waar de Arabieren wonen. (ad-Dani, 675)(Sind: een regio in het oostelijke deel van Pakistan, gelegen aan de kust van de Indische Oceaan en bestaande uit een woestijnachtig gebied. De hoofdstad is Hyderabad. (vertaler)[*: 1 farsakh ≈ ± 6 kilometer]
ʿArṭa ibn al-Mundhir heeft overgeleverd dat hij zei: “Wanneer Ya’jûj en Ma’jûj verschijnen, zal Allāhu Ta`ālā aan ʿĪsā (عليه السلام) openbaren: ‘Ik heb een groep van Mijn schepselen losgelaten die Ik heb geschapen. Niemand behalve Ik kan hen tegenhouden. Geef opdracht aan degenen die bij jou zijn om zich samen met ongeveer 12.000 kinderen naar de berg Tūr te begeven.” (ad-Dani, 669)
“Ya’jûj en Ma’jûj zijn geschapen voor de Hel. Zij vormen een derde van een derde. Een deel van hen is zo klein als een rietstengel. Een derde heeft een gelijke lengte en breedte en is rond van vorm; zij zijn de meest gewelddadige. Het laatste derde deel legt één oor op de grond als een mat en wikkelt zich met het andere oor om zich heen en slaapt.
Zij zijn allen uit de nakomelingen van Yāfith, de zoon van Nūh (عليه السلام). (ad-Dani, 670)
Er is overgeleverd dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het volgende heeft gezegd:
“Ya’jûj is een gemeenschap en zij hebben ongeveer 400 leiders. Ook de stam Ma’jûj is ongeveer zo groot. Niemand van hen sterft voordat hij duizend ruiters uit zijn eigen nageslacht heeft gezien. Onder hen is er een groep die zo klein is als rijstkorrels. Er is ook een groep waarvan de lengte 120 armlengtes bedraagt. En er is een groep die het ene oor op de grond spreidt en zich met het andere oor bedekt. Waar zij ook een olifant of een varken tegenkomen, grijpen zij die meteen en eten ze op. Zelfs wanneer zij de kadavers van deze dieren vinden, eten zij die op. Hun voorste deel zal tot in Syrië (Shām) reiken, terwijl hun achterste deel zich zal bevinden in de landen van Khorasān. Zij zullen het water van de rivieren in het oosten en het water van het Meer van Tiberias opdrinken totdat het uitdroogt. Allāh heeft hun de toegang tot Makkah, Madīnah en Bayt al-Maqdis verboden.” (ad-Dānī, 596 en 676; at-at-Tabarānī, 3855; Ibn ʿAdī, al-Kāmil, 6/168; Ibn al-Jawzī, al-Mawḍūʿāt, 1/206; Ibn ʿAsākir, Tārīkh Dimashq, 2/233; al-Qurṭubī, Tafsīr, 11/57; al-Haythamī, Majmaʿ az-Zawāʾid, 8/6)
Volgens de overleveringen eten zij op aarde alles wat zij vinden: alle soorten ongedierte, levende wezens en insecten, slangen en schorpioenen; kortom alles wat de Allāhu Ta`ālā op aarde als levend heeft geschapen. Binnen één jaar neemt hun aantal toe zoals geen enkel ander volk ooit is toegenomen. Zij maken geluiden als vogels en blaffen als honden. Waar zij elkaar ook tegenkomen, daar zullen zij zich voortplanten zoals dieren.
De oorsprong hiervan wordt vermeld in het boek “al-Qasdu wa’l-Umam fi Ansāb al-‘Arab wa’l-‘Ajam”. Sommigen van hen hebben hoorns en staarten. Zij hebben hoektanden en eten rauw vlees.
Ka’b al-Ahbār zegt: “Allāh heeft Ya’jûj en Ma’jûj, in drie groepen geschapen. Een groep heeft lichamen als rijst. Een andere groep is vier armlengtes hoog en vier armlengtes breed. Weer een andere groep spreidt één oor over de grond en bedekt zich met het andere oor.” (Nuaym b. Hammad, 1626, 1647; as-Suyūṭī, ad-Durr al-Manthūr, 5/456. As-Suyūṭī schrijft dit toe aan Ibn Mundhir en Ibn Abī Ḥātim) Deze informatie wordt overgeleverd door Hafiz Abū Nu‘aym.
Volgens wat ‘Abd al-Malik b. Ḥabīb heeft overgeleverd, zegt hij over de uitleg van de geschiedenis van Dhul-Qarnayn ( عليه السلام) en de betekenis van de uitspraak van de Allāh: فَأَتۡبَعَ سَبَبًا ٨٥ Daarop volgde hij een weg. (al-Kahf (18), 85)
Dat dit betekent: de verblijfplaatsen op aarde, de wegen en de hoge punten.
حَتَّىٰٓ إِذَا بَلَغَ بَيۡنَ ٱلسَّدَّيۡنِ وَجَدَ مِن دُونِهِمَا قَوۡمٗا لَّا يَكَادُونَ يَفۡقَهُونَ قَوۡلٗا ٩٣
Totdat hij, toen tussen twee bergen kwam, in de buurt daarvan een volk ontdekte dat nauwelijks een woord verstond. (al-Kahf (18), 93
`Abd al-Malik zegt: “Zij zijn twee volkeren die afstammen van Yāfith, de zoon van Nūḥ (عليه السلام). Allāh heeft hun levensduur verlengd en hun nakomelingen vermeerderd, zodat iemand uit de afstammelingen van Ya’jûj en Ma’jûj niet sterft voordat hij duizend kinderen heeft gekregen.”
`Abd al-Malik zegt: “In het voorjaar komen zij naar de volkeren die dicht bij hen wonen.
Als zij iets groens bij hen vinden, laten zij er geen enkel deeltje van achter; zij eten het volledig op. Alles wat droog is, nemen zij ook mee. Daarom vroegen de mensen van dat gebied aan Dhul-Qarnayn ( عليه السلام): ‘
قَالُواْ يَٰذَا ٱلۡقَرۡنَيۡنِ إِنَّ يَأۡجُوجَ وَمَأۡجُوجَ مُفۡسِدُونَ فِي ٱلۡأَرۡضِ فَهَلۡ نَجۡعَلُ لَكَ خَرۡجًا عَلَىٰٓ أَن تَجۡعَلَ بَيۡنَنَا وَبَيۡنَهُمۡ سَدّٗا ٩٤
Zij zeiden: “O Dhoel-Qarnain! Waarlijk! Gog en Magog veroorzaken grote ellende in dit land. Zullen wij jou dan een schatting betalen zodat jij een afscheiding tussen ons beiden kan oprichten?”
قَالَ مَا مَكَّنِّي فِيهِ رَبِّي خَيۡرٞ فَأَعِينُونِي بِقُوَّةٍ أَجۡعَلۡ بَيۡنَكُمۡ وَبَيۡنَهُمۡ رَدۡمًا ٩٥
Hij zei: “Dat wat mijn Heer voor mij heeft ingesteld is beter. Help mij dus met de kracht dan zal ik tussen jullie een sterke muur oprichten.
ءَاتُونِي زُبَرَ ٱلۡحَدِيدِۖ حَتَّىٰٓ إِذَا سَاوَىٰ بَيۡنَ ٱلصَّدَفَيۡنِ قَالَ ٱنفُخُواْۖ حَتَّىٰٓ إِذَا جَعَلَهُۥ نَارٗا قَالَ ءَاتُونِيٓ أُفۡرِغۡ عَلَيۡهِ قِطۡرٗا ٩٦
Geef mij stukken ijzer.” Toen hij het gat tussen de twee bergen opgevuld had, zei hij: “Blaas.” Totdat, toen het zo (rood als) vuur werd, hij zei: “breng mij gesmolten koper om erover heen te gieten.”
فَمَا ٱسۡطَٰعُوٓاْ أَن يَظۡهَرُوهُ وَمَا ٱسۡتَطَٰعُواْ لَهُۥ نَقۡبٗا ٩٧
Dus werden zij machteloos om daarover te klimmen of er doorheen te graven.
(al-Kahf (18), 94–97)
In het werk Tafsīr al-Hufi / al-Hawfi van Abū al-Ḥasan wordt het volgende vermeld:
“Toen Dhul-Qarnayn ( عليه السلام) hun situatie zag, onderzocht hij de open ruimte tussen de twee bergen en zag dat de afstand 100 farsakh was. Toen hij met het werk wilde beginnen, groef hij eerst een fundering, tot aan het punt waar water zich bevond. Vervolgens maakte hij de fundering ongeveer 50 farsakh breed. Hij plaatste rotsen op de bodem van de fundering en goot er gesmolten lood overheen als mortel. Het werd alsof er onder de aarde een berg was ontstaan, stevig als een vaste massa. Daarna begon hij de barrière verder op te bouwen en te verhogen. Hij versterkte deze met ijzeren blokken en gesmolten koper en plaatste koperen lagen ertussen. Zo bouwde hij een muur/barrière die niet kon worden vernietigd. Toen Dhul-Qarnayn ( عليه السلام) zijn werk had voltooid, keerde hij terug naar de gemeenschap van mensen en djinn.”
ʿAlī (رضي الله عنه) zegt: “Een groep onder hen is zo lang als een handspan. Zij hebben klauwen en kiezen zoals roofvogels. Zij maken geluiden als duiven, paren zoals dieren en huilen als wolven. Zij hebben haren die hun lichaam beschermen tegen hitte en kou. Zij hebben zeer grote oren. Eén van hun oren is behaard en daarmee bedekken zij zich in de winter ter bescherming. Het andere oor is van huid en daarin verblijven zij in de zomer.”
Muqātil b.
Sulaymān zegt dat zij afstammen van Yāfath, de zoon van Nūḥ (عليه السلام). Deze opvatting wordt, zoals eerder vermeld, door sommigen als iets aannemelijker beschouwd dan andere meningen. Toch weet Allāh het het beste.
7.36 Dābbatu’l-Arḍ
Hier zullen we het onderwerp van de Dābbatu’l-Arḍ behandelen en haar kenmerken bespreken: wanneer zij zal verschijnen, waar zij vandaan zal komen, of er meerdere uitkomstpunten zijn, haar eigenschappen op het moment van verschijnen, en wat er met haar samen zal gebeuren. Ook de Ḥadīth van al-Jassāsah en de kwestie van de Dajjāl die in deze ḥadīth wordt genoemd, zullen hier aan bod komen.
Allāhu Ta`ālā zegt: وَإِذَا وَقَعَ ٱلۡقَوۡلُ عَلَيۡهِمۡ أَخۡرَجۡنَا لَهُمۡ دَآبَّةٗ مِّنَ ٱلۡأَرۡضِ تُكَلِّمُهُمۡ أَنَّ ٱلنَّاسَ كَانُواْ بِـَٔايَٰتِنَا لَا يُوقِنُونَ ٨٢
En als het woord voor hen bewaarheid wordt, zullen Wij uit de aarde een beest (Dābbatu’l-Arḍ) voortbrengen dat tegen hen zal spreken want de mensheid geloofde niet met zekerheid in Onze Tekenen. (an-Naml, 27:82)
Abū Bakr al-al-Bazzār overlevert, van een van de zonen vanʿAbdullāh b. Masʿūd (رضي الله عنه) via zijn vader, hij zei: “Verricht veel bezoek aan dit Huis (de Kaʿbah) voordat het van de aarde wordt weggenomen en de plaats ervan wordt vergeten. Lees de Qurʾān veel voordat hij wordt weggenomen.”
De aanwezigen vroegen hem: “O Abū ʿAbd ar-Raḥmān! Stel dat de muṣḥafs worden weggenomen, wat dan met wat zich in de harten van de ḥuffāẓ bevindt?” Ibn Masʿūd (رضي الله عنه) zei: “Zij zullen ’s ochtends wakker worden en zeggen: ‘Wij lazen vroeger een tekst en zaten wat te zeggen.’ Daarna zullen zij terugkeren naar de poëzie van de jāhiliyyah en gaan spreken over wat in die tijd gezegd werd. Dat zal gebeuren wanneer de belofte die aan hen is gegeven werkelijkheid wordt.” (Ibn Abī Ḥātim, 17344; al-Fākihī, Akhbār Makkah, 603; al-Qurṭubī, Tafsīr, 13/234. Deze overlevering is zwak qua keten (isnād)
Geleerden zeggen dat de betekenis van de uitspraak “En als het woord voor hen bewaarheid wordt” in de āyah (an-Naml, 27:82) is: Dit zal plaatsvinden wanneer zij in ongehoorzaamheid, opstandigheid en verdorvenheid hun grenzen overschrijden en daarin blijven volharden; wanneer zij zich afkeren van de āyāt van Allāh en deze ter zijde schuiven; wanneer zij Zijn bepalingen en geboden veronachtzamen en de vermaningen om zich van zonden af te keren afwijzen. Dan zal geen enkele vermaning (nasihat) hen nog baten en zal niets hen van hun slechte wegen doen terugkeren.
Wanneer de samenleving in deze toestand verkeert, zal het moment naderen van Yawmu’l Qiyāmah, de dag waarop de waarschuwing die aan de mensen is gegeven werkelijkheid wordt. Dan brengen Wij voor hen uit de aarde een “Dābbatu’l-Arḍ” voort (een vreemd schepsel dat behoort tot de tekenen van het Einde der Tijden). Dit wezen zal spreken en de mensen meedelen dat zij geen geloof hechtten aan Onze tekenen.(zie an-Naml, 27:82 hierboven)
Dit wezen dat uit de aarde zal komen, is een levend wezen dat kan begrijpen, denken en spreken. Wanneer zoiets gebeurt, Allāh weet het het beste, zullen de mensen die in die tijd leven dit feit herkennen en begrijpen dat het een teken van Allāh is, een wonder dat door Hem is gezonden. Want normaal gesproken spreken dieren niet, en zij zijn ook geen wezens met verstand zoals mensen. Het spreken van dit wezen is daarom een bewijs dat het een teken van Allāh is.
Van ʿAbdullāh b. Burayda, van zijn vader (رضي الله عنهما) dat hij zei: “Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم) nam mij mee naar een plaats nabij Makkah die al-Bādiyah (woestijn) wordt genoemd. Wat zagen wij? Een droge vlakte, omgeven door zand.
Daar zei Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم): ‘De Dābbatu’l-Arḍ zal hieruit tevoorschijn komen.’ De plaats die Rasulullāh aanwees was ongeveer een handspan in lengte en breedte.”
Ibn Burayda zegt: “Enkele jaren later ging ik op Ḥaj naar Makkah. Mijn vader wees die plaats aan met zijn staf. Ik lette erop en zag dat zijn staf bijna dezelfde lengte had als mijn eigen staf.” (Ibn Mājah, 4067; Aḥmad b. Ḥanbal, 21945 en 22514)
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Wanneer de Dābbatu’l-Arḍ verschijnt, zal zij de zegel (ring) van Sulaymān, de zoon van Dāwūd, en de staf van Mūsā b. ʿImrān (عليهم السلام) bij zich hebben. Door de staf zal het gezicht van de muʾmin oplichten, en door het zegel zullen de neuzen van de kāfirs worden gemerkt. Zo zal een groep mensen zich verzamelen en tegen de muʾmins zeggen: ‘O muʾmin!’, en tegen de kāfirs: ‘O kāfir!” (Ibn Mājah, 4066; at-Tirmiḏī, 3187. De ḥadīth is zwak (ḍaʿīf), al noemt at-Tirmiḏī het ḥasan.)
Abū Dāwūd aṭ-Ṭayālisī, in zijn Musnad, vermeldt dat Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) over de Dābbatu’l-Arḍ heeft gezegd: “De Dābbatu’l-Arḍ zal in de loop van de tijd drie verschijningen hebben. Zij zal verschijnen vanuit het verste punt van al-Bādiyah, maar er zal niet over haar gesproken worden in de stad al-Qaryah, namelijk Makkah. Daarna zal zij lange tijd verborgen blijven en vervolgens opnieuw verschijnen. Deze keer zal zij zich verspreiden in het gebied waarin zij verschijnt. Hierna zal er ook in Makkah over haar gesproken worden.”
Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Terwijl de mensen zich in de Mescid al-Ḥarām bevinden, die bij Allāh de meest geëerde moskee is, zal zij hen niet met rust laten.
Tussen ar-Rukn en al-Maqām zal zij zo woedend brullen en razen dat stof van boven haar hoofd naar beneden valt. De mensen zullen zich verspreiden; sommigen alleen, anderen in groepen, en zij zullen die plaats verlaten. Slechts een groep muʾmins zal daar blijven. Zij zullen beseffen dat zij Allāh niet machteloos kunnen laten.
Dan zal de Dābbatu’l-Arḍ hen benaderen en hun gezichten zullen gaan stralen als parels en sterren. Vervolgens zal de Dābbatu’l-Arḍ zich naar de aarde keren; wie haar achtervolgt zal haar niet inhalen, en wie van haar wegvlucht zal haar niet ontkomen. Zelfs iemand die gaat ṣalāh verrichten om aan haar te ontsnappen, zal door haar worden ingehaald. Zij zal achter hem komen en zeggen: ‘O persoon! Verricht jij nu ṣalāh?’ en vervolgens zijn gezicht markeren en verdergaan.
Vanaf dat moment zullen de mensen gezamenlijk hun bezittingen delen en hun steden samen gebruiken, omdat de muʾmins en de kāfirs duidelijk van elkaar gescheiden zijn. De muʾmin zal tegen de kāfir zeggen: ‘Geef mij mijn recht,’ en de kāfir zal tegen de muʾmin zeggen: ‘O muʾmin, betaal wat je mij verschuldigd bent.”
Er wordt gezegd dat de Dābbatu’l-Arḍ de gezichten van beide groepen zal markeren door middel van een “nafkh” (blazen/uitademing). Als gevolg daarvan zal op het voorhoofd van de muʾmin het woord “muʾmin” worden gegrift, en op het voorhoofd van de kāfir zal de aanduiding “kāfir” worden aangebracht.(Abū Dāwūd aṭ-Ṭayālisī, 1069; ʿAbd ar-Razzāq, Tafsīr, 3/84; Ibn Jarīr, Tafsīr, 20/14; Ibn Abī Ḥātim, Tafsīr, 16593; al-Ḥākim, al-Mustadrak, 4/530; aṭ-Ṭabarānī, al-Kabīr, 3035; Ibn Kathīr, Tafsīr, 3/376.
De overlevering is zwak (ḍaʿīf)
Dat deze inscriptie op de voorhoofden ontstaat door middel van een nafkh is niet onwaarschijnlijk. Er is geen tegenstrijdigheid in het feit dat zowel “muʾmin” als “kāfir” door één enkele blaashandeling worden aangebracht. Toch weet Allāh het het beste.
Al-Baghawī en Abū al-Qāsim zeggen dat Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما) heeft gezegd: “De Dābbatu’l-Arḍ zal uit een scheur in de Kaʿbah verschijnen. Zij zal zich gedurende drie dagen voortbewegen als een bewegend paard, en slechts een derde ervan zal dan naar buiten zijn gekomen.” (Ibn Jaʿd, Musnad, 2006; aṭ-Ṭabarī, Tafsīr, 10/13; al-Baghawī, Tafsīr, 1/177; al-Qurṭubī, Tafsīr, 13/237. Deze overlevering is zwak qua isnād.)
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Het wezen dat Dābbatu’l-Arḍ wordt genoemd, zal verschijnen vanuit het gebied Ajyād. Zijn borst zal reiken tot aan de Rukn van de Kaʿbah, terwijl zijn staart nog niet eens volledig naar buiten is gekomen. Deze Dābbatu’l-Arḍ zal een behaard wezen zijn met vele poten.” (adh-Dhahabī, Mīzān al-Iʿtidāl, 5/106; Ibn Ḥajar al-ʿAsqalānī, 451; Ibn Abī Shaybah, 15/67, 181)
UitlegZowel deze aḥadīth als eerdere overleveringen hierover zijn een onderwerp van discussie geweest onder islamitische geleerden.
Van Abū Hurayra (رضي الله عنه) Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het gebied Jiyād is een zeer slechte plaats.” Toen werd gevraagd: “Waarom, o Rasulullah?” Hij antwoordde: “De Dābbatu’l-Arḍ zal uit dit gebied verschijnen. Wanneer zij verschijnt, zal zij drie keer schreeuwen, en iedereen tussen oost en west zal die kreet horen.”(al-Bukhārī, 176; aṭ-Ṭabarānī, 4317; al-ʿUqaylī, aḍ-Ḍuʿafāʾ, 2/61; Ibn ʿAdī, al-Kāmil, 3/172; al-Fākihī, Akhbār Makkah, 4/43)
Van ʿAmr b. al-ʿĀṣ (رضي الله عنه) zegt: “De Dābbatu’l-Arḍ zal uit een boom in Makkah verschijnen, tijdens het Ḥaj seizoen. Haar hoofd zal de wolken raken, terwijl haar voeten nog niet uit de aarde zijn gekomen.” al-Fatanī heeft deze overlevering vermeld in zijn boek “ʿUyūn al-Akhbār”.
De meest correcte mening onder de mufassirūn is dat het een zeer groot schepsel betreft dat zal verschijnen uit een scheur bij de heuvel Ṣafā. Niemand zal aan haar kunnen ontkomen. Wanneer zij een muʾmin markeert, zal zijn gezicht gaan stralen en zal tussen zijn wenkbrauwen het woord “muʾmin” verschijnen. Wanneer zij een kāfir markeert, zal diens gezicht donker worden en zal op zijn voorhoofd “kāfir” worden geschreven.
ʿAbdullāh b. ʿUmar (رضي الله عنهما) heeft gezegd: “De Dābbatu’l-Arḍ zal verschijnen vanaf de heuvel Ṣafā in Makkah. De heuvel zal opensplijten en zij zal daaruit tevoorschijn komen.”
ʿAbdullāh b. ʿAmr (رضي الله عنهما) heeft een vergelijkbare overlevering vermeld en zei: “Als ik wil, kan ik jullie nu de plek aanwijzen waar zij zal verschijnen door mijn voet erop te zetten en jullie die plaats te laten zien.”
Qatādah zei dat zij uit de regio Tihāmah zal verschijnen.
Volgens sommige aḥadīth zal de Dābbatu’l-Arḍ verschijnen in de moskee van Kūfah, op de plek waar het vuur werd aangestoken door Nūḥ (عليه السلام) om zijn ark te laten bewegen. Volgens andere berichten zal zij uit het land Ṭāʾif komen.
Volgens Ibn az-Zubayr (رضي الله عنهما) zal de Dābbatu’l-Arḍ verschijnen als een wezen dat eigenschappen draagt van verschillende dieren. Haar hoofd zal lijken op dat van een os, haar ogen op die van een varken, haar oren op die van een olifant, haar hoorns op die van een berggeit, haar nek op die van een struisvogel, haar borst op die van een leeuw, haar kleur op die van een tijger, haar middel en heupen op die van een kat, haar staart op die van een ram en haar poten op die van een kameel. (Deze informatie is overgeleverd door geleerden zoals ath-Thaʿlabī en al-Māwardī en anderen geleerden.)
7.37 Jassāsah*
Van Fāṭima bint Qays (رضي الله عنها): Het wordt vermoed dat de in de Qurʾān genoemde Dābbah mogelijk de Jassāsah is. (*: Jassāsah betekent “iemand die spioneert / informatie verzamelt”. Volgens een mening is de reden dat dit dier op het eiland deze naam kreeg, omdat het voor de Dajjāl informatie verzamelde.)
De ḥadīth is overgeleverd door Muslim, en at-Tirmiḏī en Abū Dāwūd hebben deze ook in verkorte vorm vermeld. Echter, de hier overgeleverde ḥadīth is afkomstig uit Muslim.
In de ḥadīth staat onder andere:
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Weten jullie waarom ik jullie heb verzameld?” De ṣaḥāba (رضي الله عنهم) antwoordden: “Allāh en Zijn Rasûl weten het het beste.” Hij zei: “Bij Allāh, ik heb jullie niet verzameld om jullie ergens toe aan te sporen of ergens van af te houden. Ik heb jullie verzameld omdat Tamīm ad-Dārī vroeger een christen was, maar hij kwam, legde de eed van trouw af en werd moslim. Hij vertelde mij iets dat overeenkomt met wat ik jullie zal vertellen over de Dajjāl.”
Hij (Tamīm ad-Dārī) vertelde dat hij samen met ongeveer dertig mannen van de stammen Lahm en Judhām op een zeereis was. Zij werden op zee overvallen door een storm en grote golven, waardoor zij ongeveer een maand lang werden voortgedreven. Uiteindelijk bereikten zij bij zonsondergang een eiland en gingen aan land. Daar troffen zij een zeer groot en harig wezen aan, waarvan vooren achterkant niet te onderscheiden waren. (Muslim, 2942; Abū Dāwūd, 4325; at-Tirmiḏī, 2253)
Tirmidhī zegt: “Enkele mensen uit Palistina (Filasṭīn) vertrokken met een schip voor een zeereis. Op zee werden zij overvallen door een storm. Uiteindelijk wierp de storm en de golven hen op een van de eilanden in de zee. Toen zagen zij daar een zeer behaard wezen van top tot teen.
Zij vroegen hem: ‘Wie ben jij?’
Hij zei: ‘Ik ben de Jassāsah.”
Tirmidhī vervolgt de ḥadīth op deze manier.
Laten we nu teruggaan naar de overlevering in Muslim: “Toen de mensen van het schip aan land gingen, zeiden zij tegen dat wezen: ‘Wee jou! Wie ben jij?’ Hij zei: ‘Ik ben de Jassāsah.’ - ‘Wat is de Jassāsah?’ - ‘O gemeenschap! Ga naar die monnik in de kerk; hij wacht gretig op nieuws over jullie.’ Toen hij ons naar deze persoon verwees, begonnen wij te vrezen dat hij een vrouwelijke shayṭān kon zijn.
Wij gingen snel naar de kerk en kwamen bij de man. Wat zagen wij? Een zeer grote, robuuste man die vastgeketend was met ijzeren boeien; zijn handen tot aan zijn nek en zijn benen tot aan zijn enkels stevig vastgemaakt.”
De overlevering in at-Tirmiḏī vermeldt: “Hij was stevig geketend.”
Abū Dāwūd zegt: “Wij zagen een man met loshangend haar, vastgeketend met ijzeren kettingen, springend tussen hemel en aarde.
Wij zeiden: ‘Wee jou! Wie ben jij?’
Hij zei: “Nu jullie mij eindelijk hebben gezien en mijn toestand hebben begrepen, vertel mij: wie zijn jullie?”- “Wij zijn een groep Arabieren die op zeereis waren. Wij werden een maand lang door de golven heen en weer geslingerd, totdat de zee ons hierheen wierp. Toen zagen wij een zeer behaard wezen waarvan vooren achterkant niet te onderscheiden waren”. - “Wie ben jij?” - “Ik ben de Jassāsah.” - “Wat is de Jassāsah?” - “Ga naar de man in het klooster; hij wacht op nieuws over jullie.” Daarom zijn wij snel naar jou gekomen. Wij waren bang en dachten dat zij een vrouwelijke shayṭān kon zijn.”
De bewoner van het klooster zei tegen hen: “Vertel mij over een plaats die Nahl Baysan wordt genoemd.” Volgens de uitleg van at-Tirmiḏī is dit een gebied tussen Jordanië en Palistina.
Wij vroegen hem: “Wat wil je weten over Nahl Baysan?” - “Ik vraag naar de dadelpalmen daar; zijn ze nog vruchtbaar?” - “Ja.” - “Binnen korte tijd zullen ze echter niet meer vruchtbaar zijn.”
- “Vertel mij over het Meer van Ṭabariyyah (het Meer van Tiberias).” - “Wat wil je erover weten?” - “Is er nog water in? Ik vraag of het water nog steeds aanwezig is.” - “Ja, er is nog steeds veel water.” - “Maar binnenkort zal het water verdwijnen.”
- “Vertel mij over de bron van ʿAynu Zughar (waterbron). Is daar nog water?” - “Wat bedoel je?” - “Is er nog water in die bron? Irrigeren de mensen hun velden daar nog mee?” - “Ja, het water is overvloedig en de mensen irrigeren hun velden ermee.”
- “Vertel mij over an-Nabī,( صلى الله عليه وسلم). Wat doet hij?” - “Hij is uit Makkah vertrokken en heeft zich in Yathrib (Madīnah) gevestigd.” - “Hebben de Arabieren tegen hem gevochten?” - “Ja.” - “Wat heeft hij met hen gedaan?” - “Hij heeft hen overwonnen, samen met degenen die hem steunden en hem gehoorzaamden.” - “Dan is ook dat gebeurd.”
- “Jullie vragen je nu af wie ik ben. Ik zal het jullie vertellen. Ik ben de Masīḥ ad-Dajjāl. Binnen korte tijd zal mij toestemming worden gegeven om te verschijnen. Ik zal over de aarde reizen en geen enkel gebied onaangeroerd laten binnen veertig dagen. Alleen Makkah en Madīnah zal ik niet kunnen binnengaan; mij is de toegang tot deze twee steden verboden. Telkens wanneer ik probeer een van deze steden binnen te gaan, zal mij een engel met een zwaard tegemoet treden en mij tegenhouden. Op alle ingangen en uitgangen van deze steden staan engelen die ze bewaken.”
De overleveraar Fāṭima bint Qays (رضي الله عنها) zei: Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) sloeg met zijn staf op de mimbar, wijzend naar Madīnah, en zei: “Dit is Ṭaybah.” Daarna zei Rasulullah (صلى الله عليه وسلم): “Heb ik jullie dit niet verteld?” - “Jawel.” - “De vertelling van Tamīm ad-Dārī heeft mij verheugd, omdat het overeenkomt met wat ik jullie eerder heb verteld over Madīnah en Makkah. Weet: de Dajjāl bevindt zich in de zee van Shām of in de zee van Jemen. Nee, hij komt vanuit het oosten.” En hij wees met zijn hand naar het oosten.
Fāṭima bint Qays zei: “Ik heb deze ḥadīth van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) onthouden.”
(Muslim, 2942; Abū Dāwūd, 4352; at-Tirmiḏī, 2253. De formulering hier is afkomstig uit Muslim)
Ibn Mājah heeft de ḥadīth van Fāṭimah bint Qays (رضي الله عنها) ook overgeleverd.
Zij zei dat Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم) op een dag na het verrichten van de ṣalāh op de mimbar ging staan.
Normaal gesproken ging Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم) alleen op vrijdag op de mimbar, en niet op andere dagen. Dat hij op een niet-vrijdag op de mimbar ging staan, zorgde voor bezorgdheid onder de aanwezigen. Sommigen vroegen zich af of er iets aan de hand was. Een deel van de mensen bleef zitten, terwijl een deel opstond.
Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم) maakte met zijn hand een teken dat zij moesten gaan zitten en zei: “Bij Allāh, de reden dat ik nu op deze mimbar sta is niet om jullie tot een goede daad aan te sporen, noch om jullie ergens bang voor te maken, noch om iets wat jullie baat bij kunnen hebben.
Maar Tamīm ad-Dārī kwam naar mij en bracht mij een bericht dat mij zo blij maakte en mijn ogen verhelderde dat het mij van de middagrust (qaylūlah) afhield. Ik wilde dit nieuws van jullie Nabī aan jullie doorgeven.
Let op: de neef van Tamīm ad-Dārī vertelde mij dat zij door een storm op zee werden gedwongen hun schip te verlaten en aan te meren op een onbekend eiland. Zij gingen aan land met reddingsboten en zagen daar een wezen dat volledig bedekt was met haren als doornen.
Zij vroegen hem: ‘Wie ben jij?’
- ‘Ik ben de Jassāsah.’
- ‘Vertel ons iets over jezelf.’
- ‘Ik kan jullie niets vertellen of vragen beantwoorden. Ga naar dat klooster; daar is een man die verlangend jullie wil spreken, te vragen en antwoorden te krijgen.’
Zij gingen meteen naar hem toe. Toen zij naar binnen gingen en bij hem kwamen, zagen zij daar een oude man die stevig vastgebonden was. De man was door zijn toestand zeer bedroefd en klaagde veel over de situatie waarin hij verkeerde.
De man vroeg aan degenen die bij hem kwamen: “Waar komen jullie vandaan?”
Zij zeiden: ‘Uit Shām.’
- ‘Wat doen de Arabieren?’
- ‘Wij zijn zelf Arabieren. Wat wil je weten?’
- ‘Wat heeft die man onder jullie gedaan, an-Nabī?’
- ‘Hij is gekomen met goedheid. Allāh heeft hem de overwinning gegeven over de Arabieren. Vandaag zijn zij verenigd; hun God is één en hun godsdienst is één.’
- ‘Wat is er met de bron van Zughar gebeurd?’
- ‘Zij is nog steeds overvloedig en de mensen irrigeren ermee.’
- ‘Wat is er met de dadelplantages tussen ʿAmmān en Baysan?’ - ‘Zij brengen elk jaar overvloedige oogst voort.’ Hij vroeg: ‘Wat is er met het Meer van Ṭabariyya?’ - ‘Het heeft nog steeds veel water en het water overstroomt de omgeving.’
Toen haalde hij drie keer diep adem en zei: ‘Als ik ooit van deze ketenen word bevrijd, zal ik over de aarde gaan en geen enkel gebied onbetreden laten met mijn twee voeten. Alleen Ṭaybah (Madīnah) zal ik niet kunnen binnengaan, want dat is mij onmogelijk.’
Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op dat punt eindigde mijn vreugde. Dit is Ṭaybah, dit is Madīnah. Bij Allāh, in Madīnah is geen enkele doorgang, smalle of brede weg, waar geen engelen staan met getrokken zwaarden tot aan Yawmu’l Qiyāmah.”( Ibn Mājah, 4074. Al-Qurṭubī zegt dat dit een ṣaḥīḥ ḥadīth is. Muslim, Abū Dāwūd en at-Tirmiḏī, evenals anderen, hebben deze ḥadīth ook overgeleverd.)
Er wordt gezegd dat de Dābbah waarover gesproken wordt, het kalf is van de kameel van Ṣāliḥ (عليه السلام). Toen de kameel door het volk van Ṣāliḥ werd gedood, vluchtte haar kalf om zich te redden. Vervolgens opende zich een rots, en het kalf ging daarin naar binnen, waarna de rots zich weer sloot. Tot op heden bevindt dat kalf zich nog in die rots. Wanneer de tijd komt, zal het met de toestemming van Allāh tevoorschijn komen.
Ik zeg: de ḥadīth die eerder is overgeleverd van Ḥudhayfa (رضي الله عنه) wijst hier ook op. Want het woord dat gebruikt wordt in de betekenis van het maken van een geluid zoals een kameel, duidt op het geluid van een kameel, en dit ondersteunt deze opvatting. En Allāh weet het het beste.
UitlegSommige islamitische geleerden hebben, op basis van de ḥadīth over de Jassāsah en soortgelijke overleveringen, deze ḥadīth als bewijs gebruikt dat Ibn Ṣayyād niet de Dajjāl is.
Echter, de meest correcte mening, op basis van de eerder genoemde bewijzen, is dat de Dajjāl wél Ibn Ṣayyād is. Dat hij zich in die periode op een dergelijk eiland bevond, hoeft geen verre mogelijkheid te zijn. Op een ander moment kan hij zich onder de ṣaḥābah hebben bevonden. Deze toestand kan zo zijn gebleven totdat hij verdween tijdens de gebeurtenis van al-Ḥarrah.
Met betrekking tot de overlevering over de Jassāsa, Abū Dāwūd overlevert van Abū Salama b. ʿAbd ar-Raḥmān, hij zei: “Jābir heeft getuigd dat hij (de Dajjāl) Ibn Ṣayyād is.” Ik (Walīd b. ʿAbdullāh) zei: “Maar hij kan toch gestorven zijn?” - “Zelfs als hij gestorven is, verandert dat niets.”
- “Hij is moslim geworden.”
- “Wat verandert dat, zelfs als hij moslim is geworden?”
- “Hij is ook Madīnah binnengegaan.”
- “Wat maakt dat uit, zelfs als hij daar is binnengegaan?” (Abū Dāwūd, 4328. De ḥadīth is zwak (ḍaʿīf) qua overleveringsketen (isnād).
Sayf b. ʿUmar vermeldt in zijn boek ‘al-Futūḥ wa’r-Ridda’ het volgende: “Toen Abū Sabrah de stad Sūs (Shūsh), een oude nederzetting in Perzië, wilde veroveren, trok hij erheen en belegerden de stad. In die tijd werden de vooraanstaande mannen van de regio bestuurd door Shahrbān, de broer van Hurmuzān. Al deze gebeurtenissen waren initiatieven van de moslims tegen Sus bevolking. Op een dag kwamen hier priesters en monniken bijeen en richtten zich tot de Arabieren als volgt: ‘O Arabische gemeenschap! Onze vroegere geleerden en leiders hebben gezegd dat de stad Sūs niet veroverd zal worden behalve door de Dajjāl, of door een leger waarin de Dajjāl aanwezig is. Als de Dajjāl onder jullie is, zullen jullie deze stad veroveren. Als hij niet onder jullie is, zullen jullie haar niet kunnen innemen, zelfs niet door belegering.’”
Volgens de overleveraar bevond Ibn Ṣayyād zich die dag in de rijen van het leger, samen met Nuʿmān.
Ibn Ṣayyād ging in woede naar de poort van de stad Sūs en schopte ertegen met zijn voet. Vervolgens ging de poort open, de kettingen werden verbroken en de sluitingen vielen uiteen. Zo werden alle poorten geopend en konden de moslims de stad binnengaan.
Met betrekking tot dit alles zei Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه): “Bij Allāh, ik ken hem zeker, ik weet waar hij geboren is en waar hij zich nu bevindt.” En Allāh weet het het beste.
Baysan en Zughar zijn twee gebieden in Shām, tussen Jordanië en Palistina. Volgens Ḥāfiẓ Abū al-Khaṭṭāb adh-Ḍaḥḥāk was Baysan een grote nederzetting en een stad waar een grote markt werd gehouden. Er zou daar ook een waterbron zijn geweest, die “ʿAyn Fulus” werd genoemd, waarvan zij hun waterbehoefte vervulden.
Het Meer van Ṭabariyyah was een zeer groot meer. Het zou een lengte van ongeveer tien mijl hebben gehad en een breedte van ongeveer zes mijl, en lag in de richting van het genoemde stadskasteel. Dit meer was zeer diep; er voeren schepen op en er werd ook gevist. Het water was bovendien zoet.
Tussen het Meer van Ṭabariyya en Bayt al-Maqdis zou een afstand van ongeveer 100 mijl liggen. Het zou een gebied zijn dat tot Jordanië behoort. De ḥadīth van Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم): “Die zee is ofwel de zee van Syrië (Shām), ofwel de zee van Jemen” Het is een overlevering met enige twijfel van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Het kan zijn dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bewust een zekere dubbelzinnigheid liet voor de toehoorders. Maar daarna laat hij die twijfelachtige uitdrukking los en spreekt hij met een duidelijke en stellige bewoording: “Nee, het is geen van beide zeeën. De Dajjāl zal juist vanuit het oosten verschijnen.” Hij benadrukte dit met aanvullende woorden die deze betekenis versterken. En Allāh weet het het beste.
7.38 Opkomst van de zon uit het westen en het sluiten van de poort van berouw (tawbah)
Over de vraag hoe lang mensen nog op aarde zullen blijven na deze gebeurtenissen
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه), Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Er zijn drie tekenen: wanneer deze zich voordoen, zal het geloof (īmān) van iemand die daarvoor niet heeft geloofd geen enkel nut meer hebben als hij daarna alsnog gaat geloven, en hij zal daar geen enkel goed uit verkrijgen. Dat zijn: het opkomen van de zon uit het westen, de verschijning van de Dajjāl en het verschijnen van het wezen dat Dābbah wordt genoemd”. (Muslim, 158; at-Tirmiḏī, 3072; Aḥmad b. Ḥanbal, 9460)
Van Ṣafwān b. ʿAssāl al-Murādī (رضي الله عنه):“Ik hoorde Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: ‘Waarlijk, in het westen bevindt zich de poort van tawbah, op een afstand van ongeveer zeventig jaar reizen. Deze poort zal niet gesloten worden totdat de zon uit het westen opkomt.” (at-Tirmidhī, 3535-3536; ad-Dāraqutnī, 15)
Sufyān zei: “Het bevindt zich in het gebied Shām. Allāh heeft de poort van tawbah geopend sinds de dag dat Hij de hemelen en de aarde schiep, en deze zal open blijven tot de zon uit het westen opkomt.” (at-Tirmidhī heeft deze toevoegingen vermeld na het overleveren van de bovenstaande ḥadīth.) At-Tirmidhī heeft deze ḥadīth als ḥasan beoordeeld.
Er is ook een langere overlevering van Abū Hurayra (رضي الله عنه) die door de mufassir Abū Isḥāq ath-Thaʿlabī en anderen in hun tafsīr hebben opgenomen. De betekenis ervan is:
“Wanneer zonden op aarde toenemen, zal de zon worden opgesloten. In die tijd zullen goede daden verdwijnen en zal er niemand meer overblijven die het goede (al-maʿrūf) gebiedt en het verwerpelijke (al-munkar) verbiedt. Het zal overal verspreid zijn. Niemand zal zelfs maar een nacht lang zijn taak van verbieden en gebieden uitvoeren.
Wanneer de zon zich voor haar Rab neerbuigt (sajdah) en toestemming vraagt om te mogen opkomen, zal haar geen antwoord worden gegeven. Vervolgens zal ook de maan komen en beiden zullen zich neerbuigen. Zij zullen toestemming vragen over waar zij moeten opkomen, maar opnieuw zal er geen antwoord komen.
Zo zullen er drie nachten verstrijken; de maan zal twee nachten wachten en de zon drie nachten.”
Maar hoe lang deze nacht zal duren, dat zullen alleen degenen weten en beseffen die opstaan voor de ṣalāh at-tahajjud. Anderen zullen zich daarvan niet bewust zijn.
In die tijd zal het aantal moslims dat nog op aarde, in de islamitische landen, leeft uiterst gering zijn.
Wanneer vervolgens een periode van drie nachten voorbij is, zal Allāhu Ta`ālā Jibrīl (عليه السلام) naar de zon en de maan sturen en zeggen: “Mijn Rab, die vrij is van elke tekortkoming, beveelt jullie beiden om naar het westen terug te keren en daarvandaan op te komen. Vanaf nu zal er voor jullie bij Ons geen licht meer zijn.”
Daarop zullen beiden vanuit het westen opkomen, verduisterd. De zon zal geen licht meer hebben en de maan zal niet meer verlichten. Zoals hun toestand was bij hun ondergang, zo zal die ook zijn bij hun opkomst. Dit is de werkelijkheid waarnaar wordt verwezen in de āyah:
وَجُمِعَ ٱلشَّمۡسُ وَٱلۡقَمَرُ ٩ En de zon en de maan samen zullen komen. (Qiyāmah, 75:9) en:
إِذَا ٱلشَّمۡسُ كُوِّرَتۡ ١ Wanneer de zon wordt omhuld. (Takwīr, 81:1).
Vervolgens zullen zij stijgen tot de hoogte van twee kamelen en twee merries. Wanneer de zon en de maan het midden van de hemel bereiken, zal Jibrīl (عليه السلام) opnieuw naar hen komen. Hij grijpt hen bij hun ‘hoorns’ en brengt hen naar het westen terug. Zij zullen niet ondergaan op hun gebruikelijke plaats van ondergang, maar hun ondergang zal dit keer plaatsvinden bij de poort van tawbah.
Daarna zullen de beide vleugels van de poort van tawbah worden gesloten en volledig op elkaar aansluiten, alsof er nooit een opening tussen was geweest. Wanneer de poort van tawbah op deze manier gesloten is, zal geen enkele tawbah van een dienaar nog worden aanvaard en zal geen enkele goede daad hem nog baten.
Wie vóór dit moment in een staat van goedheid verkeerde, zal daarin blijven voortgaan.
En dit wordt ook aangeduid door de uitspraak van Allāhu Ta`ālā: هَلۡ يَنظُرُونَ إِلَّآ أَن تَأۡتِيَهُمُ ٱلۡمَلَٰٓئِكَةُ أَوۡ يَأۡتِيَ رَبُّكَ أَوۡ يَأۡتِيَ بَعۡضُ ءَايَٰتِ رَبِّكَۗ يَوۡمَ يَأۡتِي بَعۡضُ ءَايَٰتِ رَبِّكَ لَا يَنفَعُ نَفۡسًا إِيمَٰنُهَا لَمۡ تَكُنۡ ءَامَنَتۡ مِن قَبۡلُ أَوۡ كَسَبَتۡ فِيٓ إِيمَٰنِهَا خَيۡرٗاۗ قُلِ ٱنتَظِرُوٓاْ إِنَّا مُنتَظِرُونَ ١٥٨
Wachten zij dan op iets anders dan dat de Engelen tot hen zullen komen, of dat jullie Heer zal komen, of dat een aantal van de Tekenen van jullie Heer zal komen. De dag dat er wat Tekenen van jullie Heer zullen verschijnen, zal het geloof van iemand niet baten wanneer hij daarvόόr niet geloofde of niets goeds verrichte toen hij geloofde. Zeg (O Mohammed): “Wacht jullie! Wij wachten (ook).” (An`ām, 6:158)
Na deze gebeurtenis zullen de zon en de maan weer terugkeren naar hun eerdere toestand. Zij zullen weer normaal vanuit het oosten opkomen en in het westen ondergaan.” (ath-Thaʿlabī, ʿArāʾis al-Majālis, p. 18–24; Ibn Jarīr, Tārīkh, 1/47–52; Abū ash-Shaykh, al-ʿAẓamah, p. 163; Ibn ʿAsākir, Tārīkh, 52/433; al-Qurṭubī, Tafsīr, 7/146)
Volgens wat al-Miyānshī overlevert, van ʿAbdullāh b. ʿUmar (رضي الله عنهما), an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Na het opkomen van de zon uit het westen zullen de mensen nog honderdtwintig jaar op aarde leven.”(Ibn Abī Shaybah, al-Muṣannaf, 37600; Nuʿaym b. Ḥammād, 1849 en 1979)
De geleerden zeiden: “De īmān van een persoon zal hem niet baten wanneer de zon opkomt vanuit het westen, omdat de schrik hun harten zodanig heeft bereikt dat elke begeerte van de nafs verstijft, en de krachten van het lichaam tot stilstand komen. Daardoor worden alle mensen, vanwege hun overtuiging dat het Uur nabij is, in een toestand zijn zoals die van iemand bij wie de dood is ingetreden.
Wie in zo’n toestand berouw (tawbah) toont, van hem wordt zijn tawbah niet geaccepteerd, net zoals de tawbah van degene bij wie de dood is gekomen niet wordt geaccepteerd.”
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voorwaar, Allāh accepteert de tawbah van de dienaar zolang hij niet de doodsreutel bereikt.” (at-Tirmidie, 3536; Ibn Hibbān, 2/394)
En de rûḥ bereikt de keel vanuit zijn hals; dat is het moment van de aanschouwing (al-muʿāyanah): wanneer hij zijn plaats in het Paradijs of zijn plaats in de Hel ziet.
Het aanschouwen van de opkomst van de zon vanuit het westen is hiermee vergelijkbaar. Op basis hiervan behoort de tawbah van iedereen die dat meemaakt, of zich in een toestand bevindt als iemand die het aanschouwt, verworpen te worden zolang hij het daadwerkelijk ziet. Want zijn kennis van Allāh تعالى, van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en van Zijn beloften is dan noodzakelijk (dwingend en onontkoombaar) geworden.
Als het leven op aarde nog lang voortduurt totdat de mensen deze gebeurtenis vergeten en er nog slechts weinig over wordt gesproken, waardoor de overlevering erover niet langer wijd verspreid is en het tawātur -karakter van de hadith verdwijnt, dan zal de Islām van degene die zich in die tijd overgeeft aan Allah of tawbah verricht, worden aanvaard. En Allāh weet het het beste.
Er is gezegd: “De wijsheid achter het opkomen van de zon vanuit het westen is dat Ibrāhīm (عليه السلام) tegen Namrûd zei:قَالَ إِبۡرَٰهِـۧمُ فَإِنَّ ٱللَّهَ يَأۡتِي بِٱلشَّمۡسِ مِنَ ٱلۡمَشۡرِقِ فَأۡتِ بِهَا مِنَ ٱلۡمَغۡرِبِ…Ibrahim zei: “Waarlijk! Allāh laat de zon in het Oosten opkomen, laat u hem dan van het Westen opkomen...” (Baqarah, 2:258)
“En de atheïsten en astrologen ontkennen dit allen en zeggen dat het nooit zal gebeuren. Allāhu Ta`ala zal haar echter op een dag vanuit het westen laten opkomen om de ontkenners Zijn macht te tonen, namelijk dat de zon onder Zijn heerschappij staat: als Hij wil laat Hij haar uit het oosten opkomen, en als Hij wil laat Hij haar uit het westen opkomen.
Op basis hiervan is het mogelijk dat de afwijzing van tawbah en īmān alleen geldt voor degenen die dit ontkennen en de overlevering van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hierover loochenen. Wat betreft degenen die het bevestigen en geloven, hun tawbah wordt geaccepteerd en hun īmān zal hen baten vóór dat moment. En Allāh weet het het beste.”
Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), hij zei: “Geen enkele kāfir zal zijn daden of tawbah geaccepteerd krijgen wanneer hij de zon ziet opkomen (uit het westen), behalve degene die jong was en daarna als mu’min stierf.
Die blijft als mu’min bestaan, en degene die al mu’min was sinds zijn begin en daarna zonde verrichtte en tawbah deed, van hem wordt het geaccepteerd.”
Van ʿImrān ibn Ḥuṣayn (رضي الله عنه), hij zei: “De tawbah wordt niet geaccepteerd wanneer de zon opkomt (vanuit het westen) totdat zij weer normaal in haar baan staat, en veel mensen zullen zich in die toestand bevinden. Wie in die tijd Islām aanneemt of tawbah verricht en daarna sterft, van hem wordt zijn tawbah niet geaccepteerd. Maar wie daarna tawbah verricht, van hem wordt die wel geaccepteerd.” Dit werd vermeld door Abū al-Layth as-Samarqandī in zijn tafsīr.
Er zijn verschillende overleveringen over wat de eerste van de tekenen is:
Er is overgeleverd dat het opkomen van de zon vanuit haar ondergang (het westen) het eerste teken is, zoals vermeld in de ḥadīth van Sahih Muslim in dit hoofdstuk.
En er is ook gezegd: het eerste is de verschijning van de Dajjāl, en deze mening is sterker en juister van de twee meningen.
Want an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voorwaar, de Dajjāl zal onvermijdelijk onder jullie verschijnen…”
Als de zon al vóór dat moment vanuit haar ondergang (het westen) zou zijn opgekomen, dan zou het geloof van de joden hen niet meer baten.
Tijdens de periode van ʿĪsā (عليه السلام): als het hun geen voordeel had gebracht, dan zouden degenen onder hen die de Islām aannamen, niet als één gemeenschap verenigd zijn geraakt door hun bekering.
Eerder is dit al toegelicht, waarbij is vermeld dat de eerste van de tekenen de verduisteringen (al-khusūfāt) zijn. Wanneer ʿĪsā (عليه السلام) neerdaalt en de Dajjāl doodt, zal hij op bedevaart naar Makkah (Ḥaj) gaan. Nadat hij zijn Ḥaj heeft voltooid, gaat hij verder om an-Nabī Muhammad (صلى الله عليه وسلم) te bezoeken. Zodra hij het graf van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bereikt, zendt Allāh op dat moment een ambergeurende wind. Deze neemt de rûḥ van ʿĪsā (عليه السلام) en van de mu’mins die bij hem zijn.
Daarna overlijdt ʿĪsā en wordt hij begraven naast an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in zijn Rawḍah.
Vervolgens blijven de mensen in verwarring achter, alsof zij bedwelmd zijn. Het grootste deel van de mensen van de Islām keert terug naar kufr en dwaling, en de kāfirs krijgen de overhand over wat er van de Islām (moslims) resteert. Op dat moment zal de zon opkomen vanuit het westen. Daarna zal de Qur’ān uit de harten van de mensen en uit de muṣḥafs opgeheven worden.Daarna zal de Abessinië (al Habashah) naar het Huis van Allāh (Ka`bah) komen, dat steen voor steen afbreken, waarna de stenen in de zee werpen. Vervolgens verschijnt de Dābbat al-Arḍ (Wezen uit de Aarde) en spreekt tot hen. Daarna komt er rook die de ruimte tussen de hemel en de aarde vult. De mu’min wordt hierdoor getroffen alsof hij een lichte verkoudheid heeft, terwijl het bij de kāfir en de zondaar via hun neus binnendringt, hun gehoorgangen doorboort en hun ademhaling benauwt.Daarna zendt Allāh een wind uit het zuiden, vanuit de richting van Yemen; haar aanraking is zacht als zijde en haar geur is als musk. Deze neemt de rûḥ van iedere mu’min en mu’minah. Vervolgens blijven de slechtste mensen achter, waarbij mannen geen genoeg krijgen van vrouwen en vrouwen geen genoeg krijgen van mannen. Daarna zendt Allāh opnieuw een wind die hen grijpt en in de zee werpt.Op deze manier hebben sommige geleerden de volgorde van de tekenen uiteengezet.
Hierover bestaan echter enkele verschillen van mening, waar eerder al naar is verwezen. En Allāh weet het het beste.
Er is gezegd: wanneer Allāh het einde van de wereld wil laten aanbreken, haar nacht wil voltooien en het blazen in de Bazuin (Sûr) nabij is, zal er een vuur uit de diepten van ʿAdn verschijnen dat de mensen naar de Verzamelplein (al-Maḥshar) zal voortdrijven.
De verzamelplaats omvat de Ḥashr van de djinn en de mens, evenals de huisdieren, wilde dieren, roofdieren, vogels, insecten, kruipende dieren en alle schepselen van de aarde die een rûḥ bezitten.
De mensen zullen dan staan op hun markten, bezig met kopen en verkopen, wanneer plots een enorme schok uit de hemel hen treft. Hierdoor zal de helft van de schepping neervallen en sterven van die schok, en zij zullen drie dagen lang niet opstaan. De andere helft zal verbluft en verdoofd blijven, staand op hun voeten, zoals Allāh تعالى zegt:مَا يَنظُرُونَ إِلَّا صَيۡحَةٗ وَٰحِدَةٗ تَأۡخُذُهُمۡ وَهُمۡ يَخِصِّمُونَ ٤٩
Zij wachten slechts op een plotselinge straf die hen zal overkomen terwijl zij nog aan het redetwisten zijn. (Yā-Sīn: 36:49)
Vervolgens zal er een tweede schreeuw komen, nog heviger dan de eerste, waardoor de resterenden snel worden weggenomen. Er zal niemand op aarde overblijven zonder dat hij sterft, zoals onze Rab zegt:وَنُفِخَ فِي ٱلصُّورِ فَصَعِقَ مَن فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَمَن فِي ٱلۡأَرۡضِ إِلَّا مَن شَآءَ ٱللَّهُۖ ثُمَّ نُفِخَ فِيهِ أُخۡرَىٰ فَإِذَا هُمۡ قِيَامٞ يَنظُرُونَ ٦٨
En er zal op de bazuin geblazen worden, waarop alles wat in de hemelen en op aarde is zal bezwijken, behalve (voor) wie Allāh wil (dat deze blijft leven). Dan zal er een tweede maal geblazen worden en dan zullen zij staan en wachten. (Zumar, 39:68)
Zo blijft de wereld achter zonder mensen, djinn of shayṭān. Alles wat op aarde leeft zal sterven, zowel de vliegenden, de wilde dieren, de veeen trekdieren en alles wat een rûḥ bezit. Dit is de vastgestelde tijd die tussen Allāh سبحانه وتعالى en Iblīs de vervloekte was bepaald.
7.39 Wat er is overgeleverd over de verwoesting van de aarde en de landen vóór Shām, en de duur van het voortbestaan van Madīnah; haar verwoesting vóór de Dag der Opstanding, of dat dit een teken is van het verdwijnen van de wereld, en vergelijkbare zaken, en dat zij tot de eerste behoort die verwoest zullen worden.
Van Ḥudhayfah ibn al-Yamān (رضي الله عنه), an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “De verwoesting zal beginnen aan de randen van de aarde, totdat Miṣr (Egypte) en de steden van Miṣr veilig blijven voor verwoesting, totdat al-Baṣrah wordt verwoest, en de verwoesting van al-Baṣrah zal afkomstig zijn uit ʿIrāq, en de verwoesting van Miṣr zal zijn door het opdrogen van de Nijl.De verwoesting van Makkah zal komen door Habashah (Ethiopië / Abessinië (Oost-Afrika) een soort ziekte/plaag), de verwoesting van Madīnah door honger, de verwoesting van Jemen door sprinkhanen, de verwoesting van Aylah (een oude havenstad aan de noordpunt van de Rode Zee) door belegering, de verwoesting van Perzië door woestijnzwervers/bandieten, de verwoesting van de Turken door de Dailamieten, de verwoesting van de Dailamieten door de Armeniërs, de verwoesting van de Armeniërs door de Chazaren, de verwoesting van de Chazaren door de Turken, de verwoesting van de Turken door krachtige inslagen van donder en bliksem (as-sawā’iq), de verwoesting van Sind door India, de verwoesting van India door China, de verwoesting van China door Rome, de verwoesting van Abessinië door een aardbeving, de verwoesting van az-Zawrā’ (Baghdad) door de Sufyānī, de verwoesting van ar-Rawḥā’ (karafaanplaats op de weg tussen Makkah en Madīnah) door verzakking in de aarde (khasf), en de verwoesting van Irak door droogte (hongersnood).”
Dit is overgeleverd door Abū al-Faraj Ibn al-Jawzī (moge Allāh hem barmhartig zijn).
En ik heb gehoord dat de vernietiging van al-Andalusie zal plaatsvinden door een stervende, onvruchtbare wind. En Allāh weet het het beste.
Abū Nuʿaym vermeldde … van Nauf al-Bikālī hij zei: ‘De wereld werd vergeleken met een vogel; wanneer haar twee vleugels worden afgesneden, valt zij. En de twee vleugels van de aarde zijn Egypte en Baṣrah; wanneer deze verdwijnen, verdwijnt de wereld.’
Abū Zayd ʿUmar ibn Shabbah zei: … Van ʿAwf ibn Mālik (رضي الله عنه), an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Bij Allāh, o mensen van Madīnah, jullie zullen haar zeker verlaten vóór de Dag der Opstanding, gedurende veertig (jaar).’
Kaʿb zei: ‘De aarde zal veertig jaar vóór het Uur verwoest worden. Donder en bliksem zullen zich naar Syrië terugtrekken, zodat er geen donder of bliksem meer zal zijn behalve tussen al-ʿArīsh (noorden van de Sinaï-woestijn in Egypte) en al-Farazāt (een gebied of streek in de Levant).’
Van ʿAlī (رضي الله عنه), van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), Allāh تعالى zei:‘Wanneer Ik de wereld wil verwoesten, begin Ik met Mijn Huis (de Kaʿbah), neem Ik het eruit, en daarna verwoest Ik de wereld achtereenvolgens.’
Het is reeds eerder vermeld dat degene die dit zal aankondigen de persoon met de dunne beentjes is, zoals hiervoor is uiteengezet. En Allāh weet het het beste.”
7.40 Het Uur zal niet plaatsvinden totdat er op aarde niet meer wordt gezegd: “Allāh, Allāh”
Van Anas (رضي الله عنه), Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het Uur zal niet plaatsvinden totdat er op aarde niet meer wordt gezegd: “Allāh, Allāh.”En in een andere overlevering: “Het Uur zal niet plaatsvinden over iemand die zegt: ‘Allāh, Allāh.”
Onze geleerden (رَحِمَهُم اللهُ) zeiden: (het woord “Allāh”).Wanneer men het met raf‘ (verheffing: Allāh is onderwerp) leest, is de betekenis een verklaring: het verdwijnen van at-tawḥīd.En wanneer men het met naṣb (verbuiging: Allāh is lijdendvoorwerp) leest, is de betekenis: het ophouden van het bevel van het goede en het verbieden van het kwade; dat wil zeggen: het Uur zal niet plaatsvinden zolang er iemand is die zegt: “Vrees Allāh.”
De shaykh zei, (over) an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): En de juistheid van deze uitleg wordt ondersteund door zijn uitspraak in de ḥadīth van Ḥudhayfah (رضي الله عنه): “Het is reeds eerder vermeld dat degene die hierover zal berichten Dhu as-Suwayqatayn (het tweebenige wezen) is, zoals eerder is uiteengezet.
En daarin staat: “Zij zijn slechter dan ezels; zij paren met elkaar zoals dieren paren, en onder hen is er geen man die zegt: ‘Stop!”
Er is ook gezegd dat deze Naam (Allāh) door Allāh op de tongen van de gemeenschappen is gelegd sinds (de tijd van) Ādam (عليه السلام). Hij heeft geen enkele gemeenschap gelaten zonder dat deze Naam op hun tongen circuleerde, vanaf de tijd van hun vader (Ādam) tot aan het einde van de wereld.
Zo zeiden het volk van Nūḥ (عليه السلام):“فَقَالَ ٱلۡمَلَؤُاْ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ مِن قَوۡمِهِۦ مَا هَٰذَآ إِلَّا بَشَرٞ مِّثۡلُكُمۡ يُرِيدُ أَن يَتَفَضَّلَ عَلَيۡكُمۡ وَلَوۡ شَآءَ ٱللَّهُ لَأَنزَلَ مَلَٰٓئِكَةٗ مَّا سَمِعۡنَا بِهَٰذَا فِيٓ ءَابَآئِنَا ٱلۡأَوَّلِينَ ٢٤
Maar de stamhoofden van degenen die onder zijn volk ongelovig waren, zeiden: “Hij is niet meer dan een mens zoals jullie, hij probeert zichzelf boven jullie te stellen.
Als Allāh het gewild had, dan had Hij beslist Engelen neergezonden; nog nooit hebben wij zoiets gehoord van de voorvaders. (Mu’minūn: 23:24)
En het volk van Hūd (عليه السلام) zei:قَالُوٓاْ أَجِئۡتَنَا لِنَعۡبُدَ ٱللَّهَ وَحۡدَهُۥ وَنَذَرَ مَا كَانَ يَعۡبُدُ ءَابَآؤُنَا فَأۡتِنَا بِمَا تَعِدُنَآ إِن كُنتَ مِنَ ٱلصَّٰدِقِينَ ٧٠
Zij zeiden: “Jij bent tot ons gekomen, zodat wij alleen Allāh zouden aanbidden en zouden verzaken wat onze voorouders aanbaden? Breng ons datgene waarmee je ons bedreigd hebt, als je waarachtig bent.” (A‘rāf: 7:70)
En zij zeiden:إِنۡ هُوَ إِلَّا رَجُلٌ ٱفۡتَرَىٰ عَلَى ٱللَّهِ كَذِبٗا وَمَا نَحۡنُ لَهُۥ بِمُؤۡمِنِينَ ٣٨
Hij is slechts een man die een leugen over Allāh bedacht heeft, maar wij zullen hem niet geloven.” (Mu’minūn: 23:38)
وَلَئِن سَأَلۡتَهُم مَّنۡ خَلَقَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضَ وَسَخَّرَ ٱلشَّمۡسَ وَٱلۡقَمَرَ لَيَقُولُنَّ ٱللَّهُۖ فَأَنَّىٰ يُؤۡفَكُونَ ٦١
Als jij hen zou vragen: “Wie heeft de hemelen en de aarde geschapen en de zon en de maan geschapen,” dan zullen zij zeker antwoorden: “Allāh.” Hoe kunnen zij dan afwijken? (Ankabût, 29:61)
Wanneer Allāh het verdwijnen van de wereld wil, zal Hij de arwāh van de mu’mins nemen en deze Naam van de tongen van de ontkenners wegnemen. Vervolgens zal de duidelijke overtreding hen plotseling overvallen. Dit is de betekenis van zijn uitspraak van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Het Uur zal niet plaatsvinden zolang er op aarde iemand is die zegt: ‘Allāh, Allāh.”
En in een overlevering staat: “Voorwaar, Allāh zegt niet tegen Isrāfīl (عليه السلام): “Wanneer je (het bevel) hoort, blaas dan.”Maar hij zegt: “Lā ilāha illā Allāh,” en stel het blazen (op de Bazuin) veertig jaar uit als eerbetoon aan degenen die dit zeggen. En Allāh weet het het beste.
7.41 Op wie zal het Uur plaatsvinden?
Sahih Muslim overlevert via ‘Abd ar-Raḥmān ibn Shimāsah al-Mihrī dat hij zei:“Ik was bij Maslamah ibn Mukhallad, en bij hem was ‘Abdullāh ibn ‘Amr ibn al-‘Āṣ (رضي الله عنهما). ‘Abdullāh zei: “Het Uur zal slechts plaatsvinden over de slechtste mensen. Zij zijn slechter dan de mensen van de jāhiliyyah; zij roepen Allāh niet aan met iets, behalve dat Hij het tegen hen keert (niet verhoort”).Terwijl zij zich in die toestand bevonden, kwam ‘Uqbah ibn ‘Āmir. Ibn Shimāsah zei tegen hem: “O ‘Uqbah, luister naar wat ‘Abdullāh zegt”.Daarop zei ‘Uqbah: “Hij heeft meer kennis. En wat mij betreft: ik hoorde Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Er zal altijd een groep uit mijn ummah blijven die strijdt voor de zaak van Allāh, overwinnend over hun vijand. Wie hen tegenwerkt zal hen niet schaden, totdat het Uur tot hen komt terwijl zij zich in die toestand bevinden”.
Toen zei ‘Abdullāh: Inderdaad. Vervolgens zal Allāh een wind sturen, met een geur als die van musk, en haar aanraking zal zijn als zijde. Zij zal geen ziel overlaten in wiens hart ook maar het gewicht van een mosterdzaad aan īmān is, behalve dat zij hem wegneemt. Daarna zullen de slechtste mensen overblijven, en over hen zal het Uur plaatsvinden.”
En in de overlevering van ‘Abdullāh ibn Mas‘ūd (رضي الله عنه): “Het Uur zal slechts plaatsvinden over de slechtste mensen: zij die het goede niet aanbevelen en van het kwaad weerhouden. Zij zullen zich te buiten gaan zoals ezels (zich te buiten gaan in wellust).
Al-Aṣba‘ī zei: Zijn uitspraak “yatahārajûn” betekent: zij bedrijven openlijk ontucht. Er wordt gezegd: die-en-die bracht de nacht door in ontucht. Het woord harj betekent in andere contexten: chaos en doden (bloedvergieten).
Ook heeft Sahih Muslim overgeleverd van ʿĀ’ishah (رضي الله عنها) dat zij zei: ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “De nachten en de dagen zullen niet voorbijgaan totdat al-Lāt en al-ʿUzzā weer worden aanbeden.”Toen zei ik: “O Rasûlullāh, ik dacht dat toen Allāhu Ta`ālā openbaarde:هُوَ ٱلَّذِيٓ أَرۡسَلَ رَسُولَهُۥ بِٱلۡهُدَىٰ وَدِينِ ٱلۡحَقِّ لِيُظۡهِرَهُۥ عَلَى ٱلدِّينِ كُلِّهِۦ وَلَوۡ كَرِهَ ٱلۡمُشۡرِكُونَ ٣٣
Hij is het Die Zijn Boodschapper gestuurd heeft met Leiding en om de godsdienst van de waarheid over alle andere godsdiensten superieur te maken, zelfs als de polytheïsten het haten. (Tawbah: 9:33), dat dit volledig vervuld zou zijn.”Hij zei: “Er zal daarvan gebeuren wat Allāh wil. Vervolgens zal Allāh een zachte wind sturen, en die zal iedereen laten sterven in wiens hart ook maar het gewicht van een mosterdzaad aan īmān zit. Daarna zullen alleen degenen overblijven in wie geen enkel goed meer is, en zij zullen terugkeren naar de religie van hun voorvaderen.”
Abū al-Ḥasan Ibn Baṭṭāl vermeldde deze ḥadīth in zijn uitleg van Sahih al-al-Bukhārī, waarin hij de ḥadīth van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) toelichtte. Hij zei: ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Het Uur zal niet plaatsvinden totdat de billen van de vrouwen van Daws zullen schudden rond Dhū al-Khalasah,” de ḥadīth is reeds eerder vermeld.
Hij zei verder: De betekenis van deze overleveringen en wat daarin is vermeld, is specifiek (niet algemeen). Het is niet bedoeld dat de dīn (Islām) volledig zal verdwijnen overal op aarde, zodat er niets van overblijft.
Want het is authentiek vastgesteld van an-Nabī(صلى الله عليه وسلم) dat de Islām zal blijven bestaan tot de Dag der Opstanding, maar dat hij zal verzwakken en weer vreemd zal worden zoals het (de Islām) begonnen is.
En Ḥammād ibn Salamah overlevert … van ʿImrān ibn Ḥuṣayn (رضي الله عنه), Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er zal altijd een groep uit mijn ummah blijven die vecht voor de waarheid, totdat de laatste van hen tegen de Dajjāl zal strijden.”En Muṭarrif zei: “Zij zijn de mensen van Syrië.”
Hij (Ibn Baṭṭāl) zei vervolgens: Wat hij vermeldt dat de dīn (Islām) niet zal ophouden en dat de Islām zal blijven bestaan tot de Dag der Opstanding, wordt beantwoord door de ḥadīth van ʿĀ’ishah en ʿAbdullāh ibn ʿAmr (رضي الله عنهما), evenals wat is overgeleverd in de ḥadīth van ʿImrān ibn Ḥuṣayn (رضي الله عنه).
En het is reeds eerder vermeld dat ʿĪsā (عليه السلام) de Dajjāl zal doden, dat Ya’jūj en Ma’jūj zullen verschijnen en sterven, en dat daarna ʿĪsā zal blijven leven en de Islām zal blijven bestaan, zodat er op aarde niets anders dan de aanbidding van Allāh تعالى zal zijn, zoals eerder is beschreven.
Er is ook vermeld, volgens al-Qushayrī, dat ʿĪsā ( عليه السلام) zal komen en dat de mensen van de Grot (Ahl al-Kahf) met hem zullen verschijnen. En het is reeds eerder vermeld dat zij zullen leven wanneer hij neerdaalt. Wanneer ʿĪsā ( عليه السلام) daarna sterft, zal Allāh تعالى vervolgens mannen doen verschijnen vanuit de richting van Syrië. Zij zullen de mensen grijpen en Allāh zal dan de rûḥ van elke mu’min en elke moslim wegnemen. Daarna zullen de slechtste mensen overblijven, die zich gedragen als dieren, zoals eerder is vermeld.
En in de ḥadīth van ʿAbdullāh ibn ʿAmr (رضي الله عنهما) staat: “Vervolgens zal Allāh een koude wind sturen vanuit de richting van Syrië, en niemand op aarde zal overblijven in wiens hart ook maar het gewicht van een atoom aan goedheid of īmān is, of die zal zij nemen. Zelfs als iemand zich in het midden van een berg zou bevinden, zou zij hem bereiken en zijn rûḥ nemen.”Hij zei: Ik heb dit gehoord van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), en hij noemde de ḥadīth.
Daarin wordt gesproken over nut, het wegvallen van leven en de opstanding. Dit is een duidelijke uiteenzetting van hoe deze schepping en deze tijden zullen eindigen.
Het Uur zal niet plaatsvinden terwijl er op aarde iemand is die Allāh kent of die zegt: “Allāh, Allāh,” zoals eerder is vermeld.
Abū Nuʿaym vermeldde via Abū adh-Dhāhiriyyah van Kaʿb al-Aḥbār dat hij zei: “De mensen zullen na het verschijnen van Ya’jūj en Ma’jūj nog tien jaren leven in voorspoed, overvloed en rust. Zelfs zozeer dat twee mannen één granaatappel zullen dragen, en zij samen de trossen druiven zullen dragen. Zo zullen zij tien jaar lang verblijven in die toestand. Vervolgens zal Allāh een zachte wind sturen die geen enkele mu’min zal achterlaten zonder zijn rûḥ te nemen. Daarna zullen de mensen overblijven en zich gedragen als ezels in de weiden, totdat het bevel van Allāh en het Uur hen overvalt terwijl zij zich in die toestand bevinden.”
Wij vragen Allāh de Rab van de Troon, dat Hij ons laat sterven als moslims, ons laat aansluiten bij de martelaren en de rechtvaardigen, en ons maakt tot Zijn godvrezende en succesvolle dienaren, en dat Hij ons zuiver voor Zijn edele Aangezicht opschrijft uit Zijn gunst en vrijgevigheid. En dat Hij ons, onze ouders en alle moslims daarvan laat profiteren. Moge Allāh degene vergeven die dit boek heeft samengesteld, evenals zijn ouders en alle moslims. Āmīn, O Rabbu’l `Alamīn.
Het boek is voltooid en onze Rab is geprezen.Voor Hem zijn edele eigenschappen, verhevenheid en vrijgevigheid.En over an-Nabī Muḥammad zijn de zegeningen,zolang de nachtegaal zingt en de takken bloeien.
De voltooiing van de kopie vond plaats in het midden van de gezegende maand Ramaḍān, in het jaar 772 Hijrah, door de hand van de minste dienaren van Allāh en degene die het meest behoefte heeft aan Zijn verborgen goedheid: al-Ḥasan ibn ʿAlī ibn Manṣūr ibn Nāṣir al-Ḥasanī. Moge Allāh hem, zijn ouders en alle moslims vergeven. Moge Allāh zegeningen en vrede sturen over onze sayyidinā Muḥammad, zijn familie en zijn metgezellen, met overvloedige vrede.Allāh is voldoende voor ons, en Hij is de beste Beschermer.
APPENDIX 1: DE DOOD
De waarheid van de doodDe mens, bestaande uit lichaam en ziel (rûh). In wezen bestaat een mens door zijn rûh en niet slechts door zijn lichaam. Terwijl het lot van het lichaam, dat uit aarde is geschapen, opnieuw de aarde is, is de rûh, waardoor de mens zijn menselijkheid verwerft, met het kenmerk van eeuwigheid geschapen. Allāh Ta’ala heeft de mens, vanwege zijn rûh, de engelen doen neerknielen, alles op aarde en in het Paradijs aan hem onderworpen, hem tot de heer van het universum en Zijn plaatsvervanger op aarde gemaakt. (al-Baqarah 2/30) Om deze reden is de beëindiging van het menselijk leven, dat met de geboorte begint, door de scheiding van lichaam en rûh, oftewel de dood, een belangrijk gebeuren. De dood is een van de realiteiten die de mens met zijn zintuigen kan waarnemen.
Ongeacht of men in een leven na de dood gelooft of niet, de enige waarheid is, waar alle mensen op aarde het over eens zijn, de dood. In de Qur’ān wordt deze waarheid aan de gehele mensheid verkondigd met de woorden:كُلُّ نَفۡسٖ ذَآئِقَةُ ٱلۡمَوۡتِۗ
Elke nafs (ziel) zal de dood proeven. (Al-i İmran 3/185.)
De aard van de doodDe dood is het einde van de beperkte levensduur van alle levende wezens, inclusief de mens. De dood vindt plaats wanneer de rûh het lichaam verlaat. Zodra de rûh, die het lichaam het leven geeft, scheidt van het lichaam, verandert het lichaam in een hoop vlees en botten. De mens die dit ziet, heeft de behoefte gevoeld om de aard van dit fenomeen te onderzoeken en heeft verschillende meningen geuit. Zoals Imam al-Ghazali het heeft opgemerkt: ”Sommigen geloven dat de dood een totale vernietiging is. Volgens hen is er na de dood geen wederopwekking (ba`th), bijeenbrengen (Hashr), uiteenzenden (naar het Paradijs of het Hellevuur) (Nashr), afrekening (Hasaab), straf (jaz’) en beloning (mukafah). De dood van een mens is vergelijkbaar met de dood van dieren en het verdorren van planten. Dit is de opvatting van degenen die niet in een goddelijke godsdienst, in Allāh of een leven na de dood geloven. Sommigen zeggen: "Wanneer een mens sterft, vergaat hij en wordt hij tot stof, tot de Dag der Opstanding is er noch straf noch beloning." Weer anderen beweren dat wanneer een mens sterft, het lichaam verdwijnt, maar de rûh blijft voortbestaan en niet sterft.
Volgens hen zijn het niet de lichamen, maar de arwaah (mv van rûh) die beloning of bestraffing ondergaan; de lichamen worden na de dood niet opnieuw tot leven gebracht.
Volgens de Qur’ān en de ahadieth betekent de dood geen vernietiging, maar slechts een verandering van toestand. Nadat de rûh het lichaam heeft verlaten, eindigt zijn controle over het lichaam. Eigenlijk zijn de organen slechts werktuigen van de rûh zolang deze in het lichaam verblijven. De rûh voelt met de hand, hoort met het oor en ziet met het oog. Alle kenmerken die tot de rûh behoren, blijven bestaan nadat deze het lichaam heeft verlaten.
Het begrip van de aard van de dood hangt grotendeels samen met het begrijpen van de aard van de rûh. Wij oordelen dat iemand is overleden wanneer zijn hart stopt met kloppen en de cellen in zijn weefsels hun energie hebben verbruikt, waardoor het lichaam afkoelt. Maar uit de Qur’ān en ahadieth leren we dat de rûh niet verdwijnt met het beëindigen van het lichamelijke leven, maar slechts verhuist van de ene wereld naar een andere wereld.
Allāh Ta’ala heeft verkondigd dat elke nafs (ziel) de dood zal proeven. (zie Al-i İmran, 3/185) Het proeven van de dood door de ziel, namelijk de rûh, betekent het verlaten van het lichaam. Om iets te kunnen proeven, moet men levend en bewust zijn. Als de rûh samen met het lichaam zou sterven, hoe zou het dan de dood van het lichaam kunnen proeven? In de Qur’ān wordt bevestigd dat het scheiden van de rûh van het lichaam niet als haar dood wordt beschouwd. Dit blijkt uit de verzen waarin staat dat martelaren niet als doden beschouwd mogen worden, maar juist genieten van de gunsten van Allāh.( zie Al-i İmran 3/169-171.)
وَلَا تَحۡسَبَنَّ ٱلَّذِينَ قُتِلُواْ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ أَمۡوَٰتَۢاۚ بَلۡ أَحۡيَآءٌ عِندَ رَبِّهِمۡ يُرۡزَقُونَ ١٦٩
Denk maar niet dat degenen die om het leven kwamen op de Weg van Allāh (omwille van hun godsdienst), daadwerkelijk zijn gestorven. Zeker niet! Hun (arwaah: zielen) zijn springlevend bij hun Heer en zij worden voorzien (van hemelse vruchten) Al-i İmran 3/169)
Als martelaren levend zijn, dan zijn zeker ook de profeten, die in rang nog hoger staan dan de martelaren, levend, omdat zij spiritueel nog verhevener zijn.
Daarom is de dood geen vernietiging, maar een overgang van deze beperkte wereld naar een ruimere wereld. Voor de gelovige (mu’min) betekent de dood ook een hereniging met zijn geliefden.
Voor een mu’min is de dood de weg om verlost te worden van de moeilijkheden van deze wereld en om herenigd te worden met zijn geliefden. De kalief `Umar ibn Abdulaziz zei in een van zijn preken:
"Zonder twijfel zijn jullie geschapen voor de eeuwigheid, en met de dood worden jullie slechts overgebracht van de ene wereld naar de andere."
Over de dood staan er vele verzen in de Qur’ān, waarvan er twee als volgt luiden:
قُلۡ إِنَّ ٱلۡمَوۡتَ ٱلَّذِي تَفِرُّونَ مِنۡهُ فَإِنَّهُۥ مُلَٰقِيكُمۡۖ ثُمَّ تُرَدُّونَ إِلَىٰ عَٰلِمِ ٱلۡغَيۡبِ وَٱلشَّهَٰدَةِ فَيُنَبِّئُكُم بِمَا كُنتُمۡ تَعۡمَلُونَ ٨
Zeg: “Waarlijk, de dood waarvoor jullie vluchten zal jullie zeker ontmoeten, daarna worden jullie tot (Allāh) gestuurd, de Alwetende van het onzichtbare en het zichtbare, en Hij zal jullie dan vertellen wat jullie plachten te doen.”( al-Jum`a 62/8).
أَيۡنَمَا تَكُونُواْ يُدۡرِككُّمُ ٱلۡمَوۡتُ وَلَوۡ كُنتُمۡ فِي بُرُوجٖ مُّشَيَّدَةٖۗ
“Waar jullie ook zijn, de dood zal jullie overmannen, zelfs al hebben jullie een machtig en hoog fort gebouwd!” (an-Nisa 4/78.)
Aangezien de dood onvermijdelijk is, zouden we niet moeten zoeken naar manieren om eraan te ontsnappen, maar moeten we ons bezighouden met het onderzoeken en overpeinzen van zaken die ons na de dood naar de eeuwige gelukzaligheid zullen leiden. In dit opzicht worden mensen in een hadieth (Bukhârî, Riqaaq, 42) in twee categorieën verdeeld: 1. zij die door de dood rust vinden en 2. zij door wiens dood anderen rust geeft. ad 1) Degenen die rust vinden door de dood zijn ongetwijfeld de mu’mins en de rechtschapenen. Sommigen hebben de dood vergeleken met een kuiken dat zijn eierschaal breekt. Zoals de volmaaktheid van het kuiken ligt in het breken van de schaal en het betreden van de wereld, zo ligt de volmaaktheid van de mens in het scheiden van de rûh van het lichaam.
Ad 2) Als een kuiken zich niet aan de regels van het verblijf in het ei houdt, zal deze wereld geen volmaakte plaats voor hem zijn. Op dezelfde manier, als een mens zich niet aan de geboden en verboden van Allāh houdt in deze wereld, kan hij na de dood geen geluk bereiken.
De houding van een mu’min tegenover de dood1. Het herinneren aan de dood en zich voorbereiden op de dood
Er is geen duidelijker waarheid dan de dood, die vroeg of laat iedereen zal treffen. De dood is zelfs zekerder dan het feit dat op elke dag een morgen volgt, op elke nacht een dag, en op elke zomer een winter. Als de dood slechts het einde van het bestaan zou betekenen, zou er niets meer te doen zijn. Sommige mensen proberen te ontsnappen aan de dood alsof ze wegrennen voor een leeuw, maar hoezeer ze ook proberen te vluchten, uiteindelijk zal de dood hen inhalen en zal hun angst werkelijkheid worden.
Aangezien de mens niet wil ophouden te bestaan en zijn dood niet het absolute einde betekent, maar slechts een overgang van de ene wereld naar de andere, wordt de noodzaak van voorbereiding op de dood en na de dood duidelijk.
De meest tastbare herinnering aan het leven na de dood is de dood zelf. Daarom zei an-Nabie صلى الله عليه وسلم :
Vergeet niet de vernietiger van de geneugten, namelijk de dood. (Tirmidhî, Zuhd, 31; İbn Mājah, Zuhd 31)
Rasulullah صلى الله عليه وسلم beschouwde het voorbereiden op de dood voordat deze komt als een teken van leiding (hidayah). Op een dag legde hij zijn hand op de schouder van ʿAbdullah ibn ʿUmar رضي الله عنه en gaf hem, en in zijn persoon het Hellevuur ummah, het volgende advies:
Wees in deze wereld alsof je een vreemdeling bent of een reiziger. Beschouw jezelf als een van de bewoners van het kerkhof. Maak gebruik van je gezondheid voordat je ziek wordt, en van je leven voordat je sterft! Want jij weet niet wat je morgen te wachten staat, o ʿAbdullah! (Tirmidhî, Zuhd,17)
Het is belangrijk om te vermelden dat in de Islām het herinneren aan de dood en het denken over het Hiernamaals niet wordt aanbevolen om het wereldse leven van de mu’min ondraaglijk te maken. Integendeel, deze aanbeveling is bedoeld om een evenwicht te creëren, zodat men zowel zijn wereldse als zijn eeuwige leven op een verantwoorde manier inricht. Iemand die zich goed voorbereidt op de winter, vreest de komst ervan niet, en zo vreest ook degene die goed voorbereid is op het Hiernamaals de dood niet.
Wanneer een mu’min deze wereld verlaat, beseft hij dat zijn persoonlijke "Dag des Oordeels" is aangebroken en dat de engelen hem zullen vragen wat hij vooruit heeft gestuurd, terwijl de mensen die zijn begrafenis bijwonen zullen vragen over wat hij heeft achtergelaten. In feite is het herinneren aan de dood een medicijn voor verharde harten. Het verlost degene die in overvloed en welvaart leeft van de achteloosheid en verlicht het leed van hen die in moeilijkheden verkeren.
APPENDIX 2: FIQH VAN DE BEGRAFENIS
Het wassen van een overleden moslim, het verrichten van de ṣalāh al-janāzah over hem en het zonder uitstel begraven, is een godsdienstige verplichting (farḍ kifāyah) die op alle moslims rust. Ook de voorschriften en etiquette rond het begraven van de overledene, de formele regels betreffende het graf en de begraafplaats, evenals het bezoeken van graven, nemen een belangrijke plaats in binnen de furūʿ al-fiqh*.
[*: de “takken” van de islamitische jurisprudentie. Het gaat om alle praktische regels en concrete voorschriften die voortkomen uit de islamitische wet.]
Volgens de meerderheid van de ʿulamāʾ is het makrūh om meerdere personen in één graf te begraven, terwijl sommigen het als harām beschouwen. In gevallen van noodzaak, zoals plaatsgebrek of moeilijkheid bij het graven, is het echter toegestaan om meerdere personen samen te begraven. In een lang graf kunnen de overledenen zo worden geplaatst dat het hoofd van de één bij de voeten van de ander ligt, of zij kunnen naast elkaar worden gelegd in een bredere ruimte. Daarbij wordt begonnen met het begraven van de personen vanaf de kant van de qiblah, met inachtneming van de volgorde van voorrang (faḍīlah) zoals bij het leiden van de ṣalāh, en er wordt aarde tussen hen geplaatst om te voorkomen dat zij elkaar raken. Tenzij er sprake is van uiterste noodzaak, worden mannen en vrouwen niet samen begraven. Indien dit toch gebeurt, wordt de volgorde van de rijen in de gezamenlijke ṣalāh aangehouden: eerst volwassen mannen, daarna jongens en vervolgens vrouwen. Het is toegestaan om iemand in een graf bij te zetten wanneer er behoefte is en het skelet van de eerdere overledene is vergaan. Ook is het toegestaan om op het graf een huis te bouwen of voor landbouw doeleinden te gebruiken. Indien er botresten worden aangetroffen en er plaatsgebrek is, worden deze aan de zijkant van het graf herbegraven en wordt de nieuwe overledene daarin begraven. Ook is het, behalve in geval van noodzaak, niet toegestaan dat een moslim op een begraafplaats van niet-moslims wordt begraven, noch dat een niet-moslim op een begraafplaats van moslims wordt begraven.
In overeenstemming met het advies van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) om het graf ruim en diep te maken en het goed te verzorgen, hebben fiqh-geleerden verschillende maten vastgesteld1. Volgens de Ḥanafieten dient een graf volgens de sunnah ongeveer tot de helft van de lengte van een gemiddelde persoon diep te zijn. Dieper, tot borsthoogte of zelfs tot de lengte van een man, is beter. De Shāfiʿieten beschouwen een diepte ter grootte van iemand die zijn armen omhoog strekt als passend.
De Mālikieten vinden het aanbevolen dat het graf diep genoeg is om geurverspreiding en het openkrabben door roofdieren te voorkomen, en beschouwen meer dan dat als makrūh. Volgens de Ḥanbalieten is er geen vaste maat; het is sunnah dat het graf voldoende diep en ruim wordt gegraven. De lengte van het graf moet voldoende groot zijn zodat de overledene erin past.
Nadat het graf is gegraven, wordt aan de kant van de qiblah, langs de wand, een nis (lahd) uitgegraven waarin de overledene past. Gebaseerd op de aanbeveling van Rasûlullāh2 (صلى الله عليه وسلم) hebben de geleerden aangegeven dat dit beter is dan het graven van een langwerpige kuil in het midden van het graf (shaq). Om instorting te voorkomen worden de randen van de lahd verstevigd met bijvoorbeeld leemstenen. De overledene wordt met het gezicht naar de qiblah op zijn rechterzijde gelegd. Het graf wordt vervolgens afgedekt met hout of iets dergelijks zonder dat dit het lichaam raakt. Indien de grond hard is, verdient een lahd de voorkeur; bij zachte of losse grond is een shaq geschikter.
Na de begrafenis wordt het graf verhoogd met ongeveer een handspan of iets hoger, zodat het graf herkenbaar is en niet wordt betreden. In tegenstelling tot de andere drie madhāhib vinden de meeste Shāfiʿieten dat het beter is het graf gelijk met de grond te houden. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) plaatste een grote steen bij het hoofd van het graf van ʿUthmān ibn Maẓʿūn (رضي الله عنه) en zei: “Hiermee herken ik het graf van mijn broeder en kan ik het terugvinden; en ik zal mijn familieleden naast hem begraven”³.
De meeste fuqahāʾ beschouwen het schrijven op het graf, ongeacht de aard of inhoud ervan, als makrūh beschouwd, gebaseerd op ahādīth die dit verbieden⁴. Volgens de Ḥanafieten en sommige andere geleerden is er, indien nodig, geen bezwaar tegen het schrijven op de grafsteen om te voorkomen dat het graf van de overledene verloren gaat en om ervoor te zorgen dat het met respect wordt behandeld en niet wordt betreden.
Ondanks het verbod in de hadīth is het gebruik om op grafstenen te schrijven door een praktijk op het niveau van ijmāʿ tot stand gekomen.
Al-Ḥākim an-Nīsābūrī stelt dat hoewel de overleveringen authentiek zijn, de praktijk anders is ontwikkeld en dat op de graven van alle leiders van de moslims inscripties zijn aangebracht, en dat dit een praktijk is die door de latere generaties (khalaf) van de vroege generaties (salaf) is overgenomen.Ibn ʿĀbidīn merkt op dat schrijven slechts om deze redenen toegestaan is, en dat het schrijven van verzen uit de Qur’an of ahadith, poëzie of lofuitingen voor de overledene makrūh is.
Met betrekking tot de uiterlijke vorm van graven hebben geleerden, op basis van de uitspraak van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tijdens zijn laatste ziekte: “Moge Allah de joden en christenen vervloeken; zij maakten de graven van hun anbiyā tot gebedsplaatsen”⁵, en soortgelijke aḥadīth in overweging genomen, uiteenlopende opvattingen naar voren gebracht over het bouwen van koepels, grafmonumenten en gebouwen boven de graven. Volgens de Ḥanafieten, Mālikieten en Shāfiʿieten is het harām om uit pronkzucht gebouwen, koepels of mausolea op graven te bouwen op privégrond; echter zonder die intentie is het makrūh. Het bouwen van een constructie of iets dergelijks op graven in algemene begraafplaatsen die niet onder privébezit vallen, evenals op graven op grond die door de eigenaren als begraafplaats is gewijd (waqf), is in beide gevallen harām.De Ḥanbalieten maken geen onderscheid in deze kwestie en beschouwen dit als makrūh op een niveau dat dicht bij harām ligt.
Het bouwen van een moskee op een begraafplaats of daar ṣalāh verrichten is volgens de meeste madhāhib makrūh, terwijl de Ḥanbalieten dit harām achten. Het doel van dit verbod is het beschermen van het geloof in tawḥīd, het voorkomen van pronkzucht en verspilling, en het vermijden dat mensen graven verwarren met gebedsplaatsen of de overledene verheffen tot iets bovennatuurlijks.
Ook is het niet toegestaan om graven op een kostbare en opvallende manier te bouwen met materialen zoals marmer, steen en dergelijke.
Het feit dat de lichamen van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم), Abū Bakr (رضي الله عنه) en ʿUmar (رضي الله عنه) zich in een kamer bevonden, laat zien dat de bepalingen van de ḥadīth die het bouwen van constructies en koepels boven graven verbieden niet absoluut zijn; uit de praktijk van enkele metgezellen die deze algemene regels als gebonden aan bepaalde voorwaarden en beperkingen hebben geïnterpreteerd
Hier kan de interpretatie worden gegeven dat het hier niet gaat om het schenden van het in de ḥadīth genoemde verbod, maar dat er in de beginperiode, zoals ook bij het bezoek aan graven, een strikt verbod werd ingesteld met als doel het beschermen van het geloof in tawḥīd. Toen het gevaar van afdwaling van de tawḥīd en terugkeer naar shirk geen gevaar meer was, werd vervolgens in overeenstemming met de maatschappelijke behoefte enige versoepeling toegepast.
Zo is het bekend dat sommige personen uit de generaties van de metgezellen (ṣaḥāba), de tābiʿīn en de taba`u’t-tābiʿīn koepels (bouwwerken, tenten) boven graven hebben opgericht. Bijvoorbeeld: ʿUmar liet een soort bouwwerk maken op het graf van Zaynab bint Jaḥsh, ʿĀ’ishah op dat van haar broer ʿAbd ar-Raḥmān, Muḥammad b. Ḥanafiyya op dat van Ibn ʿAbbās, en Fāṭimah, de dochter van al-Ḥusayn, liet een bouwwerk oprichten op het graf van haar echtgenoot al-Ḥasan, de zoon van haar oom al-Ḥasan. (رضي الله عنهم أجمعين)
Vervolgens wordt overgeleverd dat de constructie boven het graf van ʿAbd ar-Raḥmān later door ʿAbdullāh b. ʿUmar (رضي الله عنه) werd afgebroken. ʿAlī al-Qārī vermeldt dat het door de vooraanstaande shuyūkh en geleerden van de Salaf als toegestaan werd beschouwd om koepels en grafmonumenten te bouwen boven de graven van bekende shuyūkh en geleerden, ten behoeve van bezoek en rust van mensen.
Ook Ibn al-Humām, een van de Ḥanafitische juristen, stelt dat het maken van een dergelijke plaats om te zitten tijdens het reciteren van de Qurʾān bij het graf volgens de voorkeurige mening niet makrūh is, maar toegestaan.
Aanvankelijk verbood an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het bezoeken van graven om o bepaalde valse overtuigingen en gewoonten uit de jāhiliyyah uit te bannen. Maar na verloop van tijd, toen het geloof in tawḥīd zich in de harten had gevestigd en de gevreesde nadelen verdwenen waren, zei hij: “Ik had jullie verboden graven te bezoeken; bezoek ze nu”⁶. Hij stond toe en moedigde aan dat moslims graven bezoeken om te du`ā’ te verrichten en om vergeving te vragen voor de overledenen. Ook hijzelf bezocht tijdens de verovering van Makkah het graf van zijn moeder, weende daarbij en bracht ook de metgezellen tot huilen, en hij droeg de metgezellen op de graven te bezoeken omdat dit hen aan de dood herinnert.⁷
De meerderheid van de islamitische geleerden is, op basis van de ḥadīth waarin vermeld wordt dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) af en toe de Baqīʿ-begraafplaats bezocht en daar voor de overledenen du`ā’ te verrichtte, evenals op basis van de eerder genoemde andere aḥadīth, van mening dat het bezoeken van graven aanbevolen (mustaḥab) is.
De Ḥanafieten stellen dat dit zowel voor mannen als vrouwen geldt, terwijl de meerderheid het voor vrouwen afkeurenswaardig (makrūh) vindt. Zij hebben zich hierbij gebaseerd op de ḥadīth die de aard van een versoepeling (rukhṣah) heeft, waarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen mannen en vrouwen in deze kwestie.
Zo is het overgeleverd dat Fāṭimah elke vrijdag het graf van Ḥamza bezocht.
Ook ʿĀ’ishah, toen zij terugkeerde van een bezoek aan het graf van haar in Makkah begraven broer ʿAbd ar-Raḥmān, antwoordde op de vraag van Ibn Mulaykah: “Heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het bezoeken van graven niet verboden?” met: “Ja, hij had het verboden; maar daarna heeft hij het verbod opgeheven en het bezoek bevolen.” (رضي الله عنهم أجمعين)
Als het bezoek van vrouwen daarentegen ertoe leidt dat verdriet opnieuw wordt opgewekt en dat er wordt gehuild, geklaagd en gejammerd, waardoor gedragingen ontstaan die niet behoren tot de omgangsregels van een bezoek aan graven, dan is dit niet toegestaan. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft dit soort huilen, dat behoort tot de gebruiken van de jāhiliyyah, verboden en heeft ook van de vrouwen van wie hij de bayʿah accepteerde een belofte hierover afgenomen.
Volgens de shāfiʿitische en hanbalitische geleerden is het voor vrouwen verboden (harām) om een dergelijk soort bezoek af te leggen. Als het bezoek plaatsvindt zonder het opsommen van de goede daden van de overledene en zonder klagen of jammeren, en uitsluitend met het doel om het hiernamaals te gedenken en er lering uit te trekken, dan wordt het als makrūh beschouwd.
Daartegenover staan er onder de shāfiʿieten en mālikieten ook geleerden die het bezoeken van graven door vrouwen in principe als toegestaan (jaiz) beschouwen.
Als conclusie geldt dat wanneer het bezoek aan graven plaatsvindt met het doel de dood te gedenken en de overledene om genade te vragen, en men zich daarbij onthoudt van religieus afkeurenswaardige gedragingen, er geen bezwaar is tegen het bezoeken van graven door vrouwen.
Het bezoeken van graven kent geen vastgestelde tijd.
Wanneer de bezoeker de begrafenisplaats bereikt, geeft hij – in overeenstemming met de hierover overgeleverde hadith – de salām door te zeggen: “as-Salâmu `alaykum yâ ahla’l-qubûr” (Vrede zij met jullie, o bewoners van de graven!) of door te zeggen: “as-Salâmu `alaykum ahla’d-diyâr mina’l-mu’minîna wa’l-mu’mināt wa innā in shā’Allāh la-lāhiqūn, as’alullāha lanā wa lakum al-ʿāfiyah” (Vrede zij met jullie, o bewoners van dit land onder de mu’mins en moslims! In shā’Allāh zullen wij jullie spoedig volgen. Ik vraag Allah ons en jullie welzijn en vergeving te schenken).
Hij kan het bezoek staand of zittend verrichten, en hij richt zich daarbij naar de qiblah of naar het gezicht van de overledene om duʿā’ te verrichten. Vervolgens reciteert hij surah’s en āyāt uit de Qurʾān die hij kent. In enkele overleveringen die worden toegeschreven aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en de metgezellen, waarvan sommige als zwak worden beschouwd, wordt het reciteren van surah Yāsīn en al-Fātiha aanbevolen.
Tijdens dit alles dient men niet rondom het graf te lopen, noch de grafstenen, de drempel van het mausoleum, of de bedekking van de kist te kussen of deze over het gezicht te wrijven. Ook mag er niets van de overledene worden gevraagd; alleen Allah dient om iets te worden gevraagd.
Het versieren van graven, het aansteken van kaarsen en het binden van doeken aan mausolea of bomen is verboden, omdat dit in de loop van de tijd het geloof in tawhīd heeft ondermijnd en mensen heeft geleid naar zowel openlijke als verborgen shirk.
Het slachten van offerdieren bij graven, of het op welke manier dan ook wijden van een offer aan een mausoleum of heilige plaats, valt eveneens onder dit verbod. Het offer is een vorm van ʿibādah en mag uitsluitend voor Allah worden verricht. Gedrag dat hiervan afwijkt is, zelfs als het geen shirk zou zijn, een grote zonde.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “In de islam worden geen offers bij graven gebracht”⁹.
Vanwege de waarde die Allah aan de mens heeft gegeven onder Zijn schepselen en de eerbied die hem toekomt (al-Isrā 17/33, 70), is het noodzakelijk om graven te beschermen, schoon te houden, volgens een plan in te richten en ingestorte graven te herstellen. Ook dient men tijdens het begraven en het bezoeken van graven niet over de graven te lopen en er niet op te zitten.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft aanbevolen hier zorgvuldig mee om te gaan en heeft hierin zelf het voorbeeld gegeven.¹⁰ Tegelijkertijd dienen ook de botten die uit een graf kunnen komen, beschermd te worden en elders begraven te worden. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft tegen iemand die bij het graven van een graf de botten uit een oud graf brak en ze her en der weggooide gezegd: “Het breken van de botten van een dode is, wat zonde betreft, zoals het breken van de botten van een levende.” ¹¹. Vervolgens heeft hij bevolen dat de gebroken botten in een hoek van het graf begraven moesten worden.
Het planten van bomen en soortgelijke zaken op begraafplaatsen wordt als een sunnah beschouwd, met als doel verlichting te brengen in de straf van het graf en de begraafplaatsen een mooiere aanblik te geven.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vertelde tijdens een bezoek dat twee personen in hun graf werden gestraft: één vanwege roddel en achterklap, en de ander omdat hij zich niet zorgvuldig reinigde van urine. Vervolgens vroeg hij enkele metgezellen (رضي الله عنهم) om een verse palm-tak te brengen. Hij brak de tak in tweeën en plaatste bij elk graf een deel. Toen men hem vroeg waarom hij dit deed, zei hij: “Zolang deze takken groen blijven, hoop ik dat hun straf wordt verlicht.”¹²
Fiqhgeleerden hebben op basis van dit soort overleveringen gesteld dat bomen en gras die op begraafplaatsen groeien tasbīh verrichten, en dat zij daardoor kunnen bijdragen aan verlichting van de straf in het graf.
APPENDIX 3: LEVEN IN HET GRAF
Het woord “qabr” (graf) wordt ook gebruikt voor het leven van de barzakh dat mensen doormaken tussen de dood en de opstanding op de Dag des Oordeels. Volgens de islamitische geloofsleer zal ieder mens die sterft, ongeacht waar en in welke toestand hij zich bevindt, de fase van het graf en de barzakh-wereld doormaken. De relatie van de mens met de aarde en het graf wordt nadrukkelijk vermeld in de āyah: “Wij hebben jullie uit de aarde geschapen, daarin zullen Wij jullie doen terugkeren en daaruit zullen Wij jullie opnieuw doen voortkomen” (Ṭāhā 20/55).
Dat de mens, die uit aarde is geschapen, na zijn dood weer in de aarde wordt begraven, is een traditie die begon toen Qābīl, de zoon van Ādam (عليه السلام), zijn broer Habil begroef. Hij werd daarbij geïnspireerd door de kraai die de aarde openkrabde om hem de begrafenis van zijn broer te lerene (al-Māʾidah 5/31). Dit werd een plicht die door alle anbiyā (عليهم السلام) aan hun gemeenschappen werd opgelegd.
Allah’s gebod dat de gestorven mens in een graf wordt geplaatst en zo wordt beschermd tegen het worden van voedsel voor dieren, wordt beschouwd als een teken dat de mens een waardevol wezen is en dat hij na het aanbreken van de Qiyāmah opnieuw tot leven zal worden gewekt.
In een hadith die is overgeleverd van ʿUthmān (رضي الله عنه) wordt het graf beschreven als “de eerste van de stations van het hiernamaals” door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).¹. Volgens de index die is samengesteld door A. J. Wensinck beslaan de overleveringen hierover negen kolommen, en deze hebben over het algemeen betrekking op de ondervraging in het graf, de bestraffing en de genietingen van het graf, het verbod om begraafplaatsen tot gebedsplaatsen te maken, het bezoeken van graven en het respecteren ervan zonder er bouwwerken op te plaatsen.
In de kalām-literatuur worden doorgaans drie kwesties besproken met betrekking tot het grafleven.
De ondervraging in het graf. In de ahādīth wordt vermeld dat de mens na het begraven ondervraagd zal worden. In de hadith wordt vermeld dat de mens die in het graf wordt geplaatst, ondervraagd zal worden. Er is ook overgeleverd dat de āyah waarin Allah bekendmaakt dat Hij degenen die geloven zowel in deze wereld als in het hiernamaals standvastig zal maken in woord en daad (Ibrāhīm 14/27), is neergezonden met betrekking tot de ondervraging in het graf.² Wanneer de overledene in het graf is geplaatst en de mensen bij het graf zich beginnen terug te trekken, wordt hij ondervraagd door twee engelen genaamd Munkar en Nakīr.
Daarbij wordt hem in het bijzonder gevraagd naar zijn opvatting over de laatste an-nabī, Muḥammad (صلى الله عليه وسلم).
De mu’min verklaart dat hij hem heeft aanvaard als de dienaar en boodschapper van Allah, terwijl de kāfir antwoordt: “Ik weet het niet; ik volgde slechts de opvattingen van de mensen om mij heen.”³
De bestraffing in het graf. De bestraffing in het graf behoort tot de zaken van het ongeziene (ghayb), die niet met de zintuigen of het verstand kunnen worden vastgesteld, maar door openbaring zijn bevestigd. Er zijn āyāt die hierop wijzen en vele ahādīth die dit expliciet vermelden. Zo wordt vermeld dat Firʿawn en zijn volgelingen ’s ochtends en ’s avonds aan het vuur worden blootgesteld en op de Dag der Opstanding aan de zwaarste bestraffing worden onderworpen (al-Muʾmin 40/46), en dat het volk van Nūḥ (عليه السلام) na hun verdrinking het vuur werd binnengeleid (Nūḥ 71/25). Volgens de Ahl as-Sunnah zijn dit bewijzen voor de bestraffing in het graf. Naast dit alles worden ook de āyāt die aangeven dat de behandeling van de goeden en de slechten niet hetzelfde zal zijn, zowel in deze wereld als in het hiernamaals (al-Jāthiya 45/21-22), dat de munāfiqs tweemaal gestraft zullen worden voordat zij aan een grote bestraffing worden onderworpen (at-Tawba 9/101), en dat aan de kāfirs en munāfiqs vóór de grote bestraffing in de Hel een nabije bestraffing zal worden laten proeven (as-Sajda 32/21; at-Tūr 52/47), genoemd onder de bewijzen die wijzen op de bestraffing in het graf.
Volgens de ahādīth hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de stemmen sommige mensen die in het graf bestraft werden⁴, zocht hij toevlucht bij Allah tegen de bestraffing van het graf en droeg hij de ṣaḥābah (رضي الله عنهم) op hetzelfde te doen⁵.
Hij verrichtte de ṣalāh over de overledene en deed vervolgens duʿā tot Allah om hem te beschermen tegen de bestraffing van het graf.⁶ Hij heeft tevens bericht dat dieren de stemmen horen van degenen die gestraft worden.⁷ Daden zoals roddel (ghībah), laster (namīmah)8,(het niet reinigen na urineren), het weeklagen over de doden9, sterven met schulden10, liegen, ontucht (zinā) plegen, het consumeren vanrente (ribā) en het drinken van alcohol11 worden in de ahādīth genoemd als oorzaken van bestraffing in het graf. Ook wordt vermeld dat het graf de overledene kan samenpersen12 en dat hem zijn plaats in het Hellevuur wordt getoond, ‘s ochtends en ‘s avonds13. En dat er ook zulke vormen van bestraffing bestaan zoals deze, is eveneens overgeleverd. Er wordt aangenomen dat de bestraffing van het graf voor de kāfirs en voor de mu’mins met veel zonden zal voortduren tot aan de Qiyāmah, terwijl zij voor de mu’mins met weinig zonden tijdelijk zal zijn.
Er is verschil van mening over de vraag of de bestraffing het lichaam of de rûh betreft. De aanhangers van de Kerrāmiyya en de Sāliḥiyya hebben gesteld dat de overledene in het graf straf of genot ervaart zonder dat er sprake is van leven, en zij hebben gezegd dat leven geen voorwaarde is om straf of beloning waar te nemen.
De meerderheid van de geleerden daarentegen heeft het standpunt ingenomen dat straf of beloning niet kan worden ervaren zonder leven, maar zij hebben verschillende meningen naar voren gebracht over de aard van dit leven.
De geleerden van de Salafiyya hebben gezegd dat het niet mogelijk is om het leven in het graf exact te typeren.
Sommigen van hen stellen dat het leven in het graf alleen met het lichaam plaatsvindt, terwijl anderen zeggen dat het uitsluitend met de rûh plaatsvindt.
Ibn Ḥazm en Ibn al-Qayyim al-Jawziyya hebben betoogd dat degene die in de wereld van het graf straf of beloning zal waarnemen, uitsluitend de rûh is.
Volgens de meerderheid van Ahl al-Sunnah is de ondervraging in het graf, evenals de straf en de beloning, zowel gericht op de rûh als op het lichaam, aangezien in sommige hadith is overgeleverd dat tijdens de ondervraging de rûh in het lichaam zal worden herenigd.14
De meerderheid van de Ashʿarīen Māturīdī-geleerden heeft gesteld dat er in het lichaam van de overledene een vorm van leven zal worden geschapen waardoor hij de pijn van de bestraffing of het genot van de beloning kan voelen. Zij hebben zich daarbij terughoudend opgesteld om te zeggen dat de rûh exact in het lichaam wordt teruggebracht, en zij hebben vastgelegd dat er geen definitieve kennis bestaat over de aard van het leven in het graf.
De reden dat men geen tekenen van straf of beloning bij de overledene waarneemt, is dat de zintuigen niet de capaciteit hebben gekregen om de wereld van het graf waar te nemen.
Hoewel al-Ashʿarī vermeldt dat de Muʿtazilah de bestraffing van het graf ontkent, stelt Qāḍī ʿAbd al-Jabbār dat er, met uitzondering van Dirār b. ʿAmr die zich later bij de Jabriyyah aansloot, geen enkele Muʿtazilitische geleerde is die de bestraffing van het graf heeft ontkend.
3. De genietingen van het graf. Net zoals de bestraffing, zijn ook de genietingen van het graf bevestigd door āyāt en ahādīth. In de Qurʾān wordt vermeld dat degenen die op weg van Allah zijn gedood niet als dood beschouwd moeten worden, maar levend zijn en bij hun Rab voorzien worden van gunsten (Baqarah 2/154; Āl ʿImrān 3/169).
Volgens de soennitische geleerden moeten deze āyāt in hun werkelijke betekenis worden opgevat en kunnen zij niet op een andere manier worden geïnterpreteerd (taʾwīl).
De uitspraak in de āyah van soera al-Baqara, “jullie kunnen dit niet bevatten”, duidt erop dat het hier genoemde leven plaatsvindt in de barzakh-wereld en niet op de Dag van de Opstanding (al-maḥshar). Want op de dag van de samenkomst zullen alle mensen zich in dezelfde bestaanssfeer bevinden, waardoor het leven daar door iedereen waargenomen en begrepen zal worden.
Het feit dat in de āyāt wordt vermeld dat de martelaren (shuhadāʾ) worden voorzien van gunsten, wordt gezien als een aanwijzing dat ook andere mu’mins die in het graf geen straf ondergaan, deel zullen hebben aan zegeningen. Want ontsnappen aan straf zelf is al een vorm van gunst.
In de Qurʾān wordt in de āyāt die aangeven dat degenen die op weg van Allah zijn geëmigreerd en vervolgens in de strijd zijn gedood of op natuurlijke wijze zijn gestorven, door Allah worden voorzien van een goede voorziening en gunst, en dat zij worden gebracht naar een plaats waar zij tevreden zullen zijn, namelijk het Paradijs (Ḥajj 22/58-59), eveneens gesuggereerd dat mu’mins die niet de rang van shahīd bereiken, in het graf een goed leven zullen hebben.
Volgens de Sunni geleerden duiden deze āyāt op een werkelijk leven in de barzakh. Dat deze gunst specifiek voor martelaren wordt genoemd, wijst er ook op dat andere mu’mins die niet bestraft worden eveneens een vorm van genieting zullen ervaren, aangezien het ontkomen aan bestraffing op zichzelf al een gunst is.
Daarnaast wijzen āyāt die spreken over degenen die emigreren op de weg van Allah en vervolgens sterven, dat zij door Allah voorzien worden van een goede voorziening en een plaats die hen tevreden stelt (al-Ḥajj 22/58-59), erop dat ook andere mu’mins een goede toestand in het graf zullen hebben.
In de ahādīth wordt vermeld dat wanneer een mu’min de vragen correct beantwoordt, zijn graf verruimd en verlicht wordt, en verandert in een tuin uit de tuinen van het Paradijs. Ook wordt hem zijn plaats in het Paradijs getoond, ochtend en avond⁹.
Voetnoten:
Musnad, I, 63-64
Bukhārī, Cenāʾiz, 86; Muslim, Jannah, 73-74
Bukhārī, Cenāʾiz, 67, 86; Muslim, Jannah, 70-72
Musnad, III, 103-104; Muslim, Jannah, 67-69
Musnad, III, 296; Muslim, Jannah, 67
Muslim, Cenāʾiz, 86
Nasāʾī, Cenāʾiz, 115
Ebū Dāwūd, Sunnah, 23
Musnad, III, 3-4; Muslim, Jannah, 65-66; Tirmidhī, Cenāʾiz, 71
TDV İslâm Ansiklopedisi: HACI MEHMET GÜNAY
APPENDIX 4: TALQĪN
Telqīn betekent: Het herinneren van de kalimah at-tawḥīd aan iemand die op sterven ligt, en na de begrafenis het herinneren van de geloofsartikelen aan de overledene.
In de taalkundige betekenis duidt telqīn op “iemand iets laten herinneren, een overtuiging, gevoel of gedachte inprenten”. Als fiqh-term betekent het dat men aan iemand die op sterven ligt (muḥtaḍar) de kalimah at-tawḥīd of de kalimah ash-shahādah herinnert, en dat na de begrafenis iemand bij het hoofd van het graf luid de geloofsartikelen aan de overledene herinnert.
Daarnaast wordt in fiqh-werken de term telqīn ook gebruikt voor het sturen van iemand die een misdrijf heeft bekend naar woorden waarmee hij zijn bekentenis kan herroepen en zo de ḥad-straf kan ontlopen, of wanneer een rechter tijdens een rechtszaak partijen of getuigen richting een bepaald bewijs of formulering stuurt.
Het woord telqīn komt niet voor in de Qurʾān, maar wel in verschillende vormen in de ahādīth. De hadith die als basis dient luidt: “Draag jullie doden (stervenden) op om ‘lā ilāha illā Allāh’ te zeggen”¹. De uitdrukking “jullie doden” in deze hadith is door de meerderheid van de geleerden figuurlijk opgevat als “jullie stervenden”, in lijn met soortgelijke uitdrukkingen in de teksten (bijv. az-Zumar 39/30). Daarom wordt het als sunnah of mustaḥab beschouwd om iemand die bij bewustzijn is en nog kan spreken op zijn sterfbed de kalimah at-tawḥīd te laten uitspreken. Sommige geleerden, zoals Ibn Ḥazm, beschouwden dit als wājib vanwege de gebiedende vorm van de hadith. Het doel van telqīn is dat de stervende zijn leven beëindigt met het uitspreken van de tawḥīd-geloof. Dit wordt ondersteund door de hadith: “Wie als laatste woorden ‘lā ilāha illā Allāh’ is, zal het Paradijs binnengaan”², evenals door praktijken van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).
In de fiqh-literatuur wordt uitgelegd hoe telqīn bij een stervende dient te gebeuren. Het verdient de voorkeur dat dit gebeurt door iemand die de zieke liefheeft en respecteert, en bij voorkeur niet tot zijn erfgenamen behoort. Men moet vermijden dat de zieke zich benauwd voelt of geïrriteerd raakt, en men moet niet aandringen. In plaats van hem direct te vragen de woorden uit te spreken, reciteert men de formule zacht en hoorbaar naast hem, maximaal drie keer. Als de stervende deze eenmaal uitspreekt, stopt men met de telqīn.
Sommige geleerden hebben, uitgaande van de letterlijke betekenis (zāhir) van de betreffende hadith, aan de talqīn de woorden “Muḥammadur Rasûlullāh” toegevoegd, terwijl anderen hebben gesteld dat dit niet noodzakelijk is.
De praktijk van telqīn na de begrafenis, zoals die in veel moslimgemeenschappen, vooral in Turkije, voorkomt, verloopt als volgt: na de begrafenis gaat een rechtschapen persoon bij het hoofd van het graf staan, gericht zich naar het gezicht van de overledene. Hij roept hem drie keer bij zijn naam en die van zijn moeder (of, indien het om een onbekend gaat: “O zoon van Ḥawwāʾ `Abdullah!”). Vervolgens reciteert hij een tekst beginnend met: “Udhkur mā kunta ʿalayhi min shahādati an lā ilāha illā Allāh…” (Herinner je deze zaken (die je tijdens je leven) hebt aanvaard…). Hierin wordt de overledene herinnerd aan dat er geen godheid is behalve Allah (tawḥīd), dat Muḥammad Rasûlullāh is, dat het Paradijs en de Hel waarheid zijn, dat de opstanding en de Dag des Oordeels werkelijkheid zijn, en dat Allah degenen in de graven zal doen herrijzen. Ook wordt hem herinnerd dat hij in het wereldse leven Allah als Rab, de Islām als godsdienst, Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) als nabī, de Qurʾān als leidraad, de Kaʿbah als qiblah en de mu’mins als broeders heeft aanvaard. Daarna wordt driemaal gezegd: “Yā ʿabdallāh, qul lā ilāha illā Allāh”, gevolgd door: “Mijn Rab is Allah, mijn godsdienst is Islām, mijn nabī is Muḥammad (صلى الله عليه وسلم). O mijn Rab, laat hem niet alleen; U bent de beste der erfgenamen.”
Hoewel de overleveringen die als basis voor deze praktijk worden genoemd volgens consensus zwak zijn, heeft de discussie zich grotendeels rond deze overleveringen ontwikkeld. Het is authentiek overgeleverd dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) na een begrafenis even bij het graf bleef staan en zei: “Vraag Allah om vergeving voor jullie broeder en vraag om standvastigheid voor hem, want hij wordt nu ondervraagd”³.
Hij verrichtte ook duʿāʾ en vroeg om vergeving voor de overledenen. Er is echter geen authentieke overlevering waarin expliciet sprake is van telqīn na de begrafenis, behalve een zwakke overlevering van Abū Umāmah al-Bâhilî (رضي الله عنه), waarin een gedetailleerde vorm van telqīn wordt beschreven.
Op grond hiervan heeft Abū Umāma (رضي الله عنه) als wilsbeschikking nagelaten dat er met hem gehandeld zou worden zoals Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het aanraadde ten aanzien van de doden. Hij heeft overgeleverd dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd:
“Wanneer een van jullie broeders sterft en jullie zijn graf hebben geëgaliseerd, laat dan iemand van jullie bij zijn graf staan en zeggen: ‘O zoon van die-en-die!’ Hij zal hem zeker horen, maar niet kunnen antwoorden. Zeg daarna opnieuw: ‘O zoon van die-en-die!’ Dan zal de overledene zeggen: ‘Je hebt ons terecht gewezen, moge Allah je genadig zijn.’ Maar jullie kunnen hem niet horen. Vervolgens moet hij zeggen …”
In het vervolg van de hadith worden de details van de talqīn uiteengezet, evenals de uitspraken van de twee engelen Munkar en Nakīr met betrekking tot de overledene aan wie talqīn wordt gegeven (al-Ṭabarānī, VIII, 249-250). Er zijn echter enkele verschillen tussen de in deze overlevering beschreven vorm van talqīn en de vorm die in de praktijk bij moslimgemeenschappen wordt toegepast.
Door ḥadīthen fiqhgeleerden zijn zowel in de overleveringsketen (isnād) als in de tekst (matn) meerdere zwakheden vastgesteld in deze overlevering, en daarom is zij als zwak (ḍaʿīf) aangemerkt. Om deze reden is de geldigheid van talqīn na de begrafenis onderwerp van discussie geweest onder geleerden.
Sommige geleerden hebben gesteld dat met deze overlevering, indien zij door andere bewijzen wordt ondersteund, wel gehandeld kan worden in zaken van de voortreffelijkheden/verdiensten van de daden (faḍāʾil al-aʿmāl).
Een andere groep heeft betoogd dat met een dergelijke ḥadīth geen juridische verplichting (ḥukm at-taklīf) kan worden vastgesteld. Weer anderen hebben zich onthouden van het geven van een definitief oordeel.
De kwestie houdt rechtstreeks verband met de theologische discussies tussen Ahl al-Sunnah en de Muʿtazilah over zaken zoals of de doden de woorden van de levenden kunnen horen, of de handelingen van de levenden de dode ten goede kunnen komen, en of de bestraffing van het graf vaststaat. Veel geleerden hebben, hoewel zij de bewijzen voor de geldigheid van deze praktijk methodologisch als onvoldoende sterk beschouwden, ervoor gekozen om deze praktijk toch goed te keuren of er in elk geval geen bezwaar tegen te maken, om niet in strijd te komen met Ahl al-Sunnah.
Zo wordt in sommige Ḥanafī-werken vermeld dat talqīn de overledene geen nut oplevert, en in bepaalde bronnen zelfs als de zāhir al-riwāya-standpunt (de algemeen overgeleverde (mening) wordt weergegeven dat talqīn niet wordt verricht. Toch is de overheersende opvatting binnen de doctrine dat het niet als sunnah of makrūh wordt beschouwd, maar als mubah (toegestaan), en dat het daarom noch wordt aanbevolen noch wordt afgeraden om het te verrichten of te laten.
In deze benadering wordt in Ḥanafī-werken expliciet vermeld dat er invloed is van de tegenstelling tussen de Muʿtazilah en Ahl al-Sunnah. De benadering van de Mālikīen Ḥanbalī-geleerden ten aanzien van deze kwestie is eveneens in deze lijn. In sommige bronnen wordt echter vermeld dat Mālikī-geleerden zoals Abū Bakr Ibn al-ʿArabī, Ibn al-Ḥājj, al-Qurṭubī en al-Thaʿālibī deze praktijk als mustaḥab (aanbevolen) beschouwden. Ook wordt vermeld dat de praktijk in Madinah, Córdoba (Qurṭuba) en Marw in dezelfde richting ging.
In Ḥanbalī-bronnen is geen duidelijke uitspraak over de regelgeving van talqīn na de begrafenis overgeleverd van Aḥmad b. Ḥanbal en de andere imams.
Alleen wordt vermeld dat, toen hem deze praktijk werd voorgelegd, Aḥmad b. Ḥanbal zei dat de mensen van Shām dit begonnen toe te passen na de dood van Abū al-Mughīra, en dat hij geen dergelijke praktijk op andere plaatsen kende.
Ondanks dit hebben sommige Ḥanbalī-faqīh geleerden talqīn als mustaḥab (aanbevolen) beschouwd, terwijl anderen het als mubah (toegestaan) zagen. Ibn Taymiyyah heeft verklaard dat er consensus (ijmāʿ) bestaat dat het niet verplicht (wājib) is, en dat er daarnaast drie opvattingen bestaan, makrūh, mustaḥab en mubah, waarbij hij stelt dat de juiste opvatting de derde is, namelijk dat het toegestaan is. Hij schrijft het oordeel makrūh toe aan een groep geleerden, waaronder ook de Mālikī’s vallen.
Ibn al-Qayyim al-Jawziyyah stelt eveneens dat er geen enkele authentieke overlevering bekend is van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) met betrekking tot deze praktijk, en dat er consensus bestaat over de zwakte van de hierover overgeleverde hadith. Hij voegt daaraan toe dat deze bovendien in strijd is met andere betrouwbare bewijzen. Ondanks dat beschouwt hij de praktijk in haar essentie toch als islamitisch toegestaan.
De praktijk van talqīn na de begrafenis wordt het sterkst verdedigd door de Shāfiʿī-geleerden. Hoewel er geen expliciete uitspraak van Imām al-Shāfiʿī zelf over deze kwestie is overgeleverd, hebben een groot aantal Shāfiʿī-geleerden, waaronder al-Mutawallī, al-Ghazālī, Ibn al-Ṣalāḥ, al-Rāfiʿī, al-Nawawī en Ibn Ḥajar, gesteld dat de hadith van Abū Umāmah weliswaar zwak is, maar door andere bewijzen wordt ondersteund. Op basis daarvan hebben zij deze praktijk als mustaḥab (aanbevolen) beschouwd.
Tot de bewijzen die zij aanvoeren behoort onder andere de āyah met de betekenis: “En herinner, want de herinnering baat de mu’mins” (adh-Dhāriyāt 51/55), evenals de overlevering dat degene die in zijn graf wordt geplaatst de voetstappen hoort van zijn familie die zich van hem verwijdert.
De overleveringen waarin vermeld wordt dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zich richtte tot de bij Badr gedode mushrikūn (al-Bukhārī, “Maghāzī”, 8; Muslim, “Jannah”, 76-77) worden door sommige geleerden aangevoerd als bewijs. Daarnaast wordt een mawqūf-overlevering van Saʿīd b. Manṣūr via Damra b. Ḥabīb genoemd, waarin op een zwakke isnād wordt overgeleverd dat de metgezellen het aanbevelenswaardig vonden om na de begrafenis op het graf van de overledene op deze manier talqīn te verrichten. Ook wordt de wilsbeschikking van ʿAmr b. al-ʿĀṣ (رضي الله عنه) genoemd, waarin hij heeft opgedragen om na zijn begrafenis enige tijd bij zijn graf te blijven staan (Muslim, “Īmān”, 192). Deze geleerden beschouwen het feit dat deze praktijk vanaf de eerste eeuwen zonder bezwaar werd toegepast eveneens als een sterk bewijs voor de juistheid ervan. Sommigen van hen hebben, in het kader van het onderbouwen van de geldigheid van talqīn, gesteld dat de hadith “leer jullie doden de woorden lâ ilâhe illallāh” letterlijk betekenis moet worden opgevat. Dit standpunt is echter zelfs door de meerderheid van de Shāfiʿī-geleerden niet geaccepteerd.
Binnen de Ḥanafī’s brengt Ibn al-Humām ook argumenten naar voren en geeft hij uitleg ter ondersteuning van de opvatting dat de hadith in zijn letterlijke betekenis kan worden opgevat.
Onder de Shāfiʿī’s zijn er daarentegen geleerden zoals ʿIzz al-Dīn Ibn ʿAbd al-Salām, evenals al-Amīr al-Ṣanʿānī en al-ʿAẓīmābādī, die van mening zijn dat de praktijk van talqīn na de begrafenis geen sharʿī basis heeft en als bidʿah moet worden beschouwd.
Onder hedendaagse geleerden hebben sommige salafistisch georiënteerde geleerden zoals Nāṣir al-Dīn al-Albānī, evenals personen en groepen die tot de Wahhābī-traditie behoren, zich fel tegen deze praktijk uitgesproken en proberen zij met verschillende bewijzen aan te tonen dat het een bidʿah is.
Voetnoten:
Muslim, Cenāʾiz, 1-2
Ebū Dāwūd, Cenāʾiz, 20
Ebū Dāwūd, Cenāʾiz, 73
Bukhārī, Cenāʾiz, 68; Muslim, Jannah, 70-72
Bukhārī, Maghāzī, 8; Muslim, Jannah, 76-77
TDV İslâm Ansiklopedisi: HACI MEHMET GÜNAY
APPENDIX 5: AD-DAFN: Het begraven van de overledene als fiqh-term.
Het begraven (al-dafn) behoort tot de plichten die tegenover de overledene worden verricht en is tegelijkertijd een islamitische verplichting die de waarde weerspiegelt die de Islām aan de mens toekent. Net als de ṣalāh aljanāzah over de overledene is dit een farḍ kifāyah, wat betekent dat deze taak namens de gemeenschap door een groep of instantie moet worden uitgevoerd. In de Qurʾān wordt vermeld dat deze handeling door Allah aan de mens werd onderwezen: de zoon van Ādam (عليه السلام) wist niet wat hij met het lichaam van zijn gedode broer moest doen, totdat hij leerde van een Allag gezonden kraai die de grond openkrabde. Toen zei hij: “Wee mij! Ben ik niet eens in staat zoals deze kraai te zijn en het lichaam van mijn broer te begraven?” (al-Māʾidah 5/31). Ook in andere āyāt wordt indirect gewezen op het begraven van de doden (Ṭāhā 20/55; al-Mursalāt 77/25-26; ʿAbasa 80/21-22).
Het toevertrouwen van de overledene aan de aarde bevat vele wijsheden, zoals het beschermen van de hygiëne, de gezondheid, het bewaren van de waardigheid van de mens en het herinneren aan de dood. Het symboliseert tevens de laatste plicht van de levenden tegenover de overledene en markeert voor de overledene het begin van een nieuw bestaan. Daarom is de wijze en handelingen van het begraven uitvoerig behandeld in fiqh-werken. Hoewel de basisprincipes gelijk zijn, kunnen er door lokale gebruiken en tradities van tijd tot tijd variaties vertonen.
Het is niet juist om de uitvoering van de uitvaartdient en de begrafenis van het lichaam zonder een geldige reden uit te stellen. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft aanbevolen om de plichten ten aanzien van de overledene zonder uitstel te vervullen¹.
Het begeleiden van de begrafenisstoet naar de begraafplaats met luid dhikr, het reciteren van de Qurʾān of demonstratief gedrag wordt door de Islaam afgekeurd. Het wordt aanbevolen om dit in stilte te doen, met innerlijke dhikr, duʿāʾ en tafakkur (overpeinzing). Bij aankomst op de begraafplaats is het sunnah om te blijven staan totdat de overledene in het graf wordt geplaatst, en daarna te gaan zitten.
Het graf wordt ongeveer 100–150 cm diep gegraven, loodrecht op de richting van de qiblah. Het is aanbevolen om een nis (lahd) te maken langs de qiblah-zijde, zodat de overledene daarin kan worden geplaatst en de aarde niet direct op het lichaam valt.
Als dit door de aard van de grond niet mogelijk is, volstaat het om de overledene languit op de bodem te leggen en maatregelen te nemen tegen instorting. Het is sunnah dat de naaste mannelijke verwanten van de overledene, behalve bij vrouwen en niet-moslims, de overledene in het graf plaatsen. Indien dit niet mogelijk is, mogen anderen dit doen.
De overledene wordt in het graf gelegd met de duʿāʾ: ”بسم الله وعلى ملة رسول الله“ (Bismillāh wa ʿalā millati Rasûlullāh), en wordt op zijn rechterzijde gelegd met het gezicht naar de qiblah. Als later blijkt dat dit niet correct is gedaan, moet het worden gecorrigeerd zolang het graf nog niet volledig is gesloten. Volgens de Shāfiʿīen Ḥanbalī-geleerden moet het graf zelfs opnieuw geopend worden indien nodig. De knopen van de lijkwade worden losgemaakt, en het lichaam wordt afgedekt met hout, leemsteen, dor gras, riet of iets dergelijks zodat de aarde niet direct op de overledene valt.
Het plaatsen van voorwerpen in het graf samen met de overledene wordt als makrūh beschouwd, evenals het begraven in een kist zonder noodzaak. Dit wordt afgekeurd omdat het de natuurlijke terugkeer naar de aarde belemmert en kan leiden tot verspilling en uiterlijk vertoon. Het balsemen van het lichaam valt onder dezelfde beoordeling.
Als iemand overlijdt tijdens een zeereis en het niet mogelijk is hem naar land te brengen, mag hij op zodanige wijze aan zee worden toevertrouwd dat hij zinkt; dit geldt dan als een vorm van begraven. Toch wordt, indien mogelijk, begraven op land aangemoedigd. Het is gebruikelijk dat men de overledene begraaft op een begraafplaats en niet op de plaats van overlijden. Dit laatste wordt beschouwd als specifiek voor anbiyā (عليهم السلام). Er wordt gesteld dat de begraafplaats voor bezoekers een middel tot lering en bezinning zal zijn, en voor de overledenen aanleiding zal vormen om met goedheid en barmhartigheid te worden herdacht.
Hoewel het toegestaan is om ’s nachts de overlevende te begraven, wordt het begraven overdag aanbevolen.
In principe wordt één persoon per graf begraven, maar bij noodzaak kunnen meerdere personen met scheiding van aarde in één graf worden begraven. Een graf kan opnieuw gebruikt worden als de resten van de eerder begravene zijn vergaan. Indien er nog botten aanwezig zijn, worden deze samen met de nieuwe overledene begraven met scheiding door aarde; het verplaatsen van deze botten wordt afgekeurd. Het opgraven en verplaatsen van een lichaam na de begrafenis is slechts onder bepaalde voorwaarden toegestaan volgens sommige madhāhib.
Na het plaatsen van de overledene in het graf is het mustaḥab dat aanwezigen aarde op het graf werpen, terwijl zij zich herinneren dat de mens uit aarde is geschapen, daarin terugkeert en daaruit opnieuw zal worden opgewekt. Na de begrafenis is het aanbevolen om duʿāʾ te verrichten en uit de Qurʾān te reciteren voor de overledene.
Volgens Imām ash-Shāfiʿī dient het graf gelijk met de grond te zijn, terwijl de meerderheid van de fuqahāʾ het aanbevolen acht om het graf ongeveer een handspan te verhogen. Het is toegestaan om het graf te markeren met een steen, hout of iets dergelijks, en de naam van de overledene erop te schrijven. Ook het verzorgen van het graf en de omgeving is toegestaan, mits men gematigd blijft en verspilling en pronkzucht vermijdt. Het is essentieel om materialen en ruimte op een evenwichtige / gematigde manier te gebruiken.
Het bouwen van structuren zoals gebouwen, mausolea of koepels op graven, en het schrijven van teksten (zelfs āyāt of ahādīth) behalve de naam, wordt door veel fuqahāʾ als makrūh of zelfs harām beschouwd. Dit wordt verklaard door het belang van eenvoud, het vermijden van overdaad, en het beschermen van de tawḥīd-geloof terwijl men respect toont voor de overledenen.
TDV İslâm Ansiklopedisi: Mustafa Uzunpostalci
APPENDIX 6: DE OVERLEDENE
In het Arabisch wordt de overledene aangeduid met woorden zoals mayyit, mayt en mutawaffâ. In de islamitische rechtsleer wordt degene van wie vaststaat dat hij werkelijk gestorven is “werkelijk overleden” genoemd, terwijl iemand van wie door een rechterlijke uitspraak wordt aangenomen dat hij overleden is “juridisch overleden” wordt genoemd. Tussen deze twee vormen bestaan belangrijke juridische verschillen.
Met de dood komt een einde aan de persoonlijkheid van de overledene en daarmee aan zijn geschiktheid om nog drager te zijn van islamitische en juridische verplichtingen (ahliyah). De rechten en schulden van de overledene worden vervolgens afgewikkeld. Eerst worden uit de nalatenschap de schulden van de overledene voldaan, daarna wordt zijn eventuele testament uitgevoerd, en vervolgens wordt het resterende vermogen verdeeld onder de erfgenamen.
De achterblijvenden hebben bepaalde islamitische verplichtingen tegenover de overledene. Het wassen van de overledene, hem in een lijkwade wikkelen, de ṣalāh al-janazah over hem verrichten en hem naar het graf dragen en begraven zijn farḍ kifāyah. Het wordt aanbevolen om de begrafenis van iemand wiens overlijden vaststaat zo snel mogelijk te laten plaatsvinden¹.
Het is islamitisch afgekeurd om na de overledene te roepen met uitingen van opstand (tegen Allah) of om luid jammerend en zichzelf slaand te huilen. Huilen zonder overdrijving wordt echter niet als problematisch gezien, en de achterblijvenden wordt geduld aanbevolen.
Hoewel er verschillen bestaan in details, zijn de meeste islamitische geleerden het erover eens dat het toegestaan is om goede daden namens en voor de overledene te verrichten en de beloning daarvan aan hem of haar te schenken.
Met betrekking tot de hadith: “Reciteer sūrah Yāsīn voor jullie doden”² zijn sommige geleerden van mening dat hiermee stervenden op hun sterfbed worden bedoeld, terwijl anderen deze hadith zo begrijpen dat het ook aanbevolen is om sūrah Yāsīn na het overlijden of bij het graf te reciteren.
Volgens de islamitische geloofsleer zullen de overledenen zich in de Barzakh-wereld bevinden in gunsten of bestraffing, afhankelijk van hun godsdienst (dīn) en daden in het wereldse leven, en deze toestand zal voortduren tot de Dag der Opstanding. De āyah: “Beschouw degenen die op de weg van Allah zijn gedood niet als dood…” (Āl ʿImrān 3/169-170) en de hadith van an-Nabī waarin wordt vermeld dat de arwāh van de mu’mins zich in het Paradijs bevinden/bewegen³ behoren tot de bewijzen hiervoor.
Het feit dat het sunnah is om de overledenen bij het bezoeken van graven te begroeten, en andere relevante ahādīth4, zijn door de geleerden geïnterpreteerd als aanwijzingen dat de overledenen op de hoogte zijn van wat de levenden zeggen. De islamitische geleerden benadrukken dat respect voor de doden en hun graven een islamitische verplichting is en gebruiken hiervoor veel ahādīth als bewijs. Onder deze bewijzen vallen onder andere:
“Het breken van het bot van een dode is zoals het breken ervan terwijl hij leeft”5“Zeg geen kwetsende woorden over de doden. Zij zijn nu overgeleverd aan wat zij in de wereld hebben verricht.”6En de reactie van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) toen hij bij een begrafenisstoet opstond uit respect en men hem zei dat de overledene geen moslim was, zei hij “Was hij geen ziel?”7
Het bezoeken van graven en het verrichten van duʿāʾ voor de overledenen is sunnah. Echter moet dit respect niet leiden tot praktijken die de kern van de islamitische geloofsleer schaden. In deze kwestie dient men zich te onthouden van de wijdverbreide bidʿah en bijgelovige praktijken.
Sommige geleerden die rekening houden met de fysieke veranderingen van het lichaam na de dood beschouwen het menselijk lichaam als onrein (najis), terwijl anderen die uitgaan van de waardigheid van de mens het als zuiver beschouwen. Anderzijds nemen in de fiqh ook bepaalde bepalingen over het dode dier een plaats in; binnen dit kader heeft het begrip “maytah” een bijzondere betekenis. In de Qurʾān wordt maytah, behalve in geval van nood, verboden om te eten (al-Baqarah 2/173; al-Anʿām 6/145; an-Naḥl 16/115). Maytah wordt gedefinieerd als een dier dat normaal halāl is om te eten, maar dat zonder islamitische slachtwijze of uit zichzelf gestorven is. Voor waterdieren geldt een andere regel.
De meeste fuqahāʾ zijn het erover eens dat delen van dieren zonder bloedcirculatie zoals hoorns, nagels, haar en botten, behalve bij varkens en enkele uitzonderingen, niet als onrein worden beschouwd. De status van andere delen hangt af van factoren zoals of het dier halāl is, hoe het gestorven is en of de huid gelooid is. De vraag of water besmet raakt wanneer een dier erin sterft, hangt af van factoren zoals het type dier, de duur en hoeveelheid water. Het sterven van waterdieren en insecten in water maakt het water niet onrein.
(Abū Dāwūd, “Janāʾiz”, 38)
(Ibn Mājah, “Janāʾiz”, 4; Abū Dāwūd, “Janāʾiz”, 24)
(Muslim, “Imārah”, 121)
(al-Bukhārī, “Janāʾiz”, 68; “Maghāzī”, 8)
(Ibn Mājah, “Janāʾiz”, 63; Abū Dāwūd, “Janāʾiz”, 60)
(al-Bukhārī, “Janāʾiz”, 97)
(al-Bukhārī, “Janāʾiz”, 50; Muslim, “Janāʾiz”, 78–81)
TDV İslâm Ansiklopedisi: Salim Öğüt
APPENDIX 7: DE OVERLEDENE
In het Arabisch wordt de overledene aangeduid met woorden zoals mayyit, mayt en mutawaffâ. In de islamitische rechtsleer wordt degene van wie vaststaat dat hij werkelijk gestorven is “werkelijk overleden” genoemd, terwijl iemand van wie door een rechterlijke uitspraak wordt aangenomen dat hij overleden is “juridisch overleden” wordt genoemd. Tussen deze twee vormen bestaan belangrijke juridische verschillen.
Met de dood komt een einde aan de persoonlijkheid van de overledene en daarmee aan zijn geschiktheid om nog drager te zijn van islamitische en juridische verplichtingen (ahliyah). De rechten en schulden van de overledene worden vervolgens afgewikkeld. Eerst worden uit de nalatenschap de schulden van de overledene voldaan, daarna wordt zijn eventuele testament uitgevoerd, en vervolgens wordt het resterende vermogen verdeeld onder de erfgenamen.
De achterblijvenden hebben bepaalde islamitische verplichtingen tegenover de overledene. Het wassen van de overledene, hem in een lijkwade wikkelen, de ṣalāh al-janazah over hem verrichten en hem naar het graf dragen en begraven zijn farḍ kifāyah. Het wordt aanbevolen om de begrafenis van iemand wiens overlijden vaststaat zo snel mogelijk te laten plaatsvinden¹.
Het is islamitisch afgekeurd om na de overledene te roepen met uitingen van opstand (tegen Allah) of om luid jammerend en zichzelf slaand te huilen. Huilen zonder overdrijving wordt echter niet als problematisch gezien, en de achterblijvenden wordt geduld aanbevolen.
Hoewel er verschillen bestaan in details, zijn de meeste islamitische geleerden het erover eens dat het toegestaan is om goede daden namens en voor de overledene te verrichten en de beloning daarvan aan hem of haar te schenken.
Met betrekking tot de hadith: “Reciteer sūrah Yāsīn voor jullie doden”² zijn sommige geleerden van mening dat hiermee stervenden op hun sterfbed worden bedoeld, terwijl anderen deze hadith zo begrijpen dat het ook aanbevolen is om sūrah Yāsīn na het overlijden of bij het graf te reciteren.
Volgens de islamitische geloofsleer zullen de overledenen zich in de Barzakh-wereld bevinden in gunsten of bestraffing, afhankelijk van hun godsdienst (dīn) en daden in het wereldse leven, en deze toestand zal voortduren tot de Dag der Opstanding. De āyah: “Beschouw degenen die op de weg van Allah zijn gedood niet als dood…” (Āl ʿImrān 3/169-170) en de hadith van an-Nabī waarin wordt vermeld dat de arwāh van de mu’mins zich in het Paradijs bevinden/bewgen³ behoren tot de bewijzen hiervoor.
Het feit dat het sunnah is om de overledenen bij het bezoeken van graven te begroeten, en andere relevante ahādīth, zijn door de geleerden geïnterpreteerd als aanwijzingen dat de overledenen op de hoogte zijn van wat de levenden zeggen. De islamitische geleerden benadrukken dat respect voor de doden en hun graven een islamitische verplichting is en gebruiken hiervoor veel ahādīth als bewijs. Onder deze bewijzen vallen onder andere:
“Het breken van het bot van een dode is zoals het breken ervan terwijl hij leeft”⁴“Zeg geen kwetsende woorden over de doden. Zij zijn nu overgeleverd aan wat zij in de wereld hebben verricht.”⁵En de reactie van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) toen hij bij een begrafenisstoet opstond uit respect en men hem zei dat de overledene geen moslim was, zei hij “Was hij geen ziel?”⁶
Het bezoeken van graven en het verrichten van duʿāʾ voor de overledenen is sunnah. Echter moet dit respect niet leiden tot praktijken die de kern van de islamitische geloofsleer schaden. In deze kwestie dient men zich te onthouden van de wijdverbreide bidʿah en bijgelovige praktijken.
Sommige geleerden die rekening houden met de fysieke veranderingen van het lichaam na de dood beschouwen het menselijk lichaam als onrein (najis), terwijl anderen die uitgaan van de waardigheid van de mens het als zuiver beschouwen. Anderzijds nemen in de fiqh ook bepaalde bepalingen over het dode dier een plaats in; binnen dit kader heeft het begrip “maytah” een bijzondere betekenis. In de Qurʾān wordt maytah, behalve in geval van nood, verboden om te eten (al-Baqarah 2/173; al-Anʿām 6/145; an-Naḥl 16/115). Maytah wordt gedefinieerd als een dier dat normaal halāl is om te eten, maar dat zonder islamitische slachtwijze of uit zichzelf gestorven is. Voor waterdieren geldt een andere regel.
De meeste fuqahāʾ zijn het erover eens dat delen van dieren zonder bloedcirculatie zoals hoorns, nagels, haar en botten, behalve bij varkens en enkele uitzonderingen, niet als onrein worden beschouwd. De status van andere delen hangt af van factoren zoals of het dier halāl is, hoe het gestorven is en of de huid gelooid is. De vraag of water besmet raakt wanneer een dier erin sterft, hangt af van factoren zoals het type dier, de duur en hoeveelheid water. Het sterven van waterdieren en insecten in water maakt het water niet onrein.
TDV İslâm Ansiklopedisi: Salim Öğüt
APPENDIX 8: AL-KAFAN
De doek waarin een overledene wordt gewikkeld nadat hij is gewassen en gedroogd.Het woord is afgeleid van de stam kafn, die in de lexicale betekenis “bedekken” betekent. Het inwikkelen van de overledene wordt takfîn genoemd. Het wassen van de overledene en hem vervolgens in een schone doek, meestal wit, wikkelen en begraven, draagt wijsheden in zich zoals milieuhygiëne, gezondheid, bescherming van de menselijke waardigheid, respect voor de herinneringen van de nabestaanden en het gedenken van de dood. Daarom vormt het in vrijwel alle religies en beschavingen een belangrijk onderdeel van de begrafeniscultuur.
In de Grieks-Romeinse wereld, het vroege hindoeïsme, het jodendom en het christendom werd de overledene na het wassen in een doek gewikkeld en begraven; meestal gebruikte men een witte linnen doek, hoewel soms de overledene ook met zijn kleding werd begraven. In de pre-islamitische Arabische samenleving bestond, als voortzetting van de Semitische traditie, zowel het gebruik om de overledene in een doek te wikkelen en te begraven als het gebruik om hem in zijn kleding te begraven. Voor de kafan gebruikte men meestal wit katoenen doek uit Jemen; wanneer iemand met kleding werd begraven, koos men uit eerbied voor zijn positie vaak voor nieuwe en dure stof
In de islamitische periode werd het begraven in kleding afgeschaft en werd een eenvoudige vorm van inwikkeling ingevoerd die zowel respect voor de overledene inhoudt als verspilling en uiterlijk vertoon voorkomt. Het inwikkelen van de overledene is een farḍ al-kifāyah voor de achterblijvenden. Een eventuele tegengestelde wilsverklaring van de overledene heft deze verplichting niet op. De kafan van een man bestaat uit drie doeken: qamîs, izâr en lifâfah. De qamîs is een doek die van de hals tot de voeten reikt en de functie van een hemd heeft. De izâr is een doek die van hoofd tot voeten reikt en de functie van onderkleding/lendendoek of een omwikkelende laag heeft. De lifâfah is de buitenste wikkeldoek die het lichaam volledig omsluit en aan de uiteinden wordt vastgebonden; deze is iets langer dan de izâr. Alle drie de doeken zijn zonder mouwen, zonder kraag en zonder naden. De kafan van een vrouw bestaat uit vijf delen: deze drie doeken, aangevuld met een hoofddoek dat het gezicht bedekt en een breed borstdoek dat het gebied tussen borst en buik bedekt. Dit is de kafan volgens de sunnah (kafan-i sunnah). Wanneer dit niet mogelijk is, volstaan voor de man de izâr en lifâfah, en voor de vrouw daarnaast het hoofddoek (kafan-i kifâyah).
Indien ook dit niet mogelijk is, wordt slechts één doek gebruikt die het lichaam bedekt (kafan-i zarûrah).
Kinderen die de puberteit naderen vallen onder de regels van volwassenen; voor kinderen die deze leeftijd nog niet hebben bereikt bestaan de kafans enkel uit izâr en lifâfah. Een shahîd (martelaar) die in de strijd is gevallen, wordt met zijn kleding begraven nadat zijn wapens en uitrusting zijn verwijderd. Er bestaat ook een opvatting dat de open delen van zijn lichaam alsnog volgens de sunnah moeten worden bedekt.
Elke stof die geschikt is voor kleding is in principe toegestaan voor de kafan, maar het is aanbevolen (mendûb) dat deze van wit katoen is. In de hadith wordt benadrukt dat de kafan schoon en mooi moet zijn, met zorg moet worden voorbereid, maar zonder overdrijving (Muslim, “Janâʾiz”, 49; Abû Dâwûd, “Janâʾiz”, 34-35). Daarom wordt noch zeer goedkope noch zeer dure stof passend geacht. Voor mannen is een kafan van zijde niet toegestaan, terwijl voor vrouwen een kafan van zijde of stoffen geverfd met saffraan of saffloer meestal toegestaan of met lichte afkeur toch toegestaan wordt geacht.
Na het wassen en drogen van de overledene begint het inwikkelen. Volgens de sunnitische methode (al- Bukhârî, “Janâʾiz” 12-20, Muslim, “Janâʾiz”, 44-49; Abû Dâwûd, “Janâʾiz”, 34-35-37) worden de kafan en het lichaam met geurige middelen besprenkeld. De lifâfah wordt onderaan gelegd, daarboven de izâr. Vervolgens wordt de overledene het kafan-hemd aangetrokken en, met de handen langs de zijden geplaatst, op de izār gelegd. Bij mannen wordt de izâr eerst aan de linkerzijde en daarna aan de rechterzijde gewikkeld, gevolgd door de lifâfah op dezelfde manier. Als men vreest dat het losraakt, kan de kafan ook met een band worden vastgebonden.
Bij een vrouwelijke overledene wordt het haar in twee delen gescheiden en over het kafan-hemd op de borst gelegd. Vervolgens wordt er een hoofddoek geplaatst die ook het gezicht bedekt.
Daarna wordt de izār eromheen gewikkeld en wordt over de izār een borstdoek vastgebonden. Vervolgens wordt de lifāfah eromheen gewikkeld. De borstdoek kan ook na de lifāfah worden vastgebonden.
De kosten van de kafan komen in principe uit het bezit van de overledene. Deze kosten gaan vóór schulden, testament en erfenisverdeling. Indien iemand anders deze kosten heeft gedragen, kan hij ze uit de nalatenschap terugvorderen. Als de overledene geen vermogen heeft nagelaten, komen de kosten ten laste van degenen die verantwoordelijk waren voor de levensonderhoud van de overlevende. Indien die er niet zijn, worden de kosten gedragen door de staat of door de moslimgemeenschap. Volgens de overwegende opvatting in de Hanafi-madhhab, de sterkere mening in de Shafi‘i-madhhab en deels in de Maliki-madhhab, zijn de kafans van vrouwen, ongeacht of zij vermogen hebben nagelaten, de verantwoordelijkheid van hun echtgenoten, als voortzetting van hun onderhoudsplicht. Over de kafan van de overleden echtgenoot bestaat consensus onder de juristen dat deze niet op de echtgenote rust.
De kafan, bestaande uit eenvoudige en naadloze doeken zonder versiering, vervult enerzijds de functie van het bedekken van het lichaam, en symboliseert anderzijds dat de mens niets van deze wereld kan meenemen, naakt terugkeert zoals hij is gekomen en dat de wereld vergankelijk is. Dat het van een schone doek is, met aangename geuren wordt voorzien en dat het kafan zorgvuldig wordt uitgevoerd, is een vereiste van menselijke waardigheid en van respect voor degenen die achterblijven.
TDV İslâm Ansiklopedisi: MEHMET KESKİN
APPENDIX 9: Klageen rouwzang
Onder de Arabieren vóór de komst van de islaam waren klaagen rouwceremonies bekend. Zij gaven dit soort rituelen namen zoals niyāhah, nawhah, nadb, nudbah, rasā’, marsiyah, mātam, bukā’ en na`y. Ook bij de oude Arabieren waren er vrouwen die tegen betaling rouwklachten uitten na de dood van iemand, waarbij zij hun kleding scheurden en hun haar uittrokken. Deze vrouwen, die het rouwklagen als beroep uitoefenden en op die manier in hun levensonderhoud voorzagen, werden nâihah-nâihât genoemd.
Afhankelijk van hun handelingen tijdens het rouwklagen kregen zij verschillende benamingen:
sālikah = degene die schreeuwt
rassāʾah = degene die elegieën (marsiyah’s) voordraagt
ḥālikah = degene die haar uittrekt
shāqqah = degene die haar kleding scheurt
Deze vrouwen kwamen samen op de plaats die menāha werd genoemd, waar het rouwklagen plaatsvond. Daar zongen zij gezamenlijk melodieën waarin zij de goede eigenschappen en heldhaftige daden van de overledene bezongen. Met hun stemmen en bewegingen creëerden zij een droevige rouwsfeer die de mensen om hen heen in verdriet en pijn bracht.
Soms leidde dit tot het aanwakkeren van stammenconflicten en bloedvetes, waardoor de dood en de begrafenis een middel werden tot machtsvertoon of wraak. In deze rituelen waren ook vele elementen aanwezig die in de islaam strikt verboden zijn op het gebied van geloof en gedrag. Daarom werd het beroepsmatige klagen veroordeeld en vervloekt; in de beginperiode van de islam werd zelfs van vrouwen die zich tot de islam bekeerden een belofte afgenomen dat zij geen klaagzangen meer zouden verrichten (Abû Dâwûd, “Janâʾiz”, 25; Musnad, III, 65). Ondanks deze maatregelen bleef de praktijk van het klagen en rouwbeklag voortbestaan.
Het klagen waarbij men de goede daden en offers van de overledene één voor één opsomt terwijl men luid huilt, wordt nadb genoemd. Klagen en rouwuitingen die neerkomen op het bekritiseren van het goddelijke raadsbesluit (qadar) en het zich verzetten tegen de goddelijke beschikking (qadā’), evenals jammerklachten en geweeklaag die niet passen bij de islamitische etiquette (ādāb) en waardigheid (arkān), zijn verboden verklaard. Licht huilen zonder buitensporigheid wordt echter als toegestaan beschouwd.
Zo huilde Abû Bakr (رضي الله عنه) bij het overlijden van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) met de woorden: “O, Nabī, o mijn vriend, o mijn boezemvriend!” (al-Buhârî, “Janâʾiz”, 32; Muslim, “Janâʾiz”, 16-28). Fâtimah (رضي الله عنها) zei: “O mijn vader!” terwijl zij huilde. (Musnad, VI, 31)
Het luid schreeuwend en krijsend huilen om de doden (nawhah/niyāhah) is daarentegen streng verboden in de overleveringen, beschouwd als een gewoonte uit de tijd van de onwetendheid (jāhiliyyah), en er wordt vermeld dat het zelfs kan leiden tot straf voor de overledene (al-Buhârî, “Maghāzî”, 34, 46, 83; “Aḥkâm”, 49). Handelingen zoals het uittrekken van haar, het scheuren van kleding, het slaan op het gezicht of de borst, as over het hoofd strooien, op de knieën slaan of het vervloeken van de qadar zijn eveneens verboden. Zelfs het verzamelen in het huis van de overledene en daar voedsel bereiden voor bezoekers werd als een vorm van niyāhah beschouwd. (al-Bukhârî, “Janâʾiz”, 34)
Er zijn echter authentieke overleveringen die duidelijk maken dat verdriet en stille tranen om de overledene niet zondig zijn. an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) huilde bij het overlijden van zijn zoon Ibrāhīm en zei: “Het oog huilt, het hart is bedroefd, maar de tong zegt niets dat Allah’s tevredenheid tegenspreekt” (İbn Mâjah, “Janâʾiz”, 60; Musnad, I, 204). Volgens een andere hadith is het oog en het hart niet verantwoordelijk voor verdriet en tranen, maar wel de handelingen en de tong (al-Bukhârî, “Adab”, 18; Muslim, “Fażâʾil”, 62).
Uit verschillende ahadith over rouwklagen en huilen bij de dood blijkt dat verdriet hebben om de overledene en huilen door zijn goede eigenschappen en mooie daden te herinneren, toegestaan (mubāḥ) is, mits dit niet gepaard gaat met uitdrukkingen die wijzen op ontevredenheid over het goddelijke besluit (taqdīr) of op verzet tegen de raadsbesluit (qadar).
……………………………Dergelijke gedragingen (luid en hevig huilen om de doden) worden door de Ḥanafīen Mālikī-scholen als verboden (ḥarām) beschouwd. Al-Dhahabī en Ibn Ḥajar al-Haytamī beschouwen het luidruchtig huilen om de overledene als een van de grote zonden (kabāʾir), en zij berichten dat er zelfs geleerden zijn die dit als kufr beschouwen.
Imâm Birgivî schreef in zijn Vasiyetnâme dat men geen klaagzangen voor hem moest maken en geen rouwmaaltijden moest organiseren op de 7e of 50ste dag van zijn overlijden.
Vandaag de dag bestaan in heel Anatolië en in de gehele islamitische wereld, vooral in dorpen, nog steeds de gebruiken van rouwklachten en het uiten van klaagzangen. Echter, het rouwklagen heeft zich in de meest extreme vorm kunnen handhaven en ontwikkelen onder sjiitisch-alevitische groeperingen.
Terwijl alle sunnitische bronnen het rouwklagen hebben verboden, hebben shiitisch-alevitische geleerden dit juist aangemoedigd; in zeer zeldzame gevallen hebben zij zich niet ertegen uitgesproken en er enkel over gezwegen. Ter gelegenheid van de marteldood vanʿAlī (رضي الله عنه) organiseren de sjiieten op de achttiende, negentiende en twintigste dag van de Ramadan verschillende rouwceremonies, en ter gelegenheid van de tragedie van Karbalāʾ eveneens op 10 Muḥarram. Daarbij zingen zij klaagzangen, uiten zij hun verdriet en, met andere woorden, vernieuwen zij hun rouw.
Op deze manier beweren zij dat zij deelnemen aan het lijden en de martelingen die de imams hebben ondergaan en dat zij hun pijn delen.
Tijdens deze rouwceremonies treden rouwklagers op, die hun hoofd met messen verwonden en hun gezicht openhalen. Ze slaan hun rug en hun borst met kettingen, terwijl zij jammeren en schreeuwen. Daarnaast worden tijdens deze ceremonies poppen van de verantwoordelijken voor de tragedie van Karbalāʾverbrand.
Shiieten organiseren ook op de herdenkingsdagen van de marteldood van andere imams soortgelijke rouwceremonies. Op die manier worden deze rituelen gebruikt als een middel om de onderlinge banden binnen de shiitische gemeenschap te versterken en hun eenheid te bevestigen.
Binnen het shiisme heeft het rouwklagen bijgedragen aan de ontwikkeling van de marsiyah-literatuur en de rouwceremonies. Het rouwklagen heeft echter, zo wordt gesteld, geen ander resultaat gehad dan het voortdurend ondermijnen van de eenheid en samenhang binnen de islam.
Ook onder invloed van shiitische invloeden is het in sommige sunnitische sufi-tekke’s gebruikelijk geworden om in de maand Muḥarram ter herdenking van de jaarlijkse gebeurtenis van Karbalāʾ riten en dhikr-bijeenkomsten te organiseren. Daarbij is het een gewoonte geworden om hymnen te reciteren die deze gebeurtenis in herinnering brengen.
Wat het rouwklagen betreft, hebben de geleerden van de Muʿtazilah over het algemeen hetzelfde standpunt ingenomen als de sunnieten. Sommige soefi’s daarentegen hebben betoogd dat men niet om de overledene moet huilen; wanneer het goddelijk bevel (amr-i ḥaq) zich voltrekt, beschouwden zij het als het bereiken van de geliefde (ʿāshiq) van zijn Beminde (Maʿshūq) en de dienaar van zijn Heer (Mawlā), en zij ervoeren daar vreugde over. Zij zongen hymnen, maakten samāʿ (het spiritueel luisteren naar muziek/poëzie vaak met dhikr en beweging/dans) en richtten gastmaaltijden aan zoals bij een bruiloft.
De “shab-i ʿarūs” (bruiloftsnacht) ceremonies die in de mawlawī-dervishorden worden uitgevoerd ter herdenking van de sterfdag van Mevlânâ Jalaladdīn Rumī, en die vandaag de dag nog steeds voortleven, zijn een voorbeeld van dit soort vieringen.
Dergelijke uitingen van vreugde, het zingen van hymnen en het maken van semāʿ, in tegenstelling tot wat bij de shiieten gebeurt, worden echter als strijdig met de Islaam en de menselijke natuur beschouwd, waardoor zij zeer beperkt zijn gebleven en geen brede maatschappelijke acceptatie hebben gevonden.
TDV İslâm Ansiklopedisi: Suleyman Uludag
APPENDIX 10: TÂ`ZİYAH (Condoleance / rouwbetuiging)
Term ta`ziyah betekent: het bezoeken van iemand wiens naaste is overleden om condoleances aan te bieden en troost te geven.
Ta`ziyah betekent “iemand tot geduld aansporen”. Als term verwijst het naar het aanmoedigen van mensen die een naaste hebben verloren om geduld en standvastigheid te tonen, het aanbieden van condoleances, en het delen van hun verdriet om hen te troosten.
Hoewel het woord ta`ziyah niet in de Qur’ān voorkomt, wijzen de verzen die stellen dat de dood onvermijdelijk is voor elk levend wezen en dat iedereen uiteindelijk voor Allah zal verschijnen (Āl ‘Imrān 3:185; al-Anbiyā 21:35; al-‘Ankabūt 29:57), op de noodzaak om het leven in het licht van de dood op een juiste manier te leiden en de dood als realiteit te aanvaarden. In de verzen 2:154–156 van surah al-Baqarah wordt vermeld dat Allah de mens beproeft met allerlei verliezen, waaronder de dood. Degenen die dit met geduld en standvastigheid dragen, worden beloond met Allah’s genade en leiding. Deze verzen worden vaak gereciteerd tijdens condoleances vanwege hun verband met de dood.
Ook de verzen die benadrukken dat alles in deze wereld vergankelijk is en dat alleen Allah blijvend is (ar-Rahmān 55:26–27) worden gezien als een algemene vorm van troost en hebben de basis gevormd voor veel traditionele condoleance-uitdrukkingen.
In enkele ahadith komt het concept ta`ziyah expliciet voor. Volgens ʿAbdullah ibn Masʿūd (رضي الله عنه) zei Rasulullah (صلى الله عليه وسلم): “Wie een rouwende bezoekt om hem te troosten, zal dezelfde beloning krijgen als de getroffen persoon” (Ibn Mājah, “Janâʾiz”, 56; Tirmidhī, “Janâʾiz”, 71). Dat deze hadith in de bronnen met name in verband met de overledene wordt behandeld, wijst erop dat met het woord “beproeving” (muṣībah) in de hadith de dood wordt bedoeld. In een andere hadith wordt vermeld dat Allah degene die zijn mu’min broeder condoleert (taʿziyah) vanwege het verlies dat hij heeft geleden, op de Dag der Opstanding zal bekleden met een kledingstuk van zodanige schoonheid dat iedereen hem zal benijden.
In sommige ahadith zijn voorbeelden van taʿziyah van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) overgeleverd. Zo troostte hij zijn dochter Zaynab (رضي الله عنها), die groot verdriet had omdat haar zoon op sterven lag, met de woorden: “Het is Allah Die geeft en Die neemt; bij Hem heeft alles een vastgestelde tijd.” (Bukhārī, “Janāʾiz”, 33; Muslim, “Janāʾiz”, 11).
Het blijkt dat deze uitdrukkingen in latere perioden als voorbeeld hebben gediend voor de condoleancewoorden (taʿziyah) die onder moslims gangbaar werden. Ook de bewoordingen in een brief die Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) – volgens de overlevering – schreef aan Muʿādh ibn Jabal (رضي الله عنه) bij het overlijden van diens kind, gelden volgens al-Qalqashandī als een van de meest betekenisvolle voorbeelden van taʿziyah.
In de brief wordt vermeld dat onze zielen, onze bezittingen en onze familieleden zoete gunsten (niʿam) zijn die Allah ons heeft geschonken, en dat zij toevertrouwde zaken zijn die Hij slechts voor een bepaalde tijd bij ons heeft gelaten. Er wordt uitgelegd dat, zoals Allah Zijn dienaar verheugt door hem een kind te schenken, Hij hem ook zal belonen wanneer Hij het terugneemt. In dergelijke situaties dient men geduld (ṣabr) te tonen om de barmhartigheid (rahmah), vergeving (maghfirah) en leiding (hidāyah) van Allah te verkrijgen, en dat jammeren en klagen degene die is heengegaan niet zal terugbrengen.
Islamitische geleerden hebben op basis van dergelijke overleveringen vastgelegd dat taʿziyah (condoleren) zowel voor mannen als voor vrouwen een sunnah of aanbevolen handeling (mustahab) is.
Met een beroep op de hadith waarin wordt vermeld dat het voor een vrouw niet toegestaan is om langer dan drie dagen te rouwen om een familielid anders dan haar echtgenoot (Musnad, VI, 37, 249, 286; Bukhārī, “Janāʾiz”, 31; Abū Dāwūd, “Ṭalāq”, 43), heeft men gesteld dat de periode van taʿziyah drie dagen bedraagt. Sommige geleerden hebben echter geoordeeld dat het onjuist is om taʿziyah tot een vaste termijn te beperken.
Volgens de algemene opvatting is het passend dat taʿziyah na de begrafenis plaatsvindt en in het huis van de nabestaanden van de overledene wordt gehouden; in de praktijk heeft de gewoonte zich ook in deze richting ontwikkeld. Het uiten van condoleances in de moskee wordt als makrūh (afkeurenswaardig) beschouwd.
Met het oog op het feit dat er veel mensen kunnen komen om hun condoleances te betuigen, wordt aangeraden om niet te lang op de plaats van taʿziyah te blijven.
Toen Jaʿfar ibn Abī Ṭālib (رضي الله عنه) shahīd werd, zei Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen de mensen om hem heen dat de familie van Jaʿfar door hun verdriet niet in staat was om eten te bereiden, en hij droeg hen op om voor hen eten te maken. (Tirmidhī, “Janāʾiz”, 21; Ibn Mājah, “Janāʾiz”, 59) Op basis van deze overlevering hebben islamitische geleerden vastgesteld dat het brengen van voedsel naar het huis van de overledene een sunnah is.
In de praktijk wordt er in het huis van de overledene tijdens de periode van taʿziyah niet gekookt; in plaats daarvan brengen buren voedsel naar het huis van de overledene om dit aan de nabestaanden en de condoleancebezoekers aan te bieden.
Wanneer bij een moslim een familielid, buur of kennis overlijdt, beschouwen moslims het bijwonen van de salāh al-janāzah zowel als een islamitische als menselijke plicht. Na de begrafenis gaat men meestal naar het huis van de overledene of naar een andere daarvoor aangewezen plaats voor taʿziyah, om de nabestaanden te condoleren.
In sommige streken komen de nabestaanden na de begrafenis samen op een geschikte plaats bij de begraafplaats of voor het huis van de overledene om de condoleances (taʿziyah) van de deelnemers aan de uitvaart in ontvangst te nemen. Wanneer het huis van de overledene niet voldoende ruimte biedt voor de bezoekers, stelt een buur soms zijn huis open voor taʿziyah. De bezoekers van de condoleance reciteren enkele verzen uit de Qurʾān, voor de rûh van de overledene, meestal de verzen 153–157 van sūrah al-Baqarah.
…………………………………………..
Volgens de ahadith van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) die het uitspreken van lelijke woorden over overledenen verbieden en het bevel geven om de doden met goedheid te gedenken (Abū Dāwūd, “Adab”, 42; Tirmidhī, “Janāʾiz”, 34; Nasāʾī, “Qasāmah”, 22), spreken de mensen die voor taʿziyah komen over de goede eigenschappen van de overledene en halen zij mooie herinneringen op.
……………………………………….
TDV İslâm Ansiklopedisi: MUSTAFA ÇAĞRICI
APPENDIX 11: İSTİRJÂ Istirjā is een term die wordt gebruikt voor woorden en gedragingen die uitdrukken dat men bij een beproeving tevreden is met het goddelijke raadsbesluit (qadar) van Allah en door toevlucht te zoeken bij Hem troost vindt.
In taalkundige zin is het woord afgeleid van de stam rujûʿ, wat “terugkeren” of “afstand nemen van een handeling” betekent. Istirjâ’ verwijst naar de houding van een mu’min die met een tegenslag wordt geconfronteerd, met name bij het verliezen van een naaste, en daarbij de woorden uit surah al-Baqarah 2:156 uitspreekt: “Innā lillāhi wa innā ilayhi rājiʿūn” (Voorwaar, wij behoren toe aan Allah en tot Hem zullen wij terugkeren.) Hiermee toont hij een houding van overgave die overeenkomt met zijn geloof (īmān).
In het betreffende gedeelte van surah al-Baqarah (2/153-157) worden mu’mins eerst opgedragen om geduld te betrachten en hulp te zoeken bij Allah door middel van het verrichten van ṣalāh. Vervolgens wordt verzocht om degenen die in de oorlog als martelaar (shahīd) zijn gevallen niet als “dood” te bestempelen; er wordt meegedeeld dat zij in werkelijkheid leven, waarmee op een bepaalde manier wordt benadrukt dat de martelaren niet als verloren of verdwenen moeten worden beschouwd.
Vervolgens wordt meegedeeld dat angsten zorgwekkende situaties zoals oorlog, honger en gebrek, evenals het verlies van bezit, leven en oogst, door Allah als een beproeving (imtihan) worden beschouwd, en dat men in dergelijke omstandigheden geduldig en standvastig moet zijn.
Wanneer mu’mins met zulke beproevingen en pijn worden geconfronteerd en zeggen: “Innā lillāhi wa innā ilayhi rājiʿūn”, en zo met besef van tevredenheid en overgave het besluit van Allah accepteren, wordt over hen gezegd: “Zij zijn degenen voor wie de gunst en barmhartigheid van hun Heer bestemd zijn, en zij zijn degenen die het rechte pad hebben gevonden.”
Hoewel deze verzen bedoeld zijn om de moslims die na de hidjrah geconfronteerd werden met oorlogsdreiging en de daaruit voortvloeiende angst en pijn, evenals met verlies van mensenlevens, bezit en oogst, te troosten, wordt er in het algemeen op gewezen dat mensen altijd door Allah op de proef kunnen worden gesteld. Tegelijkertijd wordt het belang benadrukt van de mu’min en standvastige houding en de morele kracht die ware mu’mins in dergelijke situaties aan de dag leggen.
De houding die men tegenover beproevingen moet aannemen, in de soefien kalām-literatuur uitgedrukt met termen als riḍā (tevredenheid) en tawakkul (vertrouwen op Allah), en die wordt samengevat in de term istirjāʿ, verwijst naar een houding van overgave waarbij de mu’min zich ervan bewust is dat hij in zijn geheel aan Allah toebehoort en uiteindelijk tot Hem zal terugkeren, en waarbij hij uitsluitend van Allah redding verwacht.
Er zijn veel ahadith die het belang benadrukken om elke moeilijkheid die van Allah komt te beschouwen als een beproeving en deze met geduld (ṣabr), standvastigheid (matānah), tevredenheid (riḍā) en overgave (taslīm) te ontvangen. In sommige ahadith komt ook het begrip istirjāʿ voor.
In deze ahadith, die ook in de tafsīr-werken worden vermeld in verband met de uitleg van het vers over istirjāʿ, wordt overgeleverd dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd dat wanneer een mu’min wordt getroffen door een beproeving, hij niet in opstand komt, maar de woorden van istirjāʿ uitspreekt en zo tevreden is met wat van Allah komt. Hij vraagt daarbij Allah om beloning (ajr) voor deze beproeving, om deze van hem weg te nemen en hem in plaats daarvan goedheid te schenken.
Er wordt vermeld dat degene die dit doet uiteindelijk zijn wens zal verkrijgen en dat Allah hem, in vergelijking met de beproeving die hij heeft ondergaan, iets beters zal geven. (Musnad, I, 201; IV, 415; Tirmidhī, “Janāʾiz”, 36)
In sommige overleveringen wordt vermeld dat zelfs de kleinste ongemakken, zoals een doorn die in iemands voet prikt, als een beproeving (muṣībah) worden beschouwd. Zo wordt overgeleverd dat toen het olielampje in de hand van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) uitging, hij na het uitspreken van het vers van istirjāʿ verklaarde dat zelfs dit kleine voorval als een beproeving geldt, en dat zowel grote als kleine beproevingen dienen als boetedoening (kafārah) voor fouten en zonden. (Bukhārī, “Marḍā”, 1–3; Muslim, “Birr”, 45–52)
Daarnaast zijn er ahadith die in het bijzonder de verdienste benadrukken van degenen die het verlies van hun naasten met geduld en volwassenheid (ṣabr en matānah) accepteren als het goddelijk besluit, en die het uitspreken van istirjāʿ in zulke situaties aanmoedigen. (bijv.
Musnad, I, 20; III, 317; VI, 313; Muslim, “Janāʾiz”, 4; Tirmidhī, “Janāʾiz”, 36; “Daʿawāt”, 83)
Echter wordt het uiten van verdriet door te huilen bij verlies, zolang dit niet gepaard gaat met overdrijving of ongepaste uitbarstingen, beschouwd als een natuurlijke toestand van de menselijke ziel. Er wordt vermeld dat dit niet in strijd is met ṣabr (geduld), riḍā (tevredenheid met Allah’s besluit) en istirjāʿ.
Zo heeft Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zelf zijn verdriet zichtbaar getoond wanneer hij dierbaren verloor. Toen zijn zoon Ibrāhīm overleed en sommigen het uiten van zijn tranen afkeurden, zei hij: “Het oog huilt, het hart is bedroefd, maar uit onze mond komt slechts wat onze Rab tevreden stelt.” (bijv. Bukhārī, “Janāʾiz”, 41, 44, 45; enz.)
TDV İslâm Ansiklopedisi: HAYATİ HÖKELEKLİ
APPENDIX 12: Shahīd
Het woord shahīd (meervoud: shuhadāʾ) is afgeleid van het woord shahādah (shuhûd), dat in het woordenboek betekenissen heeft zoals: “getuige zijn van een gebeurtenis, verklaren wat men weet en getuigenis afleggen, ergens aanwezig zijn”. Als godsdienstige term verwijst shahīd naar de moslim die op weg van Allah wordt gedood.
……………………………………..
In de Qurʾān al-Karīm komt het woord shahīd in totaal 56 keer voor (waarvan één keer in de dualis en twintig keer in het meervoud). Meestal wordt het gebruikt in de betekenis van “getuige”, in sommige verzen als een van de Schone Namen van Allah (ash-Shahīd), en in andere als “de volmaakte mens die leeft in overeenstemming met de wil van Allah, een voorbeeldig persoon en leider” (al-Baqara 2:143; al-Ḥajj 22:78).
Hoewel in drie verzen (al-Nisāʾ 4:69; al-Zumar 39:69; al-Ḥadīd 57:19) het woord shuhadāʾ wordt gebruikt voor degenen die het martelaarschap op weg van Allah hebben bereikt, komt de enkelvoudsvorm niet in die specifieke betekenis voor. Volgens de geleerde Bikāʿī is echter het woord shahīd in al-Nisāʾ 4:72 ook in deze betekenis geïnterpreteerd.
In de hadithliteratuur komt het woord shahīd vaak voor in de bovengenoemde betekenissen. In vele verzen wordt het belang van het martelaarschap en de waarde ervan bij Allah benadrukt. Zo wordt gezegd:
“Zeg niet over degenen die op de weg van Allah zijn gedood dat zij dood zijn. Integendeel, zij leven, maar jullie beseffen het niet.” (al-Baqara 2:154)
“Denk niet dat degenen die op de weg van Allah zijn gedood dood zijn. Integendeel, zij leven en worden door hun Heer voorzien.” (Āl ʿImrān 3:169)
“Wat betreft degenen die op de weg van Allah zijn gedood: Allah zal hun daden niet verloren laten gaan (…) en hen het Paradijs doen binnengaan dat Hij hun heeft doen kennen.” (Muḥammad 47:4-6)
Zoals uit deze verzen blijkt, wordt het benadrukt, en in sommige verzen wordt ook vermeld dat de rang van de shuhadāʾ bij Allah na die van de anbiyā en de siddīq komt (al-Nisāʾ 4:69).
Fahreddin er-Râzî wijst erop dat in hadith ook mensen die verdrinken of sterven door ziekte als shahīd worden aangeduid. Daarom stelt hij dat het niet juist is om het woord shuhadāʾ in dit vers uitsluitend te beperken tot degenen die in de strijd hun leven opofferen om de godsdienst van Allah te helpen.
Volgens hem moeten ook geleerden die zich inspannen om de Naam van Allah te verheffen en rechtvaardigheid in de samenleving te handhaven (Āl ʿImrān 3:18) tot deze categorie worden gerekend.
De uitspraken van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) over het martelaarschap zijn in hadithverzamelingen meestal samengebracht onder hoofdstukken binnen het onderdeel jihād, met titels zoals “de deugd van de shahīd”. - In deze ahadith wordt vermeld dat degenen die niet voor wereldse doeleinden, maar uitsluitend om de godsdienst van Allah te verheffen hun leven opofferen, als shahīd worden beschouwd (al-Bukhārī, “Jihād”, 15; Muslim, “Imārah”, 149-152; al-Nasāʾī, “Jihād”, 21; Ibn Mājah, “Jihād”, 13).- Verder wordt vermeld dat de shahīd sterft zonder dat hij pijn voelt; dat op het moment dat de eerste druppel van zijn bloed op de grond valt al zijn zonden worden vergeven, behalve de rechten van medemensen; dat hij geen bestraffing in het graf zal ondergaan; en dat hij zijn plaats in het Paradijs zal zien (al-Tirmidhī, “Faḍāʾil al-Jihād”, 25, 26). - Ook wordt vermeld dat hij voor zeventig van zijn familieleden voorspraak (shafa`ah) kan doen (al-Tirmidhī, “Faḍāʾil al-Jihād”, 25) en dat hij tot de eersten behoort die het Paradijs binnengaan (Muslim, “Imārah”, 143; Abū Dāwūd, “Jihād”, 27). - Daarnaast wordt aangegeven dat onder de dienaren die een verheven rang bij Allah bereiken, alleen de shahīd zou wensen terug te keren naar de wereld om opnieuw te sterven als shahīd, om zo de godsdienst van Allah te blijven verheffen (al-Bukhārī, “Jihād”, 6, 21; Muslim, “Imārah”, 108, 109).- Aan de andere kant vermelden sommige hadith dat er ook buiten degenen die op de weg van Allah sneuvelen, mensen zijn die als shahīd worden beschouwd:- Zo wordt vermeld dat degene die sterft ter verdediging van zijn leven, bezit of eer (Abū Dāwūd, “Sunnah”, 29; al-Tirmidhī, “Diyāt”, 21), - of sterft door besmettelijke ziekten zoals pest of cholera (al-Bukhārī, “Jihād”, 30; Muslim, “Imārah”, 164-165).- Evenals degene die het martelaarschap wenst maar in zijn bed overlijdt (Muslim, “Imārah”, 157), de beloning van een shahīd krijgt. - Ook wordt aangegeven dat er andere daden zijn die gelijkstaan aan de beloning van het martelaarschap (al-Bukhārī, “Jihād”, 1; Muslim, “Imārah”, 110, 125; al-Nasāʾī, “Jihād”, 17; Ibn Mājah, “Fitan”, 13).
De uitspraken van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) over het martelaarschap zijn in hadithverzamelingen meestal samengebracht onder hoofdstukken binnen het onderdeel jihād, met titels zoals “de deugd van de shahīd”. - In deze ahadith wordt vermeld dat degenen die niet voor wereldse doeleinden, maar uitsluitend om de godsdienst van Allah te verheffen hun leven opofferen, als shahīd worden beschouwd (al-Bukhārī, “Jihād”, 15; Muslim, “Imārah”, 149-152; al-Nasāʾī, “Jihād”, 21; Ibn Mājah, “Jihād”, 13).- Verder wordt vermeld dat de shahīd sterft zonder dat hij pijn voelt; dat op het moment dat de eerste druppel van zijn bloed op de grond valt al zijn zonden worden vergeven, behalve de rechten van medemensen; dat hij geen bestraffing in het graf zal ondergaan; en dat hij zijn plaats in het Paradijs zal zien (al-Tirmidhī, “Faḍāʾil al-Jihād”, 25, 26). - Ook wordt vermeld dat hij voor zeventig van zijn familieleden voorspraak (shafa`ah) kan doen (al-Tirmidhī, “Faḍāʾil al-Jihād”, 25) en dat hij tot de eersten behoort die het Paradijs binnengaan (Muslim, “Imārah”, 143; Abū Dāwūd, “Jihād”, 27). - Daarnaast wordt aangegeven dat onder de dienaren die een verheven rang bij Allah bereiken, alleen de shahīd zou wensen terug te keren naar de wereld om opnieuw te sterven als shahīd, om zo de godsdienst van Allah te blijven verheffen (al-Bukhārī, “Jihād”, 6, 21; Muslim, “Imārah”, 108, 109).- Aan de andere kant vermelden sommige hadith dat er ook buiten degenen die op de weg van Allah sneuvelen, mensen zijn die als shahīd worden beschouwd:- Zo wordt vermeld dat degene die sterft ter verdediging van zijn leven, bezit of eer (Abū Dāwūd, “Sunnah”, 29; al-Tirmidhī, “Diyāt”, 21), - of sterft door besmettelijke ziekten zoals pest of cholera (al-Bukhārī, “Jihād”, 30; Muslim, “Imārah”, 164-165).- Evenals degene die het martelaarschap wenst maar in zijn bed overlijdt (Muslim, “Imārah”, 157), de beloning van een shahīd krijgt. - Ook wordt aangegeven dat er andere daden zijn die gelijkstaan aan de beloning van het martelaarschap (al-Bukhārī, “Jihād”, 1; Muslim, “Imārah”, 110, 125; al-Nasāʾī, “Jihād”, 17; Ibn Mājah, “Fitan”, 13).
De fiqh-regels met betrekking tot de shuhadāʾ zijn in sommige fiqh-boeken behandeld aan het einde van het hoofdstuk over de ṣalāh, waar de specifieke handelingen worden besproken die voor shuhadāʾ anders zijn dan voor andere overleden moslims, of binnen hoofdstukken zoals ṣalāt al-janāzah, aḥkām al-mayyit en aḥkām al-janāʾiz.
De uitspraken van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) over het martelaarschap zijn in hadithverzamelingen meestal samengebracht onder hoofdstukken binnen het onderdeel jihād, met titels zoals “de deugd van de shahīd”. - In deze ahadith wordt vermeld dat degenen die niet voor wereldse doeleinden, maar uitsluitend om de godsdienst van Allah te verheffen hun leven opofferen, als shahīd worden beschouwd (al-Bukhārī, “Jihād”, 15; Muslim, “Imārah”, 149-152; al-Nasāʾī, “Jihād”, 21; Ibn Mājah, “Jihād”, 13).- Verder wordt vermeld dat de shahīd sterft zonder dat hij pijn voelt; dat op het moment dat de eerste druppel van zijn bloed op de grond valt al zijn zonden worden vergeven, behalve de rechten van medemensen; dat hij geen bestraffing in het graf zal ondergaan; en dat hij zijn plaats in het Paradijs zal zien (al-Tirmidhī, “Faḍāʾil al-Jihād”, 25, 26). - Ook wordt vermeld dat hij voor zeventig van zijn familieleden voorspraak (shafa`ah) kan doen (al-Tirmidhī, “Faḍāʾil al-Jihād”, 25) en dat hij tot de eersten behoort die het Paradijs binnengaan (Muslim, “Imārah”, 143; Abū Dāwūd, “Jihād”, 27). - Daarnaast wordt aangegeven dat onder de dienaren die een verheven rang bij Allah bereiken, alleen de shahīd zou wensen terug te keren naar de wereld om opnieuw te sterven als shahīd, om zo de godsdienst van Allah te blijven verheffen (al-Bukhārī, “Jihād”, 6, 21; Muslim, “Imārah”, 108, 109).- Aan de andere kant vermelden sommige hadith dat er ook buiten degenen die op de weg van Allah sneuvelen, mensen zijn die als shahīd worden beschouwd:- Zo wordt vermeld dat degene die sterft ter verdediging van zijn leven, bezit of eer (Abū Dāwūd, “Sunnah”, 29; al-Tirmidhī, “Diyāt”, 21), - of sterft door besmettelijke ziekten zoals pest of cholera (al-Bukhārī, “Jihād”, 30; Muslim, “Imārah”, 164-165).- Evenals degene die het martelaarschap wenst maar in zijn bed overlijdt (Muslim, “Imārah”, 157), de beloning van een shahīd krijgt. - Ook wordt aangegeven dat er andere daden zijn die gelijkstaan aan de beloning van het martelaarschap (al-Bukhārī, “Jihād”, 1; Muslim, “Imārah”, 110, 125; al-Nasāʾī, “Jihād”, 17; Ibn Mājah, “Fitan”, 13).
De fiqh-regels met betrekking tot de shuhadāʾ zijn in sommige fiqh-boeken behandeld aan het einde van het hoofdstuk over de ṣalāh, waar de specifieke handelingen worden besproken die voor shuhadāʾ anders zijn dan voor andere overleden moslims, of binnen hoofdstukken zoals ṣalāt al-janāzah, aḥkām al-mayyit en aḥkām al-janāʾiz. In andere werken worden ze behandeld onder aparte hoofdstukken zoals “bāb al-shahīd” of “aḥkām al-shahīd”.
Daarnaast wordt in de hoofdstukken over jihād en sīrah ook de deugd van het martelaarschap besproken.
De fiqh-geleerden hebben, op basis van de uitspraken, handelingen en praktijken van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم), de shuhadāʾ doorgaans in drie categorieën verdeeld:
shahīd in zowel wereldse als hiernamaalse zin,
shahīd alleen in wereldse zin,
shahīd alleen in hiernamaalse zin.
Sommige latere Ḥanafī-geleerden wijzen erop dat wanneer in de fiqh over “shahīd” wordt gesproken, meestal de wereldse regels bedoeld worden, zoals het niet wassen van het lichaam en het begraven in bebloede kleding. Zij noemen degene op wie deze regels van toepassing zijn de “echte shahīd” (ash-shahīd al-ḥaqīqī), en degene op wie deze niet worden toegepast de “juridische shahīd” (ash-shahīd al-ḥukmī).
Daarentegen gebruiken sommige andere Ḥanafī-geleerden deze termen precies andersom: zij noemen degene die alleen in het Hiernamaals als shahīd wordt beschouwd de “echte shahīd”, en degene die zowel in wereldse als hiernamaalse zin als shahīd wordt beschouwd de “juridische shahīd”.
1. Shahīd in zowel wereldse als hiernamaalse zin
Degenen die op de weg van Allah tijdens de strijd door niet-moslims worden gedood, of gewond raken en vervolgens op het slagveld overlijden, behoren tot deze categorie. Er bestaat verschil van mening over de vraag of ook degenen die onrechtmatig worden gedood terwijl zij vechten tegen opstandelingen tegen de staat of struikrovers, of terwijl zij hun leven, bezit en eer verdedigen, ook tot deze categorie gerekend moeten worden. Volgens de Ḥanafī-madhhab vallen al deze gevallen onder deze categorie, terwijl binnen de Ḥanbalī-madhhab alleen degenen die onrechtmatig door struikrovers worden gedood hiertoe worden gerekend. Volgens de meerderheid van de Mālikīen Shāfiʿī-geleerden worden deze personen wel als shahīd beschouwd wat betreft het Hiernamaals, maar worden op hen in deze wereld niet de specifieke regels van de shuhadāʾ toegepast.
Degenen die tot deze categorie behoren, ook wel “volledige shahīd” of “oorlog-shahīd” genoemd, hebben bij Allah de hoogste rang onder de shuhadāʾ. Op basis van de relevante verzen en ahadith, evenals de praktijk van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم), met name met betrekking tot de shuhadāʾ van Uḥud, en de opvattingen en praktijken van de metgezellen, hebben de fiqh-geleerden de volgende regels vastgesteld:
De shahīd in deze categorie wordt niet gewassen;
Zijn bebloede kleding geldt als zijn lijkwade;
Omdat deze kleding wordt beschouwd als een ereteken en een teken van aanbidding, wordt het bloed niet verwijderd; onreine andere stoffen worden wel gereinigd;
Wapens zoals zwaard, dolk e.d. worden verwijderd;
Kledingstukken die niet geschikt zijn als lijkwade (zoals jas, mantel, schoenen) worden verwijderd; als de overgebleven kleding het lichaam niet volledig bedekt, wordt de lijkwade aangevuld volgens de sunnah; is het teveel, dan wordt het verminderd.
Volgens de meerderheid van de geleerden wordt een shahīd ook niet gewassen als hij in staat van janābah verkeert of als een vrouw in menstruatie of kraambloeding (nifās) overlijdt.
Abu Hanifa, samen met de Ḥanbalī geleerden, en sommige Shāfiʿīen Mālikī-geleerden, oordeelde echter, op basis van de overlevering dat Hanzala ibn Abi Amir (رضي الله عنه), een van de shuhadāʾ van Uḥud, door de engelen werd gewassen omdat hij zich in staat van janābah bevond, dat iemand die in zo’n toestand als shahīd sterft, wél gewassen moet worden.
Daarnaast is Abu Hanifa van mening dat een kind dat de puberteit nog niet heeft bereikt of een geesteszieke persoon, indien hij in de strijd door de vijand wordt gedood, gewassen moet worden.
Vanwege deze opvattingen wordt in Ḥanafī fiqh-werken, bij de definitie van een shahīd in wereldse zin, vaak de voorwaarde genoemd dat hij “ṭāhir” (niet in staat van janābah, menstruatie of nifās), meerderjarig en bij verstand moet zijn.
Onder de tābiʿīn waren Hasan al-Basri en Sa'id ibn al-Musayyib van mening dat de praktijk van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) met betrekking tot de shuhadāʾ van Uḥud voortkwam uit een noodsituatie, en dat een shahīd onder normale omstandigheden wél gewassen moet worden.
Daartegenover stelt de geleerde Sarakhsi dat naast de shuhadāʾ van Uḥud ook de shuhadāʾ van Badr, Khandaq en Khaybar zonder enige noodzaak niet werden gewassen. Daarom acht hij deze opvatting niet juist.
Voor de shahīd die tot deze categorie behoort (d.w.z. shahīd in zowel wereldse als hiernamaalse zin), is het verrichten van de salāh al-janāzah volgens de Ḥanafī-madhhab verplicht. Volgens de voorkeursopvatting binnen de Ḥanbalī-madhhab is het niet verplicht, maar aanbevolen (mustaḥab). Volgens de meerderheid van de Shāfiʿīen Mālikī-geleerden worden zij echter begraven zonder dat de salāh al-janāzah over hen wordt verricht.
De opvatting dat er geen salāh al-janāzah wordt verricht, wordt als volgt onderbouwd: de shahīd wordt volgens de Qurʾān als levend beschouwd, en over een levende wordt geen salāh al-janāzah verricht. Bovendien heeft an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) bevolen dat de shuhadāʾ van Uḥud zonder te worden gewassen en zonder dat de salāh al-janāzah over hen werd verricht, met hun bloed werden begraven. De salāh al-janāzah wordt verricht als middel tot vergeving van zonden, terwijl de shahīd reeds van alle zonden is gereinigd en dit dus niet nodig heeft.
De tegenopvatting baseert zich op andere bewijzen: er zijn ahadith die aangeven dat Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) wél de salāh al-janāzah heeft verricht over shuhadāʾ. Dat de shahīd als “levend” wordt beschouwd, geldt voor de regels van het Hiernamaals; wat betreft wereldse regels wordt hij als overleden beschouwd. Zo wordt zijn erfenis verdeeld en mag zijn vrouw na het verstrijken van haar ʿiddah opnieuw trouwen. Hoewel hij van zonden is gereinigd, heeft de shahīd nog steeds behoefte aan de duʿāʾ van de mu’mins.
De geleerde Ibn Hazm stelt dat beide soorten overleveringen, zowel dat er wel als niet over hen salāh al-janāzah werd verricht, authentiek zijn, en concludeert daarom dat beide praktijken toegestaan zijn.De geleerde Shawkani merkt op dat, op basis van de relevante ahadith (vooral die over de shuhadāʾ van Uḥud), de meningen van de geleerden hierover uiteenlopen. Hij voegt daaraan toe dat er, buiten de shuhadāʾ van Uḥud, geen duidelijke hadith is die bevestigt dat an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) de salāh al-janāzah heeft verricht over degenen die sneuvelden bij Badr of andere veldslagen.
2. Shahīd alleen in wereldse zin
Iemand in wiens hart nifāq (huichelarij) aanwezig is, maar in de rijen van de moslims bevindt door de vijand wordt gedood, wordt alleen in wereldse zin als shahīd beschouwd. Hetzelfde geldt voor degenen die worden gedood terwijl zij vluchten uit de strijd, of terwijl zij vechten om wereldse doelen zoals oorlogsbuit of reputatie.
Aangezien hun innerlijke toestand alleen bij Allah bekend is, worden zij op basis van hun uiterlijke toestand behandeld als shahīd. De fiqh-geleerden stellen echter dat degene die uitsluitend voor wereldse doelen strijdt en sterft, in het Hiernamaals geen beloning zal ontvangen. Degene die zowel een wereldse als een hiernamaalse intentie had, zal wel beloond worden, maar niet op het niveau van een volledige shahīd.
3. Shahīd alleen in hiernamaalse zin
Degenen die in oorlog of daarbuiten onrechtmatig worden gedood en niet onder de twee eerder genoemde categorieën vallen, worden alleen als shahīd beschouwd wat betreft de regels van het Hiernamaals.
Zo beschouwen de Ḥanafī’s degenen die per ongeluk worden gedood en waarvoor bloedgeld (diyah) aan hun erfgenamen verschuldigd is als behorend tot deze categorie. De Ḥanbalī’s rekenen ook degenen die op het slagveld van een hoge plaats of van hun paard vallen en daardoor door een ongeluk sterven hiertoe. Volgens de meerderheid van de Shāfiʿīen Mālikī-geleerden, vallen ook degenen die sterven ter verdediging van hun eigen leven, bezit of eer, of dat van anderen, onder deze groep.
Ook iemand die tijdens de strijd op weg van Allah gewond raakt maar pas na verloop van tijd overlijdt, bijvoorbeeld door eten, drinken of medische behandeling, wordt tot deze categorie gerekend. Over de lengte van deze periode en de aard van deze omstandigheden bestaan echter verschillende meningen.
Daarnaast behoren ook de personen die in hadith als shahīd worden genoemd of de beloning van een shahīd krijgen, maar op wie in wereldse zin niet de juridische regels van het martelaarschap worden toegepast, tot deze groep. Hieronder vallen onder andere:
Degenen die sterven in brand, op zee of onder puin
Degenen die sterven door wijdverspreide en moeilijk te voorkomen ziekten zoals pest, cholera of malaria
Degenen die sterven tijdens het zoeken naar kennis
Degenen die sterven tijdens het zoeken naar een halāl inkomen
Vrouwen die sterven tijdens de bevalling of in het kraambed
Sommige geleerden noemen in dit verband tot wel dertig verschillende oorzaken van overlijden en stellen dat zij in het Hiernamaals naar hun rang worden beloond.
………………………………………
Vanwege de praktijk van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) met betrekking tot de shuhadāʾ van Uḥud wordt het begraven op de plaats van het overlijden als sunnah beschouwd. Indien de omstandigheden dit niet toelaten, is het toegestaan om het lichaam naar een andere plaats te verplaatsen.
Omdat het in normale omstandigheden niet wenselijk is dat meerdere personen in één graf worden begraven, hebben de fiqh-geleerden dit specifiek besproken. Op basis van de praktijk bij Uḥud hebben zij toegestaan dat twee of drie personen in één graf begraven kunnen worden, indien nodig. De Shāfiʿī en Hanbalī geleerden beperken deze toestemming echter tot situaties van noodzaak.
………………………………..
TDV İslâm Ansiklopedisi: Fahrettin Atar
APPENDIX 13: Het bestaan van het Hiernamaals (`ākhirah)
In taalkundige zin betekent `ākhirah "laatste", het tegenovergestelde van awwal ("eerste"). In islamitische terminologie wordt het gedefinieerd als het leven na de dood, dat na de wereldse fase begint en voor eeuwig voortduurt.
In de Qur’ān wordt het Hiernamaals soms afzonderlijk genoemd, en soms in combinatie met het woord dār (verblijf), zoals in dār al-`ākhirah (het verblijf in het Hiernamaals), of yawm (dag) Yawm al al-`ākhir (de Laatste Dag)
Sommige geleerden definiëren `ākhirah als het leven dat begint met de eerste blaas op de Sûr (bazuin) door (de engel) Isrāfiel عليه السلام en duurt voort tot de bewoners van het Paradijs en het Hellevuur hun uiteindelijke bestemmingen hebben bereiken. Het leven dat alle toestanden van de `ākhirah omvat. Anderen omschrijven het als het leven dat begint met de tweede blaas op de Sûr en de wederopstanding (ba`h) van de mensheid en het leven dat daarna eindeloos zal voortduren.
Aangezien de periode tussen het verlaten van het aardse leven, de dood, en de wederopstanding niet gerekend kan worden tot het wereldse leven, is het correcter om de `ākhirah te definiëren als inclusief de fase van het grafen het barzākh-leven.
Het leven in de `ākhirah begint direct na de dood, de wederopstanding, de Dag des Oordeels en het leven tot in de eeuwigheid, In deze zin staat `ākhirah tegenover dunyā (wereld) en `ākhirah-leven tegenover dunyā-leven.
Deze laatste omschrijving omvat niet alleen het leven in het graf en de barzākh (de tussenfase na de dood), dat direct na de dood begint, maar ook de volgende fasen.:
Het blazen op de Sûr door (de engel) Isrāfiel عليه السلام
Het aanbreken van de Dag der Opstanding (Yawm al-Qiyāmah)
De wederopstanding en het verzamelen van de mensheid op de Mahshar-vlakte
Het ontvangen van het boek waarin de goede en slechte daden zijn genoteerd (rechts of links/achter)
De ondervraging van een ieder door Allāh
Ter verantwoording roeping van de daden
De weegschaal waarin de goede en slechte daden worden gewogen
De Sirāt (brug) die iedereen zal moeten oversteken
De Hawd al-Kawthar (waterbassin van an-Nabie صلى الله عليه وسلم bevindt zich op de Mahshar))
De bemiddeling (shafāʿah)
De eeuwige verblijfplaatsen: het Paradijs en het Hellevuur
In de Qur’ān wordt de Dag des Opstanding met verschillende namen aangeduid, waaronder:
Yawm at-Talāq (De Dag van de Ontmoeting) omdat de gelovigen Allāh zullen ontmoeten (el-Mu’min 40/15)
Yawm al-Jamʿ (De Dag van de Verzameling) Omdat de mensen en andere levende wezens bijeengebracht zullen worden. (at-Taghabun 64/9)
Yawm at-Taghābun (de Dag van Misleiding) Omdat zal blijken dat degenen die Zijn geboden en verboden niet naleefden misleid waren. (at-Tagabun 64/9)
Yawm al-Khurūj (De Dag van het Uittreden) omdat iedereen na de wederopstanding uit het graf zullen komen. (Kaf 50/42)
Yawm al-Hasrah (De Dag van de Spijt) Omdat de ongelovigen zullen zien dat hun daden vergeefs waren en zij zullen verlangen om terug te keren naar de wereld. (Maryam 19/39)
De menselijke rede vindt het leven na de dood niet in strijd met de logische wetten, maar beschouwt het juist als een noodzaak.. Een van de sterkste argumenten hiervoor is dat absolute gerechtigheid niet volledig in deze wereld plaatsvindt. Zolang de mensheid op deze aarde bol bestaat, zijn er onder individuen en samenlevingen gestreden, oorlogen zijn er uitgebroken, er waren slachtoffers en daders, onderdrukkers en onderdrukten. Dergelijke gebeurtenissen, die het geweten kwellen, blijven voortduren en zullen in de toekomst waarschijnlijk ook doorgaan. Wie is de onderdrukker en wie de onderdrukte? Hoe zal gerechtigheid geschieden, en wie zal haar uitvoeren? Het antwoord op deze en vele soortgelijke vragen – zowel in woord als in daad – zal pas volledig duidelijk worden op de Dag des Oordeels, wanneer de Allerhoogste en Beste der Rechters, Allāhu Ta`ala, als enige de uiteindelijke oordeel zal vellen.
In de Kalām wetenschap (theologie) worden de geloofskwesties (`itiqād) die niet door rede en ervaring bewezen kunnen worden, maar wel door de openbaring (Qur’ān en Sunnah). Dit wordt aangeduid als 'sam`iyyāt'. In de sam`iyyāt kwesties bestaat de rol van de rede uit het vaststellen van de mogelijkheid van de geopenbaarde bronnen en het bevestigen daarvan
Het bewijs van het bestaan van het Hiernamaals (`ākhirah)
Het bestaan van `ākhirah behoort tot het ongeziene en kan daarom niet met de zintuigen worden waargenomen. Toch kan worden gesteld dat, terwijl het menselijke lichaam en het universum waarin we leven vergankelijk zijn, het opnieuw tot leven wekken na de dood en het eeuwige leven in `ākhirah rationeel mogelijk en zelfs noodzakelijk is. Het feit dat het wereldse leven een beproeving is, maakt de `ākhirah noodzakelijk.
Omdat mensen, gezien hun positie en verantwoordelijkheden in deze wereld, verschillende mogelijkheden hebben, zullen zij op de proef worden gesteld. Als gevolg hiervan is het onvermijdelijk dat er een tweede leven bestaat, waarin iedereen de beloning of straf ontvangt voor zijn goede of slechte daden. Anders zou de beproeving haar betekenis verliezen.
In de Qur’ān wordt hierover gezegd:
أَمۡ حَسِبَ ٱلَّذِينَ ٱجۡتَرَحُواْ ٱلسَّيِّـَٔاتِ أَن نَّجۡعَلَهُمۡ كَٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَعَمِلُواْ ٱلصَّٰلِحَٰتِ سَوَآءٗ مَّحۡيَاهُمۡ وَمَمَاتُهُمۡۚ سَآءَ مَا يَحۡكُمُونَ ٢١
وَخَلَقَ ٱللَّهُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضَ بِٱلۡحَقِّ وَلِتُجۡزَىٰ كُلُّ نَفۡسِۭ بِمَا كَسَبَتۡ وَهُمۡ لَا يُظۡلَمُونَ ٢٢
Of dachten degenen die slechte daden verricht hebben, dat Wij hen hetzelfde zullen behandelen als degenen die geloofden en goede daden verricht hebben, zowel in hun leven als in hun sterven? Verkeerd is het oordeel dat zij vellen.
En Allāh heeft het Paradijsen en de aarde in Waarheid geschapen. Zodat iedere ziel wordt vergolden voor hetgeen hij verdiend heeft. En hen zal geen onrecht worden aangedaan.
(al-Jaathiyah 45:21-22)
Een van de aangeboren kenmerken van de mens is het gevoel voor rechtvaardigheid. Het is onmogelijk te stellen dat gerechtigheid te allen tijde en overal in de wereld heerst. Iedereen die de onrechtvaardigheden in de wereld ziet en zich eraan stoort, verlangt naar de vestiging van een grote rechtbank waarin rekenschap wordt afgelegd en gerechtigheid wordt hersteld.
De dag waarop de onderdrukker en de onderdrukte op een rechtvaardige wijze worden beoordeeld, wordt in de eerste surah van de Qur’ān aangeduid als "yawm ad-dien" (de dag van vergelding) (al-Fatiha 1/4).
De rationalistische argumenten die worden gebruikt om het bestaan van de `ākhirah te bewijzen, zoals de menselijke drang naar toekomstige verantwoording en het gevoel van gerechtigheid, verlichten slechts de rede. De beslissing om `ākhirah te accepteren of te verwerpen is afhankelijk van de samenwerking tussen het verstand en het hart. De ongelovigen, die de dood beschouwen als een definitief einde en de wederopstanding ontkennen, vermijden het meeste de dood, met andere woorden ze willen niet geloven dat ze de gevolgen van hun wereldse daden zullen worden vergolden.
Enkele bewijzen uit de Qur’ān over het bestaan van het Hiernamaals (`ākhirah)a) De eerste scheppingDe Qur’ān brengt als argument tegen hen die `ākhirah ontkennen naar voren, de eerste schepping. Het is evident dat Allāhu Ta`ala de mens en alle andere levende wezens uit het niets heeft geschapen, opnieuw in staat is hen te scheppen. In de Qur’ān staat:
وَضَرَبَ لَنَا مَثَلٗا وَنَسِيَ خَلۡقَهُۥۖ قَالَ مَن يُحۡيِ ٱلۡعِظَٰمَ وَهِيَ رَمِيمٞ ٧٨
قُلۡ يُحۡيِيهَا ٱلَّذِيٓ أَنشَأَهَآ أَوَّلَ مَرَّةٖۖ وَهُوَ بِكُلِّ خَلۡقٍ عَلِيمٌ ٧٩
En (hierover) gaf hij Ons een gelijkenis terwijl hij de schepping van zichzelf over het hoofd zag. (Met een bot in de hand) vraagt hij: Wie doet de beenderen tot leven komen, terwijl ze gruis zijn? Zeg: Hij zal hen doen herleven zoals Hij hen de eerste keer heeft geschapen! En Hij is Alwetend over de gehele schepping! (Yaa-Sien 36:78-79)
Het is algemeen erkend dat het voor degene die iets voor de eerste keer doet gemakkelijker is om hetzelfde voor de tweede keer te doen.
In werkelijkheid is er echter geen sprake van iets dat voor Allāhu Ta`ala gemakkelijker of moeilijker is dan iets anders, wordt in de Qur’ān gezegd:
وَهُوَ ٱلَّذِي يَبۡدَؤُاْ ٱلۡخَلۡقَ ثُمَّ يُعِيدُهُۥ وَهُوَ أَهۡوَنُ عَلَيۡهِۚ وَلَهُ ٱلۡمَثَلُ ٱلۡأَعۡلَىٰ فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِۚ وَهُوَ ٱلۡعَزِيزُ ٱلۡحَكِيمُ ٢٧
En Hij is Degene Die de schepping vormt, en het daarna herhaalt en dat is voor Hem nog gemakkelijker. Aan Hem behoren de meest verheven eigenschappen in het Paradijsen en op aarde. En Hij is de Almachtige, de Alwijze. (ar-Roem 30:27)
Hier wordt een gekend principe gebruikt om de mensen een waarheid te laten begrijpen. Ook islamitische theologen zoals Abul-Hasan al-Ash`arie, Juwaynie en al-Ghazalie hebben wat er in de Qur’ān met 'yu`ieduhu' (herhaalt) wordt verwezen naar de wederopstanding in de `ākhirah, en men heeft geprobeerd het bestaan van zowel de eerste schepping als de `ākhirah te bewijzen door het voorbeeld van de Qur’ānische uitleg.
b) Het scheppen van moeilijkere zakenOok in de Qur’ān wordt aan degenen die de `ākhirah ontkennen, aangegeven dat Allāh, die dingen heeft geschapen die nog moeilijker zijn te scheppen, zeker in staat is om de `ākhirah ook te scheppen: Allāhu Ta`ala zegt:.
أَوَلَمۡ يَرَوۡاْ أَنَّ ٱللَّهَ ٱلَّذِي خَلَقَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضَ وَلَمۡ يَعۡيَ بِخَلۡقِهِنَّ بِقَٰدِرٍ عَلَىٰٓ أَن يُحۡـِۧيَ ٱلۡمَوۡتَىٰۚ بَلَىٰٓۚ إِنَّهُۥ عَلَىٰ كُلِّ شَيۡءٖ قَدِيرٞ ٣٣
Zien zij dan niet dat Allāh, Die het Paradijsen en de aarde geschapen heeft en door hun schepping niet moe geworden is, in staat is om het dode tot leven te brengen? Ja, Hij is zeker tot alle dingen in staat.
(al-Ahqaaf 46:33)
c) Het scheppen van ogenschijnlijk onmogelijke zakenDegenen die geloven dat materie eeuwig is en zeggen:
أَءِذَا مِتۡنَا وَكُنَّا تُرَابٗاۖ ذَٰلِكَ رَجۡعُۢ بَعِيدٞ ٣
Als wij gestorven zijn en tot stof zijn geworden? (worden wij dan weer opgewekt?) Dat is een verre weg terug. (Qaaf 50:3), worden door Allāh aangespoord om na te denken. De Qur’ān geeft voorbeelden uit hun eigen ervaringswereld. Bijvoorbeeld, het omkeren van iets is veel moeilijker dan het omzetten in iets soortgelijks, en soms zelfs onmogelijk. In surah Yaa-Sien:
وَضَرَبَ لَنَا مَثَلٗا وَنَسِيَ خَلۡقَهُۥۖ قَالَ مَن يُحۡيِ ٱلۡعِظَٰمَ وَهِيَ رَمِيمٞ ٧٨
قُلۡ يُحۡيِيهَا ٱلَّذِيٓ أَنشَأَهَآ أَوَّلَ مَرَّةٖۖ وَهُوَ بِكُلِّ خَلۡقٍ عَلِيمٌ ٧٩
ٱلَّذِي جَعَلَ لَكُم مِّنَ ٱلشَّجَرِ ٱلۡأَخۡضَرِ نَارٗا فَإِذَآ أَنتُم مِّنۡهُ تُوقِدُونَ ٨٠
En (hierover) gaf hij Ons een gelijkenis terwijl hij de schepping van zichzelf over het hoofd zag. (Met een bot in de hand) vraagt hij: “Wie doet de beenderen tot leven komen, terwijl ze gruis zijn?”
Zeg: “Hij zal hen doen herleven zoals Hij hen de eerste keer heeft geschapen! En Hij is Alwetend over de gehele schepping!
Hij is Degene Die voor jullie van de groene boom vuur heeft gemaakt, waarna jullie er een vuur mee ontsteken. (Yaa-Sien 36:78-80)
Het ontkennen van de `ākhirah impliceert feitelijk ook het ontkennen van Allāh en Zijn Rasul. Want de zaken van de `ākhirah kunnen niet door zintuigen worden waargenomen of louter met het verstand begrepen. Zij kunnen slechts gekend worden door de openbaringen van Allāh en de berichten van Zijn Rasul. Het verwerpen van de `ākhirah betekent dus het verwerpen van de openbaring/bericht. Dit betekent het ontkennen van Allāh en Zijn Rasul, want in Allāh en Zijn Rasul geloven betekent dat men accepteert dat Allāh en Zijn Rasul de waarheid spreken en alles bevestigen wat zij hebben gebracht.
Het geloof in de `ākhirah is van groot belang voor de mens. Daarom wordt de `ākhirah in de Qur’ān vaak genoemd, soms met duidelijke bewijzen, soms met voorbeelden en beschrijvingen, om het geloof in de `ākhirah stevig in het verstand en het hart van de mens te verankeren.
Want zodra de mens bewustzijn krijgt over zijn bestaan, begint hij vragen te stellen: "Wie ben ik? Waar kom ik vandaan? Waarom ben ik hier op aarde? Wat zal er met mij gebeuren aan het einde van het leven op aarde?”Door in Allāh te geloven, leert de mens de oorsprong van het universum en zijn Schepper kennen.
Door in de `ākhirah te geloven, leert hij waar hij na dit leven naartoe zal gaan en wat er met hem zal gebeuren. Degene die weet waar hij vandaan komt en waar hij naartoe gaat, bevrijdt zich van zorgen over de toekomst. Hij stelt zich een doel in zijn leven en grijpt naar de middelen die hem het beste naar dat doel leiden. Zo krijgt zijn leven betekenis, wordt hij bevrijd van de willekeurigheid, en begrijpt hij waarom en hoe hij zou moeten leven.
Degene die niet in de `ākhirah gelooft, kan zijn levensdoel niet bepalen en zal rusteloos zijn. Hij kan anderen onrecht aandoen omwille van zijn eigenbelang. Hij zal trachten zijn verlangens onbeperkt te vervullen. Hij zal streven naar een eeuwig verblijf in deze wereld en de wereld een paradijs maken – iets wat onmogelijk is. Uiteindelijk zal hij niet gelukkig worden en zowel zijn wereldse als eeuwige leven volledig vernietigen. Tenslotte is de mens geschapen met een afkeer voor het niets en met een verlangen naar de eeuwigheid. De mens die begrijpt dat het wereldse leven niet eeuwig is, wordt bevrijd van de angst voor vernietiging en geleid naar het eeuwige geluk. Dat is slechts mogelijk door het geloof in de `ākhirah.
De voordelen van het geloof in de `ākhirahHet geloof in de `ākhirah heeft een diepe impact op het leven van een mens. Alleen door dit geloof wordt het mogelijk om het wereldse leven in zijn ware aard te begrijpen In feite is het hiernamaalsbegrip in de islam, dat in overeenstemming is met de pure aard van de mens, niet uitsluitend voor de Dag des Laatste Oordeels, maar ook voor het leven op aarde. Immers de wereld en het Hiernamaals zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De wereld is als een akker voor het Hiernamaals, en het Hiernamaals is ook voor de wereld. Het zit in de orde en het systeem van deze wereld. Zoals de mens zijn hiernamaals in de wereld verwerft, zo bouwt hij ook zijn wereld op dankzij zijn geloof in het hiernamaals.
Hieruit blijkt dat het geloof in het Hiernamaals een fundamenteel principe is, dat zowel het ordelijke verloop van wereldse zaken als de verwerving van het Hiernamaals omvat. Daarom is het geloof in het Hiernamaals een zegen voor de mens en hangt zijn geluk ervan af.
Geluk wordt gedefinieerd als "de harmonie van een mens met zichzelf." Om deze harmonie te bereiken, is het noodzakelijk om te geloven in het leven na de dood. Dit komt doordat de mens van nature een afkeer heeft van niet-bestaan en de eeuwig wil van voortbestaan. De gedachte dat de dood het absolute einde zou zijn, is de grootste angst van de mens. Wanneer men gelooft in het leven na de dood, ervaart men het geluk van het oplossen van een groot probleem en het vinden van een antwoord op een moeilijke vraag. Dit geloof wekt hoop in alle zaken en brengt rust in het hart.
Het geloof dat de mens na de dood een eeuwig leven zal bereiken, verzekert niet alleen zijn geluk in het Hiernamaals, maar ook het besef dat hij in de aanwezigheid van Allāh rekenschap zal moeten afleggen, voorkomt in de samenleving het ontstaan van kwaad, onrust, onderdrukking, misdaad en onrechtvaardigheid. Het geloof in het Hiernamaals nestelt zich als een actieve waarschuwer in het hart van de mens en spoort hem voortdurend aan tot het verrichten van goede daden, het vermijden van het kwade, het verlaten van slechte gewoonten en het sieren van zichzelf met deugden. Het moedigt hem aan om zich te houden aan de waarheid en gerechtigheid en weerhoudt hem ervan de door Allāh gestelde grenzen te overschrijden, uit vrees voor Hem.
Een ander voordeel van het geloof in het Hiernamaals is dat het hoop vernieuwt, leed verlicht en een grote steun is bij het overwinnen van moeilijkheden.
ALLENDIX 14: GRAF EN QIYĀMAH
Het leven in het grafHet leven in het graf wordt vooral uitgelegd door de onsterfelijkheid van de ziel (rûh), daarom is het nuttig om eerst kort het onderwerp van de rûh te behandelen. Er is geen twijfel dat niet het lichaam, dat uit aarde is samengesteld, is dat het leven van de mens na de dood voortzet – hoewel de relatie met het lichaam op een bepaalde manier voortduurt – maar zijn werkelijkheid is zijn persoonlijkheid en rûh. Wat is dan de rûh?
De aard en onsterfelijkheid van de ziel (rûh)Het nadenken over de ziel door de mensheid is zo oud als de menselijke geschiedenis zelf. Sinds de mens zichzelf begon te begrijpen, heeft hij gevoeld dat zijn bestaan niet alleen uit het lichaam bestaat. Hij begonnen ook de tweede component, die zijn ware bestaan vormt, te onderzoeken. Want hoewel we alle organen van de mens aan hem toeschrijven – zoals de arm, het been, het hoofd, het oog – kunnen we geen van deze afzonderlijk als "mens" aanduiden. We noemen het een mens vanwege het geheel van deze organen en we verwijzen deze organen naar de mens. Elk van deze organen, wanneer afzonderlijk bekeken, is niet het individu zelf, en evenmin betekent het verdwijnen, rotten en tot aarde vergaan ervan betekent niet dat het individu verdwenen is. Daarom moet de mens naast zijn zichtbare lichaam ook een onzichtbaar bestaan hebben.
Bovenkant formulier
Een van de redenen die de mens heeft geleid tot het idee dat er naast hun materiële bestaan nog een ander (geestelijke) bestaan is, zijn dromen. Aangezien de mens niet in staat was om dromen met het fysieke lichaam te verklaren, dacht men dat er een tweede wezen was dat in dromen ronddwaalde. Vervolgens begon men de aard daarvan te onderzoeken. In de vroege tijden dacht men dat dit tweede wezen een bewegend lichaam was. Immers wanneer de ademhaling stopte, trad de dood in. En vanwege de dromen werd het beschouwd als een schaduwachtige geest. Dit idee leidde tot de opkomst van het geloof in ‘maatje’. (In primitieve samenlevingen werd dit tweede bestaan, dat apart van het lichaam werd beschouwd, "maatje’ genoemd. Men geloofde dat deze "maajet" tijdelijk in dromen van het lichaam scheidde en bij de dood voor altijd het lichaam verliet (zie Mehmet Taplamacıoğlu, Din Sosyolojisi, p. 67-70). Zelfs vandaag de dag zijn er miljoenen mensen over het Hellevuure wereld die geloven dat de ziel iets is als adem of lucht. Later zijn er verschillende opvattingen en theorieën over dit onderwerp ontstaan. Materialisten (naturalisten), die zeggen dat ze geen ander wezen kennen dan wat met de vijf zintuigen waargenomen kan worden. Ze ontkennen Allāh en de rûh omdat deze niet in het domein van experimentele wetenschap vallen. Dergelijke mensen beschouwen de mens alleen als een materieel wezen en proberen alles binnen het kader van materie te verklaren.
Degenen die het bestaan van de rûh accepteren, zijn verdeeld in verschillende denkrichtingen. Sommigen van hen heeft de aanwezigheid van het lichaam als noodzakelijk beschouwd opdat de rûh kan voortbestaan en zich kan manifesteren, en zij beweren dat de rûh, na het afsterven van het lichaam, niet in staat zou zijn om haar bestaan voort te zetten.
De materialistische of naturalistische denkers (geloven dat de natuur zelf de oorsprong en oorzaak is van alles wat bestaat) en de meeste positivisten (geloven dat de ware kennis uitsluitend gebaseerd moet zijn op empirische waarneming, wetenschappelijke methoden en logische analyse) en filosofen die onder hun invloed stonden, hebben de onsterfelijkheid van de ziel en het hiernamaals ontkend.
Omdat vele ervaringen het bestaan van de rûh hebben aangetoond, maar onderzoek naar de essentie ervan heeft geen positief resultaat opgeleverd. Ook degenen die zich in hetzelfde gebied onderzoek verrichten, hebben inmiddels toegegeven dat de rûh niet kan worden onderzocht. En er zijn ook die de rûh ontkennen maar ze kunnen de essentie ervan niet begrijpen.
In alle monotheïstische religies is het bestaan van de rûh met consensus aanvaard. Miljarden mensen die tot deze religies behoren, geloven hier dan ook in.
Vanaf de vroegste tijden zijn er verschillende denkers, wetenschappers en religieuze leiders geweest die verschillende hypothesen hebben ontwikkeld over de aard van de rûh. Hier vermelden we het vers uit de Qur’ān:
وَيَسۡـَٔلُونَكَ عَنِ ٱلرُّوحِۖ قُلِ ٱلرُّوحُ مِنۡ أَمۡرِ رَبِّي وَمَآ أُوتِيتُم مِّنَ ٱلۡعِلۡمِ إِلَّا قَلِيلٗا ٨٥
En zij vragen jou over de ziel (die het lichaam in leven houdt). Zeg: “De kennis over de ziel is bij mijn Heer. En van (Allāh’s verheven) kennis wordt jullie maar weinig gegeven. (el-İsra 17/85)
Na dit vers kunnen we stellen dat de kennis die ons is gegeven over rûh slechts bestaat uit de manifestaties van de rûh, laten we onze uitleg als volgt voortzetten:
We geloven dat de mens uit zowel rûh als lichaam bestaat en accepteren de eeuwigheid van de ziel na de dood, daarom geloven we in de toestanden na de dood. Zowel het leven in het graf en de barzākh-leven na de dood als de andere zaken van het Hiernamaals worden verklaard door de onsterfelijkheid van de rûh. Ongeacht waar en hoe de mens sterft, de staat of plaats van het lichaam, zal de rûh de mens blijven vertegenwoordigen en zijn bestaan blijven voortzetten. Het lichaam is uit aarde geschapen en keert terug naar de aarde maar de rûh zal nooit vergaan of verdwijnen.
Het bestaan en de aard van het grafleven
Het is niet mogelijk om het grafleven te ontkennen door te beweren dat de Qur’ān geen gedetailleerde uitleg geeft over de toestand van de overledene vanaf het moment van overlijden tot de Dag der Qiyāmah. Want alles wat met ondervraging in het graf, afrekening, bestraffing en beloning te maken heeft, is in de ahadieth terug te vinden. Zoals hierna verder zal worden toegelicht, bevatten sommige verzen duidelijke aanwijzingen over de toestanden in het graf. Het grafleven, ook wel bekend als het rijk der Barzākh (een tussentoestand tussen het leven op aarde en het Hiernamaals), begint na de dood en duurt voort tot de Dag des Wederopstanding (Ba`th), de dag dat de doden uit hun graf zullen herrijzen (ba‘th). Ongeacht of een overledene begraven is of niet, hij zal het leven in Barzākh ervaren. De dood is de weg naar de eeuwigheid en het graf is de eerste halte van het Hiernamaals. De eerste fase van beloning of bestraffing in het Hiernamaals begint in het rijk der Barzākh. Net zoals het in de Islām verplicht is om in het Hiernamaals en alles wat op die dag zal plaatsvinden te geloven, is het ook noodzakelijk om te geloven in het Barzākh-leven dat begint met het scheiden van de rûh van het lichaam en voortduurt tot de Qiyāmah.
En wat betreft de aard en kenmerken van het grafleven, hiermee wordt de relatie tussen de rûh en het lichaam in de rijk der Barzākh bedoeld. Islamitische filosofen hebben betoogd dat de rûh, nadat het lichaam heeft verlaten, noch in het graf noch op de Qiyāmah naar het lichaam zal terugkeren, en dat alle toestanden in deze beide werelden puur spiritueel van aard zullen zijn. Hoewel zij deze opvatting verdedigden om de eeuwigheid van Qiyāmah te waarborgen, heeft Imaam al-Ghazali hen als ongelovigen bestempeld omdat zij de lichamelijke Hashr (opstanding en verzameling van alle mensen op de Dag der Opstanding (Yawm al-Qiyāmah) voor de afrekening).
Ibn Hazm, Ibn Hubayrah en enkele andere geleerden zijn van mening dat de rûh, nadat deze van het lichaam is gescheiden, niet in het graf zal terugkeren, maar pas opnieuw met het lichaam verenigd zal worden na het blazen van de tweede bazuin om zich te verzamelen op de Mahshar (de verzamelplaats waar alle mensen en wezens op Yawm al-Qiyāmah (de Dag der Opstanding) bijeengebracht zullen worden na de baʿth (wederopstanding) om verantwoording af te leggen voor hun daden.)
De meerderheid van de geleerden binnen de soennitische traditie is echter van mening dat de dode in het graf zal worden ondervraagd, in staat zal zijn te beantwoorden, en dat hij de pijn van de bestraffing of de vreugde van de beloning in het graf zal ervaren.
In de Qur’ān staat:
وَأَنَّ ٱلسَّاعَةَ ءَاتِيَةٞ لَّا رَيۡبَ فِيهَا وَأَنَّ ٱللَّهَ يَبۡعَثُ مَن فِي ٱلۡقُبُورِ ٧
En dat het Uur zal komen, daar bestaat geen twijfel over. (En het staat vast) dat Allāh degenen die zich in de graven bevinden, zal doen herrijzen. (al-Haj 22:7)
De Goddelijke Almacht die in staat is om de doden op Yawm al-Qiyāmah (de Dag der Opstanding) tot leven te wekken, is uiteraard ook in staat om hen in hun graven tot leven te brengen op een manier die zij kunnen ervaren voor ondervraging, bestraffing of beloning. Degenen die geloven in de wederopstanding in het graf, verschillen echter van mening over hoe de rûh met het lichaam wordt verenigd:- Sommigen beweren dat de rûh volledig in het lichaam wordt teruggebracht. - Anderen zeggen dat de rûh slechts in die mate wordt teruggegeven dat de overledene de gebeurtenissen in het graf kan waarnemen en ervaren. - Weer anderen stellen dat het voldoende is om in de ondervraging, bestraffing en beloning in het graf te geloven, zonder verdere speculatie over de details, en dat men de precieze aard ervan aan Allāh moet overlaten.
Of de ondervraging, beloning en bestraffing nu alleen de rûh betreft, of het lichaam of beide, alles binnen Allāh’s macht. In dit geval is het de meest juiste weg om te geloven dat de ondervraging in het graf, de zegeningen en de bestraffing ervan waar en werkelijk zijn, en de aard ervan aan Allāh over te laten.
Echter, wanneer de wetenschappelijke discussie over dit onderwerp in overweging wordt genomen, is de meest aanvaardbare uitleg die ook de uitingen in de ahadieth omvat, namelijk dat de ziel het lichaam zodanig levendigheid verleent dat het de toestanden in het graf kan waarnemen.
Sommige geleerden hebben dit principe verwoord als: "De rûh wordt in zoverre aan het lichaam teruggegeven dat het in staat is de ondervraging te begrijpen en te beantwoorden."
Ongeacht of dit leven wordt hersteld in een volledig vergaan lichaam, of in slechts een deel ervan, of in een lichaam dat door verbranding is vernietigd, doet er uiteindelijk niet toe. Vrijwel alle geleerden, die een uitleg hierover hebben gegeven, hebben het grafleven vergeleken met de toestand van de slaap. De ervaringen in dromen wordt beschouwd als een soort parallel met het grafleven. Iedereen weet dat een slapend persoon in zijn droom vreugde of pijn kan ervaren, terwijl de mensen om hem heen zich daar niet van bewust zijn. Op dezelfde manier is het mogelijk dat de doden in het graf ondervraging ondergaan, beloning ontvangen of pijn lijden, zelfs als wij dit niet direct kunnen waarnemen. Dat wij deze realiteit niet met onze zintuigen kunnen waarnemen, betekent niet dat we haar moeten ontkennen. Eigenlijk zijn de zaken die ons over het bovenaardse rijk (Hiernamaals) zijn meegedeeld, beschreven in termen van de objecten en gebeurtenissen die we in deze wereld ervaren, zodat we ze kunnen begrijpen. Anders zouden we geen kennis kunnen hebben van dat rijk waarvan we geen ervaring hebben. Hoewel de toestanden na de dood niet volledig bekend zijn, heeft alles wat tot dat rijk behoort een voorbeeld in deze wereld.
We aanvaarden de verklaringen in de teksten (nass: Qur’ān en sunnah) die betrekking hebben op de zaken die Allāh en Zijn Boodschapper (صلى الله عليه وسلم ) hebben aangekondigd, waarbij ze deze hebben vergeleken met wereldse zaken.
Echter, we proberen niet alles in alle opzichten te vergelijken en te beweren dat ze precies hetzelfde zijn.
Kortom, of het nu gaat om de terugkeer van de rûh of door haar verbinding ermee, de dode in het graf krijgt een zekere mate van zintuigen en een vorm van leven, zodat hij de toestanden in het graf kan waarnemen. Hierdoor kan hij de ondervraging, de straf en de beloningen waarnemen.
De geleerden van Ahl as-Sunnah zijn het erover eens dat zo’n leven aan de dode zal worden gegeven. Dit leven kan zowel geestelijk als geestelijk en lichamelijk zijn. Beide opvattingen zijn door geleerden verdedigd. De opvatting dat het zowel geestelijk als lichamelijk is, sluit echter beter aan bij de letterlijke betekenis van de geopenbaarde teksten (nass). Daarom zullen we proberen de toestanden van het graf te verklaren binnen de eenheid van rûh en lichaam.
De toestanden in het grafHet graf en het rijk der Barzākh, waar de mens zal verblijven tussen de dood en de wederopstanding, vormt een aparte wereld waar het leven voornamelijk geestelijk wordt ervaren. Daarom verschilt het van zowel het Hiernamaals, waar het bestaan fysiek en eeuwig is, als van het wereldse leven. Vanwege deze scheidende rol wordt het leven in het graf ook wel het "Barzākh-leven" (het tussenleven) genoemd.
De toestanden in het graf bestaan uit drie aspecten: ondervraging, straf en beloning.
1. De ondervraging in het graf
Wanneer de overledene in het graf wordt gelegd, komen twee engelen, genaamd Munkar en Nakier, en vragen hem naar zijn Heer (Rab), zijn religie (dien) en zijn profeet (an-Nabie).
Allāh inspireert degenen die als mu’mins hebben geleefd en met geloof (iemaan) zijn gestorven, zodat zij de antwoorden moeiteloos kunnen geven. Vanaf dat moment zullen zij in een staat van vreugde en geluk zijn. Ze zullen wachten op de Dag der Opstanding (Yawmu’l Qiyāmah), verlangend naar hun uiteindelijke verblijfplaats in het Hiernamaals.
Degenen die geen geloof (in de Islām) hadden, in ongeloof (kufr) en opstandigheid (tegen Allāh) (`isyaan) hebben geleefd en in die staat zijn gestorven, zullen daarentegen enorme angst hebben voor de ondervraging. Ze zullen niet in staat zijn om de vragen van de engelen te beantwoorden. Ze zullen zeggen: "Ik weet het niet." Vanaf dat moment begint hun bestraffing. Telkens wanneer hen de plaats in het Hellevuur (Jahannam) wordt getoond, waar ze na de wederopstanding voor eeuwig zullen verblijven, zullen ze wensen dat de Dag des Oordeels nooit aanbreekt.
Ongeacht waar en hoe iemand sterft, zal elke persoon het bestaan van rijk der Barzākh beseffen en ondervraagd worden door de engelen Munkar en Nakier. Zelfs degenen die in het vuur zijn omgekomen, in zee zijn verdronken en door vissen zijn verslonden, of door roofdieren zijn verscheurd of gecremeerd of begraven zijn, zullen het leven in Barzākh ervaren.
Hoe de ondervraging precies plaatsvindt en hoe de overlevende zal beantwoorden, vooral bij mensen van wie het lichaam niet meer intact is of helemaal niets meer van over is, valt buiten onze menselijke vermogens om volledig te begrijpen en uit te leggen. Dit zijn zaken van het ongeziene rijk (ghayb), die we moeten accepteren zoals ze in de geopenbaarde teksten (nass: Qur’ān en sunnah) zijn beschreven.
De ondervraging in het graf is vastgesteld door ahadieth die de graad van mutawaatir in betekenis hebben bereikt. [(Ma`nawie mutawaatir is niet de exacte woorden van een hadieth is door een grote groep overgeleverd, maar wel de algemene betekenis of kernboodschap. Dit gebeurde doordat veel verschillende overleveraars meerdere ahadieth met een vergelijkbare betekenis doorgeven, waardoor er een zekere consensus is ontstaat.)] De geleerden van Ahl as-Soennah zijn het er unaniem over eens dat de ondervraging door Munkar en Nakier een vaststaand feit is.
Volgens verschillende Qur’ān tafsier (exegese) bronnen verwijst het onderstaande vers naar de ondervraging in het graf.
يُثَبِّتُ ٱللَّهُ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ بِٱلۡقَوۡلِ ٱلثَّابِتِ فِي ٱلۡحَيَوٰةِ ٱلدُّنۡيَا وَفِي ٱلۡأٓخِرَةِۖ وَيُضِلُّ ٱللَّهُ ٱلظَّٰلِمِينَۚ وَيَفۡعَلُ ٱللَّهُ مَا يَشَآءُ ٢٧
Allāh versterkt degenen die geloven met de standvastige uitspraak (de geloofsgetuigenis) tijdens het wereldse leven en in het Hiernamaals. En Allāh zal degenen die onrechtvaardig (kafir) zijn laten dwalen, en Allāh doet wat Hij wil. (Ibrahiem, 14:27)Volgens ahadieth die door Bara' ibn `Aazib (رضي الله عنه) zijn overgeleverd, heeft Rasulullah صلى الله عليه وسلم gezegd dat dit vers specifiek over de ondervraging in het graf is geopenbaard. En hij heeft gezegd dat met het woord “`âkhirah" in het vers wordt bedoeld dat de mu’min (de vragen) correct zal beantwoorden bij de ondervraging in het graf.
Samenvattend verwijst "de standvastige uitspraak" (al-qawli’th-thaabit) in dit vers naar de geloofsgetuigenis (kalimatu’sh shahadah en kalimatu’t tawhied), en "het Hiernamaals" (al `âkhirah) verwijst naar het graf. Tijdens de ondervraging zal de mu’min de kalimatu’t tawhied uitspreken, net zoals hij dat hier op aarde deed. Degenen die kalimatu’t tawhied in hun harten hebben geworteld, zullen tijdens de ondervraging niet in verwarring raken en zullen met de hulp van Allāh in staat zijn om hetgeen waarin ze geloven te zeggen. Maar degenen van wie het geloof (iemaan) niet diep in hun harten is doorgedrongen, zullen twijfelen, niet kunnen antwoorden en daardoor bestraffing ondergaan.
In sommige ahadieth staat alleen dat de ondervraging door engelen zal plaatsvinden, terwijl in andere ahadieth ook de namen en kenmerken van deze engelen vermelden worden. In een hadieth van Abu Hurayrah (رضي الله عنه) wordt vermeld dat deze engelen zwart van huid en blauwogig zijn en dat de een Munkar heet en de ander Nakier.
Omdat deze ondervragende engelen onbekend en angstaanjagend zijn voor mensen, worden ze in de ahadieth met deze namen aangeduid. Sommige geleerden van de Mu`tazilah secte interpreteren de naam Munkar als de twijfel van de ongelovige tijdens de ondervraging en Nakier als de plotselinge komst van de engelen of hun bestraffende houding tegenover de ongelovige.
De geleerden van Ahl as-Sunnah zijn het er unaniem over eens dat de vragen in het graf betrekking hebben op geloofszaken (i`tiqaad). Vanwege de variatie in de ahadieth verschillen de meningen echter over de specifieke inhoud van de vragen: of alle geloofszaken worden bevraagd of slechts een deel ervan. Volgens de tafsiergeleerde Imaam al-Qurtubie zijn de vragen afhankelijk van de persoon die wordt ondervraagd. In dat geval zijn de verschillen in de ahadieth toe te schrijven aan de verschillen tussen de mensen zelf, en is er geen sprake van tegenstrijdigheid.
De vragen zullen worden gesteld over zaken waarin mensen vaak tekortschieten, met name over geloof (iemaan) en tawhied (de eenheid van Allāh). Ze zullen in de eigen taal en op een manier worden gesteld die de persoon begrijpt en kan bevatten.
2. De bestraffing in het graf
Allāhu Ta`ala heeft bepaalde middelen geschapen om gelovigen te zuiveren van hun zonden. Degenen die tijdens hun leven geen berouw of vergiffenis (taubah wa’l istighfaar) hebben getoond en gevraagd, en wier zonden niet zijn uitgeboet door beproevingen en rampen die Allāh hen heeft opgelegd op aarde, zullen gezuiverd worden in het rijk der Barzākh. Degenen die daar nog niet gereinigd zijn, zullen dit ondergaan op de Dag des Oordeels en uiteindelijk, als laatste mogelijkheid, in het Hellevuur. Pas daarna zullen zij het Paradijs binnengaan, want het Paradijs is de verblijfplaats van de gereinigden.
Degene die tijdens zijn leven oprecht iemaan deed, maar niet in deze hoedanigheid (dus als niet mu’min) is gestorven, zal vanaf het moment van het Barzākh-leven voor eeuwig bestraft worden. De bestraffing of genade in het graf hangt dus af van iemands daden tijdens het wereldse leven. Met andere woorden, iedereen bereidt zijn eigen toestand voor, tijdens zijn leven op aarde, wat hij in Barzākh en Hiernamaals zal ontmoeten.
De geleerden van Ahl as-Sunnah zijn het er unaniem over eens dat ongelovigen en sommige zondige moslims bestraffing in het graf zullen ondergaan, terwijl oprechte en gehoorzame mu’mins daar gunsten zullen ontvangen. Dit baseren zij unaniem op de betekenissen van bepaalde verzen in de Qur’ān. Zo beschrijft Allāh in de tijd van Musa عليه السلام de toestand van de volgelingen van Fir`awn (Farao) na hun dood als volgt:
فَوَقَىٰهُ ٱللَّهُ سَيِّـَٔاتِ مَا مَكَرُواْۖ وَحَاقَ بِـَٔالِ فِرۡعَوۡنَ سُوٓءُ ٱلۡعَذَابِ ٤٥
ٱلنَّارُ يُعۡرَضُونَ عَلَيۡهَا غُدُوّٗا وَعَشِيّٗاۚ وَيَوۡمَ تَقُومُ ٱلسَّاعَةُ أَدۡخِلُوٓاْ ءَالَ فِرۡعَوۡنَ أَشَدَّ ٱلۡعَذَابِ ٤٦
Dus Allāh redde hem (de mu’min) van het kwade wat zij hadden beraamd, terwijl een kwade bestraffing het volk van Farao omringde.
Zij zullen aan het Vuur worden blootgesteld, in de ochtend en de middag.
En de Dag waarop het Uur valt (zal er tegen de Engelen gezegd worden): “Laat het volk van Farao de zwaarste bestraffing binnengaan!” (Ghaafir: 45-46)
Uiteindelijk beschermde Allāh de gelovige (mu’min) die zich bij Musa had aangesloten tegen de listen van Fir’awn en zijn volgelingen. Maar Fir’awn en zijn volk werden (na hun dood in het graf-leven) omringd door een strenge bestraffing: het Vuur waaraan zij elke ochtend en avond worden blootgesteld. En op de Dag dat het Uur zal aanbreken, zal er gezegd worden: “Laat het volk van Farao de zwaarste bestraffing binnengaan!”
Exegesewetenschappers (mufassiroen) zijn overeen dat ‘het Vuur worden blootgesteld, in de ochtend en de middag’, de bestraffing die hier wordt genoemd, namelijk de blootstelling aan het Vuur in de ochtend en avond, plaatsvindt in het rijk der Barzākh.
Bovendien hebben grote geleerden zoals Imam Bukhārî Abul Hasan al-Ash`arie en Abul Mu`ien an-Nasafie en vele andere geleerden bevestigen dat deze twee verzen expliciet wijzen op bestraffing in het graf. Het feit dat aan het einde van de betreffende verzen wordt vermeld dat zij op de Dag des Oordeels aan een nog zwaardere bestraffing zullen worden onderworpen, toont aan dat de bestraffing die zij daarvoor 's ochtends en 's avonds ondergingen de bestraffing in het graf is.
Een ander vers dat wijst op bestraffing in het graf, gaat over het volk van Noeh عليه السلام :
مِّمَّا خَطِيٓـَٰٔتِهِمۡ أُغۡرِقُواْ فَأُدۡخِلُواْ نَارٗا فَلَمۡ يَجِدُواْ لَهُم مِّن دُونِ ٱللَّهِ أَنصَارٗا ٢٥
Vanwege hun zonden werden zij verdronken en daarna lieten Wij hen het Vuur binnengaan, en zij vonden buiten Allāh geen helpers. (Noeh: 25)
Hieruit blijkt dat zij onmiddellijk na hun verdrinking in het Vuur werden geworpen, wat duidt op bestraffing in het rijk van Barzākh.
Nadat in de Qur’ān is verklaard dat sommige bedoeïenen en sommige inwoners van Madienah hypocrieten zijn:نَحۡنُ نَعۡلَمُهُمۡۚ سَنُعَذِّبُهُم مَّرَّتَيۡنِ ثُمَّ يُرَدُّونَ إِلَىٰ عَذَابٍ عَظِي
… Wij zullen hen tweemaal straffen en daarna zullen zij worden teruggevoerd naar een grote bestraffing. (at-Tawbah: 101)
Islamitische geleerden hebben op basis van het versdeel, "Daarna zullen zij aan een grote bestraffing worden onderworpen", geconcludeerd dat de twee eerder genoemde bestraffingen andere zijn dan de bestraffing van het Hellevuur en dat één ervan verwijst naar het leven in het graf. Zij zijn het er unaniem over eens dat één van deze bestraffingen in de wereld zal plaatsvinden en de andere in het graf.
Excegese- (tafsier) en geloofsleer (`aqiedah)geleerden noemen ook andere verzen die wijzen op het bestaan van de bestraffing in het graf.
Wat betreft de ahadieth met betrekking tot dit onderwerp, hoewel ze qua keten en tekst tot de categorie âhâd zijn (ahadieth in elke generatie door een beperkt aantal vertellers zijn overgeleverd ), hebben ze gezamenlijk de status van ma`nawie mutawaatir. Daarom accepteren alle Ahl as-Sunnah-geleerden het bestaan van bestraffing in het graf.
Zo verrichtte Rasulullah صلى الله عليه وسلم een begrafenis-salaah en bad:
"O Allāh! Bescherm hem tegen de bestraffing van het graf." (Muslim, Janaiz, 26)
Daarnaast beval hij zijn gemeenschap (ummah) het volgende gebed (du`aa’) te zeggen:
"Wanneer iemand van jullie zijn salaah beëindigt, laat hem dan toevlucht zoeken bij Allāh tegen vier zaken: de bestraffing van het Hellevuur, de bestraffing van het graf, de beproevingen van de levenden en de doden, en de beproeving van de messias Dajjaal.”(Muslim, Mesacid, 25; İbn Mājah, İkame, 26; Ahmad b. Hanbal, al-Musnad, II, 237.)
De Islamitische geleerden hebben op basis van ahadith vastgesteld dat bepaalde zonden een oorzaak kunnen zijn van bestraffing in het graf, zoals:
Onzorgvuldig omgaan met urineren. (İbn Mājah, Taharah, 26; Ahmad b. Hanbal, al-Musnad, II, 388).
Overlijden met schulden. (İbn Mājah, Sadakaat, 12)
Weeklagen over de overledene.( Bukhârî,, Janaiz, 33; Muslim, Janaiz, 9.)
Leugens vertellen.
De Qur’ān lezen zonder ernaar te handelen.
Ontucht plegen.
Rente (riba) nemen/geven. (Bukhârî,, Janaiz, 92, Ta`bir, 48)
Deze ahadieth tonen aan dat het graf de eerste fase is van het Hiernamaals en dat de bestraffing en gunsten daar afhangen van iemands daden in het wereldse leven.
3. De zegeningen van het graf
Een van de geloofspunten met betrekking tot het grafleven is dat Allāhu Ta`ala de mu’mins in de Barzākh zal belonen met gunsten. Het bestaan van deze zegeningen is bevestigd door verzen uit de Qur’ān en ahadieth die de graad van ma`nawie mutawaatir (mutawatir in betekenis) hebben bereikt. De bestraffing in het graf is onder te verdelen in tijdelijke en permanente straf, echter de beloning in het graf zal voortduren tot de Dag des Opstanding.Deze gunsten zijn niet alleen voor degenen die in een graf zijn begraven of alleen voor hen die verantwoordelijk zijn (mukallaf).
Degenen die het verdienen, zullen deze zegeningen ontvangen, zelfs als zij niet in een graf liggen. Daarnaast moet worden opgemerkt dat de Qur’ān duidelijk maakt dat degenen die het goede doen en degenen die het kwade doen, zowel in het wereldse leven als daarna, niet gelijk zullen worden behandeld.
أَمۡ حَسِبَ ٱلَّذِينَ ٱجۡتَرَحُواْ ٱلسَّيِّـَٔاتِ أَن نَّجۡعَلَهُمۡ كَٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَعَمِلُواْ ٱلصَّٰلِحَٰتِ سَوَآءٗ مَّحۡيَاهُمۡ وَمَمَاتُهُمۡۚ سَآءَ مَا يَحۡكُمُونَ ٢١
Of dachten degenen die slechte daden verricht hebben, dat Wij hen hetzelfde zullen behandelen als degenen die geloofden en goede daden verricht hebben, zowel in hun leven als in hun sterven? Verkeerd is het oordeel dat zij vellen. (al-Jaathiyah 45/21
Daarom moeten degenen die zonden hebben begaan bestraft worden, terwijl degenen die geloven en goede daden verrichten, beloond zullen worden.
In de Qur’ān wordt vermeld dat degenen die op de weg van Allāh worden gedood – oftewel martelaren – niet dood zijn, maar levend en begunstigd worden door Allāh.
وَلَا تَحۡسَبَنَّ ٱلَّذِينَ قُتِلُواْ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ أَمۡوَٰتَۢاۚ بَلۡ أَحۡيَآءٌ عِندَ رَبِّهِمۡ يُرۡزَقُونَ ١٦٩
Denk maar niet dat degenen die om het leven kwamen op de Weg van Allāh (omwille van hun godsdienst), daadwerkelijk zijn gestorven. Zeker niet! Hun zielen zijn springlevend bij hun Heer en zij worden voorzien (van hemelse vruchten). (Aali Imraam 3/169)
Dit vers verwijst naar een periode vóór de Dag der Opstanding, namelijk het leven in de Barzākh, en bevestigt dus de beloning in het graf. In een ander vers staat:
وَلَا تَقُولُواْ لِمَن يُقۡتَلُ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ أَمۡوَٰتُۢۚ بَلۡ أَحۡيَآءٞ وَلَٰكِن لَّا تَشۡعُرُونَ ١٥٤
En zeg niet van degenen die op Allāh’s weg zijn gedood: “Zij zijn dood.” Nee, zij leven, maar jullie beseffen (het) niet. (al Baqarah 2/154)
Volgens de Ahl as-Sunnah geleerden gaat dit vers over een werkelijk leven en de voorziening in het Barzākh-leven continueert. Deze verzen omvatten ook andere mu’mins die niet gestraft zullen worden in het grafleven. Daarom zullen niet alleen martelaren, maar alle mu’mins – naar hun niveau en status – beloond worden in het graf en rijk der Barzākh. De martelaren worden speciaal genoemd vanwege hun verheven status bij Allāh.
An-Nabie صلى الله عليه وسلم zei in een hadieth:
"De rûh van de mu’min zal een vogel zijn die zich voedt van de bomen van het Paradijs, totdat hij op de Dag der Opstanding terugkeert naar zijn lichaam." (İbn Mace, Zuhd, 32; Malik b. Anas, al-Muvatta`, Cenaiz, 16; Nesai, Janaiz, 117.)
Dit bevestigt dat gehoorzame mu’mins ook in het graf beloond zullen worden. Daarnaast heeft Rasulullah صلى الله عليه وسلم het graf van een mu’min vergeleken met een tuin van de tuinen van het Paradijs, wat een bewijs is voor het bestaan van de zegeningen in het graf. (Tirmidhî, Qiyāmah, 14 ) Een duister en nauw graf dat verandert in een prachtige tuin is immers een van de grootste gunsten.
Er zijn ook ahadieth die aangeven dat het graf voor de mu’min verlicht zal worden, wat opnieuw wijst op de beloning in het graf.
Verschillende hadiethbronnen vermelden de gunsten die mu’mims in het grafleven zullen ontvangen. Bijvoorbeeld:
De rûh van de mu’min wordt door engelen van genade naar de zeven hemelen verheven.
Na de ondervraging in het graf wordt de mu’min zijn plaats in het Paradijs getoond en wordt er een deur naar het Paradijs geopend, waardoor de geur van het Paradijs zijn graf bereikt.
Het graf wordt voor hem verruimd en verlicht.
De mu’min in de Barzākh zal 's ochtends en 's avonds zijn plaats in het Paradijs getoond krijgen.
Appendix 15: Het Hiernamaals (de Qiyāmah)
In de taalkundige betekenis betekent ‘Qiyāmah’ "opstaan" of "overeind staan". In islamitische terminologie heeft het twee betekenissen:
Het vergaan van de natuurlijke orde van de wereld.
De wederopstanding van alle overleden en verdwenen wezens, gevolgd door hun reis naar de verzamelplaats (mahshar).
De hier besproken Qiyāmah betreft de algemene vernietiging van de wereld en de wederopstanding, wat de grote Qiyāmah wordt genoemd. Er is ook een kleine Qiyāmah, namelijk de dood van elk individu.
A. Het tijdstip van de opstanding (Qiyāmah)De term Qiyāmah verwijst meestal naar de ineenstorting van de wereldorde, oftewel het aanbreken van de Dag des Opstanding. In de Qur’ān zegt Allāh:إِنَّ ٱللَّهَ عِندَهُۥ عِلۡمُ ٱلسَّاعَةِ
"Waarlijk, Allāh, bij Hem (alleen) is de kennis over het Uur (van de Qiyāmah…). (Loqmaan 31/34)
وَتَبَارَكَ ٱلَّذِي لَهُۥ مُلۡكُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِ وَمَا بَيۡنَهُمَا وَعِندَهُۥ عِلۡمُ ٱلسَّاعَةِ وَإِلَيۡهِ تُرۡجَعُونَ ٨٥
En gezegend is Degene aan Wie het koninkrijk van het Paradijsen en de aarde behoort, en alles wat daar tussen is. En bij Wie de kennis van het Uur is en tot Wie jullie (allen) zullen terugkeren. (Az Zukhruf 43/85)
يَسۡـَٔلُكَ ٱلنَّاسُ عَنِ ٱلسَّاعَةِۖ قُلۡ إِنَّمَا عِلۡمُهَا عِندَ ٱللَّهِۚ وَمَا يُدۡرِيكَ لَعَلَّ ٱلسَّاعَةَ تَكُونُ قَرِيبًا ٦٣
De mensen vragen je over het Uur, zeg: “De kennis daarvan is alleen bij Allāh.” Jij weet het niet. Het kan zijn dat het Uur nabij is! (al Ahzaab 33/63)
Ondanks dit zijn mensen bezig geweest met het zoeken naar aanwijzingen over wanneer de Qiyāmah zal plaatsvinden. Ze hebben verschillende middelen aangesproken om dit te leren. Rasulullah صلى الله عليه وسلم werd deze vraag vaak gesteld, en Allāh beval hem als volgt te antwoorden:
يَسۡـَٔلُكَ ٱلنَّاسُ عَنِ ٱلسَّاعَةِۖ قُلۡ إِنَّمَا عِلۡمُهَا عِندَ ٱللَّهِۚ وَمَا يُدۡرِيكَ لَعَلَّ ٱلسَّاعَةَ تَكُونُ قَرِيبًا ٦٣
De mensen vragen je over het Uur, zeg: “De kennis daarvan is alleen bij Allāh.” Jij weet het niet. Het kan zijn dat het Uur nabij is! (al Ahzaab 33/63)
Voor de mens is het belangrijker om zich niet bezig te houden met wat onmogelijk te weten is, dan zich voor te bereiden op de Qiyāmah en de daaropvolgende afrekening. Allāh, Die in alles een wijsheid heeft, heeft de tijd van de Qiyāmah niet bekendgemaakt aan de mensen. Dit heeft ook een diepere wijsheid: in feite begint de Qiyāmah van een individu bij zijn dood. Daarom moet men altijd voorbereid zijn op zowel de Qiyāmah als de dood.
Rasulullah صلى الله عليه وسلم werd eens door iemand gevraagd: Wanneer zal de Qiyāmah plaatsvinden?" Waarop hij antwoordde:
Wat heb jij ervoor voorbereid? ( Ahmad b. Hanbal, al-Musnad, III, 192, 202.)
Hiermee benadrukte hij dat het niet gaat om het kennen van het tijdstip, maar om het klaar zijn voor dat moment.
APPENDIX 16: Tekenen van de Qiyāmah (de Laatste Dag)Tot nu toe is uitgelegd dat niemand behalve Allāh de tijd van de Laatste Dag kent en dat ieders persoonlijke einde met zijn dood zijn Qiyāmah plaatsvindt. De reden hiervoor is dat de menselijke wil, die zowel tot goed als kwaad in staat is, niet onder druk wordt gezet. Het is de bedoeling dat de mens in het kader van dit wereldse leven zijn toekomst naar eigen wil voorbereidt, net zoals hij zijn eeuwige leven voorbereidt met dezelfde wil. In de Qur’ān worden er veel uitspraken gedaan over de komst van de Dag der Opstanding (de Uur) en de ontzagwekkende gebeurtenissen die ermee gepaard gaan, maar de exacte tijd wordt niet bekendgemaakt
Het feit dat Muhammad عليه السلام de laatste van de profeten (Khātam an-Nabiyyīn) is (zie al-Ahzaab 33/40), toont aan dat deze wereld haar laatste fase is ingaan.
Rasulullah صلى الله عليه وسلم heeft hierover gezegd: "De tijd tussen mijn zending als an-Nabie en de Laatste Dag is zo kort als de afstand tussen deze twee vingers." (Bukhârî,, Rikak, 39; Muslim, Fiten, 132-135)
Dit moet meteen worden opgemerkt: ondanks dat er sinds deze profetische uitspraak veertien eeuwen zijn verstreken, is het niet vreemd dat de Dag der Opstanding nog steeds niet is gekomen.
Dit komt doordat het begrip 'tijd' in deze context verwijst naar geologische tijd, oftewel de vorming van het zonnestelsel, de aarde en de maan. Wetenschappers die zich met dit onderwerp bezighouden, beschouwen tijdsperiodes van 1000 of 2000 jaar als verwaarloosbaar in geologische berekeningen.
Geleerden die zich met de tekenen van de Qiyāmah hebben beziggehouden, hebben bepaalde gedragingen zoals overmatig drankgebruik, overspel, moord, de toename van zondes en verder het toename van het aantal vrouwen in verhouding tot mannen, en de toename van rijkdom, beschouwd als tekenen van de Qiyāmah (de Laatste Dag). Ze hebben hiervoor ook bewijzen uit hadieth verzamelingen aangehaald. Echter, het is vanuit sociologische realiteiten niet mogelijk om te stellen dat de ontwikkelingen in de meer dan tien eeuwen die zijn verstreken sinds het opnemen van dergelijke ahadieth in de hadiethbronnen voortdurend negatief zijn geweest. Integendeel, soms keren de gebeurtenissen in het voordeel van de Islām en de moslims, en soms in hun nadeel.
Het moet hier ook worden herinnerd dat de Islām sinds zijn ontstaan voortdurend is versterkt, zich heeft verspreid en grote hoop heeft gewekt voor de toekomst. Tegenwoordig blijft het aantal mensen dat zich bekeert tot de Islām wereldwijd toenemen, wat een positieve trend is voor de Islām. De groei van het aantal mensen die de Islām omarmen is constant, wat wijst op de voortdurende aantrekkingskracht van de Islām. Tegelijkertijd is het aantal vrijwillige en weloverwogen afvalligheid (irtidah) uiterst laag, wat aangeeft dat de stabiliteit en vastberadenheid van de gelovigen in de Islām over de tijd heen niet significant zijn afgenomen.
Het aanbreken van de QiyāmahWanneer de tijd van de Laatste Dag aanbreekt, zal de engel Isrāfīl عليه السلام, een van de vier grote engelen, op de Sûr (bazuin) blazen, zoals Allāh heeft bevolen. De precieze aard van deze Sûr, die wordt omschreven als een "hoornvormige bazuin", is alleen bij Allāh bekend.
Wanneer er op de Sûr wordt geblazen, zal alles wat zich in het Paradijsen en op aarde bevindt, behalve degenen die Allāh wil sparen, sterven. Bij de tweede blaas zal de Qiyāmah plaatsvinden: de rûhs zullen terugkeren naar hun lichamen en de mensheid zal weer tot leven komen.
De Qur’ān vermeldt:
وَنُفِخَ فِي ٱلصُّورِ فَصَعِقَ مَن فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَمَن فِي ٱلۡأَرۡضِ إِلَّا مَن شَآءَ ٱللَّهُۖ ثُمَّ نُفِخَ فِيهِ أُخۡرَىٰ فَإِذَا هُمۡ قِيَامٞ
يَنظُرُونَ ٦٨
En er zal op de bazuin geblazen worden, waarop alles wat in het Paradijsen en op aarde is zal bezwijken, behalve (voor) wie Allāh wil (dat deze blijft leven). Dan zal er een tweede maal geblazen worden en dan zullen zij staan en wachten. (Az-Zumar 39/68)
Uit dit vers blijkt dat bij de eerste blaas de Qiyāmah aanbreekt, terwijl bij de tweede blaas de wederopstanding voor de Mahshar plaatsvinden. Hoeveel tijd er tussen deze twee momenten zit, is onbekend.
De Qur’ān beschrijft de gebeurtenissen van de Qiyāmah in veel verzen als huiveringwekkend en angstaanjagend. Enkele verzen luiden:
إِذَا ٱلسَّمَآءُ ٱنفَطَرَتۡ ١
Wanneer het Paradijs gespleten wordt.
وَإِذَا ٱلۡكَوَاكِبُ ٱنتَثَرَتۡ ٢
En als de sterren vallen.
وَإِذَا ٱلۡبِحَارُ فُجِّرَتۡ ٣
En als de zeeën overstromen.
وَإِذَا ٱلۡقُبُورُ بُعۡثِرَتۡ ٤
En als de graven zich omkeren.
عَلِمَتۡ نَفۡسٞ مَّا قَدَّمَتۡ وَأَخَّرَتۡ ٥
Dan weet de ziel wat zij heeft verricht en wat zij nagelaten heeft. (Infitaar 82/1-5)
Dit toont aan dat er tijdens het aanbreken van de Qiyāmah enorme kosmische veranderingen zullen plaatsvinden en dat zowel het Paradijs als de aarde van vorm zullen veranderen.
Na de Qiyāmah zal de wederopstanding en verzameling op de Mahshar-vlakte plaatsvinden, gevolgd door de verdere gebeurtenissen van het Hiernamaals.
APPENDIX 17: WEDEROPSTAND EN TOESTANDEN VAN HET HIERNAMAALS (`AKHIRAH)
Wederopstand na de dood: ba`thHet woord ba`th betekent in de taalkundige zin "zenden, tot leven wekken". In termen verwijst het naar de wederopstanding die Allāh verricht om het leven in het Hiernamaals te laten beginnen.
De Qur’ān behandelt het thema van het Hiernamaals veelvuldig, vooral in de Makkaanse sura's, waarbij de boodschap krachtig en herhaaldelijk wordt overgebracht. Imām al-Ghazālî vermeldt dat er meer dan 100 termen en uitdrukkingen in de Qur’ān worden gebruikt om het geloof in het Hiernamaals te benadrukken. Deze goddelijke teksten, zijn unieke voorbeelden op het gebied van fasahah (vloeiende, duidelijke en heldere spraak) en balaagah (retoriek, welsprekendheid of indrukwekkende communicatie) dat ze de mensen waarschuwen die altijd onder de indruk van de materialistische aantrekkingskracht staan en daardoor het idee van de wederopstanding na de dood vergeten,
Deze goddelijke teksten hebben een stijl en schoonheid die uniek zijn in hun welsprekendheid en effectiviteit bij het herinneren aan de Qiyāmah en het Hiernamaals.
De mogelijkheid en bewijsvoering van de Wederopstanding (ba`th)Vanuit rationeel oogpunt is de Wederopstanding mogelijk en hierover zijn vele verzen in de Qur’ān te vinden. Eén van de verzen luidt:
يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّاسُ إِن كُنتُمۡ فِي رَيۡبٖ مِّنَ ٱلۡبَعۡثِ فَإِنَّا خَلَقۡنَٰكُم مِّن تُرَابٖ ثُمَّ مِن نُّطۡفَةٖ ثُمَّ مِنۡ عَلَقَةٖ ثُمَّ مِن مُّضۡغَةٖ مُّخَلَّقَةٖ وَغَيۡرِ مُخَلَّقَةٖ لِّنُبَيِّنَ لَكُمۡۚ وَنُقِرُّ فِي ٱلۡأَرۡحَامِ مَا نَشَآءُ إِلَىٰٓ أَجَلٖ مُّسَمّٗى ثُمَّ نُخۡرِجُكُمۡ طِفۡلٗا ثُمَّ لِتَبۡلُغُوٓاْ أَشُدَّكُمۡۖ وَمِنكُم مَّن يُتَوَفَّىٰ وَمِنكُم مَّن يُرَدُّ إِلَىٰٓ أَرۡذَلِ ٱلۡعُمُرِ لِكَيۡلَا يَعۡلَمَ مِنۢ بَعۡدِ عِلۡمٖ شَيۡـٔٗاۚ وَتَرَى ٱلۡأَرۡضَ هَامِدَةٗ فَإِذَآ أَنزَلۡنَا عَلَيۡهَا ٱلۡمَآءَ ٱهۡتَزَّتۡ وَرَبَتۡ وَأَنۢبَتَتۡ مِن كُلِّ زَوۡجِۭ بَهِيجٖ ٥
O mensheid, als jullie de Wederopstanding in twijfel trekken.
(Weet dan) waarlijk, dat Wij jullie (stamvader Adam) uit aarde hebben geschapen, daarna van mannelijk zaad (versmolten met) een vrouwelijke eicel, daarna van een bloedklonter, daarna van een klompje vlees, gedeeltelijk gevormd en gedeeltelijk ongevormd, als een verduidelijking voor jullie. En Wij bepalen wie voor een vastgestelde termijn in de baarmoeder blijft, en dan doen Wij jullie (de baarmoeder) als baby’s verlaten, opdat jullie de leeftijd van volle kracht en rijpheid bereiken. En onder jullie zijn er die (op jonge leeftijd) van het leven worden ontnomen en onder jullie zijn er die een heel hoge leeftijd bereiken, totdat dementie optreed nadat hij kennis heeft gehad.
En jullie zien de aarde levenloos, maar zodra Wij er water op doen neerdalen beweegt zij zich en zwelt op en brengt allerlei schitterende plantensoorten voort.
ذَٰلِكَ بِأَنَّ ٱللَّهَ هُوَ ٱلۡحَقُّ وَأَنَّهُۥ يُحۡيِ ٱلۡمَوۡتَىٰ وَأَنَّهُۥ عَلَىٰ كُلِّ شَيۡءٖ قَدِيرٞ ٦
Dat is omdat Allāh de Waarheid is en omdat Hij Degene is Die het leven geeft aan de doden en omdat Hij Degene is Die tot alle dingen in staat is.
وَأَنَّ ٱلسَّاعَةَ ءَاتِيَةٞ لَّا رَيۡبَ فِيهَا وَأَنَّ ٱللَّهَ يَبۡعَثُ مَن فِي ٱلۡقُبُورِ ٧
En dat het Uur zal komen, daar bestaat geen twijfel over. (En het staat vast) dat Allāh degenen die zich in de graven bevinden, zal doen herrijzen.
Uit dit goddelijke Woord worden drie duidelijke bewijzen genoemd: de mens, de aarde en het water.
De schepping en ontwikkeling van de mens is een duidelijk teken voor wie geloof wil hechten aan Allāh en de Laatste Dag. Want de vorming van de mens in de moederschoot, zijn geboorte, de stadia van zijn ontwikkeling, ouderdom en dood, gebeuren allemaal buiten zijn controle.
Net zo ziet de mens dat droge, dode aarde tot leven komt wanneer er regen op valt, Hij observeert voortdurend hoe het tot leven komt en zich ontwikkelt, en wat hem bereid en aangeboden is voor de voortzetting van zijn leven. In dit alles heeft de persoon geen enkele bijdrage in het kader van het scheppen uit niets. Dit alles is dus het meest zekere rationele bewijs van de opstanding die Allāh heeft beloofd.
De Aard van de wederopstanding (ba`th)De Ahl as-Sunnah geleerden zijn unaniem over eens dat de wederopstanding zal plaatsvinden met zowel de rûh als het lichaam.
Allāh zegt in de Qur’ān:
وَهُوَ ٱلَّذِي يَبۡدَؤُاْ ٱلۡخَلۡقَ ثُمَّ يُعِيدُهُۥ وَهُوَ أَهۡوَنُ عَلَيۡهِۚ وَلَهُ ٱلۡمَثَلُ ٱلۡأَعۡلَىٰ فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِۚ وَهُوَ ٱلۡعَزِيزُ ٱلۡحَكِيمُ ٢٧
En Hij is Degene Die de schepping vormt, en het daarna herhaalt en dat is voor Hem nog gemakkelijker. Aan Hem behoren de meest verheven eigenschappen in het Paradijsen en op aarde. En Hij is de Almachtige, de Alwijze. (ar Roem 30/27)
قَدۡ عَلِمۡنَا مَا تَنقُصُ ٱلۡأَرۡضُ مِنۡهُمۡۖ وَعِندَنَا كِتَٰبٌ حَفِيظُۢ ٤
Wij weten wat de aarde van hen zal wegnemen en aan Onze zijde is een Boek dat nauwkeurig bijgehouden wordt. (Qaaf 50/4)
بَلَىٰ قَٰدِرِينَ عَلَىٰٓ أَن نُّسَوِّيَ بَنَانَهُۥ ٤
Ja, Wij zijn in staat om zijn vingertoppen (opnieuw) volmaakt te vormen. (al Qiyāmah 75/4)
Sommige islamitische filosofen dachten dat het leven in het Hiernamaals volgens de natuurwetten van deze wereld zou verlopen en beweerden dat een lichaam dat tot stof is vergaan niet opnieuw geschapen kan worden. Daarom dachten zij dat de Qiyāmah slechts in het rijk van de rûh niveau zou plaatsvinden.
Imām al-Ghazālî oordeelde echter dat degenen die de lichamelijke wederopstanding ontkennen, afdwalen van de Qur’ān en de ahadieth en zo in ongeloof vervallen.
Veel van de persoonlijkheidstheorieën die sinds de 20e eeuw zijn gepresenteerd, proberen de integriteit van de geest-lichaam relatie te behouden.(M.a.w. dat de mens een eenheid van lichaam en geest is)
Een hedendaagse theoretische natuurkundige zei:
"Een lichamelijk bestaan in een door God geschapen nieuwe wereld is logischer dan een louter spiritueel bestaan. Wat de religie wederopstanding noemt, is noch betekenisloos, noch onmogelijk."
De lichamelijke wederopstanding is onlosmakelijk verbonden met de menselijke aard. De mens is een combinatie van lichaam en rûh en kan zonder lichaam in het Hiernamaals geen volledig bestaand individu zijn.
Een leven dat iemand op alle vlakken tevredenstelt, moet eigenschappen hebben die het gewenste resultaat kunnen opleveren op het gebied van gevoelens en emoties, die het gevoel van realiteit bij hem opwekken. Voor de realisatie hiervan wordt het logischer dat de wederopstanding samen met het lichaam plaatsvindt, dan alleen geestelijk (rûh).
APPENDIX 18: Verzameling (hashr) en verzamelplaats (mahshar)
Het woord ‘hashr’ betekent in de taalkundige zin "een groep met dwang uit hun plaats halen en op een plein verzamelen". In islamitische terminologie verwijst het naar de bijeenkomst van alle herrezen wezens op de Dag der Opstanding, om rekenschap af te leggen.
In de Qur’ān wordt dit moment beschreven als:
ذَٰلِكَ يَوۡمٞ مَّجۡمُوعٞ لَّهُ ٱلنَّاسُ
… Dat is een Dag waarop de mensheid zal worden verzameld … (Hud 11/103)
En verder wordt over Hashr gezegd:
يَوۡمَ يَجۡمَعُكُمۡ لِيَوۡمِ ٱلۡجَمۡعِۖ ذَٰلِكَ يَوۡمُ ٱلتَّغَابُنِۗ وَمَن
(Gedenk) de Dag wanneer Hij jullie (allen) bijeen zal brengen voor de Dag van de verzameling dat zal de Dag van wederzijds verlies en winst zijn. …(at-Tagabun 64/9)
ثُمَّ نُفِخَ فِيهِ أُخۡرَىٰ فَإِذَا هُمۡ قِيَامٞ يَنظُرُونَ ٦٨…Dan zal er een tweede maal geblazen worden en dan zullen zij staan en wachten. (az-Zumar 39/68)
وَنُفِخَ فِي ٱلصُّورِ فَإِذَا هُم مِّنَ ٱلۡأَجۡدَاثِ إِلَىٰ رَبِّهِمۡ يَنسِلُونَ ٥١En er wordt op de bazuin geblazen, daarop snellen zij uit de graven naar hun Heer. (Yasin 36/51)
Op de Dag der Opstanding zal Allāh Ta’âlâ de aarde veranderen zoals Hij wil, en de verzamelplaats (Mahshar) zal, zoals Rasulullah صلى الله عليه وسلم heeft beschreven, "een witte en glanzende vlakte zijn, als een dunne laag brood gemaakt van zuivere tarwebloem, zonder enige kenmerken zoals bergen, dalen of planten. (Bukhârî,, Rikak, 44)
Op deze verzamelplaats zullen engelen, djinn en mensen samenkomen. Onder de mensen zullen zowel de jonge als de oude, de verstandigen als de krankzinnigen allen bijeengebracht worden. Ook de dieren zullen aanwezig zijn.
Voor de verantwoordelijke schepselen (mukallaf), zoals mensen en djinn, is het verzamelen bedoeld voor de afrekening (hasaab).
Voor de dieren is het doel dat zij hun rechten onderling vereffenen (qisās). Nadat dit is gebeurd, zullen de dieren tot stof worden.
Op dat moment zullen de ongelovigen zeggen: وَيَقُولُ ٱلۡكَافِرُ يَٰلَيۡتَنِي كُنتُ تُرَٰبَۢا ٤٠En de ongelovige zal zeggen: “Wee mij! Was ik maar aarde. (an-Naba’78/40) uit angst voor de straf die hen te wachten staat.
Volgens ahadieth van Rasulullah صلى الله عليه وسلم zullen de mensen bijeengebracht worden zoals zij bij hun eerste schepping waren: Zonder schoenen, onbesneden zoals bij de eerste schepping, naakt en zonder lichamelijke gebreken. (Bukhârî,, Rikak, 45; Muslim, Jannah, 41)
Tijdens het wachten in mahshar zal de zon dichtbij worden gebracht, en de mate waarin mensen zweten zal afhangen van hun daden in het wereldse leven. Sommigen zullen tot hun enkels, anderen tot hun knieën, en sommigen zelfs tot hun mond in het zweet staan.( Bukhârî,, Zakaah, 52; Muslim, Jannah, 62.)
Op deze angstige dag zal Allāh zeven groepen mensen onder Zijn Troon schaduw schenken:
Een rechtvaardige heerser.
Een jongere die opgroeide in aanbidding van Allāh.
Iemand wiens hart verbonden is aan de moskee.
Twee mensen die elkaar liefhebben omwille van Allāh en samenkomen en scheiden om deze reden.
Iemand die een hooggeplaatste en mooie vrouw afwijst die hem uitnodigt tot zonde en zegt: "Ik vrees Allāh."
Iemand die in het geheim liefdadigheid geeft, zodat zijn linkerhand niet weet wat zijn rechterhand geeft.
Iemand die in eenzaamheid Allāh gedenkt en wiens ogen zich vullen met tranen. (Bukhârî,, Adhan, 36; Muslim, Zuhd, 91; Tirmidhî, Zuhd, 53)
Op de Mahshar zal iedereen samengebracht worden met degenen die zij in de wereld volgden:
يَوۡمَ نَدۡعُواْ كُلَّ أُنَاسِۭ بِإِمَٰمِهِمۡۖ
(En gedenk) de Dag wanneer Wij alle mensen met hun leider zullen oproepen. (al-Israa (17:71)
De mensen zullen zich verzamelen in groepen op basis van hun geloof en daden.
De volgelingen van Fir’awn zullen bijvoorbeeld achter hem staan en met hem samen in het Hellevuur worden geworpen:
يَقۡدُمُ قَوۡمَهُۥ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ فَأَوۡرَدَهُمُ ٱلنَّارَۖ وَبِئۡسَ ٱلۡوِرۡدُ ٱلۡمَوۡرُودُ ٩٨
Hij (Fir’awn ) zal vόόr zijn volk lopen op de Dag der Opstanding en hen in het vuur leiden. En slecht is zeker de plaats waar hij hen leidt. (Hud 11/98)
De verzamelplaats zal een angstaanjagende en benauwende plek zijn. Iedereen zal smeken dat de Grote Rechtszaak snel begint, zodat de afrekening kan plaatsvinden. De mensheid zal de grote profeten benaderen, te beginnen met Adam عليه السلام, om bij Allāh te bemiddelen (shafa`ah). Echter, geen van hen zal durven bij Allāh te bemiddelen, behalve Rasulullah صلى الله عليه وسلم, die uiteindelijk een lange smeekbede zal verrichten, waarna Allāh de afrekening zal laten beginnen.(De hadieth die bekendstaat als de "Shafâ`ah al-Kubrâ hadieth" (de hadith over de Grote Bemiddeling) is te vinden in. Sahieh al-Bukhârî,).
Op die dag zal de onrechtvaardige op zijn hand bijten (en smekend zeggen):
وَيَوۡمَ يَعَضُّ ٱلظَّالِمُ عَلَىٰ يَدَيۡهِ يَقُولُ يَٰلَيۡتَنِي ٱتَّخَذۡتُ مَعَ ٱلرَّسُولِ سَبِيلٗا ٢٧
يَٰوَيۡلَتَىٰ لَيۡتَنِي لَمۡ أَتَّخِذۡ فُلَانًا خَلِيلٗا ٢٨
En (gedenk) de dag waarop de onrechtvaardige op zijn handen zal bijten en zal zeggen: “Oh! Had ik maar de Weg met de Boodschapper genomen!
Ah! Wee mij! Had ik maar niet zo’n ongelovige tot boezemvriend genomen! (el-Furkan 25/27-28)
APPENDIX 19: HET BASSIN VAN KAWTHAR
De term Hawdh al-Kawthar verwijst naar een bassin waarin water uit de rivier Kawthar wordt verzameld. In de Qur’ān wordt de term hawdh (bassin) niet expliciet genoemd, maar wel Kawthar:
إِنَّآ أَعۡطَيۡنَٰكَ ٱلۡكَوۡثَرَ ١
Voorwaar, Wij hebben jou de Kawthar gegeven! (al Kawthar 108-1)
Volgens interpretaties verwijst Kawthar naar het hemelse bassin of een rivier in het Paradijs. Op de `ākhirah zal elke profeet een bassin hebben waarvan hij en degenen uit zijn gemeenschap die Allāh het toestaat, zullen drinken.
Rasulullah صلى الله عليه وسلم heeft gezegd dat hij zijn gemeenschap aan de rand van zijn bassin zal verwelkomen en degenen die langs komen, zullen drinken van het water van de Hawdh en ze zullen nooit meer dorst hebben.( Bukhârî,, Rikak, 53)
In een hadieth zei Rasulullah صلى الله عليه وسلم:Mijn bassin heeft een rand is zo lang als een reis van een maand. Het water is witter dan melk, de geur is aangenamer dan muskus, en de bekers zijn talrijker dan de sterren aan het Paradijs. Wie ervan drinkt, zal nooit meer dorstig zijn. (Muslim, Fazail, 9; Tirmidhî, Qiyamah, 14, 15.)
APPENDIX 20: De voorspraak (shafâ‘ah)
Het woord shafâ‘ah betekent letterlijk “bemiddeling” of “voor iemand pleiten”. In Islamitische terminologie verwijst het naar het verzoek om vergeving voor zondige mu’mins of het verhogen van de status van degenen zonder zonden, met de toestemming van Allāh.
Volgens de leer van Ahl as-Sunnah is er voorspraak mogelijk voor mu’mins die grote zonden hebben begaan. Rasulullah صلى الله عليه وسلم zei:Mijn voorspraak is er ook voor degenen uit mijn gemeenschap die grote zonden hebben begaan.
(Abu Dawud, Sunnet, 21; İbn Mājah, Zuhd, 37; Tirmidhî, Qiyamah, 11; Ahmad b. Hanbal, al-Musnad, III, 213.)
Daarnaast heeft Rasulullah صلى الله عليه وسلم gezegd dat elke profeet een speciale smeekbede heeft die gegarandeerd wordt verhoord, en dat hij die van hem zal bewaren om op de Laatste Dag (`ākhirah ) als voorspraak voor zijn gemeenschap. (Bukhârî,, Daawat,1; Muslim, Iman, 86)
Onder degenen die voorspraak zullen doen, noemde Rasulullah صلى الله عليه وسلم de profeten, geleerden en martelaren. (İbn Mājah, Zuhd, 37)
De betreffende personen zullen in het Hiernamaals de bevoegdheid die hun wordt gegeven in het voordeel van de mensen gebruiken, voor hen bemiddelen en Allāh aanroepen.
De groepen voor wie voorspraak zal worden gedaan op de `ākhirah :
Op de Dag van Mahshar zullen alle mensen zich verzamelen op het A'rasat-plein en de moeilijkheden van het lange wachten ervaren. Hij (صلى الله عليه وسلم ) zal Allāh smeken om zo snel mogelijk ter verantwoording te worden geroepen. (Bukhârî, Zakât, 52)
De bemiddeling voor een groep mu’mins, zodat zij zonder rekenschap te hoeven afleggen het Paradijs mogen binnengaan.
De bemiddeling voor sommige zondaars, zodat zij, ondanks dat zij het Hellevuur (Jahannam) hebben verdiend, er niet in zullen worden toegelaten.
De bemiddeling opdat de mu’mins die het Hellevuur zijn binnengegaan, daaruit bevrijd zullen worden. (Bukhârî, Rikak, 51.)
De bemiddeling om de status en rangen van het Paradijsbewoners in Jannah te verhogen..
De bemiddeling van Rasulullah صلى الله عليه وسلم voor een groep uit zijn ummah, van wie de zonden zwaarder wegen dan hun goede daden..
Volgens de Ahl-i Sunnah geleerden is bemiddeling een waarheid, het zal plaatsvinden, en het is een middel van redding voor degenen die om bemiddeling vragen en voor wie het toegestaan is om bemiddeld te worden.
Echter, voor de ongelovige (kâfir) en hypocriet (munâfik) is er geen bemiddeling die hen tot redding zal leiden.
Zoals vermeld in de Qur’ān:
فَمَا تَنفَعُهُمۡ شَفَٰعَةُ ٱلشَّٰفِعِينَ ٤٨
Dus is geen bemiddeling of geen bemiddelaar voor hen (ongelovigen) van enig nut. (al-Mudathir, 74:48).
[Opmerking: Niemand uit de profeten, laat staan uit de anderen, zal tot Allaah kunnen spreken ten aanzien van iemand die tot de ongelovigen behoren, omdat zij weten, dat het Woord van de straf reeds vaststaat over hen en dat Allaah daartoe geen verlof geeft. Hij heeft gezegd: مَن ذَا ٱلَّذِي يَشۡفَعُ عِندَهُۥٓ إِلَّا بِإِذۡنِهِۦۚWie kan bij Hem bemiddelen zonder Zijn toestemming?(Baqarah 2/255), en يَوۡمَئِذٖ لَّا تَنفَعُ ٱلشَّفَٰعَةُ إِلَّا مَنۡ أَذِنَ لَهُ ٱلرَّحۡمَٰنُ وَرَضِيَ لَهُۥ قَوۡلٗا ١٠٩Op die Dag zal er geen bemiddeling bestaan, behalve die (bemiddeling) voor hem, aan wie de Barmhartige toestemming geeft en wiens woorden Hem welgevallen. (Taa Haa, 20/109)]
De Mu'taziliten hebben de bemiddeling verworpen vanwege de bezorgdheid dat het in strijd zou zijn met de goddelijke gerechtigheid. Aan de andere kant omarmen de Sjiieten de bemiddeling als een belangrijk concept.
Het is echter belangrijk om te benadrukken dat het vertrouwen op de bemiddeling van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم ) op de Dag des Oordeels niet mag leiden tot verwaarlozing van de Islamitische verplichtingen. Het juiste gedrag is om in deze wereld inspanning te leveren, waakzaam te zijn met betrekking tot de goddelijke geboden en verboden, en oprecht te streven naar de goedkeuring van Allāh Ta'âlâ. De bemiddeling kan alleen worden behaald door diegenen die in hun daden oprecht zijn en streven naar het naleven van de Islamitische normen.
APPENDIX 21: al-A`rāfHet woord A`rāf betekent letterlijk "muur", "kasteel toren" of "de hoogste top van een berg". In Islamitische context verwijst het naar de hoge afscheiding tussen het Paradijs en het Hellevuur. Degenen wiens goede en slechte daden in evenwicht zijn, zullen hier tijdelijk verblijven voordat zij uiteindelijk het paradijs binnengaan.
In de Qur’ān is er een hoofdstuk genaamd surah al-A`rāf, waarin een dialoog wordt beschreven tussen de mensen van het Paradijs, het Hellevuur en de A`rāf bevinden.(al-A`raf 7/44-51)
Over wie precies tot de mensen van A'rāf behoort, bestaan verschillende meningen. - Sommige geleerden stellen dat het degenen zijn die noch tot het paradijs noch tot het Hellevuur worden toegelaten, zoals kinderen van polytheïsten die vóór de puberteit stierven en mensen die in een periode van fatrah (tussenperiode) leefden, waarin geen openbaring of boodschapper direct tot hen was gezonden.- De meest geaccepteerde mening is echter dat de A`rāf bestemd is voor mu’mins van wie de goede en slechte daden precies in evenwicht zijn. Volgens de deze mening, die beter aansluit bij de Qurān en ahadieth, zijn de bewoners van A`rāf mu’mins van wie de goede en slechte daden, alsook hun beloningen en zonden, in balans zijn. Zulke mensen zullen enige tijd op A`rāf verblijven, waarna er een oordeel over hen geveld zal worden en zij het Paradijs zullen binnengaan.
APPENDIX 22: Al-Jahannam (het Hellevuur)In de Qur’ān worden zowel het Hellevuur als het Paradijs in een parallelle stijl beschreven. Rasulullah صلى الله عليه وسلم heeft in ahadieth ook details over beiden vermeld. Geleerden hebben deze informatie verder uitgewerkt op basis van ahadieth en rationele en spirituele interpretaties.
A.
Namen van het HellevuurHet Hellevuur, waarin ongelovigen (kuffār), hypocrieten (munafiqoen) en polytheïsten (mushrikoen) voor eeuwig zullen verblijven, en waarin sommige zondige moslims tijdelijk gestraft zullen worden, wordt in de Qur’ān met verschillende namen aangeduid. De meest herhaalde en algemene term is an-Nār (het Vuur). Zo worden in dezelfde verzen ook de uitdrukkingen ashâbu’l-jannah" (de bewoners van het Paradijs) en ashâbu’n-nâr (de bewoners van de Hel) genoemd. (zie el-A`raf 7/44 en 50)
Een vers vermeldt:
لَهَا سَبۡعَةُ أَبۡوَٰبٖ لِّكُلِّ بَابٖ مِّنۡهُمۡ جُزۡءٞ مَّقۡسُومٌ ٤٤
Zij heeft zeven poorten, aan iedere poort is er een klasse toegewezen. (al-Hijr 15/44)
Hieruit hebben geleerden zeven bekende namen van het Hellevuur afgeleid:
Jahannam: de algemene naam voor het Hellevuur en de bovenste laag ervan. Volgens de opvatting van de geleerden van Ahl as-Sunnah is dit het hoogste gedeelte van het Hellevuur, waar de bestraffing het lichtst is en waar zondige moslims hun straf ondergaan. Wanneer hun bestraffing eindigt, zal deze plek leeg raken.
Jahīm: een laaiend vuur met een hoge temperatuur en een zeer hete plaats. Het komt voor in de Qur’ān en in sommige ahadieth. In de Qur’ān wordt het zowel op zichzelf gebruikt (zie eş-Shuara 26/91; al-Vakı`a 56/94. ) als in uitdrukkingen zoals "adhâbu’l-jahîm" (de bestraffing van de Hel) (zie ad-Duhan 44/56) en "ashâbu’l-jahîm" (de bewoners van de Hel) (al-Baqarah 2/119)
Hāwiya: Een diepe afgrond gevuld met laaiend vuur: فَأُمُّهُۥ هَاوِيَةٞوَمَآ أَدۡرَىٰكَ مَا هِيَهۡ نَارٌ حَامِيَةُۢ
Zijn toevlucht is de Hel. En wat laat jou weten wat zij is? Dat is een laaiend Vuur! ( el-Qaria 101/9, 11)
Hutama – Een verpletterend vuur dat diep doordringt tot in de harten:
كـَلَّاۖ لَيُنۢبَذَنَّ فِي ٱلۡحُطَمَةِ ٤
وَمَآ أَدۡرَىٰكَ مَا ٱلۡحُطَمَةُ ٥
نَارُ ٱللَّهِ ٱلۡمُوقَدَةُ ٦
ٱلَّتِي تَطَّلِعُ عَلَى ٱلۡأَفۡـِٔدَةِ ٧Het Vuur dat Allah heeft aangestoken. En wat laat jou weten wat het verpletterende Vuur is?
Nee! Waarlijk, hij zal in het verpletterende Vuur gegooid worden.
Wat naar hun harten opspringt. (al-Humazah 104/4-7)
Lazā – Een vlammend vuur dat de hoofdhuid wegrukt.كـَلَّآۖ إِنَّهَا لَظَىٰ ١٥ نَزَّاعَةٗ لِّلشَّوَى١٦
In geen geval! Waarlijk, het zal het Hellevuur zijn!
Die de hoofdhuid wegrukt. (al-Ma`arij 70/15-16)
Sa`īr – Een voortdurend brandend vuur die in de Qurān en ahadieth wordt (zie al-Haj 22/4; Lokman 31/21; Saba’ 34/12; Tirmidhie, Daawat, 30)
Saqr – Een vuur dat niet dooft en de huid verschroeit.
وَمَآ أَدۡرَىٰكَ مَا سَقَرُ ٢٧لَا تُبۡقِي وَلَا تَذَرُ ٢٨لَوَّاحَةٞ لِّلۡبَشَرِ ٢٩
En wat laat jou precies weten wat het Hellevuur is?Zij (de Hel) laat niet (onverteerd) achter en zij laat niet met rust.
Zij verschroeit (de huid) van de mens. (al-Muddathir 74/27-29)
Andere termen die in de Qur’ān voor het Hellevuur worden gebruikt, zijn onder meer `azāb al-harīq (brandende bestraffing) (zie Al-i İmran 3/181; al-Anfal 8/50.)hamīm (kokend water) (zie al-An`am 6/70; al-Haj 22/19)samoem (hete wind) (zie at-Tur 52/27; al-Waqi`ah 56/42)sijjīn (een gevangenis of een diepe afgrond) (zie al-Mutaffifin 83/7-8.)wayl (wee) (zie İbrahiem 14/2; Maryam 19/34) dār al-bawār (de woonplaats van vernietiging) (zie İbrahiem 14/28)sûu’d-dâr (slechte woonplaats) (zie ar-Ra`d 13/25)asfalu’s-Sâfilîn (het laagste van het laagste). (zie at-Tin 95/5.)
De verschillende namen, die betrekking hebben op vuur, n beschrijvingen duiden op de verschillende niveaus en soorten bestraffingen binnen het Hellevuur.
De kwellingen van het Hellevuur
In de verzen over het Hellevuur worden vooral de straffen beschreven die mensen zullen ondergaan in overeenstemming met de zonden die zij op aarde hebben begaan. De meeste van deze straffen worden uitgevoerd met vuur en kokend water. Naast deze fysieke straffen wordt ook beschreven over geestelijke kwellingen. De mensen van het Hellevuur worden vernederd. (Yunus 10/27); Ze worden onderworpen aan de woede van Allāh. (al-Mu’min 40/10.); Ze worden bespot en bekritiseerd. (al-İsra’ 17/18)Voordat ze in het Hellevuur geworpen worden. Ze zullen het Hellevuur vinden als een vulkaan die lavastromen uitspuwt (zie Mursalāt 77/32) die hun gezichten verbrandt, hun ledematen afscheurt, hun vlees verteert en hun ingewanden doet smelten. De mensen van het Hellevuur zullen zich bevinden in een verzengende hitte en kokend water, onder een schaduw van zwarte rook die geen verkoeling biedt. Wanneer hun huid is verbrand, zal er een nieuwe huid worden geschapen zodat ze de pijn voor altijd blijven voelen. (zie an-Nisa’ 4/56)
De dood zal hen van alle kanten omsingelen, maar ze zullen haar niet kunnen proeven. In het Hellevuur zal men hevig verlangen naar de dood, maar die zal er niet zijn. (zie al-A`la 87/13) De inwoners van het Hellevuur zullen niet kunnen sterven om (aan hun pijn) te ontsnappen, noch zal hun leven een leven genoemd kunnen worden. Eén van hun voedselbronnen is de boom van Zaqqum, waarvan de vruchten lijken op de hoofden van de duivels. (zie as-Saffat 37/65; el-Waqi`ah 56/52) Wie hiervan eet, zal extreme dorst krijgen en zich als een dorstige kameel op het water storten, maar het enige wat hij zal vinden is kokend water. (zie al-Waqi`ah 56/53-55)
۞ هَٰذَانِ خَصۡمَانِ ٱخۡتَصَمُواْ فِي رَبِّهِمۡۖ فَٱلَّذِينَ كَفَرُواْ قُطِّعَتۡ لَهُمۡ ثِيَابٞ مِّن نَّارٖ يُصَبُّ مِن فَوۡقِ رُءُوسِهِمُ ٱلۡحَمِيمُ ١٩
يُصۡهَرُ بِهِۦ مَا فِي بُطُونِهِمۡ وَٱلۡجُلُودُ ٢٠
وَلَهُم مَّقَٰمِعُ مِنۡ حَدِيدٖ ٢١
كُلَّمَآ أَرَادُوٓاْ أَن يَخۡرُجُواْ مِنۡهَا مِنۡ غَمٍّ أُعِيدُواْ فِيهَا وَذُوقُواْ عَذَابَ ٱلۡحَرِيقِ ٢٢
Deze twee tegenstanders redetwisten met elkaar over hun Heer. Voor degenen die ongelovig zijn zal er kleding van vuur uitgesneden worden, kokend water zal over hun hoofden uitgegoten worden. Daarmee zal alles wat in hun buiken is smelten of verdwijnen, en ook (hun) huiden.En voor hen zijn er kromme ijzeren staven. Iedere keer als zij daarvan weg proberen te komen, uit leed, worden zij daartoe terug gedreven en (er zal) tegen hen gezegd worden: Proef de bestraffing van het branden! (al-Haj 22/19-22)
Kortom, het Hellevuur is een wereld van vuur: het voedsel, het drinken, de vruchten en alle consumptiemiddelen daar zijn van vuur. Het vuur is overal en voor iedereen, maar de intensiteit van de straf is afhankelijk van de slechte daden die men heeft begaan. Een kāfir is niet als een mu’min, en een mu’min is niet als een hypocriet.
إِنَّ ٱللَّهَ لَعَنَ ٱلۡكَٰفِرِينَ وَأَعَدَّ لَهُمۡ سَعِيرًا ٦٤
خَٰلِدِينَ فِيهَآ أَبَدٗاۖ لَّا يَجِدُونَ وَلِيّٗا وَلَا نَصِيرٗا ٦٥
يَوۡمَ تُقَلَّبُ وُجُوهُهُمۡ فِي ٱلنَّارِ يَقُولُونَ يَٰلَيۡتَنَآ أَطَعۡنَا ٱللَّهَ وَأَطَعۡنَا ٱلرَّسُولَا۠ ٦٦
وَقَالُواْ رَبَّنَآ إِنَّآ أَطَعۡنَا سَادَتَنَا وَكُبَرَآءَنَا فَأَضَلُّونَا ٱلسَّبِيلَا۠ ٦٧رَبَّنَآ ءَاتِهِمۡ ضِعۡفَيۡنِ مِنَ ٱلۡعَذَابِ وَٱلۡعَنۡهُمۡ لَعۡنٗا كَبِيرٗا ٦٨
Waarlijk, Allah heeft de ongelovigen vervloekt en heeft voor hen een laaiend vuur voorbereid.Daarin zullen zij voor altijd verblijven en zij zullen geen beschermers noch helpers vinden.Op de Dag dat hun gezichten zullen worden rondgedraaid in de Hel zullen zij zeggen: “Oh hadden wij Allah maar gehoorzaamd en hadden wij de Boodschapper maar gehoorzaamd.”En zij zullen zeggen: “Onze Heer! Waarlijk wij hebben onze leiders gehoorzaamd en onze notabelen, en zij hebben ons van de Weg misleid.Onze Heer! Geef hen een dubbele bestraffing en vervloek hen met een machtige vervloeking. (el-Ahzab 33/64-68)
Naast fysieke straffen zullen er in het Hellevuur ook geestelijke straffen zijn, zoals de wanhoop van degenen die beseffen dat hun hoop is vervlogen en dat ze van Allāh's genade zijn uitgesloten. De grootste geestelijke kwelling in het Hellevuur is het onvermogen om Allāh's Aangezicht te aanschouwen. De mensen van het Hellevuur zullen verstoken blijven van deze zegening, (zie el-Mutaffifin 83/15) terwijl hun kwelling in verschillende vormen zonder onderbreking zal voortduren. Ze zullen smeken om de dood en zich wenden tot Mâlik, de leider van de bewaker van het Hellevuur, om voor hen te bemiddelen bij Allāh om hun straf te verlichten.
وَنَادَوۡاْ يَٰمَٰلِكُ لِيَقۡضِ عَلَيۡنَا رَبُّكَۖ قَالَ إِنَّكُم مَّٰكِثُونَ ٧٧
En zij zullen roepen: “O Malik! (bewaker van de Hel) Laat jou Heer een einde aan ons maken.” Hij zal zeggen: “Waarlijk, jullie zullen hier voor altijd verblijven.” (az-Zuhruf 43/77)
Er is onder de geleerden discussie geweest over de vraag of het Paradijs en het Hellevuur al bestaan en waar ze zich bevinden. De aanhangers van de sekte stromingen Jahmiyyah, Mu`tazilah en Kharijyah beweren dat de schepping van het Paradijs en het Hellevuur voor de Dag des Oordeels zinloos zou zijn, en daarbij is er een vers (zie al-Qasas 28/88 ) dat vermeldt dat alles op die dag zal vergaan. Hiermee is het bewijs geleverd dat ze nog niet zijn geschapen. De Ahl as-Sunnah geleerden zijn het er echter over eens dat zowel het Paradijs als het Hellevuur al geschapen zijn en op dit moment bestaan. Zij baseren dit onder andere op het feit dat Adam عليه السلام en Hawwa (رضي الله عنها) in het Paradijs werden geschapen en daarvandaan op aarde werden neergezonden. (zie al-Baqarah 2/30-38) Daarnaast wordt in de Qur’ān over het Paradijs en het Hellevuur gesproken in de verleden tijd, waarmee wordt aangeduid dat zij al eerder voor mu’mins en kuffār zijn voorbereid. (zie Al-i İmran 3/131, 133) Bovendien heeft Rasulullah (صلى الله عليه وسلم ) tijdens de nachtreis (Mi`raaj) het Paradijs en het Hellevuur gezien. Al deze bewijzen wijzen erop dat het Paradijs en het Hellevuur momenteel bestaan.
Wat betreft de vraag waar deze zich bevinden: aangezien er geen expliciete openbaring (nass: Qur’an en ahadieth) over is, is het meest passend om dit aan Allāh over te laten. Wij hebben geen enkele mogelijkheid om hier kennis over te verwerven, en onze kennis over het universum beperkt zich tot slechts enkele planeten. Wat we wel zeker weten, is dat het Paradijs en het Hellevuur er altijd zijn geweest, op dit moment bestaan en eeuwig zullen blijven bestaan. Het Hellevuur bevindt zich beneden, terwijl het Paradijs zich in de hoogste regionen, boven de zeven hemelen, bevindt.
Na de bespreking van al-A`raf en het Hellevuur is het nu tijd om te spreken over het eeuwige verblijfsoord van de mu’mins: het Paradijs.
APPENDIX 23: Het Paradijs
In de woordenboeken is het woord jannah (paradijs) een naam die is afgeleid van de stam jann, wat "bedekken, verbergen" betekent, en het verwijst naar een tuin waarvan de grond bedekt is met planten en bomen. Dat de verblijfplaats van mu’mins in het Hiernamaals deze naam heeft gekregen, kan komen doordat het Paradijs qua uiterlijk op de tuinen van de wereld lijkt, of omdat de unieke zegeningen daar verborgen zijn voor het menselijk begrip.
Allāh heeft het Paradijs voorbereid als eeuwige verblijfplaats voor Zijn dienaren die tijdens hun leven vasthielden aan de geloofsleer van de eenheid van Allāh (tawhied), die vroom, (muttaqie) rechtschapen (saalih), geliefd (wali), martelaar (shahid), waarachtig (siddieq), profeet (nabie) of boodschapper (rasul) waren. Het paradijs is een geschenk van Allāh, voortkomend uit Zijn genade, goedheid en vrijgevigheid, voor degenen die in Hem geloven (iemaan) en rechtschapen daden verrichten die Zijn welbehagen verdienen. (zie an-Nisaa’ 4/69-70; al-Mu`minun 23/1-11)
Het Paradijs wordt beschreven als zo ruim als de hemelen en de aarde (zie Al-i İmran 3/133), oftewel zo groot als het menselijk denkvermogen zich kan voorstellen. Het bevindt zich op een zeer hoge plaats, in een oneindige nieuwe dimensie van tijd en ruimte, maar de Kursie (Stoel) en de `Arsh (Troonzetel) van Allāh bevinden zich boven het Paradijs. In een vers van de Qur’ān wordt vermeld dat het Paradijs zich naast de Sidrat al-Muntahā bevindt:
وَلَقَدۡ رَءَاهُ نَزۡلَةً أُخۡرَىٰ ١٣عِندَ سِدۡرَةِ ٱلۡمُنتَهَىٰ ١٤عِندَهَا جَنَّةُ ٱلۡمَأۡوَىٰٓ ١٥
En voorwaar, hij (Muhammed) zag hem (Jibriel) ook bij een tweede afdaling.In de buurt van de lotusboom (de Sidrah al-Muntahā )waar niemand voorbij mag gaan.
In de buurt daarvan is de Tuin van de Verblijfplaats (Jannat al-Ma’wā). (an-Najm 53:13-15)
an-Nabie صلى الله عليه وسلم zei in een hadieth:
Jibriel bracht mij tot de Sidrah al-Muntahā, die bedekt was met kleuren die ik nog nooit had gezien. Op dat moment betrad ik het Paradijs en zag ik zijn grond, die naar muskus rook, en zijn hemel, die uit parels bestond.
(Bukharie, Salat, 79; Enbiya, 85; Muslim, Iman, 103; Ahmed b. Hanbal, al-Musnad, V, 144)
Ook is vermeld dat in het graf van de mu’mins een raam geopend wordt naar het Paradijs, dat de rûhs van de mu’mins, en in het bijzonder van de martelaren, daar als vogels in de bomen vliegen en genieten van de zegeningen van het Paradijs. (Malik b. Anas, Muvatta’, Cenaiz, 109; Ahmad b. Hanbal, al-Musnad, I, 107)
Namen van het Paradijs
Om het rijk van de eeuwige gelukzaligheid te beschrijven, komt het woord "jannah" het meest voor het Paradijs. Zowel in de Qur’ān als in de ahadieth van an-Nabie صلى الله عليه وسلم صلى الله عليه وسلم wordt het Paradijs meestal aangeduid met het woord cennet (paradijs). Daarnaast worden er verschillende andere namen gebruikt, sommige afzonderlijk en andere in combinatie.
Firdaus: Dit woord betekent "een wijngaard of tuin met druiven". In de Qur'aan wordt het zowel samen met het woord "jannah" gebruikt als "jannâtu'l-firdaus", alsook afzonderlijk. (zie al-Kahf 18/107; al-Mu`minun 23/11)
‘Adn: Dit betekent "verblijfsparadijzen" en komt in de Qur’ān voor als Jannāt ‘Adn. (at-Tawbah 9/72; al-Kahf 18/31)
Na‘īm: Dit woord duidt op alle schoonheid en genot die vreugde en rust brengen. In de Qur’ān wordt het gebruikt in de termen Jannah al-Na‘īm (zie ash-Shuara 26/85 ) en Jannāt al-Na‘īm (al-Maidah 5/65). Het wordt ook genoemd als tegenhanger van Jahīm, een van de namen van het Hellevuur. (zie al-İnfitār 82/13.)
Ma’wā: Dit betekent "verblijfplaats" en wordt in de Qur’ān zowel voor het Paradijs als voor het Hellevuur gebruikt. (an-Naziāt 79/37-41)
Rawda: Dit woord betekent "groene tuin met overvloedige waterbronnen" en wordt in de Qur’ān gebruikt als Rawdāt al-Jannāt . (zie ash-Shura 42/22) en soms afzonderlijk als synoniem voor het Paradijs (ar-Rum 30/15)
Dār as-Salām: Dit betekent "het land van vrede en veiligheid" en wordt in de Qur’ān genoemd als een naam voor het paradijs. (zie al-En`am 6/127; Yunus 10/25)
Dār al-Muqāmah: Dit betekent "de werkelijke verblijfplaats, het eeuwige thuis" en wordt in de Qur’ān als volgt genoemd:
وَقَالُواْ ٱلۡحَمۡدُ لِلَّهِ ٱلَّذِيٓ أَذۡهَبَ عَنَّا ٱلۡحَزَنَۖ إِنَّ رَبَّنَا لَغَفُورٞ شَكُورٌ ٣٤
ٱلَّذِيٓ أَحَلَّنَا دَارَ ٱلۡمُقَامَةِ مِن فَضۡلِهِۦ لَا يَمَسُّنَا فِيهَا نَصَبٞ وَلَا يَمَسُّنَا فِيهَا لُغُوبٞ ٣٥وَٱلَّذِينَ كَفَرُواْ لَهُمۡ نَارُ جَهَنَّمَ لَا يُقۡضَىٰ عَلَيۡهِمۡ فَيَمُوتُواْ وَلَا يُخَفَّفُ عَنۡهُم مِّنۡ عَذَابِهَاۚ كَذَٰلِكَ نَجۡزِي كُلَّ كَفُورٖ ٣٦En zij zullen zeggen: “Alle lofprijzingen en dankbetuigingen zijn voor Allah, Die van ons (alle) droefheid verwijderd heeft. Waarlijk, onze Heer is zeker Vergevingsgezind, Meest Waarderend. Hij, Die ons door Zijn genade deze werkelijke verblijfplaats heeft toegewezen, waarin ons geen last, noch vermoeienis raakt.Maar degenen die ongelovig zijn, voor hen zal het vuur van de Hel zijn. En er is geen beschikking (om dood te gaan) voor hen bepaald, zodat zij zullen sterven, noch zal de bestraffing voor hen verlicht worden. Dus Zo vergelden Wij elke ongelovige!
(Fatır 35/34-35)
Andere namen die in de Qur’ān worden genoemd zijn Jannat al-Khuld ("het eeuwige paradijs") (zie al-Furqān 25/15), Maqām Amīn ("veilige verblijfplaats") (zie ad-Dukhān 44/51) en Husnā ("de beste beloning" die Allāh schenkt aan degenen die goede daden verrichten). (zie Yunus 10/26)
Al deze namen kunnen namen of eigenschappen van het Paradijs zijn, maar ze kunnen ook gebruikt zijn om naar verschillende aspecten ervan te verwijzen.
De geneugten van het Paradijs
In het paradijs zijn er zowel fysieke als geestelijke geneugten die afhankelijk zijn van de daden van de mensen in deze wereld. De Qur’ān en de ahadieth beschrijven de zegeningen van het paradijs zo uitgebreid dat het zelfs moeilijk is om ze volledig te begrijpen of voor te stellen.
Op de Dag des Opstanding zullen degenen die rechtschapen daden hebben verricht hun boek van daden in hun rechterhand ontvangen en tot de eersten behoren die zich in de Jannat an-Na‘īm bevinden, dichtbij Allāh. (zie al-Waqi`ah 56/8-12)
Het paradijs wordt dichterbij gebracht voor de vromen en godvrezenden (muttaqien). (zie Qāf 50/31) In de Qur’ān staat:
يَوۡمَ تَرَى ٱلۡمُؤۡمِنِينَ وَٱلۡمُؤۡمِنَٰتِ يَسۡعَىٰ نُورُهُم بَيۡنَ أَيۡدِيهِمۡ وَبِأَيۡمَٰنِهِمۖ بُشۡرَىٰكُمُ ٱلۡيَوۡمَ جَنَّٰتٞ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهَا ٱلۡأَنۡهَٰرُ خَٰلِدِينَ فِيهَاۚ ذَٰلِكَ هُوَ ٱلۡفَوۡزُ ٱلۡعَظِيمُ ١٢
يَوۡمَ يَقُولُ ٱلۡمُنَٰفِقُونَ وَٱلۡمُنَٰفِقَٰتُ لِلَّذِينَ ءَامَنُواْ ٱنظُرُونَا نَقۡتَبِسۡ مِن نُّورِكُمۡ قِيلَ ٱرۡجِعُواْ وَرَآءَكُمۡ فَٱلۡتَمِسُواْ نُورٗاۖ فَضُرِبَ بَيۡنَهُم بِسُورٖ لَّهُۥ بَابُۢ بَاطِنُهُۥ فِيهِ ٱلرَّحۡمَةُ وَظَٰهِرُهُۥ مِن قِبَلِهِ ٱلۡعَذَابُ ١٣
En op de dag waarop jij de mu’min mannen en de mu’min vrouwen ziet. Hun licht straalt voor hen uit en bij hun rechterhanden. (Er wordt hen gezegd:) “Goed nieuws is voor jullie op deze dag: Tuinen waar rivieren onderdoor stromen (het Paradijs) om daarin voor altijd te verblijven!
Waarlijk, dit is een groot succes!
Op die Dag zullen de hypocrieten – mannen en vrouwen – tegen de gelovigen zeggen: “Wacht op ons! Laat ons wat van jullie licht gebruiken.” Er zal gezegd worden: “Ga terug, naar achterenen zoek dan het licht!” Er zal dan een muur tussen hen worden geplaatst met een poort daarin. Aan de binnenkant is er de Genade en aan de buitenkant is er de bestraffing.
(al-Hadid 57:12)
مَّثَلُ ٱلۡجَنَّةِ ٱلَّتِي وُعِدَ ٱلۡمُتَّقُونَۖ فِيهَآ أَنۡهَٰرٞ مِّن مَّآءٍ غَيۡرِ ءَاسِنٖ وَأَنۡهَٰرٞ مِّن لَّبَنٖ لَّمۡ يَتَغَيَّرۡ طَعۡمُهُۥ وَأَنۡهَٰرٞ مِّنۡ خَمۡرٖ لَّذَّةٖ لِّلشَّٰرِبِينَ وَأَنۡهَٰرٞ مِّنۡ عَسَلٖ مُّصَفّٗىۖ وَلَهُمۡ فِيهَا مِن كُلِّ ٱلثَّمَرَٰتِ وَمَغۡفِرَةٞ مِّن رَّبِّهِمۡۖ كَمَنۡ هُوَ خَٰلِدٞ فِي ٱلنَّارِ وَسُقُواْ مَآءً حَمِيمٗا فَقَطَّعَ أَمۡعَآءَهُمۡ ١٥
Is het (geluk) van het Paradijs dat aan godvrezenden beloofd is, waar rivieren zijn met water waarvan de smaak en de geur niet verandert; rivieren van melk waarvan de smaak niet verandert; rivieren van wijn, heerlijk voor degenen die het drinken; en rivieren van zuivere honing, waarin voor hen allerlei soorten fruit zijn; en de vergiffenis van hun Heer. (Is dit) gelijk (aan de ellende van) degenen die voor altijd in het vuur zullen wonen en kokend water te drinken krijgen, zodat het in hun buiken snijdt? (Muhammad 47/15)
De bewoners van het Paradijs zullen altijd alle soorten voedsel en drank die zij wensen binnen handbereik vinden. Ze zullen geen enkele moeite hoeven te doen om te verkrijgen wat hun hart begeert, en evenmin zullen ze enige last ondervinden na het eten en drinken. Daar zal niets zijn wat verboden is of tot zonden leidt. Tegen hen zal gezegd worden:
كُلُواْ وَٱشۡرَبُواْ هَنِيٓـَٔۢا بِمَا كُنتُمۡ تَعۡمَلُونَ ١٩
(Er wordt gezegd:) Eet en drinkt in vreugde vanwege wat jullie gedaan hebben.
(at-Tur 52/19)
لَّا يَسۡمَعُونَ فِيهَا لَغۡوًا إِلَّا سَلَٰمٗاۖ وَلَهُمۡ رِزۡقُهُمۡ فِيهَا بُكۡرَةٗ وَعَشِيّٗا ٦٢
Zij zullen daarin geen onzinnige gesprekken horen maar slechts de vredesgroet. En zij zullen daar hun levensonderhoud hebben, in de ochtend en de middag. (Maryam 19/62)
In het paradijs zijn er geen loze woorden of leugens. Alleen de stemmen die "Vrede, vrede" verkondigen, zullen er worden gehoord. Men zal herinneringen ophalen, Allāh prijzen en danken. Er zal geen vermoeidheid, verdriet, angst of vernedering zijn.
Het zien van AllāhIn de Qur’ān wordt vermeld:وُجُوهٞ يَوۡمَئِذٖ نَّاضِرَةٌ ٢٢
إِلَىٰ رَبِّهَا نَاظِرَةٞ ٢٣
Sommige gezichten zullen op die Dag verlicht zijn.
Naar hun Heer kijkend. (al-Qıyamah 75/22-23.)
Hieruit blijkt dat de mu’mins Allāh zullen aanschouwen, wat hen een immense vreugde en gelukzaligheid zal brengen. Een ander vers stelt:
۞ لِّلَّذِينَ أَحۡسَنُواْ ٱلۡحُسۡنَىٰ وَزِيَادَةٞۖ وَلَا يَرۡهَقُ وُجُوهَهُمۡ قَتَرٞ وَلَا ذِلَّةٌۚ أُوْلَٰٓئِكَ أَصۡحَٰبُ ٱلۡجَنَّةِۖ هُمۡ فِيهَا خَٰلِدُونَ ٢٦
Voor degenen die het goede hebben gedaan is er het beste en zelfs nog meer (ziyādah). Grauwheid noch vernedering zal hun gezichten bedekken. Zij zijn de bewoners van het Paradijs, en zij zullen daarin voor altijd verblijven. (Yunus 10:26)
an-Nabie صلى الله عليه وسلم heeft uitgelegd dat met "ziyādah" in dit vers het zien van Allāh (ru’yatullah) wordt bedoeld.
Daarnaast wordt in de Qur’ān vermeld hoe Mūsā عليه السلام op de berg Tūr Allāh wilde zien (al-A'raf 7:143), en er wordt gesteld dat de kuffār (ongelovigen) verstoken zullen blijven van beschouwen dit als bewijs dat de mu’mins in het Paradijs Allāh daadwerkelijk zullen zien.
Tegenover deze opvatting hebben de geleerden van de Mu‘tazilah-secte, door het Hiernamaals met de wereld te vergelijken, geconcludeerd dat het onmogelijk is om Allāh te zien. Zij hebben de hierboven genoemde verzen op een manier geïnterpreteerd die past bij hun overtuiging. Echter, hoe kan men twee totaal verschillende werelden met elkaar vergelijken, terwijl zelfs twee nabije planeten onderling andere wetten kennen?
Bovendien vindt het aanschouwen van Allāh plaats in het Hiernamaals, en kennis hierover kan uitsluitend via hadieth – Qur’ān en Sunnah – verkregen worden. Logisch redenerend is het ook aannemelijk, want we kunnen dingen zien omdat ze bestaan. Aangezien Allāh bestaat, is het mogelijk Hem te zien.
Allāh belooft in de Qur’ān:
وَعَدَ ٱللَّهُ ٱلۡمُؤۡمِنِينَ وَٱلۡمُؤۡمِنَٰتِ جَنَّٰتٖ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهَا ٱلۡأَنۡهَٰرُ خَٰلِدِينَ فِيهَا وَمَسَٰكِنَ طَيِّبَةٗ فِي جَنَّٰتِ عَدۡنٖۚ وَرِضۡوَٰنٞ مِّنَ ٱللَّهِ أَكۡبَرُۚ ذَٰلِكَ هُوَ ٱلۡفَوۡزُ ٱلۡعَظِيمُ ٧٢
Allah heeft de gelovige mannen en vrouwen Tuinen beloofd waar rivieren onderdoor stromen, om daarin voor altijd te verblijven. En goede verblijfplaatsen in de Tuinen van Eden (‘Adn). Maar het genoegen van Allah is beter en machtiger. Een overweldigend succes. (at-Taubah 9/72)
APPENDIX 24: FITNAH
Het woord fitnah is afgeleid van de wortel fatn (futūn), die in het woordenboek de betekenis heeft van “het smelten van edele metalen zoals goud en zilver in het vuur om hun zuiverheid te testen”. In de oudste vormen van gebruik heeft het woord ook betekenissen zoals:- het offerdier in heet zand begraven om het gemakkelijker te villen; - misleiden, het hart verleiden en - een hinderlaag leggen en de weg versperren. Voor een goudsmid wordt het woord fattān gebruikt, dat van dezelfde wortel is afgeleid.
In de Qurʾān komt het woord voor in de betekenis van:- in het vuur werpen, met vuur bestraffen (az-Zâriyât 51/13)De latere betekenis van fitnah, namelijk dat iemand schade ondervindt of schade wordt toegebracht, is mede beïnvloed door deze oorspronkelijke betekenis die verband houdt met verbranding in het vuur.
In klassieke woordenboeken worden de belangrijkste betekenissen als volgt opgesomd: - beproeving, - materiële en spirituele moeilijkheid, - verdriet, - balāʾ en rampspoed waarmee iemand wordt getest. - Omdat een vrouw het vuur van liefde in het hart kan doen ontbranden of iemand kan verleiden en die van rationeel denken kan afhouden, wordt zij fattān genoemd. - Hetzelfde woord (fattān) wordt ook gebruikt voor de shayṭān, die iemands verstand verwart, zijn moraal aantast en tot bestraffing leidt- En daarnaast wordt een dief ook (fattān) genoemd vanwege het toebrengen van schade.- Goud en zilver, die de begeerte van mensen aanwakkeren en hen tot zonde kunnen aanzetten, worden fattānān (de twee fattāns) genoemd. - Ook worden Munkar en Nakīr, die de mens in het graf aan een zware beproeving onderwerpen, aangeduid als “de fattānān van het graf”.( Musnad, II, 173; III, 346)- Het gebruik van fitnah in de betekenis van “zware marteling die men ondergaat omwille van het geloof” is eveneens zeer wijdverbreid.
Fitnah, vooral wanneer het in deze laatste betekenis (zware marteling…) wordt gebruikt, hoeft niet altijd een toestand aan te duiden die uitsluitend negatieve gevolgen heeft. Integendeel, doordat het verder versterken van de wil om te geloven, morele zuivering mogelijk maakt en de mens de gelegenheid biedt om zijn standvastigheid in het geloof en zijn deugdzame levenswijze te bewijzen, kan het worden beschouwd als een positieve vorm van beproeving die bijdraagt aan de godsdienstige en morele ontwikkeling van zowel het individu als de samenleving.
…………………………………………………………………………
In de Qurʾān komt het woord fitnah in vierendertig āyāt voor, terwijl de afgeleide vormen ervan in vijfentwintig āyāt in totaal zesentwintig keer voorkomen.
Wanneer ook rekening wordt gehouden met de tafsīr Jāmiʿ al-bayān van al-Ṭabarī, die wordt beschouwd als een van de belangrijkste bronnen voor het vaststellen van de betekenissen van fitnah in de Qurʾān en die daarom onderwerp is geweest van specifieke studies blijkt dat fitnah in de Qurʾān hoofdzakelijk de volgende betekenissen heeft:
beproeving (ibtilāʾ), test (ikhtibār) en beproeving (imtihan) (al-Baqarah 2/102; Ṭāhā 20/40, 85, 90, 131)
polytheisme (shirk) en ongeloof (kufr), evenals de druk die mushriks op moslims uitoefenen met als doel hen tot shirk terug te brengen (al-Baqarah 2/191, 193, 217; al-Nisāʾ 4/91)
dwaling, afdwaling en misleiding (al-Māʾidah 5/41, 49; al-Ṣāffāt 37/162)
bestraffing, marteling en in het vuur werpen (al-ʿAnkabūt 29/10; al-Dhāriyāt 51/13–14; al-Burūj 85/10)
vijandelijke aanval (al-Nisāʾ 4/101)
dat Allah Zijn dienaren verschillende mogelijkheden geeft om hun intenties en houdingen tegenover elkaar zichtbaar te maken (al-Anʿām 6/53; al-Furqān 25/20)
zonde (al-Tawbah 9/49)
de listen en valstrikken van de shayṭān (al-Aʿrāf 7/27)
valse overtuigingen en illusies die de shayṭān in zwakke mensen (al-Ḥajj 22/53)
hypocrisie (nifāq) (al-Ḥadīd 57/14)
krankzinnigheid (al-Qalam 68/6)
Al-Ṭabarī herinnert eraan dat de oorspronkelijke betekenis van fitnah in de Arabische taal “beproeven en testen” is, in het bijzonder “testen door in het vuur te werpen”. Hij wijst erop dat de andere gebruikswijzen in wezen met deze betekenis verband houden.
Beproeving vindt soms plaats door zaken die voor de mens op zichzelf een risico vormen, zoals bezit, kinderen en gezondheid, die als gunsten worden beschouwd; maar ook door moeilijkheden zoals armoede, ziekte, balāʾ, of de overmacht van de shayṭān of vijanden.
Dit wordt duidelijk uitgedrukt in de āyah: “Wij beproeven jullie met zowel het slechte als het goede als een fitnah.” (al-Anbiyāʾ 21/35) In de āyah: “Wanneer de mens iets goeds overkomt, is hij daar zeer tevreden over; maar wanneer hij door een fitnah wordt getroffen, verandert zijn houding, hij wendt zich af,” (al-Ḥajj 22/11) wordt fitnah gebruikt als het tegenovergestelde van het goede. Volgens al-Ṭabarī verwijst fitnah in deze āyah naar moeilijkheden zoals bestaansonzekerheid, balāʾ en kwelling.
De verschillende vormen van beproeving en toetsing die door het begrip fitnah worden uitgedrukt, worden in de Qurʾān op diverse manieren vermeld. - Fitnah kan een beproeving zijn die door Allah aan Zijn dienaren wordt opgelegd. Allah beproeft de mensen, zowel met het goede als met het slechte, zodat zij hun oprechtheid in īmān en moraal kunnen tonen (al-Anbiyāʾ 21/35).- Mensen worden ook beproefd met de tijdelijke schoonheid van het wereldse leven (Ṭāhā 20/131). - Bezit en kinderen vormen eveneens middelen tot beproeving (al-Anfāl 8/28; al-Taghābun 64/15). - Overvloedige voorziening (rizq) of in het algemeen een gunst (niʿmah) kan ook een fitnah zijn (al-Zumar 39/49; al-Jinn 72/17).- Daartegenover worden mensen ook beproefd met verdriet (Ṭāhā 20/40) en met verschillende vormen van balāʾ (al-Tawbah 9/126; al-Ḥajj 22/11).- Fitnah kan zich ook voordoen in de onderlinge relaties tussen mensen.
De negatieve houding van de kāfirs tegenover de moslims vormt een fitnah voor de moslims, want daardoor worden hun geduld (ṣabr) en hun verbondenheid met de islam op de proef gesteld (imtiḥān). (al-Furqān 25/20).- Aan de andere kant kan een tegenslag die moslims treft ook een fitnah worden voor de kāfirs, doordat zij daar verkeerde conclusies uit trekken. Zoals de mufassirūn uitleggen, wordt de āyah: “Onze Heer! Maak ons niet tot een fitnah voor degenen die niet geloven” (al-Mumtaḥanah 60/5) verklaard als: “Stel ons niet door hun of op een andere manier bloot aan onderdrukking en leed; anders zouden de kāfirs over ons zeggen: ‘Als deze mensen werkelijk op het juiste pad waren, zouden zij niet met zulke moeilijkheden worden getroffen,’ en zo tot verkeerde conclusies komen.”- Volgens de Qurʾān kan de mens ook zelf een oorzaak van fitnah voor zichzelf worden door verkeerde overtuigingen zoals kufr en nifāq, of door slechte daden (al-Ḥadīd 57/14).- Daarnaast wordt in de Qurʾān het woord fitnah gebruikt voor verschillende gebeurtenissen, zoals:
de listen en valstrikken van de shayṭān (al-Aʿrāf 7/27)
valse overtuigingen en ingebeelde ideeën die van de shayṭān komen (al-Ḥajj 22/53)
de foltering van het volk door Firʿawn om hen van het geloof van Mūsā (عليه السلام) af te houden (Yūnus 10/83)
aanvallen van vijanden waarbij moslims worden gedood of gevangen genomen (al-Nisāʾ 4/101)
pogingen van de joden om an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) van de dienst aan Allah af te brengen en hem hun verlangens te laten volgen (al-Māʾidah 5/49)
- Het doel van degenen in wiens harten afwijking zit, wanneer zij de meerduidige (mutashābih) verzen van de Qurʾān misbruiken, is het veroorzaken van fitnah, dat wil zeggen het zaaien van twijfel en verwarring (Āl ʿImrān 3/7), dat wil zeggen twijfel en onzekerheid in de gedachten van de mu’mins te brengen.- De mu’mins die in de Qurʾān worden aangeduid als aṣḥāb al-ukhdūd werden eveneens door de kāfirs aan vuur en foltering blootgesteld en zo aan een zware fitnah onderworpen (al-Burūj 85/10).
- In sommige āyāt wordt fitnah gebruikt voor de destructieve activiteiten van de mushriks die erop gericht waren de moslims van hun godsdienst af te brengen en hen terug te laten keren naar het polytheïsme, evenals voor de pogingen van de munāfiqs die, zij het via andere methoden, hetzelfde doel nastreefden (al-Tawbah 9/47–48).- Zelfs Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd in de periode in Mekka geconfronteerd met een dergelijke fitnah, waarbij men probeerde hem van zijn pad af te brengen (al-Isrāʾ 17/73).- Deze vormen van fitnah, die in de Mekkaanse periode intensief werden toegepast via zware druk en onderdrukking, werden ook na de Hidjrah voortgezet, vooral gericht tegen moslimstammen buiten Medina.
Dit leidde ertoe dat sommigen van hen terugkeerden naar het polytheïsme (al-Nisāʾ 4/91).- In sommige āyāt die in de Medinese periode zijn geopenbaard, wordt met de uitspraken: “De fitnah is een ernstiger misdaad dan het doden van mensen.” (al-Baqarah 2/191) en “Fitnah is een grotere misdaad dan doden.” (al-Baqarah 2/217) benadrukt hoe groot het gevaar is van de fitnah die door de kāfirs tegen het geloof van de moslims werd gericht.- De moslims hebben een gewapende strijd aangegaan tegen de door externe vijanden beoogde overheersing van kufr en shirk, met als doel de fitnah te elimineren en de godsdienst van Allah te laten zegevieren; dit werd gepresenteerd als een gezamenlijk ideaal.- Op deze manier verschoof het begrip fitnah van zijn vroegere betekenis als verwijzing naar een individuele moeilijkheid of innerlijke crisis naar een nieuwe betekenis als oorzaak van een strijd om geloof (īmān) en mentaliteit (al-Baqarah 2/191–193).
De lexicale betekenissen van fitnah en de toepassingen ervan in de Qurʾān bevatten nergens de latere betekenis van “sociale onrust, anarchie of burgeroorlog die voortkomt uit godsdienstige of politieke oorzaken”. Ook de vooraanstaande mufassirūn hebben geen enkele āyah over fitnah expliciet op deze manier uitgelegd.
Hoewel al-Ṭabarī en latere mufassirūn overleveringen hebben aangehaald waarin wordt gesteld dat de āyah van sūrat al-Anfāl (8/25) zou verwijzen naar conflicten die na an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) onder de ṣaḥābah (رضي الله عنهم) zouden ontstaan, passen noch de inhoud van deze āyah, noch de context bij een dergelijke interpretatie.
In werkelijkheid herhaalt al-Ṭabarī hier opnieuw de uitleg van beproeving (ibtilāʾ), test (ikhtibār).
Hij vermeldt wel, met de formulering “er wordt gezegd”, de opvatting dat deze āyah over een groep van de ṣaḥābah (رضي الله عنهم) zou zijn geopenbaard, maar hij spreekt zelf geen oordeel uit en beperkt zich tot het weergeven van de overleveringen.
Het begrip fitnah komt in de ahadith eveneens uitgebreid voor in de betekenissen die ook in de Qurʾān worden aangetroffen. In de ahadith worden ook uitdrukkingen gebruikt zoals “de fitnah van de Dajjāl” en “de fitnah van de Masīḥ”, waarmee wordt verwezen naar gebeurtenissen die bekendstaan als tekenen van Dag der Opstanding (Qiyamah).- In sommige ahadith verwijst fitnah naar godsdienstige en politieke onrusten en maatschappelijke verstoringen die zich vanaf de eerste eeuwen van de islam hebben voorgedaan. In deze overleveringen duidt fitnah meestal op complotten of destructieve activiteiten die de eenheid en samenhang van de islamitische gemeenschap aantasten.- In een van deze ahadith zegt an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Ik zie dat er fitan onder jullie huizen doorstromen zoals overstromingen.” (Bukhārī, “Fitan”, 4) Hadithgeleerden verklaren dat hiermee vooral wordt verwezen naar de onrust en burgeroorlogen die begonnen met de martelaarschap van ʿUthmān (رضي الله عنه) en die in latere perioden zijn voortgezet.
Ibn Ḥajar wijst erop dat in het niet-geciteerde begin van deze hadith specifiek de naam Medina wordt genoemd, en hij stelt dat hiermee indirect wordt aangeduid dat ʿUthmān (رضي الله عنه) in Medina zal worden gedood en dat dit een oorzaak zal zijn van latere fitan.- In een hadith die door Abū Hurayrah (رضي الله عنه) is overgeleverd, wordt gezegd: “De tijd zal naderen (de zegen van de tijd zal verdwijnen), de daden zullen afnemen, hebzucht zal zich verspreiden, fitan zullen zichtbaar worden en moord zal toenemen.” (Bukhārī, “ʿIlm”, 24; “Fitan”, 5; Ibn Mājah, “Fitan”, 25) In een andere overleveringsversie van deze hadith ontbreekt het gedeelte over fitan (Bukhārī, “Fitan”, 5).- Daarnaast heeft al-Bukhārī ahadith verzameld in het hoofdstuk getiteld “Het verschijnen van fitan”, waarin wordt aangekondigd dat er ontwikkelingen zullen plaatsvinden zoals:- het verdwijnen van kennis en vroomheid onder de mensen, - na verloop van tijd zullen de verschillen in kennis en vroomheid tussen mensen verdwijnen, en zal iedereen op elkaar gaan lijken in onwetendheid en godsdienstige laksheid,- het afnemen van (goede) daden, - de toename van fitan,- de toename van moordincidenten”- het verdwijnen van veiligheid van het leven.Door de ahadith die het ontstaan van negatieve ontwikkelingen aankondigen te verzamelen in het hoofdstuk getiteld “Het verschijnen van fitan”, heeft imaam al-Bukhārī het begrip fitnah ruim opgevat, zodat het ook godsdienstige, morele, intellectuele en sociale verval omvat.- “Er zullen spoedig fitan verschijnen. Degene die dan zit is beter dan degene die staat, degene die staat is beter dan degene die loopt, en degene die loopt is beter dan degene die rent.” (Musnad, V, 39, 48, 110; Bukhārī, “Fitan”, 9; “Manāqib”, 25; Muslim, “Fitan”, 10)
Uit deze hadith wordt begrepen dat iemand naarmate hij meer betrokken raakt bij dergelijke gebeurtenissen, des te meer verantwoordelijk en zondig zal worden.
Het is belangrijk te benadrukken dat deze hadith een van de belangrijkste redenen is geweest waarom de geleerden van de salaf en later Ahl al-Sunna een terughoudende en passieve houding aannamen tegenover politieke en godsdienstige onrusten.
Volgens een overlevering die al-Bukhārī heeft opgetekend, zei Saʿīd ibn al-Musayyab (رضي الله عنه): “De eerste fitnah (de moord op ʿUthmān (رضي الله عنه) vond plaats en deze fitnah liet niemand van de deelnemers aan veldtocht van Badr in leven. Daarna kwam de tweede fitnah (de gebeurtenis van al-Ḥarra), en deze liet niemand van de deelnemers aan het verdrag van al-Ḥudaybiyyah in leven. Vervolgens brak de derde fitnah uit (de overleveraar specificeert niet welke gebeurtenis dit was), en deze liet geen kracht of verstand meer over onder de mensen.” (al-Bukhārī, “Maghāzī”, 12)
Gezien het feit dat na de martelaarschap van ʿUthmān (رضي الله عنه) nog Ṣaḥābah zoals ʿAlī, Ṭalḥah, Zubayr (رضي الله عنهم) en anderen die aan de veldtocht van Badr hadden deelgenomen nog leefden, is gesteld dat er in deze overlevering fouten in de verklaring van de overleveraar kunnen zitten. Ibn Ḥajar legt echter uit dat deze woorden moeten worden begrepen als: “Tussen twee fitan bleef niemand (van de eerdere generatie) in leven.” Volgens hem was Saʿd ibn Abī Waqqāṣ (رضي الله عنه), de laatste van de Badr-deelnemers, enkele jaren vóór de gebeurtenis van al-Ḥarra overleden. De derde fitnah wordt doorgaans in verband gebracht met de Khārijitische opstanden.
Islamitische geleerden beschouwen doorgaans de bloedige politieke crisis die zijn hoogtepunt bereikte met de moord op ʿUthmān ibn ʿAffān (رضي الله عنه) in het jaar 35/656 als de eerste fitnah. (Musnad, III, 422) Zij noemen deze gebeurtenis de “grote fitnah”.
Hoewel de hadithgeleerde ʿAbd al-Raḥmān ibn Muḥammad al-Dāwūdī het martelaarschap van al-Ḥusayn (رضي الله عنه) als de eerste fitnah heeft aangemerkt, kreeg voor deze opvatting weinig steun. Er werd namelijk op gewezen dat ten tijde van zijn martelaarschap niemand van de deelnemers aan de veldtocht van Badr meer in leven was, en bovendien dat in de eerder genoemde overlevering van Saʿīd ibn al-Musayyab waarschijnlijk alleen fitan die in Medina plaatsvonden werden bedoeld.
Het begrip fitnah heeft door de geschiedenis heen een sterke en vaak beangstigende invloed gehad op het gosdienstige bewustzijn van moslims. Dit komt grotendeels door de diepe sporen die de politieke onrusten uit de vroege islam, met name uit de eerste twee eeuwen, hebben achtergelaten. Zij beschouwden deze perioden van onrust, rekening houdend met de belangrijkste betekenis van fitnah in de Qurʾān, als tijden waarin zij werden beproefd in hun trouw aan de Islaam, de islamitische gemeenschap en het legitieme gezag.
De moslims uit die vroege periode zagen deze gebeurtenissen in het licht van de Qurʾān, waarin de overwegende betekenis van fitnah ook wordt verbonden met beproeving en toetsing. Zij beschouwden deze tijden als periodes waarin hun trouw aan de Islaam, de islamitische gemeenschap en het legitieme gezag op de proef werd gesteld.
De gebeurtenissen die begonnen met de moord op ʿUthmān ibn ʿAffān (رضي الله عنه), gevolgd door de Slag bij al-Jamal en de Slag bij Ṣiffīn, de Khārijitische opstanden, en de bloedige gebeurtenissen die als de eerste fitnah-bewegingen in de geschiedenis van de islamitische gemeenschap worden beschouwd, behoort onder meer dat het leger dat door Yazīd ibn Muʿāwiyah werd gestuurd om een einde te maken aan de heerschappij van ʿAbdullāh ibn al-Zubayr (رضي الله عنه) in de Ḥijāz, bij al-Ḥarra nabij Medina slaags raakte met de inwoners van de stad en Medina plunderde. Eveneens behoort hiertoe dat, met hetzelfde doel, een leger onder bevel van Ḥajjāj ibn Yūsuf, gezonden door ʿAbd al-Malik ibn Marwān, na een belegering van ongeveer zes maanden Mekka innam, waarbij ʿAbdullāh ibn al-Zubayr (رضي الله عنه) werd gedood. Deze gebeurtenissen hebben een blijvende indruk achtergelaten op het collectieve geheugen van de ummah en hebben het begrip fitnah een bijzonder zware en beladen betekenis gegeven.
In het bijzonder wordt de gebeurtenis van de martelaarschap van ʿUthmān ibn ʿAffān (رضي الله عنه) gezien als het begin van de fitan die ertoe leidde dat de moslims zich opsplitsten in godsdienstige en politieke kampen. Deze ontwikkelingen hebben vervolgens diepgaande invloed gehad op latere generaties, met name door de verankering van het soennitisch-sjiitische meningsverschil.
…………………………………………………………………………………..
Ahl as-sunnah geleerden hebben, uitgaande van het principe van de onaantastbaarheid van de khaliefah en de noodzaak van de eenheid van de gemeenschap, een houding aangenomen die erop gericht was fitnah te vermijden. Daarbij baseerden zij zich op relevante ahadith en op de ervaringen van de metgezellen die de eerste fitan hadden meegemaakt.
Hun benadering kwam erop neer dat men conflicten zoveel mogelijk via vreedzame middelen moest dempen; en wanneer dat niet mogelijk was, dat men dan eerder een passieve houding aannam ter bescherming van de politieke autoriteit en de eenheid van de ummah.
………………………………..
Toch moet worden benadrukt dat Ahl as-Sunna, die door de geschiedenis heen de meerderheid vormden en zich verantwoordelijk voelden voor het welzijn van de samenleving, deze houding innamen uit angst dat gewelddadige acties tegen fitnah juist zouden leiden tot verdere escalatie en daardoor de eenheid van de ummah volledig in gevaar zouden brengen.
Zo stelt al-Ghazālī dat het gebruik van geweld tegen de politieke autoriteit fitnah zou veroorzaken, het kwaad zou vergroten en dat de schade ervan groter zou zijn dan het eventuele voordeel. Ook Ibn Taymiyya benadrukt dat gewapend optreden om fitnah te beëindigen, zoals de Khārijīten deden, in werkelijkheid tot een nog grotere fitnah leidt.
Op deze manier zijn de geleerden van Ahl as-Sunna tot de conclusie gekomen dat het toegestaan is om een zondige heerser (fāsiq imām) te gehoorzamen, om zo fitnah te voorkomen.
TDV İslâm Ansiklopedisi : MUSTAFA ÇAĞRICI
APPENDIX 25: BALÂ’
Balā’ is materiële en spirituele moeilijkheden, lasten, zorgen en beproevingen die Allah de mensen geeft om hen te testen.
In de Qur’ān wordt het woord balā’ gebruikt in betekenissen zoals “verslijten”, “beproeven”, “testen”, maar ook “zorg”, “tegenspoed”, “beklemming” en “moeilijkheid”. De verschrikkelijke onderdrukking die Firʿawn (Farao) het volk van Israʾiel liet ondergaan wordt beschreven als een “grote beproeving” (balâʾun ʿaẓîm, o.a. al-Baqarah 2/49; al-Aʿrâf 7/141; Ibrâhîm 14/6) en als een “duidelijke beproeving” (balâʾun mubîn, ad-Dukhân 44/33). Ook de poging van Ibrâhîm (عليه السلام) om zijn zoon Ismâʿîl (عليه السلام) te offeren wordt in deze zin een “duidelijke beproeving” genoemd (as-Sâffât 37/106). Wanneer een dienaar door Allah wordt getest en daar succesvol uitkomt, wordt dit een “goede beproeving” (balâʾun ḥasan) genoemd. In die zin wordt de Slag bij Badr en de overwinning die daarop volgde beschreven als een ‘balâʾun ḥasan’ met andere woorden succesvolle test van Allah (al-Anfâl 8/17).
In de Qur’ān worden ook godsdienstige verplichtingen met het woord balā’ aangeduid. In al-Baqarah 2/155 en Muhammad 47/31 wordt balā’ (ibtilâ’ : beproeving) in deze betekenis gebruikt. Ook angst, honger en het verminderen van bezit, levens en oogsten worden als balā’ (beproevingen) van Allah beschreven (al-Baqarah 2/155). Volgens de Qur’ān is het leven in essentie een plaats van beproeving (balā’), waarin duidelijk wordt wie het beste handelt; leven en dood zijn hiervoor geschapen (al-Mulk 67/2). Ook an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) is gezonden om te worden beproefd en om te beproeven (Muslim, “Jannah”, 63). Allereerst worden alle mensen door Allah beproefd met een balāʾ (beproeving), in het bijzonder de anbiyā. Volgens een hadith waarop vooral de soefi’s de nadruk leggen, zijn degenen die de zwaarste beproevingen ondergaan in de eerste plaats de anbiyā, gevolgd door degenen die het meest op hen lijken.
(Tirmidhî, “Zuhd”, 56; Ibn Mâjah, “Fitten”, 23; Dârimî, “Raqāʾiq”, 67; Bukhârî, “Marḍâ”, 3).
De mens ontkomt niet aan beproevingen en tegenslagen, Omdat de ware persoonlijkheid van een mens naar voren komt in tijden van beproeving (ibtilāʾ).
Het ondergaan van een balāʾ (beproeving) is ook een middel tot zuivering van zonden en spirituele verheffing. Er zijn namelijk zonden die alleen kunnen worden uitgewist door geduldig te zijn in het dragen van beproevingen. ʿĀʾishah (رضي الله عنها) heeft gezegd dat zij nooit iemand heeft gezien die zwaardere pijn leed dan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). (zie Tirmidhī, “Zuhd”, 56) De mu’min die met ziekte wordt getroffen, worden zijn zonden vergeven. (al-Muwaṭṭaʾ, “ʿAyn”, 8; Musnad, VI, 157)
Balāʾ wordt ook gebruikt als tegenhanger van ʿāfiyah, wat rust, welzijn en veiligheid betekent. Volgens een hadith zullen degenen die in ʿāfiyah verkeren, wanneer zij de overvloedige beloning zien die in het Hiernamaals wordt gegeven aan de mensen van balāʾ, zeggen: “Was onze huid maar met een schaar gesneden toen wij op aarde waren geweest,” en zij zullen de toestand van die mensen in het Hiernamaals benijden. (Tirmidhī, “Zuhd”, 58) Desondanks dient men Allah altijd om ʿāfiyah te vragen.
(Tirmidhī, “Daʿawāt”, 91; Musnad, V, 231, 235) Daarom moet men mededogen hebben met degenen die in balāʾ verkeren, terwijl degenen die in ʿāfiyah verkeren Allah moeten danken (ḥamd). (al-Muwaṭṭaʾ, “Kalām”, 8) an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Stel julliezelf niet bloot aan beproevingen (balāʾ) die jullie niet kunnen dragen en maak julliezelf daardoor niet vernederd.” (Tirmidhī, “Fitan”, 67; Ibn Mājah, “Fitan”, 31) en hij zocht voortdurend toevlucht bij Allah tegen beproevingen die ondraaglijk zijn. (Bukhārī, “Daʿawāt”, 23)
Zāhid en soefi’s hebben het onderwerp balāʾ en ʿāfiyah op verschillende manieren benaderd. Mutarrif ibn Shikhkhīr gaf de voorkeur aan het tonen van geduld (ṣabr) in balāʾ boven het tonen van dankbaarheid (shukr) in ʿāfiyah, terwijl sommige anderen juist het dankbaar zijn in ʿāfiyah verkozen boven geduld in balāʾ. Imaam al-Ghazālī stelt dat voor de gewone mu’mins (ʿawām) het geduldig zijn in balāʾ nuttiger is dan dankbaarheid in ʿāfiyah, maar hij meent in werkelijkheid dat de waarde van beide afhangt van de houding, intentie en daden van de mens. Afhankelijk daarvan kan zowel geduld in balāʾ als dankbaarheid in ʿāfiyah waardevoller zijn. In wezen zijn volgens hem ṣabr (geduld) en shukr (dankbaarheid) met elkaar verweven. Vanuit godsdienstig en moreel perspectief is elke gunst (niʿmah) in zekere zin een balāʾ, en elke balāʾ is op zijn beurt ook een vorm van gunst. Daarom is een volmaakt mens iemand die in dezelfde omstandigheden zowel geduldig als dankbaar is.
Volgens de soefi’s komen zowel balāʾ als ʿāfiyah van Allah. Wat Allah ook passend acht, dat moet de mens met een gerust hart aanvaarden en geloven dat het het beste voor hem is.