As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

De betekenis van de smeekbede (duʿāʾ)

Auteur: Prof. dr. İsmail Karagöz

Onderwerp: Aanbidding

Lees dit boek in de online lezer

VOORWOORD VAN DE SCHRIJVER

Ondanks zijn verstand, wil en uitzonderlijke vermogens blijft de mens, geconfronteerd met zijn onbegrensde behoeften, zijn wereldse begeerten, de listen en misleidingen van de shayṭān, de uitdagingen van het leven en de moeilijkheden en beproevingen die hem treffen, hulpeloos. In dergelijke omstandigheden heeft hij behoefte aan een toevlucht en hulp. Vaak kan hij niet via andere mensen in deze behoeften voorzien. Als enige toevlucht wendt hij zich tot de Macht van zijn Schepper en smeekt en roept hij Hem aan. Dit is een gevoel dat in de natuurlijke aanleg (fiṭrah) van de mens besloten ligt. De uiting van dit gevoel wordt in de godsdienstige terminologie duʿā’ genoemd.

Duʿā’ is een geestelijke binding tussen de dienaar en Allāhu (تعالى), Die over oneindige macht en kracht beschikt. Het is een remedie tegen zorgen en voeding voor gebroken harten. Duʿā’ is een teken van dienaarschap en, zoals onze Nabie heeft verklaard, de kern van aanbidding. (at-Tirmidhī, ad-Daʿawāt, 1)

Met duʿā’ legt de dienaar zijn verlangens, wensen en behoeften voor aan Allāhu (تعالى). De mens heeft behoefte aan duʿā’. Zelfs de machtigste en rijkste mensen zijn van tijd tot tijd genoodzaakt Allāhu (تعالى) aan te roepen. Zelfs degenen die alle gunsten, doelen en verlangens hebben verkregen die zij wensten, kunnen niet zonder duʿā’.

Menigeen mens die over aanzienlijke materiële middelen beschikt, heeft te kampen met geestelijke onrust, levensmoeheid en beklemming van het hart. Hij raakt in een innerlijke crisis en worden soms getroffen door moeilijkheden en beproevingen die hij zich nauwelijks kan voorstellen, waaruit hij geen uitweg weten te vinden. Zelfs zijn rjkdom en materiële middelen bieden evenmin een oplossing.

In dergelijke omstandigheden proberen sommige mensen door middel van alcohol en verdovende middelen aan hun problemen te ontsnappen, maar daardoor raken zij nog dieper in het moeras verstrikt. Anderen gaan uit onwetendheid naar een tekke (soefi-klooster waar derwishen samenkwamen voor spirituele vorming, aanbidding en dhikr.), een graftombe, een zogenaamde jinnbezweerder of een medium, zonder te beseffen dat zij hun toevlucht zoeken bij hulpeloze mensen zoals zijzelf en dat deze mensen geen oplossing voor hun problemen kunnen bieden.

Weer anderen wenden zich tot Allāhu (تعالى), Die de wensen, ad`iyah (m.v. van duʿā’) van en behoeften van Zijn dienaren het beste kent, tot alles in staat is en zeer barmhartig is. Zij zijn degenen die het meest juist handelen en het meest in overeenstemming met de fiṭrah en de openbaring (Qu’ān).

Men dient te weten dat de enige toevlucht erin bestaat zich tot Allāhu (تعالى) te wenden, bescherming bij Hem te zoeken en van Hem hulp en een uitweg te vragen.

De laatste heilige Schrift van Allāhu (تعالى), de Qur’ān, die de mens in alle zaken leiding geeft, biedt ons ook leiding met betrekking tot duʿā’. De Qur’ān leert ons hoe, wanneer en in welke omstandigheden wij duʿā’ moeten verrichten en geeft ons voorbeelden van de ad`iyah van de anbiyā (profeten) en de rechtschapen mensen.

Onze geliefde Nabī Muḥammad (صلى الله عليه وسلم), die de Qur’ān heeft verkondigd en isverduidelijkend, zowel in woord als in daad, is ook op dit gebied voor ons een voorbeeld, zoals hij dat in alle zaken is. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zijn vooraanstaande ṣaḥābah die onder zijn opvoeding en begeleiding zijn gevormd, verrichtten duʿā’ voor alle aspecten van het leven.

Vrijwel alle ḥadīth boeken bevatten hoofdstukken over duʿā’. In deze hoofdstukken zijn voorbeelden van duʿā’ opgenomen in de kernachtige bewoordingen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).

Vanwege het belang van duʿā’ in het menselijk leven en de behoefte eraan zijn er door de geschiedenis van de Islām heen talrijke boeken over duʿā’ gepubliceerd. Ook in ons land zijn veel boeken over duʿā’ in het Turks geschreven. In sommige duʿāʾ-boeken – vooral in boeken die voornamelijk op materiële doeleinden zijn gericht, worden mensen op een verkeerde manier geleid, wordt de duʿāʾ van haar eigenlijke doel verwijderd en worden mensen ertoe aangemoedigd de gemakkelijke weg te kiezen.

Zo worden bijvoorbeeld, zonder enige grondslag daarvoor, stellige uitspraken gedaan als: “Wie deze duʿā’ zoveel keer reciteert, zal deze behoefte vervuld zien” of “zal van deze moeilijkheid worden verlost.” Dit kan ertoe leiden dat mensen die de genoemde duʿā’ het voorgeschreven aantal keren hebben gereciteerd, maar hun wens niet hebben verkregen of niet van hun moeilijkheid zijn verlost, in twijfel over het geloof raken.

In de meeste gepubliceerde boeken over duʿā’ wordt ook het daadwerkelijk handelen, het scheppen van de voorwaarden die noodzakelijk zijn voor het verwezenlijken van wensen en het benutten van de daarvoor beschikbare middelen, buiten beschouwing gelaten.

In dit werk zijn uitsluitend de woorden van Allāhu (تعالى), de Qur’ān, en de ḥadīth van onze geliefde Nabī (صلى الله عليه وسلم) als bronnen gebruikt. Er zijn voorbeelden van ad`iyah uit de Qur’ān en de aḥadīth opgenomen.

Het werk bestaat uit een inleiding en vijf hoofdstukken (ik heb slechts een hoofdstuk vertaald). In de inleiding worden de betekenis, het belang en de soorten duʿā’ behandeld, evenals de wijze waarop duʿā’ wordt verricht, de etiquette ervan, de ad`iyah die wel en niet worden verhoord en de invloed van duʿā’ op het menselijk leven. Het onderwerp wordt uitvoerig aan de hand van verzen en ḥadīth uiteengezet.

De geselecteerde teksten van duʿā’ uit verzen en ḥadīth zijn opgeschreven. Voor degenen die het Arabisch niet in het oorspronkelijke schrift kunnen lezen, maar de ad`iyah wel in hun oorspronkelijke vorm willen reciteren, is de uitspraak van de ad`iyah in Latijnse letters weergegeven. Direct daarna zijn de Nederlandse vertalingen van de ad`iyah gegeven. Voor en na de teksten van de duʿā’ zijn de noodzakelijke toelichtingen opgenomen.

De verwijzingen naar verzen en ḥadīth zijn tussen haakjes aan het einde van de Nederlandse betekenis gegeven.

……………………………..

Wij hopen dat het door ons samengestelde werk zal bijdragen aan een juist begrip van duʿā’ en nuttig zal zijn voor onze moslimbroeders en -zusters. Wij vragen de lezers en onze Rab om vergeving voor onze fouten en tekortkomingen.

Succes is uitsluitend door de gunst en vrijgevigheid van Allāhu (تعالى).

24-02-2009

Ass.Prof.dr. İsmail Karagöz

VERTALER NAAR HET NEDERLANDS

Hieronder is de Nederlandse vertaling van het eerste hoofdstuk van het boek ‘Dualar’ DIB Yayınlari (geschreven door Ass. Prof.Dr. İsmail Karagöz)

Het is in het Turks geschreven boekje voor moslims van Turks afkomst. Tussen ellipsis heb ik een aantal opmerkingen geplaatst om het onderwerp te verduidelijken.

INLEIDING:

DE BETEKENIS EN HET BELANG VAN DUʿĀ,

DE VERSCHILLENDE VORMEN, DE WIJZE,

DE ETIQUETTE EN DE INVLOED ERVAN

OP HET MENSELIJK LEVEN

“Ik zoek mijn toevlucht bij Allāhu (تعالى) tegen de vervloekte shayṭān.

In de naam van Allāh, de Meest Barmhartige (ar- Raḥmān) de Meest Genadevolle (ar- Raḥīm)

Alle lof behoort toe aan Allāhu (تعالى). Wij loven Hem, wij vragen Hem om hulp, wij vragen Hem om vergeving en wij tonen Hem berouw.

Wij zoeken onze toevlucht bij Allāhu (تعالى) tegen het kwaad van onze nafs en tegen het kwaad van onze daden.

Degene die Allāhu (تعالى) leiding schenkt, kan door niemand worden misleid. En degene die Allāhu (تعالى) in dwaling laat, kan door niemand tot leiding worden gebracht.

Wij getuigen dat er geen godheid is behalve Allāhu (تعالى), de Enige, en dat Hij geen deelgenoot heeft. En wij getuigen dat Muḥammad Zijn dienaar en Zijn Rasûl (Boodschapper) is. Moge Allāhu (تعالى) hem, zijn familie en al zijn ṣaḥābah genadig zijn.”

I. DE BETEKENIS VAN HET BEGRIP DUʿĀ’

A. De lexicale en terminologische betekenis

Duʿā’ betekent lexicaal “roepen, aanroepen, uitnodigen, vragen en om hulp vragen”. In godsdienstige terminologie betekent het dat de mens tegenover de verhevenheid van Allāhu (تعالى) zijn eigen onmacht en zwakheid erkent en Hem met liefde en eerbied vraagt om Zijn gunst, zegeningen en hulp, om hem in deze wereld en het Hiernamaals zegeningen en het goede te schenken, om de moeilijkheden, zorgen en beproevingen die hem treffen weg te nemen, om zijn zonden, fouten en tekortkomingen te vergeven; en dat hij Hem smeekt, zijn toestand aan Hem voorlegt en Hem nederig om hulp en genade vraagt. (Zie ar-Rāghib en Ibn Manẓūr, lemma d-ʿ-w.)

Het begrip duʿā’ omvat tegelijkertijd de betekenissen van “eerbied” en “het gedenken van Allāhu (تعالى)” (taʿẓīm en dhikr), evenals “aanroepen” en “een verzoek doen” (nidāʾ en istiʿānah).

Duʿāʾ is dat de beperkte, eindige en zwakke mens zich met zijn gehele wezen richt tot Allāhu (تعالى), Die onbeperkt, oneindig en almachtig is, en Hem om zijn wensen en verlangens vraagt. en een brug en dialoog tussen zichzelf en Hem tot stand brengt.

Degene die duʿā’ verricht, is zich te midden van al zijn zwakheid, onmacht en behoeften bewust van de oneindige macht en verhevenheid van Allāhu (تعالى) en van het feit dat hij zijn wensen uitsluitend door Zijn gunst en hulp kan verkrijgen.

Duʿā’ die vanuit dit bewustzijn wordt verricht, is een uiting van het geloof (īmān) van de mens in zijn Schepper, van zijn vertrouwen in Hem en van zijn overgave aan Hem. Daarom heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gezegd:

“Er is niets waardevollers bij Allāhu (تعالى) dan duʿā’.” (Ibn Ḥibbān, al-Adʿiyah, nr. 870; Aḥmad, II, 362; at-Tirmidhī, ad-Daʿawāt, 1; Ibn Mājah, ad-Duʿā’, 1.)

B. DE BETEKENIS VAN DUʿĀ IN DE QUR’ĀN

Het veelomvattende begrip duʿā’ wordt in de Qur’ān in zeven verschillende betekenissen gebruikt. (Zie Abū al-Faraj, p. 292–295)

Aanroep (nidāʾ)

“Op de Dag waarop Hij jullie zal aanroepen, zullen jullie Hem loven en Zijn oproep beantwoorden en denken dat jullie slechts korte tijd (in jullie graven) hebben verbleven.” (al-Isrāʾ, 17:52; zie ook al-Anbiyāʾ, 21:45; Fāṭir, 35:14; al-Qamar, 54:10)

Istiʿānah / hulp van iemand vragen

“Als jullie twijfelen aan hetgeen Wij aan Onze dienaar hebben neergezonden, brengt dan een sūrah voort die daaraan gelijk is en roept, als jullie waarachtig zijn, degenen die jullie naast Allāhu (تعالى) vertrouwen om jullie te helpen.” (al-Baqarah, 2:23; zie ook Yūnus, 10:38; al-Muʾmin, 40:26)

Woord (qawl)

“Toen Onze bestraffing hen (de gemeenschappen die Wij hebben vernietigd) trof, was hun enige uitspraak: ‘Voorwaar, wij waren onrechtplegers.” (al-Aʿrāf, 7:5; zie ook Yūnus, 10:10; al-Anbiyāʾ, 21:15)

Istifhām / iets vragen en willen begrijpen

“O jullie die geloven! Wanneer de Rasûl jullie oproept tot datgene wat jullie leven geeft, geef dan gehoor aan de oproep van Allāhu (تعالى) en Zijn Rasûl. En weet dat Allāhu (تعالى) tussen de mens en zijn hart komt en dat jullie tot Hem verzameld zullen worden.” (al-Anfāl, 8:24; zie ook al-Baqarah, 2:68; Yūnus, 10:25; al-Kahf, 18:58; al-Muʾminūn, 23:73; Nūḥ, 71:5, 8)

Een verzoek doen, smeken (suʾāl)

“Wanneer Mijn dienaren jou over Mij vragen, (zeg dan:) ‘Voorwaar, Ik ben nabij. Ik verhoor de duʿā’ van degene die Mij aanroept wanneer hij Mij aanroept...” (al-Baqarah, 2:186; zie ook al-Aʿrāf, 7:134; az-Zukhruf, 43:49; al-Muʾmin, 40:49, 60)

Aanbidding (`ibadah)

In veel verzen van de Qurʾān wordt het woord duʿā’ en zijn afleidingen in de betekenis van `ibadah gebruikt. Als voorbeeld kunnen de volgende verzen worden genoemd:

“Zeg: ‘Zullen wij naast Allāh datgene aanbidden wat ons niet kan baten en ons niet kan schaden?...” (al-Anʿām, 6:71)

“Zij zijn degenen die naast Allāh geen andere god aanbidden...” (al-Furqān, 25:68; zie ook al-Muʾminūn, 23:117; al-Jinn, 72:18, 20)

Īmān

“Zeg: ‘Welke waarde zou mijn Rab aan jullie hechten als jullie geen aanbidding / īmān hadden?’...” (al-Furqān, 25:77)

Het woord duʿā’ in dit vers kan de betekenis van aanbidding hebben, maar ook de betekenis van īmān. (al-Bukhārī, al-Īmān, 2) Het begrip aanbidding omvat ook het begrip īmān. Om aanbidding te kunnen verrichten, moet een mens allereerst īmān hebben.

C. QURʾĀNISCHE BEGRIPPEN DIE DE BETEKENIS VAN DUʿĀ’ HEBBEN

1. ʿIbādah

Het begrip duʿā’ heeft de betekenis van aanbidding, maar ook het begrip ʿibādah heeft de betekenis van duʿā’. Zo heeft het woord ʿibādah in het volgende vers de betekenis van duʿā’:

“Jullie Rab heeft gezegd: ‘Roep Mij aan, Ik zal jullie verhoren. Voorwaar, degenen die het te hoogmoedig vinden om Mij te aanbidden, zullen vernederd de Hel binnengaan.” (al-Muʾmin, 40:60)

De ṣaḥābī Nuʿmān ibn Bashīr heeft verteld dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op de minbar zei:

“Duʿā’ is aanbidding.” Vervolgens reciteerde hij dit vers als bewijs voor zijn uitspraak.( at-Tirmidhī, ad-Daʿawāt, 2; zie ook Ibn Mājah, ad-Duʿā’, 1; Abū Dāwūd, Ṣalāh, 358)

[Het woord ʿibādah betekent volgens het woordenboek: “zich onderwerpen, nederigheid, gehoorzaamheid, dienstbaarheid, aanbidding en het aanbidden”. Als godsdienstige term wordt het gebruikt voor de bepaalde houdingen die een mens aanneemt en de handelingen die hij verricht met de bedoeling zijn eerbied, liefde en gehoorzaamheid aan Allāhu (تعالى) te tonen en Zijn welbehagen te verkrijgen. In bredere zin omvat het ook gedachten, gevoelens en woorden van dezelfde aard. Met andere woorden: ʿibādah is de gehoorzaamheid van een mens die aan de voorwaarden van verantwoordelijkheid voldoet (mukallaf), waarbij hij uit eerbied voor zijn Rab handelt; een handeling die, wanneer zij met de juiste intentie wordt verricht, beloning oplevert en nabijheid tot Allāhu (تعالى) uitdrukt. Het doel van de schepping van de mens is ʿibādah aan de Verheven Schepper (aẓ-Ẓāriyāt, 51/56). Om ervoor te zorgen dat ʿibādah wordt aanvaard, moet zij worden verricht met īmān, ikhlāṣ en een goede intentie (niyah), in overeenstemming met de Qur’ān en de Sunnah. ʿIbādah wordt uitsluitend voor Allāhu (تعالى) verricht; het verrichten van ʿibādah voor iemand anders dan Allāhu (تعالى) wordt in de godsdienstige terminologie aangeduid als shirk (deelgenoten toekennen aan Allāh).

ʿIbādah aan Allāhu (تعالى) is een veelomvattend begrip dat alle godsdienstige verplichtingen omvat. ʿIbādah aan Allāhu (تعالى) betekent dan ook dat men Hem als de enige ilāh erkent en in Hem īmān heeft; dat men uitsluitend Hem erkent als de Schepper, Opvoeder, Voorziener en Maʿbūd (de Enige Die het recht heeft om aanbeden te worden.); Zijn geboden en verboden gehoorzaamt; handelingen verricht waarmee Hij tevreden is; ṣāliḥe daden en andere goede daden verricht; duʿā’ tot Hem doet; zich in vrede en rust, met volledige ādāb en waardigheid, aan Zijn oordeel onderwerpt; Hem met woorden en daden, met het hart en met de ledematen eerbied betoont en zijn onderwerping aan Hem toont; hoogmoed en opstandigheid achterwege laat; uitsluitend Hem dient; Hem vrijspreekt van alle tekortkomingen; voor Hem neerknielt; Hem verheerlijkt; zich houdt aan alle bepalingen van de Islām inzake ḥalāl en ḥarām / geboden en verboden; Hem dankbaar is voor Zijn gunsten; geduld heeft met beproevingen; de rechten van mensen respecteert en hen met mededogen en barmhartigheid behandelt. Het omvat tevens het naleven van alle bepalingen van de Qur’ān, van het begin tot het einde, zoals īmān, akhlāq, ṣalāh, ḥaj, zakāh, vasten, jihād, huwelijk en echtscheiding, erfrecht, handel en het nakomen van overeenkomsten, alsook het respecteren van de goddelijke grenzen.

ʿIbādah wordt in het algemeen in twee categorieën verdeeld:

a) ʿIbādah al-marsūmah: ʿibādah die op bepaalde tijden en plaatsen en op een bepaalde wijze wordt verricht, zoals de ṣalāh, het vasten en de ḥajj.

b) ʿIbādah ghayr al-marsūmah: ʿibādah die niet aan een bepaalde tijd, plaats of vorm gebonden is.

Zo kunnen het spreken van de waarheid, goed zijn voor de ouders, het niet drinken van alcohol, het niet gokken en het verrichten van allerlei godsdienstige verplichtingen als voorbeelden van dit soort ʿibādah worden genoemd.

Ook duʿā’, dat een belangrijke plaats inneemt in het leven van de mens, is een zelfstandige vorm van ʿibādah. Wie zich verre houdt van duʿā’, dat een sterke band vormt tussen Allāhu (تعالى) en Zijn dienaar, verzwakt daarmee zijn verbondenheid met de Schepper. Dit kan vervolgens leiden tot verslapping in zijn godsdienstige leven. Vooral in onze tijd zijn er zoveel negatieve invloeden die de harten kunnen verharden dat het voor de mu’min des te belangrijker is om te leven in verbondenheid met duʿā’ en dhikr (Allāhu (تعالى) gedenken). Leven met duʿā’ en dhikr betekent leven alsof je Allāhu (تعالى) ziet. Hoewel wij Hem niet zien, ziet Hij ons zonder twijfel. Hij hoort onze stem op plaatsen waar niemand anders die kan horen; Hij ziet ons waar niemand anders ons kan zien; Hij kent onze intenties, gedachten en geheimen die niemand anders kent; Hij kan ons helpen wanneer niemand anders ons kan helpen en Hij schenkt ons aandacht wanneer niemand anders zich om ons bekommert. Is er een groter geluk denkbaar dan deel te hebben aan de barmhartigheid en liefde van Degene Die dit alles doet?

Duʿā’ is dan ook een toevlucht zoeken tot deze bron van liefde en barmhartigheid en zich ermee verbinden. Vanuit dit oogpunt betekent leven met duʿā’ en dhikr: in innerlijke rust leven. Wij verrichten iedere dag vijfmaal de ṣalāh, wekelijks de ṣalāh van al-jumuʿah en tweemaal per jaar de ṣalāh van de feestdagen. Voor de ṣalāh al-janāzah, die behoort tot onze verplichtingen tegenover onze moslimbroeders, en erna; bij het beginnen en beëindigen van het vasten; voor en na het verrichten van de ʿibādah van het offer; en tijdens de ʿibādah van de ḥajj, richten wij ons met duʿā’ tot Allāhu (تعالى). In dit hoofdstuk behandelen we dit soort duʿā’.

Voor de aanvaarding van ʿibādah is het noodzakelijk dat er īmān aanwezig is. ʿIbādah zonder īmān wordt niet aanvaard. Daarom willen wij allereerst de duʿā’ noemen waarin wordt gevraagd om het īmān te beschermen en daarin standvastig te blijven.]

Ṣalāh

Het woord “ṣalāh”, dat taalkundig de betekenis van duʿā’ heeft, wordt in de Qurʾān zowel gebruikt in de betekenis van ṣalāh als in zijn lexicale betekenis. Als voorbeelden kunnen de volgende verzen worden genoemd:

“En verricht voor hen duʿā’, want jouw duʿā’ schenkt hun rust (en geruststelling).” (at-Tawbah, 9:103)

“Zie jij niet dat degenen die zich in de hemelen en op de aarde bevinden, evenals de vogels die hun vleugels uitslaan, Allāh verheerlijken/tasbīh? Ieder van hen kent zijn eigen ṣalāh en tasbīḥ...” (an-Nūr, 24:41)

Nidāʾ

Het begrip “nidāʾ”, dat taalkundig “aanroep” betekent, wordt in de Qurʾān ook gebruikt in de betekenis van duʿā’. Als voorbeeld noemen we:

“En gedenk Ayyūb, toen hij zijn Rab aanriep (nādā) en zei: ‘Voorwaar, ellende heeft mij getroffen en U bent de Meest Barmhartige van degenen die barmhartigheid tonen.” (al-Anbiyāʾ, 21:83)

Qawl

Het woord “qawl”, dat taalkundig “woord” betekent, wordt in de Qurʾān ook gebruikt in de betekenis van duʿā’. Als voorbeeld noemen we het volgende vers:

“Hij (Sulaymān عليه السلام) zei / verrichtte duʿā’: ‘Mijn Rab, vergeef mij en schenk mij een koninkrijk dat niemand na mij zal toekomen. Voorwaar, U bent de Schenker van overvloedige gunst.” (Ṣād, 38:35; Āl ʿImrān, 3:38)

Taḍarruʿ

Het woord “taḍarruʿ”, dat “smeken” betekent, is een synoniem van duʿā’. Als voorbeeld kan het volgende vers worden genoemd:

“Voorwaar, Wij hebben vóór jou ook naar de gemeenschappen boodschappers gestuurd.

Wij troffen hen met tegenspoed en moeilijkheden, opdat zij zich nederig tot Ons zouden wenden en duʿā’ zouden verrichten.” (al-Anʿām, 6:42)

Suʾāl

Het woord “suʾāl”, dat taalkundig “vragen en verzoeken” betekent, wordt in een aantal aḥadīth gebruikt in de betekenis van duʿā’. Als voorbeelden kunnen de volgende worden genoemd:

“O Allāh, ik vraag U om leiding, taqwā, kuisheid en rijkdom van het hart.” (Muslim, ad-Duʿā’, 72; at-Tirmidhī, ad-Daʿawāt, 9)

“Wanneer jullie Jannah van Allāhu (تعالى) vragen, vraag Hem dan om al-Firdaws.” (at-Tirmidhī, Ṣifat al-Jannah, 4)

Iets van Allāhu (تعالى) vragen is duʿā’ tot Hem verrichten.

Istiʿānah

“Istiʿānah” betekent hulp vragen en wordt in een aantal verzen en ḥadīth gebruikt in de betekenis van duʿā’. Als voorbeelden kunnen de volgende worden genoemd:

Allāhu (تعالى) leert ons in Sūrah al-Fātiḥah om de volgende duʿā’ te verrichten:

“U alleen vragen wij om hulp.” (al-Fātiḥah, 1:5)

Ook begon an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn toespraken met de volgende duʿā’:

“Alle lof behoort toe aan Allāhu (تعالى). Wij vragen Hem om hulp en vragen Hem om vergeving.” (at-Tirmidhī, al-Witr, 116)

Istighāthah

“Istighāthah” betekent hulp vragen. In de Qurʾān wordt dit woord gebruikt in de betekenis van duʿā’. Als voorbeeld kan het volgende vers worden genoemd:

“Toen jullie jullie Rab om hulp vroegen, verhoorde Hij jullie duʿā’ met de woorden: ‘Voorwaar, Ik zal jullie helpen met duizend engelen die elkaar opvolgen.” (al-Anfāl, 8:9)

Istighfār

“Istighfār” betekent Allāhu (تعالى) om vergeving (maghfirah) vragen. Om vergeving vragen betekent dat men Allāhu (تعالى) om Zijn vergeving smeekt en duʿā’ tot Hem verricht.

Als voorbeeld kan het volgende vers worden genoemd, waarin de toespraak van Nūḥ (عليه السلام) tot zijn volk wordt vermeld:

“Ik zei: ‘Vraag jullie Rab om vergeving, want voorwaar, Hij is de Meest Vergevende.’” (Nūḥ, 71:10)

“Bij Allāhu (تعالى), ik vraag Hem iedere dag honderdmaal om vergeving.” (Muslim, adh-Dhikr, 41)

Istiʿādhah

“Istiʿādhah” betekent bescherming zoeken bij Allāhu (تعالى) tegen rampen, onheil, calamiteiten en het kwaad en Hem vragen om bescherming te bieden. Als voorbeeld kunnen het volgende vers en deze ḥadīth worden genoemd:

“Nūḥ zei: ‘Mijn Rab, ik zoek mijn toevlucht bij U tegen het vragen van iets waarvan ik geen kennis heb. Als U mij niet vergeeft en mij geen barmhartigheid schenkt, zal ik tot de verliezers behoren.” (Hūd, 11:47)

“O Allāh, ik zoek mijn toevlucht bij U tegen vitiligo, krankzinnigheid, lepra en alle slechte ziekten.” (Abū Dāwūd, Ṣalāh, 367)

Tawbah

“Tawbah” betekent dat iemand berouw heeft over zijn zonde en Allāhu (تعالى) om vergeving vraagt. Degene die tawbah verricht, heeft daarmee duʿā’ tot Allāhu (تعالى) verricht en Hem gesmeekt.

“Vraag Hem om vergeving en toon daarna tawbah aan Hem. Voorwaar, mijn Rab is nabij en verhoort de duʿā’.” (Hūd, 11:61)

Dat in dit vers na het bevel “toon tawbah” wordt vermeld dat Allāhu (تعالى) Degene is Die de duʿā’ verhoort, geeft aan dat tawbah eveneens de betekenis van duʿā’ heeft.

De begrippen “dhikr” (het gedenken van Allāhu (تعالى)):

- “tasbīḥ” (“Subḥānallāh” / ik verklaar Allāhu (تعالى) vrij van iedere tekortkoming),

- “ḥamd” (“al-ḥamdu lillāh” / alle lof behoort toe aan Allāhu (تعالى)),

- “tahlīl” (“lā ilāha illallāh” / er is geen godheid behalve Allāhu (تعالى)),

- “takbīr” (“Allāhu akbar” / Allāhu (تعالى) is de Grootste),

- “thanāʾ” (het prijzen van Allāhu (تعالى))

- en “shukr” (Allāhu (تعالى) danken voor de gunsten die Hij heeft geschonken), evenals de begrippen “ijābah” (het verhoren van duʿā’), “istijābah” (het beantwoorden van duʿā’) en “tanjiyah” (redding) , hangen met elkaar samen maar hebben een verschillende betekenis:) en “kashf” (het wegnemen en opheffen van moeilijkheden), maken deel uit van het betekenisveld van het begrip duʿā’.

II. HET BELANG VAN DUʿĀ

Duʿā’ is een gevoel dat van nature in de mens aanwezig is. Daarom komt duʿā’ in alle religies voor. Ieder mens die in een verheven wezen gelooft, voelt op enig moment in zijn leven de behoefte aan duʿā’. Iedere mens wordt immers van tijd tot tijd geconfronteerd met gebeurtenissen, verdriet en moeilijkheden die hij niet kan overwinnen. Op zulke momenten voelt de mens de behoefte om zijn toevlucht tot Allāhu (تعالى) te zoeken, Hem om hulp te vragen en duʿā’ tot Hem te verrichten.

Zelfs mensen die in normale omstandigheden geen duʿā’ verrichten of niet in Allāhu (تعالى) geloven, voelen de behoefte aan duʿā’ wanneer zij met gebeurtenissen worden geconfronteerd die zij niet kunnen overwinnen en wanneer zij in het nauw zijn geraakt en moeilijkheden ondervinden. Dit is een bewijs dat de mens duʿā’ nodig heeft. Allāhu (تعالى) beschrijft deze situatie in āyah 12 van Sūrah Yūnus als volgt:

“Wanneer de mens door ellende wordt getroffen, verricht hij duʿā’ tot Ons terwijl hij op zijn zij ligt, zit of staat. Maar zodra Wij zijn ellende van hem hebben weggenomen, gaat hij verder alsof hij Ons nooit om hulp heeft gevraagd vanwege de ellende die hem had getroffen. Zo worden de daden van degenen die buitensporig zijn voor hen aantrekkelijk gemaakt.”

Evenzo wordt in āyah 32 van Sūrah Luqmān gezegd:

“Wanneer de golven hen als donkere schaduwen omringen, roepen zij Allāhu (تعالى) aan, terwijl zij zich oprecht tot Hem in hun dīn richten. Maar wanneer Hij hen redt en hen aan land brengt, zijn er onder hen die een middenweg volgen. Niemand verwerpt Onze āyāt behalve iedere ondankbare en onrechtvaardige.”

Zoals uit deze twee āyāt blijkt, is het verrichten van duʿā’ een natuurlijke eigenschap van de mens. Deze āyāt herinneren ons er tevens aan dat duʿā’ niet alleen in moeilijke tijden, maar altijd verricht dient te worden.

Na het verrichten van duʿā’ voelt de mens innerlijke verlichting en rust en krijgt hij hoop aan zijn verzoek gehoor zal worden gegeven. In dit opzicht vormt duʿā’ een beschermende maatregel ter bescherming van de rûh tegen psychische spanningen.

Duʿā’ is een goddelijk bevel

Het verrichten van duʿā’ wordt in de āyāt en ḥadīth geprezen en aangemoedigd.

“Roep jullie Rab nederig en in het verborgene aan.” (al-Aʿrāf, 7:55; zie ook al-Anʿām, 6:63)

“Roep Hem aan met vrees en hoop.” (al-Aʿrāf, 7:56)

“Zeg: ‘Welke waarde zou mijn Rab aan jullie hechten als jullie geen duʿā’ / aanbidding / īmān hadden?” (al-Furqān, 25:77)

“O dienaren van Allāhu (تعالى), ik raad jullie aan duʿā’ te verrichten.” (al-Ḥākim, ad-Daʿawāt, I, 493; at-Tirmidhī, ad-Daʿawāt, 102)

“Het nalaten van duʿā’ is ongehoorzaamheid (en zonde).” (al-Haythamī, al-Adʿiyah, 2, nr. 17194)

“Word niet hulpeloos/zwak in het verrichten van duʿā’, want geen mens die duʿā’ verricht, gaat verloren.” (Ibn Ḥibbān, al-Adʿiyah, nr. 871; al-Ḥākim, ad-Daʿawāt, I, 494)

“Wanneer iemand van jullie duʿā’ verricht en iets vraagt, laat hem dan veel vragen. Want hij vraagt zijn Rab (en Zijn gunst, vrijgevigheid en barmhartigheid zijn overvloedig).” (Ibn Ḥibbān, al-Adʿiyah, nr. 889)

“Wanneer iemand van jullie duʿā’ verricht, laat hem dan datgene wat hij vraagt groot en overvloedig vragen. Want niets is voor Allāhu (تعالى) te groot of te veel.” (Ibn Ḥibbān, al-Adʿiyah, nr. 896)

Degene die duʿā’ verricht, volgt het bevel van Allāhu (تعالى) en an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), verricht aanbidding, gedenkt Allāhu (تعالى) en verkrijgt Zijn liefde. Zo heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gezegd:

“Vraag om de gunst van Allāhu (تعالى), want Allāhu (تعالى) houdt ervan dat Hem iets wordt gevraagd. De meest voortreffelijke aanbidding is wachten op het wegnemen van een moeilijkheid (door duʿā’ te verrichten).” (at-Tirmidhī, ad-Daʿawāt, 116)

Duʿā’ is een aanbidding

“Duʿā’ is de kern van aanbidding.” (at-Tirmidhī, ad-Daʿawāt, 1)

“De meest voortreffelijke aanbidding is wachten op het wegnemen van een moeilijkheid door Allāhu (تعالى).” (al-Haythamī, al-Adʿiyah, 7, nr. 17202)

Hij heeft gezegd:

“Duʿā’ is zuivere aanbidding.” Vervolgens reciteerde hij āyah 60 van Sūrah al-Muʾmin:

“Jullie Rab heeft gezegd: ‘Roep Mij aan, Ik zal jullie verhoren. Voorwaar, degenen die het te hoogmoedig vinden om Mij te aanbidden, zullen vernederd de Hel binnengaan.” (at-Tirmidhī, ad-Daʿawāt, 1; zie ook Ibn Mājah, ad-Duʿā’; Abū Dāwūd, Ṣalāh, 358; al-Ḥākim, ad-Daʿawāt, I, 491; Ibn Ḥibbān, al-Adʿiyah, nr. 890)

De ṣaḥābī Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) zei:

“De meest voortreffelijke aanbidding is duʿā’.” Daarna reciteerde hij de hierboven genoemde āyah. (al-Ḥākim, ad-Daʿawāt, I, 491)

“Er is bij Allāhu (تعالى) niets eervollers dan duʿā’.” (at-Tirmidhī, ad-Daʿawāt, 1; Ibn Mājah, ad-Duʿā’, 1)

Deze ḥadīth is hiervan het bewijs. Degene die duʿā’ verricht, erkent en bevestigt daarmee het bestaan, de verhevenheid en de macht van Allāhu (تعالى), erkent dat Hij Zijn dienaren helpt en erkent tegelijkertijd zijn eigen onmacht en zijn behoefte aan Allāhu (تعالى).

Duʿā’ is een sleutel die de deuren van barmhartigheid open

“Duʿā’ is een sleutel die de deuren van barmhartigheid opent.” (as-Suyūṭī, I, 486)

Deze ḥadīth geeft aan dat degene die duʿā’ verricht, de barmhartigheid van Allāhu (تعالى) zal ontvangen.

Wanneer de mens vanuit zijn hart zijn wensen en verzoeken aan Allāhu (تعالى) voorlegt en zegt: “Mijn Rab! O Allāh! Schenk mij Uw gunsten, vergeef mij, help mij en bescherm mij tegen beproevingen”, en dergelijke, opent Allāhu (تعالى) de deuren van Zijn barmhartigheid voor Zijn dienaar en helpt Hij hem.

Allāhu (تعالى) wordt vertoornd op degene die geen duʿā’ verricht

“Wie Allāhu (تعالى) niet om duʿā’ vraagt, op hem wordt Allāhu (تعالى) vertoornd.” (Ibn Ḥibbān, adh-Dhikr wa-d-Duʿā’, nr. 890; al-Ḥākim, ad-Daʿawāt, I, 491; at-Tirmidhī, ad-Daʿawāt, 2; Ibn Mājah, ad-Duʿā’, 1)

Deze ḥadīth geeft deze werkelijkheid weer. Degene die geen duʿā’ verricht, heeft immers niet alleen het bevel van Allāhu (تعالى) en an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) om duʿā’ te verrichten niet opgevolgd, maar heeft zich ook hoogmoedig en onafhankelijk opgesteld. Dit strookt niet met het dienaarschap en roept de toorn van Allāhu (تعالى) op.

Duʿā’ is het geestelijke wapen van de mu'min

“Duʿā’ is het wapen van de mu'min, de zuil van de dīn en het licht van de hemelen en de aarde.” (al-Ḥākim, ad-Daʿawāt, nr. 1812; al-Haythamī, al-Adʿiyah, 5, nr. 17198)

Deze ḥadīth geeft aan dat duʿā’ de mu'min beschermt tegen bepaalde moeilijkheden, ongelukken en beproevingen. Het woord “wapen” heeft hier een relatieve betekenis. Met een “wapen” beschermt de mens zichzelf tegen aanvallen van vijanden. In deze ḥadīth wordt duʿā’ eveneens met een wapen vergeleken.

Door duʿā’ te verrichten vraagt de mens Allāhu (تعالى) om hem te beschermen tegen zichtbare en onzichtbare ongelukken, beproevingen en rampen. Wanneer hij duʿā’ op de juiste wijze en met oprechtheid (ikhlāṣ) verricht, zal Allāhu (تعالى) hem beschermen. Zo wordt duʿā’ het geestelijke wapen van de mu'min.

Dat onze Rabbu (تعالى), Die ons heeft bevolen duʿā’ te verrichten, ons al in de eerste sūrah van de Qurʾān leert hoe wij duʿā’ moeten verrichten, toont het belang van duʿā’ aan:

“Leid ons naar aṣ-Ṣirāṭ al-Mustaqīm / het rechte pad.” (al-Fātiḥah, 1:6)

Het meest waardevolle moment in het leven van de mens is de tijd waarin hij zich tot Allāhu (تعالى) wendt en alleen met Hem is. Het mooiste middel om alleen met Allāhu (تعالى) te zijn, is duʿā’. Degene die duʿā’ verricht, richt zich met zijn gehele wezen tot Allāhu (تعالى) en vraagt en smeekt Hem.

Het feit dat er in de āyāt en aḥadīth tientallen voorbeelden van ad`iyah met betrekking tot ieder onderwerp zijn, toont de plaats en het belang van duʿā’ binnen de dīn.

III. DE VERSCHILLENDE VORMEN VAN DUʿĀ

Duʿā’ kan met woorden en het hart, met daden en innerlijke gesteldheid van iemand worden verricht. Duʿā’ kan een goede duʿā’ zijn of een slechte duʿā’ (badduʿā’: vervloeking). Duʿā’ kan gericht zijn op zichzelf of op een ander.

Wat de inhoud betreft, kan duʿā’ gericht zijn op materiële of geestelijke wensen, en op zaken van deze wereld of van het Hiernamaals. De verschillende vormen van duʿā’ vanuit diverse gezichtspunten kunnen als volgt worden samengevat:

MONDELINGE DUʿĀ

Mondelinge duʿā’ is duʿā’ die met woorden en het hart wordt verricht. Dit type duʿā’ bestaat uit het met het hart en de tong gedenken van Allāhu (تعالى), het uitspreken van zinnen waarin eerbied voor Hem tot uitdrukking wordt gebracht, het vragen om zaken met betrekking tot deze wereld en het Hiernamaals en het vragen om vergeving en vergiffenis.

Mondelinge duʿā’ begint doorgaans met aanspreekvormen als “O mijn Rab”, “O onze Rab”, “O Allāh” en dergelijke. Zo verrichtten Ādam en zijn echtgenote Ḥawwāʾ de volgende duʿā’:

“Onze Rab! Wij hebben onszelf onrecht aangedaan. Als U ons niet vergeeft en geen barmhartigheid met ons heeft, zullen wij zeker tot de verliezers behoren!” (al-Aʿrāf, 7:23)

an-Nabī Zakariyyā (عليه السلام) verrichtte de volgende duʿā’:

“En gedenk Zakariyyā. Toen hij zijn Rab aanriep en zei: ‘Mijn Rab! Laat mij niet alleen achter. U bent de Beste van de erfgenamen; (alles zal uiteindelijk aan U toebehoren).” (al-Anbiyāʾ, 21:89)

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte de volgende duʿā’:

“O Allāh! Ik zoek mijn toevlucht bij U tegen een hart dat geen eerbied kent, een duʿā’ die niet wordt aanvaard, een nafs die nooit verzadigd raakt en kennis die geen nut heeft.” (at-Tirmidhī, ad-Daʿawāt, 69)

“O Allāh, onze Rab! Schenk ons het goede, (het mooie en de gunsten) in deze wereld, en schenk ons het goede, (het mooie en de gunsten) in het Hiernamaals en bescherm ons tegen de bestraffing van het Vuur.” (al-Bukhārī, ad-Daʿawāt, 55)

Deze ad`iyah zijn voorbeelden die met woorden en het hart worden verricht.

Mondelinge ad`iyah worden in twee categorieën verdeeld: goede duʿā’ en slechte duʿā’ (badduʿā’: vervloeking).

a) Goede duʿā’

In de Qurʾān wordt het begrip “goede duʿā’” genoemd:

“De mens wordt nooit moe van het vragen om het goede.” (Fuṣṣilat, 41:49)

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) moedigde het vragen om het beste in alle zaken aan door de volgende duʿā’ te verrichten:

“O Allāh!

Ik vraag U om het beste van hetgeen van U wordt gevraagd, het beste van de duʿā’, het beste van de redding, het beste van de zaken, het beste van de beloning, het beste van het leven en het beste van de dood.” (al-Ḥākim, ad-Daʿawāt, nr. 1911)

De ad`iyah die een mens verricht om van Allāhu (تعالى) een gunst en een weldaad te vragen of om van een beproeving en moeilijkheid bevrijd te worden, zijn goede ad`iyah. Deze vorm van duʿā’ wordt in twee categorieën verdeeld:

aa) Goede duʿā’ die iemand voor zichzelf verricht

De meest voortreffelijke duʿā’ is de duʿā’ die iemand voor zichzelf verricht. Volgens de overlevering van de moeder van de mu'mins, ʿĀʾishah (رضي الله عنها), werd aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gevraagd: “Welke duʿā’ is het meest voortreffelijk?”

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) antwoordde:

“De duʿā’ die iemand voor zichzelf verricht.” (al-Ḥākim, ad-Daʿawāt, I, 543)

Daarom verrichten mensen in de eerste plaats duʿā’ voor zichzelf. Deze vorm van duʿā’ wordt in drie categorieën verdeeld:

aa1. Allāhu (تعالى) prijzen en gedenken

Het uitspreken van zinnen waarin de eenheid, verhevenheid en macht van Allāhu (تعالى) worden uitgedrukt, waarin Hij wordt geprezen en van alle tekortkomingen wordt vrijgepleit, is zowel dhikr als duʿā’. Een van de mooiste voorbeelden hiervan is āyah 26 van Sūrah Āl ʿImrān:

“Zeg: ‘O Allāh! Bezitter van het koninkrijk! U schenkt het koninkrijk aan wie U wilt en U ontneemt het koninkrijk aan wie U wilt. U verheft wie U wilt en U vernedert wie U wilt. Al het goede ligt in Uw hand. Voorwaar, U bent tot alles in staat!”

In deze āyah worden de eigenschappen van Allāhu (تعالى) genoemd en wordt Hij geprezen.

Tegelijkertijd wordt daarin impliciet gewezen op het vragen van het goede, bezit en gunsten aan Hem.

In de Qurʾān wordt vermeld dat degenen die īmān hebben en ṣāliḥ daden (goede, rechtschapen en deugdzame daden die in overeenstemming zijn met de Qur’ān en de Sunnah) verrichten, duʿā’ verrichten met de woorden “subḥān Allāh” en “al-ḥamdulillāh”:

“Hun duʿā’ daarin is: ‘Subḥānaka Allāhumma’ (O Allāh! U bent vrij van iedere tekortkoming), hun begroeting daarin is: ‘Salām’ (vrede zij met jullie), en het einde van hun duʿā’ is: ‘Al-ḥamdu lillāhi Rabbil-ʿālamīn’ (Alle lof behoort toe aan Allāh, de Rab der werelden).” (Yūnus, 10:10)

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft met de volgende woorden bekendgemaakt dat het zeggen van “al-ḥamdulillāh” en “lā ilāha illā anta subḥānaka” duʿā’ is:

“De meest voortreffelijke dhikr is: ‘lā ilāha illallāh’ (er is geen godheid behalve Allāh); en de meest voortreffelijke duʿā’ is: ‘al-ḥamdulillāh’ (alle lof behoort toe aan Allāh).” (at-Tirmidhī, ad-Daʿawāt, 9)

“De duʿā’ die Dhū an-Nūn (Yūnus, عليه السلام) in de buik van de vis verrichtte, was: ‘lā ilāha illā anta subḥānaka innī kuntu minaẓ-ẓālimīn’ (O mijn Rab! Er is geen godheid behalve U. U bent vrij van iedere tekortkoming. Voorwaar, ik behoorde tot de onrechtvaardigen). Er is geen moslim die met deze woorden duʿā’ verricht zonder dat Allāhu (تعالى) zijn duʿā’ verhoort.” (at-Tirmidhī, ad-Daʿawāt, 85)

Met deze woorden heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) duidelijk gemaakt dat het zeggen van “al-ḥamdulillāh” en “lā ilāha illā anta subḥānaka” een vorm van duʿā’ is.

Ook de volgende ḥadīth, overgeleverd door Anas ibn Mālik (رضي الله عنه), geeft aan dat takbīr, tahlīl, taḥmīd en tasbīḥ vormen van duʿā’ zijn en dat de dienaar hierdoor zijn zonden vergeven krijgt.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ging naar een boom waarvan de bladeren verdord waren. Hij sloeg met zijn staf tegen de boom, waardoor de bladeren naar beneden vielen. Vervolgens zei hij:

“Al-ḥamdulillāh (alle lof behoort toe aan Allāh), subḥānAllāh (ik verklaar Allāh vrij van alle tekortkomingen), lā ilāha illallāh (er is geen godheid behalve Allāh), Allāhu akbar (Allāh is de Grootste) laten de zonden van de dienaar vallen, zoals de bladeren van deze boom vallen.” (Abū Yaʿlā, Dhikr wa Duʿā’, nr. 1155)

Degene die deze zinnen uitspreekt, verricht daarmee impliciet duʿā’ tot Allāhu (تعالى) en vraagt Hem om beloning en verdienste (thawāb).

Anas (رضي الله عنه) zei:

“De Rasûlullāh verrichtte duʿā’ met de woorden: ‘Yā Ḥayyu yā Qayyūm’ (Abū Yaʿlā, Dhikr wa Duʿā’, nr. 56)

(O Levende, Eeuwig Bestaande, O Allāh! Degene Die levend, eeuwig en onvergankelijk is, Die door Zijn eigen Wezen (Dhāt) bestaat, terwijl het bestaan van alles van Hem afhankelijk is, Die niet door slaap of sluimering wordt getroffen en Die de schepping bestuurt, beschermt en in haar behoeften voorziet).”

aa2. Geestelijke zaken van Allāhu (تعالى) vragen

Een deel van de ad`iyah die de mens verricht, bestaat uit geestelijke verzoeken, zoals het vragen om leiding (hidāyah), godsvrees (taqwā), kuisheid (ʿiffah) en vergeving van zonden (maghfirah), en het vragen aan Allāhu (تعالى) om bescherming tegen luiheid, huichelarij en slechte eigenschappen.

Als voorbeelden kunnen de volgende ad`iyah van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) worden genoemd:

“O Allāh! Versier ons met de sier van īmān.” (ʿAbd ar-Razzāq, Duʿā’, nr. 19646)

“O Allāh! Ik zoek mijn toevlucht bij U tegen verdeeldheid, huichelarij en slechte eigenschappen.” (Abū Dāwūd, Ṣalāh, 367)

“O Allāh! Vergeef mij, wees mij barmhartig, leid mij naar het rechte pad en schenk mij rizq.” (Abū Dāwūd, Ṣalāh, 145)

aa3. Materiële zaken van Allāhu (تعالى) vragen

Een deel van de ad`iyah die de mens verricht, is gericht op het verkrijgen van een gunst en bescherming tegen materiële moeilijkheden. Als voorbeelden kunnen de volgende ad`iyah van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) worden genoemd:

“O Allāh! Ik zoek mijn toevlucht bij U tegen armoede, gebrek en vernedering. Ik zoek mijn toevlucht bij U tegen het onrecht aandoen en het ondergaan van onrecht.” (Abū Dāwūd, Ṣalāh, 367)

“O Allāh! Ik zoek mijn toevlucht bij U tegen het verdwijnen van Uw gunsten, het verslechteren van gezondheid en welzijn, het plotseling getroffen worden door een beproeving en tegen iedere vorm van Uw toorn.” (Abū Dāwūd, Ṣalāh, 367)

ab) Goede duʿā’ die iemand voor anderen verricht

Zoals mensen duʿā’ voor zichzelf verrichten, verrichten zij ook duʿā’ voor hun kinderen, hun levende of overleden ouders, hun andere familieleden, an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en de gehele moslim gemeeschap

Ook in de āyāt en aḥadīth zijn voorbeelden van dit soort ad`iyah te vinden. Mu'mins zijn niet egoïstisch. Zij wensen voor hun mu'min-broeders en -zusters hetzelfde als wat zij voor zichzelf wensen. Daarom verkiezen zij het om niet met “ik”, maar met “wij” te duʿā’ te verrichten.

Allāhu (تعالى) maakt dit ook duidelijk in de eerste sūrah van de Qurʾān en vraagt ons om met “wij” te duʿā’ te verrichten:

“O onze Rab! U alleen aanbidden wij en U alleen vragen wij om hulp. Leid ons naar het rechte pad.” (al-Fātiḥah, 1:5–6)

In de Qurʾān wordt vermeld dat de duʿā’ van de mu'mins die zowel het goede van deze wereld als van het Hiernamaals vragen, als volgt met de aanspreekvorm “wij” wordt verricht:

“En onder hen zijn er die zeggen: ‘Onze Rab! Schenk ons in deze wereld het goede, (het mooie en de gunsten), en schenk ons in het Hiernamaals het goede, (het mooie en de gunsten), en bescherm ons tegen de bestraffing van het Vuur!” (al-Baqarah, 2:201)

In de duʿā’ van verstandige mensen wordt gezegd:

“Zij zeggen: ‘Onze Rab! Laat onze harten niet afwijken nadat U ons naar het rechte pad hebt geleid en schenk ons van U een barmhartigheid. Voorwaar, U bent de Grootste Schenker.’” (Āl ʿImrān, 3:8)

In de ad`iyah die Allāhu (تعالى) aan anbiyā en mu'mins heeft opgedragen, wordt gezegd:

“Onze Rab! Straf ons niet voor wat wij (onopzettelijk) vergeten of wat wij fout doen.

Onze Rab! Leg ons geen last op zoals U wel hebt gedaan bij diegenen die ons zijn voorgegaan.

Onze Rab! Leg ons geen lasten (en beproevingen) op die wij niet kunnen dragen. Wis onze zonden en schenk ons vergiffenis op basis van Uw barmhartigheid. U bent onze Beschermer en Behoeder.

Laat ons (daarom) de overwinning behalen op de ongelovigen, (in woord en daad).” (al-Baqarah, 2:286)

In de ad`iyah van de dienaren van ar-Raḥmān wordt eveneens steeds de meervoudige aanspreekvorm “Onze Rab” gebruikt:

“Onze Rab! Vergeef ons onze zonden, bedek onze slechte daden en laat ons sterven samen met de rechtvaardigen.” (Āl ʿImrān, 3:193)

De personen voor wie mensen duʿā’ verrichten, kunnen als volgt worden samengevat:

ab1. Duʿā’ voor ouders

In de Qurʾān wordt vermeld dat Ibrāhīm (عليه السلام) als volgt duʿā’voor zijn ouders verricht:

“Onze Rab! Vergeef mij, mijn ouders en de mu'mins op de Dag waarop de afrekening plaatsvindt.” (Ibrāhīm, 14:41)

In Sūrah al-Isrāʾ wordt aanbevolen om als volgt voor de ouders te duʿā’ te verrichten:

“En verlaag voor hen de vleugel van nederigheid (uit barmhartigheid) en zeg: ‘O mijn Rab, (Die ieder wezen opvoedt en verzorg). Wees hun barmhartig, zoals zij mij hebben opgevoed toen ik klein was.” (al-Isrāʾ, 17:24)

In āyah 15 van Sūrah al-Aḥqāf wordt de kinderen geleerd om als volgt voor hun ouders te duʿā’ te verrichten:

“O mijn Rab! Inspireer mij om dankbaar te zijn voor Uw gunsten die U mij en mijn ouders hebt geschonken en om een ṣāliḥ daad te verrichten waarmee U tevreden bent. Maak ook mijn nakomelingen ṣāliḥ. Voorwaar, ik heb berouw getoond en mij tot U gewend en ik behoor werkelijk tot de moslims.” (al-Aḥqāf, 46:15)

Het verrichten van goede duʿā’ voor de ouders is een van de belangrijkste plichten van kinderen en deze duʿā’ is voor hen een uiting van dankbaarheid en trouw. Door de duʿā’ van hun kinderen worden de geestelijke graden van ouders in het Paradijs (Jannah) verhoogd. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd:

“De rang van een mu'min in Jannah wordt verhoogd. Hij vraagt: ‘O mijn Rab, waardoor is deze rang aan mij toegekend?’ Er wordt geantwoord: ‘Vanwege het feit dat jouw kind voor jou om vergeving heeft gevraagd.” (Ibn Abī Shaybah, Duʿā’, 111, nr. 29731)

ab2. Duʿā’’ voor kinderen

Ibrāhīm (عليه السلام) verrichtte de volgende duʿā’ voor zijn kinderen en toekomstige generaties:

“Onze Rab, maak ons aan U overgegeven en laat uit ons nageslacht een gemeenschap voortkomen die zich aan U heeft overgegeven...” (al-Baqarah, 2:128)

ʿImrān verrichtte de volgende duʿā’ voor zijn dochter Maryam en haar nakomelingen:

“Ik vertrouw haar en haar nakomelingen aan U toe en vraag U om hen te beschermen tegen het kwaad van de vervloekte Shayṭān.” (Āl ʿImrān, 3:36)

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft ons meegedeeld dat de duʿā’ van ouders voor hun kinderen wordt verhoord. (Abū Dāwūd, Ṣalāh, 364; at-Tirmidhī, ad-Daʿawāt, 48)

ab3. Duʿā’ van de mu'min voor de mu'mins

Mu'mins verrichten niet alleen duʿā’ voor zichzelf, hun kinderen en hun ouders, maar ook voor andere mu'mins. In de volgende āyah leert Allāhu (تعالى) ons hoe wij hierover duʿā’ moeten verrichten:

“Onze Rab! Vergeef mij, mijn ouders en alle mu'mins op de Dag waarop de afrekening plaatsvindt.” (Ibrāhīm, 14:41)

Dat een moslim duʿā’ verricht voor zijn moslimbroeder is voor hem een vorm van ṣadaqah (liefdadigheid). Met betrekking hiertoe heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gezegd:

“Een moslim die niet in staat is ṣadaqah te geven, moet duʿā’ verrichten met de woorden: ‘O Allāh, schenk barmhartigheid aan Uw dienaar en Uw Nabī Muḥammad, en schenk barmhartigheid aan de mu'min-mannen en mu'min-vrouwen en aan de moslimmannen en moslimvrouwen.’ Dit zal voor hem als ṣadaqah gelden.” (Ibn Ḥibbān, al-Adʿiyah, nr. 903)

Deze ḥadīth maakt duidelijk dat een mu'min duʿā’ voor een andere mu'min behoort te verrichten en dat duʿā’ voor een mu'min als ṣadaqah geldt.

Met betrekking hiertoe heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gezegd:

“Wanneer iemand van jullie niest, laat hem in alle gevallen ‘al-ḥamdulillāh’ (alle lof behoort toe aan Allāhu (تعالى)) zeggen. Degene die het hoort, moet daarop antwoorden met ‘yarḥamukallāh’ (moge Allāhu (تعالى) jou barmhartig zijn). Vervolgens moet de ander antwoorden met: ‘Moge Allāhu (تعالى) jullie leiden en jullie zaken verbeteren.” (at-Tirmidhī, ad-Daʿawāt, 37)

Dit is eveneens een duʿā’ van een mu'min voor een andere mu'min.

Ook het elkaar begroeten van mu'mins wanneer zij elkaar ontmoeten, is een duʿā’ voor elkaar. In navolging van het bevel van Allāhu (تعالى):

“Wanneer jullie met een (salām)begroeting worden begroet, begroet dan met een betere begroeting of beantwoord haar op dezelfde wijze.” (an-Nisāʾ, 4:86)

Degene die een moslim begroet met “as-salāmu ʿalaykum” (moge de vrede, barmhartigheid, vergiffenis, veiligheid en welzijn van Allāhu (تعالى) over jullie zijn) en degene die antwoordt met “wa ʿalaykum as-salām” (moge de vrede, barmhartigheid, vergiffenis, veiligheid en welzijn van Allāhu (تعالى) ook over jullie zijn) beiden verrichten duʿā’ voor elkaar.

ab4. Duʿā’ voor de overledenen

De islamitische geleerden zijn het erover eens dat duʿā’ voor de overledenen belangrijk is en dat de beloning die aan hen wordt geschonken hun ten goede komt.

De āyāt en aḥadīth wijzen er duidelijk op dat men duʿā’ en istiġfār voor de overledenen kan verrichten en beloning aan hen kan schenken. In een āyah wordt gezegd:

“En degenen die na hen kwamen, zeggen: ‘Onze Rab! Vergeef ons en onze broeders die ons in īmān zijn voorgegaan en laat in onze harten geen wrok tegen de mu'mins zijn. Onze Rab! Voorwaar, U bent Meest Barmhartig, Meest Genadevol.” (al-Ḥashr, 59:10)

In deze āyah prijst Allāhu (تعالى) de mu'mins die om vergeving vragen voor de mu'mins die vóór hen waren en inmiddels zijn overleden. Als het vragen om vergeving voor de overledenen nutteloos zou zijn, zou Allāhu (تعالى) hen niet hebben geprezen.

In de Qurʾān wordt vermeld dat an-Nabie Nūḥ (عليه السلام) als volgt duʿā’ verrichtte voor zichzelf, zijn ouders en de mu'mins:

“Mijn Rab! Vergeef mij, mijn ouders, degene die mijn huis als mu'min binnengaat, de mu'min-mannen en de mu'min-vrouwen. En vermeerder voor de onrechtvaardigen slechts hun vernietiging.” (Nūḥ, 71:28)

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte de ṣalāh al-janāzah voor de overledenen en droeg de moslims ook op deze te verrichten. De ṣalāh al-janāzah, die binnen onze dīn farḍ al-kifāyah is, bestaat in wezen uit duʿā’ en istiġfār voor de overledene. Men mag niet vergeten dat de duʿā’ en getuigenis van moslims met betrekking tot een overledene waarde hebben bij Allāhu (تعالى) en een middel kunnen zijn waardoor de overledene wordt vergeven.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bleef na het begraven van de overledene bij het graf staan en verrichtte duʿā’ dat het ondervragen in het graf gemakkelijk zou verlopen.

(Abū Dāwūd, Janāʾiz, 73)

Er wordt alleen voor mu'mins onder de overledenen duʿā’ verricht en om vergeving en vergiffenis gevraagd. Voor kāfirs wordt geen duʿā’ verricht. (zie at-Tawbah, 9:113; Ibn Ḥibbān, al-Adʿiyah, nr. 981)

Wanneer men graven bezoekt, wordt daar Qurʾān gereciteerd en de beloning ervan aan de overledenen geschonken en wordt goede duʿā’ voor hen verricht. Men vraagt echter geen hulp aan de overledenen en vraagt hen niets. Anders zou men deelgenoten aan Allāhu (تعالى) toekennen (shirk) met aanbidding vermengen. Want duʿā’/aanbidding verrichten voor iemand anders dan Allāhu (تعالى) betekent dat men anderen als deelgenoten aan Allāhu (تعالى) toekent.

Afgodsbeelden en overledenen kunnen evenmin antwoord geven op het verzoek om hulp. Allāhu (تعالى) zegt hierover in de Qurʾān:

“Wie is verder afgedwaald dan degene die naast Allāhu (تعالى) degenen aanroept die hem tot de Dag der Opstanding geen antwoord kunnen geven, terwijl zij zich niet bewust zijn van hun aanroep?” (al-Aḥqāf, 46:5)

ab5. Duʿā’ voor an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) / aṣ-ṣalāh wa-s-salām

In āyah 56 van Sūrah al-Aḥzāb wordt vermeld dat Allāhu (تعالى) en de engelen ṣalāh over an-Nabī verrichten en wordt de mu'mins opgedragen om ook ṣalāh en salām over hem te verrichten:

“Voorwaar, Allāh en Zijn engelen verrichten ṣalāh over an-Nabī. O jullie die īmān hebben! Verricht ook ṣalāh over hem en spreek salām over hem uit.”

De ṣalāh van Allāhu (تعالى) over Zijn Nabī betekent dat Hij hem barmhartigheid en gunsten schenkt, hem prijst, tevreden met hem is, zijn eer en aanzien verheft en zijn status en waarde verhoogt bij Allāh. De ṣalāh van de engelen en de mu'mins betekent dat zij duʿā’ verrichten voor de verhoging van zijn eer en aanzien en voor de vermeerdering van zijn status en waarde bij Allāh.

Kaʿb ibn ʿUjrah (رضي الله عنه) vroeg:

“O Rasûllāh! Ons is opgedragen om ṣalāh en salām over u uit te spreken. Wij weten hoe wij salām moeten opzeggen. Maar hoe moeten wij ṣalāh over u opzeggen?”

(Abū Dāwūd, Ṣalāh, 183; an-Nasāʾī, Sahw, 49)

Daarop zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم):

“Zeg: ‘O Allāh! Schenk Muḥammad (en zijn familie) barmhartigheid, zoals U barmhartigheid hebt geschonken aan an-Nabie Ibrāhīm (en zijn familie), en verhef zijn eer en aanzien en verhoog zijn status en waarde. Voorwaar, U bent Meest Geprezen, Meest Eervol. Schenk Muḥammad (en zijn familie) zegen en eer, zoals U Ibrāhīm (en zijn familie) tot gezegenden en geëerden hebt gemaakt. Voorwaar, U bent Meest Geprezen, Meest Eervol.” (al-Bukhārī, Duʿā’, 32; an-Nasāʾī, Sahw, 49; Muslim, Ṣalāh, 66)

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft ter toelichting van āyah 56 van Sūrah al-Aḥzāb, waarvan de betekenis hierboven is weergegeven, het volgende gezegd:

“Wie eenmaal ṣalāh over mij verricht, over hem verricht Allāhu (تعالى) tienmaal ṣalāh, vergeeft Hij vanwege die ṣalāh tien van zijn fouten en verhoogt Hij zijn rang tienvoudig.” (an-Nasāʾī, Sahw, 55)

“Wie eenmaal ṣalāh over mij verricht, daarvoor worden tien ḥasanāt (goede daden / verdiensten) voor hem opgeschreven.” (Ibn Ḥibbān, al-Adʿiyah, nr. 905)

In de ḥadīth wordt het verrichten van ṣalāh over an-Nabī aangemoedigd, wordt een beloning beloofd aan degene die ṣalāh over hem verricht en worden degenen die dit nalaten berispt. (Aḥmad, II, 254)

“Laat degene wiens neus door het stof wordt gehaald wanneer mijn naam in zijn aanwezigheid wordt genoemd, omdat hij geen ṣalāh over mij heeft verricht.” (at-Tirmidhī, ad-Daʿawāt, 101; al-Ḥākim, Duʿā’, I, 549; Ibn Ḥibbān, al-Adʿiyah, nr. 908)

De betekenis van deze ḥadīth geeft aan dat het nalaten van ṣalāh over an-Nabī een zonde is.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) prees degene die ṣalāh en salām over hem verrichtte met de woorden:

“De meest naaste van de mensen aan mij op de Dag der Opstanding is degene die het vaakst ṣalāh over mij heeft verricht / voor mij duʿā’heeft verricht.” (Ibn Ḥibbān, al-Adʿiyah, nr. 911)

Hij beschreef degene die geen ṣalāh over hem verricht wanneer zijn naam wordt genoemd als “gierig”:

“Degene die geen ṣalāh over mij verricht terwijl mijn naam in zijn aanwezigheid wordt genoemd, is gierig.” (at-Tirmidhī, ad-Daʿawāt, 101; Abū Dāwūd, Witr, 23; al-Ḥākim, Duʿā’, I, 549)

b) Een duʿā tegen iemand doen (badduʿā’)

Mensen verrichten soms duʿā’ tegen zichzelf, hun kinderen, hun familieleden en andere mensen. In het Turks wordt dit “badduʿā” genoemd.

Allāhu (تعالى) vermeldt in de Qurʾān dat de mens badduʿā’ verricht:

“De mens verricht duʿā’ om het kwade zoals hij duʿā’ om het goede verricht.

De mens is zeer haastig.” (al-Isrāʾ, 17:11)

In deze āyah wordt als reden voor het verrichten van badduʿā’ genoemd dat de mens “haastig” is. De mens moet niet haastig duʿā’ of badduʿā’ verrichten zonder te weten of datgene wat hij vraagt goed of slecht voor hem is. Duʿā’ moet bewust, weloverwogen en met bedachtzaamheid worden verricht.

De mens moet altijd van Allāhu (تعالى) vragen wat goed voor hem is. Want Allāhu (تعالى) weet het beste wat goed en wat slecht is. Datgene wat de mens als goed beschouwt, kan slecht zijn, en datgene wat hij als slecht beschouwt, kan goed zijn. (zie al-Baqarah, 2:216)

Allāhu (تعالى) bericht ons in de Qurʾān dat de kāfirs zelf om bestraffing, ellende en kwaad vroegen. Als voorbeelden kunnen de volgende āyāt worden genoemd:

“Zij vragen jou om de bestraffing te bespoedigen.” (al-ʿAnkabūt, 29:53–54)

“Zij vragen jou om het kwade te bespoedigen vóór het goede.” (ar-Raʿd, 13:6)

“(De mushriks van Makkah) zeiden: ‘O Allāh! Als dit werkelijk de waarheid is die van U afkomstig is, laat dan stenen uit de hemel op ons neerdalen of breng ons een pijnlijke bestraffing.” (al-Anfāl, 8:32)

Een moslim dient daarom voor zichzelf, zijn familieleden en andere moslims, en zelfs voor alle mensen, goede duʿā’ te verrichten en geen badduʿā’ te verrichten.

Uitspraken als “Moge Allāhu (تعالى) jou treffen met een ramp”, “Moge je ziel naar de Hel gaan”, “Moge je blind worden”, “Moge je sterven”, “Moge je nooit een goede dag meemaken”, “Moge je nek breken”, “Moge Allāhu (تعالى) mijn leven nemen”, “O Allāh, neem mijn leven” en dergelijke badduʿā’'s zijn niet in overeenstemming met de islamitische ādāb.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft het verrichten van duʿā’ om te sterven verboden, zelfs vanwege een moeilijkheid die iemand treft. (al-Bukhārī, ad-Daʿawāt, 29)

Hij heeft gezegd:

“Laat niemand van jullie vanwege een moeilijkheid die hem treft de dood wensen.” (Ibn Ḥibbān, al-Adʿiyah, nr. 968; al-Bukhārī, ad-Daʿawāt, 29)

“Verricht geen badduʿā’ tegen jezelf, verricht geen badduʿā’ tegen jullie kinderen en verricht ook geen badduʿā’ tegen jullie bezittingen.” (Muslim, Zuhd, 74)

“Wie zijn ouders vervloekt / badduʿā’ tegen hen verricht, wordt door Allāhu (تعالى) vervloekt.” (Muslim, Aḍāḥī, 43)

De mens verricht alleen in een toestand van woede badduʿā’ tegen zichzelf, zijn kinderen, zijn ouders en zijn bezittingen. Wanneer zijn badduʿā’ vervolgens wordt verhoord, ondervindt hij daar zelf de schade van en doet hij uiteindelijk zichzelf, zijn ouders en zijn kinderen onrecht aan.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft de mu'mins gewaarschuwd tegen badduʿā’ door duidelijk te maken dat een mu'min die oprecht is in zijn wezen, woorden en gedrag geen vervloeker kan zijn en dat vervloekers op de Dag der Opstanding geen voorspraak mogen verrichten en niet als getuigen kunnen optreden:

“Het past een oprechte mu'min niet om een vervloeker te zijn.” (Muslim, Birr, 84)

“Degenen die vervloeken, zullen op de Dag der Opstanding geen voorspraak mogen doen en geen getuigen zijn.” (Muslim, Birr, 84)

De anbiyā, die als voorbeeld voor de mensen waren gezonden, verrichtten altijd (goede) adʿiyah voor de mensen en deden slechts wanneer dit noodzakelijk was een badduʿā’. Ook richtten zij hun badduʿā’ niet tegen gelovigen, maar uitsluitend tegen ongelovigen die weigerden het geloof te aanvaarden en volhardden in ongeloof. We kunnen hiervan de volgende voorbeelden noemen:

Nūḥ (عليه السلام) verrichtte, voor zijn volk dat hij voortdurend tot de ware godsdienst had uitgenodigd maar dat maar niet tot het geloof wilde komen, de volgende duʿāʾ:

“Mijn Rab! Zij hebben velen doen afdwalen. Vergroot de onrechtplegers daarom slechts in dwaling.” (Nūḥ, 71/24)

“Nūḥ zei: ‘Mijn Rab! Laat op aarde geen enkele ongelovige achter. Want als U hen achterlaat, zullen zij Uw dienaren doen afdwalen en zullen zij slechts zedeloze en ondankbare mensen voortbrengen.” (Nūḥ, 71/26–27)

Nūḥ (عليه السلام) noemde als reden voor zijn badduʿāʾ tegen zijn volk, dat weigerde het geloof te aanvaarden, het feit dat zij de mensen van de rechte weg deden afdwalen. De duʿāʾ van an-Nabie Nūḥ werd verhoord en Allāhu (تعالى) vernietigde de ongelovigen. (zie al-Anbiyāʾ, 21/76–77)

Allāhu (تعالى) stond toe dat er een duʿāʾ werd verricht tegen de huichelaars die de gelovigen vijandig gezind waren:

“Zeg: ‘Sterf in jullie woede.” (Āl ʿImrān, 3/119)

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) verrichtte, tenzij dit noodzakelijk was, geen slechte adʿiyah tegen iemand. Toen bijvoorbeeld tegen hem werd gezegd: “O Rasûlullāh, verricht badduʿāʾ tegen de polytheïsten”, zei hij:

“Ik ben niet als vervloeker gezonden, maar als een barmhartigheid.” (Muslim, Birr, 87)

Toen zijn gezicht tijdens de Slag bij Uḥud gewond raakte, verrichtte hij de volgende duʿāʾ:

“O Allāh, vergeef mijn volk, want zij weten het niet.” (Ibn Ḥibbān, Adʿiyah, nr. 973)

Toen de polytheïsten van Makkah hem echter in de Slag bij Uḥud aanvielen met de bedoeling hem te doden, verrichtte hij uit noodzaak de volgende badduʿāʾ tegen hen:

“O Allāh, vernietig deze ongelovigen die Uw anbiyā hebben verloochend en de mensen van Uw weg hebben afgehouden. Breng schande en bestraffing over hen. U bent de ware God, O Allāh!” (al-Ḥākim, Daʿawāt, nr. 1868)

Tijdens de Slag van de Greppel verrichtte hij de volgende badduʿāʾ tegen de polytheïsten:

“O Allāh, Die het Boek heeft neergezonden, Die snel rekenschap aflegt en Die de machtige legers kan vernietigen! Vernietig de polytheïsten en verstrooi hen.” (al-Bukhārī, Daʿawāt, 58; Muslim, Jihād, 20–21)

“Zij hebben ons van het middelste gebed – dat wil zeggen de salāh al-ʿaṣr afgehouden. Moge Allāhu hun huizen en hun graven met vuur vullen.” (Muslim, Masājid, 205; zie al-Bukhārī, Jihād, 98)

Een persoon die onrecht wordt aangedaan, mag een badduʿāʾ tegen een onrechtpleger verrichten wanneer hij diens onrecht niet met geoorloofde middelen kan verhinderen.

“Allāh houdt er niet van dat het kwade openlijk wordt uitgesproken, behalve door degene die onrecht is aangedaan.” (an-Nisāʾ, 4/148)

Dit vers wijst hierop. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) heeft gezegd:

“Allāh helpt degene die een duʿāʾ verricht tegen een onrechtpleger.” (Ibn Abī Shaybah, Duʿāʾ, 68, nr. 29567)

Daarom waarschuwde hij ervoor de duʿāʾ van iemand die onrecht is aangedaan niet licht op te vatten:

“Behoed je voor de duʿāʾ van de onrecht aangedane, want tussen de duʿāʾ van de onrecht aangedane en Allāhu is geen sluier (zijn duʿāʾ wordt verhoord).” (Ibn Abī Shaybah, Duʿāʾ, 37, nr. 29361; ʿAbd ar-Razzāq, Duʿāʾ, V, 216)

“De duʿāʾ van de onrecht aangedane wordt boven de wolken gebracht en de poorten van de hemel worden voor hem geopend. Allāhu (تعالى) zegt: ‘Ik zal je zeker helpen, al is het pas na enige tijd.” (Ibn Ḥibbān, Adʿiyah, nr. 874)

“De duʿāʾ van de onrecht aangedane wordt verhoord, ook als hij een zondaar is; zijn zonde komt voor zijn eigen rekening.” (Ibn Abī Shaybah, Duʿāʾ, 37, nr. 29365)

Uit deze overleveringen begrijpen we dat iemand die onrecht is aangedaan badduʿāʾ tegen degene die hem onrecht heeft aangedaan mag verrichten en dat zijn duʿāʾ wordt verhoord.

Abū Yaʿlā heeft deze laatste hadith in al-Musnad als volgt overgeleverd:

“Behoed je voor de duʿāʾ van iemand die onrecht is aangedaan, ook als hij een ongelovige is, want tussen hem en Allāhu is geen sluier (zijn duʿāʾ wordt verhoord).” (Abū Yaʿlā, Dhikr wa-Duʿāʾ, nr. 1092)

Een ongelovige verricht door zijn duʿāʾ geen aanbidding van Allāh en ontvangt daarvoor geen beloning, maar wanneer hij tegen degene die hem onrecht heeft aangedaan – zelfs als deze een moslim is –badduʿāʾ verricht, wordt zijn duʿāʾ verhoord. De hadith maakt deze werkelijkheid duidelijk.

Zoals men badduʿāʾ mag verrichten tegen een persoon die schade berokkent en onrecht doet, zo mag men ook badduʿāʾ verrichten tegen een ander schepsel dat schade veroorzaakt, met de bedoeling zich tegen zijn schade te beschermen.

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) heeft de volgende duʿāʾ verricht tegen een sprinkhanenzwerm die Madīnah was binnengedrongen:

“O Allāh, vernietig de sprinkhanen, dood de grote, vernietig de kleine, maak hun eieren onvruchtbaar en snijd hun voortplanting af. Ontneem hun monden onze gewassen, onze oogst en onze levensmiddelen.

U bent Degene Die de duʿāʾ hoort.” (Abū Yaʿlā, Dhikr wa-Duʿāʾ, nr. 1127)

Het is ook voorgekomen dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) slechte duʿāʾ verrichtte tegen moslims die tekortschoten in hun verplichtingen. Zo verrichtte hij bijvoorbeeld de volgende badduʿāʾ tegen iemand die zijn ouders niet diende: Op een dag zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم ):

“Moge zijn neus door het stof worden geschaafd! Moge zijn neus door het stof worden geschaafd! Moge zijn neus door het stof worden geschaafd!”

De ṣaḥābah vroegen: “Wiens neus moet door het stof worden geschaafd, o Rasûlullāh?”

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) zei: “Degene die een of beide van zijn ouders in hun ouderdom bij zich heeft en er niet in slaagt door hen te dienen het Paradijs binnen te gaan, diens neus moge door het stof worden geschaafd.” (Muslim, Dhikr wa-Duʿāʾ, 9–10)

In de overlevering van Ibn Ḥibbān wordt vermeld dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) eveneens de woorden “Moge zijn neus door het stof worden geschaafd” als badduʿāʾ uitsprak tegen degene die de maand Ramaḍān bereikte maar geen vergeving verkreeg, en tegen degene die geen ṣalāt en salām over hem uitsprak wanneer zijn naam werd genoemd. (Ibn Ḥibbān, Adʿiyah, nr. 908)

DE GOEDE DADEN ALS VORM VAN DU`Â’

Daden als vorm van duʿāʾ houdt in dat iemand de voorwaarden schept voor hetgeen hij mondeling van Allāhu (تعالى) vraagt en zich houdt aan de wetten die Allāhu (تعالى), namelijk de voorschriften van de dīn en de sunnatullāh.

Zo dient iemand die kinderen wil krijgen te trouwen;

iemand die gezondheid en welzijn wenst, dient op zijn voeding en drinken te letten, zich te beschermen tegen hitte en kou en de gezondheidsvoorschriften in acht te nemen;

iemand die rijk wil worden, dient hard te werken;

iemand die voor een examen wil slagen, dient zich goed op het examen voor te bereiden;

en iemand die een overvloedige oogst van zijn akker, wijngaard of tuin wil verkrijgen, dient deze goed te verzorgen en, wanneer dat nodig is, te irrigeren en te bemesten.

Kinderen willen krijgen zonder te trouwen, gezond willen blijven zonder de gezondheidsvoorschriften in acht te nemen, rijk willen worden zonder te werken, voor een examen willen slagen zonder een goede voorbereiding en een overvloedige oogst willen verkrijgen zonder de nodige inspanning te verrichten, zijn in strijd met de sunnatullāh.

Allāhu (تعالى) verlangt in āyah 56 van Sūrah al-Aʿrāf dat men in hoop en vrees duʿāʾ verricht. Vervolgens maakt Hij bekend dat Zijn rahmah nabij is voor degenen die hun werken op de beste wijze verrichten:

“Roep Hem aan in vrees en hoop. Voorwaar, de rahmah van Allāh is nabij voor degenen die het goede op de beste wijze doen.” (al-Aʿrāf, 7:56)

In deze āyah wordt duidelijk verklaard dat de rahmah van Allāh nabij is voor degenen die muḥsin zijn. Een muḥsin is iemand die gelooft en goede daden op de best mogelijke wijze verricht, alsof hij Allāh ziet. Daarom dient iemand, nadat hij alle inspanningen heeft verricht die binnen zijn vermogen liggen en de voorwaarden heeft geschapen voor datgene wat hij verlangt, het resultaat vervolgens door middel van duʿāʾ aan Allāh te vragen. Een duidelijk voorbeeld hiervan vinden we in de Qur’ān bij de duʿāʾ van Ayyūb عليه السلام om van zijn ziekte te genezen en bij de oplossing die Allāhu (تعالى) hem aanreikte om genezing te verkrijgen.

Ayyūb عليه السلام, die jarenlang ziek was, deed duʿāʾ tot Allāh voor genezing van zijn ziekte en het wegnemen van zijn ellende:

“En gedenk Ayyūb, toen hij zijn Rab aanriep: ‘Voorwaar, rampspoed heeft mij getroffen en U bent de Meest Barmhartige van de barmhartigen.” (al-Anbiyāʾ, 21:83; zie ook Ṣād, 38:41)

Naar aanleiding van de duʿāʾ van Ayyūb عليه السلام zei Allāhu (تعالى) met betrekking tot zijn genezing:

“Stamp met je voet; hier is koel water om je mee te wassen en om van te drinken.” (Ṣād, 38:42)

Daarop stampte Ayyūb عليه السلام met zijn voet op de grond. Er kwam water tevoorschijn, waarvan hij dronk en waarmee hij zich waste. Uiteindelijk werden zowel zijn inwendige als uitwendige ziekten genezen. (al-Anbiyāʾ, 21:84)

Allāhu (تعالى) maakt bekend dat dit voorbeeld een aansporing is voor Zijn dienaren die Hem aanbidden en duʿāʾ verrichten:

“Dit is een herinnering voor alle dienaren (die aanbidden en duʿāʾ verrichten).” (al-Anbiyāʾ, 21:84)

Stel je een zieke voor die van zijn ziekte verlost wil worden. Hij dient enerzijds duʿāʾ te verrichten tot Allāh om genezing en welzijn te verkrijgen en anderzijds de noodzakelijke medische middelen voor zijn ziekte te benutten, de adviezen van artsen op te volgen, medicijnen te gebruiken en, wanneer dat nodig is, een operatie te ondergaan. Het eerste is mondelinge duʿāʾ; het tweede is duʿāʾ door middel van daden. Maar men dient niet te volstaan met het benutten van medische middelen. Vanuit de overtuiging dat “Degene Die de ziekte geeft, ook de genezing geeft”, dient men eveneens duʿāʾ te doen. Ayyūb عليه السلام verrichtte zowel mondelinge als praktische duʿāʾ.

Het feit dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) tijdens de Slag van de Gracht niet alleen mondeling om de hulp van Allāh vroeg, maar ook een gracht rondom de stad liet graven, is eveneens een vorm van duʿāʾ door middel van daden. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) zei niet: “Wij hebben een gracht gegraven, de vijand kan de stad niet binnendringen en wij hebben onszelf veiliggesteld.” Hij verrichtte duʿāʾ en smeekte Allāhu (تعالى) om het vijandelijke leger te laten verslaan. Allāhu (تعالى) verhoorde zijn duʿāʾ.

Aan de zijde waar het vijandelijke leger zich bevond, stak een zeer hevige storm op. Alles wat de vijand bezat, werd overhoopgehaald. Zij konden niet langer standhouden, raakten vervuld van grote angst en werden gedwongen Madīnah te verlaten. Allāhu (تعالى) verhoorde de mondelinge en praktische duʿāʾ van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) en beschermde de moslims tegen de vijand.

Ook tijdens de Slag bij Badr nam an-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) alle noodzakelijke militaire maatregelen en verrichtte hij vervolgens duʿāʾ tot Allāh om hulp. Allāhu (تعالى) hielp hem daarop met duizend engelen. (al-Anfāl, 8:9–11)

Hetzelfde geldt voor geestelijke en hiernamaalse gunsten. Iemand die vergeving voor zijn zonden verlangt en zegt: “O mijn Rab! Vergeef mij en schenk mij vergiffenis”, verricht mondelinge duʿāʾ. Wanneer hij zijn zonden vervolgens achterwege laat, zich naar het gebod van Allāh richt, niet naar zijn vroegere zonden terugkeert en goede daden verricht, is dat duʿāʾ door middel van daden. Wanneer een muʾmin zegt: “Allāh, schenk mij Uw Jannah”, is dat mondelinge duʿāʾ. Zijn geloof, het verrichten van goede daden en het naleven van de geboden en verboden van Allāh vormen de duʿāʾ door middel van daden.

Alleen volstaan met mondelinge duʿāʾ en de duʿāʾ door middel van daden achterwege laten, brengt iemand niet tot hetgeen hij verlangt.

De muʾmin dient de voorwaarden te scheppen voor datgene wat hij verlangt en zowel vóór als na het handelen duʿāʾ te verrichten. De mondelinge duʿāʾ vóór het handelen is een voorbereiding om succesvol te zijn en een geestelijke zuivering.

De mondelinge duʿāʾ na het handelen is het vragen aan Allāhu (تعالى) om ervoor te zorgen dat de verrichte daad succesvol wordt voltooid en dat de geleverde inspanning en moeite niet vergeefs zijn geweest, en om de uitkomst van zijn handelen over te laten aan Zijn beschikking, wil en hulp.

Alleen mondeling duʿāʾ verrichten en de duʿāʾ door middel van daden achterwege laten, is een onjuiste houding. Evenzo is het onjuist om uitsluitend te vertrouwen op de duʿāʾ door middel van daden, dus alleen te handelen, en af te zien van het mondeling vragen om goddelijke hulp.

Aan de andere kant vraagt de mens ook om de hulp, gunst en genade van Allāh in zaken die buiten zijn eigen wil liggen en zijn vermogen te boven gaan. Voor Allāh is alles mogelijk en Hij is tot alles in staat. In de āyāt en aḥādīth vinden we hiervan voorbeelden. Zo vroeg Zakariyyā عليه السلام Allāhu (تعالى) om een kind, hoewel zijn echtgenote de leeftijd waarop zij kinderen kon krijgen reeds bereikt had. Toch gaf Allāhu (تعالى) hem de mogelijkheid om een kind te krijgen en werd Yaḥyā geboren. In de Qur’ān wordt dit als volgt vermeld:

“Daarop verhoorden Wij zijn duʿāʾ en schonken Wij hem Yaḥyā en maakten Wij zijn echtgenote geschikt om kinderen te krijgen…” (al-Anbiyāʾ, 21:90)

In het vervolg van deze āyah wordt vermeld dat Zakariyyā عليه السلام en zijn echtgenote Allāh in hoop en vrees aanriepen.

Volgens een overlevering van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) waren drie muʾmins die vanwege de regen hun toevlucht hadden gezocht in een grot, in de grot opgesloten geraakt doordat een rollende rots de ingang had afgesloten. Zij deden duʿāʾ tot Allāhu (تعالى), waarbij ieder van hen zijn beste daad vermeldde. Door hun duʿāʾ rolde de steen bij de ingang van de grot weg en werden zij bevrijd. (Zie het hoofdstuk over het zoeken van een wasīlah door middel van duʿāʾ.)

De muʾmins doen dus niet alleen vóór en na hun inspanningen duʿāʾ tot Allāhu (تعالى) om hun werkzaamheden tot een goed einde te brengen en te voorkomen dat hun inspanningen vruchteloos blijven, maar zij doen ook duʿāʾ tot Hem voor zaken waarin zij machteloos zijn en om hen te beschermen tegen onverwachte rampen en beproevingen.

Samenvattend kan duʿāʾ in twee categorieën worden verdeeld: duʿāʾ door middel van daden en omstandigheden enerzijds, en duʿāʾ met de tong en het hart anderzijds.

Du`ā’ door middel van daden en omstandigheden houdt in dat iemand de middelen aanwendt die noodzakelijk zijn om datgene te bereiken wat hij verlangt. Wanneer een boer zijn akker ploegt, het zaad zaait, het gewas verzorgt en het land irrigeert, verricht hij daarmee duʿāʾ door middel van daden. Door de noodzakelijke middelen voor het verkrijgen van een oogst aan te wenden, is het alsof de boer zegt: “O Allāh, ik heb de noodzakelijke middelen aangewend die op mijn weg liggen. Ik vraag U om voorziening (rizq).”

Du`ā’ met de tong en het hart houdt in dat iemand Allāhu (تعالى) vraagt om hem zaken te schenken die zijn vermogen te boven gaan, hem te beschermen tegen rampen en beproevingen en zijn werkzaamheden voor hem te vergemakkelijken.

IV. DE ONDERWERPEN VAN DU`Â’

Over welke zaken kan een mens duʿāʾ verrichten? Met andere woorden: kunnen wij over iedere aangelegenheid duʿāʾ verrichten? Wanneer we de Qur’ān en de aḥādīth bestuderen, kunnen we de onderwerpen van duʿāʾ als volgt samenvatten:

Het verzoek om standvastig te blijven in het geloof (īmān) en op het rechte pad, en om het goede te kunnen doen en ṣāliḥ daden te kunnen verrichten.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) deed bijvoorbeeld de volgende duʿāʾ:

اللَّهُمَّ ثَبِّتْ قَلْبِي عَلَى دِينِكَ وَطَاعَتِكَ، وَإِنِّي أَسْأَلُكَ الْهِدَايَةَ وَالتَّقْوَى، وَحَسِّنْ خُلُقِي

“Maak mijn hart standvastig op Uw dīn en in gehoorzaamheid aan U. Ik vraag U om hidāyah en taqwā. En maak mijn karakter mooi.” (Ibn Ḥibbān, Adʿiyah, nr. 900)

اللَّهُمَّ إِنِّي أَسْأَلُكَ الْهُدَى، وَالتُّقَى، وَالْعَفَافَ، وَالْغِنَى

“Allāh, ik vraag U om hidāyah, taqwā, ʿiffah en zelfgenoegzaamheid.” (at-Tirmidhī, Daʿawāt, 30)

Het vragen om materiële en geestelijke gunsten voor deze wereld en het Hiernamaals, lichamelijke en geestelijke gezondheid, geluk in deze wereld en het Hiernamaals en persoonlijke en maatschappelijke veiligheid.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) vroeg Allāhu (تعالى) bijvoorbeeld om de Jannah, om al het goede dat hij kende en niet kende en om goedheid, welzijn en gunsten in deze wereld en het Hiernamaals. (Ibn Ḥibbān, Adʿiyah, nrs. 868–869, 886)

Het vragen om vergeving voor de begane zonden.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) deed bijvoorbeeld duʿāʾ tot Allāhu (تعالى) om vergeving voor zijn fouten en zonden, zowel de verborgen als de openlijke, zowel de opzettelijke als de onopzettelijke en zowel de bewust als de onbewust begane. (Ibn Ḥibbān, Adʿiyah, nrs. 899, 901, 928, 954–958)

Het vragen om bescherming tegen allerlei beproevingen en moeilijkheden in deze wereld, zoals schulden, armoede, machteloosheid, zorgen en verdriet; tegen het treffen van ongewenste situaties; en tegen de vijandschap van de shayṭān, begeerten van de nafs, haat en afgunst.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) zocht bijvoorbeeld bij Allāhu (تعالى) bescherming tegen alle soorten kwaad, zowel dat wat hij kende als dat wat hij niet kende; tegen de beproevingen van leven en dood; gierigheid; lafheid; armoede en vernedering; honger en verraad; het begaan van onrecht en het ondergaan van onrecht; onvermogen en luiheid; rampen en ongelukken; de invasie en schade van de vijand; ziekten en het verlies van het verstand; hardheid van het hart; onachtzaamheid; ongeloof (kufr), huchelarij (nifāq), door anderen gezien worden (riyāʾ) en zelfingenomenheid. (Ibn Ḥibbān, Adʿiyah, nr. 869; Istiʿādhah, nrs. 999–1003, 1009–1010, 1016–1030)

Het vragen om bescherming tegen het Hellevuur (Jahannam) en haar bestraffing in het Hiernamaals.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) deed bijvoorbeeld de volgende duʿāʾ: “Ik zoek mijn toevlucht bij Allāh tegen de bestraffing van het graf en de bestraffing van Jahannam.” (Ibn Ḥibbān, Istiʿādhah, nr. 999)

Een mens kan over iedere geoorloofde aangelegenheid duʿāʾ verrichten, zowel over materiële als geestelijke zaken en zowel over zaken die deze wereld als het Hiernamaals betreffen. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) heeft immers gezegd:

“Ieder van jullie moet al zijn behoeften van zijn Rab vragen, zelfs wanneer het gaat om het koordje van zijn schoen dat is gebroken.” (Abū Yaʿlā, Dhikr wa-Duʿāʾ, nr. 1089; at-Tirmidhī, Daʿawāt, 137)

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) deed ons het volgende voorbeeld toekomen door de duʿāʾ te doen:

“Allāh, maak in al onze zaken het einde goed en bescherm ons ervoor dat wij in deze wereld vernederd worden.” (Ibn Ḥibbān, Adʿiyah, nr. 949)

Hij heeft ons ook laten weten dat het beste wat men van Allāhu (تعالى) kan vragen, vergeving en ʿāfiyah in deze wereld en het Hiernamaals is:

“Een ṣaḥābī kwam naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) en vroeg: ‘O Rasûlullāh! Welke duʿāʾ is het meest voortreffelijk?’

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) antwoordde: ‘Vraag Allāh om ʿāfiyah (gezondheid, innerlijke rust en veiligheid), vergeving en kwijtschelding in deze wereld en het Hiernamaals.’

De volgende dag kwam hij opnieuw en vroeg: ‘O Rasûlullāh! Welke duʿāʾ is het meest voortreffelijk?’

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) gaf hetzelfde antwoord.

Op de derde dag kwam hij opnieuw en stelde dezelfde vraag. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) gaf opnieuw hetzelfde antwoord en zei: ‘Als jou in deze wereld ʿāfiyah wordt geschonken en je op dezelfde wijze in het Hiernamaals ʿāfiyah wordt geschonken, dan heb je werkelijk het succes bereikt.” (at-Tirmidhī, Daʿawāt, 89)

In de aḥādīth van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) zijn belangrijke gebeurtenissen in het leven, zoals geboorte, overlijden en reizen, evenals aanbidding, eten, drinken, kleding, naar bed gaan, slapen, wakker worden, het verlaten van het huis, het ontvangen van een gunst of het meemaken van een beproeving, en andere natuurlijke gebeurtenissen en alledaagse zaken, tot onderwerpen van duʿāʾ gemaakt.

Over zaken die godsdienstig gezien ḥarām, verboden of zondig zijn, wordt geen duʿāʾ gedaan. (Zie Ibn Abī Shaybah, Duʿāʾ, 132, nr. 29811)

V. DE WIJZE EN ETIQUETTE VAN DU`Â’

Du`ā’ is geen eenvoudige aangelegenheid. Het is een vereiste van het aanbidden van Allāhu (تعالى), het gedenken van Hem en het geloven in Hem. Daarom dient men, wil de duʿāʾ aanvaardbaar zijn, bepaalde methoden, etiquetteregels en voorschriften in acht te nemen. Deze kunnen als volgt worden samengevat:

1. De du`â’ beginnen met istiʿādhah, bismillāh, hamd en ṣalāt voor an-Nabī (صلى الله عليه وسلم)

Voorafgaand aan de duʿāʾ dient een moslim zich zowel geestelijk als lichamelijk op de duʿāʾ voor te bereiden. Indien mogelijk dient hij wuḍūʾ te verrichten en zich naar de qiblah te wenden. (Ibn Mājah, Duʿāʾ, 13) Zoals bij iedere goede zaak dient men ook de duʿāʾ te beginnen met istiʿādhah (aʿūdhu billāhi mina sh-shayṭāni r-rajīm) en bismillāh (bismi llāhi r-Raḥmāni r-Raḥīm) en vervolgens twee rakʿāt ṣalāh te verrichten.

In de āyāt en aḥādīth wordt opgedragen om een dier te slachten terwijl de naam van Allāh wordt genoemd (al-Anʿām, 6:118), om te eten en te drinken met het uitspreken van de bismillāh (Abū Dāwūd, Atʿimah, 15) en om de Qur’ān te reciteren in de naam van Allāh (al-ʿAlaq, 96:1) en na het uitspreken van istiʿādhah (an-Naḥl, 16:98). Aangezien duʿāʾ eveneens een vorm van aanbidding is, dient men ook de duʿāʾ te beginnen met istiʿādhah en bismillāh en vervolgens Allāh te prijzen en ṣalāt en salām over an-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) uit te spreken.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) begon zijn duʿāʾ met:

“Ik verklaar mijn Rab, de Allerhoogste en de Vergevingsgezinde, vrij van iedere tekortkoming.” (Aḥmad, IV, 54; al-Ḥākim, Duʿāʾ, I, 498)

Hij zei ook:

“Wanneer iemand van jullie duʿāʾ verricht, laat hem dan beginnen met het prijzen en loven van Allāh, vervolgens ṣalāt over an-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) uitspreken en daarna de duʿāʾ verrichten die hij wenst.” (at-Tirmidhī, Daʿawāt, 66; Abū Dāwūd, Ṣalāh, 358)

ʿUmar رضي الله عنه zei:

“De duʿāʾ blijft tussen de aarde en de hemel totdat er ṣalāt over an-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) is uitgesproken; geen duʿāʾ stijgt naar Hem op en wordt aanvaard alvorens dit is gedaan.” (at-Tirmidhī, Ṣalāh, 347)

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) adviseerde Anas ibn Mālik رضي الله عنه dat hij, wanneer een deel van zijn lichaam pijn deed, zijn hand op de pijnlijke plek moest leggen en met het uitspreken van de bismillāh het volgende moest zeggen:

“Bismillāh. Ik zoek mijn toevlucht bij de macht en kracht van Allāh tegen het kwaad van deze pijn die ik ervaar. Hef vervolgens je hand op en herhaal deze duʿāʾ drie tot vijf keer.” (Abū Yaʿlā, Dhikr wa-Duʿāʾ, nr. 1126)

Vóór de du`â’ tawbah en istighfār verrichten

De duʿāʾ van een dienaar die zonden begaat en zich niet van ḥarām-zaken onthoudt, verdient geen aanvaarding. De volgende ḥadīth van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) is bijzonder indrukwekkend:

“Een man die reizen heeft gemaakt op de weg van Allāh, met verwaarloosde en stoffige kleding, heft zijn handen naar de hemel en smeekt: ‘O mijn Rab! O mijn Rab!’

Maar wat hij eet is ḥarām, wat hij drinkt is ḥarām, wat hij draagt is ḥarām en zijn voeding is ḥarām. Hoe kan zijn duʿāʾ dan worden aanvaard?” (Muslim, Zakāh, 19)

Daarom dient een muʾmin, voordat hij met zijn duʿāʾ begint, zijn zonden te erkennen, oprecht tawbah te tonen bij Allāhu (تعالى) en Hem om vergeving te vragen. Vervolgens dient hij duʿāʾ te verrichten.

De handen naar de hemel heffen en na het smeken over het gezicht strijken

Wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) smeekte, hief hij zijn handen zo hoog naar de hemel dat zijn oksels zichtbaar werden.

Abū Mūsā al-Ashʿarī رضي الله عنه zei:

“An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) smeekte en hief zijn handen. Ik zag de witheid van zijn oksels.” (al-Bukhārī, Daʿawāt, 22)

Anas رضي الله عنه zei:

“An-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) hief tijdens het smeken zijn handen zo hoog naar de hemel dat de witheid van zijn oksels zichtbaar werd.” (Ibn Ḥibbān, Adʿiyah, nr. 877)

Van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) zei:

“Wanneer jullie iets van Allāhu (تعالى) vragen, vraag Hem dan met de binnenkant van jullie handpalmen en niet met de rug van jullie handen, en strijk na het smeken met jullie handen over jullie gezicht.” (al-Ḥākim, Daʿawāt, I, 536)

Sahl ibn Saʿd رضي الله عنه zei:

“An-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) hief zijn vingers tot schouderhoogte en smeekte op die manier.” (al-Ḥākim, Daʿawāt, I, 536)

ʿUmar رضي الله عنه zei:

“Wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tijdens het smeken zijn handen naar de hemel hief, liet hij ze pas zakken nadat hij ermee over zijn gezicht had gestreken.” (at-Tirmidhī, Daʿawāt, 11)

Tijdens het smeken dient men zich indien mogelijk naar de qiblah te wenden (al-Bukhārī, Daʿawāt, 24).

De handpalmen worden geopend en de handen worden met de vingers tot schouderhoogte geheven, zonder boven het hoofd uit te komen (Ibn Ḥibbān, Adʿiyah, nr. 878), en wel zodanig dat de oksels zichtbaar worden. Aan het einde van het smeken strijkt men met de handen over het gezicht.

Tijdens het smeken dient men de ogen niet naar de hemel te richten. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei:

“Ofwel houden bepaalde mensen ermee op hun ogen naar de hemel te richten tijdens de salāh en het verrichten van du`ā’, ofwel zullen hun ogen blind worden.” (Muslim, Ṣalāh, 118)

Du`ā’ verrichten met de Schone Namen van Allāh (al-Asmāʾ al-Husnā)

Allāhu (تعالى) gebiedt in de Qur’ān:

“En aan Allāh behoren de Schone Namen. Smeek Hem daarom aan met deze Namen.” (al-Aʿrāf, 7:180)

Met dit vers gebiedt Hij dat men Hem met al-Asmāʾ al-Ḥusnā, de Schone Namen, aanroept. En in het volgende vers:

“Zeg: ‘Roep Hem aan met de naam Allāh of roep Hem aan met de naam ar-Raḥmān. Hoe jullie Hem ook aanroepen, aan Hem behoren de Schone Namen.” (al-Isrāʾ, 17:110)

Hierbij wordt duidelijk gemaakt dat men Allāh met de naam Allāh, met de naam ar-Raḥmān of met een van Zijn andere Namen kan aanroepen. Zowel in de Qur’ān als in de voorbeelden van adʿiyah in de ḥadīth zien we hiervan voorbeelden.

Bijzondere dagen en nachten kiezen

Duʿāʾ kan altijd en overal worden verricht.

Er zijn echter aḥadīth waarin wordt vermeld dat adʿiyah die worden verricht op de dag en de nacht van ʿArafah, tijdens de maand Ramaḍān, op de dagen en nachten van vrijdag en de ʿĪd, tijdens de laatste uren van de nacht, gedurende de laatste twee derde van de nacht, in de ochtend en de avond, tussen de adhān en de iqāmah, tijdens de sujūd en na de salāh, verhoord worden (zie het gedeelte “Smeekbeden die worden verhoord”).

In de Qur’ān wordt bijvoorbeeld gewezen op het verrichten van duʿāʾ in de ochtend en de avond:

وَلَا تَطۡرُدِ ٱلَّذِينَ يَدۡعُونَ رَبَّهُم بِٱلۡغَدَوٰةِ وَٱلۡعَشِيِّ يُرِيدُونَ وَجۡهَهُۥۖ مَا عَلَيۡكَ مِنۡ حِسَابِهِم مِّن شَيۡءٖ وَمَا مِنۡ حِسَابِكَ عَلَيۡهِم مِّن شَيۡءٖ فَتَطۡرُدَهُمۡ فَتَكُونَ مِنَ ٱلظَّٰلِمِينَ ٥٢

En verdijf niet degenen die in de ochtend en de middag hun Heer aanroepen en naar Zijn aangezicht zoeken. In niets ben jij verantwoordelijk voor hen, en zij zijn in niets verantwoordelijk voor jou, verdrijf jij hen, dan behoor je tot de onrechtvaardigen. (al-Anʿām, 6:52; zie ook al-Kahf, 18:28)

De godvrezenden (muttaqūn) worden in de Qur’ān geprezen met de woorden:

“En zij vroegen vóór het aanbreken van de dageraad om vergeving.” (adh-Dhāriyāt, 51:18)

Met oprechtheid (ihlāṣ) en bewustzijn verrichten

Wanneer men met de tong de woorden van de duʿāʾ uitspreekt, dient de geest niet met andere gedachten bezig te zijn. De mens dient zich met zijn gehele wezen tot Allāhu (تعالى) te richten en bewust, vrijwillig, oprecht en met ihlās te smeken.

“Hij is de Levende. Er is geen godheid dan Hij. Roep Hem daarom aan, terwijl jullie de aanbidding oprecht uitsluitend aan Hem wijden. Alle lof behoort toe aan Allāh, de Rab der werelden.” (Ghāfir, 40:65; zie ook al-Aʿrāf, 7:29; Ghāfir, 40:14)

Ook de volgende verzen drukken uit dat men Hem oprecht moet aanroepen, ook al staat dit de ongelovigen tegen:

“Roep Hem daarom aan, terwijl jullie de aanbidding oprecht uitsluitend aan Hem wijden, ook al hebben de ongelovigen er een afkeer van.” (Ghāfir, 40:14) (zie ook Yūnus, 10:22; al-ʿAnkabūt, 29:65; Luqmān, 31:32)

Ook de volgende ḥadīth maakt duidelijk dat duʿāʾ met oprechtheid en bewustzijn moet worden verricht:

“Weet dat Allāhu (تعالى) een duʿāʾ die uit een achteloos hart voortkomt niet verhoort.” (at-Tirmidhī, Daʿawāt, 66)

Duʿāʾ verrichten met de overtuiging dat het zal worden aanvaard

Een van de Schone Namen van Allāhu (تعالى) is Samīʿu’d-Duʿāʾ, “Degene Die de adʿiyah hoort en verhoort”. (Āl ʿImrān, 3:38) Daarom dient een muʾmin duʿāʾ te verrichtenmet de overtuigingdat Allāhu (تعالى) zijn duʿāʾ zal verhoren.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) heeft dan ook geadviseerd:

“Roep Allāhu (تعالى) aan met de stellige overtuiging dat jullie duʿāʾ verhoord zal worden.” (at-Tirmidhī, Daʿawāt, 66; zie ook al-Ḥākim, Daʿawāt, I, 493)

Hij zei ook:

“Wanneer jullie duʿāʾ verrichten, vraag dan met vastberadenheid wat jullie verlangen. Zeg niet: ‘O Allāh!

Als U wilt, geef mij dan.’ Want er is geen enkele macht die Allāh kan dwingen.” (al-Bukhārī, Daʿawāt, 21; Muslim, Dhikr, 7; Ibn Ḥibbān, Adʿiyah, nr. 977)

“Laat niemand van jullie zeggen: ‘O Allāh! Als U wilt, vergeef mij’, of: ‘O Allāh! Als U wilt, wees mij dan genadig.’ Laat hem zijn verzoek met vastberadenheid uitspreken. Want niemand kan Hem daarin tegenhouden.” (Abū Dāwūd, Ṣalāh, 358)

Deze aḥadīth maken duidelijk dat men duʿāʾ dient te verrichten in de overtuiging dat deze verhoord zal worden.

Er dient op nederige en zachte toon en smeekend duʿāʾ te worden verrichten

Het is een gebod van Allāhu (تعالى) en van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) om niet schreeuwend, met luide stem en uit vertoon duʿāʾ te verrichten, maar op nederige en zachte toon:

“Roep jullie Rab nederig en in het verborgene aan. Voorwaar, Hij houdt niet van degenen die de grenzen overschrijden.” (al-Aʿrāf, 7:55)

“En gedenk jouw Rab in jezelf, nederig en vol ontzag, en met een stem die niet luid is, in de ochtend en de avond, en behoor niet tot de achtelozen.” (al-Aʿrāf, 7:205)

“En spreek je duʿāʾ niet luid uit, maar ook niet te zacht, en kies daartussen een middenweg.” (al-Isrāʾ, 17:110)

ʿĀʾishah رضي الله عنها heeft gezegd dat dit vers over duʿāʾ is neergezonden. (al-Bukhārī, Daʿawāt, 16)

Abū Mūsā al-Ashʿarī رضي الله عنه zei: Tijdens een reis die wij samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) maakten, spraken wij bij het beklimmen van heuvels en het afdalen in valleien de takbīr en tahlīl met luide stem uit. Daarop waarschuwde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) ons en zei:

“O mensen! Doe het rustig aan.

Jullie roepen niet een dove of iemand die ver weg is aan, maar jullie roepen Allāh aan, Die voortdurend met jullie is en alles hoort.” (al-Bukhārī, Jihād, 131; Muslim, Dhikr, 44; Duʿāʾ, 44)

Al-Ḥasan al-Baṣrī heeft gezegd:

“Een duʿāʾ die oprecht en in het verborgene wordt verricht, staat gelijk aan zeventig adʿiyah die openlijk worden verricht.” (ʿAbd ar-Razzāq, Duʿāʾ, nr. 19645)

Met luide stem schreeuwend smeken is evenmin in overeenstemming met de etiquette. Immers, zoals wordt verklaard in het vers:

“Waar jullie je ook bevinden, Hij is met jullie.” (al-Ḥadīd, 57:4; zie ook al-Mujādilah, 58:7; ash-Shuʿarāʾ, 26:62)

En in de ḥadīth qudsī staat:

“Ik ben met Mijn dienaar wanneer hij Mij gedenkt en zijn lippen voor Mij beweegt.” (al-Ḥākim, Daʿawāt, I, 496)

“Ik ben met hem wanneer hij Mij aanroept.” (Muslim, Dhikr, 19)

Zoals deze teksten aangeven, is Allāh met ons waar wij ons ook bevinden. Allāh hoort onze adʿiyah, zelfs wanneer wij deze op zachte toon verrichten. Sterker nog, in het vers:

“En Wij zijn dichter bij hem dan zijn halsslagader.” (Qāf, 50:16) wordt vermeld dat Hij dichter bij ons is dan wijzelf, ja, zelfs dichter bij ons dan onze halsslagader.

Allāhu (تعالى) vertelt ons hoe an-Nabie Zakariyyā عليه السلام du`āʾ verrichtte:

“Toen hij zijn Rab in het verborgene aanriep.” (Maryam, 19:3)

Daarom is het niet juist om tijdens de duʿāʾ te schreeuwen of overdreven en gemaakte bewegingen te maken om de duʿāʾ mooier te laten lijken en bewondering op te wekken.

Een duʿāʾ in stilte en op smekende wijze verrichten behoort tot oprechtheid. Bij een duʿāʾ met luide stem kan riyaʾ binnendringen.

Daarom hebben de Ḥanafī-geleerden geoordeeld dat het verdienstelijker is om het woord “āmīn” aan het einde van al-Fātiḥah in de salāh zacht uit te spreken.

Adʿiyah dienen te worden verricht met het bewustzijn dat men aanbidt, en in overeenstemming met godsdienstige waardigheid en gepaste maatstaven. Het is in strijd met het doel en de geest van duʿāʾ, om bepaalde mensen die van uiterlijk vertoon houden en geen godsdienstig bewustzijn bezitten tevreden te stellen, zijn vaardigheid te willen tonen met hoogdravende uitdrukkingen die weinig betekenis hebben. De adʿiyah die in de Qur’ān en de Sunnah zijn overgeleverd, en die veelomvattend en kernachtig zijn, verdienen de voorkeur. En dient men gekunstelde formuleringen, rijm en kunstmatig rijmend proza te vermijden.

“Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) gaf bij zijn adʿiyah de voorkeur aan kernachtige en veelomvattende bewoordingen en liet andere vormen achterwege.” (Abū Dāwūd, Ṣalāh, 358)

ʿĀʾishah رضي الله عنها zei:

“Vermijd het verrichten van adʿiyah met rijmende bewoordingen.”

Zij heeft vermeld dat de ṣaḥābah en an-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) dit afkeurden. (Ibn Ḥibbān, Adʿiyah, nr. 979; zie al-Bukhārī, Duʿāʾ, 19)

Er dient aandringend duʿā’ te worden verricht

Een muʾmin dient bij zijn verzoek aan Allāhu (تعالى) volhardend te zijn en niet met het verrichten van duʿāʾ op te houden wanneer zijn verzoek niet onmiddellijk wordt vervuld.

Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd رضي الله عنه:

“Wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) duʿāʾ verrichtte, herhaalde hij zijn duʿāʾ driemaal, en wanneer hij iets vroeg, herhaalde hij zijn verzoek eveneens driemaal.” (Muslim, Jihād, 107)

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) heeft met de woorden:

“Voorwaar, Allāh houdt van degenen die volhardend duʿāʾ verricht. (al-Bayhaqī, Shuʿab al-Īmān, ar-Rajāʾ min Allāh, nr. 1108)

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم ) zei:

“Allāh zal jullie adʿiyah verhoren, zolang jullie niet overhaast zeggen: ‘Ik heb tot mijn Rab duʿāʾ verricht, maar mijn duʿāʾ is niet verhoord.” (al-Bukhārī, Daʿawāt, 22; Muslim, Dhikr, 92)

Hiermee moedigde hij aan om volhardend duʿāʾ te verrichten.

Hij zei ook:

“Er is geen dienaar die zijn handen opheft en duʿāʾ verricht totdat zijn oksels zichtbaar worden, of Allāh geeft hem wat hij vraagt, zolang hij niet overhaast.”

De ṣaḥābah vroegen: “O Rasûlullāh, wat betekent het om bij duʿāʾ overhaast te zijn?”

Hij antwoordde: “Dat hij zegt: ‘Ik heb gevraagd, ik heb gevraagd, maar Allāh heeft mij niets gegeven.” (at-Tirmidhī, Daʿawāt, 133)

Van Abū ad-Dardāʾ رضي الله عنه:

“Wie veel duʿāʾ verricht, zal zijn duʿāʾ vaker verhoord zien worden.” (ʿAbd ar-Razzāq, Duʿāʾ, nr. 19644)

Na het verrichten van duʿāʾ dient men de uitkomst aan Allāhu (تعالى) over te laten. Allāh kan datgene waar de dienaar om vraagt onmiddellijk geven, maar Hij kan het ook later geven. Het kan ook zijn dat hetgeen de dienaar vraagt niet goed voor hem is en dat Allāh hem iets beters geeft, of dat Hij de beloning ervoor tot het Hiernamaals uitstelt. (at-Tirmidhī, Daʿawāt, 133)

Er dient met hoop en vrees duʿā te worden verricht

Wanneer iemand duʿāʾ verricht, dient hij vervuld te zijn van eerbied voor Allāh en vrees voor Zijn bestraffing, maar tegelijkertijd verlangend en hoopvol te zijn.

Allāhu (تعالى) zegt:

“Roep Hem aan uit vrees en hoop.

Voorwaar, de barmhartigheid van Allāh is nabij voor degenen die het goede op de beste wijze doen.” (al-Aʿrāf, 7:56)

Hiermee prijst Hij degenen die met hoop en vrees duʿāʾ verrichten:

“Zij verlaten hun bedden om hun Rab aan te roepen uit vrees en hoop, en zij geven uit van hetgeen Wij hun hebben geschonken.” (as-Sajdah, 32:16)

In dit vers worden de muʾmins geprezen die, wanneer de verzen van Allāh aan hen worden herinnerd, zich onmiddellijk onderwerpen, zich ter aarde werpen in sujūd, Allāh prijzen, Hem vrijspreken van alle tekortkomingen en nooit hoogmoedig zijn (as-Sajdah, 32:15).

Zij staan ’s nachts op en verrichten duʿāʾ met vrees en hoop.

“Zij wedijverden werkelijk in goede daden, en zij riepen Ons aan uit hoop op Onze barmhartigheid en uit vrees voor Ons. En zij waren nederig en vol ontzag voor Ons.” (al-Anbiyāʾ, 21:90)

In dit vers worden de twee uitverkoren anbiyā geprezen omdat zij Allāh aanriepen in de hoop op Zijn barmhartigheid en uit vrees voor Zijn bestraffing. Tevens wordt hiermee aangegeven dat ook de muʾmins op deze wijze dienen te smeken.

In de drie genoemde verzen vallen vier begrippen op die de houding aangeven die de mens tijdens het verrichten van duʿāʾ dient te hebben: “khawf”, “ṭamaʿ”, “raghab” en “rahab”.

“Khawf” betekent: “schrikken vanwege een bekend of gevoeld teken, en bezorgd zijn over wat er bij een gevaar zal gebeuren” (ar-Rāghib, p. 161). Het betekent ook: “dat het hart brandt en verdrietig wordt bij de gedachte in de toekomst iets tegen te komen wat men niet prettig vindt.” (al-Ghazālī, IV, 286)

Wat betreft de vrees tijdens het verrichten van duʿāʾ, hiermee wordt bedoeld dat men bang is dat zijn duʿāʾ niet zal worden verhoord omdat men vanwege zijn zonden niet verdient te ontvangen waar men om vraagt. (al-Bayḍāwī, II, 569)

“Ṭamaʿ” betekent: vanwege de overvloed aan de gunst, vrijgevigheid en barmhartigheid van Allāh hopen dat de duʿāʾ zal worden verhoord en vertrouwen dat hetgeen men vraagt zal worden gegeven. (al-Bayḍāwī, II, 569)

“Raghab” betekent sterk hopen dat de duʿāʾ zal worden verhoord en dat hetgeen men vraagt zal worden gegeven, en zich tot Allāh wenden. (al-Bayḍāwī, IV, 277)

“Rahab” betekent uit vrees voor de goddelijke bestraffing vanwege zijn zonden en uit vrees dat zijn duʿāʾ zal worden afgewezen. (al-Bayḍāwī, IV, 277)

Raghab en rahab hebben dezelfde betekenis als khawf en ṭamaʿ. (an-Nasafī, IV, 277)

Deze vier begrippen drukken uit dat de muʾmin, evenals bij iedere andere taak en verplichting, ook tijdens het verrichten van duʿāʾ tussen vrees en hoop dient te verkeren (bayna al-khawfi wa-r-rajāʾ).

Daarnaast wordt in het eerste vers benadrukt dat degene die duʿāʾ verricht een muḥsin dient te zijn; in het tweede vers dat hij dient uit te geven van de voorziening die Allāh hem heeft geschonken; en in het derde vers dat hij eerbied voor Allāh dient te hebben en zich nederig aan Hem dient te onderwerpen (khāshiʿ).

Hoewel de muʾmin vervuld dient te zijn van vrees voor de goddelijke bestraffing, dient hij tegelijkertijd de overtuiging en verwachting te hebben dat Allāhu (تعالى) zijn duʿāʾ zal verhoren.

Omdat Allāhu (تعالى) in de Qur’ān heeft gezegd:

“Mijn barmhartigheid omvat alle dingen.” (al-Aʿrāf, 7:156)

En Hij heeft in een ḥadīth qudsī gezegd:

“Mijn barmhartigheid heeft Mijn toorn overtroffen.” (al-Bayhaqī, Shuʿab al-Īmān, ar-Rajā’ min Allāh, nr. 1037)

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft de mu’mins aangeraden goede verwachtingen van Allāh te hebben:

“O mensen! Heb goede verwachtingen van de Rab der werelden, want de Rab is zoals Zijn dienaar over Hem denkt.” (al-Bayhaqī, Shuʿab al-Īmān, ar-Rajā’ min Allāh, nr. 1012)

Allāh zegt in een ḥadīth qudsī:

“Ik ben zoals Mijn dienaar over Mij denkt en wanneer hij Mij gedenkt, ben Ik met hem.” (Muslim, Dhikr, 19)

Want zoals an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft verklaard:

“Een goede verwachting hebben behoort tot de schoonheid van de aanbidding.” (al-Bayhaqī, Shuʿab al-Īmān, ar-Rajā’ min Allāh, nr. 1018)

Om deze reden moet een mu’min, wanneer hij duʿāʾ doet, denken en geloven dat Allāh zijn duʿāʾ zal aanvaarden en zijn verzoek zal verhoren.

Alleen wettige zaken vragen, gematigd zijn en niet overdrijven

Men dient geen duʿā’ te verrichten voor zaken waarvan het verrichten of vragen ervan door onze godsdienst als zondig wordt beschouwd. Zulke ad`iyah zijn namelijk niet voor aanvaarding vatbaar. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd:

“De du`ā van een dienaar blijft verhoord worden, zolang hij niet om een zonde vraagt of om het verbreken van de familiebanden vraagt.” (Muslim, Dhikr, 25; zie ook Ibn Ḥibbān, Adʿiyah, nr. 881, 976)

Het vragen om zaken die door de godsdienst verboden zijn en waarvan het verrichten zondig is, is een gebrek aan eerbied tegenover Allāh. Allāh vragen om iets wat Allāh van ons heeft verboden, betekent dat men buiten de grenzen van de ādāb (gepaste gedragsen omgangsvormen volgens de Islām,) treedt en de grens overschrijdt. Allāh houdt niet van degenen die overdrijven en de grenzen overschrijden. (al-Baqarah, 2:190)

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd:

“Sommige volkeren zullen bij het verrichten van du`ā’ overdrijven en de grenzen overschrijden. Pas ervoor op dat jullie tot hen behoren.” (Abū Dāwūd, Ṣalāh, 358)

Het overschrijden van de grenzen bij duʿāʾ kan zich in de bewoordingen ervan uiten: door de voorschriften en ādāb van duʿāʾ niet in acht te nemen, door te vragen om zaken waar men niet om behoort te vragen, door te vragen om zaken die godsdienstig verboden en ongeoorloofd zijn, of door Allāh bij iets verbodens om hulp te vragen, bijvoorbeeld bij het gokken, het plegen van diefstal, het plegen van een moord of het verrichten van enige andere vorm van kwaad. Het kan zich ook uiten in het met luide stem en schreeuwend doen van du`ā of in het zich overdreven inspannen in de bewoordingen ervan.

Het overschrijden van de grenzen kan ook betrekking hebben op de inhoud van de du`ā’: bijvoorbeeld door duʿāʾ te verrichten om zaken die niet wettig zijn, zoals te vragen om anderen schade toe te brengen of om het uitbreken van hongersnood, of door zonder de noodzakelijke middelen aan te wenden om overwinning te vragen, of rijkdom te wensen zonder zich daarvoor in te spannen, of door Allāh om zaken te vragen terwijl men hardnekkig doorgaat met het begaan van zonden.

Het overschrijden van de grenzen, zowel in de bewoordingen als in de inhoud, past niet bij de ādāb van duʿāʾ en is een reden waarom de duʿāʾ niet wordt aanvaard.

Niet alleen in moeilijke tijden, maar altijd duʿāʾ verrichten

Iedere mens wendt zich tot Allāh en verricht duʿāʾ tot Hem wanneer hij door een moeilijkheid, een nood of een beproeving wordt getroffen. In zulke moeilijke tijden openen de harten zich volledig voor Allāh en wordt oprecht en vanuit het hart duʿāʾ verricht. Allāh aanvaardt deze ad`iyah dan ook. Zo heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in een ḥadīth gezegd:

“Twee ad`iyah worden niet afgewezen, of het komt slechts zeer zelden voor dat zij worden afgewezen: de duʿāʾ die wordt verricht tijdens het uitspreken van de adhān en de du`ā’ die wordt verricht in tijden van nood.” (Abū Dāwūd, Adab, 41)

Echter, men dient niet alleen in tijden van nood en moeilijkheden, of wanneer men met angst, een ongeluk of een ramp wordt geconfronteerd, duʿā’ te verrichten, maar ook in tijden van welvaart en gezondheid en wanneer vrede en rust heersen. Zoals iemand door ṣabr (geduld) en duʿāʾ probeert stand te houden tegenover moeilijkheden, nood en zware omstandigheden, zo dient hij ook, wanneer hij de gunsten van Allāh ontvangt, dankbaar te zijn en duʿāʾ te verrichten.

“Wie wil dat Allāh zijn duʿāʾ aanvaardt wanneer hij door moeilijkheden en een beproeving wordt getroffen, moet in tijden van voorspoed veel duʿā’ verrichten.” (at-Tirmidhī, Daʿawāt, 9)

“Wend je in tijden van voorspoed tot Allāh, leer Hem kennen en verricht duʿāʾ tot Hem, zodat Allāh zich ook in tijden van nood tot jou wendt, jou kent en jou helpt.” (al-Bayhaqī, Shuʿab al-Īmān, ar-Rajā’ min Allāh, nr. 1139)

Zoals het niet juist is om alleen in moeilijke tijden duʿā’ te verrichten, zo is het evenmin juist om, nadat men duʿāʾ heeft gedaan en de moeilijkheid voorbij is, de verrichte du`ā en de moeilijkheden te vergeten en zich vervolgens af te keren van het geloof en de aanbidding. Allāh heeft dit in de Qur’ān als volgt verwoord:

“Wanneer de mens door een kwaad wordt getroffen, wendt hij zich oprecht tot zijn Rab en doet hij duʿāʾ tot Hem. Wanneer Hij hem vervolgens een gunst van Zich schenkt, vergeet hij de duʿāʾ die hij daarvoor tot Hem had gedaan en begint hij deelgenoten aan Allāh toe te kennen om mensen van Zijn weg af te brengen…” (az-Zumar, 39:8)

“Wanneer de mens door een kwaad wordt getroffen, doet hij du`ā tot Ons. Wanneer Wij hem vervolgens een gunst van Onze zijde schenken, zegt hij: ‘Dit is mij slechts vanwege mijn kennis gegeven.’ Nee, het is een beproeving, maar de meesten weten het niet.” (az-Zumar, 39:49)

“Wanneer de mens door een kwaad wordt getroffen, doet hij du`ā tot Ons terwijl hij op zijn zij ligt, of zittend of staand. Maar wanneer Wij zijn nood van hem wegnemen, gaat hij verder alsof hij Ons nooit om iets heeft gevraagd vanwege de nood die hem had getroffen. Zo wordt hetgeen de buitensporigen doen voor hen fraai voorgesteld.” (Yūnus, 10:12)

“Wanneer zij aan boord van een schip gaan, doen zij du`ā tot Hem, terwijl zij hun godsdienst oprecht uitsluitend aan Hem wijden. Maar wanneer Hij hen veilig aan land brengt, kennen zij Hem onmiddellijk deelgenoten toe.” (al-ʿAnkabūt, 29:65)

“Wanneer de mensen door een kwaad worden getroffen, wenden zij zich smekend tot hun Rab. Maar wanneer Hij hun vervolgens een barmhartigheid van Zijn zijde laat proeven, kent een groep van hen onmiddellijk deelgenoten toe aan hun Rab.” (ar-Rūm, 30:33)

“Wanneer de golven hen op zee als schaduwen omringen, doen zij du`ā tot Allāh, terwijl zij hun godsdienst oprecht uitsluitend aan Hem wijden.

Maar wanneer Hij hen redt en aan land brengt, zijn sommigen van hen gematigd in hun houding tegenover Hem (zij verminderen en verzwakken hun gerichtheid op Allāh). Niemand ontkent Onze tekenen behalve iedere ondankbare, trouweloze.” (Luqmān, 31:32)

“De mens wordt nooit moe van het vragen om het goede (hij verlangt voortdurend naar vermeerdering van zijn bezit). Maar wanneer hem een kwaad treft, wordt hij onmiddellijk bedroefd en wanhopig.” (Fuṣṣilat, 41:49)

“Wanneer Wij de mens een gunst schenken, wendt hij zich af en keert hij zich terzijde. Maar wanneer hem een kwaad treft, blijft hij smeken.” (Fuṣṣilat, 41:51)

“Wanneer jullie op zee door een nood worden getroffen (de angst om te verdrinken), verdwijnen allen tot wie jullie naast Hem smeken. Op dat moment vragen jullie niemand anders dan Allāh om hulp, want niemand behalve Hij kan jullie redden. Maar wanneer Hij jullie redt en jullie aan land brengt, wenden jullie je opnieuw van Hem af. Waarlijk, de mens is zeer ondankbaar.” (al-Isrā’, 17:67)

Deze verzen beschrijven de algemene psychologie van de mens en geven uitdrukking aan het godsdienstige gevoel dat in de menselijke fiṭrah aanwezig is, het geloof in Allāh, de behoefte aan duʿāʾ en het feit dat de mens niet moe wordt van het vragen om het goede. Ze maken duidelijk dat iedereen in tijden van nood duʿāʾ verricht, dat duʿāʾ kan worden verricht terwijl men staat, zit of ligt, dat sommige mensen ondankbaar worden wanneer zij een gunst ontvangen, dat zij voortdurend duʿā’ verrichten wanneer zij door een beproeving worden getroffen en vervolgens wanhopig worden, dat zij zich afwenden wanneer zij een gunst ontvangen, gedrag vertonen dat niet overeenkomt met de goddelijke wil en dat sommigen zelfs deelgenoten aan Allāh toekennen en in kufr vervallen.

Dergelijke mensen worden berispt. Er wordt op gewezen dat men in tijden van nood en voorspoed, in tijden van rust en moeilijkheden, altijd duʿāʾ tot Allāh dient te verrichten en dat men, nadat de duʿāʾ is aanvaard en men zijn doel heeft bereikt, de du`ā niet dient te verlaten.

Alleen tot Allāh duʿāʾ verrichten

Du`ā’ dient uitsluitend tot Allāh te worden gedaan en er mogen geen andere tussenpersonen tussen ons en Hem worden geplaatst. In de sūrah al-Fātiḥah, die wij bij iedere ṣalāh reciteren, spreken wij dit uit met de woorden:

“Alleen U aanbidden wij en alleen U vragen wij om hulp.”

Allāh is dichter bij ons dan onze halsslagader. (Qāf, 50:16) Daarom dienen wij alles wat wij wensen rechtstreeks aan Hem te vragen, zonder tussenpersoon. In het 186e vers van sūrah al-Baqarah zegt Allāhu (تعالى):

“Wanneer Mijn dienaren jou over Mij vragen, dan ben Ik werkelijk nabij. Ik verhoor de du`ā’ van degene die Mij aanroept.”

In de Qur’ān wordt sterk benadrukt dat duʿāʾ uitsluitend tot Allāh dient te worden gedaan. Het doen van duʿāʾ en aanbidding tot anderen dan Allāh, tot afgoden of tot andere schepselen aan wie absolute eigenschappen worden toegeschreven, is in de Qur’ān nadrukkelijk verboden. Enkele van de verzen hierover zijn:

“Werkelijke du`ā is alleen tot Hem gericht. Degenen tot wie zij naast Hem aanroepen, beantwoorden hun verzoek slechts zoals water het verzoek beantwoordt van iemand die zijn handen naar het water uitstrekt om het zijn mond te laten bereiken, hoewel het zijn mond niet zal bereiken.” (ar-Raʿd, 13:14)

In dit vers worden degenen die duʿā’ verrichten tot andere wezens dan Allāh berispt en wordt duidelijk gemaakt dat de ad`iyah en verzoeken die tot andere wezens dan Allāh, tot afgoden, graven en overledenen worden gericht, tevergeefs zullen zijn.

“Roep dus beslist geen andere godheid naast Allāh aan, anders zul je tot degenen behoren die gestraft worden.” (ash-Shuʿarā’, 26:213)

In dit vers wordt opgedragen om alleen tot Allāh duʿā’ te verrichten en wordt verklaard dat degenen die tot anderen dan Allāh duʿā’ verrichten, de grenzen overschrijden. (zie al-Anʿām, 6:40-41; Yūnus, 10:106; al-Qaṣaṣ, 28:88)

De mens dient elk van zijn wensen uitsluitend aan Allāh te vragen. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd:

“Wanneer je iets vraagt, vraag het dan aan Allāh; en wanneer je om hulp vraagt, vraag Allāh dan om hulp.” (al-Bayhaqī, Shuʿab al-Īmān, ar-Rajā’ min Allāh, nr. 1075)

“Is Allāh niet voldoende voor Zijn dienaar?” (az-Zumar, 39:36)

Degenen die, Allāh verlatend, duʿāʾ verrichten tot wezens die geen schade of voordeel kunnen brengen en van wie de schade zelfs groter is dan het voordeel — zoals degenen die afgoden, graven of overledenen om hulp vragen en van hen bijstand verwachten — worden in de volgende verzen berispt:

“Hij roept naast Allāh datgene aan wat hem geen schade en geen voordeel kan brengen. Dat is de diepe dwaling.” (al-Ḥajj, 22:12)

“Hij roept degene aan wiens schade dichterbij is dan zijn voordeel. Wat een slechte beschermheer en wat een slechte metgezel!” (al-Ḥajj, 22:13)

“Wie is verder afgedwaald dan degene die naast Allāh datgene aanroept wat hem tot aan de Dag der Opstanding niet kan antwoorden, terwijl zij zich niet bewust zijn van hun aanroepingen?” (al-Aḥqāf, 46:5)

Deze verzen maken duidelijk dat men zowel uitsluitend tot Allāh duʿāʾ dient te doen als dat ad`iyah die tot anderen dan Allāh worden gericht zondig en tevergeefs zijn.

De al-Asmā’ al-Ḥusnā, ṣāliḥ daden en goede werken als middel aanwenden

De mu’min dient, voor de aanvaarding van zijn du`ā’, de Schone Namen van Allāh en de ṣāliḥ en goede daden die hij heeft verricht als middel aan te wenden. Hiervan zijn voorbeelden te vinden in de aḥadīth.

Zo adviseerde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn dochter Fāṭimah (رضي الله عنها) om ’s avonds en ’s ochtends de volgende duʿāʾ te verrichten:

“O Allāh, O Levende, Eeuwiglevende, Onsterfelijke, Eeuwige, Zelfbestaande, van Wie het bestaan van alles afhankelijk is, Die niet slaapt en niet sluimert, Die alle schepselen bestuurt, beschermt en in hun behoeften voorziet! Door Uw barmhartigheid vraag ik U om hulp. Verbeter al mijn zaken en laat mij geen moment aan mijzelf over.” (Abū Yaʿlā, Dhikr en Du`ā, nr. 914)

In deze ḥadīth wordt Allāh eerst met twee van Zijn Schone Namen aangesproken en vervolgens wordt Zijn “barmhartigheid” als middel aangewend.

Van ibni `Umar (رضي الله عنهما): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Drie mannen reisden samen en werden overvallen door regen. Ze zochten toevlucht in een grot op een berg. Echter, een steen rolde naar beneden en versperde de ingang. Toen zeiden ze tegen elkaar: “Laten jullie tot Allāh duʿāʾ verrichten met de beste daden die jullie hebben verricht, (zodat Hij ons kan redden).'

De eerste man zei:'O Allāh, ik had bejaarde ouders. Ik ging elke dag met mijn schapen naar de weide, liet ze daar grazen en kwam daarna terug om ze te melken. Ik bracht de melk eerst naar mijn ouders, en zij dronken ervan. Daarna gaf ik het aan de kinderen, mijn broers en zussen, en mijn vrouw. Op een nacht was ik laat en vond hen in bed. Ik wilde hen niet wakker maken, maar ik weigerde ook mijn kinderen te voeden voordat zij gedronken hadden, ondanks hun gehuil bij mijn voeten. Dit bleef zo doorgaan tot de dageraad.

O Allāh, U weet dat ik dit deed om Uw tevredenheid te verdienen, open dan een doorgang zodat we de hemel kunnen zien.' De steen schoof een beetje opzij.

De tweede man zei: 'O Allāh, U weet dat ik verliefd was op een van de dochters van mijn oom, net zoals mannen vrouwen liefhebben. Ik hield van haar met de meest intense liefde. Ik probeerde haar te benaderen, maar zij weigerde tenzij ik haar honderd dinar gaf. Ik werkte hard en verzamelde het bedrag. Ik bracht het naar haar. Toen ik tussen haar benen zat, zei ze: Vrees Allāh! Schend niet het zegel dat Allāh heeft geplaatst; dat zegel van maagdelijkheid mag alleen rechtmatig worden geopend (namelijk door middel van een huwelijk), zei ze.' Ik stond op en liet haar achter.

O Allāh, U weet dat ik dit deed om Uw tevredenheid te verdienen, open dan een doorgang voor ons.' De steen schoof twee derde gedeelte verder opzij, (maar de uitgang was nog steeds niet volledig open.)

De derde man zei: 'O Allāh, U weet dat ik een arbeider inhuurde en betaalde hem een zak gierst na einde werk. Hij weigerde de betaling aan te nemen en vertrok. Ik plantte dit gierst in zijn seizoen. Uiteindelijk kocht ik een rund en (nam) een herder (in dienst) met de opbrengst.

Later kwam hij terug en zei: 'O dienaar van Allāh, geef me mijn recht.'

Ik zei: 'Neem dat vee en hun herders; het is allemaal van jou.'

Hij zei: 'Ben je met mij aan het spotten?'

Ik zei: 'Ik spot niet met je; het is echt van jou.'

O Allāh, U weet dat ik dit deed om Uw tevredenheid te verdienen, open dan de doorgang volledig.'

De steen werd volledig verwijderd, en ze konden eruit komen.” (Ibn Ḥibbān, Adʿiyah, nr. 897, 971; Muslim, Dhikr en Du`ā, 100; al-Bukhārī, Muzāraʿah, 11)

Als het voorval dat deze drie personen overkwam zich in onze tijd zou hebben voorgedaan, zouden zij, als zij een mobiele telefoon bij zich hadden gehad en de locatie waar zij zich bevonden hadden geweten, hun naasten kunnen bellen en hun kunnen vragen hen te komen redden.

Voor de hoofdpersonen van dit voorval bestond die mogelijkheid op die dag echter niet. Omdat het hevig regende, was het ook niet meer mogelijk om hen door hun sporen te volgen en hen zo te bereiken. Ook met hun lichamelijke kracht konden zij zichzelf niet bevrijden. Er bleef voor hen geen andere mogelijkheid over dan de hulp van Allāh. Zij besloten duʿāʾ tot Allāh te doen. Om ervoor te zorgen dat hun duʿāʾ zou worden aanvaard, verrichtten zij du`ā en gebruikten zij als middel een daad of handeling die zij omwille van Allahs welbehagen hadden verricht, of een handeling die zij uitsluitend uit vrees voor Allāh hadden nagelaten.

Alle drie de handelingen hadden betrekking op het recht van een ander. De eerste stelde het dienen van zijn ouders boven alles en deed dit niet omwille van enig werelds voordeel, maar uitsluitend omwille van Allahs welbehagen. De tweede kreeg de mogelijkheid om iets te verkrijgen waarnaar hij sterk verlangde, maar op het laatste moment woog zijn eerbied en vrees voor Allāh zwaarder en liet hij daarom een ḥarām handeling na. De derde verspilde de arbeid van een werknemer die voor hem werkte niet, maar liet diens loon groeien door het te investeren en gaf het vervolgens aan de rechthebbende.

Alle drie deze gedragingen waren prijzenswaardig. Het geloof in Allāh en een voortreffelijk karakter werden op de voorgrond geplaatst en men liet zich niet door de nafs overwinnen. Door deze edele gedragingen als middel te gebruiken, deden zij duʿāʾ en Allāh aanvaardde hun duʿāʾ.

Uit deze ḥadīth leren wij dat wij, wanneer wij duʿāʾ verrichten waarvan wij hopen dat deze wordt aanvaard, onze daden die wij uitsluitend omwille van Allāh hebben verricht als middel kunnen aanwenden.

De Schone Namen van Allāh en dergelijke ṣāliḥ daden kunnen als middel worden aangewend. Het vastbinden van doeken aan graven of struiken, het aansteken van kaarsen, het doen van geloften en soortgelijke handelingen zijn echter niet alleen godsdienstig onjuist, maar hebben ook geen enkel nut. Sterker nog, dergelijke handelingen kunnen zelfs het geloof schaden.

In het werk al-Mustadrak van al-Ḥākim staat de volgende overlevering over het aanwenden van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) als middel bij du`ā:

Een persoon met een visuele beperking kwam naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en vroeg hem om duʿāʾ voor hem te verrichten, zodat hij zou genezen. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) droeg deze persoon op om op de juiste wijze wuḍū’ te verrichten, twee rakʿah ṣalāh te verrichten en vervolgens als volgt duʿā’ te verrichten:

“O Allāh! Ik wend mij tot U en vraag U om mij genezing te schenken, waarbij ik Uw boodschapper, Muḥammad, an-Nabie van barmhartigheid, als middel aanwend. O Muḥammad! Ik wend mij door jou tot jouw Rab, opdat Hij in mijn behoefte voorziet. O Allāh! Maak hem tot mijn bemiddelaar en laat hem voor mij bemiddelen met betrekking tot mijn behoefte.” (al-Ḥākim, Daʿawāt, nr. 1909, 1929-1930, I, 519, 526)

In deze ḥadīth wordt niets aan an-Nabī gevraagd. De verzoeken worden rechtstreeks aan Allāh voorgelegd; alleen Muḥammad (صلى الله عليه وسلم), de meest geliefde dienaar van Allāh en de laatste Nabī, wordt als middel aangewend voor de aanvaarding van de du`ā’.

In twee van de drie overleveringen over dit onderwerp wordt vermeld dat degene die deze duʿāʾ van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had geleerd, deze duʿāʾ verrichtte en vervolgens genas. (al-Ḥākim, Daʿawāt, nr. 1929-1930, I, 526)

Aan het einde van de duʿāʾ dient men “Āmīn” en “O mijn Rab! Aanvaard mijn duʿāʾ” te zeggen, salāt en salām over an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) uit te spreken en de Sūrah al-Fātiḥah te reciteren

Aan het einde van de duʿāʾ dient men “Āmīn” en

“O mijn Rab! Aanvaard mijn duʿāʾ” (Ibrāhīm, 14/40) te zeggen, salāt en salām over an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) uit te spreken en de Sūrah al-Fātiḥah, de eerste sūrah van de Qur’ān, te reciteren.

De ḥadīth:

“Wanneer iemand van jullie ‘Āmīn’ zegt, zegt ook een engel in de hemel ‘Āmīn’. Wanneer het ‘Āmīn’ van een van hen overeenkomt met dat van de ander, worden zijn voorgaande zonden vergeven”, (Hammām ibn Munabbih, Ṣaḥīfat Hammām, nr. 10) maakt het belang duidelijk van het zeggen van “Āmīn” aan het einde van de duʿāʾ.

In de eerste āyāt van Sūrah al-Fātiḥah worden de eigenschappen van Allāhu (تعالى) vermeld, waarna de āyāt van de duʿāʾ volgen:

بِسۡمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحۡمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ ١

In de naam van Allah, de meest Barmhartige, de meest Genadevolle.

ٱلۡحَمۡدُ لِلَّهِ رَبِّ ٱلۡعَٰلَمِينَ ٢

Alle lof en dank komt (alléén) Allah toe, de Bezitter van (alle) wereldwezens (mensen, Djinn, Engelen en de rest van Zijn volledige schepping).

ٱلرَّحۡمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ ٣

De meest Barmhartige (voor elk wezen in dit leven), de meest Genadevolle (voor Zijn gelovigen in het Hiernamaals).

مَٰلِكِ يَوۡمِ ٱلدِّينِ ٤

De Heerser op de Dag des Oordeels.

إِيَّاكَ نَعۡبُدُ وَإِيَّاكَ نَسۡتَعِينُ ٥

U (alléén) aanbidden wij, en U (alléén) vragen wij om hulp.

ٱهۡدِنَا ٱلصِّرَٰطَ ٱلۡمُسۡتَقِيمَ ٦

Leidt ons op het rechte Pad.

صِرَٰطَ ٱلَّذِينَ أَنۡعَمۡتَ عَلَيۡهِمۡ غَيۡرِ ٱلۡمَغۡضُوبِ عَلَيۡهِمۡ وَلَا ٱلضَّآلِّينَ ٧

Het pad van degenen aan wie U gunsten hebt geschonken (verwijzend naar de anbiyā en meer specifiek Muhammad) en niet (naar het pad) van degenen die Uw toorn hebben opgewekt (degenen die de Waarheid verwerpen of verbergen) noch (naar het pad) van de dwalenden.

Sūrah al-Fātiḥah is de sūrah met de grootste beloning. (al-Bukhārī, Tafsīr al-Qur’ān, 1, V, 146)

De duʿāʾ van degene die al-Fātiḥah reciteert, wordt aanvaard. In een ḥadīth qudsī heeft Allāhu (تعالى) het volgende gezegd: “Ik heb al-Fātiḥah tussen Mij en Mijn dienaar in tweeën verdeeld: de ene helft is voor Mij en de andere helft is voor Mijn dienaar. Mijn dienaar heeft recht op wat hij vraagt en het zal hem worden gegeven.”

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei vervolgens: “Wanneer een dienaar zegt: ‘Al-ḥamdu lillāhi Rab al-ʿālamīn’, zegt Allāhu (تعالى): ‘Mijn dienaar heeft Mij geprezen.’

Wanneer de dienaar zegt: ‘ar-Raḥmāni’r-Raḥīm’, zegt Allāhu (تعالى): ‘Mijn dienaar heeft Mij geprezen.’

Wanneer de dienaar zegt: ‘Māliki yawmi’d-dīn’, zegt Allāhu (تعالى): ‘Mijn dienaar heeft Mij verheven en Mij eerbied betoond.’

Wanneer de dienaar zegt: ‘Iyyāka naʿbudu wa iyyāka nastaʿīn’, zegt Allāhu (تعالى): ‘Dit is tussen Mij en Mijn dienaar. Het behoort aan Mij om Mijn dienaar die aanbidt te helpen. Wat Mijn dienaar vraagt, zal hem worden gegeven.’

Wanneer de dienaar zegt: ‘Ihdinā ṣ-ṣirāṭ al-mustaqīm, ṣirāṭ al-ladhīna anʿamta ʿalayhim ghayri’l-maghdūbi ʿalayhim wa laḍ-ḍāllīn’, zegt Allāhu (تعالى): ‘Deze smeekbede behoort aan Mijn dienaar. Wat hij vraagt, zal hem worden gegeven.” (Muslim, Ṣalāh, 38)

Kortom: bij het verrichten van een duʿāʾ dienen gezegende tijden en plaatsen te worden verkozen.

Men dient wuḍūʾ te verrichten, zich naar de qiblah te wenden, de handen naar de hemel te heffen, al-istiʿādhah en de basmalah uit te spreken, Allāhu (تعالى) te prijzen en salāt en salām over an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) uit te spreken.

Vervolgens dient men de duʿāʾ te beginnen met berouw over de zonden.

Degene die de duʿāʾ verricht, dient zich daarbij gepast en overeenkomstig zijn positie te gedragen.

Men dient uitsluitend tot Allāhu (تعالى) duʿāʾ te verrichten , de legitieme grenzen in de duʿāʾ niet te overschrijden en om legitieme zaken te vragen.

Men dient niet ongeduldig te zijn over de aanvaarding ervan en dient het geloof te hebben dat de duʿāʾ zal worden aanvaard.

De duʿāʾ dient met ikhlāṣ en vanuit het hart, met zachte stem en smekend te worden verricht. In de duʿāʾ dienen betekenisvolle en bondige woorden te worden gekozen en men dient gekunstelde formuleringen, rijm en kunstmatig rijmend proza te vermijden

Aan het einde van de duʿāʾ dient men salāt en salām over an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) uit te spreken en de handen over het gezicht te strijken. (Ibn Mājah, Duʿāʾ, 13)

Een duʿāʾ kan altijd en overal, onder alle omstandigheden worden verricht; bijvoorbeeld tijdens het lopen, zitten en liggen. (Yūnus, 10/12) In een āyah wordt hierover het volgende gezegd:

“Zij gedenken Allāh terwijl zij staan, zitten en op hun zij liggen. Zij denken na over de schepping van de hemelen en de aarde en zeggen: ‘Onze Rab! U hebt dit niet zonder doel geschapen. Wij prijzen U vrij van alle tekortkomingen. Bescherm ons tegen de bestraffing van het Vuur.” (Āl ʿImrān, 3/191)

Een duʿāʾ die overeenkomstig de voorschriften en de ādāb wordt verricht, dient niet slechts uit het uitspreken van woorden met de tong en lippen te bestaan; ook het hart en de rûh dienen eraan deel te nemen. De handen, de tong en het hart dienen zich gezamenlijk tot Allāhu (تعالى) te wenden. Tijdens de duʿāʾ dienen vrees en hoop tegelijkertijd aanwezig te zijn en dient men oprecht, smekend, met ikhlāṣ en oprechtheid te vragen.

De duʿāʾ dient vanuit het hart, in het verborgene en met zachte stem te worden verricht, terwijl men berouw heeft over de zonden, zich naar de qiblah wendt en met de naam van Allāhu (تعالى) begint.

Tijdens de duʿāʾ dient het godsdienstige bewustzijn te worden versterkt en dient men niet ongeduldig te zijn over de aanvaarding ervan. In het vertrouwen dat de duʿāʾ zal worden aanvaard, dient men volhardend door te gaan met het verrichten ervan.

Bovendien dient men, voordat men zijn verzoek aan Allāhu (تعالى) voorlegt, Allāhu (تعالى) te loven en an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) met salāt en salām te gedenken.

Men dient wuḍūʾ te verrichten (at-Tirmidhī, Daʿawāt, 125), zich indien mogelijk naar de qiblah te wenden en de zinnen van de duʿāʾ driemaal te herhalen.

VI. DE AANVAARDING VAN DE DUʿĀʾ EN DE INVLOED ERVAN OP HET MENSELIJK LEVEN

A. DE INVLOED VAN DE DUʿĀʾ OP HET MENSELIJK LEVEN

De duʿāʾ is een inspanning van de mu'min om dichter bij Allāhu (تعالى) te komen en vormt een bron van psychologische verlichting, rust en geluk.

De duʿāʾ zorgt voor de verbondenheid van de mu'min met zijn Rab, versterkt zijn geloof in en vertrouwen op Allāhu (تعالى), biedt in tijden van moeilijkheden en nood hoop en een toevlucht en bevrijdt de mens van het gevoel van eenzaamheid.

De duʿāʾ neemt stress, zorgen en verdriet weg die de basis kunnen vormen voor lichamelijke ziekten, is een geneesmiddel tegen psychische en geestelijke aandoeningen en versnelt het herstel van lichamelijke ziekten.

De duʿāʾ beschermt de mens tegen zichtbare en onzichtbare ongelukken, rampen en beproevingen, vormt een middel waardoor de mens goede en verdienstelijke daden verricht, zorgt ervoor dat hij nederig wordt, herinnert hem aan zijn dienaarschap en beschermt hem tegen de toorn van Allāhu (تعالى).

De duʿāʾ neemt de eenzaamheid van de mens weg en wordt een vertrouweling aan wie hij zijn zorgen kan toevertrouwen. Een mens kan alleen de zaken doen waartoe hij in staat is en moeilijkheden overwinnen zolang deze binnen zijn vermogen liggen. Wanneer zaken zijn krachten te boven gaan, ondervindt hij moeilijkheden. Deze moeilijkheid herinnert de mens aan zijn onvermogen, zijn dienaarschap en zijn Rab en brengt hem ertoe om Hem om hulp te vragen.

De weg om moeilijkheden te overwinnen en succesvol te zijn in zaken loopt via de duʿāʾ. Achter het succes van veel mensen staat de goede duʿāʾ van mensen, met name van ouders, die gewend zijn om duʿāʾ te verrichten. Achter veel moeilijkheden en mislukkingen staan onderdrukking en de badduʿāʾ van de maẓlūm (onderdrukte), degene die onrecht is aangedaan.

Ondanks de grote omvang van de wereldbevolking klagen veel mensen over eenzaamheid. Door de gebrekkige communicatie tussen mensen, het gebrek aan liefde en het verdwijnen van banden met buren en vrienden zijn mensen van elkaar vervreemd geraakt. Dit verschijnsel, dat “individualisering” wordt genoemd, beïnvloedt de kijk van individuen op het leven op een negatieve wijze. Zo komt de mens in de positie terecht van een wezen dat zich eenzaam voelt te midden van grote menigten. Om deze redenen neemt het aantal mensen met “depressieve” klachten als gevolg van stress, spanning, zorgen en eenzaamheid met de dag toe. Verschijnselen en zorgen zoals angst, onzekerheid, verkeersdrukte, moeilijkheden met vervoer, concurrentie in het beroepsleven, onzekerheid over de toekomst en problemen in relaties hebben een negatieve invloed op de gemoedsrust en gemoedstoestand van de mens.

Sommige mensen die in een dergelijke crisis of uitzichtloze situatie terechtkomen, wenden zich tot negatieve handelingen en gedragingen of tot kalmerende en verdovende middelen. Juist in dergelijke situaties komen het geloof in Allāhu (تعالى) en het geloven in het Hiernamaals op de voorgrond. Godsdienstige waarden zoals ṣabr, wilskracht, vastberadenheid, inspanning, tawakkul (vertrouwen op Allāhu (تعالى) en duʿāʾ motiveren mensen om moeilijkheden het hoofd te bieden, zorgen voor psychologische verlichting, nemen het gevoel van eenzaamheid weg en geven geestelijke kracht.

De duʿāʾ is voor mu'mins een geestelijke toevlucht, een deur naar hulp, morele steun en hernieuwde kracht. In dit opzicht is de duʿāʾ een onlosmakelijk onderdeel van het leven van de moslim. Zowel 's nachts als overdag, thuis en op het werk, zijn het hart en de tong van de moslim voortdurend bezig met duʿāʾ. Als een mens tot de dienaren kan behoren wier duʿāʾ wordt aanvaard, betekent dit dat hij het geluk van deze wereld en het Hiernamaals heeft bereikt.

Volgens wat Anas (رضي الله عنه) heeft overgeleverd, heeft de mu'min die duʿāʾ verricht ten minste drie baten: “Ofwel wordt hem onmiddellijk gegeven wat hij vraagt, ofwel worden zijn zonden vergeven, ofwel wordt de beloning ervoor voor het Hiernamaals bewaard.” (ʿAbd ar-Razzāq, Duʿāʾ, nr. 19649)

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft eveneens gezegd:

“Er is geen mu'min die duʿāʾ verricht en daarbij niet om iets zondigs vraagt en niet bidt om de familiebanden te verbreken, of Allāhu (تعالى) aanvaardt zijn duʿāʾ, of Hij wendt een kwaad van hem af ter grootte van zijn duʿāʾ, of Hij wist zijn zonden uit ter grootte van zijn duʿāʾ.” (ʿAbd ar-Razzāq, Duʿāʾ, nr. 18650)

B. DE AANVAARDE AD`IYAH

Wanneer een mu'min overeenkomstig de voorschriften en ādāb duʿāʾ verricht, wordt zijn duʿāʾ aanvaard en zal hij daarvan zowel in deze wereld als in het Hiernamaals het nut en de invloed ervaren. Allāhu (تعالى) maakt in de āyāt bekend dat Hij de duʿāʾ van degene die Hem aanroept, zal aanvaarden:

“En wanneer Mijn dienaren jou over Mij vragen: voorwaar, Ik ben nabij. Ik verhoor de duʿāʾ van degene die Mij aanroept wanneer hij Mij aanroept. Laat hen dan gehoor geven aan Mij en in Mij geloven, opdat zij de juiste weg zullen volgen.” (al-Baqarah, 2/186)

“Of wie verhoort de noodlijdende wanneer hij Hem aanroept, en wie neemt het kwaad weg en maakt jullie opvolgers op de aarde? Is er een godheid naast Allāh? Weinig is het dat jullie nadenken.” (an-Naml, 27/62)

In de eerste āyah wordt meegedeeld dat de duʿāʾ van degene die aanroept, wordt aanvaard. In de tweede āyah wordt meegedeeld dat de nood en moeilijkheid van degene die in nood verkeert, wordt weggenomen. Hiermee wordt erop gewezen dat Allāhu (تعالى) Degene is Die de duʿāʾ verhoort.

“Voorwaar, mijn Rab is de Verhoorder van de duʿāʾ.” (Ibrāhīm, 14/39)

“Daar smeekte Zakariyyā zijn Rab: ‘Mijn Rab! Schenk mij van Uw zijde een goede nakomeling. Voorwaar, U bent de Verhoorder van de duʿāʾ.” (Āl ʿImrān, 3/38)

“Vraag Hem om vergeving en toon daarna berouw tegenover Hem. Voorwaar, mijn Rab is nabij en verhoort de duʿāʾ.” (Hūd, 11/61)

Uit deze āyāt blijkt dat Allāhu (تعالى) “qarīb” (nabij aan Zijn dienaren), “samīʿ ad-duʿāʾ” (de Verhoorder van de duʿāʾ) en “mujīb” (Degene Die de duʿāʾ aanvaardt) is.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft eveneens met de volgende ḥadīth verklaard dat Allāhu (تعالى) de duʿāʾ aanvaardt:

“Allāhu (تعالى) is ḥayiy en karīm (zeer edelmoedig).

Wanneer een mens beide handen naar Hem opheft en Hem aanroept, schaamt Hij Zich om die beide handen leeg terug te sturen.” (at-Tirmidhī, Daʿawāt, 118; zie ook Ibn Ḥibbān, Adʿiyah, nr. 876; al-Ḥākim, Daʿawāt, I, 497)

Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) Abū Umāmah (رضي الله عنه), een van de moslims van Madīnah, verdrietig in de moskee zag zitten, vroeg hij hem: “Waarom zit je in de moskee terwijl het geen tijd is voor de ṣalāh?”

Hij antwoordde: “Ik ben hier vanwege mijn zorgen en schulden, o Rasûlullāh!”

Daarop zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Zal ik je een duʿāʾ leren waarmee Allāhu (تعالى) je zorgen en schulden zal wegnemen wanneer je deze uitspreekt?”

Hij antwoordde: “Ja, leer het mij, o Rasûlullāh!”

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) leerde hem vervolgens de volgende duʿāʾ en adviseerde hem deze 's avonds en 's morgens te reciteren:

“O Allāh! Ik zoek mijn toevlucht bij U tegen zorgen en verdriet. Ik zoek mijn toevlucht bij U tegen onvermogen en luiheid. Ik zoek mijn toevlucht bij U tegen lafheid en gierigheid. Ik zoek mijn toevlucht bij U tegen het bezwijken onder schulden en tegen de overheersing van de mensen.”

Hij zei: “Ik reciteerde de duʿāʾ die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) mij had geleerd, en Allāhu (تعالى) nam mijn zorgen en schulden weg.” (Abū Dāwūd, Ṣalāh, 367)

Hoe kunnen schulden uitsluitend door een duʿāʾ die met woorden wordt verricht, zonder inspanning te leveren, worden afbetaald? Dat in de zinnen van de duʿāʾ die aan de ṣaḥābī werd geleerd, de woorden “Ik zoek mijn toevlucht bij Allāh tegen onvermogen en luiheid” voorkomen, bevat een boodschap.

Met deze boodschap wordt bedoeld: “O Abū Umāmah! Je zorgen en de schulden die de oorzaak van je zorgen zijn, verdwijnen niet door simpelweg te blijven zitten, zelfs niet in de moskee. Laat onvermogen en luiheid achter je, werk, vraag Allāhu (تعالى) om hulp in deze kwestie, kom in beweging en zoek naar manieren om je schulden af te betalen. Door in de moskee te blijven zitten wachten, zullen noch je zorgen, noch je schulden verdwijnen.”

Omdat de duʿāʾ een vorm van aanbidding en dhikr is, heeft degene die duʿāʾ verricht zeker het goddelijke bevel opgevolgd, gehoorzaamd en beloning verdiend. Wat een dienaar in deze wereld vraagt, kan Allāhu (تعالى), afhankelijk van wat in het belang van de dienaar is, onmiddellijk geven of pas na enige tijd geven, of de tegenprestatie voor zijn duʿāʾ voor het Hiernamaals bewaren. Daarom moet iemand wiens verzoeken met betrekking tot het wereldse leven niet worden vervuld, niet zeggen: “Mijn duʿāʾ is niet aanvaard.”

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft ons meegedeeld dat Allāhu (تعالى) degene die duʿāʾ verricht, óf zijn verzoek onmiddellijk in deze wereld geeft, óf het voor het Hiernamaals bewaart, óf een hoeveelheid kwaad van hem wegneemt die gelijk is aan de goedheid waarom hij heeft gevraagd:

“Er is geen mens die Allāh aanroept zonder dat zijn duʿāʾ wordt aanvaard. Zolang hij geen zonde begaat, de familiebanden niet verbreekt en niet ongeduldig is met zijn verzoek, geeft Allāhu (تعالى) hem óf onmiddellijk in deze wereld wat hij vraagt, óf bewaart Hij zijn verzoek voor het Hiernamaals, óf vergeeft Hij hem zonden in verhouding tot zijn duʿāʾ.”

De ṣaḥābah vroegen: “O Rasûlullāh! Hoe wordt men ongeduldig?”

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Dat de dienaar zegt: ‘Ik heb mijn Rab aangeroepen, maar Hij heeft mijn duʿāʾ niet verhoord.” (at-Tirmidhī, Daʿawāt, 13; zie ook Muslim, Duʿāʾ, 92)

In de overlevering van dezelfde ḥadīth in al-Ḥākims werk al-Mustadrak wordt als derde mogelijkheid genoemd:

“Of Hij weert een kwaad van hem af in verhouding tot zijn duʿāʾ.” (al-Ḥākim, Daʿawāt, I, 493)

We kunnen de aanvaarde duʿāʾ onderverdelen in drie categorieën:

De deuʿāʾ die door bepaalde mensen wordt verricht;

D duʿāʾ die op bepaalde tijden wordt verricht;

De duʿāʾ die op bepaalde plaatsen wordt verricht.

Degenen wier duʿāʾ wordt aanvaard

In de Qur’ān en in de ḥadīth zijn ons voorbeelden gegeven van mensen wier duʿāʾ werd aanvaard. Enkele daarvan kunnen als volgt worden opgesomd:

a) De duʿāʾ van ʿImrān, de vader van Maryam (عليها السلام)

ʿImrān verrichtte voor zijn dochter Maryam (عليها السلام) de volgende duʿāʾ:

“Ik vertrouw haar en haar nakomelingen aan U toe en vraag U hen te beschermen tegen het kwaad van de vervloekte shayṭān.” (Āl ʿImrān, 3/36)

Allāhu (تعالى) vermeldt dat Hij de duʿāʾ van ʿImrān heeft aanvaard:

“Daarop aanvaardde haar Rab haar met een goede aanvaarding, liet haar opgroeien als een mooie plant en vertrouwde Zakariyyā de zorg voor haar toe.” (Āl ʿImrān, 3/37)

b) De duʿāʾ van de Nabie Ayyūb (عليه السلام)

Van Ayyūb (عليه السلام) wordt overgeleverd dat hij Allāhu (تعالى) om genezing van zijn ziekte en verlichting van zijn moeilijkheden als volgt duʿāʾ verrichtte:

“En gedenk Ayyūb, toen hij zijn Rab aanriep: ‘Voorwaar, het kwaad heeft mij getroffen en U bent de Mee st Barmhartige van de barmhartigen.” (al-Anbiyāʾ, 21/83)

“En gedenk Onze dienaar Ayyūb, toen hij zijn Rab aanriep: ‘De shayṭān heeft mij met vermoeidheid en kwelling getroffen.” (Ṣād, 38/41)

Als antwoord op de duʿāʾ van an-Nabie Ayyūb (عليه السلام) zei Allāhu (تعالى), met het oog op zijn genezing:

“Stamp met je voet. Dit is koel water om je mee te wassen en waarvan je kunt drinken.” (Ṣād, 38/42)

Ayyūb (عليه السلام) stampte daarop met zijn voet op de grond, waste zich met het water dat tevoorschijn kwam en dronk ervan. Vervolgens werd hij van al zijn inwendige en uitwendige ziekten genezen.

Allāhu (تعالى) vermeldt dat Hij de duʿāʾ van Ayyūb heeft aanvaard:

“Wij verhoorden daarop zijn duʿāʾ en namen de moeilijkheid die hem had getroffen van hem weg. Wij schonken hem zijn familie terug en bovendien nog eens zoveel, als een barmhartigheid van Ons en als een herinnering voor degenen die Ons aanbidden.” (al-Anbiyāʾ, 21/84)

c) De duʿāʾ van an-Nabie Yūnus (عليه السلام)

An-Nabie Yūnus (عليه السلام) verrichtte in de buik van de vis de volgende duʿāʾ:

“En gedenk Dhū’n-Nūn (Yūnus, de zoon van Mattā, die door de vis was opgeslokt), toen hij vertrok, terwijl hij vertoornd was op zijn volk en dacht dat Wij hem niet in moeilijkheden zouden brengen. Uiteindelijk riep hij vanuit de duisternissen: ‘Er is geen godheid dan U. Verheven bent U. Voorwaar, ik behoorde tot de onrechtvaardigen.” (al-Anbiyāʾ, 21/87)

Allāhu (تعالى) vermeldt dat Hij de duʿāʾ van an-Nabie Yūnus (عليه السلام) heeft aanvaard:

“Wij verhoorden daarop zijn duʿāʾ en redden hem van zijn verdriet. Zo redden Wij de mu'mins.” (al-Anbiyāʾ, 21/88)

In deze āyāt wordt benadrukt dat men voor het herstel van iedere lichamelijke en geestelijke ziekte gebruik dient te maken van behandelingsmogelijkheden en dat Allāhu (تعالى) Degene is Die de genezing schenkt.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft met betrekking tot de duʿāʾ van an-Nabie Yūnus (عليه السلام) gezegd:

“De duʿāʾ die de metgezel van de vis (an-Nabie Yūnus) in de buik van de vis verrichtte, was: ‘Lā ilāha illā anta subḥānaka innī kuntu mina’ẓ-ẓālimīn’ (‘O mijn Rab! Er is geen godheid dan U. U bent vrij van alle tekortkomingen. Voorwaar, ik behoorde tot de onrechtvaardigen.’). Geen enkele moslim verricht deze duʿāʾ met deze woorden zonder dat Allāhu (تعالى) zijn duʿāʾ aanvaardt.” (at-Tirmidhī, Daʿawāt, 85; zie ook al-Ḥākim, Daʿawāt, I, 505)

d) De duʿāʾ van an-Nabie Zakariyyā (عليه السلام)

Zakariyyā (عليه السلام) verrichtte duʿāʾ tot Allāhu (تعالى) en vroeg Hem hem een kind te schenken:

“En gedenk Zakariyyā, toen hij zijn Rab aanriep: ‘Mijn Rab! Laat mij niet alleen en kinderloos achter. U bent de Beste van de erfgenamen”. (al-Anbiyāʾ, 21/89)

Allāhu (تعالى) vermeldt dat Hij de duʿāʾ van an-Nabie Zakariyyā (عليه السلام) heeft aanvaard:

“Wij verhoorden zijn duʿāʾ en schonken hem Yaḥyā en maakten zijn echtgenote geschikt voor hem. Voorwaar, zij haastten zich naar goede daden, riepen Ons aan in hoop en vrees en waren diep eerbiedig tegenover Ons.” (al-Anbiyāʾ, 21/90)

e) De duʿāʾ van an-Nabie Sulaymān (عليه السلام)

Sulaymān (عليه السلام) vroeg Allāhu (تعالى) om een koninkrijk:

“Hij zei: ‘Mijn Rab! Vergeef mij en schenk mij een koninkrijk dat na mij aan niemand anders toekomt. Voorwaar, U bent de Grootste Schenker.” (Ṣād, 38/35)

Allāhu (تعالى) aanvaardde zijn duʿāʾ:

“Daarop stelden Wij de wind tot zijn beschikking, die op zijn bevel gemakkelijk ging waarheen hij wilde, en ook de shayāṭīn die gebouwen bouwden en doken, en anderen die met ketenen vastgebonden waren, stelden Wij tot zijn beschikking.” (Ṣād, 38/36–38)

In de vijf genoemde voorbeelden wordt aan de mu'mins als leiding en onderricht meegegeven dat de anbiyā, die als leiders en gidsen naar de mensen waren gezonden, in verschillende zaken duʿāʾ verrichtten en dat hun duʿāʾ werd aanvaard. Dit dient als een les voor de mensen.

De duʿāʾ van mu'mins die, net als de anbiyā, met ikhlāṣ en overeenkomstig de voorschriften en voorwaarden duʿāʾ verrichten, wordt eveneens aanvaard.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft ons meegedeeld dat de duʿāʾ van bepaalde mensen, met name vanwege de tijd, hun positie of hun omstandigheden, wordt aanvaard. Een deel daarvan kan als volgt worden samengevat:

f) De duʿāʾ van de vastende, de rechtvaardige leider en de maẓlūm

“De duʿāʾ van drie personen wordt niet afgewezen: de duʿāʾ van de vastende totdat hij zijn vasten verbreekt, de duʿāʾ van de rechtvaardige leider en de duʿāʾ van de maẓlūm (slachtoffer van onrecht). Allāhu (تعالى) verheft de duʿāʾ van de maẓlūm tot boven de wolken, opent voor deze duʿāʾ de deuren van de hemel en zegt: ‘Bij Mijn macht (zweer Ik) dat Ik jou zeker zal helpen, al is het maar na verloop van enige tijd.” (at-Tirmidhī, Daʿawāt, 115, 129; Ibn Mājah, Ṣiyām, 48; zie ook Ibn Ḥibbān, Adʿiyah, 17, nr. 17228)

Vasten is een aanbidding waarin geen riyaʾ (handelen uit huichelarij/om gezien te worden) is vermengd. Degene die vast, vast uitsluitend omwille van Allāhu (تعالى). Daarom aanvaardt Allāhu (تعالى) de duʿāʾ van degene die vast.

Een leider of bestuurder zijn en rechtvaardig kunnen handelen tegenover degenen over wie men leiding geeft en tegenover het volk, is een verdienste en getuigt van eerlijkheid. Allāhu (تعالى) benadrukt het belang van rechtvaardigheid door mee te delen dat Hij de duʿāʾ van zulke mensen zal aanvaarden.

De maẓlūm is iemand die schade heeft geleden en wiens hart is gebroken. Daarom verricht hij oprecht duʿāʾ tegen degene die hem onrecht heeft aangedaan. Allāhu (تعالى) staat aan de zijde van de maẓlūm en niet aan die van de zālim. Daarom aanvaardt Hij de duʿāʾ van de maẓlūm en neemt Hij voor hem wraak op de zālim.

g) De duʿāʾ van de reiziger en de duʿāʾ van ouders voor hun kinderen

“Zonder enige twijfel wordt de duʿāʾ van drie personen aanvaard: de duʿāʾ van ouders voor hun kinderen, de duʿāʾ van de reiziger en de duʿāʾ van degene die onrecht is aangedaan.” (Abū Dāwūd, Ṣalāh, 364; at-Tirmidhī, Daʿawāt, 48; zie ook al-Haythamī, Adʿiyah, 17, nr. 17229)

Onze dīn heeft de reiziger bepaalde versoepelingen toegekend met betrekking tot de aanbidding. Zo mag hij bijvoorbeeld, als hij dat wenst, het vasten tijdens Ramaḍān achterwege laten, op voorwaarde dat hij dit later inhaalt. Ook verricht hij de ṣalāh van vier rakʿāt als twee rakʿāt en mag hij gedurende tweeënzeventig uur over de khuffayn (ledere sokken) strijken. Deze versoepelingen geven aan welke waarde aan de reiziger wordt toegekend. Ook daarom wordt zijn duʿāʾ aanvaard.

Ouders zijn de reden dat hun kinderen ter wereld zijn gekomen. Zij hebben zich allerlei inspanningen getroost en allerlei moeilijkheden doorstaan om hun kinderen groot te brengen. Hun kinderen zijn hun veel verschuldigd. Om die reden wordt de duʿāʾ die zij voor hun kinderen verrichten, niet afgewezen.

h) De duʿāʾ die mu'mins voor elkaar verrichten in elkaars aanwezigheid en bij afwezigheid

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft in de volgende ḥadīth meegedeeld dat de duʿāʾ die een mu'min voor zijn mu'min-broeder bij diens afwezigheid verricht, een van de snelst aanvaarde duʿāʾ is:

“Voorwaar, de duʿāʾ die het snelst wordt aanvaard, is de duʿāʾ die een mu'min voor een andere mu'min bij diens afwezigheid verricht.” (Abū Dāwūd, Ṣalāh, 364; al-Bukhārī, al-Adab al-Mufrad, nr. 623)

“Er zijn twee ad`iyah waar tussen hen en Allāhu (تعالى) geen sluier is: de duʿāʾ van de maẓlūm en de duʿāʾ die iemand voor zijn moslimbroeder bij diens afwezigheid verricht.” (al-Haythamī, Adʿiyah, 17, nr. 17231)

“Wanneer iemand duʿāʾ voor zijn broeder verricht bij diens afwezigheid, zeggen de engelen: ‘Āmīn, en moge jou hetzelfde worden geschonken.” (Abū Dāwūd, Ṣalāh, 362)

“Er zijn geen twee moslims die elkaar ontmoeten en elkaar de hand schudden zonder dat Allāhu (تعالى) hun duʿāʾ aanvaardt en hun beiden vergeeft voordat zij hun handen loslaten.” (Abū Yaʿlā, Dhikr wa Duʿāʾ, nr. 4139)

“Allāhu (تعالى) helpt de moslims vanwege de duʿāʾ van de zwakken.” (aṭ-Ṭabarānī, nr. 4160)

Deze aḥadīth moedigen mu'mins aan om zowel in elkaars aanwezigheid als bij elkaars afwezigheid duʿāʾ voor elkaar te verrichten en delen tevens mee dat deze ad`iyah worden aanvaard.

i) De duʿāʾ die wordt verricht met al-Ism al-Aʿẓam

“Ism al-Aʿẓam” betekent “de meest verheven Naam van Allāhu (تعالى) ”. In de ḥadīth-verzamelingen worden verschillende Namen van Allāhu (تعالى) genoemd met betrekking tot al-Ism al-Aʿẓam. Twee overleveringen daarvan zijn als volgt:

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Op een dag ging an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de moskee binnen. Een ṣaḥābī was de ṣalāh aan het verrichten. Na de ṣalāh begon deze ṣaḥābī duʿāʾ te verrichten en zei:

“O Allāh! Alle lofprijzing behoort U toe.

Er is geen godheid dan U. U bent al-Mannān, de Schenker van overvloedige gunsten; U bent Degene Die de hemelen en de aarde heeft doen bestaan terwijl zij er niet waren; U bent de Bezitter van majesteit en edelmoedigheid. O Levende, Eeuwig Levende, Onsterfelijke, de Eeuwige, Die zelfstandig bestaat en van Wie het bestaan van alles afhankelijk is, Die niet door slaap of sluimering wordt overvallen, Die de schepping bestuurt, beschermt en in haar behoeften voorziet! Met deze woorden verricht ik duʿāʾ tot U en vraag ik U om wat ik nodig heb.”

Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deze duʿāʾ hoorde, zei hij:

“Deze persoon heeft duʿāʾ verricht met de Ism al-Aʿẓam van Allāh. Wanneer met de Ism al-Aʿẓam duʿāʾ wordt verricht, aanvaardt Allāhu (تعالى) deze duʿāʾ en wanneer Hem met deze Naam iets wordt gevraagd, geeft Hij het.” (al-Ḥākim, Daʿawāt, I, 504; Abū Yaʿlā, Dhikr wa Duʿāʾ, nr. 1124)

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hoorde een man de volgende duʿāʾ verrichten:

“O Allāh! Alle lofprijzing behoort U toe. Er is geen godheid dan U. U alleen bent er. U bent al-Mannān, de Schenker van overvloedige gunsten. U bent de Schepper van de hemelen en de aarde, de Bezitter van majesteit en edelmoedigheid. Met Uw Namen en Eigenschappen vraag ik U. Ik vraag U om de Jannah en zoek mijn toevlucht bij U tegen de Jahannam.”

Daarop zei hij:

“Deze man heeft Allāhu (تعالى) iets gevraagd met Zijn meest verheven Naam. Wanneer Allāh met Zijn Ism al-Aʿẓam wordt aangeroepen, aanvaardt Hij de duʿāʾ, en wanneer Hem met deze Naam iets wordt gevraagd, geeft Hij het.” (al-Ḥākim, Daʿawāt, I, 504; Ibn Mājah, Duʿāʾ, 9)

In de ḥadīth worden meerdere Namen van Allāhu (تعالى) als Zijn Ism al-Aʿẓam genoemd. Bovenaan deze namen staat al-Lafẓ al-Jalālah (Allāh), gevolgd door ar-Raḥmān, ar-Raḥīm, Rab, al-Mannān, al-Aḥad, aṣ-Ṣamad, al-Ḥay, al-Qayyūm, Mālik al-Mulk, Badīʿ as-Samāwāti wa’l-Arḍ, Dhū’l-Jalāli wa’l-Ikrām, lā ilāha illā Allāh. (Zie Muslim, Ṣalāt al-Musāfirīn, 258; at-Tirmidhī, Daʿawāt, 65; Ibn Mājah, Duʿāʾ, 9; ad-Dārimī, Faḍāʾil al-Qurʾān, 14; Aḥmad, III, 120; VI, 461)

j) De duʿāʾ van degenen die Haj en ʿUmrah verrichten

“Degenen die Haj en ʿUmrah verrichten, zijn de bezoekers en gezanten van Allāhu (تعالى) (Huis). Wanneer zij Hem aanroepen, verhoort Hij hun duʿāʾ, en wanneer zij Hem om vergeving vragen, vergeeft Hij hen.” (Ibn Mājah, Manāsik, 5)

“Wie Haj verricht (omwille van Allāh) en zich daarbij onthoudt van onfatsoenlijke woorden en daden en ongehoorzaamheid aan Allāhu (تعالى), keert terug van zijn Haj zoals op de dag waarop zijn moeder hem ter wereld bracht (vrij van zonden).” (al-Bukhārī, Haj, 4; an-Nasāʾī, Manāsik al-Haj, 4; Muslim, Haj, 438; Ibn Mājah, Manāsik, 1)

In deze ḥadīth deelt an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) mee dat Allāhu (تعالى) de duʿāʾ van degenen die Haj en ʿUmrah verrichten, aanvaardt. Haj en ʿUmrah zijn aanbiddingen die veel inspanning vereisen. Het verdragen van moeilijkheden vanwege de hitte en de drukte, uitsluitend omwille van Allāhu (تعالى), is een vereiste van oprechtheid.

Bovendien verrichten degenen die Haj en ʿUmrah verrichten duʿāʾ op heilige plaatsen zoals al-Masjid al-Ḥarām, de Kaʿbah, Minā, Muzdalifah en ʿArafāt. Allāhu (تعالى) aanvaardt hun duʿāʾ.

k) De duʿāʾ van de ghāzīs die zich inzetten voor de zaak van Allāhu (تعالى)

“De ghāzīs (strijders die deelnemen aan een militaire expeditie in het kader van de jihad) die zich inzetten op de weg van Allāhu (تعالى), degenen die Haj en ʿUmrah verrichten, zijn de gezanten van Allāhu (تعالى). Wanneer zij Hem aanroepen, verhoort Hij hun duʿāʾ, en wanneer zij Hem om iets vragen, geeft Hij het hun.” (Ibn Mājah, Manāsik, 5)

De moslim die zich inzet voor de dīn al-mubīn (de duidelijke en heldere godsdienst), al zijn lichamelijke en materiële middelen voor Allāhu (تعالى) beschikbaar stelt, indien nodig zonder slaap en voedsel blijft en de vijand bestrijdt: wanneer hij zich in deze positie tot Allāhu (تعالى) richt met een duʿāʾ, wordt zijn duʿāʾ aanvaard.

Iedere moslim heeft een duʿāʾ die wordt aanvaard. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd:

“Iedere moslim heeft een duʿāʾ die wordt aanvaard.” (al-Haythamī, Adʿiyah, 10, nr. 17215)

Duʿāʾ die op bepaalde tijden wordt verricht

Een moslim kan altijd duʿāʾ verrichten. Er zijn echter ḥadīth waarin wordt vermeld dat duʿāʾ die in bepaalde maanden, dagen en nachten wordt verricht, bijvoorbeeld tijdens de drie heilige maanden, in het bijzonder in de maand Ramaḍān, tijdens Laylat al-Qadr, Laylat al-Barāʾah, Laylat al-Miʿrāj, Laylat ar-Raghāʾib, op vrijdag en in de nachten van de ʿĪd, tijdens de tijd van saḥar, in sujūd, tussen de adhān en de iqāmah en na de ṣalāh, wordt aanvaard. De tijden waarop duʿāʾ wordt aanvaard, kunnen als volgt worden samengevat:

a) Duʿāʾ die tijdens de drie heilige maanden wordt verricht

De drie heilige maanden zijn Rajab, Shaʿbān en Ramaḍān. Rajab en Shaʿbān zijn de maanden van voorbereiding op de maand Ramaḍān, de maand van raḥmah en maghfirah, waarin Laylat al-Qadr valt die beter is dan duizend maanden, waarin de Qurʾān werd neergezonden en waarin de aanbidding van het vasten wordt verricht, een van de vijf fundamentele zuilen van de Islām.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vastte in deze maanden meer dan in andere maanden. Soms vastte hij de gehele maand Shaʿbān. (at-Tirmidhī, Ṣawm, 36) Hij zei ook:

“Wanneer het de helft van de maand Shaʿbān is, daalt Allāhu (تعالى) af naar de hemel van deze wereld en vergeeft Hij meer mensen dan het aantal haren van de schapen van de stam Kalb.” (at-Tirmidhī, Ṣawm, 38)

Het neerdalen van Allāhu (تعالى) naar de hemel van deze wereld heeft hier een metaforische betekenis, namelijk dat Hij duʿāʾ aanvaardt en zonden vergeeft. De uitdrukking “de haren van de schapen van de stam Kalb” is een beeldspraak voor een zeer groot aantal. De ḥadīth maakt duidelijk dat Allāhu (تعالى) in de maand Shaʿbān de tawbah en duʿāʾ van de mu'mins aanvaardt.

De maand Ramaḍān is de maand van raḥmah en maghfirah, de maand van vasten, de maand van de Qurʾān en de maand van sociale hulp en solidariteit. In deze maand nemen godsdienstige gevoelens toe, wenden mensen zich meer tot Allāhu (تعالى) en worden de verrichte ad`iyah aanvaard.

b) Duʿāʾ die bij het verbreken van het vasten wordt verricht

“De duʿāʾ die de vastende verricht bij het verbreken van zijn vasten, wordt niet afgewezen.” (Ibn Mājah, Ṣiyām, 48)

Deze ḥadīth geeft de verheugende boodschap dat de duʿāʾ van de dienaar wordt aanvaard op het moment waarop een aanbidding die met ikhlāṣ is verricht, wordt afgesloten. Daarom wordt het verrichten van duʿāʾ bij het verbreken van het vasten aangemoedigd. ʿAbdullāh ibn ʿAmr (رضي الله عنهما) verrichtte bij het verbreken van zijn vasten de volgende duʿāʾ:

“O Allāh! Ik vraag U, op grond van Uw allesomvattende raḥmah, mij te vergeven.” (Ibn Mājah, Ṣiyām, 48)

c) Duʿāʾ die op vrijdag en in de vrijdagnacht wordt verricht

“Op vrijdag is er een uur waarin, wanneer een moslim op dat moment in de ṣalāh Allāhu (تعالى) om iets goeds vraagt, Allāhu (تعالى) hem geeft wat hij vraagt.” (al-Bukhārī, Daʿawāt, 61)

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei tegen ʿAlī (رضي الله عنه):

“Wanneer het de vrijdagnacht is en je in staat bent om in het laatste derde deel van de nacht op te staan, sta dan op en verricht duʿāʾ. Dat is namelijk een tijd die door de engelen wordt bijgewoond. De duʿāʾ die op dat moment wordt verricht, wordt aanvaard.” (Abū Dāwūd, Duʿāʾ, 115)

“Een van de meest voortreffelijke dagen is vrijdag.”

Hij heeft tevens gevraagd om op deze dag veelvuldig salāt en salām over hem uit te spreken. (Ibn Ḥibbān, Adʿiyah, nr. 910)

d) Duʿāʾ die op de Dag van ʿArafah wordt verricht

“De beste duʿāʾ is de duʿāʾ die op de Dag van ʿArafah wordt verricht.” (at-Tirmidhī, Duʿāʾ, 8; Mālik, Duʿāʾ, nr. 500)

d) Duʿāʾ die 's nachts wordt verricht

De volgende ḥadīth geven aan dat duʿāʾ die 's nachts wordt verricht, wordt aanvaard:

“Er is 's nachts een moment waarop, wanneer iemand dat moment treft en iets vraagt voor deze wereld of het Hiernamaals, Allāhu (تعالى) zijn wens zeker vervult. Dit moment is iedere nacht aanwezig.” (Muslim, Ṣalāt al-Musāfirīn, 166)

“Onze Rab daalt iedere nacht af naar de dichtstbijzijnde hemel en blijft daar totdat het laatste derde deel van de nacht overblijft. Dan zegt Hij: ‘Wie verricht duʿāʾ tot Mij? Ik zal hem verhoren. Wie vraagt Mij om iets? Ik zal hem geven wat hij vraagt. Wie vraagt Mij om vergeving? Ik zal hem vergeven.” (al-Bukhārī, Daʿawāt, 13; Ibn Ḥibbān, Adʿiyah, nr. 919–922)

In een andere versie van deze ḥadīth wordt vermeld dat deze toestand voortduurt vanaf de helft of het laatste derde deel van de nacht tot aan de ochtend. (Ibn Ḥibbān, Adʿiyah, nr. 919, 921)

Het neerdalen van Allāhu (تعالى) naar de hemel van deze wereld heeft hier een metaforische betekenis en duidt erop dat de duʿāʾ op deze momenten wordt aanvaard. Allāhu (تعالى) is immers verheven boven tijd en plaats.

“Wanneer iemand 's nachts wakker wordt en zegt: ‘Er is geen godheid dan Allāh. Hij is de Enige en heeft geen deelgenoot. Aan Hem behoort het koninkrijk en aan Hem behoort alle lof. Hij is tot alles in staat. Ik verklaar Allāh vrij van alle tekortkomingen. Alle lof behoort aan Allāh. Er is geen godheid dan Allāh. Allāh is de Grootste. Er is geen macht en kracht behalve door Allāh’, en vervolgens duʿāʾ verricht met: ‘Mijn Rab!

Vergeef mij’ — of daarna duʿāʾ verricht —, wordt zijn duʿāʾ aanvaard. Wanneer hij vervolgens vastbesloten wuḍūʾ verricht en de ṣalāh verricht, wordt zijn ṣalāh aanvaard.” (at-Tirmidhī, Daʿawāt, 26)

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft meegedeeld dat duʿāʾ die 's nachts wordt verricht, voortreffelijker is:

“De duʿāʾ die aan het einde van de nacht wordt verricht, is voortreffelijker en er is meer hoop dat deze wordt aanvaard.” (at-Tirmidhī, Daʿawāt, 80)

“Iedere nacht roept een omroeper: ‘Is er iemand die duʿāʾ verricht? Zijn duʿāʾ zal worden aanvaard. Is er iemand die vraagt? Hem zal worden gegeven wat hij vraagt. Is er iemand die om vergeving en maghfirah vraagt? Zijn zonde zal worden vergeven.” (al-Haythamī, Adʿiyah, 25, nr. 17244)

Er zijn overleveringen over het feit dat duʿāʾ die gedurende de nacht, vanaf de avond tot de tijd van de ṣalāh van al-Fajr, wordt verricht, wordt aanvaard. (al-Haythamī, Adʿiyah, 25, nr. 17243–17253)

Duʿāʾ die in het midden en gedurende twee derde van de nacht wordt verricht, wordt in grotere mate aanvaard. (al-Haythamī, Adʿiyah, 25, nr. 17252)

Duʿāʾ die 's nachts wordt verricht, wordt aanvaard omdat deze met oprechtheid en vanuit het hart wordt verricht.

e) Duʿāʾ wanneer de adhān en iqāmah wordt uitgesproken

“Wanneer de adhān voor de ṣalāh wordt uitgesproken, worden de deuren van de hemel geopend en worden de verrichte ad`iyah aanvaard.” (Abū Yaʿlā, Dhikr wa Duʿāʾ, nr. 4072)

“Wanneer de adhān wordt uitgesproken, worden de deuren van de hemel geopend en worden de ad`iyah aanvaard.

Wanneer de iqāmah wordt verricht, wordt de duʿāʾ niet afgewezen.” (Ibn Abī Shaybah, Duʿāʾ, 17, nr. 29239)

f) Duʿāʾ tussen de adhān en de iqāmah

“De duʿāʾ die tussen de adhān en de iqāmah wordt verricht, wordt niet afgewezen.”

Daarop vroegen de ṣaḥābah: “O Rasûlullāh! Welke duʿāʾ moeten wij verrichten?”

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Vraag Allāhu (تعالى) om ʿāfiyah / gezondheid in deze wereld en in het Hiernamaals.” (at-Tirmidhī, Daʿawāt, 129; zie ook Abū Dāwūd, Ṣalāh, 35)

g) Duʿāʾ tijdens de ṣalāh, in sujūd en na de verplichte ṣalāh

“Het moment waarop de dienaar het dichtst bij zijn Rab is, is wanneer hij in sujūd is. Verricht daarom overvloedig duʿāʾ tijdens sujūd.” (Muslim, Ṣalāh, 215; Abū Dāwūd, Ṣalāh, 152)

Op de vraag: “Welke duʿāʾ wordt het meest waarschijnlijk aanvaard?”, antwoordde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “De duʿāʾ die in de tweede helft van de nacht en de duʿāʾ die na de verplichte ṣalāh wordt verricht.” (at-Tirmidhī, Daʿawāt, 80)

h) Duʿāʾ tijdens regen en bij het zien van de Kaʿbah

“Op vier plaatsen worden de deuren van de hemel geopend en worden de ad`iyah aanvaard: wanneer men zich in rijen opstelt om te strijden op de weg van Allāhu (تعالى), tijdens regen, tijdens de ṣalāh en bij het zien van de Kaʿbah.” (al-Haythamī, Adʿiyah, 25, nr. 17253)

i) Duʿāʾ die wordt verricht met de duʿāʾ van an-Nabie Yūnus (عليه السلام)

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft met betrekking tot de duʿāʾ die an-Nabie Yūnus (عليه السلام) in de buik van de vis verrichtte, gezegd:

“De duʿāʾ van de metgezel van de vis (Yūnus) in de buik van de vis was: ‘Lā ilāha illā anta subḥānaka innī kuntu mina’ẓ-ẓālimīn’ (‘O Allāh! Er is geen godheid dan U. Ik verklaar U vrij van alle tekortkomingen. Voorwaar, ik behoorde tot de onrechtvaardigen.’). Geen enkele moslim verricht duʿāʾ met deze duʿāʾ zonder dat Allāhu (تعالى) zijn verzoek vanwege deze duʿāʾ aanvaardt.” (al-Ḥākim, Daʿawāt, nr. 1862–1863)

(An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei:) “Zal ik jullie iets vertellen? Wanneer een van jullie door een moeilijkheid of een beproeving van de wereld wordt getroffen en hij met deze duʿāʾ duʿāʾ verricht, zullen die moeilijkheid en beproeving van hem worden weggenomen.”

Er werd tegen hem gezegd: “Ja, vertel het ons.”

Daarop zei hij: “Het is de duʿāʾ van Yūnus, de metgezel van de vis: ‘Lā ilāha illā anta subḥānaka innī kuntu mina’ẓ-ẓālimīn’ (‘O Allāh! Er is geen godheid dan U. Ik verklaar U vrij van alle tekortkomingen. Voorwaar, ik behoorde tot de onrechtvaardigen.’)” (al-Ḥākim, Daʿawāt, nr. 1864)

Duʿāʾ die op bepaalde plaatsen wordt verricht

Men kan thuis, op straat, op de weg, op het werk en op het land, kortom overal duʿāʾ verrichten, behalve op plaatsen die niet geschikt zijn voor aanbidding, zoals toiletten, en op plaatsen waar zonden worden begaan, zoals casino's en wijnhuizen. Duʿāʾ die echter wordt verricht in plaatsen van aanbidding, zoals moskeeën en de Kaʿbah, en op gezegende plaatsen zoals ʿArafāt en Muzdalifah, is voortreffelijker.

Zo heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) meegedeeld dat één rakʿah van de ṣalāh die in al-Masjid an-Nabawī in Madīnah wordt verricht, gelijkstaat aan duizend rakʿāt die in andere moskeeën buiten al-Masjid al-Ḥarām worden verricht. (an-Nasāʾī, Masājid, 4) Hij heeft ook meegedeeld dat de ṣalāh die in al-Masjid al-Ḥarām wordt verricht, honderdduizend keer meer beloning oplevert dan de ṣalāh die in andere moskeeën wordt verricht. (Ibn Mājah, Ṣalāh, 195)

Aangezien duʿāʾ eveneens een vorm van aanbidding is, zijn de ad`iyah die in al-Masjid al-Ḥarām en al-Masjid an-Nabawī worden verricht eveneens voortreffelijker en meer aanvaard.

C. Adʿiyah die niet worden aanvaard

Adʿiyah die mu'mins verrichten met inachtneming van de voorgeschreven wijze en etiquette, worden aanvaard. De adʿiyah van mensen die geen mu'mins zijn en de adʿiyah die niet volgens de voorgeschreven wijze en etiquette worden verricht, worden niet aanvaard. De adʿiyah die niet worden aanvaard, kunnen als volgt worden opgesomd:

De adʿiyah van kāfirs wordt niet aanvaard

De adʿiyah van mensen zonder īmān worden niet aanvaard, omdat duʿāʾ een vorm van aanbidding is en īmān een voorwaarde is voor de aanvaarding van aanbidding. (al-Māʾidah, 5/5; al-Bayyinah, 98/5) Aanbidding die zonder īmān wordt verricht, gaat verloren; daarom gaan ook dergelijke adʿiyah verloren en worden zij niet aanvaard. Dit wordt in de Qur’ān als volgt verwoord:

“De duʿāʾ van de kāfirs is slechts vergeefs.” (ar-Raʿd, 13/14; al-Muʾmin, 40/50)

Adʿiyah die in staat van onachtzaamheid worden verricht, worden niet aanvaard

Om aanvaard te worden, moet een duʿāʾ bewust en met volledige aandacht worden verricht. Duʿāʾ is immers een vorm van aanbidding; aanbidding wordt alleen aanvaard wanneer deze bewust en oprecht wordt verricht. Adʿiyah die onbewust en in staat van onachtzaamheid worden verricht, gaan verloren. De volgende ḥadīth maakt duidelijk dat adʿiyah die in staat van onachtzaamheid worden verricht, niet worden aanvaard:

“Weet dat Allāhu geen duʿāʾ aanvaardt die afkomstig is van een onachtzaam hart.” (at-Tirmidhī, ad-Daʿawāt, 66; zie ook al-Ḥākim, ad-Daʿawāt, nr. 1817, I, 493)

Adʿiyah die worden verricht terwijl men Allāhu (تعالى) ongehoorzaam is, worden niet aanvaard

Adʿiyah die worden verricht terwijl men Allāhu (تعالى) ongehoorzaam is, worden niet aanvaard. Zo worden adʿiyah die worden verricht terwijl men alcohol drinkt, gokt, roddelt, steelt of liegt, niet aanvaard.

Evenzo wordt de duʿāʾ van iemand die zich met ḥarām voedsel voedt, niet aanvaard. Ḥarām voedsel heeft een negatieve invloed op het geloof, de daden en het karakter van de mens, omdat iemand die zich met ḥarām voedsel voedt, in een toestand van ongehoorzaamheid aan Allāhu (تعالى) verkeert.

Enerzijds ongehoorzaam zijn aan Allāhu (تعالى) en anderzijds iets van Hem vragen, is een tegenstrijdige situatie. De volgende ḥadīth maakt deze werkelijkheid duidelijk:

“Hoe kan de duʿāʾ worden aanvaard van iemand die met verwarde haren en onder het stof zit, lange reizen heeft afgelegd, zijn handen naar de hemel heft en ‘O mijn Rab! O mijn Rab!’ smeekt, terwijl wat hij eet, wat hij drinkt en wat hij draagt ḥarām is en hij zich met ḥarām voedt?” (Muslim, az-Zakāh, 65)

Adʿiyah die voor kāfirs worden verricht worden niet aanvaard

Het volk van Nūḥ (عليه السلام) geloofde niet in hem; ook zijn vrouw en een van zijn zonen geloofden niet. Tijdens de overstroming luisterde zijn zoon niet naar de oproep van zijn vader, ging niet aan boord van de ark en zei dat hij naar een berg zou vluchten om daar te worden gered. (Hūd, 11/42–43) Desondanks smeekte Nūḥ (عليه السلام) Allāhu (تعالى) om zijn ongelovige zoon te redden:

“Nūḥ riep zijn Rab aan en zei: ‘Mijn Rab, mijn zoon behoort tot mijn familie. Uw belofte is waar en U bent de Beste van alle rechters!” (Hūd, 11/45)

Daarop sprak Allāhu (تعالى) Nūḥ (عليه السلام) als volgt toe:

“O Nūḥ, zei Hij, hij behoort niet tot jouw familie, want hij verrichtte geen rechtschapen daden. Vraag Mij niet om iets waarvan je geen kennis hebt. Ik vermaan je om niet tot de onwetenden te behoren!” (Hūd, 11/46)

Na deze waarschuwing verrichtte Nūḥ (عليه السلام) de volgende duʿāʾ:

“Nūḥ zei: ‘Mijn Rab! Ik zoek mijn toevlucht bij U tegen het vragen van iets waarvan ik geen kennis heb. Als U mij niet vergeeft en geen genade met mij heeft, zal ik tot de verliezers behoren.” (Hūd, 11/47)

Allāhu (تعالى) maakt in het volgende vers duidelijk dat Hij het vragen om vergeving dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) voor de munāfiqs verrichtte, niet zou aanvaarden:

“Vraag voor hen [de munāfiqs] om vergeving of vraag niet om vergeving. Zelfs als je zeventigmaal om vergeving voor hen vraagt, zal Allāh hen niet vergeven. Dat is omdat zij Allāh en Zijn Rasûl hebben ontkend. En Allāh leidt het opstandige volk niet naar het rechte pad.” (at-Tawbah, 9/80)

Adʿiyah waarin riyaʾ aanwezig is, worden niet aanvaard

Duʿāʾ moet vrij zijn van riyaʾ(handelen om door mensen gezien en geprezen te worden.) en vertoon en met ikhlāṣ (een daad uitsluitend omwille van Allāhu (تعالى) worden verricht. Om aanbidding aanvaard te laten worden, moet zij met ikhlāṣ worden verricht. Allāhu (تعالى) beveelt dat aanbidding met ikhlāṣ wordt verricht. (al-Aʿrāf, 7/29; al-Bayyinah, 98/5) Ikhlāṣ is een voorwaarde voor de aanvaarding van aanbidding.

Adʿiyah waarin shirk (het toekennen van deelgenoten aan Allāhu (تعالى) aanwezig is, worden niet aanvaard

Aanbidding dient uitsluitend voor Allāhu (تعالى) te worden verricht. Allāhu (تعالى) verlangt in talrijke āyāt dat duʿāʾ uitsluitend tot Hem wordt gericht en dat men naast Hem geen andere goden aanroept of aanbidt. Als voorbeelden kunnen de volgende āyāt worden genoemd:

“Roep naast Allāhu geen andere god aan. Er is geen godheid dan Hij. Alles zal vergaan behalve Hij. Het oordeel behoort aan Hem en tot Hem zullen jullie worden teruggebracht.” (al-Qaṣaṣ, 28/88)

“De masājid behoren aan Allāhu. Roep naast Allāhu niemand aan.” (al-Jinn, 72/18)

“Zeg: ‘Ik roep slechts mijn Rab aan en ik verbind niemand met Hem in aanbidding.” (al-Jinn, 72/20; zie ook al-Muʾminūn, 23/117)

In het eerste vers wordt bevolen geen andere goden aan te roepen; in het tweede wordt bevolen niemand naast Allāhu (تعالى) aan te roepen; en in het derde wordt bevolen uitsluitend tot Allāhu (تعالى) te bidden en niets met Hem te vereenzelvigen.

Adʿiyah om een zondige handeling te verrichten of een farḍ (verplichting) na te laten, worden niet aanvaard

Zoals adʿiyah die onrechtmatig zijn niet worden aanvaard, worden ook adʿiyah die worden verricht met de bedoeling een zonde te begaan of een farḍ na te laten, niet aanvaard. De volgende ḥadīth maakt dit duidelijk:

“De duʿāʾ van een moslim wordt aanvaard zolang hij niet vraagt om een daad van onrecht te verrichten, de familiebanden te verbreken of zegt: ‘Ik heb duʿāʾ verricht, maar deze is niet aanvaard.” (Abū Dāwūd, Dhikr wa Duʿāʾ, 132, nr. 2811)

VII. De verhouding tussen duʿāʾ en qadar (voorbeschikking)

Elk gebeuren dat in het universum zich voordoet, heeft noodzakelijkerwijs een oorzaak. Ook de handelingen van de mens voltrekken zich volgens een oorzaak-gevolgrelatie. Het is echter Allāhu (تعالى) Die zowel de oorzaak als het gevolg dat daaruit voortkomt, heeft geschapen.. Door middel van duʿāʾ kan de mens met betrekking tot zaken waarin hij een vrije wil heeft, invloed uitoefenen op zijn qadar. Duʿāʾ maakt daarom deel uit van de voorbeschikking (qadar). Zaken die in de eeuwigheid in verband met duʿāʾ zijn voorbeschikt, zullen eveneens door middel van duʿāʾ tot stand komen.

De wil van de dienaar is bepalend voor de wijze waarop zijn qadar zich manifesteert. Omdat Allāhu (تعالى) met Zijn eeuwige kennis weet welke duʿāʾ de dienaar zal verrichten, wordt diens qadar overeenkomstig daarmee bepaald. Duʿāʾ is derhalve, net als andere oorzaken, een oorzaak. Als Allāhu (تعالى) heeft gewild dat er als gevolg van een duʿāʾ een verandering plaatsvindt, komt deze verandering binnen de natuurlijke oorzaak-gevolgrelatie tot stand.

Met betrekking tot dit onderwerp heeft onze an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het volgende gezegd:

“Qadar wordt slechts door duʿāʾ tegengehouden.” (Ibn Ḥibbān, al-Adʿiyah, nr. 872; al-Ḥākim, ad-Daʿawāt, nr. 1814, I, 493)

“Duʿāʾ weert beproevingen/tegenspoeden af.” (as-Suyūṭī, I, 487)

“Duʿāʾ is van nut voor zowel de beproevingen en tegenslagen die iemand reeds zijn hebben getroffen eveneens tegen rampen en tegenspoed die hem nog niet hebben getroffen (maar hem zouden kunnen treffen). O dienaren van Allāhu (تعالى), ik raad jullie aan duʿāʾ te verrichten.” (al-Ḥākim, ad-Daʿawāt, nr. 1815, I, 493; at-Tirmidhī, ad-Daʿawāt, 102)

“Vlucht voor de voorbeschikking brengt de mens geen nut, maar de duʿāʾ is van nut tegen de tegenspoed die de mens reeds heeft getroffen en tegen de tegenspoed die hem nog niet heeft getroffen. Daarom, o dienaren van Allah, raad ik jullie aan om duʿāʾ te verrichten.” (al-Haythamī, al-Adʿiyah, 1, nr. 17191)

Het vermijden van de voorbeschikking brengt geen enkel nut.

De duʿāʾ is van nut tegen de tegenspoed die de mens reeds heeft getroffen en tegen de tegenspoed die hem nog niet heeft getroffen. Werkelijk, de duʿāʾ treedt de tegenspoed tegemoet, en de duʿāʾ en de tegenspoed blijven zich tegen elkaar verzetten tot aan de Dag der Opstanding. (al-Haythamī, al-Adʿiyah, 1, nr. 17192)

“Word niet zwak in het verrichten van duʿāʾ, want geen mens die duʿāʾ verricht, gaat ten onder.” (Ibn Ḥibbān, al-Adʿiyah, nr. 871; al-Ḥākim, ad-Daʿawāt, nr. 1818, I, 494)

Duʿāʾ is een vereiste van het dienaarschap. Duʿāʾ is dus geen handeling die bedoeld is om te voorkomen dat datgene wat Allāhu (تعالى) in de eeuwigheid heeft voorbeschikt, werkelijkheid wordt, of om ervoor te zorgen dat datgene wat Hij niet heeft voorbeschikt, toch gebeurt. Duʿāʾ betekent evenmin dat men Allāhu (تعالى) herinnert aan iets wat Hij niet zou weten. Duʿāʾ houdt slechts in dat de mens zijn dienaarschap toont en zijn onvermogen en behoefte aan Allāhu (تعالى) kenbaar maakt.

In dit verband kunnen ook de volgende āyāt worden genoemd:

“Als Allāh jou met een kwaad treft, dan is er niemand behalve Hij die het kan wegnemen; en als Hij jou met iets goeds treft, dan is er niemand die dat kan wegnemen. Waarlijk, Hij is tot alles in staat.” (al-Anʿām, 6/17; zie ook Yūnus, 10/107)

وَلَئِن سَأَلۡتَهُم مَّنۡ خَلَقَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضَ لَيَقُولُنَّ ٱللَّهُۚ قُلۡ أَفَرَءَيۡتُم مَّا تَدۡعُونَ مِن دُونِ ٱللَّهِ إِنۡ أَرَادَنِيَ ٱللَّهُ بِضُرٍّ هَلۡ هُنَّ كَٰشِفَٰتُ ضُرِّهِۦٓ أَوۡ أَرَادَنِي بِرَحۡمَةٍ هَلۡ هُنَّ مُمۡسِكَٰتُ رَحۡمَتِهِۦۚ قُلۡ حَسۡبِيَ ٱللَّهُۖ عَلَيۡهِ يَتَوَكَّلُ ٱلۡمُتَوَكِّلُونَ ٣٨

قُلۡ يَٰقَوۡمِ ٱعۡمَلُواْ عَلَىٰ مَكَانَتِكُمۡ إِنِّي عَٰمِلٞۖ فَسَوۡفَ تَعۡلَمُونَ ٣٩

En waarlijk, als jij hen vraagt: “Wie heeft de hemelen en de aarde geschapen?” Zullen zij zeker zeggen: “Allah” Zeg: “Zien jullie dan niet wat jullie buiten Allah aanbidden? Als Allah mij kwaad wil doen, kunnen zij Zijn kwaad dan verwijderen, of als Hij (Allah) Genade voor mij heeft, kunnen zij Zijn Genade dan tegenhouden?” Zeg: “Allah is voor mij voldoende, in Hem leggen degenen die vertrouwen hun vertrouwen.”

Zeg: “O mijn volk! Werk op jullie manier. Ik werk (op mijn manier). Spoedig zullen jullie het weten.” (az-Zumar, 39/38; zie ook al-Baqarah, 2/214; al-Isrāʾ, 17/67; Yā-Sīn, 36/23)

Allāhu (تعالى) is Degene Die zowel het goede als het kwade schept.

Wanneer Allāhu (تعالى) Zijn dienaar iets goeds wil schenken, kan niemand dat verhinderen; en wanneer Hij hem met een rampspoed/beproeving wil treffen, kan niemand dat verhinderen. Hij kan echter ook afzien van het treffen van de rampspoed die Hij van plan was te laten plaatsvinden, evenals Hij een rampspoed die reeds heeft plaatsgevonden, kan wegnemen.

De duʿāʾ van de dienaar tot Allāhu (تعالى) kan hierin een rol spelen. Allāhu (تعالى) kan de duʿāʾ van Zijn dienaar aanvaarden en daardoor een rampspoed/beproeving niet laten plaatsvinden, of een rampspoed/beproeving die reeds heeft plaatsgevonden, wegnemen. Ook kan Hij, door de duʿāʾ van Zijn dienaar, de weg vrijmaken in zaken die de dienaar met zijn eigen kracht en mogelijkheden niet kan verwezenlijken en hem hulp schenken vanuit een plaats die de dienaar niet verwacht.