Boek van de begravenisWenen om de overledene
البكاء على الميت٥٣١ - حديث أُسَامَةَ بْنِ زَيْدٍ، قَالَ: أَرْسَلَتِ ابْنَةُ النَّبِيِّ ﷺ إِلَيْهِ، إِنَّ ابْنًا لِي قُبِضَ فَأْتِنَا، فَأَرْسَلَ يُقْرِئُ السَّلاَمَ وَيَقُولُ: إِنَّ للهِ مَا أَخَذَ وَلَهُ مَا أَعْطَى، وَكُلٌّ عِنْدَهُ بِأَجَلٍ مُسَمًّى، فَلْتَصْبِرْ وَلْتَحْتَسِبْ فَأَرْسَلَتْ إِلَيْهِ، تُقْسِمُ عَلَيْهِ لَيأْتِيَنَّهَا؛ فَقَامَ وَمَعَهُ سَعْدُ بْنُ عُبَادَةَ، وَمُعَاذُ بْنُ جَبَلٍ، وَأُبَيُّ بْنُ كَعْبٍ، وَزَيْدُ بْنُ ثَابِتٍ، وَرِجَالٌ؛ فَرُفِعَ إِلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ الصَّبِيُّ وَنَفْسُهُ تَتَقَعْقَعُ كَأَنَّهَا شَنٌّ، فَفَاضَتْ عَيْنَاهُ فَقَالَ سَعْدٌ: يَا رَسُولَ اللهِ مَا هذَا فَقَالَ: هذِهِ رَحْمَةٌ جَعَلَهَا اللهُ فِي قُلُوبِ عِبَادِهِ، وَإِنَّمَا يَرْحَمُ اللهُ مِنْ عِبَادِهِ الرُّحَمَاءُ531. Van Usāmah ibn Zayd (رضي الله عنهما):De dochter van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) (Zaynab) liet hem weten: ‘Mijn zoon is stervende, kom alstublieft meteen naar ons toe.’ an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) stuurde iemand naar haar toe om haar de salām over te brengen met de volgende boodschappen: ‘Waarlijk, wat Hij neemt en wat Hij geeft behoort aan Allāh toe. Alles bij Hem heeft een vastgestelde termijn. Heb geduld en verwacht je beloning van Allāh.’Daarop liet zijn dochter opnieuw een bericht sturen, ditmaal onder ede, dat hij beslist moest komen.
Toen vertrok an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) samen met Saʿd ibn ʿUbādah, Muʿādz ibn Jabal, Ubayy ibn Kaʿb, Zayd ibn Thābit en enkele anderen (naar Zaynab). Het kind werd aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overhandigd, terwijl hij in de doodsstrijd lag en zijn adem piepte als een oude uitgedroogde waterskin. Toen begonnen de ogen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vol te lopen met tranen.Saʿd vroeg: “O Rasûlullāh wat is dit?”Hij antwoordde: “Dit is barmhartigheid die Allāh in de harten van Zijn dienaren heeft geplaatst. En waarlijk, Allāh is slechts barmhartig tegenover de barmhartigen onder Zijn dienaren.”
{In een hadith staat:Van Ummu Salamah (رضي الله عنها), de vrouw van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم):Ik heb an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) horen zeggen:"Als een dienaar van Allah wordt getroffen door een ramp en zegt: ‘Wij zijn van Allah en tot Hem keren wij terug. O Allah, beloon mij voor deze ramp en geef mij er iets beters voor in de plaats!’ dan zal Allah dat doen."Ze voegde eraan toe: “Toen mijn man was gestorven zei ik het zoals an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) mij had opgedragen, en Allah gaf mij iets beters in zijn plaats.*(*Oemm Salama (رضي الله عنها) is daarna getrouwd met an-Nabie (صلى الله عليه وسلم).
Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) bezocht het graf van zijn moeder; hij huilde en ook de mensen om hem heen werden tot tranen geroerd. Hij zei: "Ik heb mijn Rab toestemming gevraagd, voor haar om vergeving te bidden, maar die is mij niet gegeven. Ik heb mijn Rab om toestemming gevraagd, haar graf te bezoeken en die is mij wel gegeven. Bezoek dus de graven, want die herinneren aan de dood."}
٥٣٢ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، قَالَ: اشْتَكَى سَعْدُ بْنُ عُبَادَةَ شَكْوَى لَهُ، فَأَتَاهُ النَّبِيُّ ﷺ، يَعُودُهُ، مَعَ عَبْدِ الرَّحْمنِ بْنِ عَوْفٍ، وَسَعْدِ بْنِ أَبِي وَقَّاصٍ، وَعَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ، فَلَمَّا دَخَلَ عَلَيْهِ، فَوَجَدَهُ فِي غَاشِيَةِ أَهْلِهِ، فَقَالَ: قَدْ قَضَى قَالُوا: لاَ يَا رَسُولَ اللهِ فَبَكَى النَّبِيُّ ﷺ؛ فَلَمَّا رَأَى الْقَوْمُ بُكَاءَ النَّبِيِّ ﷺ بَكَوْا، فَقَالَ: أَلاَ تَسْمَعُونَ، إِنَّ اللهَ لاَ يُعَذِّبُ بِدَمْعِ الْعَيْنِ وَلاَ بِحُزْنِ الْقَلْبِ، وَلكِنْ يُعَذِّبُ بِهذَا وَأَشَارَ إِلَى لِسَانِهِ أَوْ يَرْحَمُ، وَإِنَّ الْمَيِّتَ يُعَذَّبُ بِبُكَاءِ أَهْلِهِ عَلَيْهِ532. Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):Saʿd ibn ʿUbādah was ernstig ziek. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ging hem opzoeken, vergezeld door ʿAbdur-Raḥmān ibn ʿAwf, Saʿd ibn Abī Waqqāṣ en ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنهم).
Toen hij zijn huis binnenging, zag hij dat de familie zich rond zijn bed had verzameld.Hij zei: ‘Is hij (Sa`ad) overleden?’Zij antwoordden: ‘Nee, o Rasûlullāh .’an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) raakte geëmotioneerd en begon te huilen. Toen de ṣaḥābah an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zagen huilen, begonnen zij ook te huilen. Daarop zei hij: “Horen jullie niet? Allāh straft niet vanwege het huilen van het oog of vanwege de droefheid van het hart. Maar Hij straft vanwege dit, en hij wees naar zijn tong, of Hij schenkt genade. En voorwaar, de overledene wordt bestraft vanwege het huilen met geschreeuw en gejammer van zijn familie over hem.”
[Verdriet ervaren en tranen vergieten bij het verlies van een dierbare is een menselijke reactie en leidt niet tot goddelijke bestraffing. Wat echter wel verboden is tijdens het rouwproces zijn praktijken zoals luidkeels jammeren, zichzelf slaan, het verscheuren van kleding en het tonen van opstandigheid tegen Allāh en Zijn voorbeschikking (qadar) Dergelijke uitingen stammen uit de verwerpelijke gebruiken van de jāhiliyyah en zijn door de Islām afgekeurd. Zoals ʿĀʾishah (رضي الله عنها) heeft aangehaald: وَلَا تَزِرُ وَازِرَةٞ وِزۡرَ أُخۡرَىٰۚ ١٨ En geen enkele lastdrager zal de last (zonden) van een ander dragen…(Fāṭir, 35:18) Op basis van dit vers wordt een overledene niet door Allāh gestraft vanwege het luidkeels huilen van zijn familieleden na zijn overlijden. Wel wordt vermeld dat het bewust waarnemen van dergelijke uitingen het verdriet van de overledene kan verzwaren.Daarnaast leert deze ḥadīth ons dat wanneer nabestaanden zich tijdens hun rouw laten meeslepen door opstandige vormen van rouw en onbeheerst huilen, dit in bepaalde overleveringen wordt genoemd als een oorzaak waardoor hun verwanten in het graf door Allāh worden bestraft.] (Diyanet)
Tonen van geduld bij een tegenslag, vooral op het moment van de eerste schok
في الصبر على المصيبة عند أول الصدمة
٥٣٣ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁، قَالَ: مَرَّ النَّبِيُّ ﷺ بِامْرَأَةٍ تَبْكِي عِنْدَ قَبْرٍ فَقَالَ: اتَّقِي اللهَ وَاصْبِرِي قَالَتْ: إِلَيْكَ عَنِّي، فَإِنَّكَ لَمْ تُصَبْ بِمُصِيبَتِي وَلَمْ تَعْرِفْهُ فَقِيلَ لَهَا: إِنَّهُ النَّبِيُّ ﷺ؛ فَأَتَتْ بَابَ النَّبِيِّ ﷺ، فَلَمْ تَجِدْ عِنْدَهُ بَوَّابِينَ؛ فَقَالَتْ: لَمْ أَعْرِفْكَ فَقَالَ: إِنَّمَا الصَّبْرُ عِنْدَ الصَّدْمَةِ الأُولَى
533. Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) kwam bij een vrouw die huilde bij het graf (van haar kind).Hij zei tegen haar: ‘Vrees Allāh en wees geduldig.’Zij zei: “Blijf weg van mij! Jij bent immers niet getroffen door mijn beproeving”.Zij herkende Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) niet.Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was weggegaan, werd haar verteld: ‘Dat was an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) !’(Haar verdriet was op dat moment zo intens als de pijn van de dood), en zij haastte zich naar het huis van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Ze trof voor (zijn huis) geen bewaker aan.Zij zei: “Ik herkende u niet (vergeef me).”Hij zei: “Voorwaar, (ware) geduld is (standhouden op het moment dat) de ramp voor het eerst toeslaat.”
[Ṣabr duidt op het tonen van volharding en zelfbeheersing, het standvastig blijven bij tegenspoed en het zich onthouden van klagen, terwijl men geduld betracht.Volgens de mensen van taṣawwuf is ṣabr: “Een eigenschap die de nafs ervan weerhoudt slechte daden te verrichten, en waardoor de zuivering en het evenwichtig van de ziel tot stand komt.”Saʿīd ibn Jubayr (رضي الله عنه) omschreef ṣabr als: “Dat de dienaar erkent dat de beproevingen die hem treffen van Allah af zijnkomstig, en dat hij de beloning en vergelding uitsluitend van Allah verwacht.”Ṣabr kent drie vormen:
Geduld bij tegenslagen (musībah),
Geduld bij het verrichten van gehoorzaamheid (ṭāʿah),
Geduld bij het weerstaan van de neiging tot zonde (maʿṣiyah).
Dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de vrouw die luid huilde en jammerde aanspoorde om Allah te vrezen en geduldig te zijn, was omdat zij haar verdriet op buitensporige wijze tot uiting bracht.Eigenlijk wilde hij haar tot ṣabr aansporen, maar hij begon niet direct over geduld; hij zei eerst: “Vrees Allah” om haar hart voor te bereiden, en vervolgens: “Wees geduldig”, waarmee hij haar tot ṣabr aanzette.] (HA)
De overledene wordt gekweld/gestraft door het weeklagen/rouwbeklag van zijn familie over hem
الميت يعذب ببكاء أهله عليه
٥٣٤ - حديث عُمَرَ بْنَ الْخَطَّابِ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: الْمَيِّتُ يُعَذَّبُ فِي قَبْرِهِ بِمَا نِيحَ عَلَيْهِ
534. Van ʿUmar ibn Khattāb (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “De overledene wordt in zijn graf gestraft vanwege het weeklagen/rouwbeklag (huilen met geschreeuw en gejammer van zijn familie) over hem.”
[De dood is voor elke ziel een vaststaand en onontkoombaar einde. Wanneer een dienaar overlijdt, worden zijn familie en geliefden getroffen door verdriet; hun harten zijn bedroefd en hun ogen laten tranen vloeien. Zo’n rouwproces doormaken behoort tot de natuurlijke gesteldheid van de mens. Wanneer dit menselijke verdriet verandert in het uiterste en demonstratief gedrag, wordt dit “niyāhah” genoemd. Het is een gebruik uit de jāhiliyyah, waarbij men de wangen slaat, zichzelf verwondt en de kleding scheurt. Dergelijke daden behoren niet tot wat de Islām goedkeurt of toestaat.Zo’n klaagritueel betekent opstandigheid tegen de wil en het raadsbesluit van Allāh en is in strijd met het principe van tawḥīd en de ethische normen van de Islām. Degene die deze traditie in stand houdt en zelfs als testament nalaat, is in werkelijkheid na zijn dood door shirk (afgoderij) gedoemd tot bestraffing, ver weg van alle uitingen en rouwplechtigheden. Het is daarom onjuist te menen dat een overledene wordt gestraft vanwege het verdriet van een moslim die om hem huilt. Zoals Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De tranen vloeien, het hart is bedroefd, maar wij zeggen niets wat Onze Rab niet behaagt.” Daarom streven moslims ernaar geduldig te zijn, het verlies te accepteren en naasten te gedenken met smeekbeden en goede wensen voor hen.] (Diyanet)
{In een hadith staat:Van Ummu Salamah (رضي الله عنها):Toen mijn man Abû Salama (رضي الله عنه) gestorven was dacht ik: “Hij was een vreemde in een vreemd land. Laat ik om hem rouwen op een manier waarover gesproken wordt. Ik had al voorbereidingen voor het weeklachen/rouwbeklag getroffen toen er een vrouw uit de bovenstad bij me kwam die mij wilde helpen. Zij kwam an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) tegen, die zei:"Wil je de shaytān binnenbrengen in een huis waaruit Allah hem al verjaagd heeft?" – en dat twee maal.
Toen zag ik af van weeklachen/rouwbeklag, en ik huilde niet.}
٥٣٥ - حديث عُمَرَ بْنِ الْخَطَّابِ عَنْ أَبِي مُوسى، قَالَ: لَمَّا أُصِيبَ عُمَرُ ﵁، جَعَلَ صُهَيْبٌ يَقُولُ: وَاأَخَاهْ فَقَالَ عُمَرُ: أَمَا عَلِمْتَ أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ، قَالَ: إِنَّ الْمَيِّتَ لَيُعَذَّبُ بِبُكَاءِ الْحَيِّ535 – Van ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb via Abū Mūsā (رضي الله عنهما):Toen ʿUmar (رضي الله عنه) gewond raakte, begon Ṣuhayb te zeggen: “O mijn broeder!
O mijn broeder!”Daarop zei ʿUmar: “Weet jij dan niet dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: ‘Voorwaar, de dode wordt gekweld door het huilen (weeklagen/rouwbeklag) van de levenden over hem.’٥٣٦ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، وَعُمَرَ، وَعَائِشَةَ عَنْ عَبْدِ اللهِ بْنِ عُبَيْدِ اللهِ بْنِ أَبِي مُلَيْكَةَ، قَالَ: تُوُفِّيتْ ابْنَةٌ لِعُثْمَانَ ﵁ بِمكَّةَ، وَجِئْنَا لِنَشْهَدَهَا، وَحَضَرَهَا ابْنُ عُمَرَ وَابْنُ عَبَّاسٍ، وَإِنِّي لَجَالِسٌ بَيْنَهُمَا (أَوْ قَالَ جَلَسْتُ إِلَى أَحَدِهِمَا ثُمَّ جَاءَ الآخَرُ فَجَلَسَ إِلَى جَنْبِي) فَقَالَ عَبْدُ اللهِ بْنُ عُمَرَ، لِعَمْرِو بْنِ عُثْمَانَ: أَلاَ تَنْهَى عَنِ الْبُكَاءِ فَإِنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ: إِنَّ الْمَيِّتَ لَيُعَذَّبُ بِبُكَاءِ أَهْلِهِ عَلَيْهِ فَقَالَ ابْنُ عَبَّاسٍ: قَدْ كَانَ عُمَرُ ﵁ يَقُولُ بَعْضَ ذلِك ثُمَّ حَدَّثَ، قَالَ: صَدَرْتُ مَعَ عُمَرَ ﵁ مِنْ مَكَّةَ، حَتَّى إِذَا كُنَّا بِالْبَيْدَاءِ إِذَا هُوَ بِرَكْبٍ تَحْتَ ظِلِّ سَمُرَةٍ، فَقَالَ: اذْهَبْ فَانْظُرْ مَنْ هؤلاءِ الرَّكْبُ؛ قَالَ فَنَظَرْتُ فَإِذَا صُهَيْبٌ، فَأَخْبَرتُهُ، فَقَالَ: ادْعُهُ لِي، فَرَجَعْتُ إِلَى صُهَيْبٍ، فَقُلْتُ: ارْتَحِلْ فَالْحَقْ أَمِيرَ الْمُؤمِنِينَ فَلَمَّا أُصِيبَ عُمَرُ دَخَلَ صُهَيْبٌ يَبْكِي يَقُولُ: وَاأَخَاهْ وَاصَاحِبَاهْ؛ فَقَالَ عُمَرُ ﵁: يَا صُهَيْبُ أَتَبْكِي عَلَيَّ وَقَدْ قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: إِنَّ الْمَيِّتَ يُعَذَّبُ بِبَعْضِ بُكَاءِ أَهْلِهِ عَلَيْهِ قَالَ ابْنُ عَبَّاسٍ:
فَلَمَّا مَاتَ عُمَرُ ﵁ ذَكَرْتُ ذلِكَ لِعَائِشَةَ، فَقَالَتْ: رَحِمَ اللهُ عُمَرَ وَاللهِ مَا حَدَّثَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: إِنَّ اللهَ لَيُعَذِّبُ الْمُؤمِنَ بِبُكَاءِ أَهْلِهِ عَلَيْهِ؛ وَلكِنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ: إِنَّ اللهَ لَيَزِيدُ الْكَافِرَ عَذَابًا بِبُكَاءِ أَهْلِهِ عَلَيْهِ وَقَالَتْ: حَسْبُكُمُ الْقُرْآنُ وَلاَ تَزِرُ وزِرَةٌ وِزْرَ أُخْرى قَالَ ابْنُ عَبَّاسٍ، عِنْدَ ذلِكَ: وَاللهُ هُوَ أَضْحَكَ وَأَبْكَى
قَالَ ابْنُ أُبِي مُلَيْكَةَ: وَاللهِ مَا قَالَ ابنُ عُمَرَ شَيْئًا
536. Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar, `Umar ibn al-Khaṭṭāb en ʿĀishah (رضي الله عنهم):ʿAbdullāh ibn `Ubaydullah ibn Abie Mulaykah zei: “De dochter van ʿUthmān ibn ʿAffān (رضي الله عنه) overleed in Makkah. We gingen om haar bij te wonen (naar haar begrafenis), en ook Ibn ʿUmar en Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهم) waren aanwezig.Ik zat tussen beiden in (of hij zei: ik zat naast één van hen, waarna de ander kwam en naast mij ging zitten)Toen kwam Ibn ʿUmar naar `Amr ibn ʿUthmān (رضي الله عنهما) en zei tegenʿAmr:‘Weerhoud je (de mensen) er dan van om te huilen (over de overledene). Want Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Waarlijk, de overledene wordt gestraft/gekweld door het weeklagen/rouwbeklag van zijn familie over hem.”Daarop zei Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما): “Ook ʿUmar (رضي الله عنه) placht soms dat te zeggen”.En vervolgens vertelde hij: “Ik vertrok met ʿUmar (رضي الله عنه) uit Makkah”. Toen wij bij al-Baydāʾ waren, zagen we een groep mensen onder de schaduw van een acaciaboom.
Hij zei: ‘Ga en kijk wie deze groep mensen zijn.’ Dus ik keek, en het was Ṣuhayb.Ik bracht hem verslag uit en hij zei: ‘Roep hem voor mij.’Ik keerde terug naar Ṣuhayb en zei: ‘Rijd door en sluit je aan bij de leider der gelovigen.’Toen ʿUmar verwond was, kwam Ṣuhayb binnen, huilend, terwijl hij zei: ‘O mijn broeder! O mijn metgezel!’ Daarop zei ʿUmar (رضي الله عنه): ‘O Ṣuhayb! Huil jij over mij, terwijl Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gezegd heeft: “De dode wordt gekweld vanwege een deel van het weeklagen/rouwbeklag van zijn familie over hem?’”Ibn ʿAbbās zei: “Toen ʿUmar (رضي الله عنه) overleed, vermeldde ik dit aan ʿĀishah, en zij zei: ‘Moge Allāh ʿUmar genadig zijn! Bij Allāh, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft niet gezegd dat Allāh een gelovige kwelt vanwege het huilen van zijn familie over hem. Maar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Allāh verhevigt de bestraffing van de ongelovige door het huilen van zijn familie over hem.”’ En zij zei: ‘Voor jullie is de Qur’ān voldoende: ﴿وَلَا تَزِرُ وَازِرَةٌ وِزْرَ أُخْرَى﴾ ‘Niemand zal de zonden van een ander dragen.’ (Fāṭir: 18)Ibn ʿAbbās (رضي الله عنه) zei toen: “Bij Allāh! وَأَنَّهُۥ هُوَ أَضۡحَكَ وَأَبۡكَىٰ ٤٣ En dat Hij het is Die doet lachen en doet huilen? (sûrah an-Najm 53/43)Abū Mulaykah zei: “Bij Allāh, Ibn ʿUmar zei niets.”
[Niemand draagt de zonden van een ander, behalve als hij daar een aandeel in heeft. ʿĀʾishah رضي الله عنها corrigeerde hier een misvatting en stelde dat een gelovige niet bestraft wordt voor het huilen van zijn familie ná zijn dood. Het ḥadīthfragment bevat de uitdrukking 'vanwege een deel van het weeklagen/rouwbeklag’, wat erop wijst dat het niet om gewoon huilen gaat, maar om het typisch Arabische gebruik van luid weeklagen/rouwbeklag, jammeren, slaan op het lichaam, enz. De overledene wordt alleen gestraft als hij dit gewild of goedgekeurd heeft, of zijn familie hierin niet weerhouden heeft.)Imām Bukhārī heeft deze ḥadīth op heldere wijze toegelicht in de titel van het hoofdstuk waarin hij is opgenomen. Hij noemde het hoofdstuk: “De uitspraak van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) : ‘De dode wordt gestraft vanwege een deel van het geweeklaag van zijn familie om hem.’Deze situatie doet zich alleen voor indien de overledene bij leven de gewoonte had te weeklagen/rouwbeklag en te jammeren. Want Allahu تعالى heeft gezegd: يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ قُوٓاْ أَنفُسَكُمۡ وَأَهۡلِيكُمۡ نَارٗا وَقُودُهَا ٱلنَّاسُ وَٱلۡحِجَارَةُ عَلَيۡهَا مَلَٰٓئِكَةٌ غِلَاظٞ شِدَادٞ لَّا يَعۡصُونَ ٱللَّهَ مَآ أَمَرَهُمۡ وَيَفۡعَلُونَ مَا يُؤۡمَرُونَ ٦
O, jullie die geloven!
Behoedt julliezelf en jullie gezinnen voor de Hel, waarvan de brandstof mensen en stenen is, waarover strenge en hard optredende Engelen zijn aangesteld, die Allāh niet ongehoorzaam zijn in wat Hij hun beveelt, maar doen wat hun bevolen is. (sûrah at-Taḥrīm: 6)
En an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ieder van jullie is een herder en ieder van jullie is verantwoordelijk voor zijn kudde.”Maar als iemand tijdens zijn leven niet de gewoonte had om te jammeren en te weeklagen/rouwbeklag, dan is het huilen om hem toegestaan. Dit is gebaseerd op de uitspraak van ʿĀishah (رضي الله عنها):
وَلَا تَزِرُ وَازِرَةٞ وِزۡرَ أُخۡرَىٰۚ وَإِن تَدۡعُ مُثۡقَلَةٌ إِلَىٰ حِمۡلِهَا لَا يُحۡمَلۡ مِنۡهُ شَيۡءٞ وَلَوۡ كَانَ ذَا قُرۡبَىٰٓۗ إِنَّمَا تُنذِرُ ٱلَّذِينَ يَخۡشَوۡنَ رَبَّهُم بِٱلۡغَيۡبِ وَأَقَامُواْ ٱلصَّلَوٰةَۚ وَمَن تَزَكَّىٰ فَإِنَّمَا يَتَزَكَّىٰ لِنَفۡسِهِۦۚ وَإِلَى ٱللَّهِ ٱلۡمَصِيرُ ١٨
En geen enkele lastdrager zal de last (zonden) van een ander dragen. En als iemand zwaar beladen is en een ander roept om zijn last te dragen, dan zal daarvan niets gedragen worden zelfs als hij een naaste verwant is. Jij kunt slechts degenen waarschuwen die hun Heer ongezien vrezen en hun gebeden perfect verrichten.
En degene die zichzelf reinigt, die reinigt zich slechts voor zichzelf. En tot Allāh is de terugkeer. (sûrah Fāṭir: 18)
Het gewone, emotionele huilen dat geen weeklagen/rouwbeklag of schreeuwen inhoudt, is dus toegestaan. (Bukhārī, Kitāb al-Janā’iz, 32) Er zijn vele overleveringen waarin vermeld staat dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zijn metgezellen stilletjes huilden bij het overlijden van hun geliefden. In een van de hierna volgende overleveringen zegt an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) :“Voorwaar, Allāh straft niet vanwege het huilen van het oog, noch vanwege het verdriet van het hart.”] (AFK)
٥٣٧ - حديث عَائِشَةَ وَابْنِ عُمَرَ عَنْ عُرْوَةَ قَالَ: ذُكِرَ عِنْدَ عَائِشَةَ أَنَّ ابْنَ عُمَرَ رَفَعَ إِلَى النَّبِيِّ ﷺ: أَنَّ الْمَيِّتَ يُعَذَّبُ فِي قَبْرِهِ بِبُكَاءِ أَهْلِهِ فَقَالَتْ: وَهَلَ ابْنُ عُمَرَ ﵀ إِنَّمَا قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: إِنَّهُ لَيُعَذَّبُ بِخَطِيئَتِهِ وَذَنْبِهِ، وَإِنَّ أَهْلَهُ لَيَبْكُونَ عَلَيْهِ الآنَ قَالَتْ: وَذَاكَ مِثْلُ قَوْلِهِ إِنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَامَ عَلَى الْقَلِيبِ وَفيهِ قَتْلَى بَدْرٍ مِنَ الْمُشْرِكينَ، فَقَالَ لَهُمْ مَا قَالَ: إِنَّهُمْ لَيَسْمَعُونَ مَا أَقُولُ إِنَّمَا قَالَ: إِنَّهُمُ الآنَ لَيَعْلَمُونَ أَنَّ مَا كُنْتُ أَقُولُ لَهُمْ حَقٌ ثُمَّ قَرَأَتْ (إِنَّكَ لاَ تُسْمِعُ الْمَوْتَى) وَ(وَمَا أَنْتَ بِمُسْمِعٍ مَنْ فِي الْقُبُورِ) يَقُولُ حينَ تَبَوَّءُوا مَقَاعِدَهُمْ مِنَ النَّارِ537 –Van ʿĀishah en Ibn ʿUmar via `Urwah (رضي الله عنهم):ʿUrwah zei: Er werd bij ʿĀishah melding gemaakt dat Ibn ʿUmar aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had toegeschreven dat de dode in zijn graf wordt gekweld door het gehuil van zijn familie.
Toen zei zij: “Moge Allāh Ibn ʿUmar genadig zijn! an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft slechts gezegd: ‘Voorwaar, hij wordt gekweld vanwege zijn fouten en zonden, terwijl zijn familie nu om hem huilt.’Zij zei: ‘Dat is zoals zijn uitspraak toen hij bij de waterput van Badr stond met daarin de doden van de polytheisten (mushrikīn); hij sprak hen toe en zei: ‘Zij horen waarlijk heel goed wat ik zeg’.
Hij zei slechts: ‘Zij weten nu zeker dat wat ik hun zeg, de waarheid is.’Vervolgens reciteerde zij (de verzen):إِنَّكَ لَا تُسۡمِعُ ٱلۡمَوۡتَىٰ وَلَا تُسۡمِعُ ٱلصُّمَّ ٱلدُّعَآءَ إِذَا وَلَّوۡاْ مُدۡبِرِينَ ٨٠
Waarlijk, je kunt de doden niet laten horen noch kan je de doven de oproep laten horen, als zij hun rug toekeren. (sûrah Naml 27/80)وَمَا يَسۡتَوِي ٱلۡأَحۡيَآءُ وَلَا ٱلۡأَمۡوَٰتُۚ إِنَّ ٱللَّهَ يُسۡمِعُ مَن يَشَآءُۖ وَمَآ أَنتَ بِمُسۡمِعٖ مَّن فِي ٱلۡقُبُورِ ٢٢
Noch zijn de levenden gelijk aan de doden. Waarlijk, Allāh laat horen wie Hij wil maar jij kunt degenen die in de graven zijn niet laten horen. (sûrah Faatir 35/22)(Urwah zei:) “Hij (Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft aangegeven dat toen zij (de mushrikīn) hun plaatsen in het Hellevuur innamen, (zij de waarheid van zijn woorden erkenden)."٥٣٨ - حديث عَائِشَةَ زَوْجِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَتْ: إِنَّمَا مَرَّ رَسُولُ اللهِ ﷺ عَلَى يَهُودِيَّةٍ يَبْكِي عَلَيْهَا أَهْلُهَا، فَقَالَ: إِنَّهُمْ ليبْكُونَ عَلَيْهَا وَإِنَّهَا لَتُعَذَّبُ فِي قَبْرِهَا538.
Van ʿĀishah (رضي الله عنها) vrouw van an-Nabī ((صلى الله عليه وسلم) :Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam voorbij een joodse vrouw over wie haar familie aan het huilen was, en hij zei: “Zij huilen om haar, terwijl zij waarlijk gekweld wordt in haar graf.”
٥٣٩ - حديث الْمُغِيرَةِ ﵁، قَالَ: سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ يَقُولُ: مَنْ نِيحَ عَلَيْهِ يُعَذَّبُ بِمَا نِيحَ عَلَيْهِ539. al-Mughīrah (رضي الله عنه):Ik hoorde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zeggen: ‘Wie overlijdt en over wie vervolgens luidkeels gejammerd wordt, die zal vanwege dat gejammer gestraft worden.’
De strenge afkeuring van weeklagen/rouwbeklag (overmatig rouwen met luid geschreeuw)
التشديد في النياحة
٥٤٠ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: لَمَّا جَاءَ النَّبِيَّ ﷺ قَتْلُ ابْنِ حَارِثَةَ وَجَعْفَرٍ وَابْنِ رَوَاحَةَ، جَلَسَ يُعْرَفُ فِيهِ الْحُزْنُ، وَأَنَا أَنْظُرُ مِنْ صَائرِ الْبَابِ، شَقِّ الْبَابِ؛ فَأَتَاهُ رَجُلٌ فَقَالَ: إِنَّ نِسَاءَ جَعْفَرٍ، وَذَكَرَ بُكَاءَهُنَّ فَأَمَرَهُ أَنْ يَنْهَاهُنَّ، فَذَهَبَ، ثُمَّ أَتَاهُ الثَّانِيَةَ، لَمْ يُطِعْنَهُ، فَقَالَ: أنْهَهُنَّ فَأَتَاهُ الثَّالِثَةَ، قَالَ: وَاللهِ غَلَبْنَنَا يَا رَسُولَ اللهِ فَزَعَمَتْ أَنَّه قَالَ: فَاحْثُ فِي أَفْوَاهِهِنَّ التُّرَابَ فَقُلْتُ: أَرْغَمَ اللهُ أَنْفَكَ، لَمْ تَفْعَلْ مَا أَمَرَكَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، وَلَمْ تَتْرُكْ رَسُولَ اللهِ ﷺ مِنَ الْعَنَاءِ
540. Van ʿĀishah (رضي الله عنها):Toen de marteldood van Zayd ibn Ḥārithah, Jaʿfar ibn Abī Ṭālib en ʿAbdullāh ibn Rawāḥah (رضي الله عنهم) bij de Slag bij Mu’tah an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had bereikt, zat hij in de moskee. Verdriet tekende zich af op zijn gezicht, en ik keek vanuit de deuropening toe. Iemand kwam naar hem toe en zei: “De vrouwen in het huis van Jaʿfar zijn hevig aan het jammeren.”an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gebood hem om hen het weeklagen/rouwbeklag te laten staken. De man keerde terug, maar de vrouwen luisterden niet.
Toen beval an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hem opnieuw hen te stoppen.De derde keer zei de man: “O Rasûlullāh , bij Allāh, zij zijn te sterk voor ons/luisteren niet naar ons.”Ā’ishah zei dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen de man zei: ‘Gooi aarde in de monden van die vrouwen!’Ā’ishah ging verder en zei: “Ik zei tegen die man: ‘Moge Allāh jouw neus met stof bedekken! Jij hebt het bevel dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) jou gegeven had niet opgevolgd, en je laat Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم) niet met rust in zijn moeilijke momenten.’
[Deze uitdrukking is kleinerend en bevat een belediging. Onze moeder ʿĀishah (رضي الله عنها) sprak deze woorden uit vanuit de gedachte dat die man Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) telkens lastigviel door steeds weer naar hem toe te komen en hem daarmee tot last was.] (HY)
٥٤١ - حديث أُمِّ عَطِيَّةَ، قَالَتْ: أَخَذَ عَلَيْنَا النَّبِيُّ ﷺ عِنْدَ الْبَيْعَةِ أَنْ لاَ نَنُوحَ، فَمَا وَفَتْ مِنَّا امْرَأَةٌ غَيْرُ خَمْسِ نِسْوَةٍ: أُمُّ سُلَيْمٍ، وَأُمُّ الْعَلاَءِ، وَابْنَةُ أَبِي سَبْرَةَ امْرَأَةُ مُعَاذٍ، وَامْرَأَتَيْنِ؛ أَوِ ابْنَةُ أَبِي سَبْرَةَ، وَامْرَأَةُ مُعَاذٍ، وَامْرَأَةٌ أُخْرَى541.
Van Ummu ʿAṭiyyah (رضي الله عنها):Toen wij trouw zwoeren aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ,) liet hij ons beloven dat wij niet zouden jammeren of schreeuwen bij een begrafenis. Maar slechts vijf van de vrouwen hielden zich volledig aan die belofte. Dat waren: Ummu Sulaym, Ummu ʿAlā’, de vrouw van Muʿādz ibn Jabal, de dochter van Abū Sabrah en nog twee anderen.” Of de dochter van Abū Sabrah, en de vrouw van Muʿādz en een andere vrouw.
٥٤٢ - حديث أُمِّ عَطِيَّةَ، قَالَتْ: بَايَعْنَا رَسُولَ اللهِ ﷺ، فَقَرَأَ عَلَيْنَا (أَنْ لاَ يُشْرِكْنَ بِاللهِ شَيْئًا) وَنَهَانَا عَنِ النِّيَاحَةِ، فَقَبَضَتِ امْرَأَةٌ يَدَهَا، فَقَالَتْ: أَسْعَدَتْنِي فُلاَنَةُ أُرِيدُ أَنْ أَجْزيهَا، فَمَا قَالَ لَهَا النَّبِي ﷺ شَيْئًا، فَانْطَلَقَتْ وَرَجَعَتْ فَبَايَعَهَا542.
Van Ummu ʿAṭiyyah (رضي الله عنها):Wij zwoeren trouw (bay`ah) aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), en hij reciteerde het vers:يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّبِيُّ إِذَا جَآءَكَ ٱلۡمُؤۡمِنَٰتُ يُبَايِعۡنَكَ عَلَىٰٓ أَن لَّا يُشۡرِكۡنَ بِٱللَّهِ شَيۡـٔٗا وَلَا يَسۡرِقۡنَ وَلَا يَزۡنِينَ وَلَا يَقۡتُلۡنَ أَوۡلَٰدَهُنَّ وَلَا يَأۡتِينَ بِبُهۡتَٰنٖ يَفۡتَرِينَهُۥ بَيۡنَ أَيۡدِيهِنَّ وَأَرۡجُلِهِنَّ وَلَا يَعۡصِينَكَ فِي مَعۡرُوفٖ فَبَايِعۡهُنَّ وَٱسۡتَغۡفِرۡ لَهُنَّ ٱللَّهَۚ إِنَّ ٱللَّهَ غَفُورٞ رَّحِيمٞ ١٢
O, Profeet! Als de gelovige vrouwen tot jou gekomen zijn om de belofte af te leggen dat zij niemand in de aanbidding met Allāh zullen verenigen, dat zij niet zullen stelen, dat zij geen overspel zullen plegen, dat zij hun kinderen niet zullen doden, dat zij niet zullen lasteren, niet zullen liegen en jou niet in het goede ongehoorzaam zullen zijn, accepteer dan hun belofte en vraag Allāh hen te vergeven.
Waarlijk, Allāh is Vergevingsgezind, Genadevol.’ (sûrah al-Mumtaḥinah: 12)Tijdens deze bay`ah verbood hij ons om luidkeels te huilen bij een begrafenis. Een vrouw trok haar hand terug en zei: ‘Die-en-die vrouw heeft mij eens (in de tijd van de jāhiliyyah) geholpen met het jammeren, nu wil ik haar terugbetalen.’Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei niets. De vrouw vertrok, keerde terug en deed alsnog bay`ah.”
[Luidkeels huilen zoals in de tijd van de jāhiliyyah zijn daden een openlijke opstand tegen Allah en drukken ontevredenheid uit over Zijn beschikking (ḥukm), en zijn daarom verboden. De ḥadīth wijst erop dat dergelijke gedragingen ḥarām zijn.Als iemand die tijdens het weeklagen/rouwbeklag uitspraken doet die religieus ongeoorloofd zijn, zoals de mensen uit de tijd van de jāhiliyyah zeiden: “Ik ben verloren,” “Ik ben vergaan,” “Ik ben vernietigd,” enzovoort zijn niet toegestaan.] (HA)
Het verbod voor vrouwen om achter de begrafenisstoet te lopen نهى النساء عن اتباع الجنائز
٥٤٣ - حديث أُمِّ عَطِيَّةَ، قَالَتْ: نُهينَا عَنِ اتِّبَاعِ الْجَنَائِزِ وَلَمْ يُعْزَمْ عَلَيْنَا
543. Van Ummu ʿAṭiyyah (رضي الله عنها):Ons werd afgeraden om de begrafenisstoeten te volgen, maar het werd ons niet nadrukkelijk verboden.Over het wassen van de overledene
في غسل الميت
٥٤٤ - حديث أُمَّ عَطِيَّةَ الأَنْصَارِيَّةِ قَالَتْ: دَخَلَ عَلَيْنَا رَسُولُ اللهِ ﷺ حينَ تُوُفِّيَتِ ابْنَتُهُ فَقَالَ: اغْسِلْنَهَا ثَلاَثًا أَوْ خَمْسًا أَوْ أَكْثَرَ مِنْ ذلِكَ، إِنْ رَأَيْتُنَّ ذلِكَ، بِمَاءٍ وَسِدْرٍ، وَاجْعَلْنَ فِي الآخِرَةِ كَافُورًا أَوْ شَيْئًا مِنْ كَافورٍ، فَإِذَا فَرَغْتُنَّ فَآذِنَّنِي فَلَمَّا اذنَّاهُ، فَأَعْطَانَا حَقْوَهُ فَقَالَ: أَشْعرْنَهَا إِيَّاهُ تَعْنِي إِزَارَهُ
544. Van Ummu ʿAṭiyyah al-Anṣāriyyah (رضي الله عنها):Toen de dochter van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), (Zaynab (رضي الله عنها), overleed, kwam hij naar ons toe en zei: ‘Was haar met water en sidr (lotusbladeren (van sidrboom) drie keer, of vijf keer, of zo vaak als jullie dat nodig achten. Gebruik bij de laatste wasbeurt kafūr (kamfer) of iets wat daarop lijkt. Breng mij op de hoogte nadat jullie haar gewassen hebben.’Toen wij haar gewassen hadden, brachten wij hem op de hoogte. Hij gaf ons zijn onderste kledingstuk (izār) en zei: ‘Gebruik dit als haar onderkleding (in de lijkwade).’[In een andere overlevering zei hij: “Begin met het wassen aan haar rechterzijde en bij de lichaamsdelen die voor de wuḍū’ gewassen worden.”In een andere overlevering zei Ummu ʿAṭiyyah (رضي الله عنها): “Wij kamden haar haren en maakten drie vlechten van haar haar.”] (AFK)
٥٤٥ - حديث أُمِّ عَطِيَّةَ الأَنْصَارِيَّةِ، قَالَتْ: دَخَلَ عَلَيْنَا رَسُولُ اللهِ ﷺ وَنَحْنُ نَغْسِلُ ابْنَتَهُ، فَقَالَ: اغْسِلْنَهَا ثَلاَثًا أَوْ خَمْسًا أَوْ أَكْثَرَ مِنْ ذلِكَ بِمَاءٍ وَسِدْرٍ، وَاجْعَلْنَ فِي الآخِرَةِ كَافُورًا، فَإِذَا فَرَغْتُنَّ فَآذِنَّنِي فَلَمَّا فَرَغْنَا آذَنَّاهُ فَأَلْقَى إِلَيْنَا حَقْوَهُ فَقَالَ: أَشْعِرْنَهَا إِيَّاهُ
فَقَالَ أَيُّوبُ (أَحَد الرواة): وَحَدَّثَتْنِي حَفْصَةُ بِمِثْلِ حَدِيثِ مُحَمَّدٍ، وَكَانَ فِي حَدِيثِ حَفْصَةَ اغْسِلْنَهَا وِتْرًا َكَانَ فِيهِ ثَلاَثًا أَوْ خَمْسًا أَوْ سَبْعًا وَكَانَ فِيهِ أَنَّهُ قَالَ: ابْدَأْنَ بِمَيَامِنِهَا وَمَواضِعِ الْوُضُوءِ مِنْهَا وَكَانَ فِيهِ، أَنَّ أُمَّ عَطِيَّةَ قَالَتْ: وَمَشَطْنَاهَا ثَلاَثَةَ قُرُونٍ
545. Van Umm ʿAṭiyyah al-Anṣāriyyah (رضي الله عنها):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam bij ons binnen terwijl wij zijn dochter (Zaynab) aan het wassen waren.Hij zei: “Was haar drie keer, of vijf keer, of meer dan dat, met water en sidr.
En doe in de laatste (wasbeurt) kamfer.”Hij zei verder: “Wanneer jullie klaar zijn, laat het mij dan weten.”Toen wij klaar waren, lieten wij het hem weten.Hij gaf ons toen zijn onderkleed (ḥaqw, een soort lendendoek) en zei: “Wikkel haar daarin.”Ayyūb (een van de overleveraars) zei: “Ḥafṣah heeft mij hetzelfde overgeleverd als wat Muḥammad (de andere overleveraar) overleverde.”En in de overlevering van Ḥafṣah stond: “Was haar een oneven aantal keren: drie, of vijf, of zeven.”En: “Begin aan de rechterkant, met die lichaamsdelen die ook bij de kleine wassing (wuḍūʾ) gewassen worden.”En: “Ummu ʿAṭiyyah (رضي الله عنها) zei: “Wij kamden haar haar en vlochten het in drie vlechten.”٥٤٦ - حديث أُمِّ عَطِيَّةَ، قَالَتْ: لَمَّا غَسَّلْنَا بِنْتَ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ لَنَا، وَنَحْنُ نَغْسِلُهَا: ابْدَأْنَ بِمَيَامِنِهَا وَمَوَاضِعِ الْوُضُوءِ مِنْهَا546.
Van Umm ʿAṭiyyah al-Anṣāriyyah (رضي الله عنها):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei tegen ons, terwijl wij haar (Zaynab) aan het wassen waren:“Begin met haar rechterzijde en met de lichaamsdelen van de wuḍūʾ.’
Het lijkwade van de overledene
في كفن الميت
٥٤٧ - حديث خَبَّاتٍ ﵁، قَالَ: هَاجَرْنَا مَعَ النَّبِيِّ ﷺ نَلْتَمِسُ وَجْهَ اللهِ، فَوَقَعَ أَجْرُنَا عَلَى اللهِ، فَمِنَّا مَنْ مَاتَ لَمْ يَأْكُلْ مِنْ أَجْرِهِ شَيْئًا، مِنْهُمْ مُصْعَبُ بْنُ عُميْرٍ؛ وَمِنَّا مَنْ أَيْنَعَتْ لَهُ ثَمَرَتُهُ، فَهُوَ يَهْدِبُهَا قُتِلَ يَوْمَ أُحُدٍ فَلَمْ نَجِدْ مَا نُكَفِّنُهُ إِلاَّ بُرْدَةً إِذَا غَطَّيْنَا بِهَا رَأْسَهُ خَرَجَتْ رِجْلاَهُ، وَإِذَا غَطَّيْنَا رِجْلَيْهِ خَرَجَ رَأْسُهُ، فَأَمَرَنَا النَّبِيُّ ﷺ أَنْ نُغَطِّيَ رَأْسَهُ وَأَنْ نَجْعَلَ عَلَى رِجْلَيْهِ مِنَ الإِذْخِرِ
547. Van Ḥabbāb (رضي الله عنه):Wij emigreerden met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) omwille van het welbehagen van Allāh. Sommigen van ons bereikten hun beloning (in deze wereld: de buit die bij de veroveringen werd buitgemaakt), anderen niet. Onder hen was Muṣʿab ibn ʿUmayr, die als martelaar viel tijdens de Slag bij Uḥud. Sommigen van ons hebben vrucht die rijp is geworden en zijn die aan het oogstenWe hadden voor hem slechts een doek waarmee we zijn lichaam konden bedekken. Als we zijn hoofd bedekten, waren zijn voeten zichtbaar, en als we zijn voeten bedekten, was zijn hoofd zichtbaar. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei toen: ‘Bedek zijn hoofd en leg izkhir-gras (een geurend kruid) op zijn voeten.’
[Het omwikkelen van de overledene in een lijkwade (kafan) is farḍ kifāyah, collectieve verplichting: als sommigen het uitvoeren, vervalt de plicht voor de rest van de ummah. Wat in de kafan verplicht (farḍ) is, is dat het lichaam volledig bedekt wordt.In geval van nood wordt gebruikt wat beschikbaar is.
Als er helemaal niets aanwezig is als kafan, dan moet de overledene bedekt worden met een schoon stuk mat, gras of iets vergelijkbaars, zolang het hele lichaam maar bedekt is.
Wat betreft de kafan voor kinderen:
Jongens en meisjes die de puberteit naderen, worden als volwassenen beschouwd.
Kinderen die nog niet in de puberteit zijn, worden met slechts één of twee doeken omwikkeld enkel een izār (onderdoek) en een lifāfah (wikkeldoek).
Het is echter beter om drie doeken te gebruiken.
De kosten van de kafan worden betaald uit het vermogen van de overledene. De uitgaven voor de kafan gaan vóór het aflossen van schulden, testamenten of erfenissen. Als de overledene geen bezit nalaat, worden de kosten gedragen door degene die tijdens zijn leven verplicht was om voor hem in levensonderhoud te voorzien. Als dat ook niet mogelijk is, dan wordt het uit de schatkist (bayt al-māl) betaald. Is zelfs dat er niet mogelijk dan nemen de moslims deze verplichting op zich.
Er zijn drie soorten kafan
a) De sunnah-conforme kafan (kafan ʿala-s-sunnah):
Voor mannen bestaat deze uit drie lagen:Qamīṣ: een doek als een hemd, van de hals tot de voeten.
Izār: een doek vergelijkbaar met een onderkleed van hoofd tot voeten.
Lifāfah: een omwikkeldoek die van hoofd tot voeten reikt, waarvan de uiteinden aan hoofden voetenzijde worden vastgebonden.
Voor vrouwen bestaat deze uit vijf doeken: de drie bovengenoemde, plus een hoofddoek (khimār) en een borstdoek (khirqa).
b) De toereikende kafan (kafan al-kifāyah):
Voor mannen: een izār en een lifāfah.
Voor vrouwen: deze twee, plus een hoofddoek.
c) De noodkafan (kafan al-ḍarūrah):
Zowel voor mannen als vrouwen slechts één doek, waarin de overledene volledig gewikkeld wordt.
Alleen in uiterste nood is één doek toegestaan.
Volgens de Ḥanafī’-geleerden is het aanbevolen (mustaḥab) dat bij de kafan ook een tulband (ʿimāmah) en een hemd (qamīṣ) worden gebruikt. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd dat witte kleding de beste is onder de kleren. Daarom raadde hij aan om ook de overledenen in het wit te wikkelen zodoende is het gebruik van een witte kafan mustaḥab.] (HA)
{Ahadith over de salāh voor overledenen:Van Ibn Shihāb (رضي الله عنه):Voor ieder pasgeboren kind dat sterft moet de salaah verricht worden, ook voor een bastaard, want een kind wordt geboren met de natuurlijke aanleg om moslim te zijn. En als beide ouders zich moslim noemen, of als de vader moslim is maar de moeder van een andere godsdienst, dan moet voor een gestorven kind de salaah verricht worden als het na de geboorte geschreeuwd heeft. Er wordt geen salaah verricht als het niet geschreeuwd heeft, want dan is het een misgeboorte.
Van Jābir ibn Samûrah (رضي الله عنه):Er werd een man bij an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) gebracht die zelfmoord had gepleegd met pijlpunten, en hij verrichtte geen ṣalāh voor hem.
Abbād ibn `Abdullah ibn az-Zubayr vertelde dat ʿĀishah (رضي الله عنها) zei dat de baar van Sa’d ibn abi Wakkās (رضي الله عنه) in de moskee gebracht moest worden, zodat daar de ṣalāhal janazah voor hem verricht kon worden. Toen daar bezwaar tegen gemaakt werd zei ze:"Wat vergeten de mensen toch snel! an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) heeft voor Suhayl ibn al-Baydā’ nergens anders dan in de moskee de ṣalāhal janazah verricht."}
٥٤٨ - حديث عَائِشَةَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ كُفِّنَ فِي ثَلاثَةِ أَثْوَابٍ يَمَانِيَةٍ بِيضٍ سَحُولِيَّةٍ مِنْ كُرْسُفٍ، لَيْسَ فيهِنَّ قَمِيصٌ وَلاَ عِمَامَةٌ548. Van ʿĀishah (رضي الله عنها):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd gewikkeld in drie witte Jemenitische doeken van fijn katoen (saḥūlī), zonder onderkleed (qamīs) en zonder tulband (‘imāmah).
Bedekken van de overledeneفي تسجية الميت
٥٤٩ - حديث عَائِشَةَ، زَوْجِ النَّبِيِّ ﷺ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ حينَ تُوُفِّيَ سُجِّيَ بِبُرْدٍ حِبَرَةٍ
549. Van ʿĀishah (رضي الله عنها):Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overleed, werd hij toegedekt met een Hibarah-doek (een soort gestreepte, fijngeweven doek van goede kwaliteit, vaak van Jemenitische oorsprong).Haast bij de begrafenisالإسراع بالجنازة
٥٥٠ - حديث أَبِي هُرَيْرَةً ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: أَسْرِعُوا بِالْجِنَازَةِ، فَإِنْ تَكُ صَالِحَةً فَخَيْرٌ تُقَدِّمُونَهَا، وَإِنْ يَكُ سِوَى ذلِكَ، فَشَرٌّ تَضَعُونَهُ عَنْ رِقَابِكُمْ
550.
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Maak haast met een begrafenis, want als het om een rechtschapen persoon (sālih) was, dan is het iets goeds (om hem te laten genieten van de barmhartigheid en zegeningen die hem in zijn graf te wachten staan) en als hij dat niet was is het een kwaad waarvan je je ontdoet.”[Het bevel “maak haast” betekent dat alle aangelegenheden rondom de begrafenis zonder onnodige vertraging verricht moeten worden.] (AFK)
Het bijwonen van de begrafenis en de verdienste van de ṣalāh voor de overledene
ضل الصلاة على الجنازة واتباعها
٥٥١ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: مَنْ شَهِدَ الْجَنَازَةَ حَتَّى يُصَلِّي عَلَيْهَا فَلَهُ قِيرَاطٌ، وَمَنْ شَهِدَ حَتَّى تُدْفَنَ كَانَ لَهُ قِيرَاطَانِ، قِيلَ: وَمَا الْقيرَاطَانِ قَالَ: مِثْلُ الْجَبَلَيْنِ الْعظيمَيْنِ
551. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasūlullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie de (begrafenis)stoet bijwoont tot de ṣalāh wordt verricht, krijgt één qīrāṭ (aan beloning). Wie een begrafenisstoet volgt, aanwezig blijft tot de ṣalāh is verricht en pas vertrekt nadat de begrafenis is voltooid, ontvangt twee qīrāṭ aan beloning; elk qīrāṭ is zo groot als twee bergen.
٥٥٢ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ وَعَائِشَةَ حَدَّثَ ابْنُ عُمَرَ، أَنَّ أَبَا هُرَيْرَةَ ﵁ يَقُولُ: مَنْ تَبِعَ جَنَازَةً فَلَهُ قِيرَاطٌ، فَقَالَ: أَكْثَرَ أَبُو هُرَيْرَةَ عَلَيْنَا، فَصَدَّقَتْ، يَعْنِي عَائِشَةَ أَبَا هُرَيْرَةَ؛ وَقَالَتْ: سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَقُولُهُ؛ فَقَالَ ابْنُ عُمَرَ: لَقَدْ فَرَّطْنَا فِي قَرَارِيطَ كَثيرَةٍ552 – Van Abū Hurayrah en ʿĀishah رضي الله عنهماIbn ʿUmar vertelde dat Abū Hurayrah zei: “Wie een begrafenisstoet bijwoont, ontvangt daarvoor de beloning van één qīrāṭ.”Daarop zei (Ibn ʿUmar): “Abū Hurayrah overdrijft tegenover ons.”Toen bevestigde ʿĀishah de woorden van) Abū Hurayrah en zei: “Ik heb Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dit horen zeggen.”Daarop zei Ibn ʿUmar: “Waarlijk, wij hebben veel qīrāṭs verwaarloosd.”
[Qīrāṭ was een waarde-eenheid die werd gebruikt als de helft van een tiende dinar. Volgens ʿAynī werd de term qīrāṭ in ahādīth op verschillende manieren gebruikt, soms letterlijk en soms als vergelijking met bijvoorbeeld een schaap, een berg in Makkah of zelfs de berg Uḥud.] (AFK)De overledenen die met goed of kwaad worden herinnerdفيمن يثنى عليه خير أو شر من الموتى
٥٥٣ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁، قَالَ: مَرُّوا بِجَنَازَةٍ فَأَثْنَوْا عَلَيْهَا خَيْرًا، فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: وَجَبَتْ ثُمَّ مَرُّوا بِأُخْرى فَأَثْنَوْا عَلَيْهَا شَرًّا فَقَالَ: وَجَبَتْ فَقَالَ عُمَرُ بْنُ الْخَطَّابِ ﵁، مَا وَجَبَتْ قَالَ: هذَا أَثْنَيْتُمْ عَلَيْهِ خَيْرًا فَوَجَبَتْ لَهُ الْجَنَّةُ، وَهذَا أَثْنَيْتُمْ عَلَيْهِ شَرًّا فَوَجَبَتْ لَهُ النَّارُ، أَنْتُمْ شُهَدَاءُ اللهِ فِي الأَرْضِ
553. Van Anas (رضي الله عنه):Zij (de ṣaḥābah) kwamen langs een begrafenisstoet en spraken lovend (khayr) over de overledene. Daarop zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) : “Het is verplicht geworden.”Daarna kwamen zij (de ṣaḥābah) langs een andere begrafenisstoet en spraken negatief (shar) over die persoon. Weer zei hij: “Het is verplicht geworden.”ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه) vroeg: “Wat is verplicht geworden?” Hij antwoordde: “Diegene over wie jullie lovend spraken is het Paradijs verplicht geworden, en diegene over wie jullie negatief spraken is het Hellevuur verplicht geworden. Jullie zijn de getuigen van Allāh op aarde.”
{Een andere hadith:Van Abû-l-Aswad (رضي الله عنه):Toen ik in Medina aankwam was daar een ziekte uitgebroken. Ik zat bij ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه) en er kwam een begrafenisstoet langs en de mensen prezen de overledene. `Umar zei: 'Het is vastgesteld.' Er kwam een tweede stoet langs en weer prezen de mensen de overledene. 'Het is vastgesteld,' zei `Umar.
Toen er een derde begrafenisstoet langskwam spraken de mensen misprijzend over de gestorvene. `Umar zei weer: 'Het is vastgesteld.' Ik vroeg hem: ‘O Amīr al mu’minīn, wat is er vastgesteld?' Hij antwoordde: 'Dat zei an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) altijd. Want als er vier personen gunstig voor een moslim getuigen zal Allah hem in het Paradijs doen binnengaan.''En als het maar drie getuigen zijn?' vroegen wij. 'Ook bij drie getuigen.''En als het er twee zijn?' 'Dan ook.'Wij vroegen hem niet wat er zou gebeuren als het er maar één was.}
Wie is degene die rust vindt en van wie men verlost is
ما جاء في مستريح ومستراح منه
٥٥٤ - حديث أَبِي قَتَادَةَ بْنِ رِبْعِيٍّ الأَنْصَارِيِّ أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ مُرَّ عَلَيْهِ بِجَنَازَةٍ فَقَالَ: مُسْتَرِيحٌ وَمُسْتَراحٌ مِنْهُ قَالُوا: يَا رَسُولَ اللهِ مَا الْمُسْتَرِيحُ وَالْمُسْتَرَاحُ مِنْهُ قَالَ: الْعَبْدُ الْمُؤمِنُ يَسْتَريحُ مِنْ نَصَبِ الدُّنْيَا وَأَذَاهَا إِلَى رَحْمَةِ اللهِ، وَالْعَبْدُ الْفَاجِرُ يَسْتَريحُ مِنْهُ الْعِبَادُ وَالْبِلاَدُ وَالشَّجَرُ وَالدَّوَابُّ
554. Van Abū Qatādah ar-Ribʿī al Ansārī (رضي الله عنه):Toen er een begrafenisstoet langs Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam, zei hij: “Sommigen vinden rust, anderen worden gerustgesteld.”Zij vroegen: “O Rasûlullāh , wie is degene die rust vindt en van wie men verlost is?”Hij zei: “De gelovige dienaar vindt rust van de vermoeienis en het leed van de wereld, (en gaat) naar de barmhartigheid van Allāh. En de verdorven dienaar: de mensen, het land, de bomen en de dieren zijn van hem verlost.”
Over de takbīr in de begrafenis-ṣalāhفي التكبير على الجنازة
٥٥٥ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ نَعَى النَّجَاشِيَّ فِي الْيَوْمِ الَّذِي مَاتَ فِيهِ، خَرَجَ إِلَى الْمُصَلَّى فَصَفَّ بِهِمْ وَكَبَّرَ أَرْبَعًا
555. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasūlullah (صلى الله عليه وسلم) kondigde op de dag van overlijden van Najāshī diens dood aan. Hij begaf zich naar de ṣalāhsveld (musallā), stelde de rijen op en verrichtte vier takbīr over hem.
[De moslims die hun geloof en vrijheid wilden behouden en aan de vervolging door de Makkaanse mushrikīn ontvluchtten, emigreerden naar Abyssinië (Ethiopië). Daar werden zij beschermd door de koning van het koninkrijk Najāshī. Nadat Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم) hem een brief had geschreven waarin hij hem uitnodigde tot de Islām, accepteerde de koning de Islām. Zijn volledige naam was Ashama b. Abjar.Na de aankomst van de eerste groep in 615 n.Chr. emigreerde een jaar later een grotere groep moslims naar Abyssinië (Ethiopië), mede aangetrokken door de rechtvaardige houding van Najāshī. In de islamitische geschiedenis wordt hij met respect herinnerd als een rechtvaardige heerser, omdat hij geloof hechtte aan de boodschappen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zonder hem ooit persoonlijk te hebben ontmoet, en omdat hij de migranten (muḥājirīn) welwillend behandelde.
Toen Najāshī in 630 n.Chr. overleed, kondigde Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn overlijden persoonlijk aan en de moslims verrichtten daarna ṣalāh al-janāzah voor hem in Jannat al-Baqīʿ. Het is ook bekend dat Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم) ṣalāh al-janāzah verrichtte voor de martelaren van Uhud en voor enkele overledenen die zonder zijn weten waren begraven.] (Diyanet)
٥٥٦ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: نَعَى لَنَا رَسُولُ اللهِ ﷺ النَّجَاشِيَّ، صَاحِبَ الْحَبَشَةِ، الْيَوْمَ الَّذِي مَاتَ فِيهِ، فَقَالَ: اسْتَغْفِرُوا َلأخِيكُمْ556.
Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasūlullah (صلى الله عليه وسلم) kondigde op de dag van overlijden van de koning van Habashah (an-Najāshī) diens dood aan en zei: “Vraag vergeving voor jullie broeder.”
٥٥٧ - حديث جَابِرٍ ﵁، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ صَلَّى عَلَى أَصْحَمَةَ النَّجَاشِيِّ، فَكَبَّرَ أَرْبَعًا557. Van Jābir ibn ʿAbdullāh (رضي الله عنه):Rasūlullah (صلى الله عليه وسلم) verrichtte de ṣalāh al-janāzah over de koning Ashamah an-Najashī en riep vier takbīr uit.
٥٥٨ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: قَدْ تُوُفِّيَ الْيَوْمَ رَجُلٌ صَالِحٌ مِنَ الْحَبَشِ، فَهَلُمَّ فَصَلُّوا عَلَيْهِ قَالَ: فَصَفَفْنَا، فَصَلَّى النَّبِيُّ ﷺ عَلَيْهِ، وَنَحْنُ صُفُوفٌ558. Van Jābir ibn ʿAbdullāh (رضي الله عنه):Rasūlullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Vandaag is er in Habashah een vroom persoon overleden. Kom, laten wij de ṣalāh voor hem verrichten.”(Jābir zei:) an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ging de ṣalāh voor en wij schaarden ons in rijen achter hem.
Het verrichten van de begrafenis-ṣalāh bij een grafالصلاة على القبر٥٥٨ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: قَدْ تُوُفِّيَ الْيَوْمَ رَجُلٌ صَالِحٌ مِنَ الْحَبَشِ، فَهَلُمَّ فَصَلُّوا عَلَيْهِ قَالَ: فَصَفَفْنَا، فَصَلَّى النَّبِيُّ ﷺ عَلَيْهِ، وَنَحْنُ صُفُوفٌ559. Van Sha`bie via Ibn ʿAbbās (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) kwam bij een geïsoleerd graf en stelde zich op als imām. De ṣaḥābah schaarden zich in rijen achter hem en hij verrichtte de ṣalāh (al-janazah). Ik zei: “O Abū ʿAmr! Wie heeft jou dit verteld?”Hij zei: “Ibn ʿAbbās
٥٦٠ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّ أَسْوَدَ، رَجُلًا أَوِ امْرَأَةً، كَانَ يَقُمُّ الْمَسْجِدَ، فَمَاتَ، وَلَمْ يَعْلَمِ النَّبِيُّ ﷺ بِمَوْتِهِ، فَذَكَرَهُ ذَاتَ يَوْمٍ، فَقَالَ: مَا فَعَلَ ذَلِكَ الإِنْسَانُ قَالُوا: مَاتَ يَا رَسُولَ اللهِ قَالَ: أَفَلاَ آذَنْتُمُونِي فَقَالُوا: إِنَّهُ كَانَ كَذَا وَكَذَا، قِصَّتَهُ؛ قَالَ: فَحَقَرُوا شَأْنَهُ قَالَ: فَدُلُّونِي عَلَى قَبْرِهِ فَأَتَى قَبْرَهُ فَصَلَّى عَلَيْهِ560 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):
Er was een zwarte man (of vrouw) die de moskee schoonmaakte. Deze persoon overleed, en an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wist niet dat hij/zij gestorven was.
Op een dag vroeg hij naar die persoon en zei: “Wat is er met die persoon gebeurd?”Zij zeiden: “Hij/zij is overleden, o Rasûlullāh .”Hij zei: “Waarom hebben jullie mij dat niet laten weten?”
Zij noemden hem/haar ‘zo-en-zo’ en beschreven zijn/haar leven, waarmee zij duidelijk maakten dat zij hem/haar weinig waarde hechtten.
Toen zei hij: “Wijs mij zijn/haar graf.”
Hij ging naar het graf en verrichtte de ṣalāh al-janazah voor hem/haar.
[Volgens overleveringen vond de begrafenis plaats in de nacht, en wilde men an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) niet storen.] (AFK)
[Hieruit blijkt dat men, ook indien men de ṣalāh al-janāzah bij de begrafenis heeft gemist, later naar het graf mag gaan om de ṣalāh voor de overledene te verrichten.
De geleerden zijn het echter niet eens over hoelang dit nog geoorloofd is.“De Ḥanafī’-geleerden stellen dat bij vermoeden (zann-ı gālib) dat het lichaam nog niet ontbonden is, ṣalāh boven het graf verricht mag worden. Bij zekerheid dat het lichaam vergaan is, is dit echter niet toegestaan.”Sommigen hebben beweerd dat de ṣalāh al-janazah boven een graf een specifieke eigenschap (khāṣṣiyyah) van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was. Deze opvatting is echter weerlegd met het argument: “Als dit slechts iets was dat enkel voor an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gold, dan zou hij zijn metgezellen hebben verboden om boven graven te bidden.”Volgens Qāḍī ʿIyāḍ (gest. 544/1149), waren de ṣaḥābah het oneens over het aantal takbīrs dat men tijdens de ṣalāh al-janazah moest uitspreken. Er werden verschillende aantallen genoemd, variërend van drie tot negen takbīrs. Ibn ʿAbdil-Bar (gest. 463/1071) vermeldt echter dat er later consensus (ijmāʿ) is ontstaan dat het om vier takbīrs gaat.De fuqahā’ en de geleerden die fatwā gaven in grote kenniscentra, zoals Bagdad, Basra, Kūfa en Madīnah, zijn het hier unaniem over eens, aangezien dit de conclusie is die voortvloeit uit de authentieke (ṣaḥīḥ) ahādīth. Daarom moet men geen waarde hechten aan afwijkende meningen die in strijd zijn met deze vastgestelde zienswijze.] (HA)
Opstaan bij de begrafenis
القيام للجنازة
٥٦١ - حديث عَامِرِ بْنِ رَبِيعَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: إِذَا رَأَيْتُمُ الْجَنَازَةَ فَقُومُوا حَتَّى تُخَلِّفَكُمْ
561. Van ʿĀmir ibn Rabīʿah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer jullie een begrafenisstoet zien, sta dan op totdat deze voorbij is gegaan.”٥٦٢ - حديث عَامِرِ بْنِ رَبِيعَةَ ﵁ عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: إِذَا رَأَى أَحَدُكُمْ جَنَازَةً، فَإِنْ لَمْ يَكُنْ مَاشِيًا مَعَهَا، فَلْيَقُمْ حَتَّى يُخَلِّفَهَا أَوْ تخَلِّفهُ أَوْ تَوضَعَ مِنْ قَبْلِ أَنْ تُخَلِّفَهُ562. Van ʿĀmir ibn Rabīʿah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie onder jullie een begrafenisstoet ziet maar er niet aan deelneemt, laat diegene stilstaan totdat de stoet voorbij is of de overledene is neergelegd.
٥٦٣ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخُدْرِيِّ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: إِذَا رَأَيْتُمُ الْجَنَازَةَ فَقُومُوا، فَمَنْ تَبِعَهَا فَلاَ يَقْعُدْ حَتَّى تُوضَعَ563. Van Abū Saʿīd al-Khuḍrī (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer jullie een begrafenisstoet zien, sta dan op. Wie de stoet volgt tot het graf, mag pas gaan zitten nadat de overledene in het graf is neergelegd.”
٥٦٤ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ، قَالَ: مَرَّتْ بِنَا جَنَازَةٌ، فَقَامَ لَهَا النَّبِيُّ ﷺ، وَقُمْنَا بِهِ، فَقُلْنَا يَا رَسُولَ اللهِ إِنَّهَا جَنَازَةُ يَهُودِيٍّ، قَالَ: إِذَا رأَيْتُمُ الْجِنَازَةَ فَقُومُوا564.
Van Jābir ibn ʿAbdullāh (رضي الله عنه):Er ging een begrafenisstoet aan ons voorbij. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) stond op, en wij ook. Wij zeiden: “O Rasūlullah, het is de begrafenisstoet van een jood.” Hij antwoordde: “Wanneer jullie een begrafenisstoet zien, sta dan op.”
٥٦٥ - حديث سَهْلِ بْنِ حُنَيْفٍ وَقَيْسِ بْنِ سَعْدٍ عَنْ عَبْدِ الرَّحْمنِ بْنِ أَبِي لَيْلَى، قَالَ: كَانَ سَهْلُ بْنُ حُنَيْفٍ وَقَيْسُ بْنُ سَعْدٍ قَاعِدَيْنِ بِالْقَادِسِيَّةِ، فَمَرُّوا عَلَيْهِمَا بِجَنَازَةٍ فَقَامَا، فَقِيلَ لَهُمَا إِنَّهَا مِنْ أَهْلِ الأَرْضِ، أَيْ مِنْ أَهْلِ الذمَّةِ؛ فَقَالاَ: إِنَّ النَّبِيَّ ﷺ مَرَّتْ بِهِ جَنَازَةٌ فَقَامَ، فَقِيلَ لَهُ إِنَّهَا جَنَازَةُ يَهُودِيٍّ، فَقَالَ: أَلَيْسَتْ نَفْسًا565. VanʿAbdur-Raḥmān ibn Abī Laylā (رحمه الله):Suhayl ibn Ḥunayf en Qays ibn Saʿd waren bevelhebbers in al-Qādisiyyah. Toen er een begrafenisstoet voorbij kwam, stonden zij op. Iemand zei: “Deze begrafenisstoet behoorde toe aan iemand van de ahl adh-dhimmah (een niet-moslim onder bescherming van de islamitische staat).” Zij (Sahl en Qays) antwoordden: “Rasūlullah (صلى الله عليه وسلم) stond eens ook op toen een joodse begrafenisstoet voorbij kwam.
Toen hem werd gezegd dat het een jood was, antwoordde hij: ‘Is het dan geen ziel?’[Sommige geleerden vermelden dat het opstaan ter ere van de Engel des Doods of of uit eerbied voor het feit dat het om een menselijke ziel gaat. Anderen stellen dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deze praktijk later heeft verlaten. Volgens Shāh Walīyyullāh was dit geen verplichting en ook geen bevestigde sunnah, maar een gebruik dat later is afgeschaft om verwarring met voor-islamitische (jahiliyyah) praktijken te voorkomen, zoals vermeld in Ṣaḥīḥ Muslim:Van Wāqid ibn ʿAmr ibn Saʿd ibn Muʿādz (رضي الله عنه): “Wij stonden op voor een overledene, toen Nāfiʿ ibn Jubayr (رضي الله عنه) mij zag. Hij zei tegen mij: ‘Waarom sta jij op?’Ik zei: ‘Ik wacht tot de overledene op de grond wordt neergelegd, want Abū Saʿīd al-Khudrī heeft hierover een ḥadīth overgeleverd.’Daarop zei Nāfiʿ ibn Jubayr: ‘Masʿūd ibn Ḥakam heeft mij overgeleverd op gezag van ʿAlī ibn Abī Ṭālib, dat ʿAlī zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stond (aanvankelijk) op voor de overledene, maar later liet hij het staan en bleef zitten.”] (AFK)
Waar de imām moet staan tijdens de begrafenis-ṣalāhأين يقوم الإمام من الميت للصلاة عليه
٥٦٦ - حديث سَمُرَةَ بْنِ جُنْدَبٍ ﵁، قَالَ: صَلَّيْتُ وَرَاءَ النَّبِيِّ ﷺ عَلَى امْرَأَةٍ مَاتَتْ فِي نِفَاسِهَا، فَقَامَ عَلَيْهَا، وَسَطَهَا
566. Van Samurah ibn Jundub (رضي الله عنه):Ik verrichtte de ṣalāh al-janāzah achter an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) voor een vrouw die tijdens haar nifās-periode (kraambloeding) was overleden. Hij stond in het midden van het lichaam om de ṣalāh te leiden.